DE SCHIJN DER CHINEEZEN.

DE SCHIJN DER CHINEEZEN.I.Ik heb nu in verschillende bladen al zooveel leelijks van de chineezen verteld, dat ik werkelijk wel eens iets goeds van hen mag zeggen, en zelfs met pleizier.1Want de chineezen zijn eigenlijk een oude liefde van mij. Er ligt heel veel doode illusie van mij verwaaid in China. Ik heb liever lief dan ik haat. En als ik eenmaal iets lief heb gehad, blijft er altijd iets van over.Toen ik pas uit Holland kwam, en de chineezen in hun eigen land zag, voelde ik mij, het spijt me dat ik het zeggen moet, niet bizonder ongelukkig. Wat mij in Holland het ergste hinderde, was dewèlgedane bourgeois, die ’s Zondags met zijne familie op den Scheveningschen weg in den Haag wandelt, de type fatsoenlijk-man, met „een positie” en die „een beschaafd Nederlander” is. Dien was ik in China kwijt, en ik zuchtte van verlichting.Dat mooie, trotsche, eenvoudige, vrome land waar ik in kwam, daar om Amoy!Die sombere, zwijgende rotsen, onwankelbaar opgerezen, in den roerloozen stand der volmaaktheid, zóó als ze zijn volkomen, in eeuwige rust staande door de eindeloosheid!Dàn die gouden bergen, in rossen gloed, zoo ontzachlijk rijzend als in een hartstorm naar boven, en dàn weer zacht en deemoedig glooiende naar beneê, en zéér gedwee blijvend, in sterke zwakheid, onder hunne reine omlijningen, die vèrre en vèrre door droomen, naar ongekende zaligheden van licht en lucht! En dan de zee, die is rusteloos gaande, en eindeloos, als mijn eigen ziel! Ik kon er zweven in horizonnen en verten, en werd er zoo intiem met de natuur, alsof ik zelf een zachte stille bloem ware.En hier leefde dat mooie, gracieuze volk, altijd zacht en statig stappende in de wuivingen van hunne zijden gewaden, met de voorname gebaren van hunne handen, en de ernstige kalmte, die eenwijze heeft! Alles was mooi wat zij aanhadden, waar zij in leefden, wat ze gebruikten, en ik, die altijd een mensch meen te kennen aan de dingen, waarmede hij zich omringt, en die mij door den artiest in mij altijd gaarne parten laat spelen, ik vergat mijn loggen, kiezenden, zondagsch-een-schoongesteven-hemd aanhebbenden hollandschen bourgeois en werd verliefd op den schoonen schijn van het chineesche volk, als op een meisje. Ik ben sinds wijzer geworden, en ben niet meer naïef, nadat uit zoovele zacht-glanzende vruchten de gore wormen kropen. Maar toch is het wel eens een beetje prettig, nog eens om vroegere liefheid terug te denken, en het lust mij, dit nu even te doen.De chineezen zijn toch o! zoo’n lief volk, als men ze alleen van buiten ziet. Vooreerst hebben zij bijna allen, tot den minsten koelie toe, een zeker gevoel voor mooi, voor schoonheid van kleur, lijn en gebaar. Men behoeft maar naar hunne gewaden te zien, zooals zij die in China dragen, naar hun gereedschap, en hun huisraad. Zet eens een hollandsche theekop „Voor uw verjaardag” naast een eenvoudig chineesch kopje. Het eerste is log en plomp. Het tweede heefteen sierlijkheid van vorm en kleur, waar een eenigszins artistiek ontwikkeld mensch zich bizonder pleizierig bij begint te voelen. Zie een hollandsche bak naast een chineesch wierookvat, zooals dat in de huizen wordt gebruikt. Het laatste is als eene devotie, zoo streng van vorm, en zoo teer wordt het van den grond opgelicht door de kleine gracieuze pootjes. Zie een europeesch fantasiepak naast een gewoon blauw zijden chineesch gewaad. Als de chinees in zoo’n wijd gewaad met zijn langzamen stap loopt, is er wijsheid in de diep neerhangende plooien zijner mouwen, en beweegt hij zich, alsof niet zijn lichaam enkel vooruitgaat, maar zijn geheele innerlijkheid, met al wat hij weet en voelt van het leven.Zie een chinees, die u voor zijn huis ontvangt, hoe hij voor u neerneigt, symbool der heiligste reverentie, voel u geleiden naar een mooien, van parelmoer blinkenden stoel, en zie in het mystieke schemerduister van zijn interieur, waarin achter vrome kaarsen branden in zachtblauwe lotuskelken!Ik wil wel eerlijk bekennen, dat ik er ingeloopen ben, en heb gezegd: „Wat een volk! Wat een voornaamheid! Wat moeten die lui een fijn gevoel hebben, om alles om zich heen mooi te willen hebben, van een tafel en een lamp, tot een lepeltjetoe, welks steel een rechte lotusstengel is, uitbloeiende in een reine bloem, waarin roerloos de boeddha Kwen-Gin in meditatie!”En niet alleen hoe voornaam, maar ook hoe adorabel! De chineezen houden zoo van bloemen en vogeltjes en kleine kinderen. Is het niet om over te lachen van liefheid, dat de Canton chinees ’s morgens met het eerste dage-gloren vroeg opstaat, een doek over de kooi van zijn leeuwrikje doet, en voorzichtig met het kooitje uitgaat? Is de schemering dan reeds blij van vroeg, jong licht in de velden, dan neemt de chinees het doekje voorzichtig weg, en wandelt zachtjes met zijn vroolijk tierelierende lieveling in den glanzenden morgen!En is niet de grootste trots van een chinees zijn kind? Overal loopen flinke, volwassen mannen met heele kleine kereltjes op den arm, in mooie baadjes en met kleurige hoedjes op.Hij doet dit, zonder gevaar van uitgelachen te worden. Hij loopt zoo heel, heel lief te wandelen met het kleine kleutertje, geeft hem mooie bloemen, wijst hem op vogeltjes, en doet lief tegen hem als een moedertje!Is het wonder, dat ik dit volk begon te bewonderen met eene naïeve vreugde, waar ik nu over lach?En wat ik vooral zoo bizonder groot van dit volk vond, was zijne vreezeloosheid voor den dood.Ik weet nog den dag, toen dit mij zoo trof. Het was een vale, grauwe middag, in eene barre rotsenvlakte.Dreigend, vol bang mysterie stonden de grijze rotsgevaarten omhoog, en achter mij was de groote, donker gele zee, die zee, die in China zoo ontzettend wreed en slecht kan schijnen, en waar de dood uit loert.Ik zag een oud man, gebogen onder den donkeren, troosteloozen hemel, zoekende met zijn staf in den harden grond, somtijds stilstaande, ziende in de wolken, starende over de rusteloos ruischende zee.Ik vroeg hem wat hij deed, en hij antwoordde kalm, en dood eenvoudig:„Ik zoek mijn graf. Ziet, deze twee berglijnen glijden in elkaar als een zachte omarming, en hier ziet een graf juist uit op de groote zee. Hier wil ik mijn graf hebben”.Ik was toen verstomd, en dacht, dat ik een wijze voor mij had.Maar het is een gewoon feit in China, wist ik later, dat ouden van dagen, die een beetje FungShui2bestudeerd hebben, hun eigen grafplaats gaan zoeken. Toch zal ik het niet licht vergeten, dien ouden, gebogen man onder den somberen hemel, bij die ontzachelijk mysterieuse rotsen, en achter hem het eindeloos, donker ruischen van de zee, waar hij vreezeloos rondliep met de gedachte aan den dood, zoekende naar zijn graf! Het was als iets uit den bijbel.En onmiddellijk daarmede in verband staat in mijne herinnering een bezoek aan een anderen, ouden, ouden man. Ik weet nog zoo goed alles, hoe het toeging. Op het voorplein van zijne woning kwamen mij veel kinderen tegemoet, onder lustig gelach en gejoel, kleine, gracieuse mannetjes, in blauwe en roode, wijde pakjes, met hunne lange staartjes zwaaiende door het gespring. Intelligente, fijne gezichtjes, als op oud porcelein wel staan, met het gevoelige lachen, dat overal plooitjes en kuiltjes trekt. Een héél kleintje had een handje in zijn mond, en zijn staartje in een broekzak, en de allerkleinste, die nog geen staartje had, droegop zijn geschoren bolletje een stijf-opstaand, zwart haarpluimpje, dat telkens veerend trilde.In de donkere, lange binnenzaal stond een aartsvaderlijke chinees. Wijd gemanteld, met gebogen ruglijnen, met laag-vallende, wijde armenplooien, een staf in de beide handen, waarmede hij, met op- en neêrheffen, heel langzaam groette. Ik zag toen nog alleen met de oogen van den artiest, die niets weten willen dan den uiterlijken schijn. En zóó kwam het, dat ik zag een zacht, wereld-wijs gezicht, met veel rimpels, die leed- en gedachte-trekken, waarover eene rustige wijding, een gezicht, opgeklaard door het Leven tot ééne vaste, stabiele uitdrukking van sereen weten.Hij wees mij een zetel, met een voornaam gebaar, een éven uitstrekken van de hand, waaronder de statige gewadeplooien hingen. De stoelen staan stijf naast de wanden, zoodat door het groote midden, waar geen tafel staat, de zaal van eene monotone leegheid, maar ook van ernstige strengheid is. Rechts van den ingang, aan het hoofdeinde, was eene soort estrade, waarop de aartsvaderlijke zetel, die daar superieur staat, als de machthebber van de zaal. Daaróver, aan het achterste eind een tafel met tabletten, zieletafeltjes, met veel vazen,en wierookvaten, waar de vereering der voorvaderen gebeurt.Ik vroeg den Oude naar zijn gezin, zijne zonen, en kleinkinderen.Ik dacht, overbodig te vragen, want een klein twintigtal kinderen was met mij mede binnengekomen. Maar deze oude man was de vader van drie jongere geslachten.Nu kwam een heel klein chineesje, die met het pluimpje, heel deftig een kopje thee brengen, dat hij met een reverent gebaartje naar mij ophief. Ik vroeg hem wat, en het heel niet verlegen chineesje lachte, en sprak zangerige chineesche woordjes met een fijn stemmetje, terwijl zijne handjes voortdurend van die mooie gebaartjes bleven maken. Hij riep zijne broertjes en neefjes, die nu danserig om mij heen gingen, blij-uit lachende als ik een chineesch woord verkeerd uitsprak.De Oude zag het aan van zijnen zetel, en lachte zacht. Ja, zacht zag hij naar het Leven, dat uit hém was gekomen, en het liefs gedaan aan zijne kinderen, is eene reverentie, opgeheven naar hém.Er kwamen nu andere chineezen binnen. Jonge mannen, waaronder de vaders van vele der kinderen, en ouden, reeds grootvaders. Zij bogen met eerbiedige groetenis van handen.Nu was de geheele familie bijeen, behalve de zoons, die in het buitenland zijn gegaan. Ik telde meer dan dertig menschen en kinderen.Ik sprak mijne vreugde uit over het geluk van den Oude, het grootste geluk, dat een chinees kan genieten, „veel kinderen en ouden leeftijd.” Ik vroeg naar ieder kind, hoe oud het was, wat het leerde, of, als het een volwassen man was, of hij handel dreef, of studeerde.En de Oude glimlachte van uit zijne hoogte, gelukkiger met mijn begrijpen van zijn geluk. De aartsvader zat in het late licht van avondschemering, gebogen naar de aarde, met het leven dat uit hem ging, sterk en vol om zich heen. Hij lachte zacht, en voelde zich zélf bewonderen in de blikken, waarmede ik zijn nageslacht aanzag.En toen dacht ik opeens weer terug aan dien anderen grijzen vader, dien ik in de sombere rotsen zag zoeken naar een graf. Ik begon te voelen, hoe het mogelijk was, zoo kalm den dood te zoeken, wetende het groote leven, dat achterblijft, het leven, dat in China van dezelfde essence als dat der Ouden is, dat hier, eeuwig hetzelfde, eeuwig het voorgaande vereert. De blik, dien de aartsvader van meer dan negentig jaren zegenend over vijftig kinderen en kindskinderen uitzijn eigen leven doet gaan, is vreezeloos voor den dood.De Oude lachte zacht, hoofdgebogen, in het late licht. Blank lachen van kinderen klonk op in de stilte, lucht ruischte het bewegende, jonge leven, dat aan de voeten gaat van den Ouderdom, in reverenten dank voor het zijn.Ik zal hem nog dikwijls zien, zooals hij daar zat met zijne geslachten, een symbool van de Haò,3de eerste Deugd, waarop de geheele moraliteit der chineezen berust.O! Hoelachtehij wereld-wijs en zacht, in het late licht, hoofdgebogen naar de aarde!