Hoofdstuk III.

Hoofdstuk III.De nieuwe Meester.Het reisje naar Brussel, ter bijwoning van de abdicatie van den keizer, was voor den Prins niet van langen duur, want hoewel de schitterende kleine hoofdstad vol vroolijkheid was ter eere van de vele vreemdelingen binnen haar wallen vereenigd, mocht Oranje er maar kort van genieten en zien we hem op den 26enOctober, den dag volgende op dien der plechtigheid, reeds weer bij de in aanbouw zijnde forten terug.Noch de feesten, noch het verblijf zijner vrouw te Brussel, ten huize van de hertogin van Aerschot, hadden hem weerhouden zijn plicht tegenover den nieuwen souverein te vervullen. Deze had van den aanvang zijner regeering met dezelfde moeielijkheden als zijn vader te kampen; gebrek aan geld, schaarste aan levensmiddelen en tengevolge hiervan ontevredenheid onder de troepen.Nauwelijks was Filips vier dagen aan het bewind, of de Prins ontving reeds een schrijven, waarin hem spoedige toezending van 12000 kronen werd beloofd, maar de vervulling dier belofte bleef achterwege en de brieven in de herfst van 1555 tusschen hen gewisseld, waren vol klachten van den een, vol beloften en verzekeringen van den ander.“Wij zijn hier zonder een penning; de soldaten sterven van honger en koude en aan het hof nemen ze niet meer notitie van ons, dan of wij reeds dood waren. Stel u de mate van geduld voor, die ik gedwongen ben uit te oefenen,” schreef Oranje aan zijn vrouw, haar tevens meldende, dat hij niet wist, wanneer ze ontbonden zouden worden, want dit kon niet geschieden voor het geld was ontvangen.In het begin van het nieuwe jaar werden de klachten der soldaten luider en luider en groeiden zóó aan, dat ook Brussel niet onkundig bleef. Hoe omstandig en scherp Willem van Oranje de moeilijkheden ook had beschreven, toch nam Filips pas maatregelen, toen een zekere Hans Bernard, kapitein eener onafhankelijke compagnie, een speciale commissie aan den koning zond om de klachten over te brengen. Nog stuurde hij echter geen geld, maar gaf den soldatende vergunning het land te verlaten! Tevergeefs poogde de kapitein den koning te doen begrijpen, dat deze maatregel hem zeer zou benadeelen en bovendien den geheelen ondergang van het platte land ten gevolge zou hebben.Afstand van Karel V. (Bladz. 29.)Afstand van Karel V. (Bladz. 29.)De onderhandelingen over den vrede waren reeds maanden gevoerd en hadden ten slotte het gevolg, dat er in Februari 1556 te Vaucelles een wapenstilstand werd gesloten; te Philippeville en op andere plaatsen bleven garnizoenen, maar het overschot der troepen werd betaald en ontbonden.De Prins van Oranje werd dus ook van zijn moeielijke plichten ontheven en na een verblijf van zes achtereenvolgende maanden, verliet hij op het einde van Januari het kamp. Men kan wel aannemen, dat die treurige tijd er niet toe heeft meegewerkt om Filips bemind te maken bij den Prins, die maar niet kon vinden, dat de schijnbaar welwillende brieven van zijn vorst, krachtige middelen waren om de oorlogskosten te bestrijden.Filips had zich zeer welwillend tegenover Oranje betoond in deze eerste maanden, want in November van het vorige jaar had hij hem bericht, dat de Prins tot lid van den Raad van State was gekozen, een eer, die door Willem erg koel werd beantwoord en nu, na zijn verblijf in het kamp, reisde hij naar Antwerpen, teneinde aldaar in de Orde van het Gulden Vlies te worden opgenomen.Deze orde was in 1430 door Filips den Goede bij gelegenheid van zijn huwelijk met Isabella van Portugal gesticht. Ze werd ingesteld als het meest schitterend sieraad en als de hechtste steun der heerschappij van het Bourgondische huis. Door haar wilde men boven den onvervreemdbaren adel van herkomst en geboorte, een nog hoogeren adel stellen, die door den wil des konings zijn zou, wat in Engeland en Frankrijk de pairs der kroon waren. De voorrechten van de ridders van het Gulden Vlies waren vele; hun hoogste privilege was, dat ze alleen door hunne medeleden konden worden gevonnist. Doch ook de plichten waren zeer bindend. Ze moesten trouw zweren aan hun Bourgondischen heer; niet minder trouw aan het katholiek geloof. Vandaar, dat de vader van Willem van Oranje het ridderschap weigerde, gelijk we vroeger zagen, omdat hij den eed om de Kerk getrouw te zijn, niet kon afleggen. De zoon, na zijn komst in de Zuid-Nederlanden in de Katholieke kerk opgevoed, zag in het afleggen van dien eed geen bezwaar; wel een bewijs, hoe die opvoeding alle zaden van het Protestantsch geloof zijner ouders in hem scheen te hebben verstikt en hoe de Prins althans in het jaar 1556 in het minst nog geen voorgevoel had van zijn roeping in zijn aangenomen vaderland.Tegelijk met hem werden er negentien nieuwe Vliesridders gekozen, waarvan negen Nederlandsche edelen, een feit, dat op een geheel nieuwe richting van bestuur scheen te wijzen en dientengevolge den staatsman Granvelle met angst vervulde. Karel V toch was de vriend der steden geweest. Filips toonde zich van stonde af een vriend der edelen. Hoe weinig de toekomst aan die voorliefde beantwoord heeft, is bekend.Willem van Oranje was de derde van de 19, die gekozen werd; op den 30enJanuari ontving hij de halsketen, het teeken zijner nieuwe waardigheid. Na die plechtigheid ging hij naar Breda, waar hij dien zomer met korte tusschenpoozen bleef.Het einde van den oorlog was voor de Nederlanden een zeer gelukkige gebeurtenis; overal werden feesten gevierd en niet het minst had de groote handelsstad Antwerpen haar vreugde aan den dag gelegd; geheele ossen werden op de openbare pleinen gebraden en bij het bezoek van Filips stroomde niet alleen de wijn, maar waren de wegen met honderden eerepoorten versierd en strooide men bloemen voor zijn voeten, ofschoon het in Februari was.Men had nu in de Nederlanden verwacht, dat de koning zou overgaan tot afdanking der troepen, die op kosten van deze gewesten werden onderhouden, maar Filips, die bij de feesten in Antwerpen al zoo onheilspellend somber had gekeken, dacht er niet over dit te doen. Het leger moest op dezelfde sterkte worden gehouden, daar de wapenstilstand wel van korten duur zou wezen en hiertoe was juist geld noodig, vooral, omdat ook de soldij in langen tijd niet was betaald.Toen de Prins in het legerkamp was, had hij reeds het bittere ongemak van geldgebrek ondervonden tegenover de schuldeischers van den koning, maar nu kwam hij voor nog grooter moeilijkheden te staan, nl. geld van Filips’ onderdanen te vragen.In Maart zou er een vergadering van de Staten-Generaal zijn, waartoe ook Oranje door een eigenhandig schrijven van Filips was opgeroepen.De Prins haastte zich zijn meester te gehoorzamen en op den 12enhad de vergadering plaats, waar ook Egmond, Aremberg, Meghen en andere heeren aanwezig waren.De koning deed wanhopige pogingen bij die eerste vergadering van de vertegenwoordigers der Nederlandsche gewesten natuurlijk te zijn. Zijn geldgebrek was zeer drukkend, niettegenstaande de edelmoedigheid zijner Engelsche vrouw en hij hoopte de afgevaardigden te overreden, hem voldoende giften te schenken, teneinde zijn ledige schatkist aan te vullen.Het eigenlijke plan van Filips was een soort gedwongen heffing, een blijvende belasting, maar toen hij zag, dat men dit niet wilde, nam hij genoegen met een gift, die door de Staten-Generaal werd toegestaan.Nadat dit besluit door de afgevaardigden was genomen, kwam nog het moeilijkste werk, het inzamelen der gelden. Er was vooral in ’s Hertogenbosch oppositie tegen en de koning schreef een eigenhandigen brief aan Oranje, waarin hij hem vroeg, daar heen te gaan, teneinde den stadsraad tot rede te brengen. De Prins ging in September met den raadsheer Noppenus naar die stad. Eerst bestond daar bezwaar, een vergadering bijeen te roepen, omdat het college van schepenen moest vernieuwd worden, m. a. w. de wet verzet. Toen er eindelijk een vergadering was samengeroepen, weigerden de twee eerste afdeelingen van den raad voor iedere contributie, welke ook, te stemmen, terwijl de derde goed vond een zeker bedrag te geven, maar onder bepaalde voorwaarden. Uit den langdradigen brief, dien Oranje aan den koning over die zaak schreef, blijkt ten duidelijkste wat de Prins al niet deed om den koning genoegen te doen en toch was hij geheel overtuigd geworden, dat geen onwil, maar slechts onvermogen de Bosschenaren tot verzet bracht en deed hij derhalve met het oog op de armoede derplaats een beroep op de genade des konings. Dit herhaalde hij nog eens op den 7enOctober in een brief aan den hertog van Savoye, wiens bemiddeling hij inriep ten gunste der inwoners van ’s Hertogenbosch. “De armoede der stad is zoo groot, dat het medelijden verwekt, die aan te zien,” schreef hij.Filips was geenszins genegen de stad ter wille te zijn en beval Oranje andere pogingen aan te wenden, om haar tot gehoorzaamheid aan den koning te brengen. Wat het eindresultaat van deze onderhandeling geweest is, komt niet in eenig document, dat bekend is, voor; het geval is alleen merkwaardig in zoover het bewijst, welke eerbiedige pogingen door Oranje werden aangewend, om den wil van zijn souverein te volbrengen, al was ook zijn sympathie voor de volkszaak opgewekt.De wapenstilstand, die te Vaucelles in Februari 1556 voor vijf jaar was gesloten, duurde nauwelijks tweemaal vijf maanden, want reeds in Januari 1557 heropende Hendrik II, door verleidelijke aanbiedingen van den Paus verlokt, de vijandelijkheden in Italië.Paulus IV namelijk, Napolitaan van geboorte, haatte de Spanjaarden als overheerschers van Napels en streefde van zijn eerste optreden af naar niets meer, dan naar het verbreken van den vrede tusschen Spanje en Frankrijk, ten einde, geholpen door Hendrik II, Napels aan de macht van Filips te ontrukken.Hoe onstaatkundig Granvelle dezen oorlog van Filips tegen den Paus ook vond, hij werd verklaard, doch duurde slechts kort in Italië, want Alva bracht door zijn toenmaals reeds bekende wreedheid de meeste plaatsen onder de gehoorzaamheid van Spanje terug. Daarop verzoende zich Filips met Paulus IV om des te feller een oorlog tegen Frankrijk te kunnen voortzetten.Oranje, die daarin overigens geen voorname rol speelde, werd wel in den aanvang met allerlei zendingen belast, die daarmee verband hielden. Zoo was het zijne taak, oversten zooals George von Holl te overreden, de karige aanbiedingen aan te nemen, die zijn souverein goed genoeg vond. Aan den hertog van Savoye schreef de Prins daarover een langen brief, waarin hij berichtte, dat von Holl de voorwaarden had aangenomen, mits hem een ruim tafelgeld met het oog op de duurte der tijden werd toegestaan.Bovendien werd Oranje met een zending naar den aartsbisschop van Keulen belast, met het doel hem te overreden, zich met Filips te verbinden. Na een kort oponthoud, ten gevolge van een koortsaanval op zijn reis van Breda, kwam Oranje in Keulen aan en deed zijn best zijn opdracht tot een goed einde te brengen. De aartsbisschop beweerde echter, dat hij niet de vrijheid had een defensief verbond aan te gaan zonder eerst zijn kapittel te hebben geraadpleegd.Oranje keerde naar Breda terug en liet zijn schoonbroeder Nuenar (gehuwd met zijn halfzuster Magdalena) achter om de beslissing van den aartsbisschop af te wachten.Op den 18enMei vroeg en verkreeg Oranje vergunning naar Frankfort te gaan,teneinde zijn vader te helpen bij den afloop van het Catzenellenbogen-proces, dat, gelijk we zagen, in 1557 eindigde.Terwijl de Prins voor particuliere belangen werkzaam was, deed Filips een reis naar Engeland om, hoewel juist in tegenspraak met de voorwaarden van zijn huwelijk, zijn vrouw door vriendelijke en de ministers van haar door harde woorden, tot deelneming aan zijn oorlog met Frankrijk over te halen.Dit gelukte hem zonder veel moeite, zoodat Engeland zich in een geschil gewikkeld zag, waarin het eigenlijk niet betrokken was. Later bleek, dat dit volkomen streed met Engelands belangen en dat het daarin alleen werd meegesleept door de hartstochtelijke verkleefdheid van een zwakke, slechte en wreedaardige vrouw, die Filips haatte.Nimmer scheen later de gelukszon zoo helder over den koning als in den vroegen zomer van 1557, toen nog al zijn onderdanen hem getrouw waren en hij de beurs zijner Engelsche echtgenoote geheel tot zijne beschikking had. Wat zij ook tegenover haar volk moge geweest zijn, tegenover hem was zij nooit karig.In Mei trokken de troepen onder den Hertog van Savoye te velde en de hoop op versterkingen van gindsche zijde van het kanaal werd spoedig verwezenlijkt, al waren er nog vele bezwaren te overwinnen. De Engelschen droegen zeker Frankrijk geen liefde toe, maar zij hadden zulk een hartgrondigen haat tegen hun titulairen koning, dat ze zich eerst krachtig verzetten tegen hulp aan Filips, zelfs in zijn oorlog met hun erfelijken vijand.Toch slaagde Maria erin, het verzet harer onderdanen te overwinnen en kon zij haar echtgenoot van de hulp voorzien, waarom hij gevraagd had. Filips nam afscheid van zijn onbeminnelijke maar hem zeer liefhebbende echtgenoote en keerde voldaan naar Brussel terug.Hier verzamelde hij zijn huursoldaten, die met de Spaansche en Nederlandsche troepen, 35000 voetknechten en 12000 ruiters bedroegen. Het leger werd spoedig nog versterkt door het Engelsche hulpkorps van 8000 man onder den Hertog van Pembroke. In de nabijheid van Givet werd deze geheele legermacht in het midden van Juli, onder bescherming van het nieuwe fort Philippeville en onder commando van den hertog van Savoye, vereenigd.De Fransche legermacht werd in Picardië verzameld onder Montmorency, bijgestaan door den maarschalk St. André en door Coligny, die reeds gebleken was een gevreesde tegenstander te zijn.De beide legers, ofschoon niet groot, bestonden uit uitgelezen troepen en werden aangevoerd door de bloem van Europa’s ridderschap. “Koningen en Prinsen en de doorluchtigste Paladijnen der christenheid rustten zich uit tot het groote tournooi, waartoe zij door heraut en trompetgeschal waren opgeroepen” en onder hen bevond zich in het leger van Filips, Lamoraal Graaf van Egmond, “de bataafsche held, zonder kroon of rijk, maar met een even eerwaardigen stamboom als waarop menig gekroond hoofd zich beroemen kon, brandende van begeerte, zich in het worstelperk te onderscheiden.”Na enkele schermutselingen in de buurt van Guise en andere kleine plaatsen,keerden de Spaansche troepen al hun macht tegen St. Quentin, een belangrijke stad op den rechtstreekschen weg naar Parijs. Coligny had die mogelijkheid voorzien en het gelukte hem de stad binnen te komen, al was het zonder veel troepen, doch hij hoopte haar door zijn bekwaamheid en ervaring te redden. St. Quentin was spoedig bijna volkomen ingesloten.Het gelukte echter Montmorency een gedeelte van zijn troepen binnen de stad te brengen, zoodat het voor de belegeraars minder gunstig was geworden en men besluiteloos werd, wat te doen. Ook Philibert van Savoye was geheel uit het veld geslagen. Niet alzoo Egmond, die in eene welsprekende rede den krijgsraad er op wees, van welk groot gewicht het zou zijn den grooten Connétable Montmorency aan te vallen en hem daardoor den terugtocht af te snijden.Voor Egmonds hevige taal moesten alle bedenkingen wijken; men volgde zijn raad, die boven alle verwachting met succes werd bekroond. Binnen een uur werden 6000 Franschen gedood of gevangen genomen waaronder de Connétable zelf, die gewond in ’s vijands handen viel.Men had aan Egmond de overwinning te danken, een overwinning, die Frankrijk de gruwelijkste nederlaag bezorgde sedert de dagen van den Zwarten Prins geleden. Een doodelijke slag was aan Frankrijk toegebracht en de Vlaamsche grenzen waren thans beveiligd voor de ellende, die het Fransche grondgebied ten deel viel.“Egmond en St. Quentin,” beide namen zouden thans van mond tot mond gaan tot de uiterste grenzen van de heerschappij van den Spaanschen souverein. Het leger van Montmorency was vernietigd, maar Coligny was nog in St. Quentin en om de overwinning volkomen te maken, was de inneming dier stad noodzakelijk.Filips ging ondertusschen van Brussel naar Kamerijk en ontving de gelukwenschen, die hem van alle zijden toestroomden.De vruchten te plukken van deze groote overwinning, een onmiddellijke aanval op Parijs te wagen, waarvoor de weg thans open was, dit wilden al de bekende veldheeren; niet echter de vreesachtige, àl te voorzichtige Filips, die er zich mee tevreden stelde, beleefd de eerbewijzen voor de dapperheid van zijn generaal in ontvangst te nemen, maar daarna liefst op veiligen afstand de verdere verwikkelingen wilde afwachten.Welk een contrast met zijn vader! Deze zou niet te Kamerijk hebben gewacht, noch zelfs op de plaats der overwinning, maar Parijs zou zijn doelwit zijn geweest, nu hem de weg zoo was gebaand.Toen de keizer hoorde over dit eerste succes van de regeering van zijn zoon, was zijn eerste vraag: “Is Filips in Parijs?” Maar dat Mecca bereikte hij nooit, al was hij ook door het nemen van Chatelet, Han en Noyon verder het Fransche grondgebied binnengedrongen, dan aan zijn vader ooit was gelukt.Duidelijk bleek hier, dat Filips van een anderen stempel was en hij nagenoeg alle eigenschappen des geestes miste, die den keizer hadden gesierd en die hem de harten deden winnen. In zich zelven gekeerd, scheen het zijn hoofddoel te zijn, die eenzame rust te genieten, die de Spanjaarden Sosiego noemen.Wat St. Quentin aangaat, hoewel slechts door 800 man verdedigd, hield destad het dapper uit tot den 27enAugustus, toen er een gelijktijdige aanval op vier van de bressen, die in de wallen geschoten waren, plaats had. De stad gaf zich over, hoewel ze tot het laatst dapper weerstand bood. Coligny toonde zich een uitstekend aanvoerder, overal aanwezig, waar het gevaar het grootst was en toen de vijand door een toren binnendrong, die men sterk genoeg dacht en onbewaakt had gelaten, was het Coligny, die slechts door een paar man vergezeld er heen ging. Hier werd hij overmeesterd en krijgsgevangen gemaakt door een soldaat, die hem langs een der mijnen naar den Hertog van Savoye bracht, van wien de soldaat tienduizend dukaten ontving tot loon voor het zwaard van den Admiraal. Het was nl. een algemeen erkend gebruik, dat degene, die den opperbevelhebber gevangen nam, daarvoor een dergelijke groote som als geschenk ontving.Het lot der stad was verschrikkelijk en de slachting, die er plaats had, was een van de meest beruchte in de geschiedenis der belegeringen van de 16eeeuw.Een Spaansch krijgsman, die erbij tegenwoordig was en een dagboek hield van al hetgeen er voorviel, schreef:“Ik wandelde door de stad en aanschouwde dit alles; het scheen mij een tweede verwoesting van Jeruzalem. Wat mij het meeste trof, was, dat ik geen enkelen ingezetene der stad overgebleven zag, die Franschman was of zich ervoor durfde uitgeven. Hoe ijdel en voorbijgaand, dacht ik, zijn de dingen dezer wereld. Nog geen zes dagen en wat was er niet al rijkdom in deze stad en thans is er geen steen op den andere gelaten.”De naam van Oranje wordt in geen der geschiedenisverhalen bij den slag van St. Quentin bijzonder vermeld, maar van het midden van Juli af was hij op het oorlogstooneel aanwezig en commandeerde een der compagnieën, die de stad belegerden. Van uit het kamp voor St. Quentin deelde hij zijn vrouw een en ander over de belegering mede; later, den 11enSeptember meldde hij haar, dat Han zich aan de genade van den koning had overgegeven; hij betreurt in dien brief de groote verwoesting, welke de Franschen er hebben aangericht. Aan het slot zegt hij nog, dat hij onmiddellijk tijding zal zenden, wanneer hij weet, wat er verder gedaan zal worden. Wederom is dit een bewijs, hoe gaarne Anna van Buren geheel op de hoogte werd gehouden van den werkkring van den Prins en tevens hoe deze steeds voortging haar voortdurend berichten uit het kamp te zenden.Uit hetzelfde kamp bij Han meldt hij haar den 27enSeptember, dat hij een lichten aanval van koorts heeft gehad, dien hij weder terugverwacht. Hij had daar niet alléén last van dat ongezonde kamp, want hij schreef, dat zijn broer zich eveneens sinds een paar dagen onwel bevond.De broeder hier bedoeld, wasLodewijk, derde zoon van Willem van Nassau en Juliana van Stolberg. Het is bekend, hoe deze het lot van zijn broer in de Nederlanden heeft gedeeld en hoe jammerlijk zijn uiteinde is geweest. Telkens zullen we hem ontmoeten, werkzaam voor de zaak des Prinsen en voor de bevrijding van ons vaderland. Als diplomaat en als krijgsman stond hij in hooge achting; hij was een der edelste kampioenen voor onze vrijheid, een schitterende, ridderlijkefiguur, waarop ons oog van ter zijde telkens met eerbied zal staren. In 1538 werd hij geboren en was dus vijf jaar jonger dan Willem van Oranje. In tegenstelling met zijn broedersJanenAdolf, die te Wittenberg studeerden, bezocht Lodewijk Straatsburg en Genève, waar hij zijn studiën volbracht. Is dit waar, dan verklaart zich daaruit het feit, dat Lodewijk zich in later tijd eerder dan Prins Willem zelf, geneigd betoonde, met de Calvinisten samen te werken. Doch het is de vraag nog, of dit wel betrouwbaar is, aangezien de Duitsche vorsten en zoo ook Willem de Oude omstreeks 1550, als echte Lutheranen een afkeer hadden van het Calvinisme, waarvan Genève de hoofdzetel was.In October 1556 kwam Lodewijk reeds in de Nederlanden. Niettegenstaande Juliana van Stolberg hem onder al haar kinderen een bijzondere liefde toedroeg, werd Lodewijk reeds vroeg door zijn vader naar dat land gezonden, waar zijn oudste zoon reeds zulk een voorname positie bekleedde en waar dus ook door diens invloed voor den jongeren broeder beter gelegenheid bestaan zou, zich in de wereld vooruit te helpen. De uitnemende eigenschappen van Lodewijk vielen in de Nederlanden reeds spoedig in het oog. Filips II zelf betoonde hem menige gunst, al was de jonge graaf ook Luthersch. Zijn innemend karakter en groote bekwaamheden waren zonder twijfel de eenige oorzaak van die onderscheiding. In 1557 nam hij deel aan den krijgstocht, die ons bezig houdt, in het gevolg van den Prins van Oranje.Na den veldtocht werd Brussel weer het hoofdkwartier van het leger, al was er nog geen vrede gesloten met Frankrijk. Het was echter den koning niet mogelijk geweest, de troepen bijeen te houden door de slechte verstandhouding van de verschillende nationaliteiten. De Engelschen haatten de Spanjaarden en wenschten niets liever dan zoo spoedig mogelijk naar hun land terug te keeren, zoodat de koning zich wel genoodzaakt zag hen te doen vertrekken. De Duitschers klaagden over het gewone verschijnsel, de onregelmatige betaling en tengevolge daarvan liepen er velen naar de Franschen over. De sterkte der troepenmacht verminderde dus zoodanig, dat de koning blij was, het overschot zijner troepen tot een lateren datum in de winterkwartieren te kunnen terugtrekken.Een van de voordeelen van de toenmalige oorlogen was de losprijs, die door aanzienlijke gevangenen moest betaald worden, die dan goed onder dak moesten worden gebracht, totdat het geld betaald was. Hoever de regeering in haar eischen en vorderingen dan wel ging, blijkt o.a. uit het geval, dat de koning Oranje noodzaakte, de gevangenen van hertog Eric van Brunswijk op zijn kasteel te Breda te logeeren, daar het volgens zijn meening niet voegzaam was, dat ze in een gewone herberg hun nachtverblijf hadden. De Prins was zelf afwezig en de Prinses moest ze maar ontvangen. Men proeft uit den brief, dien Oranje naar aanleiding daarvan aan Filips schreef, dat hij er niets over gesticht was. Hij kan dezen dienst wel niet aan den koning weigeren, maar doet het blijkbaar met tegenzin en schrijft zelfs aan den vorst, dat hij in geen geval voor de bewaking der gevangenen zorgen kan en dat Filips daartoe andere maatregelen zal moeten nemen, die hem het best zullen voorkomen.De vorderingen, die aan den Prins werden gedaan, waren nu en dan zóó bezwarend, dat hij ze weigerde te voldoen, zooals o.a. gebeurde met 50 wagens, waartoe Oranje werd geprest, doch die hij niet leverde.Gedurende de wintermaanden was de Prins genoodzaakt dikwijls van zijn huis en zijne vrouw afwezig te zijn, omdat hij geld moest trachten te verkrijgen voor zijn meester, die in groote verlegenheid was. George von Holl kwam uit Duitschland om de achterstallige betaling voor zijn troepen te vragen en waarschijnlijk waren er andere kolonels niet beter aan toe. De gelden, die de staten hadden geschonken, waren blijkbaar niet voldoende geweest, de uitgaven van den laatsten veldtocht te bekostigen. Eindelijk slaagde Oranje er in, te Antwerpen een leening te sluiten met Engelsche kooplieden, hoewel hij zich met onvoordeelige voorwaarden tevreden moest stellen, daar het crediet van den koning zeer was gedaald.Bij den troonsafstand van Karel V had deze bepaald, dat de Prins van Oranje als gezant aanwezig zou zijn bij de overdracht van de keizerlijke kroon op Karels broeder Ferdinand. Nadat die overdracht reeds verscheidene malen was verdaagd, werd er eindelijk in Februari 1558 een Rijksdag te Frankfort gehouden, waarop de Prins met den vice-kanselier Seld en den secretaris Haller tegenwoordig moest zijn, om in naam van Karel in alle vormen de keizerlijke kroon op Ferdinand over te dragen. Dientengevolge keerde Oranje, nadat die lastige leening tot stand was gekomen, naar Breda terug, ten einde zich voor zijn reis naar Duitschland gereed te maken. De zending werd op den 24enFebruari volbracht, maar Oranje bleef in Frankfort, om getuige te zijn van Ferdinands kroning en ook om een bijzondere opdracht voor Filips te volvoeren. In Maart schreef hij aan den koning, dat de keizer het door Filips voorgesteld verbond met de Duitsche vorsten hoogelijk goedkeurde, doch dat er eenige moeielijkheden ten gevolge van Fransche intriges waren gerezen. “Nieuws is er niet,” zoo voegt hij er bij, “alleen dat de bisschop van Bayonne hier in het geheim bezig is, kwaad te brouwen; ik hoop hem echter met behulp van den (onlangs gekozen) Roomsch-Koning Maximiliaan en anderen te weerstaan.”Tijdens Oranje’s afwezigheid werd zijn echtgenoote, Anna van Buren, ernstig ongesteld. Op den 12enMaart schreef de Prins haar een brief, toen hij het bericht van die ziekte gehoord had. Hij zond haastig een zijner getrouwen, ’t Serraets, naar Breda en liet zijn vrouw door dezen vragen, hem tijding toe te zenden en den brief althans, zoo zij dien niet meer kon schrijven, te onderteekenen. Zoo spoedig mogelijk zou hij terugkomen en rechtstreeks naar Breda gaan. Anna werd echter erger en toen haar echtgenoot op den 20enMaart Breda bereikte, was alle hoop op herstel verdwenen en vier dagen later stierf ze. Zij was 25 jaar oud, toen ze den Prins ontviel en liet twee kinderen achter, namelijkMaria, geboren in December 1553 enFilips Willem, geboren 19 December 1554.1Zooals we reeds vroeger zeiden, wordt in verschillende documenten van tijdgenooten erop gezinspeeld, dat het huwelijk van Anna van Buren niet gelukkigis geweest, ja zelfs wordt Oranje beschuldigd haar wreed te hebben behandeld en ontbreekt het evenmin aan duistere aantijgingen, dat hij haar dood door geweldpleging zou hebben verhaast. Een misdadiger dus van het ergste soort!“Voor ons,” zegt Bakhuizen van den Brink, “behoeft dit gerucht geen wederlegging. Zou zulk een uitbarsting van dierlijke woede met de kalme effenheid van ’s Prinsen karakter gestrookt hebben?”Maar er is meer, want dezelfde schrijver vraagt terecht, of de Prins in dit geval wel met zooveel stoutheid later aan koning Filips den dood van zijn zoon en van zijn echtgenoote zou hebben durven verwijten en of de graaf van Egmond, die nauw aan ’s Prinsen gemalin verwant was, wel ooit in 1558 Willem van Oranje tot zijn executeur zou benoemd hebben. Wien men van groote misdaden verdenkt, pleegt men niet de uitvoering van zijn laatsten wil toe te vertrouwen.De ongerijmdheid van het gerucht wordt daarbij geheel bewezen door de getuigenis van een hofdame van Anna, Sophie von Miltitz genaamd, die uitdrukkelijk naar de oorzaak van dat loopend gerucht gevraagd, in volle verontwaardiging antwoordde: “Ik kan niet weten, wat lasterlijke lieden mag bewogen hebben, om zulke schandelijke leugens te verbreiden; maar één ding weet ik, dat het huwelijk van Anna en den Prins een vriendelijke, gelukkige echt is geweest, gegrond op vaste liefde en trouw.” Toch heeft Groen van Prinsterer misschien geen ongelijk, als hij beweert, dat Oranje’s eerste huwelijk slechts middelmatig gelukkig schijnt geweest te zijn, ja, hij voegt daaraan deze woorden toe, die zeker niet uit zijn pen zouden gevloeid zijn, zoo deze uitnemende onderzoeker van de archieven van het huis van Oranje daartoe geen ernstige reden had: “De brieven aan zijn echtgenoote bevatten de bekoorlijkste uitdrukkingen van teederheid, doch die misschien niet overbodig waren, om sombere vermoedens tegen te gaan.”Een feit is het, dat vrij kort na den dood van Anna, Oranje een avontuur had met de dochter van een Vlaamsch burger, waaruit het al te duidelijk werd, dat hij op het stuk van zeden niet onberispelijk was gebleven. De laster vond hierin een bodem, waarop het gemakkelijk viel voort te bouwen en de volksverbeelding kreeg er vrij spel door. Doch in elk geval is het een bewijs, dat Anna van Buren spoedig door hem was vergeten. Zijn tweede huwelijk, zoo gauw na haar dood, wijst op hetzelfde. En toch zouden we onbillijk zijn, indien wij niet geloofden, dat de Prins door dien dood tijdelijk diep getroffen was. Anna, hoewel wat teruggetrokken, eenvoudig en onbeteekenend, was in menig opzicht een trouwe, zorgzame huisvrouw, die gedurende Oranje’s vaak terugkeerende afwezigheid zijn zaken met groote nauwgezetheid waarnam en gaarne op de hoogte bleef van al zijn plannen en bewegingen. Kort na haar dood schreef Oranje aan zijn vader:Beste Vader!Ik kan U niettegenstaande de droefheid van mijn hart toch niet onkundig laten, dat de zwakheid, waarin mijn vriendelijke lieve huisvrouw sinds een maand is vervallen, gelijk gij onlangs van mij te Dillenburg hebt vernomen, voor en na mijn terugkeer alhier van dag tot dag is vermeerderd en eindelijk zoo is toegenomen, dat zij Donderdag den 24endezerloopende maand, tusschen 6 en 7 uur is overleden. Haar sterven was christelijk—ze is heengegaan naar God Almachtig, die haar ziel genadig en barmhartig zijn zal.Ruim veertien dagen later spreekt hij in een brief, wederom aan zijn vader, van het pijnlijk verlies door hem en zijn kinderen geleden.Van Filips ontving Willem ook een hartelijk schrijven waaruit tevens bleek, dat hij iemand uit Brussel had gezonden om naar den toestand zoowel van Oranje, die ziek uit Frankfort was gekomen, als naar zijn vrouw te vragen. Juist op het oogenblik van het vertrek waren er nieuwe berichten gekomen, die Filips o.a. het overlijden van Anna meldden. Eenige dagen later schreef Filips wederom aan Oranje. Dat deze nog geen verslag over de onderhandelingen te Frankfort had uitgebracht, kon Filips best begrijpen en hij raadde hem ook aan nog maar wat te wachten, totdat zijn geest tot rust was gekomen. Aan hartelijkheid ontbrak het in deze brieven dus niet.In een schrijven aan Granvelle, den bisschop van Atrecht, die om nadere bijzonderheden had gevraagd, zegt Oranje o.a. dat de dood van zijn vrouw bij hem zulk een radeloosheid en onuitsprekelijke smart veroorzaakte, dat hij tengevolge daarvan een hevigen koortsaanval kreeg, gepaard aan zenuwtrekkingen.Wat blijkt uit deze brieven omtrent de verhouding van den Prins tot zijn eerste echtgenoote? Al te veel nadruk mag er, dunkt mij, niet gelegd worden op zijn aanval van hartstochtelijke smart, waarvan de laatste brief aan Granvelle getuigt. De smart, zich in koorts en zenuwtrekkingen openbarende, kan wel een gevolg van het besef geweest zijn, dat hij niet ten volle voor zijne overledene geweest was, wat hij had moeten en kunnen zijn. Doch wij herhalen, wie met deze uitingen geloof zou willen slaan aan het lasterlijk gerucht, dat te zijnen nadeele werd verspreid, zou Willem van Oranje moeten verdenken van eene huichelarij en misdaad, die alle grenzen te buiten ging.De Prins was in de jaren van zijn eerste huwelijk menigmaal genoodzaakt, gescheiden van zijn vrouw te leven; zijn dienst in den oorlog, zijn diplomatieke zendingen doemden haar tot een tamelijk eenzaam bestaan. Terwijl zij meestal het kasteel te Breda bewoonde, was hij op reis, in het kamp of in Brussel. Zijn leven daar was, gelijk we nader zullen zien, zeer weelderig en rijk en toch blijkt het voldoende uit al de brieven, die hij aan Anna schreef, dat hij haar niet vergat. Zijn thuiskomst in Breda moet altijd een feest zijn geweest voor de meestal eenzame vrouw. Zij heeft hem lief gehad tot het einde, en zij is steeds zorgvol voor zijn kinderen en goederen geweest. Haar testament, geheel te zijnen voordeele, was een laatste bewijs van hare liefde en van haar vertrouwen op hem. Terecht is van haar gezegd: “Voor den tijdgenoot, die het oor niet leende aan rondgestrooide geruchten, blijft Anna door haar teruggetrokken leven en haar vroegtijdig einde, een lieftallige figuur. Maar voor den nakomeling bewaart zij de onaantastbare en zachte bekoring van een visioen, dat wegdeinst, zonder zijn geheim te hebben geopenbaard.”Testament van Anna van Egmond.Testament van Anna van Egmond.1Ook geeft men voor de geboorte van Maria wel het jaar 1556 op.Hoofdstuk IV.Diplomatieke onderhandelingen. Filips’ vertrek 1558–1559.Een lange rusttijd werd den Prins niet toegestaan om zijn verlies te boven te komen en na zijn eigen ongesteldheid zijn krachten te herwinnen. Op den 7enMei ontbood Filips hem op zeer beslisten toon naar Antwerpen om toezicht te houden op de hernieuwing van de wet aldaar en in Juni beval de hertog van Savoye hem, zich zoo spoedig mogelijk te haasten om met zijnbande d’ordonnance, Thionville, een sterke stad aan de Moezel, te bevrijden.De geestdrift van Filips voor militairen roem was spoedig uitgebluscht; veel heftiger verlangde hij naar een verbond dan naar voortzetting van den strijd met Frankrijk. In het vroege voorjaar hadden de bisschop van Atrecht en de kardinaal van Lotharingen een samenkomst te Péronne, waarbij zij tot het besluit kwamen, dat het wezenlijk belang van Frankrijk en Spanje niet was, grondgebied van elkander te winnen, maar den verborgen vijand, de ketterij, die zich in beide rijken verspreid had, te bedwingen. Daar de onderhandelingen dier prelaten echter geheim bleven, werden de vijandelijkheden tusschen beide koninkrijken vroeg in den zomer heropend.In plaats van den Connétable, die zooals we zagen zich in gevangenschap bevond, was de hertog de Guise uit Italië gekomen, waar