NEGENDE HOOFDSTUK.Tell's Meesterschot en Geszler's plannen.Het kon dien dag zoo ongeveer elf uur in den morgen zijn, dat Tell in zijne onderaardsche gevangenis het gerucht van nadere schreden vernam en spoedig daarop verschenen eenige Oostenrijkers.„Volg ons,” sprak de Aanvoerder. „Gij moet voor den Rijksvoogd verschijnen.”Zonder te vragen waarom, stond Tell op en volgde de soldaten, die hem door eene reeks gangen voerden, welkeallengs lichter werden. Hoewel Tell nu nog maar kort in de duisternis vertoefd had, was die langzame overgang van donker tot licht toch zeer goed voor hem en kon hij nu goed zien, zonder dat de oogen hem pijn deden toen hij voor Geszler en Landenberg stond.„Zijt gij niet nieuwsgierig waarom wij u hebben laten roepen?” begon Geszler.„Naar de daden van mannen, die hun Volk verraden hebben, ben ik nooit nieuwsgierig,” sprak Tell.Geszler glimlachte valsch en zeide: „Gij zijt een zeer dapper man, Tell! Maar daar gij niet nieuwsgierig zijt, moeten wij u wel zeggen, waarom wij u hebben laten roepen. Ik heb met Landenberg eene weddenschap aangegaan. Ziet gij dit appeltje?”Hij liet een appeltje zien.„Ik zie het,” sprak Tell.„Welnu, ik, die weet, welk een meester schutter gij zijt, heb tot Landenberg gezegd, dat gij het op een' afstand van vijftig uwer schreden gemakkelijk raken kunt, onverschillig waarop het staat, als gij het maar zien kunt. Hij wilde dat niet gelooven. Nu stel ik u voor om te toonen, dat ik u niet te veel geprezen heb. Raakt ge den appel, welnu, dan schenk ik u de vrijheid en wil voor dezen keer vergeten, dat gij den Hertog van Oostenrijk beleedigd hebt door het teeken zijner waardigheid niet te groeten. Neemt gij het aan, dan trekken we terstond naar Altorf, waar ge dan op het Marktplein uwe kunst toonen kunt!”„Mag ik eerst den boog zien, dien gij mij geven zult,” sprak Tell.„Hier, de mijne staat u ten dienste.”Geszler bood hem den boog aan; Tell onderzocht dien en zeide: „De boog is vrij goed; ik neem het aan.”Spoedig was men nu buiten den Zwing-Uri op weg naarAltorf en reeds verwonderde het Tell, dat er zooveel volk op de been was.„Heer Geszler,” sprak Tell opeens en hij bleef staan, „gij speelt toch geen valsch spel met me? Hoe weten zij allen, die daar op de Markt staan, wat er gebeuren zal?”„Het is ernst, Vrijjager! en als gij ziet waarop de appel, dien ge wegschieten moet, staat, zult ge zelf de eerste zijn om te zeggen, dat het geen spel, maar ernst is. En wat het volk betreft, ge ziet zelf wel, dat het de mijnen en die van den Sarnenstein zijn, die hunne nieuwsgierigheid niet bedwingen kunnen om uw meesterschot te zien!”„Het is dan toch wel vreemd, dat ze allen gewapend zijn!” merkte Tell aan, „en zie, daar komt Beringer van Landenberg ook al met een gewapend gevolg! Zeg, Heer Geszler, wat beduidt dat alles? Moet het soms eene terechtstelling worden en hebt gij geen' moed het mij te zeggen?”„Een Oostenrijker brak nog nooit zijn woord, Vrijjager!” sprak Geszler op hooghartigen toon.„Als gij Oostenrijker waart, zou ik u gelooven! Gij weet wel, dat gij het niet zijt, en dat gij eens een Zwitser geweest zijt. Nu zijt ge nóch het een, nóch het ander. Uw eerewoord is voor mij geen eerewoord.”Woedend zag Geszler den stouten spreker aan, doch hij zweeg, bij zichzelven denkend: „Nog een oogenblik slechts en ik heb hem klein gekregen.”Zonder dus eenig antwoord op die hatelijke woorden te geven, zette hij zijn paard aan om Landenberg te gaan begroeten en Tell schreed langzaam voort tusschen Geszlers gewapend gevolg.„Nu gij er zijt, zullen we niet wachten tot den middag,” sprak Geszler zijn' zoogenaamden vriend toe. „Ik vertrouw de kalmte der Zwitsers niet! Hebt gij op uw' tocht van den Sarnenstein geen gewapend volk gezien?”„Ja, en heel wat ook! Ze schenen haast te hebben om zich te verzamelen, en ik vermoed zoo dat ze er zoo goed als alles van weten.”„Dat kan niet! Hoe zouden ze het te weten gekomen zijn? Alles is in de grootste stilte geschied!”„Hoe weten ze alles? Geszler moest die vraag niet doen! Ik geloofde gisteren nog, dat men Tell en zijn' zoon in de bergen verongelukt waande, nu geloof ik het niet meer. Ik zou zelfs willen voorstellen om dat pijlschot niet hier te laten doen. Op de binnenplaats van den Zwing-Uri zijn we veiliger!”Geszler keek Beringer minachtend aan en zeide: „Neen, niet op de binnenplaats van mijn' burcht, maar hier op de Markt, en op dezelfde plaats waar hij stond om den Keizer, onzen Hertog te beleedigen, hier zal hij zijne straf ondergaan. Als gij bang zijt, verwijder u dan en verschans u achter de muren van den Sarnenstein. Ik ben geen lafaard en vrees het Zwitsersche gepeupel niet. Ik zal vandaag aan al die schelmen toonen, dat Oostenrijk heerscht over dit oproerige volk!”Geszler draaide Beringer den rug toe om de noodige bevelen te geven, want Tell was op de strafplaats aangekomen.Op de Markt stond eene breedgetakte eeuwenoude linde, waaromheen een aantal mannen stonden om voor het oog der toeschouwers wat te verbergen.Te paard keek Geszler over de hoofden heen en glimlachte toen hij den kleinen Walter daar zag staan.„Let wel op, Friedel,” sprak hij tot den ons welbekenden deugniet. „Als ik Tell een' pijl overgeef en dan naar de linde wijs, moet ge dadelijk al het volk verwijderen zoodat de knaap heel alleen tegen den boom staat met den appel op het hoofd!”„Het is goed, Heer! Het zal geschieden,” sprak Friedel.Geszler reed naar de plaats waar Tell te midden van gewapende Oostenrijkers stond te wachten.„Geef hem uw' boog, Franz,” sprak hij tot een' der zijnen.Deze deed het, doch toen Tell den boog in handen had, wierp hij hem neer en zeide: „Kinderspeelgoed! Met dien boog kan ik niet schieten. Gisteren hebt ge mij immers den uwen beloofd, Heer Rijksvoogd, en die is waarlijk nog gebrekkig genoeg!”„Welnu, hier is hij dan,” sprak Geszler en gaf hem zijn' eigen boog. „Gij vreest niet te zullen treffen en zoekt nu kinderachtige uitvluchten!”Tell bekeek den boog van alle kanten, wond hem met eene kleine windas op, en na hem, zonder een' pijl er op, eens aangelegd te hebben, sprak hij: „Ik zal treffen, Heer Rijksvoogd!”„Dat zal te bezien staan, grootspreker,” snauwde Geszler. „Hier is een pijl en,”—hij wees naar de linde,—„daar is uw doel!”Opeens verliet al het volk, dat om de linde stond, de ruimte onder den boom en...Kleine Walter stond alleen met den appel op het blondgelokte hoofdje en zijn boogje in de hand tegen den knoestigen stam.Sterk, ijzersterk was Tell, maar toen hij zijn' oudsten jongen daar zag staan, met het welbekende boogje in de hand, werd de sterke man zwak.Eene doodelijke bleekheid toog over zijn gelaat, zijne knieën knikten, zijne handen beefden; tranen verduisterden zijne oogen, en hij schreeuwde het uit: „Walter! Walter! Mijn kind!”„Dag, Vader! Dag, Vader!” riep Walter, en niet denkend aan den appel, en nog veel minder aan het doel waarom hij daar stond, kwam hij met uitgespreide armenop zijn' Vader toesnellen, den appel van het hoofd latende vallen.Daar was Walter bij Vader, maar... wat deed Vader raar! Geen enkel woord kwam over zijne lippen, en de oogen, die nu geene tranen meer hadden, keken het kind zoo vreemd aan. Geene hand werd uitgestoken om het kind welkom te heeten!O, zoo, zóó was Vader nooit, neen, nooit geweest!