Zesde Hoofdstuk.

Zesde Hoofdstuk.Zesde Hoofdstuk.Valsche schaamte.Toen Wies de deur der school achter zich had dichtgetrokken, liep ze eenigen tijd als versuft door.Weggestuurd voor den geheelen verderen dag.Waar nu heen?Naar huis en Moeder alles vertellen?Ze zag daar zoo tegen op, ze was zoo bang, dat Moeder aan haar schuld gelooven zou; het was zoo vreeselijk van iets laags verdacht te worden en dat nog wel, nu ze het zoo goed bedoeld had.Zou ze aan Moeder vertellen, waarom ze juffrouw Faber die bloemen gegeven had?Dat zou misschien het beste zijn, maar ze was bang, de woorden niet te kunnen uitspreken, het zou er iets van hebben, alsof ze eens wilde doen uitkomen, hoe edelmoedig ze was, hoe ze kwaad met goed had willen vergelden. Dat had ze ook eigenlijk wel en natuurlijk behoefde ze zich daarover niet te schamen,integendeel, maar om dat nu zelf te vertellen, dat was toch iets, dat ze niet zou kunnen.Hoe laat zou het zijn? Als ze nog anderhalf uur ronddwaalde en dan naar huis ging, zou niemand er iets van merken, dat ze weggestuurd was en als ze dan vanmiddag van twee tot vier weer uitging, behoefden ze er thuis misschien wel nooit iets van te weten.Ze liep maar voort, waar hare voeten haar heendroegen, al maar voort, tot ze bemerkte, dat ze een heel eindje afgedwaald was en zich heelemaal buiten de stad in het bosch bevond.Nu dorst ze niet verder gaan, ze had geen horloge, wist dus niet, hoe laat het was, ze zou maar weer naar de stad terugkeeren, dan zag ze allicht een klok, die haar op de hoogte van den tijd kon brengen.Ze stond een oogenblik stil en keek rond.Wat een heerlijk weer was het, hoe mooi dat lichteffect van de zon door de bebladerde boomtakken en die zonnevlekken op haar pad. Net weer, om je heel gelukkig en vroolijk te voelen. Wat zou ze genoten hebben, als ze nu vandaag vacantie gehad had en hier had kunnen ronddwalen, zonder gekweld te worden door akelige gedachten.Ze was toch een recht ongelukskind.Hare oogen vulden zich met tranen uit louter medelijden met zichzelve.Nu had ze toch heusch haar best gedaan om goed te zijn en nu had ze meer verdriet dan ooit.Ze ging een oogenblik op een bank zitten, ze voelde nu pas, dat ze moe was, ze had ook al een heel eindje geloopen.Zou ze een oogenblikje durven blijven zitten, of zou ze dan te laat thuiskomen?Even maar, ze was zoo moe en zoo warm.Ze droogde hare tranen af en staarde voor zich uit.Wat zongen de vogeltjes mooi in de takken boven haar hoofd, heerlijk om daar naar te luisteren.Ze moest er eigenlijk over nadenken, hoe ze zich nu houden zou, als ze thuis kwam, alles vertellen, of maar net doen, of er niets gebeurd was, maar ze kon niet nalaten naar dat liefelijk gekwinkeleer te luisteren en hare gedachten namen vanzelf een heel andere richting.Een roodborstje wipte over den weg en bleef vlak voor haar staan, haar met zijne zwarte kraaloogjes aanstarend. Ze hield zich doodstil, durfde haast niet ademhalen, ze zou zoo dolgraag willen, dat het nog wat nader kwam. Vlak bij haar lag een stukje brood, dat wilde het zeker zien te pakken, maar aarzelde, omdat het dan zoo dicht bij haar komen moest.Onbeweeglijk zat ze daar en weer tripte het lieve vogeltje nog een beetje nader. Nu had het zijn doel bereikt, nog een paar pasjes …. daar kwam opeens een groote zwarte kraai, die zich zonder bedenken op het stukje brood wierp en het roodborstje vloog verschrikt weg.Met een bitter lachje keek Wies het na.„Hier ook al het recht van den sterkste,” dacht ze, „zoo is het overal. Juffrouw Faber kan me beschuldigen van wat ze wil, zij wordt geloofd, omdat ze de macht in handen heeft, het recht van de sterkste.”Kom, nu moest ze gaan, ze zat hier haar tijd te verknoeien en wie weet hoe laat het al was.Wat zou ze nu thuis zeggen?Ze kon maar geen besluit nemen.Toen ze de stad weer bereikt had, zag ze, dat het al over twaalven was.Ze zette het op een draf, ze kwam bepaald te laat thuis, zou dan een verklaring moeten geven van haar lang wegblijven en wist nog altijd niet, wat ze doen zou.„De waarheid zeggen,” drong haar geweten aan.„Doen alsof er niets gebeurd is, dat is het gemakkelijkst,” ried haar verstand.Zoo kwam ze thuis, gewoon buiten adem van het harde loopenen zag dadelijk, dat het mis was, ze hadden blijkbaar al op haar gewacht.„Kind, wat zie je rood, en je bent heelemaal buiten adem,” zei haar moeder, „waar kom je zoo laat vandaan, heb je weer moeten schoolblijven?”Onwillekeurig knikte Wies van neen, ze kon toch zóó niet jokken.„Niet? Waar ben je dan geweest, je weet, dat ik er zoo op gesteld ben, dat je op tijd thuis bent voor de koffie.”Wies had intusschen haar hoed afgezet en op een stoel gelegd.„Dat is geen plaats voor je hoed, hang hem aan den kapstok en vertel me dan, waar je vandaan komt.”Wies bracht haar hoed weg en ging op haar plaats zitten.„Neen, dat gaat zoo maar niet. Antwoord me eerst, waar kom je vandaan?”„Van school,” mompelde Wies, met een kleur om haar leugen.„Regelrecht van school?”Wies kleurde nog dieper en schudde van neen.„Niet, dat dacht ik wel, je bent ergens anders heen geweest en hebt toen hard geloopen, om niet al te laat thuis te zijn. Maar waar ben je geweest, dat wil ik weten.”Wies kreeg het hoe langer hoe benauwder, wat moest ze nu zeggen.„Kom, antwoord me en de waarheid, als ’t je blieft.”„Als je jokt, leest Moes het op je voorhoofd,” verklaarde Jantje plechtig.„Op je voorhoofd,” herhaalde Stan.Henk begon te lachen, maar Wies hoorde het niet eens.„Ik weet het niet,” fluisterde ze.Nu proestte Henk het uit en de kleintjes lachten hartelijk mee, hoewel ze niet goed begrepen, waarom.Marietje haalde haar schouders op en wees op haar voorhoofd.„Ja, het lijkt wel, of er een van de vijf bij je op den loop is,” beaamde haar moeder. „Nu als ’t je blieft, verder geen gekheid, nog eens, waar kom je vandaan, waar ben je geweest?”„In ’t bosch.”Allen keken even verwonderd.„In ’t bosch,” herhaalde haar moeder en liet er wat driftig op volgen:„Zeg, is het nu uit met die gekheid, het bosch ligt ruim drie kwartier van de school af, je kunt dus onmogelijk in een half uur heen en weer naar het bosch geweest zijn.”„Een van de feeën heeft haar daar heen gedragen,” opperde Henk, maar zijn moeder verzocht hem te zwijgen, ze vond de houding van Wies zoo vreemd, dat ze ongerust werd, over hetgeen er gebeurd kon zijn.„Louise, maak nu de zaak niet erger en vertel me, waar je geweest bent,” drong ze aan.„Werkelijk in het bosch.”Toen voegde ze er nauw verstaanbaar bij:„Ik was weggestuurd van school.”Haar moeder meende haar niet goed verstaan te hebben.„Wat zeg je. Spreek duidelijker.”„Ik was weggestuurd,” herhaalde Wies iets harder.Henk floot zachtjes tusschen zijn tanden.Marietje keek even ontsteld op, maar daarna ging ze door met Jan en Stan om beurten hun boterham in het mondje te werken.Wies ademde eenigszins verlucht. Nu was het er uit, nu kon ze niet meer terug, nu moest er maar van komen, wat wilde.„Weggestuurd,” herhaalde haar moeder, „weggestuurd van school, het is nog al geen kleinigheid, waarom, wat heb je gedaan?”Wies begon te huilen en mompelde iets van bloemen en vaneen spin en van heelemaal geen kwaad bedoeld hebben.Haar moeder begreep er niets van.„Kun je je niet duidelijker uitdrukken, Louise?”Wies’ eenig antwoord bestond in een hevige huilbui. Haar wat overspannen zenuwen ontspanden zich, ze snikte het uit.Haar moeder zweeg eenige oogenblikken.Henk waagde het nu ook niet, gekheid te maken en Marietje keek verschrikt van de een naar de ander, terwijl de kleintjes er niets van begrepen.„Waarom is Wies zoo verdrietig?” vroeg Stan.„Wies is niet verdrietig, Wies is stout,” meende Jan.„Als je me geen duidelijken uitleg kunt geven, zal ik genoodzaakt zijn op school te informeeren,” zei nu mevrouw Schotter. „Mag je vanmiddag weer op school komen?”Wies schudde van neen.„Niet? Voor hoelang ben je dan weggestuurd?” vroeg haar moeder verschrikt.„Voor vandaag.”„Zoo, nu neem dan je boterhammen mee en ga naar je kamertje, je begrijpt wel, dat ik je vandaag niet in den huiselijken kring wil hebben. Neem je breiwerk mee, kom hier, ik zal je een taak opgeven, zorg, dat die af is. Ik zal zelf wel eens gaan hooren, wat er eigenlijk gebeurd is.”Wies nam haar breiwerk op en wilde de kamer verlaten.„Je boterhammen.”„Ik heb geen honger,” en ze haastte zich weg naar boven, naar haar eigen kamertje, waar ze zich veilig voelde.Ze ging op den rand van haar bed zitten en zuchtte diep.Wat zouden ze vanmiddag lekker kwaad van haar spreken tegen Moeder, die Faber zou haar hart ophalen.De directrice misschien ook wel, die geloofde haar immers ook schuldig.Enfin, het kon haar niets meer schelen, iedereen mocht van haar denken, wat ze wilde.Zoo zat ze een poosje stil op haar bed, peinzend over wat ze haar ongelukkig gesternte noemde, waardoor altijd haar goede bedoelingen in de war gestuurd werden. Als Moeder straks bij haar kwam, zou ze natuurlijk ontkennen, de spin expres in de rozen geplaatst te hebben, maar zou Moeder haar gelooven? Och neen, niemand geloofde haar immers, en toch konden ze niet zeggen, dat ze dikwijls jokte, een heel enkel keertje maar, om zich te redden uit moeielijkheden, waarin ze zich telkens bracht en dan deed ze meestal nog zoo onhandig, dat haar leugentje dadelijk doorzien werd.Wat was ze moe, flauw voelde ze zich ook, ze had zoo’n eind geloopen en na vanmorgen acht uur niets meer gegeten. Ze wilde nu wel, dat ze hare boterhammen maar mee gebracht had, maar naar beneden gaan en er om vragen, dat deed ze niet.Zoo op haar bed zittend, legde ze onwilkeurig haar hoofd op het kussen.Hè, heerlijk, even mocht ze rusten, dan zou ze gaan breien, Moeder had haar zooveel opgegeven.Ze bleef dus stil liggen en niet lang daarna sliep ze gerust, doodvermoeid van alles, wat ze dien morgen ondervonden had en van de lange wandeling, die ze gedaan had.Ze werd pas wakker, toen ze een hand op haar schouder voelde, die haar zacht heen en weer schudde.Ze opende haar oogen en zag vaag Henk’s gezicht over zich heen gebogen.