…En óver hem, in het duister van den achtergrond gloeiden stil de wierookstokjes, droef-roode lichtjes van offering, voor de gestorven Vaderen, zacht en stil brandden zij wijding, door het leven ontstoken, voor den grooten dood.…II.Nu moeten geleerde mannen mij alstjeblieft niet komen vertellen, dat ik onder den indruk van mijne voorafgaande jarenlange chineesche studie, wel wat theoretisch heb gezien, want zóó ver ben ik nuóókwel. Ik zou echter dezen keer alleen spreken van den schijn der chineezen, en hoe ik uit dien vagen schijn essentieele waarheden, de principes van den geheelen chineeschen volksaard, en de geheele chineesche zedenleer, zag opschemeren.Lief is ook, om te zien, hoe reverent kinderen tegen ouders doen.De oude vrouwen in China gaan, als oer-moeders uit den bijbel, met een hoogen staf, waar zij op steunen. Dikwijls rust dan de andere hand op den schouder van een klein kind. En dit op den grooten weg te zien is een aandoenlijk tafereel. De hooge, trotsche rotsen, de zachte, glooiende hellingen van bergen, de groote zee, de lichtblauwe hemel, en daaronder tegen een heuvel op, in de verte de silhouët van een oud vrouwtje op haar staf; geleid door een o, zoo bezorgd stappendkind. Hier voelt men de emotie bij van stukken uit het oude testament, en van die wonder-simpele, grandioze schilderijen van Millet, waarin het allergrootste zich in den allereenvoudigsten vorm openbaart.Ik heb het al meer gezegd, dat de chineezen veel van kinderen hebben. Daarom zijn ze ook zoo dol op vertellen. Men kan in China elken dag, op vele punten van steden een verteller zien zitten, op een stoel. Daarvóór een paar ruwe houten banken, voor de meer deftigen, terwijl de arme chineezen staan, en een sjofel, maar zéér aandachtig en wel opgevoed publiek vormen. Ieder chinees is een genie in ’t vertellen. Hij heeft van de natuur die ongedwongen actie van gebaren, die bij ons de beste tooneelspelers nooit leeren. De verteller leeft mede met wat hij vertelt, beschrijft zielsaandoeningen met simpel-grootsche gebaren, en geeft geheele landschappen met bergen, zeeën en horizonnen aan met één kostbare handbeweging.Zijn gelaat kan verbeelden het aanzwellen van hartstochtelijken toorn, en kan glimlachen als een blond herderinnetje in Arcadia, die de zachte schapen weidt in de wei, en de zoete liefde in haar hart.—Ziet die schaar aandachtige luisteraars, arme koelies meestal, in de volmaaktste orde,zonder ooit de rust te verstoren, ziet hunne oogen en opgewonden gezichten, hoe ze zich-zelf de helden wanen, de glorieuse mandarijnen, in wijde zilver-en-goud gewaden, hoe ze zich zelf groote zwaarden zien voeren en draken en tijgers verslaan, voél die waarachtige, adorabele kinder-emotie in die armzalige, uitgesloofde, duistere menschen en gij zult begrijpen, hoe ik er toe kwam, van hetzelfde volk zoo te gaan houden, dat ik toch zoo verachten moet. Ik geloof ook werkelijk, dat die chineezen, als zij zoo in gespannen aandacht zijn, op dat oogenblik beter zijn dan anders. Zéér schoon en juist heeft deTimes-correspondent uit Tientsin geschreven: „theChineseare, after all, human at heart, if one can but penetrate through the pile of hereditary corruption which has covered up the divine spark”.Deze sympathieke volzin, dien ik in de „Straits Times” las, stemt tot mijne vreugde overeen, met wat ik hoofdzakelijk zeide in mijn artikel in de „Soerabaija Courant” van 10 Januari ll., door den welwillenden redacteur van het „Bataviaasch Handelsblad” den 16en Januari in zijn geheel overgenomen.Men kan noch mag de chineezen beoordeelen zonder in aanmerking te nemen de misère, waarin dit volk thans verkeert. En dan kan men het nogeen wonder noemen, dat het niet nog veel, veel slechter is. In het droevig duister van hun ignobel bestaan sluimeren nog steeds de aartsdeugden, zooals die in den bijbel met Gods Woord zijn gezegd. Maar nog niet klinkt de bazuinende stem van den Groote, die dit volk ter opstanding wekt, en de trage zielen begeestert met heilig geloof.Met kanonnen en ironclads en perfide zendelingen krijgt men het niet gedaan. Het moet van zelf uit het volk opkomen, en met gebruik van zijn eigen middelen, de eigen religie en de eigen kunst. Zij hebben voor Jezus de Boeddha’s, die niet anders dan zoovele Jezussen zijn, en voor Maria Kwan-Yin, de Boeddha der genade.Is het niet even lief en poëtisch als een katholieke vrouw voor haar Maria, de chineesche vrouw, die voor het mooie Kwan-Yinbeeldje knielt en zegt; „O Groote Liefde, groot Medelijden, Boddhissatwa van het Westen, laat mij toch veel kindertjes krijgen, ik zal rein en kuisch zijn, en mijne ouders liefhebben, en de vrouwelijke deugden handhaven, en u heel veel wierook geven!” Is het niet lief en intiem, hoe dat beeldje een nieuwen geelzijden mantel aankrijgt, en op haar geboortedag een nieuwe hoed, o zoo mooi, met belletjes en kralen alshet kan, en hoe zij dan lekkere thee krijgt in kleine kopjes, en vruchtjes, en lotuspitten, om de essence der geuren in te ademen, en zich te goed te doen?En is het verder ook niet beminnelijk, dat de chinees zoo’n behoefte heeft, om alles wat hij in handen krijgt, een beetje mooi te hebben? Koop penseelen, of wierook, of papier in een winkel, en gij krijgt een keurig doosje, in geel papier, met vogels, of bloemen en draken. Zoo’n grauw zakje als om onze pakjes zit, is te grof voor den grofsten koelie.Vergelijk de in-ploerterigheid van een ridiculen hollandschen livereibediende (de scheiding in het midden), met mijn lampenkoelie in China, die statig op een stoel gaat staan, met een voornaam gebaar de slippen van zijn mouwen in de hoogte schuift, als een ridder zijn statiemantel, en zacht-gracieus met de deftige, spitse vingers een lamp optilt, of het een schaal gewijde olie ware! Ik heb eene collectie oude chineesche beelden, wonderen van kunst, waar een grove bourgeois „Brr! wat een leelijkerd! wat een model!” van zegt, terwijl die zelfde lampenkoelie—het is historisch—precies wist, welke de mooiste was, en waarom, hoe dit gezicht véél meer het stille, boeddha-achtige uitdrukte dan een ander, en mij wel eens op dingener in wees, die ik nog niet eens gezien had! Zoo iemand heeft ook gevoel voor bloemen en vogels, en voelt aan een porseleinen kopje met de handen, zelfs met dichte oogen, óf en waarom het fijner is dan een ander!Verder heeft hij veel meer gevoel voor de natuur dan men van hem zou denken. Een duf nufje in Holland zeide mij van de zee: „Hè, ik krijg er dorst van, laten we wat gaan drinken!”—Ik betrapte mijn ouden chineeschen leermeester er dikwijls op, dat hij op het hooge plateau van mijn huis op een groote rots, wel een uur lang over de bergen kon zien, over de zee, in de lucht, in de volmaaktste rust stilzittende.Ik begreep dit niet. Hij was een slecht mensch, een schobber, een bedrieger, als de anderen. Ik vroeg hem, waarom hij niet liever ging wandelen, of hem wat scheelde, waarom hij wel dacht en peinsde.„Om niets,” zeide hij, „ik denk om juist niets, dat is zoo prettig.”Toen ik verbaasd: „Maar wat doe je dan, wat moet je daar in de verte?”En hij kalm, en kortaf, als verveelde hem mijn gevraag: „Siao Iaô”!!! (zweven!)Dat is typeerend voor zoo’n chinees. Zweven!Zweven in horizonnen en verten, in mysterieën van hemel en lucht, deze ellendige chinees, die mij zoo bedroog!En toch is het zoo, toch is het mogelijk. De chinees houdt dol van de natuur. Dit is voor ons onbegrijpelijk. Maar de chinees is ook een mysterie, waar geen mensch ooit in doordringt, ook een andere chinees niet. Een chinees is een wereld apart. Hij heeft eene geheele, diepzinnige filosofie, waar hij een ander niet mede vermoeit, en waar hij zich onverstoorbaar in wegdroomt, als een slimme, spinnende kat in een veilig hoekje. Het helpt u niets of gij die al met stomme verbazing aan zit te kijken, en hem diepzinnige betoogen voororakelt. De imperturbabele poes knijpt de oogen even dicht, en snort kalmpjes verder. Nu komt dit ook wel voor een groot gedeelte hierdoor, dat een chinees geen zenuwen heeft, maar het is toch wel ferm en sterk, zoo’n vaste onverstoorbaarheid, en zoo’n kalmte.Laat ik toch vooral altijd om die liefheid en die kalmte denken, als ik weer tegen de chineezen uitvaar. Die kinderen, die primitieven, die halve dwazen, die zoo prozaïsch om centen grabbelen, en toch zoo poëtisch de haren tooien met witte tempelbloemen in de lente. Arme duivels, kromloopendeonder lasten, zwoegende in het zweet des aanschijns, hebben in dien tijd coquet een witte bloem, nonchalant in het zwarte haar! En na den vermoeienden dag lang als beesten gesjouwd te hebben, staan ze nog tot een, twee uur in den nacht in eerbiedige aandacht voor een tooneelvoorstelling te kijken om dan, dikwijls hand aan hand, naar huis te gaan, zingend een zacht-droef wijsje in den nacht! Menschen, millioenen, het overgroote deel van het volk, weten vandaag niet of zij morgen te eten zullen hebben, maar morren niet bizonder, luisteren als kinderen naar vertelseltjes, steken bloemen in het haar en gaan neurieënd, met luchten stap!En dan die sampan-roeiers voor het havenhoofd dicht bij mijn huis. Arme drommels, die dag aan dag tobben, meestal vechtend met zware golven en winden en daarmede, als het véél is, als maximum dertig cent verdienen, wat zagen zij er altijd vroolijk uit, en hoe lustig lachten zij! Hoe gezellig bakten zij samen hun vischje, ieder in zijn eigen schuitje en bereidden de natte rijst. Zij hadden geen huis dan hun broos schuitje—waar toch nog bloemen en plaatjes in waren—zij werkten en sliepen daarin, en wisten niet beter of het hoorde zoo. En hoe mooi speelde er eende fluit, hoe puur en teer klonken die tonen over het water ’s avonds, als ik stond te luisteren in mijn tuin aan de zee. Meestal speelde hij een eentonige, droeve melodie, onder het zachte golfgeklots, in het vage licht van den nacht, een oud, oud volkslied, waar de ziel van schreit.Somtijds heb ik wel zoo’n mensch willen zijn, eenvoudig en sterk, onwetend en onbewust, altijd levend op de zee, onder den hemel, de groote lucht indrinkend als een plant en zingend zonder te weten.Maar laat ik nu niet te véél goeds van de chineezen zeggen na zooveel kwaads. Laat de poëzie van den schoonen schijn mij niet verblinden, en vooral, laat de chinees het niet van mij merken. Want dan neemt hij mij diep-buigend, gracieus-gebarend bij den neus en leidt mij met lief gezang op gevaarlijke, al te mooie paden. En als hij weg is en vér nog wuift zijn prachtig zijden gewaad, merk ik, dat ik mijn porte-monnaie kwijt ben en te grazen ben genomen.1Dit slaat op eenige artikelen tegen de chineesche handelaars in enkele indische bladen, stukken van minder literairen dan wel sociaal-politieken aard.↑2Fung Shui is de religieuse en astronomische ligging van een plaats. De leer van Fung Shui is een leer apart. Uitweiding zou te ver voeren.↑3De liefde en de reverentie van kind tot ouders, en omgekeerd.↑