zijn roem er nu niet bepaald op vooruit was gegaan, en die dus hoopte in de meer noordelijke landen beter figuur te maken. Op Nieuwjaarsdag van 1558 verscheen hij voor Calais, waarvan de Guise door spionnenberichten reeds wist, dat de bezetting zwak was. Na een hevig geschutvuur werd de stad stormenderhand genomen. Meer dan twee eeuwen was zij in handen der Engelschen geweest, die het hadden veroverd na een beleg, dat twaalf maanden duurde; thans keerde het aan Frankrijk terug na een belegering van zeven dagen. Nog zeven dagen later viel ook Guines, waardoor Engelands koningen voor altijd het recht verloren om den titel en de leliën van Frankrijk te voeren.De Guise trok naar Luxemburg en veroverde Thionville, zoodat Oranje, dievolgens de orders van den hertog van Savoye daarheen moest trekken, te laat kwam om nog hulp te bieden. De Franschen hadden dus in den beginne wel succes, maar ’t was niet van langen duur. Het plan bestond bij de Franschen om de vereeniging te bewerken van de Guise en de Thermes, die in Calais als bevelhebber was achtergebleven en reeds met zijn nieuw verzameld leger de omstreken had geplunderd en ook Duinkerken had genomen. De vereeniging van de beide Fransche bevelhebbers te voorkomen en als het kon de Thermes van Calais af te sluiten, was het doel van de tegenpartij. Reeds was de Fransche bevelhebber van Duinkerken vertrokken, toen hij op zijn weg de held van St. Quentin ontmoette, die zich met zijn troepen te Grevelingen had opgesteld, een kleine stad aan het strand der zee, ongeveer halfweg Calais en Duinkerken.Daar noodzaakte Egmond zijn tegenstander slag te leveren, daar rende hij aan het hoofd zijner escadrons op de Franschen in onder het: “De vijand is ons, wie zijn vaderland lief heeft volge mij.” Van beide kanten werd met groote hardnekkigheid gestreden, doch de zege was aan Egmond en op dezen 12envan Julimaand werd de uitgelezen Fransche strijdmacht onder maarschalk de Thermes volkomen vernietigd en vielen met hem vele andere officieren van adellijken bloede in handen van Egmonds troepen.De ongeloofelijke moed door den overwinnaar bij die gelegenheid betoond, stal het hart van het volk en alleen de zure Alva, die Egmond benijdde, deelde niet in de algemeene vreugde, daar hij zelf gehoopt had het getij ten voordeele van zijn meester te doen keeren.Thans was Egmond de held vanSt. QuentinenGrevelingen. Niettegenstaande aan beide zijden de strijdkrachten nog volkomen in orde en zeer machtig waren, was toch deze slag het laatste tooneel van den zevenjarigen oorlog tusschen Frankrijk en Spanje. Filips was bijzonder tevreden op de lauweren te kunnen rusten, door zijn veldheer behaald; Hendrik was niet verlangend verdere waagstukken te ondernemen en het volk aan beide kanten begeerde vurig den vrede.Algemeen was dus het verlangen, dat er geen verder uitstel met de vredesonderhandelingen zou gemaakt worden, maar het was wat gewaagd met de besprekingen te beginnen, terwijl de twee gewapende legermachten nog in elkaars gezicht lagen. Daarom was de eerste maatregel, de vreemde huurtroepen te ontbinden en de eigen troepen op een veiligen afstand in te kwartieren. De preliminaire voorbereidselen voor de vredesonderhandelingen werden te Rijssel geregeld onder den Prins van Oranje, Ruy Gomez en den bisschop van Atrecht aan de eene zijde, Montmorency en maarschalk St. André aan den anderen kant. Op den 15enOctober werden de formeele onderhandelingen geopend in de abdij van Cercamp, op het onzijdig grondgebied van Kamerijk. Daar vereenigden zich de hertog van Alva, de president Viglius, de kardinaal van Lotharingen, de bisschop van Artemis en Claude l’Aubespine met hen, die te Rijssel waren geweest. Ook Maria van Engeland zond afgevaardigden, maar het vraagstuk van Calais dreigde te veelomvattend te worden, zoodat de geheele Engelsche zaak ter zijde werd gelegd, om onafhankelijk van de Spaansch-Fransche belangen, door een toekomstig congres te worden beslist. Men moet niet vergeten, dat Oranje, hier ook aanwezig, pas25 jaren telde en toch reeds als een man van groot gewicht in deze hoogst belangrijke diplomatieke vergadering gold. Daar viel wat te doen. Gedurende de laatste zeven jaren had men onophoudelijk steden genomen en hernomen, welker bezit van groote waarde geacht werd. Elk van deze moest in bijzonderheden worden behandeld. Dan moest het verbeurd verklaarde grondgebied van partijgenooten aan beide zijden worden teruggegeven en na de vaststelling der losprijzen, de gijzelaars worden uitgewisseld. Uit een brief van Oranje aan den hertog van Savoye blijkt, dat er hard werd gewerkt om de zaak tot een goed einde te brengen en tevens meldt Oranje aan den hertog, dat bij mogelijke teruggave van Piemont Zijne Hoogheid over zijn huwelijk met Margareta, zuster van koning Hendrik, een beslissing moet nemen, daar men deze echt als voorwaarde voor de teruggave van de landen geëischt heeft. Voordat er eenig besluit in die vergadering was genomen, had eene gebeurtenis plaats, waardoor de geheele zaak zeer vereenvoudigd werd.Maria, die zich het verlies van Calais zeer bijzonder aantrok, eindigde haar ongelukkig en onbevredigd leven op den 17enNovember en liet aldus haar echtgenoot vrij om zijn diplomatieke beloften met een nieuwe huwelijksverbintenis te bezegelen. Haar dood en de opvolging van Elisabeth veroorzaakte een tijdelijke opschorting der onderhandelingen.Een schitterende lijkdienst werd tot haar nagedachtenis door Filips in Brussel gevierd en daarna kon hij de vraag van een opvolgster overwegen.Nog een andere lijkdienst werd er, behalve die van Filips’ ongelukkige echtgenoote, in Brussel gehouden. Reeds den 21enSeptember was keizer Karel in het klooster St. Juste overleden, maar zijn zoon vond eerst in het laatst van December tijd, om den doode in het openbaar de laatste eer te bewijzen. De praalvertooning, die toen in Brussel plaats had, was echter zoo schitterend, dat het uitstel er wel door verontschuldigd werd.De plechtigheden hadden plaats op 29 en 30 December 1558 en behalve de prachtige rouwversiering van de kathedraal en de stad zelf, trok van den grooten optocht, die door de stad ging, een schip het meest de aandacht, zoo kunstig vervaardigd, dat, ofschoon onzichtbare helpers het droegen, het door zeepaarden scheen voortbewogen. De bemanning werd voorgesteld door drie zinnebeeldige personen. DeHoop, geheel in ’t bruin gekleed met een zilveren anker in de hand, stond aan den voorsteven; hetGeloof, met den avondmaalskelk en het roode kruis in een wit gewaad met een sluier van wit zijden gaas, zat op een staatszetel vóór den bezaansmast, terwijl deLiefdein het rood met een vlammend hart in de hand, aan het roer het schip bestuurde.Eigenaardig is de beschrijving van een Engelschman, die aan zijn chef een gedetailleerd verslag zond en waarin ook de Prins van Oranje vermeld wordt.“Nagenoeg middenin zag men een schip versierd met de banieren van ’s keizers wapenen, en onder deze, vele banieren van de Turken en Mooren, naar beneden gevallen en in ’t water liggende. Het geheele bovenste gedeelte van het schip was kostbaar gebeeldhouwd en verguld; de voornaamste touwen en masten, de zeilen en toppen waren alle zwart.... In het midden bij den grooten mast was een staatszetel opgericht, waarop niemand zat. Daarvoor stond een meisje geheel inhet wit gekleed, haar aangezicht bedekt met een witten sluier. In haar rechterhand had zij een rood kruis en in haar linkerhand een kelk met het sacrament.... Daarna kwamen 24 paarden, die alle een land voorstelden, waarover de keizer geregeerd had en voor ieder paard ging een graaf of hertog....De Prins van Oranje droeg het zwaard met de punt benedenwaarts.... En toen de dienst was afgeloopen, kwam daar een edelman naar de lijkkoets (zoover ik kon hooren was het de Prins van Oranje), die voor de lijkkoets staande, met de hand op de kist sloeg en zeide: “Hij is dood.” Daarop een poos stilstaande, zeide hij: “Hij zal dood blijven.” En wederom na een pauze sloeg hij nog eens op de kist en zeide: “Hij is dood en daar is een ander in zijn plaats opgestaan, grooter dan hij ooit was.”Nadat Filips een vruchtelooze poging had gedaan om de hand van Maria’s opvolgster te verwerven en daarbij niet onduidelijk was afgewezen, werden de onderhandelingen in Februari 1559 te Cateau Cambrésis, in plaats van te Cercamp heropend en kwam het verdrag op den 3enApril tot stand. Geen der partijen behaalde na 8 jaren oorlog, die zooveel moeite en kosten na zich had gesleept, eenig stoffelijk voordeel. Al de veroverde plaatsen werden aan dien souverein teruggegeven, die ze in 1551 had bezeten. Had indertijd de keizer de grootste verliezen geleden, nu was zijn zoon aan den winnenden kant. Filips gaf aan de Franschen vijf steden terug, die hij in Picardië had veroverd, maar daarentegen stond Hendrik II hem meer dan 200 plaatsen in de Nederlanden en in Italië af. Filips zou huwen met Elisabeth van Valois en een bruidschat van 400.000 kronen ontvangen, ofschoon die dochter van Hendrik II eigenlijk bestemd was geweest voor don Carlos.Philibert van Savoye werd door het verdrag rijkelijk bevoordeeld. De Fransche afgevaardigden hadden de belangen van ’s konings zuster zeer behartigd en hij had er in toegestemd Margareta van Valois te huwen, die in haar bruidskorf een huwelijksgift van 300.000 kronen en de verbeurd verklaarde vaderlijke goederen van den hertog medebracht.Het wezenlijk motief, dat de twee monarchen er toe geleid had om tot een schikking te komen, zonder elkander verder te bestrijden, was, gelijk ik reeds zeide, hun wensch om een krachtdadig eind te maken aan de ketterijen, die overal in hunne landen vermeerderden. Toen de contracten waren geteekend, koos Hendrik Oranje, Aerschot en Egmond uit, om hem naar Parijs te vergezellen en hem tot onderpand voor de vervulling van het verdrag te strekken. Oranje ging daar dan ook reeds vroeg in April heen.Ongelukkig bestaan er geen particuliere brieven meer van Oranje gedurende dit Parijsche bezoek. Kleine aanteekeningen, zooals hij schreef uit het ongemakkelijke kampleven, eindigden voor altijd met het leven van Anna van Buren. De brieven aan zijne bloedverwanten in Dillenburg zijn verdwenen, zoodat het onbekend is gebleven, wat zijn indrukken waren van de Fransche hoofdstad.Toch is een eigenaardig verhaal bekend geworden, waaruit het medelijdende hart van onzen Willem duidelijk blijkt.“De Prins was te Parijs in een hotel gelogeerd, waar de provisiekamer van den bottelier uitzag op een laan door middel van lage vensters met ijzeren traliën. In de nabijheid stond een schenktafel met prachtig zilver. Een booswicht, die dat ontdekt had, peinsde op middelen, om er zich meester van te maken en voorzag zich van lange haken, waardoor hij de stukken een voor een naar het ijzeren traliewerk haalde en die niet door de gaten konden, met kracht omboog. Hij wist op deze manier al het schoonste naar zich toe te halen.“Dit onaangenaam geval verontrustte hen, die de zorg voor het zilver hadden zeer, doch eindelijk werd de dief om een andere schurkenstreek gevat; hij bekende, dat hij ook dezen diefstal had begaan en werd tot den strop veroordeeld.“Toen de dag van de strafoefening was aangebroken, werd juist op het oogenblik, dat de goede Prins met den koning van de jacht terugkeerde, de booswicht naar de galg geleid. De Prins zag dit en hoorde van een voorbijganger, om welke misdaad hij den dood moest ondergaan. Deze, die den Prins niet kende, antwoordde, dat het de man was, die het zilveren vaatwerk van den Prins van Oranje had gestolen. Met aandrang richtte de Prins zich daarop tot den koning, hem verzoekende het leven van den misdadiger te sparen.“De koning bewilligde er in en in vollen galop reed toen de Prins zelf naar de menigte, die zich verzameld had om getuige te zijn van het akelig schouwspel, staakte de executie tot de aankomst des konings en redde alzoo den dief uit de handen van den beul. Na hem vermaand te hebben, in de toekomst een beter leven te leiden, gaf hij hem in naam des konings de volle vrijheid terug. Het grootste deel van het zilver kreeg de Prins weerom.”De gijzelaars vonden blijkbaar het vaststellen der eindbepalingen van het verdrag geen gemakkelijke zaak, want voortdurend werden die om nietige redenen uitgesteld. Met veel pracht en plechtigheid werd het huwelijksverdrag tusschen Elisabeth van Valois en Filips II op den 22enJuni, bij afwezigheid van den laatste gesloten, terwijl Alva zijn gevolmachtigde was. Op den dag van het huwelijk had Oranje zoo hard gewerkt, dat hij verplicht was den volgenden dag te bed te blijven.Dat de onderhandelingen zoo langzaam vorderden, was ook onvermijdelijk, daar beide partijen bevreesd waren te zullen worden bedrogen; bovendien waren er tal van feesten, om de langwijligheid van de zaken wat te breken.Daaronder was ook een jachtpartij in de bosschen van Vincennes, waarbij een belangrijk voorval plaats had. Op weg naar huis, waren Oranje en de Fransche koning van de rest der ruiters afgedwaald. Terwijl zij langzaam onder de boomen voort reden, begon Hendrik, in de meening, dat de jonge Hollandsche staatsman het volle vertrouwen van zijn Spaanschen koning genoot, hem te spreken over de bijzonderheden van het privaat verdrag, dat hij met Alva had gesloten, ten einde de ketterij uit de gezamenlijke landen van hem zelf en Filips uit te roeien. Wat er in Oranje moet zijn omgegaan, toen hij van het vreeselijke plan der vorsten hoorde, blijkt uit hetgeen hij later zelf in zijn Apologie schreef, n.l. dat hij “door medelijden getroffen werd met zooveel welvarende menschen, die aldus veroordeeldwerden tot vernietiging, in ’t bijzonder met dat land, waaraan ik zooveel verplichting had en waar men een inquisitie wilde invoeren, erger en wreeder dan die van Spanje.... Van deze dingen getuige zijnde, beken ik, dat ik van dat oogenblik af in ernst besloot, het Spaansche ongedierte uit dat land te verdrijven en nooit heb ik berouw gehad over mijn besluit.”Oranje’s rit met Hendrik II in de bosschen van Vincennes. (Bladz. 48.)Oranje’s rit met Hendrik II in de bosschen van Vincennes. (Bladz. 48.)Of het geval zoo dramatisch is geweest als de Prins het voorstelt in zijn Apologie, mag betwijfeld worden, als we bedenken, dat dit stuk in 1580 werd geschreven, dus ruim 20 jaar na het voorval, doch hier staat tegenover, dat Oranje deze geschiedenis reeds in 1562 aan Granvelle moet hebben meegedeeld.De zelfbeheersching, getoond bij dat gesprek in het bosch van Vincennes,heeft den Prins den naam van den Zwijgergeschonken, die hem het eerst door Granvelle moet gegeven zijn. Niet om een doorloopende karaktertrek, maar om een enkele daad is hem deze naam dus geschonken.Op een der vele feesten, welke op die jachtpartij volgden, had het tournooi plaats waarin Hendrik II gewond werd, met het gevolg, dat hij enkele dagen later op 12 Juli overleed. Zelfs zijn lofredenaars konden niets goeds van hem vermelden.Waarschijnlijk was Oranje toen niet meer te Parijs, want hij haastte zich, door Hendriks mededeeling verontrust, naar de Nederlanden te gaan zoo spoedig hij verlof kon krijgen, onder belofte echter onmiddellijk terug te keeren, zoodra hij werd opgeroepen.Terwijl men in Parijs bezig was de eindbepalingen van het verdrag op te stellen, maakte Filips zich gereed aan zijn hartewensch te voldoen, de Nederlanden vaarwel te zeggen en die echt Spaansche rust te genieten. Hij had van zijn verblijf in het Noorden meer dan genoeg; de episode van zijn Engelsch huwelijk behoorde tot het verleden; van nu af was hij tot zijn eigen erfgoed bepaald. Een nieuw huwelijk was tot stand gekomen, terwijl het verbond met Frankrijk hem de gelegenheid had geopend, de vrijheid der godsdienstige gedachte uit te roeien, waartegen hij ieder jaar van zijn verder leven steeds meer haat koesterde.Wat verlangde hij terug naar Spanje, waar hij zich in de landstaal zou kunnen uitdrukken en waar hij tenminste eene omgeving zou vinden, die meer met hem in aard en karakter overeenkwam. Vrijwel gedwongen was zijn verblijf in de Nederlanden geweest, maar nu belette hem niets meer die gewesten vaarwel te zeggen. Voor hij echter kon vertrekken, moest eerst zijn plaatsvervanger worden aangewezen, want Philibert van Savoye, de opvolger van Maria van Hongarije, was in zijn heerschappij over Piëmont hersteld en kon dus niet langer de betrekking van landvoogd vervullen.Men zegt, dat Egmond en Oranje zich een oogenblik zouden gevleid hebben, dat de keus van den nieuwen landvoogd op een hunner vallen zou, maar waarschijnlijk is dit niet; zij moesten direct begrepen hebben, dat Nederlandsche edelen, hetzij inboorlingen als Egmond of genaturaliseerd als Oranje, geen landvoogden zouden zijn naar het hart van den tegenwoordigen koning.Over twee mededingsters werd spoedig ernstig gedacht, n.l. de hertogin van Parma en die van Lotharingen; deze laatste werd door de Nederlandsche edelen begeerd, omdat zij onder haar naam zelf hoopten te regeeren.Oranje vooral ijverde zeer voor haar, hetgeen ook verband hield met trouwplannen van den Prins.Anna van Buren was slechts eenige maanden dood, toen Willem, het voorbeeld van zijn koning volgende, begon uit te zien naar een tweede echtverbintenis. Zelfs zeer kort na den dood zijner eerste vrouw, had de Prins een liaison, die niet tot een huwelijk leidde, maar toch te wereldkundig is geworden, om er niet van te spreken. Het was een Vlaamsch meisje, Eva Eliver genaamd, dat hem bekoorde en hem in September 1559 een zoon schonk, bekend onder den naam Justinus van Nassau, welke natuurlijke zoon van den Prins, naar de gewoonte der tijden, een opvoeding, overeenkomstig den stand van zijn vader ontving en dientengevolge ook later gouverneur van Breda en admiraal van Zeeland werd. Van een huwelijk met die Eva kon geen sprake zijn; zij huwde later met den secretaris van de stad Hulst, A. Arondaux.De Prins zelf moest eene vrouw zoeken van zijn stand en geboorte. De eerste, op wie hij den blik vestigde, was Madame de Touteville, dochter van den graaf van St. Pol, schoonzuster van den koning van Navarre en weduwe van den hertog van Enghien. Deze weduwe, nauwelijks 17 jaar, was een der rijkste en schoonste erfgenamen van Frankrijk. De Prins leerde haar kennen tijdens zijn gijzelaarschap in Parijs en schijnt om hare hand aanzoek te hebben gedaan. Ongetwijfeld was haar rijkdom, bij den toenmaligen staat zijner eigen geldmiddelen, eene sterke attractie voor Oranje. Doch zoowel Filips II als Hendrik II werkte dit huwelijksplan tegen; Filips, omdat hij ongaarne de verbinding zag van Nederlandsche heeren met Fransche geslachten; Hendrik, omdat hij een ander voor de rijke erfdochter op het oog had, die haar echter ook niet kreeg.Toen dit huwelijksplan was afgesprongen, richtte Oranje zijn blik op Renée van Lotharingen, oudste dochter van den hertog Frans van Lotharingen en Christierna van Denemarken. Deze was de door de Nederlandsche grooten, inzonderheid de door Oranje begeerde opvolgster van den hertog van Savoye als landvoogdes der Nederlanden; zij was, volgens Catharina de Medicis, “la plus glorieuse femme, que je visse jamais.” Haar schoonheid was niet minder beroemd, dan die harer dochter. Misschien werd Oranje ook daardoor getroffen, maar de hoofdbedoeling van zijne poging, om Renée te huwen, lag in de politiek. Hare moeder, de fiere dochter van koning Christiaan van Denemarken en van Isabella, zuster van Karel V, was een eigen nicht van Filips II en zij had alle hoop, dat de koning van Spanje haar tot landvoogdes zou benoemen. Zij was een zeer eerzuchtige vrouw, steunde niet alleen elke poging om het huis Holstein uit Denemarken te verdrijven, maar sprak ook haar woord mede in de Europeesche staatkunde. Te Cateau-Cambrésis was zij zelfs een ijverige onderhandelaarster en daar schijnt ook het huwelijksplan van hare dochter met Oranje te zijn beraamd, omdat de laatstgenoemde hare kansen om landvoogdes te worden, zeer groot achtte en hij alsdan onder haar naam in de Nederlanden zou kunnen regeeren. Aan beide verwachtingen werd de bodem ingeslagen. “Tusschen de niet verloving van den Prins met Renée van Lotharingen en de niet benoeming van Christierna tot landvoogdes is een duidelijk voelbaar verband.” Koning Filips schijnt zelf ook aan Christierna geschreven te hebben, datzij het aanzoek van Oranje van de hand moest slaan. In het openbaar hield Filips zich, alsof hij dat huwelijk goedkeurde. Maar hij wilde zijn heerschzuchtige nicht buiten de Nederlanden houden en buiten staat, om onder de Nederlandsche edelen een partij te vormen.Margareta werd tot landvoogdes gekozen, vooral door den invloed van Granvelle. De benoeming van deze bastaardzuster van den koning was de eerste gevoelige nederlaag voor de nationale partij onder Filips’ bestuur. Margareta was het oudste kind van den overleden keizer, buiten huwelijk geboren, vier jaar voor zijn huwelijk, maar als een erkende dochter, door de zorg van Karels tante en later van zijn zuster, opgevoed. Op twaalfjarigen leeftijd was zij gehuwd met Alexander de Medicis, een ellendigen nakomeling van de familie Medicis, wiens dood binnen een jaar na dat huwelijk geen ongeluk was voor zijn jonge vrouw. Haar tweede echtgenoot was Ottavio Farnese, zeven jaar jonger dan zij, met wien zij vrij gelukkig was. Als vrouw was zij geen aantrekkelijke persoonlijkheid. “De waarheid is, dat haar geest niet alleen haar sekse te boven ging, maar zij ging zoo gekleed en had zulk een houding, alsof zij niet was een vrouw met een mannelijken geest, maar een man in vrouwenkleeren. Zij was zoo sterk, dat zij aan de hertenjacht gewoonlijk mededeed, hetgeen de lichaamskracht van vele mannen te boven ging. Op haar kin en bovenlip groeide een baardje, dat haar mannelijke gelijkheid gaf en groot gezag. Zij had een helderen geest en kon met wonderlijke handigheid de zaken van alle kanten bekijken.”Op het punt van godsdienst was zij bekrompen en bijgeloovig, op ’t gebied van staatkunde reeds bedorven in de leerschool van Macchiavelli en wat haar kundigheden betreft was zij zeer middelmatig; ze kon nauwelijks het Fransch schrijven, dat te Brussel altijd als hoftaal had gegolden.Hoe kon deze vrouw, die bij haar verschijning liefde noch achting kon inboezemen, bewaakt door het achterdochtig oog van Filips en geplaatst onder de voogdij van Granvelle, een krachtige, vrije ontwikkeling geven aan den adel, die haar omringde?Ziedaar de nieuwe meesteres onder wie Oranje zijn loopbaan als staatsman aanving. Zijn leerjaren waren voorbij. Als page had hij den keizer trouw en loyaal gediend en onder zijn banieren zijn eerste campagnejaren doorleefd. Met den nieuwen meester had hij forten gebouwd en gekampeerd en daarna was hij ingewijd in het moeielijker werk, om verdragen tot stand te brengen. Voortdurend was zijne verantwoordelijkheid grooter geworden en nu stond hij aan den aanvang van het moeilijkste deel van zijn loopbaan. De ondervinding, die hij reeds had opgedaan en het hooge standpunt, dat hij innam onder de Nederlandsche heeren, gaven hem recht om mede te werken aan het eerste openbaar verzet tegen den wil des konings. Nog voor deze naar Spanje terugkeerde, zou hij van den aanvang van dat verzet getuige zijn.De eenige regelmatige regeeringstroepen in de Nederlanden waren de zoogenaamde “bandes d’ordonnance”, die uit 3000 ruiters bestonden, in 14 escadrons verdeeld, ieder onder het commando van een stadhouder of edele. Behalve dezetroepen waren er in het jaar 1559 nog omstreeks 4000 vreemde soldaten, voornamelijk Spanjaards, in het land ingekwartierd. Wat moesten deze vreemde troepen nog na den vrede in het land doen? Toen Hendrik II in het bosch van Vincennes zijn vertrouwelijke mededeeling aan Oranje deed, was een van de punten, die bijzonder de verontwaardiging van den Prins hadden gewekt, dat die vreemde troepen van nu aan zouden gebruikt worden om de ketterij te onderdrukken, daar hun diensten niet verder noodig waren tegen een buitenlandschen vijand, sinds Frankrijk en Spanje zich hadden verbonden. Om elke schikking dienaangaande te voorkomen, had Oranje zijn verblijf in de Fransche hoofdstad bekort en zich huiswaarts gespoed; hij wachtte slechts op een gelegenheid, om tegen het langer verblijf dier Spaansche troepen op te treden.De Staten-Generaal, die Filips, in strijd met het voorbeeld van Maria, de vroegere landvoogdes en met de waarschuwing van Granvelle, kort na den afstand van Karel V had bijeengeroepen, om beden toe te staan, werden, al was de uitslag van die eerste samenroeping niet naar wensch geweest, toch nog eenmaal vóór Filips’ vertrek door hem te Gent vereenigd om afscheid van hem te nemen en Margareta als Filips’ vertegenwoordiger te verwelkomen.Op den vastgestelden dag waren de Staten vergaderd en verscheen de koning met de nieuwe landvoogdes, den hertog van Savoye en vele gezanten en edelen in hun midden. Aan Granvelle was de taak toevertrouwd de afgevaardigden in naam van den vorst toe te spreken. In sierlijken stijl en hoogdravende woorden werd meegedeeld, waarom Filips zijn geliefde gewesten ging verlaten, dat alleen innige liefde voor de Nederlanden hem had genoopt tot het einde van den oorlog hier te blijven. Het achterlaten der Spaansche troepen werd met een enkel woord vergoelijkt en aan de Staten op het hart gedrukt, de edicten van wijlen zijn vader alle uit te voeren. Bovendien verzocht de koning nogmaals een bede, nu van 3 millioen florijnen, daarbij herinnerende aan de omstandigheid, dat al het geld, evenals dat vroeger was geschied, ten nutte van de geliefde gewesten zou worden besteed. Na het eindigen dezer rede gingen de Staten uiteen, om volgens oud gebruik die bede te overwegen en op den volgenden dag deelde elk gewest afzonderlijk zijn antwoord mede.De Staten van Artois waren de eerste, die hun besluit moesten voorlezen. In navolging van de rede van hun souverein spraken ze in niet minder sierlijke woorden van hun innige verknochtheid aan hun vorst; ze beloofden tevens plechtig, zoover hun aandeel betrof, de nieuwe bede op te brengen. Filips had hen onder al die vleiende woorden glimlachend aangekeken, maar op hetgeen aan het slot werd vermeld, had de koning niet gerekend. De Staten toch eindigden met Zijne Majesteit ernstig te verzoeken, als vergoeding voor hunne bereidvaardigheid,onmiddellijk de Spaansche troepen uit de Nederlanden te verwijderen.Bij deze onverwachte wending in de toespraak van de afgevaardigden verdween niet alleen zijn glimlach, maar toonde de vorst zich diep beleedigd. De Staten der andere gewesten volgden, maarverzochtenniet als die van Artois de verwijdering der vreemde troepen, doch stelden dit vertrek als voorwaarde voor het verleenen van de bede.Behalve de antwoorden der afzonderlijke Staten werd nog voor het uiteengaan der vergadering een afzonderlijk formeel protest in naam der Staten-Generaal aangeboden, onderteekend door den Prins van Oranje, Egmond en vele andere Nederlandsche edelen. In dit protest werd de zaak bij den rechten naam genoemd, werd gewezen op de rooverijen en uitspattingen van het “Spaansche ongedierte” en bovendien met nadruk aangedrongen de belangen van den Staatnietaan vreemdelingen, doch zooals van ouds, aan inboorlingen over te laten.Was Filips door de antwoorden der Staten reeds ten diepste beleedigd, de aanbieding van het laatste verzoekschrift deed de maat bij hem overloopen. Woedend stond hij op, verliet de vergadering onder het uiten der woorden: “Of ze hem die ook een Spanjaard was, niet mede het land wilden doen ruimen.”Voor het eerst had men zich in de noordelijke gewesten openlijk tegen den Spaanschen koning verzet en Oranje, die zooals we zagen, het stuk mede onderteekend had, was blijkbaar bij deze gelegenheid de man geweest, die de leiding had gehad. Vandaar, dat het niet vreemd is, dat men het volgend voorval vermeld heeft, al was het alleen maar om uitdrukking te geven aan de algemeene opinie, dat de Prins van Oranje de hoofdleider van die beweging in de zaak van het Spaansche krijgsvolk is geweest.Toen alle toebereidselen voor het vertrek van Filips gemaakt waren, vertrok de koning naar Vlissingen, vanwaar de vloot naar Spanje zou uitvaren. Onder de aanzienlijksten van deze gewesten, die hem uitgeleide deden, behoorde ook de Prins van Oranje. Het afscheid was zeer hartelijk; Filips omhelsde de edelen, doch zich tot den Prins van Oranje keerende, verweet hij hem bitter de houding door de Staten tegenover hem aangenomen. De Prins verontschuldigde zich, zei dat alles langs regelmatigen weg was geschied en het niet zijne beslissing, doch die van de Staten was geweest, waarop Filips den Prins verontwaardigd bij den arm greep en uitriep: “No los estados, ma vos, vos, vos!” “Niet de Staten, maar gij, gij, gij!”De Prins van Oranje zou na deze openlijke beleediging zich niet aan boord van ’s konings schip hebben begeven, maar zich vergenoegd hebben hem van den wal af een goede reis toe te wenschen!Hoewel het verhaal niet geheel betrouwbaar is, kan het als bewijs dienen hoe de tijdgenooten dachten over het aandeel, dat de Prins in het verzet had en hoe ze hem als de ziel der beweging beschouwden.Den 26enAugustus 1559 ging de vloot, uit negentig schepen bestaande, te Vlissingen onder zeil en bracht den koning na een zeer stormachtige reis behouden naar Spanje.Wel had hij beloofd binnen drie of vier maanden de vreemde soldaten uit het land te zenden, bij welke belofte zich de Staten hadden neergelegd, maar het duurde nog tot 1561, eer het geschiedde. De Prins van Oranje en Egmond werden met het opperbevel over de Spaansche regimenten belast, doch eigenlijk voerden Romero en Mendoça het bevel. Oranje en Egmond leenden alleen hun naam.Dat deden ze ook bij het lichaam van den Raad van State. Ten einde hun houding daarin, vooral die van Oranje, te begrijpen, is het noodig, eenigszins vannaderbij de regeeringslichamen te beschouwen, die in werking waren bij het vertrek van Filips. De landvoogdes werd bijgestaan door de drie Raden, die van 1531 af reeds onder Karel V waren ingesteld, namelijk de Raad van State, die van Financiën en de Geheime Raad. De beide laatsten waren onmisbare werktuigen voor de regeering. Aan het hoofd van den Raad van Financiën stond Barlaimont; aan dat van den Geheimen Raad, die zich met de administratie van recht en wet ophield, was Viglius geplaatst. De Raad van State moest op den algemeenen gang der regeering invloed uitoefenen; in zaken van oorlog en vrede, van landsverdediging en rustbewaring moest die Raad, uit de aanzienlijksten van het land samengesteld, de landvoogdes voorlichten. Uit Nederlanders samengesteld, moest hij aan het volk ten waarborg strekken, dat, wie ook landvoogd wezen mocht, de strekking der regeering niet anti-nationaal zou wezen. De landvoogdes Maria echter vond reeds in dien Raad een te groote beperking van haar eigen gezag, en Granvelle, die bij Filips’ vertrek door hem aan Margareta was aangewezen als haar raadgever en die in alle drie Raden zitting had, wist Margareta van Parma te overtuigen, dat ze niet beter kon doen, dan Maria’s voorbeeld te volgen en zoo weinig mogelijk den Raad van State te raadplegen. Hij kon niet opgeheven worden, maar hij werd een bloot sieraad, dat aan de regeering een nationalen glimp moest geven.In dat lichaam, in oorspronkelijke bedoeling zoo veelbeteekenend, maar afgedaald tot den rang van versiering, werd ook Oranje met Egmond gekozen. Wel begrijpende dat zij, daarin zitting nemende, alleen als instrument zouden dienen, begonnen ze met voor die eer te bedanken, doch daar Filips hun een belangrijk geschenk in geld gaf, namen ze de benoeming aan, op voorwaarde, dat ze dan ook werkelijk zouden worden geraadpleegd. Ras ontdekten ze, hoe ze bedrogen waren, want Granvelle, Viglius en Barlaimont overlegden eerst alles in de Consulta, en brachten slechts in den Raad van State wat zij goedvonden. We zullen nader zien, hoe onder tal van andere rechtmatige grieven, de miskenning die Oranje in den Raad van State ondervond, den doorslag tot zijn verzet heeft gegeven.De verschillende gewesten werden onder stadhouders gebracht. Holland, Zeeland en Utrecht kwamen onder het stadhouderschap van den Prins van Oranje, gelijk Vlaanderen en Artois onder dat van Egmond; Gelderland en Zutfen onder dat van Meghen; Friesland, Groningen en Overijsel onder dat van Aremberg, enz. Het was dientengevolge de eerste taak van den Prins, de staten van zijn bestuur samen te roepen en er voor te zorgen, dat zij voorzieningen zouden treffen om hunne quota’s (aandeelen in de belasting) te voldoen. Te midden van deze bezigheden kwam er een oproeping tot hem, om aanwezig te zijn bij de kroning van den nieuwen koning van Frankrijk, Frans II, te Reims. In die dagen schreef Margareta den Prins uit Brussel op den 13enSeptember het volgende:“De weg, dien gij hebt ingeslagen, om de Hollanders te overreden, schijnt zeer goed geweest te zijn.... Ik zou liever gezien hebben, dat de Franschen u thans maar niet hadden opgeroepen, want ik heb voor het tegenwoordige uwe diensten zeer noodig. Men geeft mij echter de hoop, dat uw verblijf in Frankrijk van korten duur zal zijn.”Margareta beveelt verder Oranje ten krachtigste aan, in Frankrijk zijn invloed aan te wenden, dat men zich haasten zal met de restitutiën, bij den vrede bepaald; dan zal men ook van de zijde van den Spaanschen koning alles aanwenden, om hetzelfde te doen. Ook stelt zij in dat schrijven voor, in zoo verre eene verandering te brengen in de plaatsing van de gehate Spaansche troepen, die onder commando (?) van Egmond en Oranje waren gesteld, dat die naar de grenzen van Luxemburg en Henegouwen zouden vertrekken.In Reims volbracht de Prins zijne zending. Op 15 October 1559 was hij in Brussel terug en daar ontving hij de droevige tijding, dat zijn vader, graaf Willem van Nassau, den 6enOctober op den leeftijd van 72 jaar was gestorven. Bijna zijn geheele leven had Oranje, van zijn vader verwijderd, doorgebracht en onder invloeden, die wel in staat waren, een jongmensch van ouderlijke invloeden te vervreemden. Bij den Prins was dit, gelijk wij in het volgend hoofdstuk zien zullen, niet het geval geweest. Bij de aanvaarding der erfenis van Chalons, had Willem van het grootste deel van zijn erfgoed in Nassau afstand gedaan en alleen ter wille der titels een zeker recht op de voorvaderlijke kasteelen behouden. Nu werd hij natuurlijk het hoofd der familie en alszoodanigontving hij alle eer en onderscheiding aan het hoofd der Nassau’s verschuldigd; maar de Duitsche landen vielen terecht aan zijne broeders ten deel, die op Duitschen bodem waren gebleven.

