Zestiende Hoofdstuk.Zestiende Hoofdstuk.„Leve ons Wiesje, de heldin!”Het was 24 December, ’s morgens om zeven uur.Nauwelijks had Wies hare oogen geopend en had ze even rondgetuurd in de nog donkere kamer, waar het opgetrokken gordijn enkel een flauw schemerlicht doorliet, of ze was het zich bewust, er was iets heerlijks gebeurd.Ze richtte zich even op en trachtte te weten te komen, hoe laat het was, maar ze kon de wijzers van haar klokje niet onderscheiden en met een zucht van zaligheid zonk ze weer in de kussens neer.Het was haast al te verrukkelijk, ze had gisteren examen gedaan en was geslaagd.Wat ze gevoeld had, toen de directrice haar meedeelde, dat ze goed werk geleverd had en dus na Nieuwjaar in de volgende klasse mocht overgaan, neen, dat was niet te beschrijven, een overweldiging van vreugde, een niet goed begrijpen, dat het mogelijk kon zijn, ja, eigenlijk een soort van schrik.„Is ’t heusch?” had ze geroepen.Bespottelijk vond ze dat nu, de directrice had er ook ommoeten lachen en had toen zoo aardig tegen haar gesproken en gezegd, dat ze nu getoond had, wat ze kon en dat ookzijzoo heel blij was geweest met den uitslag.„Had u het niet gedacht?” had Wies gevraagd.En weer had de juffrouw gelachen.„Wat ik gedacht had, zullen we nu maar niet meer napluizen. Je bent er en dat doet me bizonder veel plezier. Ga nu maar gauw naar huis, je moeder zal ook wel verlangend zijn den uitslag te hooren.”Nu, dat had ze zich geen tweemaal laten zeggen, ze was letterlijk naar huis gehold, ze was Moeder zoo woest om den hals gevlogen, dat deze zich aan iets had moeten vasthouden, om niet te vallen, ze had maar niets geroepen dan: „Moes, kuntu het gelooven, toe knijp me eens, dat ik voel, dat ik niet droom.”Ze waren allemaal even blij geweest en er was dadelijk aan Vader en Grootvader geschreven.Grootvader wist het nu al, maar Vader pas over verscheidene weken. Ze hadden er nog over gesproken, of ze ook een telegram zouden zenden, maar daar Vader er niets van wist, zou men het niet zoo heel kort kunnen maken, wilde hij er iets van begrijpen. Besloten was dus, dat Vader het dan maar wat later weten moest en dan ineens het heele verhaal krijgen, hoe alles gegaan was.Wies draaide zich nog eens om en dacht aan al het heerlijke, dat nu volgen ging. Moeder had gisteren dadelijk Lottie laten vragen, om vandaag te komen eten. Ze zou al na de koffie komen en ze konden dan weer eens eindelijk samen zijn, als van ouds. In den laatsten tijd had ze Lot minder dan ooit gezien. Ze was zoo vervuld geweest van haar werk en Lot zelf had repetitie gehad voor het Kerstrapport. Grappig, dat zij nu geen rapport had gehad, ze had de twee laatste dagen examen moeten doen. Hé, verleden jaar was met Kerstmis haar lijst niets goed geweest, ze wist nog, hoe schuw ze er mee thuis was gekomen. Dom toch, om niet goed te werken, als je toch wel kon, je berokkende je eigen en anderen maar verdriet en je won er niets mee. Neen hoor, dat zou haar niet meer overkomen, nu ze eenmaal de zaligheid van het slagen ondervonden had, nu zou ze er wel voor zorgen, dat ze dat genotje meer had.Ze moest nu toch eens opstaan.Wat een eenig gevoel, niets te moeten doen, geen lessen leeren, geen thema’s maken, niet naar school gaan, maar lezen en babbelen en pret maken, veertien lange dagen.Ze had in de laatste maanden zoo heel weinig vrijen tijd gehad, dat ze er nu van zou weten te genieten. Ze moest voor een heelen tijd plezier maken, want als de vacantie om was en zij in de nieuwe klasse …. pas dan op, hoe ze werken zou, nu was ze al niet meer tevreden bij Lot en de andere kennisjes te zitten, nu wilde ze nog tot de eersten behooren ook, ze zou hem katoengeven, hoor, ze wist nu, dat ze wel kon, als ze maar wilde.Met oogen stralend van opgewondenheid schudde ze haar vuist tegen een denkbeeldigen vijand.„Pas jullie maar op, kindertjes, je krijgt er nu een in de klasse, die jullie er allemaal onder wil hebben.”Ze schaterde het ineens uit.„De stumpers, ik wensch ze heusch geen kwaad toe, ik ben immers nooit jaloersch geweest op hun mooie rapporten, maar ik moet vooruit, knap worden wil ik, willen ze me de mooiste cijfers betwisten, des te beter, dat staat ze vrij, dan vechten we er om, dan wordt het pas echt.”Vroolijk sprong ze het bed uit en trok het gordijn hooger op.Lieve deugd, wat een duisternis, hoe somber zag alles er uit.Maar dat kon haar niet schelen, bij haar scheen het zonnetje van binnen.Ze haastte zich met kleeden, het was al laat, ze had eigenlijk haar tijd weer liggen te verdroomen, maar voor één keertje, mocht ze dat wel, nu zou zelfs Moeder er niets op tegen gehad hebben.Toen ze beneden kwam, vond ze bij haar plaats een mooien bouquet chrysanten en op haar bord een pakje.Een oogenblik keek ze verbaasd naar al de lachende gezichten, die haar aanstaarden.„Ik ben toch niet jarig vandaag?” vroeg ze grappig, welke vraag Jantje in een onbedaarlijk geschater deed uitbarsten. De gedachte, dat iemand niet weten zou, of hij jarig was, vond hij allergeestigst.„Beter dan jarig,” zei Moeder, „aan een verjaardag heb je zelf niets geen verdienste.”Wies liep op haar af en gaf haar een klinkenden kus.„Moesje, ik ben zoo blij, dat u eindelijk tevreden over me bent.”„Ik niet minder, dat ik het zijn kan. Kijk nu maar eens gauw, wat er in dat pakje zit.”Wies ging naar haar plaats terug, terwijl Jan en Stan juichten: „Wij weten het, wij weten het al lang, hoor.”Nieuwsgierig greep Wies naar het pakje en begon met haastige vingers het touwtje los te maken, waardoor het natuurlijk in den knoop schoot en Henk helpen moest, om het door te snijden.Toen het papier er af was, vertoonde zich een étuitje, dat Wies niet onbekend was, haar hart klopte snel, zou het waar zijn? Dat was hetétuitjevan een goud armbandje van Moes, dat ze altijd zoo beeldig mooi gevonden had, een goud slangetje met twee schitterende diamantjes voor oogen.Ze keek haar moeder aan met vragende oogen, voor ze het étui opende en deze knikte haar lachend toe.Een druk op het veertje en open sprong het deksel.Daar lag het lang bewonderde beestje op zijn groen fluweelen bedje en de oogjes schitterden haar tegen.Wies was een oogenblik verstomd, ze kon niets zeggen.Al die oogen, die naar haar keken, hoe ze het wel vond, dat prachtige armbandje daar voor haar, het gevoel, dat het toch niet waar kon zijn, dat het voor haar was, ze werd er verlegen onder en stotterde niets dan:„Maar Moes!”Henk verbrak de stilte.„Het is te veel voor het brave wichtje, ze is van louter verrassing in de war.”Wies was opgestaan en hing nu aan haar moeders hals.„U hadt het niet moeten doen, dat prachtige armbandje, dat Vader voor u mee uit Indië gebracht heeft.”Haar moeder beantwoordde haar omhelzing en vroeg schertsend:„Wil je het liever niet hebben?”„Niet hebben?” en Wies drukte haar schat tegen zich aan, „ik vind het alleen naar, dat u het nu niet meer dragen kunt.”Nu gierde Henk het uit.„Draag het samen, het is nog al rekbaar, misschien kunnen erwel twee polsen in, wil ik het eens probeeren?” en hij stak zijn hand uit naar het kleinood.Wies duwde hem terug.„Je zult er wel afblijven.”Henk schudde met een komisch gezicht zijn hoofd.„Dat is nu onze dank, Marietje, we hadden die bloemen wel voor ons kunnen houden, de jubilaresse kijkt er zelfs niet naar om, nu ze goud heeft weten te bemachtigen.”„Zijn de bloemen van jullie? Wat vreeselijk lief, dank je duizendmaal,” en nu moesten Marietje en Henk zich onderwerpen aan een onstuimige omhelzing, zooals Henk het uitdrukte.„Het is goed,” zei hij met een genadig gebaar, „maar een teleurstelling is en blijft het voor me. Ik dacht de reine ziel van mijn oudste zuster beter te kennen. Ik dacht, als zij kiezen moet tusschen het doode metaal en de levende natuur, zal haar poëtische ziel geen oogenblik aarzelen en haar hand het lokkende goud ver van zich werpen, maar jawel ….”Wies lachte, tot hare oogen overliepen.„Schei uit, Henk, ik stik,” zei ze, hare oogen afvegend.