DE SCHIJN DER CHINEEZEN.I.Ik heb nu in verschillende bladen al zooveel leelijks van de chineezen verteld, dat ik werkelijk wel eens iets goeds van hen mag zeggen, en zelfs met pleizier.1Want de chineezen zijn eigenlijk een oude liefde van mij. Er ligt heel veel doode illusie van mij verwaaid in China. Ik heb liever lief dan ik haat. En als ik eenmaal iets lief heb gehad, blijft er altijd iets van over.Toen ik pas uit Holland kwam, en de chineezen in hun eigen land zag, voelde ik mij, het spijt me dat ik het zeggen moet, niet bizonder ongelukkig. Wat mij in Holland het ergste hinderde, was dewèlgedane bourgeois, die ’s Zondags met zijne familie op den Scheveningschen weg in den Haag wandelt, de type fatsoenlijk-man, met „een positie” en die „een beschaafd Nederlander” is. Dien was ik in China kwijt, en ik zuchtte van verlichting.Dat mooie, trotsche, eenvoudige, vrome land waar ik in kwam, daar om Amoy!Die sombere, zwijgende rotsen, onwankelbaar opgerezen, in den roerloozen stand der volmaaktheid, zóó als ze zijn volkomen, in eeuwige rust staande door de eindeloosheid!Dàn die gouden bergen, in rossen gloed, zoo ontzachlijk rijzend als in een hartstorm naar boven, en dàn weer zacht en deemoedig glooiende naar beneê, en zéér gedwee blijvend, in sterke zwakheid, onder hunne reine omlijningen, die vèrre en vèrre door droomen, naar ongekende zaligheden van licht en lucht! En dan de zee, die is rusteloos gaande, en eindeloos, als mijn eigen ziel! Ik kon er zweven in horizonnen en verten, en werd er zoo intiem met de natuur, alsof ik zelf een zachte stille bloem ware.En hier leefde dat mooie, gracieuze volk, altijd zacht en statig stappende in de wuivingen van hunne zijden gewaden, met de voorname gebaren van hunne handen, en de ernstige kalmte, die eenwijze heeft! Alles was mooi wat zij aanhadden, waar zij in leefden, wat ze gebruikten, en ik, die altijd een mensch meen te kennen aan de dingen, waarmede hij zich omringt, en die mij door den artiest in mij altijd gaarne parten laat spelen, ik vergat mijn loggen, kiezenden, zondagsch-een-schoongesteven-hemd aanhebbenden hollandschen bourgeois en werd verliefd op den schoonen schijn van het chineesche volk, als op een meisje. Ik ben sinds wijzer geworden, en ben niet meer naïef, nadat uit zoovele zacht-glanzende vruchten de gore wormen kropen. Maar toch is het wel eens een beetje prettig, nog eens om vroegere liefheid terug te denken, en het lust mij, dit nu even te doen.De chineezen zijn toch o! zoo’n lief volk, als men ze alleen van buiten ziet. Vooreerst hebben zij bijna allen, tot den minsten koelie toe, een zeker gevoel voor mooi, voor schoonheid van kleur, lijn en gebaar. Men behoeft maar naar hunne gewaden te zien, zooals zij die in China dragen, naar hun gereedschap, en hun huisraad. Zet eens een hollandsche theekop „Voor uw verjaardag” naast een eenvoudig chineesch kopje. Het eerste is log en plomp. Het tweede heefteen sierlijkheid van vorm en kleur, waar een eenigszins artistiek ontwikkeld mensch zich bizonder pleizierig bij begint te voelen. Zie een hollandsche bak naast een chineesch wierookvat, zooals dat in de huizen wordt gebruikt. Het laatste is als eene devotie, zoo streng van vorm, en zoo teer wordt het van den grond opgelicht door de kleine gracieuze pootjes. Zie een europeesch fantasiepak naast een gewoon blauw zijden chineesch gewaad. Als de chinees in zoo’n wijd gewaad met zijn langzamen stap loopt, is er wijsheid in de diep neerhangende plooien zijner mouwen, en beweegt hij zich, alsof niet zijn lichaam enkel vooruitgaat, maar zijn geheele innerlijkheid, met al wat hij weet en voelt van het leven.Zie een chinees, die u voor zijn huis ontvangt, hoe hij voor u neerneigt, symbool der heiligste reverentie, voel u geleiden naar een mooien, van parelmoer blinkenden stoel, en zie in het mystieke schemerduister van zijn interieur, waarin achter vrome kaarsen branden in zachtblauwe lotuskelken!Ik wil wel eerlijk bekennen, dat ik er ingeloopen ben, en heb gezegd: „Wat een volk! Wat een voornaamheid! Wat moeten die lui een fijn gevoel hebben, om alles om zich heen mooi te willen hebben, van een tafel en een lamp, tot een lepeltjetoe, welks steel een rechte lotusstengel is, uitbloeiende in een reine bloem, waarin roerloos de boeddha Kwen-Gin in meditatie!”En niet alleen hoe voornaam, maar ook hoe adorabel! De chineezen houden zoo van bloemen en vogeltjes en kleine kinderen. Is het niet om over te lachen van liefheid, dat de Canton chinees ’s morgens met het eerste dage-gloren vroeg opstaat, een doek over de kooi van zijn leeuwrikje doet, en voorzichtig met het kooitje uitgaat? Is de schemering dan reeds blij van vroeg, jong licht in de velden, dan neemt de chinees het doekje voorzichtig weg, en wandelt zachtjes met zijn vroolijk tierelierende lieveling in den glanzenden morgen!En is niet de grootste trots van een chinees zijn kind? Overal loopen flinke, volwassen mannen met heele kleine kereltjes op den arm, in mooie baadjes en met kleurige hoedjes op.Hij doet dit, zonder gevaar van uitgelachen te worden. Hij loopt zoo heel, heel lief te wandelen met het kleine kleutertje, geeft hem mooie bloemen, wijst hem op vogeltjes, en doet lief tegen hem als een moedertje!Is het wonder, dat ik dit volk begon te bewonderen met eene naïeve vreugde, waar ik nu over lach?En wat ik vooral zoo bizonder groot van dit volk vond, was zijne vreezeloosheid voor den dood.Ik weet nog den dag, toen dit mij zoo trof. Het was een vale, grauwe middag, in eene barre rotsenvlakte.Dreigend, vol bang mysterie stonden de grijze rotsgevaarten omhoog, en achter mij was de groote, donker gele zee, die zee, die in China zoo ontzettend wreed en slecht kan schijnen, en waar de dood uit loert.Ik zag een oud man, gebogen onder den donkeren, troosteloozen hemel, zoekende met zijn staf in den harden grond, somtijds stilstaande, ziende in de wolken, starende over de rusteloos ruischende zee.Ik vroeg hem wat hij deed, en hij antwoordde kalm, en dood eenvoudig:„Ik zoek mijn graf. Ziet, deze twee berglijnen glijden in elkaar als een zachte omarming, en hier ziet een graf juist uit op de groote zee. Hier wil ik mijn graf hebben”.Ik was toen verstomd, en dacht, dat ik een wijze voor mij had.Maar het is een gewoon feit in China, wist ik later, dat ouden van dagen, die een beetje FungShui2bestudeerd hebben, hun eigen grafplaats gaan zoeken. Toch zal ik het niet licht vergeten, dien ouden, gebogen man onder den somberen hemel, bij die ontzachelijk mysterieuse rotsen, en achter hem het eindeloos, donker ruischen van de zee, waar hij vreezeloos rondliep met de gedachte aan den dood, zoekende naar zijn graf! Het was als iets uit den bijbel.En onmiddellijk daarmede in verband staat in mijne herinnering een bezoek aan een anderen, ouden, ouden man. Ik weet nog zoo goed alles, hoe het toeging. Op het voorplein van zijne woning kwamen mij veel kinderen tegemoet, onder lustig gelach en gejoel, kleine, gracieuse mannetjes, in blauwe en roode, wijde pakjes, met hunne lange staartjes zwaaiende door het gespring. Intelligente, fijne gezichtjes, als op oud porcelein wel staan, met het gevoelige lachen, dat overal plooitjes en kuiltjes trekt. Een héél kleintje had een handje in zijn mond, en zijn staartje in een broekzak, en de allerkleinste, die nog geen staartje had, droegop zijn geschoren bolletje een stijf-opstaand, zwart haarpluimpje, dat telkens veerend trilde.In de donkere, lange binnenzaal stond een aartsvaderlijke chinees. Wijd gemanteld, met gebogen ruglijnen, met laag-vallende, wijde armenplooien, een staf in de beide handen, waarmede hij, met op- en neêrheffen, heel langzaam groette. Ik zag toen nog alleen met de oogen van den artiest, die niets weten willen dan den uiterlijken schijn. En zóó kwam het, dat ik zag een zacht, wereld-wijs gezicht, met veel rimpels, die leed- en gedachte-trekken, waarover eene rustige wijding, een gezicht, opgeklaard door het Leven tot ééne vaste, stabiele uitdrukking van sereen weten.Hij wees mij een zetel, met een voornaam gebaar, een éven uitstrekken van de hand, waaronder de statige gewadeplooien hingen. De stoelen staan stijf naast de wanden, zoodat door het groote midden, waar geen tafel staat, de zaal van eene monotone leegheid, maar ook van ernstige strengheid is. Rechts van den ingang, aan het hoofdeinde, was eene soort estrade, waarop de aartsvaderlijke zetel, die daar superieur staat, als de machthebber van de zaal. Daaróver, aan het achterste eind een tafel met tabletten, zieletafeltjes, met veel vazen,en wierookvaten, waar de vereering der voorvaderen gebeurt.Ik vroeg den Oude naar zijn gezin, zijne zonen, en kleinkinderen.Ik dacht, overbodig te vragen, want een klein twintigtal kinderen was met mij mede binnengekomen. Maar deze oude man was de vader van drie jongere geslachten.Nu kwam een heel klein chineesje, die met het pluimpje, heel deftig een kopje thee brengen, dat hij met een reverent gebaartje naar mij ophief. Ik vroeg hem wat, en het heel niet verlegen chineesje lachte, en sprak zangerige chineesche woordjes met een fijn stemmetje, terwijl zijne handjes voortdurend van die mooie gebaartjes bleven maken. Hij riep zijne broertjes en neefjes, die nu danserig om mij heen gingen, blij-uit lachende als ik een chineesch woord verkeerd uitsprak.De Oude zag het aan van zijnen zetel, en lachte zacht. Ja, zacht zag hij naar het Leven, dat uit hém was gekomen, en het liefs gedaan aan zijne kinderen, is eene reverentie, opgeheven naar hém.Er kwamen nu andere chineezen binnen. Jonge mannen, waaronder de vaders van vele der kinderen, en ouden, reeds grootvaders. Zij bogen met eerbiedige groetenis van handen.Nu was de geheele familie bijeen, behalve de zoons, die in het buitenland zijn gegaan. Ik telde meer dan dertig menschen en kinderen.Ik sprak mijne vreugde uit over het geluk van den Oude, het grootste geluk, dat een chinees kan genieten, „veel kinderen en ouden leeftijd.” Ik vroeg naar ieder kind, hoe oud het was, wat het leerde, of, als het een volwassen man was, of hij handel dreef, of studeerde.En de Oude glimlachte van uit zijne hoogte, gelukkiger met mijn begrijpen van zijn geluk. De aartsvader zat in het late licht van avondschemering, gebogen naar de aarde, met het leven dat uit hem ging, sterk en vol om zich heen. Hij lachte zacht, en voelde zich zélf bewonderen in de blikken, waarmede ik zijn nageslacht aanzag.En toen dacht ik opeens weer terug aan dien anderen grijzen vader, dien ik in de sombere rotsen zag zoeken naar een graf. Ik begon te voelen, hoe het mogelijk was, zoo kalm den dood te zoeken, wetende het groote leven, dat achterblijft, het leven, dat in China van dezelfde essence als dat der Ouden is, dat hier, eeuwig hetzelfde, eeuwig het voorgaande vereert. De blik, dien de aartsvader van meer dan negentig jaren zegenend over vijftig kinderen en kindskinderen uitzijn eigen leven doet gaan, is vreezeloos voor den dood.De Oude lachte zacht, hoofdgebogen, in het late licht. Blank lachen van kinderen klonk op in de stilte, lucht ruischte het bewegende, jonge leven, dat aan de voeten gaat van den Ouderdom, in reverenten dank voor het zijn.Ik zal hem nog dikwijls zien, zooals hij daar zat met zijne geslachten, een symbool van de Haò,3de eerste Deugd, waarop de geheele moraliteit der chineezen berust.O! Hoelachtehij wereld-wijs en zacht, in het late licht, hoofdgebogen naar de aarde!…En óver hem, in het duister van den achtergrond gloeiden stil de wierookstokjes, droef-roode lichtjes van offering, voor de gestorven Vaderen, zacht en stil brandden zij wijding, door het leven ontstoken, voor den grooten dood.…II.Nu moeten geleerde mannen mij alstjeblieft niet komen vertellen, dat ik onder den indruk van mijne voorafgaande jarenlange chineesche studie, wel wat theoretisch heb gezien, want zóó ver ben ik nuóókwel. Ik zou echter dezen keer alleen spreken van den schijn der chineezen, en hoe ik uit dien vagen schijn essentieele waarheden, de principes van den geheelen chineeschen volksaard, en de geheele chineesche zedenleer, zag opschemeren.Lief is ook, om te zien, hoe reverent kinderen tegen ouders doen.De oude vrouwen in China gaan, als oer-moeders uit den bijbel, met een hoogen staf, waar zij op steunen. Dikwijls rust dan de andere hand op den schouder van een klein kind. En dit op den grooten weg te zien is een aandoenlijk tafereel. De hooge, trotsche rotsen, de zachte, glooiende hellingen van bergen, de groote zee, de lichtblauwe hemel, en daaronder tegen een heuvel op, in de verte de silhouët van een oud vrouwtje op haar staf; geleid door een o, zoo bezorgd stappendkind. Hier voelt men de emotie bij van stukken uit het oude testament, en van die wonder-simpele, grandioze schilderijen van Millet, waarin het allergrootste zich in den allereenvoudigsten vorm openbaart.Ik heb het al meer gezegd, dat de chineezen veel van kinderen hebben. Daarom zijn ze ook zoo dol op vertellen. Men kan in China elken dag, op vele punten van steden een verteller zien zitten, op een stoel. Daarvóór een paar ruwe houten banken, voor de meer deftigen, terwijl de arme chineezen staan, en een sjofel, maar zéér aandachtig en wel opgevoed publiek vormen. Ieder chinees is een genie in ’t vertellen. Hij heeft van de natuur die ongedwongen actie van gebaren, die bij ons de beste tooneelspelers nooit leeren. De verteller leeft mede met wat hij vertelt, beschrijft zielsaandoeningen met simpel-grootsche gebaren, en geeft geheele landschappen met bergen, zeeën en horizonnen aan met één kostbare handbeweging.Zijn gelaat kan verbeelden het aanzwellen van hartstochtelijken toorn, en kan glimlachen als een blond herderinnetje in Arcadia, die de zachte schapen weidt in de wei, en de zoete liefde in haar hart.—Ziet die schaar aandachtige luisteraars, arme koelies meestal, in de volmaaktste orde,zonder ooit de rust te verstoren, ziet hunne oogen en opgewonden gezichten, hoe ze zich-zelf de helden wanen, de glorieuse mandarijnen, in wijde zilver-en-goud gewaden, hoe ze zich zelf groote zwaarden zien voeren en draken en tijgers verslaan, voél die waarachtige, adorabele kinder-emotie in die armzalige, uitgesloofde, duistere menschen en gij zult begrijpen, hoe ik er toe kwam, van hetzelfde volk zoo te gaan houden, dat ik toch zoo verachten moet. Ik geloof ook werkelijk, dat die chineezen, als zij zoo in gespannen aandacht zijn, op dat oogenblik beter zijn dan anders. Zéér schoon en juist heeft deTimes-correspondent uit Tientsin geschreven: „theChineseare, after all, human at heart, if one can but penetrate through the pile of hereditary corruption which has covered up the divine spark”.Deze sympathieke volzin, dien ik in de „Straits Times” las, stemt tot mijne vreugde overeen, met wat ik hoofdzakelijk zeide in mijn artikel in de „Soerabaija Courant” van 10 Januari ll., door den welwillenden redacteur van het „Bataviaasch Handelsblad” den 16en Januari in zijn geheel overgenomen.Men kan noch mag de chineezen beoordeelen zonder in aanmerking te nemen de misère, waarin dit volk thans verkeert. En dan kan men het nogeen wonder noemen, dat het niet nog veel, veel slechter is. In het droevig duister van hun ignobel bestaan sluimeren nog steeds de aartsdeugden, zooals die in den bijbel met Gods Woord zijn gezegd. Maar nog niet klinkt de bazuinende stem van den Groote, die dit volk ter opstanding wekt, en de trage zielen begeestert met heilig geloof.Met kanonnen en ironclads en perfide zendelingen krijgt men het niet gedaan. Het moet van zelf uit het volk opkomen, en met gebruik van zijn eigen middelen, de eigen religie en de eigen kunst. Zij hebben voor Jezus de Boeddha’s, die niet anders dan zoovele Jezussen zijn, en voor Maria Kwan-Yin, de Boeddha der genade.Is het niet even lief en poëtisch als een katholieke vrouw voor haar Maria, de chineesche vrouw, die voor het mooie Kwan-Yinbeeldje knielt en zegt; „O Groote Liefde, groot Medelijden, Boddhissatwa van het Westen, laat mij toch veel kindertjes krijgen, ik zal rein en kuisch zijn, en mijne ouders liefhebben, en de vrouwelijke deugden handhaven, en u heel veel wierook geven!” Is het niet lief en intiem, hoe dat beeldje een nieuwen geelzijden mantel aankrijgt, en op haar geboortedag een nieuwe hoed, o zoo mooi, met belletjes en kralen alshet kan, en hoe zij dan lekkere thee krijgt in kleine kopjes, en vruchtjes, en lotuspitten, om de essence der geuren in te ademen, en zich te goed te doen?En is het verder ook niet beminnelijk, dat de chinees zoo’n behoefte heeft, om alles wat hij in handen krijgt, een beetje mooi te hebben? Koop penseelen, of wierook, of papier in een winkel, en gij krijgt een keurig doosje, in geel papier, met vogels, of bloemen en draken. Zoo’n grauw zakje als om onze pakjes zit, is te grof voor den grofsten koelie.Vergelijk de in-ploerterigheid van een ridiculen hollandschen livereibediende (de scheiding in het midden), met mijn lampenkoelie in China, die statig op een stoel gaat staan, met een voornaam gebaar de slippen van zijn mouwen in de hoogte schuift, als een ridder zijn statiemantel, en zacht-gracieus met de deftige, spitse vingers een lamp optilt, of het een schaal gewijde olie ware! Ik heb eene collectie oude chineesche beelden, wonderen van kunst, waar een grove bourgeois „Brr! wat een leelijkerd! wat een model!” van zegt, terwijl die zelfde lampenkoelie—het is historisch—precies wist, welke de mooiste was, en waarom, hoe dit gezicht véél meer het stille, boeddha-achtige uitdrukte dan een ander, en mij wel eens op dingener in wees, die ik nog niet eens gezien had! Zoo iemand heeft ook gevoel voor bloemen en vogels, en voelt aan een porseleinen kopje met de handen, zelfs met dichte oogen, óf en waarom het fijner is dan een ander!Verder heeft hij veel meer gevoel voor de natuur dan men van hem zou denken. Een duf nufje in Holland zeide mij van de zee: „Hè, ik krijg er dorst van, laten we wat gaan drinken!”—Ik betrapte mijn ouden chineeschen leermeester er dikwijls op, dat hij op het hooge plateau van mijn huis op een groote rots, wel een uur lang over de bergen kon zien, over de zee, in de lucht, in de volmaaktste rust stilzittende.Ik begreep dit niet. Hij was een slecht mensch, een schobber, een bedrieger, als de anderen. Ik vroeg hem, waarom hij niet liever ging wandelen, of hem wat scheelde, waarom hij wel dacht en peinsde.„Om niets,” zeide hij, „ik denk om juist niets, dat is zoo prettig.”Toen ik verbaasd: „Maar wat doe je dan, wat moet je daar in de verte?”En hij kalm, en kortaf, als verveelde hem mijn gevraag: „Siao Iaô”!!! (zweven!)Dat is typeerend voor zoo’n chinees. Zweven!Zweven in horizonnen en verten, in mysterieën van hemel en lucht, deze ellendige chinees, die mij zoo bedroog!En toch is het zoo, toch is het mogelijk. De chinees houdt dol van de natuur. Dit is voor ons onbegrijpelijk. Maar de chinees is ook een mysterie, waar geen mensch ooit in doordringt, ook een andere chinees niet. Een chinees is een wereld apart. Hij heeft eene geheele, diepzinnige filosofie, waar hij een ander niet mede vermoeit, en waar hij zich onverstoorbaar in wegdroomt, als een slimme, spinnende kat in een veilig hoekje. Het helpt u niets of gij die al met stomme verbazing aan zit te kijken, en hem diepzinnige betoogen voororakelt. De imperturbabele poes knijpt de oogen even dicht, en snort kalmpjes verder. Nu komt dit ook wel voor een groot gedeelte hierdoor, dat een chinees geen zenuwen heeft, maar het is toch wel ferm en sterk, zoo’n vaste onverstoorbaarheid, en zoo’n kalmte.Laat ik toch vooral altijd om die liefheid en die kalmte denken, als ik weer tegen de chineezen uitvaar. Die kinderen, die primitieven, die halve dwazen, die zoo prozaïsch om centen grabbelen, en toch zoo poëtisch de haren tooien met witte tempelbloemen in de lente. Arme duivels, kromloopendeonder lasten, zwoegende in het zweet des aanschijns, hebben in dien tijd coquet een witte bloem, nonchalant in het zwarte haar! En na den vermoeienden dag lang als beesten gesjouwd te hebben, staan ze nog tot een, twee uur in den nacht in eerbiedige aandacht voor een tooneelvoorstelling te kijken om dan, dikwijls hand aan hand, naar huis te gaan, zingend een zacht-droef wijsje in den nacht! Menschen, millioenen, het overgroote deel van het volk, weten vandaag niet of zij morgen te eten zullen hebben, maar morren niet bizonder, luisteren als kinderen naar vertelseltjes, steken bloemen in het haar en gaan neurieënd, met luchten stap!En dan die sampan-roeiers voor het havenhoofd dicht bij mijn huis. Arme drommels, die dag aan dag tobben, meestal vechtend met zware golven en winden en daarmede, als het véél is, als maximum dertig cent verdienen, wat zagen zij er altijd vroolijk uit, en hoe lustig lachten zij! Hoe gezellig bakten zij samen hun vischje, ieder in zijn eigen schuitje en bereidden de natte rijst. Zij hadden geen huis dan hun broos schuitje—waar toch nog bloemen en plaatjes in waren—zij werkten en sliepen daarin, en wisten niet beter of het hoorde zoo. En hoe mooi speelde er eende fluit, hoe puur en teer klonken die tonen over het water ’s avonds, als ik stond te luisteren in mijn tuin aan de zee. Meestal speelde hij een eentonige, droeve melodie, onder het zachte golfgeklots, in het vage licht van den nacht, een oud, oud volkslied, waar de ziel van schreit.Somtijds heb ik wel zoo’n mensch willen zijn, eenvoudig en sterk, onwetend en onbewust, altijd levend op de zee, onder den hemel, de groote lucht indrinkend als een plant en zingend zonder te weten.Maar laat ik nu niet te véél goeds van de chineezen zeggen na zooveel kwaads. Laat de poëzie van den schoonen schijn mij niet verblinden, en vooral, laat de chinees het niet van mij merken. Want dan neemt hij mij diep-buigend, gracieus-gebarend bij den neus en leidt mij met lief gezang op gevaarlijke, al te mooie paden. En als hij weg is en vér nog wuift zijn prachtig zijden gewaad, merk ik, dat ik mijn porte-monnaie kwijt ben en te grazen ben genomen.1Dit slaat op eenige artikelen tegen de chineesche handelaars in enkele indische bladen, stukken van minder literairen dan wel sociaal-politieken aard.↑2Fung Shui is de religieuse en astronomische ligging van een plaats. De leer van Fung Shui is een leer apart. Uitweiding zou te ver voeren.↑3De liefde en de reverentie van kind tot ouders, en omgekeerd.↑

