HOOFDSTUK I.

[Inhoud]HOOFDSTUK I.Een goede dertig jaren geleden waren van een der fraaiste huizen op de Bocht der Heerengracht te Amsterdam alle vensters van den voorgevel verlicht, en telkens, bij het openen der voordeur, ontsnapten enkele tonen van zacht-ruischende muziek naar buiten.Een onafzienbare rij koetsen, waaronder maar weinige huurrijtuigen, besloeg een groot gedeelte der gracht.Deftige koetsiers en palfreniers, de meeste in deftige livrei, hadden moeite de paarden te bedwingen, die door hun gescharrel en gehinnik te kennen gaven, hoezeer ze een flinken draf boven dit vervelende stilstaan verkozen.Ook de koetsiers scheen de tijd lang te vallen; van tijd tot tijd daalde er een van zijn troon, om de handen eens flink tegen de schouders te slaan; want het was October en de avond begon koud te worden.„Kees!” zoo begon een voor deze gelegenheid mooi aangekleed „apie”, zich tot zijn achterbuurman wendend, „Kees! wat spijt het mij, dat ik geen jas heb meegenomen; maar wie kon ook denken, dat het zoo laat en zoo vinnig koud zou worden?”„Ja, jongen, daarbinnen worden ze er niet veel van gewaar, dat er een Noordenwindje opsteekt.”„Nu, anders fideele lui, hoor, die Roda’s! Mijn nicht, die er derde meid is, weet er alles van, en rijk! rijk! onder ons gezegd, daar zijn jouw heer en mijn vrachtje maar Jobs bij.”„Zeg, Kees! een goeie voor de booien, hè! zoo’n bruid in huis!”„Daar kun je van op an, dikke; ’t regent er fooien en geen dubbeltjes, hoor! Die lui laten zich niet lompen; als de een je een pop in de hand stopt, geeft de ander je een achterwiel. Daar moet je maar een geluksvogel voor wezen, zooals mijn nicht: dat is nou al de derde keer, dat ze zoo’n akefietje hêt; mij is het van mijn leven nog maar ééns gepasseerd en toen was ’t nog maar een kale boel. Drommels, wat word ik huiverig!”[6]De dikke had gelijk; daar binnen bemerkt men niet veel van den Noordenwind; integendeel, men zou er zich in warmer luchtstreek verplaatst denken.De groote zaal is ter gelegenheid van dit feest in een Oosterschen tuin herschapen; een overvloed van tropische planten verbergt de kostbare behangsels aan de wanden bijna geheel.Een laan van palmen loopt naar het midden van de feestzaal, waar een fontein, bijna tot aan de fraai beschilderde zoldering, een krachtigen waterstraal opzendt; die zich naar alle zijden uitspreidt, ombuigt en als een regen van diamanten neerdroppelt op een heuvel van de zeldzaamste bloemen en bladplanten.Stoelen en rustbanken, kunstig van bamboe en rotan gevlochten, bieden de vermoeiden een rustplaats onder oranjeboomen.Zacht klinken door de zaal de heerlijke tonen van een orkest, achter een rozenhaag verscholen, en op de maat van die muziek dansen vroolijke paren bijna onhoorbaar over den gladgewreven vloer; ze wandelen pratend of lachend tusschen het groen, of vormen groepjes aan de buffetten, die van kristal en zilver schitteren.De heeren dragen, zonder uitzondering, den deftigen zwarten rok; de jonge dames zijn in witte, roomkleurige of zachtblauwe balkleeding; de meer bejaarde zijn minder kleurig en fleurig gekleed en ook niet, gelijk haar dochters, met rozen getooid, doch meest met een enkel versiersel van fonkelende diamanten.Ziet ge dat groepje daar, om en op de rustbank bij de fontein?Zij, te wier eere dit feest gegeven wordt, is gemakkelijk te herkennen onder haar vriendinnen, want een bruidskrans siert haar blonde lokken. Slank en statig is haar gestalte, ernstig vriendelijk haar schoon gelaat.Die jonge man naast Emilia Roda is Herman Borgers, haar bruidegom.Er schijnt iets op til te zijn; een gegons van fluisterende stemmen gaat door de zaal; dansers en wandelaars staan stil; aller oogen drukken nieuwsgierigheid uit en zijn op de breede vleugeldeuren gericht, die door eenige lakeien, in gegalonneerde livrei, wagewijd worden geopend.Een diepe stilte vervangt het gemurmel en verraadt de spanning, waarin de verrassing wordt verwacht. Hoorngeschal doet zich hooren en Willem Roda, de bijna zestienjarige broeder der bruid, treedt als heraut gekleed binnen; hij verzoekt plaats te maken, en noodigt bruid en bruigom met de ouders van beiden uit, naast elkander te gaan zitten.Nauwelijks is aan dit verzoek voldaan en heeft het geheele gezelschap zich achter de genoemden geschaard, of zangtonen,[7]liefelijk en zacht, als kwamen ze uit de verte, dringen de zaal binnen; het geluid wordt sterker: daar vertoont zich aan den ingang een stoet jonge meisjes. Allen dragen witte kleedjes, half verscholen onder rozeknoppen.Beschilderde gazen vleugels, in vorm en kleur gelijkende op die van vlinders, zijn op de schouders en de witsatijnen balschoentjes gehecht; bovendien houdt elk een ruiker in de hand, waarachter velen de van schroom blozende wangen trachten te verbergen.Drie aan drie, in lange rij, gevolgd door evenveel jongens, in matrozenpakjes gestoken, treden ze binnen, waarna de matrozen zich achter de vlindertjes plaatsen.Een van de dapperste meisjes, Emma Borgers, het zusje van den bruidegom, heeft de solo’s van de sopraanpartij op zich genomen; Willem heeft het leeuwendeel van den zang, hij voert de alten aan. En nu klinken door de zaal de heerlijke tonen van den feestzang, waarvoor een echte dichter de woorden dichtte; daarbij schreef een onzer bekendste componisten de muziek en belastte zich nu zelf met de leiding der uitvoering.De genoodigden waren opgetogen; Emilia en hare moeder zichtbaar aangedaan; en terwijl de laatste akkoorden nog door de zaal galmden, drukten ze beurtelings hun Willem aan het hart.De toejuichingen daverden door de zaal, dat de glasruiten rinkelden.Doch de grootste voldoening en ’t meeste genoegen smaakte de knaap, toen zijn ernstige, strenge vader, die—dit wíst Willem zeer goed—op dergelijke vertooningen niet gesteld was, of ’t moest werkelijk mooi en goed zijn, opstond en zeide:„Uit naam van ons allen, dank ik jullie, meisjes en jongens, van harte voor den schoonen gelukwensch; woorden en zang hebben ons zeer veel genoegen verschaft. Maar wie is nu eigenlijk de aanlegger van het zoo goed uitgevoerde plan?”Al hadden dertig stemmetjes het niet luidruchtig genoeg verkondigd, Willem’s hoogroode kleur zou hem ongetwijfeld verraden hebben.„Welnu Willem, dan dank ik jou in ’t bijzonder, voor de aangename verrassing, die je ons bereid hebt!”Hierop drukte hij zijn zoon de hand, en Willem meende te voelen, dat zijn vaders hand om de zijne trilde.Hij had tot nu toe achting, eerbied en ook dikwijls vrees voor zijn vader gevoeld, maar wat hem op dit oogenblik het bloed zoo deed jagen was geheel iets anders; en als er niet zooveel meisjes tegenwoordig geweest waren, zouden de tranen hem zonder twijfel uit de oogen zijn gesprongen.Toen Willem zoo naast zijn vader stond, viel het eerst goed[8]in ’t oog, hoezeer ze op elkander geleken. Beiden hadden hetzelfde hooggewelfde voorhoofd, dezelfde doordringende en niettemin vriendelijke oogen, maar ook denzelfden trotschen trek om den mond.Zestig jaren, meerendeels in werkzaamheid op zijn kantoor of op reis doorgebracht, hadden Roda’s haren gedeeltelijk doen grijzen; zijn houding evenwel was kaarsrecht, en forsch en krachtig was zijn stem, als die van een man van veertig.Nu werd het feest eerst recht prettig, rumoerig ook. Er werd gespeeld en gelachen, gejoeld en gedanst, dat het een aard had.’t Was alsof de ouderen op de jongeren, hadden gewacht, om ook vroolijk te durven zijn.Dat Willem voor bijna alle dansen Emma, die hem bij den zang zoo wakker ter zijde had gestaan, tot zijn danseres koos, spreekt vanzelf.Toen ze eens samen langs een bejaarde dame walsten, zeide deze tamelijk luid:„Kijk me die twee eens aan, dat wordt óók nog eens een paar!”Emma scheen het niet gehoord te hebben; Willem kleurde tot achter de ooren, en de quadrille, die op de wals volgde, dansten ze niet meer samen.Intusschen, hoewel het vrij laat was, verscheen er nog een gast. ’t Was de oude advocaat Omens, een buurman en een goed vriend van Roda.Nauwelijks had deze den nieuwaangekomene bemerkt, of hij ging met uitgestoken hand op hem toe, en zei, spraakzamer dan gewoonlijk:„Wel Omens, wat ben ik blij je hier te zien; ik heb je, op mijn woord, den geheelen avond gemist; maar hoe kom je zoo uit de lucht gevallen? We dachten je goed en wel in Londen, of is het je daar te mistig?”„Hé, Omens,” zei mevrouw, „u hier? Dat is vriendelijk van u; zeker pas aangekomen?”