„Vader! Vader!” kreet Walter, die bang van hem werd.Daar kwam leven in dat standbeeld!De armen strekten zich uit en Walter werd opgetild tot vlak voor Vaders mond!„Kind! Kind!” riep Tell, „hoe komt ge hier?”Eer Walter hierop antwoord geven kon, kreeg Tell opeens den valsch lachenden Friedel in het oog, en thans begreep hij er genoeg van.„Wij rekenen af, man!” beet Tell hem toe, en zette Walter neer.„Kom, kom, moet die zoetsappigheid nog langer duren?” riep Geszler, die met angst steeds meer Zwitsers naderen zag en begreep, dat er gauw een einde aan moest gemaakt worden of Tell's landgenooten zouden het beletten.„Walter, mijn kind,” sprak Tell, de hand op het hoofdje zijns zoons leggend, „ga nu als een brave jongen naar den boom terug en zet den appel weer op uw hoofd!”„Ja, Vader!”„En, en...” Tell's stem haperde, „niet toonen, dat gij bang zijt!”„Ik ben niet bang, Vader! Waarom zou ik bang zijn? Zelfs Willem, die niet zoo goed schiet als ik, zou lachen om zulk een proefschot!”„Toch is het een zeer moeielijk schot voor—voor—mij, Walter! Ga nu, ga, kind!”Met eene houding, die aan een dapper praatsmakertje liet denken, ging Walter naar den boom.„Friedel, ga, en zet dien kwâjongen den appel op het hoofd,” beval Geszler gejaagd, want van de bergen zag hij eene groote bende gewapende Zwitsers naderen. „Maar haast je!”„Kwâjongen,” schreeuwde Tell en smeet met een' ruk Friedel op den grond, „mijn zoon is geen kwâjongen! Waag het niet hem aan te raken, Oostenrijksche vlegel! Mijn zoon zal zichzelven helpen!”Terwijl dit voorviel, was Walter al bij de linde gekomen en met den appel op het hoofd ging hij staan, zooals hij gestaan had.Friedel was opgestaan en kleine Walter riep hem met eene schelklinkende kinderstem toe: „En nu zal je zien, leelijke heks, dat Vaders pijl niet betooverd is!”Tell nam den pijl, die reeds op den boog gereed lag, eraf, bekeek hem even, boog den punt een weinig krom, stak hem in den koker, die ledig aan zijne zijde hing, en zeide tot een' Oostenrijkschen boogschutter: „Geef mij een' anderen; want deze pijl deugt niet voor dit doel!”De boogschutter voldeed aan zijn verzoek en Tell legde nu dezen tweeden pijl op den boog en begon op het doel te mikken.Wild geschreeuw naderde van alle kanten. Het waren de Zwitsers, die gehoord hadden, wat er gebeuren zou en die de wreedaardige daad wilden beletten.„Vader, schiet!” riep Walter.Met bijna bovenmenschelijke kracht bedwong Tell thans zijne aandoening.Kalm legde hij aan.„Houd op! Houd op! Niet schieten!” werd er uit de verte geroepen.Het was de stem van den ouden Walter Fürst.Eén oogenblik was de hand kalm en het mikkend oog vast als altijd.„Hemelsche Vader, bestuur den pijl,” bad Tell en...Snorrend vloog de pijl van den boog, spleet den appel in tweeën en drong diep in den stam.Geszler, Landenberg en Friedel knarsten op de tanden van woede.Hun doel was geheel mislukt.„Waartoe was die pijl, Tell?” vroeg Geszler, die den onvergelijkelijken schutter genaderd was, en nu op den pijl in den koker wees.„Als mijne hand mijn kind gedood had, laffe moordenaar en verrader, dan was die pijl voor jouw hart bestemd geweest!” sprak Tell somber.„In de boeien! In de boeien met dien man!” schreeuwde Geszler. „Terstond naar den Zwing-Uri terug! Terstond!”„Hier! Hier zijn we!” klonk de stem van Walter Fürst over het Marktplein. „Terneer met dien schandpaal! Op! Op! Voor Zwitserland! Den dood aan den Oostenrijker!”Eenige mannen grepen den bontgeverfden paal met den Hertogshoed aan, rukten hem uit den grond en vertrapten den hoed.De oude Walter was intusschen naar de linde gesneld waar hij zijn' kleinzoon gezien had.Het was juist bijtijds.„Zorg dat we het jong ook houden,” had Geszler tot Friedel geroepen. „Haast je, rep je! Ik rijd met Tell naar den burcht! Voort!”Gevolgd door een twintigtal lansknechten liep Friedel naar den boom waar kleine Walter vol angst stond te snikken.Reeds stak Friedel de hand naar het kind uit toen WalterFürst, gewapend met eene groote bijl, te midden der kinderroovers sprong.De bijl daalde neer en... Friedels laatste daad was geschied; hij lag ontzield op den grond.Van alle kanten drongen de Oostenrijkers op den ouden man aan, maar met kleinen Walter op den linkerarm, zwaaide hij met de rechterhand de vreeselijke bijl, en brak er zich dwars door de vijanden baan mede.Er kwam hulp ook en de Oostenrijkers sloegen in wanorde op de vlucht.Walter Fürst nam zijn' kleinzoon, die in onmacht gevallen was, van den arm, kuste hem op het bleeke gelaat en gaf hem aan' een zijner mannen over, zeggende: „Breng het kind bij mijne vrouw en kom dan naar den Zwing-Uri! De Vader moet ook bevrijd worden!”Voor Tell kwam men echter te laat. Deze was met Geszler al binnen den burcht, en de Zwitsers vonden de brug opgehaald en de poort gesloten.Van alle kanten kwamen nieuwe benden gewapende Zwitsers aan en reeds stond men gereed den burcht te gaan bestormen, toen de oude van Attinghausen en Stauffacher op het tooneel van den strijd verschenen.„Neen, neen, niet stormloopen!” riepen dezen.„Wat dan? Tell is daar!” deed Walter Fürst zich hooren. „Zullen we hem aan zijn lot overlaten? Zullen we den beul gelegenheid geven hem te dooden?”„Bedaar, Fürst, bedaar!” sprak van Attinghausen kalm. „Ge zijt door het gebeurde te opgewonden, mijn vriend! Tell zal niet gedood worden!”„Dat zal hij wel!”„Dat zal hij niet! Nu de zaken zoo geloopen zijn, zal Geszler wel zoo verstandig wezen om in te zien, dat Tell een gijzelaar is, die hem van veel dienst zijn kan. Men omringeden burcht en drage zorg, dat niemand hem verlaten kan. Als dat geschied is, beleggen we krijgsraad om vast te stellen, wat er gedaan moet worden. Zooals we nu ons in het wilde gewapend hebben, zouden we bij een stormloopen in de pan gehakt worden, want er is ook geen orde of regel onder het volk. Waar door eene kleine oorzaak de opstand een half jaar te vroeg uitgebroken is, daar moeten wij zeer voorzichtig zijn, of wij delven het onderspit.”„Vader, schiet!” riepWalter.Walter Fürst moest bekennen, dat de oude Heer van Attinghausen gelijk had en dat hoogstwaarschijnlijk een storm bloedig afgeslagen zou worden. Hij begaf zich dus naar zijne mannen, die aan de andere zijde van den burcht gereed stonden om onder zijne aanvoering den Zwing-Uri te bestormen, en hun te zeggen, dat hieraan vooreerst geen gevolg zou gegeven worden, omdat men groot gevaar liep op dit oogenblik de nederlaag te lijden. Hij begreep wel dat dit tegenvallen zou, en bedacht al, wat hij zeggen moest om hun duidelijk te maken, dat uitstel noodzakelijk was, toen hij uit het hout zijn' vriend Rudolf van Reding te voorschijn zag treden. Deze Rudolf was een Zwitsersch Edelman van den echten stempel. Minder dan van Attinghausen en Stauffacher had hij zich echter met de zaak des opstands ingelaten; hij had zijn koren geoogst, zijne wijngaarden geplant en zijn land bebouwd zonder zich met de samenzwering in te laten.