HOOFDSTUKXI.

[Inhoud]HOOFDSTUKXI.Aan de ontbijttafel zat naast Willem een reusachtige Duitscher; naar zijn kleeding te oordeelen, moest het een jager zijn; want die bestond uit een donkergroen jachtbuis, een grijze kniebroek, slobkousen en lage, met ijzer beslagen schoenen. Aan zijn gordel droeg hij een breeden hartsvanger met hertshoornen gevest. In een hoek had hij een buks neergezet, die door een geel lederen foedraal tegen stof en vocht beschermd werd, en nu tijdelijk tot kapstok diende voor een vilten hoed, met een haneveer versierd.Het was een spraakzaam man, die zich weldra als koninklijk jager bekend maakte, en vertelde, dat hij op reis was naar den Eifel, waar op groote schaal een drijfjacht op wilde zwijnen zou gehouden worden.„Zijn er dan nog zooveel wilde zwijnen in die streken?”[138]vroeg Willem, die als elke jongen reeds belang stelde in alles, wat op de jacht betrekking had, en die, vooral nu het een jacht op wilde zwijnen betrof, gaarne het verhaal daarvan eens wilde hooren. LordGreyburydronk, schijnbaar zonder op het gesprek te letten, zijn zesde kopje thee.„Of er veel zijn?” antwoordde de jager, „als er niet elken winter een drijfjacht werd gehouden, zou daar gewis geen boer meer zijn land kunnen bebouwen. De zwartborstels graven en woelen in één nacht een geheelen akker om, zonder dat men er iets tegen doen kan. Dan moet men opnieuw gaan graven en poten. En die beesten vermenigvuldigen zich zoo sterk en zijn zoo moeilijk onder schot te krijgen, dat de boeren op dit oogenblik met de handen in het haar zitten. Van de winter zijn er dertig stuks afgemaakt; maar nu is ’t weer zoo erg, dat de landbouwers zich tot de regeering gewend hebben om hulp. Nu zal tegen de gewoonte een drijfjacht in den zomer plaats hebben. Kijk maar eens hier; ik heb eergisteren deze oproeping gekregen.”Terwijl de jager zijn broodje at, las Willem op het gedrukte vel papier:De regeering van Trier noodigt bij dezen den Heer Waidmann uit, zich met alle jagers, houtvesters en drijvers, die onder zijn bevelen staan, den vijfden van dezen maand, ’s morgens voor zonsopgang in het dorp Buschweiler te bevinden, om in vereeniging met alle jagers uit het district een drijfjacht op zwartwild te houden.Lord Greybury keek het papier ook in. Hij kende juist zooveel Duitsch, om Willems gesprek met den Heer Waidmann te begrijpen en de oproeping te kunnen lezen.Aanstonds droeg hij Willem op, een flesch morgenwijn voor den jager te bestellen. Deze bedankte den heer Lord onderdanigst, schoof zijn theekopje en melkkan op zij, en in minder dan tien minuten was de fijne flesch voor drie vierden geledigd.Lord Greybury klonk met zijn theekopje tegen het gevulde glas van den heer Waidmann en wenschte hem, zoo goed en zoo kwaad het ging, een voorspoedige jacht.Het ijs was gebroken. Een gesprek, waarbij Willem als tolk tusschen Engeland en Duitschland dienst deed, ontwikkelde zich. Willem had zijn reisgezel nog nooit zooveel na elkander hooren spreken, al had ook nu de jager het leeuwendeel van het gesprek. Het bleek, dat Lord Greybury in jachtzaken, en vooral wat de zwijnenjacht betrof, geen vreemdeling was. Hij vroeg, of Waidmann ook honden had meegebracht.„Niet noodig mijnheer? In verscheidene steden van den Eifel,[139]en ook te Trier houdt de regeering der stad er een eigen troep honden op na, die op de zwijnenjacht afgericht zijn.”„Kunnen wij van de partij zijn?” vroeg de Engelschman op den man af en sprak daarmede uit, wat Willem zeer gaarne wenschte, doch niet durfde vragen.De jager zette een bedenkelijk gezicht. Hij mompelde iets van levensgevaar, verantwoordelijkheid, dat er slechts jagers van beroep aan de jachtpartij deelnamen, en dat alleen de opperjachtmeester liefhebbers mocht toelaten.„En dan een onervaren jongmensch, die misschien nog nooit eene buks heeft afgeschoten,” voegde hij er met een half medelijdenden, half minachtenden blik op Willem bij.„Wel wis en zeker kan ik met een geweer omgaan, en goed mikken ook,” viel Willem in, vreezende dat door zijn onervarenheid het plan in duigen zou vallen, „toen ik vijftien jaar was, kreeg ik al een buks present, en daarmee heb ik eens een haas en een eend geschoten.”Hij zei er niet bij, dat de haas al aangeschoten en de eend toevallig een tamme was.De jager proestte het uit van lachen.„Een haas en een eend! En dat wil op de zwijnenjacht gaan; daar komt nog iets anders kijken, hoor!”„Juist daarom zou ik gaarne eens meegaan!” zei Willem.Een tweede flesch werd op een wenk van den lord den jager gebracht. De milde gever bewonderde intusschen met kennersoogen de buks van den jager.Tegen zooveel mildheid en vriendelijkheid bij een schatrijk man was de jager niet bestand.„Maar ’t is zoo gevaarlijk!” zeide hij, weifelend het verzoek toe te staan.„Gevaar moet er zijn”, antwoordde Lord Greybury, „anders is het moorden.”De jager beloofde de verantwoordelijkheid op zich te nemen.„Afgesproken,” zei Willem,„een man, een man, een woord, een woord?”„Natuurlijk! Ik zal u over een paar uren komen halen. Zorg voor buksen en koop vooral lederen slobkousen, want anders wordt in de struiken uw broek spoedig aan flarden gescheurd. Ik zal mijn makkers en den opperjager zeggen, dat u zulken fijnen wijn laat schenken. Daar doet een jager veel voor!”„Bij ankers, als het noodig is!” zei Lord Greybury op zijn gewonen kalmen toon.Waidmann keek verbluft op en met overtuiging zei hij:„U kunt de geheele jacht meemaken, al duurt ze ook drie weken; daar sta ik voor in!”[140]„Dat is niet noodig;ééndag is voldoende,” antwoordde de Engelschman met een fijn glimlachje.Tegen het middaguur stapte ons drietal, nadat Pollo opnieuw aan de zorg van den conducteur was aanbevolen, in den trein die hen tot op eenige uren afstands van de verzamelplaats der jagers voerde.Lord Greybury en Willem hadden nog tijd gevonden, zich een volledig, splinternieuw jachtcostuum met toebehooren aan te schaffen. Na het verlaten van den trein stapte Willem, deftig met zijn buks op den rug, en zijn weitasch en veldflesch op zijde, tusschen zijn beide jachtgezellen op den weg naar Buschweiler voort. Hij was niet klein en toch geleek hij een kind tusschen zijn beide vleugelmannen.„Holland tusschen Engeland en Duitschland,” merkte de jager aan.„Dat straks, als de nood aan de man komt, op beider hulp rekent,” gaf Willem ten antwoord.Bij het vallen van den avond bereikten zij de eerste huizen van het dorpje. Reeds uit de verte klonk hun gelach en gezang tegen.Meer dan honderd jagers en drijvers zaten voor verschillende herbergen aan den weg en zongen, dat het een aard had.Bij de aankomst van ons drietal verstomde het gezang van de vroolijke jagers. Van alle zijden werden de aangekomenen met nieuwsgierige blikken bekeken. Waidmann had de voorzorg genomen, een zijner bekenden vooruit te zenden naar het rendez-vous, om een vriendelijke ontvangst voor te bereiden. Deze voorlooper had reeds zooveel verteld van de onnoemelijke schatten, waarvan de Engelschman bezitter was, van diens verkwistende mildheid, dat velen onder de jagers zich reeds bij voorbaat overtuigd hielden, dat de vreemdeling minstens een prins van den bloede moest zijn, die incognito reisde, vergezeld van zijn adjudant. Toen Lord Greybury met Willem naderbij waren gekomen stonden de jagers op, en salueerden op militaire wijze. Lord Greybury groette terug met een genadige handbeweging, zooals vorstelijke personen dat gewoon zijn; dit versterkte de heeren jagers in hun meening, met een lid van de koninklijke familie uit Engeland te doen te hebben. „De prins van Wales misschien,” fluisterde een der jagers zijn buurman in het oor. Het woord ging van mond tot mond; het „misschien” bleef natuurlijk achterwege en weldra stond bij de jagers vast, dat ze de hooge eer genoten, den prins van Wales van aangezicht tot aangezicht te aanschouwen. De Lord reikte den opperhoutvester en leider der jacht, die inmiddels, buigend als een[141]knipmes, nader was getreden, zijn kaartje over. ’t Lord Greybury werd als een aangenomen naam beschouwd, waaronder de prins reisde. Deze begreep spoedig, voor wien men hem hield. Hij verwaardigde zich in alle deftigheid aan een tafeltje plaats te nemen en noodigde eenige der jagers uit, zich naast hem te zetten. Willem vond de comedie vermakelijk; om den waan der jagers niet te verstoren, speelde hij mee en plaatste zich achter den stoel van den Engelschman.Zonder diens bevelen af te wachten, liet hij den waard roepen en gelastte hem tamelijk luid, den jagers zooveel te drinken te geven als ze verlangden.Een driemaal herhaald: „Hoch!” beloonde den „prins” voor zijn vrijgevigheid. De wijn stroomde over de tafels door de altijd dorstige kelen der jagers, en spoedig raakten de tongen weer los.Nu ging het aan het opsnijden; de ongeloofelijkste heldendaden werden opgedischt en voor goede waar geslikt. Niemand scheen de geloofwaardigheid slechts een oogenblik in twijfel te trekken.Een jong ventje, wiens baard aan het uitkomen was, en dat onophoudelijk over het stoppelveld van zijn kin streek, bleek boven allen uit te munten door de vaardigheid, waarmee hij het jagerlatijn sprak.„Verbeeld u, hoogheid, gisteravond zit ik op post aan den rand van een hollen weg, om een haas te schieten. Daar komt links van mij een haas uit het kreupelhout, rechts een reebok; pif, paf, beide wentelen tegelijk in hun zweet. Nauwelijks heb ik weer geladen, of boven mij merk ik een havik, die een houtsnip vervolgt; pif, paf, beide tuimelen naar beneden. Ik sta op, om mijn buit wat nader te bekijken en laad ondertusschen mijn tweeloop weer. Wat zie ik daar in de verte? Een wilde zeug met een jong! Ik leg aan, pif, paf, beide rollen om.”Lord Greybury schudde vol verbazing het hoofd over zooveel schotvastheid en gaf Willem een wenk.„Mylord is vermoeid, en wenscht zich ter ruste te begeven,” zei Willem op plechtigen toon.Dadelijk verdrongen zich de opperhoutvester, de opperjager en nog eenige anderen om den gewaanden prins, ten einde dezen naar de herberg te leiden; ze waren onuitputtelijk in verontschuldigingen, Zijne Hoogheid slechts zulk een armzalig slaapvertrek te kunnen aanwijzen.Willem bedankte de heeren uit naam van Mylord voor hun bereidwilligheid, en verzocht den jagers hen den volgenden morgen vroegtijdig te willen wekken; wat de heeren dienstvaardig beloofden.[142]Nog lang bleven de jagers drinken en zingen, doch het laatste niet meer uit volle borst; want ze vreesden Zijne Hoogheid in diens slaap te storen.’s Morgens voor dag en dauw braken de jagers en met hen Lord Greybury en Willem, groepsgewijze op, naar een gehucht, op een uur afstands van Buschweiler gelegen. Pollo ging op verzoek van den jachtmeester niet mee, maar werd in de herberg vastgelegd. ’t Was een vermoeiende tocht. Het ging berg op, berg af, door kreupelhout en over kale hoogvlakten.De weg slingerde nu eens langs afgronden, dan weer door een stuk bouwland, aangelegd op de helling van een sedert onheuglijke tijden, uitgebluschten vulkaan. De lava, waaruit de weg bestond, was tot poeder verweerd en dwarrelde in stofwolken op onder de voeten der stevig doorstappende mannen. Allengs verbleekten de sterren en een strook geelachtig licht aan den oostelijken hemel verkondigde den naderenden dageraad. In de verte teekende zich de zwarte lijn van een bosch tegen den minder donkeren hemel af. Dat was een dennenbosch, aan welks zoom rendez-vous was gegeven voor de jagers, drijvers en honden.Een luid geblaf bewees, dat de dieren reeds de nadering der menschen hadden opgemerkt.Juist toen de voorste groepen het bosch bereikten, verlichtten de eerste zonnestralen den omtrek.Het woud was op een hoogte gelegen, en strekte zich, zoover het oog reikte, over de toppen en hellingen van tallooze groote en kleine bergen uit.Een oorverdoovend geblaf en gejank, vertienvoudigd door de echo’s der achterliggende bergen herhaald, begroetten de jagers; meest oude bekenden of vroegere meesters der honden. Men zag er van allerlei soort en ras. Herdershonden, brakken, Engelsche doggen, hazewinden, Mexicaansche doggen, die alle sterk en wel doorvoed,ééneigenschap gemeen hadden, namelijk voortreffelijke zwijnenpakkers te zijn. Ze waren twee aan twee gekoppeld, en elk paar werd in bedwang gehouden door een knecht van den hondenbaas. De laatste was een vreemd personnage. Hij was zeer klein van gestalte, maar in verhouding buitengewoon breed en gespierd. Zijn peper-en-zoutkleurige baard reikte tot aan de knieën en bedekte bijna zijn geheel gelaat. Een blik uit zijn kleine, staalblauwe oogen was voldoende om een paar vechtende honden te scheiden en in bedwang te houden. Zijn kleeding was gelijk aan die der jagers, doch de buks ontbrak; die zou hem in ’t kreupelhout ook meer tot last, dan tot nut geweest zijn. Naast zijn reusachtigen hartsvanger hing aan