DE SCHIJN DER CHINEEZEN.

I.Ik heb nu in verschillende bladen al zooveel leelijks van de chineezen verteld, dat ik werkelijk wel eens iets goeds van hen mag zeggen, en zelfs met pleizier.1Want de chineezen zijn eigenlijk een oude liefde van mij. Er ligt heel veel doode illusie van mij verwaaid in China. Ik heb liever lief dan ik haat. En als ik eenmaal iets lief heb gehad, blijft er altijd iets van over.Toen ik pas uit Holland kwam, en de chineezen in hun eigen land zag, voelde ik mij, het spijt me dat ik het zeggen moet, niet bizonder ongelukkig. Wat mij in Holland het ergste hinderde, was dewèlgedane bourgeois, die ’s Zondags met zijne familie op den Scheveningschen weg in den Haag wandelt, de type fatsoenlijk-man, met „een positie” en die „een beschaafd Nederlander” is. Dien was ik in China kwijt, en ik zuchtte van verlichting.Dat mooie, trotsche, eenvoudige, vrome land waar ik in kwam, daar om Amoy!Die sombere, zwijgende rotsen, onwankelbaar opgerezen, in den roerloozen stand der volmaaktheid, zóó als ze zijn volkomen, in eeuwige rust staande door de eindeloosheid!Dàn die gouden bergen, in rossen gloed, zoo ontzachlijk rijzend als in een hartstorm naar boven, en dàn weer zacht en deemoedig glooiende naar beneê, en zéér gedwee blijvend, in sterke zwakheid, onder hunne reine omlijningen, die vèrre en vèrre door droomen, naar ongekende zaligheden van licht en lucht! En dan de zee, die is rusteloos gaande, en eindeloos, als mijn eigen ziel! Ik kon er zweven in horizonnen en verten, en werd er zoo intiem met de natuur, alsof ik zelf een zachte stille bloem ware.En hier leefde dat mooie, gracieuze volk, altijd zacht en statig stappende in de wuivingen van hunne zijden gewaden, met de voorname gebaren van hunne handen, en de ernstige kalmte, die eenwijze heeft! Alles was mooi wat zij aanhadden, waar zij in leefden, wat ze gebruikten, en ik, die altijd een mensch meen te kennen aan de dingen, waarmede hij zich omringt, en die mij door den artiest in mij altijd gaarne parten laat spelen, ik vergat mijn loggen, kiezenden, zondagsch-een-schoongesteven-hemd aanhebbenden hollandschen bourgeois en werd verliefd op den schoonen schijn van het chineesche volk, als op een meisje. Ik ben sinds wijzer geworden, en ben niet meer naïef, nadat uit zoovele zacht-glanzende vruchten de gore wormen kropen. Maar toch is het wel eens een beetje prettig, nog eens om vroegere liefheid terug te denken, en het lust mij, dit nu even te doen.De chineezen zijn toch o! zoo’n lief volk, als men ze alleen van buiten ziet. Vooreerst hebben zij bijna allen, tot den minsten koelie toe, een zeker gevoel voor mooi, voor schoonheid van kleur, lijn en gebaar. Men behoeft maar naar hunne gewaden te zien, zooals zij die in China dragen, naar hun gereedschap, en hun huisraad. Zet eens een hollandsche theekop „Voor uw verjaardag” naast een eenvoudig chineesch kopje. Het eerste is log en plomp. Het tweede heefteen sierlijkheid van vorm en kleur, waar een eenigszins artistiek ontwikkeld mensch zich bizonder pleizierig bij begint te voelen. Zie een hollandsche bak naast een chineesch wierookvat, zooals dat in de huizen wordt gebruikt. Het laatste is als eene devotie, zoo streng van vorm, en zoo teer wordt het van den grond opgelicht door de kleine gracieuze pootjes. Zie een europeesch fantasiepak naast een gewoon blauw zijden chineesch gewaad. Als de chinees in zoo’n wijd gewaad met zijn langzamen stap loopt, is er wijsheid in de diep neerhangende plooien zijner mouwen, en beweegt hij zich, alsof niet zijn lichaam enkel vooruitgaat, maar zijn geheele innerlijkheid, met al wat hij weet en voelt van het leven.Zie een chinees, die u voor zijn huis ontvangt, hoe hij voor u neerneigt, symbool der heiligste reverentie, voel u geleiden naar een mooien, van parelmoer blinkenden stoel, en zie in het mystieke schemerduister van zijn interieur, waarin achter vrome kaarsen branden in zachtblauwe lotuskelken!Ik wil wel eerlijk bekennen, dat ik er ingeloopen ben, en heb gezegd: „Wat een volk! Wat een voornaamheid! Wat moeten die lui een fijn gevoel hebben, om alles om zich heen mooi te willen hebben, van een tafel en een lamp, tot een lepeltjetoe, welks steel een rechte lotusstengel is, uitbloeiende in een reine bloem, waarin roerloos de boeddha Kwen-Gin in meditatie!”En niet alleen hoe voornaam, maar ook hoe adorabel! De chineezen houden zoo van bloemen en vogeltjes en kleine kinderen. Is het niet om over te lachen van liefheid, dat de Canton chinees ’s morgens met het eerste dage-gloren vroeg opstaat, een doek over de kooi van zijn leeuwrikje doet, en voorzichtig met het kooitje uitgaat? Is de schemering dan reeds blij van vroeg, jong licht in de velden, dan neemt de chinees het doekje voorzichtig weg, en wandelt zachtjes met zijn vroolijk tierelierende lieveling in den glanzenden morgen!En is niet de grootste trots van een chinees zijn kind? Overal loopen flinke, volwassen mannen met heele kleine kereltjes op den arm, in mooie baadjes en met kleurige hoedjes op.Hij doet dit, zonder gevaar van uitgelachen te worden. Hij loopt zoo heel, heel lief te wandelen met het kleine kleutertje, geeft hem mooie bloemen, wijst hem op vogeltjes, en doet lief tegen hem als een moedertje!Is het wonder, dat ik dit volk begon te bewonderen met eene naïeve vreugde, waar ik nu over lach?En wat ik vooral zoo bizonder groot van dit volk vond, was zijne vreezeloosheid voor den dood.Ik weet nog den dag, toen dit mij zoo trof. Het was een vale, grauwe middag, in eene barre rotsenvlakte.Dreigend, vol bang mysterie stonden de grijze rotsgevaarten omhoog, en achter mij was de groote, donker gele zee, die zee, die in China zoo ontzettend wreed en slecht kan schijnen, en waar de dood uit loert.Ik zag een oud man, gebogen onder den donkeren, troosteloozen hemel, zoekende met zijn staf in den harden grond, somtijds stilstaande, ziende in de wolken, starende over de rusteloos ruischende zee.Ik vroeg hem wat hij deed, en hij antwoordde kalm, en dood eenvoudig:„Ik zoek mijn graf. Ziet, deze twee berglijnen glijden in elkaar als een zachte omarming, en hier ziet een graf juist uit op de groote zee. Hier wil ik mijn graf hebben”.Ik was toen verstomd, en dacht, dat ik een wijze voor mij had.Maar het is een gewoon feit in China, wist ik later, dat ouden van dagen, die een beetje FungShui2bestudeerd hebben, hun eigen grafplaats gaan zoeken. Toch zal ik het niet licht vergeten, dien ouden, gebogen man onder den somberen hemel, bij die ontzachelijk mysterieuse rotsen, en achter hem het eindeloos, donker ruischen van de zee, waar hij vreezeloos rondliep met de gedachte aan den dood, zoekende naar zijn graf! Het was als iets uit den bijbel.En onmiddellijk daarmede in verband staat in mijne herinnering een bezoek aan een anderen, ouden, ouden man. Ik weet nog zoo goed alles, hoe het toeging. Op het voorplein van zijne woning kwamen mij veel kinderen tegemoet, onder lustig gelach en gejoel, kleine, gracieuse mannetjes, in blauwe en roode, wijde pakjes, met hunne lange staartjes zwaaiende door het gespring. Intelligente, fijne gezichtjes, als op oud porcelein wel staan, met het gevoelige lachen, dat overal plooitjes en kuiltjes trekt. Een héél kleintje had een handje in zijn mond, en zijn staartje in een broekzak, en de allerkleinste, die nog geen staartje had, droegop zijn geschoren bolletje een stijf-opstaand, zwart haarpluimpje, dat telkens veerend trilde.In de donkere, lange binnenzaal stond een aartsvaderlijke chinees. Wijd gemanteld, met gebogen ruglijnen, met laag-vallende, wijde armenplooien, een staf in de beide handen, waarmede hij, met op- en neêrheffen, heel langzaam groette. Ik zag toen nog alleen met de oogen van den artiest, die niets weten willen dan den uiterlijken schijn. En zóó kwam het, dat ik zag een zacht, wereld-wijs gezicht, met veel rimpels, die leed- en gedachte-trekken, waarover eene rustige wijding, een gezicht, opgeklaard door het Leven tot ééne vaste, stabiele uitdrukking van sereen weten.Hij wees mij een zetel, met een voornaam gebaar, een éven uitstrekken van de hand, waaronder de statige gewadeplooien hingen. De stoelen staan stijf naast de wanden, zoodat door het groote midden, waar geen tafel staat, de zaal van eene monotone leegheid, maar ook van ernstige strengheid is. Rechts van den ingang, aan het hoofdeinde, was eene soort estrade, waarop de aartsvaderlijke zetel, die daar superieur staat, als de machthebber van de zaal. Daaróver, aan het achterste eind een tafel met tabletten, zieletafeltjes, met veel vazen,en wierookvaten, waar de vereering der voorvaderen gebeurt.Ik vroeg den Oude naar zijn gezin, zijne zonen, en kleinkinderen.Ik dacht, overbodig te vragen, want een klein twintigtal kinderen was met mij mede binnengekomen. Maar deze oude man was de vader van drie jongere geslachten.Nu kwam een heel klein chineesje, die met het pluimpje, heel deftig een kopje thee brengen, dat hij met een reverent gebaartje naar mij ophief. Ik vroeg hem wat, en het heel niet verlegen chineesje lachte, en sprak zangerige chineesche woordjes met een fijn stemmetje, terwijl zijne handjes voortdurend van die mooie gebaartjes bleven maken. Hij riep zijne broertjes en neefjes, die nu danserig om mij heen gingen, blij-uit lachende als ik een chineesch woord verkeerd uitsprak.De Oude zag het aan van zijnen zetel, en lachte zacht. Ja, zacht zag hij naar het Leven, dat uit hém was gekomen, en het liefs gedaan aan zijne kinderen, is eene reverentie, opgeheven naar hém.Er kwamen nu andere chineezen binnen. Jonge mannen, waaronder de vaders van vele der kinderen, en ouden, reeds grootvaders. Zij bogen met eerbiedige groetenis van handen.Nu was de geheele familie bijeen, behalve de zoons, die in het buitenland zijn gegaan. Ik telde meer dan dertig menschen en kinderen.Ik sprak mijne vreugde uit over het geluk van den Oude, het grootste geluk, dat een chinees kan genieten, „veel kinderen en ouden leeftijd.” Ik vroeg naar ieder kind, hoe oud het was, wat het leerde, of, als het een volwassen man was, of hij handel dreef, of studeerde.En de Oude glimlachte van uit zijne hoogte, gelukkiger met mijn begrijpen van zijn geluk. De aartsvader zat in het late licht van avondschemering, gebogen naar de aarde, met het leven dat uit hem ging, sterk en vol om zich heen. Hij lachte zacht, en voelde zich zélf bewonderen in de blikken, waarmede ik zijn nageslacht aanzag.En toen dacht ik opeens weer terug aan dien anderen grijzen vader, dien ik in de sombere rotsen zag zoeken naar een graf. Ik begon te voelen, hoe het mogelijk was, zoo kalm den dood te zoeken, wetende het groote leven, dat achterblijft, het leven, dat in China van dezelfde essence als dat der Ouden is, dat hier, eeuwig hetzelfde, eeuwig het voorgaande vereert. De blik, dien de aartsvader van meer dan negentig jaren zegenend over vijftig kinderen en kindskinderen uitzijn eigen leven doet gaan, is vreezeloos voor den dood.De Oude lachte zacht, hoofdgebogen, in het late licht. Blank lachen van kinderen klonk op in de stilte, lucht ruischte het bewegende, jonge leven, dat aan de voeten gaat van den Ouderdom, in reverenten dank voor het zijn.Ik zal hem nog dikwijls zien, zooals hij daar zat met zijne geslachten, een symbool van de Haò,3de eerste Deugd, waarop de geheele moraliteit der chineezen berust.O! Hoelachtehij wereld-wijs en zacht, in het late licht, hoofdgebogen naar de aarde!…En óver hem, in het duister van den achtergrond gloeiden stil de wierookstokjes, droef-roode lichtjes van offering, voor de gestorven Vaderen, zacht en stil brandden zij wijding, door het leven ontstoken, voor den grooten dood.…II.Nu moeten geleerde mannen mij alstjeblieft niet komen vertellen, dat ik onder den indruk van mijne voorafgaande jarenlange chineesche studie, wel wat theoretisch heb gezien, want zóó ver ben ik nuóókwel. Ik zou echter dezen keer alleen spreken van den schijn der chineezen, en hoe ik uit dien vagen schijn essentieele waarheden, de principes van den geheelen chineeschen volksaard, en de geheele chineesche zedenleer, zag opschemeren.Lief is ook, om te zien, hoe reverent kinderen tegen ouders doen.De oude vrouwen in China gaan, als oer-moeders uit den bijbel, met een hoogen staf, waar zij op steunen. Dikwijls rust dan de andere hand op den schouder van een klein kind. En dit op den grooten weg te zien is een aandoenlijk tafereel. De hooge, trotsche rotsen, de zachte, glooiende hellingen van bergen, de groote zee, de lichtblauwe hemel, en daaronder tegen een heuvel op, in de verte de silhouët van een oud vrouwtje op haar staf; geleid door een o, zoo bezorgd stappendkind. Hier voelt men de emotie bij van stukken uit het oude testament, en van die wonder-simpele, grandioze schilderijen van Millet, waarin het allergrootste zich in den allereenvoudigsten vorm openbaart.Ik heb het al meer gezegd, dat de chineezen veel van kinderen hebben. Daarom zijn ze ook zoo dol op vertellen. Men kan in China elken dag, op vele punten van steden een verteller zien zitten, op een stoel. Daarvóór een paar ruwe houten banken, voor de meer deftigen, terwijl de arme chineezen staan, en een sjofel, maar zéér aandachtig en wel opgevoed publiek vormen. Ieder chinees is een genie in ’t vertellen. Hij heeft van de natuur die ongedwongen actie van gebaren, die bij ons de beste tooneelspelers nooit leeren. De verteller leeft mede met wat hij vertelt, beschrijft zielsaandoeningen met simpel-grootsche gebaren, en geeft geheele landschappen met bergen, zeeën en horizonnen aan met één kostbare handbeweging.Zijn gelaat kan verbeelden het aanzwellen van hartstochtelijken toorn, en kan glimlachen als een blond herderinnetje in Arcadia, die de zachte schapen weidt in de wei, en de zoete liefde in haar hart.—Ziet die schaar aandachtige luisteraars, arme koelies meestal, in de volmaaktste orde,zonder ooit de rust te verstoren, ziet hunne oogen en opgewonden gezichten, hoe ze zich-zelf de helden wanen, de glorieuse mandarijnen, in wijde zilver-en-goud gewaden, hoe ze zich zelf groote zwaarden zien voeren en draken en tijgers verslaan, voél die waarachtige, adorabele kinder-emotie in die armzalige, uitgesloofde, duistere menschen en gij zult begrijpen, hoe ik er toe kwam, van hetzelfde volk zoo te gaan houden, dat ik toch zoo verachten moet. Ik geloof ook werkelijk, dat die chineezen, als zij zoo in gespannen aandacht zijn, op dat oogenblik beter zijn dan anders. Zéér schoon en juist heeft deTimes-correspondent uit Tientsin geschreven: „theChineseare, after all, human at heart, if one can but penetrate through the pile of hereditary corruption which has covered up the divine spark”.Deze sympathieke volzin, dien ik in de „Straits Times” las, stemt tot mijne vreugde overeen, met wat ik hoofdzakelijk zeide in mijn artikel in de „Soerabaija Courant” van 10 Januari ll., door den welwillenden redacteur van het „Bataviaasch Handelsblad” den 16en Januari in zijn geheel overgenomen.Men kan noch mag de chineezen beoordeelen zonder in aanmerking te nemen de misère, waarin dit volk thans verkeert. En dan kan men het nogeen wonder noemen, dat het niet nog veel, veel slechter is. In het droevig duister van hun ignobel bestaan sluimeren nog steeds de aartsdeugden, zooals die in den bijbel met Gods Woord zijn gezegd. Maar nog niet klinkt de bazuinende stem van den Groote, die dit volk ter opstanding wekt, en de trage zielen begeestert met heilig geloof.Met kanonnen en ironclads en perfide zendelingen krijgt men het niet gedaan. Het moet van zelf uit het volk opkomen, en met gebruik van zijn eigen middelen, de eigen religie en de eigen kunst. Zij hebben voor Jezus de Boeddha’s, die niet anders dan zoovele Jezussen zijn, en voor Maria Kwan-Yin, de Boeddha der genade.Is het niet even lief en poëtisch als een katholieke vrouw voor haar Maria, de chineesche vrouw, die voor het mooie Kwan-Yinbeeldje knielt en zegt; „O Groote Liefde, groot Medelijden, Boddhissatwa van het Westen, laat mij toch veel kindertjes krijgen, ik zal rein en kuisch zijn, en mijne ouders liefhebben, en de vrouwelijke deugden handhaven, en u heel veel wierook geven!” Is het niet lief en intiem, hoe dat beeldje een nieuwen geelzijden mantel aankrijgt, en op haar geboortedag een nieuwe hoed, o zoo mooi, met belletjes en kralen alshet kan, en hoe zij dan lekkere thee krijgt in kleine kopjes, en vruchtjes, en lotuspitten, om de essence der geuren in te ademen, en zich te goed te doen?En is het verder ook niet beminnelijk, dat de chinees zoo’n behoefte heeft, om alles wat hij in handen krijgt, een beetje mooi te hebben? Koop penseelen, of wierook, of papier in een winkel, en gij krijgt een keurig doosje, in geel papier, met vogels, of bloemen en draken. Zoo’n grauw zakje als om onze pakjes zit, is te grof voor den grofsten koelie.Vergelijk de in-ploerterigheid van een ridiculen hollandschen livereibediende (de scheiding in het midden), met mijn lampenkoelie in China, die statig op een stoel gaat staan, met een voornaam gebaar de slippen van zijn mouwen in de hoogte schuift, als een ridder zijn statiemantel, en zacht-gracieus met de deftige, spitse vingers een lamp optilt, of het een schaal gewijde olie ware! Ik heb eene collectie oude chineesche beelden, wonderen van kunst, waar een grove bourgeois „Brr! wat een leelijkerd! wat een model!” van zegt, terwijl die zelfde lampenkoelie—het is historisch—precies wist, welke de mooiste was, en waarom, hoe dit gezicht véél meer het stille, boeddha-achtige uitdrukte dan een ander, en mij wel eens op dingener in wees, die ik nog niet eens gezien had! Zoo iemand heeft ook gevoel voor bloemen en vogels, en voelt aan een porseleinen kopje met de handen, zelfs met dichte oogen, óf en waarom het fijner is dan een ander!Verder heeft hij veel meer gevoel voor de natuur dan men van hem zou denken. Een duf nufje in Holland zeide mij van de zee: „Hè, ik krijg er dorst van, laten we wat gaan drinken!”—Ik betrapte mijn ouden chineeschen leermeester er dikwijls op, dat hij op het hooge plateau van mijn huis op een groote rots, wel een uur lang over de bergen kon zien, over de zee, in de lucht, in de volmaaktste rust stilzittende.Ik begreep dit niet. Hij was een slecht mensch, een schobber, een bedrieger, als de anderen. Ik vroeg hem, waarom hij niet liever ging wandelen, of hem wat scheelde, waarom hij wel dacht en peinsde.„Om niets,” zeide hij, „ik denk om juist niets, dat is zoo prettig.”Toen ik verbaasd: „Maar wat doe je dan, wat moet je daar in de verte?”En hij kalm, en kortaf, als verveelde hem mijn gevraag: „Siao Iaô”!!! (zweven!)Dat is typeerend voor zoo’n chinees. Zweven!Zweven in horizonnen en verten, in mysterieën van hemel en lucht, deze ellendige chinees, die mij zoo bedroog!En toch is het zoo, toch is het mogelijk. De chinees houdt dol van de natuur. Dit is voor ons onbegrijpelijk. Maar de chinees is ook een mysterie, waar geen mensch ooit in doordringt, ook een andere chinees niet. Een chinees is een wereld apart. Hij heeft eene geheele, diepzinnige filosofie, waar hij een ander niet mede vermoeit, en waar hij zich onverstoorbaar in wegdroomt, als een slimme, spinnende kat in een veilig hoekje. Het helpt u niets of gij die al met stomme verbazing aan zit te kijken, en hem diepzinnige betoogen voororakelt. De imperturbabele poes knijpt de oogen even dicht, en snort kalmpjes verder. Nu komt dit ook wel voor een groot gedeelte hierdoor, dat een chinees geen zenuwen heeft, maar het is toch wel ferm en sterk, zoo’n vaste onverstoorbaarheid, en zoo’n kalmte.Laat ik toch vooral altijd om die liefheid en die kalmte denken, als ik weer tegen de chineezen uitvaar. Die kinderen, die primitieven, die halve dwazen, die zoo prozaïsch om centen grabbelen, en toch zoo poëtisch de haren tooien met witte tempelbloemen in de lente. Arme duivels, kromloopendeonder lasten, zwoegende in het zweet des aanschijns, hebben in dien tijd coquet een witte bloem, nonchalant in het zwarte haar! En na den vermoeienden dag lang als beesten gesjouwd te hebben, staan ze nog tot een, twee uur in den nacht in eerbiedige aandacht voor een tooneelvoorstelling te kijken om dan, dikwijls hand aan hand, naar huis te gaan, zingend een zacht-droef wijsje in den nacht! Menschen, millioenen, het overgroote deel van het volk, weten vandaag niet of zij morgen te eten zullen hebben, maar morren niet bizonder, luisteren als kinderen naar vertelseltjes, steken bloemen in het haar en gaan neurieënd, met luchten stap!En dan die sampan-roeiers voor het havenhoofd dicht bij mijn huis. Arme drommels, die dag aan dag tobben, meestal vechtend met zware golven en winden en daarmede, als het véél is, als maximum dertig cent verdienen, wat zagen zij er altijd vroolijk uit, en hoe lustig lachten zij! Hoe gezellig bakten zij samen hun vischje, ieder in zijn eigen schuitje en bereidden de natte rijst. Zij hadden geen huis dan hun broos schuitje—waar toch nog bloemen en plaatjes in waren—zij werkten en sliepen daarin, en wisten niet beter of het hoorde zoo. En hoe mooi speelde er eende fluit, hoe puur en teer klonken die tonen over het water ’s avonds, als ik stond te luisteren in mijn tuin aan de zee. Meestal speelde hij een eentonige, droeve melodie, onder het zachte golfgeklots, in het vage licht van den nacht, een oud, oud volkslied, waar de ziel van schreit.Somtijds heb ik wel zoo’n mensch willen zijn, eenvoudig en sterk, onwetend en onbewust, altijd levend op de zee, onder den hemel, de groote lucht indrinkend als een plant en zingend zonder te weten.Maar laat ik nu niet te véél goeds van de chineezen zeggen na zooveel kwaads. Laat de poëzie van den schoonen schijn mij niet verblinden, en vooral, laat de chinees het niet van mij merken. Want dan neemt hij mij diep-buigend, gracieus-gebarend bij den neus en leidt mij met lief gezang op gevaarlijke, al te mooie paden. En als hij weg is en vér nog wuift zijn prachtig zijden gewaad, merk ik, dat ik mijn porte-monnaie kwijt ben en te grazen ben genomen.