„Ik ben nu vierenzeventig jaar,” zeide hij eens, „en te oud om mij nog als man te laten gelden. Ik heb altijd mij van alle zaken vreemd gehouden en het Volk kent mij niet genoeg. Laat mij de weinige dagen, die de goede God mij nog schenken wil, leven als zoo vele jaren lang. Kan dat echter niet en loopt ons land gevaar geheel in de macht van den Oostenrijker te komen, welnu, dan zal ik komen zonder geroepen te worden en nog doen, wat ik kan.”Zoo had hij gesproken en men had den ouden man met rust gelaten. Kwam zijn naaste buurman en oudste vriend, Walter Fürst eens bij hem, dan trachtte deze wel, zijn' vriend te bewegen om toch ook deel te nemen in de algemeene beweging en lid van het Eedgenootschap te worden, doch geregeld luidde dan het antwoord: „Stil, Walter, stil, voor een oud man is het de tijd nog niet!”Zonder het te zeggen had Walter hem al lang verdacht van bloohartigheid, en niet weinig vreemd keek hij op, nu zoo op eenmaal dezelfde Rudolf, gewapend als een Ridder, te voorschijn te zien treden.„Wat, Rudolf! Gij hier? En dat in het kleed eens Ridders, die tot den strijd gereed is? Ik heb u nimmer zóó gezien! Hoe komt gij aan die wapenrusting?”„Niemand zag mij in Zwitserland ooit zoo, Walter! En toch kan ik u verzekeren, dat ik Ridder ben en het recht heb om de gouden sporen te mogen dragen.[4]Hierover straks. Waar gaat gij heen?”„Mijn volk zeggen, dat de bestorming van den Zwing-Uri uitgesteld is.”„Attinghausen en Stauffacher hadden geen wijzer besluit kunnen nemen, Walter! Ik zie aan uw gezicht, dat gij me niet gelooft, en toch is het zoo! Heb echter maar geduld; het zal nu geen maand meer duren. Ga naar uwe mannen, en als gij hun de boodschap hebt overgebracht, kom dan weer hier. Wij zullen dan samen naar Attinghausen en Stauffacher gaan.”Walter Fürst haastte zich nu om zijne manschappen zoo goed mogelijk op de hoogte der zaak te brengen, maande hen tot geduld aan, en drukte hen op het gemoed eene zeer scherpe wacht te houden, en te beletten, dat iemand denburcht van deze zijde verliet. Spoedig genoeg zouden ze tot krachtdadig handelen geroepen worden.„Walter heeft gelijk,” zeide de Onder-aanvoerder. „De zaak eischt overleg, en zooals we nu zijn, zijn we niets anders dan ongeregelde benden, die zonder eenige leiding slechts in het wilde zouden strijden, wat ons slecht bekomen zou; want de Oostenrijkers staan onder strenge tucht en onder Hoofden, die weten, wat ze willen. Laten we, al valt het ons tegen, beginnen met te gehoorzamen aan de tucht.”De anderen zagen nu ook in, dat men berusten moest in het uitstel en lieten Walter heengaan, hem belovend, scherpe wacht te zullen houden.Walter Fürst en Rudolf van Reding waren nauwelijks in het gezicht van het kamp, dat de belegeraars metterhaast opgeslagen hadden, of Stauffacher zeide tot Attinghausen: „Wie Walter daar nu bij zich hebben mag? Het is een geharnast Ridder, dunkt me!”„Dat is, wel, dat is, dat is niemand anders dan Rudolf van Reding. Hoe is die zoo op eenmaal ontpopt van een' boer in een' Ridder? Zou het gerucht indertijd dan toch waarheid gesproken hebben?”„Welk gerucht?”„Nu ruim veertig jaar geleden is hij op zekeren dag bij één' zijner pachters gekomen en heeft hij gezegd: „Uli, ik heb vrouw noch kind op de wereld. Ik ga op reis, en zoolang ik er niet ben, zorgt gij voor alles. Blijf ik langer dan twintig jaar weg, zonder dat ge wat van mij hoort, geloof dan maar, dat ik dood ben. Elke pachter krijgt dan in eigendom alles, wat hij van mij in pacht heeft, en gij zijt dan bovendien eigenaar van al mijne andere goederen. Hier is een schriftelijk bewijs van alles. Vaarwel!”Tien jaar lang bleef hij weg en intusschen liep het gerucht, dat hij Koning Lodewijk van Frankrijk, als Ridderdiende, dat hij met dezen naar Tunis trok, tegen de Ongeloovigen streed en later met het lijk des Konings naar Frankrijk terugkeerde. Op zekeren dag, een jaar of vier na den dood des Konings keerde hij als pelgrim terug. In al den tijd van zijne afwezigheid had geen enkele zijner pachters schot en lot moeten opbrengen, en nu hij terug was, bleef dat niet alleen zoo, maar hij gaf iederen pachter ten geschenke, wat deze van hem in pacht had, zeggende, dat hij op zijn' tocht zooveel schatten verzameld had, dat hij hun geld niet noodig had. Kort daarop kwamen twee negers met beladen muilezels op den Redingfelz aan en bleven daar tot hun' dood, zonder ooit de taal van het land te leeren, zoodat niemand er achter komen kon, of het gerucht waarheid bevatte, dat hij als eenvoudig man van wapenen den zevenden Kruistocht had medegemaakt, en na bestormen van den burcht Karthago, om zijne dapperheid en heldenmoed, door Koning Lodewijk tot Ridder geslagen was. Misschien zal het nu uitkomen, en bevat het gerucht waarheid, dan kunnen we als Leger-aanvoerder geen' beteren hebben dan hem.”Toen de beide vrienden in het kamp aangekomen waren en allen, die met eenig bevel zich belast hadden, bijeen waren, deelde Heer Rudolf mede, dat hij thans besloten was om de zaak der Zwitsers te dienen, en dat hij hoopte, dat zijne veeljarige ondervinding op het oorlogstooneel zijn Land en Volk ten goede zou komen. Dat hij door Koning Lodewijk IX tot Ridder geslagen was, bevestigde hij door Stauffacher en Attinghausen de oorkonde hiervan terhand te stellen.„Nu wij weten, wat ge eenmaal gedaan hebt en hoe ge, als Ridder, de kunst van oorlogvoeren verstaat,” sprak Stauffacher, „stel ik voor, dat gij onze Aanvoerder in den strijd zult zijn, en ik zou mij zeer vergissen, indien één Zwitser zich daar tegen verklaarde. Intusschenmoeten wijhet aan het oordeel van het Volk onderwerpen en daarom zal ik allen, die de wapenen opgevat hebben om Tell en zijn' zoon te bevrijden, bijeen roepen en voorstellen u als ons Legerhoofd te erkennen.”Stauffacher gaf hieraan gevolg, en toen de Zwitsers wisten wie en wat Heer Rudolf van Reding was, was er niet één, die eenig bezwaar maakte.„Ik neem die eervolle taak op me,” sprak de oude Ridder, „maar, let wel, ik wil alleen maar Aanvoerder in den strijd zijn, doch het bestuur over den heelen opstand moet bij Attinghausen en Stauffacher blijven. Ik ben te oud om mij voor alles beschikbaar te stellen. De vraag echter is: zullen we nu terstond den strijd aanvangen, of hiermede nog wachten tot we andere en betere redenen tot verzet hebben. Wie zal spreken?”„Ik,” zeide Attinghausen. „Het doet ons allen leed, dat door Tell's onvoorzichtigheid de opstand een half jaar te vroeg uitgebroken is. We zijn nog niet klaar. En dan, wij moeten niet vergeten, dat wij in het oog van andere Volken en Vorsten tegen het wettig gezag opstaan. Al wat Monarch, Hertog of Graaf is, en regeert, zal dat in ons afkeuren, en het zal den Keizer niet moeielijk vallen daardoor bondgenooten te verkrijgen. En wat dan?”„Ik geloof, dat gij u vergist, Heer van Attinghausen,” zeide nu Walter Fürst. „Het wettig gezag berust bij den Keizer en dezen willen wij trouw blijven. Dat die Keizer nu meteen Hertog van Oostenrijk is, kan niet in rekening gebracht worden. Den Hertog van Oostenrijk als zoodanig kunnen we den oorlog aandoen.”