zijn[143]gordel een korte, stevige zweep, waarmede de honden gekastijd werden, wanneer ze ander wild dan zwijnen najoegen. Van de honden en daardoor van hem, hing grootendeels de goede uitslag van de jacht af.De jagers en drijvers zetten zich op den hoogen rand van den weg neer, of vlijden zich onder de boomen op het zachte, gladde mos en wachtten geduldig de bevelen van den opperhoutvester af.Geen der spoorzoekers was nog teruggekomen. Om niet nutteloos een bosch af te jagen, zonder te weten, of er zich zwijnen in ophielden, waren reeds een dag te voren beproefde spoorzoekers uitgezonden; meest boeren uit den omtrek, die belang hadden bij een goede vangst. Deze lieden hadden een moeielijke taak te vervullen, vooral in den zomer. ’s Winters wanneer er versch gevallen sneeuw ligt, is het gemakkelijk aan de sporen te zien, of er wilde zwijnen uit of in een bosch zijn gegaan, en daarnaar tevens te berekenen, hoeveel er op het oogenblik, dat de jacht begint, nog in zijn.Maar nu was het zomer. In het hooge gras en de struiken was het spoor moeielijk, voor niet-ingewijden in de kunst van spoorzoeken, onmogelijk te vinden. Een der zoekers was op de gedachte gekomen den vorigen avond fijn zand op de paden te strooien, die het wild gewoonlijk volgde. En de uitkomst beloonde de moeite. Toen ze aan het rendez-vous terugkwamen, konden ze mededeelen dat in het kreupelhout op korten afstand twee evers en verscheidene zeugen verborgen waren. Dit verwekte groote blijdschap onder de jagers, die zingende en fluitende opstonden, om de buksen nog eens na te zien en den haan te beproeven.Een luid gejuich ging op, toen een der spoorzoekers snel kwam aanloopen en reeds uit de verte riep, dat Satan ontdekt en omsingeld was. Satan was een oude ever, in den geheelen omtrek onder dien naam bekend; drie achtereenvolgende winters was hij reeds gejaagd, maar de slimme rakker was niet onder schot te krijgen. De honden boezemden hem weinig vrees in, hij den honden des te meer. Meer danéénhond had kennis gemaakt met zijn geduchte slagtanden; een drietal had reeds het hachje er bij ingeschoten.Terstond werd opgebroken, en de afdeeling, waarbij zich Lord Greybury en Willem bevonden, begaf zich naar de aangeduide plaats, waar Satan zich volgens het zeggen van den boer, moest bevinden.Weldra bereikte men den voet van een tamelijk hoogen berg. De geheele helling was met hooge eikenstruiken bezet. De top was kaal en glinsterde in het morgenlicht.„Stilte!” commandeerde de opperjager.[144]Oogenblikkelijk verstomde het gesprek der jagers en het geblaf der honden. De jagersstoet werd in twee deelen gesplitst. Een afdeeling, waarbij de hondenbaas met zijn dieren, moest de berg omtrekken, aan de andere zijde weer beklimmen en op den top post vatten. Den overigen werd aan den voet of op verschillende plaatsen van de helling hun post aangewezen.„Dekken!” luidde het tweede commando.Allen verdwenen achter struiken of lage boomen. De helling scheen eensklaps verlaten. Iemand, die van de jachtpartij geen kennis droeg en den berg had gezien, zou niet vermoed hebben, dat in het kreupelbosch een veertigtal jagers en evenveel honden op de loer lagen.Willem knielde, met kloppend hart, naast Lord Greybury neer. Vlak aan den voet van den berg was hun achter een hooge eiken struik een plaats aangewezen. Menig jager benijdde hun dien voordeeligen post; want daar had men kans Satan den eersten kogel toe te zenden; want vandaar konden ze den geheelen weg, die zich om den voet slingerde, overzien.„Ben je bang?” fluisterde Lord Greybury hem in ’t oor.„Neen; maar ik beef wel ’n beetje.”„Dat is niets, je behoeft niet te schieten; voordat de ever hier op den weg is—als hij tenminste dom genoeg is, uit het kreupelhout te komen—heeft hij al een kogel beet.”„Maar misschien zit hij hier vlak bij verborgen.”„Dat is niet onmogelijk en in dit geval hebben we een gevaarlijk plaatsje,” was het troostrijk antwoord, en Lord Greybury trok zijn hartsvanger uit de scheede en legde het blanke mes naast zich op het gras.„Wat wilt u doen?”„Het dier te lijf gaan, als het me te na komt.”Het geheele voorkomen van den Engelschman was veranderd. Op zijn anders zoo strak gelaat was de hartstocht voor de jacht zichtbaar en zijn oogen fonkelden van strijdlust.Willem rilde bij de gedachte, dat de Lord zich roekeloos aan gevaar zou blootstellen, en hij voelde, dat hem zelfs de moed ontbrak, zijn heer te hulp te komen.Het duurde wel een uur, eer het drijven begon; want zij, die den berg van de andere zijde moesten beklimmen, hadden een moeilijken en langen tocht te doen. Eindelijk verried een verwijderd, flauw hoorbaar gehuil, hetwelk door de echo van de overzijde in plaats van uit de hoogte scheen te komen, dat de honden waren losgelaten en de jacht was begonnen. Daarop werd alles weer doodstil. Met angstige spanning tuurde Willem door een opening in de struiken. Hij meende op korten afstand de honden te hooren snuiven en snuffelen.[145]Weer verstreek een half uur. Plotseling stiet een hond, dicht in zijn nabijheid een zegevierend gehuil uit. De ever was ontdekt.„Hoera, zwijn! Hond, tsa! Hond, pak aan!” schreeuwden de hondenbaas en de drijvers om het hardst. De lucht daverde van het geblaf en het gehuil der honden, die van alle zijden door de struiken kwamen toesnellen, en van het geschreeuw der drijvers, die den ever naar beneden of zijwaarts-af trachtten te drijven.Willem rilde van angst. Hij was bijna niet in staat zijn buks vast te houden. Lord Greybury lag op de knieën, het bovenlijf voorovergebogen, de kolf tegen de heup gedrukt, den vinger aan den trekker, gereed elk oogenblik aan te leggen en af te drukken, zoodra de ever maar een handbreed van zijne borstelhuid te zien gaf.Het geblaf en geschreeuw kwam nader. Van tijd tot tijd bewees een jammerlijk gehuil, dat een onervaren hond in zijn overmoed den ever te na was gekomen, en voor zijn vermetelheid met een stoot van de geduchte slagtanden was gestraft.„Dek je achter mij; ze komen hier heen,” fluisterde de Lord, die Willems angst op zijn gelaat las. Een duidelijk hoorbaar, dof gebrom bevestigde de woorden van den Engelschman. Het kraken van de doode takken, het ritselen van de dorre bladeren wees voor het gehoor den weg aan, dien de ever al vluchtende volgde. Te zien was er niets, van de honden, noch van de drijvers; van den ever het allerminst.„Klim in dat boompje,” gaf lord Greybury meer door gebaren, dan door woorden Willem te verstaan; er was iets minachtends in zijn blik. Dat was te veel voor Willem; de schaamte joeg hem het bloed naar de wangen.De kalme moed van den Engelschman stak hem een hart onder den riem, en zooals wel meer gebeurt, ook het naderen van het gevaar verdreef zijn angst. Het beven hield eensklaps op; hij knielde naast den Engelschman neer en omklemde stevig zijn hartsvanger.„Ho, zwijn! tsa hond!” schreeuwden de drijvers van boven af. De ever moest vlak tusschen deze en Willem zijn; het dier scheen stil te staan. Door de openingen van het boschje konden ze nu den zwartborstel zien. Hij snoof de lucht in en scheen te overleggen, wat hem te doen stond. De honden, die in een kring om hem heen stonden te huilen en te blaffen, telde hij weinig. Geen van alle durfde naderen. Achter hem stonden de drijvers te razen en te schreeuwen als bezetenen, doch zij waren evenals de honden gereed, ijlings op de vlucht te gaan, zoodra mijnheer Satan het in zijn dikken kop mocht krijgen, om te keeren.[146]Vóór hem bleek het echter ook niet pluis te zijn. Wat te doen? Daar naderde een van de honden hem wat te dicht. Eén zijsprong, één stoot van den ever, en de waaghals vloog met opengescheurden buik vijf voet hoog in de lucht, boven het kreupelhout uit.Nu nam het wilde zwijn zijn kans waar. Het stoof vooruit. „Paf,” knalde het schot van Lord Greybury. De ever brulde als een varken, dat geslacht wordt; hij stond een oogenblik stil, boog toen den kop en vloog in razende vaart recht op Lord Greybury af. Deze had geen tijd, uit zijn knielende houding op te staan. Willem stiet een gil van angst uit; hij liet zijn mes vallen, maar gaf tegelijkertijd den Lord een duw, die dezen een eindweegs op zijde deed vallen; hij zelf rolde door den terugstuit eveneens om. De ever vloog tusschen beiden door, onmiddellijk gevolgd door den geheelen troep hijgende of jankende honden en gillende drijvers.„Dat is de tweede maal, dat je mij het leven redt,” zei de Engelschman opstaande.Doch Willem, die reeds van den schrik bekomen was, hoorde het niet eens; hij wijdde al zijn aandacht aan de jacht, die nu in haar geheel zichtbaar was. Satan was uit het kreupelhout gedreven, en draafde den lavaweg op; een bloedspoor teekende zijn loop. Het was een reusachtig dier; de zwarte borstels op den rug stonden overeind en deden hem nog grooter schijnen dan hij werkelijk was. Zijne slagtanden waren even lang als zijn kop. De honden haalden hem in, en nu zij hem aangeschoten wisten, waagden zij het, op hem los te springen; een stuk of vijf beten zich vast.Maar de ever schudde ze brullende af, en deed er een paar een luchtreis maken. Dit boezemde den anderen ontzag in.Daar sprong de hondenbaas uit het kreupelhout op den weg, gevolgd door twee honden, die tot nu toe geen deel aan de jacht hadden mogen nemen.„Ho zwijn, tsa Turk! pak aan Caro!” riep hij hun toe. De ophitsing was overbodig.Nauwelijks had Caro den ever gezien, of hij vloog hem naar den kop, maar lag een oogenblik later met opengereten buik in een greppel te spartelen.Turk gaf geen geluid, terwijl hij op den ever toe rende. Met een vervaarlijken sprong greep hij het rechteroor van het wilde zwijn tusschen zijn scherpe tanden, en op hetzelfde oogenblik, dat de ever den kop bukte, om hem op dezelfde wijze als zijn kameraad Caro onschadelijk te maken, sprong Turk met ongelooflijke behendigheid over het zwijn heen. Hij hield echter het rechter oor tusschen zijne tanden geklemd, zoodat hij het[147]zwijn belette naar hem te stooten. De ever brulde van pijn en van machtelooze woede, daar zijn kop naar rechts getrokken werd, en zijn aanvaller zich links bevond. De overige honden hadden op deze manoeuvre van Turk gewacht, om opnieuw aan te vallen en zich weder vast te bijten. Bedolven onder een door elkander krielende hoop honden, sukkelde de ever nog een eind weegs voort. Nu was ook de hondenbaas naderbij gekomen; met opgeheven hartsvanger snelde hij op den ever toe. Deze bemerkte hem. Met inspanning van zijn laatste krachten trachtte hij zijne aanvallers af te schudden, doch Turk en drie andere honden hielden vast. Wel keerde het zwijn zich nog om, ten einde weer in het kreupelhout te komen, maar het bloedverlies had hem te zeer verzwakt, om snel te kunnen loopen.De hondenbaas haalde hem in, greep hem met de linkerhand van achter bij de lange rugborstels en liet zich meesleuren. Het blanke staal flikkerde een oogenblik in de lucht, en verdween daarop tot aan het hecht tusschen de ribben achter het schouderblad.De ever brulde weer als toen hij het schot van Lord Greybury ontving, en vóór nog de hondenbaas het bloedige wapen aan het gras had afgeveegd, zakte Satan ineen.Een der drijvers blies het signaal: „Zwijn dood,” en van alle zijden kwamen de jagers uit hun schuilplaatsen te voorschijn.„Een prachtig schot, een koningsschot,” riep de hondenbaas, toen hij met de zweep de honden van den ever had verjaagd, „de kogel is door de beide longtoppen gegaan. Als er niet zoo goed gemikt was, zou de rakker ons nog ontsnapt zijn. Wie heeft zoo goed getroffen?”Geen der jagers antwoordde.„Dan was het zonder twijfel Uwe Hoogheid,” zeide de opperjager naderbijtredende. „Wij wenschen u geluk met het prachtige schot en zouden daaraan alleen reeds uw waren stand herkennen.”De Lord boog, bedankte voor de vriendelijke ontvangst, en zeide, dat hij verder geen deel aan de jacht zou nemen.De jagers trokken gezamenlijk terug naar het rendez-vous, waar ze hun collega’s aantroffen, die reeds in een andere streek twee wilde zwijnen gedood hadden.De honden waren intusschen weer gekoppeld. Vier der gewonden moesten afgemaakt worden; daar volgens den hondenbaas geen genezing meer te wachten was. Vijf andere, wien de ingewanden uit het lijf hingen, schenen aan dergelijke kleinigheden gewoon te zijn. Ze kwispelstaartten, toen de hondenbaas het verbandlinnen voor den dag haalde, en lieten zich verbinden, zonder een kreet van smart te uiten.[148]Na een stevig ontbijt gebruikt te hebben, namen onze reisgenooten afscheid van de jagers. De opperjager bood hun een der slagtanden van Satan aan, als een herinnering aan deze jacht, en geleidde hen naar Buschweiler terug.Lord Greybury en Willem gingen niet weer naar Bonn terug, maar reisden nog denzelfden dag naar Coblenz aan den Rijn, vanwaar zij hun reis met de stoomboot wenschten voort te zetten.