„Gelukkig ze weent, ze voelt nu blijkbaar ….”„Ontbijten, kinderen,” viel Moeder in, „anders zitten we hier om twaalf uur nog.”Wies had moeite iets naar binnen te krijgen.Ze bekeek maar steeds het gouden slangetje op het groene fluweel en beweerde, dat ze het nooit zou durven dragen, uit angst het te verliezen.„Ook een manier, om van je cadeau te genieten,” vond Henk.Wat een gezellige dag was dat.Wie kwam daar tegen het koffieuur aan?Niemand minder dan Grootvader, die zelf zijn kleindochter wilde gelukwenschen. Hij was zoo verrast geweest en Grootmoeder niet minder. Als het reizen voor haar niet zooveel bezwaar opgeleverd had en daarenboven het weer niet zoo slecht was geweest, dan was ze meegekomen. Nu stuurde ze de boodschap,dat ze zoo innig blij was, dat Wies nu getoond had, niet enkel een lief droomstertje te zijn.Grootvader had ook nog een verrassing meegebracht, een mooi goud kettinkje, dat Grootmoeder zelf als jong meisje gedragen en altijd voor Wies bestemd had, als deze eens een bizondere belooning verdiend had.Wies was haast al te gelukkig, met de cadeautjes was ze dolblij, maar de reden, waarom ze die kreeg, was toch het voornaamste.Met moeite werd Grootvader overgehaald, ten minste één nacht te blijven logeeren. Hij mocht toch in geen geval voor den eten weg en het was zoo gehaast, als hij ’s avonds ging. Eerst aarzelde hij, het was morgen Kerstmis en dan wilde hij thuis zijn, hij had voor den eten weer weg willen gaan, maar Henk nam hem mee in een hoekje van de kamer en fluisterde hem iets in en toen beloofde hij dan maar te zullen blijven.„Als het morgen geen Kerstmis was, zou ik zeggen, ik neem Wies voor een paar dagen mee, maar nu zullen jullie haar misschien niet graag missen. Het zou anders wel aardig voor Grootmoeder zijn,” voegde hij er bij.„Als Wies graag wil, sta ik haar af,” antwoordde Moeder „maar voor Oudejaar zou ik haar liefst weer thuis hebben.”„Daar kun je op rekenen,” beloofde Grootvader en dus werd er besloten, dat hij dien nacht blijven zou en Wies morgen met hem mee zou gaan.Een telegram bracht Grootmoeder en Tante Marie van dit plan op de hoogte, wat Tante dadelijk heel wat te bedisselen gaf, terwijl Grootmoeder langzaam het groene papier glad streek, dat de prettige tijding gebracht had, terwijl ze zacht zei: „Dat lieve kind, dat lieve kind.”Wat een vroolijk en gezellig dinertje was dat, dien middag.Grootvader was zoo echt opgewekt en plaagde Lottie en plaagde Wies en plaagde Marietje en deed telkens een daverend gelach ontstaan.Aan het dessert verdween Henk opeens en na een poosje kwam Betje gichelend binnen en zei, dat er een jongedame was om Wies te spreken.„Een jongedame?” vroeg Wies verbaasd.„Ze heit dit kaartje gegeven,” gierde Bet, met haar schort voor haar gezicht, om niet te laten zien, hoe ze lachen moest.Ze reikte Wies een klein, wit kaartje over, waarop te midden van een rozenkrans stond te lezen:„De fee van den ring.”Wies keek nog verbaasder van den een naar den ander.„We zullen die jonge dame niet langer laten wachten,” zei Moeder en droeg Betje op haar te verzoeken, binnen te willen komen.Betje ging, steeds lachend, zich van deze opdracht kwijten en eenige oogenblikken later werd de deur weer geopend en wat zich daar op den drempel vertoonde, deed een salvo van gelach ontstaan.Het was de lange gestalte van Henk, gedrapeerd in een wit laken, waaronder uit zijn eenigszins bemodderde laarzen kwamen. Zijn bloote, gespierde armen staken eigenaardig uit de witte kleeding, in zijn eene hand, rood en met hier en daar een schram, hield hij een met goudpapier beplakt staafje en in de andere een mandje met bloemen, die vast al dienst hadden gedaan op een of anderen hoed, ze zagen er tenminste tamelijk verkleurd en vuil uit. Deze fee, zich niet storend aan het gelach, waarmee zij ontvangen werd, kwam met vlugge trippelpasjes op Wies aan, waarbij ze groote moeite had, niet te struikelen over het wat afzakkend laken.Ze had blijkbaar wat te zeggen, maar kon door het lachen van de anderen niet aan het woord komen en vroeg dus dringend, of het gegichel nu uit was.„Sst,” zei Grootvader, „laten we nu stil zijn en hooren, wat deze schoone uit het rijk der feeën ons te vertellen heeft.”„Bij het woord „schoone” verslikte de fee zich blijkbaar, ze begon ten minste geducht te proesten, maar al gauw was ze weer bedaard en nam het woord:„Gij uitverkoren menschenkind,Door al de feeën teer bemind,Gij geest, die leeft in hooger spheren,U willen nu wij, feeën, eeren.Wij hoorden van uw worsteling,Zelfs in onz’ bovenaardschen kring.We zagen, hoe g’op uw potlood beet,Tot ’t arme ding er van versleet.We zagen u loopen, op en neer,Om wakker te blijven, keer op keer.We hoorden uw wensch naar den prikkenden ring,En konden u niet helpen aan zoo’n ding.Want wij, arme feeën, zijn tamelijk machteloos,Wij zijn zoo fijn en wonen in een roos ….”Hier brak een schaterend gelach onze fee af, die zoo fijn was en een roos tot woonplaats had en Marietje vroeg, naar zijne vuile laarzen wijzend:„Hebben jullie daar geen schoenpoetsers?”Een minachtende blik was alle antwoord.„….en wonen in een roos,” herhaalde de fee.„Wij zijn voor de menschen te teer besnaard,En de meesten zijn ons dan ook niet waard.Maar als dan een enkel poëtisch kind,Eens denkt aan ons, feeën, en ons bemint,En over die heerlijkheid zit te droomen,Dan is dat haar meestal slecht bekomen.De standjes waren niet van de lucht.Wij namen dan ijlings de vlucht,En lieten een droevig schepseltje na,Dat een straftaak moest breien voor haar ma.Dat haar naalden liet ratelen, driftig en woest,En zei, dat niemand meer breien moest,In dezen tijd van beschaving en licht,Je vroeg in den winkel wat kousen op zicht,Dan hadt je ze te keus en te keur,En dat breien, wat een vreeselijk gezeur.In de ban dus dat werk uit vroeger tijden,Wij willen ons aan kunsten en wetenschap wijden!”„Bravo!” riep Lottie en Wies stemde mee in.Moeder schudde lachend het hoofd.„Henk, Henk, stook de meisjes niet op.”Henk ging onverstoorbaar door:„Dat meisje, waarvan ik zooeven sprak,Was op ’n dag lang niet op haar gemak.Ze had namelijk bijna haar broertjes verdronken,De schapen waren al haast gezonken,Toen ze nog net konden worden gered,En vlug gestopt in ’t warme bed.”„Dat’s flauw,” meende Lottie en Wies kreeg een kleur.„Je ziet dus, van zonde was het meisje niet vrij,Maar wie had er meer verdriet van dan zij?Toen kreeg ze het in haar leuken knikker,Dat ze veranderen wou, net als een kikker.Die toch eerst meer lijkt op een visch,Dan op een vorsch, als ik me niet vergis.Nu, dat meisje bleek te weten wat ze wou,Overgaan, dat was het, wat ze moest en zou.De juffrouw, die ook nog zoo kwaad niet was,Zou haar helpen en het meisje was in haar sas,Niet zuinig hoor, dat zou best gaan,Alle droomerijen joeg ze naar de maan,En ’t ging, ze rolde er schitterend door.Een grapje was ’t niet, dat zeg ik je hoor.Maar ze deed nog meer, z’ ontpopte zich in heldin,Toen haar broertje het kreeg in zijn zin,Om voor gebraden vleesch te spelen,Of ’t warm was, scheen hem niet te kunnen schelen.Toen maakte ze vlug een eind aan dat spelEn redde het ventje uit den knel.Dat alles vernamen de feeën met vreugd,Ze hebben er zich innig over verheugd.En daarom aan mij opgedragen,Me tusschen de wreede menschen te wagen.En deez’ bloemen te strooien voor haar voet,Opdat haar pad verder zij, glad en goed.En den leelijken naam, die niet meer bij haar past,Voor altijd te bergen in de kast.Hoe zal ze dan nu voortaan heeten?Dat dienen we dan toch te weten.Wacht, daar schiet me wat in den zin,Leve ons Wiesje, de heldin!”Dat was me een gejoel en een pret, de een schreeuwde al harder dan de ander: „Leve ons Wiesje, de heldin!”En Wies zelf?Die drukte krampachtig al de handen, die haar toegestoken werden en liet zich kussen en kuste terug, terwijl hare wangen nat waren van de tranen, die ze niet in kon houden.En toch was ze nog nooit zoo gelukkig geweest.