„Zeg, wor’ eens wakker.”„Ja,” en met een zucht richtte Wies zich op.„Wat is er?”Henk lachte even.„Ben je nu goed wakker, of niet, kan ik met je praten? Je ziet er zoo suf uit.”„Ja, ik ben wakker. Is Moeder al naar school geweest?”„Natuurlijk, ’t is half vijf. Je hebt uren geslapen.”„Hoe is het mogelijk. En?”„Ja, Moeder weet nu alles.”„Alles, Moeder weet niets.”Henk trok zijne schouders op.Hij stond daar met zijne handen in zijne broekzakken en keek zijn zusje wat spottend aan.„Dacht je, dat ze je zonde voor haar verzwegen hadden? Eerlijk gezegd, vind ik de grap nogal leuk verzonnen, hoe ben je er op gekomen, zeg?”Wies antwoordde niet, ze zat in gedachte.„En wat zegt Moeder?” vroeg ze aarzelend.„Nou, ze is niet weinig boos, ze vindt, dat je valsch gehandeld hebt. Ze neemt de zaak veel te ernstig op, zie je, alsof je niet eens meer een grapje mocht uithalen.”Wies keek naar haar broer.Gek, dat zoo’n jongen zoo iets zoo opnam, als alles werkelijk gegaan was, zooals ze dachten, zou ze het toch een lage aardigheid gevonden hebben.„Maar Henk, ik heb die spin er niet expres in gezet.”„Och kom!”„Heusch niet.”„Ik zou maar uitscheiden met die comedie, je wilt toch zeker niet beweren, dat je Faber die rozen gaf, om haar een plezier te doen.”Wies kleurde.„Dat is het juist,” mompelde ze.Henk keek haar met groote oogen aan, een en al verbazing.„Och kom,” zei hij nog eens.Wies staarde voor zich uit.„Ik zal het je maar bekennen, het is heusch waar, ik dacht, dat het een edele manier was, om me te wreken.”Henk schaterde het uit.„Wies, Wies, wat een type ben je toch, ik geloof waarachtig dat je het meent.”Wies had al spijt, dat ze zich zoo had laten gaan. Het wasniet voor niets geweest, dat ze er tegenop gezien had, de waarheid te zeggen, Henk spotte er blijkbaar al mee.„Je moet niet denken, dat ze je gelooven zullen, als je dat zegt,” beweerde Henk.„Dan laten ze het. Ik ben trouwens niet van plan het te zeggen.”Toen wat aarzelend: „Zeg Henk, geloof jij me ook niet?”Henk wist niet meer, wat hij er van denken moest, die Wies keek hem zoo ernstig, ja zelfs gespannen aan.„Ja, zie je,” zei hij langzaam, „eerst dacht ik, dat je maar wat praatte om je leitje schoon te vegen, maar nu begin ik te gelooven, dat je het meent.”„Natuurlijk meen ik het,” zei Wies en toen ze zag, dat Henk het nog niet geheel met zich zelven eens was, voegde ze er hartstochtelijk bij:„Henk, geloof me, laat er ten minste één zijn, die me gelooft.”Henk was wat verlegen met zijn figuur.Wies scheen wèl de waarheid te spreken en toch ….„Geef je me je eerewoord er op?” vroeg hij.„Ja, op mijn woord van eer, ik heb de waarheid gezegd.”„Goed, ik geloof je.”Wies greep zijn hand en drukte die krachtig.„Dank je,” zei ze.„Maar begrijpen doe ik je niet,” vervolgde Henk.„Dat hoeft ook niet, als je me maar gelooft. Stil, daar komt iemand, zeker Moeder.”„Dan ga ik maar,” en Henk ging naar de deur, waar hij tegen zijn moeder aanliep, die juist binnenkwam.„Wat doe jij hier?” vroeg deze verwonderd.„Even met Wies praten,” en weg was hij.Wies kon het hare moeder aanzien, dat ze echt verdriet had over het gebeurde en viel dadelijk uit:„U behoeft niet zoo verdrietig te kijken, ik heb niets kwaads gedaan!”Haar moeder nam een stoel en ging bij haar zitten.„Hou je een beetje bedaard, Louise. Ik ben bij de directrice geweest en heb ook juffrouw Faber gesproken. Ik ben dus geheel op de hoogte.Wies had haar zitplaats op den rand van haar bed verlaten en stond nu voor haar moeder.„Dat denkt u,” zei ze, „maar u weet niets.”„Weet ik niets? Wat moet ik dan nog meer weten?”„Ik heb het niet expres gedaan.”„Wat, die spin in de rozen gezet? Hoe kwam die daar dan in?”„Hoe kan ik dat nu weten, ik heb ze immers zelf maar gekocht.”Haar moeder keek haar verwonderd aan.„Wil je beweren, dat het geen vooruit verzonnen plagerij is van die spin, maar een toeval?”„Ja juist.”„Ik wilde, dat ik je gelooven kon. Maar waarom heb je dan aan juffrouw Faber die rozen gegeven, je hadt immers pas onaangenaamheden met haar gehad en je beweert altijd, dat je niet van haar houdt.”Wies bloosde en zweeg.Haar moeder keek haar aan en begreep er niets van.Toen greep ze haar hand.„Kind,” zei ze, hartelijker dan ze gewoon was, „zeg me de waarheid. Vertel me eens, waarom heb je die bloemen aan de juffrouw gegeven, als je er niets kwaads mee bedoeld hebt.”Wies lachte zenuwachtig.„Ik heb nog nooit gehoord, dat men iemand bloemen geeft om haar te plagen.”„Win’ je nu maar niet zoo op. Natuurlijk geeft men in gewone gevallen iemand geen bloemen, om haar verdriet te doen, maar dit is een bizonder geval. Je geeft niets om juffrouw Faber, wel?”Wies schudde van neen.„Nu, zie dan zelf, je geeft toch geen bloemen aan iemand, van wie je niet houdt, alleen om haar plezier te doen. Daar zie ik jou tenminste niet toe in staat.”Wies beet hare lippen bijna ten bloede uit zenuwachtigheid.„Neen, natuurlijk niet,” zei ze bitter, „dat spreekt van zelf, tot iets edelmoedigs benikniet in staat.”Haar moeder ging eensklaps een licht op.Weer greep ze de hand van haar dochtertje en haar naar zich toetrekkend, zei ze:„Was het dat werkelijk, Wiesje, wou je wat goedmaken bij juffrouw Faber?”Wies knikte van ja, met een zoo beschaamd gezicht, alsof ze de grootste misdaad opbiechtte.Haar moeder trok haar nu heelemaal op schoot en kuste haar hartelijk.„Dan hebben we ons allemaal in je vergist en het ongelukkige toeval, dat die spin zich daar nu juist in die bloemen bevinden moest, is de schuld van alles. Het spijt me, dat ik je verdacht heb, kind.”Wies keek haar wat verbijsterd aan.„Dus u gelooft me?”„Zeker geloof ik je, ik begrijp nu alles. Morgen ga ik met jemee naar school om ook daar te vertellen, hoe we ons allen in je vergist hebben.”Wies maakte een gebaar van schrik.„Dat nooit, ik zou geen raad weten van verlegenheid. Als u het vertellen wilt, doe het dan, als ’t u blieft, waar ik niet bij ben.”Haar moeder moest lachen.„Wat zijn jullie meisjes toch dwaas, met je valsch schaamte. Daarom heb je de toedracht der zaak zeker ook niet aan de directrice verteld. Ze zei me, je zoo dringend gevraagd te hebben, of je eenige opheldering geven kon.”Wies loosde een diepen zucht.„Ik weet niet, wat ik liever gedaan had, het zou er iets van gehad hebben, of ik mezelf eens in een mooi daglicht wilde stellen. Ik vind het nog afschuwelijk, dat ze nu alles weten moeten, vooral die Faber! Ik heb nu door alles, wat er uit voortgekomen is, een gevoel gekregen, of ik iets heel geks gedaan heb.”„Maar kindje, wat een idee, integendeel, je bent heel lief geweest.”„Heusch, eerlijk gezegd wilde ik, dat het denkbeeld nooit in mijn hoofd was opgekomen. Toe Moes, wilt u als ’t u blieft vragen, of ze geen van allen er meer iets van zeggen willen. Laat iedereen toch doen, of er niets gebeurd is, anders weet ik van verlegenheid niet, waar ik blijven moet.”Haar moeder beloofde haar verzoek over te brengen.„Maar de meisjes,” vroeg ze nog aarzelend, „hoe kunnen die dan te weten komen, dat je niets geen kwaad bedoeld hadt.”Wies maakte een gebaar van schrik.„De meisjes moeten er juist buiten blijven. Die vinden zoo iets zoo erg niet en echt, Moes, ik weet geen raad, als er nog verder over gepraat wordt. Ik zou in staat zijn te zeggen, dat ik het wel gedaan had.”Haar moeder schudde het hoofd.„Kind, kind, wat heb je nog een verkeerde begrippen omtrentrecht en onrecht. Ik begrijp je eigenlijk niet. Je vindt zelf, dat het laag van je geweest zou zijn, als je werkelijk die spin in de rozen gezet hadt, om juffrouw Faber schrik aan te jagen, maar toch heb je liever, dat de meisjes dat van je denken, dan dat ze weten, dat je een goede daad hebt willen doen.”Wies keek nadenkend voor zich.„Ja, ziet u, u hebt gelijk, maar het kan toch niet. U kunt dat zoo niet begrijpen, er zijn er zoo licht bij, die je voor schijnheilig houden, of denken, dat je in een goed blaadje wilt komen. Neen echt, Moes, ik zou geen raad weten, als de zaak verder uitgeplozen werd.”„Nu goed dan, ik zal je je zin geven. Ga nu maar mee naar beneden, het is bijna etenstijd.”„Zeg u beneden ook niets?” vroeg Wies.„Neen, dat kan ik niet beloven.”„Toe, zeg u dan alleen, dat alles opgehelderd is en ik geen schuld heb. Doet u het?”Dat wilde haar moeder dan wel beloven en tot niet geringe verwondering van de reeds in de eetkamer verzamelde kinderen, kwamen moeder en dochter gearmd binnen en verklaarde de eerste, dat alles in orde was en het geval op een misverstand berust had.