„Zooals u zegt, mevrouw, kersversch van overzee; ik dacht eerst morgen hier te zijn, maar nu wil ik de gelegenheid niet verzuimen, nog even van uw uitnoodiging gebruik te, maken, en, al is ’t maar een half uurtje, uw familiefeest bij te wonen. Zoo naast de deur, dat gaat nog aan, al is ’t wat laat. Ik heb me dan ook den tijd niet gegund, me fatsoenlijk te kleeden; ’t Londensche stof zit nog aan mijn laarzen, maar een oud vriend zult u het niet kwalijk nemen, dat hij in reiskleeren op uw soirée komt.”Hierop nam hij Roda bij den arm, en al pratende wandelden zij door de zaal, tusschen de dansende paren door. Toen ze in[9]een gedeelte der zaal waren gekomen, waar zich toevallig slechts weinig gasten bevonden, fluisterde Omens zijn vriend toe:„Ik moet je noodzakelijk alleen spreken; tracht je ongemerkt te verwijderen; ik volg je naar je kamer.”Eenige oogenblikken later stond Roda tegenover den advocaat, wiens blik niet veel goeds voorspelde.„Omens! mijn hemel! wat is er met je gebeurd? Waarom zoo geheimzinnig? Heb je me noodig, spreek vrij uit; je weet, dat je in mij een vriend hebt, die helpen wil—en kan, als het maar eenigszins mogelijk is.”„Dat heb ik ondervonden; die verzekering is dus overbodig. Dezen keer geldt het echter niet mij; ook u niet, zoo ik hoop,” voegde hij er langzaam bij, en ging, blijkbaar met zich zelf verlegen, weder haastig voort:„Ik ben van nacht met stormweder uit Londen vertrokken, hoewel ik eerst gisteren daar ben aangekomen: en dat alleen om een gerucht, niets anders, denk ik.… Je doet zaken op Londen, dacht ik.…”„Mensch, martel me niet, spreek op!” riep Roda en, door een vreeselijk vermoeden buiten zich zelven, greep hij den ouden man in de borst.„Je staat toch niet in rekening met Howell en Co.?” bracht deze angstig en haperend uit.„Groote hemel! Howell en Co. zijn gesprongen! Dan ben ik een bedelaar!” schreeuwde Roda. „Maar dat kan niet. Op die menschen vertrouwt heel Holland en Engeland.”„Bedaar, vriend! zoo ver is ’t nog niet; daarom ben ik juist onmiddellijk weer vertrokken; ’t is nog niets dan een gerucht; ’t kan onwaar blijken, of misschien duurt het nog eenige dagen en kun je je redden!”Roda was doodsbleek in den leuningstoel voor zijne schrijftafel neergevallen; zijn gezicht verborg hij in den arm, die machteloos op de uitgetrokken klep rustte.Geruimen tijd verbraken slechts luide zuchten een akelige stilte.Daar drongen van beneden zwakke, doch in die stilte hierboven duidelijk hoorbare tonen van huppelende dansmuziek tot in de kamer door.Wezenloos rondstarend, als werd hij uit een benauwden droom wakker, richtte de arme man zich op.De tegenwoordigheid van zijn vriend, die hem medelijdend aanzag, bracht hem tot bezinning en tot het besef van zijn toestand.Mat klonk zijn stem, toen hij op de herhaalde verzekering van Omens, dat er nog uitkomst mogelijk was, antwoordde:„Vlei me niet met ijdele hoop; ik ken je genoeg om te weten,[10]dat je onderzoek gedaan hebt; indien er nog iets aan te doen was geweest, zou je me geseind hebben. Dat jij me persoonlijk die tijding brengt, is me bewijs genoeg; ik ben er je dankbaar voor, dat ik het eerst uit den mond van een vriend mijn ongeluk verneem. Ja, ik zou me kunnen redden,” vervolgde hij na een oogenblik peinzen, „door anderen te kort te doen, of laat ik liever zeggen, te bestelen. Maar daartoe ben ik niet in staat, daarvoor ken je mij genoeg.”„Maar Roda,” vroeg Omens belangstellend, „je spreekt of je door dezen éénen slag je geheele vermogen hebt verloren; zoo erg zal het toch niet zijn; jij bent er de man niet naar, alles op ééne kaart te zetten!”„Dat scheelt toch niet veel, Omens!” antwoordde Roda op somberen en spijtigen toon tevens. „Met het doel mijn kapitaal tijdelijk uit den handel te nemen, heb ik het in de laatste maanden bij Howell en Co. te Londen saamgetrokken. In dezen ongelukkigen tijd, nu huis op huis failleert, achtte ik mijn geld daar alleen nog veilig.”Eenige oogenblikken liep de ongelukkige man gejaagd de kamer op en neer, en stampte van tijd tot tijd op den vloer, of drukte de gebalde vuist tegen het voorhoofd; daarop ging hij zitten, staarde een poos voor zich heen en vervolgde toen veel kalmer:„Honderden hebben mij hun spaarpenningen of het kapitaaltje, waarvan ze moeten leven, toevertrouwd. Hun vertrouwen in mij zal niet beschaamd worden. Ik kan den omvang van de ramp, die mij zoo onverhoeds treft, nog niet overzien, maar, Goddank! al wat ik verloren heb, al is het mijn geheele handelskapitaal, was mijn eigendom. Voor hun geld zijn mijn bezittingen waarborg, en tot den laatsten gulden zal ik hun uitkeeren, al moest ik den stoel, waarop ik zit, verkoopen, en door handenarbeid mijn brood verdienen!”„Eerlijke, brave man! Doch, bedenk, dat je ook vrouw en kinderen hebt; als iederietsverliest, heb jij nog genoeg om van te leven; vergeet je zelf niet te veel voor anderen!”„Zou ik een eerlijk man zijn, Omens, en zoujijme nog braaf noemen, als ik het niet deed?”Omens wendde zich om, om niet op zijn gelaat te doen lezen, hoe zeer Roda’s woorden hem troffen.„Arme vrouw!” zuchtte deze, en liep mistroostig het vertrek op en neer. „Arme vrouw! Haar zal de slag het hevigst treffen; ze is in weelde grootgebracht; ze heeft er zelfs nooit aan behoeven te denken, dat rijkdom een grens heeft; en nu zich te moeten behelpen! En Willem, hij zal niet de loopbaan kunnen kiezen, die ik voor hem wenschte, en die hij zich zoo[11]schitterend voorspiegelde. Studeeren kost geld, en dat heb ik thans niet meer. Mijn dochter evenwel baart mij geen zorg; haar ken ik beter dan iemand; ze heeft een krachtigen aard, ze zal eer een steun dan een last voor me zijn.”„En ik dan?” stamelde Omens met tranen in de oogen, „ik, die zooveel aan je te danken heb?”„Kom, vriend in den nood,” zei Roda, „’t is beter, dat onze afwezigheid niet opgemerkt wordt; als ik mijn ongeluk nog een dag geheim kan houden, kan ik mij vele onaangenaamheden besparen. Zie zoo! ik ben mij zelf weer. Mijn toestand staat mij helder voor den geest. Kom mede naar de feestzaal. Daar beneden zullen ze dezen avond nog ongestoord genieten.”Roda’s afwezigheid was echter wel opgemerkt.Eenige lastige vragers werden behendig ontweken, doch die waren de ergste niet; zwijgende opmerkers zijn gevaarlijker, want ofschoon de geruïneerde bankier manmoedig zijn smart verborg, zijn gelaat droeg de duidelijke sporen van de vreeselijke oogenblikken, die hij pas had doorleefd.Achter het masker der vriendschap schuilt wel eens de nijd.Aan één van de gasten, die zich ook Roda’s vriend noemde, had de onverwachte komst van den advokaat reeds bevreemd. Hij had er een ander op gewezen, hoe zonderling en gejaagd deze zich gedroeg. Toen beide mannen zoo geheimzinnig verdwenen, hadden ze zich in gissingen verdiept, en nu zij hen beiden te zamen zagen terugkomen, fluisterde de een den ander toe:„Let eens goed op dien ouden vos; hij zet een gezicht als een oorworm, en Roda lacht als een boer, die kiespijn heeft; mijn kop er af, als er niet wat broeit.”„Ja, nu je het zegt, merk ik het ook. Er is iets niet in den haak. De oude schijnt wel gehuild te hebben. Er zit een onweer in de lucht: morgen zullen we misschien van de losbarsting hooren.”Voor zijne huisgenooten echter had het kloekmoedig gedrag van den armen man de gewenschte uitwerking: hun vreugde werd niet verstoord.Reeds lang waren de rijtuigen vertrokken en alle lichten gedoofd, toen Willem nog wakend te bed lag en den geheelen genoeglijken avond nog eens doorleefde.Eindelijk viel hij van vermoeienis in slaap en droomde van zang en van dans, van glans en van rijkdom en telkens meende hij weder die heerlijke woorden van zijn vader te hooren:„Ik dank je, Willem, voor de verrassing die je ons bereid hebt!”Welk een ontzettende verrassing dien armen vader tegelijkertijd[12]bereid werd, wist hij niet, en kon hij derhalve niet droomen, noch hij, noch zijne zuster, noch zijne moeder.Al den tijd, dat die gelukkige menschen rustig sliepen, bladerde Roda met bevende vingers in zijn boeken, om te zien wat hem nog restte van zijn vermogen.’t Moest luttel zijn, te oordeelen naar de moedelooze uitdrukking van zijn in één nacht verouderd gelaat.Den dag na het feest brachten de ochtendbladen de tijding, dat Howell &. Co. te Londen hun betalingen hadden gestaakt, met een passief van vijf millioen, waarvan geen shilling in kas was. De chefs waren reeds eenige dagen voortvluchtig.De firma was een der oudste van Europa en genoot een onbeperkt vertrouwen, zoodat dit bericht de geheele Amsterdamsche handelswereld in rep en roer bracht. Nog dienzelfden middag werden de luiken van het bankierskantoor, Johan Roda, gesloten.

