HOOFDSTUK XII.

[Illustratie]

[Illustratie]

Ik hield stil en zei: "Kan ik iets voor je doen, Hanna?"

Zij kleurde en sprak aarzelend: "Ik moet naar boer Luscombe, kind, en het is een lange weg voor mij met zoo'n hitte, en nu dacht moeder, toen we u zagen aankomen ... en omdat we uw briefje hadden gelezen...."

"O, ik begrijp je al," zei ik, "je wou, dat ik je daarheen bracht? Stap maar in Hanna, dat zal ik graag doen."

Zij steeg in, en vertelde mij, dat haar been zooveel pijn deed, als ze ver moest loopen, maar zij had een japon voor juffrouw Luscombe moeten maken, en nu moest die toch weggebracht worden. Ik zei haar, dat ik Andy elke week een dag voor mij had, om er boodschappen mee te doen voor wie ik wilde. Toen we zoo een tijdje gepraat hadden, zei ik tot haar: "Na dezen rit moet ik naar huis, want dan moeten we eten. Maar vanmiddag kom ik weer terug. Weet je dan nog iets te doen, Hanna?" Zij antwoordde, na even te hebben nagedacht:

"Ik weet niet, Grietje, of je de kleine Annie Steel kent. Zij komt uit Londen, en woont bij haar grootmoeder, juffrouw Buston; zij is geheel kreupel en kan niet loopen. Omdat ik zelf kreupel ben, spreek ik nog al eens met haar, want juffrouw Buston en haar man zijn erg streng en lastig voor haar. Zij vinden het een grooten last haar te helpen, omdat ze zelf ook haast niets hebben, en dan zit ze daar maar troosteloos in dat donker keukentje. Nooit komt ze er uit, ze zit zelfs niet eens aan de deur; ze is ook misvormd, heeft een bochel, en de oude vrouw schijnt zich te schamen voor zulk een kleindochter. Je zoudt het kind in 't paradijs brengen, als je haar eens liet meerijden."

"O, prachtig, dat zal ik doen!" riep ik uit. "Maar zou 't rijden haar niet te veel schokken?"

"Neen, dat gaat best; als je een paar kussens neemt, en je zet haar op den bodem der kar, dan zal 't best gaan."

"Ik zal dadelijk na 't eten haar gaan halen," zei ik verheugd. Toen ik thuis kwam, vroegen ze allen, wat ik gedaan had. De jongens spraken geen woord over hun grap, en ik natuurlijk ook niet. Tante vond het heel mooi van me, dat ik Annie Steel eens liet meerijden. Vader ook, maar die waarschuwde ons, dat we Andy door al die drukke ritten niet moesten afjakkeren, en Daan zei, terwijl we Andy weer inspanden: "Overdrijf nou niet, barmhartige Samaritaansche, anders loopt het nog op schade uit."

"Ik doe het alleen, omdat ik ervan houd, en ik zal er mee voortgaan, omdat vader gezegd heeft, dat moeder het zou goedgekeurd hebben."

Daan zei niets meer, want Daan hield zoo van moeder, gelijk wij allen.

Toen ik naar juffrouw Buston ging, vond ik haar in den tuin, bezig met groentenplukken. Zij was meer verbaasd dan verblijd, toen ik haar vertelde wat mijn plan was. En ze zei dan ook eerst, dat ze de kleine Annie niet wilde meegeven.

"Ik zou haar nooit hier gehad hebben, als ik geweten had, dat ze zoo hulpeloos was. Haar moeder, die reeds op 20-jarigen leeftijd weduwe was, stierf plotseling, en Annie moest toen in een weeshuis. Maar mijn man wilde daar niet van weten, en ik eigenlijk ook niet. Zoo namen we de kleine dan in huis, en sedert is ze er gebleven, totaal krachteloos, alsof ze geen ruggegraat heeft. Ze doet zoowat niets anders dan in elkaar gedoken zitten huilen. Loopen kan ze geen stap. Maar kind, als je er nu bepaald op staat, haar mee te nemen, kom dan binnen, dan kunnen we haar samen gemakkelijk genoeg in 't karretje tillen."

[Illustratie]

[Illustratie]

Ik bond Andy aan den muur vast en ging het huisje binnen. De keuken was klein en het rook er duf; in een laag stoeltje zat Annie. Werkelijk, ze zag er uit als een afgeleefd oud vrouwtje; alleen het haar was nog blond, maar kort geknipt. Toen ik haar meedeelde, wat mijn plan was, glimlachte ze zoo hartroerend, dat ik bijna begon te weenen. Ze zag er even bleek als haar schortje uit; ze is pas negen jaar oud, evenals Lena. Ik had vier kussens en een deken meegebracht en maakte het haar zoo gemakkelijk mogelijk; haar Grootmoeder plaatste haar zoo in de kussens, dat ze rechtop zitten kon. Bovendien zette ze haar nog een katoenen mutsje op, en daarna reden we weg.

Heel langzaam reed ik de laan af, om het schokken te voorkomen. Al vrij spoedig begon ze te praten. Eerst had ze doodstil liggen staren in de blauwe lucht, terwijl haar mond open en dicht ging als die van een visch. Toen ik haar vroeg, waarom ze zoo deed, zei ze: "De lucht, juffrouw. Sinds ik bij grootmoe ben, krijg ik haast geen frissche lucht. Voordat moeder stierf, zat ik altoos aan 't open venster, maar grootmoe doet haar ramen nooit open."

Zij vertelde mij verder, dat zij veel van Hanna hield, en al meer begon ze los te komen, er blijkbaar schik in krijgende, allerlei prettigs te vertellen.