Hoofdstuk III.De nieuwe Meester.Het reisje naar Brussel, ter bijwoning van de abdicatie van den keizer, was voor den Prins niet van langen duur, want hoewel de schitterende kleine hoofdstad vol vroolijkheid was ter eere van de vele vreemdelingen binnen haar wallen vereenigd, mocht Oranje er maar kort van genieten en zien we hem op den 26enOctober, den dag volgende op dien der plechtigheid, reeds weer bij de in aanbouw zijnde forten terug.Noch de feesten, noch het verblijf zijner vrouw te Brussel, ten huize van de hertogin van Aerschot, hadden hem weerhouden zijn plicht tegenover den nieuwen souverein te vervullen. Deze had van den aanvang zijner regeering met dezelfde moeielijkheden als zijn vader te kampen; gebrek aan geld, schaarste aan levensmiddelen en tengevolge hiervan ontevredenheid onder de troepen.Nauwelijks was Filips vier dagen aan het bewind, of de Prins ontving reeds een schrijven, waarin hem spoedige toezending van 12000 kronen werd beloofd, maar de vervulling dier belofte bleef achterwege en de brieven in de herfst van 1555 tusschen hen gewisseld, waren vol klachten van den een, vol beloften en verzekeringen van den ander.“Wij zijn hier zonder een penning; de soldaten sterven van honger en koude en aan het hof nemen ze niet meer notitie van ons, dan of wij reeds dood waren. Stel u de mate van geduld voor, die ik gedwongen ben uit te oefenen,” schreef Oranje aan zijn vrouw, haar tevens meldende, dat hij niet wist, wanneer ze ontbonden zouden worden, want dit kon niet geschieden voor het geld was ontvangen.In het begin van het nieuwe jaar werden de klachten der soldaten luider en luider en groeiden zóó aan, dat ook Brussel niet onkundig bleef. Hoe omstandig en scherp Willem van Oranje de moeilijkheden ook had beschreven, toch nam Filips pas maatregelen, toen een zekere Hans Bernard, kapitein eener onafhankelijke compagnie, een speciale commissie aan den koning zond om de klachten over te brengen. Nog stuurde hij echter geen geld, maar gaf den soldatende vergunning het land te verlaten! Tevergeefs poogde de kapitein den koning te doen begrijpen, dat deze maatregel hem zeer zou benadeelen en bovendien den geheelen ondergang van het platte land ten gevolge zou hebben.Afstand van Karel V. (Bladz. 29.)Afstand van Karel V. (Bladz. 29.)De onderhandelingen over den vrede waren reeds maanden gevoerd en hadden ten slotte het gevolg, dat er in Februari 1556 te Vaucelles een wapenstilstand werd gesloten; te Philippeville en op andere plaatsen bleven garnizoenen, maar het overschot der troepen werd betaald en ontbonden.De Prins van Oranje werd dus ook van zijn moeielijke plichten ontheven en na een verblijf van zes achtereenvolgende maanden, verliet hij op het einde van Januari het kamp. Men kan wel aannemen, dat die treurige tijd er niet toe heeft meegewerkt om Filips bemind te maken bij den Prins, die maar niet kon vinden, dat de schijnbaar welwillende brieven van zijn vorst, krachtige middelen waren om de oorlogskosten te bestrijden.Filips had zich zeer welwillend tegenover Oranje betoond in deze eerste maanden, want in November van het vorige jaar had hij hem bericht, dat de Prins tot lid van den Raad van State was gekozen, een eer, die door Willem erg koel werd beantwoord en nu, na zijn verblijf in het kamp, reisde hij naar Antwerpen, teneinde aldaar in de Orde van het Gulden Vlies te worden opgenomen.Deze orde was in 1430 door Filips den Goede bij gelegenheid van zijn huwelijk met Isabella van Portugal gesticht. Ze werd ingesteld als het meest schitterend sieraad en als de hechtste steun der heerschappij van het Bourgondische huis. Door haar wilde men boven den onvervreemdbaren adel van herkomst en geboorte, een nog hoogeren adel stellen, die door den wil des konings zijn zou, wat in Engeland en Frankrijk de pairs der kroon waren. De voorrechten van de ridders van het Gulden Vlies waren vele; hun hoogste privilege was, dat ze alleen door hunne medeleden konden worden gevonnist. Doch ook de plichten waren zeer bindend. Ze moesten trouw zweren aan hun Bourgondischen heer; niet minder trouw aan het katholiek geloof. Vandaar, dat de vader van Willem van Oranje het ridderschap weigerde, gelijk we vroeger zagen, omdat hij den eed om de Kerk getrouw te zijn, niet kon afleggen. De zoon, na zijn komst in de Zuid-Nederlanden in de Katholieke kerk opgevoed, zag in het afleggen van dien eed geen bezwaar; wel een bewijs, hoe die opvoeding alle zaden van het Protestantsch geloof zijner ouders in hem scheen te hebben verstikt en hoe de Prins althans in het jaar 1556 in het minst nog geen voorgevoel had van zijn roeping in zijn aangenomen vaderland.Tegelijk met hem werden er negentien nieuwe Vliesridders gekozen, waarvan negen Nederlandsche edelen, een feit, dat op een geheel nieuwe richting van bestuur scheen te wijzen en dientengevolge den staatsman Granvelle met angst vervulde. Karel V toch was de vriend der steden geweest. Filips toonde zich van stonde af een vriend der edelen. Hoe weinig de toekomst aan die voorliefde beantwoord heeft, is bekend.Willem van Oranje was de derde van de 19, die gekozen werd; op den 30enJanuari ontving hij de halsketen, het teeken zijner nieuwe waardigheid. Na die plechtigheid ging hij naar Breda, waar hij dien zomer met korte tusschenpoozen bleef.Het einde van den oorlog was voor de Nederlanden een zeer gelukkige gebeurtenis; overal werden feesten gevierd en niet het minst had de groote handelsstad Antwerpen haar vreugde aan den dag gelegd; geheele ossen werden op de openbare pleinen gebraden en bij het bezoek van Filips stroomde niet alleen de wijn, maar waren de wegen met honderden eerepoorten versierd en strooide men bloemen voor zijn voeten, ofschoon het in Februari was.Men had nu in de Nederlanden verwacht, dat de koning zou overgaan tot afdanking der troepen, die op kosten van deze gewesten werden onderhouden, maar Filips, die bij de feesten in Antwerpen al zoo onheilspellend somber had gekeken, dacht er niet over dit te doen. Het leger moest op dezelfde sterkte worden gehouden, daar de wapenstilstand wel van korten duur zou wezen en hiertoe was juist geld noodig, vooral, omdat ook de soldij in langen tijd niet was betaald.Toen de Prins in het legerkamp was, had hij reeds het bittere ongemak van geldgebrek ondervonden tegenover de schuldeischers van den koning, maar nu kwam hij voor nog grooter moeilijkheden te staan, nl. geld van Filips’ onderdanen te vragen.In Maart zou er een vergadering van de Staten-Generaal zijn, waartoe ook Oranje door een eigenhandig schrijven van Filips was opgeroepen.De Prins haastte zich zijn meester te gehoorzamen en op den 12enhad de vergadering plaats, waar ook Egmond, Aremberg, Meghen en andere heeren aanwezig waren.De koning deed wanhopige pogingen bij die eerste vergadering van de vertegenwoordigers der Nederlandsche gewesten natuurlijk te zijn. Zijn geldgebrek was zeer drukkend, niettegenstaande de edelmoedigheid zijner Engelsche vrouw en hij hoopte de afgevaardigden te overreden, hem voldoende giften te schenken, teneinde zijn ledige schatkist aan te vullen.Het eigenlijke plan van Filips was een soort gedwongen heffing, een blijvende belasting, maar toen hij zag, dat men dit niet wilde, nam hij genoegen met een gift, die door de Staten-Generaal werd toegestaan.Nadat dit besluit door de afgevaardigden was genomen, kwam nog het moeilijkste werk, het inzamelen der gelden. Er was vooral in ’s Hertogenbosch oppositie tegen en de koning schreef een eigenhandigen brief aan Oranje, waarin hij hem vroeg, daar heen te gaan, teneinde den stadsraad tot rede te brengen. De Prins ging in September met den raadsheer Noppenus naar die stad. Eerst bestond daar bezwaar, een vergadering bijeen te roepen, omdat het college van schepenen moest vernieuwd worden, m. a. w. de wet verzet. Toen er eindelijk een vergadering was samengeroepen, weigerden de twee eerste afdeelingen van den raad voor iedere contributie, welke ook, te stemmen, terwijl de derde goed vond een zeker bedrag te geven, maar onder bepaalde voorwaarden. Uit den langdradigen brief, dien Oranje aan den koning over die zaak schreef, blijkt ten duidelijkste wat de Prins al niet deed om den koning genoegen te doen en toch was hij geheel overtuigd geworden, dat geen onwil, maar slechts onvermogen de Bosschenaren tot verzet bracht en deed hij derhalve met het oog op de armoede derplaats een beroep op de genade des konings. Dit herhaalde hij nog eens op den 7enOctober in een brief aan den hertog van Savoye, wiens bemiddeling hij inriep ten gunste der inwoners van ’s Hertogenbosch. “De armoede der stad is zoo groot, dat het medelijden verwekt, die aan te zien,” schreef hij.Filips was geenszins genegen de stad ter wille te zijn en beval Oranje andere pogingen aan te wenden, om haar tot gehoorzaamheid aan den koning te brengen. Wat het eindresultaat van deze onderhandeling geweest is, komt niet in eenig document, dat bekend is, voor; het geval is alleen merkwaardig in zoover het bewijst, welke eerbiedige pogingen door Oranje werden aangewend, om den wil van zijn souverein te volbrengen, al was ook zijn sympathie voor de volkszaak opgewekt.De wapenstilstand, die te Vaucelles in Februari 1556 voor vijf jaar was gesloten, duurde nauwelijks tweemaal vijf maanden, want reeds in Januari 1557 heropende Hendrik II, door verleidelijke aanbiedingen van den Paus verlokt, de vijandelijkheden in Italië.Paulus IV namelijk, Napolitaan van geboorte, haatte de Spanjaarden als overheerschers van Napels en streefde van zijn eerste optreden af naar niets meer, dan naar het verbreken van den vrede tusschen Spanje en Frankrijk, ten einde, geholpen door Hendrik II, Napels aan de macht van Filips te ontrukken.Hoe onstaatkundig Granvelle dezen oorlog van Filips tegen den Paus ook vond, hij werd verklaard, doch duurde slechts kort in Italië, want Alva bracht door zijn toenmaals reeds bekende wreedheid de meeste plaatsen onder de gehoorzaamheid van Spanje terug. Daarop verzoende zich Filips met Paulus IV om des te feller een oorlog tegen Frankrijk te kunnen voortzetten.Oranje, die daarin overigens geen voorname rol speelde, werd wel in den aanvang met allerlei zendingen belast, die daarmee verband hielden. Zoo was het zijne taak, oversten zooals George von Holl te overreden, de karige aanbiedingen aan te nemen, die zijn souverein goed genoeg vond. Aan den hertog van Savoye schreef de Prins daarover een langen brief, waarin hij berichtte, dat von Holl de voorwaarden had aangenomen, mits hem een ruim tafelgeld met het oog op de duurte der tijden werd toegestaan.Bovendien werd Oranje met een zending naar den aartsbisschop van Keulen belast, met het doel hem te overreden, zich met Filips te verbinden. Na een kort oponthoud, ten gevolge van een koortsaanval op zijn reis van Breda, kwam Oranje in Keulen aan en deed zijn best zijn opdracht tot een goed einde te brengen. De aartsbisschop beweerde echter, dat hij niet de vrijheid had een defensief verbond aan te gaan zonder eerst zijn kapittel te hebben geraadpleegd.Oranje keerde naar Breda terug en liet zijn schoonbroeder Nuenar (gehuwd met zijn halfzuster Magdalena) achter om de beslissing van den aartsbisschop af te wachten.Op den 18enMei vroeg en verkreeg Oranje vergunning naar Frankfort te gaan,teneinde zijn vader te helpen bij den afloop van het Catzenellenbogen-proces, dat, gelijk we zagen, in 1557 eindigde.Terwijl de Prins voor particuliere belangen werkzaam was, deed Filips een reis naar Engeland om, hoewel juist in tegenspraak met de voorwaarden van zijn huwelijk, zijn vrouw door vriendelijke en de ministers van haar door harde woorden, tot deelneming aan zijn oorlog met Frankrijk over te halen.Dit gelukte hem zonder veel moeite, zoodat Engeland zich in een geschil gewikkeld zag, waarin het eigenlijk niet betrokken was. Later bleek, dat dit volkomen streed met Engelands belangen en dat het daarin alleen werd meegesleept door de hartstochtelijke verkleefdheid van een zwakke, slechte en wreedaardige vrouw, die Filips haatte.Nimmer scheen later de gelukszon zoo helder over den koning als in den vroegen zomer van 1557, toen nog al zijn onderdanen hem getrouw waren en hij de beurs zijner Engelsche echtgenoote geheel tot zijne beschikking had. Wat zij ook tegenover haar volk moge geweest zijn, tegenover hem was zij nooit karig.In Mei trokken de troepen onder den Hertog van Savoye te velde en de hoop op versterkingen van gindsche zijde van het kanaal werd spoedig verwezenlijkt, al waren er nog vele bezwaren te overwinnen. De Engelschen droegen zeker Frankrijk geen liefde toe, maar zij hadden zulk een hartgrondigen haat tegen hun titulairen koning, dat ze zich eerst krachtig verzetten tegen hulp aan Filips, zelfs in zijn oorlog met hun erfelijken vijand.Toch slaagde Maria erin, het verzet harer onderdanen te overwinnen en kon zij haar echtgenoot van de hulp voorzien, waarom hij gevraagd had. Filips nam afscheid van zijn onbeminnelijke maar hem zeer liefhebbende echtgenoote en keerde voldaan naar Brussel terug.Hier verzamelde hij zijn huursoldaten, die met de Spaansche en Nederlandsche troepen, 35000 voetknechten en 12000 ruiters bedroegen. Het leger werd spoedig nog versterkt door het Engelsche hulpkorps van 8000 man onder den Hertog van Pembroke. In de nabijheid van Givet werd deze geheele legermacht in het midden van Juli, onder bescherming van het nieuwe fort Philippeville en onder commando van den hertog van Savoye, vereenigd.De Fransche legermacht werd in Picardië verzameld onder Montmorency, bijgestaan door den maarschalk St. André en door Coligny, die reeds gebleken was een gevreesde tegenstander te zijn.De beide legers, ofschoon niet groot, bestonden uit uitgelezen troepen en werden aangevoerd door de bloem van Europa’s ridderschap. “Koningen en Prinsen en de doorluchtigste Paladijnen der christenheid rustten zich uit tot het groote tournooi, waartoe zij door heraut en trompetgeschal waren opgeroepen” en onder hen bevond zich in het leger van Filips, Lamoraal Graaf van Egmond, “de bataafsche held, zonder kroon of rijk, maar met een even eerwaardigen stamboom als waarop menig gekroond hoofd zich beroemen kon, brandende van begeerte, zich in het worstelperk te onderscheiden.”Na enkele schermutselingen in de buurt van Guise en andere kleine plaatsen,keerden de Spaansche troepen al hun macht tegen St. Quentin, een belangrijke stad op den rechtstreekschen weg naar Parijs. Coligny had die mogelijkheid voorzien en het gelukte hem de stad binnen te komen, al was het zonder veel troepen, doch hij hoopte haar door zijn bekwaamheid en ervaring te redden. St. Quentin was spoedig bijna volkomen ingesloten.Het gelukte echter Montmorency een gedeelte van zijn troepen binnen de stad te brengen, zoodat het voor de belegeraars minder gunstig was geworden en men besluiteloos werd, wat te doen. Ook Philibert van Savoye was geheel uit het veld geslagen. Niet alzoo Egmond, die in eene welsprekende rede den krijgsraad er op wees, van welk groot gewicht het zou zijn den grooten Connétable Montmorency aan te vallen en hem daardoor den terugtocht af te snijden.Voor Egmonds hevige taal moesten alle bedenkingen wijken; men volgde zijn raad, die boven alle verwachting met succes werd bekroond. Binnen een uur werden 6000 Franschen gedood of gevangen genomen waaronder de Connétable zelf, die gewond in ’s vijands handen viel.Men had aan Egmond de overwinning te danken, een overwinning, die Frankrijk de gruwelijkste nederlaag bezorgde sedert de dagen van den Zwarten Prins geleden. Een doodelijke slag was aan Frankrijk toegebracht en de Vlaamsche grenzen waren thans beveiligd voor de ellende, die het Fransche grondgebied ten deel viel.“Egmond en St. Quentin,” beide namen zouden thans van mond tot mond gaan tot de uiterste grenzen van de heerschappij van den Spaanschen souverein. Het leger van Montmorency was vernietigd, maar Coligny was nog in St. Quentin en om de overwinning volkomen te maken, was de inneming dier stad noodzakelijk.Filips ging ondertusschen van Brussel naar Kamerijk en ontving de gelukwenschen, die hem van alle zijden toestroomden.De vruchten te plukken van deze groote overwinning, een onmiddellijke aanval op Parijs te wagen, waarvoor de weg thans open was, dit wilden al de bekende veldheeren; niet echter de vreesachtige, àl te voorzichtige Filips, die er zich mee tevreden stelde, beleefd de eerbewijzen voor de dapperheid van zijn generaal in ontvangst te nemen, maar daarna liefst op veiligen afstand de verdere verwikkelingen wilde afwachten.Welk een contrast met zijn vader! Deze zou niet te Kamerijk hebben gewacht, noch zelfs op de plaats der overwinning, maar Parijs zou zijn doelwit zijn geweest, nu hem de weg zoo was gebaand.Toen de keizer hoorde over dit eerste succes van de regeering van zijn zoon, was zijn eerste vraag: “Is Filips in Parijs?” Maar dat Mecca bereikte hij nooit, al was hij ook door het nemen van Chatelet, Han en Noyon verder het Fransche grondgebied binnengedrongen, dan aan zijn vader ooit was gelukt.Duidelijk bleek hier, dat Filips van een anderen stempel was en hij nagenoeg alle eigenschappen des geestes miste, die den keizer hadden gesierd en die hem de harten deden winnen. In zich zelven gekeerd, scheen het zijn hoofddoel te zijn, die eenzame rust te genieten, die de Spanjaarden Sosiego noemen.Wat St. Quentin aangaat, hoewel slechts door 800 man verdedigd, hield destad het dapper uit tot den 27enAugustus, toen er een gelijktijdige aanval op vier van de bressen, die in de wallen geschoten waren, plaats had. De stad gaf zich over, hoewel ze tot het laatst dapper weerstand bood. Coligny toonde zich een uitstekend aanvoerder, overal aanwezig, waar het gevaar het grootst was en toen de vijand door een toren binnendrong, die men sterk genoeg dacht en onbewaakt had gelaten, was het Coligny, die slechts door een paar man vergezeld er heen ging. Hier werd hij overmeesterd en krijgsgevangen gemaakt door een soldaat, die hem langs een der mijnen naar den Hertog van Savoye bracht, van wien de soldaat tienduizend dukaten ontving tot loon voor het zwaard van den Admiraal. Het was nl. een algemeen erkend gebruik, dat degene, die den opperbevelhebber gevangen nam, daarvoor een dergelijke groote som als geschenk ontving.Het lot der stad was verschrikkelijk en de slachting, die er plaats had, was een van de meest beruchte in de geschiedenis der belegeringen van de 16eeeuw.Een Spaansch krijgsman, die erbij tegenwoordig was en een dagboek hield van al hetgeen er voorviel, schreef:“Ik wandelde door de stad en aanschouwde dit alles; het scheen mij een tweede verwoesting van Jeruzalem. Wat mij het meeste trof, was, dat ik geen enkelen ingezetene der stad overgebleven zag, die Franschman was of zich ervoor durfde uitgeven. Hoe ijdel en voorbijgaand, dacht ik, zijn de dingen dezer wereld. Nog geen zes dagen en wat was er niet al rijkdom in deze stad en thans is er geen steen op den andere gelaten.”De naam van Oranje wordt in geen der geschiedenisverhalen bij den slag van St. Quentin bijzonder vermeld, maar van het midden van Juli af was hij op het oorlogstooneel aanwezig en commandeerde een der compagnieën, die de stad belegerden. Van uit het kamp voor St. Quentin deelde hij zijn vrouw een en ander over de belegering mede; later, den 11enSeptember meldde hij haar, dat Han zich aan de genade van den koning had overgegeven; hij betreurt in dien brief de groote verwoesting, welke de Franschen er hebben aangericht. Aan het slot zegt hij nog, dat hij onmiddellijk tijding zal zenden, wanneer hij weet, wat er verder gedaan zal worden. Wederom is dit een bewijs, hoe gaarne Anna van Buren geheel op de hoogte werd gehouden van den werkkring van den Prins en tevens hoe deze steeds voortging haar voortdurend berichten uit het kamp te zenden.Uit hetzelfde kamp bij Han meldt hij haar den 27enSeptember, dat hij een lichten aanval van koorts heeft gehad, dien hij weder terugverwacht. Hij had daar niet alléén last van dat ongezonde kamp, want hij schreef, dat zijn broer zich eveneens sinds een paar dagen onwel bevond.De broeder hier bedoeld, wasLodewijk, derde zoon van Willem van Nassau en Juliana van Stolberg. Het is bekend, hoe deze het lot van zijn broer in de Nederlanden heeft gedeeld en hoe jammerlijk zijn uiteinde is geweest. Telkens zullen we hem ontmoeten, werkzaam voor de zaak des Prinsen en voor de bevrijding van ons vaderland. Als diplomaat en als krijgsman stond hij in hooge achting; hij was een der edelste kampioenen voor onze vrijheid, een schitterende, ridderlijkefiguur, waarop ons oog van ter zijde telkens met eerbied zal staren. In 1538 werd hij geboren en was dus vijf jaar jonger dan Willem van Oranje. In tegenstelling met zijn broedersJanenAdolf, die te Wittenberg studeerden, bezocht Lodewijk Straatsburg en Genève, waar hij zijn studiën volbracht. Is dit waar, dan verklaart zich daaruit het feit, dat Lodewijk zich in later tijd eerder dan Prins Willem zelf, geneigd betoonde, met de Calvinisten samen te werken. Doch het is de vraag nog, of dit wel betrouwbaar is, aangezien de Duitsche vorsten en zoo ook Willem de Oude omstreeks 1550, als echte Lutheranen een afkeer hadden van het Calvinisme, waarvan Genève de hoofdzetel was.In October 1556 kwam Lodewijk reeds in de Nederlanden. Niettegenstaande Juliana van Stolberg hem onder al haar kinderen een bijzondere liefde toedroeg, werd Lodewijk reeds vroeg door zijn vader naar dat land gezonden, waar zijn oudste zoon reeds zulk een voorname positie bekleedde en waar dus ook door diens invloed voor den jongeren broeder beter gelegenheid bestaan zou, zich in de wereld vooruit te helpen. De uitnemende eigenschappen van Lodewijk vielen in de Nederlanden reeds spoedig in het oog. Filips II zelf betoonde hem menige gunst, al was de jonge graaf ook Luthersch. Zijn innemend karakter en groote bekwaamheden waren zonder twijfel de eenige oorzaak van die onderscheiding. In 1557 nam hij deel aan den krijgstocht, die ons bezig houdt, in het gevolg van den Prins van Oranje.Na den veldtocht werd Brussel weer het hoofdkwartier van het leger, al was er nog geen vrede gesloten met Frankrijk. Het was echter den koning niet mogelijk geweest, de troepen bijeen te houden door de slechte verstandhouding van de verschillende nationaliteiten. De Engelschen haatten de Spanjaarden en wenschten niets liever dan zoo spoedig mogelijk naar hun land terug te keeren, zoodat de koning zich wel genoodzaakt zag hen te doen vertrekken. De Duitschers klaagden over het gewone verschijnsel, de onregelmatige betaling en tengevolge daarvan liepen er velen naar de Franschen over. De sterkte der troepenmacht verminderde dus zoodanig, dat de koning blij was, het overschot zijner troepen tot een lateren datum in de winterkwartieren te kunnen terugtrekken.Een van de voordeelen van de toenmalige oorlogen was de losprijs, die door aanzienlijke gevangenen moest betaald worden, die dan goed onder dak moesten worden gebracht, totdat het geld betaald was. Hoever de regeering in haar eischen en vorderingen dan wel ging, blijkt o.a. uit het geval, dat de koning Oranje noodzaakte, de gevangenen van hertog Eric van Brunswijk op zijn kasteel te Breda te logeeren, daar het volgens zijn meening niet voegzaam was, dat ze in een gewone herberg hun nachtverblijf hadden. De Prins was zelf afwezig en de Prinses moest ze maar ontvangen. Men proeft uit den brief, dien Oranje naar aanleiding daarvan aan Filips schreef, dat hij er niets over gesticht was. Hij kan dezen dienst wel niet aan den koning weigeren, maar doet het blijkbaar met tegenzin en schrijft zelfs aan den vorst, dat hij in geen geval voor de bewaking der gevangenen zorgen kan en dat Filips daartoe andere maatregelen zal moeten nemen, die hem het best zullen voorkomen.De vorderingen, die aan den Prins werden gedaan, waren nu en dan zóó bezwarend, dat hij ze weigerde te voldoen, zooals o.a. gebeurde met 50 wagens, waartoe Oranje werd geprest, doch die hij niet leverde.Gedurende de wintermaanden was de Prins genoodzaakt dikwijls van zijn huis en zijne vrouw afwezig te zijn, omdat hij geld moest trachten te verkrijgen voor zijn meester, die in groote verlegenheid was. George von Holl kwam uit Duitschland om de achterstallige betaling voor zijn troepen te vragen en waarschijnlijk waren er andere kolonels niet beter aan toe. De gelden, die de staten hadden geschonken, waren blijkbaar niet voldoende geweest, de uitgaven van den laatsten veldtocht te bekostigen. Eindelijk slaagde Oranje er in, te Antwerpen een leening te sluiten met Engelsche kooplieden, hoewel hij zich met onvoordeelige voorwaarden tevreden moest stellen, daar het crediet van den koning zeer was gedaald.Bij den troonsafstand van Karel V had deze bepaald, dat de Prins van Oranje als gezant aanwezig zou zijn bij de overdracht van de keizerlijke kroon op Karels broeder Ferdinand. Nadat die overdracht reeds verscheidene malen was verdaagd, werd er eindelijk in Februari 1558 een Rijksdag te Frankfort gehouden, waarop de Prins met den vice-kanselier Seld en den secretaris Haller tegenwoordig moest zijn, om in naam van Karel in alle vormen de keizerlijke kroon op Ferdinand over te dragen. Dientengevolge keerde Oranje, nadat die lastige leening tot stand was gekomen, naar Breda terug, ten einde zich voor zijn reis naar Duitschland gereed te maken. De zending werd op den 24enFebruari volbracht, maar Oranje bleef in Frankfort, om getuige te zijn van Ferdinands kroning en ook om een bijzondere opdracht voor Filips te volvoeren. In Maart schreef hij aan den koning, dat de keizer het door Filips voorgesteld verbond met de Duitsche vorsten hoogelijk goedkeurde, doch dat er eenige moeielijkheden ten gevolge van Fransche intriges waren gerezen. “Nieuws is er niet,” zoo voegt hij er bij, “alleen dat de bisschop van Bayonne hier in het geheim bezig is, kwaad te brouwen; ik hoop hem echter met behulp van den (onlangs gekozen) Roomsch-Koning Maximiliaan en anderen te weerstaan.”Tijdens Oranje’s afwezigheid werd zijn echtgenoote, Anna van Buren, ernstig ongesteld. Op den 12enMaart schreef de Prins haar een brief, toen hij het bericht van die ziekte gehoord had. Hij zond haastig een zijner getrouwen, ’t Serraets, naar Breda en liet zijn vrouw door dezen vragen, hem tijding toe te zenden en den brief althans, zoo zij dien niet meer kon schrijven, te onderteekenen. Zoo spoedig mogelijk zou hij terugkomen en rechtstreeks naar Breda gaan. Anna werd echter erger en toen haar echtgenoot op den 20enMaart Breda bereikte, was alle hoop op herstel verdwenen en vier dagen later stierf ze. Zij was 25 jaar oud, toen ze den Prins ontviel en liet twee kinderen achter, namelijkMaria, geboren in December 1553 enFilips Willem, geboren 19 December 1554.1Zooals we reeds vroeger zeiden, wordt in verschillende documenten van tijdgenooten erop gezinspeeld, dat het huwelijk van Anna van Buren niet gelukkigis geweest, ja zelfs wordt Oranje beschuldigd haar wreed te hebben behandeld en ontbreekt het evenmin aan duistere aantijgingen, dat hij haar dood door geweldpleging zou hebben verhaast. Een misdadiger dus van het ergste soort!“Voor ons,” zegt Bakhuizen van den Brink, “behoeft dit gerucht geen wederlegging. Zou zulk een uitbarsting van dierlijke woede met de kalme effenheid van ’s Prinsen karakter gestrookt hebben?”Maar er is meer, want dezelfde schrijver vraagt terecht, of de Prins in dit geval wel met zooveel stoutheid later aan koning Filips den dood van zijn zoon en van zijn echtgenoote zou hebben durven verwijten en of de graaf van Egmond, die nauw aan ’s Prinsen gemalin verwant was, wel ooit in 1558 Willem van Oranje tot zijn executeur zou benoemd hebben. Wien men van groote misdaden verdenkt, pleegt men niet de uitvoering van zijn laatsten wil toe te vertrouwen.De ongerijmdheid van het gerucht wordt daarbij geheel bewezen door de getuigenis van een hofdame van Anna, Sophie von Miltitz genaamd, die uitdrukkelijk naar de oorzaak van dat loopend gerucht gevraagd, in volle verontwaardiging antwoordde: “Ik kan niet weten, wat lasterlijke lieden mag bewogen hebben, om zulke schandelijke leugens te verbreiden; maar één ding weet ik, dat het huwelijk van Anna en den Prins een vriendelijke, gelukkige echt is geweest, gegrond op vaste liefde en trouw.” Toch heeft Groen van Prinsterer misschien geen ongelijk, als hij beweert, dat Oranje’s eerste huwelijk slechts middelmatig gelukkig schijnt geweest te zijn, ja, hij voegt daaraan deze woorden toe, die zeker niet uit zijn pen zouden gevloeid zijn, zoo deze uitnemende onderzoeker van de archieven van het huis van Oranje daartoe geen ernstige reden had: “De brieven aan zijn echtgenoote bevatten de bekoorlijkste uitdrukkingen van teederheid, doch die misschien niet overbodig waren, om sombere vermoedens tegen te gaan.”Een feit is het, dat vrij kort na den dood van Anna, Oranje een avontuur had met de dochter van een Vlaamsch burger, waaruit het al te duidelijk werd, dat hij op het stuk van zeden niet onberispelijk was gebleven. De laster vond hierin een bodem, waarop het gemakkelijk viel voort te bouwen en de volksverbeelding kreeg er vrij spel door. Doch in elk geval is het een bewijs, dat Anna van Buren spoedig door hem was vergeten. Zijn tweede huwelijk, zoo gauw na haar dood, wijst op hetzelfde. En toch zouden we onbillijk zijn, indien wij niet geloofden, dat de Prins door dien dood tijdelijk diep getroffen was. Anna, hoewel wat teruggetrokken, eenvoudig en onbeteekenend, was in menig opzicht een trouwe, zorgzame huisvrouw, die gedurende Oranje’s vaak terugkeerende afwezigheid zijn zaken met groote nauwgezetheid waarnam en gaarne op de hoogte bleef van al zijn plannen en bewegingen. Kort na haar dood schreef Oranje aan zijn vader:Beste Vader!Ik kan U niettegenstaande de droefheid van mijn hart toch niet onkundig laten, dat de zwakheid, waarin mijn vriendelijke lieve huisvrouw sinds een maand is vervallen, gelijk gij onlangs van mij te Dillenburg hebt vernomen, voor en na mijn terugkeer alhier van dag tot dag is vermeerderd en eindelijk zoo is toegenomen, dat zij Donderdag den 24endezerloopende maand, tusschen 6 en 7 uur is overleden. Haar sterven was christelijk—ze is heengegaan naar God Almachtig, die haar ziel genadig en barmhartig zijn zal.Ruim veertien dagen later spreekt hij in een brief, wederom aan zijn vader, van het pijnlijk verlies door hem en zijn kinderen geleden.Van Filips ontving Willem ook een hartelijk schrijven waaruit tevens bleek, dat hij iemand uit Brussel had gezonden om naar den toestand zoowel van Oranje, die ziek uit Frankfort was gekomen, als naar zijn vrouw te vragen. Juist op het oogenblik van het vertrek waren er nieuwe berichten gekomen, die Filips o.a. het overlijden van Anna meldden. Eenige dagen later schreef Filips wederom aan Oranje. Dat deze nog geen verslag over de onderhandelingen te Frankfort had uitgebracht, kon Filips best begrijpen en hij raadde hem ook aan nog maar wat te wachten, totdat zijn geest tot rust was gekomen. Aan hartelijkheid ontbrak het in deze brieven dus niet.In een schrijven aan Granvelle, den bisschop van Atrecht, die om nadere bijzonderheden had gevraagd, zegt Oranje o.a. dat de dood van zijn vrouw bij hem zulk een radeloosheid en onuitsprekelijke smart veroorzaakte, dat hij tengevolge daarvan een hevigen koortsaanval kreeg, gepaard aan zenuwtrekkingen.Wat blijkt uit deze brieven omtrent de verhouding van den Prins tot zijn eerste echtgenoote? Al te veel nadruk mag er, dunkt mij, niet gelegd worden op zijn aanval van hartstochtelijke smart, waarvan de laatste brief aan Granvelle getuigt. De smart, zich in koorts en zenuwtrekkingen openbarende, kan wel een gevolg van het besef geweest zijn, dat hij niet ten volle voor zijne overledene geweest was, wat hij had moeten en kunnen zijn. Doch wij herhalen, wie met deze uitingen geloof zou willen slaan aan het lasterlijk gerucht, dat te zijnen nadeele werd verspreid, zou Willem van Oranje moeten verdenken van eene huichelarij en misdaad, die alle grenzen te buiten ging.De Prins was in de jaren van zijn eerste huwelijk menigmaal genoodzaakt, gescheiden van zijn vrouw te leven; zijn dienst in den oorlog, zijn diplomatieke zendingen doemden haar tot een tamelijk eenzaam bestaan. Terwijl zij meestal het kasteel te Breda bewoonde, was hij op reis, in het kamp of in Brussel. Zijn leven daar was, gelijk we nader zullen zien, zeer weelderig en rijk en toch blijkt het voldoende uit al de brieven, die hij aan Anna schreef, dat hij haar niet vergat. Zijn thuiskomst in Breda moet altijd een feest zijn geweest voor de meestal eenzame vrouw. Zij heeft hem lief gehad tot het einde, en zij is steeds zorgvol voor zijn kinderen en goederen geweest. Haar testament, geheel te zijnen voordeele, was een laatste bewijs van hare liefde en van haar vertrouwen op hem. Terecht is van haar gezegd: “Voor den tijdgenoot, die het oor niet leende aan rondgestrooide geruchten, blijft Anna door haar teruggetrokken leven en haar vroegtijdig einde, een lieftallige figuur. Maar voor den nakomeling bewaart zij de onaantastbare en zachte bekoring van een visioen, dat wegdeinst, zonder zijn geheim te hebben geopenbaard.”Testament van Anna van Egmond.Testament van Anna van Egmond.1Ook geeft men voor de geboorte van Maria wel het jaar 1556 op.