[Inhoud]HOOFDSTUK I.Een goede dertig jaren geleden waren van een der fraaiste huizen op de Bocht der Heerengracht te Amsterdam alle vensters van den voorgevel verlicht, en telkens, bij het openen der voordeur, ontsnapten enkele tonen van zacht-ruischende muziek naar buiten.Een onafzienbare rij koetsen, waaronder maar weinige huurrijtuigen, besloeg een groot gedeelte der gracht.Deftige koetsiers en palfreniers, de meeste in deftige livrei, hadden moeite de paarden te bedwingen, die door hun gescharrel en gehinnik te kennen gaven, hoezeer ze een flinken draf boven dit vervelende stilstaan verkozen.Ook de koetsiers scheen de tijd lang te vallen; van tijd tot tijd daalde er een van zijn troon, om de handen eens flink tegen de schouders te slaan; want het was October en de avond begon koud te worden.„Kees!” zoo begon een voor deze gelegenheid mooi aangekleed „apie”, zich tot zijn achterbuurman wendend, „Kees! wat spijt het mij, dat ik geen jas heb meegenomen; maar wie kon ook denken, dat het zoo laat en zoo vinnig koud zou worden?”„Ja, jongen, daarbinnen worden ze er niet veel van gewaar, dat er een Noordenwindje opsteekt.”„Nu, anders fideele lui, hoor, die Roda’s! Mijn nicht, die er derde meid is, weet er alles van, en rijk! rijk! onder ons gezegd, daar zijn jouw heer en mijn vrachtje maar Jobs bij.”„Zeg, Kees! een goeie voor de booien, hè! zoo’n bruid in huis!”„Daar kun je van op an, dikke; ’t regent er fooien en geen dubbeltjes, hoor! Die lui laten zich niet lompen; als de een je een pop in de hand stopt, geeft de ander je een achterwiel. Daar moet je maar een geluksvogel voor wezen, zooals mijn nicht: dat is nou al de derde keer, dat ze zoo’n akefietje hêt; mij is het van mijn leven nog maar ééns gepasseerd en toen was ’t nog maar een kale boel. Drommels, wat word ik huiverig!”[6]De dikke had gelijk; daar binnen bemerkt men niet veel van den Noordenwind; integendeel, men zou er zich in warmer luchtstreek verplaatst denken.De groote zaal is ter gelegenheid van dit feest in een Oosterschen tuin herschapen; een overvloed van tropische planten verbergt de kostbare behangsels aan de wanden bijna geheel.Een laan van palmen loopt naar het midden van de feestzaal, waar een fontein, bijna tot aan de fraai beschilderde zoldering, een krachtigen waterstraal opzendt; die zich naar alle zijden uitspreidt, ombuigt en als een regen van diamanten neerdroppelt op een heuvel van de zeldzaamste bloemen en bladplanten.Stoelen en rustbanken, kunstig van bamboe en rotan gevlochten, bieden de vermoeiden een rustplaats onder oranjeboomen.Zacht klinken door de zaal de heerlijke tonen van een orkest, achter een rozenhaag verscholen, en op de maat van die muziek dansen vroolijke paren bijna onhoorbaar over den gladgewreven vloer; ze wandelen pratend of lachend tusschen het groen, of vormen groepjes aan de buffetten, die van kristal en zilver schitteren.De heeren dragen, zonder uitzondering, den deftigen zwarten rok; de jonge dames zijn in witte, roomkleurige of zachtblauwe balkleeding; de meer bejaarde zijn minder kleurig en fleurig gekleed en ook niet, gelijk haar dochters, met rozen getooid, doch meest met een enkel versiersel van fonkelende diamanten.Ziet ge dat groepje daar, om en op de rustbank bij de fontein?Zij, te wier eere dit feest gegeven wordt, is gemakkelijk te herkennen onder haar vriendinnen, want een bruidskrans siert haar blonde lokken. Slank en statig is haar gestalte, ernstig vriendelijk haar schoon gelaat.Die jonge man naast Emilia Roda is Herman Borgers, haar bruidegom.Er schijnt iets op til te zijn; een gegons van fluisterende stemmen gaat door de zaal; dansers en wandelaars staan stil; aller oogen drukken nieuwsgierigheid uit en zijn op de breede vleugeldeuren gericht, die door eenige lakeien, in gegalonneerde livrei, wagewijd worden geopend.Een diepe stilte vervangt het gemurmel en verraadt de spanning, waarin de verrassing wordt verwacht. Hoorngeschal doet zich hooren en Willem Roda, de bijna zestienjarige broeder der bruid, treedt als heraut gekleed binnen; hij verzoekt plaats te maken, en noodigt bruid en bruigom met de ouders van beiden uit, naast elkander te gaan zitten.Nauwelijks is aan dit verzoek voldaan en heeft het geheele gezelschap zich achter de genoemden geschaard, of zangtonen,[7]liefelijk en zacht, als kwamen ze uit de verte, dringen de zaal binnen; het geluid wordt sterker: daar vertoont zich aan den ingang een stoet jonge meisjes. Allen dragen witte kleedjes, half verscholen onder rozeknoppen.Beschilderde gazen vleugels, in vorm en kleur gelijkende op die van vlinders, zijn op de schouders en de witsatijnen balschoentjes gehecht; bovendien houdt elk een ruiker in de hand, waarachter velen de van schroom blozende wangen trachten te verbergen.Drie aan drie, in lange rij, gevolgd door evenveel jongens, in matrozenpakjes gestoken, treden ze binnen, waarna de matrozen zich achter de vlindertjes plaatsen.Een van de dapperste meisjes, Emma Borgers, het zusje van den bruidegom, heeft de solo’s van de sopraanpartij op zich genomen; Willem heeft het leeuwendeel van den zang, hij voert de alten aan. En nu klinken door de zaal de heerlijke tonen van den feestzang, waarvoor een echte dichter de woorden dichtte; daarbij schreef een onzer bekendste componisten de muziek en belastte zich nu zelf met de leiding der uitvoering.De genoodigden waren opgetogen; Emilia en hare moeder zichtbaar aangedaan; en terwijl de laatste akkoorden nog door de zaal galmden, drukten ze beurtelings hun Willem aan het hart.De toejuichingen daverden door de zaal, dat de glasruiten rinkelden.Doch de grootste voldoening en ’t meeste genoegen smaakte de knaap, toen zijn ernstige, strenge vader, die—dit wíst Willem zeer goed—op dergelijke vertooningen niet gesteld was, of ’t moest werkelijk mooi en goed zijn, opstond en zeide:„Uit naam van ons allen, dank ik jullie, meisjes en jongens, van harte voor den schoonen gelukwensch; woorden en zang hebben ons zeer veel genoegen verschaft. Maar wie is nu eigenlijk de aanlegger van het zoo goed uitgevoerde plan?”Al hadden dertig stemmetjes het niet luidruchtig genoeg verkondigd, Willem’s hoogroode kleur zou hem ongetwijfeld verraden hebben.„Welnu Willem, dan dank ik jou in ’t bijzonder, voor de aangename verrassing, die je ons bereid hebt!”Hierop drukte hij zijn zoon de hand, en Willem meende te voelen, dat zijn vaders hand om de zijne trilde.Hij had tot nu toe achting, eerbied en ook dikwijls vrees voor zijn vader gevoeld, maar wat hem op dit oogenblik het bloed zoo deed jagen was geheel iets anders; en als er niet zooveel meisjes tegenwoordig geweest waren, zouden de tranen hem zonder twijfel uit de oogen zijn gesprongen.Toen Willem zoo naast zijn vader stond, viel het eerst goed[8]in ’t oog, hoezeer ze op elkander geleken. Beiden hadden hetzelfde hooggewelfde voorhoofd, dezelfde doordringende en niettemin vriendelijke oogen, maar ook denzelfden trotschen trek om den mond.Zestig jaren, meerendeels in werkzaamheid op zijn kantoor of op reis doorgebracht, hadden Roda’s haren gedeeltelijk doen grijzen; zijn houding evenwel was kaarsrecht, en forsch en krachtig was zijn stem, als die van een man van veertig.Nu werd het feest eerst recht prettig, rumoerig ook. Er werd gespeeld en gelachen, gejoeld en gedanst, dat het een aard had.’t Was alsof de ouderen op de jongeren, hadden gewacht, om ook vroolijk te durven zijn.Dat Willem voor bijna alle dansen Emma, die hem bij den zang zoo wakker ter zijde had gestaan, tot zijn danseres koos, spreekt vanzelf.Toen ze eens samen langs een bejaarde dame walsten, zeide deze tamelijk luid:„Kijk me die twee eens aan, dat wordt óók nog eens een paar!”Emma scheen het niet gehoord te hebben; Willem kleurde tot achter de ooren, en de quadrille, die op de wals volgde, dansten ze niet meer samen.Intusschen, hoewel het vrij laat was, verscheen er nog een gast. ’t Was de oude advocaat Omens, een buurman en een goed vriend van Roda.Nauwelijks had deze den nieuwaangekomene bemerkt, of hij ging met uitgestoken hand op hem toe, en zei, spraakzamer dan gewoonlijk:„Wel Omens, wat ben ik blij je hier te zien; ik heb je, op mijn woord, den geheelen avond gemist; maar hoe kom je zoo uit de lucht gevallen? We dachten je goed en wel in Londen, of is het je daar te mistig?”„Hé, Omens,” zei mevrouw, „u hier? Dat is vriendelijk van u; zeker pas aangekomen?”