"Kijk, daar zijn heelemaal geen huizen, wat een leege plek. Dit is nu echt buiten zijn. Nooit ben ik hier geweest, voordat ik bij grootmoe kwam, en sedert ik er ben, kom ik er nooit uit.

Moeder zei altijd, dat God ook buiten leeft, niet in de stad. Moeder hield niets van Londen; zij vond het zoo'n vuile stad; de lucht zie je in Londen maar heel zelden en dan nog maar een klein stukje er van. O, juffrouw, wat is het hier heerlijk! Die velden, en die boomen en die bloemen! Ik heb wel schilderijen gezien, maar die waren niet zoo levend als dit alles."

Bij een landhek hield ik stil, om haar konijnen te laten zien, die daar aan 't spelen waren, en toen een vlinder op den rand van 't karretje kwam zitten, schreeuwde ze 't uit van pleizier.

[Illustratie]

[Illustratie]

Maar ze werd al spoedig weer vermoeid van al die ongewone opwinding en toen begon ik maar eens te praten. Ik vertelde haar, hoe we aan Andy waren gekomen, en toen ik dat verhaal ten einde had, zei ze:

"Luistert God naar alle menschen, juffrouw, of alleen naar rijke lui? Ik heb nog niets van Hem gehoord, sinds ik bij grootmoe ben. Moeder kreeg altijd bezoek van een wijkzuster, maar daar hield ik niet van; ze had altoos zoo'n haast om weer weg te komen, en ze wilde altijd maar weer, dat ik naar een gesticht of naar een hospitaal werd gezonden."

"Natuurlijk luistert God naar ons allemaal," antwoordde ik, verbaasd over zóóveel onwetendheid; "bidt je niet tot Hem?"

Ze wendde haar hoofd af. "Ik was gewoon het "Onze Vader" op te zeggen, maar ik ben nu totaal vergeten hoe het is."

"Kun je lezen?" vroeg ik.

Weer schudde ze haar hoofd.

"Ik ben begonnen het te leeren, maar moeder stierf, vóórdat ik groote woorden kon lezen, en later heeft niemand het mij geleerd."

"Arm klein schaap," sprak ik met diep medelijden; "wat doe je dan toch wel den ganschen dag?"

"Plaatjes kijken en dan naaien, naaien kan ik wel. Ik maak op 't oogenblik reepjes voor een lappendeken voor grootmoeder."

"Je moet God gaan bidden," zei ik.

"Waarom?"

"Wel, omdat Hij je liefheeft. Weet je, wie Jezus Christus was?"

"Die aan een kruis is ter dood gebracht? Ja, daar heeft moeder mij wel van verteld."

"Weet je, waarom Hij is ter dood gebracht?"

Zij schudde haar hoofd, en sprak: "Het is zoo iets van het redden der zondaars en der wereld. Maar ik ben het vergeten. Ik geloof, dat Hij zeer vriendelijk en goed was. Het is al eeuwen geleden, dat hij gedood werd, is 't niet?"

"Hij is heelemaal niet dood," zei ik, als verstomd door zooveel onkunde. "Lieve kind, jij weet nog niet eens zooveel als de kinderen uit mijn klas."

Met doffe stem sprak ze: "Er is ook niemand, die me wat leert."

En ik begon maar dadelijk te vertellen, wat Jezus voor haar gedaan had. Zij had er totaal geen besef van, dat zij ook zondaar was; maar ik geloof toch wel, dat het haar na eenigen tijd duidelijk werd. Verwonderd keek ze op, toen ik vertelde, dat Jezus nòg leefde, en dat Hij nog machtig is om ons te helpen en ons te leiden, al kunnen we Hem niet zien. Zij wist niet, dat het kruis ook voor haar van beteekenis was; met open mond en groote oogen hoorde zij alles aan wat ik vertelde, en ik wenschte soms, dat een wijzere dan ik haar vertellen kon. Meteen moest ik ook op mijn ezeltje letten; af en toe hield ik even stil, en plukte wat wilde bloemen en kamperfoelie voor haar, om mee naar huis te nemen. Toen ik meende, dat we nu lang genoeg gereden hadden, bracht ik haar weer naar huis terug; maar als we 't huis naderden, begon ze te schreien en greep mijn hand.

"Zult u terugkomen en mij weer meenemen? Zult u mij niet vergeten? Toe, beloof mij, dat u me weer spoedig komt halen!"

"Ik zal probeeren, deze week nog één keer te komen, Annie, en in elk geval zal ik hier komen, om je wat te helpen met lezen; misschien kan ik dan wel een paar boeken meebrengen." Haar grootmoeder tilde haar uit het karretje en scheen nogal in haar schik.

"Nu kind, daar heb je goed aan gedaan, hoor, en 't zal Annie ook goed doen. Arm schaap, wat zou het goed voor haar zijn, als God haar maar tot Zich nam. Ze zal toch nooit voor iemand ter wereld van nut kunnen zijn."

Ik werd boos, maar ik wist niet wat te zeggen. Ik zag, hoe Annie huiverde bij het hooren van die zelfzuchtige woorden, en meende maar het best te doen, met heen te gaan. Ik nam dus afscheid. "Vaarwel, Annie! Ik kom spoedig weer bij je terug."

In draf ging het nu naar huis, en nadat ik Andy had uitgespannen, vertelde ik vader dadelijk mijn wedervaren. "Wat spijt het mij," zei vader, "dat ik haar niet eerder gevonden heb. Ik ben wel bij juffrouw Buxton op bezoek geweest, maar die vertelde mij nooit, dat ze een kleinkind in huis had."