Het reisje naar Brussel, ter bijwoning van de abdicatie van den keizer, was voor den Prins niet van langen duur, want hoewel de schitterende kleine hoofdstad vol vroolijkheid was ter eere van de vele vreemdelingen binnen haar wallen vereenigd, mocht Oranje er maar kort van genieten en zien we hem op den 26enOctober, den dag volgende op dien der plechtigheid, reeds weer bij de in aanbouw zijnde forten terug.

Noch de feesten, noch het verblijf zijner vrouw te Brussel, ten huize van de hertogin van Aerschot, hadden hem weerhouden zijn plicht tegenover den nieuwen souverein te vervullen. Deze had van den aanvang zijner regeering met dezelfde moeielijkheden als zijn vader te kampen; gebrek aan geld, schaarste aan levensmiddelen en tengevolge hiervan ontevredenheid onder de troepen.

Nauwelijks was Filips vier dagen aan het bewind, of de Prins ontving reeds een schrijven, waarin hem spoedige toezending van 12000 kronen werd beloofd, maar de vervulling dier belofte bleef achterwege en de brieven in de herfst van 1555 tusschen hen gewisseld, waren vol klachten van den een, vol beloften en verzekeringen van den ander.

“Wij zijn hier zonder een penning; de soldaten sterven van honger en koude en aan het hof nemen ze niet meer notitie van ons, dan of wij reeds dood waren. Stel u de mate van geduld voor, die ik gedwongen ben uit te oefenen,” schreef Oranje aan zijn vrouw, haar tevens meldende, dat hij niet wist, wanneer ze ontbonden zouden worden, want dit kon niet geschieden voor het geld was ontvangen.

In het begin van het nieuwe jaar werden de klachten der soldaten luider en luider en groeiden zóó aan, dat ook Brussel niet onkundig bleef. Hoe omstandig en scherp Willem van Oranje de moeilijkheden ook had beschreven, toch nam Filips pas maatregelen, toen een zekere Hans Bernard, kapitein eener onafhankelijke compagnie, een speciale commissie aan den koning zond om de klachten over te brengen. Nog stuurde hij echter geen geld, maar gaf den soldatende vergunning het land te verlaten! Tevergeefs poogde de kapitein den koning te doen begrijpen, dat deze maatregel hem zeer zou benadeelen en bovendien den geheelen ondergang van het platte land ten gevolge zou hebben.