„Zooals u zegt, mevrouw, kersversch van overzee; ik dacht eerst morgen hier te zijn, maar nu wil ik de gelegenheid niet verzuimen, nog even van uw uitnoodiging gebruik te, maken, en, al is ’t maar een half uurtje, uw familiefeest bij te wonen. Zoo naast de deur, dat gaat nog aan, al is ’t wat laat. Ik heb me dan ook den tijd niet gegund, me fatsoenlijk te kleeden; ’t Londensche stof zit nog aan mijn laarzen, maar een oud vriend zult u het niet kwalijk nemen, dat hij in reiskleeren op uw soirée komt.”Hierop nam hij Roda bij den arm, en al pratende wandelden zij door de zaal, tusschen de dansende paren door. Toen ze in[9]een gedeelte der zaal waren gekomen, waar zich toevallig slechts weinig gasten bevonden, fluisterde Omens zijn vriend toe:„Ik moet je noodzakelijk alleen spreken; tracht je ongemerkt te verwijderen; ik volg je naar je kamer.”Eenige oogenblikken later stond Roda tegenover den advocaat, wiens blik niet veel goeds voorspelde.„Omens! mijn hemel! wat is er met je gebeurd? Waarom zoo geheimzinnig? Heb je me noodig, spreek vrij uit; je weet, dat je in mij een vriend hebt, die helpen wil—en kan, als het maar eenigszins mogelijk is.”„Dat heb ik ondervonden; die verzekering is dus overbodig. Dezen keer geldt het echter niet mij; ook u niet, zoo ik hoop,” voegde hij er langzaam bij, en ging, blijkbaar met zich zelf verlegen, weder haastig voort:„Ik ben van nacht met stormweder uit Londen vertrokken, hoewel ik eerst gisteren daar ben aangekomen: en dat alleen om een gerucht, niets anders, denk ik.… Je doet zaken op Londen, dacht ik.…”„Mensch, martel me niet, spreek op!” riep Roda en, door een vreeselijk vermoeden buiten zich zelven, greep hij den ouden man in de borst.„Je staat toch niet in rekening met Howell en Co.?” bracht deze angstig en haperend uit.„Groote hemel! Howell en Co. zijn gesprongen! Dan ben ik een bedelaar!” schreeuwde Roda. „Maar dat kan niet. Op die menschen vertrouwt heel Holland en Engeland.”„Bedaar, vriend! zoo ver is ’t nog niet; daarom ben ik juist onmiddellijk weer vertrokken; ’t is nog niets dan een gerucht; ’t kan onwaar blijken, of misschien duurt het nog eenige dagen en kun je je redden!”Roda was doodsbleek in den leuningstoel voor zijne schrijftafel neergevallen; zijn gezicht verborg hij in den arm, die machteloos op de uitgetrokken klep rustte.Geruimen tijd verbraken slechts luide zuchten een akelige stilte.Daar drongen van beneden zwakke, doch in die stilte hierboven duidelijk hoorbare tonen van huppelende dansmuziek tot in de kamer door.Wezenloos rondstarend, als werd hij uit een benauwden droom wakker, richtte de arme man zich op.De tegenwoordigheid van zijn vriend, die hem medelijdend aanzag, bracht hem tot bezinning en tot het besef van zijn toestand.Mat klonk zijn stem, toen hij op de herhaalde verzekering van Omens, dat er nog uitkomst mogelijk was, antwoordde:„Vlei me niet met ijdele hoop; ik ken je genoeg om te weten,[10]dat je onderzoek gedaan hebt; indien er nog iets aan te doen was geweest, zou je me geseind hebben. Dat jij me persoonlijk die tijding brengt, is me bewijs genoeg; ik ben er je dankbaar voor, dat ik het eerst uit den mond van een vriend mijn ongeluk verneem. Ja, ik zou me kunnen redden,” vervolgde hij na een oogenblik peinzen, „door anderen te kort te doen, of laat ik liever zeggen, te bestelen. Maar daartoe ben ik niet in staat, daarvoor ken je mij genoeg.”„Maar Roda,” vroeg Omens belangstellend, „je spreekt of je door dezen éénen slag je geheele vermogen hebt verloren; zoo erg zal het toch niet zijn; jij bent er de man niet naar, alles op ééne kaart te zetten!”„Dat scheelt toch niet veel, Omens!” antwoordde Roda op somberen en spijtigen toon tevens. „Met het doel mijn kapitaal tijdelijk uit den handel te nemen, heb ik het in de laatste maanden bij Howell en Co. te Londen saamgetrokken. In dezen ongelukkigen tijd, nu huis op huis failleert, achtte ik mijn geld daar alleen nog veilig.”Eenige oogenblikken liep de ongelukkige man gejaagd de kamer op en neer, en stampte van tijd tot tijd op den vloer, of drukte de gebalde vuist tegen het voorhoofd; daarop ging hij zitten, staarde een poos voor zich heen en vervolgde toen veel kalmer:„Honderden hebben mij hun spaarpenningen of het kapitaaltje, waarvan ze moeten leven, toevertrouwd. Hun vertrouwen in mij zal niet beschaamd worden. Ik kan den omvang van de ramp, die mij zoo onverhoeds treft, nog niet overzien, maar, Goddank! al wat ik verloren heb, al is het mijn geheele handelskapitaal, was mijn eigendom. Voor hun geld zijn mijn bezittingen waarborg, en tot den laatsten gulden zal ik hun uitkeeren, al moest ik den stoel, waarop ik zit, verkoopen, en door handenarbeid mijn brood verdienen!”„Eerlijke, brave man! Doch, bedenk, dat je ook vrouw en kinderen hebt; als iederietsverliest, heb jij nog genoeg om van te leven; vergeet je zelf niet te veel voor anderen!”„Zou ik een eerlijk man zijn, Omens, en zoujijme nog braaf noemen, als ik het niet deed?”Omens wendde zich om, om niet op zijn gelaat te doen lezen, hoe zeer Roda’s woorden hem troffen.„Arme vrouw!” zuchtte deze, en liep mistroostig het vertrek op en neer. „Arme vrouw! Haar zal de slag het hevigst treffen; ze is in weelde grootgebracht; ze heeft er zelfs nooit aan behoeven te denken, dat rijkdom een grens heeft; en nu zich te moeten behelpen! En Willem, hij zal niet de loopbaan kunnen kiezen, die ik voor hem wenschte, en die hij zich zoo[11]schitterend voorspiegelde. Studeeren kost geld, en dat heb ik thans niet meer. Mijn dochter evenwel baart mij geen zorg; haar ken ik beter dan iemand; ze heeft een krachtigen aard, ze zal eer een steun dan een last voor me zijn.”„En ik dan?” stamelde Omens met tranen in de oogen, „ik, die zooveel aan je te danken heb?”„Kom, vriend in den nood,” zei Roda, „’t is beter, dat onze afwezigheid niet opgemerkt wordt; als ik mijn ongeluk nog een dag geheim kan houden, kan ik mij vele onaangenaamheden besparen. Zie zoo! ik ben mij zelf weer. Mijn toestand staat mij helder voor den geest. Kom mede naar de feestzaal. Daar beneden zullen ze dezen avond nog ongestoord genieten.”Roda’s afwezigheid was echter wel opgemerkt.Eenige lastige vragers werden behendig ontweken, doch die waren de ergste niet; zwijgende opmerkers zijn gevaarlijker, want ofschoon de geruïneerde bankier manmoedig zijn smart verborg, zijn gelaat droeg de duidelijke sporen van de vreeselijke oogenblikken, die hij pas had doorleefd.Achter het masker der vriendschap schuilt wel eens de nijd.Aan één van de gasten, die zich ook Roda’s vriend noemde, had de onverwachte komst van den advokaat reeds bevreemd. Hij had er een ander op gewezen, hoe zonderling en gejaagd deze zich gedroeg. Toen beide mannen zoo geheimzinnig verdwenen, hadden ze zich in gissingen verdiept, en nu zij hen beiden te zamen zagen terugkomen, fluisterde de een den ander toe:„Let eens goed op dien ouden vos; hij zet een gezicht als een oorworm, en Roda lacht als een boer, die kiespijn heeft; mijn kop er af, als er niet wat broeit.”„Ja, nu je het zegt, merk ik het ook. Er is iets niet in den haak. De oude schijnt wel gehuild te hebben. Er zit een onweer in de lucht: morgen zullen we misschien van de losbarsting hooren.”Voor zijne huisgenooten echter had het kloekmoedig gedrag van den armen man de gewenschte uitwerking: hun vreugde werd niet verstoord.Reeds lang waren de rijtuigen vertrokken en alle lichten gedoofd, toen Willem nog wakend te bed lag en den geheelen genoeglijken avond nog eens doorleefde.Eindelijk viel hij van vermoeienis in slaap en droomde van zang en van dans, van glans en van rijkdom en telkens meende hij weder die heerlijke woorden van zijn vader te hooren:„Ik dank je, Willem, voor de verrassing die je ons bereid hebt!”Welk een ontzettende verrassing dien armen vader tegelijkertijd[12]bereid werd, wist hij niet, en kon hij derhalve niet droomen, noch hij, noch zijne zuster, noch zijne moeder.Al den tijd, dat die gelukkige menschen rustig sliepen, bladerde Roda met bevende vingers in zijn boeken, om te zien wat hem nog restte van zijn vermogen.’t Moest luttel zijn, te oordeelen naar de moedelooze uitdrukking van zijn in één nacht verouderd gelaat.Den dag na het feest brachten de ochtendbladen de tijding, dat Howell &. Co. te Londen hun betalingen hadden gestaakt, met een passief van vijf millioen, waarvan geen shilling in kas was. De chefs waren reeds eenige dagen voortvluchtig.De firma was een der oudste van Europa en genoot een onbeperkt vertrouwen, zoodat dit bericht de geheele Amsterdamsche handelswereld in rep en roer bracht. Nog dienzelfden middag werden de luiken van het bankierskantoor, Johan Roda, gesloten.

