VAN EEN DOODEN MANDARIJN.Ik was uitgenoodigd om het Werk der Deugd te komen zien, bij de familie Ngô̱ Ts’un P’o. De admiraal Ngô Tai Dzîn was gestorven, ongeveer twee maanden geleden.Zijne zeven levensgeesten zijn toen verspreid, uit het lijk in de lucht gestegen, zijne twee zielen opgegaan naar de achttien hellen, zijne derde ziel is nog zwevende in het voorvaderlijk huis, boven de rouwende hoofden der zonen.En nu was de tijd aangebroken, waarop de kinderen en kleinkinderen van den doode door goede werken en offeringen en gebeden de zielen van hun familiehoofd uit de hellen verlossen, enals ééne ziel overvoeren naar de gewesten der gelukzalige boeddha’s en geesten.Voor de poort van het groote Chineesche huis wachtte de beste vriend van den doode mij op. Hij is een militair mandarijn van hoogen rang, maar als een eenvoudig man uit het volk stond hij voor mij, in grove kleeren, zonder eenig teeken van zijne waardigheid. De smart over het verlies van zijn vriend het àlregeerend sentiment in zijn leven zijnde, mag nu geen praal van buiten zijn eigen roem en grootheid zeggen. Hij moet zijn in zijn smart eenvoudig, en een nederig man.Hij geleidde mij door een voorplein naar de ontvangkamer van het huis. Een kleine zaal, licht gemaakt door kleuren. Aan de wanden lange, breede lappen zijde, een pracht van rood, en groen, en rose en blauw, in alle tinten, van intense passie-kleur tot effene teederheid, waarin zwarte karakters, gevat in gouden rand. Deze karakters zeggen den roem des dooden, en de vriendschap der gevers. Al deze zijden kostbaarheden zijn geschenken van vrienden, en kleuren het groote gevoel van liefde om de menschen, die rouwen, als een troost voor de oogen, die in weening zijn geweest.Ernstig worden de Chineesche woordkarakters daarin aangezien, als méér dan doode schriftteekens, als zelf heilige symbolen, en mystieke kostbaarheden.1Ik groette, en boog diep voor de neigende Chineezen in de ontvangkamer. Het waren vrienden en kennissen, die het Werk der Deugd kwamen bijwonen. Maar ik zag ze niet goed afzonderlijk, door de ontroering van zooveel kleuren, waaraan mijne oogen niet gewoon waren. Ik zag zacht neêrgaande kleuren, lange blauwe gewaden, en wuiving van fijne zijde. Ik liet mijne oogen zoet zich laven aan de oostersche pracht, en sprak diepneigende woorden van eerbied en deelneming. Het zangerige Chineesch is mooi van geluid en gepast aan de omgeving van glanzend licht.Daarna voerde mijn gastheer mij mede naar eene groote zaal, de ceremoniezaal, waar het altaarstaat met de huisgoden. Bij het binnentreden zag ik dat het er vol was van honderden menschen. Het was er donker-licht als in een kerk. Vóór mij, heel in het achtergedeelte zag ik kaarsen branden, en lilalicht in lotus-lampen van zilver. Dat was als blanke lotussen, waardoor een gloed droomde van mystiek paars.Wij gingen langzaam door de menigte, die uitweek voor den mij begeleidenden mandarijn. Wij kwamen voor eene tafel, waarop dingen van offering stonden. In het licht van zilveren lampen en roode kaarsen stonden groote schotels met wild en gebraad. Kommen met fijne rijst en groenten, kopjes thee, en bloemkelken van zilver voor den wijn, met lange, slanke kannen, rijk geornamenteerd. Dit was de zaal, waar de lijkbaar stond. Een ziel van den doode was er zwevende. Zij feest onzichtbaar aan de rijke offeringen, en geniet aetherisch van de essence en de geuren, die daarvan opgaan. De ziel wordt dan gedacht te zijn zacht-lachende om de deugd der zonen, en te zien de liefde der rouwenden, in stil zalig zijn.Om de tafel hing een rood zijden kleed, versierd met gouden vogels, pheniksen met lange, gracieuse staarten. En achter in het allerdiepste van de zaal stond de doodkist met het lijk. Om mijheen stonden stille gestalten, in vaal geel gewaad. Ik was, door eene bijzondere gunst van mijn gastheer, vlak bij de vrouwen en dochters van den doode geplaatst, een voorrecht zooals alleen een heel intiem vriend mag genieten. Zij waren als nonnen gekleed, in grof linnen, en met wijde kappen om het hoofd.Toen begon ik, eenmaal rustig zittende, aandachtig om mij heen te zien. En ik zag een geheele wereld van wezens blinkende in de lucht. Over mij, boven den ingang, en den geheelen, grooten wand langs, waren tallooze poppen gehangen. In het eerst moeilijk te zien, door de fonkeling en warreling der kleuren; maar langzamerhand begon ik ze te onderscheiden als een stoet van regelmatig schrijdende menschen, in optocht. Het waren soldaten, gelijkmatig stappend, met de lansen op hunne schouders, evenwijdig, het waren herauten, en pijpers, waaierdragers, en koelies, dragende schatten en huisraad. Allen schitterend van goud en zilver, eene pompeuze processie. Deze prachtige optocht symboliseert de tocht van de doode ziel naar de hemelen. Het is het gevolg van de rijzende ziel, en moet haar plechtig uitgeleide doen, zooals het een hoog mandarijn toekomt. Vóór hen uit was een grooter beeld, een mensch,die naar een brug schrijdt. Dit was de doode mandarijn. En boven de brug, die van de aarde naar de hemelen reikt, zijn de gewesten der gelukzaligen, de regionen waar de reine zielen heengaan, om in rust te leven met de goden.Dáár prijkt het beeld van Kwan-Yin, de beschermster van China, de Maria van het Oosten. De zacht neêrziende op het leed der wereld, in genade en zoet medelijden. Kwan-Yin, de zacht-schrijdende, de neigende in liefde. Zij is geïncarneerd als eene Maagd, uit eene koningsvrouw werd zij geboren. Zij is de zoete martelares, de altijd zachte in vervolging, die slavenwerk deed met edele koningshanden, en het Woord verspreidde onder het duistere volk. Zij is de zegevierende op den brandstapel en pijnloos herrezene uit de vlammen, ongedeerd en gaaf als een lichte lotus. Zij voerde hare ouders en zusters mede, in den immensen zwaai van haar heilig ópgaan; geleidde ze voort op het pad naar Nîrwana, het hoog-mystieke, rustig-bewuste, waar álle menschengedachten ver van blijven. Zij is de Groote Genade, de Liefde-Boeddha, die eeuwiglijk licht schijnt op het zware pad naar Nîrwana, der menschheid ten zegen. En de Goeden onder de menschen maakten haar beeld, in reverentie. Zij gaat met kuischen gang, in deheiligheid van stille gewade-plooien, ongenaakbaar rein in de strenge lijnen die haar ombidden. Haar lichte gewaad wuift de lucht achter haar, zachtkens. Een sluier omgaat haar hoofd, en vouwt het als een zoet mysterie in vrome plooien. Hare handen over elkaar in een gebaar van wijze prediking, eindeloos zacht, dat hare Leer geluidloos zegt, in essence. Zij is de neigende Wijsheid, de reddende, die tot de menschen daalde, zacht en ontzaglijk.Dáár troont ook het beeld van Ma Too Po, de uit het water herrezene, de uit een bloem geborene. De wijze Liefde, rijzende uit den Lotus. Hare voeten raken de aarde niet; haar dragen de blanke bladen. Zij was de op aarde vervolgde, de reine Maagd, die de Wijsheid zocht, en niet den Lust, de wreed in zee verdronkene, door geweld, de daar óngedeerde, de blank in water gezetene, roerloos peinzende over de Leer. Om haar hoofd reide een krans van schelpen, in zachten glans van parelmoer. Toen de tijden beter werden, in de wenteling der eeuwen, is zij weêr gekomen uit de zee, en rein herrezen in den Lotus; de blanke bladen dragen haar, als reinheid de liefde draagt. Zij had jaren gezeten onder de groot-bewegende zee, zélf roerloos, naar Wijsheid starende onder het eindeloos golfgezang, stil en liefelijk, in reinerust. In den lotus herrezen bleef de parelenkrans om haar zweven, en zij zat met de voeten gevouwen, met de handen opgeheven tot een subliem gebaar, dat de wijsheid symboliseert van de Leer. Hare borst toont het heilig teekenSwastika.Bān, het symbool van het Eeuwige, en hare ziel is in de intenze meditatie puur omhoog gerezen, en schittert in haar voorhoofd als de Ziele-Parel, de essence van haar wezen, rein