Zestiende Hoofdstuk.Zestiende Hoofdstuk.„Leve ons Wiesje, de heldin!”Het was 24 December, ’s morgens om zeven uur.Nauwelijks had Wies hare oogen geopend en had ze even rondgetuurd in de nog donkere kamer, waar het opgetrokken gordijn enkel een flauw schemerlicht doorliet, of ze was het zich bewust, er was iets heerlijks gebeurd.Ze richtte zich even op en trachtte te weten te komen, hoe laat het was, maar ze kon de wijzers van haar klokje niet onderscheiden en met een zucht van zaligheid zonk ze weer in de kussens neer.Het was haast al te verrukkelijk, ze had gisteren examen gedaan en was geslaagd.Wat ze gevoeld had, toen de directrice haar meedeelde, dat ze goed werk geleverd had en dus na Nieuwjaar in de volgende klasse mocht overgaan, neen, dat was niet te beschrijven, een overweldiging van vreugde, een niet goed begrijpen, dat het mogelijk kon zijn, ja, eigenlijk een soort van schrik.„Is ’t heusch?” had ze geroepen.Bespottelijk vond ze dat nu, de directrice had er ook ommoeten lachen en had toen zoo aardig tegen haar gesproken en gezegd, dat ze nu getoond had, wat ze kon en dat ookzijzoo heel blij was geweest met den uitslag.„Had u het niet gedacht?” had Wies gevraagd.En weer had de juffrouw gelachen.„Wat ik gedacht had, zullen we nu maar niet meer napluizen. Je bent er en dat doet me bizonder veel plezier. Ga nu maar gauw naar huis, je moeder zal ook wel verlangend zijn den uitslag te hooren.”Nu, dat had ze zich geen tweemaal laten zeggen, ze was letterlijk naar huis gehold, ze was Moeder zoo woest om den hals gevlogen, dat deze zich aan iets had moeten vasthouden, om niet te vallen, ze had maar niets geroepen dan: „Moes, kuntu het gelooven, toe knijp me eens, dat ik voel, dat ik niet droom.”Ze waren allemaal even blij geweest en er was dadelijk aan Vader en Grootvader geschreven.Grootvader wist het nu al, maar Vader pas over verscheidene weken. Ze hadden er nog over gesproken, of ze ook een telegram zouden zenden, maar daar Vader er niets van wist, zou men het niet zoo heel kort kunnen maken, wilde hij er iets van begrijpen. Besloten was dus, dat Vader het dan maar wat later weten moest en dan ineens het heele verhaal krijgen, hoe alles gegaan was.Wies draaide zich nog eens om en dacht aan al het heerlijke, dat nu volgen ging. Moeder had gisteren dadelijk Lottie laten vragen, om vandaag te komen eten. Ze zou al na de koffie komen en ze konden dan weer eens eindelijk samen zijn, als van ouds. In den laatsten tijd had ze Lot minder dan ooit gezien. Ze was zoo vervuld geweest van haar werk en Lot zelf had repetitie gehad voor het Kerstrapport. Grappig, dat zij nu geen rapport had gehad, ze had de twee laatste dagen examen moeten doen. Hé, verleden jaar was met Kerstmis haar lijst niets goed geweest, ze wist nog, hoe schuw ze er mee thuis was gekomen. Dom toch, om niet goed te werken, als je toch wel kon, je berokkende je eigen en anderen maar verdriet en je won er niets mee. Neen hoor, dat zou haar niet meer overkomen, nu ze eenmaal de zaligheid van het slagen ondervonden had, nu zou ze er wel voor zorgen, dat ze dat genotje meer had.Ze moest nu toch eens opstaan.Wat een eenig gevoel, niets te moeten doen, geen lessen leeren, geen thema’s maken, niet naar school gaan, maar lezen en babbelen en pret maken, veertien lange dagen.Ze had in de laatste maanden zoo heel weinig vrijen tijd gehad, dat ze er nu van zou weten te genieten. Ze moest voor een heelen tijd plezier maken, want als de vacantie om was en zij in de nieuwe klasse …. pas dan op, hoe ze werken zou, nu was ze al niet meer tevreden bij Lot en de andere kennisjes te zitten, nu wilde ze nog tot de eersten behooren ook, ze zou hem katoengeven, hoor, ze wist nu, dat ze wel kon, als ze maar wilde.Met oogen stralend van opgewondenheid schudde ze haar vuist tegen een denkbeeldigen vijand.„Pas jullie maar op, kindertjes, je krijgt er nu een in de klasse, die jullie er allemaal onder wil hebben.”Ze schaterde het ineens uit.„De stumpers, ik wensch ze heusch geen kwaad toe, ik ben immers nooit jaloersch geweest op hun mooie rapporten, maar ik moet vooruit, knap worden wil ik, willen ze me de mooiste cijfers betwisten, des te beter, dat staat ze vrij, dan vechten we er om, dan wordt het pas echt.”Vroolijk sprong ze het bed uit en trok het gordijn hooger op.Lieve deugd, wat een duisternis, hoe somber zag alles er uit.Maar dat kon haar niet schelen, bij haar scheen het zonnetje van binnen.Ze haastte zich met kleeden, het was al laat, ze had eigenlijk haar tijd weer liggen te verdroomen, maar voor één keertje, mocht ze dat wel, nu zou zelfs Moeder er niets op tegen gehad hebben.Toen ze beneden kwam, vond ze bij haar plaats een mooien bouquet chrysanten en op haar bord een pakje.Een oogenblik keek ze verbaasd naar al de lachende gezichten, die haar aanstaarden.„Ik ben toch niet jarig vandaag?” vroeg ze grappig, welke vraag Jantje in een onbedaarlijk geschater deed uitbarsten. De gedachte, dat iemand niet weten zou, of hij jarig was, vond hij allergeestigst.„Beter dan jarig,” zei Moeder, „aan een verjaardag heb je zelf niets geen verdienste.”Wies liep op haar af en gaf haar een klinkenden kus.„Moesje, ik ben zoo blij, dat u eindelijk tevreden over me bent.”„Ik niet minder, dat ik het zijn kan. Kijk nu maar eens gauw, wat er in dat pakje zit.”Wies ging naar haar plaats terug, terwijl Jan en Stan juichten: „Wij weten het, wij weten het al lang, hoor.”Nieuwsgierig greep Wies naar het pakje en begon met haastige vingers het touwtje los te maken, waardoor het natuurlijk in den knoop schoot en Henk helpen moest, om het door te snijden.Toen het papier er af was, vertoonde zich een étuitje, dat Wies niet onbekend was, haar hart klopte snel, zou het waar zijn? Dat was hetétuitjevan een goud armbandje van Moes, dat ze altijd zoo beeldig mooi gevonden had, een goud slangetje met twee schitterende diamantjes voor oogen.Ze keek haar moeder aan met vragende oogen, voor ze het étui opende en deze knikte haar lachend toe.Een druk op het veertje en open sprong het deksel.Daar lag het lang bewonderde beestje op zijn groen fluweelen bedje en de oogjes schitterden haar tegen.Wies was een oogenblik verstomd, ze kon niets zeggen.Al die oogen, die naar haar keken, hoe ze het wel vond, dat prachtige armbandje daar voor haar, het gevoel, dat het toch niet waar kon zijn, dat het voor haar was, ze werd er verlegen onder en stotterde niets dan:„Maar Moes!”Henk verbrak de stilte.„Het is te veel voor het brave wichtje, ze is van louter verrassing in de war.”Wies was opgestaan en hing nu aan haar moeders hals.„U hadt het niet moeten doen, dat prachtige armbandje, dat Vader voor u mee uit Indië gebracht heeft.”Haar moeder beantwoordde haar omhelzing en vroeg schertsend:„Wil je het liever niet hebben?”„Niet hebben?” en Wies drukte haar schat tegen zich aan, „ik vind het alleen naar, dat u het nu niet meer dragen kunt.”Nu gierde Henk het uit.„Draag het samen, het is nog al rekbaar, misschien kunnen erwel twee polsen in, wil ik het eens probeeren?” en hij stak zijn hand uit naar het kleinood.Wies duwde hem terug.„Je zult er wel afblijven.”Henk schudde met een komisch gezicht zijn hoofd.„Dat is nu onze dank, Marietje, we hadden die bloemen wel voor ons kunnen houden, de jubilaresse kijkt er zelfs niet naar om, nu ze goud heeft weten te bemachtigen.”„Zijn de bloemen van jullie? Wat vreeselijk lief, dank je duizendmaal,” en nu moesten Marietje en Henk zich onderwerpen aan een onstuimige omhelzing, zooals Henk het uitdrukte.„Het is goed,” zei hij met een genadig gebaar, „maar een teleurstelling is en blijft het voor me. Ik dacht de reine ziel van mijn oudste zuster beter te kennen. Ik dacht, als zij kiezen moet tusschen het doode metaal en de levende natuur, zal haar poëtische ziel geen oogenblik aarzelen en haar hand het lokkende goud ver van zich werpen, maar jawel ….”Wies lachte, tot hare oogen overliepen.„Schei uit, Henk, ik stik,” zei ze, hare oogen afvegend.„Gelukkig ze weent, ze voelt nu blijkbaar ….”