I.Ik heb nu in verschillende bladen al zooveel leelijks van de chineezen verteld, dat ik werkelijk wel eens iets goeds van hen mag zeggen, en zelfs met pleizier.1Want de chineezen zijn eigenlijk een oude liefde van mij. Er ligt heel veel doode illusie van mij verwaaid in China. Ik heb liever lief dan ik haat. En als ik eenmaal iets lief heb gehad, blijft er altijd iets van over.Toen ik pas uit Holland kwam, en de chineezen in hun eigen land zag, voelde ik mij, het spijt me dat ik het zeggen moet, niet bizonder ongelukkig. Wat mij in Holland het ergste hinderde, was dewèlgedane bourgeois, die ’s Zondags met zijne familie op den Scheveningschen weg in den Haag wandelt, de type fatsoenlijk-man, met „een positie” en die „een beschaafd Nederlander” is. Dien was ik in China kwijt, en ik zuchtte van verlichting.Dat mooie, trotsche, eenvoudige, vrome land waar ik in kwam, daar om Amoy!Die sombere, zwijgende rotsen, onwankelbaar opgerezen, in den roerloozen stand der volmaaktheid, zóó als ze zijn volkomen, in eeuwige rust staande door de eindeloosheid!Dàn die gouden bergen, in rossen gloed, zoo ontzachlijk rijzend als in een hartstorm naar boven, en dàn weer zacht en deemoedig glooiende naar beneê, en zéér gedwee blijvend, in sterke zwakheid, onder hunne reine omlijningen, die vèrre en vèrre door droomen, naar ongekende zaligheden van licht en lucht! En dan de zee, die is rusteloos gaande, en eindeloos, als mijn eigen ziel! Ik kon er zweven in horizonnen en verten, en werd er zoo intiem met de natuur, alsof ik zelf een zachte stille bloem ware.En hier leefde dat mooie, gracieuze volk, altijd zacht en statig stappende in de wuivingen van hunne zijden gewaden, met de voorname gebaren van hunne handen, en de ernstige kalmte, die eenwijze heeft! Alles was mooi wat zij aanhadden, waar zij in leefden, wat ze gebruikten, en ik, die altijd een mensch meen te kennen aan de dingen, waarmede hij zich omringt, en die mij door den artiest in mij altijd gaarne parten laat spelen, ik vergat mijn loggen, kiezenden, zondagsch-een-schoongesteven-hemd aanhebbenden hollandschen bourgeois en werd verliefd op den schoonen schijn van het chineesche volk, als op een meisje. Ik ben sinds wijzer geworden, en ben niet meer naïef, nadat uit zoovele zacht-glanzende vruchten de gore wormen kropen. Maar toch is het wel eens een beetje prettig, nog eens om vroegere liefheid terug te denken, en het lust mij, dit nu even te doen.De chineezen zijn toch o! zoo’n lief volk, als men ze alleen van buiten ziet. Vooreerst hebben zij bijna allen, tot den minsten koelie toe, een zeker gevoel voor mooi, voor schoonheid van kleur, lijn en gebaar. Men behoeft maar naar hunne gewaden te zien, zooals zij die in China dragen, naar hun gereedschap, en hun huisraad. Zet eens een hollandsche theekop „Voor uw verjaardag” naast een eenvoudig chineesch kopje. Het eerste is log en plomp. Het tweede heefteen sierlijkheid van vorm en kleur, waar een eenigszins artistiek ontwikkeld mensch zich bizonder pleizierig bij begint te voelen. Zie een hollandsche bak naast een chineesch wierookvat, zooals dat in de huizen wordt gebruikt. Het laatste is als eene devotie, zoo streng van vorm, en zoo teer wordt het van den grond opgelicht door de kleine gracieuze pootjes. Zie een europeesch fantasiepak naast een gewoon blauw zijden chineesch gewaad. Als de chinees in zoo’n wijd gewaad met zijn langzamen stap loopt, is er wijsheid in de diep neerhangende plooien zijner mouwen, en beweegt hij zich, alsof niet zijn lichaam enkel vooruitgaat, maar zijn geheele innerlijkheid, met al wat hij weet en voelt van het leven.Zie een chinees, die u voor zijn huis ontvangt, hoe hij voor u neerneigt, symbool der heiligste reverentie, voel u geleiden naar een mooien, van parelmoer blinkenden stoel, en zie in het mystieke schemerduister van zijn interieur, waarin achter vrome kaarsen branden in zachtblauwe lotuskelken!Ik wil wel eerlijk bekennen, dat ik er ingeloopen ben, en heb gezegd: „Wat een volk! Wat een voornaamheid! Wat moeten die lui een fijn gevoel hebben, om alles om zich heen mooi te willen hebben, van een tafel en een lamp, tot een lepeltjetoe, welks steel een rechte lotusstengel is, uitbloeiende in een reine bloem, waarin roerloos de boeddha Kwen-Gin in meditatie!”En niet alleen hoe voornaam, maar ook hoe adorabel! De chineezen houden zoo van bloemen en vogeltjes en kleine kinderen. Is het niet om over te lachen van liefheid, dat de Canton chinees ’s morgens met het eerste dage-gloren vroeg opstaat, een doek over de kooi van zijn leeuwrikje doet, en voorzichtig met het kooitje uitgaat? Is de schemering dan reeds blij van vroeg, jong licht in de velden, dan neemt de chinees het doekje voorzichtig weg, en wandelt zachtjes met zijn vroolijk tierelierende lieveling in den glanzenden morgen!En is niet de grootste trots van een chinees zijn kind? Overal loopen flinke, volwassen mannen met heele kleine kereltjes op den arm, in mooie baadjes en met kleurige hoedjes op.Hij doet dit, zonder gevaar van uitgelachen te worden. Hij loopt zoo heel, heel lief te wandelen met het kleine kleutertje, geeft hem mooie bloemen, wijst hem op vogeltjes, en doet lief tegen hem als een moedertje!Is het wonder, dat ik dit volk begon te bewonderen met eene naïeve vreugde, waar ik nu over lach?En wat ik vooral zoo bizonder groot van dit volk vond, was zijne vreezeloosheid voor den dood.Ik weet nog den dag, toen dit mij zoo trof. Het was een vale, grauwe middag, in eene barre rotsenvlakte.Dreigend, vol bang mysterie stonden de grijze rotsgevaarten omhoog, en achter mij was de groote, donker gele zee, die zee, die in China zoo ontzettend wreed en slecht kan schijnen, en waar de dood uit loert.Ik zag een oud man, gebogen onder den donkeren, troosteloozen hemel, zoekende met zijn staf in den harden grond, somtijds stilstaande, ziende in de wolken, starende over de rusteloos ruischende zee.Ik vroeg hem wat hij deed, en hij antwoordde kalm, en dood eenvoudig:„Ik zoek mijn graf. Ziet, deze twee berglijnen glijden in elkaar als een zachte omarming, en hier ziet een graf juist uit op de groote zee. Hier wil ik mijn graf hebben”.Ik was toen verstomd, en dacht, dat ik een wijze voor mij had.Maar het is een gewoon feit in China, wist ik later, dat ouden van dagen, die een beetje FungShui2bestudeerd hebben, hun eigen grafplaats gaan zoeken. Toch zal ik het niet licht vergeten, dien ouden, gebogen man onder den somberen hemel, bij die ontzachelijk mysterieuse rotsen, en achter hem het eindeloos, donker ruischen van de zee, waar hij vreezeloos rondliep met de gedachte aan den dood, zoekende naar zijn graf! Het was als iets uit den bijbel.En onmiddellijk daarmede in verband staat in mijne herinnering een bezoek aan een anderen, ouden, ouden man. Ik weet nog zoo goed alles, hoe het toeging. Op het voorplein van zijne woning kwamen mij veel kinderen tegemoet, onder lustig gelach en gejoel, kleine, gracieuse mannetjes, in blauwe en roode, wijde pakjes, met hunne lange staartjes zwaaiende door het gespring. Intelligente, fijne gezichtjes, als op oud porcelein wel staan, met het gevoelige lachen, dat overal plooitjes en kuiltjes trekt. Een héél kleintje had een handje in zijn mond, en zijn staartje in een broekzak, en de allerkleinste, die nog geen staartje had, droegop zijn geschoren bolletje een stijf-opstaand, zwart haarpluimpje, dat telkens veerend trilde.In de donkere, lange binnenzaal stond een aartsvaderlijke chinees. Wijd gemanteld, met gebogen ruglijnen, met laag-vallende, wijde armenplooien, een staf in de beide handen, waarmede hij, met op- en neêrheffen, heel langzaam groette. Ik zag toen nog alleen met de oogen van den artiest, die niets weten willen dan den uiterlijken schijn. En zóó kwam het, dat ik zag een zacht, wereld-wijs gezicht, met veel rimpels, die leed- en gedachte-trekken, waarover eene rustige wijding, een gezicht, opgeklaard door het Leven tot ééne vaste, stabiele uitdrukking van sereen weten.Hij wees mij een zetel, met een voornaam gebaar, een éven uitstrekken van de hand, waaronder de statige gewadeplooien hingen. De stoelen staan stijf naast de wanden, zoodat door het groote midden, waar geen tafel staat, de zaal van eene monotone leegheid, maar ook van ernstige strengheid is. Rechts van den ingang, aan het hoofdeinde, was eene soort estrade, waarop de aartsvaderlijke zetel, die daar superieur staat, als de machthebber van de zaal. Daaróver, aan het achterste eind een tafel met tabletten, zieletafeltjes, met veel vazen,en wierookvaten, waar de vereering der voorvaderen gebeurt.Ik vroeg den Oude naar zijn gezin, zijne zonen, en kleinkinderen.Ik dacht, overbodig te vragen, want een klein twintigtal kinderen was met mij mede binnengekomen. Maar deze oude man was de vader van drie jongere geslachten.Nu kwam een heel klein chineesje, die met het pluimpje, heel deftig een kopje thee brengen, dat hij met een reverent gebaartje naar mij ophief. Ik vroeg hem wat, en het heel niet verlegen chineesje lachte, en sprak zangerige chineesche woordjes met een fijn stemmetje, terwijl zijne handjes voortdurend van die mooie gebaartjes bleven maken. Hij riep zijne broertjes en neefjes, die nu danserig om mij heen gingen, blij-uit lachende als ik een chineesch woord verkeerd uitsprak.De Oude zag het aan van zijnen zetel, en lachte zacht. Ja, zacht zag hij naar het Leven, dat uit hém was gekomen, en het liefs gedaan aan zijne kinderen, is eene reverentie, opgeheven naar hém.Er kwamen nu andere chineezen binnen. Jonge mannen, waaronder de vaders van vele der kinderen, en ouden, reeds grootvaders. Zij bogen met eerbiedige groetenis van handen.Nu was de geheele familie bijeen, behalve de zoons, die in het buitenland zijn gegaan. Ik telde meer dan dertig menschen en kinderen.Ik sprak mijne vreugde uit over het geluk van den Oude, het grootste geluk, dat een chinees kan genieten, „veel kinderen en ouden leeftijd.” Ik vroeg naar ieder kind, hoe oud het was, wat het leerde, of, als het een volwassen man was, of hij handel dreef, of studeerde.En de Oude glimlachte van uit zijne hoogte, gelukkiger met mijn begrijpen van zijn geluk. De aartsvader zat in het late licht van avondschemering, gebogen naar de aarde, met het leven dat uit hem ging, sterk en vol om zich heen. Hij lachte zacht, en voelde zich zélf bewonderen in de blikken, waarmede ik zijn nageslacht aanzag.En toen dacht ik opeens weer terug aan dien anderen grijzen vader, dien ik in de sombere rotsen zag zoeken naar een graf. Ik begon te voelen, hoe het mogelijk was, zoo kalm den dood te zoeken, wetende het groote leven, dat achterblijft, het leven, dat in China van dezelfde essence als dat der Ouden is, dat hier, eeuwig hetzelfde, eeuwig het voorgaande vereert. De blik, dien de aartsvader van meer dan negentig jaren zegenend over vijftig kinderen en kindskinderen uitzijn eigen leven doet gaan, is vreezeloos voor den dood.De Oude lachte zacht, hoofdgebogen, in het late licht. Blank lachen van kinderen klonk op in de stilte, lucht ruischte het bewegende, jonge leven, dat aan de voeten gaat van den Ouderdom, in reverenten dank voor het zijn.Ik zal hem nog dikwijls zien, zooals hij daar zat met zijne geslachten, een symbool van de Haò,3de eerste Deugd, waarop de geheele moraliteit der chineezen berust.O! Hoelachtehij wereld-wijs en zacht, in het late licht, hoofdgebogen naar de aarde!…En óver hem, in het duister van den achtergrond gloeiden stil de wierookstokjes, droef-roode lichtjes van offering, voor de gestorven Vaderen, zacht en stil brandden zij wijding, door het leven ontstoken, voor den grooten dood.…

I.

