[Illustratie]
[Illustratie]
"Soep voor moeder?" vroeg hij, terwijl hij zich omdraaide en van mij gehoord had, wat ik kwam doen. "Ik ben er zoo dankbaar voor. Boven ligt ze te bed met pijnlijke rheumatiek, en ik verzorg haar zoo goed als ik kan. 's Morgens moet ik naar Lemworth, en pas 's avonds 7 uur kom ik weer in 't dorp terug." Hij had inmiddels het pannetje van me aangenomen en keek er in. "Daar is genoeg in voor vandaag en morgen," zei hij. "Vriendelijk bedankt hoor kind. Wil je niet even naar boven gaan, om moeder te groeten? Ze houdt zoo van gezelligheid."
Ik klom de nauwe trap op, en Puf stommelde achter mij aan. Ik ben gewoonlijk bang voor zieke menschen, maar van deze oude vrouw hield ik. Een helder mutsje had ze op en ze lag onder een lappendeken. Haar gansche gezicht helderde op, toen ze ons zag komen. Zij zei, dat ze al van ons gehoord had, en of ik nu dat meisje was met het mooie haar? Ik lachte terwijl ik mijn roode lokken naar achteren schudde, en vertelde haar, dat dat Lena was. Toen begon Puf met haar te praten, en natuurlijk vertelde hij haar ook van het ezeltje. Daar was hij nu eenmaal vol van.
"Puf begrijpt nog niet, wat bidden is," legde ik haar uit. "Hij denkt, dat hij zeker alles krijgt, waar hij God om vraagt. Hij vraagt b.v. om z'n speelgoed heel te maken, maar gewoonlijk doe ik het maar, anders gaat hij nog rekenen op wonderen."
"Och lieve kind," zei juffrouw Tapson, "de Heere hoort gaarne het gebed der kinderen! 't Is net als met mijn Bob; wat die vroeg, kon ik niet half geven, toch luisterde ik geduldig naar al zijn wenschen. Maar bid, bid gerust; veel gebed maakt je ziel sterk, en zoo ben je ons ouderen nog ten voorbeeld."
Puf begreep er niets van. Hij liep wat heen en weer, en ging toen de trap af. Ik keek hem na, en zag, dat Bob Tapson met hem spelen wilde. En toen heb ik juffrouw Tapson mijn geheim verteld; ik gevoelde, dat ik het nu toch aan iemand moest vertellen, en zoo stortte ik mijn hart voor haar uit. Zij luisterde met ingehouden adem, en beloofde mij, dat haar zoon voor mij zou uitzien, en een plekje in z'n kar voor mij zou openlaten.
Ziedaar het geheim! Vader had mij aangeraden, om uit onzen tuin bloemen en groenten te verzamelen, die te Lemworth ter markt te brengen, en ze daar te verkoopen. Met den trein er heen gaan, was veel te duur, en daarom had ik gevraagd, op Baldwins groentenkar te mogen meerijden. Maar die gaat 's morgens om 8 uur al heen, en komt 's avonds 7 uur pas terug, en ik ben dus bang, dat tante, als ze er achter komt, het mij zal verhinderen.
Ik wandelde met Puf naar huis terug en gevoelde mij verdrietig. Als ik ging, zou ik het ontbijt moeten missen, want voor 8 uur ontbijten we nooit. Ik kon wel gemakkelijk zoo vroeg weg gaan, maar zouden ze dan thuis niet denken, dat me wat overkomen was? Maar dan kon ik toch een briefje voor vader achterlaten, en hem vragen, er niets van te zeggen!
Ik leefde weer op, en zoodra we thuis waren, holde ik den tuin in, om mijn mand te gaan inpakken. Toen we kwamen theedrinken, vertelde tante ons, dat vader verzocht was, om in een naburig dorp een begrafenis te gaan bijwonen, omdat de predikant daar uit was. "En hij zal daar den nacht overblijven," voegde zij er bij. "Hij zal niet voor morgenavond terugkomen, want morgenochtend is er ook nog een huwelijk te bevestigen."
Zoo zou dus mijn brief aan vader weinig geven. Ik zat leelijk in de war, en peinsde, wat ik doen moest. 't Beste leek mij toe, dan maar voor tante Caroline een briefje achter te laten. Ik schreef nu, voor ik naar bed ging, dit briefje:
Lieve tante Caroline,Als ik den ganschen dag weg blijf, dan is er niets met mij gebeurd. En vanavond om 7 uur zal ik thuiskomen, het dient om mijn plan uit te voeren, dat echter een geheim is.Uw liefhebbende nicht Grietje.P. S. Het is geen verkeerde zaak, maar een goede.
Tante Caroline zei, voordat we naar bed gingen, dat zij vandaag nauwelijks een van ons gezien had, en dat zij hoopte, dat wij geen van allen verkeerde dingen in 't schild voerden. Alex werd zoo rood als een pioen, en zei, dat hij vreeselijk moe was, en Daan zag er moedeloos uit, als had hij al z'n geld verloren.
"Ik heb hard genoeg gewerkt, om 10 kwartjes te verdienen," zei hij, "en ik durf zeggen, dat ik dat al lang gedaan heb."
"Kinderen," zei tante, "ik houd niet van al dat gepraat over geld. Het schijnt, dat jelui aan niets anders denkt tegenwoordig. Het staat zoo onkinderlijk!"
"Maar het is om een ezel te krijgen," riepen we allen uit. Toen zei tante Caroline niets meer. En wij gingen naar bed; ik vol van de plannen voor morgen.
Den volgenden morgen was ik al om 4 uur wakker; den ganschen nacht had ik gedroomd van juist voor m'n neus vertrekkende treinen, en van al de moeite, die ik hebben zou, om mijn plan voor tante Caroline geheim te houden. Ik was dan ook wat blij, toen het eindelijk begon te lichten en ik kon opstaan; erg gejaagd kleedde ik mij aan, want het was een heerlijk avontuur, en wij houden allen van avonturen.