„Ontbijten, kinderen,” viel Moeder in, „anders zitten we hier om twaalf uur nog.”Wies had moeite iets naar binnen te krijgen.Ze bekeek maar steeds het gouden slangetje op het groene fluweel en beweerde, dat ze het nooit zou durven dragen, uit angst het te verliezen.„Ook een manier, om van je cadeau te genieten,” vond Henk.Wat een gezellige dag was dat.Wie kwam daar tegen het koffieuur aan?Niemand minder dan Grootvader, die zelf zijn kleindochter wilde gelukwenschen. Hij was zoo verrast geweest en Grootmoeder niet minder. Als het reizen voor haar niet zooveel bezwaar opgeleverd had en daarenboven het weer niet zoo slecht was geweest, dan was ze meegekomen. Nu stuurde ze de boodschap,dat ze zoo innig blij was, dat Wies nu getoond had, niet enkel een lief droomstertje te zijn.Grootvader had ook nog een verrassing meegebracht, een mooi goud kettinkje, dat Grootmoeder zelf als jong meisje gedragen en altijd voor Wies bestemd had, als deze eens een bizondere belooning verdiend had.Wies was haast al te gelukkig, met de cadeautjes was ze dolblij, maar de reden, waarom ze die kreeg, was toch het voornaamste.Met moeite werd Grootvader overgehaald, ten minste één nacht te blijven logeeren. Hij mocht toch in geen geval voor den eten weg en het was zoo gehaast, als hij ’s avonds ging. Eerst aarzelde hij, het was morgen Kerstmis en dan wilde hij thuis zijn, hij had voor den eten weer weg willen gaan, maar Henk nam hem mee in een hoekje van de kamer en fluisterde hem iets in en toen beloofde hij dan maar te zullen blijven.„Als het morgen geen Kerstmis was, zou ik zeggen, ik neem Wies voor een paar dagen mee, maar nu zullen jullie haar misschien niet graag missen. Het zou anders wel aardig voor Grootmoeder zijn,” voegde hij er bij.„Als Wies graag wil, sta ik haar af,” antwoordde Moeder „maar voor Oudejaar zou ik haar liefst weer thuis hebben.”„Daar kun je op rekenen,” beloofde Grootvader en dus werd er besloten, dat hij dien nacht blijven zou en Wies morgen met hem mee zou gaan.Een telegram bracht Grootmoeder en Tante Marie van dit plan op de hoogte, wat Tante dadelijk heel wat te bedisselen gaf, terwijl Grootmoeder langzaam het groene papier glad streek, dat de prettige tijding gebracht had, terwijl ze zacht zei: „Dat lieve kind, dat lieve kind.”Wat een vroolijk en gezellig dinertje was dat, dien middag.Grootvader was zoo echt opgewekt en plaagde Lottie en plaagde Wies en plaagde Marietje en deed telkens een daverend gelach ontstaan.Aan het dessert verdween Henk opeens en na een poosje kwam Betje gichelend binnen en zei, dat er een jongedame was om Wies te spreken.„Een jongedame?” vroeg Wies verbaasd.„Ze heit dit kaartje gegeven,” gierde Bet, met haar schort voor haar gezicht, om niet te laten zien, hoe ze lachen moest.Ze reikte Wies een klein, wit kaartje over, waarop te midden van een rozenkrans stond te lezen:„De fee van den ring.”Wies keek nog verbaasder van den een naar den ander.„We zullen die jonge dame niet langer laten wachten,” zei Moeder en droeg Betje op haar te verzoeken, binnen te willen komen.Betje ging, steeds lachend, zich van deze opdracht kwijten en eenige oogenblikken later werd de deur weer geopend en wat zich daar op den drempel vertoonde, deed een salvo van gelach ontstaan.Het was de lange gestalte van Henk, gedrapeerd in een wit laken, waaronder uit zijn eenigszins bemodderde laarzen kwamen. Zijn bloote, gespierde armen staken eigenaardig uit de witte kleeding, in zijn eene hand, rood en met hier en daar een schram, hield hij een met goudpapier beplakt staafje en in de andere een mandje met bloemen, die vast al dienst hadden gedaan op een of anderen hoed, ze zagen er tenminste tamelijk verkleurd en vuil uit. Deze fee, zich niet storend aan het gelach, waarmee zij ontvangen werd, kwam met vlugge trippelpasjes op Wies aan, waarbij ze groote moeite had, niet te struikelen over het wat afzakkend laken.Ze had blijkbaar wat te zeggen, maar kon door het lachen van de anderen niet aan het woord komen en vroeg dus dringend, of het gegichel nu uit was.„Sst,” zei Grootvader, „laten we nu stil zijn en hooren, wat deze schoone uit het rijk der feeën ons te vertellen heeft.”„Bij het woord „schoone” verslikte de fee zich blijkbaar, ze begon ten minste geducht te proesten, maar al gauw was ze weer bedaard en nam het woord:„Gij uitverkoren menschenkind,Door al de feeën teer bemind,Gij geest, die leeft in hooger spheren,U willen nu wij, feeën, eeren.Wij hoorden van uw worsteling,Zelfs in onz’ bovenaardschen kring.We zagen, hoe g’op uw potlood beet,Tot ’t arme ding er van versleet.We zagen u loopen, op en neer,Om wakker te blijven, keer op keer.We hoorden uw wensch naar den prikkenden ring,En konden u niet helpen aan zoo’n ding.Want wij, arme feeën, zijn tamelijk machteloos,Wij zijn zoo fijn en wonen in een roos ….”Hier brak een schaterend gelach onze fee af, die zoo fijn was en een roos tot woonplaats had en Marietje vroeg, naar zijne vuile laarzen wijzend:„Hebben jullie daar geen schoenpoetsers?”Een minachtende blik was alle antwoord.„….en wonen in een roos,” herhaalde de fee.„Wij zijn voor de menschen te teer besnaard,En de meesten zijn ons dan ook niet waard.Maar als dan een enkel poëtisch kind,Eens denkt aan ons, feeën, en ons bemint,En over die heerlijkheid zit te droomen,Dan is dat haar meestal slecht bekomen.De standjes waren niet van de lucht.Wij namen dan ijlings de vlucht,En lieten een droevig schepseltje na,Dat een straftaak moest breien voor haar ma.Dat haar naalden liet ratelen, driftig en woest,En zei, dat niemand meer breien moest,In dezen tijd van beschaving en licht,Je vroeg in den winkel wat kousen op zicht,Dan hadt je ze te keus en te keur,En dat breien, wat een vreeselijk gezeur.In de ban dus dat werk uit vroeger tijden,Wij willen ons aan kunsten en wetenschap wijden!”„Bravo!” riep Lottie en Wies stemde mee in.Moeder schudde lachend het hoofd.„Henk, Henk, stook de meisjes niet op.”Henk ging onverstoorbaar door:„Dat meisje, waarvan ik zooeven sprak,Was op ’n dag lang niet op haar gemak.Ze had namelijk bijna haar broertjes verdronken,De schapen waren al haast gezonken,Toen ze nog net konden worden gered,En vlug gestopt in ’t warme bed.”„Dat’s flauw,” meende Lottie en Wies kreeg een kleur.„Je ziet dus, van zonde was het meisje niet vrij,Maar wie had er meer verdriet van dan zij?Toen kreeg ze het in haar leuken knikker,Dat ze veranderen wou, net als een kikker.Die toch eerst meer lijkt op een visch,Dan op een vorsch, als ik me niet vergis.Nu, dat meisje bleek te weten wat ze wou,Overgaan, dat was het, wat ze moest en zou.De juffrouw, die ook nog zoo kwaad niet was,Zou haar helpen en het meisje was in haar sas,Niet zuinig hoor, dat zou best gaan,Alle droomerijen joeg ze naar de maan,En ’t ging, ze rolde er schitterend door.Een grapje was ’t niet, dat zeg ik je hoor.Maar ze deed nog meer, z’ ontpopte zich in heldin,Toen haar broertje het kreeg in zijn zin,Om voor gebraden vleesch te spelen,Of ’t warm was, scheen hem niet te kunnen schelen.Toen maakte ze vlug een eind aan dat spelEn redde het ventje uit den knel.Dat alles vernamen de feeën met vreugd,Ze hebben er zich innig over verheugd.En daarom aan mij opgedragen,Me tusschen de wreede menschen te wagen.En deez’ bloemen te strooien voor haar voet,Opdat haar pad verder zij, glad en goed.En den leelijken naam, die niet meer bij haar past,Voor altijd te bergen in de kast.Hoe zal ze dan nu voortaan heeten?Dat dienen we dan toch te weten.Wacht, daar schiet me wat in den zin,Leve ons Wiesje, de heldin!”Dat was me een gejoel en een pret, de een schreeuwde al harder dan de ander: „Leve ons Wiesje, de heldin!”En Wies zelf?Die drukte krampachtig al de handen, die haar toegestoken werden en liet zich kussen en kuste terug, terwijl hare wangen nat waren van de tranen, die ze niet in kon houden.En toch was ze nog nooit zoo gelukkig geweest.
Zestiende Hoofdstuk.Zestiende Hoofdstuk.„Leve ons Wiesje, de heldin!”
Zestiende Hoofdstuk.