"Zij schaamt zich voor het kind," zei ik. "Hanna vertelde mij, dat zij denkt, dat een misvormd kind door iedereen wordt gemeden. Is dat niet wreed gedacht? Vader, denkt u, dat ik haar zou kunnen leeren lezen?"

"Zeker, kind, zeker. Ga zoo vaak als je kunt naar haar toe, maar denk er aan om juffrouw Buxton te vragen, of het mag."

Toen ik den jongens en Lena van Annie vertelde, lachten ze niet, en Lena was er zelfs mee begaan. Zij haalde een paar oude poppen voor den dag, en vroeg mij, die voor Annie mee te nemen.

Bij de thee zei tante Caroline: "Ik geloof, dat Grietje den mooisten dag heeft gehad van jullie allemaal!"

"O ja, tante," zei Alex snel, "ik weet wel wat u wilt zeggen: omdat zij meer aan anderer genoegen dacht dan aan haar eigen vermaak; maar dat doet ze niet uit haarzelf, daar is ze toe aangezet. U moet haar niet verwaand maken, ze heeft al genoeg dunk van zichzelf."

[Illustratie]

[Illustratie]

"Dat is niet waar," zei ik boos.

"Hé, hé, geen getwist nu!"

Zoo komt tante altoos tusschenbeiden en we spraken dus geen woord meer over de zaak.

Den volgenden morgen kwam er een groot pakket met de post, geadresseerd aan "de Jongeheeren Daan en Alex Marjoribanks". De jongens gunden zich geen tijd om het uit te pakken, en scheurden het eene na het andere papier eraf, niet bemerkend, dat Lena en ik in ons vuistje lachten (ik had het Lena ook verteld). Eindelijk kwam een kartonnen doos te voorschijn, en toen ze die openden, vonden ze haar vol koolstronken; op den bodem lag een klein briefje, waarop de woorden: "Met vriendelijken dank van Betty en Clara."

Inmiddels waren Lena en ik een rondedans om de tafel begonnen, waarbij we hen dapper uitlachten. Ze hadden 't ook verdiend, en ik vertelde hun, dat hun pakket nooit aan 't Huis bezorgd was. Toen waren ze woest van boosheid, en scholden ons uit, dat het een lust was.

Ik zei hun nog, dat zij altijd grapjes hadden ten koste van anderen, en nooit zichzelf eens vermaken konden. Daan beloofde wraak; maar dat doet ie wel meer als ie ten einde raad is, en later is ie 't al lang weer vergeten.

Ik ging nu zooveel belang stellen in Annie Steel, dat ik er bijna iederen dag heen ging; als ik haar bezocht, had ze een kleur van blijdschap, en ze begon er werkelijk wat opgewekter uit te zien. Elken Woensdag nam ik haar mee op een rij toer.

Intusschen waren we allen druk bezig met bijverdienen, om een zadel voor Andy te kunnen koopen. De jongens verkochten aan kapitein Rogers enorme partijen visch. Zij kunnen er gewoon niet tegen hengelen, en hij betaalt best. Zelf zend ik weer groenten en bloemen naar de markt te Lemworth, waar Bob Tapson ze wel aan den man brengt, en Lena maakt weer borstplaat zonder eind. Maar het geld komt heel langzaam bij elkaar. Mevrouw Rogers kwam gistermiddag met haar man bij ons theedrinken; de kapitein liet ons den spaarpot openen; er was nu negen gulden in.

We hadden recht veel schik dien middag. De thee werd buiten gedronken, zoodat het veel had van een pic-nic; kapitein Rogers spoorde ons aan, het geld wat vlugger te maken, anders zouden we nooit aan een zadel toekomen. We vroegen hem, of hij soms een middel wist, en hij zei van ja. Het was dit: Hij en zijn vrouw wilden een wedstrijd in het boogschieten organiseeren bij hun huis; daarbij zouden veel volwassen menschen komen, en nu wilde hij ook een wedstrijd houden voor kinderen; de beste schutter zou een prijs verdienen van twaalf gulden.

"Jelui hebt dus niet anders te doen, dan dien prijs te winnen," voegde hij er aan toe; "en dan weet ik wel een adres, waar je een flink zadel kunt koopen voor een gulden of twintig."

Met gejuich werd het plan ontvangen, het was een eenig denkbeeld. Maar wij moesten den kapitein toch vertellen, dat we geen van allen konden schieten, en dat we niet met boog en pijl konden omgaan. Hij antwoordde, dat hij ons dat wel even leeren zou, dat ging heel vlug; we moesten dan maar telkens bij hem komen en oefeningen houden in den tuin bij de boerderij.

"En we kunnen ook hier een schijf opstellen en er ons op oefenen," vond Daan. "Ik zal er wel een maken, maar dan hebben we nog geen boog en pijlen. Zijn die duur?"

"Dat zullen we aan juffrouw Ribbon vragen," zei Alex. "Maar ik wil wedden, dat ze die niet heeft."

"Nee, nee," zei kapitein Rogers, "ik zal jelui enkele van de mijne leenen tot na den wedstrijd. Laat es zien: jelui zult er vier noodig hebben, is 't niet? Ieder een."

"Ik ook!" riep Puf op dreigenden toon. "Ik wil ook schieten."

Dus beloofde kapitein Rogers vijf bogen te zullen zenden, met een bundel pijlen. En Daan stelde hem voor, om moeite te besparen, dat hij dadelijk maar even mee zou gaan, om ze te halen, dan konden wij zoo spoedig mogelijk beginnen.

"En hoe maakt Andy het tegenwoordig?" vroeg de kapitein.