Afstand van Karel V. (Bladz. 29.)Afstand van Karel V. (Bladz. 29.)

Afstand van Karel V. (Bladz. 29.)

De onderhandelingen over den vrede waren reeds maanden gevoerd en hadden ten slotte het gevolg, dat er in Februari 1556 te Vaucelles een wapenstilstand werd gesloten; te Philippeville en op andere plaatsen bleven garnizoenen, maar het overschot der troepen werd betaald en ontbonden.

De Prins van Oranje werd dus ook van zijn moeielijke plichten ontheven en na een verblijf van zes achtereenvolgende maanden, verliet hij op het einde van Januari het kamp. Men kan wel aannemen, dat die treurige tijd er niet toe heeft meegewerkt om Filips bemind te maken bij den Prins, die maar niet kon vinden, dat de schijnbaar welwillende brieven van zijn vorst, krachtige middelen waren om de oorlogskosten te bestrijden.

Filips had zich zeer welwillend tegenover Oranje betoond in deze eerste maanden, want in November van het vorige jaar had hij hem bericht, dat de Prins tot lid van den Raad van State was gekozen, een eer, die door Willem erg koel werd beantwoord en nu, na zijn verblijf in het kamp, reisde hij naar Antwerpen, teneinde aldaar in de Orde van het Gulden Vlies te worden opgenomen.

Deze orde was in 1430 door Filips den Goede bij gelegenheid van zijn huwelijk met Isabella van Portugal gesticht. Ze werd ingesteld als het meest schitterend sieraad en als de hechtste steun der heerschappij van het Bourgondische huis. Door haar wilde men boven den onvervreemdbaren adel van herkomst en geboorte, een nog hoogeren adel stellen, die door den wil des konings zijn zou, wat in Engeland en Frankrijk de pairs der kroon waren. De voorrechten van de ridders van het Gulden Vlies waren vele; hun hoogste privilege was, dat ze alleen door hunne medeleden konden worden gevonnist. Doch ook de plichten waren zeer bindend. Ze moesten trouw zweren aan hun Bourgondischen heer; niet minder trouw aan het katholiek geloof. Vandaar, dat de vader van Willem van Oranje het ridderschap weigerde, gelijk we vroeger zagen, omdat hij den eed om de Kerk getrouw te zijn, niet kon afleggen. De zoon, na zijn komst in de Zuid-Nederlanden in de Katholieke kerk opgevoed, zag in het afleggen van dien eed geen bezwaar; wel een bewijs, hoe die opvoeding alle zaden van het Protestantsch geloof zijner ouders in hem scheen te hebben verstikt en hoe de Prins althans in het jaar 1556 in het minst nog geen voorgevoel had van zijn roeping in zijn aangenomen vaderland.

Tegelijk met hem werden er negentien nieuwe Vliesridders gekozen, waarvan negen Nederlandsche edelen, een feit, dat op een geheel nieuwe richting van bestuur scheen te wijzen en dientengevolge den staatsman Granvelle met angst vervulde. Karel V toch was de vriend der steden geweest. Filips toonde zich van stonde af een vriend der edelen. Hoe weinig de toekomst aan die voorliefde beantwoord heeft, is bekend.

Willem van Oranje was de derde van de 19, die gekozen werd; op den 30enJanuari ontving hij de halsketen, het teeken zijner nieuwe waardigheid. Na die plechtigheid ging hij naar Breda, waar hij dien zomer met korte tusschenpoozen bleef.

Het einde van den oorlog was voor de Nederlanden een zeer gelukkige gebeurtenis; overal werden feesten gevierd en niet het minst had de groote handelsstad Antwerpen haar vreugde aan den dag gelegd; geheele ossen werden op de openbare pleinen gebraden en bij het bezoek van Filips stroomde niet alleen de wijn, maar waren de wegen met honderden eerepoorten versierd en strooide men bloemen voor zijn voeten, ofschoon het in Februari was.

Men had nu in de Nederlanden verwacht, dat de koning zou overgaan tot afdanking der troepen, die op kosten van deze gewesten werden onderhouden, maar Filips, die bij de feesten in Antwerpen al zoo onheilspellend somber had gekeken, dacht er niet over dit te doen. Het leger moest op dezelfde sterkte worden gehouden, daar de wapenstilstand wel van korten duur zou wezen en hiertoe was juist geld noodig, vooral, omdat ook de soldij in langen tijd niet was betaald.

Toen de Prins in het legerkamp was, had hij reeds het bittere ongemak van geldgebrek ondervonden tegenover de schuldeischers van den koning, maar nu kwam hij voor nog grooter moeilijkheden te staan, nl. geld van Filips’ onderdanen te vragen.

In Maart zou er een vergadering van de Staten-Generaal zijn, waartoe ook Oranje door een eigenhandig schrijven van Filips was opgeroepen.

De Prins haastte zich zijn meester te gehoorzamen en op den 12enhad de vergadering plaats, waar ook Egmond, Aremberg, Meghen en andere heeren aanwezig waren.

De koning deed wanhopige pogingen bij die eerste vergadering van de vertegenwoordigers der Nederlandsche gewesten natuurlijk te zijn. Zijn geldgebrek was zeer drukkend, niettegenstaande de edelmoedigheid zijner Engelsche vrouw en hij hoopte de afgevaardigden te overreden, hem voldoende giften te schenken, teneinde zijn ledige schatkist aan te vullen.

Het eigenlijke plan van Filips was een soort gedwongen heffing, een blijvende belasting, maar toen hij zag, dat men dit niet wilde, nam hij genoegen met een gift, die door de Staten-Generaal werd toegestaan.

Nadat dit besluit door de afgevaardigden was genomen, kwam nog het moeilijkste werk, het inzamelen der gelden. Er was vooral in ’s Hertogenbosch oppositie tegen en de koning schreef een eigenhandigen brief aan Oranje, waarin hij hem vroeg, daar heen te gaan, teneinde den stadsraad tot rede te brengen. De Prins ging in September met den raadsheer Noppenus naar die stad. Eerst bestond daar bezwaar, een vergadering bijeen te roepen, omdat het college van schepenen moest vernieuwd worden, m. a. w. de wet verzet. Toen er eindelijk een vergadering was samengeroepen, weigerden de twee eerste afdeelingen van den raad voor iedere contributie, welke ook, te stemmen, terwijl de derde goed vond een zeker bedrag te geven, maar onder bepaalde voorwaarden. Uit den langdradigen brief, dien Oranje aan den koning over die zaak schreef, blijkt ten duidelijkste wat de Prins al niet deed om den koning genoegen te doen en toch was hij geheel overtuigd geworden, dat geen onwil, maar slechts onvermogen de Bosschenaren tot verzet bracht en deed hij derhalve met het oog op de armoede derplaats een beroep op de genade des konings. Dit herhaalde hij nog eens op den 7enOctober in een brief aan den hertog van Savoye, wiens bemiddeling hij inriep ten gunste der inwoners van ’s Hertogenbosch. “De armoede der stad is zoo groot, dat het medelijden verwekt, die aan te zien,” schreef hij.

Filips was geenszins genegen de stad ter wille te zijn en beval Oranje andere pogingen aan te wenden, om haar tot gehoorzaamheid aan den koning te brengen. Wat het eindresultaat van deze onderhandeling geweest is, komt niet in eenig document, dat bekend is, voor; het geval is alleen merkwaardig in zoover het bewijst, welke eerbiedige pogingen door Oranje werden aangewend, om den wil van zijn souverein te volbrengen, al was ook zijn sympathie voor de volkszaak opgewekt.

De wapenstilstand, die te Vaucelles in Februari 1556 voor vijf jaar was gesloten, duurde nauwelijks tweemaal vijf maanden, want reeds in Januari 1557 heropende Hendrik II, door verleidelijke aanbiedingen van den Paus verlokt, de vijandelijkheden in Italië.

Paulus IV namelijk, Napolitaan van geboorte, haatte de Spanjaarden als overheerschers van Napels en streefde van zijn eerste optreden af naar niets meer, dan naar het verbreken van den vrede tusschen Spanje en Frankrijk, ten einde, geholpen door Hendrik II, Napels aan de macht van Filips te ontrukken.

Hoe onstaatkundig Granvelle dezen oorlog van Filips tegen den Paus ook vond, hij werd verklaard, doch duurde slechts kort in Italië, want Alva bracht door zijn toenmaals reeds bekende wreedheid de meeste plaatsen onder de gehoorzaamheid van Spanje terug. Daarop verzoende zich Filips met Paulus IV om des te feller een oorlog tegen Frankrijk te kunnen voortzetten.

Oranje, die daarin overigens geen voorname rol speelde, werd wel in den aanvang met allerlei zendingen belast, die daarmee verband hielden. Zoo was het zijne taak, oversten zooals George von Holl te overreden, de karige aanbiedingen aan te nemen, die zijn souverein goed genoeg vond. Aan den hertog van Savoye schreef de Prins daarover een langen brief, waarin hij berichtte, dat von Holl de voorwaarden had aangenomen, mits hem een ruim tafelgeld met het oog op de duurte der tijden werd toegestaan.

Bovendien werd Oranje met een zending naar den aartsbisschop van Keulen belast, met het doel hem te overreden, zich met Filips te verbinden. Na een kort oponthoud, ten gevolge van een koortsaanval op zijn reis van Breda, kwam Oranje in Keulen aan en deed zijn best zijn opdracht tot een goed einde te brengen. De aartsbisschop beweerde echter, dat hij niet de vrijheid had een defensief verbond aan te gaan zonder eerst zijn kapittel te hebben geraadpleegd.

Oranje keerde naar Breda terug en liet zijn schoonbroeder Nuenar (gehuwd met zijn halfzuster Magdalena) achter om de beslissing van den aartsbisschop af te wachten.

Op den 18enMei vroeg en verkreeg Oranje vergunning naar Frankfort te gaan,teneinde zijn vader te helpen bij den afloop van het Catzenellenbogen-proces, dat, gelijk we zagen, in 1557 eindigde.

Terwijl de Prins voor particuliere belangen werkzaam was, deed Filips een reis naar Engeland om, hoewel juist in tegenspraak met de voorwaarden van zijn huwelijk, zijn vrouw door vriendelijke en de ministers van haar door harde woorden, tot deelneming aan zijn oorlog met Frankrijk over te halen.

Dit gelukte hem zonder veel moeite, zoodat Engeland zich in een geschil gewikkeld zag, waarin het eigenlijk niet betrokken was. Later bleek, dat dit volkomen streed met Engelands belangen en dat het daarin alleen werd meegesleept door de hartstochtelijke verkleefdheid van een zwakke, slechte en wreedaardige vrouw, die Filips haatte.

Nimmer scheen later de gelukszon zoo helder over den koning als in den vroegen zomer van 1557, toen nog al zijn onderdanen hem getrouw waren en hij de beurs zijner Engelsche echtgenoote geheel tot zijne beschikking had. Wat zij ook tegenover haar volk moge geweest zijn, tegenover hem was zij nooit karig.

In Mei trokken de troepen onder den Hertog van Savoye te velde en de hoop op versterkingen van gindsche zijde van het kanaal werd spoedig verwezenlijkt, al waren er nog vele bezwaren te overwinnen. De Engelschen droegen zeker Frankrijk geen liefde toe, maar zij hadden zulk een hartgrondigen haat tegen hun titulairen koning, dat ze zich eerst krachtig verzetten tegen hulp aan Filips, zelfs in zijn oorlog met hun erfelijken vijand.

Toch slaagde Maria erin, het verzet harer onderdanen te overwinnen en kon zij haar echtgenoot van de hulp voorzien, waarom hij gevraagd had. Filips nam afscheid van zijn onbeminnelijke maar hem zeer liefhebbende echtgenoote en keerde voldaan naar Brussel terug.

Hier verzamelde hij zijn huursoldaten, die met de Spaansche en Nederlandsche troepen, 35000 voetknechten en 12000 ruiters bedroegen. Het leger werd spoedig nog versterkt door het Engelsche hulpkorps van 8000 man onder den Hertog van Pembroke. In de nabijheid van Givet werd deze geheele legermacht in het midden van Juli, onder bescherming van het nieuwe fort Philippeville en onder commando van den hertog van Savoye, vereenigd.

De Fransche legermacht werd in Picardië verzameld onder Montmorency, bijgestaan door den maarschalk St. André en door Coligny, die reeds gebleken was een gevreesde tegenstander te zijn.

De beide legers, ofschoon niet groot, bestonden uit uitgelezen troepen en werden aangevoerd door de bloem van Europa’s ridderschap. “Koningen en Prinsen en de doorluchtigste Paladijnen der christenheid rustten zich uit tot het groote tournooi, waartoe zij door heraut en trompetgeschal waren opgeroepen” en onder hen bevond zich in het leger van Filips, Lamoraal Graaf van Egmond, “de bataafsche held, zonder kroon of rijk, maar met een even eerwaardigen stamboom als waarop menig gekroond hoofd zich beroemen kon, brandende van begeerte, zich in het worstelperk te onderscheiden.”

Na enkele schermutselingen in de buurt van Guise en andere kleine plaatsen,keerden de Spaansche troepen al hun macht tegen St. Quentin, een belangrijke stad op den rechtstreekschen weg naar Parijs. Coligny had die mogelijkheid voorzien en het gelukte hem de stad binnen te komen, al was het zonder veel troepen, doch hij hoopte haar door zijn bekwaamheid en ervaring te redden. St. Quentin was spoedig bijna volkomen ingesloten.

Het gelukte echter Montmorency een gedeelte van zijn troepen binnen de stad te brengen, zoodat het voor de belegeraars minder gunstig was geworden en men besluiteloos werd, wat te doen. Ook Philibert van Savoye was geheel uit het veld geslagen. Niet alzoo Egmond, die in eene welsprekende rede den krijgsraad er op wees, van welk groot gewicht het zou zijn den grooten Connétable Montmorency aan te vallen en hem daardoor den terugtocht af te snijden.

Voor Egmonds hevige taal moesten alle bedenkingen wijken; men volgde zijn raad, die boven alle verwachting met succes werd bekroond. Binnen een uur werden 6000 Franschen gedood of gevangen genomen waaronder de Connétable zelf, die gewond in ’s vijands handen viel.

Men had aan Egmond de overwinning te danken, een overwinning, die Frankrijk de gruwelijkste nederlaag bezorgde sedert de dagen van den Zwarten Prins geleden. Een doodelijke slag was aan Frankrijk toegebracht en de Vlaamsche grenzen waren thans beveiligd voor de ellende, die het Fransche grondgebied ten deel viel.

“Egmond en St. Quentin,” beide namen zouden thans van mond tot mond gaan tot de uiterste grenzen van de heerschappij van den Spaanschen souverein. Het leger van Montmorency was vernietigd, maar Coligny was nog in St. Quentin en om de overwinning volkomen te maken, was de inneming dier stad noodzakelijk.

Filips ging ondertusschen van Brussel naar Kamerijk en ontving de gelukwenschen, die hem van alle zijden toestroomden.

De vruchten te plukken van deze groote overwinning, een onmiddellijke aanval op Parijs te wagen, waarvoor de weg thans open was, dit wilden al de bekende veldheeren; niet echter de vreesachtige, àl te voorzichtige Filips, die er zich mee tevreden stelde, beleefd de eerbewijzen voor de dapperheid van zijn generaal in ontvangst te nemen, maar daarna liefst op veiligen afstand de verdere verwikkelingen wilde afwachten.

Welk een contrast met zijn vader! Deze zou niet te Kamerijk hebben gewacht, noch zelfs op de plaats der overwinning, maar Parijs zou zijn doelwit zijn geweest, nu hem de weg zoo was gebaand.

Toen de keizer hoorde over dit eerste succes van de regeering van zijn zoon, was zijn eerste vraag: “Is Filips in Parijs?” Maar dat Mecca bereikte hij nooit, al was hij ook door het nemen van Chatelet, Han en Noyon verder het Fransche grondgebied binnengedrongen, dan aan zijn vader ooit was gelukt.

Duidelijk bleek hier, dat Filips van een anderen stempel was en hij nagenoeg alle eigenschappen des geestes miste, die den keizer hadden gesierd en die hem de harten deden winnen. In zich zelven gekeerd, scheen het zijn hoofddoel te zijn, die eenzame rust te genieten, die de Spanjaarden Sosiego noemen.

Wat St. Quentin aangaat, hoewel slechts door 800 man verdedigd, hield destad het dapper uit tot den 27enAugustus, toen er een gelijktijdige aanval op vier van de bressen, die in de wallen geschoten waren, plaats had. De stad gaf zich over, hoewel ze tot het laatst dapper weerstand bood. Coligny toonde zich een uitstekend aanvoerder, overal aanwezig, waar het gevaar het grootst was en toen de vijand door een toren binnendrong, die men sterk genoeg dacht en onbewaakt had gelaten, was het Coligny, die slechts door een paar man vergezeld er heen ging. Hier werd hij overmeesterd en krijgsgevangen gemaakt door een soldaat, die hem langs een der mijnen naar den Hertog van Savoye bracht, van wien de soldaat tienduizend dukaten ontving tot loon voor het zwaard van den Admiraal. Het was nl. een algemeen erkend gebruik, dat degene, die den opperbevelhebber gevangen nam, daarvoor een dergelijke groote som als geschenk ontving.

Het lot der stad was verschrikkelijk en de slachting, die er plaats had, was een van de meest beruchte in de geschiedenis der belegeringen van de 16eeeuw.

Een Spaansch krijgsman, die erbij tegenwoordig was en een dagboek hield van al hetgeen er voorviel, schreef:

“Ik wandelde door de stad en aanschouwde dit alles; het scheen mij een tweede verwoesting van Jeruzalem. Wat mij het meeste trof, was, dat ik geen enkelen ingezetene der stad overgebleven zag, die Franschman was of zich ervoor durfde uitgeven. Hoe ijdel en voorbijgaand, dacht ik, zijn de dingen dezer wereld. Nog geen zes dagen en wat was er niet al rijkdom in deze stad en thans is er geen steen op den andere gelaten.”

“Ik wandelde door de stad en aanschouwde dit alles; het scheen mij een tweede verwoesting van Jeruzalem. Wat mij het meeste trof, was, dat ik geen enkelen ingezetene der stad overgebleven zag, die Franschman was of zich ervoor durfde uitgeven. Hoe ijdel en voorbijgaand, dacht ik, zijn de dingen dezer wereld. Nog geen zes dagen en wat was er niet al rijkdom in deze stad en thans is er geen steen op den andere gelaten.”

De naam van Oranje wordt in geen der geschiedenisverhalen bij den slag van St. Quentin bijzonder vermeld, maar van het midden van Juli af was hij op het oorlogstooneel aanwezig en commandeerde een der compagnieën, die de stad belegerden. Van uit het kamp voor St. Quentin deelde hij zijn vrouw een en ander over de belegering mede; later, den 11enSeptember meldde hij haar, dat Han zich aan de genade van den koning had overgegeven; hij betreurt in dien brief de groote verwoesting, welke de Franschen er hebben aangericht. Aan het slot zegt hij nog, dat hij onmiddellijk tijding zal zenden, wanneer hij weet, wat er verder gedaan zal worden. Wederom is dit een bewijs, hoe gaarne Anna van Buren geheel op de hoogte werd gehouden van den werkkring van den Prins en tevens hoe deze steeds voortging haar voortdurend berichten uit het kamp te zenden.

Uit hetzelfde kamp bij Han meldt hij haar den 27enSeptember, dat hij een lichten aanval van koorts heeft gehad, dien hij weder terugverwacht. Hij had daar niet alléén last van dat ongezonde kamp, want hij schreef, dat zijn broer zich eveneens sinds een paar dagen onwel bevond.

De broeder hier bedoeld, wasLodewijk, derde zoon van Willem van Nassau en Juliana van Stolberg. Het is bekend, hoe deze het lot van zijn broer in de Nederlanden heeft gedeeld en hoe jammerlijk zijn uiteinde is geweest. Telkens zullen we hem ontmoeten, werkzaam voor de zaak des Prinsen en voor de bevrijding van ons vaderland. Als diplomaat en als krijgsman stond hij in hooge achting; hij was een der edelste kampioenen voor onze vrijheid, een schitterende, ridderlijkefiguur, waarop ons oog van ter zijde telkens met eerbied zal staren. In 1538 werd hij geboren en was dus vijf jaar jonger dan Willem van Oranje. In tegenstelling met zijn broedersJanenAdolf, die te Wittenberg studeerden, bezocht Lodewijk Straatsburg en Genève, waar hij zijn studiën volbracht. Is dit waar, dan verklaart zich daaruit het feit, dat Lodewijk zich in later tijd eerder dan Prins Willem zelf, geneigd betoonde, met de Calvinisten samen te werken. Doch het is de vraag nog, of dit wel betrouwbaar is, aangezien de Duitsche vorsten en zoo ook Willem de Oude omstreeks 1550, als echte Lutheranen een afkeer hadden van het Calvinisme, waarvan Genève de hoofdzetel was.

In October 1556 kwam Lodewijk reeds in de Nederlanden. Niettegenstaande Juliana van Stolberg hem onder al haar kinderen een bijzondere liefde toedroeg, werd Lodewijk reeds vroeg door zijn vader naar dat land gezonden, waar zijn oudste zoon reeds zulk een voorname positie bekleedde en waar dus ook door diens invloed voor den jongeren broeder beter gelegenheid bestaan zou, zich in de wereld vooruit te helpen. De uitnemende eigenschappen van Lodewijk vielen in de Nederlanden reeds spoedig in het oog. Filips II zelf betoonde hem menige gunst, al was de jonge graaf ook Luthersch. Zijn innemend karakter en groote bekwaamheden waren zonder twijfel de eenige oorzaak van die onderscheiding. In 1557 nam hij deel aan den krijgstocht, die ons bezig houdt, in het gevolg van den Prins van Oranje.

Na den veldtocht werd Brussel weer het hoofdkwartier van het leger, al was er nog geen vrede gesloten met Frankrijk. Het was echter den koning niet mogelijk geweest, de troepen bijeen te houden door de slechte verstandhouding van de verschillende nationaliteiten. De Engelschen haatten de Spanjaarden en wenschten niets liever dan zoo spoedig mogelijk naar hun land terug te keeren, zoodat de koning zich wel genoodzaakt zag hen te doen vertrekken. De Duitschers klaagden over het gewone verschijnsel, de onregelmatige betaling en tengevolge daarvan liepen er velen naar de Franschen over. De sterkte der troepenmacht verminderde dus zoodanig, dat de koning blij was, het overschot zijner troepen tot een lateren datum in de winterkwartieren te kunnen terugtrekken.

Een van de voordeelen van de toenmalige oorlogen was de losprijs, die door aanzienlijke gevangenen moest betaald worden, die dan goed onder dak moesten worden gebracht, totdat het geld betaald was. Hoever de regeering in haar eischen en vorderingen dan wel ging, blijkt o.a. uit het geval, dat de koning Oranje noodzaakte, de gevangenen van hertog Eric van Brunswijk op zijn kasteel te Breda te logeeren, daar het volgens zijn meening niet voegzaam was, dat ze in een gewone herberg hun nachtverblijf hadden. De Prins was zelf afwezig en de Prinses moest ze maar ontvangen. Men proeft uit den brief, dien Oranje naar aanleiding daarvan aan Filips schreef, dat hij er niets over gesticht was. Hij kan dezen dienst wel niet aan den koning weigeren, maar doet het blijkbaar met tegenzin en schrijft zelfs aan den vorst, dat hij in geen geval voor de bewaking der gevangenen zorgen kan en dat Filips daartoe andere maatregelen zal moeten nemen, die hem het best zullen voorkomen.

De vorderingen, die aan den Prins werden gedaan, waren nu en dan zóó bezwarend, dat hij ze weigerde te voldoen, zooals o.a. gebeurde met 50 wagens, waartoe Oranje werd geprest, doch die hij niet leverde.

Gedurende de wintermaanden was de Prins genoodzaakt dikwijls van zijn huis en zijne vrouw afwezig te zijn, omdat hij geld moest trachten te verkrijgen voor zijn meester, die in groote verlegenheid was. George von Holl kwam uit Duitschland om de achterstallige betaling voor zijn troepen te vragen en waarschijnlijk waren er andere kolonels niet beter aan toe. De gelden, die de staten hadden geschonken, waren blijkbaar niet voldoende geweest, de uitgaven van den laatsten veldtocht te bekostigen. Eindelijk slaagde Oranje er in, te Antwerpen een leening te sluiten met Engelsche kooplieden, hoewel hij zich met onvoordeelige voorwaarden tevreden moest stellen, daar het crediet van den koning zeer was gedaald.

Bij den troonsafstand van Karel V had deze bepaald, dat de Prins van Oranje als gezant aanwezig zou zijn bij de overdracht van de keizerlijke kroon op Karels broeder Ferdinand. Nadat die overdracht reeds verscheidene malen was verdaagd, werd er eindelijk in Februari 1558 een Rijksdag te Frankfort gehouden, waarop de Prins met den vice-kanselier Seld en den secretaris Haller tegenwoordig moest zijn, om in naam van Karel in alle vormen de keizerlijke kroon op Ferdinand over te dragen. Dientengevolge keerde Oranje, nadat die lastige leening tot stand was gekomen, naar Breda terug, ten einde zich voor zijn reis naar Duitschland gereed te maken. De zending werd op den 24enFebruari volbracht, maar Oranje bleef in Frankfort, om getuige te zijn van Ferdinands kroning en ook om een bijzondere opdracht voor Filips te volvoeren. In Maart schreef hij aan den koning, dat de keizer het door Filips voorgesteld verbond met de Duitsche vorsten hoogelijk goedkeurde, doch dat er eenige moeielijkheden ten gevolge van Fransche intriges waren gerezen. “Nieuws is er niet,” zoo voegt hij er bij, “alleen dat de bisschop van Bayonne hier in het geheim bezig is, kwaad te brouwen; ik hoop hem echter met behulp van den (onlangs gekozen) Roomsch-Koning Maximiliaan en anderen te weerstaan.”

Tijdens Oranje’s afwezigheid werd zijn echtgenoote, Anna van Buren, ernstig ongesteld. Op den 12enMaart schreef de Prins haar een brief, toen hij het bericht van die ziekte gehoord had. Hij zond haastig een zijner getrouwen, ’t Serraets, naar Breda en liet zijn vrouw door dezen vragen, hem tijding toe te zenden en den brief althans, zoo zij dien niet meer kon schrijven, te onderteekenen. Zoo spoedig mogelijk zou hij terugkomen en rechtstreeks naar Breda gaan. Anna werd echter erger en toen haar echtgenoot op den 20enMaart Breda bereikte, was alle hoop op herstel verdwenen en vier dagen later stierf ze. Zij was 25 jaar oud, toen ze den Prins ontviel en liet twee kinderen achter, namelijkMaria, geboren in December 1553 enFilips Willem, geboren 19 December 1554.1

Zooals we reeds vroeger zeiden, wordt in verschillende documenten van tijdgenooten erop gezinspeeld, dat het huwelijk van Anna van Buren niet gelukkigis geweest, ja zelfs wordt Oranje beschuldigd haar wreed te hebben behandeld en ontbreekt het evenmin aan duistere aantijgingen, dat hij haar dood door geweldpleging zou hebben verhaast. Een misdadiger dus van het ergste soort!

“Voor ons,” zegt Bakhuizen van den Brink, “behoeft dit gerucht geen wederlegging. Zou zulk een uitbarsting van dierlijke woede met de kalme effenheid van ’s Prinsen karakter gestrookt hebben?”

Maar er is meer, want dezelfde schrijver vraagt terecht, of de Prins in dit geval wel met zooveel stoutheid later aan koning Filips den dood van zijn zoon en van zijn echtgenoote zou hebben durven verwijten en of de graaf van Egmond, die nauw aan ’s Prinsen gemalin verwant was, wel ooit in 1558 Willem van Oranje tot zijn executeur zou benoemd hebben. Wien men van groote misdaden verdenkt, pleegt men niet de uitvoering van zijn laatsten wil toe te vertrouwen.