Het was 24 December, ’s morgens om zeven uur.Nauwelijks had Wies hare oogen geopend en had ze even rondgetuurd in de nog donkere kamer, waar het opgetrokken gordijn enkel een flauw schemerlicht doorliet, of ze was het zich bewust, er was iets heerlijks gebeurd.Ze richtte zich even op en trachtte te weten te komen, hoe laat het was, maar ze kon de wijzers van haar klokje niet onderscheiden en met een zucht van zaligheid zonk ze weer in de kussens neer.Het was haast al te verrukkelijk, ze had gisteren examen gedaan en was geslaagd.Wat ze gevoeld had, toen de directrice haar meedeelde, dat ze goed werk geleverd had en dus na Nieuwjaar in de volgende klasse mocht overgaan, neen, dat was niet te beschrijven, een overweldiging van vreugde, een niet goed begrijpen, dat het mogelijk kon zijn, ja, eigenlijk een soort van schrik.„Is ’t heusch?” had ze geroepen.Bespottelijk vond ze dat nu, de directrice had er ook ommoeten lachen en had toen zoo aardig tegen haar gesproken en gezegd, dat ze nu getoond had, wat ze kon en dat ookzijzoo heel blij was geweest met den uitslag.„Had u het niet gedacht?” had Wies gevraagd.En weer had de juffrouw gelachen.„Wat ik gedacht had, zullen we nu maar niet meer napluizen. Je bent er en dat doet me bizonder veel plezier. Ga nu maar gauw naar huis, je moeder zal ook wel verlangend zijn den uitslag te hooren.”Nu, dat had ze zich geen tweemaal laten zeggen, ze was letterlijk naar huis gehold, ze was Moeder zoo woest om den hals gevlogen, dat deze zich aan iets had moeten vasthouden, om niet te vallen, ze had maar niets geroepen dan: „Moes, kuntu het gelooven, toe knijp me eens, dat ik voel, dat ik niet droom.”Ze waren allemaal even blij geweest en er was dadelijk aan Vader en Grootvader geschreven.Grootvader wist het nu al, maar Vader pas over verscheidene weken. Ze hadden er nog over gesproken, of ze ook een telegram zouden zenden, maar daar Vader er niets van wist, zou men het niet zoo heel kort kunnen maken, wilde hij er iets van begrijpen. Besloten was dus, dat Vader het dan maar wat later weten moest en dan ineens het heele verhaal krijgen, hoe alles gegaan was.Wies draaide zich nog eens om en dacht aan al het heerlijke, dat nu volgen ging. Moeder had gisteren dadelijk Lottie laten vragen, om vandaag te komen eten. Ze zou al na de koffie komen en ze konden dan weer eens eindelijk samen zijn, als van ouds. In den laatsten tijd had ze Lot minder dan ooit gezien. Ze was zoo vervuld geweest van haar werk en Lot zelf had repetitie gehad voor het Kerstrapport. Grappig, dat zij nu geen rapport had gehad, ze had de twee laatste dagen examen moeten doen. Hé, verleden jaar was met Kerstmis haar lijst niets goed geweest, ze wist nog, hoe schuw ze er mee thuis was gekomen. Dom toch, om niet goed te werken, als je toch wel kon, je berokkende je eigen en anderen maar verdriet en je won er niets mee. Neen hoor, dat zou haar niet meer overkomen, nu ze eenmaal de zaligheid van het slagen ondervonden had, nu zou ze er wel voor zorgen, dat ze dat genotje meer had.Ze moest nu toch eens opstaan.Wat een eenig gevoel, niets te moeten doen, geen lessen leeren, geen thema’s maken, niet naar school gaan, maar lezen en babbelen en pret maken, veertien lange dagen.Ze had in de laatste maanden zoo heel weinig vrijen tijd gehad, dat ze er nu van zou weten te genieten. Ze moest voor een heelen tijd plezier maken, want als de vacantie om was en zij in de nieuwe klasse …. pas dan op, hoe ze werken zou, nu was ze al niet meer tevreden bij Lot en de andere kennisjes te zitten, nu wilde ze nog tot de eersten behooren ook, ze zou hem katoengeven, hoor, ze wist nu, dat ze wel kon, als ze maar wilde.Met oogen stralend van opgewondenheid schudde ze haar vuist tegen een denkbeeldigen vijand.„Pas jullie maar op, kindertjes, je krijgt er nu een in de klasse, die jullie er allemaal onder wil hebben.”Ze schaterde het ineens uit.„De stumpers, ik wensch ze heusch geen kwaad toe, ik ben immers nooit jaloersch geweest op hun mooie rapporten, maar ik moet vooruit, knap worden wil ik, willen ze me de mooiste cijfers betwisten, des te beter, dat staat ze vrij, dan vechten we er om, dan wordt het pas echt.”Vroolijk sprong ze het bed uit en trok het gordijn hooger op.Lieve deugd, wat een duisternis, hoe somber zag alles er uit.Maar dat kon haar niet schelen, bij haar scheen het zonnetje van binnen.Ze haastte zich met kleeden, het was al laat, ze had eigenlijk haar tijd weer liggen te verdroomen, maar voor één keertje, mocht ze dat wel, nu zou zelfs Moeder er niets op tegen gehad hebben.Toen ze beneden kwam, vond ze bij haar plaats een mooien bouquet chrysanten en op haar bord een pakje.Een oogenblik keek ze verbaasd naar al de lachende gezichten, die haar aanstaarden.„Ik ben toch niet jarig vandaag?” vroeg ze grappig, welke vraag Jantje in een onbedaarlijk geschater deed uitbarsten. De gedachte, dat iemand niet weten zou, of hij jarig was, vond hij allergeestigst.„Beter dan jarig,” zei Moeder, „aan een verjaardag heb je zelf niets geen verdienste.”Wies liep op haar af en gaf haar een klinkenden kus.„Moesje, ik ben zoo blij, dat u eindelijk tevreden over me bent.”„Ik niet minder, dat ik het zijn kan. Kijk nu maar eens gauw, wat er in dat pakje zit.”Wies ging naar haar plaats terug, terwijl Jan en Stan juichten: „Wij weten het, wij weten het al lang, hoor.”Nieuwsgierig greep Wies naar het pakje en begon met haastige vingers het touwtje los te maken, waardoor het natuurlijk in den knoop schoot en Henk helpen moest, om het door te snijden.Toen het papier er af was, vertoonde zich een étuitje, dat Wies niet onbekend was, haar hart klopte snel, zou het waar zijn? Dat was hetétuitjevan een goud armbandje van Moes, dat ze altijd zoo beeldig mooi gevonden had, een goud slangetje met twee schitterende diamantjes voor oogen.Ze keek haar moeder aan met vragende oogen, voor ze het étui opende en deze knikte haar lachend toe.Een druk op het veertje en open sprong het deksel.Daar lag het lang bewonderde beestje op zijn groen fluweelen bedje en de oogjes schitterden haar tegen.Wies was een oogenblik verstomd, ze kon niets zeggen.Al die oogen, die naar haar keken, hoe ze het wel vond, dat prachtige armbandje daar voor haar, het gevoel, dat het toch niet waar kon zijn, dat het voor haar was, ze werd er verlegen onder en stotterde niets dan:„Maar Moes!”Henk verbrak de stilte.„Het is te veel voor het brave wichtje, ze is van louter verrassing in de war.”Wies was opgestaan en hing nu aan haar moeders hals.„U hadt het niet moeten doen, dat prachtige armbandje, dat Vader voor u mee uit Indië gebracht heeft.”Haar moeder beantwoordde haar omhelzing en vroeg schertsend:„Wil je het liever niet hebben?”„Niet hebben?” en Wies drukte haar schat tegen zich aan, „ik vind het alleen naar, dat u het nu niet meer dragen kunt.”Nu gierde Henk het uit.„Draag het samen, het is nog al rekbaar, misschien kunnen erwel twee polsen in, wil ik het eens probeeren?” en hij stak zijn hand uit naar het kleinood.Wies duwde hem terug.„Je zult er wel afblijven.”Henk schudde met een komisch gezicht zijn hoofd.„Dat is nu onze dank, Marietje, we hadden die bloemen wel voor ons kunnen houden, de jubilaresse kijkt er zelfs niet naar om, nu ze goud heeft weten te bemachtigen.”„Zijn de bloemen van jullie? Wat vreeselijk lief, dank je duizendmaal,” en nu moesten Marietje en Henk zich onderwerpen aan een onstuimige omhelzing, zooals Henk het uitdrukte.„Het is goed,” zei hij met een genadig gebaar, „maar een teleurstelling is en blijft het voor me. Ik dacht de reine ziel van mijn oudste zuster beter te kennen. Ik dacht, als zij kiezen moet tusschen het doode metaal en de levende natuur, zal haar poëtische ziel geen oogenblik aarzelen en haar hand het lokkende goud ver van zich werpen, maar jawel ….”Wies lachte, tot hare oogen overliepen.„Schei uit, Henk, ik stik,” zei ze, hare oogen afvegend.„Gelukkig ze weent, ze voelt nu blijkbaar ….”„Ontbijten, kinderen,” viel Moeder in, „anders zitten we hier om twaalf uur nog.”Wies had moeite iets naar binnen te krijgen.Ze bekeek maar steeds het gouden slangetje op het groene fluweel en beweerde, dat ze het nooit zou durven dragen, uit angst het te verliezen.„Ook een manier, om van je cadeau te genieten,” vond Henk.Wat een gezellige dag was dat.Wie kwam daar tegen het koffieuur aan?Niemand minder dan Grootvader, die zelf zijn kleindochter wilde gelukwenschen. Hij was zoo verrast geweest en Grootmoeder niet minder. Als het reizen voor haar niet zooveel bezwaar opgeleverd had en daarenboven het weer niet zoo slecht was geweest, dan was ze meegekomen. Nu stuurde ze de boodschap,dat ze zoo innig blij was, dat Wies nu getoond had, niet enkel een lief droomstertje te zijn.Grootvader had ook nog een verrassing meegebracht, een mooi goud kettinkje, dat Grootmoeder zelf als jong meisje gedragen en altijd voor Wies bestemd had, als deze eens een bizondere belooning verdiend had.Wies was haast al te gelukkig, met de cadeautjes was ze dolblij, maar de reden, waarom ze die kreeg, was toch het voornaamste.Met moeite werd Grootvader overgehaald, ten minste één nacht te blijven logeeren. Hij mocht toch in geen geval voor den eten weg en het was zoo gehaast, als hij ’s avonds ging. Eerst aarzelde hij, het was morgen Kerstmis en dan wilde hij thuis zijn, hij had voor den eten weer weg willen gaan, maar Henk nam hem mee in een hoekje van de kamer en fluisterde hem iets in en toen beloofde hij dan maar te zullen blijven.