"Even onberekenbaar als altoos," antwoordde ik. "Soms gaat het heel goed, maar dan eensklaps krijgt hij weer z'n oude kuur van stilstaan, en geen van ons kan hem dan weer in beweging krijgen. 't Is geen trouw dier, en dat zal ie nooit worden ook."

De kapitein lachte hartelijk en trok mij aan een haarlok. "Kom hier, oud vrouwtje, en vertel mij es, wat een trouw dier is."

"Dat is er een, waarop je rekenen kunt," hervatte ik; "een dier, dat altoos hetzelfde is en waar je op aan kunt. Dat is toch de beteekenis van trouw? Gisteren hebben we 't er nog over gehad."

"Ja," zei hij, "dat is een heel juiste omschrijving van trouw. Ik denk, dat jij dan ook wel heel trouw zult wezen, Grietje."

"O, ik wou dat ik het was. Maar ik ben het niet. Men is niet volkomen trouw, als men het niet altijd en overal is, zooals onze ridder: semper fidelis. Ik tracht een trouwe dienstmaagd te wezen, maar steeds weer vergeet ik het."

"Wiens dienstmaagd? Ik zou zoo zeggen, Grietje, je bent een trouw vriendinnetje."

"Christus' dienstmaagd," was mijn fluisterend antwoord. "Hij is in alles de eerste, zooals u weet. Maar daarom zou ik dan ook evengoed uw trouw vriendinnetje willen wezen, kapitein."

"Wij zullen een verbond sluiten. Als ik in moeite of verdriet kom, en hulp noodig heb, dan weet ik, op wie ik kan rekenen."

De beide jongens gingen met den kapitein mee naar de boerderij, en kwamen al spoedig weer thuis, o zoo verheugd met hun pijlen en bogen. Reeds hebben we een schijf gemaakt van wit calico, gespannen over een met stroo gevulde platte doos. En nu hoop ik maar dat wij den prijs zullen halen; wij hebben goede kans, omdat we met z'n vieren zijn. Betty en Clara zullen ook gevraagd worden, en nog heel wat kinderen meer. Ik geloof, dat kapitein Rogers eigenlijk hoopt, dat wij het maar zullen winnen.

*   **

Het is eenigen tijd geleden, dat ik in dit boek heb geschreven, want ik heb het verschrikkelijk druk gehad. Allereerst dien ik te vertellen van onzen hand-boogwedstrijd.

[Illustratie]

[Illustratie]

Vanaf het oogenblik, dat de schijf gereed was, hebben we ons druk geoefend. Aan het einde van de laan hadden we haar opgehangen, en gingen er dan zoo ver mogelijk van af staan, om goed te leeren mikken. Die oefeningen waren wel inspannend, maar toch ook verbazend prettig. Ik zelf had er zooveel schik in dat ik boos werd, als ik er telkens weer werd afgeroepen. Dat kwam zoo.

Emma had haar voet verstuikt, en moest dagen achtereen in bed liggen, en toen ze eruit mocht, kon ze nog heel moeilijk loopen. Tante Caroline droeg nu aan Lena en mij op, de bedden op te maken, de kamers te doen, en zooveel mogelijk in huis te helpen. Het scheen ons een uitdaging, want wij wilden zoo graag vóór alles goede schutters worden. Ik kàn niet hebben, dat we zulke dingen maar half goed doen. Lena ging er vandoor, maar dàt kon ik ook niet doen, en ik hielp dus zooveel als ik kon, maar veelal met een nijdig hoofd. Ik geloof, dat ik die gansche week niet in m'n humeur ben geweest. Toen het Woensdag werd, had ik er niet eens zin in, om Annie te halen voor een rijtoer; Betty en Clara kwamen 's middags om met ons te oefenen in 't schijfschieten. Toch reed ik met Andy uit, inwendig wenschend, dat ik haar maar nooit beloofd had, iedere week te zullen rijden. Maar toen ik haar bleek gelaat zag, dat opvroolijkte toen ik aankwam, was ik beschaamd. Ik was een half uur te laat, en ze zei:

"Grootmoe heeft al gezegd, dat u niet zoudt komen. Maar ik wist zeker dat u komen zoudt. U zult mij nooit alleen laten, wel juffrouw?"

Ik antwoordde slechts: "Ik hoop van nooit!"

Annie was zeer spraakzaam. Ze vertelde, hoe ze nu geregeld bad, en ook dankte voor al het goede, dat ze ontving. Zij begreep nu ook iets van wat Jezus voor haar aan het kruis geleden had. "O, kon ik maar wat voor Hem doen!" riep ze uit.

"Van ons, die nog kinderen zijn, verwacht Hij geen groote dingen, Annie. Maar wat wij te doen hebben, dat is zóó te spreken en te handelen, alsof Hij altoos bij ons is, in onze kamer en bij ons werk; wij zien Hem wel niet, maar toch leeft Hij dicht bij ons. Hij glimlacht als we ons best doen, en met droeve oogen staart Hij ons aan, als we ongehoorzaam zijn of toornig, zooals ik vandaag."

Het deed mij goed, haar eens te kunnen zeggen, hoe verkeerd ik vandaag gehandeld had. En ik voelde mij gelukkig, toen ik weer thuis kwam, nog vol van ons gesprek en van het heerlijk gevoel, dat ik had na het erkennen van mijn zonden.

Eindelijk kwam dan de groote dag. De tuin bij kapitein Rogers was vol volk; ook waren er vier jongens en vijf meisjes, die we geen van allen kenden; zij waren met den trein gekomen uit Tenburg en zeven mijlen hier vandaan, uit Lincoln. Twee meisjes en drie jongens waren ook uit een pastorie.