[Inhoud]HOOFDSTUKXI.Aan de ontbijttafel zat naast Willem een reusachtige Duitscher; naar zijn kleeding te oordeelen, moest het een jager zijn; want die bestond uit een donkergroen jachtbuis, een grijze kniebroek, slobkousen en lage, met ijzer beslagen schoenen. Aan zijn gordel droeg hij een breeden hartsvanger met hertshoornen gevest. In een hoek had hij een buks neergezet, die door een geel lederen foedraal tegen stof en vocht beschermd werd, en nu tijdelijk tot kapstok diende voor een vilten hoed, met een haneveer versierd.Het was een spraakzaam man, die zich weldra als koninklijk jager bekend maakte, en vertelde, dat hij op reis was naar den Eifel, waar op groote schaal een drijfjacht op wilde zwijnen zou gehouden worden.„Zijn er dan nog zooveel wilde zwijnen in die streken?”[138]vroeg Willem, die als elke jongen reeds belang stelde in alles, wat op de jacht betrekking had, en die, vooral nu het een jacht op wilde zwijnen betrof, gaarne het verhaal daarvan eens wilde hooren. LordGreyburydronk, schijnbaar zonder op het gesprek te letten, zijn zesde kopje thee.„Of er veel zijn?” antwoordde de jager, „als er niet elken winter een drijfjacht werd gehouden, zou daar gewis geen boer meer zijn land kunnen bebouwen. De zwartborstels graven en woelen in één nacht een geheelen akker om, zonder dat men er iets tegen doen kan. Dan moet men opnieuw gaan graven en poten. En die beesten vermenigvuldigen zich zoo sterk en zijn zoo moeilijk onder schot te krijgen, dat de boeren op dit oogenblik met de handen in het haar zitten. Van de winter zijn er dertig stuks afgemaakt; maar nu is ’t weer zoo erg, dat de landbouwers zich tot de regeering gewend hebben om hulp. Nu zal tegen de gewoonte een drijfjacht in den zomer plaats hebben. Kijk maar eens hier; ik heb eergisteren deze oproeping gekregen.”Terwijl de jager zijn broodje at, las Willem op het gedrukte vel papier:De regeering van Trier noodigt bij dezen den Heer Waidmann uit, zich met alle jagers, houtvesters en drijvers, die onder zijn bevelen staan, den vijfden van dezen maand, ’s morgens voor zonsopgang in het dorp Buschweiler te bevinden, om in vereeniging met alle jagers uit het district een drijfjacht op zwartwild te houden.Lord Greybury keek het papier ook in. Hij kende juist zooveel Duitsch, om Willems gesprek met den Heer Waidmann te begrijpen en de oproeping te kunnen lezen.Aanstonds droeg hij Willem op, een flesch morgenwijn voor den jager te bestellen. Deze bedankte den heer Lord onderdanigst, schoof zijn theekopje en melkkan op zij, en in minder dan tien minuten was de fijne flesch voor drie vierden geledigd.Lord Greybury klonk met zijn theekopje tegen het gevulde glas van den heer Waidmann en wenschte hem, zoo goed en zoo kwaad het ging, een voorspoedige jacht.Het ijs was gebroken. Een gesprek, waarbij Willem als tolk tusschen Engeland en Duitschland dienst deed, ontwikkelde zich. Willem had zijn reisgezel nog nooit zooveel na elkander hooren spreken, al had ook nu de jager het leeuwendeel van het gesprek. Het bleek, dat Lord Greybury in jachtzaken, en vooral wat de zwijnenjacht betrof, geen vreemdeling was. Hij vroeg, of Waidmann ook honden had meegebracht.„Niet noodig mijnheer? In verscheidene steden van den Eifel,[139]en ook te Trier houdt de regeering der stad er een eigen troep honden op na, die op de zwijnenjacht afgericht zijn.”„Kunnen wij van de partij zijn?” vroeg de Engelschman op den man af en sprak daarmede uit, wat Willem zeer gaarne wenschte, doch niet durfde vragen.De jager zette een bedenkelijk gezicht. Hij mompelde iets van levensgevaar, verantwoordelijkheid, dat er slechts jagers van beroep aan de jachtpartij deelnamen, en dat alleen de opperjachtmeester liefhebbers mocht toelaten.„En dan een onervaren jongmensch, die misschien nog nooit eene buks heeft afgeschoten,” voegde hij er met een half medelijdenden, half minachtenden blik op Willem bij.„Wel wis en zeker kan ik met een geweer omgaan, en goed mikken ook,” viel Willem in, vreezende dat door zijn onervarenheid het plan in duigen zou vallen, „toen ik vijftien jaar was, kreeg ik al een buks present, en daarmee heb ik eens een haas en een eend geschoten.”Hij zei er niet bij, dat de haas al aangeschoten en de eend toevallig een tamme was.De jager proestte het uit van lachen.„Een haas en een eend! En dat wil op de zwijnenjacht gaan; daar komt nog iets anders kijken, hoor!”„Juist daarom zou ik gaarne eens meegaan!” zei Willem.Een tweede flesch werd op een wenk van den lord den jager gebracht. De milde gever bewonderde intusschen met kennersoogen de buks van den jager.Tegen zooveel mildheid en vriendelijkheid bij een schatrijk man was de jager niet bestand.„Maar ’t is zoo gevaarlijk!” zeide hij, weifelend het verzoek toe te staan.„Gevaar moet er zijn”, antwoordde Lord Greybury, „anders is het moorden.”De jager beloofde de verantwoordelijkheid op zich te nemen.„Afgesproken,” zei Willem,„een man, een man, een woord, een woord?”„Natuurlijk! Ik zal u over een paar uren komen halen. Zorg voor buksen en koop vooral lederen slobkousen, want anders wordt in de struiken uw broek spoedig aan flarden gescheurd. Ik zal mijn makkers en den opperjager zeggen, dat u zulken fijnen wijn laat schenken. Daar doet een jager veel voor!”„Bij ankers, als het noodig is!” zei Lord Greybury op zijn gewonen kalmen toon.Waidmann keek verbluft op en met overtuiging zei hij:„U kunt de geheele jacht meemaken, al duurt ze ook drie weken; daar sta ik voor in!”[140]„Dat is niet noodig;ééndag is voldoende,” antwoordde de Engelschman met een fijn glimlachje.Tegen het middaguur stapte ons drietal, nadat Pollo opnieuw aan de zorg van den conducteur was aanbevolen, in den trein die hen tot op eenige uren afstands van de verzamelplaats der jagers voerde.Lord Greybury en Willem hadden nog tijd gevonden, zich een volledig, splinternieuw jachtcostuum met toebehooren aan te schaffen. Na het verlaten van den trein stapte Willem, deftig met zijn buks op den rug, en zijn weitasch en veldflesch op zijde, tusschen zijn beide jachtgezellen op den weg naar Buschweiler voort. Hij was niet klein en toch geleek hij een kind tusschen zijn beide vleugelmannen.„Holland tusschen Engeland en Duitschland,” merkte de jager aan.„Dat straks, als de nood aan de man komt, op beider hulp rekent,” gaf Willem ten antwoord.Bij het vallen van den avond bereikten zij de eerste huizen van het dorpje. Reeds uit de verte klonk hun gelach en gezang tegen.Meer dan honderd jagers en drijvers zaten voor verschillende herbergen aan den weg en zongen, dat het een aard had.Bij de aankomst van ons drietal verstomde het gezang van de vroolijke jagers. Van alle zijden werden de aangekomenen met nieuwsgierige blikken bekeken. Waidmann had de voorzorg genomen, een zijner bekenden vooruit te zenden naar het rendez-vous, om een vriendelijke ontvangst voor te bereiden. Deze voorlooper had reeds zooveel verteld van de onnoemelijke schatten, waarvan de Engelschman bezitter was, van diens verkwistende mildheid, dat velen onder de jagers zich reeds bij voorbaat overtuigd hielden, dat de vreemdeling minstens een prins van den bloede moest zijn, die incognito reisde, vergezeld van zijn adjudant. Toen Lord Greybury met Willem naderbij waren gekomen stonden de jagers op, en salueerden op militaire wijze. Lord Greybury groette terug met een genadige handbeweging, zooals vorstelijke personen dat gewoon zijn; dit versterkte de heeren jagers in hun meening, met een lid van de koninklijke familie uit Engeland te doen te hebben. „De prins van Wales misschien,” fluisterde een der jagers zijn buurman in het oor. Het woord ging van mond tot mond; het „misschien” bleef natuurlijk achterwege en weldra stond bij de jagers vast, dat ze de hooge eer genoten, den prins van Wales van aangezicht tot aangezicht te aanschouwen. De Lord reikte den opperhoutvester en leider der jacht, die inmiddels, buigend als een[141]knipmes, nader was getreden, zijn kaartje over. ’t Lord Greybury werd als een aangenomen naam beschouwd, waaronder de prins reisde. Deze begreep spoedig, voor wien men hem hield. Hij verwaardigde zich in alle deftigheid aan een tafeltje plaats te nemen en noodigde eenige der jagers uit, zich naast hem te zetten. Willem vond de comedie vermakelijk; om den waan der jagers niet te verstoren, speelde hij mee en plaatste zich achter den stoel van den Engelschman.Zonder diens bevelen af te wachten, liet hij den waard roepen en gelastte hem tamelijk luid, den jagers zooveel te drinken te geven als ze verlangden.Een driemaal herhaald: „Hoch!” beloonde den „prins” voor zijn vrijgevigheid. De wijn stroomde over de tafels door de altijd dorstige kelen der jagers, en spoedig raakten de tongen weer los.Nu ging het aan het opsnijden; de ongeloofelijkste heldendaden werden opgedischt en voor goede waar geslikt. Niemand scheen de geloofwaardigheid slechts een oogenblik in twijfel te trekken.Een jong ventje, wiens baard aan het uitkomen was, en dat onophoudelijk over het stoppelveld van zijn kin streek, bleek boven allen uit te munten door de vaardigheid, waarmee hij het jagerlatijn sprak.„Verbeeld u, hoogheid, gisteravond zit ik op post aan den rand van een hollen weg, om een haas te schieten. Daar komt links van mij een haas uit het kreupelhout, rechts een reebok; pif, paf, beide wentelen tegelijk in hun zweet. Nauwelijks heb ik weer geladen, of boven mij merk ik een havik, die een houtsnip vervolgt; pif, paf, beide tuimelen naar beneden. Ik sta op, om mijn buit wat nader te bekijken en laad ondertusschen mijn tweeloop weer. Wat zie ik daar in de verte? Een wilde zeug met een jong! Ik leg aan, pif, paf, beide rollen om.”Lord Greybury schudde vol verbazing het hoofd over zooveel schotvastheid en gaf Willem een wenk.„Mylord is vermoeid, en wenscht zich ter ruste te begeven,” zei Willem op plechtigen toon.Dadelijk verdrongen zich de opperhoutvester, de opperjager en nog eenige anderen om den gewaanden prins, ten einde dezen naar de herberg te leiden; ze waren onuitputtelijk in verontschuldigingen, Zijne Hoogheid slechts zulk een armzalig slaapvertrek te kunnen aanwijzen.Willem bedankte de heeren uit naam van Mylord voor hun bereidwilligheid, en verzocht den jagers hen den volgenden morgen vroegtijdig te willen wekken; wat de heeren dienstvaardig beloofden.[142]Nog lang bleven de jagers drinken en zingen, doch het laatste niet meer uit volle borst; want ze vreesden Zijne Hoogheid in diens slaap te storen.’s Morgens voor dag en dauw braken de jagers en met hen Lord Greybury en Willem, groepsgewijze op, naar een gehucht, op een uur afstands van Buschweiler gelegen. Pollo ging op verzoek van den jachtmeester niet mee, maar werd in de herberg vastgelegd. ’t Was een vermoeiende tocht. Het ging berg op, berg af, door kreupelhout en over kale hoogvlakten.De weg slingerde nu eens langs afgronden, dan weer door een stuk bouwland, aangelegd op de helling van een sedert onheuglijke tijden, uitgebluschten vulkaan. De lava, waaruit de weg bestond, was tot poeder verweerd en dwarrelde in stofwolken op onder de voeten der stevig doorstappende mannen. Allengs verbleekten de sterren en een strook geelachtig licht aan den oostelijken hemel verkondigde den naderenden dageraad. In de verte teekende zich de zwarte lijn van een bosch tegen den minder donkeren hemel af. Dat was een dennenbosch, aan welks zoom rendez-vous was gegeven voor de jagers, drijvers en honden.Een luid geblaf bewees, dat de dieren reeds de nadering der menschen hadden opgemerkt.Juist toen de voorste groepen het bosch bereikten, verlichtten de eerste zonnestralen den omtrek.Het woud was op een hoogte gelegen, en strekte zich, zoover het oog reikte, over de toppen en hellingen van tallooze groote en kleine bergen uit.Een oorverdoovend geblaf en gejank, vertienvoudigd door de echo’s der achterliggende bergen herhaald, begroetten de jagers; meest oude bekenden of vroegere meesters der honden. Men zag er van allerlei soort en ras. Herdershonden, brakken, Engelsche doggen, hazewinden, Mexicaansche doggen, die alle sterk en wel doorvoed,ééneigenschap gemeen hadden, namelijk voortreffelijke zwijnenpakkers te zijn. Ze waren twee aan twee gekoppeld, en elk paar werd in bedwang gehouden door een knecht van den hondenbaas. De laatste was een vreemd personnage. Hij was zeer klein van gestalte, maar in verhouding buitengewoon breed en gespierd. Zijn peper-en-zoutkleurige baard reikte tot aan de knieën en bedekte bijna zijn geheel gelaat. Een blik uit zijn kleine, staalblauwe oogen was voldoende om een paar vechtende honden te scheiden en in bedwang te houden. Zijn kleeding was gelijk aan die der jagers, doch de buks ontbrak; die zou hem in ’t kreupelhout ook meer tot last, dan tot nut geweest zijn. Naast zijn reusachtigen hartsvanger hing aan zijn[143]gordel