HOOFDSTUK I.

Een goede dertig jaren geleden waren van een der fraaiste huizen op de Bocht der Heerengracht te Amsterdam alle vensters van den voorgevel verlicht, en telkens, bij het openen der voordeur, ontsnapten enkele tonen van zacht-ruischende muziek naar buiten.Een onafzienbare rij koetsen, waaronder maar weinige huurrijtuigen, besloeg een groot gedeelte der gracht.Deftige koetsiers en palfreniers, de meeste in deftige livrei, hadden moeite de paarden te bedwingen, die door hun gescharrel en gehinnik te kennen gaven, hoezeer ze een flinken draf boven dit vervelende stilstaan verkozen.Ook de koetsiers scheen de tijd lang te vallen; van tijd tot tijd daalde er een van zijn troon, om de handen eens flink tegen de schouders te slaan; want het was October en de avond begon koud te worden.„Kees!” zoo begon een voor deze gelegenheid mooi aangekleed „apie”, zich tot zijn achterbuurman wendend, „Kees! wat spijt het mij, dat ik geen jas heb meegenomen; maar wie kon ook denken, dat het zoo laat en zoo vinnig koud zou worden?”„Ja, jongen, daarbinnen worden ze er niet veel van gewaar, dat er een Noordenwindje opsteekt.”„Nu, anders fideele lui, hoor, die Roda’s! Mijn nicht, die er derde meid is, weet er alles van, en rijk! rijk! onder ons gezegd, daar zijn jouw heer en mijn vrachtje maar Jobs bij.”„Zeg, Kees! een goeie voor de booien, hè! zoo’n bruid in huis!”„Daar kun je van op an, dikke; ’t regent er fooien en geen dubbeltjes, hoor! Die lui laten zich niet lompen; als de een je een pop in de hand stopt, geeft de ander je een achterwiel. Daar moet je maar een geluksvogel voor wezen, zooals mijn nicht: dat is nou al de derde keer, dat ze zoo’n akefietje hêt; mij is het van mijn leven nog maar ééns gepasseerd en toen was ’t nog maar een kale boel. Drommels, wat word ik huiverig!”[6]De dikke had gelijk; daar binnen bemerkt men niet veel van den Noordenwind; integendeel, men zou er zich in warmer luchtstreek verplaatst denken.De groote zaal is ter gelegenheid van dit feest in een Oosterschen tuin herschapen; een overvloed van tropische planten verbergt de kostbare behangsels aan de wanden bijna geheel.Een laan van palmen loopt naar het midden van de feestzaal, waar een fontein, bijna tot aan de fraai beschilderde zoldering, een krachtigen waterstraal opzendt; die zich naar alle zijden uitspreidt, ombuigt en als een regen van diamanten neerdroppelt op een heuvel van de zeldzaamste bloemen en bladplanten.Stoelen en rustbanken, kunstig van bamboe en rotan gevlochten, bieden de vermoeiden een rustplaats onder oranjeboomen.Zacht klinken door de zaal de heerlijke tonen van een orkest, achter een rozenhaag verscholen, en op de maat van die muziek dansen vroolijke paren bijna onhoorbaar over den gladgewreven vloer; ze wandelen pratend of lachend tusschen het groen, of vormen groepjes aan de buffetten, die van kristal en zilver schitteren.De heeren dragen, zonder uitzondering, den deftigen zwarten rok; de jonge dames zijn in witte, roomkleurige of zachtblauwe balkleeding; de meer bejaarde zijn minder kleurig en fleurig gekleed en ook niet, gelijk haar dochters, met rozen getooid, doch meest met een enkel versiersel van fonkelende diamanten.Ziet ge dat groepje daar, om en op de rustbank bij de fontein?Zij, te wier eere dit feest gegeven wordt, is gemakkelijk te herkennen onder haar vriendinnen, want een bruidskrans siert haar blonde lokken. Slank en statig is haar gestalte, ernstig vriendelijk haar schoon gelaat.Die jonge man naast Emilia Roda is Herman Borgers, haar bruidegom.Er schijnt iets op til te zijn; een gegons van fluisterende stemmen gaat door de zaal; dansers en wandelaars staan stil; aller oogen drukken nieuwsgierigheid uit en zijn op de breede vleugeldeuren gericht, die door eenige lakeien, in gegalonneerde livrei, wagewijd worden geopend.Een diepe stilte vervangt het gemurmel en verraadt de spanning, waarin de verrassing wordt verwacht. Hoorngeschal doet zich hooren en Willem Roda, de bijna zestienjarige broeder der bruid, treedt als heraut gekleed binnen; hij verzoekt plaats te maken, en noodigt bruid en bruigom met de ouders van beiden uit, naast elkander te gaan zitten.Nauwelijks is aan dit verzoek voldaan en heeft het geheele gezelschap zich achter de genoemden geschaard, of zangtonen,[7]liefelijk en zacht, als kwamen ze uit de verte, dringen de zaal binnen; het geluid wordt sterker: daar vertoont zich aan den ingang een stoet jonge meisjes. Allen dragen witte kleedjes, half verscholen onder rozeknoppen.Beschilderde gazen vleugels, in vorm en kleur gelijkende op die van vlinders, zijn op de schouders en de witsatijnen balschoentjes gehecht; bovendien houdt elk een ruiker in de hand, waarachter velen de van schroom blozende wangen trachten te verbergen.Drie aan drie, in lange rij, gevolgd door evenveel jongens, in matrozenpakjes gestoken, treden ze binnen, waarna de matrozen zich achter de vlindertjes plaatsen.Een van de dapperste meisjes, Emma Borgers, het zusje van den bruidegom, heeft de solo’s van de sopraanpartij op zich genomen; Willem heeft het leeuwendeel van den zang, hij voert de alten aan. En nu klinken door de zaal de heerlijke tonen van den feestzang, waarvoor een echte dichter de woorden dichtte; daarbij schreef een onzer bekendste componisten de muziek en belastte zich nu zelf met de leiding der uitvoering.De genoodigden waren opgetogen; Emilia en hare moeder zichtbaar aangedaan; en terwijl de laatste akkoorden nog door de zaal galmden, drukten ze beurtelings hun Willem aan het hart.De toejuichingen daverden door de zaal, dat de glasruiten rinkelden.Doch de grootste voldoening en ’t meeste genoegen smaakte de knaap, toen zijn ernstige, strenge vader, die—dit wíst Willem zeer goed—op dergelijke vertooningen niet gesteld was, of ’t moest werkelijk mooi en goed zijn, opstond en zeide:„Uit naam van ons allen, dank ik jullie, meisjes en jongens, van harte voor den schoonen gelukwensch; woorden en zang hebben ons zeer veel genoegen verschaft. Maar wie is nu eigenlijk de aanlegger van het zoo goed uitgevoerde plan?”Al hadden dertig stemmetjes het niet luidruchtig genoeg verkondigd, Willem’s hoogroode kleur zou hem ongetwijfeld verraden hebben.„Welnu Willem, dan dank ik jou in ’t bijzonder, voor de aangename verrassing, die je ons bereid hebt!”Hierop drukte hij zijn zoon de hand, en Willem meende te voelen, dat zijn vaders hand om de zijne trilde.Hij had tot nu toe achting, eerbied en ook dikwijls vrees voor zijn vader gevoeld, maar wat hem op dit oogenblik het bloed zoo deed jagen was geheel iets anders; en als er niet zooveel meisjes tegenwoordig geweest waren, zouden de tranen hem zonder twijfel uit de oogen zijn gesprongen.Toen Willem zoo naast zijn vader stond, viel het eerst goed[8]in ’t oog, hoezeer ze op elkander geleken. Beiden hadden hetzelfde hooggewelfde voorhoofd, dezelfde doordringende en niettemin vriendelijke oogen, maar ook denzelfden trotschen trek om den mond.Zestig jaren, meerendeels in werkzaamheid op zijn kantoor of op reis doorgebracht, hadden Roda’s haren gedeeltelijk doen grijzen; zijn houding evenwel was kaarsrecht, en forsch en krachtig was zijn stem, als die van een man van veertig.Nu werd het feest eerst recht prettig, rumoerig ook. Er werd gespeeld en gelachen, gejoeld en gedanst, dat het een aard had.’t Was alsof de ouderen op de jongeren, hadden gewacht, om ook vroolijk te durven zijn.Dat Willem voor bijna alle dansen Emma, die hem bij den zang zoo wakker ter zijde had gestaan, tot zijn danseres koos, spreekt vanzelf.Toen ze eens samen langs een bejaarde dame walsten, zeide deze tamelijk luid:„Kijk me die twee eens aan, dat wordt óók nog eens een paar!”Emma scheen het niet gehoord te hebben; Willem kleurde tot achter de ooren, en de quadrille, die op de wals volgde, dansten ze niet meer samen.Intusschen, hoewel het vrij laat was, verscheen er nog een gast. ’t Was de oude advocaat Omens, een buurman en een goed vriend van Roda.Nauwelijks had deze den nieuwaangekomene bemerkt, of hij ging met uitgestoken hand op hem toe, en zei, spraakzamer dan gewoonlijk:„Wel Omens, wat ben ik blij je hier te zien; ik heb je, op mijn woord, den geheelen avond gemist; maar hoe kom je zoo uit de lucht gevallen? We dachten je goed en wel in Londen, of is het je daar te mistig?”„Hé, Omens,” zei mevrouw, „u hier? Dat is vriendelijk van u; zeker pas aangekomen?”