Hoofdstuk XVII.Onderhandelingen. Beleg van Alkmaar. Vertrek van Alva. 1573.Zooals we zagen was de Prins onvermoeid werkzaam geweest in het belang van Haarlem en Holland; die werkzaamheid was waarlijk niet gering geweest, als we bedenken, dat er groote verwarring heerschte, dat het in bestuurs- en rechtszaken treurig gesteld was, ook al door de verdeeldheid onder de regenten, vroedschappen, schepenen en steden.Trots alle pogingen om Roomsch en Geus te doen samengaan, steeg met den dag de haat tusschen Calvinisten en Katholieken en werden de eersten bijna overal de machtigsten. Terwijl Oranje intusschen met zijn broeders en verwanten druk correspondeerde over het zenden van een leger, waren er nog andere gewichtige zaken te behandelen. Hieronder neemt een eerste plaats in, het opnieuw aanknoopen van onderhandelingen met Frankrijk. Het schijnt vreemd, dat reeds in October 1572, dus slechts twee maanden na den beruchten Bartholomeusnacht, Oranje weder in verbinding trachtte te komen met het hof van Karel IX, maar de Prins had gehoord, dat de koning onmiddellijk na den moord berouw had gehad en als echt staatsman wilde Oranje in zijn politiek belang daarvan gebruik maken.Van Fransche zijde was voorgewend, dat de Bartholomeusnacht alleen het gevolg was geweest van eene Calvinistische samenzwering tegen den koning, maar dat hij volstrekt geen verandering gebracht had in de verhouding van Frankrijk tot Spanje, welks macht Frankrijk bleef vreezen en waartegen het zich zou blijven verzetten. Graaf Lodewijk had volstrekt geen lust met het verraderlijke Frankrijk weer in onderhandeling te treden; zijn geheele gemoed kwam daartegen in opstand. De Prins dacht er anders over; zijn staatkundige blik achtte die onderhandeling onmisbaar voor de toekomst en hij hoopte met Frankrijk tegen Spanje den oorlog voort te zetten, teneinde de volkomen vrijheid van de Noordelijke gewesten te verkrijgen. Voor dezen raad van den Prins bezweek ook Lodewijk.Van andere zijde was er zelfs bij Oranje op aangedrongen om rechtstreeks met Spanje te onderhandelen, waartoe de keizer zijn bemiddeling aanbood.Uit een brief van den 5enFebruari aan zijn broeders geschreven blijkt, hoe weinig vertrouwen de Prins heeft in onderhandelingen met Spanje. Toch wil hij zijn broers en de Duitsche vorsten niet terughouden van hetgeen zij meenden, dat gedaan kon worden.Op Engelands hulp kon in ’t geheel niet worden vertrouwd; Elisabeth had toenadering tot Alva getoond en het aanbod van den Prins, om Holland en Zeeland onder haar gebied te brengen, had de vorstin afgeslagen. Engeland poogde zelfs de handelsbetrekkingen met Spanje te hernieuwen, maar hoewel dit mislukte, bleef Elisabeth als vroeger even dubbelzinnig tegenover de Watergeuzen.In een aanknooping der vredesonderhandelingen met Spanje zag Oranje echter erg weinig licht; toch waren er die meenden, dat het succes kon hebben. Jan van Nassau ging zelfs in Mei naar Keulen, uitdrukkelijk met het doel den vrede te bevorderen, terwijl de landgraaf van Hessen zich bereid verklaarde als bemiddelaar op te treden om den vrede tusschen Filips en zijne onderdanen op den grondslag van den vrede van Augsburg van 1555 te helpen stichten.“Ik kan me niet voorstellen,” schrijft Oranje aan Lodewijk, “dat de Koning van Spanje ooit eenigen vrede met zijn onderdanen sluiten zal, dan alleen in den vorm van pardons, die gewoonlijk vol capties en excepties zijn en buitendien natuurlijk weinig vertrouwbaar, omdat een gunst weder naar willekeur en welbehagen kan worden teruggeroepen.”Wat het verbond van Frankrijk aangaat, waarop Oranje altijd hoopt, schrijft hij aan Lodewijk, dat de Staten er een groot wantrouwen in koesteren, tengevolge van de vreeselijke daad, die de koning van dat land op zijn geweten heeft en, gaat de Prins verder:“Men acht zijn verraad, zijn tirannie en wreedheid zoo verschrikkelijk, dat men beweert, dat het dan nog beter is, door zijn natuurlijken vorst te worden onderdrukt en die meening is diep in het hart van ieder geworteld en is inderdaad redelijk.”Alleen echter van Frankrijk, den ouden vijand van het Bourgondisch-Habsburgsche huis, verwachtte Oranje op den duur hulp.Zooals we zagen, daagde er voor Haarlem geen hulp van Lodewijks kant en moest de stad zich ten slotte overgeven.Dat Haarlems val grooten indruk maakte is licht te begrijpen; Oranje ging de steden rond, ze “bezoekende en sterkende” gelijk een oud schrijver zegt. Wel klaagde de Prins, dat hij raad noch steun in deze moeilijke omstandigheden ontving, maar zijn grootste kracht vond hij in die dagen in zijn vurig en warm geloof. Van dien tijd dagteekent ook de bekende uiting, welke van zijn godsdienstig gemoed de hoogste getuigenis aflegt. Op de vraag van zijn vrienden in Noord-Holland, of hij geen machtig vorst tot bondgenoot had, schreef hij hun deze indrukwekkende woorden:“Wij willen u daarop antwoorden, dat, aleer wij deze zaak tot bescherming der Christenen en andere verdrukten in dit land zijn begonnen, wij met den alleroppersten Potentaat der Potentaten zulk een vast verbond hebben gesloten, dat wij geheel verzekerd zijn, dat wij en al degenen die daarop vertrouwen, door zijn geweldige en machtige hand ten laatste nog ontzet zullen worden.”Die bemoedigende toon hielp. De bevolking van Holland besloot, ook zonder andere bondgenooten, den strijd voort te zetten. En het was, alsof die nieuwe moed, in het hart der bevolking overgestort, ook aanstonds eenig licht in den donkeren toestand aanbracht. Want van Alkmaar begon de victorie!Na Haarlem kwam Alkmaar aan de beurt. Reeds in Juli, nog tijdens het beleg van de Spaarnestad, hadden de Spanjaarden een vergeefsche poging gedaan de stad te nemen, maar nu Haarlem gevallen was en ook de muiterij onder het Spaansche krijgsvolk was bedwongen, kon Don Frederik al zijn krachten gebruiken om ook deze stad in het lot van Haarlem te doen deelen.De Spaansche krijgsoverste had goede plannen, want hij was reeds besloten tegenover Alkmaar niet zoo goedertieren (!) op te treden als tegen Haarlem. Aan Filips schreef hij zelfs, dat er in de stad geen levende ziel behoorde gelaten te worden, want met goedheid was er met dit volk niets uit te richten.Den 21enAugustus begon de insluiting en binnen enkele dagen reeds kon Alva aan zijn koning berichten, dat “geen mensch bij mogelijkheid uit of in de stad kon komen.”De strijd was wel ongelijk! De sterkte der belegeraars bedroeg ongeveer 16000 man, allen ervaren in den krijg, terwijl de stad een 2000 weerbare mannen telde, waaronder een 700 krijgslieden van beroep waren.Van overgave, zooals Don Frederik bij aankomst eischte, was echter geen sprake. De opperbevelhebber met de Burgemeesters en vroedschappen besloten zelfs, niet met den vijand “in gesprek te treden”.De bezetting begreep welk lot haar te wachten stond en besloot zich tot het uiterste te verdedigen, maar daarbij rekende zij op een machtigen bondgenoot: het water. De onderwaterzetting van de omstreken bracht natuurlijk tal van bezwaren mede en zoo besloot men iemand met brieven naar Sonoy te zenden, teneinde het doorsteken van de dijken te verkrijgen.Het gelukte Pieter van der Meij het waagstuk te volvoeren. Met een in lood gewikkelden brief, welke in een polsstok was geborgen, wist hij door het vijandelijk kamp te komen.Intusschen hadden de belegeraars niet stilgezeten, doch de vele schermutselingen, welke hadden plaats gehad waren zonder groote gevolgen gebleven. Den 18enSeptember werd door Don Frederik een ernstige aanval op de stad gedaan; na gedurende twaalf uur op de stad geschoten te hebben, trachtte debevelhebber de veste stormenderhand te nemen. Met groote onstuimigheid rukten de troepen met de Lombardische keurbenden aan het hoofd op de Friesche poort en den rooden Toren los, maar de ontvangst viel hun niet mee.Alle burgers waren op de wallen; de bestormers, zegt een tijdgenoot, werden met grof geschut, musket- en pistoolvuur begroet; kokend water, pek en olie, gesmolten lood en ongebluschte kalk stroomden op hen; honderden brandende pekkransen werden hen behendig om den hals geslingerd en vruchteloos worstelden zij om zich van die doodelijke halskragen te ontdoen; niet zoodra had een hunner den voet gezet in de bres, of hij werd met zwaard en dolk door de burgers ontvangen en hals over kop in de gracht teruggeworpen.De aanval werd tot driemaal toe ondernomen, maar ook telkens weer afgeslagen. Niet alleen mannen, maar ook vrouwen en kinderen namen aan de verdediging deel; ze stoorden zich niet aan het fluiten der kogels en voorzagen de mannen op de wallen van kruit en lood, dat ze uit de tuighuizen haalden. Zulk een hardnekkig verzet bleef dan ook niet zonder succes, want tegen het vallen van den avond trokken de Spanjaarden af met een verlies van eenige honderden dooden. Alva’s vergrijsde krijgers hadden het dien dag afgelegd.De stad van Alkmaar behielt de kroon,Zij gaaven de Spanjaards kranssen,Pijpen en trommelen gingen daar schoon,Men speelde daar vreemde danssen,De Spanjaards stonden daar vergaart,Zij dansten een nieuwe Spaansche galjaart,Maar zij vergaten te komen in hun schansen.Het is begrijpelijk, dat de burgers bemoedigd werden door dezen uitslag en ook de berichten van een gevangen genomen Spanjaard brachten de belegerden op de hoogte van den toestand en de plannen van den vijand.Het was intusschen van der Meij gelukt Sonoy te bereiken en deze had reeds enkele dijken laten doorsteken, zoodat het land in den omtrek der legerplaats reeds drassig was geworden.Oranje gaf in een brief, welke van der Meij aan Sonoy overbracht te kennen, dat het beter was het land geheel onder water te zetten, dan Alkmaar in handen van de Spanjaarden te doen overgaan. Bovendien verzocht Oranje in dien brief aan de burgers vier seinvuren te ontsteken, indien tot de uiterste maatregelen moest worden overgegaan. Verheugd over deze goed geslaagde zending trachtte van der Meij weer binnen de stad te komen, hetgeen hem met veel moeite wel gelukte, maar hij had het ongeluk zijn stok te verliezen. Deze viel in handen van den vijand, waardoor Don Frederik op de hoogte kwam van den inhoud der brieven, welke hem voldoende toonde, hoe er alles op gezet zou worden om de stad te behouden.De geest onder het Spaansche krijgsvolk was er al niet beter op geworden na de vergeefsche stormaanvallen, maar als zijn soldaten nu nog vernamen dat een veel grootere vijand, het water, hen op de hielen zat, dan zou de toestand nog minder worden.Daarom gaf Don Frederik, meenende, dat men voor de eer der Spaansche wapenen genoeg gedaan had, bevel tot het opbreken van het beleg.Het was de 8eOctober! Alkmaar ontzet!Oorlof die daar in Alkmaar zijnDe Heer heeft zijnen zeegenGegeeven nu op dit termijnDoor zijnen grooten reegen.Door ’s menschen hulp nog door bijstandDan alleen door Gods magtige handHebt gij ’t ontzet gekreegen.1Behalve dit groote succes was Bossu op de Zuiderzee verslagen en werd deze koninklijke stadhouder gevankelijk binnen Hoorn gebracht.Wel stond daar tegenover het verlies van Marnix van St. Aldegonde, die bij Maaslandsluis gevangen genomen en naar Den Haag gevoerd werd, doch ook begon van verschillende andere zijden het licht door de wolken te breken.De zooeven aangehaalde getuigenis omtrent het innig geloof van Oranje, verdient eenige nadere toelichting, te meer omdat men juist dergelijke uitspraken van hem heeft aangemerkt als bewijzen voor het huichelachtig karakter van den Prins.Dit is echter onjuist, want het langzaam ontwaken van den Prins is historisch zeer duidelijk te constateeren. Vroeger zagen we reeds, hoe het bovenal tijdens zijn ballingschap in Dillenburg was ontwaakt en hoe de voortdurende omgang met zijne moeder, de vrome vrouw bij uitnemendheid, ook zijn hart allengs ontvankelijk had gemaakt voor het godsdienstig leven. Juliana bleef met den Prins, ook toen hij weer naar Holland was vertrokken, in voortdurende briefwisseling.“Met welk een blijdschap,” schreef zij aan Oranje tijdens het beleg van Haarlem, “heb ik uw schrijven ontvangen en uw welvaart gelezen! De Almachtige beschutte en bescherme U met al de Uwen en sta U bij in de groote zaak... Al laat het zich aanzien, of Hij ons had vergeten, Hij zal zich te zijner tijd met zijn hulp laten vinden...”Zou het anders mogelijk zijn geweest, dan dat zulke woorden den Prins zelf godvruchtig stemden? Hoe vreugdevol en deelnemend schrijft zijne moeder hem na de overwinning van Bossu op de Zuiderzee: “Met hoe hartelijke vreugde heb ik Uw brief ontvangen, waaruit ik de groote overwinning las, waarbij zoovele schepen en krijgslieden der vijanden door de genade Gods in Uwe handen gevallen zijn. Den Almachtige zij dank in eeuwigheid! Moge Hij altijd met U zijn en steeds de opperste Raadgever en Helper van mijn zoon in alle zaken blijven!” Zou die moederlijke toon tegenover den Prins, die in die dagen juist geklaagd had overzijne eenzaamheid, terwijl hij niemand had, die hem diende met hulp en raad, zou die moederlijke toon geen ingang gevonden hebben in zijn hart? Wij voor ons gelooven dit zonder eenigen twijfel en de stap, dien hij dan ook in de maand October deed en die hem voor goed zoowel van het “oud geloof” als van de Augsburgsche confessie scheidde, die stap is zielkundig zeer goed te verklaren, ook al nemen we daarbij alle wereldsche redenen in aanmerking, welke hem er mede toe bewogen.Wij bedoelen zijn openlijken overgang tot het Calvinisme. Op den 23enOct. schreef een zekere predikant, Bartholdus Wilhelmi, te Dordrecht wonende, aan een der Londensche Kerken: “Broeders! ik heb u niet kunnen verbergen de genade, die God ons bewezen heeft, dat de Prins van Oranje, onze Godzalige Stadhouder, zich tot de gemeente heeft begeven, het brood des Heeren met de gemeente gebroken en zich aan de kerkelijke tucht onderworpen heeft, hetwelk niet klein te achten is.”Neen waarlijk, die stap van den Prins was niet gering te achten; integendeel, hij besliste over de toekomst der Nederlanden. Het is bekend genoeg, dat de Prins met de omhelzing van het Calvinisme, in geen enkel opzicht aansprakelijk wilde zijn voor den onverdraagzamen geest, die de Calvinisten gekenmerkt had en nog eeuwenlang zou kenmerken. De Prins moest zich echter met hen één van ziel en zin verklaren, wilde er iets van de redding van het land komen. Van de dweperij en den revolutionairen geest, die de Calvinisten voorheen hadden getoond, was hij geweldig afkeerig, maar daarvan waren ook de meeste Calvinisten genezen.Hij herinnerde zich met vreugde het levend geloof van zijn krijgsmakkers, de Hugenoten; hij behoefde thans noch zijn Luthersche vrienden en verwanten, noch de Anglicanen langer te ontzien. Met zijn overgang tot het Calvinisme was “de teerling geworpen, die over zijn verder levenslot moest beslissen.” Daarmede had hij tevens de toekomst van ons vaderland bepaald. Want eerst toen kon het volk hem ten volle vertrouwen en zich aan zijne leiding overgeven. Hij werd thans meer dan ooit de ziel van den opstand, die zonder zijn invloed, zonder zijn bemoediging, zonder zijn genie allerwaarschijnlijkst op niets was uitgeloopen.Het is wel jammer, dat er omtrent deze belangrijke gebeurtenis in zijn geschiedenis geen bijzondere brieven van den Prins meer voorhanden zijn. Natuurlijk heeft Lodewijk, die sedert zijn omgang met de Hugenoten, een ijverig Calvinist was, grooten invloed in dezen op zijn broeder uitgeoefend. In 1567 had de Prins nog van de verschillende geloofsbelijdenissen gezegd: “Het verschil is te kleen, om gesplijt te blijven.” En ongetwijfeld was dit nog zijn volle meening. Doch nu was het duidelijk, dat hij het staatkundig hoofd van het volk moest zijn. Daarom was het beter voor de algemeene zaak, dat hij zich met de grootste secte vereenzelvigde, om van die sterke stelling uit ook de andere te beschermen. Doelmatigheid was het voornaamste motief tot zijn daad, doch het was een zeer oprechte doelmatigheid. Hoe moeilijk het was, het hooge standpunt van zijn verdraagzaamheid te begrijpen, wordt wel bewezen door het feit, dat zelfs vele Calvinisten hem niet ten volle vertrouwden en met argwaan zagen, hoe vriendelijk hij zich betoonde tegenover menschen, die niet tot hun gemeenschap behoorden.Wij zagen reeds, hoe weinig de Prins verzuimde, om trots zijn “verbond met den Potentaat aller Potentaten,” toch ook langs andere wegen op redding voor het land bedacht te zijn. Zijne werkzaamheid was zelfs in dezen tijd verbazingwekkend. Geen enkele mogelijkheid in eenige richting liet hij onaangeroerd; geen enkele kans om hulp te verkrijgen of sympathie op te wekken, liet hij ontsnappen. Voortdurend richtte hij lange en gedetailleerde brieven aan zijn broeders. Aan hen liet hij de onderhandeling met de Duitsche vorsten over. Voor zich bleef hij trots al wat er gebeurd was, trots zijn eigen meening en die der Staten, dat het beter was zijn natuurlijken vorst tot een tiran te hebben, dan een tiran zooals Karel IX zich getoond had, eenig geloof in Frankrijk slaan en de hoop op Frankrijk behouden. Niet omdat hij òf Karel IX òf Catharina de Medicis vertrouwde, maar omdat hij inzag dat zij er belang bij zouden hebben, den indruk van den Bartholomeusnacht uit te wisschen en motieven van eigenbelang hen wel drijven konden tot ondersteuning zijner zaak.In Frankrijk was naast de Katholieken en de Hugenoten een derde partij ontstaan, onder den hertog van Alençon, de partij der politieken. Daarbij wenschte Catharina de Medicis den troon van Polen, die in Juli 1572 vacant was geworden, voor den Hertog van Anjou. Die poging gelukte en de nieuwe koning van Polen moest in het jaar 1573 naar zijn rijk vertrekken. Toen bood Karel IX den Prins van Oranje 100.000 kronen aan, om den oorlog tegen Spanje voort te zetten, onder voorwaarde, dat de Duitsche Protestantsche vorsten, den hertog van Anjou door hunne staten naar Polen zouden geleiden. Lodewijk was er de man niet naar, om aanstonds zonder slag of stoot op die onderhandelingen met het trouwelooze hof van Catharina in te gaan. De hardste waarheden zeide hij zoowel tot Fregoso, den afgezant van Catharina de Medicis, als in een brief aan Karel IX.Die brief, welke zelfs in druk verscheen, vertoornde eerst wel den koning, maar ook deze offerde zijn toorn aan de staatkunde op. Door zijn broeder en door de Nederlandsche belangen aangespoord, deed ook Lodewijk, hoewel schoorvoetend en het hart vol bittere verontwaardiging, telkens een stap voorwaarts in de richting van een nieuw Fransch bondgenootschap en schreef hij in December 1573, naar aanleiding van de samenkomst te Blamont met Fransche afgevaardigden, een brief aan den Prins.Hierin meldt hij, dat hij op raad van den Paltzgraaf een poging had gedaan om den nieuwen landvoogd te Heidelberg te ontmoeten, waar deze, op weg naar de Nederlanden, langs zou komen. Toen dit tot zijn spijt mislukt was, had hij een ontmoeting gehad met de koningin en haar zoon, den koning van Polen, die op weg naar zijn koninkrijk was. Het gevolg was geweest, dat Lodewijk aan Oranje thans kon mededeelen, dat de koning van Frankrijk beloofd had, de zaken van de Nederlanden te steunen, zelfs nog voordat de Protestantsche vorsten hetzelfde zouden willen doen. Verder bericht Lodewijk aan zijn broer, dat de zaken in Duitschland goed staan en zelfs de keurvorst van Keulen op den goeden weg is. Lodewijk belooft geld te zenden en hij geeft nog aan Oranje de verzekering, spoedig met een grooten of kleinen troep te komen.’t Was een brief vol goeden moed over de toekomst en in diezelfde dagen,dat de graaf zoo goed gestemd was, begon er voor Holland eenig licht door de wolken te breken. Wel was Haarlem gevallen, maar Alkmaar behouden en wij zagen reeds, hoe Bossu was verslagen. Ook in Zeeland waar de Boisots tegenover Mondragon stonden, begonnen de kansen zich ten gunste van den Prins te keeren. Daarbij waren er aan den kant van den vijand zeer donkere wolken te bespeuren. De tijd van Spanje’s grootsten bloei was in 1570 reeds voorbij, zelfs stond een staatsbankroet voor de deur. De strijd met het kleine Holland zou, gelijk Prof. Blok schrijft, verder een strijd zijn tusschen een kolossus op leemen voeten en een kleinen doch krachtigen tegenstander.Zelfs Alva kon, trots zijn succes, niet langer de Spaansche monarchie in de Nederlanden tot steun zijn. Behalve den vroeger reeds vermelden strijd tegen zijn persoon te Madrid, uitgaande van Ruy Gomez, en de geheime oppositie van Medina-Coeli, die hem toch ook niet opvolgde, werd de landvoogd door voortdurende geldelijke ongelegenheid gekweld. Hij had geen financieele hulpbronnen meer en kon zijn troepen daarom niet in orde houden. Bovendien was het aan een deputatie uit de Z. Nederlanden eindelijk gelukt, tegen zijn onmiddellijken raad in, den tienden penning weer geschorst te krijgen, met de belofte, dat hij zou worden afgeschaft. Van daar dat Alva met aandrang zijn ontslag vroeg, dat hem 19 Oct. werd verleend.Den 18enDecember 1573 verliet hij de Nederlanden en werd hij opgevolgd door Don Louis de Requesens y Zuniga. Het is hier de plaats niet, om het volledig stelsel van Alva te bespreken. Ongetwijfeld vond zijn tiende penning algemeen scherpe afkeuring; geen enkel katholiek schrijver zelfs zal een Alva meerverdedigen; en toch was zoowel zijn nieuwe wijze van belastingheffing en waren vooral zijn crimineele ordonnantiën verbeteringen in het beheer dezer landen. Zijn geheele optreden echter tegenover de Nederlanden heeft hem met den rechtmatigen vloek van tijdgenoot en nakomelingschap beladen. Hier zij nog deze trek uit zijn laatste regeeringsjaar vermeld, die hem als een der eersten doet kennen, die getracht heeft den Prins te vermoorden.Granvelle had vroeger reeds den koning aangeraden, zich van den Prins en zijn broeder Lodewijk door middel van sluipmoord te ontslaan en al was Filips op datzelfde oogenblik aan het onderhandelen met de Duitsche vorsten over den vrede met de Nederlanden, hij had er zijn goedkeuring aan gehecht. Nu deed zich het volgende geval voor: Een zekere Juan de Albornoz, secretaris van den hertog van Alva, schreef op den 12enFebruari 1573 aan den voornaamsten secretaris van Filips, Gabriël de Cayas, het volgende:“Hij, die het hoofd van den admiraal (Coligny) heeft aangebracht, heeft aangeboden ook een ander te dooden, die niet minder kwaad aan de Christenheid heeft berokkend dan die schurk, die thans in de hel is. Hij en twee anderen zijn er heen. God sta hen bij! Het is een onderneming, waarin ze God een grooten dienst zullen kunnen bewijzen en tegelijk zelf eer en voordeel mee zullen behalen...Uit Nijmegen, 12 Febr. 1573.”Stormaanval der Lombardische benden op Alkmaar. (Bladz. 244).Stormaanval der Lombardische benden op Alkmaar. (Bladz. 244).De secretaris van Filips liet dit aan den koning lezen en deze schreef er zelf in margine bij: “Ik begrijp dat niet, omdat ik niet weet, waar het hoofd van denadmiraal is gebracht, noch van wien dat andere hoofd is, hoewel het mij voorkomt, dat hiermee Oranje bedoeld wordt. Zeker hebben ze weinig hart getoond, met hem niet te dooden, want dat zou het beste geneesmiddel zijn.”En Cayas schreef aan Albornoz terug: “Ik heb Z. M. over die personen gesproken en over de middelen, om de beide broeders uit den weg te ruimen. Z. M. was daar zeer over voldaan. Geef mij door alle koeriers bericht van het resultaat; Z. M. zal er zeer bijzonder over verheugd en zeer tevreden mede zijn.”Men zegt, dat Alva een Albanees had gehuurd om den Prins te dooden, maar dat die verplicht was, zijn voornemen op te geven. Hij was geheel onbekend met het Vlaamsch en kon niet in tegenwoordigheid van Oranje komen. St. Goard, Fransch gezant te Madrid, schreef aan Karel IX, dat Alva en Don Frederik verschillende vertrouwde personen hadden, die den Prins wilden vermoorden. Maar Oranje was wel verdacht op zulk verraad. In elke richting had hij spionnen, tot zelfs in Filips’ eigen kabinet. Een klerk van denzelfden Cayas was in zijn dienst en verzuimde nooit een copie van alle brieven van den koning, die voor den Prins belangrijk waren, aan Oranje te zenden.We zullen Alva’s laatste dagen in de Nederlanden hier niet beschrijven. Zijn geldgebrek en schulden drukten hem zeer. Wat we nog wel moeten vermelden uit Alva’s laatsten tijd in de Nederlanden doorgebracht, is, dat hij in September 1573 de Staten van alle Nederlandsche gewesten opriep, om in Brussel te komen, ten einde hun ondersteuning te verkrijgen voor bijdragen. Oranje maakte van die gelegenheid gebruik, in zijn naam en in den naam van Holland en Zeeland een beroep te doen op de vergaderde Staten. Het bevatte een krachtdadigen oproep tot gezamenlijke handeling. Al de geldmiddelen, die Alva verkreeg om het volk te onderdrukken, kwamen uit hun eigen zak. Moesten de Staten dan kalmpjes voortgaan, om hem den zenuw van den oorlog te verschaffen, die tegen henzelf gericht was? Hun vroegere vorsten hadden geleefd op hun grond en nooit was hun een stuiver geweigerd. Waarom moest dan die vreemdeling misbruik maken van hetgeen geen ingeboren vorst ooit zou hebben durven vragen? Holland zou doen, wat het kon, al was ook Amsterdam niet met haar vereenigd. Als de Nederlanden slechts één waren, wat zouden ze dan niet kunnen doen!Dit stuk, in naam van de Staten opgesteld, werd gevolgd door een brief aan den koning van Spanje, die wijd en zijd over Europa verspreid werd. Met nietssparende kleuren werd daarin een schildering gegeven van de ellende van het land; het pardon, door Filips aangeboden, werd met verachtelijke uitdrukkingen gekenmerkt en daarop verklaarde de schrijver rond en open, dat de wapenen, die tegen Alva waren opgenomen, niet zouden worden neergelegd, zoolang er een hand was, die het zwaard kon hanteeren.Toen Requesens, met grooten tegenzin en bovendien met een wankelende gezondheid, in December 1573 Alva als landvoogd opvolgde, was de oorlogstoestand in Holland als volgt: Don Frederik was, gelijk we zagen, verplicht geweest, het beleg van Alkmaar op te heffen en ging toen voor een poos naar Amsterdam, van waar hij naar den omtrek van Leiden toog, om die stad te gaan insluiten. Toenechter vertrok hij zelf met zijn vader naar Spanje en gaf het bevel over het leger, dat Leiden insloot, aan Valdez over.De burgers dier stad hadden zich niet op deze gebeurtenis voorbereid, hoewel zij uit het voorbeeld van andere steden wel wijsheid hadden mogen putten. Haarlem en Amsterdam waren nog de eenige steden in Holland, die in de macht der vijanden waren, terwijl in Zeeland Middelburg nog Spaansch was, maar deze stad was door een geuzenvloot ingesloten. De tijdingen uit Duitschland waren zoo vol hoop, dat de Prins dacht in de lente misschien wel met den nieuwen landvoogd, van een voordeelig standpunt uit, te kunnen onderhandelen. Ook zonder bemiddeling van den keizer meende hij thans wellicht gelegenheid te hebben, tot een schikking met Filips te komen. Juliaan Romero, een vroegere krijgsmakker van Oranje begon in November tegenover den Prins eenige openingen tot onderhandeling te doen. “Ik heb drie of vier brieven van Juliaan Romero ontvangen, schreef Oranje aan zijn broeders, “vol hoffelijkheden en beleefde aanbiedingen, die ik op dezelfde wijze beantwoordde.”Uit de onderhandelingen met Romero blijkt, dat hij Oranje verzocht had met hem een samenkomst te hebben. De Prins ging daar echter niet op in maar beloofde een vertrouwd persoon te zenden om met Romero over de gevangenen te onderhandelen. Tot dezen behoorde nog altijd Marnix van St. Aldegonde en Romero verzocht den Prins, hem voor Bossu in te ruilen. Hoewel Oranje zeer gehecht was aan Aldegonde, ging hij toch op dit voorstel niet in, daar hij Bossu, den door den koning aangestelden stadhouder van Holland, een te hoogen prijs vond. Marnix en Bossu bleven derhalve vooreerst nog in de gevangenis, maar noch de een, noch de ander had reden tot klagen. Het bevreemdt ons daarom, dat er uit die dagen van Marnix’ gevangenschap brieven van hem aan den Prins bestaan, waaruit duidelijk blijkt, hoe hij den moed had verloren.Marnix gaat zelfs zoover, Oranje in overweging te geven met den strijd te eindigen, alle banden met het vaderland te verbreken en in een vreemd land te gaan leven, waar men zijn ziel in vrede kan bezitten. Hij acht dit beter dan in voortdurenden oorlog te verkeeren, “hetgeen niet anders kan uitloopen dan op goddeloosheid en ellende en die de goddelijke wraak zal wakker roepen,” zoo schrijft Marnix.Hoewel de Prins de goede bedoeling van zijn trouwen vriend Aldegonde waardeert, meent hij toch, na de Staten over den brief gehoord te hebben, het voorstel van Marnix geheel te moeten verwerpen.In zijn antwoord wijst hij erop, welke slechte gevolgen o. a. het accoord van 1566 heeft gehad, dat ten slotte op niets uitliep dan op de uitoefening van den waren godsdienst en den moord van duizenden; het volk, rekenende op de zoogenaamde pardons en verdragen, kwam jammerlijk bedrogen uit en hun vertrouwen werd beloond met verbanning en dood. Ook herinnert Oranje hem aan den gruwelijken Franschen moord, die niet tijdens den oorlog, maar in een periode van vrede, ja te midden van huwelijksfeesten plaats had. Neen, noch Oranje, noch de Staten willen er iets van weten en, zegt de Prins aan het slot van zijn schrijven: “Wil Z. M. werkelijk de tegenwoordige ellende doen ophouden, dan zal hij zich voor altijd een goeden naam hebben verworven.”Deze brief dagteekende van 28 November 1573 uit Delft, waar de gewone residentie van Oranje in die dagen was. Uit het overleg met de Staten blijkt tevens in welke verhouding de stadhouder sedert 1572 tot de Staten stond. Op de vergadering te Dordrecht was de Prins als stadhouder erkend, waardoor het gezag aan hem werd toevertrouwd. Spoedig was hij verplicht geweest door de overstelpende bezigheden en de herhaalde afwezigheid een deel van het bewind aan de Staten op te dragen, waardoor hun invloed steeds grooter werd. In de lente van 1573 stelde hij naast zich drie raden in, voor de financiën, voor de admiraliteit en den Raad van State. In den laatste bekleedde Paulus Buys, sedert 1572 advocaat van den lande, eene belangrijke plaats. Hij was als zoodanig de raadsman van Oranje en de Staten en werd later de rechterhand van den Prins.Niettegenstaande den brief van Oranje aan Marnix, waarin hij, gelijk we zagen, niet in het minst vertrouwen op vredesonderhandelingen had, bleven zij toch slepende. De vrijheid van geweten en de handhaving van de oude privilegiën zette de Prins op den voorgrond. Noircarmes, die te Utrecht de plaats van Bossu als Stadhouder had ingenomen, opende eveneens een briefwisseling met den Prins, die de bedoeling had tot den vrede te leiden. De nieuwe landvoogd beproefde alle middelen, om den Prins te bewegen den strijd op te geven, ook nog telkens in het jaar 1574. De Prins antwoordde op zeer koelen en waardigen toon en hij kon hem zelfs later onderschepte brieven voorleggen, die duidelijk bewezen, dat er niet de minste hoop was op verandering van gezindheid bij den koning. Het ontbrak ook van andere zijden den Prins niet aan raadgevers, die hem den krijg wilden doen eindigen. Landgraaf Willem van Hessen schreef hem o. a.: “Het is verloren spel, dat gij speelt, geef het op, terwijl gij nog iets te verliezen hebt.” Maar de Prins was en bleef doof voor die vermaningen. Geen aanbiedingen zelfs van geldelijke schadeloosstelling, mits hij de Nederlanden verliet, konden hem terugbrengen van voortzetting van den krijg. Het ontbrak hem ten eenenmale aan vertrouwen op ’s konings woord; hij wilde zijn lot niet van dat der Nederlanden scheiden en bovenal wilde hij, hetgeen Spanje nooit zou toestaan:vrijheid van godsdienst.De eenige, die Oranje in die dagen hoop gaf, was zijn broeder Lodewijk. Te Blamont had hij Fransche geldelijke hulp gekregen en zijn expeditie, die hij reeds lang voornemens was, werd door hertog Casimir gesteund. Op zijn komst met een leger had Oranje reeds lang gehoopt. De belofte van die naderende komst gaf den Prins nieuwen moed. De oorlog werd voortgezet.In December 1573 ging de Prins naar Zeeland en sloeg zijn hoofdkwartier op te Zierikzee, om den loop der belegering van Middelburg af te wachten, waarbinnen de Spaansche royalisten met denzelfden moed en dezelfde volharding het beleg van de geuzenvloot volhielden als de Haarlemmers dit bij het beleg der Spanjaarden hadden gedaan.1Dit en het vorige versje uit: “Een gedenkwaardig Liedeke,” voorkomende in het “Kort Verhaal van de Belegering der stad Alkmaar” door Nanning van Foreest.Hoofdstuk XVIII.Mook en Leiden. 