De ongerijmdheid van het gerucht wordt daarbij geheel bewezen door de getuigenis van een hofdame van Anna, Sophie von Miltitz genaamd, die uitdrukkelijk naar de oorzaak van dat loopend gerucht gevraagd, in volle verontwaardiging antwoordde: “Ik kan niet weten, wat lasterlijke lieden mag bewogen hebben, om zulke schandelijke leugens te verbreiden; maar één ding weet ik, dat het huwelijk van Anna en den Prins een vriendelijke, gelukkige echt is geweest, gegrond op vaste liefde en trouw.” Toch heeft Groen van Prinsterer misschien geen ongelijk, als hij beweert, dat Oranje’s eerste huwelijk slechts middelmatig gelukkig schijnt geweest te zijn, ja, hij voegt daaraan deze woorden toe, die zeker niet uit zijn pen zouden gevloeid zijn, zoo deze uitnemende onderzoeker van de archieven van het huis van Oranje daartoe geen ernstige reden had: “De brieven aan zijn echtgenoote bevatten de bekoorlijkste uitdrukkingen van teederheid, doch die misschien niet overbodig waren, om sombere vermoedens tegen te gaan.”

Een feit is het, dat vrij kort na den dood van Anna, Oranje een avontuur had met de dochter van een Vlaamsch burger, waaruit het al te duidelijk werd, dat hij op het stuk van zeden niet onberispelijk was gebleven. De laster vond hierin een bodem, waarop het gemakkelijk viel voort te bouwen en de volksverbeelding kreeg er vrij spel door. Doch in elk geval is het een bewijs, dat Anna van Buren spoedig door hem was vergeten. Zijn tweede huwelijk, zoo gauw na haar dood, wijst op hetzelfde. En toch zouden we onbillijk zijn, indien wij niet geloofden, dat de Prins door dien dood tijdelijk diep getroffen was. Anna, hoewel wat teruggetrokken, eenvoudig en onbeteekenend, was in menig opzicht een trouwe, zorgzame huisvrouw, die gedurende Oranje’s vaak terugkeerende afwezigheid zijn zaken met groote nauwgezetheid waarnam en gaarne op de hoogte bleef van al zijn plannen en bewegingen. Kort na haar dood schreef Oranje aan zijn vader:

Beste Vader!Ik kan U niettegenstaande de droefheid van mijn hart toch niet onkundig laten, dat de zwakheid, waarin mijn vriendelijke lieve huisvrouw sinds een maand is vervallen, gelijk gij onlangs van mij te Dillenburg hebt vernomen, voor en na mijn terugkeer alhier van dag tot dag is vermeerderd en eindelijk zoo is toegenomen, dat zij Donderdag den 24endezerloopende maand, tusschen 6 en 7 uur is overleden. Haar sterven was christelijk—ze is heengegaan naar God Almachtig, die haar ziel genadig en barmhartig zijn zal.

Beste Vader!

Ik kan U niettegenstaande de droefheid van mijn hart toch niet onkundig laten, dat de zwakheid, waarin mijn vriendelijke lieve huisvrouw sinds een maand is vervallen, gelijk gij onlangs van mij te Dillenburg hebt vernomen, voor en na mijn terugkeer alhier van dag tot dag is vermeerderd en eindelijk zoo is toegenomen, dat zij Donderdag den 24endezerloopende maand, tusschen 6 en 7 uur is overleden. Haar sterven was christelijk—ze is heengegaan naar God Almachtig, die haar ziel genadig en barmhartig zijn zal.

Ruim veertien dagen later spreekt hij in een brief, wederom aan zijn vader, van het pijnlijk verlies door hem en zijn kinderen geleden.

Van Filips ontving Willem ook een hartelijk schrijven waaruit tevens bleek, dat hij iemand uit Brussel had gezonden om naar den toestand zoowel van Oranje, die ziek uit Frankfort was gekomen, als naar zijn vrouw te vragen. Juist op het oogenblik van het vertrek waren er nieuwe berichten gekomen, die Filips o.a. het overlijden van Anna meldden. Eenige dagen later schreef Filips wederom aan Oranje. Dat deze nog geen verslag over de onderhandelingen te Frankfort had uitgebracht, kon Filips best begrijpen en hij raadde hem ook aan nog maar wat te wachten, totdat zijn geest tot rust was gekomen. Aan hartelijkheid ontbrak het in deze brieven dus niet.

In een schrijven aan Granvelle, den bisschop van Atrecht, die om nadere bijzonderheden had gevraagd, zegt Oranje o.a. dat de dood van zijn vrouw bij hem zulk een radeloosheid en onuitsprekelijke smart veroorzaakte, dat hij tengevolge daarvan een hevigen koortsaanval kreeg, gepaard aan zenuwtrekkingen.

Wat blijkt uit deze brieven omtrent de verhouding van den Prins tot zijn eerste echtgenoote? Al te veel nadruk mag er, dunkt mij, niet gelegd worden op zijn aanval van hartstochtelijke smart, waarvan de laatste brief aan Granvelle getuigt. De smart, zich in koorts en zenuwtrekkingen openbarende, kan wel een gevolg van het besef geweest zijn, dat hij niet ten volle voor zijne overledene geweest was, wat hij had moeten en kunnen zijn. Doch wij herhalen, wie met deze uitingen geloof zou willen slaan aan het lasterlijk gerucht, dat te zijnen nadeele werd verspreid, zou Willem van Oranje moeten verdenken van eene huichelarij en misdaad, die alle grenzen te buiten ging.

De Prins was in de jaren van zijn eerste huwelijk menigmaal genoodzaakt, gescheiden van zijn vrouw te leven; zijn dienst in den oorlog, zijn diplomatieke zendingen doemden haar tot een tamelijk eenzaam bestaan. Terwijl zij meestal het kasteel te Breda bewoonde, was hij op reis, in het kamp of in Brussel. Zijn leven daar was, gelijk we nader zullen zien, zeer weelderig en rijk en toch blijkt het voldoende uit al de brieven, die hij aan Anna schreef, dat hij haar niet vergat. Zijn thuiskomst in Breda moet altijd een feest zijn geweest voor de meestal eenzame vrouw. Zij heeft hem lief gehad tot het einde, en zij is steeds zorgvol voor zijn kinderen en goederen geweest. Haar testament, geheel te zijnen voordeele, was een laatste bewijs van hare liefde en van haar vertrouwen op hem. Terecht is van haar gezegd: “Voor den tijdgenoot, die het oor niet leende aan rondgestrooide geruchten, blijft Anna door haar teruggetrokken leven en haar vroegtijdig einde, een lieftallige figuur. Maar voor den nakomeling bewaart zij de onaantastbare en zachte bekoring van een visioen, dat wegdeinst, zonder zijn geheim te hebben geopenbaard.”

Testament van Anna van Egmond.Testament van Anna van Egmond.

Testament van Anna van Egmond.

1Ook geeft men voor de geboorte van Maria wel het jaar 1556 op.

1Ook geeft men voor de geboorte van Maria wel het jaar 1556 op.

Hoofdstuk IV.Diplomatieke onderhandelingen. Filips’ vertrek 1558–1559.Een lange rusttijd werd den Prins niet toegestaan om zijn verlies te boven te komen en na zijn eigen ongesteldheid zijn krachten te herwinnen. Op den 7enMei ontbood Filips hem op zeer beslisten toon naar Antwerpen om toezicht te houden op de hernieuwing van de wet aldaar en in Juni beval de hertog van Savoye hem, zich zoo spoedig mogelijk te haasten om met zijnbande d’ordonnance, Thionville, een sterke stad aan de Moezel, te bevrijden.De geestdrift van Filips voor militairen roem was spoedig uitgebluscht; veel heftiger verlangde hij naar een verbond dan naar voortzetting van den strijd met Frankrijk. In het vroege voorjaar hadden de bisschop van Atrecht en de kardinaal van Lotharingen een samenkomst te Péronne, waarbij zij tot het besluit kwamen, dat het wezenlijk belang van Frankrijk en Spanje niet was, grondgebied van elkander te winnen, maar den verborgen vijand, de ketterij, die zich in beide rijken verspreid had, te bedwingen. Daar de onderhandelingen dier prelaten echter geheim bleven, werden de vijandelijkheden tusschen beide koninkrijken vroeg in den zomer heropend.In plaats van den Connétable, die zooals we zagen zich in gevangenschap bevond, was de hertog de Guise uit Italië gekomen, waar zijn roem er nu niet bepaald op vooruit was gegaan, en die dus hoopte in de meer noordelijke landen beter figuur te maken. Op Nieuwjaarsdag van 1558 verscheen hij voor Calais, waarvan de Guise door spionnenberichten reeds wist, dat de bezetting zwak was. Na een hevig geschutvuur werd de stad stormenderhand genomen. Meer dan twee eeuwen was zij in handen der Engelschen geweest, die het hadden veroverd na een beleg, dat twaalf maanden duurde; thans keerde het aan Frankrijk terug na een belegering van zeven dagen. Nog zeven dagen later viel ook Guines, waardoor Engelands koningen voor altijd het recht verloren om den titel en de leliën van Frankrijk te voeren.De Guise trok naar Luxemburg en veroverde Thionville, zoodat Oranje, dievolgens de orders van den hertog van Savoye daarheen moest trekken, te laat kwam om nog hulp te bieden. De Franschen hadden dus in den beginne wel succes, maar ’t was niet van langen duur. Het plan bestond bij de Franschen om de vereeniging te bewerken van de Guise en de Thermes, die in Calais als bevelhebber was achtergebleven en reeds met zijn nieuw verzameld leger de omstreken had geplunderd en ook Duinkerken had genomen. De vereeniging van de beide Fransche bevelhebbers te voorkomen en als het kon de Thermes van Calais af te sluiten, was het doel van de tegenpartij. Reeds was de Fransche bevelhebber van Duinkerken vertrokken, toen hij op zijn weg de held van St. Quentin ontmoette, die zich met zijn troepen te Grevelingen had opgesteld, een kleine stad aan het strand der zee, ongeveer halfweg Calais en Duinkerken.Daar noodzaakte Egmond zijn tegenstander slag te leveren, daar rende hij aan het hoofd zijner escadrons op de Franschen in onder het: “De vijand is ons, wie zijn vaderland lief heeft volge mij.” Van beide kanten werd met groote hardnekkigheid gestreden, doch de zege was aan Egmond en op dezen 12envan Julimaand werd de uitgelezen Fransche strijdmacht onder maarschalk de Thermes volkomen vernietigd en vielen met hem vele andere officieren van adellijken bloede in handen van Egmonds troepen.De ongeloofelijke moed door den overwinnaar bij die gelegenheid betoond, stal het hart van het volk en alleen de zure Alva, die Egmond benijdde, deelde niet in de algemeene vreugde, daar hij zelf gehoopt had het getij ten voordeele van zijn meester te doen keeren.Thans was Egmond de held vanSt. QuentinenGrevelingen. Niettegenstaande aan beide zijden de strijdkrachten nog volkomen in orde en zeer machtig waren, was toch deze slag het laatste tooneel van den zevenjarigen oorlog tusschen Frankrijk en Spanje. Filips was bijzonder tevreden op de lauweren te kunnen rusten, door zijn veldheer behaald; Hendrik was niet verlangend verdere waagstukken te ondernemen en het volk aan beide kanten begeerde vurig den vrede.Algemeen was dus het verlangen, dat er geen verder uitstel met de vredesonderhandelingen zou gemaakt worden, maar het was wat gewaagd met de besprekingen te beginnen, terwijl de twee gewapende legermachten nog in elkaars gezicht lagen. Daarom was de eerste maatregel, de vreemde huurtroepen te ontbinden en de eigen troepen op een veiligen afstand in te kwartieren. De preliminaire voorbereidselen voor de vredesonderhandelingen werden te Rijssel geregeld onder den Prins van Oranje, Ruy Gomez en den bisschop van Atrecht aan de eene zijde, Montmorency en maarschalk St. André aan den anderen kant. Op den 15enOctober werden de formeele onderhandelingen geopend in de abdij van Cercamp, op het onzijdig grondgebied van Kamerijk. Daar vereenigden zich de hertog van Alva, de president Viglius, de kardinaal van Lotharingen, de bisschop van Artemis en Claude l’Aubespine met hen, die te Rijssel waren geweest. Ook Maria van Engeland zond afgevaardigden, maar het vraagstuk van Calais dreigde te veelomvattend te worden, zoodat de geheele Engelsche zaak ter zijde werd gelegd, om onafhankelijk van de Spaansch-Fransche belangen, door een toekomstig congres te worden beslist. Men moet niet vergeten, dat Oranje, hier ook aanwezig, pas25 jaren telde en toch reeds als een man van groot gewicht in deze hoogst belangrijke diplomatieke vergadering gold. Daar viel wat te doen. Gedurende de laatste zeven jaren had men onophoudelijk steden genomen en hernomen, welker bezit van groote waarde geacht werd. Elk van deze moest in bijzonderheden worden behandeld. Dan moest het verbeurd verklaarde grondgebied van partijgenooten aan beide zijden worden teruggegeven en na de vaststelling der losprijzen, de gijzelaars worden uitgewisseld. Uit een brief van Oranje aan den hertog van Savoye blijkt, dat er hard werd gewerkt om de zaak tot een goed einde te brengen en tevens meldt Oranje aan den hertog, dat bij mogelijke teruggave van Piemont Zijne Hoogheid over zijn huwelijk met Margareta, zuster van koning Hendrik, een beslissing moet nemen, daar men deze echt als voorwaarde voor de teruggave van de landen geëischt heeft. Voordat er eenig besluit in die vergadering was genomen, had eene gebeurtenis plaats, waardoor de geheele zaak zeer vereenvoudigd werd.Maria, die zich het verlies van Calais zeer bijzonder aantrok, eindigde haar ongelukkig en onbevredigd leven op den 17enNovember en liet aldus haar echtgenoot vrij om zijn diplomatieke beloften met een nieuwe huwelijksverbintenis te bezegelen. Haar dood en de opvolging van Elisabeth veroorzaakte een tijdelijke opschorting der onderhandelingen.Een schitterende lijkdienst werd tot haar nagedachtenis door Filips in Brussel gevierd en daarna kon hij de vraag van een opvolgster overwegen.Nog een andere lijkdienst werd er, behalve die van Filips’ ongelukkige echtgenoote, in Brussel gehouden. Reeds den 21enSeptember was keizer Karel in het klooster St. Juste overleden, maar zijn zoon vond eerst in het laatst van December tijd, om den doode in het openbaar de laatste eer te bewijzen. De praalvertooning, die toen in Brussel plaats had, was echter zoo schitterend, dat het uitstel er wel door verontschuldigd werd.De plechtigheden hadden plaats op 29 en 30 December 1558 en behalve de prachtige rouwversiering van de kathedraal en de stad zelf, trok van den grooten optocht, die door de stad ging, een schip het meest de aandacht, zoo kunstig vervaardigd, dat, ofschoon onzichtbare helpers het droegen, het door zeepaarden scheen voortbewogen. De bemanning werd voorgesteld door drie zinnebeeldige personen. DeHoop, geheel in ’t bruin gekleed met een zilveren anker in de hand, stond aan den voorsteven; hetGeloof, met den avondmaalskelk en het roode kruis in een wit gewaad met een sluier van wit zijden gaas, zat op een staatszetel vóór den bezaansmast, terwijl deLiefdein het rood met een vlammend hart in de hand, aan het roer het schip bestuurde.Eigenaardig is de beschrijving van een Engelschman, die aan zijn chef een gedetailleerd verslag zond en waarin ook de Prins van Oranje vermeld wordt.“Nagenoeg middenin zag men een schip versierd met de banieren van ’s keizers wapenen, en onder deze, vele banieren van de Turken en Mooren, naar beneden gevallen en in ’t water liggende. Het geheele bovenste gedeelte van het schip was kostbaar gebeeldhouwd en verguld; de voornaamste touwen en masten, de zeilen en toppen waren alle zwart.... In het midden bij den grooten mast was een staatszetel opgericht, waarop niemand zat. Daarvoor stond een meisje geheel inhet wit gekleed, haar aangezicht bedekt met een witten sluier. In haar rechterhand had zij een rood kruis en in haar linkerhand een kelk met het sacrament.... Daarna kwamen 24 paarden, die alle een land voorstelden, waarover de keizer geregeerd had en voor ieder paard ging een graaf of hertog....De Prins van Oranje droeg het zwaard met de punt benedenwaarts.... En toen de dienst was afgeloopen, kwam daar een edelman naar de lijkkoets (zoover ik kon hooren was het de Prins van Oranje), die voor de lijkkoets staande, met de hand op de kist sloeg en zeide: “Hij is dood.” Daarop een poos stilstaande, zeide hij: “Hij zal dood blijven.” En wederom na een pauze sloeg hij nog eens op de kist en zeide: “Hij is dood en daar is een ander in zijn plaats opgestaan, grooter dan hij ooit was.”Nadat Filips een vruchtelooze poging had gedaan om de hand van Maria’s opvolgster te verwerven en daarbij niet onduidelijk was afgewezen, werden de onderhandelingen in Februari 1559 te Cateau Cambrésis, in plaats van te Cercamp heropend en kwam het verdrag op den 3enApril tot stand. Geen der partijen behaalde na 8 jaren oorlog, die zooveel moeite en kosten na zich had gesleept, eenig stoffelijk voordeel. Al de veroverde plaatsen werden aan dien souverein teruggegeven, die ze in 1551 had bezeten. Had indertijd de keizer de grootste verliezen geleden, nu was zijn zoon aan den winnenden kant. Filips gaf aan de Franschen vijf steden terug, die hij in Picardië had veroverd, maar daarentegen stond Hendrik II hem meer dan 200 plaatsen in de Nederlanden en in Italië af. Filips zou huwen met Elisabeth van Valois en een bruidschat van 400.000 kronen ontvangen, ofschoon die dochter van Hendrik II eigenlijk bestemd was geweest voor don Carlos.Philibert van Savoye werd door het verdrag rijkelijk bevoordeeld. De Fransche afgevaardigden hadden de belangen van ’s konings zuster zeer behartigd en hij had er in toegestemd Margareta van Valois te huwen, die in haar bruidskorf een huwelijksgift van 300.000 kronen en de verbeurd verklaarde vaderlijke goederen van den hertog medebracht.Het wezenlijk motief, dat de twee monarchen er toe geleid had om tot een schikking te komen, zonder elkander verder te bestrijden, was, gelijk ik reeds zeide, hun wensch om een krachtdadig eind te maken aan de ketterijen, die overal in hunne landen vermeerderden. Toen de contracten waren geteekend, koos Hendrik Oranje, Aerschot en Egmond uit, om hem naar Parijs te vergezellen en hem tot onderpand voor de vervulling van het verdrag te strekken. Oranje ging daar dan ook reeds vroeg in April heen.Ongelukkig bestaan er geen particuliere brieven meer van Oranje gedurende dit Parijsche bezoek. Kleine aanteekeningen, zooals hij schreef uit het ongemakkelijke kampleven, eindigden voor altijd met het leven van Anna van Buren. De brieven aan zijne bloedverwanten in Dillenburg zijn verdwenen, zoodat het onbekend is gebleven, wat zijn indrukken waren van de Fransche hoofdstad.Toch is een eigenaardig verhaal bekend geworden, waaruit het medelijdende hart van onzen Willem duidelijk blijkt.“De Prins was te Parijs in een hotel gelogeerd, waar de provisiekamer van den bottelier uitzag op een laan door middel van lage vensters met ijzeren traliën. In de nabijheid stond een schenktafel met prachtig zilver. Een booswicht, die dat ontdekt had, peinsde op middelen, om er zich meester van te maken en voorzag zich van lange haken, waardoor hij de stukken een voor een naar het ijzeren traliewerk haalde en die niet door de gaten konden, met kracht omboog. Hij wist op deze manier al het schoonste naar zich toe te halen.“Dit onaangenaam geval verontrustte hen, die de zorg voor het zilver hadden zeer, doch eindelijk werd de dief om een andere schurkenstreek gevat; hij bekende, dat hij ook dezen diefstal had begaan en werd tot den strop veroordeeld.“Toen de dag van de strafoefening was aangebroken, werd juist op het oogenblik, dat de goede Prins met den koning van de jacht terugkeerde, de booswicht naar de galg geleid. De Prins zag dit en hoorde van een voorbijganger, om welke misdaad hij den dood moest ondergaan. Deze, die den Prins niet kende, antwoordde, dat het de man was, die het zilveren vaatwerk van den Prins van Oranje had gestolen. Met aandrang richtte de Prins zich daarop tot den koning, hem verzoekende het leven van den misdadiger te sparen.“De koning bewilligde er in en in vollen galop reed toen de Prins zelf naar de menigte, die zich verzameld had om getuige te zijn van het akelig schouwspel, staakte de executie tot de aankomst des konings en redde alzoo den dief uit de handen van den beul. Na hem vermaand te hebben, in de toekomst een beter leven te leiden, gaf hij hem in naam des konings de volle vrijheid terug. Het grootste deel van het zilver kreeg de Prins weerom.”De gijzelaars vonden blijkbaar het vaststellen der eindbepalingen van het verdrag geen gemakkelijke zaak, want voortdurend werden die om nietige redenen uitgesteld. Met veel pracht en plechtigheid werd het huwelijksverdrag tusschen Elisabeth van Valois en Filips II op den 22enJuni, bij afwezigheid van den laatste gesloten, terwijl Alva zijn gevolmachtigde was. Op den dag van het huwelijk had Oranje zoo hard gewerkt, dat hij verplicht was den volgenden dag te bed te blijven.Dat de onderhandelingen zoo langzaam vorderden, was ook onvermijdelijk, daar beide partijen bevreesd waren te zullen worden bedrogen; bovendien waren er tal van feesten, om de langwijligheid van de zaken wat te breken.Daaronder was ook een jachtpartij in de bosschen van Vincennes, waarbij een belangrijk voorval plaats had. Op weg naar huis, waren Oranje en de Fransche koning van de rest der ruiters afgedwaald. Terwijl zij langzaam onder de boomen voort reden, begon Hendrik, in de meening, dat de jonge Hollandsche staatsman het volle vertrouwen van zijn Spaanschen koning genoot, hem te spreken over de bijzonderheden van het privaat verdrag, dat hij met Alva had gesloten, ten einde de ketterij uit de gezamenlijke landen van hem zelf en Filips uit te roeien. Wat er in Oranje moet zijn omgegaan, toen hij van het vreeselijke plan der vorsten hoorde, blijkt uit hetgeen hij later zelf in zijn Apologie schreef, n.l. dat hij “door medelijden getroffen werd met zooveel welvarende menschen, die aldus veroordeeldwerden tot vernietiging, in ’t bijzonder met dat land, waaraan ik zooveel verplichting had en waar men een inquisitie wilde invoeren, erger en wreeder dan die van Spanje.... Van deze dingen getuige zijnde, beken ik, dat ik van dat oogenblik af in ernst besloot, het Spaansche ongedierte uit dat land te verdrijven en nooit heb ik berouw gehad over mijn besluit.”Oranje’s rit met Hendrik II in de bosschen van Vincennes. (Bladz. 48.)Oranje’s rit met Hendrik II in de bosschen van Vincennes. (Bladz. 48.)Of het geval zoo dramatisch is geweest als de Prins het voorstelt in zijn Apologie, mag betwijfeld worden, als we bedenken, dat dit stuk in 1580 werd geschreven, dus ruim 20 jaar na het voorval, doch hier staat tegenover, dat Oranje deze geschiedenis reeds in 1562 aan Granvelle moet hebben meegedeeld.De zelfbeheersching, getoond bij dat gesprek in het bosch van Vincennes,heeft den Prins den naam van den Zwijgergeschonken, die hem het eerst door Granvelle moet gegeven zijn. Niet om een doorloopende karaktertrek, maar om een enkele daad is hem deze naam dus geschonken.Op een der vele feesten, welke op die jachtpartij volgden, had het tournooi plaats waarin Hendrik II gewond werd, met het gevolg, dat hij enkele dagen later op 12 Juli overleed. Zelfs zijn lofredenaars konden niets goeds van hem vermelden.Waarschijnlijk was Oranje toen niet meer te Parijs, want hij haastte zich, door Hendriks mededeeling verontrust, naar de Nederlanden te gaan zoo spoedig hij verlof kon krijgen, onder belofte echter onmiddellijk terug te keeren, zoodra hij werd opgeroepen.Terwijl men in Parijs bezig was de eindbepalingen van het verdrag op te stellen, maakte Filips zich gereed aan zijn hartewensch te voldoen, de Nederlanden vaarwel te zeggen en die echt Spaansche rust te genieten. Hij had van zijn verblijf in het Noorden meer dan genoeg; de episode van zijn Engelsch huwelijk behoorde tot het verleden; van nu af was hij tot zijn eigen erfgoed bepaald. Een nieuw huwelijk was tot stand gekomen, terwijl het verbond met Frankrijk hem de gelegenheid had geopend, de vrijheid der godsdienstige gedachte uit te roeien, waartegen hij ieder jaar van zijn verder leven steeds meer haat koesterde.Wat verlangde hij terug naar Spanje, waar hij zich in de landstaal zou kunnen uitdrukken en waar hij tenminste eene omgeving zou vinden, die meer met hem in aard en karakter overeenkwam. Vrijwel gedwongen was zijn verblijf in de Nederlanden geweest, maar nu belette hem niets meer die gewesten vaarwel te zeggen. Voor hij echter kon vertrekken, moest eerst zijn plaatsvervanger worden aangewezen, want Philibert van Savoye, de opvolger van Maria van Hongarije, was in zijn heerschappij over Piëmont hersteld en kon dus niet langer de betrekking van landvoogd vervullen.Men zegt, dat Egmond en Oranje zich een oogenblik zouden gevleid hebben, dat de keus van den nieuwen landvoogd op een hunner vallen zou, maar waarschijnlijk is dit niet; zij moesten direct begrepen hebben, dat Nederlandsche edelen, hetzij inboorlingen als Egmond of genaturaliseerd als Oranje, geen landvoogden zouden zijn naar het hart van den tegenwoordigen koning.Over twee mededingsters werd spoedig ernstig gedacht, n.l. de hertogin van Parma en die van Lotharingen; deze laatste werd door de Nederlandsche edelen begeerd, omdat zij onder haar naam zelf hoopten te regeeren.Oranje vooral ijverde zeer voor haar, hetgeen ook verband hield met trouwplannen van den Prins.Anna van Buren was slechts eenige maanden dood, toen Willem, het voorbeeld van zijn koning volgende, begon uit te zien naar een tweede echtverbintenis. Zelfs zeer kort na den dood zijner eerste vrouw, had de Prins een liaison, die niet tot een huwelijk leidde, maar toch te wereldkundig is geworden, om er niet van te spreken. Het was een Vlaamsch meisje, Eva Eliver genaamd, dat hem bekoorde en hem in September 1559 een zoon schonk, bekend onder den naam Justinus van Nassau, welke natuurlijke zoon van den Prins, naar de gewoonte der tijden, een opvoeding, overeenkomstig den stand van zijn vader ontving en dientengevolge ook later gouverneur van Breda en admiraal van Zeeland werd. Van een huwelijk met die Eva kon geen sprake zijn; zij huwde later met den secretaris van de stad Hulst, A. Arondaux.De Prins zelf moest eene vrouw zoeken van zijn stand en geboorte. De eerste, op wie hij den blik vestigde, was Madame de Touteville, dochter van den graaf van St. Pol, schoonzuster van den koning van Navarre en weduwe van den hertog van Enghien. Deze weduwe, nauwelijks 17 jaar, was een der rijkste en schoonste erfgenamen van Frankrijk. De Prins leerde haar kennen tijdens zijn gijzelaarschap in Parijs en schijnt om hare hand aanzoek te hebben gedaan. Ongetwijfeld was haar rijkdom, bij den toenmaligen staat zijner eigen geldmiddelen, eene sterke attractie voor Oranje. Doch zoowel Filips II als Hendrik II werkte dit huwelijksplan tegen; Filips, omdat hij ongaarne de verbinding zag van Nederlandsche heeren met Fransche geslachten; Hendrik, omdat hij een ander voor de rijke erfdochter op het oog had, die haar echter ook niet kreeg.Toen dit huwelijksplan was afgesprongen, richtte Oranje zijn blik op Renée van Lotharingen, oudste dochter van den hertog Frans van Lotharingen en Christierna van Denemarken. Deze was de door de Nederlandsche grooten, inzonderheid de door Oranje begeerde opvolgster van den hertog van Savoye als landvoogdes der Nederlanden; zij was, volgens Catharina de Medicis, “la plus glorieuse femme, que je visse jamais.” Haar schoonheid was niet minder beroemd, dan die harer dochter. Misschien werd Oranje ook daardoor getroffen, maar de hoofdbedoeling van zijne poging, om Renée te huwen, lag in de politiek. Hare moeder, de fiere dochter van koning Christiaan van Denemarken en van Isabella, zuster van Karel V, was een eigen nicht van Filips II en zij had alle hoop, dat de koning van Spanje haar tot landvoogdes zou benoemen. Zij was een zeer eerzuchtige vrouw, steunde niet alleen elke poging om het huis Holstein uit Denemarken te verdrijven, maar sprak ook haar woord mede in de Europeesche staatkunde. Te Cateau-Cambrésis was zij zelfs een ijverige onderhandelaarster en daar schijnt ook het huwelijksplan van hare dochter met Oranje te zijn beraamd, omdat de laatstgenoemde hare kansen om landvoogdes te worden, zeer groot achtte en hij alsdan onder haar naam in de Nederlanden zou kunnen regeeren. Aan beide verwachtingen werd de bodem ingeslagen. “Tusschen de niet verloving van den Prins met Renée van Lotharingen en de niet benoeming van Christierna tot landvoogdes is een duidelijk voelbaar verband.” Koning Filips schijnt zelf ook aan Christierna geschreven te hebben, datzij het aanzoek van Oranje van de hand moest slaan. In het openbaar hield Filips zich, alsof hij dat huwelijk goedkeurde. Maar hij wilde zijn heerschzuchtige nicht buiten de Nederlanden houden en buiten staat, om onder de Nederlandsche edelen een partij te vormen.Margareta werd tot landvoogdes gekozen, vooral door den invloed van Granvelle. De benoeming van deze bastaardzuster van den koning was de eerste gevoelige nederlaag voor de nationale partij onder Filips’ bestuur. Margareta was het oudste kind van den overleden keizer, buiten huwelijk geboren, vier jaar voor zijn huwelijk, maar als een erkende dochter, door de zorg van Karels tante en later van zijn zuster, opgevoed. Op twaalfjarigen leeftijd was zij gehuwd met Alexander de Medicis, een ellendigen nakomeling van de familie Medicis, wiens dood binnen een jaar na dat huwelijk geen ongeluk was voor zijn jonge vrouw. Haar tweede echtgenoot was Ottavio Farnese, zeven jaar jonger dan zij, met wien zij vrij gelukkig was. Als vrouw was zij geen aantrekkelijke persoonlijkheid. “De waarheid is, dat haar geest niet alleen haar sekse te boven ging, maar zij ging zoo gekleed en had zulk een houding, alsof zij niet was een vrouw met een mannelijken geest, maar een man in vrouwenkleeren. Zij was zoo sterk, dat zij aan de hertenjacht gewoonlijk mededeed, hetgeen de lichaamskracht van vele mannen te boven ging. Op haar kin en bovenlip groeide een baardje, dat haar mannelijke gelijkheid gaf en groot gezag. Zij had een helderen geest en kon met wonderlijke handigheid de zaken van alle kanten bekijken.”Op het punt van godsdienst was zij bekrompen en bijgeloovig, op ’t gebied van staatkunde reeds bedorven in de leerschool van Macchiavelli en wat haar kundigheden betreft was zij zeer middelmatig; ze kon nauwelijks het Fransch schrijven, dat te Brussel altijd als hoftaal had gegolden.Hoe kon deze vrouw, die bij haar verschijning liefde noch achting kon inboezemen, bewaakt door het achterdochtig oog van Filips en geplaatst onder de voogdij van Granvelle, een krachtige, vrije ontwikkeling geven aan den adel, die haar omringde?Ziedaar de nieuwe meesteres onder wie Oranje zijn loopbaan als staatsman aanving. Zijn leerjaren waren voorbij. Als page had hij den keizer trouw en loyaal gediend en onder zijn banieren zijn eerste campagnejaren doorleefd. Met den nieuwen meester had hij forten gebouwd en gekampeerd en daarna was hij ingewijd in het moeielijker werk, om verdragen tot stand te brengen. Voortdurend was zijne verantwoordelijkheid grooter geworden en nu stond hij aan den aanvang van het moeilijkste deel van zijn loopbaan. De ondervinding, die hij reeds had opgedaan en het hooge standpunt, dat hij innam onder de Nederlandsche heeren, gaven hem recht om mede te werken aan het eerste openbaar verzet tegen den wil des konings. Nog voor deze naar Spanje terugkeerde, zou hij van den aanvang van dat verzet getuige zijn.De eenige regelmatige regeeringstroepen in de Nederlanden waren de zoogenaamde “bandes d’ordonnance”, die uit 3000 ruiters bestonden, in 14 escadrons verdeeld, ieder onder het commando van een stadhouder of edele. Behalve dezetroepen waren er in het jaar 1559 nog omstreeks 4000 vreemde soldaten, voornamelijk Spanjaards, in het land ingekwartierd. Wat moesten deze vreemde troepen nog na den vrede in het land doen? Toen Hendrik II in het bosch van Vincennes zijn vertrouwelijke mededeeling aan Oranje deed, was een van de punten, die bijzonder de verontwaardiging van den Prins hadden gewekt, dat die vreemde troepen van nu aan zouden gebruikt worden om de ketterij te onderdrukken, daar hun diensten niet verder noodig waren tegen een buitenlandschen vijand, sinds Frankrijk en Spanje zich hadden verbonden. Om elke schikking dienaangaande te voorkomen, had Oranje zijn verblijf in de Fransche hoofdstad bekort en zich huiswaarts gespoed; hij wachtte slechts op een gelegenheid, om tegen het langer verblijf dier Spaansche troepen op te treden.De Staten-Generaal, die Filips, in strijd met het voorbeeld van Maria, de vroegere landvoogdes en met de waarschuwing van Granvelle, kort na den afstand van Karel V had bijeengeroepen, om beden toe te staan, werden, al was de uitslag van die eerste samenroeping niet naar wensch geweest, toch nog eenmaal vóór Filips’ vertrek door hem te Gent vereenigd om afscheid van hem te nemen en Margareta als Filips’ vertegenwoordiger te verwelkomen.Op den vastgestelden dag waren de Staten vergaderd en verscheen de koning met de nieuwe landvoogdes, den hertog van Savoye en vele gezanten en edelen in hun midden. Aan Granvelle was de taak toevertrouwd de afgevaardigden in naam van den vorst toe te spreken. In sierlijken stijl en hoogdravende woorden werd meegedeeld, waarom Filips zijn geliefde gewesten ging verlaten, dat alleen innige liefde voor de Nederlanden hem had genoopt tot het einde van den oorlog hier te blijven. Het achterlaten der Spaansche troepen werd met een enkel woord vergoelijkt en aan de Staten op het hart gedrukt, de edicten van wijlen zijn vader alle uit te voeren. Bovendien verzocht de koning nogmaals een bede, nu van 3 millioen florijnen, daarbij herinnerende aan de omstandigheid, dat al het geld, evenals dat vroeger was geschied, ten nutte van de geliefde gewesten zou worden besteed. Na het eindigen dezer rede gingen de Staten uiteen, om volgens oud gebruik die bede te overwegen en op den volgenden dag deelde elk gewest afzonderlijk zijn antwoord mede.De Staten van Artois waren de eerste, die hun besluit moesten voorlezen. In navolging van de rede van hun souverein spraken ze in niet minder sierlijke woorden van hun innige verknochtheid aan hun vorst; ze beloofden tevens plechtig, zoover hun aandeel betrof, de nieuwe bede op te brengen. Filips had hen onder al die vleiende woorden glimlachend aangekeken, maar op hetgeen aan het slot werd vermeld, had de koning niet gerekend. De Staten toch eindigden met Zijne Majesteit ernstig te verzoeken, als vergoeding voor hunne bereidvaardigheid,onmiddellijk de Spaansche troepen uit de Nederlanden te verwijderen.Bij deze onverwachte wending in de toespraak van de afgevaardigden verdween niet alleen zijn glimlach, maar toonde de vorst zich diep beleedigd. De Staten der andere gewesten volgden, maarverzochtenniet als die van Artois de verwijdering der vreemde troepen, doch stelden dit vertrek als voorwaarde voor het verleenen van de bede.Behalve de antwoorden der afzonderlijke Staten werd nog voor het uiteengaan der vergadering een afzonderlijk formeel protest in naam der Staten-Generaal aangeboden, onderteekend door den Prins van Oranje, Egmond en vele andere Nederlandsche edelen. In dit protest werd de zaak bij den rechten naam genoemd, werd gewezen op de rooverijen en uitspattingen van het “Spaansche ongedierte” en bovendien met nadruk aangedrongen de belangen van den Staatnietaan vreemdelingen, doch zooals van ouds, aan inboorlingen over te laten.Was Filips door de antwoorden der Staten reeds ten diepste beleedigd, de aanbieding van het laatste verzoekschrift deed de maat bij hem overloopen. Woedend stond hij op, verliet de vergadering onder het uiten der woorden: “Of ze hem die ook een Spanjaard was, niet mede het land wilden doen ruimen.”Voor het eerst had men zich in de noordelijke gewesten openlijk tegen den Spaanschen koning verzet en Oranje, die zooals we zagen, het stuk mede onderteekend had, was blijkbaar bij deze gelegenheid de man geweest, die de leiding had gehad. Vandaar, dat het niet vreemd is, dat men het volgend voorval vermeld heeft, al was het alleen maar om uitdrukking te geven aan de algemeene opinie, dat de Prins van Oranje de hoofdleider van die beweging in de zaak van het Spaansche krijgsvolk is geweest.Toen alle toebereidselen voor het vertrek van Filips gemaakt waren, vertrok de koning naar Vlissingen, vanwaar de vloot naar Spanje zou uitvaren. Onder de aanzienlijksten van deze gewesten, die hem uitgeleide deden, behoorde ook de Prins van Oranje. Het afscheid was zeer hartelijk; Filips omhelsde de edelen, doch zich tot den Prins van Oranje keerende, verweet hij hem bitter de houding door de Staten tegenover hem aangenomen. De Prins verontschuldigde zich, zei dat alles langs regelmatigen weg was geschied en het niet zijne beslissing, doch die van de Staten was geweest, waarop Filips den Prins verontwaardigd bij den arm greep en uitriep: “No los estados, ma vos, vos, vos!” “Niet de Staten, maar gij, gij, gij!”De Prins van Oranje zou na deze openlijke beleediging zich niet aan boord van ’s konings schip hebben begeven, maar zich vergenoegd hebben hem van den wal af een goede reis toe te wenschen!Hoewel het verhaal niet geheel betrouwbaar is, kan het als bewijs dienen hoe de tijdgenooten dachten over het aandeel, dat de Prins in het verzet had en hoe ze hem als de ziel der beweging beschouwden.Den 26enAugustus 1559 ging de vloot, uit negentig schepen bestaande, te Vlissingen onder zeil en bracht den koning na een zeer stormachtige reis behouden naar Spanje.Wel had hij beloofd binnen drie of vier maanden de vreemde soldaten uit het land te zenden, bij welke belofte zich de Staten hadden neergelegd, maar het duurde nog tot 1561, eer het geschiedde. De Prins van Oranje en Egmond werden met het opperbevel over de Spaansche regimenten belast, doch eigenlijk voerden Romero en Mendoça het bevel. Oranje en Egmond leenden alleen hun naam.Dat deden ze ook bij het lichaam van den Raad van State. Ten einde hun houding daarin, vooral die van Oranje, te begrijpen, is het noodig, eenigszins vannaderbij de regeeringslichamen te beschouwen, die in werking waren bij het vertrek van Filips. De landvoogdes werd bijgestaan door de drie Raden, die van 1531 af reeds onder Karel V waren ingesteld, namelijk de Raad van State, die van Financiën en de Geheime Raad. De beide laatsten waren onmisbare werktuigen voor de regeering. Aan het hoofd van den Raad van Financiën stond Barlaimont; aan dat van den Geheimen Raad, die zich met de administratie van recht en wet ophield, was Viglius geplaatst. De Raad van State moest op den algemeenen gang der regeering invloed uitoefenen; in zaken van oorlog en vrede, van landsverdediging en rustbewaring moest die Raad, uit de aanzienlijksten van het land samengesteld, de landvoogdes voorlichten. Uit Nederlanders samengesteld, moest hij aan het volk ten waarborg strekken, dat, wie ook landvoogd wezen mocht, de strekking der regeering niet anti-nationaal zou wezen. De landvoogdes Maria echter vond reeds in dien Raad een te groote beperking van haar eigen gezag, en Granvelle, die bij Filips’ vertrek door hem aan Margareta was aangewezen als haar raadgever en die in alle drie Raden zitting had, wist Margareta van Parma te overtuigen, dat ze niet beter kon doen, dan Maria’s voorbeeld te volgen en zoo weinig mogelijk den Raad van State te raadplegen. Hij kon niet opgeheven worden, maar hij werd een bloot sieraad, dat aan de regeering een nationalen glimp moest geven.In dat lichaam, in oorspronkelijke bedoeling zoo veelbeteekenend, maar afgedaald tot den rang van versiering, werd ook Oranje met Egmond gekozen. Wel begrijpende dat zij, daarin zitting nemende, alleen als instrument zouden dienen, begonnen ze met voor die eer te bedanken, doch daar Filips hun een belangrijk geschenk in geld gaf, namen ze de benoeming aan, op voorwaarde, dat ze dan ook werkelijk zouden worden geraadpleegd. Ras ontdekten ze, hoe ze bedrogen waren, want Granvelle, Viglius en Barlaimont overlegden eerst alles in de Consulta, en brachten slechts in den Raad van State wat zij goedvonden. We zullen nader zien, hoe onder tal van andere rechtmatige grieven, de miskenning die Oranje in den Raad van State ondervond, den doorslag tot zijn verzet heeft gegeven.De verschillende gewesten werden onder stadhouders gebracht. Holland, Zeeland en Utrecht kwamen onder het stadhouderschap van den Prins van Oranje, gelijk Vlaanderen en Artois onder dat van Egmond; Gelderland en Zutfen onder dat van Meghen; Friesland, Groningen en Overijsel onder dat van Aremberg, enz. Het was dientengevolge de eerste taak van den Prins, de staten van zijn bestuur samen te roepen en er voor te zorgen, dat zij voorzieningen zouden treffen om hunne quota’s (aandeelen in de belasting) te voldoen. Te midden van deze bezigheden kwam er een oproeping tot hem, om aanwezig te zijn bij de kroning van den nieuwen koning van Frankrijk, Frans II, te Reims. In die dagen schreef Margareta den Prins uit Brussel op den 13enSeptember het volgende:“De weg, dien gij hebt ingeslagen, om de Hollanders te overreden, schijnt zeer goed geweest te zijn.... Ik zou liever gezien hebben, dat de Franschen u thans maar niet hadden opgeroepen, want ik heb voor het tegenwoordige uwe diensten zeer noodig. Men geeft mij echter de hoop, dat uw verblijf in Frankrijk van korten duur zal zijn.”Margareta beveelt verder Oranje ten krachtigste aan, in Frankrijk zijn invloed aan te wenden, dat men zich haasten zal met de restitutiën, bij den vrede bepaald; dan zal men ook van de zijde van den Spaanschen koning alles aanwenden, om hetzelfde te doen. Ook stelt zij in dat schrijven voor, in zoo verre eene verandering te brengen in de plaatsing van de gehate Spaansche troepen, die onder commando (?) van Egmond en Oranje waren gesteld, dat die naar de grenzen van Luxemburg en Henegouwen zouden vertrekken.In Reims volbracht de Prins zijne zending. Op 15 October 1559 was hij in Brussel terug en daar ontving hij de droevige tijding, dat zijn vader, graaf Willem van Nassau, den 6enOctober op den leeftijd van 72 jaar was gestorven. Bijna zijn geheele leven had Oranje, van zijn vader verwijderd, doorgebracht en onder invloeden, die wel in staat waren, een jongmensch van ouderlijke invloeden te vervreemden. Bij den Prins was dit, gelijk wij in het volgend hoofdstuk zien zullen, niet het geval geweest. Bij de aanvaarding der erfenis van Chalons, had Willem van het grootste deel van zijn erfgoed in Nassau afstand gedaan en alleen ter wille der titels een zeker recht op de voorvaderlijke kasteelen behouden. Nu werd hij natuurlijk het hoofd der familie en alszoodanigontving hij alle eer en onderscheiding aan het hoofd der Nassau’s verschuldigd; maar de Duitsche landen vielen terecht aan zijne broeders ten deel, die op Duitschen bodem waren gebleven.