Zesde Hoofdstuk.Zesde Hoofdstuk.Valsche schaamte.Toen Wies de deur der school achter zich had dichtgetrokken, liep ze eenigen tijd als versuft door.Weggestuurd voor den geheelen verderen dag.Waar nu heen?Naar huis en Moeder alles vertellen?Ze zag daar zoo tegen op, ze was zoo bang, dat Moeder aan haar schuld gelooven zou; het was zoo vreeselijk van iets laags verdacht te worden en dat nog wel, nu ze het zoo goed bedoeld had.Zou ze aan Moeder vertellen, waarom ze juffrouw Faber die bloemen gegeven had?Dat zou misschien het beste zijn, maar ze was bang, de woorden niet te kunnen uitspreken, het zou er iets van hebben, alsof ze eens wilde doen uitkomen, hoe edelmoedig ze was, hoe ze kwaad met goed had willen vergelden. Dat had ze ook eigenlijk wel en natuurlijk behoefde ze zich daarover niet te schamen,integendeel, maar om dat nu zelf te vertellen, dat was toch iets, dat ze niet zou kunnen.Hoe laat zou het zijn? Als ze nog anderhalf uur ronddwaalde en dan naar huis ging, zou niemand er iets van merken, dat ze weggestuurd was en als ze dan vanmiddag van twee tot vier weer uitging, behoefden ze er thuis misschien wel nooit iets van te weten.Ze liep maar voort, waar hare voeten haar heendroegen, al maar voort, tot ze bemerkte, dat ze een heel eindje afgedwaald was en zich heelemaal buiten de stad in het bosch bevond.Nu dorst ze niet verder gaan, ze had geen horloge, wist dus niet, hoe laat het was, ze zou maar weer naar de stad terugkeeren, dan zag ze allicht een klok, die haar op de hoogte van den tijd kon brengen.Ze stond een oogenblik stil en keek rond.Wat een heerlijk weer was het, hoe mooi dat lichteffect van de zon door de bebladerde boomtakken en die zonnevlekken op haar pad. Net weer, om je heel gelukkig en vroolijk te voelen. Wat zou ze genoten hebben, als ze nu vandaag vacantie gehad had en hier had kunnen ronddwalen, zonder gekweld te worden door akelige gedachten.Ze was toch een recht ongelukskind.Hare oogen vulden zich met tranen uit louter medelijden met zichzelve.Nu had ze toch heusch haar best gedaan om goed te zijn en nu had ze meer verdriet dan ooit.Ze ging een oogenblik op een bank zitten, ze voelde nu pas, dat ze moe was, ze had ook al een heel eindje geloopen.Zou ze een oogenblikje durven blijven zitten, of zou ze dan te laat thuiskomen?Even maar, ze was zoo moe en zoo warm.Ze droogde hare tranen af en staarde voor zich uit.Wat zongen de vogeltjes mooi in de takken boven haar hoofd, heerlijk om daar naar te luisteren.Ze moest er eigenlijk over nadenken, hoe ze zich nu houden zou, als ze thuis kwam, alles vertellen, of maar net doen, of er niets gebeurd was, maar ze kon niet nalaten naar dat liefelijk gekwinkeleer te luisteren en hare gedachten namen vanzelf een heel andere richting.Een roodborstje wipte over den weg en bleef vlak voor haar staan, haar met zijne zwarte kraaloogjes aanstarend. Ze hield zich doodstil, durfde haast niet ademhalen, ze zou zoo dolgraag willen, dat het nog wat nader kwam. Vlak bij haar lag een stukje brood, dat wilde het zeker zien te pakken, maar aarzelde, omdat het dan zoo dicht bij haar komen moest.Onbeweeglijk zat ze daar en weer tripte het lieve vogeltje nog een beetje nader. Nu had het zijn doel bereikt, nog een paar pasjes …. daar kwam opeens een groote zwarte kraai, die zich zonder bedenken op het stukje brood wierp en het roodborstje vloog verschrikt weg.Met een bitter lachje keek Wies het na.„Hier ook al het recht van den sterkste,” dacht ze, „zoo is het overal. Juffrouw Faber kan me beschuldigen van wat ze wil, zij wordt geloofd, omdat ze de macht in handen heeft, het recht van de sterkste.”Kom, nu moest ze gaan, ze zat hier haar tijd te verknoeien en wie weet hoe laat het al was.Wat zou ze nu thuis zeggen?Ze kon maar geen besluit nemen.Toen ze de stad weer bereikt had, zag ze, dat het al over twaalven was.Ze zette het op een draf, ze kwam bepaald te laat thuis, zou dan een verklaring moeten geven van haar lang wegblijven en wist nog altijd niet, wat ze doen zou.„De waarheid zeggen,” drong haar geweten aan.„Doen alsof er niets gebeurd is, dat is het gemakkelijkst,” ried haar verstand.Zoo kwam ze thuis, gewoon buiten adem van het harde loopenen zag dadelijk, dat het mis was, ze hadden blijkbaar al op haar gewacht.„Kind, wat zie je rood, en je bent heelemaal buiten adem,” zei haar moeder, „waar kom je zoo laat vandaan, heb je weer moeten schoolblijven?”Onwillekeurig knikte Wies van neen, ze kon toch zóó niet jokken.„Niet? Waar ben je dan geweest, je weet, dat ik er zoo op gesteld ben, dat je op tijd thuis bent voor de koffie.”Wies had intusschen haar hoed afgezet en op een stoel gelegd.„Dat is geen plaats voor je hoed, hang hem aan den kapstok en vertel me dan, waar je vandaan komt.”Wies bracht haar hoed weg en ging op haar plaats zitten.„Neen, dat gaat zoo maar niet. Antwoord me eerst, waar kom je vandaan?”„Van school,” mompelde Wies, met een kleur om haar leugen.„Regelrecht van school?”Wies kleurde nog dieper en schudde van neen.„Niet, dat dacht ik wel, je bent ergens anders heen geweest en hebt toen hard geloopen, om niet al te laat thuis te zijn. Maar waar ben je geweest, dat wil ik weten.”Wies kreeg het hoe langer hoe benauwder, wat moest ze nu zeggen.„Kom, antwoord me en de waarheid, als ’t je blieft.”„Als je jokt, leest Moes het op je voorhoofd,” verklaarde Jantje plechtig.„Op je voorhoofd,” herhaalde Stan.Henk begon te lachen, maar Wies hoorde het niet eens.„Ik weet het niet,” fluisterde ze.Nu proestte Henk het uit en de kleintjes lachten hartelijk mee, hoewel ze niet goed begrepen, waarom.Marietje haalde haar schouders op en wees op haar voorhoofd.„Ja, het lijkt wel, of er een van de vijf bij je op den loop is,” beaamde haar moeder. „Nu als ’t je blieft, verder geen gekheid, nog eens, waar kom je vandaan, waar ben je geweest?”„In ’t bosch.”Allen keken even verwonderd.„In ’t bosch,” herhaalde haar moeder en liet er wat driftig op volgen:„Zeg, is het nu uit met die gekheid, het bosch ligt ruim drie kwartier van de school af, je kunt dus onmogelijk in een half uur heen en weer naar het bosch geweest zijn.”„Een van de feeën heeft haar daar heen gedragen,” opperde Henk, maar zijn moeder verzocht hem te zwijgen, ze vond de houding van Wies zoo vreemd, dat ze ongerust werd, over hetgeen er gebeurd kon zijn.„Louise, maak nu de zaak niet erger en vertel me, waar je geweest bent,” drong ze aan.„Werkelijk in het bosch.”Toen voegde ze er nauw verstaanbaar bij:„Ik was weggestuurd van school.”Haar moeder meende haar niet goed verstaan te hebben.„Wat zeg je. Spreek duidelijker.”„Ik was weggestuurd,” herhaalde Wies iets harder.Henk floot zachtjes tusschen zijn tanden.Marietje keek even ontsteld op, maar daarna ging ze door met Jan en Stan om beurten hun boterham in het mondje te werken.Wies ademde eenigszins verlucht. Nu was het er uit, nu kon ze niet meer terug, nu moest er maar van komen, wat wilde.„Weggestuurd,” herhaalde haar moeder, „weggestuurd van school, het is nog al geen kleinigheid, waarom, wat heb je gedaan?”Wies begon te huilen en mompelde iets van bloemen en vaneen spin en van heelemaal geen kwaad bedoeld hebben.Haar moeder begreep er niets van.„Kun je je niet duidelijker uitdrukken, Louise?”Wies’ eenig antwoord bestond in een hevige huilbui. Haar wat overspannen zenuwen ontspanden zich, ze snikte het uit.Haar moeder zweeg eenige oogenblikken.Henk waagde het nu ook niet, gekheid te maken en Marietje keek verschrikt van de een naar de ander, terwijl de kleintjes er niets van begrepen.„Waarom is Wies zoo verdrietig?” vroeg Stan.„Wies is niet verdrietig, Wies is stout,” meende Jan.„Als je me geen duidelijken uitleg kunt geven, zal ik genoodzaakt zijn op school te informeeren,” zei nu mevrouw Schotter. „Mag je vanmiddag weer op school komen?”Wies schudde van neen.„Niet? Voor hoelang ben je dan weggestuurd?” vroeg haar moeder verschrikt.„Voor vandaag.”„Zoo, nu neem dan je boterhammen mee en ga naar je kamertje, je begrijpt wel, dat ik je vandaag niet in den huiselijken kring wil hebben. Neem je breiwerk mee, kom hier, ik zal je een taak opgeven, zorg, dat die af is. Ik zal zelf wel eens gaan hooren, wat er eigenlijk gebeurd is.”Wies nam haar breiwerk op en wilde de kamer verlaten.„Je boterhammen.”„Ik heb geen honger,” en ze haastte zich weg naar boven, naar haar eigen kamertje, waar ze zich veilig voelde.Ze ging op den rand van haar bed zitten en zuchtte diep.Wat zouden ze vanmiddag lekker kwaad van haar spreken tegen Moeder, die Faber zou haar hart ophalen.De directrice misschien ook wel, die geloofde haar immers ook schuldig.Enfin, het kon haar niets meer schelen, iedereen mocht van haar denken, wat ze wilde.Zoo zat ze een poosje stil op haar bed, peinzend over wat ze haar ongelukkig gesternte noemde, waardoor altijd haar goede bedoelingen in de war gestuurd werden. Als Moeder straks bij haar kwam, zou ze natuurlijk ontkennen, de spin expres in de rozen geplaatst te hebben, maar zou Moeder haar gelooven? Och neen, niemand geloofde haar immers, en toch konden ze niet zeggen, dat ze dikwijls jokte, een heel enkel keertje maar, om zich te redden uit moeielijkheden, waarin ze zich telkens bracht en dan deed ze meestal nog zoo onhandig, dat haar leugentje dadelijk doorzien werd.Wat was ze moe, flauw voelde ze zich ook, ze had zoo’n eind geloopen en na vanmorgen acht uur niets meer gegeten. Ze wilde nu wel, dat ze hare boterhammen maar mee gebracht had, maar naar beneden gaan en er om vragen, dat deed ze niet.Zoo op haar bed zittend, legde ze onwilkeurig haar hoofd op het kussen.Hè, heerlijk, even mocht ze rusten, dan zou ze gaan breien, Moeder had haar zooveel opgegeven.Ze bleef dus stil liggen en niet lang daarna sliep ze gerust, doodvermoeid van alles, wat ze dien morgen ondervonden had en van de lange wandeling, die ze gedaan had.Ze werd pas wakker, toen ze een hand op haar schouder voelde, die haar zacht heen en weer schudde.Ze opende haar oogen en zag vaag Henk’s gezicht over zich heen gebogen.