een korte, stevige zweep, waarmede de honden gekastijd werden, wanneer ze ander wild dan zwijnen najoegen. Van de honden en daardoor van hem, hing grootendeels de goede uitslag van de jacht af.De jagers en drijvers zetten zich op den hoogen rand van den weg neer, of vlijden zich onder de boomen op het zachte, gladde mos en wachtten geduldig de bevelen van den opperhoutvester af.Geen der spoorzoekers was nog teruggekomen. Om niet nutteloos een bosch af te jagen, zonder te weten, of er zich zwijnen in ophielden, waren reeds een dag te voren beproefde spoorzoekers uitgezonden; meest boeren uit den omtrek, die belang hadden bij een goede vangst. Deze lieden hadden een moeielijke taak te vervullen, vooral in den zomer. ’s Winters wanneer er versch gevallen sneeuw ligt, is het gemakkelijk aan de sporen te zien, of er wilde zwijnen uit of in een bosch zijn gegaan, en daarnaar tevens te berekenen, hoeveel er op het oogenblik, dat de jacht begint, nog in zijn.Maar nu was het zomer. In het hooge gras en de struiken was het spoor moeielijk, voor niet-ingewijden in de kunst van spoorzoeken, onmogelijk te vinden. Een der zoekers was op de gedachte gekomen den vorigen avond fijn zand op de paden te strooien, die het wild gewoonlijk volgde. En de uitkomst beloonde de moeite. Toen ze aan het rendez-vous terugkwamen, konden ze mededeelen dat in het kreupelhout op korten afstand twee evers en verscheidene zeugen verborgen waren. Dit verwekte groote blijdschap onder de jagers, die zingende en fluitende opstonden, om de buksen nog eens na te zien en den haan te beproeven.Een luid gejuich ging op, toen een der spoorzoekers snel kwam aanloopen en reeds uit de verte riep, dat Satan ontdekt en omsingeld was. Satan was een oude ever, in den geheelen omtrek onder dien naam bekend; drie achtereenvolgende winters was hij reeds gejaagd, maar de slimme rakker was niet onder schot te krijgen. De honden boezemden hem weinig vrees in, hij den honden des te meer. Meer danéénhond had kennis gemaakt met zijn geduchte slagtanden; een drietal had reeds het hachje er bij ingeschoten.Terstond werd opgebroken, en de afdeeling, waarbij zich Lord Greybury en Willem bevonden, begaf zich naar de aangeduide plaats, waar Satan zich volgens het zeggen van den boer, moest bevinden.Weldra bereikte men den voet van een tamelijk hoogen berg. De geheele helling was met hooge eikenstruiken bezet. De top was kaal en glinsterde in het morgenlicht.„Stilte!” commandeerde de opperjager.[144]Oogenblikkelijk verstomde het gesprek der jagers en het geblaf der honden. De jagersstoet werd in twee deelen gesplitst. Een afdeeling, waarbij de hondenbaas met zijn dieren, moest de berg omtrekken, aan de andere zijde weer beklimmen en op den top post vatten. Den overigen werd aan den voet of op verschillende plaatsen van de helling hun post aangewezen.„Dekken!” luidde het tweede commando.Allen verdwenen achter struiken of lage boomen. De helling scheen eensklaps verlaten. Iemand, die van de jachtpartij geen kennis droeg en den berg had gezien, zou niet vermoed hebben, dat in het kreupelbosch een veertigtal jagers en evenveel honden op de loer lagen.Willem knielde, met kloppend hart, naast Lord Greybury neer. Vlak aan den voet van den berg was hun achter een hooge eiken struik een plaats aangewezen. Menig jager benijdde hun dien voordeeligen post; want daar had men kans Satan den eersten kogel toe te zenden; want vandaar konden ze den geheelen weg, die zich om den voet slingerde, overzien.„Ben je bang?” fluisterde Lord Greybury hem in ’t oor.„Neen; maar ik beef wel ’n beetje.”„Dat is niets, je behoeft niet te schieten; voordat de ever hier op den weg is—als hij tenminste dom genoeg is, uit het kreupelhout te komen—heeft hij al een kogel beet.”„Maar misschien zit hij hier vlak bij verborgen.”„Dat is niet onmogelijk en in dit geval hebben we een gevaarlijk plaatsje,” was het troostrijk antwoord, en Lord Greybury trok zijn hartsvanger uit de scheede en legde het blanke mes naast zich op het gras.„Wat wilt u doen?”„Het dier te lijf gaan, als het me te na komt.”Het geheele voorkomen van den Engelschman was veranderd. Op zijn anders zoo strak gelaat was de hartstocht voor de jacht zichtbaar en zijn oogen fonkelden van strijdlust.Willem rilde bij de gedachte, dat de Lord zich roekeloos aan gevaar zou blootstellen, en hij voelde, dat hem zelfs de moed ontbrak, zijn heer te hulp te komen.Het duurde wel een uur, eer het drijven begon; want zij, die den berg van de andere zijde moesten beklimmen, hadden een moeilijken en langen tocht te doen. Eindelijk verried een verwijderd, flauw hoorbaar gehuil, hetwelk door de echo van de overzijde in plaats van uit de hoogte scheen te komen, dat de honden waren losgelaten en de jacht was begonnen. Daarop werd alles weer doodstil. Met angstige spanning tuurde Willem door een opening in de struiken. Hij meende op korten afstand de honden te hooren snuiven en snuffelen.[145]Weer verstreek een half uur. Plotseling stiet een hond, dicht in zijn nabijheid een zegevierend gehuil uit. De ever was ontdekt.„Hoera, zwijn! Hond, tsa! Hond, pak aan!” schreeuwden de hondenbaas en de drijvers om het hardst. De lucht daverde van het geblaf en het gehuil der honden, die van alle zijden door de struiken kwamen toesnellen, en van het geschreeuw der drijvers, die den ever naar beneden of zijwaarts-af trachtten te drijven.Willem rilde van angst. Hij was bijna niet in staat zijn buks vast te houden. Lord Greybury lag op de knieën, het bovenlijf voorovergebogen, de kolf tegen de heup gedrukt, den vinger aan den trekker, gereed elk oogenblik aan te leggen en af te drukken, zoodra de ever maar een handbreed van zijne borstelhuid te zien gaf.Het geblaf en geschreeuw kwam nader. Van tijd tot tijd bewees een jammerlijk gehuil, dat een onervaren hond in zijn overmoed den ever te na was gekomen, en voor zijn vermetelheid met een stoot van de geduchte slagtanden was gestraft.„Dek je achter mij; ze komen hier heen,” fluisterde de Lord, die Willems angst op zijn gelaat las. Een duidelijk hoorbaar, dof gebrom bevestigde de woorden van den Engelschman. Het kraken van de doode takken, het ritselen van de dorre bladeren wees voor het gehoor den weg aan, dien de ever al vluchtende volgde. Te zien was er niets, van de honden, noch van de drijvers; van den ever het allerminst.„Klim in dat boompje,” gaf lord Greybury meer door gebaren, dan door woorden Willem te verstaan; er was iets minachtends in zijn blik. Dat was te veel voor Willem; de schaamte joeg hem het bloed naar de wangen.De kalme moed van den Engelschman stak hem een hart onder den riem, en zooals wel meer gebeurt, ook het naderen van het gevaar verdreef zijn angst. Het beven hield eensklaps op; hij knielde naast den Engelschman neer en omklemde stevig zijn hartsvanger.„Ho, zwijn! tsa hond!” schreeuwden de drijvers van boven af. De ever moest vlak tusschen deze en Willem zijn; het dier scheen stil te staan. Door de openingen van het boschje konden ze nu den zwartborstel zien. Hij snoof de lucht in en scheen te overleggen, wat hem te doen stond. De honden, die in een kring om hem heen stonden te huilen en te blaffen, telde hij weinig. Geen van alle durfde naderen. Achter hem stonden de drijvers te razen en te schreeuwen als bezetenen, doch zij waren evenals de honden gereed, ijlings op de vlucht te gaan, zoodra mijnheer Satan het in zijn dikken kop mocht krijgen, om te keeren.[146]Vóór hem bleek het echter ook niet pluis te zijn. Wat te doen? Daar naderde een van de honden hem wat te dicht. Eén zijsprong, één stoot van den ever, en de waaghals vloog met opengescheurden buik vijf voet hoog in de lucht, boven het kreupelhout uit.Nu nam het wilde zwijn zijn kans waar. Het stoof vooruit. „Paf,” knalde het schot van Lord Greybury. De ever brulde als een varken, dat geslacht wordt; hij stond een oogenblik stil, boog toen den kop en vloog in razende vaart recht op Lord Greybury af. Deze had geen tijd, uit zijn knielende houding op te staan. Willem stiet een gil van angst uit; hij liet zijn mes vallen, maar gaf tegelijkertijd den Lord een duw, die dezen een eindweegs op zijde deed vallen; hij zelf rolde door den terugstuit eveneens om. De ever vloog tusschen beiden door, onmiddellijk gevolgd door den geheelen troep hijgende of jankende honden en gillende drijvers.„Dat is de tweede maal, dat je mij het leven redt,” zei de Engelschman opstaande.Doch Willem, die reeds van den schrik bekomen was, hoorde het niet eens; hij wijdde al zijn aandacht aan de jacht, die nu in haar geheel zichtbaar was. Satan was uit het kreupelhout gedreven, en draafde den lavaweg op; een bloedspoor teekende zijn loop. Het was een reusachtig dier; de zwarte borstels op den rug stonden overeind en deden hem nog grooter schijnen dan hij werkelijk was. Zijne slagtanden waren even lang als zijn kop. De honden haalden hem in, en nu zij hem aangeschoten wisten, waagden zij het, op hem los te springen; een stuk of vijf beten zich vast.Maar de ever schudde ze brullende af, en deed er een paar een luchtreis maken. Dit boezemde den anderen ontzag in.Daar sprong de hondenbaas uit het kreupelhout op den weg, gevolgd door twee honden, die tot nu toe geen deel aan de jacht hadden mogen nemen.„Ho zwijn, tsa Turk! pak aan Caro!” riep hij hun toe. De ophitsing was overbodig.Nauwelijks had Caro den ever gezien, of hij vloog hem naar den kop, maar lag een oogenblik later met opengereten buik in een greppel te spartelen.Turk gaf geen geluid, terwijl hij op den ever toe rende. Met een vervaarlijken sprong greep hij het rechteroor van het wilde zwijn tusschen zijn scherpe tanden, en op hetzelfde oogenblik, dat de ever den kop bukte, om hem op dezelfde wijze als zijn kameraad Caro onschadelijk te maken, sprong Turk met ongelooflijke behendigheid over het zwijn heen. Hij hield echter het rechter oor tusschen zijne tanden geklemd, zoodat hij het[147]zwijn belette naar hem te stooten. De ever brulde van pijn en van machtelooze woede, daar zijn kop naar rechts getrokken werd, en zijn aanvaller zich links bevond. De overige honden hadden op deze manoeuvre van Turk gewacht, om opnieuw aan te vallen en zich weder vast te bijten. Bedolven onder een door elkander krielende hoop honden, sukkelde de ever nog een eind weegs voort. Nu was ook de hondenbaas naderbij gekomen; met opgeheven hartsvanger snelde hij op den ever toe. Deze bemerkte hem. Met inspanning van zijn laatste krachten trachtte hij zijne aanvallers af te schudden, doch Turk en drie andere honden hielden vast. Wel keerde het zwijn zich nog om, ten einde weer in het kreupelhout te komen, maar het bloedverlies had hem te zeer verzwakt, om snel te kunnen loopen.De hondenbaas haalde hem in, greep hem met de linkerhand van achter bij de lange rugborstels en liet zich meesleuren. Het blanke staal flikkerde een oogenblik in de lucht, en verdween daarop tot aan het hecht tusschen de ribben achter het schouderblad.De ever brulde weer als toen hij het schot van Lord Greybury ontving, en vóór nog de hondenbaas het bloedige wapen aan het gras had afgeveegd, zakte Satan ineen.Een der drijvers blies het signaal: „Zwijn dood,” en van alle zijden kwamen de jagers uit hun schuilplaatsen te voorschijn.„Een prachtig schot, een koningsschot,” riep de hondenbaas, toen hij met de zweep de honden van den ever had verjaagd, „de kogel is door de beide longtoppen gegaan. Als er niet zoo goed gemikt was, zou de rakker ons nog ontsnapt zijn. Wie heeft zoo goed getroffen?”Geen der jagers antwoordde.„Dan was het zonder twijfel Uwe Hoogheid,” zeide de opperjager naderbijtredende. „Wij wenschen u geluk met het prachtige schot en zouden daaraan alleen reeds uw waren stand herkennen.”De Lord boog, bedankte voor de vriendelijke ontvangst, en zeide, dat hij verder geen deel aan de jacht zou nemen.De jagers trokken gezamenlijk terug naar het rendez-vous, waar ze hun collega’s aantroffen, die reeds in een andere streek twee wilde zwijnen gedood hadden.De honden waren intusschen weer gekoppeld. Vier der gewonden moesten afgemaakt worden; daar volgens den hondenbaas geen genezing meer te wachten was. Vijf andere, wien de ingewanden uit het lijf hingen, schenen aan dergelijke kleinigheden gewoon te zijn. Ze kwispelstaartten, toen de hondenbaas het verbandlinnen voor den dag haalde, en lieten zich verbinden, zonder een kreet van smart te uiten.[148]Na een stevig ontbijt gebruikt te hebben, namen onze reisgenooten afscheid van de jagers. De opperjager bood hun een der slagtanden van Satan aan, als een herinnering aan deze jacht, en geleidde hen naar Buschweiler terug.Lord Greybury en Willem gingen niet weer naar Bonn terug, maar reisden nog denzelfden dag naar Coblenz aan den Rijn, vanwaar zij hun reis met de stoomboot wenschten voort te zetten.