„Zooals u zegt, mevrouw, kersversch van overzee; ik dacht eerst morgen hier te zijn, maar nu wil ik de gelegenheid niet verzuimen, nog even van uw uitnoodiging gebruik te, maken, en, al is ’t maar een half uurtje, uw familiefeest bij te wonen. Zoo naast de deur, dat gaat nog aan, al is ’t wat laat. Ik heb me dan ook den tijd niet gegund, me fatsoenlijk te kleeden; ’t Londensche stof zit nog aan mijn laarzen, maar een oud vriend zult u het niet kwalijk nemen, dat hij in reiskleeren op uw soirée komt.”Hierop nam hij Roda bij den arm, en al pratende wandelden zij door de zaal, tusschen de dansende paren door. Toen ze in[9]een gedeelte der zaal waren gekomen, waar zich toevallig slechts weinig gasten bevonden, fluisterde Omens zijn vriend toe:„Ik moet je noodzakelijk alleen spreken; tracht je ongemerkt te verwijderen; ik volg je naar je kamer.”Eenige oogenblikken later stond Roda tegenover den advocaat, wiens blik niet veel goeds voorspelde.„Omens! mijn hemel! wat is er met je gebeurd? Waarom zoo geheimzinnig? Heb je me noodig, spreek vrij uit; je weet, dat je in mij een vriend hebt, die helpen wil—en kan, als het maar eenigszins mogelijk is.”„Dat heb ik ondervonden; die verzekering is dus overbodig. Dezen keer geldt het echter niet mij; ook u niet, zoo ik hoop,” voegde hij er langzaam bij, en ging, blijkbaar met zich zelf verlegen, weder haastig voort:„Ik ben van nacht met stormweder uit Londen vertrokken, hoewel ik eerst gisteren daar ben aangekomen: en dat alleen om een gerucht, niets anders, denk ik.… Je doet zaken op Londen, dacht ik.…”„Mensch, martel me niet, spreek op!” riep Roda en, door een vreeselijk vermoeden buiten zich zelven, greep hij den ouden man in de borst.„Je staat toch niet in rekening met Howell en Co.?” bracht deze angstig en haperend uit.„Groote hemel! Howell en Co. zijn gesprongen! Dan ben ik een bedelaar!” schreeuwde Roda. „Maar dat kan niet. Op die menschen vertrouwt heel Holland en Engeland.”„Bedaar, vriend! zoo ver is ’t nog niet; daarom ben ik juist onmiddellijk weer vertrokken; ’t is nog niets dan een gerucht; ’t kan onwaar blijken, of misschien duurt het nog eenige dagen en kun je je redden!”Roda was doodsbleek in den leuningstoel voor zijne schrijftafel neergevallen; zijn gezicht verborg hij in den arm, die machteloos op de uitgetrokken klep rustte.Geruimen tijd verbraken slechts luide zuchten een akelige stilte.Daar drongen van beneden zwakke, doch in die stilte hierboven duidelijk hoorbare tonen van huppelende dansmuziek tot in de kamer door.Wezenloos rondstarend, als werd hij uit een benauwden droom wakker, richtte de arme man zich op.De tegenwoordigheid van zijn vriend, die hem medelijdend aanzag, bracht hem tot bezinning en tot het besef van zijn toestand.Mat klonk zijn stem, toen hij op de herhaalde verzekering van Omens, dat er nog uitkomst mogelijk was, antwoordde:„Vlei me niet met ijdele hoop; ik ken je genoeg om te weten,[10]dat je onderzoek gedaan hebt; indien er nog iets aan te doen was geweest, zou je me geseind hebben. Dat jij me persoonlijk die tijding brengt, is me bewijs genoeg; ik ben er je dankbaar voor, dat ik het eerst uit den mond van een vriend mijn ongeluk verneem. Ja, ik zou me kunnen redden,” vervolgde hij na een oogenblik peinzen, „door anderen te kort te doen, of laat ik liever zeggen, te bestelen. Maar daartoe ben ik niet in staat, daarvoor ken je mij genoeg.”„Maar Roda,” vroeg Omens belangstellend, „je spreekt of je door dezen éénen slag je geheele vermogen hebt verloren; zoo erg zal het toch niet zijn; jij bent er de man niet naar, alles op ééne kaart te zetten!”„Dat scheelt toch niet veel, Omens!” antwoordde Roda op somberen en spijtigen toon tevens. „Met het doel mijn kapitaal tijdelijk uit den handel te nemen, heb ik het in de laatste maanden bij Howell en Co. te Londen saamgetrokken. In dezen ongelukkigen tijd, nu huis op huis failleert, achtte ik mijn geld daar alleen nog veilig.”Eenige oogenblikken liep de ongelukkige man gejaagd de kamer op en neer, en stampte van tijd tot tijd op den vloer, of drukte de gebalde vuist tegen het voorhoofd; daarop ging hij zitten, staarde een poos voor zich heen en vervolgde toen veel kalmer:„Honderden hebben mij hun spaarpenningen of het kapitaaltje, waarvan ze moeten leven, toevertrouwd. Hun vertrouwen in mij zal niet beschaamd worden. Ik kan den omvang van de ramp, die mij zoo onverhoeds treft, nog niet overzien, maar, Goddank! al wat ik verloren heb, al is het mijn geheele handelskapitaal, was mijn eigendom. Voor hun geld zijn mijn bezittingen waarborg, en tot den laatsten gulden zal ik hun uitkeeren, al moest ik den stoel, waarop ik zit, verkoopen, en door handenarbeid mijn brood verdienen!”„Eerlijke, brave man! Doch, bedenk, dat je ook vrouw en kinderen hebt; als iederietsverliest, heb jij nog genoeg om van te leven; vergeet je zelf niet te veel voor anderen!”„Zou ik een eerlijk man zijn, Omens, en zoujijme nog braaf noemen, als ik het niet deed?”Omens wendde zich om, om niet op zijn gelaat te doen lezen, hoe zeer Roda’s woorden hem troffen.„Arme vrouw!” zuchtte deze, en liep mistroostig het vertrek op en neer. „Arme vrouw! Haar zal de slag het hevigst treffen; ze is in weelde grootgebracht; ze heeft er zelfs nooit aan behoeven te denken, dat rijkdom een grens heeft; en nu zich te moeten behelpen! En Willem, hij zal niet de loopbaan kunnen kiezen, die ik voor hem wenschte, en die hij zich zoo[11]schitterend voorspiegelde. Studeeren kost geld, en dat heb ik thans niet meer. Mijn dochter evenwel baart mij geen zorg; haar ken ik beter dan iemand; ze heeft een krachtigen aard, ze zal eer een steun dan een last voor me zijn.”„En ik dan?” stamelde Omens met tranen in de oogen, „ik, die zooveel aan je te danken heb?”„Kom, vriend in den nood,” zei Roda, „’t is beter, dat onze afwezigheid niet opgemerkt wordt; als ik mijn ongeluk nog een dag geheim kan houden, kan ik mij vele onaangenaamheden besparen. Zie zoo! ik ben mij zelf weer. Mijn toestand staat mij helder voor den geest. Kom mede naar de feestzaal. Daar beneden zullen ze dezen avond nog ongestoord genieten.”Roda’s afwezigheid was echter wel opgemerkt.Eenige lastige vragers werden behendig ontweken, doch die waren de ergste niet; zwijgende opmerkers zijn gevaarlijker, want ofschoon de geruïneerde bankier manmoedig zijn smart verborg, zijn gelaat droeg de duidelijke sporen van de vreeselijke oogenblikken, die hij pas had doorleefd.Achter het masker der vriendschap schuilt wel eens de nijd.Aan één van de gasten, die zich ook Roda’s vriend noemde, had de onverwachte komst van den advokaat reeds bevreemd. Hij had er een ander op gewezen, hoe zonderling en gejaagd deze zich gedroeg. Toen beide mannen zoo geheimzinnig verdwenen, hadden ze zich in gissingen verdiept, en nu zij hen beiden te zamen zagen terugkomen, fluisterde de een den ander toe:„Let eens goed op dien ouden vos; hij zet een gezicht als een oorworm, en Roda lacht als een boer, die kiespijn heeft; mijn kop er af, als er niet wat broeit.”„Ja, nu je het zegt, merk ik het ook. Er is iets niet in den haak. De oude schijnt wel gehuild te hebben. Er zit een onweer in de lucht: morgen zullen we misschien van de losbarsting hooren.”Voor zijne huisgenooten echter had het kloekmoedig gedrag van den armen man de gewenschte uitwerking: hun vreugde werd niet verstoord.Reeds lang waren de rijtuigen vertrokken en alle lichten gedoofd, toen Willem nog wakend te bed lag en den geheelen genoeglijken avond nog eens doorleefde.Eindelijk viel hij van vermoeienis in slaap en droomde van zang en van dans, van glans en van rijkdom en telkens meende hij weder die heerlijke woorden van zijn vader te hooren:„Ik dank je, Willem, voor de verrassing die je ons bereid hebt!”Welk een ontzettende verrassing dien armen vader tegelijkertijd[12]bereid werd, wist hij niet, en kon hij derhalve niet droomen, noch hij, noch zijne zuster, noch zijne moeder.Al den tijd, dat die gelukkige menschen rustig sliepen, bladerde Roda met bevende vingers in zijn boeken, om te zien wat hem nog restte van zijn vermogen.’t Moest luttel zijn, te oordeelen naar de moedelooze uitdrukking van zijn in één nacht verouderd gelaat.Den dag na het feest brachten de ochtendbladen de tijding, dat Howell &. Co. te Londen hun betalingen hadden gestaakt, met een passief van vijf millioen, waarvan geen shilling in kas was. De chefs waren reeds eenige dagen voortvluchtig.De firma was een der oudste van Europa en genoot een onbeperkt vertrouwen, zoodat dit bericht de geheele Amsterdamsche handelswereld in rep en roer bracht. Nog dienzelfden middag werden de luiken van het bankierskantoor, Johan Roda, gesloten.