als de dauwdrop, die in een lotus beeft. Zij zit de eerste boven de rijzende brug, stil in de bloemebladen, en in den glans van parelmoer. Haar omgeven alle boeddha’s en onsterfelijke geesten. De achttien Lô-Hàns-Arhats rijen zich in twee scharen in de gelukzalige gewesten. Zij waren alle ééns eenvoudige menschen op aarde, die hunne ziel verreinden tot zij rustig vergleden in Nîrwana2, als bloemen in een stillen oceaan.Daaronder is Tiong-Ló, de zachte slachter, die levende beesten had gedood in zijn beroep, totdat zijne zonden waadden in meeren bloed, en het berouw zich verroerde in zijne duistere ziel. Hij was toen een laag mensch uit het volk, een slachter. Hij zwoer, géén bloed meer te vergieten en geen vleesch meer te eten, begroef zijn slachtmes, diep in het zand, zocht het weder op, bang dat een ander het zou vinden en er zonde mede doen. Hij verborg het op de bergen, in kloven, in rotsholen. Zijn leven werd één wondere angst, dat het mes weer zonde zou doen, totdat hij heteindelijk begroef in zijn eigen hart, uit boete en liefde. En dit berouw verreinde zijne ziel, die in Nîrwana vergleed, zooals een lucht wolkje wegdroomt in het eindelooze, stille hemelblauw.Dáár is ook Bók-Liên, die zijne moeder redde uit de achttien hellen. Zij had de reinheid geschonden van achttien geslachten, die geen vleesch hadden geproefd, maar alleen de zachte planten. Toen zij, door ziekte verleid, het vleesch der zonde at, werd zij gedoemd tot dood en hel. Maar Bok-Liên, haar zoon, toog uit om haar te redden, en volgde Kwan-Yin’s zachtwuivend gewaad, dat hem leidde. Vrijwillig schreed hij door de hellen, handen gevouwen, en het vuur week weg voor zijne heiligheid. Hij redde zijne moeder door de kracht van zijne liefde, en Kwan-Yin neeg zich tot hem, de genadige, en voerde hem over naar Nîrwana, zooals een vlam een zoete geur medevoert in de lucht.3En zestien anderen, even heilig, even recht in hun bewegen, hunne levens evenwijdig gericht naar het groote Nîrwana, waarin alles verdroomt …En al deze pracht van goud, van zilver, en kleuren, daar aan den wand vóór mij, is pure symboliek, van diepe beteekenis. De Chineesche geloovigen denken, dat in al deze poppen door een mirakel de wezens tijdelijk geïncarneerd zijn, die zij voorstellen. Het gevolg van den mandarijn bestaat uit hellegeesten, die hem uit de hellen moeten geleiden naar de hemelen.Om twee uur in den nacht wordt al deze rijkdom verbrand, buiten op het voorplein. Al de honderden beeldjes aan de wanden, en ook de dingen, die nog buiten staan. Dáár is nog een groot, hoog huis van papier, met knechten, en dieren, en huisraad. Een paleis van zijde en goud papier, dat in de verbranding ten hemel stijgt, door een mirakel. Er staan nog honderd koffers met papier, dat in de vlammen goud wordt, honderd levensgroote poppen, in fijne zijde, die den doode moeten volgen, en een dienaar houdt zijn levensgroot strijdros bij den teugel, een witten hengst. ’s Nachts zal er een festijn van licht zijn, ál de pracht zal opgaan naar de hemelen, en in dien laaienden brand wordt het symbool tot waarheid. De honderden beeldjes worden tot onzichtbare geesten, en zijn een statige stoet achter den doode. De ziel is uit de hellen getreden, en schrijdtplechtig door de eindeloosheid, met het blinkende gevolg van dienaren, als een waaiende sleep achter zich aan.…Ik luisterde in gespannen aandacht naar den ouden mandarijn, die mij deze dingen uitlegde, toen een schaar priesters in pompeuze kleederen aanschreden. Zij waren in donkerzwarte gewaden van zijde, met randen van gouden lotussen bewerkt. Deze gewaden heeten„Ka See” (sanoka kashyapa). Hier en daar in het zwart van hun gewaad fonkelde een gouden beeldje van Kwan-Yin. Deze priesters moeten de ziel uit de hellen roepen door hunne gezangen en invocaties. Op mystieke muziek glijdt de ziel van den doode zachtjes in de eindeloosheid.Alles was nu stil in de zaal. Er was een gedempt licht van donkerroode kleur, waarin het goud aan de wanden vreemd glansde. En achter in het donker blonken vonkjes van wierookstokjes, waaruit een klein wolkje opsteeg. De gebeden der priesteren gingen nu langzaam op in de stilte, met zachten rhythmus van monotoon gezang. Litanieën, veel gelijkend op de bijna niet bewegende, immens rustige muziek van een oud-gregoriaanschen lijkzang. Mysterieus golven van geluid, wijd-ademend, als een zee, die naar de kim deint. Melodieënwendingen,eenvoudig en ontzaglijk als de simpele lijnen om een oud Boeddha-beeld. Somtijds klonk daarin een zacht-zilveren belleklankje, alsof de pure Godheid even bewoog.Een gezang, waarop een verloste ziel wonder-rustig verglijden kan, als een zachte veer op stille winden.…Toen ben ik heen gegaan, onder eene emotie van almachtig schoon, zooals er maar weinigen mij zijn gegeven.’s Nachts, op het eilandje Ku Lang Soo, tegenover Amoy, waar de Europeesche kolonie is, stond ik aan de zee. Ik wachtte, en zag in het donker, waar geen ster was te zien. De zee sloeg rusteloos op de rotsen.En opeens vlamde in den nacht een roode gloed, een hoog uitslaan van vuur. Lange kolommen rook stegen op, in gigantische plooien, rijzende luchtgewaden, zacht waaiende in het ijle, en weer wègwuivend in den nacht. Duizenden sterren schoten op van de aarde, en rezen omhoog, als zielen. Ik stond in den glans van groote vlammen.Daar ging de doode mandarijn. Heilige tochtvan eene ziel naar de paleizen der wijsheid, de regionen van reine rust. De nacht brak open, en duizenden roode vlammengestalten schreden aan, in glorieuse processiën. Een roode glans viel er van op de zee, en ik zag de golven, bloedkleurig, gaande rusteloos en vér.De doode mandarijn ging hóóg boven de wilde zee, naar het stille Nîrwana.Hij ging naar Ma Too Po, de uit een bloem geborene, naar Kwan-Yin, de neigende, zacht en ontzaglijk.…1De Chineesche karakters worden werkelijk beschouwd als iets heiligs. Geen beschreven papier mag worden weggeworpen. Het mag alleen worden verbrand, want dan wordt het veranderd in heilig vuur, dat naar de Geesten opstijgt. In een stukje in het internationaal orientalistiesche tijdschrift „T’oung Pao” 4e Jaarg. No. 5 (Redactie Prof. Schlegel en Prof. Cordier te Parijs) heb ik deze vereering van de Chineezen voor al het geschrevene uitgedrukt door „C’est comme le Verbe qu’ils vénèrent dans leurs caractères.”↑2Men houde toch vooral niet Nîrwana voor eene uitdooving en brute, onzinnige vernietiging van Leven tot Niets. Van géén mystiek woord is zooveel misbruik gemaakt als van Nîrwana. Zelfs een eminent schrijver als Couperus gebruikt het op vele plaatsen verkeerd (in „Eline Vere”). Nîrwana is niet te definieeren, evenmin als het begrip God, omdat het iets is boven alle idee en vergelijking.Het zou eenigszins—maar zeer vaag en onvolkomen—weer te geven zijn als de Al-Ziel der wereld, waartoe alles kan teruggebracht worden, en dit is rustig en stil, en eindeloos, en het eenig Reëele. Maar alle woorden blijven er ver van, evenals alle begrippen ver van God blijven …Dat de menschen, die zich Nîrwana niet konden voorstellen, zich zelve een soort van hemel zijn gaan verbeelden, met de boeddha’s als bevolking, en van buitensporige pracht, is verkeerd en absoluut in strijd met het essentieele boeddhisme, maar overigens verklaarbaar evenals de traditioneele met poorten omringde en met muziekmakende engelen bevolkte hemel der burgerluidjes in strijd is met Jezus’ leer. Men moet vooral geen puur boeddhisme uit dit stukje willen halen. De figuren van Kwan-Yin en Saam-Poo-Hoet, en de Lôhàns zijn echte boeddhistische, maar zij zijn natuurlijk verkeerd gebruikt in deze Chineesche voorstelling van den hemel, hoe grootsch artistiek die overigens ook is.↑3Ló-Hàn is het Chineesche woord voor Arhats, adepten (ongeveer hetzelfde als Mahatma’s). Uitweiding is hier misplaatst en zou te ver voeren.↑AanFREDERIK VAN EEDENIN REVERENTIE EN VRIENDSCHAP.