Overal had ik voor gezorgd. Voor niemand wilde ik weten, waar ik was heengegaan, en ik had dus een heel oud katoenen jurkje aangetrokken, met een boezelaar er over, denzelfden, dien ik altoos in den tuin draag. Mijn haar vlocht ik in een paar dichte vlechten, en daarover ging een groote zomermuts, die ook achterhoofd en hals bedekte. Tante Caroline vindt dat soort zoo geschikt voor onzen tuinarbeid, maar wij houden er niet van, om juist als de dorpskinderen gekleed te gaan.
Heel stil moest ik me aankleeden, om Lena niet wakker te maken; eindelijk stond ik gereed, en legde het briefje op Lena's tafel dan kon zij het aan tante geven. Voorzichtig sloop ik de trappen af, opende de deur en liep op m'n teenen de stoep af. Den vorigen avond had Baldwin de groentenmand al in den stal gezet, de eenige kunst was nu nog, om ze daar vandaan en het hek door te krijgen.
't Viel niet mee maar ten slotte gelukte het toch; ik moest ze langs den grond sleepen, en angstig keek ik naar boven, of niemand mij zag. Buiten het hek liet ik ze staan, want de groentenwagens komen hier altoos langs, en toen liep ik zoo vlug ik kon naar het huis van juffrouw Tapson. Bob had mij gezegd, dat als ik wat vroeg kwam, ik een mooi plaatsje op zijn wagen kon krijgen. Toen ik het huis bereikt had, was Bob aan 't schoonmaken van zijn paard. Hij keek verwonderd op toen hij me zag, en herkende me niet in mijn groote muts.
"Ik wil niet, dat ze in 't dorp weten, wat ik ga doen," zei ik. "Je zult er toch niets van zeggen, wel? Mijn mand staat vlak bij ons hek. Ik dacht, je rijdt er toch langs, en dan kunnen wij haar zoo meenemen."
"'t Komt in orde, hoor," zei hij hartelijk. "Jij bent een vlug vogeltje, heb je al wat gegeten?"
Ik haalde twee dikke boterhammen uit m'n zak, die de keukenmeid mij den vorigen avond had gegeven, toen ze dacht dat ik ergen honger had. Bob verraste me met een heerlijken kop thee. Toen ging hij naar boven, om z'n oude moeder goeden dag te zeggen, en vroeg mij, of ik haar ook nog even wilde groeten. Ik ging naar boven, en de oude vrouw schudde mij glimlachend de hand. "Je bent een dapper meisje," zei ze, "om er zoo op uit te trekken, en ik zal je eens zeggen, wie je wel zal willen helpen. Vraag maar naar Marie Dutton, ze is een eigen zuster van me en woont twee mijlen van Lemworth. Zij zal je graag helpen, en Bob zal je wel bij haar brengen."
"Ik ben nog nooit op een markt geweest," zei ik haar, "Ik ben heel blij, dat er iemand is, die mij helpen wil."
En toen gingen we naar beneden, en ik klom op den volgeladen wagen, die in den tuin te wachten stond. Die Bob is toch zoo'n goeie jongen: hij had een stoof in den wagen gezet, zoodat ik zoo echt gemakkelijk kon zitten.
[Illustratie]
[Illustratie]
En daar ging het; mijn hart klopte van blijdschap en spanning. Nog drie vrouwen met boodschappen voor Lemworth reden mee; bij ons hek zette Bob mijn mand in den wagen; terwijl keek een der vrouwen mij aan en vroeg: "Wat is dat voor een kleine meid?" Ik draaide mijn hoofd niet om en Bob antwoordde kortaf: "Zij is met mij mee gekomen." Verder zei ze niets, want ze praatte zóó druk met de andere vrouwen, dat ze mij geheel vergat. Doodstil zat ik op den wagen, die zóó langzaam reed als duurde de tocht een jaar. Ik kreeg ten slotte kramp in mijn beenen, en werd moe ook. Zoo vroeg ook op geweest! Toen wij Lemworth naderden, zat ik al te knikkebollen! Het scheen een heel groote stad, en ik voelde me wat beangst toen we naar de markt reden; wat een menschen, en wat een drukte! Toen de vrouwen waren uitgestapt, en Bob z'n paard had afgespannen, nam hij mijn mand op z'n schouder, en zei me, hem te volgen.
De markt was alleraardigst; er waren gansche rijen kuikens en eenden, vruchten en bloemen, boter en eieren, en iedereen schreeuwde zoo hard als ie kon. En wat waren daar grappige oude boerinnen bij, en druk-lachende kinderen, net als op de schilderijen, die ik wel eens gezien heb.
Bob trok me mee naar een hoekje, waar een vriendelijke oude vrouw zat. Zij leek veel op juffrouw Tapson, maar haar gezicht was heel wat dikker. Bob vertelde haar, wie ik was; zij lachte en vroeg mij, haar alles van mijn plan te vertellen. Dat deed ik; terwijl pakte zij m'n mand uit, en maakte ruimte op een hoek van haar stalletje, om mijn koopwaar daar neer te leggen. Ik begon er schik in te krijgen, en had wat graag gewild, dat de jongens mij zoo even hadden gezien. En mijn bloemruikers waren veel mooier dan alle, die ik zag; ik had ze dan ook met zorg gerangschikt.
Maar er kwam maar niemand bij me koopen, en ik begon den moed al te verliezen. Nooit zal ik dan ook vergeten, dat de eerste koopster mijn bloemen opmerkte en mij vroeg, wat de ruikers per stuk kostten. Ik zei: een dubbeltje — juffrouw Dutton had mij gezegd, dat ik er dat voor vragen moest — en zij kocht zes ruikers van me! Ik had de gansche markt wel kunnen ronddansen, zoo blij was ik. Spoedig daarna kwamen weer twee dames voorbij. Zij hielden stil, wenkten juffrouw Dutton goeden morgen, en vroegen haar, of zij crocussen had. Zij zei van niet, maar vertelde hun, dat ik heele mooie had. Zij bekeken de mijne, kochten er vier, bovendien nog een bundeltje varens, en betaalden er negen stuivers voor. De eene dame zei tot de andere: "Wat een schilderachtig tafreeltje, die kleine meid te midden harer bloemen! Als de arme menschen hun kinderen altijd zóó kleedden, als haar moeder haar kleedt, zouden we onder de lagere klassen niet zulke armoedige aankleeding vinden. Zij is een voorbeeld voor haar stand!" Ik durfde niet te lachen, toen ik dat hoorde....