„Zeg, wor’ eens wakker.”„Ja,” en met een zucht richtte Wies zich op.„Wat is er?”Henk lachte even.„Ben je nu goed wakker, of niet, kan ik met je praten? Je ziet er zoo suf uit.”„Ja, ik ben wakker. Is Moeder al naar school geweest?”„Natuurlijk, ’t is half vijf. Je hebt uren geslapen.”„Hoe is het mogelijk. En?”„Ja, Moeder weet nu alles.”„Alles, Moeder weet niets.”Henk trok zijne schouders op.Hij stond daar met zijne handen in zijne broekzakken en keek zijn zusje wat spottend aan.„Dacht je, dat ze je zonde voor haar verzwegen hadden? Eerlijk gezegd, vind ik de grap nogal leuk verzonnen, hoe ben je er op gekomen, zeg?”Wies antwoordde niet, ze zat in gedachte.„En wat zegt Moeder?” vroeg ze aarzelend.„Nou, ze is niet weinig boos, ze vindt, dat je valsch gehandeld hebt. Ze neemt de zaak veel te ernstig op, zie je, alsof je niet eens meer een grapje mocht uithalen.”Wies keek naar haar broer.Gek, dat zoo’n jongen zoo iets zoo opnam, als alles werkelijk gegaan was, zooals ze dachten, zou ze het toch een lage aardigheid gevonden hebben.„Maar Henk, ik heb die spin er niet expres in gezet.”„Och kom!”„Heusch niet.”„Ik zou maar uitscheiden met die comedie, je wilt toch zeker niet beweren, dat je Faber die rozen gaf, om haar een plezier te doen.”Wies kleurde.„Dat is het juist,” mompelde ze.Henk keek haar met groote oogen aan, een en al verbazing.„Och kom,” zei hij nog eens.Wies staarde voor zich uit.„Ik zal het je maar bekennen, het is heusch waar, ik dacht, dat het een edele manier was, om me te wreken.”Henk schaterde het uit.„Wies, Wies, wat een type ben je toch, ik geloof waarachtig dat je het meent.”Wies had al spijt, dat ze zich zoo had laten gaan. Het wasniet voor niets geweest, dat ze er tegenop gezien had, de waarheid te zeggen, Henk spotte er blijkbaar al mee.„Je moet niet denken, dat ze je gelooven zullen, als je dat zegt,” beweerde Henk.„Dan laten ze het. Ik ben trouwens niet van plan het te zeggen.”Toen wat aarzelend: „Zeg Henk, geloof jij me ook niet?”Henk wist niet meer, wat hij er van denken moest, die Wies keek hem zoo ernstig, ja zelfs gespannen aan.„Ja, zie je,” zei hij langzaam, „eerst dacht ik, dat je maar wat praatte om je leitje schoon te vegen, maar nu begin ik te gelooven, dat je het meent.”„Natuurlijk meen ik het,” zei Wies en toen ze zag, dat Henk het nog niet geheel met zich zelven eens was, voegde ze er hartstochtelijk bij:„Henk, geloof me, laat er ten minste één zijn, die me gelooft.”Henk was wat verlegen met zijn figuur.Wies scheen wèl de waarheid te spreken en toch ….„Geef je me je eerewoord er op?” vroeg hij.„Ja, op mijn woord van eer, ik heb de waarheid gezegd.”„Goed, ik geloof je.”Wies greep zijn hand en drukte die krachtig.„Dank je,” zei ze.„Maar begrijpen doe ik je niet,” vervolgde Henk.„Dat hoeft ook niet, als je me maar gelooft. Stil, daar komt iemand, zeker Moeder.”„Dan ga ik maar,” en Henk ging naar de deur, waar hij tegen zijn moeder aanliep, die juist binnenkwam.„Wat doe jij hier?” vroeg deze verwonderd.„Even met Wies praten,” en weg was hij.Wies kon het hare moeder aanzien, dat ze echt verdriet had over het gebeurde en viel dadelijk uit:„U behoeft niet zoo verdrietig te kijken, ik heb niets kwaads gedaan!”Haar moeder nam een stoel en ging bij haar zitten.„Hou je een beetje bedaard, Louise. Ik ben bij de directrice geweest en heb ook juffrouw Faber gesproken. Ik ben dus geheel op de hoogte.Wies had haar zitplaats op den rand van haar bed verlaten en stond nu voor haar moeder.„Dat denkt u,” zei ze, „maar u weet niets.”„Weet ik niets? Wat moet ik dan nog meer weten?”„Ik heb het niet expres gedaan.”„Wat, die spin in de rozen gezet? Hoe kwam die daar dan in?”„Hoe kan ik dat nu weten, ik heb ze immers zelf maar gekocht.”Haar moeder keek haar verwonderd aan.„Wil je beweren, dat het geen vooruit verzonnen plagerij is van die spin, maar een toeval?”„Ja juist.”„Ik wilde, dat ik je gelooven kon. Maar waarom heb je dan aan juffrouw Faber die rozen gegeven, je hadt immers pas onaangenaamheden met haar gehad en je beweert altijd, dat je niet van haar houdt.”Wies bloosde en zweeg.Haar moeder keek haar aan en begreep er niets van.Toen greep ze haar hand.„Kind,” zei ze, hartelijker dan ze gewoon was, „zeg me de waarheid. Vertel me eens, waarom heb je die bloemen aan de juffrouw gegeven, als je er niets kwaads mee bedoeld hebt.”Wies lachte zenuwachtig.„Ik heb nog nooit gehoord, dat men iemand bloemen geeft om haar te plagen.”„Win’ je nu maar niet zoo op. Natuurlijk geeft men in gewone gevallen iemand geen bloemen, om haar verdriet te doen, maar dit is een bizonder geval. Je geeft niets om juffrouw Faber, wel?”Wies schudde van neen.„Nu, zie dan zelf, je geeft toch geen bloemen aan iemand, van wie je niet houdt, alleen om haar plezier te doen. Daar zie ik jou tenminste niet toe in staat.”Wies beet hare lippen bijna ten bloede uit zenuwachtigheid.„Neen, natuurlijk niet,” zei ze bitter, „dat spreekt van zelf, tot iets edelmoedigs benikniet in staat.”Haar moeder ging eensklaps een licht op.Weer greep ze de hand van haar dochtertje en haar naar zich toetrekkend, zei ze:„Was het dat werkelijk, Wiesje, wou je wat goedmaken bij juffrouw Faber?”Wies knikte van ja, met een zoo beschaamd gezicht, alsof ze de grootste misdaad opbiechtte.Haar moeder trok haar nu heelemaal op schoot en kuste haar hartelijk.„Dan hebben we ons allemaal in je vergist en het ongelukkige toeval, dat die spin zich daar nu juist in die bloemen bevinden moest, is de schuld van alles. Het spijt me, dat ik je verdacht heb, kind.”Wies keek haar wat verbijsterd aan.„Dus u gelooft me?”„Zeker geloof ik je, ik begrijp nu alles. Morgen ga ik met jemee naar school om ook daar te vertellen, hoe we ons allen in je vergist hebben.”Wies maakte een gebaar van schrik.„Dat nooit, ik zou geen raad weten van verlegenheid. Als u het vertellen wilt, doe het dan, als ’t u blieft, waar ik niet bij ben.”Haar moeder moest lachen.„Wat zijn jullie meisjes toch dwaas, met je valsch schaamte. Daarom heb je de toedracht der zaak zeker ook niet aan de directrice verteld. Ze zei me, je zoo dringend gevraagd te hebben, of je eenige opheldering geven kon.”Wies loosde een diepen zucht.„Ik weet niet, wat ik liever gedaan had, het zou er iets van gehad hebben, of ik mezelf eens in een mooi daglicht wilde stellen. Ik vind het nog afschuwelijk, dat ze nu alles weten moeten, vooral die Faber! Ik heb nu door alles, wat er uit voortgekomen is, een gevoel gekregen, of ik iets heel geks gedaan heb.”„Maar kindje, wat een idee, integendeel, je bent heel lief geweest.”„Heusch, eerlijk gezegd wilde ik, dat het denkbeeld nooit in mijn hoofd was opgekomen. Toe Moes, wilt u als ’t u blieft vragen, of ze geen van allen er meer iets van zeggen willen. Laat iedereen toch doen, of er niets gebeurd is, anders weet ik van verlegenheid niet, waar ik blijven moet.”Haar moeder beloofde haar verzoek over te brengen.„Maar de meisjes,” vroeg ze nog aarzelend, „hoe kunnen die dan te weten komen, dat je niets geen kwaad bedoeld hadt.”Wies maakte een gebaar van schrik.„De meisjes moeten er juist buiten blijven. Die vinden zoo iets zoo erg niet en echt, Moes, ik weet geen raad, als er nog verder over gepraat wordt. Ik zou in staat zijn te zeggen, dat ik het wel gedaan had.”Haar moeder schudde het hoofd.„Kind, kind, wat heb je nog een verkeerde begrippen omtrentrecht en onrecht. Ik begrijp je eigenlijk niet. Je vindt zelf, dat het laag van je geweest zou zijn, als je werkelijk die spin in de rozen gezet hadt, om juffrouw Faber schrik aan te jagen, maar toch heb je liever, dat de meisjes dat van je denken, dan dat ze weten, dat je een goede daad hebt willen doen.”Wies keek nadenkend voor zich.„Ja, ziet u, u hebt gelijk, maar het kan toch niet. U kunt dat zoo niet begrijpen, er zijn er zoo licht bij, die je voor schijnheilig houden, of denken, dat je in een goed blaadje wilt komen. Neen echt, Moes, ik zou geen raad weten, als de zaak verder uitgeplozen werd.”„Nu goed dan, ik zal je je zin geven. Ga nu maar mee naar beneden, het is bijna etenstijd.”„Zeg u beneden ook niets?” vroeg Wies.„Neen, dat kan ik niet beloven.”„Toe, zeg u dan alleen, dat alles opgehelderd is en ik geen schuld heb. Doet u het?”Dat wilde haar moeder dan wel beloven en tot niet geringe verwondering van de reeds in de eetkamer verzamelde kinderen, kwamen moeder en dochter gearmd binnen en verklaarde de eerste, dat alles in orde was en het geval op een misverstand berust had.