VAN EEN DOODEN MANDARIJN.Ik was uitgenoodigd om het Werk der Deugd te komen zien, bij de familie Ngô̱ Ts’un P’o. De admiraal Ngô Tai Dzîn was gestorven, ongeveer twee maanden geleden.Zijne zeven levensgeesten zijn toen verspreid, uit het lijk in de lucht gestegen, zijne twee zielen opgegaan naar de achttien hellen, zijne derde ziel is nog zwevende in het voorvaderlijk huis, boven de rouwende hoofden der zonen.En nu was de tijd aangebroken, waarop de kinderen en kleinkinderen van den doode door goede werken en offeringen en gebeden de zielen van hun familiehoofd uit de hellen verlossen, enals ééne ziel overvoeren naar de gewesten der gelukzalige boeddha’s en geesten.Voor de poort van het groote Chineesche huis wachtte de beste vriend van den doode mij op. Hij is een militair mandarijn van hoogen rang, maar als een eenvoudig man uit het volk stond hij voor mij, in grove kleeren, zonder eenig teeken van zijne waardigheid. De smart over het verlies van zijn vriend het àlregeerend sentiment in zijn leven zijnde, mag nu geen praal van buiten zijn eigen roem en grootheid zeggen. Hij moet zijn in zijn smart eenvoudig, en een nederig man.Hij geleidde mij door een voorplein naar de ontvangkamer van het huis. Een kleine zaal, licht gemaakt door kleuren. Aan de wanden lange, breede lappen zijde, een pracht van rood, en groen, en rose en blauw, in alle tinten, van intense passie-kleur tot effene teederheid, waarin zwarte karakters, gevat in gouden rand. Deze karakters zeggen den roem des dooden, en de vriendschap der gevers. Al deze zijden kostbaarheden zijn geschenken van vrienden, en kleuren het groote gevoel van liefde om de menschen, die rouwen, als een troost voor de oogen, die in weening zijn geweest.Ernstig worden de Chineesche woordkarakters daarin aangezien, als méér dan doode schriftteekens, als zelf heilige symbolen, en mystieke kostbaarheden.1Ik groette, en boog diep voor de neigende Chineezen in de ontvangkamer. Het waren vrienden en kennissen, die het Werk der Deugd kwamen bijwonen. Maar ik zag ze niet goed afzonderlijk, door de ontroering van zooveel kleuren, waaraan mijne oogen niet gewoon waren. Ik zag zacht neêrgaande kleuren, lange blauwe gewaden, en wuiving van fijne zijde. Ik liet mijne oogen zoet zich laven aan de oostersche pracht, en sprak diepneigende woorden van eerbied en deelneming. Het zangerige Chineesch is mooi van geluid en gepast aan de omgeving van glanzend licht.Daarna voerde mijn gastheer mij mede naar eene groote zaal, de ceremoniezaal, waar het altaarstaat met de huisgoden. Bij het binnentreden zag ik dat het er vol was van honderden menschen. Het was er donker-licht als in een kerk. Vóór mij, heel in het achtergedeelte zag ik kaarsen branden, en lilalicht in lotus-lampen van zilver. Dat was als blanke lotussen, waardoor een gloed droomde van mystiek paars.Wij gingen langzaam door de menigte, die uitweek voor den mij begeleidenden mandarijn. Wij kwamen voor eene tafel, waarop dingen van offering stonden. In het licht van zilveren lampen en roode kaarsen stonden groote schotels met wild en gebraad. Kommen met fijne rijst en groenten, kopjes thee, en bloemkelken van zilver voor den wijn, met lange, slanke kannen, rijk geornamenteerd. Dit was de zaal, waar de lijkbaar stond. Een ziel van den doode was er zwevende. Zij feest onzichtbaar aan de rijke offeringen, en geniet aetherisch van de essence en de geuren, die daarvan opgaan. De ziel wordt dan gedacht te zijn zacht-lachende om de deugd der zonen, en te zien de liefde der rouwenden, in stil zalig zijn.Om de tafel hing een rood zijden kleed, versierd met gouden vogels, pheniksen met lange, gracieuse staarten. En achter in het allerdiepste van de zaal stond de doodkist met het lijk. Om mijheen stonden stille gestalten, in vaal geel gewaad. Ik was, door eene bijzondere gunst van mijn gastheer, vlak bij de vrouwen en dochters van den doode geplaatst, een voorrecht zooals alleen een heel intiem vriend mag genieten. Zij waren als nonnen gekleed, in grof linnen, en met wijde kappen om het hoofd.Toen begon ik, eenmaal rustig zittende, aandachtig om mij heen te zien. En ik zag een geheele wereld van wezens blinkende in de lucht. Over mij, boven den ingang, en den geheelen, grooten wand langs, waren tallooze poppen gehangen. In het eerst moeilijk te zien, door de fonkeling en warreling der kleuren; maar langzamerhand begon ik ze te onderscheiden als een stoet van regelmatig schrijdende menschen, in optocht. Het waren soldaten, gelijkmatig stappend, met de lansen op hunne schouders, evenwijdig, het waren herauten, en pijpers, waaierdragers, en koelies, dragende schatten en huisraad. Allen schitterend van goud en zilver, eene pompeuze processie. Deze prachtige optocht symboliseert de tocht van de doode ziel naar de hemelen. Het is het gevolg van de rijzende ziel, en moet haar plechtig uitgeleide doen, zooals het een hoog mandarijn toekomt. Vóór hen uit was een grooter beeld, een mensch,die naar een brug schrijdt. Dit was de doode mandarijn. En boven de brug, die van de aarde naar de hemelen reikt, zijn de gewesten der gelukzaligen, de regionen waar de reine zielen heengaan, om in rust te leven met de goden.Dáár prijkt het beeld van Kwan-Yin, de beschermster van China, de Maria van het Oosten. De zacht neêrziende op het leed der wereld, in genade en zoet medelijden. Kwan-Yin, de zacht-schrijdende, de neigende in liefde. Zij is geïncarneerd als eene Maagd, uit eene koningsvrouw werd zij geboren. Zij is de zoete martelares, de altijd zachte in vervolging, die slavenwerk deed met edele koningshanden, en het Woord verspreidde onder het duistere volk. Zij is de zegevierende op den brandstapel en pijnloos herrezene uit de vlammen, ongedeerd en gaaf als een lichte lotus. Zij voerde hare ouders en zusters mede, in den immensen zwaai van haar heilig ópgaan; geleidde ze voort op het pad naar Nîrwana, het hoog-mystieke, rustig-bewuste, waar álle menschengedachten ver van blijven. Zij is de Groote Genade, de Liefde-Boeddha, die eeuwiglijk licht schijnt op het zware pad naar Nîrwana, der menschheid ten zegen. En de Goeden onder de menschen maakten haar beeld, in reverentie. Zij gaat met kuischen gang, in deheiligheid van stille gewade-plooien, ongenaakbaar rein in de strenge lijnen die haar ombidden. Haar lichte gewaad wuift de lucht achter haar, zachtkens. Een sluier omgaat haar hoofd, en vouwt het als een zoet mysterie in vrome plooien. Hare handen over elkaar in een gebaar van wijze prediking, eindeloos zacht, dat hare Leer geluidloos zegt, in essence. Zij is de neigende Wijsheid, de reddende, die tot de menschen daalde, zacht en ontzaglijk.Dáár troont ook het beeld van Ma Too Po, de uit het water herrezene, de uit een bloem geborene. De wijze Liefde, rijzende uit den Lotus. Hare voeten raken de aarde niet; haar dragen de blanke bladen. Zij was de op aarde vervolgde, de reine Maagd, die de Wijsheid zocht, en niet den Lust, de wreed in zee verdronkene, door geweld, de daar óngedeerde, de blank in water gezetene, roerloos peinzende over de Leer. Om haar hoofd reide een krans van schelpen, in zachten glans van parelmoer. Toen de tijden beter werden, in de wenteling der eeuwen, is zij weêr gekomen uit de zee, en rein herrezen in den Lotus; de blanke bladen dragen haar, als reinheid de liefde draagt. Zij had jaren gezeten onder de groot-bewegende zee, zélf roerloos, naar Wijsheid starende onder het eindeloos golfgezang, stil en liefelijk, in reinerust. In den lotus herrezen bleef de parelenkrans om haar zweven, en zij zat met de voeten gevouwen, met de handen opgeheven tot een subliem gebaar, dat de wijsheid symboliseert van de Leer. Hare borst toont het heilig teekenSwastika.Bān, het symbool van het Eeuwige, en hare ziel is in de intenze meditatie puur omhoog gerezen, en schittert in haar voorhoofd als de Ziele-Parel, de essence van haar