1574.Het jaar 1574 opende zich onder goede vooruitzichten voor het land. Alva was vertrokken en opgevolgd door een man, die tot vrede geneigd was. In Middelburg hielden de Geuzen den wakkeren Mondragon zóó ingesloten, dat de kans op bewaring der stad zeer klein was. Geduldig wachtte de Prins in Zierikzee op den afloop.Elke regel, die hij gedurende dien winter schreef, spreekt van verlatenheid, waaronder hij gebogen ging.Zijn broeders schreven hem voortdurend, maar de communicatie tusschen Dillenburg en Zeeland was zoo slecht, dat maar een klein gedeelte van de hartelijke brieven hun bestemming bereikte.Dit maakte Oranje onrustig en stemde hem somber; “Sedert den 6enNovember heb ik geen woord van u vernomen,” schrijft de Prins op den 6enJanuari uit Vlissingen aan zijn broeders. Dringend vraagt hij om bericht hoe de zaken staan en waarop hij mag rekenen, opdat de droevige geschiedenis van Haarlem zich niet zal herhalen. “Waarom worden de maatregelen, die gij genomen hebt, zoo lang uitgesteld?” gaat hij verder, “nu zou daadwerkelijke hulp wat beteekenen, want de vijand is ontmoedigd, verdeeld en naar alle kanten verspreid.”Nog voordat hij den brief had verstuurd kwam er tijding van Jan uit Dillenburg, den 21enNovember verzonden, waarin deze vertelt over de ontmoeting van Lodewijk met den koning van Polen. Oranje dankt hem ten zeerste en bericht tevens, dat Middelburg tot zulk een uiterste is gebracht, dat de stad eerstdaags wel in hun handen zal vallen. Vele mannen, vrouwen en kinderen sterven dagelijks van honger en het zal den vijand niet gelukken, de stad van proviand te voorzien.Misschien had Mondragon het nog langer dan de Prins vermoedde in Middelburg uitgehouden, wanneer niet in dezelfde maand Januari, Oranjes admiraal Boisot, een glorierijke overwinning op een Spaansche vloot had behaald.Requesens wilde nl. een poging wagen om Middelburg te ontzetten; daaromverzamelde hij een groot aantal schepen bij Bergen op Zoom, die met een vloot van dertig schepen onder d’Avila van Antwerpen uit naar Middelburg zouden stevenen. d’Avila kwam in het laatst van Januari niet ver van Vlissingen aan, teneinde daar de komst van de andere vloot onder Romero af te wachten en dan gezamenlijk het uitgehongerde Middelburg hulp te verleenen.Requesens begaf zich naar Bergen op Zoom om het vertrek van Romero’s schepen te bespoedigen, doch de Prins van Oranje zou niet gedoogen, dat de stad langs dien weg gered werd.De vloot van admiraal Boisot was reeds de Schelde opgevaren en had tegenover Bergen op Zoom het anker laten vallen. Oranje scheepte zich te Zierikzee in en bracht de geuzenvloot een bezoek; de onderbevelhebbers werden bijeengeroepen en hij hield hun kort en krachtig voor, van welk groot belang het was, dat Middelburg, de sleutel van Zeeland, in hun handen zou vallen. Zijn bezoek miste de uitwerking niet; men zwoer den Prins alles voor het vaderland en de goede zaak, die zij dienden, over te hebben en alle krachten te zullen inspannen den Spanjaarden te beletten in Middelburg te komen.Den 29enJanuari liep de vloot van Romero uit Bergen op Zoom, gesplitst in drie smaldeelen elk van vijf en twintig vaartuigen. Tegenover Roemerswaal wachtte Boisot, in slagorde geschaard, de Spanjaarden op. Men had besloten de Spaansche schepen te enteren en al het volk stond op het dek met handspaken en enterbijlen gereed.Zoovelen van Romero’s schepen als men op den nauwen waterplas enteren kon, raakten ook aan den vijand vast. Een moorddadig gevecht van man tegen man volgde, waarbij bijl, enterpiek, pistool en dolk de wapenen waren.Reeds spoedig bleek de minderheid der Spanjaarden en nadat zij tal van schepen hadden verloren en eenige honderden Spanjaarden gesneuveld waren, vertrok het overschot van ’s vijands vloot naar Bergen op Zoom.Hier stond de groot-kommandeur op een dijk het verloop van het gevecht gade te slaan en was daardoor getuige van de volslagen nederlaag. Romero, wiens schip in den grond was geboord, kwam zwemmende aan wal, juist waar Requesens stond. “Ik heb Uwe Excellentie gezegd,” zei Romero koeltjes, toen hij druipend nat op het strand klom, “dat ik een landsoldaat en geen zeeman was. Indien gij mij bevel gaaft over een honderdtal vloten, ik zou het er niet beter hebben afgebracht dan nu.”Het gevolg was, dat d’Avila ook verplicht was naar Antwerpen terug te keeren en Mondragon in Middelburg aan zijn lot moest worden overgelaten.In het midden van Februari gaf de stad zich over; op den 18endier maand teekende de Prins vijf artikelen, waarbij aan den Spaanschen bevelhebber eervolle uittocht werd verleend.Deze gebeurtenis was in menig opzicht allerbelangrijkst. Volgens de Spanjaarden was de Prins een rebel, de leider van een oproerigen troep, met wien men niet, als met een oorlogvoerende mogendheid kon onderhandelen. Toen Mondragon toestemde tot een mondelinge onderhandeling, stond door dit feit de Prins aanstonds op een geheel ander standpunt, waarvan hij niet meer afweek.In de artikelen, die Oranje aan Mondragon ter teekening aanbood, werd met opzet vermeld, dat Oranjede stadhoudervan den koning was en dat de burgers trouw aan hem moesten zweren en eene schatting van 300.000 florijnen zouden betalen. Ook beloofde Mondragon de loslating van Aldegonde en vier andere gevangenen van hooger rang te bewerkstelligen en, indien dit niet gelukte binnen twee maanden, dan zou hij zelf terugkeeren en zich als krijgsgevangene aan den Prins overleveren.Een paar dagen na het vertrek van Mondragon verscheen de Prins in de stad en organiseerde er aanstonds het bestuur. Hierin kreeg Oranje veel macht, daar de abt van Middelburg, een der drie leden van de Staten, verviel en de adel alleen vertegenwoordigd werd door een zoogenaamden Eersten Edele, welke waardigheid Oranje in 1562 voor zijn oudsten zoon had verkregen. Door het verblijf van dien zoon in Spanje, was de waardigheid op den Prins overgegaan, die als zijn vertegenwoordiger Arend van Dorp, gouverneur van Zierikzee, aanstelde. Iets later kocht Oranje het markiezaat van Veere en Vlissingen, waardoor zijn macht nog aangroeide in Zeeland, daar deze steden met de andere in de Staten optraden. Op dubbele wijze had de Prins dus in dit gewest grooten invloed, waaruit dan ook te verklaren is, dat de macht van de Prinsen van Oranje in het geheele verloop van de geschiedenis onzer Republiek zeer groot is geweest.Behalve dat het dagelijksch bestuur uit vertrouwde vrienden van den Prins werd gevormd, nam men ook maatregelen om Zuid-Beveland en Tholen eveneens van de Spanjaarden te bevrijden.Ondertusschen bleef het er in Holland nog droevig uitzien. Terwijl Amsterdam en Haarlem in handen der Spanjaarden waren, werd Leiden langzamerhand door Valdez ingesloten. Van een eigenlijke belegering van Leiden, in den ouden zin van het woord, was geen sprake. Het platteland rondom de stad werd bezet met een aantal schansen, teneinde de bewoners der stad door den honger tot overgave te dwingen.Men was aan die bezetting steeds bezig, toen in Februari 1574 graaf Lodewijk met zijn leger te velde kwam. Fransch geld en Duitsche troepen hadden den vurigen man daartoe eindelijk in staat gesteld. Wat een moeite had de ijverige Lodewijk zich daarvoor getroost! Niet alleen hij, maar al de Nassau’s hadden het hunne bijgebracht, om het nieuwe plan te doen slagen. In Januari had de graaf reeds te Frankfort 3000 ruiters en 10.000 voetknechten bijeen. Hendrik, zijn broer, zou ook deelnemen aan den tocht. Eerst was Lodewijks voornemen, een nieuwen inval in Groningen te doen, maar daar hij zich in het zuiden met de Fransche troepen zou vereenigen, koos hij een aanslag op Maastricht en Luik. Het had hem de grootste moeite gekost de bisschoppen althans onzijdig te houden. Waren enkelen alleen voor goeden buit vatbaar, anderen werden door huwelijksplannen gunstig gestemd, zooals de bisschop van Keulen, waardoor Lodewijk vergunning verkreeg deze stad als zijn hoofdkwartier te gebruiken, hetgeen hem zeer te pas kwam. Van de Duitsche zijde scheen daar alles tot het welslagen van den tocht mede te werken. Jammer, dat het leger zelf zooveel te wenschen overliet. Het was niet veel meer dan een samengeraapte bende, slecht gewapend en ongeoefend. Zootoog men naar Maastricht, ook mede op raad van den Prins, die dat de voordeeligste weg vond en die reeds in November 1573 had geschreven: “Mij dunkt wanneer gij de onderneming op Friesland en Groningen tot Maart uitstelt, gij beter doen zult, al uw krachten naar Maastricht te wenden en wel met de meest mogelijke haast, voor ik geheel ben ingesloten”.Tegen het einde van Februari bereikte Lodewijk de Maas en legerde zich bij Maastricht, aan den Duitschen kant van de rivier. Requesens had echter ook Duitsche hulptroepen gelicht en uit zooveel steden als hij durfde, de garnizoens genomen; zelfs had hij een deel der troepen, die Leiden insloten, naar het zuiden gezonden. Mendoza, de Spaansche generaal, was reeds voor Lodewijks aankomst in Maastricht en don Sancho d’Avila kwam Mendoza kort daarop nog versterken. Van Lodewijks leger waren reeds, voor dat het de grenzen was overgetrokken, 1000 man gedeserteerd. Hij had gehoopt, aanstonds de Maas te kunnen oversteken, maar het drijfijs verhinderde de booten. Daarom bleef hij nog aan de andere zijde gelegerd, 4 mijlen boven Maastricht. Dat oponthoud was de oorzaak van den noodlottigen afloop, want als hij onmiddellijk had kunnen doorgaan, dan was d’Avila niet gereed geweest hem te volgen en het leger van Lodewijk had den Bommelerwaard kunnen bereiken, waar de Prins eenige troepen had verzameld, die zich dan met Lodewijks leger hadden kunnen vereenigen.Nu echter was hij gedwongen te wachten en werd hij nog bij Bemelen door een nachtelijken aanval op zijn kamp zeer geschaad, zoodat hij 700 man verloor en zelfs naar den kant van Valkenburg moest aftrekken.1Het was eerst in het begin van April, dat hij zich noordwaarts naar Roermond kon wenden. Op weg daarheen maakten zijn troepen zich aan schandelijke wanordelijkheid schuldig. Ook Roermond kon hij evenmin als Maastricht of Luik nemen, daar ook die stad door Spanjaarden bezet was. Toen trok hij noordwaarts, van plan bij Nijmegen door de Betuwe naar den Bommelerwaard te gaan.Den 13enApril kwam hij bij Mook aan, doch d’Avila was aan de andere zijde van de Maas Lodewijks leger gevolgd en bracht zijn troepen bij Grave op een haastig van booten gebouwde brug naar denzelfden kant der rivier over. Lodewijk was dus binnen een betrekkelijk kleine ruimte tusschen Maas en Waal ingesloten. Hij liet een gracht graven, waarvan nog de overblijfselen bij het tegenwoordig klooster te vinden zijn, doch dat was zijn eenig zwak verdedigingspunt. d’Avila’s stelling daarentegen was veel voordeeliger. Het steunpunt daarvan was de Maas. Lodewijks kracht lag in zijn ruiterij, hij had toen 1800 ruiters, terwijl de Spaansche veldheer slechts eenige honderden ruiters had; maar op de plaats, door d’Avila voor den slag gekozen, kon Lodewijk van die ruiterij geen voordeel hebben. Had hij een slag kunnen vermijden, dan had hij het zeker gedaan, maar dit was onmogelijk. Bij het aanbreken van den dag, op den 14enApril, begonnen de Spanjaarden den aanval op de gracht en uren lang duurde het gevecht. Tot driemalen toe werd die aanval herhaald en bleef de uitslag onzeker. Toen scheen eerst door de attaque van Lodewijks ruiterij, de overwinning aan zijn kant te zijn, zoodat devoorhoede der Spaansche ruiters zelfs over de Maas gedreven werd. Doch daarop keerde plotseling de kans. De enkele honderden ruiters der Spanjaarden waren door een duizendtal, de voorhoede van het leger van Valdez, versterkt; ze drongen op de Duitschers in en een algemeene vlucht van dezen in de bosschen volgde. Nog hielden de hoofden stand, maar ze werden door de overmacht verpletterd en Lodewijk van Nassau, zijn broeder Hendrik en Christoffel van de Paltz kwamen jammerlijk om het leven.Schaal 1: 1000000.······> Tocht van Lodewijk.——>——> Tocht van d’Avila.Met Lodewijk bovenal ging een held te gronde, die zeldzame gaven in zich vereenigde, wiens ridderlijk karakter niet alleen, maar ook wiens adeldom van geest door allen, die hem gekend hebben, om strijd is geroemd. Van zijn twintigste jaar af was hij steeds aan de zaak van Oranje verbonden. In zijn 36elevensjaar vond hij den dood op de Mookerheide en wanneer we terugzien op al wat hij gedurende die 15 jaar heeft verricht, dan lijkt ons die tijdruimte bijna te klein voor al dien arbeid. Niet altijd was hij met Oranje geheel een van zin geweest. Hij is overal, waar we hem ontmoeten, de vurige man, die de voorzichtigheid van den staatsman wel eens uit het oog verloor, maar die gedreven werd door een onstuimigen aandrang, om ten uitvoer te brengen, wat hij goed en nuttig achtte. Van zijn deelneming aan het verbond der Edelen af, eigenlijk tegen den zin zijns broeders, tot zijn laatsten veldtocht toe, nergens verloochende hij die geestdriftige natuur.“Lodewijk—zoo zegt prof. Blok—was een man van het oogenblik; vurig en ridderlijk; onstuimig toesnellend op zijn doel; driftig voorthollend op den weg van het avontuur; het gevaar uitdagend; zijn woorden weinig wikkend, bewegelijk en hartstochtelijk; geboren krijgsman, zoo al geen legerhoofd.”Slag op de Zuiderzee.—1573. (Bladz. 245).Slag op de Zuiderzee.—1573. (Bladz. 245).Meer dan een zijner impulsieve daden heeft het succes van belangrijke maatregelen bedreigd; meer dan eens wilde de voorzichtige Prins al de plannen van Lodewijk niet kennen. Ook in het godsdienstige kwam datzelfde karakter uit. Hij had een innig godsdienstige overtuiging; zijn doel was altijd de bevordering van de protestantsche zaak; hij maakte die niet aan de politiek, maar wel deze aan het Protestantisme dienstbaar. Van de hooge verdraagzaamheid van Oranje wilde Lodewijk niet weten. Hij liet zich vaak tot heftigheid tegen het Pausdom ende katholieke kerk verleiden. Doch ook die vurige ijver vloeide voort uit zijn geestdriftige natuur, waarom hij in tallooze kringen zoo bemind was. Bemind in Dillenburg, bemind aan het Fransche hof, bemind bovenal door zijne moeder. Van liefde echter vinden we, na zijn vergeefsch huwelijksaanzoek om de erfgename van Rijsberg, in zijn leven geen spoor, of het moest zijn de hulp, die hij verleende aan Charlotte van Bourbon bij haar vlucht uit het klooster in N.-Frankrijk, waarover later. Hij bleef althans ongehuwd. Maar al werd hij door geene droeve weduwe betreurd, zijn dood liet een leegte achter in tallooze gemoederen. De Fransche Hugenoten betreurden hem als een hunner meest geliefde leiders. De Hollanders wachtten thans vergeefs op hun Engel Gabriël. De Duitschers zouden hun Bayard nimmer wederzien.Opstelling der troepen op 14 April 1574 bij Mook. (naar Mendoza).Opstelling der troepen op 14 April 1574 bij Mook. (naar Mendoza).Schaal 1: 25000.(Ter wille van het overzicht zijn de afstanden, betrekking hebbende op de troepenopstelling, wat te groot genomen.)Mn= afdeeling van Mondragon.d’A = Colonne van d’Avila.M = Cavalerie van Mendoza.a.Infanterie in de gegraven versterking.b.De rest der Nassausche Infanterie.c.De Cavalerie.d.De afdeeling ruiters, welke den rechtervleugel dekt.Bovenal Juliana van Stolberg, die Lodewijk buitengewoon liefhad en die hem onlangs nog op zijn ziekbed met zooveel toewijding had verzorgd, smolt weg in tranen. En de Prins? Bij den slag op de Mookerheide ging er een licht voor hem uit, welks afwezigheid zijn geheele leven door hem gevoeld werd. In zijn Apologie wijdde hij o.a. deze woorden aan zijn nagedachtenis: “Zij, die omtrent mijn broeder Lodewijk iets te zeggen hebben, deden beter zulk een goed ridder met rust te laten. Met hem kunnen ze niet worden vergeleken en een veel beter Christen was hij.”Hendrik, die ter zelfder tijd zijn leven verloor, was slechts 24 jaar. Van hem persoonlijk is weinig bekend; wel weten wij, dat hij meermalen het voorwerp uitmaakte van de zorg en overleggingen zijner moeder en broeders. Als Oranje daarin deelde, hebben wij niet verzuimd het te melden. Behalve een stijf gestelden Latijnschen brief van Hendrik uit zijn jongenstijd, is er niets meer van zijn hand bewaard gebleven.Er wordt wel beweerd, dat de Prins over het voornemen van graaf Lodewijk, om bij Herwaarden tusschen Maas en Rijn de rivier te passeeren, niet zeer tevreden was. Hij zou het groote gevaar daarvan hebben ingezien en zich ook niet in staat geacht hebben, in zulk een groote haast voldoend oorlogsgereedschap op die rivier te zenden. Ook zou Oranje zelfs tot de intieme vrienden gezegd hebben, dat, “hoe lief en aangenaam zijns broeders komst hem ook mocht wezen, hij nogtans op dien tijd wel lijden mocht, dat hij met zijn leger 100 mijlen van daar was.” Dat bericht, hoe geloofwaardig op zich zelf, wordt niet bevestigd door een schrijven van den Prins uit Dordrecht van den 13enApril, waarin hij zijn broeders belooft, dat hij al zijn best zal doen, om hen bij hun aankomst in de omstreken van Tiel door een goed escorte te doen ontvangen. Het kan echter wel zijn, dat Oranje in vertrouwelijke gesprekken zich niet zoo optimistisch omtrent Lodewijks inval uitliet en toch hem zelf daarmede niet wilde bezwaren. De geheele maand April verliep, zonder dat de Prins en zijn geheele familie van het smartelijk ongeval kennis kreeg.Uit brieven van den 15enen 17enApril bleek, dat Oranje nog niets bekend was omtrent het ongelukkig verloop van den veldtocht; hij was integendeel vol goeden moed en de berichten uit Engeland waren ook gunstig, daar de regeering meer geneigd scheen om met Duitschland verbonden, den koning van Spanje openlijk den oorlog te verklaren.Berichten ontving Oranje niet; geen enkel antwoord van zijn broeders op de zeven brieven vanaf den 10ender maand aan hen geschreven.Wel is hem bekend geworden, dat er een nederlaag is geleden, zooals uit het schrijven van den Prins aan Jan van Nassau blijkt, maar omtrent het lot van zijn broers en Christoffel van de Paltz weet hij absoluut niets.Eerst op den 7enMei schijnt de Prins de volle waarheid te hebben vermoed. Van dien dag dagteekent een brief, welke terecht beroemd is geworden, aan zijn thans eenig overgebleven broeder Jan. Blijkens dat schrijven vreest de Prins, dat men met voorbedachten rade den dood zijner broeders voor hem en Jan van Nassau geheim houdt en hij doet uitkomen hoe nadeelig die geheimhouding werkt. Van alle zijden wordt hij zelf bestormd met vragen naar den afloop en nu hij daarop geen beslist antwoord weet te geven, meent men, dat hij zelf de waarheid verbergt en het gevolg hiervan is, dat men begint te wanhopen aan den staat van zaken.Daarop volgen dan die schoone, diepgewortelde en innig godsdienstige woorden:“Ik belijd U, dat ik nooit iets ondervonden heb, dat mij meer leed doet en inniger spijt, doch we moeten ons onderwerpen aan den wil van God en zulk een vertrouwen hebben op Zijne goddelijke voorzienigheid, dat Hij, die het bloed van Zijn Eenigen Zoon niet heeft gespaard, om Zijn kerk te bewaren, niets zal doen dan wat dienen kan tot uitbreiding van Zijn roem en bewaring van Zijn kerk, al schijnt het ook in het oog der wereld een onmogelijke zaak.En al zouden wij allen komen te sterven, en al zou het geheele volk worden vermoord of verjaagd, deze zekerheid moeten wij altijd hebben, dat God de Zijnen nooitzal verlaten, waarvan wij heden ten dage zulk een merkwaardig voorbeeld in Frankrijk zien, waar na den gruwelijken moord van zooveel edelen ieder meende, dat het einde en de algeheele uitroeiing van den (herv.) godsdienst nabij was, terwijl wij nu zien, dat zij bij vernieuwing meer dan ooit het hoofd hebben opgeheven, terwijl de koning zich in meer moeite en ellende bevindt, dan ooit te voren. Wij hopen, dat de Heer onze God, wiens arm niet verkort wordt, van Zijne macht en Zijn mededoogen jegens ons zal gebruik maken...”Daarop geeft Oranje aan zijn broeder een beschrijving van de verslagenheid van het volk te midden waarvan hij leeft. “Daar is geen volk ter wereld, dat zich spoediger verheugt over eenig goed bericht, maar er is ook geen tweede, dat zoo erg door eenig droevig voorval is terneergeslagen.” Indien zijn broeder daarbij in aanmerking neemt, dat de nieuwe landvoogd een nieuw pardon heeft afgekondigd, waarvan slechts 14 of 15 personen zijn uitgesloten, dan kan hij daaruit berekenen, hoe groot de verleiding is, om zich weer te onderwerpen. “Doch van mijn kant kunt gij verzekerd zijn, dat ik mijn plicht zal doen, zooveel in mij is, want keert dit volk onder het juk en de tirannie der Spanjaarden terug, dan zal spoedig de godsdienst geheel zijn vernietigd, zonder een vonkje meer te doen schijnen. En de Duitschers, die ons aan ons lot hebben overgelaten, zullen evenals de Engelschen mettertijd zich wel bewust worden van de groote schade, die ook zij daardoor zullen ondervinden.”Het is daarom, dat de Prins zijn broeder opwekt om nog eens met zijn “volle vijf zinnen” te overleggen, welk geneesmiddel er te vinden zou zijn. Want zonder buitenlandsche hulp tegen de macht van Spanje zal Holland, dat het een tijdlang alleen heeft volgehouden, niet langer bestand zijn.Verder bespreekt Oranje in den langen brief de kwestie van het meest geschikte legerhoofd, in het geval er van Duitsche en Fransche zijde hulp komt opdagen, de huisvesting die het hulpleger zou kunnen gegeven worden en de plaats, waar zij de Nederlanden het best zouden kunnen binnenkomen.Kortom uit den geheelen brief blijkt, dat de Prins nog den moed niet heeft verloren, ook na den allernoodlottigsten afloop van den tocht van zijn meest geliefden broeder Lodewijk. En die moed, die hem blijft bezielen, steunde op degelijke gronden. Hij doet zijn broeder beseffen, waarover hij nog kan beschikken. De Staten hebben hem 150.000 florijnen per maand toegestaan, zoolang het noodig zal zijn; maar hulp is dringend noodzakelijk. Blijft die uit en “willen de arme bewoners, van ieder verlaten, desniettemin volhouden.... dan zal het den Spanjaarden nog half Spanje kosten in geld en in mannen, eer ze ons geheel vernietigd hebben.” Want .... nog had Oranje te bevelen over 71 compagnieën infanterie in Holland, 14 in Zeeland, 20 in Waterland, in het geheel 15 à 16000 man, met meer dan 100 groote en kleine oorlogsvaartuigen. Zoolang hij kon, zou hij met deze macht volhouden.Rijst onze eerbied en bewondering voor den Zwijger niet door zulk een moedige taal na zulke jammeren als op de Mookerheide? Het scheen wel, alsof de Prins uit elke nieuwe smart nieuwe krachten putte. Hoe weinig volkomen zekerheid er omtrent het lot zijner broeders in dien eersten tijd bestond, blijkt o. a. ook uit denbrief, dien de Prins van zijn moeder Juliana van Stolberg nog in de maand Mei ontving.“Ik weet wel”—zoo schrijft zij—“dat gij gelijk hebt; wij moeten met geduld dragen, wat de Heer ons toezendt, maar menschen blijven menschen en zij vermogen dat zonder Gods hulp niet. Moge God mij arme beproefde vrouw, die mijn droefenis niet verzetten kan, mij genadig uit dit jammerdal tot zich nemen of mij met zijn genade sterken en zijn heiligen geest van berusting zenden. Herhaaldelijk is mij verzekerd, dat mijne zonen nog in leven zouden zijn, zoodat ik nog altijd hoop heb. Voor drie dagen werd mij nog verhaald, hoe een edelman kort geleden nog zes dagen bij mijn lieven Lodewijk geweest is en hem naar omstandigheden wel gevonden had. Zijn rechterarm was van boven doorschoten maar hij kon dien nog bewegen. Aan zijn spraak had hij hem herkend. En daardoor heb ik nu weder wat hoop, maar toch vrees ik, dat men een ander voor hem heeft aangezien. Van hertog Christoffel en mijn lieven Hendrik wist men mij niets te zeggen. Doch de zaken mogen gaan, zooals God het beveelt; ik kan niet anders, dan Hem om geduld bidden en dat gij en ik in eeuwigheid niet van Hem mogen gescheiden worden.”IJdele hoop van de zwaarbeproefde moeder! Want allerwaarschijnlijkst zijn Lodewijk en Hendrik beiden omgekomen in een huis, waar ze heengingen, om hun wonden te verbinden, doch dat boven hun hoofden in brand geraakte en zijn ze zoo ellendig in rook en damp gestikt. Hunne lijken echter, en dat bleef de oorzaak der onzekerheid, zijn nooit teruggevonden.Een der gronden, waarop Oranje zijn hoop bleef bouwen voor de toekomst trots de jammerlijke nederlaag op de Mookerheide, was zonder twijfel gelegen in zijn kennis van de Spaansche toestanden in het zuiden en den strijd, waarin de nieuwe landvoogd ook zelfs met de Spaansche soldaten gewikkeld was. Zou dat een paar jaar later bij de Spaansche furie tot de geweldigste uitbarsting leiden, die ook het zuiden naar de komst van Oranje in zijn midden zou doen verlangen, reeds voor den slag van Mook hadden de oproerige Spaansche soldaten te Antwerpen onder een Eletto (d. i. een door muitende soldaten gekozen hoofd) de regeering genoodzaakt, aan hun geldelijke eischen toe te geven en op den dag na den slag begon een nieuwe muiterij onder de overwinnende troepen te heerschen.“Zoodra zoo’n muiterij uitbrak,” zoo verhaalt Motley, “begon men van de naastbij gelegen stad bezit te nemen, waar de Eletto gewoonlijk in het stadhuis zijn verblijf nam en het krijgsvolk bij de burgers ingelegerd werd. Wat voeding en huisvesting betreft was voor deze rooversbenden niets te goed. Mannen, die maanden lang van hun legerrantsoen geleefd hadden—ruwe kinkels, die hun ploeg hadden gedreven, totdat men hen gedwongen had om het musket te hanteeren—sliepen thans op keurig beddegoed en vorderden van de sidderende burgers de lekkerste spijzen. Zij aten het land kaal als een leger van sprinkhanen.”