Later verkocht ik nog vier koolen, en drie bos wortelen. Toen de middag ten einde liep, had ik alles verkocht, wat ik had meegebracht, behalve twee koolen en één bloemruiker; die kocht juffrouw Tapson van me, zij heeft een groentenwinkeltje en zei dat ze haar wel te pas zouden komen.
Ik vergat nog te vertellen, dat ik om 1 uur met juffrouw Dutton naar een tentje ging, waar thee werd verkocht en koeken. Ik had honger, maar ik had geen zin, van mijn verdiende geld veel uit te geven; ik kocht dus alleen een kop thee voor 5 cent en een koek voor 5 cent; juffrouw Dutton gaf me een van haar grootste appels er bij.
Toen was het tijd, om naar huis terug te keeren. Ik telde nog even mijn geld: ik had één gulden en 25 cents verdiend! Wat was ik blij!
Doch daar kwam Bob Tapson aan, om mij te zeggen, dat hij om 4 uur vertrok, en dat de vrouwen reeds lang hun manden gepakt hadden. Het speet mij, nu al van de markt te moeten scheiden, maar er was niets aan te doen, ik klom op den wagen en ging weer op mijn oude plekje zitten. De terugweg scheen eindeloos; er reed een oude man mee, die erg naar bier rook en om de flauwste kleinigheden lachte. Ik gevoelde mij vreeselijk vermoeid, en viel ten slotte in slaap, zóó vast, dat Bob mij bij het hek van de pastorie van den wagen moest zetten.
"Wel, Grietje, heb je een goeden dag gemaakt?"
"Ja," zei ik met slaperige stem, "hoeveel moet ik je betalen?"
"O niets, kind, je nam geen ruimte in beslag; en denk er aan, even bij moeder aan te komen en haar alles van vandaag te vertellen. Zij zal het zoo graag hooren."
Ik nam afscheid van hem, en bedankte hem hartelijk; vervolgens droeg ik mijn leege groentenmand naar den stal, opende de keukendeur en stapte heel rustig binnen. Ik was wel een beetje bang voor tante Caroline. Lena kwam net de trap afrennen.
"O, jou ondeugende meid! Daar zal wat opzitten! Vader is thuis gekomen, en hij is o zoo boos op je. En wat heb je toch uitgevoerd? Den heelen dag hebben we er naar gegist, en weet je al, dat ik Daan's geheim heb geraden? Zou je het graag willen weten?"
Ik antwoordde slechts: "Ik ben zoo moe; heb je wat thee voor me? Waar is tante Caroline?"
"Ze zijn allemaal in den tuin, aan 't bloemen begieten. Toe, Griet, lieverd, zeg me nou es, wat je hebt uitgevoerd."
Maar ik wilde 't haar niet zeggen. Ik voelde mij niet prettig door die ontvangst, en wou maar rechtuit aan vader gaan zeggen, wat ik gedaan had. Ik liep den tuin in. Tante kwam dadelijk op mij af.
"Griet, dat is heel ondeugend van je. Waar ben je toch geweest? En wat heb je den ganschen dag uitgevoerd? Je weet toch wel, dat zoo verdwijnen zonder iets te zeggen, heel onbehoorlijk is."
"Ik wilde het vader gaan zeggen, het is een geheim," zei ik. Tante Caroline kwam altijd weer in haar humeur, als we zeiden, naar vader te zullen gaan. Zij riep vader, die juist bezig was den gieter te vullen, en ging toen heen, vader en mij alleen latende. Daan zegt, dat zij geheel "in den vorm" is, als zij zoo doet.
[Illustratie]
[Illustratie]
Vader zette zijn bril op, en keek mij scherp aan.
"Grietje, je hebt tante vandaag heel wat angst berokkend. Ik ben niet tevreden over je."
"Hoor u eens, vader. Luister es. Het gaat over de groenten en bloemen, waarvan u gezegd had, dat ik ze mocht hebben. Ik ben ze gaan verkoopen, om mee te helpen voor het koopen van onzen ezel." En ik vertelde hem alles, wat ik vandaag gedaan had. Een keer lachte hij, en toen wist ik al, dat mijn straf niet heel zwaar zou wezen. Maar ik kreeg toch een lichte straf; vader zei me, dat ik er niet aan mocht denken, ooit weer zoo iets te doen. Dat maakte mij zeer verdrietig.
"Neen Grietje, ik wil niet, dat mijn kind daar alleen tusschen al dat ruwe volk is, hoe vriendelijk ze ook voor je zijn. Het mag niet. Je moeder zou het zeker niet hebben toegestaan. En in elk geval had je eerst toestemming moeten vragen. Ik ben bang, dat je vermoed hebt, die niet te zullen krijgen. Spreek op en zeg de waarheid."
Ik bloosde sterk. "Ja, ik was bang, dat u me niet zoudt laten gaan, maar ik was niet ongehoorzaam, want ik wist het niet zeker."
"Dat was juist verkeerd van je. Doe nooit zoo iets weer. En ga nu naar binnen, om wat te eten."
"En mag ik het geld houden?"
"Ja, daar heb ik niets tegen; maar je moet een ander middel zoeken, om de groenten aan den man te brengen."
Ik ging naar de eetkamer, tante had de thee klaar. Zij zei niet veel; maar voor ik het eten op had, holden de jongens en Lena binnen.
"Nou, zondaar, biecht op! Wat heb je vandaag uitgehaald?"
"Bepaald goede zaken! Wij hebben je brief gezien, 't was een prachtstuk!"
"En tante Caroline was zoo bang voor je!"
Ik haalde rustig mijn beurs te voorschijn en legde de zilver- en koperstukken op tafel.
"Ziedaar," riep ik uit, "kan één van jelui 't beter?"
"Vijf en twintig stuivers!" schreeuwde Daan, en grabbelde er in om, als een oude gierigaard.
"Nou, 't is niet slecht voor een meisje! Vertel ons nu es, hoe je 't hebt gedaan gekregen."
"Dat is mijn geheim," zei ik.
Het was mijn overwinningskreet. Maar ik wist: mijn geheim zou niet lang geheim blijven. Want eigenlijk wou ik ze 't allemaal zoo graag vertellen.