wezen, rein als de dauwdrop, die in een lotus beeft. Zij zit de eerste boven de rijzende brug, stil in de bloemebladen, en in den glans van parelmoer. Haar omgeven alle boeddha’s en onsterfelijke geesten. De achttien Lô-Hàns-Arhats rijen zich in twee scharen in de gelukzalige gewesten. Zij waren alle ééns eenvoudige menschen op aarde, die hunne ziel verreinden tot zij rustig vergleden in Nîrwana2, als bloemen in een stillen oceaan.Daaronder is Tiong-Ló, de zachte slachter, die levende beesten had gedood in zijn beroep, totdat zijne zonden waadden in meeren bloed, en het berouw zich verroerde in zijne duistere ziel. Hij was toen een laag mensch uit het volk, een slachter. Hij zwoer, géén bloed meer te vergieten en geen vleesch meer te eten, begroef zijn slachtmes, diep in het zand, zocht het weder op, bang dat een ander het zou vinden en er zonde mede doen. Hij verborg het op de bergen, in kloven, in rotsholen. Zijn leven werd één wondere angst, dat het mes weer zonde zou doen, totdat hij heteindelijk begroef in zijn eigen hart, uit boete en liefde. En dit berouw verreinde zijne ziel, die in Nîrwana vergleed, zooals een lucht wolkje wegdroomt in het eindelooze, stille hemelblauw.Dáár is ook Bók-Liên, die zijne moeder redde uit de achttien hellen. Zij had de reinheid geschonden van achttien geslachten, die geen vleesch hadden geproefd, maar alleen de zachte planten. Toen zij, door ziekte verleid, het vleesch der zonde at, werd zij gedoemd tot dood en hel. Maar Bok-Liên, haar zoon, toog uit om haar te redden, en volgde Kwan-Yin’s zachtwuivend gewaad, dat hem leidde. Vrijwillig schreed hij door de hellen, handen gevouwen, en het vuur week weg voor zijne heiligheid. Hij redde zijne moeder door de kracht van zijne liefde, en Kwan-Yin neeg zich tot hem, de genadige, en voerde hem over naar Nîrwana, zooals een vlam een zoete geur medevoert in de lucht.3En zestien anderen, even heilig, even recht in hun bewegen, hunne levens evenwijdig gericht naar het groote Nîrwana, waarin alles verdroomt …En al deze pracht van goud, van zilver, en kleuren, daar aan den wand vóór mij, is pure symboliek, van diepe beteekenis. De Chineesche geloovigen denken, dat in al deze poppen door een mirakel de wezens tijdelijk geïncarneerd zijn, die zij voorstellen. Het gevolg van den mandarijn bestaat uit hellegeesten, die hem uit de hellen moeten geleiden naar de hemelen.Om twee uur in den nacht wordt al deze rijkdom verbrand, buiten op het voorplein. Al de honderden beeldjes aan de wanden, en ook de dingen, die nog buiten staan. Dáár is nog een groot, hoog huis van papier, met knechten, en dieren, en huisraad. Een paleis van zijde en goud papier, dat in de verbranding ten hemel stijgt, door een mirakel. Er staan nog honderd koffers met papier, dat in de vlammen goud wordt, honderd levensgroote poppen, in fijne zijde, die den doode moeten volgen, en een dienaar houdt zijn levensgroot strijdros bij den teugel, een witten hengst. ’s Nachts zal er een festijn van licht zijn, ál de pracht zal opgaan naar de hemelen, en in dien laaienden brand wordt het symbool tot waarheid. De honderden beeldjes worden tot onzichtbare geesten, en zijn een statige stoet achter den doode. De ziel is uit de hellen getreden, en schrijdtplechtig door de eindeloosheid, met het blinkende gevolg van dienaren, als een waaiende sleep achter zich aan.…Ik luisterde in gespannen aandacht naar den ouden mandarijn, die mij deze dingen uitlegde, toen een schaar priesters in pompeuze kleederen aanschreden. Zij waren in donkerzwarte gewaden van zijde, met randen van gouden lotussen bewerkt. Deze gewaden heeten„Ka See” (sanoka kashyapa). Hier en daar in het zwart van hun gewaad fonkelde een gouden beeldje van Kwan-Yin. Deze priesters moeten de ziel uit de hellen roepen door hunne gezangen en invocaties. Op mystieke muziek glijdt de ziel van den doode zachtjes in de eindeloosheid.Alles was nu stil in de zaal. Er was een gedempt licht van donkerroode kleur, waarin het goud aan de wanden vreemd glansde. En achter in het donker blonken vonkjes van wierookstokjes, waaruit een klein wolkje opsteeg. De gebeden der priesteren gingen nu langzaam op in de stilte, met zachten rhythmus van monotoon gezang. Litanieën, veel gelijkend op de bijna niet bewegende, immens rustige muziek van een oud-gregoriaanschen lijkzang. Mysterieus golven van geluid, wijd-ademend, als een zee, die naar de kim deint. Melodieënwendingen,eenvoudig en ontzaglijk als de simpele lijnen om een oud Boeddha-beeld. Somtijds klonk daarin een zacht-zilveren belleklankje, alsof de pure Godheid even bewoog.Een gezang, waarop een verloste ziel wonder-rustig verglijden kan, als een zachte veer op stille winden.…Toen ben ik heen gegaan, onder eene emotie van almachtig schoon, zooals er maar weinigen mij zijn gegeven.’s Nachts, op het eilandje Ku Lang Soo, tegenover Amoy, waar de Europeesche kolonie is, stond ik aan de zee. Ik wachtte, en zag in het donker, waar geen ster was te zien. De zee sloeg rusteloos op de rotsen.En opeens vlamde in den nacht een roode gloed, een hoog uitslaan van vuur. Lange kolommen rook stegen op, in gigantische plooien, rijzende luchtgewaden, zacht waaiende in het ijle, en weer wègwuivend in den nacht. Duizenden sterren schoten op van de aarde, en rezen omhoog, als zielen. Ik stond in den glans van groote vlammen.Daar ging de doode mandarijn. Heilige tochtvan eene ziel naar de paleizen der wijsheid, de regionen van reine rust. De nacht brak open, en duizenden roode vlammengestalten schreden aan, in glorieuse processiën. Een roode glans viel er van op de zee, en ik zag de golven, bloedkleurig, gaande rusteloos en vér.De doode mandarijn ging hóóg boven de wilde zee, naar het stille Nîrwana.Hij ging naar Ma Too Po, de uit een bloem geborene, naar Kwan-Yin, de neigende, zacht en ontzaglijk.…1De Chineesche karakters worden werkelijk beschouwd als iets heiligs. Geen beschreven papier mag worden weggeworpen. Het mag alleen worden verbrand, want dan wordt het veranderd in heilig vuur, dat naar de Geesten opstijgt. In een stukje in het internationaal orientalistiesche tijdschrift „T’oung Pao” 4e Jaarg. No. 5 (Redactie Prof. Schlegel en Prof. Cordier te Parijs) heb ik deze vereering van de Chineezen voor al het geschrevene uitgedrukt door „C’est comme le Verbe qu’ils vénèrent dans leurs caractères.”↑2Men houde toch vooral niet Nîrwana voor eene uitdooving en brute, onzinnige vernietiging van Leven tot Niets. Van géén mystiek woord is zooveel misbruik gemaakt als van Nîrwana. Zelfs een eminent schrijver als Couperus gebruikt het op vele plaatsen verkeerd (in „Eline Vere”). Nîrwana is niet te definieeren, evenmin als het begrip God, omdat het iets is boven alle idee en vergelijking.Het zou eenigszins—maar zeer vaag en onvolkomen—weer te geven zijn als de Al-Ziel der wereld, waartoe alles kan teruggebracht worden, en dit is rustig en stil, en eindeloos, en het eenig Reëele. Maar alle woorden blijven er ver van, evenals alle begrippen ver van God blijven …Dat de menschen, die zich Nîrwana niet konden voorstellen, zich zelve een soort van hemel zijn gaan verbeelden, met de boeddha’s als bevolking, en van buitensporige pracht, is verkeerd en absoluut in strijd met het essentieele boeddhisme, maar overigens verklaarbaar evenals de traditioneele met poorten omringde en met muziekmakende engelen bevolkte hemel der burgerluidjes in strijd is met Jezus’ leer. Men moet vooral geen puur boeddhisme uit dit stukje willen halen. De figuren van Kwan-Yin en Saam-Poo-Hoet, en de Lôhàns zijn echte boeddhistische, maar zij zijn natuurlijk verkeerd gebruikt in deze Chineesche voorstelling van den hemel, hoe grootsch artistiek die overigens ook is.↑3Ló-Hàn is het Chineesche woord voor Arhats, adepten (ongeveer hetzelfde als Mahatma’s). Uitweiding is hier misplaatst en zou te ver voeren.↑
VAN EEN DOODEN MANDARIJN.