Ik heb nu in verschillende bladen al zooveel leelijks van de chineezen verteld, dat ik werkelijk wel eens iets goeds van hen mag zeggen, en zelfs met pleizier.1Want de chineezen zijn eigenlijk een oude liefde van mij. Er ligt heel veel doode illusie van mij verwaaid in China. Ik heb liever lief dan ik haat. En als ik eenmaal iets lief heb gehad, blijft er altijd iets van over.Toen ik pas uit Holland kwam, en de chineezen in hun eigen land zag, voelde ik mij, het spijt me dat ik het zeggen moet, niet bizonder ongelukkig. Wat mij in Holland het ergste hinderde, was dewèlgedane bourgeois, die ’s Zondags met zijne familie op den Scheveningschen weg in den Haag wandelt, de type fatsoenlijk-man, met „een positie” en die „een beschaafd Nederlander” is. Dien was ik in China kwijt, en ik zuchtte van verlichting.Dat mooie, trotsche, eenvoudige, vrome land waar ik in kwam, daar om Amoy!Die sombere, zwijgende rotsen, onwankelbaar opgerezen, in den roerloozen stand der volmaaktheid, zóó als ze zijn volkomen, in eeuwige rust staande door de eindeloosheid!Dàn die gouden bergen, in rossen gloed, zoo ontzachlijk rijzend als in een hartstorm naar boven, en dàn weer zacht en deemoedig glooiende naar beneê, en zéér gedwee blijvend, in sterke zwakheid, onder hunne reine omlijningen, die vèrre en vèrre door droomen, naar ongekende zaligheden van licht en lucht! En dan de zee, die is rusteloos gaande, en eindeloos, als mijn eigen ziel! Ik kon er zweven in horizonnen en verten, en werd er zoo intiem met de natuur, alsof ik zelf een zachte stille bloem ware.En hier leefde dat mooie, gracieuze volk, altijd zacht en statig stappende in de wuivingen van hunne zijden gewaden, met de voorname gebaren van hunne handen, en de ernstige kalmte, die eenwijze heeft! Alles was mooi wat zij aanhadden, waar zij in leefden, wat ze gebruikten, en ik, die altijd een mensch meen te kennen aan de dingen, waarmede hij zich omringt, en die mij door den artiest in mij altijd gaarne parten laat spelen, ik vergat mijn loggen, kiezenden, zondagsch-een-schoongesteven-hemd aanhebbenden hollandschen bourgeois en werd verliefd op den schoonen schijn van het chineesche volk, als op een meisje. Ik ben sinds wijzer geworden, en ben niet meer naïef, nadat uit zoovele zacht-glanzende vruchten de gore wormen kropen. Maar toch is het wel eens een beetje prettig, nog eens om vroegere liefheid terug te denken, en het lust mij, dit nu even te doen.De chineezen zijn toch o! zoo’n lief volk, als men ze alleen van buiten ziet. Vooreerst hebben zij bijna allen, tot den minsten koelie toe, een zeker gevoel voor mooi, voor schoonheid van kleur, lijn en gebaar. Men behoeft maar naar hunne gewaden te zien, zooals zij die in China dragen, naar hun gereedschap, en hun huisraad. Zet eens een hollandsche theekop „Voor uw verjaardag” naast een eenvoudig chineesch kopje. Het eerste is log en plomp. Het tweede heefteen sierlijkheid van vorm en kleur, waar een eenigszins artistiek ontwikkeld mensch zich bizonder pleizierig bij begint te voelen. Zie een hollandsche bak naast een chineesch wierookvat, zooals dat in de huizen wordt gebruikt. Het laatste is als eene devotie, zoo streng van vorm, en zoo teer wordt het van den grond opgelicht door de kleine gracieuze pootjes. Zie een europeesch fantasiepak naast een gewoon blauw zijden chineesch gewaad. Als de chinees in zoo’n wijd gewaad met zijn langzamen stap loopt, is er wijsheid in de diep neerhangende plooien zijner mouwen, en beweegt hij zich, alsof niet zijn lichaam enkel vooruitgaat, maar zijn geheele innerlijkheid, met al wat hij weet en voelt van het leven.Zie een chinees, die u voor zijn huis ontvangt, hoe hij voor u neerneigt, symbool der heiligste reverentie, voel u geleiden naar een mooien, van parelmoer blinkenden stoel, en zie in het mystieke schemerduister van zijn interieur, waarin achter vrome kaarsen branden in zachtblauwe lotuskelken!Ik wil wel eerlijk bekennen, dat ik er ingeloopen ben, en heb gezegd: „Wat een volk! Wat een voornaamheid! Wat moeten die lui een fijn gevoel hebben, om alles om zich heen mooi te willen hebben, van een tafel en een lamp, tot een lepeltjetoe, welks steel een rechte lotusstengel is, uitbloeiende in een reine bloem, waarin roerloos de boeddha Kwen-Gin in meditatie!”En niet alleen hoe voornaam, maar ook hoe adorabel! De chineezen houden zoo van bloemen en vogeltjes en kleine kinderen. Is het niet om over te lachen van liefheid, dat de Canton chinees ’s morgens met het eerste dage-gloren vroeg opstaat, een doek over de kooi van zijn leeuwrikje doet, en voorzichtig met het kooitje uitgaat? Is de schemering dan reeds blij van vroeg, jong licht in de velden, dan neemt de chinees het doekje voorzichtig weg, en wandelt zachtjes met zijn vroolijk tierelierende lieveling in den glanzenden morgen!En is niet de grootste trots van een chinees zijn kind? Overal loopen flinke, volwassen mannen met heele kleine kereltjes op den arm, in mooie baadjes en met kleurige hoedjes op.Hij doet dit, zonder gevaar van uitgelachen te worden. Hij loopt zoo heel, heel lief te wandelen met het kleine kleutertje, geeft hem mooie bloemen, wijst hem op vogeltjes, en doet lief tegen hem als een moedertje!Is het wonder, dat ik dit volk begon te bewonderen met eene naïeve vreugde, waar ik nu over lach?En wat ik vooral zoo bizonder groot van dit volk vond, was zijne vreezeloosheid voor den dood.Ik weet nog den dag, toen dit mij zoo trof. Het was een vale, grauwe middag, in eene barre rotsenvlakte.Dreigend, vol bang mysterie stonden de grijze rotsgevaarten omhoog, en achter mij was de groote, donker gele zee, die zee, die in China zoo ontzettend wreed en slecht kan schijnen, en waar de dood uit loert.Ik zag een oud man, gebogen onder den donkeren, troosteloozen hemel, zoekende met zijn staf in den harden grond, somtijds stilstaande, ziende in de wolken, starende over de rusteloos ruischende zee.Ik vroeg hem wat hij deed, en hij antwoordde kalm, en dood eenvoudig:„Ik zoek mijn graf. Ziet, deze twee berglijnen glijden in elkaar als een zachte omarming, en hier ziet een graf juist uit op de groote zee. Hier wil ik mijn graf hebben”.Ik was toen verstomd, en dacht, dat ik een wijze voor mij had.Maar het is een gewoon feit in China, wist ik later, dat ouden van dagen, die een beetje FungShui2bestudeerd hebben, hun eigen grafplaats gaan zoeken. Toch zal ik het niet licht vergeten, dien ouden, gebogen man onder den somberen hemel, bij die ontzachelijk mysterieuse rotsen, en achter hem het eindeloos, donker ruischen van de zee, waar hij vreezeloos rondliep met de gedachte aan den dood, zoekende naar zijn graf! Het was als iets uit den bijbel.En onmiddellijk daarmede in verband staat in mijne herinnering een bezoek aan een anderen, ouden, ouden man. Ik weet nog zoo goed alles, hoe het toeging. Op het voorplein van zijne woning kwamen mij veel kinderen tegemoet, onder lustig gelach en gejoel, kleine, gracieuse mannetjes, in blauwe en roode, wijde pakjes, met hunne lange staartjes zwaaiende door het gespring. Intelligente, fijne gezichtjes, als op oud porcelein wel staan, met het gevoelige lachen, dat overal plooitjes en kuiltjes trekt. Een héél kleintje had een handje in zijn mond, en zijn staartje in een broekzak, en de allerkleinste, die nog geen staartje had, droegop zijn geschoren bolletje een stijf-opstaand, zwart haarpluimpje, dat telkens veerend trilde.In de donkere, lange binnenzaal stond een aartsvaderlijke chinees. Wijd gemanteld, met gebogen ruglijnen, met laag-vallende, wijde armenplooien, een staf in de beide handen, waarmede hij, met op- en neêrheffen, heel langzaam groette. Ik zag toen nog alleen met de oogen van den artiest, die niets weten willen dan den uiterlijken schijn. En zóó kwam het, dat ik zag een zacht, wereld-wijs gezicht, met veel rimpels, die leed- en gedachte-trekken, waarover eene rustige wijding, een gezicht, opgeklaard door het Leven tot ééne vaste, stabiele uitdrukking van sereen weten.Hij wees mij een zetel, met een voornaam gebaar, een éven uitstrekken van de hand, waaronder de statige gewadeplooien hingen. De stoelen staan stijf naast de wanden, zoodat door het groote midden, waar geen tafel staat, de zaal van eene monotone leegheid, maar ook van ernstige strengheid is. Rechts van den ingang, aan het hoofdeinde, was eene soort estrade, waarop de aartsvaderlijke zetel, die daar superieur staat, als de machthebber van de zaal. Daaróver, aan het achterste eind een tafel met tabletten, zieletafeltjes, met veel vazen,en wierookvaten, waar de vereering der voorvaderen gebeurt.Ik vroeg den Oude naar zijn gezin, zijne zonen, en kleinkinderen.Ik dacht, overbodig te vragen, want een klein twintigtal kinderen was met mij mede binnengekomen. Maar deze oude man was de vader van drie jongere geslachten.Nu kwam een heel klein chineesje, die met het pluimpje, heel deftig een kopje thee brengen, dat hij met een reverent gebaartje naar mij ophief. Ik vroeg hem wat, en het heel niet verlegen chineesje lachte, en sprak zangerige chineesche woordjes met een fijn stemmetje, terwijl zijne handjes voortdurend van die mooie gebaartjes bleven maken. Hij riep zijne broertjes en neefjes, die nu danserig om mij heen gingen, blij-uit lachende als ik een chineesch woord verkeerd uitsprak.De Oude zag het aan van zijnen zetel, en lachte zacht. Ja, zacht zag hij naar het Leven, dat uit hém was gekomen, en het liefs gedaan aan zijne kinderen, is eene reverentie, opgeheven naar hém.Er kwamen nu andere chineezen binnen. Jonge mannen, waaronder de vaders van vele der kinderen, en ouden, reeds grootvaders. Zij bogen met eerbiedige groetenis van handen.Nu was de geheele familie bijeen, behalve de zoons, die in het buitenland zijn gegaan. Ik telde meer dan dertig menschen en kinderen.Ik sprak mijne vreugde uit over het geluk van den Oude, het grootste geluk, dat een chinees kan genieten, „veel kinderen en ouden leeftijd.” Ik vroeg naar ieder kind, hoe oud het was, wat het leerde, of, als het een volwassen man was, of hij handel dreef, of studeerde.En de Oude glimlachte van uit zijne hoogte, gelukkiger met mijn begrijpen van zijn geluk. De aartsvader zat in het late licht van avondschemering, gebogen naar de aarde, met het leven dat uit hem ging, sterk en vol om zich heen. Hij lachte zacht, en voelde zich zélf bewonderen in de blikken, waarmede ik zijn nageslacht aanzag.En toen dacht ik opeens weer terug aan dien anderen grijzen vader, dien ik in de sombere rotsen zag zoeken naar een graf. Ik begon te voelen, hoe het mogelijk was, zoo kalm den dood te zoeken, wetende het groote leven, dat achterblijft, het leven, dat in China van dezelfde essence als dat der Ouden is, dat hier, eeuwig hetzelfde, eeuwig het voorgaande vereert. De blik, dien de aartsvader van meer dan negentig jaren zegenend over vijftig kinderen en kindskinderen uitzijn eigen leven doet gaan, is vreezeloos voor den dood.De Oude lachte zacht, hoofdgebogen, in het late licht. Blank lachen van kinderen klonk op in de stilte, lucht ruischte het bewegende, jonge leven, dat aan de voeten gaat van den Ouderdom, in reverenten dank voor het zijn.Ik zal hem nog dikwijls zien, zooals hij daar zat met zijne geslachten, een symbool van de Haò,3de eerste Deugd, waarop de geheele moraliteit der chineezen berust.O! Hoelachtehij wereld-wijs en zacht, in het late licht, hoofdgebogen naar de aarde!…En óver hem, in het duister van den achtergrond gloeiden stil de wierookstokjes, droef-roode lichtjes van offering, voor de gestorven Vaderen, zacht en stil brandden zij wijding, door het leven ontstoken, voor den grooten dood.…

Ik heb nu in verschillende bladen al zooveel leelijks van de chineezen verteld, dat ik werkelijk wel eens iets goeds van hen mag zeggen, en zelfs met pleizier.1Want de chineezen zijn eigenlijk een oude liefde van mij. Er ligt heel veel doode illusie van mij verwaaid in China. Ik heb liever lief dan ik haat. En als ik eenmaal iets lief heb gehad, blijft er altijd iets van over.

Toen ik pas uit Holland kwam, en de chineezen in hun eigen land zag, voelde ik mij, het spijt me dat ik het zeggen moet, niet bizonder ongelukkig. Wat mij in Holland het ergste hinderde, was dewèlgedane bourgeois, die ’s Zondags met zijne familie op den Scheveningschen weg in den Haag wandelt, de type fatsoenlijk-man, met „een positie” en die „een beschaafd Nederlander” is. Dien was ik in China kwijt, en ik zuchtte van verlichting.

Dat mooie, trotsche, eenvoudige, vrome land waar ik in kwam, daar om Amoy!

Die sombere, zwijgende rotsen, onwankelbaar opgerezen, in den roerloozen stand der volmaaktheid, zóó als ze zijn volkomen, in eeuwige rust staande door de eindeloosheid!

Dàn die gouden bergen, in rossen gloed, zoo ontzachlijk rijzend als in een hartstorm naar boven, en dàn weer zacht en deemoedig glooiende naar beneê, en zéér gedwee blijvend, in sterke zwakheid, onder hunne reine omlijningen, die vèrre en vèrre door droomen, naar ongekende zaligheden van licht en lucht! En dan de zee, die is rusteloos gaande, en eindeloos, als mijn eigen ziel! Ik kon er zweven in horizonnen en verten, en werd er zoo intiem met de natuur, alsof ik zelf een zachte stille bloem ware.

En hier leefde dat mooie, gracieuze volk, altijd zacht en statig stappende in de wuivingen van hunne zijden gewaden, met de voorname gebaren van hunne handen, en de ernstige kalmte, die eenwijze heeft! Alles was mooi wat zij aanhadden, waar zij in leefden, wat ze gebruikten, en ik, die altijd een mensch meen te kennen aan de dingen, waarmede hij zich omringt, en die mij door den artiest in mij altijd gaarne parten laat spelen, ik vergat mijn loggen, kiezenden, zondagsch-een-schoongesteven-hemd aanhebbenden hollandschen bourgeois en werd verliefd op den schoonen schijn van het chineesche volk, als op een meisje. Ik ben sinds wijzer geworden, en ben niet meer naïef, nadat uit zoovele zacht-glanzende vruchten de gore wormen kropen. Maar toch is het wel eens een beetje prettig, nog eens om vroegere liefheid terug te denken, en het lust mij, dit nu even te doen.

De chineezen zijn toch o! zoo’n lief volk, als men ze alleen van buiten ziet. Vooreerst hebben zij bijna allen, tot den minsten koelie toe, een zeker gevoel voor mooi, voor schoonheid van kleur, lijn en gebaar. Men behoeft maar naar hunne gewaden te zien, zooals zij die in China dragen, naar hun gereedschap, en hun huisraad. Zet eens een hollandsche theekop „Voor uw verjaardag” naast een eenvoudig chineesch kopje. Het eerste is log en plomp. Het tweede heefteen sierlijkheid van vorm en kleur, waar een eenigszins artistiek ontwikkeld mensch zich bizonder pleizierig bij begint te voelen. Zie een hollandsche bak naast een chineesch wierookvat, zooals dat in de huizen wordt gebruikt. Het laatste is als eene devotie, zoo streng van vorm, en zoo teer wordt het van den grond opgelicht door de kleine gracieuze pootjes. Zie een europeesch fantasiepak naast een gewoon blauw zijden chineesch gewaad. Als de chinees in zoo’n wijd gewaad met zijn langzamen stap loopt, is er wijsheid in de diep neerhangende plooien zijner mouwen, en beweegt hij zich, alsof niet zijn lichaam enkel vooruitgaat, maar zijn geheele innerlijkheid, met al wat hij weet en voelt van het leven.

Zie een chinees, die u voor zijn huis ontvangt, hoe hij voor u neerneigt, symbool der heiligste reverentie, voel u geleiden naar een mooien, van parelmoer blinkenden stoel, en zie in het mystieke schemerduister van zijn interieur, waarin achter vrome kaarsen branden in zachtblauwe lotuskelken!

Ik wil wel eerlijk bekennen, dat ik er ingeloopen ben, en heb gezegd: „Wat een volk! Wat een voornaamheid! Wat moeten die lui een fijn gevoel hebben, om alles om zich heen mooi te willen hebben, van een tafel en een lamp, tot een lepeltjetoe, welks steel een rechte lotusstengel is, uitbloeiende in een reine bloem, waarin roerloos de boeddha Kwen-Gin in meditatie!”

En niet alleen hoe voornaam, maar ook hoe adorabel! De chineezen houden zoo van bloemen en vogeltjes en kleine kinderen. Is het niet om over te lachen van liefheid, dat de Canton chinees ’s morgens met het eerste dage-gloren vroeg opstaat, een doek over de kooi van zijn leeuwrikje doet, en voorzichtig met het kooitje uitgaat? Is de schemering dan reeds blij van vroeg, jong licht in de velden, dan neemt de chinees het doekje voorzichtig weg, en wandelt zachtjes met zijn vroolijk tierelierende lieveling in den glanzenden morgen!

En is niet de grootste trots van een chinees zijn kind? Overal loopen flinke, volwassen mannen met heele kleine kereltjes op den arm, in mooie baadjes en met kleurige hoedjes op.

Hij doet dit, zonder gevaar van uitgelachen te worden. Hij loopt zoo heel, heel lief te wandelen met het kleine kleutertje, geeft hem mooie bloemen, wijst hem op vogeltjes, en doet lief tegen hem als een moedertje!

Is het wonder, dat ik dit volk begon te bewonderen met eene naïeve vreugde, waar ik nu over lach?

En wat ik vooral zoo bizonder groot van dit volk vond, was zijne vreezeloosheid voor den dood.

Ik weet nog den dag, toen dit mij zoo trof. Het was een vale, grauwe middag, in eene barre rotsenvlakte.

Dreigend, vol bang mysterie stonden de grijze rotsgevaarten omhoog, en achter mij was de groote, donker gele zee, die zee, die in China zoo ontzettend wreed en slecht kan schijnen, en waar de dood uit loert.

Ik zag een oud man, gebogen onder den donkeren, troosteloozen hemel, zoekende met zijn staf in den harden grond, somtijds stilstaande, ziende in de wolken, starende over de rusteloos ruischende zee.

Ik vroeg hem wat hij deed, en hij antwoordde kalm, en dood eenvoudig:

„Ik zoek mijn graf. Ziet, deze twee berglijnen glijden in elkaar als een zachte omarming, en hier ziet een graf juist uit op de groote zee. Hier wil ik mijn graf hebben”.

Ik was toen verstomd, en dacht, dat ik een wijze voor mij had.

Maar het is een gewoon feit in China, wist ik later, dat ouden van dagen, die een beetje FungShui2bestudeerd hebben, hun eigen grafplaats gaan zoeken. Toch zal ik het niet licht vergeten, dien ouden, gebogen man onder den somberen hemel, bij die ontzachelijk mysterieuse rotsen, en achter hem het eindeloos, donker ruischen van de zee, waar hij vreezeloos rondliep met de gedachte aan den dood, zoekende naar zijn graf! Het was als iets uit den bijbel.

En onmiddellijk daarmede in verband staat in mijne herinnering een bezoek aan een anderen, ouden, ouden man. Ik weet nog zoo goed alles, hoe het toeging. Op het voorplein van zijne woning kwamen mij veel kinderen tegemoet, onder lustig gelach en gejoel, kleine, gracieuse mannetjes, in blauwe en roode, wijde pakjes, met hunne lange staartjes zwaaiende door het gespring. Intelligente, fijne gezichtjes, als op oud porcelein wel staan, met het gevoelige lachen, dat overal plooitjes en kuiltjes trekt. Een héél kleintje had een handje in zijn mond, en zijn staartje in een broekzak, en de allerkleinste, die nog geen staartje had, droegop zijn geschoren bolletje een stijf-opstaand, zwart haarpluimpje, dat telkens veerend trilde.

In de donkere, lange binnenzaal stond een aartsvaderlijke chinees. Wijd gemanteld, met gebogen ruglijnen, met laag-vallende, wijde armenplooien, een staf in de beide handen, waarmede hij, met op- en neêrheffen, heel langzaam groette. Ik zag toen nog alleen met de oogen van den artiest, die niets weten willen dan den uiterlijken schijn. En zóó kwam het, dat ik zag een zacht, wereld-wijs gezicht, met veel rimpels, die leed- en gedachte-trekken, waarover eene rustige wijding, een gezicht, opgeklaard door het Leven tot ééne vaste, stabiele uitdrukking van sereen weten.

Hij wees mij een zetel, met een voornaam gebaar, een éven uitstrekken van de hand, waaronder de statige gewadeplooien hingen. De stoelen staan stijf naast de wanden, zoodat door het groote midden, waar geen tafel staat, de zaal van eene monotone leegheid, maar ook van ernstige strengheid is. Rechts van den ingang, aan het hoofdeinde, was eene soort estrade, waarop de aartsvaderlijke zetel, die daar superieur staat, als de machthebber van de zaal. Daaróver, aan het achterste eind een tafel met tabletten, zieletafeltjes, met veel vazen,en wierookvaten, waar de vereering der voorvaderen gebeurt.

Ik vroeg den Oude naar zijn gezin, zijne zonen, en kleinkinderen.

Ik dacht, overbodig te vragen, want een klein twintigtal kinderen was met mij mede binnengekomen. Maar deze oude man was de vader van drie jongere geslachten.

Nu kwam een heel klein chineesje, die met het pluimpje, heel deftig een kopje thee brengen, dat hij met een reverent gebaartje naar mij ophief. Ik vroeg hem wat, en het heel niet verlegen chineesje lachte, en sprak zangerige chineesche woordjes met een fijn stemmetje, terwijl zijne handjes voortdurend van die mooie gebaartjes bleven maken. Hij riep zijne broertjes en neefjes, die nu danserig om mij heen gingen, blij-uit lachende als ik een chineesch woord verkeerd uitsprak.

De Oude zag het aan van zijnen zetel, en lachte zacht. Ja, zacht zag hij naar het Leven, dat uit hém was gekomen, en het liefs gedaan aan zijne kinderen, is eene reverentie, opgeheven naar hém.

Er kwamen nu andere chineezen binnen. Jonge mannen, waaronder de vaders van vele der kinderen, en ouden, reeds grootvaders. Zij bogen met eerbiedige groetenis van handen.

Nu was de geheele familie bijeen, behalve de zoons, die in het buitenland zijn gegaan. Ik telde meer dan dertig menschen en kinderen.

Ik sprak mijne vreugde uit over het geluk van den Oude, het grootste geluk, dat een chinees kan genieten, „veel kinderen en ouden leeftijd.” Ik vroeg naar ieder kind, hoe oud het was, wat het leerde, of, als het een volwassen man was, of hij handel dreef, of studeerde.