"Zeg," riep Lena, "ik weet wat Daan deze laatste twee dagen heeft gedaan. Vraag hem es, hoeveel hij al heeft, Griet!"
Daan grinnikte, en hield mij z'n dichtgeknepen vuist voor. "Ik heb vandaag een avontuur gehad," zei hij. En hij toonde ons een halven gulden.
Ik stond op en danste de tafel rond. "Het duurt niet lang, of wij rollen allemaal met rijksdaalders," riep ik uit. En Alex: "Wacht maar tot aan 't einde der week, dan zal ik mijn klein millioen er nog bijvoegen."
Toen gingen we allen achter elkaar de tafel rond marcheeren, terwijl Daan zong:
Een ezel is een heerlijk dier,Over een maand dan komt ie hier,Lang zal ie leven!Lang zal ie leven!Ons ezeltje loopt voor ons pleizier!
Daan kan altijd gedichten maken, als hij er zin in heeft. Wij waren zoo opgetogen, dat we hoe langer hoe sneller gingen dansen, totdat het een complete oorlogsdans werd. Ten slotte vielen we allen over elkaar heen, en rolden van den lach over den grond. Toen we buiten adem weer opstonden, riep ik uit:
"Hoor es, Daan. Als jij jouw avontuur vertelt, dan zal ik het mijne vertellen."
"Dames gaan voor," zei hij, met een buiging.
Toen begon ik, vreeselijk gejaagd, mijn wedervaren te vertellen. Ik dacht wel, dat het hen zou verbazen, en dat deed het ook. Maar Daan en Alex, al zouden ze 't wat graag zelf gedaan hebben, zouden het toch niet zeggen. Daan trok een heel voornaam gezicht en zei: "Ik geloof niet, dat jij en Lena de zaak goed aanpakken. Dat kan iedereen wel, geld maken uit vaders eigendommen. Wel, ik ging z'n studeerkamer binnen, haalde er eenige boeken weg, en verkocht ze."
"Maar dat zou heiligschennis zijn," riep ik uit.
"De bloemen en de groenten zijn niet van jou, om ze te verkoopen," zei Daan, "evenmin als de suiker en de boter, die Lena voor haar borstplaat gebruikt."
"O, maar vader heeft er ons toestemming voor gegeven!" liepen wij beiden luid.
"En ik betaal ook het mijne," zei Lena. "Het is heel wat zwaarder werk, in de dompige, heete keuken te wezen, dan op de markt te zitten en daar verkoopen, en ook niet half zoo aardig."
"Vader gaf mij toestemming," herhaalde ik, "en dus is de zaak heel zuiver."
"Maar kind, wij hebben allemaal recht, om de bloemen te verkoopen," zei Alex.
"Niet waar," zei ik op stelligen toon, "alleen die daar het eerst om vroeg! 't Was mijn plan."
"Nou, als jij het dan voor gisteren hebt gevraagd, dan zal ik het voor morgen vragen; waarom niet? Ik heb harder gewerkt dan jelui allen, de gansche week."
"Maar ik kan er niet mee voortgaan," zei ik verdrietig; "vader heeft gezegd, dat ik het niet weer mocht doen."
"Wil je mijn avontuur nu hooren?" vroeg Daan.
"Hij gaat nog dood, als ie niet over z'n eigen plan kan spreken," zei Lena boosaardig. Wij zetten ons allen tot luisteren, maar Daan zou z'n redevoering niet houden. Juist was hij z'n keel aan 't schrapen, toen tante Caroline binnen kwam, en ons naar bed joeg. "Ik zal het bewaren tot morgenochtend," zei Daan. En ik was er eigenlijk blij om, want ik was zóó slaperig en vermoeid, dat ik al sliep, vóórdat ik nog goed en wel onder de dekens lag.
Den volgenden dag vertelde Daan ons zijn geheim. Ik zal het maar net zoo overschrijven als hij het zei, dat is gemakkelijker. Hij was de rivier langs gegaan, om visch te vangen. Hij begon met deze bekentenis:
"Den eersten dag trof ik het heel slecht. Daarom ging ik gisteren verder de rivier langs. En daar vond ik een heerlijk, rijk beschaduwd plekje, waar je de visschen letterlijk zag spartelen van ongeduld, om bij je te komen. Zij beten flink toe, en het ging puik! D'r waren ook wel kleintjes bij, maar ik had toch in een oogenblik mijn mandje vol. Nu kwam het er op aan, ze aan den man te brengen, en ik besloot, op mijn terugweg naar huis bij eenige boeren aan te loopen, en te zien, of die ze van mij koopen wilden.
Ik vond al spoedig een groote boerderij, en liep er zoo snel mijn beenen mij maar dragen konden, heen. Juist was ik het huis genaderd, toen ik een ouden heer in een tuinstoel zag zitten, die uit een groote pijp dampte. Ik nam mijn pet voor hem af; hij hield mij staande en vroeg me, wie ik was.
"Ik ben vischkoopman," zei ik. "Ik zou zeggen, uw keukenmeid zal wel wat visch van me willen koopen."
Hij staarde me aan alsof ik een chimpansee was.
"Maak je mand maar es open," zei hij. Met trots toonde ik hem de vangst. Weer staarde hij mij aan.
"Waar heb je die visch gevangen? In welk gedeelte van de rivier?"
[Illustratie]
[Illustratie]
Ik legde het hem uit. "Ik heb alleen vandaag maar geluk gehad; ik denk, dat ik eerst naar 't verkeerde plekje ben geweest. Voor zestig cent laat ik u het gansche zoodje, meneer. Prachtig en frisch, pas gevangen!"
Hij lachte. "Wie heeft je tot vischboer aangesteld?"
"Ikzelf. Ik tracht een eerlijk centje te verdienen, om een ezel te kunnen koopen." Toen vertelde ik hem ons plan. Hij vond het zóó vermakelijk, dat hij dadelijk z'n beurs trok, mij een halven gulden gaf en zei: "Daar, breng de visch maar in huis, en breng mij morgen weer zoo'n mandje vol."