Ik was uitgenoodigd om het Werk der Deugd te komen zien, bij de familie Ngô̱ Ts’un P’o. De admiraal Ngô Tai Dzîn was gestorven, ongeveer twee maanden geleden.Zijne zeven levensgeesten zijn toen verspreid, uit het lijk in de lucht gestegen, zijne twee zielen opgegaan naar de achttien hellen, zijne derde ziel is nog zwevende in het voorvaderlijk huis, boven de rouwende hoofden der zonen.En nu was de tijd aangebroken, waarop de kinderen en kleinkinderen van den doode door goede werken en offeringen en gebeden de zielen van hun familiehoofd uit de hellen verlossen, enals ééne ziel overvoeren naar de gewesten der gelukzalige boeddha’s en geesten.Voor de poort van het groote Chineesche huis wachtte de beste vriend van den doode mij op. Hij is een militair mandarijn van hoogen rang, maar als een eenvoudig man uit het volk stond hij voor mij, in grove kleeren, zonder eenig teeken van zijne waardigheid. De smart over het verlies van zijn vriend het àlregeerend sentiment in zijn leven zijnde, mag nu geen praal van buiten zijn eigen roem en grootheid zeggen. Hij moet zijn in zijn smart eenvoudig, en een nederig man.Hij geleidde mij door een voorplein naar de ontvangkamer van het huis. Een kleine zaal, licht gemaakt door kleuren. Aan de wanden lange, breede lappen zijde, een pracht van rood, en groen, en rose en blauw, in alle tinten, van intense passie-kleur tot effene teederheid, waarin zwarte karakters, gevat in gouden rand. Deze karakters zeggen den roem des dooden, en de vriendschap der gevers. Al deze zijden kostbaarheden zijn geschenken van vrienden, en kleuren het groote gevoel van liefde om de menschen, die rouwen, als een troost voor de oogen, die in weening zijn geweest.Ernstig worden de Chineesche woordkarakters daarin aangezien, als méér dan doode schriftteekens, als zelf heilige symbolen, en mystieke kostbaarheden.1Ik groette, en boog diep voor de neigende Chineezen in de ontvangkamer. Het waren vrienden en kennissen, die het Werk der Deugd kwamen bijwonen. Maar ik zag ze niet goed afzonderlijk, door de ontroering van zooveel kleuren, waaraan mijne oogen niet gewoon waren. Ik zag zacht neêrgaande kleuren, lange blauwe gewaden, en wuiving van fijne zijde. Ik liet mijne oogen zoet zich laven aan de oostersche pracht, en sprak diepneigende woorden van eerbied en deelneming. Het zangerige Chineesch is mooi van geluid en gepast aan de omgeving van glanzend licht.Daarna voerde mijn gastheer mij mede naar eene groote zaal, de ceremoniezaal, waar het altaarstaat met de huisgoden. Bij het binnentreden zag ik dat het er vol was van honderden menschen. Het was er donker-licht als in een kerk. Vóór mij, heel in het achtergedeelte zag ik kaarsen branden, en lilalicht in lotus-lampen van zilver. Dat was als blanke lotussen, waardoor een gloed droomde van mystiek paars.Wij gingen langzaam door de menigte, die uitweek voor den mij begeleidenden mandarijn. Wij kwamen voor eene tafel, waarop dingen van offering stonden. In het licht van zilveren lampen en roode kaarsen stonden groote schotels met wild en gebraad. Kommen met fijne rijst en groenten, kopjes thee, en bloemkelken van zilver voor den wijn, met lange, slanke kannen, rijk geornamenteerd. Dit was de zaal, waar de lijkbaar stond. Een ziel van den doode was er zwevende. Zij feest onzichtbaar aan de rijke offeringen, en geniet aetherisch van de essence en de geuren, die daarvan opgaan. De ziel wordt dan gedacht te zijn zacht-lachende om de deugd der zonen, en te zien de liefde der rouwenden, in stil zalig zijn.Om de tafel hing een rood zijden kleed, versierd met gouden vogels, pheniksen met lange, gracieuse staarten. En achter in het allerdiepste van de zaal stond de doodkist met het lijk. Om mijheen stonden stille gestalten, in vaal geel gewaad. Ik was, door eene bijzondere gunst van mijn gastheer, vlak bij de vrouwen en dochters van den doode geplaatst, een voorrecht zooals alleen een heel intiem vriend mag genieten. Zij waren als nonnen gekleed, in grof linnen, en met wijde kappen om het hoofd.Toen begon ik, eenmaal rustig zittende, aandachtig om mij heen te zien. En ik zag een geheele wereld van wezens blinkende in de lucht. Over mij, boven den ingang, en den geheelen, grooten wand langs, waren tallooze poppen gehangen. In het eerst moeilijk te zien, door de fonkeling en warreling der kleuren; maar langzamerhand begon ik ze te onderscheiden als een stoet van regelmatig schrijdende menschen, in optocht. Het waren soldaten, gelijkmatig stappend, met de lansen op hunne schouders, evenwijdig, het waren herauten, en pijpers, waaierdragers, en koelies, dragende schatten en huisraad. Allen schitterend van goud en zilver, eene pompeuze processie. Deze prachtige optocht symboliseert de tocht van de doode ziel naar de hemelen. Het is het gevolg van de rijzende ziel, en moet haar plechtig uitgeleide doen, zooals het een hoog mandarijn toekomt. Vóór hen uit was een grooter beeld, een mensch,die naar een brug schrijdt. Dit was de doode mandarijn. En boven de brug, die van de aarde naar de hemelen reikt, zijn de gewesten der gelukzaligen, de regionen waar de reine zielen heengaan, om in rust te leven met de goden.Dáár prijkt het beeld van Kwan-Yin, de beschermster van China, de Maria van het Oosten. De zacht neêrziende op het leed der wereld, in genade en zoet medelijden. Kwan-Yin, de zacht-schrijdende, de neigende in liefde. Zij is geïncarneerd als eene Maagd, uit eene koningsvrouw werd zij geboren. Zij is de zoete martelares, de altijd zachte in vervolging, die slavenwerk deed met edele koningshanden, en het Woord verspreidde onder het duistere volk. Zij is de zegevierende op den brandstapel en pijnloos herrezene uit de vlammen, ongedeerd en gaaf als een lichte lotus. Zij voerde hare ouders en zusters mede, in den immensen zwaai van haar heilig ópgaan; geleidde ze voort op het pad naar Nîrwana, het hoog-mystieke, rustig-bewuste, waar álle menschengedachten ver van blijven. Zij is de Groote Genade, de Liefde-Boeddha, die eeuwiglijk licht schijnt op het zware pad naar Nîrwana, der menschheid ten zegen. En de Goeden onder de menschen maakten haar beeld, in reverentie. Zij gaat met kuischen gang, in deheiligheid van stille gewade-plooien, ongenaakbaar rein in de strenge lijnen die haar ombidden. Haar lichte gewaad wuift de lucht achter haar, zachtkens. Een sluier omgaat haar hoofd, en vouwt het als een zoet mysterie in vrome plooien. Hare handen over elkaar in een gebaar van wijze prediking, eindeloos zacht, dat hare Leer geluidloos zegt, in essence. Zij is de neigende Wijsheid, de reddende, die tot de menschen daalde, zacht en ontzaglijk.Dáár troont ook het beeld van Ma Too Po, de uit het water herrezene, de uit een bloem geborene. De wijze Liefde, rijzende uit den Lotus. Hare voeten raken de aarde niet; haar dragen de blanke bladen. Zij was de op aarde vervolgde, de reine Maagd, die de Wijsheid zocht, en niet den Lust, de wreed in zee verdronkene, door geweld, de daar óngedeerde, de blank in water gezetene, roerloos peinzende over de Leer. Om haar hoofd reide een krans van schelpen, in zachten glans van parelmoer. Toen de tijden beter werden, in de wenteling der eeuwen, is zij weêr gekomen uit de zee, en rein herrezen in den Lotus; de blanke bladen dragen haar, als reinheid de liefde draagt. Zij had jaren gezeten onder de groot-bewegende zee, zélf roerloos, naar Wijsheid starende onder het eindeloos golfgezang, stil en liefelijk, in reinerust. In den lotus herrezen bleef de parelenkrans om haar zweven, en zij zat met de voeten gevouwen, met de handen opgeheven tot een subliem gebaar, dat de wijsheid symboliseert van de Leer. Hare borst toont het heilig teekenSwastika.Bān, het symbool van het Eeuwige, en hare ziel is in de intenze meditatie puur omhoog gerezen, en schittert in haar voorhoofd als de Ziele-Parel, de essence van haar wezen, rein als de dauwdrop, die in een lotus beeft. Zij zit de eerste boven de rijzende brug, stil in de bloemebladen, en in den glans van parelmoer. Haar omgeven alle boeddha’s en onsterfelijke geesten. De achttien Lô-Hàns-Arhats rijen zich in twee scharen in de gelukzalige gewesten. Zij waren alle ééns eenvoudige menschen op aarde, die hunne ziel verreinden tot zij rustig vergleden in Nîrwana2, als bloemen in een stillen oceaan.Daaronder is Tiong-Ló, de zachte slachter, die levende beesten had gedood in zijn beroep, totdat zijne zonden waadden in meeren bloed, en het berouw zich verroerde in zijne duistere ziel. Hij was toen een laag mensch uit het volk, een slachter. Hij zwoer, géén bloed meer te vergieten en geen vleesch meer te eten, begroef zijn slachtmes, diep in het zand, zocht het weder op, bang dat een ander het zou vinden en er zonde mede doen. Hij verborg het op de bergen, in kloven, in rotsholen. Zijn leven werd één wondere angst, dat het mes weer zonde zou doen, totdat hij