HOOFDSTUKXI.

Aan de ontbijttafel zat naast Willem een reusachtige Duitscher; naar zijn kleeding te oordeelen, moest het een jager zijn; want die bestond uit een donkergroen jachtbuis, een grijze kniebroek, slobkousen en lage, met ijzer beslagen schoenen. Aan zijn gordel droeg hij een breeden hartsvanger met hertshoornen gevest. In een hoek had hij een buks neergezet, die door een geel lederen foedraal tegen stof en vocht beschermd werd, en nu tijdelijk tot kapstok diende voor een vilten hoed, met een haneveer versierd.Het was een spraakzaam man, die zich weldra als koninklijk jager bekend maakte, en vertelde, dat hij op reis was naar den Eifel, waar op groote schaal een drijfjacht op wilde zwijnen zou gehouden worden.„Zijn er dan nog zooveel wilde zwijnen in die streken?”[138]vroeg Willem, die als elke jongen reeds belang stelde in alles, wat op de jacht betrekking had, en die, vooral nu het een jacht op wilde zwijnen betrof, gaarne het verhaal daarvan eens wilde hooren. LordGreyburydronk, schijnbaar zonder op het gesprek te letten, zijn zesde kopje thee.„Of er veel zijn?” antwoordde de jager, „als er niet elken winter een drijfjacht werd gehouden, zou daar gewis geen boer meer zijn land kunnen bebouwen. De zwartborstels graven en woelen in één nacht een geheelen akker om, zonder dat men er iets tegen doen kan. Dan moet men opnieuw gaan graven en poten. En die beesten vermenigvuldigen zich zoo sterk en zijn zoo moeilijk onder schot te krijgen, dat de boeren op dit oogenblik met de handen in het haar zitten. Van de winter zijn er dertig stuks afgemaakt; maar nu is ’t weer zoo erg, dat de landbouwers zich tot de regeering gewend hebben om hulp. Nu zal tegen de gewoonte een drijfjacht in den zomer plaats hebben. Kijk maar eens hier; ik heb eergisteren deze oproeping gekregen.”Terwijl de jager zijn broodje at, las Willem op het gedrukte vel papier:De regeering van Trier noodigt bij dezen den Heer Waidmann uit, zich met alle jagers, houtvesters en drijvers, die onder zijn bevelen staan, den vijfden van dezen maand, ’s morgens voor zonsopgang in het dorp Buschweiler te bevinden, om in vereeniging met alle jagers uit het district een drijfjacht op zwartwild te houden.Lord Greybury keek het papier ook in. Hij kende juist zooveel Duitsch, om Willems gesprek met den Heer Waidmann te begrijpen en de oproeping te kunnen lezen.Aanstonds droeg hij Willem op, een flesch morgenwijn voor den jager te bestellen. Deze bedankte den heer Lord onderdanigst, schoof zijn theekopje en melkkan op zij, en in minder dan tien minuten was de fijne flesch voor drie vierden geledigd.Lord Greybury klonk met zijn theekopje tegen het gevulde glas van den heer Waidmann en wenschte hem, zoo goed en zoo kwaad het ging, een voorspoedige jacht.Het ijs was gebroken. Een gesprek, waarbij Willem als tolk tusschen Engeland en Duitschland dienst deed, ontwikkelde zich. Willem had zijn reisgezel nog nooit zooveel na elkander hooren spreken, al had ook nu de jager het leeuwendeel van het gesprek. Het bleek, dat Lord Greybury in jachtzaken, en vooral wat de zwijnenjacht betrof, geen vreemdeling was. Hij vroeg, of Waidmann ook honden had meegebracht.„Niet noodig mijnheer? In verscheidene steden van den Eifel,[139]en ook te Trier houdt de regeering der stad er een eigen troep honden op na, die op de zwijnenjacht afgericht zijn.”„Kunnen wij van de partij zijn?” vroeg de Engelschman op den man af en sprak daarmede uit, wat Willem zeer gaarne wenschte, doch niet durfde vragen.De jager zette een bedenkelijk gezicht. Hij mompelde iets van levensgevaar, verantwoordelijkheid, dat er slechts jagers van beroep aan de jachtpartij deelnamen, en dat alleen de opperjachtmeester liefhebbers mocht toelaten.„En dan een onervaren jongmensch, die misschien nog nooit eene buks heeft afgeschoten,” voegde hij er met een half medelijdenden, half minachtenden blik op Willem bij.„Wel wis en zeker kan ik met een geweer omgaan, en goed mikken ook,” viel Willem in, vreezende dat door zijn onervarenheid het plan in duigen zou vallen, „toen ik vijftien jaar was, kreeg ik al een buks present, en daarmee heb ik eens een haas en een eend geschoten.”Hij zei er niet bij, dat de haas al aangeschoten en de eend toevallig een tamme was.De jager proestte het uit van lachen.„Een haas en een eend! En dat wil op de zwijnenjacht gaan; daar komt nog iets anders kijken, hoor!”„Juist daarom zou ik gaarne eens meegaan!” zei Willem.Een tweede flesch werd op een wenk van den lord den jager gebracht. De milde gever bewonderde intusschen met kennersoogen de buks van den jager.Tegen zooveel mildheid en vriendelijkheid bij een schatrijk man was de jager niet bestand.„Maar ’t is zoo gevaarlijk!” zeide hij, weifelend het verzoek toe te staan.„Gevaar moet er zijn”, antwoordde Lord Greybury, „anders is het moorden.”De jager beloofde de verantwoordelijkheid op zich te nemen.„Afgesproken,” zei Willem,„een man, een man, een woord, een woord?”„Natuurlijk! Ik zal u over een paar uren komen halen. Zorg voor buksen en koop vooral lederen slobkousen, want anders wordt in de struiken uw broek spoedig aan flarden gescheurd. Ik zal mijn makkers en den opperjager zeggen, dat u zulken fijnen wijn laat schenken. Daar doet een jager veel voor!”„Bij ankers, als het noodig is!” zei Lord Greybury op zijn gewonen kalmen toon.Waidmann keek verbluft op en met overtuiging zei hij:„U kunt de geheele jacht meemaken, al duurt ze ook drie weken; daar sta ik voor in!”[140]„Dat is niet noodig;ééndag is voldoende,” antwoordde de Engelschman met een fijn glimlachje.Tegen het middaguur stapte ons drietal, nadat Pollo opnieuw aan de zorg van den conducteur was aanbevolen, in den trein die hen tot op eenige uren afstands van de verzamelplaats der jagers voerde.Lord Greybury en Willem hadden nog tijd gevonden, zich een volledig, splinternieuw jachtcostuum met toebehooren aan te schaffen. Na het verlaten van den trein stapte Willem, deftig met zijn buks op den rug, en zijn weitasch en veldflesch op zijde, tusschen zijn beide jachtgezellen op den weg naar Buschweiler voort. Hij was niet klein en toch geleek hij een kind tusschen zijn beide vleugelmannen.„Holland tusschen Engeland en Duitschland,” merkte de jager aan.„Dat straks, als de nood aan de man komt, op beider hulp rekent,” gaf Willem ten antwoord.Bij het vallen van den avond bereikten zij de eerste huizen van het dorpje. Reeds uit de verte klonk hun gelach en gezang tegen.Meer dan honderd jagers en drijvers zaten voor verschillende herbergen aan den weg en zongen, dat het een aard had.Bij de aankomst van ons drietal verstomde het gezang van de vroolijke jagers. Van alle zijden werden de aangekomenen met nieuwsgierige blikken bekeken. Waidmann had de voorzorg genomen, een zijner bekenden vooruit te zenden naar het rendez-vous, om een vriendelijke ontvangst voor te bereiden. Deze voorlooper had reeds zooveel verteld van de onnoemelijke schatten, waarvan de Engelschman bezitter was, van diens verkwistende mildheid, dat velen onder de jagers zich reeds bij voorbaat overtuigd hielden, dat de vreemdeling minstens een prins van den bloede moest zijn, die incognito reisde, vergezeld van zijn adjudant. Toen Lord Greybury met Willem naderbij waren gekomen stonden de jagers op, en salueerden op militaire wijze. Lord Greybury groette terug met een genadige handbeweging, zooals vorstelijke personen dat gewoon zijn; dit versterkte de heeren jagers in hun meening, met een lid van de koninklijke familie uit Engeland te doen te hebben. „De prins van Wales misschien,” fluisterde een der jagers zijn buurman in het oor. Het woord ging van mond tot mond; het „misschien” bleef natuurlijk achterwege en weldra stond bij de jagers vast, dat ze de hooge eer genoten, den prins van Wales van aangezicht tot aangezicht te aanschouwen. De Lord reikte den opperhoutvester en leider der jacht, die inmiddels, buigend als een[141]knipmes, nader was getreden, zijn kaartje over. ’t Lord Greybury werd als een aangenomen naam beschouwd, waaronder de prins reisde. Deze begreep spoedig, voor wien men hem hield. Hij verwaardigde zich in alle deftigheid aan een tafeltje plaats te nemen en noodigde eenige der jagers uit, zich naast hem te zetten. Willem vond de comedie vermakelijk; om den waan der jagers niet te verstoren, speelde hij mee en plaatste zich achter den stoel van den Engelschman.Zonder diens bevelen af te wachten, liet hij den waard roepen en gelastte hem tamelijk luid, den jagers zooveel te drinken te geven als ze verlangden.Een driemaal herhaald: „Hoch!” beloonde den „prins” voor zijn vrijgevigheid. De wijn stroomde over de tafels door de altijd dorstige kelen der jagers, en spoedig raakten de tongen weer los.Nu ging het aan het opsnijden; de ongeloofelijkste heldendaden werden opgedischt en voor goede waar geslikt. Niemand scheen de geloofwaardigheid slechts een oogenblik in twijfel te trekken.Een jong ventje, wiens baard aan het uitkomen was, en dat onophoudelijk over het stoppelveld van zijn kin streek, bleek boven allen uit te munten door de vaardigheid, waarmee hij het jagerlatijn sprak.„Verbeeld u, hoogheid, gisteravond zit ik op post aan den rand van een hollen weg, om een haas te schieten. Daar komt links van mij een haas uit het kreupelhout, rechts een reebok; pif, paf, beide wentelen tegelijk in hun zweet. Nauwelijks heb ik weer geladen, of boven mij merk ik een havik, die een houtsnip vervolgt; pif, paf, beide tuimelen naar beneden. Ik sta op, om mijn buit wat nader te bekijken en laad ondertusschen mijn tweeloop weer. Wat zie ik daar in de verte? Een wilde zeug met een jong! Ik leg aan, pif, paf, beide rollen om.”Lord Greybury schudde vol verbazing het hoofd over zooveel schotvastheid en gaf Willem een wenk.„Mylord is vermoeid, en wenscht zich ter ruste te begeven,” zei Willem op plechtigen toon.Dadelijk verdrongen zich de opperhoutvester, de opperjager en nog eenige anderen om den gewaanden prins, ten einde dezen naar de herberg te leiden; ze waren onuitputtelijk in verontschuldigingen, Zijne Hoogheid slechts zulk een armzalig slaapvertrek te kunnen aanwijzen.Willem bedankte de heeren uit naam van Mylord voor hun bereidwilligheid, en verzocht den jagers hen den volgenden morgen vroegtijdig te willen wekken; wat de heeren dienstvaardig beloofden.[142]Nog lang bleven de jagers drinken en zingen, doch het laatste niet meer uit volle borst; want ze vreesden Zijne Hoogheid in diens slaap te storen.’s Morgens voor dag en dauw braken de jagers en met hen Lord Greybury en Willem, groepsgewijze op, naar een gehucht, op een uur afstands van Buschweiler gelegen. Pollo ging op verzoek van den jachtmeester niet mee, maar werd in de herberg vastgelegd. ’t Was een vermoeiende tocht. Het ging berg op, berg af, door kreupelhout en over kale hoogvlakten.De weg slingerde nu eens langs afgronden, dan weer door een stuk bouwland, aangelegd op de helling van een sedert onheuglijke tijden, uitgebluschten vulkaan. De lava, waaruit de weg bestond, was tot poeder verweerd en dwarrelde in stofwolken op onder de voeten der stevig doorstappende mannen. Allengs verbleekten de sterren en een strook geelachtig licht aan den oostelijken hemel verkondigde den naderenden dageraad. In de verte teekende zich de zwarte lijn van een bosch tegen den minder donkeren hemel af. Dat was een dennenbosch, aan welks zoom rendez-vous was gegeven voor de jagers, drijvers en honden.Een luid geblaf bewees, dat de dieren reeds de nadering der menschen hadden opgemerkt.Juist toen de voorste groepen het bosch bereikten, verlichtten de eerste zonnestralen den omtrek.Het woud was op een hoogte gelegen, en strekte zich, zoover het oog reikte, over de toppen en hellingen van tallooze groote en kleine bergen uit.Een oorverdoovend geblaf en gejank, vertienvoudigd door de echo’s der achterliggende bergen herhaald, begroetten de jagers; meest oude bekenden of vroegere meesters der honden. Men zag er van allerlei soort en ras. Herdershonden, brakken, Engelsche doggen, hazewinden, Mexicaansche doggen, die alle sterk en wel doorvoed,ééneigenschap gemeen hadden, namelijk voortreffelijke zwijnenpakkers te zijn. Ze waren twee aan twee gekoppeld, en elk paar werd in bedwang gehouden door een knecht van den hondenbaas. De laatste was een vreemd personnage. Hij was zeer klein van gestalte, maar in verhouding buitengewoon breed en gespierd. Zijn peper-en-zoutkleurige baard reikte tot aan de knieën en bedekte bijna zijn geheel gelaat. Een blik uit zijn kleine, staalblauwe oogen was voldoende om een paar vechtende honden te scheiden en in bedwang te houden. Zijn kleeding was gelijk aan die der jagers, doch de buks ontbrak; die zou hem in ’t kreupelhout ook meer tot last, dan tot nut geweest zijn. Naast zijn reusachtigen hartsvanger hing aan zijn[143]gordel