Een goede dertig jaren geleden waren van een der fraaiste huizen op de Bocht der Heerengracht te Amsterdam alle vensters van den voorgevel verlicht, en telkens, bij het openen der voordeur, ontsnapten enkele tonen van zacht-ruischende muziek naar buiten.

Een onafzienbare rij koetsen, waaronder maar weinige huurrijtuigen, besloeg een groot gedeelte der gracht.

Deftige koetsiers en palfreniers, de meeste in deftige livrei, hadden moeite de paarden te bedwingen, die door hun gescharrel en gehinnik te kennen gaven, hoezeer ze een flinken draf boven dit vervelende stilstaan verkozen.

Ook de koetsiers scheen de tijd lang te vallen; van tijd tot tijd daalde er een van zijn troon, om de handen eens flink tegen de schouders te slaan; want het was October en de avond begon koud te worden.

„Kees!” zoo begon een voor deze gelegenheid mooi aangekleed „apie”, zich tot zijn achterbuurman wendend, „Kees! wat spijt het mij, dat ik geen jas heb meegenomen; maar wie kon ook denken, dat het zoo laat en zoo vinnig koud zou worden?”

„Ja, jongen, daarbinnen worden ze er niet veel van gewaar, dat er een Noordenwindje opsteekt.”

„Nu, anders fideele lui, hoor, die Roda’s! Mijn nicht, die er derde meid is, weet er alles van, en rijk! rijk! onder ons gezegd, daar zijn jouw heer en mijn vrachtje maar Jobs bij.”

„Zeg, Kees! een goeie voor de booien, hè! zoo’n bruid in huis!”

„Daar kun je van op an, dikke; ’t regent er fooien en geen dubbeltjes, hoor! Die lui laten zich niet lompen; als de een je een pop in de hand stopt, geeft de ander je een achterwiel. Daar moet je maar een geluksvogel voor wezen, zooals mijn nicht: dat is nou al de derde keer, dat ze zoo’n akefietje hêt; mij is het van mijn leven nog maar ééns gepasseerd en toen was ’t nog maar een kale boel. Drommels, wat word ik huiverig!”[6]

De dikke had gelijk; daar binnen bemerkt men niet veel van den Noordenwind; integendeel, men zou er zich in warmer luchtstreek verplaatst denken.

De groote zaal is ter gelegenheid van dit feest in een Oosterschen tuin herschapen; een overvloed van tropische planten verbergt de kostbare behangsels aan de wanden bijna geheel.

Een laan van palmen loopt naar het midden van de feestzaal, waar een fontein, bijna tot aan de fraai beschilderde zoldering, een krachtigen waterstraal opzendt; die zich naar alle zijden uitspreidt, ombuigt en als een regen van diamanten neerdroppelt op een heuvel van de zeldzaamste bloemen en bladplanten.

Stoelen en rustbanken, kunstig van bamboe en rotan gevlochten, bieden de vermoeiden een rustplaats onder oranjeboomen.

Zacht klinken door de zaal de heerlijke tonen van een orkest, achter een rozenhaag verscholen, en op de maat van die muziek dansen vroolijke paren bijna onhoorbaar over den gladgewreven vloer; ze wandelen pratend of lachend tusschen het groen, of vormen groepjes aan de buffetten, die van kristal en zilver schitteren.

De heeren dragen, zonder uitzondering, den deftigen zwarten rok; de jonge dames zijn in witte, roomkleurige of zachtblauwe balkleeding; de meer bejaarde zijn minder kleurig en fleurig gekleed en ook niet, gelijk haar dochters, met rozen getooid, doch meest met een enkel versiersel van fonkelende diamanten.

Ziet ge dat groepje daar, om en op de rustbank bij de fontein?

Zij, te wier eere dit feest gegeven wordt, is gemakkelijk te herkennen onder haar vriendinnen, want een bruidskrans siert haar blonde lokken. Slank en statig is haar gestalte, ernstig vriendelijk haar schoon gelaat.

Die jonge man naast Emilia Roda is Herman Borgers, haar bruidegom.

Er schijnt iets op til te zijn; een gegons van fluisterende stemmen gaat door de zaal; dansers en wandelaars staan stil; aller oogen drukken nieuwsgierigheid uit en zijn op de breede vleugeldeuren gericht, die door eenige lakeien, in gegalonneerde livrei, wagewijd worden geopend.

Een diepe stilte vervangt het gemurmel en verraadt de spanning, waarin de verrassing wordt verwacht. Hoorngeschal doet zich hooren en Willem Roda, de bijna zestienjarige broeder der bruid, treedt als heraut gekleed binnen; hij verzoekt plaats te maken, en noodigt bruid en bruigom met de ouders van beiden uit, naast elkander te gaan zitten.

Nauwelijks is aan dit verzoek voldaan en heeft het geheele gezelschap zich achter de genoemden geschaard, of zangtonen,[7]liefelijk en zacht, als kwamen ze uit de verte, dringen de zaal binnen; het geluid wordt sterker: daar vertoont zich aan den ingang een stoet jonge meisjes. Allen dragen witte kleedjes, half verscholen onder rozeknoppen.

Beschilderde gazen vleugels, in vorm en kleur gelijkende op die van vlinders, zijn op de schouders en de witsatijnen balschoentjes gehecht; bovendien houdt elk een ruiker in de hand, waarachter velen de van schroom blozende wangen trachten te verbergen.

Drie aan drie, in lange rij, gevolgd door evenveel jongens, in matrozenpakjes gestoken, treden ze binnen, waarna de matrozen zich achter de vlindertjes plaatsen.

Een van de dapperste meisjes, Emma Borgers, het zusje van den bruidegom, heeft de solo’s van de sopraanpartij op zich genomen; Willem heeft het leeuwendeel van den zang, hij voert de alten aan. En nu klinken door de zaal de heerlijke tonen van den feestzang, waarvoor een echte dichter de woorden dichtte; daarbij schreef een onzer bekendste componisten de muziek en belastte zich nu zelf met de leiding der uitvoering.

De genoodigden waren opgetogen; Emilia en hare moeder zichtbaar aangedaan; en terwijl de laatste akkoorden nog door de zaal galmden, drukten ze beurtelings hun Willem aan het hart.

De toejuichingen daverden door de zaal, dat de glasruiten rinkelden.

Doch de grootste voldoening en ’t meeste genoegen smaakte de knaap, toen zijn ernstige, strenge vader, die—dit wíst Willem zeer goed—op dergelijke vertooningen niet gesteld was, of ’t moest werkelijk mooi en goed zijn, opstond en zeide:

„Uit naam van ons allen, dank ik jullie, meisjes en jongens, van harte voor den schoonen gelukwensch; woorden en zang hebben ons zeer veel genoegen verschaft. Maar wie is nu eigenlijk de aanlegger van het zoo goed uitgevoerde plan?”

Al hadden dertig stemmetjes het niet luidruchtig genoeg verkondigd, Willem’s hoogroode kleur zou hem ongetwijfeld verraden hebben.

„Welnu Willem, dan dank ik jou in ’t bijzonder, voor de aangename verrassing, die je ons bereid hebt!”

Hierop drukte hij zijn zoon de hand, en Willem meende te voelen, dat zijn vaders hand om de zijne trilde.

Hij had tot nu toe achting, eerbied en ook dikwijls vrees voor zijn vader gevoeld, maar wat hem op dit oogenblik het bloed zoo deed jagen was geheel iets anders; en als er niet zooveel meisjes tegenwoordig geweest waren, zouden de tranen hem zonder twijfel uit de oogen zijn gesprongen.

Toen Willem zoo naast zijn vader stond, viel het eerst goed[8]in ’t oog, hoezeer ze op elkander geleken. Beiden hadden hetzelfde hooggewelfde voorhoofd, dezelfde doordringende en niettemin vriendelijke oogen, maar ook denzelfden trotschen trek om den mond.

Zestig jaren, meerendeels in werkzaamheid op zijn kantoor of op reis doorgebracht, hadden Roda’s haren gedeeltelijk doen grijzen; zijn houding evenwel was kaarsrecht, en forsch en krachtig was zijn stem, als die van een man van veertig.

Nu werd het feest eerst recht prettig, rumoerig ook. Er werd gespeeld en gelachen, gejoeld en gedanst, dat het een aard had.

’t Was alsof de ouderen op de jongeren, hadden gewacht, om ook vroolijk te durven zijn.

Dat Willem voor bijna alle dansen Emma, die hem bij den zang zoo wakker ter zijde had gestaan, tot zijn danseres koos, spreekt vanzelf.

Toen ze eens samen langs een bejaarde dame walsten, zeide deze tamelijk luid:

„Kijk me die twee eens aan, dat wordt óók nog eens een paar!”

Emma scheen het niet gehoord te hebben; Willem kleurde tot achter de ooren, en de quadrille, die op de wals volgde, dansten ze niet meer samen.

Intusschen, hoewel het vrij laat was, verscheen er nog een gast. ’t Was de oude advocaat Omens, een buurman en een goed vriend van Roda.

Nauwelijks had deze den nieuwaangekomene bemerkt, of hij ging met uitgestoken hand op hem toe, en zei, spraakzamer dan gewoonlijk:

„Wel Omens, wat ben ik blij je hier te zien; ik heb je, op mijn woord, den geheelen avond gemist; maar hoe kom je zoo uit de lucht gevallen? We dachten je goed en wel in Londen, of is het je daar te mistig?”

„Hé, Omens,” zei mevrouw, „u hier? Dat is vriendelijk van u; zeker pas aangekomen?”

„Zooals u zegt, mevrouw, kersversch van overzee; ik dacht eerst morgen hier te zijn, maar nu wil ik de gelegenheid niet verzuimen, nog even van uw uitnoodiging gebruik te, maken, en, al is ’t maar een half uurtje, uw familiefeest bij te wonen. Zoo naast de deur, dat gaat nog aan, al is ’t wat laat. Ik heb me dan ook den tijd niet gegund, me fatsoenlijk te kleeden; ’t Londensche stof zit nog aan mijn laarzen, maar een oud vriend zult u het niet kwalijk nemen, dat hij in reiskleeren op uw soirée komt.”