Zesde Hoofdstuk.Zesde Hoofdstuk.Valsche schaamte.

Zesde Hoofdstuk.

Toen Wies de deur der school achter zich had dichtgetrokken, liep ze eenigen tijd als versuft door.Weggestuurd voor den geheelen verderen dag.Waar nu heen?Naar huis en Moeder alles vertellen?Ze zag daar zoo tegen op, ze was zoo bang, dat Moeder aan haar schuld gelooven zou; het was zoo vreeselijk van iets laags verdacht te worden en dat nog wel, nu ze het zoo goed bedoeld had.Zou ze aan Moeder vertellen, waarom ze juffrouw Faber die bloemen gegeven had?Dat zou misschien het beste zijn, maar ze was bang, de woorden niet te kunnen uitspreken, het zou er iets van hebben, alsof ze eens wilde doen uitkomen, hoe edelmoedig ze was, hoe ze kwaad met goed had willen vergelden. Dat had ze ook eigenlijk wel en natuurlijk behoefde ze zich daarover niet te schamen,integendeel, maar om dat nu zelf te vertellen, dat was toch iets, dat ze niet zou kunnen.Hoe laat zou het zijn? Als ze nog anderhalf uur ronddwaalde en dan naar huis ging, zou niemand er iets van merken, dat ze weggestuurd was en als ze dan vanmiddag van twee tot vier weer uitging, behoefden ze er thuis misschien wel nooit iets van te weten.Ze liep maar voort, waar hare voeten haar heendroegen, al maar voort, tot ze bemerkte, dat ze een heel eindje afgedwaald was en zich heelemaal buiten de stad in het bosch bevond.Nu dorst ze niet verder gaan, ze had geen horloge, wist dus niet, hoe laat het was, ze zou maar weer naar de stad terugkeeren, dan zag ze allicht een klok, die haar op de hoogte van den tijd kon brengen.Ze stond een oogenblik stil en keek rond.Wat een heerlijk weer was het, hoe mooi dat lichteffect van de zon door de bebladerde boomtakken en die zonnevlekken op haar pad. Net weer, om je heel gelukkig en vroolijk te voelen. Wat zou ze genoten hebben, als ze nu vandaag vacantie gehad had en hier had kunnen ronddwalen, zonder gekweld te worden door akelige gedachten.Ze was toch een recht ongelukskind.Hare oogen vulden zich met tranen uit louter medelijden met zichzelve.Nu had ze toch heusch haar best gedaan om goed te zijn en nu had ze meer verdriet dan ooit.Ze ging een oogenblik op een bank zitten, ze voelde nu pas, dat ze moe was, ze had ook al een heel eindje geloopen.Zou ze een oogenblikje durven blijven zitten, of zou ze dan te laat thuiskomen?Even maar, ze was zoo moe en zoo warm.Ze droogde hare tranen af en staarde voor zich uit.Wat zongen de vogeltjes mooi in de takken boven haar hoofd, heerlijk om daar naar te luisteren.Ze moest er eigenlijk over nadenken, hoe ze zich nu houden zou, als ze thuis kwam, alles vertellen, of maar net doen, of er niets gebeurd was, maar ze kon niet nalaten naar dat liefelijk gekwinkeleer te luisteren en hare gedachten namen vanzelf een heel andere richting.Een roodborstje wipte over den weg en bleef vlak voor haar staan, haar met zijne zwarte kraaloogjes aanstarend. Ze hield zich doodstil, durfde haast niet ademhalen, ze zou zoo dolgraag willen, dat het nog wat nader kwam. Vlak bij haar lag een stukje brood, dat wilde het zeker zien te pakken, maar aarzelde, omdat het dan zoo dicht bij haar komen moest.Onbeweeglijk zat ze daar en weer tripte het lieve vogeltje nog een beetje nader. Nu had het zijn doel bereikt, nog een paar pasjes …. daar kwam opeens een groote zwarte kraai, die zich zonder bedenken op het stukje brood wierp en het roodborstje vloog verschrikt weg.Met een bitter lachje keek Wies het na.„Hier ook al het recht van den sterkste,” dacht ze, „zoo is het overal. Juffrouw Faber kan me beschuldigen van wat ze wil, zij wordt geloofd, omdat ze de macht in handen heeft, het recht van de sterkste.”Kom, nu moest ze gaan, ze zat hier haar tijd te verknoeien en wie weet hoe laat het al was.Wat zou ze nu thuis zeggen?Ze kon maar geen besluit nemen.Toen ze de stad weer bereikt had, zag ze, dat het al over twaalven was.Ze zette het op een draf, ze kwam bepaald te laat thuis, zou dan een verklaring moeten geven van haar lang wegblijven en wist nog altijd niet, wat ze doen zou.„De waarheid zeggen,” drong haar geweten aan.„Doen alsof er niets gebeurd is, dat is het gemakkelijkst,” ried haar verstand.Zoo kwam ze thuis, gewoon buiten adem van het harde loopenen zag dadelijk, dat het mis was, ze hadden blijkbaar al op haar gewacht.„Kind, wat zie je rood, en je bent heelemaal buiten adem,” zei haar moeder, „waar kom je zoo laat vandaan, heb je weer moeten schoolblijven?”Onwillekeurig knikte Wies van neen, ze kon toch zóó niet jokken.„Niet? Waar ben je dan geweest, je weet, dat ik er zoo op gesteld ben, dat je op tijd thuis bent voor de koffie.”Wies had intusschen haar hoed afgezet en op een stoel gelegd.„Dat is geen plaats voor je hoed, hang hem aan den kapstok en vertel me dan, waar je vandaan komt.”Wies bracht haar hoed weg en ging op haar plaats zitten.„Neen, dat gaat zoo maar niet. Antwoord me eerst, waar kom je vandaan?”„Van school,” mompelde Wies, met een kleur om haar leugen.„Regelrecht van school?”Wies kleurde nog dieper en schudde van neen.„Niet, dat dacht ik wel, je bent ergens anders heen geweest en hebt toen hard geloopen, om niet al te laat thuis te zijn. Maar waar ben je geweest, dat wil ik weten.”Wies kreeg het hoe langer hoe benauwder, wat moest ze nu zeggen.„Kom, antwoord me en de waarheid, als ’t je blieft.”„Als je jokt, leest Moes het op je voorhoofd,” verklaarde Jantje plechtig.„Op je voorhoofd,” herhaalde Stan.Henk begon te lachen, maar Wies hoorde het niet eens.„Ik weet het niet,” fluisterde ze.Nu proestte Henk het uit en de kleintjes lachten hartelijk mee, hoewel ze niet goed begrepen, waarom.Marietje haalde haar schouders op en wees op haar voorhoofd.„Ja, het lijkt wel, of er een van de vijf bij je op den loop is,” beaamde haar moeder. „Nu als ’t je blieft, verder geen gekheid, nog eens, waar kom je vandaan, waar ben je geweest?”„In ’t bosch.”Allen keken even verwonderd.„In ’t bosch,” herhaalde haar moeder en liet er wat driftig op volgen:„Zeg, is het nu uit met die gekheid, het bosch ligt ruim drie kwartier van de school af, je kunt dus onmogelijk in een half uur heen en weer naar het bosch geweest zijn.”„Een van de feeën heeft haar daar heen gedragen,” opperde Henk, maar zijn moeder verzocht hem te zwijgen, ze vond de houding van Wies zoo vreemd, dat ze ongerust werd, over hetgeen er gebeurd kon zijn.„Louise, maak nu de zaak niet erger en vertel me, waar je geweest bent,” drong ze aan.„Werkelijk in het bosch.”Toen voegde ze er nauw verstaanbaar bij:„Ik was weggestuurd van school.”Haar moeder meende haar niet goed verstaan te hebben.„Wat zeg je. Spreek duidelijker.”„Ik was weggestuurd,” herhaalde Wies iets harder.Henk floot zachtjes tusschen zijn tanden.Marietje keek even ontsteld op, maar daarna ging ze door met Jan en Stan om beurten hun boterham in het mondje te werken.Wies ademde eenigszins verlucht. Nu was het er uit, nu kon ze niet meer terug, nu moest er maar van komen, wat wilde.„Weggestuurd,” herhaalde haar moeder, „weggestuurd van school, het is nog al geen kleinigheid, waarom, wat heb je gedaan?”Wies begon te huilen en mompelde iets van bloemen en vaneen spin en van heelemaal geen kwaad bedoeld hebben.Haar moeder begreep er niets van.„Kun je je niet duidelijker uitdrukken, Louise?”Wies’ eenig antwoord bestond in een hevige huilbui. Haar wat overspannen zenuwen ontspanden zich, ze snikte het uit.Haar moeder zweeg eenige oogenblikken.Henk waagde het nu ook niet, gekheid te maken en Marietje keek verschrikt van de een naar de ander, terwijl de kleintjes er niets van begrepen.„Waarom is Wies zoo verdrietig?” vroeg Stan.„Wies is niet verdrietig, Wies is stout,” meende Jan.„Als je me geen duidelijken uitleg kunt geven, zal ik genoodzaakt zijn op school te informeeren,” zei nu mevrouw Schotter. „Mag je vanmiddag weer op school komen?”Wies schudde van neen.„Niet? Voor hoelang ben je dan weggestuurd?” vroeg haar moeder verschrikt.„Voor vandaag.”„Zoo, nu neem dan je boterhammen mee en ga naar je kamertje, je begrijpt wel, dat ik je vandaag niet in den huiselijken kring wil hebben. Neem je breiwerk mee, kom hier, ik zal je een taak opgeven, zorg, dat die af is. Ik zal zelf wel eens gaan hooren, wat er eigenlijk gebeurd is.”Wies nam haar breiwerk op en wilde de kamer verlaten.„Je boterhammen.”„Ik heb geen honger,” en ze haastte zich weg naar boven, naar haar eigen kamertje, waar ze zich veilig voelde.Ze ging op den rand van haar bed zitten en zuchtte diep.Wat zouden ze vanmiddag lekker kwaad van haar spreken tegen Moeder, die Faber zou haar hart ophalen.De directrice misschien ook wel, die geloofde haar immers ook schuldig.Enfin, het kon haar niets meer schelen, iedereen mocht van haar denken, wat ze wilde.Zoo zat ze een poosje stil op haar bed, peinzend over wat ze haar ongelukkig gesternte noemde, waardoor altijd haar goede bedoelingen in de war gestuurd werden. Als Moeder straks bij haar kwam, zou ze natuurlijk ontkennen, de spin expres in de rozen geplaatst te hebben, maar zou Moeder haar gelooven? Och neen, niemand geloofde haar immers, en toch konden ze niet zeggen, dat ze dikwijls jokte, een heel enkel keertje maar, om zich te redden uit moeielijkheden, waarin ze zich telkens bracht en dan deed ze meestal nog zoo onhandig, dat haar leugentje dadelijk doorzien werd.Wat was ze moe, flauw voelde ze zich ook, ze had zoo’n eind geloopen en na vanmorgen acht uur niets meer gegeten. Ze wilde nu wel, dat ze hare boterhammen maar mee gebracht had, maar naar beneden gaan en er om vragen, dat deed ze niet.Zoo op haar bed zittend, legde ze onwilkeurig haar hoofd op het kussen.Hè, heerlijk, even mocht ze rusten, dan zou ze gaan breien, Moeder had haar zooveel opgegeven.Ze bleef dus stil liggen en niet lang daarna sliep ze gerust, doodvermoeid van alles, wat ze dien morgen ondervonden had en van de lange wandeling, die ze gedaan had.Ze werd pas wakker, toen ze een hand op haar schouder voelde, die haar zacht heen en weer schudde.Ze opende haar oogen en zag vaag Henk’s gezicht over zich heen gebogen.