heteindelijk begroef in zijn eigen hart, uit boete en liefde. En dit berouw verreinde zijne ziel, die in Nîrwana vergleed, zooals een lucht wolkje wegdroomt in het eindelooze, stille hemelblauw.Dáár is ook Bók-Liên, die zijne moeder redde uit de achttien hellen. Zij had de reinheid geschonden van achttien geslachten, die geen vleesch hadden geproefd, maar alleen de zachte planten. Toen zij, door ziekte verleid, het vleesch der zonde at, werd zij gedoemd tot dood en hel. Maar Bok-Liên, haar zoon, toog uit om haar te redden, en volgde Kwan-Yin’s zachtwuivend gewaad, dat hem leidde. Vrijwillig schreed hij door de hellen, handen gevouwen, en het vuur week weg voor zijne heiligheid. Hij redde zijne moeder door de kracht van zijne liefde, en Kwan-Yin neeg zich tot hem, de genadige, en voerde hem over naar Nîrwana, zooals een vlam een zoete geur medevoert in de lucht.3En zestien anderen, even heilig, even recht in hun bewegen, hunne levens evenwijdig gericht naar het groote Nîrwana, waarin alles verdroomt …En al deze pracht van goud, van zilver, en kleuren, daar aan den wand vóór mij, is pure symboliek, van diepe beteekenis. De Chineesche geloovigen denken, dat in al deze poppen door een mirakel de wezens tijdelijk geïncarneerd zijn, die zij voorstellen. Het gevolg van den mandarijn bestaat uit hellegeesten, die hem uit de hellen moeten geleiden naar de hemelen.Om twee uur in den nacht wordt al deze rijkdom verbrand, buiten op het voorplein. Al de honderden beeldjes aan de wanden, en ook de dingen, die nog buiten staan. Dáár is nog een groot, hoog huis van papier, met knechten, en dieren, en huisraad. Een paleis van zijde en goud papier, dat in de verbranding ten hemel stijgt, door een mirakel. Er staan nog honderd koffers met papier, dat in de vlammen goud wordt, honderd levensgroote poppen, in fijne zijde, die den doode moeten volgen, en een dienaar houdt zijn levensgroot strijdros bij den teugel, een witten hengst. ’s Nachts zal er een festijn van licht zijn, ál de pracht zal opgaan naar de hemelen, en in dien laaienden brand wordt het symbool tot waarheid. De honderden beeldjes worden tot onzichtbare geesten, en zijn een statige stoet achter den doode. De ziel is uit de hellen getreden, en schrijdtplechtig door de eindeloosheid, met het blinkende gevolg van dienaren, als een waaiende sleep achter zich aan.…Ik luisterde in gespannen aandacht naar den ouden mandarijn, die mij deze dingen uitlegde, toen een schaar priesters in pompeuze kleederen aanschreden. Zij waren in donkerzwarte gewaden van zijde, met randen van gouden lotussen bewerkt. Deze gewaden heeten„Ka See” (sanoka kashyapa). Hier en daar in het zwart van hun gewaad fonkelde een gouden beeldje van Kwan-Yin. Deze priesters moeten de ziel uit de hellen roepen door hunne gezangen en invocaties. Op mystieke muziek glijdt de ziel van den doode zachtjes in de eindeloosheid.Alles was nu stil in de zaal. Er was een gedempt licht van donkerroode kleur, waarin het goud aan de wanden vreemd glansde. En achter in het donker blonken vonkjes van wierookstokjes, waaruit een klein wolkje opsteeg. De gebeden der priesteren gingen nu langzaam op in de stilte, met zachten rhythmus van monotoon gezang. Litanieën, veel gelijkend op de bijna niet bewegende, immens rustige muziek van een oud-gregoriaanschen lijkzang. Mysterieus golven van geluid, wijd-ademend, als een zee, die naar de kim deint. Melodieënwendingen,eenvoudig en ontzaglijk als de simpele lijnen om een oud Boeddha-beeld. Somtijds klonk daarin een zacht-zilveren belleklankje, alsof de pure Godheid even bewoog.Een gezang, waarop een verloste ziel wonder-rustig verglijden kan, als een zachte veer op stille winden.…Toen ben ik heen gegaan, onder eene emotie van almachtig schoon, zooals er maar weinigen mij zijn gegeven.’s Nachts, op het eilandje Ku Lang Soo, tegenover Amoy, waar de Europeesche kolonie is, stond ik aan de zee. Ik wachtte, en zag in het donker, waar geen ster was te zien. De zee sloeg rusteloos op de rotsen.En opeens vlamde in den nacht een roode gloed, een hoog uitslaan van vuur. Lange kolommen rook stegen op, in gigantische plooien, rijzende luchtgewaden, zacht waaiende in het ijle, en weer wègwuivend in den nacht. Duizenden sterren schoten op van de aarde, en rezen omhoog, als zielen. Ik stond in den glans van groote vlammen.Daar ging de doode mandarijn. Heilige tochtvan eene ziel naar de paleizen der wijsheid, de regionen van reine rust. De nacht brak open, en duizenden roode vlammengestalten schreden aan, in glorieuse processiën. Een roode glans viel er van op de zee, en ik zag de golven, bloedkleurig, gaande rusteloos en vér.De doode mandarijn ging hóóg boven de wilde zee, naar het stille Nîrwana.Hij ging naar Ma Too Po, de uit een bloem geborene, naar Kwan-Yin, de neigende, zacht en ontzaglijk.…
Ik was uitgenoodigd om het Werk der Deugd te komen zien, bij de familie Ngô̱ Ts’un P’o. De admiraal Ngô Tai Dzîn was gestorven, ongeveer twee maanden geleden.
Zijne zeven levensgeesten zijn toen verspreid, uit het lijk in de lucht gestegen, zijne twee zielen opgegaan naar de achttien hellen, zijne derde ziel is nog zwevende in het voorvaderlijk huis, boven de rouwende hoofden der zonen.
En nu was de tijd aangebroken, waarop de kinderen en kleinkinderen van den doode door goede werken en offeringen en gebeden de zielen van hun familiehoofd uit de hellen verlossen, enals ééne ziel overvoeren naar de gewesten der gelukzalige boeddha’s en geesten.
Voor de poort van het groote Chineesche huis wachtte de beste vriend van den doode mij op. Hij is een militair mandarijn van hoogen rang, maar als een eenvoudig man uit het volk stond hij voor mij, in grove kleeren, zonder eenig teeken van zijne waardigheid. De smart over het verlies van zijn vriend het àlregeerend sentiment in zijn leven zijnde, mag nu geen praal van buiten zijn eigen roem en grootheid zeggen. Hij moet zijn in zijn smart eenvoudig, en een nederig man.
Hij geleidde mij door een voorplein naar de ontvangkamer van het huis. Een kleine zaal, licht gemaakt door kleuren. Aan de wanden lange, breede lappen zijde, een pracht van rood, en groen, en rose en blauw, in alle tinten, van intense passie-kleur tot effene teederheid, waarin zwarte karakters, gevat in gouden rand. Deze karakters zeggen den roem des dooden, en de vriendschap der gevers. Al deze zijden kostbaarheden zijn geschenken van vrienden, en kleuren het groote gevoel van liefde om de menschen, die rouwen, als een troost voor de oogen, die in weening zijn geweest.Ernstig worden de Chineesche woordkarakters daarin aangezien, als méér dan doode schriftteekens, als zelf heilige symbolen, en mystieke kostbaarheden.1
Ik groette, en boog diep voor de neigende Chineezen in de ontvangkamer. Het waren vrienden en kennissen, die het Werk der Deugd kwamen bijwonen. Maar ik zag ze niet goed afzonderlijk, door de ontroering van zooveel kleuren, waaraan mijne oogen niet gewoon waren. Ik zag zacht neêrgaande kleuren, lange blauwe gewaden, en wuiving van fijne zijde. Ik liet mijne oogen zoet zich laven aan de oostersche pracht, en sprak diepneigende woorden van eerbied en deelneming. Het zangerige Chineesch is mooi van geluid en gepast aan de omgeving van glanzend licht.
Daarna voerde mijn gastheer mij mede naar eene groote zaal, de ceremoniezaal, waar het altaarstaat met de huisgoden. Bij het binnentreden zag ik dat het er vol was van honderden menschen. Het was er donker-licht als in een kerk. Vóór mij, heel in het achtergedeelte zag ik kaarsen branden, en lilalicht in lotus-lampen van zilver. Dat was als blanke lotussen, waardoor een gloed droomde van mystiek paars.
Wij gingen langzaam door de menigte, die uitweek voor den mij begeleidenden mandarijn. Wij kwamen voor eene tafel, waarop dingen van offering stonden. In het licht van zilveren lampen en roode kaarsen stonden groote schotels met wild en gebraad. Kommen met fijne rijst en groenten, kopjes thee, en bloemkelken van zilver voor den wijn, met lange, slanke kannen, rijk geornamenteerd. Dit was de zaal, waar de lijkbaar stond. Een ziel van den doode was er zwevende. Zij feest onzichtbaar aan de rijke offeringen, en geniet aetherisch van de essence en de geuren, die daarvan opgaan. De ziel wordt dan gedacht te zijn zacht-lachende om de deugd der zonen, en te zien de liefde der rouwenden, in stil zalig zijn.
Om de tafel hing een rood zijden kleed, versierd met gouden vogels, pheniksen met lange, gracieuse staarten. En achter in het allerdiepste van de zaal stond de doodkist met het lijk. Om mijheen stonden stille gestalten, in vaal geel gewaad. Ik was, door eene bijzondere gunst van mijn gastheer, vlak bij de vrouwen en dochters van den doode geplaatst, een voorrecht zooals alleen een heel intiem vriend mag genieten. Zij waren als nonnen gekleed, in grof linnen, en met wijde kappen om het hoofd.