„Dat zou waar zijn, als de Hertog van Oostenrijk niet als Keizer, Rijksvoogden aangesteld had. Voor het oog der wereld staan we dus wel degelijk tegen ons wettig Hoofd op, als we Geszler en Landenberg, de Rijksvoogden,den oorlog aandoen en dooden of verdrijven.”„Alsof die Rijksvoogden, als Oostenrijkers, ons niet verdrukt hebben,” meende Fürst.„Er is veel voor en veel tegen,” sprak nu Heer Rudolf. „Mij dunkt, wij blijven vandaag en vannacht hier om het oog te houden op den Zwing-Uri. Morgen ochtend om acht uren komen we weer bij elkander. Heeft de nacht dan raad gebracht, welnu, dan kunnen we een besluit nemen. Te langzaam zijn in het besluiten, kan nadeelig zijn. Dat ondervond Koning Lodewijk, die er maar niet toe te bewegen was om Tunis in te nemen toen het zwak was. Wij zagen elken dag heele troepen Bedouïnen de stad binnentrekken, en toen de Koning besloten was Tunis door bestorming te nemen, was het te laat. Dus, vrienden, morgen ochtend het besluit!”Terwijl dit alles vóór den Zwing-Uri plaats greep, zat Geszler ook niet stil. Nu hij Tell opnieuw binnen den burcht gesleept had, vermoedde hij, dat de Zwitsers, die hem woedend achtervolgden, terstond het kasteel bestormen zouden. Hij hoopte er op, dat dit geschieden zou, want hij wist zeker, dat hij met de vierhonderd zwaar gewapende dienstmannen, die aan orde en tucht gewoon waren, al heel gemakkelijk dien ordeloozen, dollen hoop Zwitsers zou kunnen terugdrijven, en als het maar een weinig wilde, zou kunnen vernietigen. Zulk eene bloedige nederlaag in het begin zou den heelen opstand doen mislukken.Hij begon dus, zoodra hij Tell alweer in zijn' onderaardschen kerker had doen opsluiten, alles voor de verdediging in gereedheid te brengen, doch toen er een paar uren verliepen en de Zwitsers nog altijd schenen te aarzelen om storm te loopen, meende Geszler dit aan angst en vrees te moeten toeschrijven, en stond hij al gereed om de belegeraars aan te vallen, toen over den muur een zijner mannen kwam klauteren.„Waar kom jij van daan?” snauwde Geszler hem toe. „Je ziet er uit als een geplukte vogel!”„Heer, ik kon u niet volgen. Ik was bij Friedel toen deze door de bijl van Walter Fürst doodgeslagen werd.”„Wat?! Is Friedel gevallen?”„Ja, Heer! In één slag dood! Door de verwarring, die ontstond bij het redden van den kleinen Tell, lette men niet op mij, en wist ik in het bosch te komen. Sluipend door heggen en struiken, zag ik opeens Walter Fürst naderen. Ik dook onder ruigte van distels en doornen en pas was ik verborgen, of ik zag aan den anderen kant van het pad een zwaar gewapend Ridder op Walter toetreden en deze riep: „Wat, Rudolf, gij hier?””„Rudolf?” vroeg Geszler verbleekend. „Rudolf? Was hij een oud man?”„O, Heer, u kent hem wel; wij kennen hem allen. Hij is die oude, droomerige boeren-edelman van den Redingfelz. Als er niet zooveel gevaar bij geweest was, zou ik eens hartelijk aan het lachen gegaan zijn. Die boer in de wapenrusting eens Ridders! Ha! Ha!”„Lach er niet om, lummel! Vertel verder!”„Wel, Heer, waarom zou ik niet lachen? Verbeeld u, door afluisteren ben ik te weten gekomen, dat ze dien ouden paai, dien verkleeden boer tot Leger-bevelhebber hebben benoemd! Waar de Zwitsers zulke domme streken uithalen, daar...”„Zwijg, kerel, zwijg! Die oude boer is eenmaal Kruisridder geweest. Hij was de dapperste onder de dapperen, en door zijn beleid een der beste Ridders van Koning Lodewijk IX van Frankrijk. Juist die man alleen is gevaarlijker dan een heel leger Zwitsersche boeren!”Driftig en gejaagd liep hij even het plein op en neer en zeide toen tot een' zijner Onder-bevelhebbers: „Alle wachtenmoeten verdriedubbeld worden. De boeren hebben een' Aanvoerder gekregen voor wien zelfs de Keizer sidderen en beven zou. Hij is de man, die den opstand tot een goed einde brengen kan, en weet ook wel, dat het stormloopen nu de nederlaag der Zwitsers ten gevolge zou hebben. Nu vrees ik! En—Tell moet weg! Dezen nacht nog over het meer naar den Bruneck. Hij moet onze gijzelaar blijven, en als gevangenis voor zulk een is de Bruneck te verkiezen boven den Zwing-Uri. Zoolang de Zwitsers meenen, dat Tell hier gevangen gehouden wordt, zullen ze voor geen' anderen burcht oog hebben, dan juist voor dezen. Ik zelf zal hem dezen nacht naar den Bruneck brengen. De weg over het meer is morgen wellicht niet vrij meer, en vóór dien tijd ben ik alweer terug. Is Tell daar onder goede bewaking, dan zal hij een gijzelaar voor ons zijn, als we geen' beteren vinden kunnen, en van daar uit kan hij ook, als hier alles verkeerd loopt, gemakkelijk naar Oostenrijk vervoerd worden. Zorg, dat Ulrich, Heinrich en Gottlieb mij vannacht vergezellen. Zij moeten naar alle burchten, waar wij volk in bezetting hebben om daar mijn bevel over te brengen, dat ze nu van de gelegenheid gebruik maken, dat de mannen afwezig zijn, om de hoeven te overvallen en vrouwen en kinderen gevangen te nemen. In de eerste plaats moeten ze Tell's vrouw en kinderen halen.”„Maar, Heer,” waagde de Onder-bevelhebber te zeggen, „mij dunkt, dat ge u den toestand veel te ernstig voorstelt. Wat zouden die ongeoefende Zwitsersche boeren vermogen tegen eene macht, als de onze? Heer Beringer van Landenberg met zijn volk is er toch ook nog!”„Ik zie den toestand waarschijnlijk nog niet ernstig genoeg in, Fabian! Nu die Rudolf van Reding aan het hoofd van de krijgsmacht der opstandelingen staat, is alles te vreezen en niets te hopen. En wat Heer Beringer betreft, eendwaas, die wat goeds van hem verwacht. Gijzelf hebt nog gisteren onder mijn venster, toen ge niet wist, dat ik alles hoorde, tot uw' vriend Gottlieb gezegd, dat hij de grootste lafaard is, die ooit geleefd heeft. Welnu, wat zal deze man dan doen? De Sarnenstein is onneembaar en ruim voorzien van levens- en krijgsbehoeften. Hij zal rustig op den burcht blijven en daar den loop der zaken afwachten. Delven we hier het onderspit, dan geeft hij zich heel eenvoudig over, belooft van niet meer tegen de Zwitsers te strijden, en trekt naar zijne goederen in het Schwarzwald. Geloof me, Fabian, de toestand heeft voor Hertog Albrecht, onzen Keizer, plotseling een' ongunstigen keer genomen. Ga, en doe, wat ik gezegd heb, doch verzwijg voor het volk mijne vermoedens.”Fabian groette beleefd en zag zijn' Heer driftig naar binnen gaan, en glimlachte.„Dat komt ervan,” zeide hij tot zichzelven, „als men dwaze dingen doet. Die wraakoefening in het openbaar op dien driesten Tell was eene dwaasheid, Geszler door trots ingegeven. Hij had, òf Tell en dien knaap niet moeten oplichten, òf wel oplichten, doch om hen te dooden. Ik geloof ook, dat de zaken een' ongunstigen keer genomen hebben. Maar, wie wind zaait, zal storm oogsten!”
Het kon dien dag zoo ongeveer elf uur in den morgen zijn, dat Tell in zijne onderaardsche gevangenis het gerucht van nadere schreden vernam en spoedig daarop verschenen eenige Oostenrijkers.