„Als het morgen geen Kerstmis was, zou ik zeggen, ik neem Wies voor een paar dagen mee, maar nu zullen jullie haar misschien niet graag missen. Het zou anders wel aardig voor Grootmoeder zijn,” voegde hij er bij.„Als Wies graag wil, sta ik haar af,” antwoordde Moeder „maar voor Oudejaar zou ik haar liefst weer thuis hebben.”„Daar kun je op rekenen,” beloofde Grootvader en dus werd er besloten, dat hij dien nacht blijven zou en Wies morgen met hem mee zou gaan.Een telegram bracht Grootmoeder en Tante Marie van dit plan op de hoogte, wat Tante dadelijk heel wat te bedisselen gaf, terwijl Grootmoeder langzaam het groene papier glad streek, dat de prettige tijding gebracht had, terwijl ze zacht zei: „Dat lieve kind, dat lieve kind.”Wat een vroolijk en gezellig dinertje was dat, dien middag.Grootvader was zoo echt opgewekt en plaagde Lottie en plaagde Wies en plaagde Marietje en deed telkens een daverend gelach ontstaan.Aan het dessert verdween Henk opeens en na een poosje kwam Betje gichelend binnen en zei, dat er een jongedame was om Wies te spreken.„Een jongedame?” vroeg Wies verbaasd.„Ze heit dit kaartje gegeven,” gierde Bet, met haar schort voor haar gezicht, om niet te laten zien, hoe ze lachen moest.Ze reikte Wies een klein, wit kaartje over, waarop te midden van een rozenkrans stond te lezen:„De fee van den ring.”Wies keek nog verbaasder van den een naar den ander.„We zullen die jonge dame niet langer laten wachten,” zei Moeder en droeg Betje op haar te verzoeken, binnen te willen komen.Betje ging, steeds lachend, zich van deze opdracht kwijten en eenige oogenblikken later werd de deur weer geopend en wat zich daar op den drempel vertoonde, deed een salvo van gelach ontstaan.Het was de lange gestalte van Henk, gedrapeerd in een wit laken, waaronder uit zijn eenigszins bemodderde laarzen kwamen. Zijn bloote, gespierde armen staken eigenaardig uit de witte kleeding, in zijn eene hand, rood en met hier en daar een schram, hield hij een met goudpapier beplakt staafje en in de andere een mandje met bloemen, die vast al dienst hadden gedaan op een of anderen hoed, ze zagen er tenminste tamelijk verkleurd en vuil uit. Deze fee, zich niet storend aan het gelach, waarmee zij ontvangen werd, kwam met vlugge trippelpasjes op Wies aan, waarbij ze groote moeite had, niet te struikelen over het wat afzakkend laken.Ze had blijkbaar wat te zeggen, maar kon door het lachen van de anderen niet aan het woord komen en vroeg dus dringend, of het gegichel nu uit was.„Sst,” zei Grootvader, „laten we nu stil zijn en hooren, wat deze schoone uit het rijk der feeën ons te vertellen heeft.”„Bij het woord „schoone” verslikte de fee zich blijkbaar, ze begon ten minste geducht te proesten, maar al gauw was ze weer bedaard en nam het woord:„Gij uitverkoren menschenkind,Door al de feeën teer bemind,Gij geest, die leeft in hooger spheren,U willen nu wij, feeën, eeren.Wij hoorden van uw worsteling,Zelfs in onz’ bovenaardschen kring.We zagen, hoe g’op uw potlood beet,Tot ’t arme ding er van versleet.We zagen u loopen, op en neer,Om wakker te blijven, keer op keer.We hoorden uw wensch naar den prikkenden ring,En konden u niet helpen aan zoo’n ding.Want wij, arme feeën, zijn tamelijk machteloos,Wij zijn zoo fijn en wonen in een roos ….”Hier brak een schaterend gelach onze fee af, die zoo fijn was en een roos tot woonplaats had en Marietje vroeg, naar zijne vuile laarzen wijzend:„Hebben jullie daar geen schoenpoetsers?”Een minachtende blik was alle antwoord.„….en wonen in een roos,” herhaalde de fee.„Wij zijn voor de menschen te teer besnaard,En de meesten zijn ons dan ook niet waard.Maar als dan een enkel poëtisch kind,Eens denkt aan ons, feeën, en ons bemint,En over die heerlijkheid zit te droomen,Dan is dat haar meestal slecht bekomen.De standjes waren niet van de lucht.Wij namen dan ijlings de vlucht,En lieten een droevig schepseltje na,Dat een straftaak moest breien voor haar ma.Dat haar naalden liet ratelen, driftig en woest,En zei, dat niemand meer breien moest,In dezen tijd van beschaving en licht,Je vroeg in den winkel wat kousen op zicht,Dan hadt je ze te keus en te keur,En dat breien, wat een vreeselijk gezeur.In de ban dus dat werk uit vroeger tijden,Wij willen ons aan kunsten en wetenschap wijden!”„Bravo!” riep Lottie en Wies stemde mee in.Moeder schudde lachend het hoofd.„Henk, Henk, stook de meisjes niet op.”Henk ging onverstoorbaar door:„Dat meisje, waarvan ik zooeven sprak,Was op ’n dag lang niet op haar gemak.Ze had namelijk bijna haar broertjes verdronken,De schapen waren al haast gezonken,Toen ze nog net konden worden gered,En vlug gestopt in ’t warme bed.”„Dat’s flauw,” meende Lottie en Wies kreeg een kleur.„Je ziet dus, van zonde was het meisje niet vrij,Maar wie had er meer verdriet van dan zij?Toen kreeg ze het in haar leuken knikker,Dat ze veranderen wou, net als een kikker.Die toch eerst meer lijkt op een visch,Dan op een vorsch, als ik me niet vergis.Nu, dat meisje bleek te weten wat ze wou,Overgaan, dat was het, wat ze moest en zou.De juffrouw, die ook nog zoo kwaad niet was,Zou haar helpen en het meisje was in haar sas,Niet zuinig hoor, dat zou best gaan,Alle droomerijen joeg ze naar de maan,En ’t ging, ze rolde er schitterend door.Een grapje was ’t niet, dat zeg ik je hoor.Maar ze deed nog meer, z’ ontpopte zich in heldin,Toen haar broertje het kreeg in zijn zin,Om voor gebraden vleesch te spelen,Of ’t warm was, scheen hem niet te kunnen schelen.Toen maakte ze vlug een eind aan dat spelEn redde het ventje uit den knel.Dat alles vernamen de feeën met vreugd,Ze hebben er zich innig over verheugd.En daarom aan mij opgedragen,Me tusschen de wreede menschen te wagen.En deez’ bloemen te strooien voor haar voet,Opdat haar pad verder zij, glad en goed.En den leelijken naam, die niet meer bij haar past,Voor altijd te bergen in de kast.Hoe zal ze dan nu voortaan heeten?Dat dienen we dan toch te weten.Wacht, daar schiet me wat in den zin,Leve ons Wiesje, de heldin!”Dat was me een gejoel en een pret, de een schreeuwde al harder dan de ander: „Leve ons Wiesje, de heldin!”En Wies zelf?Die drukte krampachtig al de handen, die haar toegestoken werden en liet zich kussen en kuste terug, terwijl hare wangen nat waren van de tranen, die ze niet in kon houden.En toch was ze nog nooit zoo gelukkig geweest.
Het was 24 December, ’s morgens om zeven uur.
Nauwelijks had Wies hare oogen geopend en had ze even rondgetuurd in de nog donkere kamer, waar het opgetrokken gordijn enkel een flauw schemerlicht doorliet, of ze was het zich bewust, er was iets heerlijks gebeurd.
Ze richtte zich even op en trachtte te weten te komen, hoe laat het was, maar ze kon de wijzers van haar klokje niet onderscheiden en met een zucht van zaligheid zonk ze weer in de kussens neer.
Het was haast al te verrukkelijk, ze had gisteren examen gedaan en was geslaagd.
Wat ze gevoeld had, toen de directrice haar meedeelde, dat ze goed werk geleverd had en dus na Nieuwjaar in de volgende klasse mocht overgaan, neen, dat was niet te beschrijven, een overweldiging van vreugde, een niet goed begrijpen, dat het mogelijk kon zijn, ja, eigenlijk een soort van schrik.
„Is ’t heusch?” had ze geroepen.
Bespottelijk vond ze dat nu, de directrice had er ook ommoeten lachen en had toen zoo aardig tegen haar gesproken en gezegd, dat ze nu getoond had, wat ze kon en dat ookzijzoo heel blij was geweest met den uitslag.
„Had u het niet gedacht?” had Wies gevraagd.
En weer had de juffrouw gelachen.
„Wat ik gedacht had, zullen we nu maar niet meer napluizen. Je bent er en dat doet me bizonder veel plezier. Ga nu maar gauw naar huis, je moeder zal ook wel verlangend zijn den uitslag te hooren.”
Nu, dat had ze zich geen tweemaal laten zeggen, ze was letterlijk naar huis gehold, ze was Moeder zoo woest om den hals gevlogen, dat deze zich aan iets had moeten vasthouden, om niet te vallen, ze had maar niets geroepen dan: „Moes, kuntu het gelooven, toe knijp me eens, dat ik voel, dat ik niet droom.”
Ze waren allemaal even blij geweest en er was dadelijk aan Vader en Grootvader geschreven.
Grootvader wist het nu al, maar Vader pas over verscheidene weken. Ze hadden er nog over gesproken, of ze ook een telegram zouden zenden, maar daar Vader er niets van wist, zou men het niet zoo heel kort kunnen maken, wilde hij er iets van begrijpen. Besloten was dus, dat Vader het dan maar wat later weten moest en dan ineens het heele verhaal krijgen, hoe alles gegaan was.