„Zeg, wor’ eens wakker.”„Ja,” en met een zucht richtte Wies zich op.„Wat is er?”Henk lachte even.„Ben je nu goed wakker, of niet, kan ik met je praten? Je ziet er zoo suf uit.”„Ja, ik ben wakker. Is Moeder al naar school geweest?”„Natuurlijk, ’t is half vijf. Je hebt uren geslapen.”„Hoe is het mogelijk. En?”„Ja, Moeder weet nu alles.”„Alles, Moeder weet niets.”Henk trok zijne schouders op.Hij stond daar met zijne handen in zijne broekzakken en keek zijn zusje wat spottend aan.„Dacht je, dat ze je zonde voor haar verzwegen hadden? Eerlijk gezegd, vind ik de grap nogal leuk verzonnen, hoe ben je er op gekomen, zeg?”Wies antwoordde niet, ze zat in gedachte.„En wat zegt Moeder?” vroeg ze aarzelend.„Nou, ze is niet weinig boos, ze vindt, dat je valsch gehandeld hebt. Ze neemt de zaak veel te ernstig op, zie je, alsof je niet eens meer een grapje mocht uithalen.”Wies keek naar haar broer.Gek, dat zoo’n jongen zoo iets zoo opnam, als alles werkelijk gegaan was, zooals ze dachten, zou ze het toch een lage aardigheid gevonden hebben.„Maar Henk, ik heb die spin er niet expres in gezet.”„Och kom!”„Heusch niet.”„Ik zou maar uitscheiden met die comedie, je wilt toch zeker niet beweren, dat je Faber die rozen gaf, om haar een plezier te doen.”Wies kleurde.„Dat is het juist,” mompelde ze.Henk keek haar met groote oogen aan, een en al verbazing.„Och kom,” zei hij nog eens.Wies staarde voor zich uit.„Ik zal het je maar bekennen, het is heusch waar, ik dacht, dat het een edele manier was, om me te wreken.”Henk schaterde het uit.„Wies, Wies, wat een type ben je toch, ik geloof waarachtig dat je het meent.”Wies had al spijt, dat ze zich zoo had laten gaan. Het wasniet voor niets geweest, dat ze er tegenop gezien had, de waarheid te zeggen, Henk spotte er blijkbaar al mee.„Je moet niet denken, dat ze je gelooven zullen, als je dat zegt,” beweerde Henk.„Dan laten ze het. Ik ben trouwens niet van plan het te zeggen.”Toen wat aarzelend: „Zeg Henk, geloof jij me ook niet?”Henk wist niet meer, wat hij er van denken moest, die Wies keek hem zoo ernstig, ja zelfs gespannen aan.„Ja, zie je,” zei hij langzaam, „eerst dacht ik, dat je maar wat praatte om je leitje schoon te vegen, maar nu begin ik te gelooven, dat je het meent.”„Natuurlijk meen ik het,” zei Wies en toen ze zag, dat Henk het nog niet geheel met zich zelven eens was, voegde ze er hartstochtelijk bij:„Henk, geloof me, laat er ten minste één zijn, die me gelooft.”Henk was wat verlegen met zijn figuur.Wies scheen wèl de waarheid te spreken en toch ….„Geef je me je eerewoord er op?” vroeg hij.„Ja, op mijn woord van eer, ik heb de waarheid gezegd.”„Goed, ik geloof je.”Wies greep zijn hand en drukte die krachtig.„Dank je,” zei ze.„Maar begrijpen doe ik je niet,” vervolgde Henk.„Dat hoeft ook niet, als je me maar gelooft. Stil, daar komt iemand, zeker Moeder.”„Dan ga ik maar,” en Henk ging naar de deur, waar hij tegen zijn moeder aanliep, die juist binnenkwam.„Wat doe jij hier?” vroeg deze verwonderd.„Even met Wies praten,” en weg was hij.Wies kon het hare moeder aanzien, dat ze echt verdriet had over het gebeurde en viel dadelijk uit:„U behoeft niet zoo verdrietig te kijken, ik heb niets kwaads gedaan!”Haar moeder nam een stoel en ging bij haar zitten.„Hou je een beetje bedaard, Louise. Ik ben bij de directrice geweest en heb ook juffrouw Faber gesproken. Ik ben dus geheel op de hoogte.Wies had haar zitplaats op den rand van haar bed verlaten en stond nu voor haar moeder.„Dat denkt u,” zei ze, „maar u weet niets.”„Weet ik niets? Wat moet ik dan nog meer weten?”„Ik heb het niet expres gedaan.”„Wat, die spin in de rozen gezet? Hoe kwam die daar dan in?”„Hoe kan ik dat nu weten, ik heb ze immers zelf maar gekocht.”Haar moeder keek haar verwonderd aan.„Wil je beweren, dat het geen vooruit verzonnen plagerij is van die spin, maar een toeval?”„Ja juist.”„Ik wilde, dat ik je gelooven kon. Maar waarom heb je dan aan juffrouw Faber die rozen gegeven, je hadt immers pas onaangenaamheden met haar gehad en je beweert altijd, dat je niet van haar houdt.”Wies bloosde en zweeg.Haar moeder keek haar aan en begreep er niets van.Toen greep ze haar hand.„Kind,” zei ze, hartelijker dan ze gewoon was, „zeg me de waarheid. Vertel me eens, waarom heb je die bloemen aan de juffrouw gegeven, als je er niets kwaads mee bedoeld hebt.”Wies lachte zenuwachtig.„Ik heb nog nooit gehoord, dat men iemand bloemen geeft om haar te plagen.”„Win’ je nu maar niet zoo op. Natuurlijk geeft men in gewone gevallen iemand geen bloemen, om haar verdriet te doen, maar dit is een bizonder geval. Je geeft niets om juffrouw Faber, wel?”Wies schudde van neen.„Nu, zie dan zelf, je geeft toch geen bloemen aan iemand, van wie je niet houdt, alleen om haar plezier te doen. Daar zie ik jou tenminste niet toe in staat.”Wies beet hare lippen bijna ten bloede uit zenuwachtigheid.„Neen, natuurlijk niet,” zei ze bitter, „dat spreekt van zelf, tot iets edelmoedigs benikniet in staat.”Haar moeder ging eensklaps een licht op.Weer greep ze de hand van haar dochtertje en haar naar zich toetrekkend, zei ze:„Was het dat werkelijk, Wiesje, wou je wat goedmaken bij juffrouw Faber?”Wies knikte van ja, met een zoo beschaamd gezicht, alsof ze de grootste misdaad opbiechtte.Haar moeder trok haar nu heelemaal op schoot en kuste haar hartelijk.„Dan hebben we ons allemaal in je vergist en het ongelukkige toeval, dat die spin zich daar nu juist in die bloemen bevinden moest, is de schuld van alles. Het spijt me, dat ik je verdacht heb, kind.”Wies keek haar wat verbijsterd aan.„Dus u gelooft me?”„Zeker geloof ik je, ik begrijp nu alles. Morgen ga ik met jemee naar school om ook daar te vertellen, hoe we ons allen in je vergist hebben.”Wies maakte een gebaar van schrik.„Dat nooit, ik zou geen raad weten van verlegenheid. Als u het vertellen wilt, doe het dan, als ’t u blieft, waar ik niet bij ben.”Haar moeder moest lachen.„Wat zijn jullie meisjes toch dwaas, met je valsch schaamte. Daarom heb je de toedracht der zaak zeker ook niet aan de directrice verteld. Ze zei me, je zoo dringend gevraagd te hebben, of je eenige opheldering geven kon.”Wies loosde een diepen zucht.„Ik weet niet, wat ik liever gedaan had, het zou er iets van gehad hebben, of ik mezelf eens in een mooi daglicht wilde stellen. Ik vind het nog afschuwelijk, dat ze nu alles weten moeten, vooral die Faber! Ik heb nu door alles, wat er uit voortgekomen is, een gevoel gekregen, of ik iets heel geks gedaan heb.”„Maar kindje, wat een idee, integendeel, je bent heel lief geweest.”„Heusch, eerlijk gezegd wilde ik, dat het denkbeeld nooit in mijn hoofd was opgekomen. Toe Moes, wilt u als ’t u blieft vragen, of ze geen van allen er meer iets van zeggen willen. Laat iedereen toch doen, of er niets gebeurd is, anders weet ik van verlegenheid niet, waar ik blijven moet.”Haar moeder beloofde haar verzoek over te brengen.„Maar de meisjes,” vroeg ze nog aarzelend, „hoe kunnen die dan te weten komen, dat je niets geen kwaad bedoeld hadt.”Wies maakte een gebaar van schrik.„De meisjes moeten er juist buiten blijven. Die vinden zoo iets zoo erg niet en echt, Moes, ik weet geen raad, als er nog verder over gepraat wordt. Ik zou in staat zijn te zeggen, dat ik het wel gedaan had.”Haar moeder schudde het hoofd.„Kind, kind, wat heb je nog een verkeerde begrippen omtrentrecht en onrecht. Ik begrijp je eigenlijk niet. Je vindt zelf, dat het laag van je geweest zou zijn, als je werkelijk die spin in de rozen gezet hadt, om juffrouw Faber schrik aan te jagen, maar toch heb je liever, dat de meisjes dat van je denken, dan dat ze weten, dat je een goede daad hebt willen doen.”Wies keek nadenkend voor zich.„Ja, ziet u, u hebt gelijk, maar het kan toch niet. U kunt dat zoo niet begrijpen, er zijn er zoo licht bij, die je voor schijnheilig houden, of denken, dat je in een goed blaadje wilt komen. Neen echt, Moes, ik zou geen raad weten, als de zaak verder uitgeplozen werd.”„Nu goed dan, ik zal je je zin geven. Ga nu maar mee naar beneden, het is bijna etenstijd.”„Zeg u beneden ook niets?” vroeg Wies.„Neen, dat kan ik niet beloven.”„Toe, zeg u dan alleen, dat alles opgehelderd is en ik geen schuld heb. Doet u het?”Dat wilde haar moeder dan wel beloven en tot niet geringe verwondering van de reeds in de eetkamer verzamelde kinderen, kwamen moeder en dochter gearmd binnen en verklaarde de eerste, dat alles in orde was en het geval op een misverstand berust had.