Ik danste van blijdschap naar de boerderij, en gaf mijn visch af, doch aan de deur stond een knecht, die mij ook al vroeg, waar ik die visch vandaan had. Ik vertelde het hem. "Het is een geluk, dat Morris je niet gesnapt heeft," zei hij; "dat is juist privaat bezit van onzen meneer, en hij vervolgt iedereen, die zich op zijn terrein waagt."
Ik zei niets, vertrok, en gevoelde mij verre van prettig gestemd. Ik begreep nu, waarom die ouwe heer zoo gegrinnikt had, maar ik was niet van plan, domme dingen te doen, ging dus naar hem toe en zei hem, dat ik hem z'n halven gulden kwam terugbrengen. "Ik heb bemerkt, mijnheer, dat het uw eigen visch is," zei ik. "Het spijt mij, dat ik op uw eigendom heb gevischt, ik zal het niet weer doen."
"Hier," zei hij, "je houdt wat je hebt verdiend. Wij zullen zien, of je daar niet met een vischacte van mij kunt visschen. Het overkomt mij niet vaak, dat ik mijn eigen visch kan koopen. Vroeger mocht ik ook dolgraag visschen, maar mijn jicht laat het niet meer toe."
"Nu, als u het goedkeurt, dat ik het geld behoud, zal ik het graag aannemen. Maar in uw vischwater zal ik niet meer visschen, uw opzichter zou mij kunnen betrappen. Ik ben u zeer dankbaar, goeden middag, mijnheer!"
Ik nam weer mijn pet af, en ging heen; hij lachte als om een grap, maar ik behield den halven gulden.
Toen zei ik: "Maar Daan, dan schijn je toch niet veel beter dan wij allen, want jij vangt visch, die niet aan jou toebehoort."
"Ja, maar ik doe het niet meer," zei Daan snel. "Ik ga niet weer naar dien ouden heer. Ik zal het mijlen verder wel weer beproeven. Ik weet, dat vader op een deel der rivier ook vischrechten heeft."
"Wie is die oude heer?" vroeg ik.
"Hij is de graaf van Benton, hij heet Generaal Walton. Hij vroeg mijn naam niet, dat bewijst zijn voornaamheid." "En je zei eerst, dat hij vroeg wie je was," zei Alex.
"Jawel, hij bedoelde mijn beroep," zei Daan deftig. "Heeren vragen niet iedereen naar hun naam, dat is niet naar den vorm."
"Welnu, nu alle geheimen onthuld zijn, zal ik jelui het mijne vertellen," zei Alex. "Ik heb hard gewerkt en meer uitgevoerd, dan jelui allemaal samen." Wij lachten hem allen uit. "Goed," zei Alex, "vraag het dan maar aan den ouden Cummins. Hij vertelde aan vader, welk een drukke week hij voor zich had met het hooien, en dat hij één mannetje te kort kwam, en hoe moeilijk het was, hulp te krijgen.
Maandagmorgen vroeg ging ik naar hem toe en zei hem, dat ik werken zou als de beste, als ie me maar betaalde; 't slot van de zaak was, dat hij me het loon van een halfwas knecht zou geven, nadat ik hem verteld had, waarvoor ik het geld noodig had. Zoo ging ik aan den arbeid, en Vrijdag krijg ik m'n loon: dan hoopt hij al het hooi binnen te hebben."
Wij hadden wel eerbied voor Alex' plan. Maar wij hadden nog meer eerbied voor den afstand, die ons scheidde van het oogenblik, dat we geld genoeg zouden hebben. Eensklaps dacht ik aan een ander plan, en ik ging spoedig naar juffrouw Tapson, om haar meening erover te vragen. Mijn doel was, om elken Dinsdag een mand met groenten aan Bob mee te geven, en dan juffrouw Dutton ze te laten verkoopen. Juffrouw Tapson vond het een heel goed idee; ik ging weer gauw naar huis terug, en vroeg vader, of hij het goed vond; hij zei ja, tenminste zoolang Baldwin mij kon geven, wat wij uit onzen tuin te missen hadden.
Toen waren we allen een beetje uit ons doen; alle geheimen waren nu onthuld, en wij houden juist zoo van geheimen. De volgende week beginnen de lessen weer.
Niet weinig schrok ik, toen Lena den volgenden middag naar me toe kwam gehold en zei: "O, Griet, ik zit vreeselijk in de rats, toe, help me!"
Lena komt altijd naar me toe, als ze wat bijzonders heeft uitgehaald, en dat doet ze altoos, als ze niets te doen heeft. Zij vertelde me nu, dat ze, bij het hek aan 't spelen zijnde, het meisje had zien voorbijrijden, dat ik den vorigen dag in het mooie dogkarretje had gezien. Het meisje moest in juffrouw Ribbon's winkel wezen, en daar ze alleen was, moest ze haar paardje los laten staan. Lena ging er heen, en toen, zonder over de gevolgen na te denken — Lena denkt nooit na, als ze iets gaat doen — sprong zij in het karretje, en reed er het dorp mee in.
"Het was alleen maar uit de grap, Grietje," zei ze; "ik wilde binnen twee minuten weer terug zijn, en ze zou er niets van hebben gemerkt, maar ik gaf het paard een tikje met de zweep, en het ging er van door als de wind en ik kon het niet meer tot stilstaan brengen. Toen ik dat gewaar werd" — hier knipte Lena boosaardig met de oogen, — "had ik eerst dol veel schik. Wij vlogen erlangs en toen we te Cross Glen kwamen, draaide het paard een groote poort in! Toen werd ik angstig, want ik wist, dat onze baron daar woont zooals vader mij verteld heeft. Op zoo'n groot heerenhuis, Griet! Zoodra we de plaats waren opgereden, hield de pony stil; een huisknecht kwam de stoep af, en keek verbaasd rond, toen hij me zag.
"Waar is juffrouw Clara?" vroeg hij.
Ik klom snel uit het karretje, en zei: "Zij was bij ons in den winkel, en toen is het paard met mij weggerend." O, wat was ik beangst, Griet; ik vloog de laan uit, en verborg mij achter struiken, opdat niemand me zien zou. Eindelijk kroop ik te voorschijn, klom over een heg, en kwam zoo weer op den landweg terecht. Wat ben ik warm en moe!"