„Volg ons,” sprak de Aanvoerder. „Gij moet voor den Rijksvoogd verschijnen.”
Zonder te vragen waarom, stond Tell op en volgde de soldaten, die hem door eene reeks gangen voerden, welkeallengs lichter werden. Hoewel Tell nu nog maar kort in de duisternis vertoefd had, was die langzame overgang van donker tot licht toch zeer goed voor hem en kon hij nu goed zien, zonder dat de oogen hem pijn deden toen hij voor Geszler en Landenberg stond.
„Zijt gij niet nieuwsgierig waarom wij u hebben laten roepen?” begon Geszler.
„Naar de daden van mannen, die hun Volk verraden hebben, ben ik nooit nieuwsgierig,” sprak Tell.
Geszler glimlachte valsch en zeide: „Gij zijt een zeer dapper man, Tell! Maar daar gij niet nieuwsgierig zijt, moeten wij u wel zeggen, waarom wij u hebben laten roepen. Ik heb met Landenberg eene weddenschap aangegaan. Ziet gij dit appeltje?”
Hij liet een appeltje zien.
„Ik zie het,” sprak Tell.
„Welnu, ik, die weet, welk een meester schutter gij zijt, heb tot Landenberg gezegd, dat gij het op een' afstand van vijftig uwer schreden gemakkelijk raken kunt, onverschillig waarop het staat, als gij het maar zien kunt. Hij wilde dat niet gelooven. Nu stel ik u voor om te toonen, dat ik u niet te veel geprezen heb. Raakt ge den appel, welnu, dan schenk ik u de vrijheid en wil voor dezen keer vergeten, dat gij den Hertog van Oostenrijk beleedigd hebt door het teeken zijner waardigheid niet te groeten. Neemt gij het aan, dan trekken we terstond naar Altorf, waar ge dan op het Marktplein uwe kunst toonen kunt!”
„Mag ik eerst den boog zien, dien gij mij geven zult,” sprak Tell.
„Hier, de mijne staat u ten dienste.”
Geszler bood hem den boog aan; Tell onderzocht dien en zeide: „De boog is vrij goed; ik neem het aan.”
Spoedig was men nu buiten den Zwing-Uri op weg naarAltorf en reeds verwonderde het Tell, dat er zooveel volk op de been was.
„Heer Geszler,” sprak Tell opeens en hij bleef staan, „gij speelt toch geen valsch spel met me? Hoe weten zij allen, die daar op de Markt staan, wat er gebeuren zal?”
„Het is ernst, Vrijjager! en als gij ziet waarop de appel, dien ge wegschieten moet, staat, zult ge zelf de eerste zijn om te zeggen, dat het geen spel, maar ernst is. En wat het volk betreft, ge ziet zelf wel, dat het de mijnen en die van den Sarnenstein zijn, die hunne nieuwsgierigheid niet bedwingen kunnen om uw meesterschot te zien!”
„Het is dan toch wel vreemd, dat ze allen gewapend zijn!” merkte Tell aan, „en zie, daar komt Beringer van Landenberg ook al met een gewapend gevolg! Zeg, Heer Geszler, wat beduidt dat alles? Moet het soms eene terechtstelling worden en hebt gij geen' moed het mij te zeggen?”
„Een Oostenrijker brak nog nooit zijn woord, Vrijjager!” sprak Geszler op hooghartigen toon.
„Als gij Oostenrijker waart, zou ik u gelooven! Gij weet wel, dat gij het niet zijt, en dat gij eens een Zwitser geweest zijt. Nu zijt ge nóch het een, nóch het ander. Uw eerewoord is voor mij geen eerewoord.”
Woedend zag Geszler den stouten spreker aan, doch hij zweeg, bij zichzelven denkend: „Nog een oogenblik slechts en ik heb hem klein gekregen.”
Zonder dus eenig antwoord op die hatelijke woorden te geven, zette hij zijn paard aan om Landenberg te gaan begroeten en Tell schreed langzaam voort tusschen Geszlers gewapend gevolg.
„Nu gij er zijt, zullen we niet wachten tot den middag,” sprak Geszler zijn' zoogenaamden vriend toe. „Ik vertrouw de kalmte der Zwitsers niet! Hebt gij op uw' tocht van den Sarnenstein geen gewapend volk gezien?”
„Ja, en heel wat ook! Ze schenen haast te hebben om zich te verzamelen, en ik vermoed zoo dat ze er zoo goed als alles van weten.”
„Dat kan niet! Hoe zouden ze het te weten gekomen zijn? Alles is in de grootste stilte geschied!”
„Hoe weten ze alles? Geszler moest die vraag niet doen! Ik geloofde gisteren nog, dat men Tell en zijn' zoon in de bergen verongelukt waande, nu geloof ik het niet meer. Ik zou zelfs willen voorstellen om dat pijlschot niet hier te laten doen. Op de binnenplaats van den Zwing-Uri zijn we veiliger!”
Geszler keek Beringer minachtend aan en zeide: „Neen, niet op de binnenplaats van mijn' burcht, maar hier op de Markt, en op dezelfde plaats waar hij stond om den Keizer, onzen Hertog te beleedigen, hier zal hij zijne straf ondergaan. Als gij bang zijt, verwijder u dan en verschans u achter de muren van den Sarnenstein. Ik ben geen lafaard en vrees het Zwitsersche gepeupel niet. Ik zal vandaag aan al die schelmen toonen, dat Oostenrijk heerscht over dit oproerige volk!”
Geszler draaide Beringer den rug toe om de noodige bevelen te geven, want Tell was op de strafplaats aangekomen.
Op de Markt stond eene breedgetakte eeuwenoude linde, waaromheen een aantal mannen stonden om voor het oog der toeschouwers wat te verbergen.
Te paard keek Geszler over de hoofden heen en glimlachte toen hij den kleinen Walter daar zag staan.
„Let wel op, Friedel,” sprak hij tot den ons welbekenden deugniet. „Als ik Tell een' pijl overgeef en dan naar de linde wijs, moet ge dadelijk al het volk verwijderen zoodat de knaap heel alleen tegen den boom staat met den appel op het hoofd!”
„Het is goed, Heer! Het zal geschieden,” sprak Friedel.
Geszler reed naar de plaats waar Tell te midden van gewapende Oostenrijkers stond te wachten.
„Geef hem uw' boog, Franz,” sprak hij tot een' der zijnen.
Deze deed het, doch toen Tell den boog in handen had, wierp hij hem neer en zeide: „Kinderspeelgoed! Met dien boog kan ik niet schieten. Gisteren hebt ge mij immers den uwen beloofd, Heer Rijksvoogd, en die is waarlijk nog gebrekkig genoeg!”
„Welnu, hier is hij dan,” sprak Geszler en gaf hem zijn' eigen boog. „Gij vreest niet te zullen treffen en zoekt nu kinderachtige uitvluchten!”
Tell bekeek den boog van alle kanten, wond hem met eene kleine windas op, en na hem, zonder een' pijl er op, eens aangelegd te hebben, sprak hij: „Ik zal treffen, Heer Rijksvoogd!”
„Dat zal te bezien staan, grootspreker,” snauwde Geszler. „Hier is een pijl en,”—hij wees naar de linde,—„daar is uw doel!”
Opeens verliet al het volk, dat om de linde stond, de ruimte onder den boom en...
Kleine Walter stond alleen met den appel op het blondgelokte hoofdje en zijn boogje in de hand tegen den knoestigen stam.
Sterk, ijzersterk was Tell, maar toen hij zijn' oudsten jongen daar zag staan, met het welbekende boogje in de hand, werd de sterke man zwak.
Eene doodelijke bleekheid toog over zijn gelaat, zijne knieën knikten, zijne handen beefden; tranen verduisterden zijne oogen, en hij schreeuwde het uit: „Walter! Walter! Mijn kind!”
„Dag, Vader! Dag, Vader!” riep Walter, en niet denkend aan den appel, en nog veel minder aan het doel waarom hij daar stond, kwam hij met uitgespreide armenop zijn' Vader toesnellen, den appel van het hoofd latende vallen.