Een lange rusttijd werd den Prins niet toegestaan om zijn verlies te boven te komen en na zijn eigen ongesteldheid zijn krachten te herwinnen. Op den 7enMei ontbood Filips hem op zeer beslisten toon naar Antwerpen om toezicht te houden op de hernieuwing van de wet aldaar en in Juni beval de hertog van Savoye hem, zich zoo spoedig mogelijk te haasten om met zijnbande d’ordonnance, Thionville, een sterke stad aan de Moezel, te bevrijden.

De geestdrift van Filips voor militairen roem was spoedig uitgebluscht; veel heftiger verlangde hij naar een verbond dan naar voortzetting van den strijd met Frankrijk. In het vroege voorjaar hadden de bisschop van Atrecht en de kardinaal van Lotharingen een samenkomst te Péronne, waarbij zij tot het besluit kwamen, dat het wezenlijk belang van Frankrijk en Spanje niet was, grondgebied van elkander te winnen, maar den verborgen vijand, de ketterij, die zich in beide rijken verspreid had, te bedwingen. Daar de onderhandelingen dier prelaten echter geheim bleven, werden de vijandelijkheden tusschen beide koninkrijken vroeg in den zomer heropend.

In plaats van den Connétable, die zooals we zagen zich in gevangenschap bevond, was de hertog de Guise uit Italië gekomen, waar zijn roem er nu niet bepaald op vooruit was gegaan, en die dus hoopte in de meer noordelijke landen beter figuur te maken. Op Nieuwjaarsdag van 1558 verscheen hij voor Calais, waarvan de Guise door spionnenberichten reeds wist, dat de bezetting zwak was. Na een hevig geschutvuur werd de stad stormenderhand genomen. Meer dan twee eeuwen was zij in handen der Engelschen geweest, die het hadden veroverd na een beleg, dat twaalf maanden duurde; thans keerde het aan Frankrijk terug na een belegering van zeven dagen. Nog zeven dagen later viel ook Guines, waardoor Engelands koningen voor altijd het recht verloren om den titel en de leliën van Frankrijk te voeren.

De Guise trok naar Luxemburg en veroverde Thionville, zoodat Oranje, dievolgens de orders van den hertog van Savoye daarheen moest trekken, te laat kwam om nog hulp te bieden. De Franschen hadden dus in den beginne wel succes, maar ’t was niet van langen duur. Het plan bestond bij de Franschen om de vereeniging te bewerken van de Guise en de Thermes, die in Calais als bevelhebber was achtergebleven en reeds met zijn nieuw verzameld leger de omstreken had geplunderd en ook Duinkerken had genomen. De vereeniging van de beide Fransche bevelhebbers te voorkomen en als het kon de Thermes van Calais af te sluiten, was het doel van de tegenpartij. Reeds was de Fransche bevelhebber van Duinkerken vertrokken, toen hij op zijn weg de held van St. Quentin ontmoette, die zich met zijn troepen te Grevelingen had opgesteld, een kleine stad aan het strand der zee, ongeveer halfweg Calais en Duinkerken.

Daar noodzaakte Egmond zijn tegenstander slag te leveren, daar rende hij aan het hoofd zijner escadrons op de Franschen in onder het: “De vijand is ons, wie zijn vaderland lief heeft volge mij.” Van beide kanten werd met groote hardnekkigheid gestreden, doch de zege was aan Egmond en op dezen 12envan Julimaand werd de uitgelezen Fransche strijdmacht onder maarschalk de Thermes volkomen vernietigd en vielen met hem vele andere officieren van adellijken bloede in handen van Egmonds troepen.

De ongeloofelijke moed door den overwinnaar bij die gelegenheid betoond, stal het hart van het volk en alleen de zure Alva, die Egmond benijdde, deelde niet in de algemeene vreugde, daar hij zelf gehoopt had het getij ten voordeele van zijn meester te doen keeren.

Thans was Egmond de held vanSt. QuentinenGrevelingen. Niettegenstaande aan beide zijden de strijdkrachten nog volkomen in orde en zeer machtig waren, was toch deze slag het laatste tooneel van den zevenjarigen oorlog tusschen Frankrijk en Spanje. Filips was bijzonder tevreden op de lauweren te kunnen rusten, door zijn veldheer behaald; Hendrik was niet verlangend verdere waagstukken te ondernemen en het volk aan beide kanten begeerde vurig den vrede.

Algemeen was dus het verlangen, dat er geen verder uitstel met de vredesonderhandelingen zou gemaakt worden, maar het was wat gewaagd met de besprekingen te beginnen, terwijl de twee gewapende legermachten nog in elkaars gezicht lagen. Daarom was de eerste maatregel, de vreemde huurtroepen te ontbinden en de eigen troepen op een veiligen afstand in te kwartieren. De preliminaire voorbereidselen voor de vredesonderhandelingen werden te Rijssel geregeld onder den Prins van Oranje, Ruy Gomez en den bisschop van Atrecht aan de eene zijde, Montmorency en maarschalk St. André aan den anderen kant. Op den 15enOctober werden de formeele onderhandelingen geopend in de abdij van Cercamp, op het onzijdig grondgebied van Kamerijk. Daar vereenigden zich de hertog van Alva, de president Viglius, de kardinaal van Lotharingen, de bisschop van Artemis en Claude l’Aubespine met hen, die te Rijssel waren geweest. Ook Maria van Engeland zond afgevaardigden, maar het vraagstuk van Calais dreigde te veelomvattend te worden, zoodat de geheele Engelsche zaak ter zijde werd gelegd, om onafhankelijk van de Spaansch-Fransche belangen, door een toekomstig congres te worden beslist. Men moet niet vergeten, dat Oranje, hier ook aanwezig, pas25 jaren telde en toch reeds als een man van groot gewicht in deze hoogst belangrijke diplomatieke vergadering gold. Daar viel wat te doen. Gedurende de laatste zeven jaren had men onophoudelijk steden genomen en hernomen, welker bezit van groote waarde geacht werd. Elk van deze moest in bijzonderheden worden behandeld. Dan moest het verbeurd verklaarde grondgebied van partijgenooten aan beide zijden worden teruggegeven en na de vaststelling der losprijzen, de gijzelaars worden uitgewisseld. Uit een brief van Oranje aan den hertog van Savoye blijkt, dat er hard werd gewerkt om de zaak tot een goed einde te brengen en tevens meldt Oranje aan den hertog, dat bij mogelijke teruggave van Piemont Zijne Hoogheid over zijn huwelijk met Margareta, zuster van koning Hendrik, een beslissing moet nemen, daar men deze echt als voorwaarde voor de teruggave van de landen geëischt heeft. Voordat er eenig besluit in die vergadering was genomen, had eene gebeurtenis plaats, waardoor de geheele zaak zeer vereenvoudigd werd.

Maria, die zich het verlies van Calais zeer bijzonder aantrok, eindigde haar ongelukkig en onbevredigd leven op den 17enNovember en liet aldus haar echtgenoot vrij om zijn diplomatieke beloften met een nieuwe huwelijksverbintenis te bezegelen. Haar dood en de opvolging van Elisabeth veroorzaakte een tijdelijke opschorting der onderhandelingen.

Een schitterende lijkdienst werd tot haar nagedachtenis door Filips in Brussel gevierd en daarna kon hij de vraag van een opvolgster overwegen.

Nog een andere lijkdienst werd er, behalve die van Filips’ ongelukkige echtgenoote, in Brussel gehouden. Reeds den 21enSeptember was keizer Karel in het klooster St. Juste overleden, maar zijn zoon vond eerst in het laatst van December tijd, om den doode in het openbaar de laatste eer te bewijzen. De praalvertooning, die toen in Brussel plaats had, was echter zoo schitterend, dat het uitstel er wel door verontschuldigd werd.

De plechtigheden hadden plaats op 29 en 30 December 1558 en behalve de prachtige rouwversiering van de kathedraal en de stad zelf, trok van den grooten optocht, die door de stad ging, een schip het meest de aandacht, zoo kunstig vervaardigd, dat, ofschoon onzichtbare helpers het droegen, het door zeepaarden scheen voortbewogen. De bemanning werd voorgesteld door drie zinnebeeldige personen. DeHoop, geheel in ’t bruin gekleed met een zilveren anker in de hand, stond aan den voorsteven; hetGeloof, met den avondmaalskelk en het roode kruis in een wit gewaad met een sluier van wit zijden gaas, zat op een staatszetel vóór den bezaansmast, terwijl deLiefdein het rood met een vlammend hart in de hand, aan het roer het schip bestuurde.

Eigenaardig is de beschrijving van een Engelschman, die aan zijn chef een gedetailleerd verslag zond en waarin ook de Prins van Oranje vermeld wordt.

“Nagenoeg middenin zag men een schip versierd met de banieren van ’s keizers wapenen, en onder deze, vele banieren van de Turken en Mooren, naar beneden gevallen en in ’t water liggende. Het geheele bovenste gedeelte van het schip was kostbaar gebeeldhouwd en verguld; de voornaamste touwen en masten, de zeilen en toppen waren alle zwart.... In het midden bij den grooten mast was een staatszetel opgericht, waarop niemand zat. Daarvoor stond een meisje geheel inhet wit gekleed, haar aangezicht bedekt met een witten sluier. In haar rechterhand had zij een rood kruis en in haar linkerhand een kelk met het sacrament.... Daarna kwamen 24 paarden, die alle een land voorstelden, waarover de keizer geregeerd had en voor ieder paard ging een graaf of hertog....

De Prins van Oranje droeg het zwaard met de punt benedenwaarts.... En toen de dienst was afgeloopen, kwam daar een edelman naar de lijkkoets (zoover ik kon hooren was het de Prins van Oranje), die voor de lijkkoets staande, met de hand op de kist sloeg en zeide: “Hij is dood.” Daarop een poos stilstaande, zeide hij: “Hij zal dood blijven.” En wederom na een pauze sloeg hij nog eens op de kist en zeide: “Hij is dood en daar is een ander in zijn plaats opgestaan, grooter dan hij ooit was.”

Nadat Filips een vruchtelooze poging had gedaan om de hand van Maria’s opvolgster te verwerven en daarbij niet onduidelijk was afgewezen, werden de onderhandelingen in Februari 1559 te Cateau Cambrésis, in plaats van te Cercamp heropend en kwam het verdrag op den 3enApril tot stand. Geen der partijen behaalde na 8 jaren oorlog, die zooveel moeite en kosten na zich had gesleept, eenig stoffelijk voordeel. Al de veroverde plaatsen werden aan dien souverein teruggegeven, die ze in 1551 had bezeten. Had indertijd de keizer de grootste verliezen geleden, nu was zijn zoon aan den winnenden kant. Filips gaf aan de Franschen vijf steden terug, die hij in Picardië had veroverd, maar daarentegen stond Hendrik II hem meer dan 200 plaatsen in de Nederlanden en in Italië af. Filips zou huwen met Elisabeth van Valois en een bruidschat van 400.000 kronen ontvangen, ofschoon die dochter van Hendrik II eigenlijk bestemd was geweest voor don Carlos.