Toen Wies de deur der school achter zich had dichtgetrokken, liep ze eenigen tijd als versuft door.

Weggestuurd voor den geheelen verderen dag.

Waar nu heen?

Naar huis en Moeder alles vertellen?

Ze zag daar zoo tegen op, ze was zoo bang, dat Moeder aan haar schuld gelooven zou; het was zoo vreeselijk van iets laags verdacht te worden en dat nog wel, nu ze het zoo goed bedoeld had.

Zou ze aan Moeder vertellen, waarom ze juffrouw Faber die bloemen gegeven had?

Dat zou misschien het beste zijn, maar ze was bang, de woorden niet te kunnen uitspreken, het zou er iets van hebben, alsof ze eens wilde doen uitkomen, hoe edelmoedig ze was, hoe ze kwaad met goed had willen vergelden. Dat had ze ook eigenlijk wel en natuurlijk behoefde ze zich daarover niet te schamen,integendeel, maar om dat nu zelf te vertellen, dat was toch iets, dat ze niet zou kunnen.

Hoe laat zou het zijn? Als ze nog anderhalf uur ronddwaalde en dan naar huis ging, zou niemand er iets van merken, dat ze weggestuurd was en als ze dan vanmiddag van twee tot vier weer uitging, behoefden ze er thuis misschien wel nooit iets van te weten.

Ze liep maar voort, waar hare voeten haar heendroegen, al maar voort, tot ze bemerkte, dat ze een heel eindje afgedwaald was en zich heelemaal buiten de stad in het bosch bevond.

Nu dorst ze niet verder gaan, ze had geen horloge, wist dus niet, hoe laat het was, ze zou maar weer naar de stad terugkeeren, dan zag ze allicht een klok, die haar op de hoogte van den tijd kon brengen.

Ze stond een oogenblik stil en keek rond.

Wat een heerlijk weer was het, hoe mooi dat lichteffect van de zon door de bebladerde boomtakken en die zonnevlekken op haar pad. Net weer, om je heel gelukkig en vroolijk te voelen. Wat zou ze genoten hebben, als ze nu vandaag vacantie gehad had en hier had kunnen ronddwalen, zonder gekweld te worden door akelige gedachten.

Ze was toch een recht ongelukskind.

Hare oogen vulden zich met tranen uit louter medelijden met zichzelve.

Nu had ze toch heusch haar best gedaan om goed te zijn en nu had ze meer verdriet dan ooit.

Ze ging een oogenblik op een bank zitten, ze voelde nu pas, dat ze moe was, ze had ook al een heel eindje geloopen.

Zou ze een oogenblikje durven blijven zitten, of zou ze dan te laat thuiskomen?

Even maar, ze was zoo moe en zoo warm.

Ze droogde hare tranen af en staarde voor zich uit.

Wat zongen de vogeltjes mooi in de takken boven haar hoofd, heerlijk om daar naar te luisteren.

Ze moest er eigenlijk over nadenken, hoe ze zich nu houden zou, als ze thuis kwam, alles vertellen, of maar net doen, of er niets gebeurd was, maar ze kon niet nalaten naar dat liefelijk gekwinkeleer te luisteren en hare gedachten namen vanzelf een heel andere richting.

Een roodborstje wipte over den weg en bleef vlak voor haar staan, haar met zijne zwarte kraaloogjes aanstarend. Ze hield zich doodstil, durfde haast niet ademhalen, ze zou zoo dolgraag willen, dat het nog wat nader kwam. Vlak bij haar lag een stukje brood, dat wilde het zeker zien te pakken, maar aarzelde, omdat het dan zoo dicht bij haar komen moest.

Onbeweeglijk zat ze daar en weer tripte het lieve vogeltje nog een beetje nader. Nu had het zijn doel bereikt, nog een paar pasjes …. daar kwam opeens een groote zwarte kraai, die zich zonder bedenken op het stukje brood wierp en het roodborstje vloog verschrikt weg.

Met een bitter lachje keek Wies het na.

„Hier ook al het recht van den sterkste,” dacht ze, „zoo is het overal. Juffrouw Faber kan me beschuldigen van wat ze wil, zij wordt geloofd, omdat ze de macht in handen heeft, het recht van de sterkste.”

Kom, nu moest ze gaan, ze zat hier haar tijd te verknoeien en wie weet hoe laat het al was.

Wat zou ze nu thuis zeggen?

Ze kon maar geen besluit nemen.

Toen ze de stad weer bereikt had, zag ze, dat het al over twaalven was.

Ze zette het op een draf, ze kwam bepaald te laat thuis, zou dan een verklaring moeten geven van haar lang wegblijven en wist nog altijd niet, wat ze doen zou.

„De waarheid zeggen,” drong haar geweten aan.

„Doen alsof er niets gebeurd is, dat is het gemakkelijkst,” ried haar verstand.

Zoo kwam ze thuis, gewoon buiten adem van het harde loopenen zag dadelijk, dat het mis was, ze hadden blijkbaar al op haar gewacht.

„Kind, wat zie je rood, en je bent heelemaal buiten adem,” zei haar moeder, „waar kom je zoo laat vandaan, heb je weer moeten schoolblijven?”

Onwillekeurig knikte Wies van neen, ze kon toch zóó niet jokken.

„Niet? Waar ben je dan geweest, je weet, dat ik er zoo op gesteld ben, dat je op tijd thuis bent voor de koffie.”

Wies had intusschen haar hoed afgezet en op een stoel gelegd.

„Dat is geen plaats voor je hoed, hang hem aan den kapstok en vertel me dan, waar je vandaan komt.”

Wies bracht haar hoed weg en ging op haar plaats zitten.

„Neen, dat gaat zoo maar niet. Antwoord me eerst, waar kom je vandaan?”

„Van school,” mompelde Wies, met een kleur om haar leugen.

„Regelrecht van school?”

Wies kleurde nog dieper en schudde van neen.

„Niet, dat dacht ik wel, je bent ergens anders heen geweest en hebt toen hard geloopen, om niet al te laat thuis te zijn. Maar waar ben je geweest, dat wil ik weten.”

Wies kreeg het hoe langer hoe benauwder, wat moest ze nu zeggen.

„Kom, antwoord me en de waarheid, als ’t je blieft.”

„Als je jokt, leest Moes het op je voorhoofd,” verklaarde Jantje plechtig.

„Op je voorhoofd,” herhaalde Stan.

Henk begon te lachen, maar Wies hoorde het niet eens.

„Ik weet het niet,” fluisterde ze.

Nu proestte Henk het uit en de kleintjes lachten hartelijk mee, hoewel ze niet goed begrepen, waarom.

Marietje haalde haar schouders op en wees op haar voorhoofd.

„Ja, het lijkt wel, of er een van de vijf bij je op den loop is,” beaamde haar moeder. „Nu als ’t je blieft, verder geen gekheid, nog eens, waar kom je vandaan, waar ben je geweest?”

„In ’t bosch.”

Allen keken even verwonderd.

„In ’t bosch,” herhaalde haar moeder en liet er wat driftig op volgen:

„Zeg, is het nu uit met die gekheid, het bosch ligt ruim drie kwartier van de school af, je kunt dus onmogelijk in een half uur heen en weer naar het bosch geweest zijn.”

„Een van de feeën heeft haar daar heen gedragen,” opperde Henk, maar zijn moeder verzocht hem te zwijgen, ze vond de houding van Wies zoo vreemd, dat ze ongerust werd, over hetgeen er gebeurd kon zijn.

„Louise, maak nu de zaak niet erger en vertel me, waar je geweest bent,” drong ze aan.

„Werkelijk in het bosch.”

Toen voegde ze er nauw verstaanbaar bij:

„Ik was weggestuurd van school.”

Haar moeder meende haar niet goed verstaan te hebben.

„Wat zeg je. Spreek duidelijker.”

„Ik was weggestuurd,” herhaalde Wies iets harder.

Henk floot zachtjes tusschen zijn tanden.

Marietje keek even ontsteld op, maar daarna ging ze door met Jan en Stan om beurten hun boterham in het mondje te werken.

Wies ademde eenigszins verlucht. Nu was het er uit, nu kon ze niet meer terug, nu moest er maar van komen, wat wilde.

„Weggestuurd,” herhaalde haar moeder, „weggestuurd van school, het is nog al geen kleinigheid, waarom, wat heb je gedaan?”

Wies begon te huilen en mompelde iets van bloemen en vaneen spin en van heelemaal geen kwaad bedoeld hebben.

Haar moeder begreep er niets van.

„Kun je je niet duidelijker uitdrukken, Louise?”

Wies’ eenig antwoord bestond in een hevige huilbui. Haar wat overspannen zenuwen ontspanden zich, ze snikte het uit.

Haar moeder zweeg eenige oogenblikken.

Henk waagde het nu ook niet, gekheid te maken en Marietje keek verschrikt van de een naar de ander, terwijl de kleintjes er niets van begrepen.

„Waarom is Wies zoo verdrietig?” vroeg Stan.

„Wies is niet verdrietig, Wies is stout,” meende Jan.

„Als je me geen duidelijken uitleg kunt geven, zal ik genoodzaakt zijn op school te informeeren,” zei nu mevrouw Schotter. „Mag je vanmiddag weer op school komen?”

Wies schudde van neen.

„Niet? Voor hoelang ben je dan weggestuurd?” vroeg haar moeder verschrikt.

„Voor vandaag.”

„Zoo, nu neem dan je boterhammen mee en ga naar je kamertje, je begrijpt wel, dat ik je vandaag niet in den huiselijken kring wil hebben. Neem je breiwerk mee, kom hier, ik zal je een taak opgeven, zorg, dat die af is. Ik zal zelf wel eens gaan hooren, wat er eigenlijk gebeurd is.”

Wies nam haar breiwerk op en wilde de kamer verlaten.

„Je boterhammen.”

„Ik heb geen honger,” en ze haastte zich weg naar boven, naar haar eigen kamertje, waar ze zich veilig voelde.

Ze ging op den rand van haar bed zitten en zuchtte diep.

Wat zouden ze vanmiddag lekker kwaad van haar spreken tegen Moeder, die Faber zou haar hart ophalen.

De directrice misschien ook wel, die geloofde haar immers ook schuldig.

Enfin, het kon haar niets meer schelen, iedereen mocht van haar denken, wat ze wilde.

Zoo zat ze een poosje stil op haar bed, peinzend over wat ze haar ongelukkig gesternte noemde, waardoor altijd haar goede bedoelingen in de war gestuurd werden. Als Moeder straks bij haar kwam, zou ze natuurlijk ontkennen, de spin expres in de rozen geplaatst te hebben, maar zou Moeder haar gelooven? Och neen, niemand geloofde haar immers, en toch konden ze niet zeggen, dat ze dikwijls jokte, een heel enkel keertje maar, om zich te redden uit moeielijkheden, waarin ze zich telkens bracht en dan deed ze meestal nog zoo onhandig, dat haar leugentje dadelijk doorzien werd.

Wat was ze moe, flauw voelde ze zich ook, ze had zoo’n eind geloopen en na vanmorgen acht uur niets meer gegeten. Ze wilde nu wel, dat ze hare boterhammen maar mee gebracht had, maar naar beneden gaan en er om vragen, dat deed ze niet.

Zoo op haar bed zittend, legde ze onwilkeurig haar hoofd op het kussen.