een korte, stevige zweep, waarmede de honden gekastijd werden, wanneer ze ander wild dan zwijnen najoegen. Van de honden en daardoor van hem, hing grootendeels de goede uitslag van de jacht af.De jagers en drijvers zetten zich op den hoogen rand van den weg neer, of vlijden zich onder de boomen op het zachte, gladde mos en wachtten geduldig de bevelen van den opperhoutvester af.Geen der spoorzoekers was nog teruggekomen. Om niet nutteloos een bosch af te jagen, zonder te weten, of er zich zwijnen in ophielden, waren reeds een dag te voren beproefde spoorzoekers uitgezonden; meest boeren uit den omtrek, die belang hadden bij een goede vangst. Deze lieden hadden een moeielijke taak te vervullen, vooral in den zomer. ’s Winters wanneer er versch gevallen sneeuw ligt, is het gemakkelijk aan de sporen te zien, of er wilde zwijnen uit of in een bosch zijn gegaan, en daarnaar tevens te berekenen, hoeveel er op het oogenblik, dat de jacht begint, nog in zijn.Maar nu was het zomer. In het hooge gras en de struiken was het spoor moeielijk, voor niet-ingewijden in de kunst van spoorzoeken, onmogelijk te vinden. Een der zoekers was op de gedachte gekomen den vorigen avond fijn zand op de paden te strooien, die het wild gewoonlijk volgde. En de uitkomst beloonde de moeite. Toen ze aan het rendez-vous terugkwamen, konden ze mededeelen dat in het kreupelhout op korten afstand twee evers en verscheidene zeugen verborgen waren. Dit verwekte groote blijdschap onder de jagers, die zingende en fluitende opstonden, om de buksen nog eens na te zien en den haan te beproeven.Een luid gejuich ging op, toen een der spoorzoekers snel kwam aanloopen en reeds uit de verte riep, dat Satan ontdekt en omsingeld was. Satan was een oude ever, in den geheelen omtrek onder dien naam bekend; drie achtereenvolgende winters was hij reeds gejaagd, maar de slimme rakker was niet onder schot te krijgen. De honden boezemden hem weinig vrees in, hij den honden des te meer. Meer danéénhond had kennis gemaakt met zijn geduchte slagtanden; een drietal had reeds het hachje er bij ingeschoten.Terstond werd opgebroken, en de afdeeling, waarbij zich Lord Greybury en Willem bevonden, begaf zich naar de aangeduide plaats, waar Satan zich volgens het zeggen van den boer, moest bevinden.Weldra bereikte men den voet van een tamelijk hoogen berg. De geheele helling was met hooge eikenstruiken bezet. De top was kaal en glinsterde in het morgenlicht.„Stilte!” commandeerde de opperjager.[144]Oogenblikkelijk verstomde het gesprek der jagers en het geblaf der honden. De jagersstoet werd in twee deelen gesplitst. Een afdeeling, waarbij de hondenbaas met zijn dieren, moest de berg omtrekken, aan de andere zijde weer beklimmen en op den top post vatten. Den overigen werd aan den voet of op verschillende plaatsen van de helling hun post aangewezen.„Dekken!” luidde het tweede commando.Allen verdwenen achter struiken of lage boomen. De helling scheen eensklaps verlaten. Iemand, die van de jachtpartij geen kennis droeg en den berg had gezien, zou niet vermoed hebben, dat in het kreupelbosch een veertigtal jagers en evenveel honden op de loer lagen.Willem knielde, met kloppend hart, naast Lord Greybury neer. Vlak aan den voet van den berg was hun achter een hooge eiken struik een plaats aangewezen. Menig jager benijdde hun dien voordeeligen post; want daar had men kans Satan den eersten kogel toe te zenden; want vandaar konden ze den geheelen weg, die zich om den voet slingerde, overzien.„Ben je bang?” fluisterde Lord Greybury hem in ’t oor.„Neen; maar ik beef wel ’n beetje.”„Dat is niets, je behoeft niet te schieten; voordat de ever hier op den weg is—als hij tenminste dom genoeg is, uit het kreupelhout te komen—heeft hij al een kogel beet.”„Maar misschien zit hij hier vlak bij verborgen.”„Dat is niet onmogelijk en in dit geval hebben we een gevaarlijk plaatsje,” was het troostrijk antwoord, en Lord Greybury trok zijn hartsvanger uit de scheede en legde het blanke mes naast zich op het gras.„Wat wilt u doen?”„Het dier te lijf gaan, als het me te na komt.”Het geheele voorkomen van den Engelschman was veranderd. Op zijn anders zoo strak gelaat was de hartstocht voor de jacht zichtbaar en zijn oogen fonkelden van strijdlust.Willem rilde bij de gedachte, dat de Lord zich roekeloos aan gevaar zou blootstellen, en hij voelde, dat hem zelfs de moed ontbrak, zijn heer te hulp te komen.Het duurde wel een uur, eer het drijven begon; want zij, die den berg van de andere zijde moesten beklimmen, hadden een moeilijken en langen tocht te doen. Eindelijk verried een verwijderd, flauw hoorbaar gehuil, hetwelk door de echo van de overzijde in plaats van uit de hoogte scheen te komen, dat de honden waren losgelaten en de jacht was begonnen. Daarop werd alles weer doodstil. Met angstige spanning tuurde Willem door een opening in de struiken. Hij meende op korten afstand de honden te hooren snuiven en snuffelen.[145]Weer verstreek een half uur. Plotseling stiet een hond, dicht in zijn nabijheid een zegevierend gehuil uit. De ever was ontdekt.„Hoera, zwijn! Hond, tsa! Hond, pak aan!” schreeuwden de hondenbaas en de drijvers om het hardst. De lucht daverde van het geblaf en het gehuil der honden, die van alle zijden door de struiken kwamen toesnellen, en van het geschreeuw der drijvers, die den ever naar beneden of zijwaarts-af trachtten te drijven.Willem rilde van angst. Hij was bijna niet in staat zijn buks vast te houden. Lord Greybury lag op de knieën, het bovenlijf voorovergebogen, de kolf tegen de heup gedrukt, den vinger aan den trekker, gereed elk oogenblik aan te leggen en af te drukken, zoodra de ever maar een handbreed van zijne borstelhuid te zien gaf.Het geblaf en geschreeuw kwam nader. Van tijd tot tijd bewees een jammerlijk gehuil, dat een onervaren hond in zijn overmoed den ever te na was gekomen, en voor zijn vermetelheid met een stoot van de geduchte slagtanden was gestraft.„Dek je achter mij; ze komen hier heen,” fluisterde de Lord, die Willems angst op zijn gelaat las. Een duidelijk hoorbaar, dof gebrom bevestigde de woorden van den Engelschman. Het kraken van de doode takken, het ritselen van de dorre bladeren wees voor het gehoor den weg aan, dien de ever al vluchtende volgde. Te zien was er niets, van de honden, noch van de drijvers; van den ever het allerminst.„Klim in dat boompje,” gaf lord Greybury meer door gebaren, dan door woorden Willem te verstaan; er was iets minachtends in zijn blik. Dat was te veel voor Willem; de schaamte joeg hem het bloed naar de wangen.De kalme moed van den Engelschman stak hem een hart onder den riem, en zooals wel meer gebeurt, ook het naderen van het gevaar verdreef zijn angst. Het beven hield eensklaps op; hij knielde naast den Engelschman neer en omklemde stevig zijn hartsvanger.„Ho, zwijn! tsa hond!” schreeuwden de drijvers van boven af. De ever moest vlak tusschen deze en Willem zijn; het dier scheen stil te staan. Door de openingen van het boschje konden ze nu den zwartborstel zien. Hij snoof de lucht in en scheen te overleggen, wat hem te doen stond. De honden, die in een kring om hem heen stonden te huilen en te blaffen, telde hij weinig. Geen van alle durfde naderen. Achter hem stonden de drijvers te razen en te schreeuwen als bezetenen, doch zij waren evenals de honden gereed, ijlings op de vlucht te gaan, zoodra mijnheer Satan het in zijn dikken kop mocht krijgen, om te keeren.[146]Vóór hem bleek het echter ook niet pluis te zijn. Wat te doen? Daar naderde een van de honden hem wat te dicht. Eén zijsprong, één stoot van den ever, en de waaghals vloog met opengescheurden buik vijf voet hoog in de lucht, boven het kreupelhout uit.Nu nam het wilde zwijn zijn kans waar. Het stoof vooruit. „Paf,” knalde het schot van Lord Greybury. De ever brulde als een varken, dat geslacht wordt; hij stond een oogenblik stil, boog toen den kop en vloog in razende vaart recht op Lord Greybury af. Deze had geen tijd, uit zijn knielende houding op te staan. Willem stiet een gil van angst uit; hij liet zijn mes vallen, maar gaf tegelijkertijd den Lord een duw, die dezen een eindweegs op zijde deed vallen; hij zelf rolde door den terugstuit eveneens om. De ever vloog tusschen beiden door, onmiddellijk gevolgd door den geheelen troep hijgende of jankende honden en gillende drijvers.„Dat is de tweede maal, dat je mij het leven redt,” zei de Engelschman opstaande.Doch Willem, die reeds van den schrik bekomen was, hoorde het niet eens; hij wijdde al zijn aandacht aan de jacht, die nu in haar geheel zichtbaar was. Satan was uit het kreupelhout gedreven, en draafde den lavaweg op; een bloedspoor teekende zijn loop. Het was een reusachtig dier; de zwarte borstels op den rug stonden overeind en deden hem nog grooter schijnen dan hij werkelijk was. Zijne slagtanden waren even lang als zijn kop. De honden haalden hem in, en nu zij hem aangeschoten wisten, waagden zij het, op hem los te springen; een stuk of vijf beten zich vast.Maar de ever schudde ze brullende af, en deed er een paar een luchtreis maken. Dit boezemde den anderen ontzag in.Daar sprong de hondenbaas uit het kreupelhout op den weg, gevolgd door twee honden, die tot nu toe geen deel aan de jacht hadden mogen nemen.„Ho zwijn, tsa Turk! pak aan Caro!” riep hij hun toe. De ophitsing was overbodig.Nauwelijks had Caro den ever gezien, of hij vloog hem naar den kop, maar lag een oogenblik later met opengereten buik in een greppel te spartelen.Turk gaf geen geluid, terwijl hij op den ever toe rende. Met een vervaarlijken sprong greep hij het rechteroor van het wilde zwijn tusschen zijn scherpe tanden, en op hetzelfde oogenblik, dat de ever den kop bukte, om hem op dezelfde wijze als zijn kameraad Caro onschadelijk te maken, sprong Turk met ongelooflijke behendigheid over het zwijn heen. Hij hield echter het rechter oor tusschen zijne tanden geklemd, zoodat hij het[147]zwijn belette naar hem te stooten. De ever brulde van pijn en van machtelooze woede, daar zijn kop naar rechts getrokken werd, en zijn aanvaller zich links bevond. De overige honden hadden op deze manoeuvre van Turk gewacht, om opnieuw aan te vallen en zich weder vast te bijten. Bedolven onder een door elkander krielende hoop honden, sukkelde de ever nog een eind weegs voort. Nu was ook de hondenbaas naderbij gekomen; met opgeheven hartsvanger snelde hij op den ever toe. Deze bemerkte hem. Met inspanning van zijn laatste krachten trachtte hij zijne aanvallers af te schudden, doch Turk en drie andere honden hielden vast. Wel keerde het zwijn zich nog om, ten einde weer in het kreupelhout te komen, maar het bloedverlies had hem te zeer verzwakt, om snel te kunnen loopen.De hondenbaas haalde hem in, greep hem met de linkerhand van achter bij de lange rugborstels en liet zich meesleuren. Het blanke staal flikkerde een oogenblik in de lucht, en verdween daarop tot aan het hecht tusschen de ribben achter het schouderblad.De ever brulde weer als toen hij het schot van Lord Greybury ontving, en vóór nog de hondenbaas het bloedige wapen aan het gras had afgeveegd, zakte Satan ineen.Een der drijvers blies het signaal: „Zwijn dood,” en van alle zijden kwamen de jagers uit hun schuilplaatsen te voorschijn.„Een prachtig schot, een koningsschot,” riep de hondenbaas, toen hij met de zweep de honden van den ever had verjaagd, „de kogel is door de beide longtoppen gegaan. Als er niet zoo goed gemikt was, zou de rakker ons nog ontsnapt zijn. Wie heeft zoo goed getroffen?”Geen der jagers antwoordde.„Dan was het zonder twijfel Uwe Hoogheid,” zeide de opperjager naderbijtredende. „Wij wenschen u geluk met het prachtige schot en zouden daaraan alleen reeds uw waren stand herkennen.”De Lord boog, bedankte voor de vriendelijke ontvangst, en zeide, dat hij verder geen deel aan de jacht zou nemen.De jagers trokken gezamenlijk terug naar het rendez-vous, waar ze hun collega’s aantroffen, die reeds in een andere streek twee wilde zwijnen gedood hadden.De honden waren intusschen weer gekoppeld. Vier der gewonden moesten afgemaakt worden; daar volgens den hondenbaas geen genezing meer te wachten was. Vijf andere, wien de ingewanden uit het lijf hingen, schenen aan dergelijke kleinigheden gewoon te zijn. Ze kwispelstaartten, toen de hondenbaas het verbandlinnen voor den dag haalde, en lieten zich verbinden, zonder een kreet van smart te uiten.[148]Na een stevig ontbijt gebruikt te hebben, namen onze reisgenooten afscheid van de jagers. De opperjager bood hun een der slagtanden van Satan aan, als een herinnering aan deze jacht, en geleidde hen naar Buschweiler terug.Lord Greybury en Willem gingen niet weer naar Bonn terug, maar reisden nog denzelfden dag naar Coblenz aan den Rijn, vanwaar zij hun reis met de stoomboot wenschten voort te zetten.