“Kuikens en patrijzen,” schreef de zuinige Antwerpsche kroniekschrijver, “kapoenen en faisanten, hazen en konijnen, tweeërlei soort van wijn;—tot kruiding van het maal, olijven, citroenen en oranjeappelen, specerijen en zoetigheden; tarwebrood voor hunne honden en zelfs wijn om de pooten hunner paarden te wasschen.”Ziedaar het weelderig onthaal, door de muitende troepen geëischt. Verdroot den burgers deze gedwongen gastvrijheid, dan moesten zij een belasting opbrengen.De muiterij, die na de nederlaag van graaf Lodewijk uitbrak was bijzonder erg. Bij Alva’s vertrek was er reeds 6 millioen achterstand van soldij en Requesens was niet in staat, op geregelde betaling eenige hoop te geven. Toch kwamen ze toen nog tot een overeenkomst, daar het Requesens gelukte den grooten Raad van Antwerpen tot een leening van 400.000 florijnen te bewegen. De muitende soldaten vierden op de Place de Meir een groot feest bij gelegenheid van die gesloten overeenkomst, toen plotseling de mare doordrong, dat admiraal Boisot de Schelde was opgevaren. Voordat men gewapend was, had Boisot veertien Spaansche schepen genomen en doen zinken en den Admiraal Haemstede krijgsgevangen gemaakt. Dit was voor den Prins althans een lichtstraal in den donkeren nacht; te meer omdat het feit der muiterij wees op den hopeloozen geldelijken toestand van Spanje, die op den duur niet anders dan een krachtige hulp voor zijn verzet kon wezen.Voorloopig echter moesten alle krachten, die in Holland aanwezig waren, worden ingespannen. Want binnen den kortst mogelijken tijd was Valdez, die tijdelijk de omstreken van Leiden met zijn leger had verlaten om Lodewijks inval te voorkomen, weer met zijn troepen rondom de stad teruggekeerd en Leiden was op den 21enMei weder geheel ingesloten. Het beleg en het ontzet van die stad behoort tot de belangrijkste gebeurtenissen der wereldgeschiedenis. Onze vrijheid zou groot gevaar geloopen hebben, indien Leiden was gevallen. Haar behoud heeft op het oogenblik Holland voor ons gered. Het kan ons doel niet zijn, dat beleg en dat ontzet in zijn bijzonderheden te beschrijven. Hoofdzaak is voor ons, het deel aan te wijzen dat de Prins daaraan gehad heeft en aan te toonen, hoe hij voor den verderen loop van den oorlog heeft gebruik gemaakt van den gelukkigen afloop van dat beleg. Want er mag niet vergeten worden, dat ook het beleg en het ontzet van Leiden eenvoudig een schakel in de groote keten der elkander opvolgende gebeurtenissen is geweest, die tot de bevrijding van ons land, tot de voltooiing van het werk van Oranje heeft geleid. Ook dat de Prins tijdens dat beleg vredesonderhandelingen heeft gevoerd, die na het ontzet van zijne zijde met veel meer krachtsbesef konden worden voortgezet. Op die onderhandelingen komen we terug, als we eerst den Prins in zijn arbeid voor Leiden gevolgd hebben.Toen Oranje den laatsten brief aan zijn broeder Jan schreef, was hij in Dordrecht, waar hij gedurende de maand Mei met de Staten van het land in voortdurend overleg bleef. Daar kwam hem de tijding ter oore van de nieuwe insluiting van Leiden; daar vernam hij, hoe de inwoners dier stad geweigerd hadden garnizoen in te nemen, zelfs de Engelsche vaandels niet toe wilden laten en zijn raad in den wind geslagen hadden, om, terwijl Valdez zich met zijn troepen had verwijderd, voor een nieuwen voorraad levensmiddelen te zorgen.Hoe hem ook die verschillende berichten troffen en onaangenaam stemden, ze verhoogden slechts zijn eigen krachtsinspanning, want al had Leiden het misschienniet om zijn zorgeloosheid verdiend, het belang van het geheele land was er mee gemoeid. De Staten werden dan ook onmiddellijk door hem tegen den 1enJuni te Rotterdam beschreven, om een plan vast te stellen voor de bevrijding der stad en de noodige gelden voor die onderneming bijeen te krijgen. Bij den bekenden onderlingen naijver der steden was dit geen lichte taak, doch den Prins gelukte het, de zelfzuchtige bondgenooten te doen samenwerken. Fruin zegt terecht van hem: “Om dat te bereiken, werd een leidsman gevorderd, zoo onuitputtelijk geduldig, zoo hoog geacht en bemind, zoo zelfopofferend voor de goede zaak, als de nooit volprezen Willem van Oranje.”Toen het geld gevonden was, werd bepaald, dat men Leiden zou te hulp komen, door Zuid-Holland onder water te zetten. Er waren deskundigen, die daartegen groote bezwaren hadden. Aan de eene zijde werd beweerd, dat het hooger gelegen Rijnland nooit door het Maaswater zou kunnen worden bereikt; alleen Delfland en Schieland zouden onder water komen; aan den anderen kant had men groote bezwaren, dat op die wijze het land niet licht weer zou kunnen worden drooggelegd. Toch werd er toe besloten. “Het al om het al op het spel te zetten, was in dien tijd de leus onzer kloekmoedige voorvaderen. Hun was de vrijheid van denken en gelooven, het volksbestaan, de zelfregeering het hoogste, ja het eenig goed, het al. Om dat te behouden, was geen prijs hun te hoog, geen waagstuk te vermetel.” Zij hebben alles gewaagd en alles gewonnen.Dit besluit werd den 30enJuli genomen en onmiddellijk daarop ten uitvoer gebracht. Bij de doorgraving te Capelle aan den IJsel was de Prins persoonlijk tegenwoordig, o. a. in gezelschap van Paulus Buys, die krachtig zijn hulp had verleend om de bestrijders van het plan te overwinnen. Door zestien gapende dijkbreuken stroomde het IJselwater op het land. Daarop werd de Maasdijk aan weerszijden van Rotterdam doorgegraven en de sluizen van Schiedam werden opengezet. Dagen moesten echter verloopen, eer het water zich over de oppervlakte van zooveel honderden bunders verspreiden zou.Ondertusschen ontbood Oranje uit Zeeland Louis de Boisot, die in den jongsten tijd daar als admiraal groote bekwaamheid had bewezen, zoowel in Januari bij den slag van Roemerswaal, waardoor Middelburg in handen van Oranje viel, als door de overwinning op de Spaansche vloot op de Schelde, waarvan wij gewag maakten. Niemand beter geschikt dan Boisot om een werk te verrichten, waarbij zooveel zeemanschap en krijgsbeleid geëischt werd. Gelukkig, dat men dien ervaren man op dat oogenblik in Zeeland missen kon; een nieuwe Spaansche vloot die men verwacht had en die in hem den besten overwinnaar zou gevonden hebben, was door tegenspoed van allerlei aard niet naar de Nederlanden vertrokken. Boisot zou het beste scheepsvolk en de meest vertrouwde kapiteins in Zeeland gaan halen en dan de onderneming met tal van vaartuigen en de noodige kanonnen aanvangen.Allerlei teleurstellingen echter vertraagden de bevrijding der stad, waar de jammer van dag tot dag in de maanden Augustus en September vermeerderde. Haar lot te beschrijven, haar steeds toenemende ellende te teekenen, ligt wel niet op onzen weg, maar van een harer bange beproevingen kunnen we ook in ons verband niet zwijgen. Wij bedoelen de aanwezigheid in de stad van een menigteroyalistische inwoners, die met hun geestverwanten in andere plaatsen het er op toelegden, de stad aan den vijand over te geven. Dit waren de zoogenaamdeglippers, die alles aanwendden, om de inwoners in het denkbeeld te stijven, dat ontzet der plaats onmogelijk was en wier woord, hoe hooger de ellende klom, des te meer ingang vond bij de menigte.Gelukkig, dat mannen als Bronkhorst, Jan van der Does, Jan van Hout en Pieter Az. van der Werff, de burgerij en de vroedschap in bedwang hielden en geen oogenblik verslapten in hun ijver voor de algemeene zaak. Waren zij niet werkzaam gebleven, hadden zij niet alle vertrouwen op den Prins behouden, dan zou zonder twijfel door het katholiek gedeelte der bevolking met beide handen het pardon zijn aangegrepen, dat Requesens had afgekondigd en dat door Valdez aan de inwoners van Leiden werd aangeboden, op voorwaarde van overgave. Nu echter werd die lokstem beantwoord met het Latijnsche woord van Cato: “Fistula dulce canit, volucrem dun decipit auceps.” (De fluit klinkt liefelijk, terwijl de vogelaar den vogel verschalkt.)Het ergste dat gedurende de maanden van het beleg van Leiden geschiedde, was de wekenlange ziekte van den Prins. Die overviel hem den 10enAugustus. Opgekropte smart en de last der beslommeringen, misschien ook daarbij zwaar gevatte koude tengevolge van het staan op de dijken in regen en wind, wierpen den man op het ziekbed, die minder dan ooit op dat oogenblik gemist kon worden. Het eigenlijk karakter der ongesteldheid konden de geneesheeren niet aanstonds herkennen; men vreesde dat het een aanval van de pest was, die in Holland in die dagen heerschte. Hij werd door onophoudelijke koortsen gefolterd en zijn krachten namen zoo af, dat zijn geneesheeren voor tering vreesden. Men had hem gaarne naar Delft, naar zijn eigen woning vervoerd, doch die reis kon hij niet meer maken en daarom was hij gebonden aan een ongezellig huis in Rotterdam. Er bestaat een belangrijk verhaal van die ziekte van een geneesheer Foreest. Zijn secretaris Brunynck en zijn hofmeester Nuyhem gaven voortdurend aan zijn broeder Jan van Nassau berichten omtrent den loop der ziekte, die in de maand Augustus sterk toenam en zelfs tot vier koortsaanvallen op één dag steeg. Men dacht niet anders of de Prins ging sterven. Het gerucht van zijn dood werd reeds door zijn vijanden verspreid.Treffend is het verhaal, hoe hij, diep bekommerd over het lot der zijnen, zich reeds tot sterven gereed maakte, toen daar Cornelis van Mierop, later Ontvanger-Generaal van Holland, onaangediend bij hem aan het bed kwam. Een paar boden uit Leiden wilden namelijk, voor ze weer terugkeerden naar de belegerde stad, den Prins gezien hebben, omdat het gerucht van zijn dood reeds verspreid werd.Dat bezoek, dat dus de bedoeling had, om de Leidenaars te sterken, werd ook voor den zieken Oranje een geneesmiddel. Want van ooggetuigen hoorende, dat de stad het nog uithield, verheugde hij zich daarover met zoo groote vreugde, dat hij van die ure begon te beteren. “Wie”—zoo vraagt Fruin terecht—“wie herkent Vader Willem niet in dien zieke, die zijn dienaars wegzendt uit vrees, dat ze door zijn ziekte besmet zouden worden; die hoe ongesteld ook, geen gehoor weigertaan die hem zoeken; die herleeft op de tijding, dat de goede zaak nog niet is verloren, en die zich van het ziekbed opricht, om bij vernieuwing te zorgen en te zwoegen voor “dat arme volk.”Gelukkig was de beterschap geen schijn. De koorts, die hem aan den rand van het graf had gebracht, die hem ten doode toe had verzwakt, keerde sedert den 28enAugustus niet terug; maar slechts langzaam kwamen de krachten weder. Reeds op den 2enSeptember kon Brunynck aan Jan van Nassau schrijven, dat ze hoopten dat de Prins buiten gevaar was. Op den 7enSeptember was de zieke zelf reeds in staat, aan zijn broeder te schrijven en we kunnen ons voorstellen, hoe gelukkig dit handschrift van den geliefden Prins de zijnen maakte. Zijn volkomen herstel wachtte Oranje niet af om zijn taak weer te aanvaarden. Wel hadden de Staten niet veel verzuimd, maar toch waren de pogingen om Leiden te hulp te komen, niet zoo krachtig voortgezet, als had kunnen geschieden. “De Staten konden den Prins niet vervangen; zij misten zijn gezag, zijn vasten, geëerbiedigden wil, die nooit buiten noodzaak geweld gebruikte, maar niettemin wat noodig was met kracht doorzette. Het bijzonder belang was niet overal voor het algemeen landsbelang geweken.” Kortom, het werk der bevrijding van Leiden had verder kunnen zijn, dan het was. Aan de uitrusting van de schuiten, die Boisot naar Leiden moesten voeren, was ijverig doorgewerkt in de maand Augustus, doch van doortastende maatregelen was niet veel gekomen. En toch waren die dringend noodig. Wel stond het Maaswater tot Delft toe over alle landen, maar bij de grenzen van Rijnland stuitte het. Om het ook daarin te doen vloeien, moesten nieuwe doorgravingen plaats hebben, doch op punten, die zeker hardnekkig door de Spanjaarden zouden worden verdedigd.Een eerste aanval mislukte geheel; bij een tweeden was men gelukkiger, omdat de vijand er niet op had gerekend. Op den 28enSeptember verlangde Boisot, dat de Prins met eigen oogen den staat van zaken kwam opnemen. Hij was wel zoo goed als hersteld, doch nog steeds zwak. Met ongunstig weer mocht hij zich niet vertoonen. Doch de 28eSeptember was een zonnige en fraaie dag; toen liet hij zich naar de vloot roeien, waar hij alles in oogenschouw nam en door zijn tegenwoordigheid den moed verlevendigde. Nog zou echter misschien alles vergeefsch zijn geweest, indien niet een stormwind uit het noordwesten, gepaard aan een springvloed, het water op de volgende dagen met kracht had voortgedreven en als daarop door het keeren van den wind van het noorden naar het zuiden de watermassa den kant van Rijnland niet was opgestuwd.Op den 1enOctober steeg het water, van 9 op 28 centimeter en hoewel zich ook toen nog allerlei bezwaren voordeden, was toch de stad gered. Want de vijand, bevreesd voor het opkomende water, verliet de schansen en de forten en vluchtte naar den Haag. Valdez besefte, dat de oogen van Europa op hem waren gevestigd. Hij liet een Latijnschen afscheidsgroet te Leiderdorp achter, luidende: “Vale civitas, valete castelli parvi, qui relicti estis propter aquam et non per vim inimicorum.” (Vaarwel, o stad, vaartwel kleine kasteelen, die verlaten wordt niet door de kracht der vijanden, maar door het water).Dederde October, toen de stad ontzet werd en de bijna doodgehongerdemenigte aanviel op de spijzen, die Boisots vaartuigen medebrachten, viel op een Zondag. De Prins bevond zich in de Waalsche kerk, toen hij de blijde tijding ontving, terwijl zijn gedachten waarschijnlijk meer bij Boisot en in Leiden waren dan bij de preek. Na afloop van deze liet de Prins den predikant de heugelijke tijding aan de gemeente voorlezen. Toen stroomde de geheele bevolking naar de kerken, gelijk ook de Leidenaars op dien gedenkwaardigen dag deden, om God te danken voor de verlossing der stad, de voorbode van de bevrijding van het land.Op den volgenden dag schreef Oranje een dankbaar briefje aan zijn broeder Jan, om hem deelgenoot te maken van de gewichtige gebeurtenis en toen ging hij, niettegenstaande de waarschuwingen, dat hij te zwak was, om zich bloot te stellen aan de zoo zeer vergiftigde atmosfeer te Leiden, naar de bevrijde stad, om haar in persoon te begroeten en te danken voor haar volharding. Hij nam zijn intrek ten huize van Dirk Jacobus van Montfoort, een aanzienlijk man, doch geen lid der regeering en bleef er tien dagen vertoeven. Een zijner voornaamste werkzaamheden gedurende dien tijd was de regeeringsverandering, waaraan dringend behoefte bestond, want tijdens het beleg was het gebleken, dat er in de vroedschap verscheidene mannen waren, die de burgerij zeer slecht hadden vertegenwoordigd. Wel was die verandering in strijd met de privilegiën der stad—want de vroedschap bestond uit 40 onafzetbare mannen, die zelf burgemeesters en schepenen benoemden. Doch volgens de getuigenis van de aanzienlijkste personen der stad, moest de Prins met gezag doortasten en de slechte elementen verwijderen. Er waren er zelfs, die beweerden, dat hij niet ver genoeg met de zuivering was gegaan.“Doch zoo was,” zegt Fruin, “Prins Willem gewoon te handelen; hij maakte zich het regeeren niet gemakkelijk, door elken tegenstand voor goed te breken; hij behielp zich met hetgeen hij vond en veranderde slechts als het onvermijdelijk was en dan nog niet meer dan het dringend noodige. Van alle dwingelandij, met welk goed doel ook, was hij afkeerig. Hij had behoefte aan medewerking, niet aan blinde gehoorzaamheid.”Behalve persoonlijke geschenken aan de verdienstelijkste mannen, die hadden meegewerkt aan het ontzet van Leiden, ontving de stad zelf voor haar trouw en standvastigheid, twee giften van groote waarde. Allereerst de vergunning om jaarlijks een tiendaagsche jaarmarkt te houden, vrij van alle tollen en lasten. Nog veel grooter gift was de stichting van de Universiteit—de eerste Protestantsche hoogeschool op Nederlandschen grond. Reeds op 8 Febr. 1575 werden de professoren van deze nieuwe instelling ingewijd met ceremoniën en allegorische voorstellingen, waarop de Nederlanders steeds zóózeer waren gesteld, dat geen ellende noch jammer hun lust tot zulk een vertooning ooit kon uitdooven.De nieuwe Universiteit werd begiftigd met inkomsten, voornamelijk voortvloeiende uit de oude abdij van Egmond. Motley zegt terecht, dat de acte van instelling een der meest ironische gedenkstukken is. De fictie toch van ’s konings souvereiniteit werd er in gehandhaafd en de meest katholieke vorst der wereld werd daarin gezegd, deze protestantsche academie te vestigen als een belooning aan Leiden voor zijn opstand tegen hem. Ook ontbrak daarin niet de oude formule “onze waarde neef” Willem, Prins van Oranje, met wien de koning wordt voorgesteldals na rijp beraad tot de oprichting van die hoogeschool besloten te hebben.Inderdaad, al werd die plechtige vestiging in naam van den koning van Spanje door den Prins van Oranje volstrekt niet ironisch bedoeld, al meende de stichter dier Universiteit, door den naam Filips te noemen, alleen de tol der hulde te betalen van den vasal aan den souverein, wij, die de geschiedenis kennen, wij, die weten, hoe het ontzet van Leiden de grondslag is geworden van de geheele bevrijding van ons land; wij, die den loop dier glorievolle instelling kennen, die de eeuwen door de bakermat is geweest van alle waarachtige vrijheid—wij kunnen in die acte slechts de ironie der geschiedenis zien, de goddelijke ironie, die zoo vaak in de wereldgeschiedenis terugkeert, zoo dikwijls geheel tegen de bedoeling in van onverstand, domheid, bijgeloof en onderdrukking, ja juist door het verzet van die vereende booze krachten, de vrijheid van individuen en volken gaat bloeien.Wij kunnen dan ook niet anders dan te dezer plaatse in de geschiedenis van den Prins, hem, al is onze bedoeling niet, een lofrede op hem te schrijven, de volle hulde brengen van ons volk, dat zijn groote mannen niet wil vergeten.Wij begrijpen ten volle, dat Oranje het mikpunt is geweest en tot heden gebleven van den haat en den laster van de vijanden onzer vrijheid, want zonder hem was zij niet veroverd. Doch wat men ook tot eer van de tallooze vergeten weldoeners der menschheid moge zeggen, hoe men de keten van oorzaak en gevolg ook verbreekt, als men aan de groote mannen alleen den loop der wereldgeschiedenis toeschrijft; welke verborgen krachten er toch misschien ook in het samenstel der maatschappij mochten geweest zijn, die langs anderen weg tot hetzelfde resultaat gevoerd zouden hebben, bij afwezigheid dier helden; wie zal niet ten volle erkennen, dat nooit meer dan in de dagen van Leidens beleg alle geestkracht van het volk belichaamd is geweest in den grooten Zwijger? Wie zal dit ontkennen? Zij b.v. die de belangrijke gebeurtenissen van 1574, die Leiden betroffen, samenvatten in een halve bladzijde druks en niet eens den naam noemen van den Prins, die van allen en alles de ziel was.Men kan den grooten keer niet ontkennen, die door de mislukking van Leidens beleg de gebeurtenissen ten bate van de opgestane gewesten genomen heeft. “In drie maanden hadden de Spanjaarden te midden van de Hollandsche moerassen bij de 700 stukken geschut gelaten. Ze hadden bijna geene kanonnen meer.... Al wat den trots der overwinnaars op de Mookerhei en der belegeraars voor den geest riep, verdween voor de schansen van Leiden.” Doch met geen enkel woord wordt de man herdacht op die bladzijde, aan wien dat alles te danken of (volgens hun meening) te wijten was. Waar het wapen van den laster niet kan gehanteerd, daar moet de held dier tijden worden doodgezwegen. Alsof de steenen van de ontzette stad niet spraken! Alsof de keten der gebeurtenissen niet zou zijn verbroken, als de schakel van den persoon van Oranje daaruit was weggenomen!Hoe kort was het nog geleden, dat hij al zijn hoop op de komst van Lodewijk had gevestigd. En toen het eindelijk zekerheid voor hem was geworden, dat Lodewijk nimmer zou wederkeeren, toen raapte hij, in plaats van land en volk nu over te geven aan den vijand, alle geestkracht, die nog in hem was gebleven, tezamen en smeedde bij vernieuwing daaruit een wapen, dat den Spanjaard te machtig was.Al werd hij ook op het ziekbed geworpen ten gevolge van alle teleurstelling en overspanning, een enkel bericht, dat de stad het nog hield, was in staat hem weer nieuwe krachten te schenken. Opgestaan van een ziekbed, dat bijna zijn sterfbed werd, en zelf slechts langzaam in krachten toenemende, wist hij de flauwhartigen bij vernieuwing te bezielen, de moedeloozen te steunen, de kleingeestigen te sterken. Uit zwakheid putte hij kracht en hij ondervond de waarheid van het oude, schoone woord omtrent de waarlijk godsdienstigen, dat zij telkens hun kracht vernieuwen en opvaren met vleugelen, gelijk de arenden, loopen en niet moede worden, wandelen en niet mat worden.1Zie kaartje, overgenomen uit het Tijdschrift voor Geschiedenis, Land- en Volkenkunde, ons door den ontwerper, den Heer D. Ritman, welwillend afgestaan.
Hoofdstuk XVII.Onderhandelingen. Beleg van Alkmaar. Vertrek van Alva. 1573.Zooals we zagen was de Prins onvermoeid werkzaam geweest in het belang van Haarlem en Holland; die werkzaamheid was waarlijk niet gering geweest, als we bedenken, dat er groote verwarring heerschte, dat het in bestuurs- en rechtszaken treurig gesteld was, ook al door de verdeeldheid onder de regenten, vroedschappen, schepenen en steden.Trots alle pogingen om Roomsch en Geus te doen samengaan, steeg met den dag de haat tusschen Calvinisten en Katholieken en werden de eersten bijna overal de machtigsten. Terwijl Oranje intusschen met zijn broeders en verwanten druk correspondeerde over het zenden van een leger, waren er nog andere gewichtige zaken te behandelen. Hieronder neemt een eerste plaats in, het opnieuw aanknoopen van onderhandelingen met Frankrijk. Het schijnt vreemd, dat reeds in October 1572, dus slechts twee maanden na den beruchten Bartholomeusnacht, Oranje weder in verbinding trachtte te komen met het hof van Karel IX, maar de Prins had gehoord, dat de koning onmiddellijk na den moord berouw had gehad en als echt staatsman wilde Oranje in zijn politiek belang daarvan gebruik maken.Van Fransche zijde was voorgewend, dat de Bartholomeusnacht alleen het gevolg was geweest van eene Calvinistische samenzwering tegen den koning, maar dat hij volstrekt geen verandering gebracht had in de verhouding van Frankrijk tot Spanje, welks macht Frankrijk bleef vreezen en waartegen het zich zou blijven verzetten. Graaf Lodewijk had volstrekt geen lust met het verraderlijke Frankrijk weer in onderhandeling te treden; zijn geheele gemoed kwam daartegen in opstand. De Prins dacht er anders over; zijn staatkundige blik achtte die onderhandeling onmisbaar voor de toekomst en hij hoopte met Frankrijk tegen Spanje den oorlog voort te zetten, teneinde de volkomen vrijheid van de Noordelijke gewesten te verkrijgen. Voor dezen raad van den Prins bezweek ook Lodewijk.Van andere zijde was er zelfs bij Oranje op aangedrongen om rechtstreeks met Spanje te onderhandelen, waartoe de keizer zijn bemiddeling aanbood.Uit een brief van den 5enFebruari aan zijn broeders geschreven blijkt, hoe weinig vertrouwen de Prins heeft in onderhandelingen met Spanje. Toch wil hij zijn broers en de Duitsche vorsten niet terughouden van hetgeen zij meenden, dat gedaan kon worden.Op Engelands hulp kon in ’t geheel niet worden vertrouwd; Elisabeth had toenadering tot Alva getoond en het aanbod van den Prins, om Holland en Zeeland onder haar gebied te brengen, had de vorstin afgeslagen. Engeland poogde zelfs de handelsbetrekkingen met Spanje te hernieuwen, maar hoewel dit mislukte, bleef Elisabeth als vroeger even dubbelzinnig tegenover de Watergeuzen.In een aanknooping der vredesonderhandelingen met Spanje zag Oranje echter erg weinig licht; toch waren er die meenden, dat het succes kon hebben. Jan van Nassau ging zelfs in Mei naar Keulen, uitdrukkelijk met het doel den vrede te bevorderen, terwijl de landgraaf van Hessen zich bereid verklaarde als bemiddelaar op te treden om den vrede tusschen Filips en zijne onderdanen op den grondslag van den vrede van Augsburg van 1555 te helpen stichten.“Ik kan me niet voorstellen,” schrijft Oranje aan Lodewijk, “dat de Koning van Spanje ooit eenigen vrede met zijn onderdanen sluiten zal, dan alleen in den vorm van pardons, die gewoonlijk vol capties en excepties zijn en buitendien natuurlijk weinig vertrouwbaar, omdat een gunst weder naar willekeur en welbehagen kan worden teruggeroepen.”Wat het verbond van Frankrijk aangaat, waarop Oranje altijd hoopt, schrijft hij aan Lodewijk, dat de Staten er een groot wantrouwen in koesteren, tengevolge van de vreeselijke daad, die de koning van dat land op zijn geweten heeft en, gaat de Prins verder:“Men acht zijn verraad, zijn tirannie en wreedheid zoo verschrikkelijk, dat men beweert, dat het dan nog beter is, door zijn natuurlijken vorst te worden onderdrukt en die meening is diep in het hart van ieder geworteld en is inderdaad redelijk.”Alleen echter van Frankrijk, den ouden vijand van het Bourgondisch-Habsburgsche huis, verwachtte Oranje op den duur hulp.Zooals we zagen, daagde er voor Haarlem geen hulp van Lodewijks kant en moest de stad zich ten slotte overgeven.Dat Haarlems val grooten indruk maakte is licht te begrijpen; Oranje ging de steden rond, ze “bezoekende en sterkende” gelijk een oud schrijver zegt. Wel klaagde de Prins, dat hij raad noch steun in deze moeilijke omstandigheden ontving, maar zijn grootste kracht vond hij in die dagen in zijn vurig en warm geloof. Van dien tijd dagteekent ook de bekende uiting, welke van zijn godsdienstig gemoed de hoogste getuigenis aflegt. Op de vraag van zijn vrienden in Noord-Holland, of hij geen machtig vorst tot bondgenoot had, schreef hij hun deze indrukwekkende woorden:“Wij willen u daarop antwoorden, dat, aleer wij deze zaak tot bescherming der Christenen en andere verdrukten in dit land zijn begonnen, wij met den alleroppersten Potentaat der Potentaten zulk een vast verbond hebben gesloten, dat wij geheel verzekerd zijn, dat wij en al degenen die daarop vertrouwen, door zijn geweldige en machtige hand ten laatste nog ontzet zullen worden.”Die bemoedigende toon hielp. De bevolking van Holland besloot, ook zonder andere bondgenooten, den strijd voort te zetten. En het was, alsof die nieuwe moed, in het hart der bevolking overgestort, ook aanstonds eenig licht in den donkeren toestand aanbracht. Want van Alkmaar begon de victorie!Na Haarlem kwam Alkmaar aan de beurt. Reeds in Juli, nog tijdens het beleg van de Spaarnestad, hadden de Spanjaarden een vergeefsche poging gedaan de stad te nemen, maar nu Haarlem gevallen was en ook de muiterij onder het Spaansche krijgsvolk was bedwongen, kon Don Frederik al zijn krachten gebruiken om ook deze stad in het lot van Haarlem te doen deelen.De Spaansche krijgsoverste had goede plannen, want hij was reeds besloten tegenover Alkmaar niet zoo goedertieren (!) op te treden als tegen Haarlem. Aan Filips schreef hij zelfs, dat er in de stad geen levende ziel behoorde gelaten te worden, want met goedheid was er met dit volk niets uit te richten.Den 21enAugustus begon de insluiting en binnen enkele dagen reeds kon Alva aan zijn koning berichten, dat “geen mensch bij mogelijkheid uit of in de stad kon komen.”De strijd was wel ongelijk! De sterkte der belegeraars bedroeg ongeveer 16000 man, allen ervaren in den krijg, terwijl de stad een 2000 weerbare mannen telde, waaronder een 700 krijgslieden van beroep waren.Van overgave, zooals Don Frederik bij aankomst eischte, was echter geen sprake. De opperbevelhebber met de Burgemeesters en vroedschappen besloten zelfs, niet met den vijand “in gesprek te treden”.De bezetting begreep welk lot haar te wachten stond en besloot zich tot het uiterste te verdedigen, maar daarbij rekende zij op een machtigen bondgenoot: het water. De onderwaterzetting van de omstreken bracht natuurlijk tal van bezwaren mede en zoo besloot men iemand met brieven naar Sonoy te zenden, teneinde het doorsteken van de dijken te verkrijgen.Het gelukte Pieter van der Meij het waagstuk te volvoeren. Met een in lood gewikkelden brief, welke in een polsstok was geborgen, wist hij door het vijandelijk kamp te komen.Intusschen hadden de belegeraars niet stilgezeten, doch de vele schermutselingen, welke hadden plaats gehad waren zonder groote gevolgen gebleven. Den 18enSeptember werd door Don Frederik een ernstige aanval op de stad gedaan; na gedurende twaalf uur op de stad geschoten te hebben, trachtte debevelhebber de veste stormenderhand te nemen. Met groote onstuimigheid rukten de troepen met de Lombardische keurbenden aan het hoofd op de Friesche poort en den rooden Toren los, maar de ontvangst viel hun niet mee.Alle burgers waren op de wallen; de bestormers, zegt een tijdgenoot, werden met grof geschut, musket- en pistoolvuur begroet; kokend water, pek en olie, gesmolten lood en ongebluschte kalk stroomden op hen; honderden brandende pekkransen werden hen behendig om den hals geslingerd en vruchteloos worstelden zij om zich van die doodelijke halskragen te ontdoen; niet zoodra had een hunner den voet gezet in de bres, of hij werd met zwaard en dolk door de burgers ontvangen en hals over kop in de gracht teruggeworpen.De aanval werd tot driemaal toe ondernomen, maar ook telkens weer afgeslagen. Niet alleen mannen, maar ook vrouwen en kinderen namen aan de verdediging deel; ze stoorden zich niet aan het fluiten der kogels en voorzagen de mannen op de wallen van kruit en lood, dat ze uit de tuighuizen haalden. Zulk een hardnekkig verzet bleef dan ook niet zonder succes, want tegen het vallen van den avond trokken de Spanjaarden af met een verlies van eenige honderden dooden. Alva’s vergrijsde krijgers hadden het dien dag afgelegd.De stad van Alkmaar behielt de kroon,Zij gaaven de Spanjaards kranssen,Pijpen en trommelen gingen daar schoon,Men speelde daar vreemde danssen,De Spanjaards stonden daar vergaart,Zij dansten een nieuwe Spaansche galjaart,Maar zij vergaten te komen in hun schansen.Het is begrijpelijk, dat de burgers bemoedigd werden door dezen uitslag en ook de berichten van een gevangen genomen Spanjaard brachten de belegerden op de hoogte van den toestand en de plannen van den vijand.Het was intusschen van der Meij gelukt Sonoy te bereiken en deze had reeds enkele dijken laten doorsteken, zoodat het land in den omtrek der legerplaats reeds drassig was geworden.Oranje gaf in een brief, welke van der Meij aan Sonoy overbracht te kennen, dat het beter was het land geheel onder water te zetten, dan Alkmaar in handen van de Spanjaarden te doen overgaan. Bovendien verzocht Oranje in dien brief aan de burgers vier seinvuren te ontsteken, indien tot de uiterste maatregelen moest worden overgegaan. Verheugd over deze goed geslaagde zending trachtte van der Meij weer binnen de stad te komen, hetgeen hem met veel moeite wel gelukte, maar hij had het ongeluk zijn stok te verliezen. Deze viel in handen van den vijand, waardoor Don Frederik op de hoogte kwam van den inhoud der brieven, welke hem voldoende toonde, hoe er alles op gezet zou worden om de stad te behouden.De geest onder het Spaansche krijgsvolk was er al niet beter op geworden na de vergeefsche stormaanvallen, maar als zijn soldaten nu nog vernamen dat een veel grootere vijand, het water, hen op de hielen zat, dan zou de toestand nog minder worden.Daarom gaf Don Frederik, meenende, dat men voor de eer der Spaansche wapenen genoeg gedaan had, bevel tot het opbreken van het beleg.Het was de 8eOctober! Alkmaar ontzet!Oorlof die daar in Alkmaar zijnDe Heer heeft zijnen zeegenGegeeven nu op dit termijnDoor zijnen grooten reegen.Door ’s menschen hulp nog door bijstandDan alleen door Gods magtige handHebt gij ’t ontzet gekreegen.1Behalve dit groote succes was Bossu op de Zuiderzee verslagen en werd deze koninklijke stadhouder gevankelijk binnen Hoorn gebracht.Wel stond daar tegenover het verlies van Marnix van St. Aldegonde, die bij Maaslandsluis gevangen genomen en naar Den Haag gevoerd werd, doch ook begon van verschillende andere zijden het licht door de wolken te breken.De zooeven aangehaalde getuigenis omtrent het innig geloof van Oranje, verdient eenige nadere toelichting, te meer omdat men juist dergelijke uitspraken van hem heeft aangemerkt als bewijzen voor het huichelachtig karakter van den Prins.Dit is echter onjuist, want het langzaam ontwaken van den Prins is historisch zeer duidelijk te constateeren. Vroeger zagen we reeds, hoe het bovenal tijdens zijn ballingschap in Dillenburg was ontwaakt en hoe de voortdurende omgang met zijne moeder, de vrome vrouw bij uitnemendheid, ook zijn hart allengs ontvankelijk had gemaakt voor het godsdienstig leven. Juliana bleef met den Prins, ook toen hij weer naar Holland was vertrokken, in voortdurende briefwisseling.