[Illustratie]

[Illustratie]

Naarmate de wedstrijd vorderde werd de pret, maar ook de spanning grooter. Toen het mijn beurt was, gevoelde ik mij erg zenuwachtig; mijn hand trilde alsof ik de koorts had. Maar het ging gelukkig nogal, hoewel ik natuurlijk den prijs niet won, dat wist ik vooruit wel. Ik geloof eigenlijk, dat wij er allemaal wel zoo'n beetje op rekenden, dat Daan de gelukkige winner zou wezen. Hij stond zoo kalm, mikte zoo vast, net een volwassen man. Later zei hij nog, dat ie een gevoel had gehad, als ging het om leven of dood.

En toen bleek, dat hij den prijs had verdiend, juichten we allen als uitgelatenen. Mevrouw Rogers overhandigde den prijs in een met kralen bezette beurs.

Innig verheugd kwamen we thuis, want nu hadden we ook het zadel zelf verdiend. En geen onzer behoefde nu ooit meer geld te gaan verdienen.

Het leek te mooi, om waar te wezen.

[Illustratie]

[Illustratie]

En nu heb ik te schrijven over een vreeslijken dag. Onze vacantie was bijna om; het zadel voor Andy was juist ontvangen, en allen reden wij druk met hem. Hij bleef ons over 't algemeen goed voldoen, en galoppeerde soms, dat 't een lust was.

Terwijl wij bezig waren, aan 't ontbijt onze plannen voor den dag te bespreken, kwam Emma binnen met een telegram voor vader. Vader krijgt vaak telegrammen over spreekbeurten, zoodat wij er weinig notitie van namen. Maar eensklaps hoorden we hem een onderdrukten snik geven, terwijl hij het telegram aan tante Caroline overgaf. Toen die het las, begon ze te weenen, en wij begrepen nu, dat er slechte tijding was gekomen. En zoo was het: Grootmoeder was gevaarlijk ziek, en vader moest onmiddellijk overkomen.

Tante Caroline riep in haar droefheid: "Zij is stervende, Jan, ik ga met je mee."

"Er is geen trein vóór 10.30, dien moeten we hebben." Tante verliet haastig de kamer, en vader richtte zich tot ons: "Kinderen, kan ik jelui met vertrouwen alleen laten? Het zou voor tante een bittere teleurstelling wezen, als ze niet met mij mee kon gaan. Wil jelui je best doen, om je goed te gedragen? Daan, jij wordt al een groote jongen, en je kent het onderscheid tusschen goed en kwaad. Op jou reken ik, terwijl ik weg ben. Grietje, neem jij Lena onder je hoede, en laat haar geen verkeerde dingen uithalen. Ik zal even met de keukenmeid een en ander bespreken. We moeten geen tijd verliezen."

Wij beloofden, ons goed te zullen gedragen. We waren wel bedroefd om grootmoeder, maar we konden ons toch ook niet ontveinzen, dat we wel een klein beetje vermaak erin hadden, nu eens alleen te zijn, zonder eenig toezicht. Dat was nooit tevoren geschied, en vooral in de vacantie is het een heerlijk gevoel, es echt alleen te wezen, en baas over jezelf te zijn.

[Illustratie]

[Illustratie]

Intusschen ging ik naar boven, om tante te helpen bij het inpakken van haar koffertje. Tante was erg in de war; ook de keukenmeid en Emma waren zenuwachtig, zoodat ze tante met allerlei vragen en opmerkingen nog meer opwonden. Toen alles gereed was, reed Daan de bagage in ons ezelkarretje naar het station.

Daar het nu Dinsdag was, beloofde vader, zeker nog vóór Zondag weer thuis te zijn. Tante Caroline kuste mij hartelijk bij 't afscheid, en zei, dat ze wist, dat ik mijn best zou doen, en ook den anderen tot voorbeeld zou wezen, omdat zij mij kende als haar vertrouwde hulp in 't huiselijk werk. Ik was zoo blijde met deze lofspraak, dat ik bijna schreide, maar ik hield mij goed, sloeg mijn armen om haar hals, en kuste haar hartelijk ten afscheid.

Toen Daan van 't station terug was, gingen wij allen naar het priëel in den tuin, om te praten over de onverwachte verandering.

"Twee dagen geleden was grootmoe nog zoo best," zei ik; "zij schreef nog aan tante Caroline, dat zij pas een rijtoertje gemaakt had. Ik wist niet, dat de menschen konden sterven, zonder eerst ziek te zijn."

"Maar zij is ziek," merkte Alex op.

"Jawel, maar ze kan toch niet ineens zoo verschrikkelijk ziek zijn, wel?"

"Och, zeker wel; dat zie je telkens."

"En wij dan ook?" vroeg Lena angstig. "Daar zou ik heel bang voor wezen. Tante zei nog wel, dat ze zeker wist, dat grootmoe al dood was."

"In elk geval," zei ik, "zal grootmoe nog heelemaal niet graag willen sterven. Maar zij is, evenals de ridder: semper paratus. En dat behoor jij ook te wezen, Lena."

"Dat ben ik niet," zei ze. "Ben jij het?"

"O, hou toch op met dien onzin!" riep Alex eensklaps uit. "En wat zullen we nu gaan doen met onszelf?"

"Een pic-nic zou heerlijk zijn," stelde ik voor. "In het gras bij de rivier."

"En dan moesten we Andy meenemen, dan kan hij eens een flink bad krijgen. Hij ziet er zoo verschrikkelijk vuil uit, omdat ie nooit een bad krijgt."

Zoo sprak Lena. Als er één ding is, waar die verzot op blijft, dan is het water en wasschen.