Aan de ontbijttafel zat naast Willem een reusachtige Duitscher; naar zijn kleeding te oordeelen, moest het een jager zijn; want die bestond uit een donkergroen jachtbuis, een grijze kniebroek, slobkousen en lage, met ijzer beslagen schoenen. Aan zijn gordel droeg hij een breeden hartsvanger met hertshoornen gevest. In een hoek had hij een buks neergezet, die door een geel lederen foedraal tegen stof en vocht beschermd werd, en nu tijdelijk tot kapstok diende voor een vilten hoed, met een haneveer versierd.

Het was een spraakzaam man, die zich weldra als koninklijk jager bekend maakte, en vertelde, dat hij op reis was naar den Eifel, waar op groote schaal een drijfjacht op wilde zwijnen zou gehouden worden.

„Zijn er dan nog zooveel wilde zwijnen in die streken?”[138]vroeg Willem, die als elke jongen reeds belang stelde in alles, wat op de jacht betrekking had, en die, vooral nu het een jacht op wilde zwijnen betrof, gaarne het verhaal daarvan eens wilde hooren. LordGreyburydronk, schijnbaar zonder op het gesprek te letten, zijn zesde kopje thee.

„Of er veel zijn?” antwoordde de jager, „als er niet elken winter een drijfjacht werd gehouden, zou daar gewis geen boer meer zijn land kunnen bebouwen. De zwartborstels graven en woelen in één nacht een geheelen akker om, zonder dat men er iets tegen doen kan. Dan moet men opnieuw gaan graven en poten. En die beesten vermenigvuldigen zich zoo sterk en zijn zoo moeilijk onder schot te krijgen, dat de boeren op dit oogenblik met de handen in het haar zitten. Van de winter zijn er dertig stuks afgemaakt; maar nu is ’t weer zoo erg, dat de landbouwers zich tot de regeering gewend hebben om hulp. Nu zal tegen de gewoonte een drijfjacht in den zomer plaats hebben. Kijk maar eens hier; ik heb eergisteren deze oproeping gekregen.”

Terwijl de jager zijn broodje at, las Willem op het gedrukte vel papier:

De regeering van Trier noodigt bij dezen den Heer Waidmann uit, zich met alle jagers, houtvesters en drijvers, die onder zijn bevelen staan, den vijfden van dezen maand, ’s morgens voor zonsopgang in het dorp Buschweiler te bevinden, om in vereeniging met alle jagers uit het district een drijfjacht op zwartwild te houden.

De regeering van Trier noodigt bij dezen den Heer Waidmann uit, zich met alle jagers, houtvesters en drijvers, die onder zijn bevelen staan, den vijfden van dezen maand, ’s morgens voor zonsopgang in het dorp Buschweiler te bevinden, om in vereeniging met alle jagers uit het district een drijfjacht op zwartwild te houden.

Lord Greybury keek het papier ook in. Hij kende juist zooveel Duitsch, om Willems gesprek met den Heer Waidmann te begrijpen en de oproeping te kunnen lezen.

Aanstonds droeg hij Willem op, een flesch morgenwijn voor den jager te bestellen. Deze bedankte den heer Lord onderdanigst, schoof zijn theekopje en melkkan op zij, en in minder dan tien minuten was de fijne flesch voor drie vierden geledigd.

Lord Greybury klonk met zijn theekopje tegen het gevulde glas van den heer Waidmann en wenschte hem, zoo goed en zoo kwaad het ging, een voorspoedige jacht.

Het ijs was gebroken. Een gesprek, waarbij Willem als tolk tusschen Engeland en Duitschland dienst deed, ontwikkelde zich. Willem had zijn reisgezel nog nooit zooveel na elkander hooren spreken, al had ook nu de jager het leeuwendeel van het gesprek. Het bleek, dat Lord Greybury in jachtzaken, en vooral wat de zwijnenjacht betrof, geen vreemdeling was. Hij vroeg, of Waidmann ook honden had meegebracht.

„Niet noodig mijnheer? In verscheidene steden van den Eifel,[139]en ook te Trier houdt de regeering der stad er een eigen troep honden op na, die op de zwijnenjacht afgericht zijn.”

„Kunnen wij van de partij zijn?” vroeg de Engelschman op den man af en sprak daarmede uit, wat Willem zeer gaarne wenschte, doch niet durfde vragen.

De jager zette een bedenkelijk gezicht. Hij mompelde iets van levensgevaar, verantwoordelijkheid, dat er slechts jagers van beroep aan de jachtpartij deelnamen, en dat alleen de opperjachtmeester liefhebbers mocht toelaten.

„En dan een onervaren jongmensch, die misschien nog nooit eene buks heeft afgeschoten,” voegde hij er met een half medelijdenden, half minachtenden blik op Willem bij.

„Wel wis en zeker kan ik met een geweer omgaan, en goed mikken ook,” viel Willem in, vreezende dat door zijn onervarenheid het plan in duigen zou vallen, „toen ik vijftien jaar was, kreeg ik al een buks present, en daarmee heb ik eens een haas en een eend geschoten.”

Hij zei er niet bij, dat de haas al aangeschoten en de eend toevallig een tamme was.

De jager proestte het uit van lachen.

„Een haas en een eend! En dat wil op de zwijnenjacht gaan; daar komt nog iets anders kijken, hoor!”

„Juist daarom zou ik gaarne eens meegaan!” zei Willem.

Een tweede flesch werd op een wenk van den lord den jager gebracht. De milde gever bewonderde intusschen met kennersoogen de buks van den jager.

Tegen zooveel mildheid en vriendelijkheid bij een schatrijk man was de jager niet bestand.

„Maar ’t is zoo gevaarlijk!” zeide hij, weifelend het verzoek toe te staan.

„Gevaar moet er zijn”, antwoordde Lord Greybury, „anders is het moorden.”

De jager beloofde de verantwoordelijkheid op zich te nemen.

„Afgesproken,” zei Willem,„een man, een man, een woord, een woord?”

„Natuurlijk! Ik zal u over een paar uren komen halen. Zorg voor buksen en koop vooral lederen slobkousen, want anders wordt in de struiken uw broek spoedig aan flarden gescheurd. Ik zal mijn makkers en den opperjager zeggen, dat u zulken fijnen wijn laat schenken. Daar doet een jager veel voor!”

„Bij ankers, als het noodig is!” zei Lord Greybury op zijn gewonen kalmen toon.

Waidmann keek verbluft op en met overtuiging zei hij:

„U kunt de geheele jacht meemaken, al duurt ze ook drie weken; daar sta ik voor in!”[140]

„Dat is niet noodig;ééndag is voldoende,” antwoordde de Engelschman met een fijn glimlachje.

Tegen het middaguur stapte ons drietal, nadat Pollo opnieuw aan de zorg van den conducteur was aanbevolen, in den trein die hen tot op eenige uren afstands van de verzamelplaats der jagers voerde.

Lord Greybury en Willem hadden nog tijd gevonden, zich een volledig, splinternieuw jachtcostuum met toebehooren aan te schaffen. Na het verlaten van den trein stapte Willem, deftig met zijn buks op den rug, en zijn weitasch en veldflesch op zijde, tusschen zijn beide jachtgezellen op den weg naar Buschweiler voort. Hij was niet klein en toch geleek hij een kind tusschen zijn beide vleugelmannen.

„Holland tusschen Engeland en Duitschland,” merkte de jager aan.

„Dat straks, als de nood aan de man komt, op beider hulp rekent,” gaf Willem ten antwoord.

Bij het vallen van den avond bereikten zij de eerste huizen van het dorpje. Reeds uit de verte klonk hun gelach en gezang tegen.

Meer dan honderd jagers en drijvers zaten voor verschillende herbergen aan den weg en zongen, dat het een aard had.

Bij de aankomst van ons drietal verstomde het gezang van de vroolijke jagers. Van alle zijden werden de aangekomenen met nieuwsgierige blikken bekeken. Waidmann had de voorzorg genomen, een zijner bekenden vooruit te zenden naar het rendez-vous, om een vriendelijke ontvangst voor te bereiden. Deze voorlooper had reeds zooveel verteld van de onnoemelijke schatten, waarvan de Engelschman bezitter was, van diens verkwistende mildheid, dat velen onder de jagers zich reeds bij voorbaat overtuigd hielden, dat de vreemdeling minstens een prins van den bloede moest zijn, die incognito reisde, vergezeld van zijn adjudant. Toen Lord Greybury met Willem naderbij waren gekomen stonden de jagers op, en salueerden op militaire wijze. Lord Greybury groette terug met een genadige handbeweging, zooals vorstelijke personen dat gewoon zijn; dit versterkte de heeren jagers in hun meening, met een lid van de koninklijke familie uit Engeland te doen te hebben. „De prins van Wales misschien,” fluisterde een der jagers zijn buurman in het oor. Het woord ging van mond tot mond; het „misschien” bleef natuurlijk achterwege en weldra stond bij de jagers vast, dat ze de hooge eer genoten, den prins van Wales van aangezicht tot aangezicht te aanschouwen. De Lord reikte den opperhoutvester en leider der jacht, die inmiddels, buigend als een[141]knipmes, nader was getreden, zijn kaartje over. ’t Lord Greybury werd als een aangenomen naam beschouwd, waaronder de prins reisde. Deze begreep spoedig, voor wien men hem hield. Hij verwaardigde zich in alle deftigheid aan een tafeltje plaats te nemen en noodigde eenige der jagers uit, zich naast hem te zetten. Willem vond de comedie vermakelijk; om den waan der jagers niet te verstoren, speelde hij mee en plaatste zich achter den stoel van den Engelschman.

Zonder diens bevelen af te wachten, liet hij den waard roepen en gelastte hem tamelijk luid, den jagers zooveel te drinken te geven als ze verlangden.

Een driemaal herhaald: „Hoch!” beloonde den „prins” voor zijn vrijgevigheid. De wijn stroomde over de tafels door de altijd dorstige kelen der jagers, en spoedig raakten de tongen weer los.

Nu ging het aan het opsnijden; de ongeloofelijkste heldendaden werden opgedischt en voor goede waar geslikt. Niemand scheen de geloofwaardigheid slechts een oogenblik in twijfel te trekken.

Een jong ventje, wiens baard aan het uitkomen was, en dat onophoudelijk over het stoppelveld van zijn kin streek, bleek boven allen uit te munten door de vaardigheid, waarmee hij het jagerlatijn sprak.

„Verbeeld u, hoogheid, gisteravond zit ik op post aan den rand van een hollen weg, om een haas te schieten. Daar komt links van mij een haas uit het kreupelhout, rechts een reebok; pif, paf, beide wentelen tegelijk in hun zweet. Nauwelijks heb ik weer geladen, of boven mij merk ik een havik, die een houtsnip vervolgt; pif, paf, beide tuimelen naar beneden. Ik sta op, om mijn buit wat nader te bekijken en laad ondertusschen mijn tweeloop weer. Wat zie ik daar in de verte? Een wilde zeug met een jong! Ik leg aan, pif, paf, beide rollen om.”

Lord Greybury schudde vol verbazing het hoofd over zooveel schotvastheid en gaf Willem een wenk.

„Mylord is vermoeid, en wenscht zich ter ruste te begeven,” zei Willem op plechtigen toon.

Dadelijk verdrongen zich de opperhoutvester, de opperjager en nog eenige anderen om den gewaanden prins, ten einde dezen naar de herberg te leiden; ze waren onuitputtelijk in verontschuldigingen, Zijne Hoogheid slechts zulk een armzalig slaapvertrek te kunnen aanwijzen.

Willem bedankte de heeren uit naam van Mylord voor hun bereidwilligheid, en verzocht den jagers hen den volgenden morgen vroegtijdig te willen wekken; wat de heeren dienstvaardig beloofden.[142]

Nog lang bleven de jagers drinken en zingen, doch het laatste niet meer uit volle borst; want ze vreesden Zijne Hoogheid in diens slaap te storen.

’s Morgens voor dag en dauw braken de jagers en met hen Lord Greybury en Willem, groepsgewijze op, naar een gehucht, op een uur afstands van Buschweiler gelegen. Pollo ging op verzoek van den jachtmeester niet mee, maar werd in de herberg vastgelegd. ’t Was een vermoeiende tocht. Het ging berg op, berg af, door kreupelhout en over kale hoogvlakten.

De weg slingerde nu eens langs afgronden, dan weer door een stuk bouwland, aangelegd op de helling van een sedert onheuglijke tijden, uitgebluschten vulkaan. De lava, waaruit de weg bestond, was tot poeder verweerd en dwarrelde in stofwolken op onder de voeten der stevig doorstappende mannen. Allengs verbleekten de sterren en een strook geelachtig licht aan den oostelijken hemel verkondigde den naderenden dageraad. In de verte teekende zich de zwarte lijn van een bosch tegen den minder donkeren hemel af. Dat was een dennenbosch, aan welks zoom rendez-vous was gegeven voor de jagers, drijvers en honden.

Een luid geblaf bewees, dat de dieren reeds de nadering der menschen hadden opgemerkt.

Juist toen de voorste groepen het bosch bereikten, verlichtten de eerste zonnestralen den omtrek.

Het woud was op een hoogte gelegen, en strekte zich, zoover het oog reikte, over de toppen en hellingen van tallooze groote en kleine bergen uit.

Een oorverdoovend geblaf en gejank, vertienvoudigd door de echo’s der achterliggende bergen herhaald, begroetten de jagers; meest oude bekenden of vroegere meesters der honden. Men zag er van allerlei soort en ras. Herdershonden, brakken, Engelsche doggen, hazewinden, Mexicaansche doggen, die alle sterk en wel doorvoed,ééneigenschap gemeen hadden, namelijk voortreffelijke zwijnenpakkers te zijn. Ze waren twee aan twee gekoppeld, en elk paar werd in bedwang gehouden door een knecht van den hondenbaas. De laatste was een vreemd personnage. Hij was zeer klein van gestalte, maar in verhouding buitengewoon breed en gespierd. Zijn peper-en-zoutkleurige baard reikte tot aan de knieën en bedekte bijna zijn geheel gelaat. Een blik uit zijn kleine, staalblauwe oogen was voldoende om een paar vechtende honden te scheiden en in bedwang te houden. Zijn kleeding was gelijk aan die der jagers, doch de buks ontbrak; die zou hem in ’t kreupelhout ook meer tot last, dan tot nut geweest zijn. Naast zijn reusachtigen hartsvanger hing aan zijn[143]gordel een korte, stevige zweep, waarmede de honden gekastijd werden, wanneer ze ander wild dan zwijnen najoegen. Van de honden en daardoor van hem, hing grootendeels de goede uitslag van de jacht af.