Hè, heerlijk, even mocht ze rusten, dan zou ze gaan breien, Moeder had haar zooveel opgegeven.

Ze bleef dus stil liggen en niet lang daarna sliep ze gerust, doodvermoeid van alles, wat ze dien morgen ondervonden had en van de lange wandeling, die ze gedaan had.

Ze werd pas wakker, toen ze een hand op haar schouder voelde, die haar zacht heen en weer schudde.

Ze opende haar oogen en zag vaag Henk’s gezicht over zich heen gebogen.

„Zeg, wor’ eens wakker.”

„Ja,” en met een zucht richtte Wies zich op.

„Wat is er?”

Henk lachte even.

„Ben je nu goed wakker, of niet, kan ik met je praten? Je ziet er zoo suf uit.”

„Ja, ik ben wakker. Is Moeder al naar school geweest?”

„Natuurlijk, ’t is half vijf. Je hebt uren geslapen.”

„Hoe is het mogelijk. En?”

„Ja, Moeder weet nu alles.”

„Alles, Moeder weet niets.”

Henk trok zijne schouders op.

Hij stond daar met zijne handen in zijne broekzakken en keek zijn zusje wat spottend aan.

„Dacht je, dat ze je zonde voor haar verzwegen hadden? Eerlijk gezegd, vind ik de grap nogal leuk verzonnen, hoe ben je er op gekomen, zeg?”

Wies antwoordde niet, ze zat in gedachte.

„En wat zegt Moeder?” vroeg ze aarzelend.

„Nou, ze is niet weinig boos, ze vindt, dat je valsch gehandeld hebt. Ze neemt de zaak veel te ernstig op, zie je, alsof je niet eens meer een grapje mocht uithalen.”

Wies keek naar haar broer.

Gek, dat zoo’n jongen zoo iets zoo opnam, als alles werkelijk gegaan was, zooals ze dachten, zou ze het toch een lage aardigheid gevonden hebben.

„Maar Henk, ik heb die spin er niet expres in gezet.”

„Och kom!”

„Heusch niet.”

„Ik zou maar uitscheiden met die comedie, je wilt toch zeker niet beweren, dat je Faber die rozen gaf, om haar een plezier te doen.”

Wies kleurde.

„Dat is het juist,” mompelde ze.

Henk keek haar met groote oogen aan, een en al verbazing.

„Och kom,” zei hij nog eens.

Wies staarde voor zich uit.

„Ik zal het je maar bekennen, het is heusch waar, ik dacht, dat het een edele manier was, om me te wreken.”

Henk schaterde het uit.

„Wies, Wies, wat een type ben je toch, ik geloof waarachtig dat je het meent.”

Wies had al spijt, dat ze zich zoo had laten gaan. Het wasniet voor niets geweest, dat ze er tegenop gezien had, de waarheid te zeggen, Henk spotte er blijkbaar al mee.

„Je moet niet denken, dat ze je gelooven zullen, als je dat zegt,” beweerde Henk.

„Dan laten ze het. Ik ben trouwens niet van plan het te zeggen.”

Toen wat aarzelend: „Zeg Henk, geloof jij me ook niet?”

Henk wist niet meer, wat hij er van denken moest, die Wies keek hem zoo ernstig, ja zelfs gespannen aan.

„Ja, zie je,” zei hij langzaam, „eerst dacht ik, dat je maar wat praatte om je leitje schoon te vegen, maar nu begin ik te gelooven, dat je het meent.”

„Natuurlijk meen ik het,” zei Wies en toen ze zag, dat Henk het nog niet geheel met zich zelven eens was, voegde ze er hartstochtelijk bij:

„Henk, geloof me, laat er ten minste één zijn, die me gelooft.”

Henk was wat verlegen met zijn figuur.

Wies scheen wèl de waarheid te spreken en toch ….

„Geef je me je eerewoord er op?” vroeg hij.

„Ja, op mijn woord van eer, ik heb de waarheid gezegd.”

„Goed, ik geloof je.”

Wies greep zijn hand en drukte die krachtig.

„Dank je,” zei ze.

„Maar begrijpen doe ik je niet,” vervolgde Henk.

„Dat hoeft ook niet, als je me maar gelooft. Stil, daar komt iemand, zeker Moeder.”

„Dan ga ik maar,” en Henk ging naar de deur, waar hij tegen zijn moeder aanliep, die juist binnenkwam.

„Wat doe jij hier?” vroeg deze verwonderd.

„Even met Wies praten,” en weg was hij.

Wies kon het hare moeder aanzien, dat ze echt verdriet had over het gebeurde en viel dadelijk uit:

„U behoeft niet zoo verdrietig te kijken, ik heb niets kwaads gedaan!”

Haar moeder nam een stoel en ging bij haar zitten.

„Hou je een beetje bedaard, Louise. Ik ben bij de directrice geweest en heb ook juffrouw Faber gesproken. Ik ben dus geheel op de hoogte.

Wies had haar zitplaats op den rand van haar bed verlaten en stond nu voor haar moeder.

„Dat denkt u,” zei ze, „maar u weet niets.”

„Weet ik niets? Wat moet ik dan nog meer weten?”

„Ik heb het niet expres gedaan.”

„Wat, die spin in de rozen gezet? Hoe kwam die daar dan in?”

„Hoe kan ik dat nu weten, ik heb ze immers zelf maar gekocht.”

Haar moeder keek haar verwonderd aan.

„Wil je beweren, dat het geen vooruit verzonnen plagerij is van die spin, maar een toeval?”

„Ja juist.”

„Ik wilde, dat ik je gelooven kon. Maar waarom heb je dan aan juffrouw Faber die rozen gegeven, je hadt immers pas onaangenaamheden met haar gehad en je beweert altijd, dat je niet van haar houdt.”

Wies bloosde en zweeg.

Haar moeder keek haar aan en begreep er niets van.

Toen greep ze haar hand.

„Kind,” zei ze, hartelijker dan ze gewoon was, „zeg me de waarheid. Vertel me eens, waarom heb je die bloemen aan de juffrouw gegeven, als je er niets kwaads mee bedoeld hebt.”

Wies lachte zenuwachtig.

„Ik heb nog nooit gehoord, dat men iemand bloemen geeft om haar te plagen.”

„Win’ je nu maar niet zoo op. Natuurlijk geeft men in gewone gevallen iemand geen bloemen, om haar verdriet te doen, maar dit is een bizonder geval. Je geeft niets om juffrouw Faber, wel?”

Wies schudde van neen.

„Nu, zie dan zelf, je geeft toch geen bloemen aan iemand, van wie je niet houdt, alleen om haar plezier te doen. Daar zie ik jou tenminste niet toe in staat.”

Wies beet hare lippen bijna ten bloede uit zenuwachtigheid.

„Neen, natuurlijk niet,” zei ze bitter, „dat spreekt van zelf, tot iets edelmoedigs benikniet in staat.”

Haar moeder ging eensklaps een licht op.

Weer greep ze de hand van haar dochtertje en haar naar zich toetrekkend, zei ze:

„Was het dat werkelijk, Wiesje, wou je wat goedmaken bij juffrouw Faber?”

Wies knikte van ja, met een zoo beschaamd gezicht, alsof ze de grootste misdaad opbiechtte.

Haar moeder trok haar nu heelemaal op schoot en kuste haar hartelijk.

„Dan hebben we ons allemaal in je vergist en het ongelukkige toeval, dat die spin zich daar nu juist in die bloemen bevinden moest, is de schuld van alles. Het spijt me, dat ik je verdacht heb, kind.”

Wies keek haar wat verbijsterd aan.

„Dus u gelooft me?”

„Zeker geloof ik je, ik begrijp nu alles. Morgen ga ik met jemee naar school om ook daar te vertellen, hoe we ons allen in je vergist hebben.”

Wies maakte een gebaar van schrik.

„Dat nooit, ik zou geen raad weten van verlegenheid. Als u het vertellen wilt, doe het dan, als ’t u blieft, waar ik niet bij ben.”

Haar moeder moest lachen.

„Wat zijn jullie meisjes toch dwaas, met je valsch schaamte. Daarom heb je de toedracht der zaak zeker ook niet aan de directrice verteld. Ze zei me, je zoo dringend gevraagd te hebben, of je eenige opheldering geven kon.”

Wies loosde een diepen zucht.

„Ik weet niet, wat ik liever gedaan had, het zou er iets van gehad hebben, of ik mezelf eens in een mooi daglicht wilde stellen. Ik vind het nog afschuwelijk, dat ze nu alles weten moeten, vooral die Faber! Ik heb nu door alles, wat er uit voortgekomen is, een gevoel gekregen, of ik iets heel geks gedaan heb.”

„Maar kindje, wat een idee, integendeel, je bent heel lief geweest.”

„Heusch, eerlijk gezegd wilde ik, dat het denkbeeld nooit in mijn hoofd was opgekomen. Toe Moes, wilt u als ’t u blieft vragen, of ze geen van allen er meer iets van zeggen willen. Laat iedereen toch doen, of er niets gebeurd is, anders weet ik van verlegenheid niet, waar ik blijven moet.”

Haar moeder beloofde haar verzoek over te brengen.

„Maar de meisjes,” vroeg ze nog aarzelend, „hoe kunnen die dan te weten komen, dat je niets geen kwaad bedoeld hadt.”

Wies maakte een gebaar van schrik.

„De meisjes moeten er juist buiten blijven. Die vinden zoo iets zoo erg niet en echt, Moes, ik weet geen raad, als er nog verder over gepraat wordt. Ik zou in staat zijn te zeggen, dat ik het wel gedaan had.”

Haar moeder schudde het hoofd.

„Kind, kind, wat heb je nog een verkeerde begrippen omtrentrecht en onrecht. Ik begrijp je eigenlijk niet. Je vindt zelf, dat het laag van je geweest zou zijn, als je werkelijk die spin in de rozen gezet hadt, om juffrouw Faber schrik aan te jagen, maar toch heb je liever, dat de meisjes dat van je denken, dan dat ze weten, dat je een goede daad hebt willen doen.”

Wies keek nadenkend voor zich.

„Ja, ziet u, u hebt gelijk, maar het kan toch niet. U kunt dat zoo niet begrijpen, er zijn er zoo licht bij, die je voor schijnheilig houden, of denken, dat je in een goed blaadje wilt komen. Neen echt, Moes, ik zou geen raad weten, als de zaak verder uitgeplozen werd.”

„Nu goed dan, ik zal je je zin geven. Ga nu maar mee naar beneden, het is bijna etenstijd.”

„Zeg u beneden ook niets?” vroeg Wies.

„Neen, dat kan ik niet beloven.”

„Toe, zeg u dan alleen, dat alles opgehelderd is en ik geen schuld heb. Doet u het?”

Dat wilde haar moeder dan wel beloven en tot niet geringe verwondering van de reeds in de eetkamer verzamelde kinderen, kwamen moeder en dochter gearmd binnen en verklaarde de eerste, dat alles in orde was en het geval op een misverstand berust had.


Back to IndexNext