"En dan zullen we een ketel water koken, dan lijken we net zigeuners," vond Alex.

"Goed zoo. Laten we eerst naar de keukenmeid gaan, en zien, of die wat rauw vleesch voor ons heeft, dan kunnen we 't zelf braden."

Daan en ik gingen dus naar de keuken en de meid vond het maar wàt heerlijk, ons een ganschen dag kwijt te wezen. Zij gaf ons wat saucijzen en een braadpan met wat vet erin om ze te braden, verder een stukje konijnenvleesch, wat koude aardappelen, appelen, een stuk brood, een flesch melk, een beetje suiker, een zakje met zout en een zakje met thee. Dan holden we naar de leskamer en haalden er kopjes en schoteltjes weg, zoomede een ketel. Vervolgens werd alles in het ezelkarretje geladen, en reden we weg, allen zóó opgewonden blij met ons mooie pic-nic-plan, dat we al spoedig vergeten waren, dat grootmoe stervende was. Zoo nu en dan, als het iemand te binnen schoot en ervan sprak, keken we wat sip. Maar dat begon Daan te vervelen en hij zei:

"Kijk es hier lui, dat gaat zoo niet langer. Wij willen hopen, dat ze nog weer beter zal worden. Dat gebeurt met zoovelen en de dokters zeggen altijd: Zoolang er leven is, is er hoop. En daarom moeten we zooveel pleizier hebben als we maar kunnen, alsof grootmoe al beter werd."

Dat woord deed ons allen weer opleven. Het was ook zooveel prettiger, vroolijke gedachten over grootmoeder te hebben, dan sombere. En ik vrees, dat wel niemand onzer veel meer aan haar zal gedacht hebben, want we waren bij de rivier gekomen, en ons plan nam alle gedachten in beslag. Daan zei tegen Lena:

"Hoor eens, als jij wasschen wilt, dan moet je jezelf maar gaan wasschen; je handjes staan er goed voor, en dan kun je ook de borden en kopjes wasschen. Maar probeer het niet met Andy, want dan zal ik je met je hoofd in 't water duwen. Ezels zijn er niet voor, om gewasschen te worden."

Lena keek erg knorrig, maar ze is bang voor Daan. De toebereiding van onzen maaltijd gaf heel wat pret. Eerst werd er een vuurtje gemaakt, daarna de ketel erop gezet, want we moesten allemaal theedrinken. Vervolgens werd de braadpan opgezet, gevuld met de saucijzen, de koude aardappelen en het stuk konijnenvleesch. Het rook heerlijk! Daan en ik waren om beurten de kok; Alex wilde zóó vaak proeven, of 't eten al goed was, dat wij bevreesd werden, dat er niet genoeg voor ons allen zou wezen. En Lena kwam er telkens zóó dicht bij staan, dat ze haar gezicht verschroeide.

Ik geloof niet, dat grooten menschen ons baksel zou gesmaakt hebben, omdat het nog al sterk rook; eenmaal zelfs helde de pan zóóver over, dat eenige aardappels er uit rolden, maar ze werden niettemin met graagte opgegeten. Na het "diner" werd de thee gebruikt, zooals we dat nu eenmaal gewoon waren. Vervolgens beproefden wij de appels te roosteren, maar dat ging heel lastig en bovendien waren we van 't koken al erg vermoeid, zoodat we ze maar rauw hebben opgegeten.

Lena en Puf en ik gingen nu de borden omwasschen en spoelen; ze werden weer ingepakt en in 't karretje gelegd, waarna we verstoppertje gingen spelen. Vlak bij was een klein bosch, zoodat we er heel wat pret mee hadden. Maar toen begon ook de eerste ellende. Wij hadden Andy afgetuigd en lieten hem gras eten, maar toen we spelen gingen, vergaten we hem geheel, en eensklaps ontdekten we, dat ie er vandoor gegaan was.

[Illustratie]

[Illustratie]

Dadelijk gingen we allen op zoek, schreeuwden en klapten in onze handen, maar er was geen spoor van hem te ontdekken. Toen werden we boos op 'm. Lena vond, dat hij zich den dag had moeten herinneren, waarop hij met Puf was weggereden. En Alex zei pruttelend: "We zullen de rest van den dag wel moeten besteden aan 't zoeken naar dat oude beest! Laten we maar naar huis gaan, hij zal zelf wel den weg naar huis vinden!"

"Maar we kunnen toch het karretje niet hier laten," zei Daan.

"Span Alex dan maar in, dan zal ik hem wel sturen," zei Lena, terwijl ze danste van pret om het plannetje.

De jongens echter hadden er geen ooren naar. Nog een uur lang zochten we naar Andy. We waren al drie mijlen van huis, en we wisten niet, wat te beginnen. Ten slotte vonden de jongens 't toch maar 't beste, om met vereende krachten het karretje naar huis te brengen. Wij juichten van pleizier, want dat leek ons bijzonder. Er werd nog lang en breed over gepraat, voordat het aan 't vertrek toe was. Op voorstel van Daan werd eindelijk besloten, dat Puf in 't karretje zou zitten (hij was erg vermoeid), en dat de anderen als vierspan er voor zouden trekken. Lena en ik vormden het eerste tweespan, Daan en Alex het tweede. Gelukkig hadden we touw bij ons; na nog eens weer overlegd en geregeld te hebben, waren we eindelijk gereed, en zette de stoet zich in beweging.

"Laten we nu zeggen, dat Puf juist gekozen is als afgevaardigde voor het graafschap, en nu hebben we de paarden voor z'n rijtuig afgespannen, en trekken nu met hem de stad rond," stelde Daan voor. Dat viel in den smaak, luidjuichend riepen we allen: "Leve Puf, de vriend der arbeiders!"