Wies draaide zich nog eens om en dacht aan al het heerlijke, dat nu volgen ging. Moeder had gisteren dadelijk Lottie laten vragen, om vandaag te komen eten. Ze zou al na de koffie komen en ze konden dan weer eens eindelijk samen zijn, als van ouds. In den laatsten tijd had ze Lot minder dan ooit gezien. Ze was zoo vervuld geweest van haar werk en Lot zelf had repetitie gehad voor het Kerstrapport. Grappig, dat zij nu geen rapport had gehad, ze had de twee laatste dagen examen moeten doen. Hé, verleden jaar was met Kerstmis haar lijst niets goed geweest, ze wist nog, hoe schuw ze er mee thuis was gekomen. Dom toch, om niet goed te werken, als je toch wel kon, je berokkende je eigen en anderen maar verdriet en je won er niets mee. Neen hoor, dat zou haar niet meer overkomen, nu ze eenmaal de zaligheid van het slagen ondervonden had, nu zou ze er wel voor zorgen, dat ze dat genotje meer had.
Ze moest nu toch eens opstaan.
Wat een eenig gevoel, niets te moeten doen, geen lessen leeren, geen thema’s maken, niet naar school gaan, maar lezen en babbelen en pret maken, veertien lange dagen.
Ze had in de laatste maanden zoo heel weinig vrijen tijd gehad, dat ze er nu van zou weten te genieten. Ze moest voor een heelen tijd plezier maken, want als de vacantie om was en zij in de nieuwe klasse …. pas dan op, hoe ze werken zou, nu was ze al niet meer tevreden bij Lot en de andere kennisjes te zitten, nu wilde ze nog tot de eersten behooren ook, ze zou hem katoengeven, hoor, ze wist nu, dat ze wel kon, als ze maar wilde.
Met oogen stralend van opgewondenheid schudde ze haar vuist tegen een denkbeeldigen vijand.
„Pas jullie maar op, kindertjes, je krijgt er nu een in de klasse, die jullie er allemaal onder wil hebben.”
Ze schaterde het ineens uit.
„De stumpers, ik wensch ze heusch geen kwaad toe, ik ben immers nooit jaloersch geweest op hun mooie rapporten, maar ik moet vooruit, knap worden wil ik, willen ze me de mooiste cijfers betwisten, des te beter, dat staat ze vrij, dan vechten we er om, dan wordt het pas echt.”
Vroolijk sprong ze het bed uit en trok het gordijn hooger op.
Lieve deugd, wat een duisternis, hoe somber zag alles er uit.
Maar dat kon haar niet schelen, bij haar scheen het zonnetje van binnen.
Ze haastte zich met kleeden, het was al laat, ze had eigenlijk haar tijd weer liggen te verdroomen, maar voor één keertje, mocht ze dat wel, nu zou zelfs Moeder er niets op tegen gehad hebben.
Toen ze beneden kwam, vond ze bij haar plaats een mooien bouquet chrysanten en op haar bord een pakje.
Een oogenblik keek ze verbaasd naar al de lachende gezichten, die haar aanstaarden.
„Ik ben toch niet jarig vandaag?” vroeg ze grappig, welke vraag Jantje in een onbedaarlijk geschater deed uitbarsten. De gedachte, dat iemand niet weten zou, of hij jarig was, vond hij allergeestigst.
„Beter dan jarig,” zei Moeder, „aan een verjaardag heb je zelf niets geen verdienste.”
Wies liep op haar af en gaf haar een klinkenden kus.
„Moesje, ik ben zoo blij, dat u eindelijk tevreden over me bent.”
„Ik niet minder, dat ik het zijn kan. Kijk nu maar eens gauw, wat er in dat pakje zit.”
Wies ging naar haar plaats terug, terwijl Jan en Stan juichten: „Wij weten het, wij weten het al lang, hoor.”
Nieuwsgierig greep Wies naar het pakje en begon met haastige vingers het touwtje los te maken, waardoor het natuurlijk in den knoop schoot en Henk helpen moest, om het door te snijden.
Toen het papier er af was, vertoonde zich een étuitje, dat Wies niet onbekend was, haar hart klopte snel, zou het waar zijn? Dat was hetétuitjevan een goud armbandje van Moes, dat ze altijd zoo beeldig mooi gevonden had, een goud slangetje met twee schitterende diamantjes voor oogen.
Ze keek haar moeder aan met vragende oogen, voor ze het étui opende en deze knikte haar lachend toe.
Een druk op het veertje en open sprong het deksel.
Daar lag het lang bewonderde beestje op zijn groen fluweelen bedje en de oogjes schitterden haar tegen.
Wies was een oogenblik verstomd, ze kon niets zeggen.
Al die oogen, die naar haar keken, hoe ze het wel vond, dat prachtige armbandje daar voor haar, het gevoel, dat het toch niet waar kon zijn, dat het voor haar was, ze werd er verlegen onder en stotterde niets dan:
„Maar Moes!”
Henk verbrak de stilte.
„Het is te veel voor het brave wichtje, ze is van louter verrassing in de war.”
Wies was opgestaan en hing nu aan haar moeders hals.
„U hadt het niet moeten doen, dat prachtige armbandje, dat Vader voor u mee uit Indië gebracht heeft.”
Haar moeder beantwoordde haar omhelzing en vroeg schertsend:
„Wil je het liever niet hebben?”
„Niet hebben?” en Wies drukte haar schat tegen zich aan, „ik vind het alleen naar, dat u het nu niet meer dragen kunt.”
Nu gierde Henk het uit.
„Draag het samen, het is nog al rekbaar, misschien kunnen erwel twee polsen in, wil ik het eens probeeren?” en hij stak zijn hand uit naar het kleinood.
Wies duwde hem terug.
„Je zult er wel afblijven.”
Henk schudde met een komisch gezicht zijn hoofd.
„Dat is nu onze dank, Marietje, we hadden die bloemen wel voor ons kunnen houden, de jubilaresse kijkt er zelfs niet naar om, nu ze goud heeft weten te bemachtigen.”
„Zijn de bloemen van jullie? Wat vreeselijk lief, dank je duizendmaal,” en nu moesten Marietje en Henk zich onderwerpen aan een onstuimige omhelzing, zooals Henk het uitdrukte.
„Het is goed,” zei hij met een genadig gebaar, „maar een teleurstelling is en blijft het voor me. Ik dacht de reine ziel van mijn oudste zuster beter te kennen. Ik dacht, als zij kiezen moet tusschen het doode metaal en de levende natuur, zal haar poëtische ziel geen oogenblik aarzelen en haar hand het lokkende goud ver van zich werpen, maar jawel ….”
Wies lachte, tot hare oogen overliepen.
„Schei uit, Henk, ik stik,” zei ze, hare oogen afvegend.
„Gelukkig ze weent, ze voelt nu blijkbaar ….”
„Ontbijten, kinderen,” viel Moeder in, „anders zitten we hier om twaalf uur nog.”
Wies had moeite iets naar binnen te krijgen.
Ze bekeek maar steeds het gouden slangetje op het groene fluweel en beweerde, dat ze het nooit zou durven dragen, uit angst het te verliezen.
„Ook een manier, om van je cadeau te genieten,” vond Henk.
Wat een gezellige dag was dat.
Wie kwam daar tegen het koffieuur aan?
Niemand minder dan Grootvader, die zelf zijn kleindochter wilde gelukwenschen. Hij was zoo verrast geweest en Grootmoeder niet minder. Als het reizen voor haar niet zooveel bezwaar opgeleverd had en daarenboven het weer niet zoo slecht was geweest, dan was ze meegekomen. Nu stuurde ze de boodschap,dat ze zoo innig blij was, dat Wies nu getoond had, niet enkel een lief droomstertje te zijn.
Grootvader had ook nog een verrassing meegebracht, een mooi goud kettinkje, dat Grootmoeder zelf als jong meisje gedragen en altijd voor Wies bestemd had, als deze eens een bizondere belooning verdiend had.
Wies was haast al te gelukkig, met de cadeautjes was ze dolblij, maar de reden, waarom ze die kreeg, was toch het voornaamste.
Met moeite werd Grootvader overgehaald, ten minste één nacht te blijven logeeren. Hij mocht toch in geen geval voor den eten weg en het was zoo gehaast, als hij ’s avonds ging. Eerst aarzelde hij, het was morgen Kerstmis en dan wilde hij thuis zijn, hij had voor den eten weer weg willen gaan, maar Henk nam hem mee in een hoekje van de kamer en fluisterde hem iets in en toen beloofde hij dan maar te zullen blijven.
„Als het morgen geen Kerstmis was, zou ik zeggen, ik neem Wies voor een paar dagen mee, maar nu zullen jullie haar misschien niet graag missen. Het zou anders wel aardig voor Grootmoeder zijn,” voegde hij er bij.
„Als Wies graag wil, sta ik haar af,” antwoordde Moeder „maar voor Oudejaar zou ik haar liefst weer thuis hebben.”
„Daar kun je op rekenen,” beloofde Grootvader en dus werd er besloten, dat hij dien nacht blijven zou en Wies morgen met hem mee zou gaan.
Een telegram bracht Grootmoeder en Tante Marie van dit plan op de hoogte, wat Tante dadelijk heel wat te bedisselen gaf, terwijl Grootmoeder langzaam het groene papier glad streek, dat de prettige tijding gebracht had, terwijl ze zacht zei: „Dat lieve kind, dat lieve kind.”
Wat een vroolijk en gezellig dinertje was dat, dien middag.
Grootvader was zoo echt opgewekt en plaagde Lottie en plaagde Wies en plaagde Marietje en deed telkens een daverend gelach ontstaan.
Aan het dessert verdween Henk opeens en na een poosje kwam Betje gichelend binnen en zei, dat er een jongedame was om Wies te spreken.
„Een jongedame?” vroeg Wies verbaasd.