Daar was Walter bij Vader, maar... wat deed Vader raar! Geen enkel woord kwam over zijne lippen, en de oogen, die nu geene tranen meer hadden, keken het kind zoo vreemd aan. Geene hand werd uitgestoken om het kind welkom te heeten!
O, zoo, zóó was Vader nooit, neen, nooit geweest!
„Vader! Vader!” kreet Walter, die bang van hem werd.
Daar kwam leven in dat standbeeld!
De armen strekten zich uit en Walter werd opgetild tot vlak voor Vaders mond!
„Kind! Kind!” riep Tell, „hoe komt ge hier?”
Eer Walter hierop antwoord geven kon, kreeg Tell opeens den valsch lachenden Friedel in het oog, en thans begreep hij er genoeg van.
„Wij rekenen af, man!” beet Tell hem toe, en zette Walter neer.
„Kom, kom, moet die zoetsappigheid nog langer duren?” riep Geszler, die met angst steeds meer Zwitsers naderen zag en begreep, dat er gauw een einde aan moest gemaakt worden of Tell's landgenooten zouden het beletten.
„Walter, mijn kind,” sprak Tell, de hand op het hoofdje zijns zoons leggend, „ga nu als een brave jongen naar den boom terug en zet den appel weer op uw hoofd!”
„Ja, Vader!”
„En, en...” Tell's stem haperde, „niet toonen, dat gij bang zijt!”
„Ik ben niet bang, Vader! Waarom zou ik bang zijn? Zelfs Willem, die niet zoo goed schiet als ik, zou lachen om zulk een proefschot!”
„Toch is het een zeer moeielijk schot voor—voor—mij, Walter! Ga nu, ga, kind!”
Met eene houding, die aan een dapper praatsmakertje liet denken, ging Walter naar den boom.
„Friedel, ga, en zet dien kwâjongen den appel op het hoofd,” beval Geszler gejaagd, want van de bergen zag hij eene groote bende gewapende Zwitsers naderen. „Maar haast je!”
„Kwâjongen,” schreeuwde Tell en smeet met een' ruk Friedel op den grond, „mijn zoon is geen kwâjongen! Waag het niet hem aan te raken, Oostenrijksche vlegel! Mijn zoon zal zichzelven helpen!”
Terwijl dit voorviel, was Walter al bij de linde gekomen en met den appel op het hoofd ging hij staan, zooals hij gestaan had.
Friedel was opgestaan en kleine Walter riep hem met eene schelklinkende kinderstem toe: „En nu zal je zien, leelijke heks, dat Vaders pijl niet betooverd is!”
Tell nam den pijl, die reeds op den boog gereed lag, eraf, bekeek hem even, boog den punt een weinig krom, stak hem in den koker, die ledig aan zijne zijde hing, en zeide tot een' Oostenrijkschen boogschutter: „Geef mij een' anderen; want deze pijl deugt niet voor dit doel!”
De boogschutter voldeed aan zijn verzoek en Tell legde nu dezen tweeden pijl op den boog en begon op het doel te mikken.
Wild geschreeuw naderde van alle kanten. Het waren de Zwitsers, die gehoord hadden, wat er gebeuren zou en die de wreedaardige daad wilden beletten.
„Vader, schiet!” riep Walter.
Met bijna bovenmenschelijke kracht bedwong Tell thans zijne aandoening.
Kalm legde hij aan.
„Houd op! Houd op! Niet schieten!” werd er uit de verte geroepen.
Het was de stem van den ouden Walter Fürst.
Eén oogenblik was de hand kalm en het mikkend oog vast als altijd.
„Hemelsche Vader, bestuur den pijl,” bad Tell en...
Snorrend vloog de pijl van den boog, spleet den appel in tweeën en drong diep in den stam.
Geszler, Landenberg en Friedel knarsten op de tanden van woede.
Hun doel was geheel mislukt.
„Waartoe was die pijl, Tell?” vroeg Geszler, die den onvergelijkelijken schutter genaderd was, en nu op den pijl in den koker wees.
„Als mijne hand mijn kind gedood had, laffe moordenaar en verrader, dan was die pijl voor jouw hart bestemd geweest!” sprak Tell somber.
„In de boeien! In de boeien met dien man!” schreeuwde Geszler. „Terstond naar den Zwing-Uri terug! Terstond!”
„Hier! Hier zijn we!” klonk de stem van Walter Fürst over het Marktplein. „Terneer met dien schandpaal! Op! Op! Voor Zwitserland! Den dood aan den Oostenrijker!”
Eenige mannen grepen den bontgeverfden paal met den Hertogshoed aan, rukten hem uit den grond en vertrapten den hoed.
De oude Walter was intusschen naar de linde gesneld waar hij zijn' kleinzoon gezien had.
Het was juist bijtijds.
„Zorg dat we het jong ook houden,” had Geszler tot Friedel geroepen. „Haast je, rep je! Ik rijd met Tell naar den burcht! Voort!”
Gevolgd door een twintigtal lansknechten liep Friedel naar den boom waar kleine Walter vol angst stond te snikken.
Reeds stak Friedel de hand naar het kind uit toen WalterFürst, gewapend met eene groote bijl, te midden der kinderroovers sprong.
De bijl daalde neer en... Friedels laatste daad was geschied; hij lag ontzield op den grond.
Van alle kanten drongen de Oostenrijkers op den ouden man aan, maar met kleinen Walter op den linkerarm, zwaaide hij met de rechterhand de vreeselijke bijl, en brak er zich dwars door de vijanden baan mede.
Er kwam hulp ook en de Oostenrijkers sloegen in wanorde op de vlucht.
Walter Fürst nam zijn' kleinzoon, die in onmacht gevallen was, van den arm, kuste hem op het bleeke gelaat en gaf hem aan' een zijner mannen over, zeggende: „Breng het kind bij mijne vrouw en kom dan naar den Zwing-Uri! De Vader moet ook bevrijd worden!”
Voor Tell kwam men echter te laat. Deze was met Geszler al binnen den burcht, en de Zwitsers vonden de brug opgehaald en de poort gesloten.
Van alle kanten kwamen nieuwe benden gewapende Zwitsers aan en reeds stond men gereed den burcht te gaan bestormen, toen de oude van Attinghausen en Stauffacher op het tooneel van den strijd verschenen.
„Neen, neen, niet stormloopen!” riepen dezen.
„Wat dan? Tell is daar!” deed Walter Fürst zich hooren. „Zullen we hem aan zijn lot overlaten? Zullen we den beul gelegenheid geven hem te dooden?”
„Bedaar, Fürst, bedaar!” sprak van Attinghausen kalm. „Ge zijt door het gebeurde te opgewonden, mijn vriend! Tell zal niet gedood worden!”
„Dat zal hij wel!”
„Dat zal hij niet! Nu de zaken zoo geloopen zijn, zal Geszler wel zoo verstandig wezen om in te zien, dat Tell een gijzelaar is, die hem van veel dienst zijn kan. Men omringeden burcht en drage zorg, dat niemand hem verlaten kan. Als dat geschied is, beleggen we krijgsraad om vast te stellen, wat er gedaan moet worden. Zooals we nu ons in het wilde gewapend hebben, zouden we bij een stormloopen in de pan gehakt worden, want er is ook geen orde of regel onder het volk. Waar door eene kleine oorzaak de opstand een half jaar te vroeg uitgebroken is, daar moeten wij zeer voorzichtig zijn, of wij delven het onderspit.”
„Vader, schiet!” riepWalter.
„Vader, schiet!” riepWalter.
Walter Fürst moest bekennen, dat de oude Heer van Attinghausen gelijk had en dat hoogstwaarschijnlijk een storm bloedig afgeslagen zou worden. Hij begaf zich dus naar zijne mannen, die aan de andere zijde van den burcht gereed stonden om onder zijne aanvoering den Zwing-Uri te bestormen, en hun te zeggen, dat hieraan vooreerst geen gevolg zou gegeven worden, omdat men groot gevaar liep op dit oogenblik de nederlaag te lijden. Hij begreep wel dat dit tegenvallen zou, en bedacht al, wat hij zeggen moest om hun duidelijk te maken, dat uitstel noodzakelijk was, toen hij uit het hout zijn' vriend Rudolf van Reding te voorschijn zag treden. Deze Rudolf was een Zwitsersch Edelman van den echten stempel. Minder dan van Attinghausen en Stauffacher had hij zich echter met de zaak des opstands ingelaten; hij had zijn koren geoogst, zijne wijngaarden geplant en zijn land bebouwd zonder zich met de samenzwering in te laten.