Wij wisten wel, hoe dat toeging bij die verkiezingen.

Maar, o wee, wat was dat zwaar trekken met het ezelen-karretje! Doodop waren we, toen we het ding eindelijk weer op den weg hadden gekregen, en we rustten dan ook al dadelijk even uit. Puf vond het natuurlijk heerlijk; voor alle zekerheid hadden we hem de zweep maar afgenomen, toen hij, vol verrukking over zijn zegetocht, de zweep ter hand had genomen, als waren wij een heusch vierspan. En zie, terwijl we even wachtten, daar kwam Mevrouw Laura aan in haar rijtuig met twee paarden, vergezeld van Betty en Clara.

"Wij hebben ons ezeltje verloren!" riepen we haar toe. Wij trachtten in galop haar voorbij te rijden, want de weg was daar heuvelachtig, doch Mevrouw Laura hield ons staande. "O jelui dwaze kinderen," zei ze, "wat ben ik blij, dat ik niet op jelui heb te passen."

Wij vonden dat niet erg aardig van haar, omdat wij het heusch niet zoo prettig vonden om zoo met ons karretje heuvel op heuvel af te moeten sjouwen; maar het moest wel. Daan groette haar nu beleefd, door z'n pet af te nemen, en legde haar uit, waarom we zoo deden. Hij vroeg haar, of ze Andy ook ergens gezien had; zij beloofde, ons dadelijk te zullen boodschappen, als zij hem ergens zag. Betty en Clara vonden het zoo leuk, dat ze wilden uitstappen, om met ons samen een zesspan te vormen, doch ze hadden hun beste kleeren aan, en daar kon dus niet van komen.

[Illustratie]

[Illustratie]

Na deze afwisseling gingen we weer welgemoed verder, totdat wij, dicht bij ons dorp, aan een vrij steilen heuvel kwamen. Wij stelden ons voor, er in een prachtigen galop af te draven en zoo in volle vaart ons dorp binnen te rijden. Ik vermoed, dat we het wat al te haastig aanlegden, want juist voor dat we weer op gelijken grond kwamen, scheen het karretje over te hellen, Daan en Alex konden het niet meer houden, Lena struikelde, en voor dat ik goed zien kon, wat er gebeurde, lagen wij allen door elkaar in een droge sloot, waarbij Puf tekeer ging, alsof ie vermoord werd. De mand tuimelde uit de kar, en alle borden, kopjes en schoteltjes waren aan scherven.

Daan was de eerste, die overeind scharrelde. Hij scheen er goed aan toe te wezen, was alleen een beetje gekneusd, zooals hij zei. Lena had een groote buil op haar voorhoofd, zoo groot wel als een kievitsei. Alex had een zijner beenen leelijk bezeerd en zei, dat het zeker gebroken was, maar Daan betastte het eens en besliste van niet, omdat er nergens een beentje van z'n plaats was. Puf had alleen z'n knieën bezeerd, de eene bloedde vrij erg, en ik bond er mijn zakdoek om. Ik zelf had mijn elleboog aan een steen gestooten, het deed erg zeer, maar anders ook niet.

Nadat we al deze akeligheden overzien hadden, gingen we een oogenblik in een haag uitrusten. Maar wijl er niemand kwam opdagen om ons te helpen, lieten we ons karretje liggen, nam Daan, Alex op z'n rug en zoo marcheerden we als een verslagen vijand ons dorp binnen; Lena's jurk was erg gescheurd, en mijn hoed zag zwart van modder. Toen wij zoo thuis kwamen, gaf Emma een gil van schrik. Ze was echter spoedig weer bekomen, en zei Baldwin, de kar te gaan halen. Alex ging binnen op de sofa liggen, waar de keukenmeid z'n been onderzocht. Zij meende, dat het wel voldoende zou zijn, als er een koud-waterverband werd omgelegd. Het been was wel wat gezwollen, maar er was geen sprake van gebroken.

Dat we allemaal weinig opgeruimd waren, laat zich denken, maar het was natuurlijk Andy's schuld en niet de onze. Nadat we thee hadden gedronken, kwam er een jongen aan de pastorie; hij had Andy gevonden in een grasveld, waar ie met een paar veulens aan 't hollen was. Hoe hij daar terecht was gekomen, daar begrepen we niets van; hij moèst over een heg zijn gesprongen. Wij waren heel blij, dat we 'm weer hadden, maar Daan gaf 'm een flink pak slaag. Emma vond, dat het hier nu wel een hospitaal geleek, met zooveel gewonden en gekneusden.

En nu wou ik maar, dat ik hier de beschrijving van onze ellende kon eindigen, maar het ergste moet nog komen.

Ik zat in den tuin een boek te lezen; Puf was al naar bed, en Lena speelde binnen halma met Alex. Plotseling kwam Daan opgewonden naar mij toe en riep:

"Zeg, d'r staat een boerderij in brand, een halve mijl van hier! Het is de boerderij van Gaythorpe! Ik ga er heen!" "Ik ga mee!" riep ik.

't Is wel treurig voor wie 't treft, maar we houden allen van brand; dag of nacht, altijd gingen we er heen.

Vlug zette ik m'n hoed op, en rende met Daan weg. Al spoedig zagen we dikke rookwolken in de verte. Daan vermoedde, dat er hooibergen in brand stonden.