De jagers en drijvers zetten zich op den hoogen rand van den weg neer, of vlijden zich onder de boomen op het zachte, gladde mos en wachtten geduldig de bevelen van den opperhoutvester af.

Geen der spoorzoekers was nog teruggekomen. Om niet nutteloos een bosch af te jagen, zonder te weten, of er zich zwijnen in ophielden, waren reeds een dag te voren beproefde spoorzoekers uitgezonden; meest boeren uit den omtrek, die belang hadden bij een goede vangst. Deze lieden hadden een moeielijke taak te vervullen, vooral in den zomer. ’s Winters wanneer er versch gevallen sneeuw ligt, is het gemakkelijk aan de sporen te zien, of er wilde zwijnen uit of in een bosch zijn gegaan, en daarnaar tevens te berekenen, hoeveel er op het oogenblik, dat de jacht begint, nog in zijn.

Maar nu was het zomer. In het hooge gras en de struiken was het spoor moeielijk, voor niet-ingewijden in de kunst van spoorzoeken, onmogelijk te vinden. Een der zoekers was op de gedachte gekomen den vorigen avond fijn zand op de paden te strooien, die het wild gewoonlijk volgde. En de uitkomst beloonde de moeite. Toen ze aan het rendez-vous terugkwamen, konden ze mededeelen dat in het kreupelhout op korten afstand twee evers en verscheidene zeugen verborgen waren. Dit verwekte groote blijdschap onder de jagers, die zingende en fluitende opstonden, om de buksen nog eens na te zien en den haan te beproeven.

Een luid gejuich ging op, toen een der spoorzoekers snel kwam aanloopen en reeds uit de verte riep, dat Satan ontdekt en omsingeld was. Satan was een oude ever, in den geheelen omtrek onder dien naam bekend; drie achtereenvolgende winters was hij reeds gejaagd, maar de slimme rakker was niet onder schot te krijgen. De honden boezemden hem weinig vrees in, hij den honden des te meer. Meer danéénhond had kennis gemaakt met zijn geduchte slagtanden; een drietal had reeds het hachje er bij ingeschoten.

Terstond werd opgebroken, en de afdeeling, waarbij zich Lord Greybury en Willem bevonden, begaf zich naar de aangeduide plaats, waar Satan zich volgens het zeggen van den boer, moest bevinden.

Weldra bereikte men den voet van een tamelijk hoogen berg. De geheele helling was met hooge eikenstruiken bezet. De top was kaal en glinsterde in het morgenlicht.

„Stilte!” commandeerde de opperjager.[144]

Oogenblikkelijk verstomde het gesprek der jagers en het geblaf der honden. De jagersstoet werd in twee deelen gesplitst. Een afdeeling, waarbij de hondenbaas met zijn dieren, moest de berg omtrekken, aan de andere zijde weer beklimmen en op den top post vatten. Den overigen werd aan den voet of op verschillende plaatsen van de helling hun post aangewezen.

„Dekken!” luidde het tweede commando.

Allen verdwenen achter struiken of lage boomen. De helling scheen eensklaps verlaten. Iemand, die van de jachtpartij geen kennis droeg en den berg had gezien, zou niet vermoed hebben, dat in het kreupelbosch een veertigtal jagers en evenveel honden op de loer lagen.

Willem knielde, met kloppend hart, naast Lord Greybury neer. Vlak aan den voet van den berg was hun achter een hooge eiken struik een plaats aangewezen. Menig jager benijdde hun dien voordeeligen post; want daar had men kans Satan den eersten kogel toe te zenden; want vandaar konden ze den geheelen weg, die zich om den voet slingerde, overzien.

„Ben je bang?” fluisterde Lord Greybury hem in ’t oor.

„Neen; maar ik beef wel ’n beetje.”

„Dat is niets, je behoeft niet te schieten; voordat de ever hier op den weg is—als hij tenminste dom genoeg is, uit het kreupelhout te komen—heeft hij al een kogel beet.”

„Maar misschien zit hij hier vlak bij verborgen.”

„Dat is niet onmogelijk en in dit geval hebben we een gevaarlijk plaatsje,” was het troostrijk antwoord, en Lord Greybury trok zijn hartsvanger uit de scheede en legde het blanke mes naast zich op het gras.

„Wat wilt u doen?”

„Het dier te lijf gaan, als het me te na komt.”

Het geheele voorkomen van den Engelschman was veranderd. Op zijn anders zoo strak gelaat was de hartstocht voor de jacht zichtbaar en zijn oogen fonkelden van strijdlust.

Willem rilde bij de gedachte, dat de Lord zich roekeloos aan gevaar zou blootstellen, en hij voelde, dat hem zelfs de moed ontbrak, zijn heer te hulp te komen.

Het duurde wel een uur, eer het drijven begon; want zij, die den berg van de andere zijde moesten beklimmen, hadden een moeilijken en langen tocht te doen. Eindelijk verried een verwijderd, flauw hoorbaar gehuil, hetwelk door de echo van de overzijde in plaats van uit de hoogte scheen te komen, dat de honden waren losgelaten en de jacht was begonnen. Daarop werd alles weer doodstil. Met angstige spanning tuurde Willem door een opening in de struiken. Hij meende op korten afstand de honden te hooren snuiven en snuffelen.[145]

Weer verstreek een half uur. Plotseling stiet een hond, dicht in zijn nabijheid een zegevierend gehuil uit. De ever was ontdekt.

„Hoera, zwijn! Hond, tsa! Hond, pak aan!” schreeuwden de hondenbaas en de drijvers om het hardst. De lucht daverde van het geblaf en het gehuil der honden, die van alle zijden door de struiken kwamen toesnellen, en van het geschreeuw der drijvers, die den ever naar beneden of zijwaarts-af trachtten te drijven.

Willem rilde van angst. Hij was bijna niet in staat zijn buks vast te houden. Lord Greybury lag op de knieën, het bovenlijf voorovergebogen, de kolf tegen de heup gedrukt, den vinger aan den trekker, gereed elk oogenblik aan te leggen en af te drukken, zoodra de ever maar een handbreed van zijne borstelhuid te zien gaf.

Het geblaf en geschreeuw kwam nader. Van tijd tot tijd bewees een jammerlijk gehuil, dat een onervaren hond in zijn overmoed den ever te na was gekomen, en voor zijn vermetelheid met een stoot van de geduchte slagtanden was gestraft.

„Dek je achter mij; ze komen hier heen,” fluisterde de Lord, die Willems angst op zijn gelaat las. Een duidelijk hoorbaar, dof gebrom bevestigde de woorden van den Engelschman. Het kraken van de doode takken, het ritselen van de dorre bladeren wees voor het gehoor den weg aan, dien de ever al vluchtende volgde. Te zien was er niets, van de honden, noch van de drijvers; van den ever het allerminst.

„Klim in dat boompje,” gaf lord Greybury meer door gebaren, dan door woorden Willem te verstaan; er was iets minachtends in zijn blik. Dat was te veel voor Willem; de schaamte joeg hem het bloed naar de wangen.

De kalme moed van den Engelschman stak hem een hart onder den riem, en zooals wel meer gebeurt, ook het naderen van het gevaar verdreef zijn angst. Het beven hield eensklaps op; hij knielde naast den Engelschman neer en omklemde stevig zijn hartsvanger.

„Ho, zwijn! tsa hond!” schreeuwden de drijvers van boven af. De ever moest vlak tusschen deze en Willem zijn; het dier scheen stil te staan. Door de openingen van het boschje konden ze nu den zwartborstel zien. Hij snoof de lucht in en scheen te overleggen, wat hem te doen stond. De honden, die in een kring om hem heen stonden te huilen en te blaffen, telde hij weinig. Geen van alle durfde naderen. Achter hem stonden de drijvers te razen en te schreeuwen als bezetenen, doch zij waren evenals de honden gereed, ijlings op de vlucht te gaan, zoodra mijnheer Satan het in zijn dikken kop mocht krijgen, om te keeren.[146]

Vóór hem bleek het echter ook niet pluis te zijn. Wat te doen? Daar naderde een van de honden hem wat te dicht. Eén zijsprong, één stoot van den ever, en de waaghals vloog met opengescheurden buik vijf voet hoog in de lucht, boven het kreupelhout uit.

Nu nam het wilde zwijn zijn kans waar. Het stoof vooruit. „Paf,” knalde het schot van Lord Greybury. De ever brulde als een varken, dat geslacht wordt; hij stond een oogenblik stil, boog toen den kop en vloog in razende vaart recht op Lord Greybury af. Deze had geen tijd, uit zijn knielende houding op te staan. Willem stiet een gil van angst uit; hij liet zijn mes vallen, maar gaf tegelijkertijd den Lord een duw, die dezen een eindweegs op zijde deed vallen; hij zelf rolde door den terugstuit eveneens om. De ever vloog tusschen beiden door, onmiddellijk gevolgd door den geheelen troep hijgende of jankende honden en gillende drijvers.

„Dat is de tweede maal, dat je mij het leven redt,” zei de Engelschman opstaande.

Doch Willem, die reeds van den schrik bekomen was, hoorde het niet eens; hij wijdde al zijn aandacht aan de jacht, die nu in haar geheel zichtbaar was. Satan was uit het kreupelhout gedreven, en draafde den lavaweg op; een bloedspoor teekende zijn loop. Het was een reusachtig dier; de zwarte borstels op den rug stonden overeind en deden hem nog grooter schijnen dan hij werkelijk was. Zijne slagtanden waren even lang als zijn kop. De honden haalden hem in, en nu zij hem aangeschoten wisten, waagden zij het, op hem los te springen; een stuk of vijf beten zich vast.

Maar de ever schudde ze brullende af, en deed er een paar een luchtreis maken. Dit boezemde den anderen ontzag in.

Daar sprong de hondenbaas uit het kreupelhout op den weg, gevolgd door twee honden, die tot nu toe geen deel aan de jacht hadden mogen nemen.

„Ho zwijn, tsa Turk! pak aan Caro!” riep hij hun toe. De ophitsing was overbodig.

Nauwelijks had Caro den ever gezien, of hij vloog hem naar den kop, maar lag een oogenblik later met opengereten buik in een greppel te spartelen.

Turk gaf geen geluid, terwijl hij op den ever toe rende. Met een vervaarlijken sprong greep hij het rechteroor van het wilde zwijn tusschen zijn scherpe tanden, en op hetzelfde oogenblik, dat de ever den kop bukte, om hem op dezelfde wijze als zijn kameraad Caro onschadelijk te maken, sprong Turk met ongelooflijke behendigheid over het zwijn heen. Hij hield echter het rechter oor tusschen zijne tanden geklemd, zoodat hij het[147]zwijn belette naar hem te stooten. De ever brulde van pijn en van machtelooze woede, daar zijn kop naar rechts getrokken werd, en zijn aanvaller zich links bevond. De overige honden hadden op deze manoeuvre van Turk gewacht, om opnieuw aan te vallen en zich weder vast te bijten. Bedolven onder een door elkander krielende hoop honden, sukkelde de ever nog een eind weegs voort. Nu was ook de hondenbaas naderbij gekomen; met opgeheven hartsvanger snelde hij op den ever toe. Deze bemerkte hem. Met inspanning van zijn laatste krachten trachtte hij zijne aanvallers af te schudden, doch Turk en drie andere honden hielden vast. Wel keerde het zwijn zich nog om, ten einde weer in het kreupelhout te komen, maar het bloedverlies had hem te zeer verzwakt, om snel te kunnen loopen.

De hondenbaas haalde hem in, greep hem met de linkerhand van achter bij de lange rugborstels en liet zich meesleuren. Het blanke staal flikkerde een oogenblik in de lucht, en verdween daarop tot aan het hecht tusschen de ribben achter het schouderblad.

De ever brulde weer als toen hij het schot van Lord Greybury ontving, en vóór nog de hondenbaas het bloedige wapen aan het gras had afgeveegd, zakte Satan ineen.

Een der drijvers blies het signaal: „Zwijn dood,” en van alle zijden kwamen de jagers uit hun schuilplaatsen te voorschijn.

„Een prachtig schot, een koningsschot,” riep de hondenbaas, toen hij met de zweep de honden van den ever had verjaagd, „de kogel is door de beide longtoppen gegaan. Als er niet zoo goed gemikt was, zou de rakker ons nog ontsnapt zijn. Wie heeft zoo goed getroffen?”

Geen der jagers antwoordde.

„Dan was het zonder twijfel Uwe Hoogheid,” zeide de opperjager naderbijtredende. „Wij wenschen u geluk met het prachtige schot en zouden daaraan alleen reeds uw waren stand herkennen.”

De Lord boog, bedankte voor de vriendelijke ontvangst, en zeide, dat hij verder geen deel aan de jacht zou nemen.

De jagers trokken gezamenlijk terug naar het rendez-vous, waar ze hun collega’s aantroffen, die reeds in een andere streek twee wilde zwijnen gedood hadden.

De honden waren intusschen weer gekoppeld. Vier der gewonden moesten afgemaakt worden; daar volgens den hondenbaas geen genezing meer te wachten was. Vijf andere, wien de ingewanden uit het lijf hingen, schenen aan dergelijke kleinigheden gewoon te zijn. Ze kwispelstaartten, toen de hondenbaas het verbandlinnen voor den dag haalde, en lieten zich verbinden, zonder een kreet van smart te uiten.[148]

Na een stevig ontbijt gebruikt te hebben, namen onze reisgenooten afscheid van de jagers. De opperjager bood hun een der slagtanden van Satan aan, als een herinnering aan deze jacht, en geleidde hen naar Buschweiler terug.

Lord Greybury en Willem gingen niet weer naar Bonn terug, maar reisden nog denzelfden dag naar Coblenz aan den Rijn, vanwaar zij hun reis met de stoomboot wenschten voort te zetten.


Back to IndexNext