“Met welk een blijdschap,” schreef zij aan Oranje tijdens het beleg van Haarlem, “heb ik uw schrijven ontvangen en uw welvaart gelezen! De Almachtige beschutte en bescherme U met al de Uwen en sta U bij in de groote zaak... Al laat het zich aanzien, of Hij ons had vergeten, Hij zal zich te zijner tijd met zijn hulp laten vinden...”Zou het anders mogelijk zijn geweest, dan dat zulke woorden den Prins zelf godvruchtig stemden? Hoe vreugdevol en deelnemend schrijft zijne moeder hem na de overwinning van Bossu op de Zuiderzee: “Met hoe hartelijke vreugde heb ik Uw brief ontvangen, waaruit ik de groote overwinning las, waarbij zoovele schepen en krijgslieden der vijanden door de genade Gods in Uwe handen gevallen zijn. Den Almachtige zij dank in eeuwigheid! Moge Hij altijd met U zijn en steeds de opperste Raadgever en Helper van mijn zoon in alle zaken blijven!” Zou die moederlijke toon tegenover den Prins, die in die dagen juist geklaagd had overzijne eenzaamheid, terwijl hij niemand had, die hem diende met hulp en raad, zou die moederlijke toon geen ingang gevonden hebben in zijn hart? Wij voor ons gelooven dit zonder eenigen twijfel en de stap, dien hij dan ook in de maand October deed en die hem voor goed zoowel van het “oud geloof” als van de Augsburgsche confessie scheidde, die stap is zielkundig zeer goed te verklaren, ook al nemen we daarbij alle wereldsche redenen in aanmerking, welke hem er mede toe bewogen.Wij bedoelen zijn openlijken overgang tot het Calvinisme. Op den 23enOct. schreef een zekere predikant, Bartholdus Wilhelmi, te Dordrecht wonende, aan een der Londensche Kerken: “Broeders! ik heb u niet kunnen verbergen de genade, die God ons bewezen heeft, dat de Prins van Oranje, onze Godzalige Stadhouder, zich tot de gemeente heeft begeven, het brood des Heeren met de gemeente gebroken en zich aan de kerkelijke tucht onderworpen heeft, hetwelk niet klein te achten is.”Neen waarlijk, die stap van den Prins was niet gering te achten; integendeel, hij besliste over de toekomst der Nederlanden. Het is bekend genoeg, dat de Prins met de omhelzing van het Calvinisme, in geen enkel opzicht aansprakelijk wilde zijn voor den onverdraagzamen geest, die de Calvinisten gekenmerkt had en nog eeuwenlang zou kenmerken. De Prins moest zich echter met hen één van ziel en zin verklaren, wilde er iets van de redding van het land komen. Van de dweperij en den revolutionairen geest, die de Calvinisten voorheen hadden getoond, was hij geweldig afkeerig, maar daarvan waren ook de meeste Calvinisten genezen.Hij herinnerde zich met vreugde het levend geloof van zijn krijgsmakkers, de Hugenoten; hij behoefde thans noch zijn Luthersche vrienden en verwanten, noch de Anglicanen langer te ontzien. Met zijn overgang tot het Calvinisme was “de teerling geworpen, die over zijn verder levenslot moest beslissen.” Daarmede had hij tevens de toekomst van ons vaderland bepaald. Want eerst toen kon het volk hem ten volle vertrouwen en zich aan zijne leiding overgeven. Hij werd thans meer dan ooit de ziel van den opstand, die zonder zijn invloed, zonder zijn bemoediging, zonder zijn genie allerwaarschijnlijkst op niets was uitgeloopen.Het is wel jammer, dat er omtrent deze belangrijke gebeurtenis in zijn geschiedenis geen bijzondere brieven van den Prins meer voorhanden zijn. Natuurlijk heeft Lodewijk, die sedert zijn omgang met de Hugenoten, een ijverig Calvinist was, grooten invloed in dezen op zijn broeder uitgeoefend. In 1567 had de Prins nog van de verschillende geloofsbelijdenissen gezegd: “Het verschil is te kleen, om gesplijt te blijven.” En ongetwijfeld was dit nog zijn volle meening. Doch nu was het duidelijk, dat hij het staatkundig hoofd van het volk moest zijn. Daarom was het beter voor de algemeene zaak, dat hij zich met de grootste secte vereenzelvigde, om van die sterke stelling uit ook de andere te beschermen. Doelmatigheid was het voornaamste motief tot zijn daad, doch het was een zeer oprechte doelmatigheid. Hoe moeilijk het was, het hooge standpunt van zijn verdraagzaamheid te begrijpen, wordt wel bewezen door het feit, dat zelfs vele Calvinisten hem niet ten volle vertrouwden en met argwaan zagen, hoe vriendelijk hij zich betoonde tegenover menschen, die niet tot hun gemeenschap behoorden.Wij zagen reeds, hoe weinig de Prins verzuimde, om trots zijn “verbond met den Potentaat aller Potentaten,” toch ook langs andere wegen op redding voor het land bedacht te zijn. Zijne werkzaamheid was zelfs in dezen tijd verbazingwekkend. Geen enkele mogelijkheid in eenige richting liet hij onaangeroerd; geen enkele kans om hulp te verkrijgen of sympathie op te wekken, liet hij ontsnappen. Voortdurend richtte hij lange en gedetailleerde brieven aan zijn broeders. Aan hen liet hij de onderhandeling met de Duitsche vorsten over. Voor zich bleef hij trots al wat er gebeurd was, trots zijn eigen meening en die der Staten, dat het beter was zijn natuurlijken vorst tot een tiran te hebben, dan een tiran zooals Karel IX zich getoond had, eenig geloof in Frankrijk slaan en de hoop op Frankrijk behouden. Niet omdat hij òf Karel IX òf Catharina de Medicis vertrouwde, maar omdat hij inzag dat zij er belang bij zouden hebben, den indruk van den Bartholomeusnacht uit te wisschen en motieven van eigenbelang hen wel drijven konden tot ondersteuning zijner zaak.In Frankrijk was naast de Katholieken en de Hugenoten een derde partij ontstaan, onder den hertog van Alençon, de partij der politieken. Daarbij wenschte Catharina de Medicis den troon van Polen, die in Juli 1572 vacant was geworden, voor den Hertog van Anjou. Die poging gelukte en de nieuwe koning van Polen moest in het jaar 1573 naar zijn rijk vertrekken. Toen bood Karel IX den Prins van Oranje 100.000 kronen aan, om den oorlog tegen Spanje voort te zetten, onder voorwaarde, dat de Duitsche Protestantsche vorsten, den hertog van Anjou door hunne staten naar Polen zouden geleiden. Lodewijk was er de man niet naar, om aanstonds zonder slag of stoot op die onderhandelingen met het trouwelooze hof van Catharina in te gaan. De hardste waarheden zeide hij zoowel tot Fregoso, den afgezant van Catharina de Medicis, als in een brief aan Karel IX.Die brief, welke zelfs in druk verscheen, vertoornde eerst wel den koning, maar ook deze offerde zijn toorn aan de staatkunde op. Door zijn broeder en door de Nederlandsche belangen aangespoord, deed ook Lodewijk, hoewel schoorvoetend en het hart vol bittere verontwaardiging, telkens een stap voorwaarts in de richting van een nieuw Fransch bondgenootschap en schreef hij in December 1573, naar aanleiding van de samenkomst te Blamont met Fransche afgevaardigden, een brief aan den Prins.Hierin meldt hij, dat hij op raad van den Paltzgraaf een poging had gedaan om den nieuwen landvoogd te Heidelberg te ontmoeten, waar deze, op weg naar de Nederlanden, langs zou komen. Toen dit tot zijn spijt mislukt was, had hij een ontmoeting gehad met de koningin en haar zoon, den koning van Polen, die op weg naar zijn koninkrijk was. Het gevolg was geweest, dat Lodewijk aan Oranje thans kon mededeelen, dat de koning van Frankrijk beloofd had, de zaken van de Nederlanden te steunen, zelfs nog voordat de Protestantsche vorsten hetzelfde zouden willen doen. Verder bericht Lodewijk aan zijn broer, dat de zaken in Duitschland goed staan en zelfs de keurvorst van Keulen op den goeden weg is. Lodewijk belooft geld te zenden en hij geeft nog aan Oranje de verzekering, spoedig met een grooten of kleinen troep te komen.’t Was een brief vol goeden moed over de toekomst en in diezelfde dagen,dat de graaf zoo goed gestemd was, begon er voor Holland eenig licht door de wolken te breken. Wel was Haarlem gevallen, maar Alkmaar behouden en wij zagen reeds, hoe Bossu was verslagen. Ook in Zeeland waar de Boisots tegenover Mondragon stonden, begonnen de kansen zich ten gunste van den Prins te keeren. Daarbij waren er aan den kant van den vijand zeer donkere wolken te bespeuren. De tijd van Spanje’s grootsten bloei was in 1570 reeds voorbij, zelfs stond een staatsbankroet voor de deur. De strijd met het kleine Holland zou, gelijk Prof. Blok schrijft, verder een strijd zijn tusschen een kolossus op leemen voeten en een kleinen doch krachtigen tegenstander.Zelfs Alva kon, trots zijn succes, niet langer de Spaansche monarchie in de Nederlanden tot steun zijn. Behalve den vroeger reeds vermelden strijd tegen zijn persoon te Madrid, uitgaande van Ruy Gomez, en de geheime oppositie van Medina-Coeli, die hem toch ook niet opvolgde, werd de landvoogd door voortdurende geldelijke ongelegenheid gekweld. Hij had geen financieele hulpbronnen meer en kon zijn troepen daarom niet in orde houden. Bovendien was het aan een deputatie uit de Z. Nederlanden eindelijk gelukt, tegen zijn onmiddellijken raad in, den tienden penning weer geschorst te krijgen, met de belofte, dat hij zou worden afgeschaft. Van daar dat Alva met aandrang zijn ontslag vroeg, dat hem 19 Oct. werd verleend.Den 18enDecember 1573 verliet hij de Nederlanden en werd hij opgevolgd door Don Louis de Requesens y Zuniga. Het is hier de plaats niet, om het volledig stelsel van Alva te bespreken. Ongetwijfeld vond zijn tiende penning algemeen scherpe afkeuring; geen enkel katholiek schrijver zelfs zal een Alva meerverdedigen; en toch was zoowel zijn nieuwe wijze van belastingheffing en waren vooral zijn crimineele ordonnantiën verbeteringen in het beheer dezer landen. Zijn geheele optreden echter tegenover de Nederlanden heeft hem met den rechtmatigen vloek van tijdgenoot en nakomelingschap beladen. Hier zij nog deze trek uit zijn laatste regeeringsjaar vermeld, die hem als een der eersten doet kennen, die getracht heeft den Prins te vermoorden.Granvelle had vroeger reeds den koning aangeraden, zich van den Prins en zijn broeder Lodewijk door middel van sluipmoord te ontslaan en al was Filips op datzelfde oogenblik aan het onderhandelen met de Duitsche vorsten over den vrede met de Nederlanden, hij had er zijn goedkeuring aan gehecht. Nu deed zich het volgende geval voor: Een zekere Juan de Albornoz, secretaris van den hertog van Alva, schreef op den 12enFebruari 1573 aan den voornaamsten secretaris van Filips, Gabriël de Cayas, het volgende:“Hij, die het hoofd van den admiraal (Coligny) heeft aangebracht, heeft aangeboden ook een ander te dooden, die niet minder kwaad aan de Christenheid heeft berokkend dan die schurk, die thans in de hel is. Hij en twee anderen zijn er heen. God sta hen bij! Het is een onderneming, waarin ze God een grooten dienst zullen kunnen bewijzen en tegelijk zelf eer en voordeel mee zullen behalen...Uit Nijmegen, 12 Febr. 1573.”Stormaanval der Lombardische benden op Alkmaar. (Bladz. 244).Stormaanval der Lombardische benden op Alkmaar. (Bladz. 244).De secretaris van Filips liet dit aan den koning lezen en deze schreef er zelf in margine bij: “Ik begrijp dat niet, omdat ik niet weet, waar het hoofd van denadmiraal is gebracht, noch van wien dat andere hoofd is, hoewel het mij voorkomt, dat hiermee Oranje bedoeld wordt. Zeker hebben ze weinig hart getoond, met hem niet te dooden, want dat zou het beste geneesmiddel zijn.”En Cayas schreef aan Albornoz terug: “Ik heb Z. M. over die personen gesproken en over de middelen, om de beide broeders uit den weg te ruimen. Z. M. was daar zeer over voldaan. Geef mij door alle koeriers bericht van het resultaat; Z. M. zal er zeer bijzonder over verheugd en zeer tevreden mede zijn.”Men zegt, dat Alva een Albanees had gehuurd om den Prins te dooden, maar dat die verplicht was, zijn voornemen op te geven. Hij was geheel onbekend met het Vlaamsch en kon niet in tegenwoordigheid van Oranje komen. St. Goard, Fransch gezant te Madrid, schreef aan Karel IX, dat Alva en Don Frederik verschillende vertrouwde personen hadden, die den Prins wilden vermoorden. Maar Oranje was wel verdacht op zulk verraad. In elke richting had hij spionnen, tot zelfs in Filips’ eigen kabinet. Een klerk van denzelfden Cayas was in zijn dienst en verzuimde nooit een copie van alle brieven van den koning, die voor den Prins belangrijk waren, aan Oranje te zenden.We zullen Alva’s laatste dagen in de Nederlanden hier niet beschrijven. Zijn geldgebrek en schulden drukten hem zeer. Wat we nog wel moeten vermelden uit Alva’s laatsten tijd in de Nederlanden doorgebracht, is, dat hij in September 1573 de Staten van alle Nederlandsche gewesten opriep, om in Brussel te komen, ten einde hun ondersteuning te verkrijgen voor bijdragen. Oranje maakte van die gelegenheid gebruik, in zijn naam en in den naam van Holland en Zeeland een beroep te doen op de vergaderde Staten. Het bevatte een krachtdadigen oproep tot gezamenlijke handeling. Al de geldmiddelen, die Alva verkreeg om het volk te onderdrukken, kwamen uit hun eigen zak. Moesten de Staten dan kalmpjes voortgaan, om hem den zenuw van den oorlog te verschaffen, die tegen henzelf gericht was? Hun vroegere vorsten hadden geleefd op hun grond en nooit was hun een stuiver geweigerd. Waarom moest dan die vreemdeling misbruik maken van hetgeen geen ingeboren vorst ooit zou hebben durven vragen? Holland zou doen, wat het kon, al was ook Amsterdam niet met haar vereenigd. Als de Nederlanden slechts één waren, wat zouden ze dan niet kunnen doen!Dit stuk, in naam van de Staten opgesteld, werd gevolgd door een brief aan den koning van Spanje, die wijd en zijd over Europa verspreid werd. Met nietssparende kleuren werd daarin een schildering gegeven van de ellende van het land; het pardon, door Filips aangeboden, werd met verachtelijke uitdrukkingen gekenmerkt en daarop verklaarde de schrijver rond en open, dat de wapenen, die tegen Alva waren opgenomen, niet zouden worden neergelegd, zoolang er een hand was, die het zwaard kon hanteeren.Toen Requesens, met grooten tegenzin en bovendien met een wankelende gezondheid, in December 1573 Alva als landvoogd opvolgde, was de oorlogstoestand in Holland als volgt: Don Frederik was, gelijk we zagen, verplicht geweest, het beleg van Alkmaar op te heffen en ging toen voor een poos naar Amsterdam, van waar hij naar den omtrek van Leiden toog, om die stad te gaan insluiten. Toenechter vertrok hij zelf met zijn vader naar Spanje en gaf het bevel over het leger, dat Leiden insloot, aan Valdez over.De burgers dier stad hadden zich niet op deze gebeurtenis voorbereid, hoewel zij uit het voorbeeld van andere steden wel wijsheid hadden mogen putten. Haarlem en Amsterdam waren nog de eenige steden in Holland, die in de macht der vijanden waren, terwijl in Zeeland Middelburg nog Spaansch was, maar deze stad was door een geuzenvloot ingesloten. De tijdingen uit Duitschland waren zoo vol hoop, dat de Prins dacht in de lente misschien wel met den nieuwen landvoogd, van een voordeelig standpunt uit, te kunnen onderhandelen. Ook zonder bemiddeling van den keizer meende hij thans wellicht gelegenheid te hebben, tot een schikking met Filips te komen. Juliaan Romero, een vroegere krijgsmakker van Oranje begon in November tegenover den Prins eenige openingen tot onderhandeling te doen. “Ik heb drie of vier brieven van Juliaan Romero ontvangen, schreef Oranje aan zijn broeders, “vol hoffelijkheden en beleefde aanbiedingen, die ik op dezelfde wijze beantwoordde.”Uit de onderhandelingen met Romero blijkt, dat hij Oranje verzocht had met hem een samenkomst te hebben. De Prins ging daar echter niet op in maar beloofde een vertrouwd persoon te zenden om met Romero over de gevangenen te onderhandelen. Tot dezen behoorde nog altijd Marnix van St. Aldegonde en Romero verzocht den Prins, hem voor Bossu in te ruilen. Hoewel Oranje zeer gehecht was aan Aldegonde, ging hij toch op dit voorstel niet in, daar hij Bossu, den door den koning aangestelden stadhouder van Holland, een te hoogen prijs vond. Marnix en Bossu bleven derhalve vooreerst nog in de gevangenis, maar noch de een, noch de ander had reden tot klagen. Het bevreemdt ons daarom, dat er uit die dagen van Marnix’ gevangenschap brieven van hem aan den Prins bestaan, waaruit duidelijk blijkt, hoe hij den moed had verloren.Marnix gaat zelfs zoover, Oranje in overweging te geven met den strijd te eindigen, alle banden met het vaderland te verbreken en in een vreemd land te gaan leven, waar men zijn ziel in vrede kan bezitten. Hij acht dit beter dan in voortdurenden oorlog te verkeeren, “hetgeen niet anders kan uitloopen dan op goddeloosheid en ellende en die de goddelijke wraak zal wakker roepen,” zoo schrijft Marnix.Hoewel de Prins de goede bedoeling van zijn trouwen vriend Aldegonde waardeert, meent hij toch, na de Staten over den brief gehoord te hebben, het voorstel van Marnix geheel te moeten verwerpen.In zijn antwoord wijst hij erop, welke slechte gevolgen o. a. het accoord van 1566 heeft gehad, dat ten slotte op niets uitliep dan op de uitoefening van den waren godsdienst en den moord van duizenden; het volk, rekenende op de zoogenaamde pardons en verdragen, kwam jammerlijk bedrogen uit en hun vertrouwen werd beloond met verbanning en dood. Ook herinnert Oranje hem aan den gruwelijken Franschen moord, die niet tijdens den oorlog, maar in een periode van vrede, ja te midden van huwelijksfeesten plaats had. Neen, noch Oranje, noch de Staten willen er iets van weten en, zegt de Prins aan het slot van zijn schrijven: “Wil Z. M. werkelijk de tegenwoordige ellende doen ophouden, dan zal hij zich voor altijd een goeden naam hebben verworven.”Deze brief dagteekende van 28 November 1573 uit Delft, waar de gewone residentie van Oranje in die dagen was. Uit het overleg met de Staten blijkt tevens in welke verhouding de stadhouder sedert 1572 tot de Staten stond. Op de vergadering te Dordrecht was de Prins als stadhouder erkend, waardoor het gezag aan hem werd toevertrouwd. Spoedig was hij verplicht geweest door de overstelpende bezigheden en de herhaalde afwezigheid een deel van het bewind aan de Staten op te dragen, waardoor hun invloed steeds grooter werd. In de lente van 1573 stelde hij naast zich drie raden in, voor de financiën, voor de admiraliteit en den Raad van State. In den laatste bekleedde Paulus Buys, sedert 1572 advocaat van den lande, eene belangrijke plaats. Hij was als zoodanig de raadsman van Oranje en de Staten en werd later de rechterhand van den Prins.Niettegenstaande den brief van Oranje aan Marnix, waarin hij, gelijk we zagen, niet in het minst vertrouwen op vredesonderhandelingen had, bleven zij toch slepende. De vrijheid van geweten en de handhaving van de oude privilegiën zette de Prins op den voorgrond. Noircarmes, die te Utrecht de plaats van Bossu als Stadhouder had ingenomen, opende eveneens een briefwisseling met den Prins, die de bedoeling had tot den vrede te leiden. De nieuwe landvoogd beproefde alle middelen, om den Prins te bewegen den strijd op te geven, ook nog telkens in het jaar 1574. De Prins antwoordde op zeer koelen en waardigen toon en hij kon hem zelfs later onderschepte brieven voorleggen, die duidelijk bewezen, dat er niet de minste hoop was op verandering van gezindheid bij den koning. Het ontbrak ook van andere zijden den Prins niet aan raadgevers, die hem den krijg wilden doen eindigen. Landgraaf Willem van Hessen schreef hem o. a.: “Het is verloren spel, dat gij speelt, geef het op, terwijl gij nog iets te verliezen hebt.” Maar de Prins was en bleef doof voor die vermaningen. Geen aanbiedingen zelfs van geldelijke schadeloosstelling, mits hij de Nederlanden verliet, konden hem terugbrengen van voortzetting van den krijg. Het ontbrak hem ten eenenmale aan vertrouwen op ’s konings woord; hij wilde zijn lot niet van dat der Nederlanden scheiden en bovenal wilde hij, hetgeen Spanje nooit zou toestaan:vrijheid van godsdienst.De eenige, die Oranje in die dagen hoop gaf, was zijn broeder Lodewijk. Te Blamont had hij Fransche geldelijke hulp gekregen en zijn expeditie, die hij reeds lang voornemens was, werd door hertog Casimir gesteund. Op zijn komst met een leger had Oranje reeds lang gehoopt. De belofte van die naderende komst gaf den Prins nieuwen moed. De oorlog werd voortgezet.In December 1573 ging de Prins naar Zeeland en sloeg zijn hoofdkwartier op te Zierikzee, om den loop der belegering van Middelburg af te wachten, waarbinnen de Spaansche royalisten met denzelfden moed en dezelfde volharding het beleg van de geuzenvloot volhielden als de Haarlemmers dit bij het beleg der Spanjaarden hadden gedaan.1Dit en het vorige versje uit: “Een gedenkwaardig Liedeke,” voorkomende in het “Kort Verhaal van de Belegering der stad Alkmaar” door Nanning van Foreest.
Zooals we zagen was de Prins onvermoeid werkzaam geweest in het belang van Haarlem en Holland; die werkzaamheid was waarlijk niet gering geweest, als we bedenken, dat er groote verwarring heerschte, dat het in bestuurs- en rechtszaken treurig gesteld was, ook al door de verdeeldheid onder de regenten, vroedschappen, schepenen en steden.
Trots alle pogingen om Roomsch en Geus te doen samengaan, steeg met den dag de haat tusschen Calvinisten en Katholieken en werden de eersten bijna overal de machtigsten. Terwijl Oranje intusschen met zijn broeders en verwanten druk correspondeerde over het zenden van een leger, waren er nog andere gewichtige zaken te behandelen. Hieronder neemt een eerste plaats in, het opnieuw aanknoopen van onderhandelingen met Frankrijk. Het schijnt vreemd, dat reeds in October 1572, dus slechts twee maanden na den beruchten Bartholomeusnacht, Oranje weder in verbinding trachtte te komen met het hof van Karel IX, maar de Prins had gehoord, dat de koning onmiddellijk na den moord berouw had gehad en als echt staatsman wilde Oranje in zijn politiek belang daarvan gebruik maken.
Van Fransche zijde was voorgewend, dat de Bartholomeusnacht alleen het gevolg was geweest van eene Calvinistische samenzwering tegen den koning, maar dat hij volstrekt geen verandering gebracht had in de verhouding van Frankrijk tot Spanje, welks macht Frankrijk bleef vreezen en waartegen het zich zou blijven verzetten. Graaf Lodewijk had volstrekt geen lust met het verraderlijke Frankrijk weer in onderhandeling te treden; zijn geheele gemoed kwam daartegen in opstand. De Prins dacht er anders over; zijn staatkundige blik achtte die onderhandeling onmisbaar voor de toekomst en hij hoopte met Frankrijk tegen Spanje den oorlog voort te zetten, teneinde de volkomen vrijheid van de Noordelijke gewesten te verkrijgen. Voor dezen raad van den Prins bezweek ook Lodewijk.
Van andere zijde was er zelfs bij Oranje op aangedrongen om rechtstreeks met Spanje te onderhandelen, waartoe de keizer zijn bemiddeling aanbood.
Uit een brief van den 5enFebruari aan zijn broeders geschreven blijkt, hoe weinig vertrouwen de Prins heeft in onderhandelingen met Spanje. Toch wil hij zijn broers en de Duitsche vorsten niet terughouden van hetgeen zij meenden, dat gedaan kon worden.
Op Engelands hulp kon in ’t geheel niet worden vertrouwd; Elisabeth had toenadering tot Alva getoond en het aanbod van den Prins, om Holland en Zeeland onder haar gebied te brengen, had de vorstin afgeslagen. Engeland poogde zelfs de handelsbetrekkingen met Spanje te hernieuwen, maar hoewel dit mislukte, bleef Elisabeth als vroeger even dubbelzinnig tegenover de Watergeuzen.
In een aanknooping der vredesonderhandelingen met Spanje zag Oranje echter erg weinig licht; toch waren er die meenden, dat het succes kon hebben. Jan van Nassau ging zelfs in Mei naar Keulen, uitdrukkelijk met het doel den vrede te bevorderen, terwijl de landgraaf van Hessen zich bereid verklaarde als bemiddelaar op te treden om den vrede tusschen Filips en zijne onderdanen op den grondslag van den vrede van Augsburg van 1555 te helpen stichten.
“Ik kan me niet voorstellen,” schrijft Oranje aan Lodewijk, “dat de Koning van Spanje ooit eenigen vrede met zijn onderdanen sluiten zal, dan alleen in den vorm van pardons, die gewoonlijk vol capties en excepties zijn en buitendien natuurlijk weinig vertrouwbaar, omdat een gunst weder naar willekeur en welbehagen kan worden teruggeroepen.”
Wat het verbond van Frankrijk aangaat, waarop Oranje altijd hoopt, schrijft hij aan Lodewijk, dat de Staten er een groot wantrouwen in koesteren, tengevolge van de vreeselijke daad, die de koning van dat land op zijn geweten heeft en, gaat de Prins verder:
“Men acht zijn verraad, zijn tirannie en wreedheid zoo verschrikkelijk, dat men beweert, dat het dan nog beter is, door zijn natuurlijken vorst te worden onderdrukt en die meening is diep in het hart van ieder geworteld en is inderdaad redelijk.”
Alleen echter van Frankrijk, den ouden vijand van het Bourgondisch-Habsburgsche huis, verwachtte Oranje op den duur hulp.
Zooals we zagen, daagde er voor Haarlem geen hulp van Lodewijks kant en moest de stad zich ten slotte overgeven.
Dat Haarlems val grooten indruk maakte is licht te begrijpen; Oranje ging de steden rond, ze “bezoekende en sterkende” gelijk een oud schrijver zegt. Wel klaagde de Prins, dat hij raad noch steun in deze moeilijke omstandigheden ontving, maar zijn grootste kracht vond hij in die dagen in zijn vurig en warm geloof. Van dien tijd dagteekent ook de bekende uiting, welke van zijn godsdienstig gemoed de hoogste getuigenis aflegt. Op de vraag van zijn vrienden in Noord-Holland, of hij geen machtig vorst tot bondgenoot had, schreef hij hun deze indrukwekkende woorden:
“Wij willen u daarop antwoorden, dat, aleer wij deze zaak tot bescherming der Christenen en andere verdrukten in dit land zijn begonnen, wij met den alleroppersten Potentaat der Potentaten zulk een vast verbond hebben gesloten, dat wij geheel verzekerd zijn, dat wij en al degenen die daarop vertrouwen, door zijn geweldige en machtige hand ten laatste nog ontzet zullen worden.”
Die bemoedigende toon hielp. De bevolking van Holland besloot, ook zonder andere bondgenooten, den strijd voort te zetten. En het was, alsof die nieuwe moed, in het hart der bevolking overgestort, ook aanstonds eenig licht in den donkeren toestand aanbracht. Want van Alkmaar begon de victorie!
Na Haarlem kwam Alkmaar aan de beurt. Reeds in Juli, nog tijdens het beleg van de Spaarnestad, hadden de Spanjaarden een vergeefsche poging gedaan de stad te nemen, maar nu Haarlem gevallen was en ook de muiterij onder het Spaansche krijgsvolk was bedwongen, kon Don Frederik al zijn krachten gebruiken om ook deze stad in het lot van Haarlem te doen deelen.
De Spaansche krijgsoverste had goede plannen, want hij was reeds besloten tegenover Alkmaar niet zoo goedertieren (!) op te treden als tegen Haarlem. Aan Filips schreef hij zelfs, dat er in de stad geen levende ziel behoorde gelaten te worden, want met goedheid was er met dit volk niets uit te richten.
Den 21enAugustus begon de insluiting en binnen enkele dagen reeds kon Alva aan zijn koning berichten, dat “geen mensch bij mogelijkheid uit of in de stad kon komen.”
De strijd was wel ongelijk! De sterkte der belegeraars bedroeg ongeveer 16000 man, allen ervaren in den krijg, terwijl de stad een 2000 weerbare mannen telde, waaronder een 700 krijgslieden van beroep waren.
Van overgave, zooals Don Frederik bij aankomst eischte, was echter geen sprake. De opperbevelhebber met de Burgemeesters en vroedschappen besloten zelfs, niet met den vijand “in gesprek te treden”.
De bezetting begreep welk lot haar te wachten stond en besloot zich tot het uiterste te verdedigen, maar daarbij rekende zij op een machtigen bondgenoot: het water. De onderwaterzetting van de omstreken bracht natuurlijk tal van bezwaren mede en zoo besloot men iemand met brieven naar Sonoy te zenden, teneinde het doorsteken van de dijken te verkrijgen.
Het gelukte Pieter van der Meij het waagstuk te volvoeren. Met een in lood gewikkelden brief, welke in een polsstok was geborgen, wist hij door het vijandelijk kamp te komen.
Intusschen hadden de belegeraars niet stilgezeten, doch de vele schermutselingen, welke hadden plaats gehad waren zonder groote gevolgen gebleven. Den 18enSeptember werd door Don Frederik een ernstige aanval op de stad gedaan; na gedurende twaalf uur op de stad geschoten te hebben, trachtte debevelhebber de veste stormenderhand te nemen. Met groote onstuimigheid rukten de troepen met de Lombardische keurbenden aan het hoofd op de Friesche poort en den rooden Toren los, maar de ontvangst viel hun niet mee.