"Maar Lena, wat is dat een leelijke streek van je! Waar is het meisje nu?"
"Ik weet het niet. Ik denk, dat ze naar huis is gewandeld. Toe Griet, ga 's gauw naar juffrouw Ribbon, en vraag het eens even. Ik hoop nog, dat ze niet zullen ontdekken, wie het gedaan heeft."
"Ga zelf," zei ik boos. Toen sloeg Lena haar armen om mijn hals. "Lieve Grietje, toe, ik houd zoo van je. Hè toe, ga jij nu even! Iedereen weet wel, dat jij er geheel buiten staat."
Ik ging, en vond juffrouw Ribbon heelemaal in de war over wat er was voorgevallen.
In één adem door vertelde juffrouw Ribbon wat er gebeurd was.
"'t Gebeurt niet vaak, dat er een van de jonge dames van 't Huis in mijn winkeltje komt. Ik stond dan ook verplet, toen ik plotseling den pony hoorde wegrennen. Net was ik bezig, Clara een ons van Lena's borstplaat af te wegen, en ik vertelde haar wie ze gemaakt had, toen we eensklaps opschrikten door het wegrijden van 't karretje; beiden vlogen we de deur uit, en daar zagen we met ontzetting Lena wegrijden, haar lange haar als een gouden wolk om haar hoofd waaiend, en met een snelheid als van een automobiel. Houd haar vast! gilde Clara, zij rijdt met mijn pony weg!
[Illustratie]
[Illustratie]
Maar je hadt evengoed een locomotief kunnen tegenhouden. Ik trachtte toen de jongejuffrouw weer naar binnen te krijgen, om bij mij te wachten. Maar zij was zóó geschrokken, en ook zóó boos, dat ze stampvoetend van ergernis bleef staan en zei: Mijn moeder zal dat borstplaatmeisje wel eens duchtig straffen! Toen ging ze op den weg heen en weer loopen. En als nu Mevrouw er van hoort, zal ze nog hier komen en mij vragen, waarom ik niet iemand bij 't paard heb gezet, en dan zal ze 't me daarvoor ook nog lastig maken. Ik zou voor geen geld van de wereld haar willen boos maken, want dit is haar huis en ik ben haar huurster!"
"Maar juffrouw Ribbon, wat spijt het me, dat het zoo geloopen is. Maar u weet, hoe Lena is. De borstplaat heeft haar eenigen tijd zoet gehouden, maar altoos haalt ze wat uit, dat verkeerd is. Denkt u, dat de jongejuffrouw goed thuis gekomen is?"
"Hoe zou ik dat weten? Ik hoorde of zag sedert niets van haar."
Vol van allerlei gedachten kwam ik thuis. Voor verklikker te spelen, vind ik verschrikkelijk. Dat is een van de dingen, die niet "in den vorm" zijn; bluffen en liegen en klikken vind ik slecht. Maar ik wist ook, dat vader van deze geschiedenis hooren zou, en er is niets, wat hij meer haat, dan dingen te vernemen, die wij hem verzwegen hebben. Hij wil, dat we altoos dadelijk onze verkeerdheden vertellen. Ik ging dus naar Lena toe, en zei haar, dat ze naar vader moest gaan, en het hem vertellen. Zij wou niet, en toen zei ik haar, dat ik zelf zou gaan. Toen begon ze natuurlijk weer heel lief te doen. Juist kwam vader binnen, toen we druk aan 't twisten waren, wie gaan zou.
"Wat is er aan de hand?" vroeg hij.
"Lena wou u iets vertellen," zei ik en liep daarna vlug de kamer uit. Natuurlijk biechtte ze nu op; vader nam haar mee naar de studeerkamer, en las haar daar eens flink de les; schreiende kwam ze terug. Later heeft ze me verteld, dat vader haar een briefje van schuldbekentenis had laten schrijven; zelf had hij er een aan Mevrouw geschreven, waarin hij de toedracht der zaak meedeelde. Hij had tegen Lena gezegd, dat hij telkens weer zich voor zijn kinderen moest schamen, en daarop was Lena gaan schreien. Maar hij had haar gekust, voor ze wegging; vader is dol op Lena; hij zegt altoos, dat ze hem aan moeder herinnert!
Den daarop volgenden avond, Vrijdag, waren Lena en ik in de badkamer. Wij moesten "de groote wasch" doen, altijd een groot vermaak. Wij vullen dan de kuip maar half, en wasschen alles, wat we maar machtig kunnen worden. Puf hielp ons dapper. Alle kammen en borstels worden eerst gewasschen, dan alle poppenkleeren van Lena, zakdoekjes, halskraagjes, schortjes, en alles wat er maar vuil in huis te vinden is. Puf bracht ons alle artikelen aan; juist had hij een wollen aapje in 't bad laten plonsen, en stonden we te schaterlachen om z'n koddig gezicht, toen Emma kwam binnenvliegen.
"De jongedames Grietje en Lena moeten dadelijk naar de huiskamer gaan; er is visite, en tante heeft gezegd, dat je komen moet!"
[Illustratie]
[Illustratie]
"Hè, wat vervelend!" zei ik, "En wie is het, Emma?"
Lena en ik stonden in onzen onderrok, vanwege het geplas met water.
"Het is Mevrouw Londesburg met haar dochtertje."
Lena en ik keken elkaar verschrikt aan.
"Ik ga niet heen," zei Lena, "ik doe het niet."
Maar Emma troonde ons mee naar de slaapkamer, waar we ons aankleedden.
"Wij moèten gaan, Lena. O kind, ik wou, dat je 't maar niet gedaan hadt. Ik zou wel vriendin met dat meisje willen zijn." "Ik niet graag!"
Lena was boos, en zij stond maar steeds heen en weer te wiegen, toen Emma trachtte haar het haar met den pas schoongemaakten borstel te borstelen. "Ga weg, Emma! Ik zal ze uur aan uur op me laten wachten. Ik ben in geen jaren klaar!"
Emma ging boos weg. Toen smeekte ik Lena, om toch anders te doen; binnen twee minuten helderde haar gelaat op — zij is nooit langer dan 5 minuten boos — en was ze bereid, mee naar beneden te gaan.