„Ze heit dit kaartje gegeven,” gierde Bet, met haar schort voor haar gezicht, om niet te laten zien, hoe ze lachen moest.
Ze reikte Wies een klein, wit kaartje over, waarop te midden van een rozenkrans stond te lezen:
„De fee van den ring.”
Wies keek nog verbaasder van den een naar den ander.
„We zullen die jonge dame niet langer laten wachten,” zei Moeder en droeg Betje op haar te verzoeken, binnen te willen komen.
Betje ging, steeds lachend, zich van deze opdracht kwijten en eenige oogenblikken later werd de deur weer geopend en wat zich daar op den drempel vertoonde, deed een salvo van gelach ontstaan.
Het was de lange gestalte van Henk, gedrapeerd in een wit laken, waaronder uit zijn eenigszins bemodderde laarzen kwamen. Zijn bloote, gespierde armen staken eigenaardig uit de witte kleeding, in zijn eene hand, rood en met hier en daar een schram, hield hij een met goudpapier beplakt staafje en in de andere een mandje met bloemen, die vast al dienst hadden gedaan op een of anderen hoed, ze zagen er tenminste tamelijk verkleurd en vuil uit. Deze fee, zich niet storend aan het gelach, waarmee zij ontvangen werd, kwam met vlugge trippelpasjes op Wies aan, waarbij ze groote moeite had, niet te struikelen over het wat afzakkend laken.
Ze had blijkbaar wat te zeggen, maar kon door het lachen van de anderen niet aan het woord komen en vroeg dus dringend, of het gegichel nu uit was.
„Sst,” zei Grootvader, „laten we nu stil zijn en hooren, wat deze schoone uit het rijk der feeën ons te vertellen heeft.”
„Bij het woord „schoone” verslikte de fee zich blijkbaar, ze begon ten minste geducht te proesten, maar al gauw was ze weer bedaard en nam het woord:
„Gij uitverkoren menschenkind,Door al de feeën teer bemind,Gij geest, die leeft in hooger spheren,U willen nu wij, feeën, eeren.Wij hoorden van uw worsteling,Zelfs in onz’ bovenaardschen kring.We zagen, hoe g’op uw potlood beet,Tot ’t arme ding er van versleet.We zagen u loopen, op en neer,Om wakker te blijven, keer op keer.We hoorden uw wensch naar den prikkenden ring,En konden u niet helpen aan zoo’n ding.Want wij, arme feeën, zijn tamelijk machteloos,Wij zijn zoo fijn en wonen in een roos ….”
„Gij uitverkoren menschenkind,
Door al de feeën teer bemind,
Gij geest, die leeft in hooger spheren,
U willen nu wij, feeën, eeren.
Wij hoorden van uw worsteling,
Zelfs in onz’ bovenaardschen kring.
We zagen, hoe g’op uw potlood beet,
Tot ’t arme ding er van versleet.
We zagen u loopen, op en neer,
Om wakker te blijven, keer op keer.
We hoorden uw wensch naar den prikkenden ring,
En konden u niet helpen aan zoo’n ding.
Want wij, arme feeën, zijn tamelijk machteloos,
Wij zijn zoo fijn en wonen in een roos ….”
Hier brak een schaterend gelach onze fee af, die zoo fijn was en een roos tot woonplaats had en Marietje vroeg, naar zijne vuile laarzen wijzend:
„Hebben jullie daar geen schoenpoetsers?”
Een minachtende blik was alle antwoord.
„….en wonen in een roos,” herhaalde de fee.„Wij zijn voor de menschen te teer besnaard,En de meesten zijn ons dan ook niet waard.Maar als dan een enkel poëtisch kind,Eens denkt aan ons, feeën, en ons bemint,En over die heerlijkheid zit te droomen,Dan is dat haar meestal slecht bekomen.De standjes waren niet van de lucht.Wij namen dan ijlings de vlucht,En lieten een droevig schepseltje na,Dat een straftaak moest breien voor haar ma.Dat haar naalden liet ratelen, driftig en woest,En zei, dat niemand meer breien moest,In dezen tijd van beschaving en licht,Je vroeg in den winkel wat kousen op zicht,Dan hadt je ze te keus en te keur,En dat breien, wat een vreeselijk gezeur.In de ban dus dat werk uit vroeger tijden,Wij willen ons aan kunsten en wetenschap wijden!”
„….en wonen in een roos,” herhaalde de fee.
„Wij zijn voor de menschen te teer besnaard,
En de meesten zijn ons dan ook niet waard.
Maar als dan een enkel poëtisch kind,
Eens denkt aan ons, feeën, en ons bemint,
En over die heerlijkheid zit te droomen,
Dan is dat haar meestal slecht bekomen.
De standjes waren niet van de lucht.
Wij namen dan ijlings de vlucht,
En lieten een droevig schepseltje na,
Dat een straftaak moest breien voor haar ma.
Dat haar naalden liet ratelen, driftig en woest,
En zei, dat niemand meer breien moest,
In dezen tijd van beschaving en licht,
Je vroeg in den winkel wat kousen op zicht,
Dan hadt je ze te keus en te keur,
En dat breien, wat een vreeselijk gezeur.
In de ban dus dat werk uit vroeger tijden,
Wij willen ons aan kunsten en wetenschap wijden!”
„Bravo!” riep Lottie en Wies stemde mee in.
Moeder schudde lachend het hoofd.
„Henk, Henk, stook de meisjes niet op.”
Henk ging onverstoorbaar door:
„Dat meisje, waarvan ik zooeven sprak,Was op ’n dag lang niet op haar gemak.Ze had namelijk bijna haar broertjes verdronken,De schapen waren al haast gezonken,Toen ze nog net konden worden gered,En vlug gestopt in ’t warme bed.”
„Dat meisje, waarvan ik zooeven sprak,
Was op ’n dag lang niet op haar gemak.
Ze had namelijk bijna haar broertjes verdronken,
De schapen waren al haast gezonken,
Toen ze nog net konden worden gered,
En vlug gestopt in ’t warme bed.”
„Dat’s flauw,” meende Lottie en Wies kreeg een kleur.
„Je ziet dus, van zonde was het meisje niet vrij,Maar wie had er meer verdriet van dan zij?Toen kreeg ze het in haar leuken knikker,Dat ze veranderen wou, net als een kikker.Die toch eerst meer lijkt op een visch,Dan op een vorsch, als ik me niet vergis.Nu, dat meisje bleek te weten wat ze wou,Overgaan, dat was het, wat ze moest en zou.De juffrouw, die ook nog zoo kwaad niet was,Zou haar helpen en het meisje was in haar sas,Niet zuinig hoor, dat zou best gaan,Alle droomerijen joeg ze naar de maan,En ’t ging, ze rolde er schitterend door.Een grapje was ’t niet, dat zeg ik je hoor.Maar ze deed nog meer, z’ ontpopte zich in heldin,Toen haar broertje het kreeg in zijn zin,Om voor gebraden vleesch te spelen,Of ’t warm was, scheen hem niet te kunnen schelen.Toen maakte ze vlug een eind aan dat spelEn redde het ventje uit den knel.Dat alles vernamen de feeën met vreugd,Ze hebben er zich innig over verheugd.En daarom aan mij opgedragen,Me tusschen de wreede menschen te wagen.En deez’ bloemen te strooien voor haar voet,Opdat haar pad verder zij, glad en goed.En den leelijken naam, die niet meer bij haar past,Voor altijd te bergen in de kast.Hoe zal ze dan nu voortaan heeten?Dat dienen we dan toch te weten.Wacht, daar schiet me wat in den zin,Leve ons Wiesje, de heldin!”
„Je ziet dus, van zonde was het meisje niet vrij,
Maar wie had er meer verdriet van dan zij?
Toen kreeg ze het in haar leuken knikker,
Dat ze veranderen wou, net als een kikker.
Die toch eerst meer lijkt op een visch,
Dan op een vorsch, als ik me niet vergis.
Nu, dat meisje bleek te weten wat ze wou,
Overgaan, dat was het, wat ze moest en zou.
De juffrouw, die ook nog zoo kwaad niet was,
Zou haar helpen en het meisje was in haar sas,
Niet zuinig hoor, dat zou best gaan,
Alle droomerijen joeg ze naar de maan,
En ’t ging, ze rolde er schitterend door.
Een grapje was ’t niet, dat zeg ik je hoor.
Maar ze deed nog meer, z’ ontpopte zich in heldin,
Toen haar broertje het kreeg in zijn zin,
Om voor gebraden vleesch te spelen,
Of ’t warm was, scheen hem niet te kunnen schelen.
Toen maakte ze vlug een eind aan dat spel
En redde het ventje uit den knel.
Dat alles vernamen de feeën met vreugd,
Ze hebben er zich innig over verheugd.
En daarom aan mij opgedragen,
Me tusschen de wreede menschen te wagen.
En deez’ bloemen te strooien voor haar voet,
Opdat haar pad verder zij, glad en goed.
En den leelijken naam, die niet meer bij haar past,
Voor altijd te bergen in de kast.
Hoe zal ze dan nu voortaan heeten?
Dat dienen we dan toch te weten.
Wacht, daar schiet me wat in den zin,
Leve ons Wiesje, de heldin!”
Dat was me een gejoel en een pret, de een schreeuwde al harder dan de ander: „Leve ons Wiesje, de heldin!”
En Wies zelf?
Die drukte krampachtig al de handen, die haar toegestoken werden en liet zich kussen en kuste terug, terwijl hare wangen nat waren van de tranen, die ze niet in kon houden.
En toch was ze nog nooit zoo gelukkig geweest.