„Ik ben nu vierenzeventig jaar,” zeide hij eens, „en te oud om mij nog als man te laten gelden. Ik heb altijd mij van alle zaken vreemd gehouden en het Volk kent mij niet genoeg. Laat mij de weinige dagen, die de goede God mij nog schenken wil, leven als zoo vele jaren lang. Kan dat echter niet en loopt ons land gevaar geheel in de macht van den Oostenrijker te komen, welnu, dan zal ik komen zonder geroepen te worden en nog doen, wat ik kan.”
Zoo had hij gesproken en men had den ouden man met rust gelaten. Kwam zijn naaste buurman en oudste vriend, Walter Fürst eens bij hem, dan trachtte deze wel, zijn' vriend te bewegen om toch ook deel te nemen in de algemeene beweging en lid van het Eedgenootschap te worden, doch geregeld luidde dan het antwoord: „Stil, Walter, stil, voor een oud man is het de tijd nog niet!”
Zonder het te zeggen had Walter hem al lang verdacht van bloohartigheid, en niet weinig vreemd keek hij op, nu zoo op eenmaal dezelfde Rudolf, gewapend als een Ridder, te voorschijn te zien treden.
„Wat, Rudolf! Gij hier? En dat in het kleed eens Ridders, die tot den strijd gereed is? Ik heb u nimmer zóó gezien! Hoe komt gij aan die wapenrusting?”
„Niemand zag mij in Zwitserland ooit zoo, Walter! En toch kan ik u verzekeren, dat ik Ridder ben en het recht heb om de gouden sporen te mogen dragen.[4]Hierover straks. Waar gaat gij heen?”
„Mijn volk zeggen, dat de bestorming van den Zwing-Uri uitgesteld is.”
„Attinghausen en Stauffacher hadden geen wijzer besluit kunnen nemen, Walter! Ik zie aan uw gezicht, dat gij me niet gelooft, en toch is het zoo! Heb echter maar geduld; het zal nu geen maand meer duren. Ga naar uwe mannen, en als gij hun de boodschap hebt overgebracht, kom dan weer hier. Wij zullen dan samen naar Attinghausen en Stauffacher gaan.”
Walter Fürst haastte zich nu om zijne manschappen zoo goed mogelijk op de hoogte der zaak te brengen, maande hen tot geduld aan, en drukte hen op het gemoed eene zeer scherpe wacht te houden, en te beletten, dat iemand denburcht van deze zijde verliet. Spoedig genoeg zouden ze tot krachtdadig handelen geroepen worden.
„Walter heeft gelijk,” zeide de Onder-aanvoerder. „De zaak eischt overleg, en zooals we nu zijn, zijn we niets anders dan ongeregelde benden, die zonder eenige leiding slechts in het wilde zouden strijden, wat ons slecht bekomen zou; want de Oostenrijkers staan onder strenge tucht en onder Hoofden, die weten, wat ze willen. Laten we, al valt het ons tegen, beginnen met te gehoorzamen aan de tucht.”
De anderen zagen nu ook in, dat men berusten moest in het uitstel en lieten Walter heengaan, hem belovend, scherpe wacht te zullen houden.
Walter Fürst en Rudolf van Reding waren nauwelijks in het gezicht van het kamp, dat de belegeraars metterhaast opgeslagen hadden, of Stauffacher zeide tot Attinghausen: „Wie Walter daar nu bij zich hebben mag? Het is een geharnast Ridder, dunkt me!”
„Dat is, wel, dat is, dat is niemand anders dan Rudolf van Reding. Hoe is die zoo op eenmaal ontpopt van een' boer in een' Ridder? Zou het gerucht indertijd dan toch waarheid gesproken hebben?”
„Welk gerucht?”
„Nu ruim veertig jaar geleden is hij op zekeren dag bij één' zijner pachters gekomen en heeft hij gezegd: „Uli, ik heb vrouw noch kind op de wereld. Ik ga op reis, en zoolang ik er niet ben, zorgt gij voor alles. Blijf ik langer dan twintig jaar weg, zonder dat ge wat van mij hoort, geloof dan maar, dat ik dood ben. Elke pachter krijgt dan in eigendom alles, wat hij van mij in pacht heeft, en gij zijt dan bovendien eigenaar van al mijne andere goederen. Hier is een schriftelijk bewijs van alles. Vaarwel!”
Tien jaar lang bleef hij weg en intusschen liep het gerucht, dat hij Koning Lodewijk van Frankrijk, als Ridderdiende, dat hij met dezen naar Tunis trok, tegen de Ongeloovigen streed en later met het lijk des Konings naar Frankrijk terugkeerde. Op zekeren dag, een jaar of vier na den dood des Konings keerde hij als pelgrim terug. In al den tijd van zijne afwezigheid had geen enkele zijner pachters schot en lot moeten opbrengen, en nu hij terug was, bleef dat niet alleen zoo, maar hij gaf iederen pachter ten geschenke, wat deze van hem in pacht had, zeggende, dat hij op zijn' tocht zooveel schatten verzameld had, dat hij hun geld niet noodig had. Kort daarop kwamen twee negers met beladen muilezels op den Redingfelz aan en bleven daar tot hun' dood, zonder ooit de taal van het land te leeren, zoodat niemand er achter komen kon, of het gerucht waarheid bevatte, dat hij als eenvoudig man van wapenen den zevenden Kruistocht had medegemaakt, en na bestormen van den burcht Karthago, om zijne dapperheid en heldenmoed, door Koning Lodewijk tot Ridder geslagen was. Misschien zal het nu uitkomen, en bevat het gerucht waarheid, dan kunnen we als Leger-aanvoerder geen' beteren hebben dan hem.”
Toen de beide vrienden in het kamp aangekomen waren en allen, die met eenig bevel zich belast hadden, bijeen waren, deelde Heer Rudolf mede, dat hij thans besloten was om de zaak der Zwitsers te dienen, en dat hij hoopte, dat zijne veeljarige ondervinding op het oorlogstooneel zijn Land en Volk ten goede zou komen. Dat hij door Koning Lodewijk IX tot Ridder geslagen was, bevestigde hij door Stauffacher en Attinghausen de oorkonde hiervan terhand te stellen.
„Nu wij weten, wat ge eenmaal gedaan hebt en hoe ge, als Ridder, de kunst van oorlogvoeren verstaat,” sprak Stauffacher, „stel ik voor, dat gij onze Aanvoerder in den strijd zult zijn, en ik zou mij zeer vergissen, indien één Zwitser zich daar tegen verklaarde. Intusschenmoeten wijhet aan het oordeel van het Volk onderwerpen en daarom zal ik allen, die de wapenen opgevat hebben om Tell en zijn' zoon te bevrijden, bijeen roepen en voorstellen u als ons Legerhoofd te erkennen.”
Stauffacher gaf hieraan gevolg, en toen de Zwitsers wisten wie en wat Heer Rudolf van Reding was, was er niet één, die eenig bezwaar maakte.
„Ik neem die eervolle taak op me,” sprak de oude Ridder, „maar, let wel, ik wil alleen maar Aanvoerder in den strijd zijn, doch het bestuur over den heelen opstand moet bij Attinghausen en Stauffacher blijven. Ik ben te oud om mij voor alles beschikbaar te stellen. De vraag echter is: zullen we nu terstond den strijd aanvangen, of hiermede nog wachten tot we andere en betere redenen tot verzet hebben. Wie zal spreken?”
„Ik,” zeide Attinghausen. „Het doet ons allen leed, dat door Tell's onvoorzichtigheid de opstand een half jaar te vroeg uitgebroken is. We zijn nog niet klaar. En dan, wij moeten niet vergeten, dat wij in het oog van andere Volken en Vorsten tegen het wettig gezag opstaan. Al wat Monarch, Hertog of Graaf is, en regeert, zal dat in ons afkeuren, en het zal den Keizer niet moeielijk vallen daardoor bondgenooten te verkrijgen. En wat dan?”