"Ik zal voorwenden, dat ik van niets afweet," zei ze; "vader is uit, en dus kan hij het haar niet zeggen."
Zoo kwamen we de huiskamer binnen; ik was heel wat meer beangst dan Lena. Daar zat het meisje; alleraardigst zag ze er uit in haar witte zijden jurk en witten hoed. Mevrouw was in druk gesprek met tante Caroline. Iedereen in het dorp is bang voor Mevrouw Laura; ik begrijp niet waarom; zij keek heelemaal niet streng, en toen ze ons zag, barstte ze in een schaterlach uit.
"Wie van jelui heeft me dat aardige briefje geschreven? Ik ben hier gekomen, om het je te vergeven, en om je te vragen, of je morgen bij mijn dochtertjes komt theedrinken. Wil je komen?"
Lena sloeg niet eens beschaamd de oogen neer.
"Ik ben het, die u vergiffenis woudt schenken," zei ze. Toen gaf Mevrouw ons de hand, en wij gaven Clara ook een hand. Zij keek Lena heel ernstig aan, maar glimlachte tegen mij.
"Hebben jelui een kinderkamer?" vroeg ze mij.
"Neen, alleen een leskamer; wil je ze eens zien?" Dadelijk ging ze met ons mee. Wij gingen zwijgend de trap op; boven gekomen, zei Lena: "Wil je ons bad eens zien?"
Zij aarzelde even en zei toen van ja. Wij hadden heelemaal vergeten, dat we Puf alleen hadden achtergelaten; toen we de badkamer binnengingen vonden we hem bezig met onze oude kat en haar twee jongen, die hij in de kuip had gezet, om ze alle drie te wasschen. De kleine poesjes waren al bijna verdronken. Vliegens haalden we ze uit het water, en in den angst van het oogenblik was alle stugheid tusschen Clara en ons geweken, en begon ze al druk over allerlei mee te babbelen. Zij vertelde ons, dat ze een tweeling was; haar zusje heette Betty. Betty had haar voet verstuikt, en kon nu niet loopen; de dokter had gezegd, dat ze heel lang moest blijven liggen. Puf keek Clara eens even aan, en zei toen: "Wil je ook niet es wat wasschen? Mijn slabbetje is heel erg vuil."
Intusschen was Lena de katten aan 't afdrogen, en toen ze er wat toonbaar uitzagen, droegen we ze naar beneden, om ze in de keuken verder te laten drogen. Daarna lieten we 't vuile water uit de kuip loopen, en deden er weer versch in; Clara vond het zóó verrukkelijk, dat zij ook wou wasschen. Wij gaven haar een vuil paardedekje van Puf en vertelden haar, terwijl ze ijverig te wasschen stond, hoe we tante eens voor den gek hadden gehouden.
Wij waschten toen een roodwollen poppejurkje; dit gaf zóó erg af in 't water, dat ik naar beneden vloog, en tante Caroline toeriep: "Kom u es gauw boven, Lena bloedt zoo." Tante Caroline liep zoo hard als ze kon de trap op, en kwam doodelijk verschrikt bij 't bad. Daar zag ze, hoe we haar voor 't lapje hadden gehouden. Clara vond de historie allerleukst.
Maar wat was ze nat geworden! Haar jurkje kon je wel uitwringen. Wij beproefden haar te drogen, doch toen we beneden kwamen, was tante Caroline erg boos, en zelfs Mevrouw Laura keek verstoord. Clara kreeg Lena's beste witte jurk aan, die haar heel goed paste; tante zei tegen Mevrouw: "Ik verzeker u, dat ik geen oogenblik gerust ben, wat er gebeuren zal. Ik kan u niet zeggen, hoe dit me nu weer spijt." Maar Clara zei dadelijk: "Och mama, ik vond het zoo heerlijk; ik kan me thuis nooit zoo vermaken." Mevrouw Laura glimlachte en sprak: "Ik kan me zoo begrijpen, juffrouw, dat u uw handen vol hebt; bij mij moeten ze maar niet wasschen, als ze op de thee komen morgen."
Mevrouw en Clara vertrokken nu per rijtuig; Lena en ik kregen droog brood bij de thee, omdat we Clara hadden laten wasschen. Ik vind die straf niet verdiend. Vader straft ons nooit onverdiend. Tante denkt altijd, dat we dan beter zullen opgroeien. Maar wij denken wel eens, dat die bijzonder goed opgevoede lui de malste menschen van de wereld worden. En daarom zijn we d'r heelemaal niet op gesteld, zoo heel best op te groeien.
In groote spanning zagen Lena en ik de theevisite bij Mevrouw Laura tegemoet. Lang voordat tante Caroline het gewild had, waren we al in ons beste pakje gestoken. Emma bracht ons weg, en liep onophoudelijk druk te praten over het mooie, groote huis van den baron. Ik wou, dat ze allen bij ons in de kerk kwamen, maar dat doen ze niet; dichterbij hebben ze een kerk, en daar gaan ze heen. Wat zullen de jongens jaloersch op ons zijn; ik heb ze maar gezegd, dat er heelemaal geen jongens zijn, waarna Daan opmerkte, dat een visite van louter meisjes hem te min was.
Lena was gewoon wild; ik waarschuwde haar, dat, als ze wat verkeerds uithaalde, ik dadelijk naar huis terug zou keeren, om haar daar te laten. Natuurlijk werd ik weer voor verwaandheidje uitgescholden, maar dat is minder: Lena was nu niet kalm.
Toen we de groote voordeur naderden, was ze o zoo schuchter, ik denk een beetje angstig. Ikzelf eigenlijk ook wel een weinig, toen een deftige huisknecht ons in een vestibule liet, die geheel met schilderstukken en platen versierd was, en ons vervolgens langs eindelooze gangen geleidde, waarna hij een deur opende, en riep: "De jongedames van de pastorie!"
Even daarna stonden we in een allerliefste kinderkamer, en kwam Clara ons tegemoet om ons te verwelkomen. Zij bracht ons dadelijk bij 't venster, waar Betty op een sofa lag. Zij geleek sprekend op Clara, alleen haar gezichtje was wat smaller en bleeker. Dan was er in deze kamer nog een vriendelijke gouvernante, Miss Tudor.