Philibert van Savoye werd door het verdrag rijkelijk bevoordeeld. De Fransche afgevaardigden hadden de belangen van ’s konings zuster zeer behartigd en hij had er in toegestemd Margareta van Valois te huwen, die in haar bruidskorf een huwelijksgift van 300.000 kronen en de verbeurd verklaarde vaderlijke goederen van den hertog medebracht.

Het wezenlijk motief, dat de twee monarchen er toe geleid had om tot een schikking te komen, zonder elkander verder te bestrijden, was, gelijk ik reeds zeide, hun wensch om een krachtdadig eind te maken aan de ketterijen, die overal in hunne landen vermeerderden. Toen de contracten waren geteekend, koos Hendrik Oranje, Aerschot en Egmond uit, om hem naar Parijs te vergezellen en hem tot onderpand voor de vervulling van het verdrag te strekken. Oranje ging daar dan ook reeds vroeg in April heen.

Ongelukkig bestaan er geen particuliere brieven meer van Oranje gedurende dit Parijsche bezoek. Kleine aanteekeningen, zooals hij schreef uit het ongemakkelijke kampleven, eindigden voor altijd met het leven van Anna van Buren. De brieven aan zijne bloedverwanten in Dillenburg zijn verdwenen, zoodat het onbekend is gebleven, wat zijn indrukken waren van de Fransche hoofdstad.

Toch is een eigenaardig verhaal bekend geworden, waaruit het medelijdende hart van onzen Willem duidelijk blijkt.

“De Prins was te Parijs in een hotel gelogeerd, waar de provisiekamer van den bottelier uitzag op een laan door middel van lage vensters met ijzeren traliën. In de nabijheid stond een schenktafel met prachtig zilver. Een booswicht, die dat ontdekt had, peinsde op middelen, om er zich meester van te maken en voorzag zich van lange haken, waardoor hij de stukken een voor een naar het ijzeren traliewerk haalde en die niet door de gaten konden, met kracht omboog. Hij wist op deze manier al het schoonste naar zich toe te halen.

“Dit onaangenaam geval verontrustte hen, die de zorg voor het zilver hadden zeer, doch eindelijk werd de dief om een andere schurkenstreek gevat; hij bekende, dat hij ook dezen diefstal had begaan en werd tot den strop veroordeeld.

“Toen de dag van de strafoefening was aangebroken, werd juist op het oogenblik, dat de goede Prins met den koning van de jacht terugkeerde, de booswicht naar de galg geleid. De Prins zag dit en hoorde van een voorbijganger, om welke misdaad hij den dood moest ondergaan. Deze, die den Prins niet kende, antwoordde, dat het de man was, die het zilveren vaatwerk van den Prins van Oranje had gestolen. Met aandrang richtte de Prins zich daarop tot den koning, hem verzoekende het leven van den misdadiger te sparen.

“De koning bewilligde er in en in vollen galop reed toen de Prins zelf naar de menigte, die zich verzameld had om getuige te zijn van het akelig schouwspel, staakte de executie tot de aankomst des konings en redde alzoo den dief uit de handen van den beul. Na hem vermaand te hebben, in de toekomst een beter leven te leiden, gaf hij hem in naam des konings de volle vrijheid terug. Het grootste deel van het zilver kreeg de Prins weerom.”

De gijzelaars vonden blijkbaar het vaststellen der eindbepalingen van het verdrag geen gemakkelijke zaak, want voortdurend werden die om nietige redenen uitgesteld. Met veel pracht en plechtigheid werd het huwelijksverdrag tusschen Elisabeth van Valois en Filips II op den 22enJuni, bij afwezigheid van den laatste gesloten, terwijl Alva zijn gevolmachtigde was. Op den dag van het huwelijk had Oranje zoo hard gewerkt, dat hij verplicht was den volgenden dag te bed te blijven.

Dat de onderhandelingen zoo langzaam vorderden, was ook onvermijdelijk, daar beide partijen bevreesd waren te zullen worden bedrogen; bovendien waren er tal van feesten, om de langwijligheid van de zaken wat te breken.

Daaronder was ook een jachtpartij in de bosschen van Vincennes, waarbij een belangrijk voorval plaats had. Op weg naar huis, waren Oranje en de Fransche koning van de rest der ruiters afgedwaald. Terwijl zij langzaam onder de boomen voort reden, begon Hendrik, in de meening, dat de jonge Hollandsche staatsman het volle vertrouwen van zijn Spaanschen koning genoot, hem te spreken over de bijzonderheden van het privaat verdrag, dat hij met Alva had gesloten, ten einde de ketterij uit de gezamenlijke landen van hem zelf en Filips uit te roeien. Wat er in Oranje moet zijn omgegaan, toen hij van het vreeselijke plan der vorsten hoorde, blijkt uit hetgeen hij later zelf in zijn Apologie schreef, n.l. dat hij “door medelijden getroffen werd met zooveel welvarende menschen, die aldus veroordeeldwerden tot vernietiging, in ’t bijzonder met dat land, waaraan ik zooveel verplichting had en waar men een inquisitie wilde invoeren, erger en wreeder dan die van Spanje.... Van deze dingen getuige zijnde, beken ik, dat ik van dat oogenblik af in ernst besloot, het Spaansche ongedierte uit dat land te verdrijven en nooit heb ik berouw gehad over mijn besluit.”

Oranje’s rit met Hendrik II in de bosschen van Vincennes. (Bladz. 48.)Oranje’s rit met Hendrik II in de bosschen van Vincennes. (Bladz. 48.)

Oranje’s rit met Hendrik II in de bosschen van Vincennes. (Bladz. 48.)

Of het geval zoo dramatisch is geweest als de Prins het voorstelt in zijn Apologie, mag betwijfeld worden, als we bedenken, dat dit stuk in 1580 werd geschreven, dus ruim 20 jaar na het voorval, doch hier staat tegenover, dat Oranje deze geschiedenis reeds in 1562 aan Granvelle moet hebben meegedeeld.

De zelfbeheersching, getoond bij dat gesprek in het bosch van Vincennes,heeft den Prins den naam van den Zwijgergeschonken, die hem het eerst door Granvelle moet gegeven zijn. Niet om een doorloopende karaktertrek, maar om een enkele daad is hem deze naam dus geschonken.

Op een der vele feesten, welke op die jachtpartij volgden, had het tournooi plaats waarin Hendrik II gewond werd, met het gevolg, dat hij enkele dagen later op 12 Juli overleed. Zelfs zijn lofredenaars konden niets goeds van hem vermelden.

Waarschijnlijk was Oranje toen niet meer te Parijs, want hij haastte zich, door Hendriks mededeeling verontrust, naar de Nederlanden te gaan zoo spoedig hij verlof kon krijgen, onder belofte echter onmiddellijk terug te keeren, zoodra hij werd opgeroepen.

Terwijl men in Parijs bezig was de eindbepalingen van het verdrag op te stellen, maakte Filips zich gereed aan zijn hartewensch te voldoen, de Nederlanden vaarwel te zeggen en die echt Spaansche rust te genieten. Hij had van zijn verblijf in het Noorden meer dan genoeg; de episode van zijn Engelsch huwelijk behoorde tot het verleden; van nu af was hij tot zijn eigen erfgoed bepaald. Een nieuw huwelijk was tot stand gekomen, terwijl het verbond met Frankrijk hem de gelegenheid had geopend, de vrijheid der godsdienstige gedachte uit te roeien, waartegen hij ieder jaar van zijn verder leven steeds meer haat koesterde.

Wat verlangde hij terug naar Spanje, waar hij zich in de landstaal zou kunnen uitdrukken en waar hij tenminste eene omgeving zou vinden, die meer met hem in aard en karakter overeenkwam. Vrijwel gedwongen was zijn verblijf in de Nederlanden geweest, maar nu belette hem niets meer die gewesten vaarwel te zeggen. Voor hij echter kon vertrekken, moest eerst zijn plaatsvervanger worden aangewezen, want Philibert van Savoye, de opvolger van Maria van Hongarije, was in zijn heerschappij over Piëmont hersteld en kon dus niet langer de betrekking van landvoogd vervullen.

Men zegt, dat Egmond en Oranje zich een oogenblik zouden gevleid hebben, dat de keus van den nieuwen landvoogd op een hunner vallen zou, maar waarschijnlijk is dit niet; zij moesten direct begrepen hebben, dat Nederlandsche edelen, hetzij inboorlingen als Egmond of genaturaliseerd als Oranje, geen landvoogden zouden zijn naar het hart van den tegenwoordigen koning.

Over twee mededingsters werd spoedig ernstig gedacht, n.l. de hertogin van Parma en die van Lotharingen; deze laatste werd door de Nederlandsche edelen begeerd, omdat zij onder haar naam zelf hoopten te regeeren.

Oranje vooral ijverde zeer voor haar, hetgeen ook verband hield met trouwplannen van den Prins.

Anna van Buren was slechts eenige maanden dood, toen Willem, het voorbeeld van zijn koning volgende, begon uit te zien naar een tweede echtverbintenis. Zelfs zeer kort na den dood zijner eerste vrouw, had de Prins een liaison, die niet tot een huwelijk leidde, maar toch te wereldkundig is geworden, om er niet van te spreken. Het was een Vlaamsch meisje, Eva Eliver genaamd, dat hem bekoorde en hem in September 1559 een zoon schonk, bekend onder den naam Justinus van Nassau, welke natuurlijke zoon van den Prins, naar de gewoonte der tijden, een opvoeding, overeenkomstig den stand van zijn vader ontving en dientengevolge ook later gouverneur van Breda en admiraal van Zeeland werd. Van een huwelijk met die Eva kon geen sprake zijn; zij huwde later met den secretaris van de stad Hulst, A. Arondaux.

De Prins zelf moest eene vrouw zoeken van zijn stand en geboorte. De eerste, op wie hij den blik vestigde, was Madame de Touteville, dochter van den graaf van St. Pol, schoonzuster van den koning van Navarre en weduwe van den hertog van Enghien. Deze weduwe, nauwelijks 17 jaar, was een der rijkste en schoonste erfgenamen van Frankrijk. De Prins leerde haar kennen tijdens zijn gijzelaarschap in Parijs en schijnt om hare hand aanzoek te hebben gedaan. Ongetwijfeld was haar rijkdom, bij den toenmaligen staat zijner eigen geldmiddelen, eene sterke attractie voor Oranje. Doch zoowel Filips II als Hendrik II werkte dit huwelijksplan tegen; Filips, omdat hij ongaarne de verbinding zag van Nederlandsche heeren met Fransche geslachten; Hendrik, omdat hij een ander voor de rijke erfdochter op het oog had, die haar echter ook niet kreeg.

Toen dit huwelijksplan was afgesprongen, richtte Oranje zijn blik op Renée van Lotharingen, oudste dochter van den hertog Frans van Lotharingen en Christierna van Denemarken. Deze was de door de Nederlandsche grooten, inzonderheid de door Oranje begeerde opvolgster van den hertog van Savoye als landvoogdes der Nederlanden; zij was, volgens Catharina de Medicis, “la plus glorieuse femme, que je visse jamais.” Haar schoonheid was niet minder beroemd, dan die harer dochter. Misschien werd Oranje ook daardoor getroffen, maar de hoofdbedoeling van zijne poging, om Renée te huwen, lag in de politiek. Hare moeder, de fiere dochter van koning Christiaan van Denemarken en van Isabella, zuster van Karel V, was een eigen nicht van Filips II en zij had alle hoop, dat de koning van Spanje haar tot landvoogdes zou benoemen. Zij was een zeer eerzuchtige vrouw, steunde niet alleen elke poging om het huis Holstein uit Denemarken te verdrijven, maar sprak ook haar woord mede in de Europeesche staatkunde. Te Cateau-Cambrésis was zij zelfs een ijverige onderhandelaarster en daar schijnt ook het huwelijksplan van hare dochter met Oranje te zijn beraamd, omdat de laatstgenoemde hare kansen om landvoogdes te worden, zeer groot achtte en hij alsdan onder haar naam in de Nederlanden zou kunnen regeeren. Aan beide verwachtingen werd de bodem ingeslagen. “Tusschen de niet verloving van den Prins met Renée van Lotharingen en de niet benoeming van Christierna tot landvoogdes is een duidelijk voelbaar verband.” Koning Filips schijnt zelf ook aan Christierna geschreven te hebben, datzij het aanzoek van Oranje van de hand moest slaan. In het openbaar hield Filips zich, alsof hij dat huwelijk goedkeurde. Maar hij wilde zijn heerschzuchtige nicht buiten de Nederlanden houden en buiten staat, om onder de Nederlandsche edelen een partij te vormen.

Margareta werd tot landvoogdes gekozen, vooral door den invloed van Granvelle. De benoeming van deze bastaardzuster van den koning was de eerste gevoelige nederlaag voor de nationale partij onder Filips’ bestuur. Margareta was het oudste kind van den overleden keizer, buiten huwelijk geboren, vier jaar voor zijn huwelijk, maar als een erkende dochter, door de zorg van Karels tante en later van zijn zuster, opgevoed. Op twaalfjarigen leeftijd was zij gehuwd met Alexander de Medicis, een ellendigen nakomeling van de familie Medicis, wiens dood binnen een jaar na dat huwelijk geen ongeluk was voor zijn jonge vrouw. Haar tweede echtgenoot was Ottavio Farnese, zeven jaar jonger dan zij, met wien zij vrij gelukkig was. Als vrouw was zij geen aantrekkelijke persoonlijkheid. “De waarheid is, dat haar geest niet alleen haar sekse te boven ging, maar zij ging zoo gekleed en had zulk een houding, alsof zij niet was een vrouw met een mannelijken geest, maar een man in vrouwenkleeren. Zij was zoo sterk, dat zij aan de hertenjacht gewoonlijk mededeed, hetgeen de lichaamskracht van vele mannen te boven ging. Op haar kin en bovenlip groeide een baardje, dat haar mannelijke gelijkheid gaf en groot gezag. Zij had een helderen geest en kon met wonderlijke handigheid de zaken van alle kanten bekijken.”

Op het punt van godsdienst was zij bekrompen en bijgeloovig, op ’t gebied van staatkunde reeds bedorven in de leerschool van Macchiavelli en wat haar kundigheden betreft was zij zeer middelmatig; ze kon nauwelijks het Fransch schrijven, dat te Brussel altijd als hoftaal had gegolden.

Hoe kon deze vrouw, die bij haar verschijning liefde noch achting kon inboezemen, bewaakt door het achterdochtig oog van Filips en geplaatst onder de voogdij van Granvelle, een krachtige, vrije ontwikkeling geven aan den adel, die haar omringde?

Ziedaar de nieuwe meesteres onder wie Oranje zijn loopbaan als staatsman aanving. Zijn leerjaren waren voorbij. Als page had hij den keizer trouw en loyaal gediend en onder zijn banieren zijn eerste campagnejaren doorleefd. Met den nieuwen meester had hij forten gebouwd en gekampeerd en daarna was hij ingewijd in het moeielijker werk, om verdragen tot stand te brengen. Voortdurend was zijne verantwoordelijkheid grooter geworden en nu stond hij aan den aanvang van het moeilijkste deel van zijn loopbaan. De ondervinding, die hij reeds had opgedaan en het hooge standpunt, dat hij innam onder de Nederlandsche heeren, gaven hem recht om mede te werken aan het eerste openbaar verzet tegen den wil des konings. Nog voor deze naar Spanje terugkeerde, zou hij van den aanvang van dat verzet getuige zijn.

De eenige regelmatige regeeringstroepen in de Nederlanden waren de zoogenaamde “bandes d’ordonnance”, die uit 3000 ruiters bestonden, in 14 escadrons verdeeld, ieder onder het commando van een stadhouder of edele. Behalve dezetroepen waren er in het jaar 1559 nog omstreeks 4000 vreemde soldaten, voornamelijk Spanjaards, in het land ingekwartierd. Wat moesten deze vreemde troepen nog na den vrede in het land doen? Toen Hendrik II in het bosch van Vincennes zijn vertrouwelijke mededeeling aan Oranje deed, was een van de punten, die bijzonder de verontwaardiging van den Prins hadden gewekt, dat die vreemde troepen van nu aan zouden gebruikt worden om de ketterij te onderdrukken, daar hun diensten niet verder noodig waren tegen een buitenlandschen vijand, sinds Frankrijk en Spanje zich hadden verbonden. Om elke schikking dienaangaande te voorkomen, had Oranje zijn verblijf in de Fransche hoofdstad bekort en zich huiswaarts gespoed; hij wachtte slechts op een gelegenheid, om tegen het langer verblijf dier Spaansche troepen op te treden.

De Staten-Generaal, die Filips, in strijd met het voorbeeld van Maria, de vroegere landvoogdes en met de waarschuwing van Granvelle, kort na den afstand van Karel V had bijeengeroepen, om beden toe te staan, werden, al was de uitslag van die eerste samenroeping niet naar wensch geweest, toch nog eenmaal vóór Filips’ vertrek door hem te Gent vereenigd om afscheid van hem te nemen en Margareta als Filips’ vertegenwoordiger te verwelkomen.

Op den vastgestelden dag waren de Staten vergaderd en verscheen de koning met de nieuwe landvoogdes, den hertog van Savoye en vele gezanten en edelen in hun midden. Aan Granvelle was de taak toevertrouwd de afgevaardigden in naam van den vorst toe te spreken. In sierlijken stijl en hoogdravende woorden werd meegedeeld, waarom Filips zijn geliefde gewesten ging verlaten, dat alleen innige liefde voor de Nederlanden hem had genoopt tot het einde van den oorlog hier te blijven. Het achterlaten der Spaansche troepen werd met een enkel woord vergoelijkt en aan de Staten op het hart gedrukt, de edicten van wijlen zijn vader alle uit te voeren. Bovendien verzocht de koning nogmaals een bede, nu van 3 millioen florijnen, daarbij herinnerende aan de omstandigheid, dat al het geld, evenals dat vroeger was geschied, ten nutte van de geliefde gewesten zou worden besteed. Na het eindigen dezer rede gingen de Staten uiteen, om volgens oud gebruik die bede te overwegen en op den volgenden dag deelde elk gewest afzonderlijk zijn antwoord mede.

De Staten van Artois waren de eerste, die hun besluit moesten voorlezen. In navolging van de rede van hun souverein spraken ze in niet minder sierlijke woorden van hun innige verknochtheid aan hun vorst; ze beloofden tevens plechtig, zoover hun aandeel betrof, de nieuwe bede op te brengen. Filips had hen onder al die vleiende woorden glimlachend aangekeken, maar op hetgeen aan het slot werd vermeld, had de koning niet gerekend. De Staten toch eindigden met Zijne Majesteit ernstig te verzoeken, als vergoeding voor hunne bereidvaardigheid,onmiddellijk de Spaansche troepen uit de Nederlanden te verwijderen.

Bij deze onverwachte wending in de toespraak van de afgevaardigden verdween niet alleen zijn glimlach, maar toonde de vorst zich diep beleedigd. De Staten der andere gewesten volgden, maarverzochtenniet als die van Artois de verwijdering der vreemde troepen, doch stelden dit vertrek als voorwaarde voor het verleenen van de bede.

Behalve de antwoorden der afzonderlijke Staten werd nog voor het uiteengaan der vergadering een afzonderlijk formeel protest in naam der Staten-Generaal aangeboden, onderteekend door den Prins van Oranje, Egmond en vele andere Nederlandsche edelen. In dit protest werd de zaak bij den rechten naam genoemd, werd gewezen op de rooverijen en uitspattingen van het “Spaansche ongedierte” en bovendien met nadruk aangedrongen de belangen van den Staatnietaan vreemdelingen, doch zooals van ouds, aan inboorlingen over te laten.

Was Filips door de antwoorden der Staten reeds ten diepste beleedigd, de aanbieding van het laatste verzoekschrift deed de maat bij hem overloopen. Woedend stond hij op, verliet de vergadering onder het uiten der woorden: “Of ze hem die ook een Spanjaard was, niet mede het land wilden doen ruimen.”

Voor het eerst had men zich in de noordelijke gewesten openlijk tegen den Spaanschen koning verzet en Oranje, die zooals we zagen, het stuk mede onderteekend had, was blijkbaar bij deze gelegenheid de man geweest, die de leiding had gehad. Vandaar, dat het niet vreemd is, dat men het volgend voorval vermeld heeft, al was het alleen maar om uitdrukking te geven aan de algemeene opinie, dat de Prins van Oranje de hoofdleider van die beweging in de zaak van het Spaansche krijgsvolk is geweest.

Toen alle toebereidselen voor het vertrek van Filips gemaakt waren, vertrok de koning naar Vlissingen, vanwaar de vloot naar Spanje zou uitvaren. Onder de aanzienlijksten van deze gewesten, die hem uitgeleide deden, behoorde ook de Prins van Oranje. Het afscheid was zeer hartelijk; Filips omhelsde de edelen, doch zich tot den Prins van Oranje keerende, verweet hij hem bitter de houding door de Staten tegenover hem aangenomen. De Prins verontschuldigde zich, zei dat alles langs regelmatigen weg was geschied en het niet zijne beslissing, doch die van de Staten was geweest, waarop Filips den Prins verontwaardigd bij den arm greep en uitriep: “No los estados, ma vos, vos, vos!” “Niet de Staten, maar gij, gij, gij!”

De Prins van Oranje zou na deze openlijke beleediging zich niet aan boord van ’s konings schip hebben begeven, maar zich vergenoegd hebben hem van den wal af een goede reis toe te wenschen!

Hoewel het verhaal niet geheel betrouwbaar is, kan het als bewijs dienen hoe de tijdgenooten dachten over het aandeel, dat de Prins in het verzet had en hoe ze hem als de ziel der beweging beschouwden.

Den 26enAugustus 1559 ging de vloot, uit negentig schepen bestaande, te Vlissingen onder zeil en bracht den koning na een zeer stormachtige reis behouden naar Spanje.

Wel had hij beloofd binnen drie of vier maanden de vreemde soldaten uit het land te zenden, bij welke belofte zich de Staten hadden neergelegd, maar het duurde nog tot 1561, eer het geschiedde. De Prins van Oranje en Egmond werden met het opperbevel over de Spaansche regimenten belast, doch eigenlijk voerden Romero en Mendoça het bevel. Oranje en Egmond leenden alleen hun naam.

Dat deden ze ook bij het lichaam van den Raad van State. Ten einde hun houding daarin, vooral die van Oranje, te begrijpen, is het noodig, eenigszins vannaderbij de regeeringslichamen te beschouwen, die in werking waren bij het vertrek van Filips. De landvoogdes werd bijgestaan door de drie Raden, die van 1531 af reeds onder Karel V waren ingesteld, namelijk de Raad van State, die van Financiën en de Geheime Raad. De beide laatsten waren onmisbare werktuigen voor de regeering. Aan het hoofd van den Raad van Financiën stond Barlaimont; aan dat van den Geheimen Raad, die zich met de administratie van recht en wet ophield, was Viglius geplaatst. De Raad van State moest op den algemeenen gang der regeering invloed uitoefenen; in zaken van oorlog en vrede, van landsverdediging en rustbewaring moest die Raad, uit de aanzienlijksten van het land samengesteld, de landvoogdes voorlichten. Uit Nederlanders samengesteld, moest hij aan het volk ten waarborg strekken, dat, wie ook landvoogd wezen mocht, de strekking der regeering niet anti-nationaal zou wezen. De landvoogdes Maria echter vond reeds in dien Raad een te groote beperking van haar eigen gezag, en Granvelle, die bij Filips’ vertrek door hem aan Margareta was aangewezen als haar raadgever en die in alle drie Raden zitting had, wist Margareta van Parma te overtuigen, dat ze niet beter kon doen, dan Maria’s voorbeeld te volgen en zoo weinig mogelijk den Raad van State te raadplegen. Hij kon niet opgeheven worden, maar hij werd een bloot sieraad, dat aan de regeering een nationalen glimp moest geven.

In dat lichaam, in oorspronkelijke bedoeling zoo veelbeteekenend, maar afgedaald tot den rang van versiering, werd ook Oranje met Egmond gekozen. Wel begrijpende dat zij, daarin zitting nemende, alleen als instrument zouden dienen, begonnen ze met voor die eer te bedanken, doch daar Filips hun een belangrijk geschenk in geld gaf, namen ze de benoeming aan, op voorwaarde, dat ze dan ook werkelijk zouden worden geraadpleegd. Ras ontdekten ze, hoe ze bedrogen waren, want Granvelle, Viglius en Barlaimont overlegden eerst alles in de Consulta, en brachten slechts in den Raad van State wat zij goedvonden. We zullen nader zien, hoe onder tal van andere rechtmatige grieven, de miskenning die Oranje in den Raad van State ondervond, den doorslag tot zijn verzet heeft gegeven.

De verschillende gewesten werden onder stadhouders gebracht. Holland, Zeeland en Utrecht kwamen onder het stadhouderschap van den Prins van Oranje, gelijk Vlaanderen en Artois onder dat van Egmond; Gelderland en Zutfen onder dat van Meghen; Friesland, Groningen en Overijsel onder dat van Aremberg, enz. Het was dientengevolge de eerste taak van den Prins, de staten van zijn bestuur samen te roepen en er voor te zorgen, dat zij voorzieningen zouden treffen om hunne quota’s (aandeelen in de belasting) te voldoen. Te midden van deze bezigheden kwam er een oproeping tot hem, om aanwezig te zijn bij de kroning van den nieuwen koning van Frankrijk, Frans II, te Reims. In die dagen schreef Margareta den Prins uit Brussel op den 13enSeptember het volgende:

“De weg, dien gij hebt ingeslagen, om de Hollanders te overreden, schijnt zeer goed geweest te zijn.... Ik zou liever gezien hebben, dat de Franschen u thans maar niet hadden opgeroepen, want ik heb voor het tegenwoordige uwe diensten zeer noodig. Men geeft mij echter de hoop, dat uw verblijf in Frankrijk van korten duur zal zijn.”

“De weg, dien gij hebt ingeslagen, om de Hollanders te overreden, schijnt zeer goed geweest te zijn.... Ik zou liever gezien hebben, dat de Franschen u thans maar niet hadden opgeroepen, want ik heb voor het tegenwoordige uwe diensten zeer noodig. Men geeft mij echter de hoop, dat uw verblijf in Frankrijk van korten duur zal zijn.”

Margareta beveelt verder Oranje ten krachtigste aan, in Frankrijk zijn invloed aan te wenden, dat men zich haasten zal met de restitutiën, bij den vrede bepaald; dan zal men ook van de zijde van den Spaanschen koning alles aanwenden, om hetzelfde te doen. Ook stelt zij in dat schrijven voor, in zoo verre eene verandering te brengen in de plaatsing van de gehate Spaansche troepen, die onder commando (?) van Egmond en Oranje waren gesteld, dat die naar de grenzen van Luxemburg en Henegouwen zouden vertrekken.

In Reims volbracht de Prins zijne zending. Op 15 October 1559 was hij in Brussel terug en daar ontving hij de droevige tijding, dat zijn vader, graaf Willem van Nassau, den 6enOctober op den leeftijd van 72 jaar was gestorven. Bijna zijn geheele leven had Oranje, van zijn vader verwijderd, doorgebracht en onder invloeden, die wel in staat waren, een jongmensch van ouderlijke invloeden te vervreemden. Bij den Prins was dit, gelijk wij in het volgend hoofdstuk zien zullen, niet het geval geweest. Bij de aanvaarding der erfenis van Chalons, had Willem van het grootste deel van zijn erfgoed in Nassau afstand gedaan en alleen ter wille der titels een zeker recht op de voorvaderlijke kasteelen behouden. Nu werd hij natuurlijk het hoofd der familie en alszoodanigontving hij alle eer en onderscheiding aan het hoofd der Nassau’s verschuldigd; maar de Duitsche landen vielen terecht aan zijne broeders ten deel, die op Duitschen bodem waren gebleven.


Back to IndexNext