Hierop nam hij Roda bij den arm, en al pratende wandelden zij door de zaal, tusschen de dansende paren door. Toen ze in[9]een gedeelte der zaal waren gekomen, waar zich toevallig slechts weinig gasten bevonden, fluisterde Omens zijn vriend toe:

„Ik moet je noodzakelijk alleen spreken; tracht je ongemerkt te verwijderen; ik volg je naar je kamer.”

Eenige oogenblikken later stond Roda tegenover den advocaat, wiens blik niet veel goeds voorspelde.

„Omens! mijn hemel! wat is er met je gebeurd? Waarom zoo geheimzinnig? Heb je me noodig, spreek vrij uit; je weet, dat je in mij een vriend hebt, die helpen wil—en kan, als het maar eenigszins mogelijk is.”

„Dat heb ik ondervonden; die verzekering is dus overbodig. Dezen keer geldt het echter niet mij; ook u niet, zoo ik hoop,” voegde hij er langzaam bij, en ging, blijkbaar met zich zelf verlegen, weder haastig voort:

„Ik ben van nacht met stormweder uit Londen vertrokken, hoewel ik eerst gisteren daar ben aangekomen: en dat alleen om een gerucht, niets anders, denk ik.… Je doet zaken op Londen, dacht ik.…”

„Mensch, martel me niet, spreek op!” riep Roda en, door een vreeselijk vermoeden buiten zich zelven, greep hij den ouden man in de borst.

„Je staat toch niet in rekening met Howell en Co.?” bracht deze angstig en haperend uit.

„Groote hemel! Howell en Co. zijn gesprongen! Dan ben ik een bedelaar!” schreeuwde Roda. „Maar dat kan niet. Op die menschen vertrouwt heel Holland en Engeland.”

„Bedaar, vriend! zoo ver is ’t nog niet; daarom ben ik juist onmiddellijk weer vertrokken; ’t is nog niets dan een gerucht; ’t kan onwaar blijken, of misschien duurt het nog eenige dagen en kun je je redden!”

Roda was doodsbleek in den leuningstoel voor zijne schrijftafel neergevallen; zijn gezicht verborg hij in den arm, die machteloos op de uitgetrokken klep rustte.

Geruimen tijd verbraken slechts luide zuchten een akelige stilte.

Daar drongen van beneden zwakke, doch in die stilte hierboven duidelijk hoorbare tonen van huppelende dansmuziek tot in de kamer door.

Wezenloos rondstarend, als werd hij uit een benauwden droom wakker, richtte de arme man zich op.

De tegenwoordigheid van zijn vriend, die hem medelijdend aanzag, bracht hem tot bezinning en tot het besef van zijn toestand.

Mat klonk zijn stem, toen hij op de herhaalde verzekering van Omens, dat er nog uitkomst mogelijk was, antwoordde:

„Vlei me niet met ijdele hoop; ik ken je genoeg om te weten,[10]dat je onderzoek gedaan hebt; indien er nog iets aan te doen was geweest, zou je me geseind hebben. Dat jij me persoonlijk die tijding brengt, is me bewijs genoeg; ik ben er je dankbaar voor, dat ik het eerst uit den mond van een vriend mijn ongeluk verneem. Ja, ik zou me kunnen redden,” vervolgde hij na een oogenblik peinzen, „door anderen te kort te doen, of laat ik liever zeggen, te bestelen. Maar daartoe ben ik niet in staat, daarvoor ken je mij genoeg.”

„Maar Roda,” vroeg Omens belangstellend, „je spreekt of je door dezen éénen slag je geheele vermogen hebt verloren; zoo erg zal het toch niet zijn; jij bent er de man niet naar, alles op ééne kaart te zetten!”

„Dat scheelt toch niet veel, Omens!” antwoordde Roda op somberen en spijtigen toon tevens. „Met het doel mijn kapitaal tijdelijk uit den handel te nemen, heb ik het in de laatste maanden bij Howell en Co. te Londen saamgetrokken. In dezen ongelukkigen tijd, nu huis op huis failleert, achtte ik mijn geld daar alleen nog veilig.”

Eenige oogenblikken liep de ongelukkige man gejaagd de kamer op en neer, en stampte van tijd tot tijd op den vloer, of drukte de gebalde vuist tegen het voorhoofd; daarop ging hij zitten, staarde een poos voor zich heen en vervolgde toen veel kalmer:

„Honderden hebben mij hun spaarpenningen of het kapitaaltje, waarvan ze moeten leven, toevertrouwd. Hun vertrouwen in mij zal niet beschaamd worden. Ik kan den omvang van de ramp, die mij zoo onverhoeds treft, nog niet overzien, maar, Goddank! al wat ik verloren heb, al is het mijn geheele handelskapitaal, was mijn eigendom. Voor hun geld zijn mijn bezittingen waarborg, en tot den laatsten gulden zal ik hun uitkeeren, al moest ik den stoel, waarop ik zit, verkoopen, en door handenarbeid mijn brood verdienen!”

„Eerlijke, brave man! Doch, bedenk, dat je ook vrouw en kinderen hebt; als iederietsverliest, heb jij nog genoeg om van te leven; vergeet je zelf niet te veel voor anderen!”

„Zou ik een eerlijk man zijn, Omens, en zoujijme nog braaf noemen, als ik het niet deed?”

Omens wendde zich om, om niet op zijn gelaat te doen lezen, hoe zeer Roda’s woorden hem troffen.

„Arme vrouw!” zuchtte deze, en liep mistroostig het vertrek op en neer. „Arme vrouw! Haar zal de slag het hevigst treffen; ze is in weelde grootgebracht; ze heeft er zelfs nooit aan behoeven te denken, dat rijkdom een grens heeft; en nu zich te moeten behelpen! En Willem, hij zal niet de loopbaan kunnen kiezen, die ik voor hem wenschte, en die hij zich zoo[11]schitterend voorspiegelde. Studeeren kost geld, en dat heb ik thans niet meer. Mijn dochter evenwel baart mij geen zorg; haar ken ik beter dan iemand; ze heeft een krachtigen aard, ze zal eer een steun dan een last voor me zijn.”

„En ik dan?” stamelde Omens met tranen in de oogen, „ik, die zooveel aan je te danken heb?”

„Kom, vriend in den nood,” zei Roda, „’t is beter, dat onze afwezigheid niet opgemerkt wordt; als ik mijn ongeluk nog een dag geheim kan houden, kan ik mij vele onaangenaamheden besparen. Zie zoo! ik ben mij zelf weer. Mijn toestand staat mij helder voor den geest. Kom mede naar de feestzaal. Daar beneden zullen ze dezen avond nog ongestoord genieten.”

Roda’s afwezigheid was echter wel opgemerkt.

Eenige lastige vragers werden behendig ontweken, doch die waren de ergste niet; zwijgende opmerkers zijn gevaarlijker, want ofschoon de geruïneerde bankier manmoedig zijn smart verborg, zijn gelaat droeg de duidelijke sporen van de vreeselijke oogenblikken, die hij pas had doorleefd.

Achter het masker der vriendschap schuilt wel eens de nijd.

Aan één van de gasten, die zich ook Roda’s vriend noemde, had de onverwachte komst van den advokaat reeds bevreemd. Hij had er een ander op gewezen, hoe zonderling en gejaagd deze zich gedroeg. Toen beide mannen zoo geheimzinnig verdwenen, hadden ze zich in gissingen verdiept, en nu zij hen beiden te zamen zagen terugkomen, fluisterde de een den ander toe:

„Let eens goed op dien ouden vos; hij zet een gezicht als een oorworm, en Roda lacht als een boer, die kiespijn heeft; mijn kop er af, als er niet wat broeit.”

„Ja, nu je het zegt, merk ik het ook. Er is iets niet in den haak. De oude schijnt wel gehuild te hebben. Er zit een onweer in de lucht: morgen zullen we misschien van de losbarsting hooren.”

Voor zijne huisgenooten echter had het kloekmoedig gedrag van den armen man de gewenschte uitwerking: hun vreugde werd niet verstoord.

Reeds lang waren de rijtuigen vertrokken en alle lichten gedoofd, toen Willem nog wakend te bed lag en den geheelen genoeglijken avond nog eens doorleefde.

Eindelijk viel hij van vermoeienis in slaap en droomde van zang en van dans, van glans en van rijkdom en telkens meende hij weder die heerlijke woorden van zijn vader te hooren:

„Ik dank je, Willem, voor de verrassing die je ons bereid hebt!”

Welk een ontzettende verrassing dien armen vader tegelijkertijd[12]bereid werd, wist hij niet, en kon hij derhalve niet droomen, noch hij, noch zijne zuster, noch zijne moeder.

Al den tijd, dat die gelukkige menschen rustig sliepen, bladerde Roda met bevende vingers in zijn boeken, om te zien wat hem nog restte van zijn vermogen.

’t Moest luttel zijn, te oordeelen naar de moedelooze uitdrukking van zijn in één nacht verouderd gelaat.

Den dag na het feest brachten de ochtendbladen de tijding, dat Howell &. Co. te Londen hun betalingen hadden gestaakt, met een passief van vijf millioen, waarvan geen shilling in kas was. De chefs waren reeds eenige dagen voortvluchtig.

De firma was een der oudste van Europa en genoot een onbeperkt vertrouwen, zoodat dit bericht de geheele Amsterdamsche handelswereld in rep en roer bracht. Nog dienzelfden middag werden de luiken van het bankierskantoor, Johan Roda, gesloten.


Back to IndexNext