[Illustratie]
[Illustratie]
Onmiddellijk vroeg Lena haar, of ze nog familie was van den koning Tudor. Miss scheen het nog al niet kwaad op te vatten; ze lachte althans en zei, dat ze vreesde, wel geen koning in de familie te zullen hebben.
Toen trok Clara ons mee, en liet ons al haar prachtige poppenkamers en ander speelgoed zien. Al spoedig zat Lena op den vloer en vermaakte zich met een der poppenkamers. Inmiddels was ik met Betty gaan praten.
"Clara heeft me verteld van jelui badkamer en de groote wasch," zei ze; "ik wou, dat ik er bij geweest was. Toe, vertel me d'r es wat meer van." Ik ging haar nu vertellen van ons ezeltje, en hoe wij probeerden het geld te krijgen; ze vond het allerleukst.
Clara kwam naar ons toe: "Zeg, Betty, wij hebben toch zoo'n schik met ons poppenhuis; Lena vertelt me allerlei nieuws, hoe ik er mee om moet gaan. Wij hebben inbrekers door den schoorsteen laten klimmen, en onder het ledikant verborgen, en" — hier ging ze fluisteren — "als Miss meteen uit de kamer gaat, gaan we een brandje voorstellen, en dan zijn wij brandweermannen; dan halen we de tuinslang en bespuiten het met water."
Betty's oogen schitterden, maar ik moest zien, dat spelletje te voorkomen. Ik vertelde haar, dat wij zooiets thuis ook eens gedaan hadden. De jongens staken toen een brandenden lucifer onder een van de poppenbedden. 't Was o zoo aardig, maar het gansche bed vatte vlam, en al onze poppen verbrandden. 't Was wel heel vermakelijk, het toen te blusschen, doch net kwam moeder binnen, en wij moesten haar beloven, zooiets nooit weer te zullen uithalen. Als we hier zoo'n rommel maken, mogen we nooit weer komen.
Lena keek me nijdig aan. "Hè, Griet, wat ben je weer vervelend, je houdt nou ook nooit es van een grapje!"
't Is wel hard, als je voor vervelend wordt gescholden, terwijl je 't goed bedoelt; maar ik zei geen woord meer, zoodat Lena al spoedig haar zinnen op wat anders zette. 't Duurde niet lang of de poppenkamer was veranderd in een kasteel, door soldaten belegerd; de poppen werden verondersteld, te worden gevangen genomen en vermoord, waarbij Clara en Lena een afgrijselijk geschreeuw aanhieven.
Inmiddels vertelde Betty mij, hoe het voortdurend liggen op de sofa haar vermoeide, en hoe zij ernaar verlangde, er af te mogen en de kamer rond te huppelen. Vervolgens toonde ze me haar boeken en speelden we een leuk spelletje, totdat de thee kwam. Wij waren toen al de beste vrinden; Clara zei, dat er in geen mijlen zulke meisjes als wij te vinden waren. Wij vroegen haar de namen van al de dominees in de buurt, en van al de baronnen, en het bleek, dat zij ze allen bij name kende.
Na de thee, toen Miss Tudor de kamer verlaten had, zei Betty tegen me: "Ik ben toch zoo blij, dat jelui niet zoo braaf bent. Ik dacht altijd, dat kinderen van een dominee zoo heel braaf waren. En als jelui dat waart, zou ik niet van je gehouden hebben."
Ik voelde me wat vernederd en zei langzaam: "Zoo. Ja, heel goed ben ik niet, maar ik tracht het toch te worden." Zij keek mij aan. "Maar het is toch veel grappiger om ondeugend te zijn."
"Dat weet ik niet," antwoordde ik. "Zoolang je 't bent, lijkt het heel dapper, maar daarna is het dat lang niet."
"Ik wou, dat er geen "daarna" bestond," zei Betty ongeduldig. "Dat ik hier op die vreeselijke sofa lig, is ook een "daarna". Je weet, ik heb mijn voet verstuikt, toen ik als een jongen in een boom wou klimmen. Miss Tudor riep me, om er uit te komen, maar ik lachte haar uit, klom hooger en — viel."
"Verschrikkelijk," zei ik, en voegde er aan toe, terwijl ik mijn wangen voelde gloeien: "Dat is nu precies hetzelfde, wat ik zou gedaan hebben. Het is dan zoo akelig gemakkelijk, zoet te wezen."
"Ik houd ervan, flink ondeugend te wezen," sprak Betty met trots.
"Ik wou, dat je vader kende," zei ik. "Hij gunt ons zooveel mogelijk pleizier. Vaak zegt hij tegen tante Caroline: Een losse teugel, tante, voor mijn jonge wildebrassen, en zoo weinig mogelijk bevelen en regelen als 't maar kan. Dat zal ongehoorzaamheid voorkomen."
"Wat een lieve vader!" riep Betty.
En ik ging voort: "Hij zegt, dat als wij Gods geboden gehoorzamen, wij ook de zijne zullen opvolgen. Toen ik nog een klein meisje was, las ik vaak de Tien Geboden over, en ik dacht, dat ik er nooit één van overtrad. Maar nu weet ik beter. Verleden Zondag noemde vader ons drie geboden: Kom, ga, doe."
Betty luisterde met aandacht. "Toe, ga voort. Je bent een heerlijkerd; 't eene oogenblik brul je van 't lachen en 't andere hou je een preek."
Ik vertelde haar nu, zooveel als ik nog wist van vaders preek. "Zoo doet een trouwe knecht. In onze kerk ligt een ridder begraven, die altoos trouw en altoos bereid was. Vader zegt, dat hij dat ook wil wezen, en natuurlijk is hij het ook, en als ik er maar veel om denk, tracht ik het ook te wezen."
"Vergeet je het dan zoo gauw?"
"Bijna altoos," antwoordde ik zuchtend.
In dit gesprek werden we gestoord door Lena en Clara. Ze wilden zich verkleeden. Wij gingen dus naar Clara's slaapkamer en trokken allerlei malle kleeren aan. Daarna keerden we terug naar Betty. Clara stelde een oude bedelares voor; Lena moest een Indiaan verbeelden, terwijl ik een deftige Amerikaansche dame voorstelde.