En de Oude glimlachte van uit zijne hoogte, gelukkiger met mijn begrijpen van zijn geluk. De aartsvader zat in het late licht van avondschemering, gebogen naar de aarde, met het leven dat uit hem ging, sterk en vol om zich heen. Hij lachte zacht, en voelde zich zélf bewonderen in de blikken, waarmede ik zijn nageslacht aanzag.

En toen dacht ik opeens weer terug aan dien anderen grijzen vader, dien ik in de sombere rotsen zag zoeken naar een graf. Ik begon te voelen, hoe het mogelijk was, zoo kalm den dood te zoeken, wetende het groote leven, dat achterblijft, het leven, dat in China van dezelfde essence als dat der Ouden is, dat hier, eeuwig hetzelfde, eeuwig het voorgaande vereert. De blik, dien de aartsvader van meer dan negentig jaren zegenend over vijftig kinderen en kindskinderen uitzijn eigen leven doet gaan, is vreezeloos voor den dood.

De Oude lachte zacht, hoofdgebogen, in het late licht. Blank lachen van kinderen klonk op in de stilte, lucht ruischte het bewegende, jonge leven, dat aan de voeten gaat van den Ouderdom, in reverenten dank voor het zijn.

Ik zal hem nog dikwijls zien, zooals hij daar zat met zijne geslachten, een symbool van de Haò,3de eerste Deugd, waarop de geheele moraliteit der chineezen berust.

O! Hoelachtehij wereld-wijs en zacht, in het late licht, hoofdgebogen naar de aarde!…

En óver hem, in het duister van den achtergrond gloeiden stil de wierookstokjes, droef-roode lichtjes van offering, voor de gestorven Vaderen, zacht en stil brandden zij wijding, door het leven ontstoken, voor den grooten dood.…

II.Nu moeten geleerde mannen mij alstjeblieft niet komen vertellen, dat ik onder den indruk van mijne voorafgaande jarenlange chineesche studie, wel wat theoretisch heb gezien, want zóó ver ben ik nuóókwel. Ik zou echter dezen keer alleen spreken van den schijn der chineezen, en hoe ik uit dien vagen schijn essentieele waarheden, de principes van den geheelen chineeschen volksaard, en de geheele chineesche zedenleer, zag opschemeren.Lief is ook, om te zien, hoe reverent kinderen tegen ouders doen.De oude vrouwen in China gaan, als oer-moeders uit den bijbel, met een hoogen staf, waar zij op steunen. Dikwijls rust dan de andere hand op den schouder van een klein kind. En dit op den grooten weg te zien is een aandoenlijk tafereel. De hooge, trotsche rotsen, de zachte, glooiende hellingen van bergen, de groote zee, de lichtblauwe hemel, en daaronder tegen een heuvel op, in de verte de silhouët van een oud vrouwtje op haar staf; geleid door een o, zoo bezorgd stappendkind. Hier voelt men de emotie bij van stukken uit het oude testament, en van die wonder-simpele, grandioze schilderijen van Millet, waarin het allergrootste zich in den allereenvoudigsten vorm openbaart.Ik heb het al meer gezegd, dat de chineezen veel van kinderen hebben. Daarom zijn ze ook zoo dol op vertellen. Men kan in China elken dag, op vele punten van steden een verteller zien zitten, op een stoel. Daarvóór een paar ruwe houten banken, voor de meer deftigen, terwijl de arme chineezen staan, en een sjofel, maar zéér aandachtig en wel opgevoed publiek vormen. Ieder chinees is een genie in ’t vertellen. Hij heeft van de natuur die ongedwongen actie van gebaren, die bij ons de beste tooneelspelers nooit leeren. De verteller leeft mede met wat hij vertelt, beschrijft zielsaandoeningen met simpel-grootsche gebaren, en geeft geheele landschappen met bergen, zeeën en horizonnen aan met één kostbare handbeweging.Zijn gelaat kan verbeelden het aanzwellen van hartstochtelijken toorn, en kan glimlachen als een blond herderinnetje in Arcadia, die de zachte schapen weidt in de wei, en de zoete liefde in haar hart.—Ziet die schaar aandachtige luisteraars, arme koelies meestal, in de volmaaktste orde,zonder ooit de rust te verstoren, ziet hunne oogen en opgewonden gezichten, hoe ze zich-zelf de helden wanen, de glorieuse mandarijnen, in wijde zilver-en-goud gewaden, hoe ze zich zelf groote zwaarden zien voeren en draken en tijgers verslaan, voél die waarachtige, adorabele kinder-emotie in die armzalige, uitgesloofde, duistere menschen en gij zult begrijpen, hoe ik er toe kwam, van hetzelfde volk zoo te gaan houden, dat ik toch zoo verachten moet. Ik geloof ook werkelijk, dat die chineezen, als zij zoo in gespannen aandacht zijn, op dat oogenblik beter zijn dan anders. Zéér schoon en juist heeft deTimes-correspondent uit Tientsin geschreven: „theChineseare, after all, human at heart, if one can but penetrate through the pile of hereditary corruption which has covered up the divine spark”.Deze sympathieke volzin, dien ik in de „Straits Times” las, stemt tot mijne vreugde overeen, met wat ik hoofdzakelijk zeide in mijn artikel in de „Soerabaija Courant” van 10 Januari ll., door den welwillenden redacteur van het „Bataviaasch Handelsblad” den 16en Januari in zijn geheel overgenomen.Men kan noch mag de chineezen beoordeelen zonder in aanmerking te nemen de misère, waarin dit volk thans verkeert. En dan kan men het nogeen wonder noemen, dat het niet nog veel, veel slechter is. In het droevig duister van hun ignobel bestaan sluimeren nog steeds de aartsdeugden, zooals die in den bijbel met Gods Woord zijn gezegd. Maar nog niet klinkt de bazuinende stem van den Groote, die dit volk ter opstanding wekt, en de trage zielen begeestert met heilig geloof.Met kanonnen en ironclads en perfide zendelingen krijgt men het niet gedaan. Het moet van zelf uit het volk opkomen, en met gebruik van zijn eigen middelen, de eigen religie en de eigen kunst. Zij hebben voor Jezus de Boeddha’s, die niet anders dan zoovele Jezussen zijn, en voor Maria Kwan-Yin, de Boeddha der genade.Is het niet even lief en poëtisch als een katholieke vrouw voor haar Maria, de chineesche vrouw, die voor het mooie Kwan-Yinbeeldje knielt en zegt; „O Groote Liefde, groot Medelijden, Boddhissatwa van het Westen, laat mij toch veel kindertjes krijgen, ik zal rein en kuisch zijn, en mijne ouders liefhebben, en de vrouwelijke deugden handhaven, en u heel veel wierook geven!” Is het niet lief en intiem, hoe dat beeldje een nieuwen geelzijden mantel aankrijgt, en op haar geboortedag een nieuwe hoed, o zoo mooi, met belletjes en kralen alshet kan, en hoe zij dan lekkere thee krijgt in kleine kopjes, en vruchtjes, en lotuspitten, om de essence der geuren in te ademen, en zich te goed te doen?En is het verder ook niet beminnelijk, dat de chinees zoo’n behoefte heeft, om alles wat hij in handen krijgt, een beetje mooi te hebben? Koop penseelen, of wierook, of papier in een winkel, en gij krijgt een keurig doosje, in geel papier, met vogels, of bloemen en draken. Zoo’n grauw zakje als om onze pakjes zit, is te grof voor den grofsten koelie.Vergelijk de in-ploerterigheid van een ridiculen hollandschen livereibediende (de scheiding in het midden), met mijn lampenkoelie in China, die statig op een stoel gaat staan, met een voornaam gebaar de slippen van zijn mouwen in de hoogte schuift, als een ridder zijn statiemantel, en zacht-gracieus met de deftige, spitse vingers een lamp optilt, of het een schaal gewijde olie ware! Ik heb eene collectie oude chineesche beelden, wonderen van kunst, waar een grove bourgeois „Brr! wat een leelijkerd! wat een model!” van zegt, terwijl die zelfde lampenkoelie—het is historisch—precies wist, welke de mooiste was, en waarom, hoe dit gezicht véél meer het stille, boeddha-achtige uitdrukte dan een ander, en mij wel eens op dingener in wees, die ik nog niet eens gezien had! Zoo iemand heeft ook gevoel voor bloemen en vogels, en voelt aan een porseleinen kopje met de handen, zelfs met dichte oogen, óf en waarom het fijner is dan een ander!Verder heeft hij veel meer gevoel voor de natuur dan men van hem zou denken. Een duf nufje in Holland zeide mij van de zee: „Hè, ik krijg er dorst van, laten we wat gaan drinken!”—Ik betrapte mijn ouden chineeschen leermeester er dikwijls op, dat hij op het hooge plateau van mijn huis op een groote rots, wel een uur lang over de bergen kon zien, over de zee, in de lucht, in de volmaaktste rust stilzittende.Ik begreep dit niet. Hij was een slecht mensch, een schobber, een bedrieger, als de anderen. Ik vroeg hem, waarom hij niet liever ging wandelen, of hem wat scheelde, waarom hij wel dacht en peinsde.„Om niets,” zeide hij, „ik denk om juist niets, dat is zoo prettig.”Toen ik verbaasd: „Maar wat doe je dan, wat moet je daar in de verte?”En hij kalm, en kortaf, als verveelde hem mijn gevraag: „Siao Iaô”!!! (zweven!)Dat is typeerend voor zoo’n chinees. Zweven!Zweven in horizonnen en verten, in mysterieën van hemel en lucht, deze ellendige chinees, die mij zoo bedroog!En toch is het zoo, toch is het mogelijk. De chinees houdt dol van de natuur. Dit is voor ons onbegrijpelijk. Maar de chinees is ook een mysterie, waar geen mensch ooit in doordringt, ook een andere chinees niet. Een chinees is een wereld apart. Hij heeft eene geheele, diepzinnige filosofie, waar hij een ander niet mede vermoeit, en waar hij zich onverstoorbaar in wegdroomt, als een slimme, spinnende kat in een veilig hoekje. Het helpt u niets of gij die al met stomme verbazing aan zit te kijken, en hem diepzinnige betoogen voororakelt. De imperturbabele poes knijpt de oogen even dicht, en snort kalmpjes verder. Nu komt dit ook wel voor een groot gedeelte hierdoor, dat een chinees geen zenuwen heeft, maar het is toch wel ferm en sterk, zoo’n vaste onverstoorbaarheid, en zoo’n kalmte.Laat ik toch vooral altijd om die liefheid en die kalmte denken, als ik weer tegen de chineezen uitvaar. Die kinderen, die primitieven, die halve dwazen, die zoo prozaïsch om centen grabbelen, en toch zoo poëtisch de haren tooien met witte tempelbloemen in de lente. Arme duivels, kromloopendeonder lasten, zwoegende in het zweet des aanschijns, hebben in dien tijd coquet een witte bloem, nonchalant in het zwarte haar! En na den vermoeienden dag lang als beesten gesjouwd te hebben, staan ze nog tot een, twee uur in den nacht in eerbiedige aandacht voor een tooneelvoorstelling te kijken om dan, dikwijls hand aan hand, naar huis te gaan, zingend een zacht-droef wijsje in den nacht! Menschen, millioenen, het overgroote deel van het volk, weten vandaag niet of zij morgen te eten zullen hebben, maar morren niet bizonder, luisteren als kinderen naar vertelseltjes, steken bloemen in het haar en gaan neurieënd, met luchten stap!En dan die sampan-roeiers voor het havenhoofd dicht bij mijn huis. Arme drommels, die dag aan dag tobben, meestal vechtend met zware golven en winden en daarmede, als het véél is, als maximum dertig cent verdienen, wat zagen zij er altijd vroolijk uit, en hoe lustig lachten zij! Hoe gezellig bakten zij samen hun vischje, ieder in zijn eigen schuitje en bereidden de natte rijst. Zij hadden geen huis dan hun broos schuitje—waar toch nog bloemen en plaatjes in waren—zij werkten en sliepen daarin, en wisten niet beter of het hoorde zoo. En hoe mooi speelde er eende fluit, hoe puur en teer klonken die tonen over het water ’s avonds, als ik stond te luisteren in mijn tuin aan de zee. Meestal speelde hij een eentonige, droeve melodie, onder het zachte golfgeklots, in het vage licht van den nacht, een oud, oud volkslied, waar de ziel van schreit.Somtijds heb ik wel zoo’n mensch willen zijn, eenvoudig en sterk, onwetend en onbewust, altijd levend op de zee, onder den hemel, de groote lucht indrinkend als een plant en zingend zonder te weten.Maar laat ik nu niet te véél goeds van de chineezen zeggen na zooveel kwaads. Laat de poëzie van den schoonen schijn mij niet verblinden, en vooral, laat de chinees het niet van mij merken. Want dan neemt hij mij diep-buigend, gracieus-gebarend bij den neus en leidt mij met lief gezang op gevaarlijke, al te mooie paden. En als hij weg is en vér nog wuift zijn prachtig zijden gewaad, merk ik, dat ik mijn porte-monnaie kwijt ben en te grazen ben genomen.

II.