Alle burgers waren op de wallen; de bestormers, zegt een tijdgenoot, werden met grof geschut, musket- en pistoolvuur begroet; kokend water, pek en olie, gesmolten lood en ongebluschte kalk stroomden op hen; honderden brandende pekkransen werden hen behendig om den hals geslingerd en vruchteloos worstelden zij om zich van die doodelijke halskragen te ontdoen; niet zoodra had een hunner den voet gezet in de bres, of hij werd met zwaard en dolk door de burgers ontvangen en hals over kop in de gracht teruggeworpen.
De aanval werd tot driemaal toe ondernomen, maar ook telkens weer afgeslagen. Niet alleen mannen, maar ook vrouwen en kinderen namen aan de verdediging deel; ze stoorden zich niet aan het fluiten der kogels en voorzagen de mannen op de wallen van kruit en lood, dat ze uit de tuighuizen haalden. Zulk een hardnekkig verzet bleef dan ook niet zonder succes, want tegen het vallen van den avond trokken de Spanjaarden af met een verlies van eenige honderden dooden. Alva’s vergrijsde krijgers hadden het dien dag afgelegd.
De stad van Alkmaar behielt de kroon,Zij gaaven de Spanjaards kranssen,Pijpen en trommelen gingen daar schoon,Men speelde daar vreemde danssen,De Spanjaards stonden daar vergaart,Zij dansten een nieuwe Spaansche galjaart,Maar zij vergaten te komen in hun schansen.
De stad van Alkmaar behielt de kroon,
Zij gaaven de Spanjaards kranssen,
Pijpen en trommelen gingen daar schoon,
Men speelde daar vreemde danssen,
De Spanjaards stonden daar vergaart,
Zij dansten een nieuwe Spaansche galjaart,
Maar zij vergaten te komen in hun schansen.
Het is begrijpelijk, dat de burgers bemoedigd werden door dezen uitslag en ook de berichten van een gevangen genomen Spanjaard brachten de belegerden op de hoogte van den toestand en de plannen van den vijand.
Het was intusschen van der Meij gelukt Sonoy te bereiken en deze had reeds enkele dijken laten doorsteken, zoodat het land in den omtrek der legerplaats reeds drassig was geworden.
Oranje gaf in een brief, welke van der Meij aan Sonoy overbracht te kennen, dat het beter was het land geheel onder water te zetten, dan Alkmaar in handen van de Spanjaarden te doen overgaan. Bovendien verzocht Oranje in dien brief aan de burgers vier seinvuren te ontsteken, indien tot de uiterste maatregelen moest worden overgegaan. Verheugd over deze goed geslaagde zending trachtte van der Meij weer binnen de stad te komen, hetgeen hem met veel moeite wel gelukte, maar hij had het ongeluk zijn stok te verliezen. Deze viel in handen van den vijand, waardoor Don Frederik op de hoogte kwam van den inhoud der brieven, welke hem voldoende toonde, hoe er alles op gezet zou worden om de stad te behouden.
De geest onder het Spaansche krijgsvolk was er al niet beter op geworden na de vergeefsche stormaanvallen, maar als zijn soldaten nu nog vernamen dat een veel grootere vijand, het water, hen op de hielen zat, dan zou de toestand nog minder worden.
Daarom gaf Don Frederik, meenende, dat men voor de eer der Spaansche wapenen genoeg gedaan had, bevel tot het opbreken van het beleg.
Het was de 8eOctober! Alkmaar ontzet!
Oorlof die daar in Alkmaar zijnDe Heer heeft zijnen zeegenGegeeven nu op dit termijnDoor zijnen grooten reegen.Door ’s menschen hulp nog door bijstandDan alleen door Gods magtige handHebt gij ’t ontzet gekreegen.1
Oorlof die daar in Alkmaar zijn
De Heer heeft zijnen zeegen
Gegeeven nu op dit termijn
Door zijnen grooten reegen.
Door ’s menschen hulp nog door bijstand
Dan alleen door Gods magtige hand
Hebt gij ’t ontzet gekreegen.1
Behalve dit groote succes was Bossu op de Zuiderzee verslagen en werd deze koninklijke stadhouder gevankelijk binnen Hoorn gebracht.
Wel stond daar tegenover het verlies van Marnix van St. Aldegonde, die bij Maaslandsluis gevangen genomen en naar Den Haag gevoerd werd, doch ook begon van verschillende andere zijden het licht door de wolken te breken.
De zooeven aangehaalde getuigenis omtrent het innig geloof van Oranje, verdient eenige nadere toelichting, te meer omdat men juist dergelijke uitspraken van hem heeft aangemerkt als bewijzen voor het huichelachtig karakter van den Prins.
Dit is echter onjuist, want het langzaam ontwaken van den Prins is historisch zeer duidelijk te constateeren. Vroeger zagen we reeds, hoe het bovenal tijdens zijn ballingschap in Dillenburg was ontwaakt en hoe de voortdurende omgang met zijne moeder, de vrome vrouw bij uitnemendheid, ook zijn hart allengs ontvankelijk had gemaakt voor het godsdienstig leven. Juliana bleef met den Prins, ook toen hij weer naar Holland was vertrokken, in voortdurende briefwisseling.
“Met welk een blijdschap,” schreef zij aan Oranje tijdens het beleg van Haarlem, “heb ik uw schrijven ontvangen en uw welvaart gelezen! De Almachtige beschutte en bescherme U met al de Uwen en sta U bij in de groote zaak... Al laat het zich aanzien, of Hij ons had vergeten, Hij zal zich te zijner tijd met zijn hulp laten vinden...”
Zou het anders mogelijk zijn geweest, dan dat zulke woorden den Prins zelf godvruchtig stemden? Hoe vreugdevol en deelnemend schrijft zijne moeder hem na de overwinning van Bossu op de Zuiderzee: “Met hoe hartelijke vreugde heb ik Uw brief ontvangen, waaruit ik de groote overwinning las, waarbij zoovele schepen en krijgslieden der vijanden door de genade Gods in Uwe handen gevallen zijn. Den Almachtige zij dank in eeuwigheid! Moge Hij altijd met U zijn en steeds de opperste Raadgever en Helper van mijn zoon in alle zaken blijven!” Zou die moederlijke toon tegenover den Prins, die in die dagen juist geklaagd had overzijne eenzaamheid, terwijl hij niemand had, die hem diende met hulp en raad, zou die moederlijke toon geen ingang gevonden hebben in zijn hart? Wij voor ons gelooven dit zonder eenigen twijfel en de stap, dien hij dan ook in de maand October deed en die hem voor goed zoowel van het “oud geloof” als van de Augsburgsche confessie scheidde, die stap is zielkundig zeer goed te verklaren, ook al nemen we daarbij alle wereldsche redenen in aanmerking, welke hem er mede toe bewogen.
Wij bedoelen zijn openlijken overgang tot het Calvinisme. Op den 23enOct. schreef een zekere predikant, Bartholdus Wilhelmi, te Dordrecht wonende, aan een der Londensche Kerken: “Broeders! ik heb u niet kunnen verbergen de genade, die God ons bewezen heeft, dat de Prins van Oranje, onze Godzalige Stadhouder, zich tot de gemeente heeft begeven, het brood des Heeren met de gemeente gebroken en zich aan de kerkelijke tucht onderworpen heeft, hetwelk niet klein te achten is.”
Neen waarlijk, die stap van den Prins was niet gering te achten; integendeel, hij besliste over de toekomst der Nederlanden. Het is bekend genoeg, dat de Prins met de omhelzing van het Calvinisme, in geen enkel opzicht aansprakelijk wilde zijn voor den onverdraagzamen geest, die de Calvinisten gekenmerkt had en nog eeuwenlang zou kenmerken. De Prins moest zich echter met hen één van ziel en zin verklaren, wilde er iets van de redding van het land komen. Van de dweperij en den revolutionairen geest, die de Calvinisten voorheen hadden getoond, was hij geweldig afkeerig, maar daarvan waren ook de meeste Calvinisten genezen.
Hij herinnerde zich met vreugde het levend geloof van zijn krijgsmakkers, de Hugenoten; hij behoefde thans noch zijn Luthersche vrienden en verwanten, noch de Anglicanen langer te ontzien. Met zijn overgang tot het Calvinisme was “de teerling geworpen, die over zijn verder levenslot moest beslissen.” Daarmede had hij tevens de toekomst van ons vaderland bepaald. Want eerst toen kon het volk hem ten volle vertrouwen en zich aan zijne leiding overgeven. Hij werd thans meer dan ooit de ziel van den opstand, die zonder zijn invloed, zonder zijn bemoediging, zonder zijn genie allerwaarschijnlijkst op niets was uitgeloopen.
Het is wel jammer, dat er omtrent deze belangrijke gebeurtenis in zijn geschiedenis geen bijzondere brieven van den Prins meer voorhanden zijn. Natuurlijk heeft Lodewijk, die sedert zijn omgang met de Hugenoten, een ijverig Calvinist was, grooten invloed in dezen op zijn broeder uitgeoefend. In 1567 had de Prins nog van de verschillende geloofsbelijdenissen gezegd: “Het verschil is te kleen, om gesplijt te blijven.” En ongetwijfeld was dit nog zijn volle meening. Doch nu was het duidelijk, dat hij het staatkundig hoofd van het volk moest zijn. Daarom was het beter voor de algemeene zaak, dat hij zich met de grootste secte vereenzelvigde, om van die sterke stelling uit ook de andere te beschermen. Doelmatigheid was het voornaamste motief tot zijn daad, doch het was een zeer oprechte doelmatigheid. Hoe moeilijk het was, het hooge standpunt van zijn verdraagzaamheid te begrijpen, wordt wel bewezen door het feit, dat zelfs vele Calvinisten hem niet ten volle vertrouwden en met argwaan zagen, hoe vriendelijk hij zich betoonde tegenover menschen, die niet tot hun gemeenschap behoorden.
Wij zagen reeds, hoe weinig de Prins verzuimde, om trots zijn “verbond met den Potentaat aller Potentaten,” toch ook langs andere wegen op redding voor het land bedacht te zijn. Zijne werkzaamheid was zelfs in dezen tijd verbazingwekkend. Geen enkele mogelijkheid in eenige richting liet hij onaangeroerd; geen enkele kans om hulp te verkrijgen of sympathie op te wekken, liet hij ontsnappen. Voortdurend richtte hij lange en gedetailleerde brieven aan zijn broeders. Aan hen liet hij de onderhandeling met de Duitsche vorsten over. Voor zich bleef hij trots al wat er gebeurd was, trots zijn eigen meening en die der Staten, dat het beter was zijn natuurlijken vorst tot een tiran te hebben, dan een tiran zooals Karel IX zich getoond had, eenig geloof in Frankrijk slaan en de hoop op Frankrijk behouden. Niet omdat hij òf Karel IX òf Catharina de Medicis vertrouwde, maar omdat hij inzag dat zij er belang bij zouden hebben, den indruk van den Bartholomeusnacht uit te wisschen en motieven van eigenbelang hen wel drijven konden tot ondersteuning zijner zaak.
In Frankrijk was naast de Katholieken en de Hugenoten een derde partij ontstaan, onder den hertog van Alençon, de partij der politieken. Daarbij wenschte Catharina de Medicis den troon van Polen, die in Juli 1572 vacant was geworden, voor den Hertog van Anjou. Die poging gelukte en de nieuwe koning van Polen moest in het jaar 1573 naar zijn rijk vertrekken. Toen bood Karel IX den Prins van Oranje 100.000 kronen aan, om den oorlog tegen Spanje voort te zetten, onder voorwaarde, dat de Duitsche Protestantsche vorsten, den hertog van Anjou door hunne staten naar Polen zouden geleiden. Lodewijk was er de man niet naar, om aanstonds zonder slag of stoot op die onderhandelingen met het trouwelooze hof van Catharina in te gaan. De hardste waarheden zeide hij zoowel tot Fregoso, den afgezant van Catharina de Medicis, als in een brief aan Karel IX.
Die brief, welke zelfs in druk verscheen, vertoornde eerst wel den koning, maar ook deze offerde zijn toorn aan de staatkunde op. Door zijn broeder en door de Nederlandsche belangen aangespoord, deed ook Lodewijk, hoewel schoorvoetend en het hart vol bittere verontwaardiging, telkens een stap voorwaarts in de richting van een nieuw Fransch bondgenootschap en schreef hij in December 1573, naar aanleiding van de samenkomst te Blamont met Fransche afgevaardigden, een brief aan den Prins.
Hierin meldt hij, dat hij op raad van den Paltzgraaf een poging had gedaan om den nieuwen landvoogd te Heidelberg te ontmoeten, waar deze, op weg naar de Nederlanden, langs zou komen. Toen dit tot zijn spijt mislukt was, had hij een ontmoeting gehad met de koningin en haar zoon, den koning van Polen, die op weg naar zijn koninkrijk was. Het gevolg was geweest, dat Lodewijk aan Oranje thans kon mededeelen, dat de koning van Frankrijk beloofd had, de zaken van de Nederlanden te steunen, zelfs nog voordat de Protestantsche vorsten hetzelfde zouden willen doen. Verder bericht Lodewijk aan zijn broer, dat de zaken in Duitschland goed staan en zelfs de keurvorst van Keulen op den goeden weg is. Lodewijk belooft geld te zenden en hij geeft nog aan Oranje de verzekering, spoedig met een grooten of kleinen troep te komen.
’t Was een brief vol goeden moed over de toekomst en in diezelfde dagen,dat de graaf zoo goed gestemd was, begon er voor Holland eenig licht door de wolken te breken. Wel was Haarlem gevallen, maar Alkmaar behouden en wij zagen reeds, hoe Bossu was verslagen. Ook in Zeeland waar de Boisots tegenover Mondragon stonden, begonnen de kansen zich ten gunste van den Prins te keeren. Daarbij waren er aan den kant van den vijand zeer donkere wolken te bespeuren. De tijd van Spanje’s grootsten bloei was in 1570 reeds voorbij, zelfs stond een staatsbankroet voor de deur. De strijd met het kleine Holland zou, gelijk Prof. Blok schrijft, verder een strijd zijn tusschen een kolossus op leemen voeten en een kleinen doch krachtigen tegenstander.
Zelfs Alva kon, trots zijn succes, niet langer de Spaansche monarchie in de Nederlanden tot steun zijn. Behalve den vroeger reeds vermelden strijd tegen zijn persoon te Madrid, uitgaande van Ruy Gomez, en de geheime oppositie van Medina-Coeli, die hem toch ook niet opvolgde, werd de landvoogd door voortdurende geldelijke ongelegenheid gekweld. Hij had geen financieele hulpbronnen meer en kon zijn troepen daarom niet in orde houden. Bovendien was het aan een deputatie uit de Z. Nederlanden eindelijk gelukt, tegen zijn onmiddellijken raad in, den tienden penning weer geschorst te krijgen, met de belofte, dat hij zou worden afgeschaft. Van daar dat Alva met aandrang zijn ontslag vroeg, dat hem 19 Oct. werd verleend.
Den 18enDecember 1573 verliet hij de Nederlanden en werd hij opgevolgd door Don Louis de Requesens y Zuniga. Het is hier de plaats niet, om het volledig stelsel van Alva te bespreken. Ongetwijfeld vond zijn tiende penning algemeen scherpe afkeuring; geen enkel katholiek schrijver zelfs zal een Alva meerverdedigen; en toch was zoowel zijn nieuwe wijze van belastingheffing en waren vooral zijn crimineele ordonnantiën verbeteringen in het beheer dezer landen. Zijn geheele optreden echter tegenover de Nederlanden heeft hem met den rechtmatigen vloek van tijdgenoot en nakomelingschap beladen. Hier zij nog deze trek uit zijn laatste regeeringsjaar vermeld, die hem als een der eersten doet kennen, die getracht heeft den Prins te vermoorden.
Granvelle had vroeger reeds den koning aangeraden, zich van den Prins en zijn broeder Lodewijk door middel van sluipmoord te ontslaan en al was Filips op datzelfde oogenblik aan het onderhandelen met de Duitsche vorsten over den vrede met de Nederlanden, hij had er zijn goedkeuring aan gehecht. Nu deed zich het volgende geval voor: Een zekere Juan de Albornoz, secretaris van den hertog van Alva, schreef op den 12enFebruari 1573 aan den voornaamsten secretaris van Filips, Gabriël de Cayas, het volgende:
“Hij, die het hoofd van den admiraal (Coligny) heeft aangebracht, heeft aangeboden ook een ander te dooden, die niet minder kwaad aan de Christenheid heeft berokkend dan die schurk, die thans in de hel is. Hij en twee anderen zijn er heen. God sta hen bij! Het is een onderneming, waarin ze God een grooten dienst zullen kunnen bewijzen en tegelijk zelf eer en voordeel mee zullen behalen...
Uit Nijmegen, 12 Febr. 1573.”
Stormaanval der Lombardische benden op Alkmaar. (Bladz. 244).Stormaanval der Lombardische benden op Alkmaar. (Bladz. 244).
Stormaanval der Lombardische benden op Alkmaar. (Bladz. 244).
De secretaris van Filips liet dit aan den koning lezen en deze schreef er zelf in margine bij: “Ik begrijp dat niet, omdat ik niet weet, waar het hoofd van denadmiraal is gebracht, noch van wien dat andere hoofd is, hoewel het mij voorkomt, dat hiermee Oranje bedoeld wordt. Zeker hebben ze weinig hart getoond, met hem niet te dooden, want dat zou het beste geneesmiddel zijn.”
En Cayas schreef aan Albornoz terug: “Ik heb Z. M. over die personen gesproken en over de middelen, om de beide broeders uit den weg te ruimen. Z. M. was daar zeer over voldaan. Geef mij door alle koeriers bericht van het resultaat; Z. M. zal er zeer bijzonder over verheugd en zeer tevreden mede zijn.”
Men zegt, dat Alva een Albanees had gehuurd om den Prins te dooden, maar dat die verplicht was, zijn voornemen op te geven. Hij was geheel onbekend met het Vlaamsch en kon niet in tegenwoordigheid van Oranje komen. St. Goard, Fransch gezant te Madrid, schreef aan Karel IX, dat Alva en Don Frederik verschillende vertrouwde personen hadden, die den Prins wilden vermoorden. Maar Oranje was wel verdacht op zulk verraad. In elke richting had hij spionnen, tot zelfs in Filips’ eigen kabinet. Een klerk van denzelfden Cayas was in zijn dienst en verzuimde nooit een copie van alle brieven van den koning, die voor den Prins belangrijk waren, aan Oranje te zenden.
We zullen Alva’s laatste dagen in de Nederlanden hier niet beschrijven. Zijn geldgebrek en schulden drukten hem zeer. Wat we nog wel moeten vermelden uit Alva’s laatsten tijd in de Nederlanden doorgebracht, is, dat hij in September 1573 de Staten van alle Nederlandsche gewesten opriep, om in Brussel te komen, ten einde hun ondersteuning te verkrijgen voor bijdragen. Oranje maakte van die gelegenheid gebruik, in zijn naam en in den naam van Holland en Zeeland een beroep te doen op de vergaderde Staten. Het bevatte een krachtdadigen oproep tot gezamenlijke handeling. Al de geldmiddelen, die Alva verkreeg om het volk te onderdrukken, kwamen uit hun eigen zak. Moesten de Staten dan kalmpjes voortgaan, om hem den zenuw van den oorlog te verschaffen, die tegen henzelf gericht was? Hun vroegere vorsten hadden geleefd op hun grond en nooit was hun een stuiver geweigerd. Waarom moest dan die vreemdeling misbruik maken van hetgeen geen ingeboren vorst ooit zou hebben durven vragen? Holland zou doen, wat het kon, al was ook Amsterdam niet met haar vereenigd. Als de Nederlanden slechts één waren, wat zouden ze dan niet kunnen doen!
Dit stuk, in naam van de Staten opgesteld, werd gevolgd door een brief aan den koning van Spanje, die wijd en zijd over Europa verspreid werd. Met nietssparende kleuren werd daarin een schildering gegeven van de ellende van het land; het pardon, door Filips aangeboden, werd met verachtelijke uitdrukkingen gekenmerkt en daarop verklaarde de schrijver rond en open, dat de wapenen, die tegen Alva waren opgenomen, niet zouden worden neergelegd, zoolang er een hand was, die het zwaard kon hanteeren.
Toen Requesens, met grooten tegenzin en bovendien met een wankelende gezondheid, in December 1573 Alva als landvoogd opvolgde, was de oorlogstoestand in Holland als volgt: Don Frederik was, gelijk we zagen, verplicht geweest, het beleg van Alkmaar op te heffen en ging toen voor een poos naar Amsterdam, van waar hij naar den omtrek van Leiden toog, om die stad te gaan insluiten. Toenechter vertrok hij zelf met zijn vader naar Spanje en gaf het bevel over het leger, dat Leiden insloot, aan Valdez over.
De burgers dier stad hadden zich niet op deze gebeurtenis voorbereid, hoewel zij uit het voorbeeld van andere steden wel wijsheid hadden mogen putten. Haarlem en Amsterdam waren nog de eenige steden in Holland, die in de macht der vijanden waren, terwijl in Zeeland Middelburg nog Spaansch was, maar deze stad was door een geuzenvloot ingesloten. De tijdingen uit Duitschland waren zoo vol hoop, dat de Prins dacht in de lente misschien wel met den nieuwen landvoogd, van een voordeelig standpunt uit, te kunnen onderhandelen. Ook zonder bemiddeling van den keizer meende hij thans wellicht gelegenheid te hebben, tot een schikking met Filips te komen. Juliaan Romero, een vroegere krijgsmakker van Oranje begon in November tegenover den Prins eenige openingen tot onderhandeling te doen. “Ik heb drie of vier brieven van Juliaan Romero ontvangen, schreef Oranje aan zijn broeders, “vol hoffelijkheden en beleefde aanbiedingen, die ik op dezelfde wijze beantwoordde.”
Uit de onderhandelingen met Romero blijkt, dat hij Oranje verzocht had met hem een samenkomst te hebben. De Prins ging daar echter niet op in maar beloofde een vertrouwd persoon te zenden om met Romero over de gevangenen te onderhandelen. Tot dezen behoorde nog altijd Marnix van St. Aldegonde en Romero verzocht den Prins, hem voor Bossu in te ruilen. Hoewel Oranje zeer gehecht was aan Aldegonde, ging hij toch op dit voorstel niet in, daar hij Bossu, den door den koning aangestelden stadhouder van Holland, een te hoogen prijs vond. Marnix en Bossu bleven derhalve vooreerst nog in de gevangenis, maar noch de een, noch de ander had reden tot klagen. Het bevreemdt ons daarom, dat er uit die dagen van Marnix’ gevangenschap brieven van hem aan den Prins bestaan, waaruit duidelijk blijkt, hoe hij den moed had verloren.
Marnix gaat zelfs zoover, Oranje in overweging te geven met den strijd te eindigen, alle banden met het vaderland te verbreken en in een vreemd land te gaan leven, waar men zijn ziel in vrede kan bezitten. Hij acht dit beter dan in voortdurenden oorlog te verkeeren, “hetgeen niet anders kan uitloopen dan op goddeloosheid en ellende en die de goddelijke wraak zal wakker roepen,” zoo schrijft Marnix.
Hoewel de Prins de goede bedoeling van zijn trouwen vriend Aldegonde waardeert, meent hij toch, na de Staten over den brief gehoord te hebben, het voorstel van Marnix geheel te moeten verwerpen.
In zijn antwoord wijst hij erop, welke slechte gevolgen o. a. het accoord van 1566 heeft gehad, dat ten slotte op niets uitliep dan op de uitoefening van den waren godsdienst en den moord van duizenden; het volk, rekenende op de zoogenaamde pardons en verdragen, kwam jammerlijk bedrogen uit en hun vertrouwen werd beloond met verbanning en dood. Ook herinnert Oranje hem aan den gruwelijken Franschen moord, die niet tijdens den oorlog, maar in een periode van vrede, ja te midden van huwelijksfeesten plaats had. Neen, noch Oranje, noch de Staten willen er iets van weten en, zegt de Prins aan het slot van zijn schrijven: “Wil Z. M. werkelijk de tegenwoordige ellende doen ophouden, dan zal hij zich voor altijd een goeden naam hebben verworven.”
Deze brief dagteekende van 28 November 1573 uit Delft, waar de gewone residentie van Oranje in die dagen was. Uit het overleg met de Staten blijkt tevens in welke verhouding de stadhouder sedert 1572 tot de Staten stond. Op de vergadering te Dordrecht was de Prins als stadhouder erkend, waardoor het gezag aan hem werd toevertrouwd. Spoedig was hij verplicht geweest door de overstelpende bezigheden en de herhaalde afwezigheid een deel van het bewind aan de Staten op te dragen, waardoor hun invloed steeds grooter werd. In de lente van 1573 stelde hij naast zich drie raden in, voor de financiën, voor de admiraliteit en den Raad van State. In den laatste bekleedde Paulus Buys, sedert 1572 advocaat van den lande, eene belangrijke plaats. Hij was als zoodanig de raadsman van Oranje en de Staten en werd later de rechterhand van den Prins.
Niettegenstaande den brief van Oranje aan Marnix, waarin hij, gelijk we zagen, niet in het minst vertrouwen op vredesonderhandelingen had, bleven zij toch slepende. De vrijheid van geweten en de handhaving van de oude privilegiën zette de Prins op den voorgrond. Noircarmes, die te Utrecht de plaats van Bossu als Stadhouder had ingenomen, opende eveneens een briefwisseling met den Prins, die de bedoeling had tot den vrede te leiden. De nieuwe landvoogd beproefde alle middelen, om den Prins te bewegen den strijd op te geven, ook nog telkens in het jaar 1574. De Prins antwoordde op zeer koelen en waardigen toon en hij kon hem zelfs later onderschepte brieven voorleggen, die duidelijk bewezen, dat er niet de minste hoop was op verandering van gezindheid bij den koning. Het ontbrak ook van andere zijden den Prins niet aan raadgevers, die hem den krijg wilden doen eindigen. Landgraaf Willem van Hessen schreef hem o. a.: “Het is verloren spel, dat gij speelt, geef het op, terwijl gij nog iets te verliezen hebt.” Maar de Prins was en bleef doof voor die vermaningen. Geen aanbiedingen zelfs van geldelijke schadeloosstelling, mits hij de Nederlanden verliet, konden hem terugbrengen van voortzetting van den krijg. Het ontbrak hem ten eenenmale aan vertrouwen op ’s konings woord; hij wilde zijn lot niet van dat der Nederlanden scheiden en bovenal wilde hij, hetgeen Spanje nooit zou toestaan:vrijheid van godsdienst.
De eenige, die Oranje in die dagen hoop gaf, was zijn broeder Lodewijk. Te Blamont had hij Fransche geldelijke hulp gekregen en zijn expeditie, die hij reeds lang voornemens was, werd door hertog Casimir gesteund. Op zijn komst met een leger had Oranje reeds lang gehoopt. De belofte van die naderende komst gaf den Prins nieuwen moed. De oorlog werd voortgezet.
In December 1573 ging de Prins naar Zeeland en sloeg zijn hoofdkwartier op te Zierikzee, om den loop der belegering van Middelburg af te wachten, waarbinnen de Spaansche royalisten met denzelfden moed en dezelfde volharding het beleg van de geuzenvloot volhielden als de Haarlemmers dit bij het beleg der Spanjaarden hadden gedaan.
1Dit en het vorige versje uit: “Een gedenkwaardig Liedeke,” voorkomende in het “Kort Verhaal van de Belegering der stad Alkmaar” door Nanning van Foreest.
1Dit en het vorige versje uit: “Een gedenkwaardig Liedeke,” voorkomende in het “Kort Verhaal van de Belegering der stad Alkmaar” door Nanning van Foreest.