„Ik geloof, dat gij u vergist, Heer van Attinghausen,” zeide nu Walter Fürst. „Het wettig gezag berust bij den Keizer en dezen willen wij trouw blijven. Dat die Keizer nu meteen Hertog van Oostenrijk is, kan niet in rekening gebracht worden. Den Hertog van Oostenrijk als zoodanig kunnen we den oorlog aandoen.”
„Dat zou waar zijn, als de Hertog van Oostenrijk niet als Keizer, Rijksvoogden aangesteld had. Voor het oog der wereld staan we dus wel degelijk tegen ons wettig Hoofd op, als we Geszler en Landenberg, de Rijksvoogden,den oorlog aandoen en dooden of verdrijven.”
„Alsof die Rijksvoogden, als Oostenrijkers, ons niet verdrukt hebben,” meende Fürst.
„Er is veel voor en veel tegen,” sprak nu Heer Rudolf. „Mij dunkt, wij blijven vandaag en vannacht hier om het oog te houden op den Zwing-Uri. Morgen ochtend om acht uren komen we weer bij elkander. Heeft de nacht dan raad gebracht, welnu, dan kunnen we een besluit nemen. Te langzaam zijn in het besluiten, kan nadeelig zijn. Dat ondervond Koning Lodewijk, die er maar niet toe te bewegen was om Tunis in te nemen toen het zwak was. Wij zagen elken dag heele troepen Bedouïnen de stad binnentrekken, en toen de Koning besloten was Tunis door bestorming te nemen, was het te laat. Dus, vrienden, morgen ochtend het besluit!”
Terwijl dit alles vóór den Zwing-Uri plaats greep, zat Geszler ook niet stil. Nu hij Tell opnieuw binnen den burcht gesleept had, vermoedde hij, dat de Zwitsers, die hem woedend achtervolgden, terstond het kasteel bestormen zouden. Hij hoopte er op, dat dit geschieden zou, want hij wist zeker, dat hij met de vierhonderd zwaar gewapende dienstmannen, die aan orde en tucht gewoon waren, al heel gemakkelijk dien ordeloozen, dollen hoop Zwitsers zou kunnen terugdrijven, en als het maar een weinig wilde, zou kunnen vernietigen. Zulk eene bloedige nederlaag in het begin zou den heelen opstand doen mislukken.
Hij begon dus, zoodra hij Tell alweer in zijn' onderaardschen kerker had doen opsluiten, alles voor de verdediging in gereedheid te brengen, doch toen er een paar uren verliepen en de Zwitsers nog altijd schenen te aarzelen om storm te loopen, meende Geszler dit aan angst en vrees te moeten toeschrijven, en stond hij al gereed om de belegeraars aan te vallen, toen over den muur een zijner mannen kwam klauteren.
„Waar kom jij van daan?” snauwde Geszler hem toe. „Je ziet er uit als een geplukte vogel!”
„Heer, ik kon u niet volgen. Ik was bij Friedel toen deze door de bijl van Walter Fürst doodgeslagen werd.”
„Wat?! Is Friedel gevallen?”
„Ja, Heer! In één slag dood! Door de verwarring, die ontstond bij het redden van den kleinen Tell, lette men niet op mij, en wist ik in het bosch te komen. Sluipend door heggen en struiken, zag ik opeens Walter Fürst naderen. Ik dook onder ruigte van distels en doornen en pas was ik verborgen, of ik zag aan den anderen kant van het pad een zwaar gewapend Ridder op Walter toetreden en deze riep: „Wat, Rudolf, gij hier?””
„Rudolf?” vroeg Geszler verbleekend. „Rudolf? Was hij een oud man?”
„O, Heer, u kent hem wel; wij kennen hem allen. Hij is die oude, droomerige boeren-edelman van den Redingfelz. Als er niet zooveel gevaar bij geweest was, zou ik eens hartelijk aan het lachen gegaan zijn. Die boer in de wapenrusting eens Ridders! Ha! Ha!”
„Lach er niet om, lummel! Vertel verder!”
„Wel, Heer, waarom zou ik niet lachen? Verbeeld u, door afluisteren ben ik te weten gekomen, dat ze dien ouden paai, dien verkleeden boer tot Leger-bevelhebber hebben benoemd! Waar de Zwitsers zulke domme streken uithalen, daar...”
„Zwijg, kerel, zwijg! Die oude boer is eenmaal Kruisridder geweest. Hij was de dapperste onder de dapperen, en door zijn beleid een der beste Ridders van Koning Lodewijk IX van Frankrijk. Juist die man alleen is gevaarlijker dan een heel leger Zwitsersche boeren!”
Driftig en gejaagd liep hij even het plein op en neer en zeide toen tot een' zijner Onder-bevelhebbers: „Alle wachtenmoeten verdriedubbeld worden. De boeren hebben een' Aanvoerder gekregen voor wien zelfs de Keizer sidderen en beven zou. Hij is de man, die den opstand tot een goed einde brengen kan, en weet ook wel, dat het stormloopen nu de nederlaag der Zwitsers ten gevolge zou hebben. Nu vrees ik! En—Tell moet weg! Dezen nacht nog over het meer naar den Bruneck. Hij moet onze gijzelaar blijven, en als gevangenis voor zulk een is de Bruneck te verkiezen boven den Zwing-Uri. Zoolang de Zwitsers meenen, dat Tell hier gevangen gehouden wordt, zullen ze voor geen' anderen burcht oog hebben, dan juist voor dezen. Ik zelf zal hem dezen nacht naar den Bruneck brengen. De weg over het meer is morgen wellicht niet vrij meer, en vóór dien tijd ben ik alweer terug. Is Tell daar onder goede bewaking, dan zal hij een gijzelaar voor ons zijn, als we geen' beteren vinden kunnen, en van daar uit kan hij ook, als hier alles verkeerd loopt, gemakkelijk naar Oostenrijk vervoerd worden. Zorg, dat Ulrich, Heinrich en Gottlieb mij vannacht vergezellen. Zij moeten naar alle burchten, waar wij volk in bezetting hebben om daar mijn bevel over te brengen, dat ze nu van de gelegenheid gebruik maken, dat de mannen afwezig zijn, om de hoeven te overvallen en vrouwen en kinderen gevangen te nemen. In de eerste plaats moeten ze Tell's vrouw en kinderen halen.”
„Maar, Heer,” waagde de Onder-bevelhebber te zeggen, „mij dunkt, dat ge u den toestand veel te ernstig voorstelt. Wat zouden die ongeoefende Zwitsersche boeren vermogen tegen eene macht, als de onze? Heer Beringer van Landenberg met zijn volk is er toch ook nog!”
„Ik zie den toestand waarschijnlijk nog niet ernstig genoeg in, Fabian! Nu die Rudolf van Reding aan het hoofd van de krijgsmacht der opstandelingen staat, is alles te vreezen en niets te hopen. En wat Heer Beringer betreft, eendwaas, die wat goeds van hem verwacht. Gijzelf hebt nog gisteren onder mijn venster, toen ge niet wist, dat ik alles hoorde, tot uw' vriend Gottlieb gezegd, dat hij de grootste lafaard is, die ooit geleefd heeft. Welnu, wat zal deze man dan doen? De Sarnenstein is onneembaar en ruim voorzien van levens- en krijgsbehoeften. Hij zal rustig op den burcht blijven en daar den loop der zaken afwachten. Delven we hier het onderspit, dan geeft hij zich heel eenvoudig over, belooft van niet meer tegen de Zwitsers te strijden, en trekt naar zijne goederen in het Schwarzwald. Geloof me, Fabian, de toestand heeft voor Hertog Albrecht, onzen Keizer, plotseling een' ongunstigen keer genomen. Ga, en doe, wat ik gezegd heb, doch verzwijg voor het volk mijne vermoedens.”
Fabian groette beleefd en zag zijn' Heer driftig naar binnen gaan, en glimlachte.
„Dat komt ervan,” zeide hij tot zichzelven, „als men dwaze dingen doet. Die wraakoefening in het openbaar op dien driesten Tell was eene dwaasheid, Geszler door trots ingegeven. Hij had, òf Tell en dien knaap niet moeten oplichten, òf wel oplichten, doch om hen te dooden. Ik geloof ook, dat de zaken een' ongunstigen keer genomen hebben. Maar, wie wind zaait, zal storm oogsten!”