Nu moeten geleerde mannen mij alstjeblieft niet komen vertellen, dat ik onder den indruk van mijne voorafgaande jarenlange chineesche studie, wel wat theoretisch heb gezien, want zóó ver ben ik nuóókwel. Ik zou echter dezen keer alleen spreken van den schijn der chineezen, en hoe ik uit dien vagen schijn essentieele waarheden, de principes van den geheelen chineeschen volksaard, en de geheele chineesche zedenleer, zag opschemeren.Lief is ook, om te zien, hoe reverent kinderen tegen ouders doen.De oude vrouwen in China gaan, als oer-moeders uit den bijbel, met een hoogen staf, waar zij op steunen. Dikwijls rust dan de andere hand op den schouder van een klein kind. En dit op den grooten weg te zien is een aandoenlijk tafereel. De hooge, trotsche rotsen, de zachte, glooiende hellingen van bergen, de groote zee, de lichtblauwe hemel, en daaronder tegen een heuvel op, in de verte de silhouët van een oud vrouwtje op haar staf; geleid door een o, zoo bezorgd stappendkind. Hier voelt men de emotie bij van stukken uit het oude testament, en van die wonder-simpele, grandioze schilderijen van Millet, waarin het allergrootste zich in den allereenvoudigsten vorm openbaart.Ik heb het al meer gezegd, dat de chineezen veel van kinderen hebben. Daarom zijn ze ook zoo dol op vertellen. Men kan in China elken dag, op vele punten van steden een verteller zien zitten, op een stoel. Daarvóór een paar ruwe houten banken, voor de meer deftigen, terwijl de arme chineezen staan, en een sjofel, maar zéér aandachtig en wel opgevoed publiek vormen. Ieder chinees is een genie in ’t vertellen. Hij heeft van de natuur die ongedwongen actie van gebaren, die bij ons de beste tooneelspelers nooit leeren. De verteller leeft mede met wat hij vertelt, beschrijft zielsaandoeningen met simpel-grootsche gebaren, en geeft geheele landschappen met bergen, zeeën en horizonnen aan met één kostbare handbeweging.Zijn gelaat kan verbeelden het aanzwellen van hartstochtelijken toorn, en kan glimlachen als een blond herderinnetje in Arcadia, die de zachte schapen weidt in de wei, en de zoete liefde in haar hart.—Ziet die schaar aandachtige luisteraars, arme koelies meestal, in de volmaaktste orde,zonder ooit de rust te verstoren, ziet hunne oogen en opgewonden gezichten, hoe ze zich-zelf de helden wanen, de glorieuse mandarijnen, in wijde zilver-en-goud gewaden, hoe ze zich zelf groote zwaarden zien voeren en draken en tijgers verslaan, voél die waarachtige, adorabele kinder-emotie in die armzalige, uitgesloofde, duistere menschen en gij zult begrijpen, hoe ik er toe kwam, van hetzelfde volk zoo te gaan houden, dat ik toch zoo verachten moet. Ik geloof ook werkelijk, dat die chineezen, als zij zoo in gespannen aandacht zijn, op dat oogenblik beter zijn dan anders. Zéér schoon en juist heeft deTimes-correspondent uit Tientsin geschreven: „theChineseare, after all, human at heart, if one can but penetrate through the pile of hereditary corruption which has covered up the divine spark”.Deze sympathieke volzin, dien ik in de „Straits Times” las, stemt tot mijne vreugde overeen, met wat ik hoofdzakelijk zeide in mijn artikel in de „Soerabaija Courant” van 10 Januari ll., door den welwillenden redacteur van het „Bataviaasch Handelsblad” den 16en Januari in zijn geheel overgenomen.Men kan noch mag de chineezen beoordeelen zonder in aanmerking te nemen de misère, waarin dit volk thans verkeert. En dan kan men het nogeen wonder noemen, dat het niet nog veel, veel slechter is. In het droevig duister van hun ignobel bestaan sluimeren nog steeds de aartsdeugden, zooals die in den bijbel met Gods Woord zijn gezegd. Maar nog niet klinkt de bazuinende stem van den Groote, die dit volk ter opstanding wekt, en de trage zielen begeestert met heilig geloof.Met kanonnen en ironclads en perfide zendelingen krijgt men het niet gedaan. Het moet van zelf uit het volk opkomen, en met gebruik van zijn eigen middelen, de eigen religie en de eigen kunst. Zij hebben voor Jezus de Boeddha’s, die niet anders dan zoovele Jezussen zijn, en voor Maria Kwan-Yin, de Boeddha der genade.Is het niet even lief en poëtisch als een katholieke vrouw voor haar Maria, de chineesche vrouw, die voor het mooie Kwan-Yinbeeldje knielt en zegt; „O Groote Liefde, groot Medelijden, Boddhissatwa van het Westen, laat mij toch veel kindertjes krijgen, ik zal rein en kuisch zijn, en mijne ouders liefhebben, en de vrouwelijke deugden handhaven, en u heel veel wierook geven!” Is het niet lief en intiem, hoe dat beeldje een nieuwen geelzijden mantel aankrijgt, en op haar geboortedag een nieuwe hoed, o zoo mooi, met belletjes en kralen alshet kan, en hoe zij dan lekkere thee krijgt in kleine kopjes, en vruchtjes, en lotuspitten, om de essence der geuren in te ademen, en zich te goed te doen?En is het verder ook niet beminnelijk, dat de chinees zoo’n behoefte heeft, om alles wat hij in handen krijgt, een beetje mooi te hebben? Koop penseelen, of wierook, of papier in een winkel, en gij krijgt een keurig doosje, in geel papier, met vogels, of bloemen en draken. Zoo’n grauw zakje als om onze pakjes zit, is te grof voor den grofsten koelie.Vergelijk de in-ploerterigheid van een ridiculen hollandschen livereibediende (de scheiding in het midden), met mijn lampenkoelie in China, die statig op een stoel gaat staan, met een voornaam gebaar de slippen van zijn mouwen in de hoogte schuift, als een ridder zijn statiemantel, en zacht-gracieus met de deftige, spitse vingers een lamp optilt, of het een schaal gewijde olie ware! Ik heb eene collectie oude chineesche beelden, wonderen van kunst, waar een grove bourgeois „Brr! wat een leelijkerd! wat een model!” van zegt, terwijl die zelfde lampenkoelie—het is historisch—precies wist, welke de mooiste was, en waarom, hoe dit gezicht véél meer het stille, boeddha-achtige uitdrukte dan een ander, en mij wel eens op dingener in wees, die ik nog niet eens gezien had! Zoo iemand heeft ook gevoel voor bloemen en vogels, en voelt aan een porseleinen kopje met de handen, zelfs met dichte oogen, óf en waarom het fijner is dan een ander!Verder heeft hij veel meer gevoel voor de natuur dan men van hem zou denken. Een duf nufje in Holland zeide mij van de zee: „Hè, ik krijg er dorst van, laten we wat gaan drinken!”—Ik betrapte mijn ouden chineeschen leermeester er dikwijls op, dat hij op het hooge plateau van mijn huis op een groote rots, wel een uur lang over de bergen kon zien, over de zee, in de lucht, in de volmaaktste rust stilzittende.Ik begreep dit niet. Hij was een slecht mensch, een schobber, een bedrieger, als de anderen. Ik vroeg hem, waarom hij niet liever ging wandelen, of hem wat scheelde, waarom hij wel dacht en peinsde.„Om niets,” zeide hij, „ik denk om juist niets, dat is zoo prettig.”Toen ik verbaasd: „Maar wat doe je dan, wat moet je daar in de verte?”En hij kalm, en kortaf, als verveelde hem mijn gevraag: „Siao Iaô”!!! (zweven!)Dat is typeerend voor zoo’n chinees. Zweven!Zweven in horizonnen en verten, in mysterieën van hemel en lucht, deze ellendige chinees, die mij zoo bedroog!En toch is het zoo, toch is het mogelijk. De chinees houdt dol van de natuur. Dit is voor ons onbegrijpelijk. Maar de chinees is ook een mysterie, waar geen mensch ooit in doordringt, ook een andere chinees niet. Een chinees is een wereld apart. Hij heeft eene geheele, diepzinnige filosofie, waar hij een ander niet mede vermoeit, en waar hij zich onverstoorbaar in wegdroomt, als een slimme, spinnende kat in een veilig hoekje. Het helpt u niets of gij die al met stomme verbazing aan zit te kijken, en hem diepzinnige betoogen voororakelt. De imperturbabele poes knijpt de oogen even dicht, en snort kalmpjes verder. Nu komt dit ook wel voor een groot gedeelte hierdoor, dat een chinees geen zenuwen heeft, maar het is toch wel ferm en sterk, zoo’n vaste onverstoorbaarheid, en zoo’n kalmte.Laat ik toch vooral altijd om die liefheid en die kalmte denken, als ik weer tegen de chineezen uitvaar. Die kinderen, die primitieven, die halve dwazen, die zoo prozaïsch om centen grabbelen, en toch zoo poëtisch de haren tooien met witte tempelbloemen in de lente. Arme duivels, kromloopendeonder lasten, zwoegende in het zweet des aanschijns, hebben in dien tijd coquet een witte bloem, nonchalant in het zwarte haar! En na den vermoeienden dag lang als beesten gesjouwd te hebben, staan ze nog tot een, twee uur in den nacht in eerbiedige aandacht voor een tooneelvoorstelling te kijken om dan, dikwijls hand aan hand, naar huis te gaan, zingend een zacht-droef wijsje in den nacht! Menschen, millioenen, het overgroote deel van het volk, weten vandaag niet of zij morgen te eten zullen hebben, maar morren niet bizonder, luisteren als kinderen naar vertelseltjes, steken bloemen in het haar en gaan neurieënd, met luchten stap!En dan die sampan-roeiers voor het havenhoofd dicht bij mijn huis. Arme drommels, die dag aan dag tobben, meestal vechtend met zware golven en winden en daarmede, als het véél is, als maximum dertig cent verdienen, wat zagen zij er altijd vroolijk uit, en hoe lustig lachten zij! Hoe gezellig bakten zij samen hun vischje, ieder in zijn eigen schuitje en bereidden de natte rijst. Zij hadden geen huis dan hun broos schuitje—waar toch nog bloemen en plaatjes in waren—zij werkten en sliepen daarin, en wisten niet beter of het hoorde zoo. En hoe mooi speelde er eende fluit, hoe puur en teer klonken die tonen over het water ’s avonds, als ik stond te luisteren in mijn tuin aan de zee. Meestal speelde hij een eentonige, droeve melodie, onder het zachte golfgeklots, in het vage licht van den nacht, een oud, oud volkslied, waar de ziel van schreit.Somtijds heb ik wel zoo’n mensch willen zijn, eenvoudig en sterk, onwetend en onbewust, altijd levend op de zee, onder den hemel, de groote lucht indrinkend als een plant en zingend zonder te weten.Maar laat ik nu niet te véél goeds van de chineezen zeggen na zooveel kwaads. Laat de poëzie van den schoonen schijn mij niet verblinden, en vooral, laat de chinees het niet van mij merken. Want dan neemt hij mij diep-buigend, gracieus-gebarend bij den neus en leidt mij met lief gezang op gevaarlijke, al te mooie paden. En als hij weg is en vér nog wuift zijn prachtig zijden gewaad, merk ik, dat ik mijn porte-monnaie kwijt ben en te grazen ben genomen.

Nu moeten geleerde mannen mij alstjeblieft niet komen vertellen, dat ik onder den indruk van mijne voorafgaande jarenlange chineesche studie, wel wat theoretisch heb gezien, want zóó ver ben ik nuóókwel. Ik zou echter dezen keer alleen spreken van den schijn der chineezen, en hoe ik uit dien vagen schijn essentieele waarheden, de principes van den geheelen chineeschen volksaard, en de geheele chineesche zedenleer, zag opschemeren.

Lief is ook, om te zien, hoe reverent kinderen tegen ouders doen.

De oude vrouwen in China gaan, als oer-moeders uit den bijbel, met een hoogen staf, waar zij op steunen. Dikwijls rust dan de andere hand op den schouder van een klein kind. En dit op den grooten weg te zien is een aandoenlijk tafereel. De hooge, trotsche rotsen, de zachte, glooiende hellingen van bergen, de groote zee, de lichtblauwe hemel, en daaronder tegen een heuvel op, in de verte de silhouët van een oud vrouwtje op haar staf; geleid door een o, zoo bezorgd stappendkind. Hier voelt men de emotie bij van stukken uit het oude testament, en van die wonder-simpele, grandioze schilderijen van Millet, waarin het allergrootste zich in den allereenvoudigsten vorm openbaart.

Ik heb het al meer gezegd, dat de chineezen veel van kinderen hebben. Daarom zijn ze ook zoo dol op vertellen. Men kan in China elken dag, op vele punten van steden een verteller zien zitten, op een stoel. Daarvóór een paar ruwe houten banken, voor de meer deftigen, terwijl de arme chineezen staan, en een sjofel, maar zéér aandachtig en wel opgevoed publiek vormen. Ieder chinees is een genie in ’t vertellen. Hij heeft van de natuur die ongedwongen actie van gebaren, die bij ons de beste tooneelspelers nooit leeren. De verteller leeft mede met wat hij vertelt, beschrijft zielsaandoeningen met simpel-grootsche gebaren, en geeft geheele landschappen met bergen, zeeën en horizonnen aan met één kostbare handbeweging.Zijn gelaat kan verbeelden het aanzwellen van hartstochtelijken toorn, en kan glimlachen als een blond herderinnetje in Arcadia, die de zachte schapen weidt in de wei, en de zoete liefde in haar hart.—Ziet die schaar aandachtige luisteraars, arme koelies meestal, in de volmaaktste orde,zonder ooit de rust te verstoren, ziet hunne oogen en opgewonden gezichten, hoe ze zich-zelf de helden wanen, de glorieuse mandarijnen, in wijde zilver-en-goud gewaden, hoe ze zich zelf groote zwaarden zien voeren en draken en tijgers verslaan, voél die waarachtige, adorabele kinder-emotie in die armzalige, uitgesloofde, duistere menschen en gij zult begrijpen, hoe ik er toe kwam, van hetzelfde volk zoo te gaan houden, dat ik toch zoo verachten moet. Ik geloof ook werkelijk, dat die chineezen, als zij zoo in gespannen aandacht zijn, op dat oogenblik beter zijn dan anders. Zéér schoon en juist heeft deTimes-correspondent uit Tientsin geschreven: „theChineseare, after all, human at heart, if one can but penetrate through the pile of hereditary corruption which has covered up the divine spark”.

Deze sympathieke volzin, dien ik in de „Straits Times” las, stemt tot mijne vreugde overeen, met wat ik hoofdzakelijk zeide in mijn artikel in de „Soerabaija Courant” van 10 Januari ll., door den welwillenden redacteur van het „Bataviaasch Handelsblad” den 16en Januari in zijn geheel overgenomen.

Men kan noch mag de chineezen beoordeelen zonder in aanmerking te nemen de misère, waarin dit volk thans verkeert. En dan kan men het nogeen wonder noemen, dat het niet nog veel, veel slechter is. In het droevig duister van hun ignobel bestaan sluimeren nog steeds de aartsdeugden, zooals die in den bijbel met Gods Woord zijn gezegd. Maar nog niet klinkt de bazuinende stem van den Groote, die dit volk ter opstanding wekt, en de trage zielen begeestert met heilig geloof.

Met kanonnen en ironclads en perfide zendelingen krijgt men het niet gedaan. Het moet van zelf uit het volk opkomen, en met gebruik van zijn eigen middelen, de eigen religie en de eigen kunst. Zij hebben voor Jezus de Boeddha’s, die niet anders dan zoovele Jezussen zijn, en voor Maria Kwan-Yin, de Boeddha der genade.

Is het niet even lief en poëtisch als een katholieke vrouw voor haar Maria, de chineesche vrouw, die voor het mooie Kwan-Yinbeeldje knielt en zegt; „O Groote Liefde, groot Medelijden, Boddhissatwa van het Westen, laat mij toch veel kindertjes krijgen, ik zal rein en kuisch zijn, en mijne ouders liefhebben, en de vrouwelijke deugden handhaven, en u heel veel wierook geven!” Is het niet lief en intiem, hoe dat beeldje een nieuwen geelzijden mantel aankrijgt, en op haar geboortedag een nieuwe hoed, o zoo mooi, met belletjes en kralen alshet kan, en hoe zij dan lekkere thee krijgt in kleine kopjes, en vruchtjes, en lotuspitten, om de essence der geuren in te ademen, en zich te goed te doen?

En is het verder ook niet beminnelijk, dat de chinees zoo’n behoefte heeft, om alles wat hij in handen krijgt, een beetje mooi te hebben? Koop penseelen, of wierook, of papier in een winkel, en gij krijgt een keurig doosje, in geel papier, met vogels, of bloemen en draken. Zoo’n grauw zakje als om onze pakjes zit, is te grof voor den grofsten koelie.

Vergelijk de in-ploerterigheid van een ridiculen hollandschen livereibediende (de scheiding in het midden), met mijn lampenkoelie in China, die statig op een stoel gaat staan, met een voornaam gebaar de slippen van zijn mouwen in de hoogte schuift, als een ridder zijn statiemantel, en zacht-gracieus met de deftige, spitse vingers een lamp optilt, of het een schaal gewijde olie ware! Ik heb eene collectie oude chineesche beelden, wonderen van kunst, waar een grove bourgeois „Brr! wat een leelijkerd! wat een model!” van zegt, terwijl die zelfde lampenkoelie—het is historisch—precies wist, welke de mooiste was, en waarom, hoe dit gezicht véél meer het stille, boeddha-achtige uitdrukte dan een ander, en mij wel eens op dingener in wees, die ik nog niet eens gezien had! Zoo iemand heeft ook gevoel voor bloemen en vogels, en voelt aan een porseleinen kopje met de handen, zelfs met dichte oogen, óf en waarom het fijner is dan een ander!

Verder heeft hij veel meer gevoel voor de natuur dan men van hem zou denken. Een duf nufje in Holland zeide mij van de zee: „Hè, ik krijg er dorst van, laten we wat gaan drinken!”—Ik betrapte mijn ouden chineeschen leermeester er dikwijls op, dat hij op het hooge plateau van mijn huis op een groote rots, wel een uur lang over de bergen kon zien, over de zee, in de lucht, in de volmaaktste rust stilzittende.

Ik begreep dit niet. Hij was een slecht mensch, een schobber, een bedrieger, als de anderen. Ik vroeg hem, waarom hij niet liever ging wandelen, of hem wat scheelde, waarom hij wel dacht en peinsde.

„Om niets,” zeide hij, „ik denk om juist niets, dat is zoo prettig.”

Toen ik verbaasd: „Maar wat doe je dan, wat moet je daar in de verte?”

En hij kalm, en kortaf, als verveelde hem mijn gevraag: „Siao Iaô”!!! (zweven!)

Dat is typeerend voor zoo’n chinees. Zweven!Zweven in horizonnen en verten, in mysterieën van hemel en lucht, deze ellendige chinees, die mij zoo bedroog!

En toch is het zoo, toch is het mogelijk. De chinees houdt dol van de natuur. Dit is voor ons onbegrijpelijk. Maar de chinees is ook een mysterie, waar geen mensch ooit in doordringt, ook een andere chinees niet. Een chinees is een wereld apart. Hij heeft eene geheele, diepzinnige filosofie, waar hij een ander niet mede vermoeit, en waar hij zich onverstoorbaar in wegdroomt, als een slimme, spinnende kat in een veilig hoekje. Het helpt u niets of gij die al met stomme verbazing aan zit te kijken, en hem diepzinnige betoogen voororakelt. De imperturbabele poes knijpt de oogen even dicht, en snort kalmpjes verder. Nu komt dit ook wel voor een groot gedeelte hierdoor, dat een chinees geen zenuwen heeft, maar het is toch wel ferm en sterk, zoo’n vaste onverstoorbaarheid, en zoo’n kalmte.

Laat ik toch vooral altijd om die liefheid en die kalmte denken, als ik weer tegen de chineezen uitvaar. Die kinderen, die primitieven, die halve dwazen, die zoo prozaïsch om centen grabbelen, en toch zoo poëtisch de haren tooien met witte tempelbloemen in de lente. Arme duivels, kromloopendeonder lasten, zwoegende in het zweet des aanschijns, hebben in dien tijd coquet een witte bloem, nonchalant in het zwarte haar! En na den vermoeienden dag lang als beesten gesjouwd te hebben, staan ze nog tot een, twee uur in den nacht in eerbiedige aandacht voor een tooneelvoorstelling te kijken om dan, dikwijls hand aan hand, naar huis te gaan, zingend een zacht-droef wijsje in den nacht! Menschen, millioenen, het overgroote deel van het volk, weten vandaag niet of zij morgen te eten zullen hebben, maar morren niet bizonder, luisteren als kinderen naar vertelseltjes, steken bloemen in het haar en gaan neurieënd, met luchten stap!

En dan die sampan-roeiers voor het havenhoofd dicht bij mijn huis. Arme drommels, die dag aan dag tobben, meestal vechtend met zware golven en winden en daarmede, als het véél is, als maximum dertig cent verdienen, wat zagen zij er altijd vroolijk uit, en hoe lustig lachten zij! Hoe gezellig bakten zij samen hun vischje, ieder in zijn eigen schuitje en bereidden de natte rijst. Zij hadden geen huis dan hun broos schuitje—waar toch nog bloemen en plaatjes in waren—zij werkten en sliepen daarin, en wisten niet beter of het hoorde zoo. En hoe mooi speelde er eende fluit, hoe puur en teer klonken die tonen over het water ’s avonds, als ik stond te luisteren in mijn tuin aan de zee. Meestal speelde hij een eentonige, droeve melodie, onder het zachte golfgeklots, in het vage licht van den nacht, een oud, oud volkslied, waar de ziel van schreit.

Somtijds heb ik wel zoo’n mensch willen zijn, eenvoudig en sterk, onwetend en onbewust, altijd levend op de zee, onder den hemel, de groote lucht indrinkend als een plant en zingend zonder te weten.

Maar laat ik nu niet te véél goeds van de chineezen zeggen na zooveel kwaads. Laat de poëzie van den schoonen schijn mij niet verblinden, en vooral, laat de chinees het niet van mij merken. Want dan neemt hij mij diep-buigend, gracieus-gebarend bij den neus en leidt mij met lief gezang op gevaarlijke, al te mooie paden. En als hij weg is en vér nog wuift zijn prachtig zijden gewaad, merk ik, dat ik mijn porte-monnaie kwijt ben en te grazen ben genomen.

1Dit slaat op eenige artikelen tegen de chineesche handelaars in enkele indische bladen, stukken van minder literairen dan wel sociaal-politieken aard.↑2Fung Shui is de religieuse en astronomische ligging van een plaats. De leer van Fung Shui is een leer apart. Uitweiding zou te ver voeren.↑3De liefde en de reverentie van kind tot ouders, en omgekeerd.↑

1Dit slaat op eenige artikelen tegen de chineesche handelaars in enkele indische bladen, stukken van minder literairen dan wel sociaal-politieken aard.↑2Fung Shui is de religieuse en astronomische ligging van een plaats. De leer van Fung Shui is een leer apart. Uitweiding zou te ver voeren.↑3De liefde en de reverentie van kind tot ouders, en omgekeerd.↑

1Dit slaat op eenige artikelen tegen de chineesche handelaars in enkele indische bladen, stukken van minder literairen dan wel sociaal-politieken aard.↑

2Fung Shui is de religieuse en astronomische ligging van een plaats. De leer van Fung Shui is een leer apart. Uitweiding zou te ver voeren.↑

3De liefde en de reverentie van kind tot ouders, en omgekeerd.↑


Back to IndexNext