Hoofdstuk XVIII.Mook en Leiden. 1574.Het jaar 1574 opende zich onder goede vooruitzichten voor het land. Alva was vertrokken en opgevolgd door een man, die tot vrede geneigd was. In Middelburg hielden de Geuzen den wakkeren Mondragon zóó ingesloten, dat de kans op bewaring der stad zeer klein was. Geduldig wachtte de Prins in Zierikzee op den afloop.Elke regel, die hij gedurende dien winter schreef, spreekt van verlatenheid, waaronder hij gebogen ging.Zijn broeders schreven hem voortdurend, maar de communicatie tusschen Dillenburg en Zeeland was zoo slecht, dat maar een klein gedeelte van de hartelijke brieven hun bestemming bereikte.Dit maakte Oranje onrustig en stemde hem somber; “Sedert den 6enNovember heb ik geen woord van u vernomen,” schrijft de Prins op den 6enJanuari uit Vlissingen aan zijn broeders. Dringend vraagt hij om bericht hoe de zaken staan en waarop hij mag rekenen, opdat de droevige geschiedenis van Haarlem zich niet zal herhalen. “Waarom worden de maatregelen, die gij genomen hebt, zoo lang uitgesteld?” gaat hij verder, “nu zou daadwerkelijke hulp wat beteekenen, want de vijand is ontmoedigd, verdeeld en naar alle kanten verspreid.”Nog voordat hij den brief had verstuurd kwam er tijding van Jan uit Dillenburg, den 21enNovember verzonden, waarin deze vertelt over de ontmoeting van Lodewijk met den koning van Polen. Oranje dankt hem ten zeerste en bericht tevens, dat Middelburg tot zulk een uiterste is gebracht, dat de stad eerstdaags wel in hun handen zal vallen. Vele mannen, vrouwen en kinderen sterven dagelijks van honger en het zal den vijand niet gelukken, de stad van proviand te voorzien.Misschien had Mondragon het nog langer dan de Prins vermoedde in Middelburg uitgehouden, wanneer niet in dezelfde maand Januari, Oranjes admiraal Boisot, een glorierijke overwinning op een Spaansche vloot had behaald.Requesens wilde nl. een poging wagen om Middelburg te ontzetten; daaromverzamelde hij een groot aantal schepen bij Bergen op Zoom, die met een vloot van dertig schepen onder d’Avila van Antwerpen uit naar Middelburg zouden stevenen. d’Avila kwam in het laatst van Januari niet ver van Vlissingen aan, teneinde daar de komst van de andere vloot onder Romero af te wachten en dan gezamenlijk het uitgehongerde Middelburg hulp te verleenen.Requesens begaf zich naar Bergen op Zoom om het vertrek van Romero’s schepen te bespoedigen, doch de Prins van Oranje zou niet gedoogen, dat de stad langs dien weg gered werd.De vloot van admiraal Boisot was reeds de Schelde opgevaren en had tegenover Bergen op Zoom het anker laten vallen. Oranje scheepte zich te Zierikzee in en bracht de geuzenvloot een bezoek; de onderbevelhebbers werden bijeengeroepen en hij hield hun kort en krachtig voor, van welk groot belang het was, dat Middelburg, de sleutel van Zeeland, in hun handen zou vallen. Zijn bezoek miste de uitwerking niet; men zwoer den Prins alles voor het vaderland en de goede zaak, die zij dienden, over te hebben en alle krachten te zullen inspannen den Spanjaarden te beletten in Middelburg te komen.Den 29enJanuari liep de vloot van Romero uit Bergen op Zoom, gesplitst in drie smaldeelen elk van vijf en twintig vaartuigen. Tegenover Roemerswaal wachtte Boisot, in slagorde geschaard, de Spanjaarden op. Men had besloten de Spaansche schepen te enteren en al het volk stond op het dek met handspaken en enterbijlen gereed.Zoovelen van Romero’s schepen als men op den nauwen waterplas enteren kon, raakten ook aan den vijand vast. Een moorddadig gevecht van man tegen man volgde, waarbij bijl, enterpiek, pistool en dolk de wapenen waren.Reeds spoedig bleek de minderheid der Spanjaarden en nadat zij tal van schepen hadden verloren en eenige honderden Spanjaarden gesneuveld waren, vertrok het overschot van ’s vijands vloot naar Bergen op Zoom.Hier stond de groot-kommandeur op een dijk het verloop van het gevecht gade te slaan en was daardoor getuige van de volslagen nederlaag. Romero, wiens schip in den grond was geboord, kwam zwemmende aan wal, juist waar Requesens stond. “Ik heb Uwe Excellentie gezegd,” zei Romero koeltjes, toen hij druipend nat op het strand klom, “dat ik een landsoldaat en geen zeeman was. Indien gij mij bevel gaaft over een honderdtal vloten, ik zou het er niet beter hebben afgebracht dan nu.”Het gevolg was, dat d’Avila ook verplicht was naar Antwerpen terug te keeren en Mondragon in Middelburg aan zijn lot moest worden overgelaten.In het midden van Februari gaf de stad zich over; op den 18endier maand teekende de Prins vijf artikelen, waarbij aan den Spaanschen bevelhebber eervolle uittocht werd verleend.Deze gebeurtenis was in menig opzicht allerbelangrijkst. Volgens de Spanjaarden was de Prins een rebel, de leider van een oproerigen troep, met wien men niet, als met een oorlogvoerende mogendheid kon onderhandelen. Toen Mondragon toestemde tot een mondelinge onderhandeling, stond door dit feit de Prins aanstonds op een geheel ander standpunt, waarvan hij niet meer afweek.In de artikelen, die Oranje aan Mondragon ter teekening aanbood, werd met opzet vermeld, dat Oranjede stadhoudervan den koning was en dat de burgers trouw aan hem moesten zweren en eene schatting van 300.000 florijnen zouden betalen. Ook beloofde Mondragon de loslating van Aldegonde en vier andere gevangenen van hooger rang te bewerkstelligen en, indien dit niet gelukte binnen twee maanden, dan zou hij zelf terugkeeren en zich als krijgsgevangene aan den Prins overleveren.Een paar dagen na het vertrek van Mondragon verscheen de Prins in de stad en organiseerde er aanstonds het bestuur. Hierin kreeg Oranje veel macht, daar de abt van Middelburg, een der drie leden van de Staten, verviel en de adel alleen vertegenwoordigd werd door een zoogenaamden Eersten Edele, welke waardigheid Oranje in 1562 voor zijn oudsten zoon had verkregen. Door het verblijf van dien zoon in Spanje, was de waardigheid op den Prins overgegaan, die als zijn vertegenwoordiger Arend van Dorp, gouverneur van Zierikzee, aanstelde. Iets later kocht Oranje het markiezaat van Veere en Vlissingen, waardoor zijn macht nog aangroeide in Zeeland, daar deze steden met de andere in de Staten optraden. Op dubbele wijze had de Prins dus in dit gewest grooten invloed, waaruit dan ook te verklaren is, dat de macht van de Prinsen van Oranje in het geheele verloop van de geschiedenis onzer Republiek zeer groot is geweest.Behalve dat het dagelijksch bestuur uit vertrouwde vrienden van den Prins werd gevormd, nam men ook maatregelen om Zuid-Beveland en Tholen eveneens van de Spanjaarden te bevrijden.Ondertusschen bleef het er in Holland nog droevig uitzien. Terwijl Amsterdam en Haarlem in handen der Spanjaarden waren, werd Leiden langzamerhand door Valdez ingesloten. Van een eigenlijke belegering van Leiden, in den ouden zin van het woord, was geen sprake. Het platteland rondom de stad werd bezet met een aantal schansen, teneinde de bewoners der stad door den honger tot overgave te dwingen.Men was aan die bezetting steeds bezig, toen in Februari 1574 graaf Lodewijk met zijn leger te velde kwam. Fransch geld en Duitsche troepen hadden den vurigen man daartoe eindelijk in staat gesteld. Wat een moeite had de ijverige Lodewijk zich daarvoor getroost! Niet alleen hij, maar al de Nassau’s hadden het hunne bijgebracht, om het nieuwe plan te doen slagen. In Januari had de graaf reeds te Frankfort 3000 ruiters en 10.000 voetknechten bijeen. Hendrik, zijn broer, zou ook deelnemen aan den tocht. Eerst was Lodewijks voornemen, een nieuwen inval in Groningen te doen, maar daar hij zich in het zuiden met de Fransche troepen zou vereenigen, koos hij een aanslag op Maastricht en Luik. Het had hem de grootste moeite gekost de bisschoppen althans onzijdig te houden. Waren enkelen alleen voor goeden buit vatbaar, anderen werden door huwelijksplannen gunstig gestemd, zooals de bisschop van Keulen, waardoor Lodewijk vergunning verkreeg deze stad als zijn hoofdkwartier te gebruiken, hetgeen hem zeer te pas kwam. Van de Duitsche zijde scheen daar alles tot het welslagen van den tocht mede te werken. Jammer, dat het leger zelf zooveel te wenschen overliet. Het was niet veel meer dan een samengeraapte bende, slecht gewapend en ongeoefend. Zootoog men naar Maastricht, ook mede op raad van den Prins, die dat de voordeeligste weg vond en die reeds in November 1573 had geschreven: “Mij dunkt wanneer gij de onderneming op Friesland en Groningen tot Maart uitstelt, gij beter doen zult, al uw krachten naar Maastricht te wenden en wel met de meest mogelijke haast, voor ik geheel ben ingesloten”.Tegen het einde van Februari bereikte Lodewijk de Maas en legerde zich bij Maastricht, aan den Duitschen kant van de rivier. Requesens had echter ook Duitsche hulptroepen gelicht en uit zooveel steden als hij durfde, de garnizoens genomen; zelfs had hij een deel der troepen, die Leiden insloten, naar het zuiden gezonden. Mendoza, de Spaansche generaal, was reeds voor Lodewijks aankomst in Maastricht en don Sancho d’Avila kwam Mendoza kort daarop nog versterken. Van Lodewijks leger waren reeds, voor dat het de grenzen was overgetrokken, 1000 man gedeserteerd. Hij had gehoopt, aanstonds de Maas te kunnen oversteken, maar het drijfijs verhinderde de booten. Daarom bleef hij nog aan de andere zijde gelegerd, 4 mijlen boven Maastricht. Dat oponthoud was de oorzaak van den noodlottigen afloop, want als hij onmiddellijk had kunnen doorgaan, dan was d’Avila niet gereed geweest hem te volgen en het leger van Lodewijk had den Bommelerwaard kunnen bereiken, waar de Prins eenige troepen had verzameld, die zich dan met Lodewijks leger hadden kunnen vereenigen.Nu echter was hij gedwongen te wachten en werd hij nog bij Bemelen door een nachtelijken aanval op zijn kamp zeer geschaad, zoodat hij 700 man verloor en zelfs naar den kant van Valkenburg moest aftrekken.1Het was eerst in het begin van April, dat hij zich noordwaarts naar Roermond kon wenden. Op weg daarheen maakten zijn troepen zich aan schandelijke wanordelijkheid schuldig. Ook Roermond kon hij evenmin als Maastricht of Luik nemen, daar ook die stad door Spanjaarden bezet was. Toen trok hij noordwaarts, van plan bij Nijmegen door de Betuwe naar den Bommelerwaard te gaan.Den 13enApril kwam hij bij Mook aan, doch d’Avila was aan de andere zijde van de Maas Lodewijks leger gevolgd en bracht zijn troepen bij Grave op een haastig van booten gebouwde brug naar denzelfden kant der rivier over. Lodewijk was dus binnen een betrekkelijk kleine ruimte tusschen Maas en Waal ingesloten. Hij liet een gracht graven, waarvan nog de overblijfselen bij het tegenwoordig klooster te vinden zijn, doch dat was zijn eenig zwak verdedigingspunt. d’Avila’s stelling daarentegen was veel voordeeliger. Het steunpunt daarvan was de Maas. Lodewijks kracht lag in zijn ruiterij, hij had toen 1800 ruiters, terwijl de Spaansche veldheer slechts eenige honderden ruiters had; maar op de plaats, door d’Avila voor den slag gekozen, kon Lodewijk van die ruiterij geen voordeel hebben. Had hij een slag kunnen vermijden, dan had hij het zeker gedaan, maar dit was onmogelijk. Bij het aanbreken van den dag, op den 14enApril, begonnen de Spanjaarden den aanval op de gracht en uren lang duurde het gevecht. Tot driemalen toe werd die aanval herhaald en bleef de uitslag onzeker. Toen scheen eerst door de attaque van Lodewijks ruiterij, de overwinning aan zijn kant te zijn, zoodat devoorhoede der Spaansche ruiters zelfs over de Maas gedreven werd. Doch daarop keerde plotseling de kans. De enkele honderden ruiters der Spanjaarden waren door een duizendtal, de voorhoede van het leger van Valdez, versterkt; ze drongen op de Duitschers in en een algemeene vlucht van dezen in de bosschen volgde. Nog hielden de hoofden stand, maar ze werden door de overmacht verpletterd en Lodewijk van Nassau, zijn broeder Hendrik en Christoffel van de Paltz kwamen jammerlijk om het leven.Schaal 1: 1000000.······> Tocht van Lodewijk.——>——> Tocht van d’Avila.Met Lodewijk bovenal ging een held te gronde, die zeldzame gaven in zich vereenigde, wiens ridderlijk karakter niet alleen, maar ook wiens adeldom van geest door allen, die hem gekend hebben, om strijd is geroemd. Van zijn twintigste jaar af was hij steeds aan de zaak van Oranje verbonden. In zijn 36elevensjaar vond hij den dood op de Mookerheide en wanneer we terugzien op al wat hij gedurende die 15 jaar heeft verricht, dan lijkt ons die tijdruimte bijna te klein voor al dien arbeid. Niet altijd was hij met Oranje geheel een van zin geweest. Hij is overal, waar we hem ontmoeten, de vurige man, die de voorzichtigheid van den staatsman wel eens uit het oog verloor, maar die gedreven werd door een onstuimigen aandrang, om ten uitvoer te brengen, wat hij goed en nuttig achtte. Van zijn deelneming aan het verbond der Edelen af, eigenlijk tegen den zin zijns broeders, tot zijn laatsten veldtocht toe, nergens verloochende hij die geestdriftige natuur.“Lodewijk—zoo zegt prof. Blok—was een man van het oogenblik; vurig en ridderlijk; onstuimig toesnellend op zijn doel; driftig voorthollend op den weg van het avontuur; het gevaar uitdagend; zijn woorden weinig wikkend, bewegelijk en hartstochtelijk; geboren krijgsman, zoo al geen legerhoofd.”Slag op de Zuiderzee.—1573. (Bladz. 245).Slag op de Zuiderzee.—1573. (Bladz. 245).Meer dan een zijner impulsieve daden heeft het succes van belangrijke maatregelen bedreigd; meer dan eens wilde de voorzichtige Prins al de plannen van Lodewijk niet kennen. Ook in het godsdienstige kwam datzelfde karakter uit. Hij had een innig godsdienstige overtuiging; zijn doel was altijd de bevordering van de protestantsche zaak; hij maakte die niet aan de politiek, maar wel deze aan het Protestantisme dienstbaar. Van de hooge verdraagzaamheid van Oranje wilde Lodewijk niet weten. Hij liet zich vaak tot heftigheid tegen het Pausdom ende katholieke kerk verleiden. Doch ook die vurige ijver vloeide voort uit zijn geestdriftige natuur, waarom hij in tallooze kringen zoo bemind was. Bemind in Dillenburg, bemind aan het Fransche hof, bemind bovenal door zijne moeder. Van liefde echter vinden we, na zijn vergeefsch huwelijksaanzoek om de erfgename van Rijsberg, in zijn leven geen spoor, of het moest zijn de hulp, die hij verleende aan Charlotte van Bourbon bij haar vlucht uit het klooster in N.-Frankrijk, waarover later. Hij bleef althans ongehuwd. Maar al werd hij door geene droeve weduwe betreurd, zijn dood liet een leegte achter in tallooze gemoederen. De Fransche Hugenoten betreurden hem als een hunner meest geliefde leiders. De Hollanders wachtten thans vergeefs op hun Engel Gabriël. De Duitschers zouden hun Bayard nimmer wederzien.Opstelling der troepen op 14 April 1574 bij Mook. (naar Mendoza).Opstelling der troepen op 14 April 1574 bij Mook. (naar Mendoza).Schaal 1: 25000.(Ter wille van het overzicht zijn de afstanden, betrekking hebbende op de troepenopstelling, wat te groot genomen.)Mn= afdeeling van Mondragon.d’A = Colonne van d’Avila.M = Cavalerie van Mendoza.a.Infanterie in de gegraven versterking.b.De rest der Nassausche Infanterie.c.De Cavalerie.d.De afdeeling ruiters, welke den rechtervleugel dekt.Bovenal Juliana van Stolberg, die Lodewijk buitengewoon liefhad en die hem onlangs nog op zijn ziekbed met zooveel toewijding had verzorgd, smolt weg in tranen. En de Prins? Bij den slag op de Mookerheide ging er een licht voor hem uit, welks afwezigheid zijn geheele leven door hem gevoeld werd. In zijn Apologie wijdde hij o.a. deze woorden aan zijn nagedachtenis: “Zij, die omtrent mijn broeder Lodewijk iets te zeggen hebben, deden beter zulk een goed ridder met rust te laten. Met hem kunnen ze niet worden vergeleken en een veel beter Christen was hij.”Hendrik, die ter zelfder tijd zijn leven verloor, was slechts 24 jaar. Van hem persoonlijk is weinig bekend; wel weten wij, dat hij meermalen het voorwerp uitmaakte van de zorg en overleggingen zijner moeder en broeders. Als Oranje daarin deelde, hebben wij niet verzuimd het te melden. Behalve een stijf gestelden Latijnschen brief van Hendrik uit zijn jongenstijd, is er niets meer van zijn hand bewaard gebleven.Er wordt wel beweerd, dat de Prins over het voornemen van graaf Lodewijk, om bij Herwaarden tusschen Maas en Rijn de rivier te passeeren, niet zeer tevreden was. Hij zou het groote gevaar daarvan hebben ingezien en zich ook niet in staat geacht hebben, in zulk een groote haast voldoend oorlogsgereedschap op die rivier te zenden. Ook zou Oranje zelfs tot de intieme vrienden gezegd hebben, dat, “hoe lief en aangenaam zijns broeders komst hem ook mocht wezen, hij nogtans op dien tijd wel lijden mocht, dat hij met zijn leger 100 mijlen van daar was.” Dat bericht, hoe geloofwaardig op zich zelf, wordt niet bevestigd door een schrijven van den Prins uit Dordrecht van den 13enApril, waarin hij zijn broeders belooft, dat hij al zijn best zal doen, om hen bij hun aankomst in de omstreken van Tiel door een goed escorte te doen ontvangen. Het kan echter wel zijn, dat Oranje in vertrouwelijke gesprekken zich niet zoo optimistisch omtrent Lodewijks inval uitliet en toch hem zelf daarmede niet wilde bezwaren. De geheele maand April verliep, zonder dat de Prins en zijn geheele familie van het smartelijk ongeval kennis kreeg.Uit brieven van den 15enen 17enApril bleek, dat Oranje nog niets bekend was omtrent het ongelukkig verloop van den veldtocht; hij was integendeel vol goeden moed en de berichten uit Engeland waren ook gunstig, daar de regeering meer geneigd scheen om met Duitschland verbonden, den koning van Spanje openlijk den oorlog te verklaren.Berichten ontving Oranje niet; geen enkel antwoord van zijn broeders op de zeven brieven vanaf den 10ender maand aan hen geschreven.Wel is hem bekend geworden, dat er een nederlaag is geleden, zooals uit het schrijven van den Prins aan Jan van Nassau blijkt, maar omtrent het lot van zijn broers en Christoffel van de Paltz weet hij absoluut niets.Eerst op den 7enMei schijnt de Prins de volle waarheid te hebben vermoed. Van dien dag dagteekent een brief, welke terecht beroemd is geworden, aan zijn thans eenig overgebleven broeder Jan. Blijkens dat schrijven vreest de Prins, dat men met voorbedachten rade den dood zijner broeders voor hem en Jan van Nassau geheim houdt en hij doet uitkomen hoe nadeelig die geheimhouding werkt. Van alle zijden wordt hij zelf bestormd met vragen naar den afloop en nu hij daarop geen beslist antwoord weet te geven, meent men, dat hij zelf de waarheid verbergt en het gevolg hiervan is, dat men begint te wanhopen aan den staat van zaken.Daarop volgen dan die schoone, diepgewortelde en innig godsdienstige woorden:“Ik belijd U, dat ik nooit iets ondervonden heb, dat mij meer leed doet en inniger spijt, doch we moeten ons onderwerpen aan den wil van God en zulk een vertrouwen hebben op Zijne goddelijke voorzienigheid, dat Hij, die het bloed van Zijn Eenigen Zoon niet heeft gespaard, om Zijn kerk te bewaren, niets zal doen dan wat dienen kan tot uitbreiding van Zijn roem en bewaring van Zijn kerk, al schijnt het ook in het oog der wereld een onmogelijke zaak.En al zouden wij allen komen te sterven, en al zou het geheele volk worden vermoord of verjaagd, deze zekerheid moeten wij altijd hebben, dat God de Zijnen nooitzal verlaten, waarvan wij heden ten dage zulk een merkwaardig voorbeeld in Frankrijk zien, waar na den gruwelijken moord van zooveel edelen ieder meende, dat het einde en de algeheele uitroeiing van den (herv.) godsdienst nabij was, terwijl wij nu zien, dat zij bij vernieuwing meer dan ooit het hoofd hebben opgeheven, terwijl de koning zich in meer moeite en ellende bevindt, dan ooit te voren. Wij hopen, dat de Heer onze God, wiens arm niet verkort wordt, van Zijne macht en Zijn mededoogen jegens ons zal gebruik maken...”Daarop geeft Oranje aan zijn broeder een beschrijving van de verslagenheid van het volk te midden waarvan hij leeft. “Daar is geen volk ter wereld, dat zich spoediger verheugt over eenig goed bericht, maar er is ook geen tweede, dat zoo erg door eenig droevig voorval is terneergeslagen.” Indien zijn broeder daarbij in aanmerking neemt, dat de nieuwe landvoogd een nieuw pardon heeft afgekondigd, waarvan slechts 14 of 15 personen zijn uitgesloten, dan kan hij daaruit berekenen, hoe groot de verleiding is, om zich weer te onderwerpen. “Doch van mijn kant kunt gij verzekerd zijn, dat ik mijn plicht zal doen, zooveel in mij is, want keert dit volk onder het juk en de tirannie der Spanjaarden terug, dan zal spoedig de godsdienst geheel zijn vernietigd, zonder een vonkje meer te doen schijnen. En de Duitschers, die ons aan ons lot hebben overgelaten, zullen evenals de Engelschen mettertijd zich wel bewust worden van de groote schade, die ook zij daardoor zullen ondervinden.”Het is daarom, dat de Prins zijn broeder opwekt om nog eens met zijn “volle vijf zinnen” te overleggen, welk geneesmiddel er te vinden zou zijn. Want zonder buitenlandsche hulp tegen de macht van Spanje zal Holland, dat het een tijdlang alleen heeft volgehouden, niet langer bestand zijn.Verder bespreekt Oranje in den langen brief de kwestie van het meest geschikte legerhoofd, in het geval er van Duitsche en Fransche zijde hulp komt opdagen, de huisvesting die het hulpleger zou kunnen gegeven worden en de plaats, waar zij de Nederlanden het best zouden kunnen binnenkomen.Kortom uit den geheelen brief blijkt, dat de Prins nog den moed niet heeft verloren, ook na den allernoodlottigsten afloop van den tocht van zijn meest geliefden broeder Lodewijk. En die moed, die hem blijft bezielen, steunde op degelijke gronden. Hij doet zijn broeder beseffen, waarover hij nog kan beschikken. De Staten hebben hem 150.000 florijnen per maand toegestaan, zoolang het noodig zal zijn; maar hulp is dringend noodzakelijk. Blijft die uit en “willen de arme bewoners, van ieder verlaten, desniettemin volhouden.... dan zal het den Spanjaarden nog half Spanje kosten in geld en in mannen, eer ze ons geheel vernietigd hebben.” Want .... nog had Oranje te bevelen over 71 compagnieën infanterie in Holland, 14 in Zeeland, 20 in Waterland, in het geheel 15 à 16000 man, met meer dan 100 groote en kleine oorlogsvaartuigen. Zoolang hij kon, zou hij met deze macht volhouden.Rijst onze eerbied en bewondering voor den Zwijger niet door zulk een moedige taal na zulke jammeren als op de Mookerheide? Het scheen wel, alsof de Prins uit elke nieuwe smart nieuwe krachten putte. Hoe weinig volkomen zekerheid er omtrent het lot zijner broeders in dien eersten tijd bestond, blijkt o. a. ook uit denbrief, dien de Prins van zijn moeder Juliana van Stolberg nog in de maand Mei ontving.“Ik weet wel”—zoo schrijft zij—“dat gij gelijk hebt; wij moeten met geduld dragen, wat de Heer ons toezendt, maar menschen blijven menschen en zij vermogen dat zonder Gods hulp niet. Moge God mij arme beproefde vrouw, die mijn droefenis niet verzetten kan, mij genadig uit dit jammerdal tot zich nemen of mij met zijn genade sterken en zijn heiligen geest van berusting zenden. Herhaaldelijk is mij verzekerd, dat mijne zonen nog in leven zouden zijn, zoodat ik nog altijd hoop heb. Voor drie dagen werd mij nog verhaald, hoe een edelman kort geleden nog zes dagen bij mijn lieven Lodewijk geweest is en hem naar omstandigheden wel gevonden had. Zijn rechterarm was van boven doorschoten maar hij kon dien nog bewegen. Aan zijn spraak had hij hem herkend. En daardoor heb ik nu weder wat hoop, maar toch vrees ik, dat men een ander voor hem heeft aangezien. Van hertog Christoffel en mijn lieven Hendrik wist men mij niets te zeggen. Doch de zaken mogen gaan, zooals God het beveelt; ik kan niet anders, dan Hem om geduld bidden en dat gij en ik in eeuwigheid niet van Hem mogen gescheiden worden.”IJdele hoop van de zwaarbeproefde moeder! Want allerwaarschijnlijkst zijn Lodewijk en Hendrik beiden omgekomen in een huis, waar ze heengingen, om hun wonden te verbinden, doch dat boven hun hoofden in brand geraakte en zijn ze zoo ellendig in rook en damp gestikt. Hunne lijken echter, en dat bleef de oorzaak der onzekerheid, zijn nooit teruggevonden.Een der gronden, waarop Oranje zijn hoop bleef bouwen voor de toekomst trots de jammerlijke nederlaag op de Mookerheide, was zonder twijfel gelegen in zijn kennis van de Spaansche toestanden in het zuiden en den strijd, waarin de nieuwe landvoogd ook zelfs met de Spaansche soldaten gewikkeld was. Zou dat een paar jaar later bij de Spaansche furie tot de geweldigste uitbarsting leiden, die ook het zuiden naar de komst van Oranje in zijn midden zou doen verlangen, reeds voor den slag van Mook hadden de oproerige Spaansche soldaten te Antwerpen onder een Eletto (d. i. een door muitende soldaten gekozen hoofd) de regeering genoodzaakt, aan hun geldelijke eischen toe te geven en op den dag na den slag begon een nieuwe muiterij onder de overwinnende troepen te heerschen.“Zoodra zoo’n muiterij uitbrak,” zoo verhaalt Motley, “begon men van de naastbij gelegen stad bezit te nemen, waar de Eletto gewoonlijk in het stadhuis zijn verblijf nam en het krijgsvolk bij de burgers ingelegerd werd. Wat voeding en huisvesting betreft was voor deze rooversbenden niets te goed. Mannen, die maanden lang van hun legerrantsoen geleefd hadden—ruwe kinkels, die hun ploeg hadden gedreven, totdat men hen gedwongen had om het musket te hanteeren—sliepen thans op keurig beddegoed en vorderden van de sidderende burgers de lekkerste spijzen. Zij aten het land kaal als een leger van sprinkhanen.”“Kuikens en patrijzen,” schreef de zuinige Antwerpsche kroniekschrijver, “kapoenen en faisanten, hazen en konijnen, tweeërlei soort van wijn;—tot kruiding van het maal, olijven, citroenen en oranjeappelen, specerijen en zoetigheden; tarwebrood voor hunne honden en zelfs wijn om de pooten hunner paarden te wasschen.”Ziedaar het weelderig onthaal, door de muitende troepen geëischt. Verdroot den burgers deze gedwongen gastvrijheid, dan moesten zij een belasting opbrengen.De muiterij, die na de nederlaag van graaf Lodewijk uitbrak was bijzonder erg. Bij Alva’s vertrek was er reeds 6 millioen achterstand van soldij en Requesens was niet in staat, op geregelde betaling eenige hoop te geven. Toch kwamen ze toen nog tot een overeenkomst, daar het Requesens gelukte den grooten Raad van Antwerpen tot een leening van 400.000 florijnen te bewegen. De muitende soldaten vierden op de Place de Meir een groot feest bij gelegenheid van die gesloten overeenkomst, toen plotseling de mare doordrong, dat admiraal Boisot de Schelde was opgevaren. Voordat men gewapend was, had Boisot veertien Spaansche schepen genomen en doen zinken en den Admiraal Haemstede krijgsgevangen gemaakt. Dit was voor den Prins althans een lichtstraal in den donkeren nacht; te meer omdat het feit der muiterij wees op den hopeloozen geldelijken toestand van Spanje, die op den duur niet anders dan een krachtige hulp voor zijn verzet kon wezen.Voorloopig echter moesten alle krachten, die in Holland aanwezig waren, worden ingespannen. Want binnen den kortst mogelijken tijd was Valdez, die tijdelijk de omstreken van Leiden met zijn leger had verlaten om Lodewijks inval te voorkomen, weer met zijn troepen rondom de stad teruggekeerd en Leiden was op den 21enMei weder geheel ingesloten. Het beleg en het ontzet van die stad behoort tot de belangrijkste gebeurtenissen der wereldgeschiedenis. Onze vrijheid zou groot gevaar geloopen hebben, indien Leiden was gevallen. Haar behoud heeft op het oogenblik Holland voor ons gered. Het kan ons doel niet zijn, dat beleg en dat ontzet in zijn bijzonderheden te beschrijven. Hoofdzaak is voor ons, het deel aan te wijzen dat de Prins daaraan gehad heeft en aan te toonen, hoe hij voor den verderen loop van den oorlog heeft gebruik gemaakt van den gelukkigen afloop van dat beleg. Want er mag niet vergeten worden, dat ook het beleg en het ontzet van Leiden eenvoudig een schakel in de groote keten der elkander opvolgende gebeurtenissen is geweest, die tot de bevrijding van ons land, tot de voltooiing van het werk van Oranje heeft geleid. Ook dat de Prins tijdens dat beleg vredesonderhandelingen heeft gevoerd, die na het ontzet van zijne zijde met veel meer krachtsbesef konden worden voortgezet. Op die onderhandelingen komen we terug, als we eerst den Prins in zijn arbeid voor Leiden gevolgd hebben.Toen Oranje den laatsten brief aan zijn broeder Jan schreef, was hij in Dordrecht, waar hij gedurende de maand Mei met de Staten van het land in voortdurend overleg bleef. Daar kwam hem de tijding ter oore van de nieuwe insluiting van Leiden; daar vernam hij, hoe de inwoners dier stad geweigerd hadden garnizoen in te nemen, zelfs de Engelsche vaandels niet toe wilden laten en zijn raad in den wind geslagen hadden, om, terwijl Valdez zich met zijn troepen had verwijderd, voor een nieuwen voorraad levensmiddelen te zorgen.Hoe hem ook die verschillende berichten troffen en onaangenaam stemden, ze verhoogden slechts zijn eigen krachtsinspanning, want al had Leiden het misschienniet om zijn zorgeloosheid verdiend, het belang van het geheele land was er mee gemoeid. De Staten werden dan ook onmiddellijk door hem tegen den 1enJuni te Rotterdam beschreven, om een plan vast te stellen voor de bevrijding der stad en de noodige gelden voor die onderneming bijeen te krijgen. Bij den bekenden onderlingen naijver der steden was dit geen lichte taak, doch den Prins gelukte het, de zelfzuchtige bondgenooten te doen samenwerken. Fruin zegt terecht van hem: “Om dat te bereiken, werd een leidsman gevorderd, zoo onuitputtelijk geduldig, zoo hoog geacht en bemind, zoo zelfopofferend voor de goede zaak, als de nooit volprezen Willem van Oranje.”Toen het geld gevonden was, werd bepaald, dat men Leiden zou te hulp komen, door Zuid-Holland onder water te zetten. Er waren deskundigen, die daartegen groote bezwaren hadden. Aan de eene zijde werd beweerd, dat het hooger gelegen Rijnland nooit door het Maaswater zou kunnen worden bereikt; alleen Delfland en Schieland zouden onder water komen; aan den anderen kant had men groote bezwaren, dat op die wijze het land niet licht weer zou kunnen worden drooggelegd. Toch werd er toe besloten. “Het al om het al op het spel te zetten, was in dien tijd de leus onzer kloekmoedige voorvaderen. Hun was de vrijheid van denken en gelooven, het volksbestaan, de zelfregeering het hoogste, ja het eenig goed, het al. Om dat te behouden, was geen prijs hun te hoog, geen waagstuk te vermetel.” Zij hebben alles gewaagd en alles gewonnen.Dit besluit werd den 30enJuli genomen en onmiddellijk daarop ten uitvoer gebracht. Bij de doorgraving te Capelle aan den IJsel was de Prins persoonlijk tegenwoordig, o. a. in gezelschap van Paulus Buys, die krachtig zijn hulp had verleend om de bestrijders van het plan te overwinnen. Door zestien gapende dijkbreuken stroomde het IJselwater op het land. Daarop werd de Maasdijk aan weerszijden van Rotterdam doorgegraven en de sluizen van Schiedam werden opengezet. Dagen moesten echter verloopen, eer het water zich over de oppervlakte van zooveel honderden bunders verspreiden zou.Ondertusschen ontbood Oranje uit Zeeland Louis de Boisot, die in den jongsten tijd daar als admiraal groote bekwaamheid had bewezen, zoowel in Januari bij den slag van Roemerswaal, waardoor Middelburg in handen van Oranje viel, als door de overwinning op de Spaansche vloot op de Schelde, waarvan wij gewag maakten. Niemand beter geschikt dan Boisot om een werk te verrichten, waarbij zooveel zeemanschap en krijgsbeleid geëischt werd. Gelukkig, dat men dien ervaren man op dat oogenblik in Zeeland missen kon; een nieuwe Spaansche vloot die men verwacht had en die in hem den besten overwinnaar zou gevonden hebben, was door tegenspoed van allerlei aard niet naar de Nederlanden vertrokken. Boisot zou het beste scheepsvolk en de meest vertrouwde kapiteins in Zeeland gaan halen en dan de onderneming met tal van vaartuigen en de noodige kanonnen aanvangen.Allerlei teleurstellingen echter vertraagden de bevrijding der