Toen begon ik, eenmaal rustig zittende, aandachtig om mij heen te zien. En ik zag een geheele wereld van wezens blinkende in de lucht. Over mij, boven den ingang, en den geheelen, grooten wand langs, waren tallooze poppen gehangen. In het eerst moeilijk te zien, door de fonkeling en warreling der kleuren; maar langzamerhand begon ik ze te onderscheiden als een stoet van regelmatig schrijdende menschen, in optocht. Het waren soldaten, gelijkmatig stappend, met de lansen op hunne schouders, evenwijdig, het waren herauten, en pijpers, waaierdragers, en koelies, dragende schatten en huisraad. Allen schitterend van goud en zilver, eene pompeuze processie. Deze prachtige optocht symboliseert de tocht van de doode ziel naar de hemelen. Het is het gevolg van de rijzende ziel, en moet haar plechtig uitgeleide doen, zooals het een hoog mandarijn toekomt. Vóór hen uit was een grooter beeld, een mensch,die naar een brug schrijdt. Dit was de doode mandarijn. En boven de brug, die van de aarde naar de hemelen reikt, zijn de gewesten der gelukzaligen, de regionen waar de reine zielen heengaan, om in rust te leven met de goden.
Dáár prijkt het beeld van Kwan-Yin, de beschermster van China, de Maria van het Oosten. De zacht neêrziende op het leed der wereld, in genade en zoet medelijden. Kwan-Yin, de zacht-schrijdende, de neigende in liefde. Zij is geïncarneerd als eene Maagd, uit eene koningsvrouw werd zij geboren. Zij is de zoete martelares, de altijd zachte in vervolging, die slavenwerk deed met edele koningshanden, en het Woord verspreidde onder het duistere volk. Zij is de zegevierende op den brandstapel en pijnloos herrezene uit de vlammen, ongedeerd en gaaf als een lichte lotus. Zij voerde hare ouders en zusters mede, in den immensen zwaai van haar heilig ópgaan; geleidde ze voort op het pad naar Nîrwana, het hoog-mystieke, rustig-bewuste, waar álle menschengedachten ver van blijven. Zij is de Groote Genade, de Liefde-Boeddha, die eeuwiglijk licht schijnt op het zware pad naar Nîrwana, der menschheid ten zegen. En de Goeden onder de menschen maakten haar beeld, in reverentie. Zij gaat met kuischen gang, in deheiligheid van stille gewade-plooien, ongenaakbaar rein in de strenge lijnen die haar ombidden. Haar lichte gewaad wuift de lucht achter haar, zachtkens. Een sluier omgaat haar hoofd, en vouwt het als een zoet mysterie in vrome plooien. Hare handen over elkaar in een gebaar van wijze prediking, eindeloos zacht, dat hare Leer geluidloos zegt, in essence. Zij is de neigende Wijsheid, de reddende, die tot de menschen daalde, zacht en ontzaglijk.
Dáár troont ook het beeld van Ma Too Po, de uit het water herrezene, de uit een bloem geborene. De wijze Liefde, rijzende uit den Lotus. Hare voeten raken de aarde niet; haar dragen de blanke bladen. Zij was de op aarde vervolgde, de reine Maagd, die de Wijsheid zocht, en niet den Lust, de wreed in zee verdronkene, door geweld, de daar óngedeerde, de blank in water gezetene, roerloos peinzende over de Leer. Om haar hoofd reide een krans van schelpen, in zachten glans van parelmoer. Toen de tijden beter werden, in de wenteling der eeuwen, is zij weêr gekomen uit de zee, en rein herrezen in den Lotus; de blanke bladen dragen haar, als reinheid de liefde draagt. Zij had jaren gezeten onder de groot-bewegende zee, zélf roerloos, naar Wijsheid starende onder het eindeloos golfgezang, stil en liefelijk, in reinerust. In den lotus herrezen bleef de parelenkrans om haar zweven, en zij zat met de voeten gevouwen, met de handen opgeheven tot een subliem gebaar, dat de wijsheid symboliseert van de Leer. Hare borst toont het heilig teeken
Swastika.
Bān, het symbool van het Eeuwige, en hare ziel is in de intenze meditatie puur omhoog gerezen, en schittert in haar voorhoofd als de Ziele-Parel, de essence van haar wezen, rein als de dauwdrop, die in een lotus beeft. Zij zit de eerste boven de rijzende brug, stil in de bloemebladen, en in den glans van parelmoer. Haar omgeven alle boeddha’s en onsterfelijke geesten. De achttien Lô-Hàns-Arhats rijen zich in twee scharen in de gelukzalige gewesten. Zij waren alle ééns eenvoudige menschen op aarde, die hunne ziel verreinden tot zij rustig vergleden in Nîrwana2, als bloemen in een stillen oceaan.
Daaronder is Tiong-Ló, de zachte slachter, die levende beesten had gedood in zijn beroep, totdat zijne zonden waadden in meeren bloed, en het berouw zich verroerde in zijne duistere ziel. Hij was toen een laag mensch uit het volk, een slachter. Hij zwoer, géén bloed meer te vergieten en geen vleesch meer te eten, begroef zijn slachtmes, diep in het zand, zocht het weder op, bang dat een ander het zou vinden en er zonde mede doen. Hij verborg het op de bergen, in kloven, in rotsholen. Zijn leven werd één wondere angst, dat het mes weer zonde zou doen, totdat hij heteindelijk begroef in zijn eigen hart, uit boete en liefde. En dit berouw verreinde zijne ziel, die in Nîrwana vergleed, zooals een lucht wolkje wegdroomt in het eindelooze, stille hemelblauw.
Dáár is ook Bók-Liên, die zijne moeder redde uit de achttien hellen. Zij had de reinheid geschonden van achttien geslachten, die geen vleesch hadden geproefd, maar alleen de zachte planten. Toen zij, door ziekte verleid, het vleesch der zonde at, werd zij gedoemd tot dood en hel. Maar Bok-Liên, haar zoon, toog uit om haar te redden, en volgde Kwan-Yin’s zachtwuivend gewaad, dat hem leidde. Vrijwillig schreed hij door de hellen, handen gevouwen, en het vuur week weg voor zijne heiligheid. Hij redde zijne moeder door de kracht van zijne liefde, en Kwan-Yin neeg zich tot hem, de genadige, en voerde hem over naar Nîrwana, zooals een vlam een zoete geur medevoert in de lucht.3
En zestien anderen, even heilig, even recht in hun bewegen, hunne levens evenwijdig gericht naar het groote Nîrwana, waarin alles verdroomt …
En al deze pracht van goud, van zilver, en kleuren, daar aan den wand vóór mij, is pure symboliek, van diepe beteekenis. De Chineesche geloovigen denken, dat in al deze poppen door een mirakel de wezens tijdelijk geïncarneerd zijn, die zij voorstellen. Het gevolg van den mandarijn bestaat uit hellegeesten, die hem uit de hellen moeten geleiden naar de hemelen.
Om twee uur in den nacht wordt al deze rijkdom verbrand, buiten op het voorplein. Al de honderden beeldjes aan de wanden, en ook de dingen, die nog buiten staan. Dáár is nog een groot, hoog huis van papier, met knechten, en dieren, en huisraad. Een paleis van zijde en goud papier, dat in de verbranding ten hemel stijgt, door een mirakel. Er staan nog honderd koffers met papier, dat in de vlammen goud wordt, honderd levensgroote poppen, in fijne zijde, die den doode moeten volgen, en een dienaar houdt zijn levensgroot strijdros bij den teugel, een witten hengst. ’s Nachts zal er een festijn van licht zijn, ál de pracht zal opgaan naar de hemelen, en in dien laaienden brand wordt het symbool tot waarheid. De honderden beeldjes worden tot onzichtbare geesten, en zijn een statige stoet achter den doode. De ziel is uit de hellen getreden, en schrijdtplechtig door de eindeloosheid, met het blinkende gevolg van dienaren, als een waaiende sleep achter zich aan.…
Ik luisterde in gespannen aandacht naar den ouden mandarijn, die mij deze dingen uitlegde, toen een schaar priesters in pompeuze kleederen aanschreden. Zij waren in donkerzwarte gewaden van zijde, met randen van gouden lotussen bewerkt. Deze gewaden heeten„Ka See” (sanoka kashyapa). Hier en daar in het zwart van hun gewaad fonkelde een gouden beeldje van Kwan-Yin. Deze priesters moeten de ziel uit de hellen roepen door hunne gezangen en invocaties. Op mystieke muziek glijdt de ziel van den doode zachtjes in de eindeloosheid.