Wij holden zoo hard als wij konden door, en toen we er kwamen, bleek inderdaad een hooiberg in brand te staan, doch de vlammen waren al overgeslagen op de stallen, die vlak aan het huis grensden. Daar er geen brandspuit dichterbij te vinden was dan te Lemworth, waren er vele menschen bezig met emmers water in de vuurzee te gooien, maar dat hielp weinig, en 't stond er dus niet best voor. Daan begon dadelijk te helpen bij het redden van de meubelen uit het woonhuis; het had een rieten dak, en er was dus weinig kans, dat het gespaard zou blijven.

Gelukkig waren de kinderen van den boer al uit het huis, en ook de paarden waren al losgesneden, zoodat er geen levende ziel meer in huis was. De boer deed al z'n best, om nog te redden, wat er te redden was.

Intusschen had een der mannen een ladder tegen het woonhuis gezet, en begon nu het riet van het dak weg te snijden; doch de ladder vatte plotseling vuur, zoodat de man z'n werk moest opgeven; zóó snel schoten de vlammen toe, dat hij z'n handen er nog bij brandde. Ik wilde Daan nog helpen met het sjouwen der meubelen, maar hij stond het niet toe; dat is geen werk voor dames, vond ie.

Eensklaps hoorde ik een gejank in een schuurtje, wij liepen toe, en daar zagen we boven een der vensters een lief klein hondje staan op den hooizolder!

"O, het is Fox!" jammerde juffrouw Gaythorpe "ik heb hem opgesloten, toen ik de kinderen uitliet!"

"Ik zal hem eruit halen!" riep Daan, en hij vloog het huis binnen en de trap op. Nog geen minuut was hij weg, of daar sloeg een vreeslijke vlam uit de schuur. Juffrouw Gaythorpe zei, dat zou van een vat petroleum zijn. Tegelijkertijd zagen we Daan, die den hond voor zich uithield boven het venster.

"Zal ik hem eruit werpen?" riep Daan.

"Kom zelf er gauw uit!" riep de boer. "Het vat met petroleum is gesprongen!"

Daan verdween weer. Maar spoedig verscheen hij aan het venster en riep: "De trap staat in brand! Ik kan niet naar beneden!"

[Illustratie]

[Illustratie]

Ik stond te trillen op mijn beenen van angst. "Houdt een deken gespannen!" schreeuwde Daan. "Ik zal Fox erin gooien. Twee mannen spreidden een deken uit, en Fox werd er in opgevangen. Intusschen was Gaythorpe de ladder gaan halen, maar die was gebroken en nu te kort, om Daan te bereiken. Een andere werd gehaald, die was ook te kort. Toen werden ze aan elkaar gebonden. Ik stond doodsangsten uit, maar Daan bleef kalm.

"Schiet wat op!" riep hij; "het vuur komt hier al in de kamer!" En geen seconde daarna stond hij al in een rookwolk gehuld; het huis brandde als papier weg.

"O Daan, Daan!" jammerde ik. "Is er niemand, die hem redden kan?" En meteen hoorde ik, dat de ladders al zóó verkoold waren, dat ze niet meer te gebruiken waren. En nog verloor Daan den moed niet.

"Werpt me een touw toe!" riep hij nu weer. "Ik moèt hieruit, de vloer begint al onder mij te branden." Hij stond nu in de vensterbank; men haalde een matras, en vier mannen hielden haar gestrekt.

"Spring!" riepen ze. "'t Is je eenige kans!"

Een oogenblik aarzelde Daan .... hij keek omlaag .... hij was zoo hoog .... nog even gekeken .... daar sprong hij omlaag .... ik deed m'n oogen dicht....

Ik vrees, dat hij te wild gesprongen heeft, want ik hoorde een vreeslijk gekraak. Nooit zal ik dit ontzettend oogenblik vergeten. De menschen gilden van schrik, en toen was het ineens doodstil. Ik vloog er heen, maar boer Gaythorpe greep me bij den arm.

"Hier blijven, kind, dat is niet voor je om te zien. Arme, arme jongen!" Wat mij nog nooit overkomen was: ik viel in zwijm. En toen ik weer bijkwam, was ik in een huisje gebracht, waar een vrouw bezig was in mijn neus met verbrande veeren te kietelen. Dadelijk herinnerde ik mij alles, en vroeg verschrikt: "Waar is Daan?"

"De dokter is bij hem, lieve. Gelukkig was die net onderweg naar boer Turt, waar hij den brand zag en dadelijk naar hier kwam."

"Is hij dood?" vroeg ik schreiend. "O toe, hij kan niet dood wezen!"

"Kom, kind, we willen er 't beste van hopen!"

Ik stond op, en liep zoo snel als ik kon naar buiten, waar ik Baldwin vond. Ook de keukenmeid was hier gekomen, en stond handenwringend te schreien. Ik ging het huis binnen. Daar kwam de vrouw, die daar woonde, op mij af, en op mijn geroep van "Is hij dood?" antwoordde ze:

"Och lieve, houd moed, hij heeft gebroken beenen, maar jonge beenen genezen spoedig, zeggen de dokters! Kom, binnen twee dagen lacht ie alweer! Maar hij mag niet vervoerd worden. Ik ben verpleegster te Lemworth geweest, en ik zal hem zoo best verzorgen, als ik kan. Dat beloof ik je!"

We bleven nu in de kamer naast die waar Daan lag, op den dokter wachten.

Dr. Fenning is al oud, hij woont zes mijlen bij ons vandaan. Glimlachend kwam hij uit de ziekenkamer, hij bemerkte wel, hoe beangst we allen keken. "'t Zal wel gaan," zei hij, "mits hij met zorg verpleegd wordt. Maar hij moet volledig rust houden, niemand mag hem zien dan juffrouw Blatch. Zij zal hem verzorgen naar mijn aanwijzingen."


Back to IndexNext