stad, waar de jammer van dag tot dag in de maanden Augustus en September vermeerderde. Haar lot te beschrijven, haar steeds toenemende ellende te teekenen, ligt wel niet op onzen weg, maar van een harer bange beproevingen kunnen we ook in ons verband niet zwijgen. Wij bedoelen de aanwezigheid in de stad van een menigteroyalistische inwoners, die met hun geestverwanten in andere plaatsen het er op toelegden, de stad aan den vijand over te geven. Dit waren de zoogenaamdeglippers, die alles aanwendden, om de inwoners in het denkbeeld te stijven, dat ontzet der plaats onmogelijk was en wier woord, hoe hooger de ellende klom, des te meer ingang vond bij de menigte.Gelukkig, dat mannen als Bronkhorst, Jan van der Does, Jan van Hout en Pieter Az. van der Werff, de burgerij en de vroedschap in bedwang hielden en geen oogenblik verslapten in hun ijver voor de algemeene zaak. Waren zij niet werkzaam gebleven, hadden zij niet alle vertrouwen op den Prins behouden, dan zou zonder twijfel door het katholiek gedeelte der bevolking met beide handen het pardon zijn aangegrepen, dat Requesens had afgekondigd en dat door Valdez aan de inwoners van Leiden werd aangeboden, op voorwaarde van overgave. Nu echter werd die lokstem beantwoord met het Latijnsche woord van Cato: “Fistula dulce canit, volucrem dun decipit auceps.” (De fluit klinkt liefelijk, terwijl de vogelaar den vogel verschalkt.)Het ergste dat gedurende de maanden van het beleg van Leiden geschiedde, was de wekenlange ziekte van den Prins. Die overviel hem den 10enAugustus. Opgekropte smart en de last der beslommeringen, misschien ook daarbij zwaar gevatte koude tengevolge van het staan op de dijken in regen en wind, wierpen den man op het ziekbed, die minder dan ooit op dat oogenblik gemist kon worden. Het eigenlijk karakter der ongesteldheid konden de geneesheeren niet aanstonds herkennen; men vreesde dat het een aanval van de pest was, die in Holland in die dagen heerschte. Hij werd door onophoudelijke koortsen gefolterd en zijn krachten namen zoo af, dat zijn geneesheeren voor tering vreesden. Men had hem gaarne naar Delft, naar zijn eigen woning vervoerd, doch die reis kon hij niet meer maken en daarom was hij gebonden aan een ongezellig huis in Rotterdam. Er bestaat een belangrijk verhaal van die ziekte van een geneesheer Foreest. Zijn secretaris Brunynck en zijn hofmeester Nuyhem gaven voortdurend aan zijn broeder Jan van Nassau berichten omtrent den loop der ziekte, die in de maand Augustus sterk toenam en zelfs tot vier koortsaanvallen op één dag steeg. Men dacht niet anders of de Prins ging sterven. Het gerucht van zijn dood werd reeds door zijn vijanden verspreid.Treffend is het verhaal, hoe hij, diep bekommerd over het lot der zijnen, zich reeds tot sterven gereed maakte, toen daar Cornelis van Mierop, later Ontvanger-Generaal van Holland, onaangediend bij hem aan het bed kwam. Een paar boden uit Leiden wilden namelijk, voor ze weer terugkeerden naar de belegerde stad, den Prins gezien hebben, omdat het gerucht van zijn dood reeds verspreid werd.Dat bezoek, dat dus de bedoeling had, om de Leidenaars te sterken, werd ook voor den zieken Oranje een geneesmiddel. Want van ooggetuigen hoorende, dat de stad het nog uithield, verheugde hij zich daarover met zoo groote vreugde, dat hij van die ure begon te beteren. “Wie”—zoo vraagt Fruin terecht—“wie herkent Vader Willem niet in dien zieke, die zijn dienaars wegzendt uit vrees, dat ze door zijn ziekte besmet zouden worden; die hoe ongesteld ook, geen gehoor weigertaan die hem zoeken; die herleeft op de tijding, dat de goede zaak nog niet is verloren, en die zich van het ziekbed opricht, om bij vernieuwing te zorgen en te zwoegen voor “dat arme volk.”Gelukkig was de beterschap geen schijn. De koorts, die hem aan den rand van het graf had gebracht, die hem ten doode toe had verzwakt, keerde sedert den 28enAugustus niet terug; maar slechts langzaam kwamen de krachten weder. Reeds op den 2enSeptember kon Brunynck aan Jan van Nassau schrijven, dat ze hoopten dat de Prins buiten gevaar was. Op den 7enSeptember was de zieke zelf reeds in staat, aan zijn broeder te schrijven en we kunnen ons voorstellen, hoe gelukkig dit handschrift van den geliefden Prins de zijnen maakte. Zijn volkomen herstel wachtte Oranje niet af om zijn taak weer te aanvaarden. Wel hadden de Staten niet veel verzuimd, maar toch waren de pogingen om Leiden te hulp te komen, niet zoo krachtig voortgezet, als had kunnen geschieden. “De Staten konden den Prins niet vervangen; zij misten zijn gezag, zijn vasten, geëerbiedigden wil, die nooit buiten noodzaak geweld gebruikte, maar niettemin wat noodig was met kracht doorzette. Het bijzonder belang was niet overal voor het algemeen landsbelang geweken.” Kortom, het werk der bevrijding van Leiden had verder kunnen zijn, dan het was. Aan de uitrusting van de schuiten, die Boisot naar Leiden moesten voeren, was ijverig doorgewerkt in de maand Augustus, doch van doortastende maatregelen was niet veel gekomen. En toch waren die dringend noodig. Wel stond het Maaswater tot Delft toe over alle landen, maar bij de grenzen van Rijnland stuitte het. Om het ook daarin te doen vloeien, moesten nieuwe doorgravingen plaats hebben, doch op punten, die zeker hardnekkig door de Spanjaarden zouden worden verdedigd.Een eerste aanval mislukte geheel; bij een tweeden was men gelukkiger, omdat de vijand er niet op had gerekend. Op den 28enSeptember verlangde Boisot, dat de Prins met eigen oogen den staat van zaken kwam opnemen. Hij was wel zoo goed als hersteld, doch nog steeds zwak. Met ongunstig weer mocht hij zich niet vertoonen. Doch de 28eSeptember was een zonnige en fraaie dag; toen liet hij zich naar de vloot roeien, waar hij alles in oogenschouw nam en door zijn tegenwoordigheid den moed verlevendigde. Nog zou echter misschien alles vergeefsch zijn geweest, indien niet een stormwind uit het noordwesten, gepaard aan een springvloed, het water op de volgende dagen met kracht had voortgedreven en als daarop door het keeren van den wind van het noorden naar het zuiden de watermassa den kant van Rijnland niet was opgestuwd.Op den 1enOctober steeg het water, van 9 op 28 centimeter en hoewel zich ook toen nog allerlei bezwaren voordeden, was toch de stad gered. Want de vijand, bevreesd voor het opkomende water, verliet de schansen en de forten en vluchtte naar den Haag. Valdez besefte, dat de oogen van Europa op hem waren gevestigd. Hij liet een Latijnschen afscheidsgroet te Leiderdorp achter, luidende: “Vale civitas, valete castelli parvi, qui relicti estis propter aquam et non per vim inimicorum.” (Vaarwel, o stad, vaartwel kleine kasteelen, die verlaten wordt niet door de kracht der vijanden, maar door het water).Dederde October, toen de stad ontzet werd en de bijna doodgehongerdemenigte aanviel op de spijzen, die Boisots vaartuigen medebrachten, viel op een Zondag. De Prins bevond zich in de Waalsche kerk, toen hij de blijde tijding ontving, terwijl zijn gedachten waarschijnlijk meer bij Boisot en in Leiden waren dan bij de preek. Na afloop van deze liet de Prins den predikant de heugelijke tijding aan de gemeente voorlezen. Toen stroomde de geheele bevolking naar de kerken, gelijk ook de Leidenaars op dien gedenkwaardigen dag deden, om God te danken voor de verlossing der stad, de voorbode van de bevrijding van het land.Op den volgenden dag schreef Oranje een dankbaar briefje aan zijn broeder Jan, om hem deelgenoot te maken van de gewichtige gebeurtenis en toen ging hij, niettegenstaande de waarschuwingen, dat hij te zwak was, om zich bloot te stellen aan de zoo zeer vergiftigde atmosfeer te Leiden, naar de bevrijde stad, om haar in persoon te begroeten en te danken voor haar volharding. Hij nam zijn intrek ten huize van Dirk Jacobus van Montfoort, een aanzienlijk man, doch geen lid der regeering en bleef er tien dagen vertoeven. Een zijner voornaamste werkzaamheden gedurende dien tijd was de regeeringsverandering, waaraan dringend behoefte bestond, want tijdens het beleg was het gebleken, dat er in de vroedschap verscheidene mannen waren, die de burgerij zeer slecht hadden vertegenwoordigd. Wel was die verandering in strijd met de privilegiën der stad—want de vroedschap bestond uit 40 onafzetbare mannen, die zelf burgemeesters en schepenen benoemden. Doch volgens de getuigenis van de aanzienlijkste personen der stad, moest de Prins met gezag doortasten en de slechte elementen verwijderen. Er waren er zelfs, die beweerden, dat hij niet ver genoeg met de zuivering was gegaan.“Doch zoo was,” zegt Fruin, “Prins Willem gewoon te handelen; hij maakte zich het regeeren niet gemakkelijk, door elken tegenstand voor goed te breken; hij behielp zich met hetgeen hij vond en veranderde slechts als het onvermijdelijk was en dan nog niet meer dan het dringend noodige. Van alle dwingelandij, met welk goed doel ook, was hij afkeerig. Hij had behoefte aan medewerking, niet aan blinde gehoorzaamheid.”Behalve persoonlijke geschenken aan de verdienstelijkste mannen, die hadden meegewerkt aan het ontzet van Leiden, ontving de stad zelf voor haar trouw en standvastigheid, twee giften van groote waarde. Allereerst de vergunning om jaarlijks een tiendaagsche jaarmarkt te houden, vrij van alle tollen en lasten. Nog veel grooter gift was de stichting van de Universiteit—de eerste Protestantsche hoogeschool op Nederlandschen grond. Reeds op 8 Febr. 1575 werden de professoren van deze nieuwe instelling ingewijd met ceremoniën en allegorische voorstellingen, waarop de Nederlanders steeds zóózeer waren gesteld, dat geen ellende noch jammer hun lust tot zulk een vertooning ooit kon uitdooven.De nieuwe Universiteit werd begiftigd met inkomsten, voornamelijk voortvloeiende uit de oude abdij van Egmond. Motley zegt terecht, dat de acte van instelling een der meest ironische gedenkstukken is. De fictie toch van ’s konings souvereiniteit werd er in gehandhaafd en de meest katholieke vorst der wereld werd daarin gezegd, deze protestantsche academie te vestigen als een belooning aan Leiden voor zijn opstand tegen hem. Ook ontbrak daarin niet de oude formule “onze waarde neef” Willem, Prins van Oranje, met wien de koning wordt voorgesteldals na rijp beraad tot de oprichting van die hoogeschool besloten te hebben.Inderdaad, al werd die plechtige vestiging in naam van den koning van Spanje door den Prins van Oranje volstrekt niet ironisch bedoeld, al meende de stichter dier Universiteit, door den naam Filips te noemen, alleen de tol der hulde te betalen van den vasal aan den souverein, wij, die de geschiedenis kennen, wij, die weten, hoe het ontzet van Leiden de grondslag is geworden van de geheele bevrijding van ons land; wij, die den loop dier glorievolle instelling kennen, die de eeuwen door de bakermat is geweest van alle waarachtige vrijheid—wij kunnen in die acte slechts de ironie der geschiedenis zien, de goddelijke ironie, die zoo vaak in de wereldgeschiedenis terugkeert, zoo dikwijls geheel tegen de bedoeling in van onverstand, domheid, bijgeloof en onderdrukking, ja juist door het verzet van die vereende booze krachten, de vrijheid van individuen en volken gaat bloeien.Wij kunnen dan ook niet anders dan te dezer plaatse in de geschiedenis van den Prins, hem, al is onze bedoeling niet, een lofrede op hem te schrijven, de volle hulde brengen van ons volk, dat zijn groote mannen niet wil vergeten.Wij begrijpen ten volle, dat Oranje het mikpunt is geweest en tot heden gebleven van den haat en den laster van de vijanden onzer vrijheid, want zonder hem was zij niet veroverd. Doch wat men ook tot eer van de tallooze vergeten weldoeners der menschheid moge zeggen, hoe men de keten van oorzaak en gevolg ook verbreekt, als men aan de groote mannen alleen den loop der wereldgeschiedenis toeschrijft; welke verborgen krachten er toch misschien ook in het samenstel der maatschappij mochten geweest zijn, die langs anderen weg tot hetzelfde resultaat gevoerd zouden hebben, bij afwezigheid dier helden; wie zal niet ten volle erkennen, dat nooit meer dan in de dagen van Leidens beleg alle geestkracht van het volk belichaamd is geweest in den grooten Zwijger? Wie zal dit ontkennen? Zij b.v. die de belangrijke gebeurtenissen van 1574, die Leiden betroffen, samenvatten in een halve bladzijde druks en niet eens den naam noemen van den Prins, die van allen en alles de ziel was.Men kan den grooten keer niet ontkennen, die door de mislukking van Leidens beleg de gebeurtenissen ten bate van de opgestane gewesten genomen heeft. “In drie maanden hadden de Spanjaarden te midden van de Hollandsche moerassen bij de 700 stukken geschut gelaten. Ze hadden bijna geene kanonnen meer.... Al wat den trots der overwinnaars op de Mookerhei en der belegeraars voor den geest riep, verdween voor de schansen van Leiden.” Doch met geen enkel woord wordt de man herdacht op die bladzijde, aan wien dat alles te danken of (volgens hun meening) te wijten was. Waar het wapen van den laster niet kan gehanteerd, daar moet de held dier tijden worden doodgezwegen. Alsof de steenen van de ontzette stad niet spraken! Alsof de keten der gebeurtenissen niet zou zijn verbroken, als de schakel van den persoon van Oranje daaruit was weggenomen!Hoe kort was het nog geleden, dat hij al zijn hoop op de komst van Lodewijk had gevestigd. En toen het eindelijk zekerheid voor hem was geworden, dat Lodewijk nimmer zou wederkeeren, toen raapte hij, in plaats van land en volk nu over te geven aan den vijand, alle geestkracht, die nog in hem was gebleven, tezamen en smeedde bij vernieuwing daaruit een wapen, dat den Spanjaard te machtig was.Al werd hij ook op het ziekbed geworpen ten gevolge van alle teleurstelling en overspanning, een enkel bericht, dat de stad het nog hield, was in staat hem weer nieuwe krachten te schenken. Opgestaan van een ziekbed, dat bijna zijn sterfbed werd, en zelf slechts langzaam in krachten toenemende, wist hij de flauwhartigen bij vernieuwing te bezielen, de moedeloozen te steunen, de kleingeestigen te sterken. Uit zwakheid putte hij kracht en hij ondervond de waarheid van het oude, schoone woord omtrent de waarlijk godsdienstigen, dat zij telkens hun kracht vernieuwen en opvaren met vleugelen, gelijk de arenden, loopen en niet moede worden, wandelen en niet mat worden.1Zie kaartje, overgenomen uit het Tijdschrift voor Geschiedenis, Land- en Volkenkunde, ons door den ontwerper, den Heer D. Ritman, welwillend afgestaan.
Het jaar 1574 opende zich onder goede vooruitzichten voor het land. Alva was vertrokken en opgevolgd door een man, die tot vrede geneigd was. In Middelburg hielden de Geuzen den wakkeren Mondragon zóó ingesloten, dat de kans op bewaring der stad zeer klein was. Geduldig wachtte de Prins in Zierikzee op den afloop.
Elke regel, die hij gedurende dien winter schreef, spreekt van verlatenheid, waaronder hij gebogen ging.
Zijn broeders schreven hem voortdurend, maar de communicatie tusschen Dillenburg en Zeeland was zoo slecht, dat maar een klein gedeelte van de hartelijke brieven hun bestemming bereikte.
Dit maakte Oranje onrustig en stemde hem somber; “Sedert den 6enNovember heb ik geen woord van u vernomen,” schrijft de Prins op den 6enJanuari uit Vlissingen aan zijn broeders. Dringend vraagt hij om bericht hoe de zaken staan en waarop hij mag rekenen, opdat de droevige geschiedenis van Haarlem zich niet zal herhalen. “Waarom worden de maatregelen, die gij genomen hebt, zoo lang uitgesteld?” gaat hij verder, “nu zou daadwerkelijke hulp wat beteekenen, want de vijand is ontmoedigd, verdeeld en naar alle kanten verspreid.”
Nog voordat hij den brief had verstuurd kwam er tijding van Jan uit Dillenburg, den 21enNovember verzonden, waarin deze vertelt over de ontmoeting van Lodewijk met den koning van Polen. Oranje dankt hem ten zeerste en bericht tevens, dat Middelburg tot zulk een uiterste is gebracht, dat de stad eerstdaags wel in hun handen zal vallen. Vele mannen, vrouwen en kinderen sterven dagelijks van honger en het zal den vijand niet gelukken, de stad van proviand te voorzien.
Misschien had Mondragon het nog langer dan de Prins vermoedde in Middelburg uitgehouden, wanneer niet in dezelfde maand Januari, Oranjes admiraal Boisot, een glorierijke overwinning op een Spaansche vloot had behaald.
Requesens wilde nl. een poging wagen om Middelburg te ontzetten; daaromverzamelde hij een groot aantal schepen bij Bergen op Zoom, die met een vloot van dertig schepen onder d’Avila van Antwerpen uit naar Middelburg zouden stevenen. d’Avila kwam in het laatst van Januari niet ver van Vlissingen aan, teneinde daar de komst van de andere vloot onder Romero af te wachten en dan gezamenlijk het uitgehongerde Middelburg hulp te verleenen.
Requesens begaf zich naar Bergen op Zoom om het vertrek van Romero’s schepen te bespoedigen, doch de Prins van Oranje zou niet gedoogen, dat de stad langs dien weg gered werd.
De vloot van admiraal Boisot was reeds de Schelde opgevaren en had tegenover Bergen op Zoom het anker laten vallen. Oranje scheepte zich te Zierikzee in en bracht de geuzenvloot een bezoek; de onderbevelhebbers werden bijeengeroepen en hij hield hun kort en krachtig voor, van welk groot belang het was, dat Middelburg, de sleutel van Zeeland, in hun handen zou vallen. Zijn bezoek miste de uitwerking niet; men zwoer den Prins alles voor het vaderland en de goede zaak, die zij dienden, over te hebben en alle krachten te zullen inspannen den Spanjaarden te beletten in Middelburg te komen.
Den 29enJanuari liep de vloot van Romero uit Bergen op Zoom, gesplitst in drie smaldeelen elk van vijf en twintig vaartuigen. Tegenover Roemerswaal wachtte Boisot, in slagorde geschaard, de Spanjaarden op. Men had besloten de Spaansche schepen te enteren en al het volk stond op het dek met handspaken en enterbijlen gereed.
Zoovelen van Romero’s schepen als men op den nauwen waterplas enteren kon, raakten ook aan den vijand vast. Een moorddadig gevecht van man tegen man volgde, waarbij bijl, enterpiek, pistool en dolk de wapenen waren.
Reeds spoedig bleek de minderheid der Spanjaarden en nadat zij tal van schepen hadden verloren en eenige honderden Spanjaarden gesneuveld waren, vertrok het overschot van ’s vijands vloot naar Bergen op Zoom.
Hier stond de groot-kommandeur op een dijk het verloop van het gevecht gade te slaan en was daardoor getuige van de volslagen nederlaag. Romero, wiens schip in den grond was geboord, kwam zwemmende aan wal, juist waar Requesens stond. “Ik heb Uwe Excellentie gezegd,” zei Romero koeltjes, toen hij druipend nat op het strand klom, “dat ik een landsoldaat en geen zeeman was. Indien gij mij bevel gaaft over een honderdtal vloten, ik zou het er niet beter hebben afgebracht dan nu.”
Het gevolg was, dat d’Avila ook verplicht was naar Antwerpen terug te keeren en Mondragon in Middelburg aan zijn lot moest worden overgelaten.
In het midden van Februari gaf de stad zich over; op den 18endier maand teekende de Prins vijf artikelen, waarbij aan den Spaanschen bevelhebber eervolle uittocht werd verleend.
Deze gebeurtenis was in menig opzicht allerbelangrijkst. Volgens de Spanjaarden was de Prins een rebel, de leider van een oproerigen troep, met wien men niet, als met een oorlogvoerende mogendheid kon onderhandelen. Toen Mondragon toestemde tot een mondelinge onderhandeling, stond door dit feit de Prins aanstonds op een geheel ander standpunt, waarvan hij niet meer afweek.
In de artikelen, die Oranje aan Mondragon ter teekening aanbood, werd met opzet vermeld, dat Oranjede stadhoudervan den koning was en dat de burgers trouw aan hem moesten zweren en eene schatting van 300.000 florijnen zouden betalen. Ook beloofde Mondragon de loslating van Aldegonde en vier andere gevangenen van hooger rang te bewerkstelligen en, indien dit niet gelukte binnen twee maanden, dan zou hij zelf terugkeeren en zich als krijgsgevangene aan den Prins overleveren.
Een paar dagen na het vertrek van Mondragon verscheen de Prins in de stad en organiseerde er aanstonds het bestuur. Hierin kreeg Oranje veel macht, daar de abt van Middelburg, een der drie leden van de Staten, verviel en de adel alleen vertegenwoordigd werd door een zoogenaamden Eersten Edele, welke waardigheid Oranje in 1562 voor zijn oudsten zoon had verkregen. Door het verblijf van dien zoon in Spanje, was de waardigheid op den Prins overgegaan, die als zijn vertegenwoordiger Arend van Dorp, gouverneur van Zierikzee, aanstelde. Iets later kocht Oranje het markiezaat van Veere en Vlissingen, waardoor zijn macht nog aangroeide in Zeeland, daar deze steden met de andere in de Staten optraden. Op dubbele wijze had de Prins dus in dit gewest grooten invloed, waaruit dan ook te verklaren is, dat de macht van de Prinsen van Oranje in het geheele verloop van de geschiedenis onzer Republiek zeer groot is geweest.
Behalve dat het dagelijksch bestuur uit vertrouwde vrienden van den Prins werd gevormd, nam men ook maatregelen om Zuid-Beveland en Tholen eveneens van de Spanjaarden te bevrijden.
Ondertusschen bleef het er in Holland nog droevig uitzien. Terwijl Amsterdam en Haarlem in handen der Spanjaarden waren, werd Leiden langzamerhand door Valdez ingesloten. Van een eigenlijke belegering van Leiden, in den ouden zin van het woord, was geen sprake. Het platteland rondom de stad werd bezet met een aantal schansen, teneinde de bewoners der stad door den honger tot overgave te dwingen.
Men was aan die bezetting steeds bezig, toen in Februari 1574 graaf Lodewijk met zijn leger te velde kwam. Fransch geld en Duitsche troepen hadden den vurigen man daartoe eindelijk in staat gesteld. Wat een moeite had de ijverige Lodewijk zich daarvoor getroost! Niet alleen hij, maar al de Nassau’s hadden het hunne bijgebracht, om het nieuwe plan te doen slagen. In Januari had de graaf reeds te Frankfort 3000 ruiters en 10.000 voetknechten bijeen. Hendrik, zijn broer, zou ook deelnemen aan den tocht. Eerst was Lodewijks voornemen, een nieuwen inval in Groningen te doen, maar daar hij zich in het zuiden met de Fransche troepen zou vereenigen, koos hij een aanslag op Maastricht en Luik. Het had hem de grootste moeite gekost de bisschoppen althans onzijdig te houden. Waren enkelen alleen voor goeden buit vatbaar, anderen werden door huwelijksplannen gunstig gestemd, zooals de bisschop van Keulen, waardoor Lodewijk vergunning verkreeg deze stad als zijn hoofdkwartier te gebruiken, hetgeen hem zeer te pas kwam. Van de Duitsche zijde scheen daar alles tot het welslagen van den tocht mede te werken. Jammer, dat het leger zelf zooveel te wenschen overliet. Het was niet veel meer dan een samengeraapte bende, slecht gewapend en ongeoefend. Zootoog men naar Maastricht, ook mede op raad van den Prins, die dat de voordeeligste weg vond en die reeds in November 1573 had geschreven: “Mij dunkt wanneer gij de onderneming op Friesland en Groningen tot Maart uitstelt, gij beter doen zult, al uw krachten naar Maastricht te wenden en wel met de meest mogelijke haast, voor ik geheel ben ingesloten”.
Tegen het einde van Februari bereikte Lodewijk de Maas en legerde zich bij Maastricht, aan den Duitschen kant van de rivier. Requesens had echter ook Duitsche hulptroepen gelicht en uit zooveel steden als hij durfde, de garnizoens genomen; zelfs had hij een deel der troepen, die Leiden insloten, naar het zuiden gezonden. Mendoza, de Spaansche generaal, was reeds voor Lodewijks aankomst in Maastricht en don Sancho d’Avila kwam Mendoza kort daarop nog versterken. Van Lodewijks leger waren reeds, voor dat het de grenzen was overgetrokken, 1000 man gedeserteerd. Hij had gehoopt, aanstonds de Maas te kunnen oversteken, maar het drijfijs verhinderde de booten. Daarom bleef hij nog aan de andere zijde gelegerd, 4 mijlen boven Maastricht. Dat oponthoud was de oorzaak van den noodlottigen afloop, want als hij onmiddellijk had kunnen doorgaan, dan was d’Avila niet gereed geweest hem te volgen en het leger van Lodewijk had den Bommelerwaard kunnen bereiken, waar de Prins eenige troepen had verzameld, die zich dan met Lodewijks leger hadden kunnen vereenigen.
Nu echter was hij gedwongen te wachten en werd hij nog bij Bemelen door een nachtelijken aanval op zijn kamp zeer geschaad, zoodat hij 700 man verloor en zelfs naar den kant van Valkenburg moest aftrekken.1Het was eerst in het begin van April, dat hij zich noordwaarts naar Roermond kon wenden. Op weg daarheen maakten zijn troepen zich aan schandelijke wanordelijkheid schuldig. Ook Roermond kon hij evenmin als Maastricht of Luik nemen, daar ook die stad door Spanjaarden bezet was. Toen trok hij noordwaarts, van plan bij Nijmegen door de Betuwe naar den Bommelerwaard te gaan.
Den 13enApril kwam hij bij Mook aan, doch d’Avila was aan de andere zijde van de Maas Lodewijks leger gevolgd en bracht zijn troepen bij Grave op een haastig van booten gebouwde brug naar denzelfden kant der rivier over. Lodewijk was dus binnen een betrekkelijk kleine ruimte tusschen Maas en Waal ingesloten. Hij liet een gracht graven, waarvan nog de overblijfselen bij het tegenwoordig klooster te vinden zijn, doch dat was zijn eenig zwak verdedigingspunt. d’Avila’s stelling daarentegen was veel voordeeliger. Het steunpunt daarvan was de Maas. Lodewijks kracht lag in zijn ruiterij, hij had toen 1800 ruiters, terwijl de Spaansche veldheer slechts eenige honderden ruiters had; maar op de plaats, door d’Avila voor den slag gekozen, kon Lodewijk van die ruiterij geen voordeel hebben. Had hij een slag kunnen vermijden, dan had hij het zeker gedaan, maar dit was onmogelijk. Bij het aanbreken van den dag, op den 14enApril, begonnen de Spanjaarden den aanval op de gracht en uren lang duurde het gevecht. Tot driemalen toe werd die aanval herhaald en bleef de uitslag onzeker. Toen scheen eerst door de attaque van Lodewijks ruiterij, de overwinning aan zijn kant te zijn, zoodat devoorhoede der Spaansche ruiters zelfs over de Maas gedreven werd. Doch daarop keerde plotseling de kans. De enkele honderden ruiters der Spanjaarden waren door een duizendtal, de voorhoede van het leger van Valdez, versterkt; ze drongen op de Duitschers in en een algemeene vlucht van dezen in de bosschen volgde. Nog hielden de hoofden stand, maar ze werden door de overmacht verpletterd en Lodewijk van Nassau, zijn broeder Hendrik en Christoffel van de Paltz kwamen jammerlijk om het leven.
Schaal 1: 1000000.······> Tocht van Lodewijk.——>——> Tocht van d’Avila.
Schaal 1: 1000000.
······> Tocht van Lodewijk.
——>——> Tocht van d’Avila.
Met Lodewijk bovenal ging een held te gronde, die zeldzame gaven in zich vereenigde, wiens ridderlijk karakter niet alleen, maar ook wiens adeldom van geest door allen, die hem gekend hebben, om strijd is geroemd. Van zijn twintigste jaar af was hij steeds aan de zaak van Oranje verbonden. In zijn 36elevensjaar vond hij den dood op de Mookerheide en wanneer we terugzien op al wat hij gedurende die 15 jaar heeft verricht, dan lijkt ons die tijdruimte bijna te klein voor al dien arbeid. Niet altijd was hij met Oranje geheel een van zin geweest. Hij is overal, waar we hem ontmoeten, de vurige man, die de voorzichtigheid van den staatsman wel eens uit het oog verloor, maar die gedreven werd door een onstuimigen aandrang, om ten uitvoer te brengen, wat hij goed en nuttig achtte. Van zijn deelneming aan het verbond der Edelen af, eigenlijk tegen den zin zijns broeders, tot zijn laatsten veldtocht toe, nergens verloochende hij die geestdriftige natuur.“Lodewijk—zoo zegt prof. Blok—was een man van het oogenblik; vurig en ridderlijk; onstuimig toesnellend op zijn doel; driftig voorthollend op den weg van het avontuur; het gevaar uitdagend; zijn woorden weinig wikkend, bewegelijk en hartstochtelijk; geboren krijgsman, zoo al geen legerhoofd.”
Slag op de Zuiderzee.—1573. (Bladz. 245).Slag op de Zuiderzee.—1573. (Bladz. 245).
Slag op de Zuiderzee.—1573. (Bladz. 245).
Meer dan een zijner impulsieve daden heeft het succes van belangrijke maatregelen bedreigd; meer dan eens wilde de voorzichtige Prins al de plannen van Lodewijk niet kennen. Ook in het godsdienstige kwam datzelfde karakter uit. Hij had een innig godsdienstige overtuiging; zijn doel was altijd de bevordering van de protestantsche zaak; hij maakte die niet aan de politiek, maar wel deze aan het Protestantisme dienstbaar. Van de hooge verdraagzaamheid van Oranje wilde Lodewijk niet weten. Hij liet zich vaak tot heftigheid tegen het Pausdom ende katholieke kerk verleiden. Doch ook die vurige ijver vloeide voort uit zijn geestdriftige natuur, waarom hij in tallooze kringen zoo bemind was. Bemind in Dillenburg, bemind aan het Fransche hof, bemind bovenal door zijne moeder. Van liefde echter vinden we, na zijn vergeefsch huwelijksaanzoek om de erfgename van Rijsberg, in zijn leven geen spoor, of het moest zijn de hulp, die hij verleende aan Charlotte van Bourbon bij haar vlucht uit het klooster in N.-Frankrijk, waarover later. Hij bleef althans ongehuwd. Maar al werd hij door geene droeve weduwe betreurd, zijn dood liet een leegte achter in tallooze gemoederen. De Fransche Hugenoten betreurden hem als een hunner meest geliefde leiders. De Hollanders wachtten thans vergeefs op hun Engel Gabriël. De Duitschers zouden hun Bayard nimmer wederzien.
Opstelling der troepen op 14 April 1574 bij Mook. (naar Mendoza).Opstelling der troepen op 14 April 1574 bij Mook. (naar Mendoza).Schaal 1: 25000.(Ter wille van het overzicht zijn de afstanden, betrekking hebbende op de troepenopstelling, wat te groot genomen.)Mn= afdeeling van Mondragon.d’A = Colonne van d’Avila.M = Cavalerie van Mendoza.a.Infanterie in de gegraven versterking.b.De rest der Nassausche Infanterie.c.De Cavalerie.d.De afdeeling ruiters, welke den rechtervleugel dekt.
Opstelling der troepen op 14 April 1574 bij Mook. (naar Mendoza).
Schaal 1: 25000.
(Ter wille van het overzicht zijn de afstanden, betrekking hebbende op de troepenopstelling, wat te groot genomen.)
Bovenal Juliana van Stolberg, die Lodewijk buitengewoon liefhad en die hem onlangs nog op zijn ziekbed met zooveel toewijding had verzorgd, smolt weg in tranen. En de Prins? Bij den slag op de Mookerheide ging er een licht voor hem uit, welks afwezigheid zijn geheele leven door hem gevoeld werd. In zijn Apologie wijdde hij o.a. deze woorden aan zijn nagedachtenis: “Zij, die omtrent mijn broeder Lodewijk iets te zeggen hebben, deden beter zulk een goed ridder met rust te laten. Met hem kunnen ze niet worden vergeleken en een veel beter Christen was hij.”
Hendrik, die ter zelfder tijd zijn leven verloor, was slechts 24 jaar. Van hem persoonlijk is weinig bekend; wel weten wij, dat hij meermalen het voorwerp uitmaakte van de zorg en overleggingen zijner moeder en broeders. Als Oranje daarin deelde, hebben wij niet verzuimd het te melden. Behalve een stijf gestelden Latijnschen brief van Hendrik uit zijn jongenstijd, is er niets meer van zijn hand bewaard gebleven.
Er wordt wel beweerd, dat de Prins over het voornemen van graaf Lodewijk, om bij Herwaarden tusschen Maas en Rijn de rivier te passeeren, niet zeer tevreden was. Hij zou het groote gevaar daarvan hebben ingezien en zich ook niet in staat geacht hebben, in zulk een groote haast voldoend oorlogsgereedschap op die rivier te zenden. Ook zou Oranje zelfs tot de intieme vrienden gezegd hebben, dat, “hoe lief en aangenaam zijns broeders komst hem ook mocht wezen, hij nogtans op dien tijd wel lijden mocht, dat hij met zijn leger 100 mijlen van daar was.” Dat bericht, hoe geloofwaardig op zich zelf, wordt niet bevestigd door een schrijven van den Prins uit Dordrecht van den 13enApril, waarin hij zijn broeders belooft, dat hij al zijn best zal doen, om hen bij hun aankomst in de omstreken van Tiel door een goed escorte te doen ontvangen. Het kan echter wel zijn, dat Oranje in vertrouwelijke gesprekken zich niet zoo optimistisch omtrent Lodewijks inval uitliet en toch hem zelf daarmede niet wilde bezwaren. De geheele maand April verliep, zonder dat de Prins en zijn geheele familie van het smartelijk ongeval kennis kreeg.