Alles was nu stil in de zaal. Er was een gedempt licht van donkerroode kleur, waarin het goud aan de wanden vreemd glansde. En achter in het donker blonken vonkjes van wierookstokjes, waaruit een klein wolkje opsteeg. De gebeden der priesteren gingen nu langzaam op in de stilte, met zachten rhythmus van monotoon gezang. Litanieën, veel gelijkend op de bijna niet bewegende, immens rustige muziek van een oud-gregoriaanschen lijkzang. Mysterieus golven van geluid, wijd-ademend, als een zee, die naar de kim deint. Melodieënwendingen,eenvoudig en ontzaglijk als de simpele lijnen om een oud Boeddha-beeld. Somtijds klonk daarin een zacht-zilveren belleklankje, alsof de pure Godheid even bewoog.
Een gezang, waarop een verloste ziel wonder-rustig verglijden kan, als een zachte veer op stille winden.…
Toen ben ik heen gegaan, onder eene emotie van almachtig schoon, zooals er maar weinigen mij zijn gegeven.
’s Nachts, op het eilandje Ku Lang Soo, tegenover Amoy, waar de Europeesche kolonie is, stond ik aan de zee. Ik wachtte, en zag in het donker, waar geen ster was te zien. De zee sloeg rusteloos op de rotsen.
En opeens vlamde in den nacht een roode gloed, een hoog uitslaan van vuur. Lange kolommen rook stegen op, in gigantische plooien, rijzende luchtgewaden, zacht waaiende in het ijle, en weer wègwuivend in den nacht. Duizenden sterren schoten op van de aarde, en rezen omhoog, als zielen. Ik stond in den glans van groote vlammen.
Daar ging de doode mandarijn. Heilige tochtvan eene ziel naar de paleizen der wijsheid, de regionen van reine rust. De nacht brak open, en duizenden roode vlammengestalten schreden aan, in glorieuse processiën. Een roode glans viel er van op de zee, en ik zag de golven, bloedkleurig, gaande rusteloos en vér.
De doode mandarijn ging hóóg boven de wilde zee, naar het stille Nîrwana.
Hij ging naar Ma Too Po, de uit een bloem geborene, naar Kwan-Yin, de neigende, zacht en ontzaglijk.…
1De Chineesche karakters worden werkelijk beschouwd als iets heiligs. Geen beschreven papier mag worden weggeworpen. Het mag alleen worden verbrand, want dan wordt het veranderd in heilig vuur, dat naar de Geesten opstijgt. In een stukje in het internationaal orientalistiesche tijdschrift „T’oung Pao” 4e Jaarg. No. 5 (Redactie Prof. Schlegel en Prof. Cordier te Parijs) heb ik deze vereering van de Chineezen voor al het geschrevene uitgedrukt door „C’est comme le Verbe qu’ils vénèrent dans leurs caractères.”↑2Men houde toch vooral niet Nîrwana voor eene uitdooving en brute, onzinnige vernietiging van Leven tot Niets. Van géén mystiek woord is zooveel misbruik gemaakt als van Nîrwana. Zelfs een eminent schrijver als Couperus gebruikt het op vele plaatsen verkeerd (in „Eline Vere”). Nîrwana is niet te definieeren, evenmin als het begrip God, omdat het iets is boven alle idee en vergelijking.Het zou eenigszins—maar zeer vaag en onvolkomen—weer te geven zijn als de Al-Ziel der wereld, waartoe alles kan teruggebracht worden, en dit is rustig en stil, en eindeloos, en het eenig Reëele. Maar alle woorden blijven er ver van, evenals alle begrippen ver van God blijven …Dat de menschen, die zich Nîrwana niet konden voorstellen, zich zelve een soort van hemel zijn gaan verbeelden, met de boeddha’s als bevolking, en van buitensporige pracht, is verkeerd en absoluut in strijd met het essentieele boeddhisme, maar overigens verklaarbaar evenals de traditioneele met poorten omringde en met muziekmakende engelen bevolkte hemel der burgerluidjes in strijd is met Jezus’ leer. Men moet vooral geen puur boeddhisme uit dit stukje willen halen. De figuren van Kwan-Yin en Saam-Poo-Hoet, en de Lôhàns zijn echte boeddhistische, maar zij zijn natuurlijk verkeerd gebruikt in deze Chineesche voorstelling van den hemel, hoe grootsch artistiek die overigens ook is.↑3Ló-Hàn is het Chineesche woord voor Arhats, adepten (ongeveer hetzelfde als Mahatma’s). Uitweiding is hier misplaatst en zou te ver voeren.↑
1De Chineesche karakters worden werkelijk beschouwd als iets heiligs. Geen beschreven papier mag worden weggeworpen. Het mag alleen worden verbrand, want dan wordt het veranderd in heilig vuur, dat naar de Geesten opstijgt. In een stukje in het internationaal orientalistiesche tijdschrift „T’oung Pao” 4e Jaarg. No. 5 (Redactie Prof. Schlegel en Prof. Cordier te Parijs) heb ik deze vereering van de Chineezen voor al het geschrevene uitgedrukt door „C’est comme le Verbe qu’ils vénèrent dans leurs caractères.”↑2Men houde toch vooral niet Nîrwana voor eene uitdooving en brute, onzinnige vernietiging van Leven tot Niets. Van géén mystiek woord is zooveel misbruik gemaakt als van Nîrwana. Zelfs een eminent schrijver als Couperus gebruikt het op vele plaatsen verkeerd (in „Eline Vere”). Nîrwana is niet te definieeren, evenmin als het begrip God, omdat het iets is boven alle idee en vergelijking.Het zou eenigszins—maar zeer vaag en onvolkomen—weer te geven zijn als de Al-Ziel der wereld, waartoe alles kan teruggebracht worden, en dit is rustig en stil, en eindeloos, en het eenig Reëele. Maar alle woorden blijven er ver van, evenals alle begrippen ver van God blijven …Dat de menschen, die zich Nîrwana niet konden voorstellen, zich zelve een soort van hemel zijn gaan verbeelden, met de boeddha’s als bevolking, en van buitensporige pracht, is verkeerd en absoluut in strijd met het essentieele boeddhisme, maar overigens verklaarbaar evenals de traditioneele met poorten omringde en met muziekmakende engelen bevolkte hemel der burgerluidjes in strijd is met Jezus’ leer. Men moet vooral geen puur boeddhisme uit dit stukje willen halen. De figuren van Kwan-Yin en Saam-Poo-Hoet, en de Lôhàns zijn echte boeddhistische, maar zij zijn natuurlijk verkeerd gebruikt in deze Chineesche voorstelling van den hemel, hoe grootsch artistiek die overigens ook is.↑3Ló-Hàn is het Chineesche woord voor Arhats, adepten (ongeveer hetzelfde als Mahatma’s). Uitweiding is hier misplaatst en zou te ver voeren.↑
1De Chineesche karakters worden werkelijk beschouwd als iets heiligs. Geen beschreven papier mag worden weggeworpen. Het mag alleen worden verbrand, want dan wordt het veranderd in heilig vuur, dat naar de Geesten opstijgt. In een stukje in het internationaal orientalistiesche tijdschrift „T’oung Pao” 4e Jaarg. No. 5 (Redactie Prof. Schlegel en Prof. Cordier te Parijs) heb ik deze vereering van de Chineezen voor al het geschrevene uitgedrukt door „C’est comme le Verbe qu’ils vénèrent dans leurs caractères.”↑
2Men houde toch vooral niet Nîrwana voor eene uitdooving en brute, onzinnige vernietiging van Leven tot Niets. Van géén mystiek woord is zooveel misbruik gemaakt als van Nîrwana. Zelfs een eminent schrijver als Couperus gebruikt het op vele plaatsen verkeerd (in „Eline Vere”). Nîrwana is niet te definieeren, evenmin als het begrip God, omdat het iets is boven alle idee en vergelijking.Het zou eenigszins—maar zeer vaag en onvolkomen—weer te geven zijn als de Al-Ziel der wereld, waartoe alles kan teruggebracht worden, en dit is rustig en stil, en eindeloos, en het eenig Reëele. Maar alle woorden blijven er ver van, evenals alle begrippen ver van God blijven …
Dat de menschen, die zich Nîrwana niet konden voorstellen, zich zelve een soort van hemel zijn gaan verbeelden, met de boeddha’s als bevolking, en van buitensporige pracht, is verkeerd en absoluut in strijd met het essentieele boeddhisme, maar overigens verklaarbaar evenals de traditioneele met poorten omringde en met muziekmakende engelen bevolkte hemel der burgerluidjes in strijd is met Jezus’ leer. Men moet vooral geen puur boeddhisme uit dit stukje willen halen. De figuren van Kwan-Yin en Saam-Poo-Hoet, en de Lôhàns zijn echte boeddhistische, maar zij zijn natuurlijk verkeerd gebruikt in deze Chineesche voorstelling van den hemel, hoe grootsch artistiek die overigens ook is.↑
3Ló-Hàn is het Chineesche woord voor Arhats, adepten (ongeveer hetzelfde als Mahatma’s). Uitweiding is hier misplaatst en zou te ver voeren.↑
AanFREDERIK VAN EEDENIN REVERENTIE EN VRIENDSCHAP.
AanFREDERIK VAN EEDENIN REVERENTIE EN VRIENDSCHAP.
Aan
FREDERIK VAN EEDEN
IN REVERENTIE EN VRIENDSCHAP.