Uit brieven van den 15enen 17enApril bleek, dat Oranje nog niets bekend was omtrent het ongelukkig verloop van den veldtocht; hij was integendeel vol goeden moed en de berichten uit Engeland waren ook gunstig, daar de regeering meer geneigd scheen om met Duitschland verbonden, den koning van Spanje openlijk den oorlog te verklaren.
Berichten ontving Oranje niet; geen enkel antwoord van zijn broeders op de zeven brieven vanaf den 10ender maand aan hen geschreven.
Wel is hem bekend geworden, dat er een nederlaag is geleden, zooals uit het schrijven van den Prins aan Jan van Nassau blijkt, maar omtrent het lot van zijn broers en Christoffel van de Paltz weet hij absoluut niets.
Eerst op den 7enMei schijnt de Prins de volle waarheid te hebben vermoed. Van dien dag dagteekent een brief, welke terecht beroemd is geworden, aan zijn thans eenig overgebleven broeder Jan. Blijkens dat schrijven vreest de Prins, dat men met voorbedachten rade den dood zijner broeders voor hem en Jan van Nassau geheim houdt en hij doet uitkomen hoe nadeelig die geheimhouding werkt. Van alle zijden wordt hij zelf bestormd met vragen naar den afloop en nu hij daarop geen beslist antwoord weet te geven, meent men, dat hij zelf de waarheid verbergt en het gevolg hiervan is, dat men begint te wanhopen aan den staat van zaken.
Daarop volgen dan die schoone, diepgewortelde en innig godsdienstige woorden:
“Ik belijd U, dat ik nooit iets ondervonden heb, dat mij meer leed doet en inniger spijt, doch we moeten ons onderwerpen aan den wil van God en zulk een vertrouwen hebben op Zijne goddelijke voorzienigheid, dat Hij, die het bloed van Zijn Eenigen Zoon niet heeft gespaard, om Zijn kerk te bewaren, niets zal doen dan wat dienen kan tot uitbreiding van Zijn roem en bewaring van Zijn kerk, al schijnt het ook in het oog der wereld een onmogelijke zaak.En al zouden wij allen komen te sterven, en al zou het geheele volk worden vermoord of verjaagd, deze zekerheid moeten wij altijd hebben, dat God de Zijnen nooitzal verlaten, waarvan wij heden ten dage zulk een merkwaardig voorbeeld in Frankrijk zien, waar na den gruwelijken moord van zooveel edelen ieder meende, dat het einde en de algeheele uitroeiing van den (herv.) godsdienst nabij was, terwijl wij nu zien, dat zij bij vernieuwing meer dan ooit het hoofd hebben opgeheven, terwijl de koning zich in meer moeite en ellende bevindt, dan ooit te voren. Wij hopen, dat de Heer onze God, wiens arm niet verkort wordt, van Zijne macht en Zijn mededoogen jegens ons zal gebruik maken...”
Daarop geeft Oranje aan zijn broeder een beschrijving van de verslagenheid van het volk te midden waarvan hij leeft. “Daar is geen volk ter wereld, dat zich spoediger verheugt over eenig goed bericht, maar er is ook geen tweede, dat zoo erg door eenig droevig voorval is terneergeslagen.” Indien zijn broeder daarbij in aanmerking neemt, dat de nieuwe landvoogd een nieuw pardon heeft afgekondigd, waarvan slechts 14 of 15 personen zijn uitgesloten, dan kan hij daaruit berekenen, hoe groot de verleiding is, om zich weer te onderwerpen. “Doch van mijn kant kunt gij verzekerd zijn, dat ik mijn plicht zal doen, zooveel in mij is, want keert dit volk onder het juk en de tirannie der Spanjaarden terug, dan zal spoedig de godsdienst geheel zijn vernietigd, zonder een vonkje meer te doen schijnen. En de Duitschers, die ons aan ons lot hebben overgelaten, zullen evenals de Engelschen mettertijd zich wel bewust worden van de groote schade, die ook zij daardoor zullen ondervinden.”
Het is daarom, dat de Prins zijn broeder opwekt om nog eens met zijn “volle vijf zinnen” te overleggen, welk geneesmiddel er te vinden zou zijn. Want zonder buitenlandsche hulp tegen de macht van Spanje zal Holland, dat het een tijdlang alleen heeft volgehouden, niet langer bestand zijn.
Verder bespreekt Oranje in den langen brief de kwestie van het meest geschikte legerhoofd, in het geval er van Duitsche en Fransche zijde hulp komt opdagen, de huisvesting die het hulpleger zou kunnen gegeven worden en de plaats, waar zij de Nederlanden het best zouden kunnen binnenkomen.
Kortom uit den geheelen brief blijkt, dat de Prins nog den moed niet heeft verloren, ook na den allernoodlottigsten afloop van den tocht van zijn meest geliefden broeder Lodewijk. En die moed, die hem blijft bezielen, steunde op degelijke gronden. Hij doet zijn broeder beseffen, waarover hij nog kan beschikken. De Staten hebben hem 150.000 florijnen per maand toegestaan, zoolang het noodig zal zijn; maar hulp is dringend noodzakelijk. Blijft die uit en “willen de arme bewoners, van ieder verlaten, desniettemin volhouden.... dan zal het den Spanjaarden nog half Spanje kosten in geld en in mannen, eer ze ons geheel vernietigd hebben.” Want .... nog had Oranje te bevelen over 71 compagnieën infanterie in Holland, 14 in Zeeland, 20 in Waterland, in het geheel 15 à 16000 man, met meer dan 100 groote en kleine oorlogsvaartuigen. Zoolang hij kon, zou hij met deze macht volhouden.
Rijst onze eerbied en bewondering voor den Zwijger niet door zulk een moedige taal na zulke jammeren als op de Mookerheide? Het scheen wel, alsof de Prins uit elke nieuwe smart nieuwe krachten putte. Hoe weinig volkomen zekerheid er omtrent het lot zijner broeders in dien eersten tijd bestond, blijkt o. a. ook uit denbrief, dien de Prins van zijn moeder Juliana van Stolberg nog in de maand Mei ontving.
“Ik weet wel”—zoo schrijft zij—“dat gij gelijk hebt; wij moeten met geduld dragen, wat de Heer ons toezendt, maar menschen blijven menschen en zij vermogen dat zonder Gods hulp niet. Moge God mij arme beproefde vrouw, die mijn droefenis niet verzetten kan, mij genadig uit dit jammerdal tot zich nemen of mij met zijn genade sterken en zijn heiligen geest van berusting zenden. Herhaaldelijk is mij verzekerd, dat mijne zonen nog in leven zouden zijn, zoodat ik nog altijd hoop heb. Voor drie dagen werd mij nog verhaald, hoe een edelman kort geleden nog zes dagen bij mijn lieven Lodewijk geweest is en hem naar omstandigheden wel gevonden had. Zijn rechterarm was van boven doorschoten maar hij kon dien nog bewegen. Aan zijn spraak had hij hem herkend. En daardoor heb ik nu weder wat hoop, maar toch vrees ik, dat men een ander voor hem heeft aangezien. Van hertog Christoffel en mijn lieven Hendrik wist men mij niets te zeggen. Doch de zaken mogen gaan, zooals God het beveelt; ik kan niet anders, dan Hem om geduld bidden en dat gij en ik in eeuwigheid niet van Hem mogen gescheiden worden.”
IJdele hoop van de zwaarbeproefde moeder! Want allerwaarschijnlijkst zijn Lodewijk en Hendrik beiden omgekomen in een huis, waar ze heengingen, om hun wonden te verbinden, doch dat boven hun hoofden in brand geraakte en zijn ze zoo ellendig in rook en damp gestikt. Hunne lijken echter, en dat bleef de oorzaak der onzekerheid, zijn nooit teruggevonden.
Een der gronden, waarop Oranje zijn hoop bleef bouwen voor de toekomst trots de jammerlijke nederlaag op de Mookerheide, was zonder twijfel gelegen in zijn kennis van de Spaansche toestanden in het zuiden en den strijd, waarin de nieuwe landvoogd ook zelfs met de Spaansche soldaten gewikkeld was. Zou dat een paar jaar later bij de Spaansche furie tot de geweldigste uitbarsting leiden, die ook het zuiden naar de komst van Oranje in zijn midden zou doen verlangen, reeds voor den slag van Mook hadden de oproerige Spaansche soldaten te Antwerpen onder een Eletto (d. i. een door muitende soldaten gekozen hoofd) de regeering genoodzaakt, aan hun geldelijke eischen toe te geven en op den dag na den slag begon een nieuwe muiterij onder de overwinnende troepen te heerschen.
“Zoodra zoo’n muiterij uitbrak,” zoo verhaalt Motley, “begon men van de naastbij gelegen stad bezit te nemen, waar de Eletto gewoonlijk in het stadhuis zijn verblijf nam en het krijgsvolk bij de burgers ingelegerd werd. Wat voeding en huisvesting betreft was voor deze rooversbenden niets te goed. Mannen, die maanden lang van hun legerrantsoen geleefd hadden—ruwe kinkels, die hun ploeg hadden gedreven, totdat men hen gedwongen had om het musket te hanteeren—sliepen thans op keurig beddegoed en vorderden van de sidderende burgers de lekkerste spijzen. Zij aten het land kaal als een leger van sprinkhanen.”
“Kuikens en patrijzen,” schreef de zuinige Antwerpsche kroniekschrijver, “kapoenen en faisanten, hazen en konijnen, tweeërlei soort van wijn;—tot kruiding van het maal, olijven, citroenen en oranjeappelen, specerijen en zoetigheden; tarwebrood voor hunne honden en zelfs wijn om de pooten hunner paarden te wasschen.”
Ziedaar het weelderig onthaal, door de muitende troepen geëischt. Verdroot den burgers deze gedwongen gastvrijheid, dan moesten zij een belasting opbrengen.
De muiterij, die na de nederlaag van graaf Lodewijk uitbrak was bijzonder erg. Bij Alva’s vertrek was er reeds 6 millioen achterstand van soldij en Requesens was niet in staat, op geregelde betaling eenige hoop te geven. Toch kwamen ze toen nog tot een overeenkomst, daar het Requesens gelukte den grooten Raad van Antwerpen tot een leening van 400.000 florijnen te bewegen. De muitende soldaten vierden op de Place de Meir een groot feest bij gelegenheid van die gesloten overeenkomst, toen plotseling de mare doordrong, dat admiraal Boisot de Schelde was opgevaren. Voordat men gewapend was, had Boisot veertien Spaansche schepen genomen en doen zinken en den Admiraal Haemstede krijgsgevangen gemaakt. Dit was voor den Prins althans een lichtstraal in den donkeren nacht; te meer omdat het feit der muiterij wees op den hopeloozen geldelijken toestand van Spanje, die op den duur niet anders dan een krachtige hulp voor zijn verzet kon wezen.
Voorloopig echter moesten alle krachten, die in Holland aanwezig waren, worden ingespannen. Want binnen den kortst mogelijken tijd was Valdez, die tijdelijk de omstreken van Leiden met zijn leger had verlaten om Lodewijks inval te voorkomen, weer met zijn troepen rondom de stad teruggekeerd en Leiden was op den 21enMei weder geheel ingesloten. Het beleg en het ontzet van die stad behoort tot de belangrijkste gebeurtenissen der wereldgeschiedenis. Onze vrijheid zou groot gevaar geloopen hebben, indien Leiden was gevallen. Haar behoud heeft op het oogenblik Holland voor ons gered. Het kan ons doel niet zijn, dat beleg en dat ontzet in zijn bijzonderheden te beschrijven. Hoofdzaak is voor ons, het deel aan te wijzen dat de Prins daaraan gehad heeft en aan te toonen, hoe hij voor den verderen loop van den oorlog heeft gebruik gemaakt van den gelukkigen afloop van dat beleg. Want er mag niet vergeten worden, dat ook het beleg en het ontzet van Leiden eenvoudig een schakel in de groote keten der elkander opvolgende gebeurtenissen is geweest, die tot de bevrijding van ons land, tot de voltooiing van het werk van Oranje heeft geleid. Ook dat de Prins tijdens dat beleg vredesonderhandelingen heeft gevoerd, die na het ontzet van zijne zijde met veel meer krachtsbesef konden worden voortgezet. Op die onderhandelingen komen we terug, als we eerst den Prins in zijn arbeid voor Leiden gevolgd hebben.
Toen Oranje den laatsten brief aan zijn broeder Jan schreef, was hij in Dordrecht, waar hij gedurende de maand Mei met de Staten van het land in voortdurend overleg bleef. Daar kwam hem de tijding ter oore van de nieuwe insluiting van Leiden; daar vernam hij, hoe de inwoners dier stad geweigerd hadden garnizoen in te nemen, zelfs de Engelsche vaandels niet toe wilden laten en zijn raad in den wind geslagen hadden, om, terwijl Valdez zich met zijn troepen had verwijderd, voor een nieuwen voorraad levensmiddelen te zorgen.
Hoe hem ook die verschillende berichten troffen en onaangenaam stemden, ze verhoogden slechts zijn eigen krachtsinspanning, want al had Leiden het misschienniet om zijn zorgeloosheid verdiend, het belang van het geheele land was er mee gemoeid. De Staten werden dan ook onmiddellijk door hem tegen den 1enJuni te Rotterdam beschreven, om een plan vast te stellen voor de bevrijding der stad en de noodige gelden voor die onderneming bijeen te krijgen. Bij den bekenden onderlingen naijver der steden was dit geen lichte taak, doch den Prins gelukte het, de zelfzuchtige bondgenooten te doen samenwerken. Fruin zegt terecht van hem: “Om dat te bereiken, werd een leidsman gevorderd, zoo onuitputtelijk geduldig, zoo hoog geacht en bemind, zoo zelfopofferend voor de goede zaak, als de nooit volprezen Willem van Oranje.”
Toen het geld gevonden was, werd bepaald, dat men Leiden zou te hulp komen, door Zuid-Holland onder water te zetten. Er waren deskundigen, die daartegen groote bezwaren hadden. Aan de eene zijde werd beweerd, dat het hooger gelegen Rijnland nooit door het Maaswater zou kunnen worden bereikt; alleen Delfland en Schieland zouden onder water komen; aan den anderen kant had men groote bezwaren, dat op die wijze het land niet licht weer zou kunnen worden drooggelegd. Toch werd er toe besloten. “Het al om het al op het spel te zetten, was in dien tijd de leus onzer kloekmoedige voorvaderen. Hun was de vrijheid van denken en gelooven, het volksbestaan, de zelfregeering het hoogste, ja het eenig goed, het al. Om dat te behouden, was geen prijs hun te hoog, geen waagstuk te vermetel.” Zij hebben alles gewaagd en alles gewonnen.
Dit besluit werd den 30enJuli genomen en onmiddellijk daarop ten uitvoer gebracht. Bij de doorgraving te Capelle aan den IJsel was de Prins persoonlijk tegenwoordig, o. a. in gezelschap van Paulus Buys, die krachtig zijn hulp had verleend om de bestrijders van het plan te overwinnen. Door zestien gapende dijkbreuken stroomde het IJselwater op het land. Daarop werd de Maasdijk aan weerszijden van Rotterdam doorgegraven en de sluizen van Schiedam werden opengezet. Dagen moesten echter verloopen, eer het water zich over de oppervlakte van zooveel honderden bunders verspreiden zou.
Ondertusschen ontbood Oranje uit Zeeland Louis de Boisot, die in den jongsten tijd daar als admiraal groote bekwaamheid had bewezen, zoowel in Januari bij den slag van Roemerswaal, waardoor Middelburg in handen van Oranje viel, als door de overwinning op de Spaansche vloot op de Schelde, waarvan wij gewag maakten. Niemand beter geschikt dan Boisot om een werk te verrichten, waarbij zooveel zeemanschap en krijgsbeleid geëischt werd. Gelukkig, dat men dien ervaren man op dat oogenblik in Zeeland missen kon; een nieuwe Spaansche vloot die men verwacht had en die in hem den besten overwinnaar zou gevonden hebben, was door tegenspoed van allerlei aard niet naar de Nederlanden vertrokken. Boisot zou het beste scheepsvolk en de meest vertrouwde kapiteins in Zeeland gaan halen en dan de onderneming met tal van vaartuigen en de noodige kanonnen aanvangen.
Allerlei teleurstellingen echter vertraagden de bevrijding der stad, waar de jammer van dag tot dag in de maanden Augustus en September vermeerderde. Haar lot te beschrijven, haar steeds toenemende ellende te teekenen, ligt wel niet op onzen weg, maar van een harer bange beproevingen kunnen we ook in ons verband niet zwijgen. Wij bedoelen de aanwezigheid in de stad van een menigteroyalistische inwoners, die met hun geestverwanten in andere plaatsen het er op toelegden, de stad aan den vijand over te geven. Dit waren de zoogenaamdeglippers, die alles aanwendden, om de inwoners in het denkbeeld te stijven, dat ontzet der plaats onmogelijk was en wier woord, hoe hooger de ellende klom, des te meer ingang vond bij de menigte.
Gelukkig, dat mannen als Bronkhorst, Jan van der Does, Jan van Hout en Pieter Az. van der Werff, de burgerij en de vroedschap in bedwang hielden en geen oogenblik verslapten in hun ijver voor de algemeene zaak. Waren zij niet werkzaam gebleven, hadden zij niet alle vertrouwen op den Prins behouden, dan zou zonder twijfel door het katholiek gedeelte der bevolking met beide handen het pardon zijn aangegrepen, dat Requesens had afgekondigd en dat door Valdez aan de inwoners van Leiden werd aangeboden, op voorwaarde van overgave. Nu echter werd die lokstem beantwoord met het Latijnsche woord van Cato: “Fistula dulce canit, volucrem dun decipit auceps.” (De fluit klinkt liefelijk, terwijl de vogelaar den vogel verschalkt.)
Het ergste dat gedurende de maanden van het beleg van Leiden geschiedde, was de wekenlange ziekte van den Prins. Die overviel hem den 10enAugustus. Opgekropte smart en de last der beslommeringen, misschien ook daarbij zwaar gevatte koude tengevolge van het staan op de dijken in regen en wind, wierpen den man op het ziekbed, die minder dan ooit op dat oogenblik gemist kon worden. Het eigenlijk karakter der ongesteldheid konden de geneesheeren niet aanstonds herkennen; men vreesde dat het een aanval van de pest was, die in Holland in die dagen heerschte. Hij werd door onophoudelijke koortsen gefolterd en zijn krachten namen zoo af, dat zijn geneesheeren voor tering vreesden. Men had hem gaarne naar Delft, naar zijn eigen woning vervoerd, doch die reis kon hij niet meer maken en daarom was hij gebonden aan een ongezellig huis in Rotterdam. Er bestaat een belangrijk verhaal van die ziekte van een geneesheer Foreest. Zijn secretaris Brunynck en zijn hofmeester Nuyhem gaven voortdurend aan zijn broeder Jan van Nassau berichten omtrent den loop der ziekte, die in de maand Augustus sterk toenam en zelfs tot vier koortsaanvallen op één dag steeg. Men dacht niet anders of de Prins ging sterven. Het gerucht van zijn dood werd reeds door zijn vijanden verspreid.
Treffend is het verhaal, hoe hij, diep bekommerd over het lot der zijnen, zich reeds tot sterven gereed maakte, toen daar Cornelis van Mierop, later Ontvanger-Generaal van Holland, onaangediend bij hem aan het bed kwam. Een paar boden uit Leiden wilden namelijk, voor ze weer terugkeerden naar de belegerde stad, den Prins gezien hebben, omdat het gerucht van zijn dood reeds verspreid werd.
Dat bezoek, dat dus de bedoeling had, om de Leidenaars te sterken, werd ook voor den zieken Oranje een geneesmiddel. Want van ooggetuigen hoorende, dat de stad het nog uithield, verheugde hij zich daarover met zoo groote vreugde, dat hij van die ure begon te beteren. “Wie”—zoo vraagt Fruin terecht—“wie herkent Vader Willem niet in dien zieke, die zijn dienaars wegzendt uit vrees, dat ze door zijn ziekte besmet zouden worden; die hoe ongesteld ook, geen gehoor weigertaan die hem zoeken; die herleeft op de tijding, dat de goede zaak nog niet is verloren, en die zich van het ziekbed opricht, om bij vernieuwing te zorgen en te zwoegen voor “dat arme volk.”
Gelukkig was de beterschap geen schijn. De koorts, die hem aan den rand van het graf had gebracht, die hem ten doode toe had verzwakt, keerde sedert den 28enAugustus niet terug; maar slechts langzaam kwamen de krachten weder. Reeds op den 2enSeptember kon Brunynck aan Jan van Nassau schrijven, dat ze hoopten dat de Prins buiten gevaar was. Op den 7enSeptember was de zieke zelf reeds in staat, aan zijn broeder te schrijven en we kunnen ons voorstellen, hoe gelukkig dit handschrift van den geliefden Prins de zijnen maakte. Zijn volkomen herstel wachtte Oranje niet af om zijn taak weer te aanvaarden. Wel hadden de Staten niet veel verzuimd, maar toch waren de pogingen om Leiden te hulp te komen, niet zoo krachtig voortgezet, als had kunnen geschieden. “De Staten konden den Prins niet vervangen; zij misten zijn gezag, zijn vasten, geëerbiedigden wil, die nooit buiten noodzaak geweld gebruikte, maar niettemin wat noodig was met kracht doorzette. Het bijzonder belang was niet overal voor het algemeen landsbelang geweken.” Kortom, het werk der bevrijding van Leiden had verder kunnen zijn, dan het was. Aan de uitrusting van de schuiten, die Boisot naar Leiden moesten voeren, was ijverig doorgewerkt in de maand Augustus, doch van doortastende maatregelen was niet veel gekomen. En toch waren die dringend noodig. Wel stond het Maaswater tot Delft toe over alle landen, maar bij de grenzen van Rijnland stuitte het. Om het ook daarin te doen vloeien, moesten nieuwe doorgravingen plaats hebben, doch op punten, die zeker hardnekkig door de Spanjaarden zouden worden verdedigd.
Een eerste aanval mislukte geheel; bij een tweeden was men gelukkiger, omdat de vijand er niet op had gerekend. Op den 28enSeptember verlangde Boisot, dat de Prins met eigen oogen den staat van zaken kwam opnemen. Hij was wel zoo goed als hersteld, doch nog steeds zwak. Met ongunstig weer mocht hij zich niet vertoonen. Doch de 28eSeptember was een zonnige en fraaie dag; toen liet hij zich naar de vloot roeien, waar hij alles in oogenschouw nam en door zijn tegenwoordigheid den moed verlevendigde. Nog zou echter misschien alles vergeefsch zijn geweest, indien niet een stormwind uit het noordwesten, gepaard aan een springvloed, het water op de volgende dagen met kracht had voortgedreven en als daarop door het keeren van den wind van het noorden naar het zuiden de watermassa den kant van Rijnland niet was opgestuwd.
Op den 1enOctober steeg het water, van 9 op 28 centimeter en hoewel zich ook toen nog allerlei bezwaren voordeden, was toch de stad gered. Want de vijand, bevreesd voor het opkomende water, verliet de schansen en de forten en vluchtte naar den Haag. Valdez besefte, dat de oogen van Europa op hem waren gevestigd. Hij liet een Latijnschen afscheidsgroet te Leiderdorp achter, luidende: “Vale civitas, valete castelli parvi, qui relicti estis propter aquam et non per vim inimicorum.” (Vaarwel, o stad, vaartwel kleine kasteelen, die verlaten wordt niet door de kracht der vijanden, maar door het water).
Dederde October, toen de stad ontzet werd en de bijna doodgehongerdemenigte aanviel op de spijzen, die Boisots vaartuigen medebrachten, viel op een Zondag. De Prins bevond zich in de Waalsche kerk, toen hij de blijde tijding ontving, terwijl zijn gedachten waarschijnlijk meer bij Boisot en in Leiden waren dan bij de preek. Na afloop van deze liet de Prins den predikant de heugelijke tijding aan de gemeente voorlezen. Toen stroomde de geheele bevolking naar de kerken, gelijk ook de Leidenaars op dien gedenkwaardigen dag deden, om God te danken voor de verlossing der stad, de voorbode van de bevrijding van het land.
Op den volgenden dag schreef Oranje een dankbaar briefje aan zijn broeder Jan, om hem deelgenoot te maken van de gewichtige gebeurtenis en toen ging hij, niettegenstaande de waarschuwingen, dat hij te zwak was, om zich bloot te stellen aan de zoo zeer vergiftigde atmosfeer te Leiden, naar de bevrijde stad, om haar in persoon te begroeten en te danken voor haar volharding. Hij nam zijn intrek ten huize van Dirk Jacobus van Montfoort, een aanzienlijk man, doch geen lid der regeering en bleef er tien dagen vertoeven. Een zijner voornaamste werkzaamheden gedurende dien tijd was de regeeringsverandering, waaraan dringend behoefte bestond, want tijdens het beleg was het gebleken, dat er in de vroedschap verscheidene mannen waren, die de burgerij zeer slecht hadden vertegenwoordigd. Wel was die verandering in strijd met de privilegiën der stad—want de vroedschap bestond uit 40 onafzetbare mannen, die zelf burgemeesters en schepenen benoemden. Doch volgens de getuigenis van de aanzienlijkste personen der stad, moest de Prins met gezag doortasten en de slechte elementen verwijderen. Er waren er zelfs, die beweerden, dat hij niet ver genoeg met de zuivering was gegaan.
“Doch zoo was,” zegt Fruin, “Prins Willem gewoon te handelen; hij maakte zich het regeeren niet gemakkelijk, door elken tegenstand voor goed te breken; hij behielp zich met hetgeen hij vond en veranderde slechts als het onvermijdelijk was en dan nog niet meer dan het dringend noodige. Van alle dwingelandij, met welk goed doel ook, was hij afkeerig. Hij had behoefte aan medewerking, niet aan blinde gehoorzaamheid.”
Behalve persoonlijke geschenken aan de verdienstelijkste mannen, die hadden meegewerkt aan het ontzet van Leiden, ontving de stad zelf voor haar trouw en standvastigheid, twee giften van groote waarde. Allereerst de vergunning om jaarlijks een tiendaagsche jaarmarkt te houden, vrij van alle tollen en lasten. Nog veel grooter gift was de stichting van de Universiteit—de eerste Protestantsche hoogeschool op Nederlandschen grond. Reeds op 8 Febr. 1575 werden de professoren van deze nieuwe instelling ingewijd met ceremoniën en allegorische voorstellingen, waarop de Nederlanders steeds zóózeer waren gesteld, dat geen ellende noch jammer hun lust tot zulk een vertooning ooit kon uitdooven.
De nieuwe Universiteit werd begiftigd met inkomsten, voornamelijk voortvloeiende uit de oude abdij van Egmond. Motley zegt terecht, dat de acte van instelling een der meest ironische gedenkstukken is. De fictie toch van ’s konings souvereiniteit werd er in gehandhaafd en de meest katholieke vorst der wereld werd daarin gezegd, deze protestantsche academie te vestigen als een belooning aan Leiden voor zijn opstand tegen hem. Ook ontbrak daarin niet de oude formule “onze waarde neef” Willem, Prins van Oranje, met wien de koning wordt voorgesteldals na rijp beraad tot de oprichting van die hoogeschool besloten te hebben.
Inderdaad, al werd die plechtige vestiging in naam van den koning van Spanje door den Prins van Oranje volstrekt niet ironisch bedoeld, al meende de stichter dier Universiteit, door den naam Filips te noemen, alleen de tol der hulde te betalen van den vasal aan den souverein, wij, die de geschiedenis kennen, wij, die weten, hoe het ontzet van Leiden de grondslag is geworden van de geheele bevrijding van ons land; wij, die den loop dier glorievolle instelling kennen, die de eeuwen door de bakermat is geweest van alle waarachtige vrijheid—wij kunnen in die acte slechts de ironie der geschiedenis zien, de goddelijke ironie, die zoo vaak in de wereldgeschiedenis terugkeert, zoo dikwijls geheel tegen de bedoeling in van onverstand, domheid, bijgeloof en onderdrukking, ja juist door het verzet van die vereende booze krachten, de vrijheid van individuen en volken gaat bloeien.
Wij kunnen dan ook niet anders dan te dezer plaatse in de geschiedenis van den Prins, hem, al is onze bedoeling niet, een lofrede op hem te schrijven, de volle hulde brengen van ons volk, dat zijn groote mannen niet wil vergeten.
Wij begrijpen ten volle, dat Oranje het mikpunt is geweest en tot heden gebleven van den haat en den laster van de vijanden onzer vrijheid, want zonder hem was zij niet veroverd. Doch wat men ook tot eer van de tallooze vergeten weldoeners der menschheid moge zeggen, hoe men de keten van oorzaak en gevolg ook verbreekt, als men aan de groote mannen alleen den loop der wereldgeschiedenis toeschrijft; welke verborgen krachten er toch misschien ook in het samenstel der maatschappij mochten geweest zijn, die langs anderen weg tot hetzelfde resultaat gevoerd zouden hebben, bij afwezigheid dier helden; wie zal niet ten volle erkennen, dat nooit meer dan in de dagen van Leidens beleg alle geestkracht van het volk belichaamd is geweest in den grooten Zwijger? Wie zal dit ontkennen? Zij b.v. die de belangrijke gebeurtenissen van 1574, die Leiden betroffen, samenvatten in een halve bladzijde druks en niet eens den naam noemen van den Prins, die van allen en alles de ziel was.
Men kan den grooten keer niet ontkennen, die door de mislukking van Leidens beleg de gebeurtenissen ten bate van de opgestane gewesten genomen heeft. “In drie maanden hadden de Spanjaarden te midden van de Hollandsche moerassen bij de 700 stukken geschut gelaten. Ze hadden bijna geene kanonnen meer.... Al wat den trots der overwinnaars op de Mookerhei en der belegeraars voor den geest riep, verdween voor de schansen van Leiden.” Doch met geen enkel woord wordt de man herdacht op die bladzijde, aan wien dat alles te danken of (volgens hun meening) te wijten was. Waar het wapen van den laster niet kan gehanteerd, daar moet de held dier tijden worden doodgezwegen. Alsof de steenen van de ontzette stad niet spraken! Alsof de keten der gebeurtenissen niet zou zijn verbroken, als de schakel van den persoon van Oranje daaruit was weggenomen!
Hoe kort was het nog geleden, dat hij al zijn hoop op de komst van Lodewijk had gevestigd. En toen het eindelijk zekerheid voor hem was geworden, dat Lodewijk nimmer zou wederkeeren, toen raapte hij, in plaats van land en volk nu over te geven aan den vijand, alle geestkracht, die nog in hem was gebleven, tezamen en smeedde bij vernieuwing daaruit een wapen, dat den Spanjaard te machtig was.
Al werd hij ook op het ziekbed geworpen ten gevolge van alle teleurstelling en overspanning, een enkel bericht, dat de stad het nog hield, was in staat hem weer nieuwe krachten te schenken. Opgestaan van een ziekbed, dat bijna zijn sterfbed werd, en zelf slechts langzaam in krachten toenemende, wist hij de flauwhartigen bij vernieuwing te bezielen, de moedeloozen te steunen, de kleingeestigen te sterken. Uit zwakheid putte hij kracht en hij ondervond de waarheid van het oude, schoone woord omtrent de waarlijk godsdienstigen, dat zij telkens hun kracht vernieuwen en opvaren met vleugelen, gelijk de arenden, loopen en niet moede worden, wandelen en niet mat worden.
1Zie kaartje, overgenomen uit het Tijdschrift voor Geschiedenis, Land- en Volkenkunde, ons door den ontwerper, den Heer D. Ritman, welwillend afgestaan.
1Zie kaartje, overgenomen uit het Tijdschrift voor Geschiedenis, Land- en Volkenkunde, ons door den ontwerper, den Heer D. Ritman, welwillend afgestaan.