Hoofdstuk XXXIV.De Prins vermoord. 1584.Gedurende de maanden, die sedert den vergeefschen moordaanslag van Jaureguy waren verloopen, werden nog verschillende dergelijke beproefd en was de prijs, op het hoofd van Oranje gesteld, niet vergeten. De samenzwering van Juan de Salcedo en Francesco de Basa werd vermeld. In denzelfden zomer van 1582, ging een zekere Pedro Ordono, een Spanjaard, die in de Nederlanden had gediend en den weg in het land kende, naar Lissabon (toen Spaansch), met het bepaalde doel, Filips te bezoeken en nader met hem de voorwaarden te bespreken, waarop hij dien moord zou voltrekken. Met beide handen werd dit voorstel aangenomen. Don Jean de Idiaquez, Secretaris van Staat, voorzag Ordono van 600 kronen, om de uitgaaf zijner reis te bekostigen en stelde hem tevens een brief aan Parma ter hand. Op zijn reis naar de Nederlanden, schreef Ordono aan Filips, dat hij op ’t punt was, van Grevelingen naar Antwerpen te gaan en dat hij die plaats niet zou verlaten, voor het plan was volvoerd. Die bewering kwam in zoover uit, dat hij Antwerpen niet meer verliet, doch de daad bleef onvoltrokken. De samenzwering werd op den 2enMaart 1583 ontdekt en den volgenden dag werd hij onthoofd. “Ik zag hem in de gevangenis,” schrijft Le Petit, “maar ik heb nooit iemand zoo kleinmoedig gezien voor zulk een groote onderneming.”Ook wordt verhaald van een koopman uit Vlissingen, een zekeren Hans Hanszoon, die een buskruitverraad tegen den Prins smeedde. Het werd ontdekt en de man ter dood gebracht.In 1583 vatten vier Spaansche officieren, die om eerekrenking tot Oranje waren overgegaan, het plan op om zich door een bijzonderen dienst in de gunst van den koning te herstellen. Over dit plan schreef Tassis in den breede aan Parma. Alles scheen goed in gang te zijn, toen het plotseling werd opgegeven.In April 1584 werd een Fransch officier, een zekere Get of Got, door MarkiesRoubaix, toen te Eeclo in het kamp, gevat. Het was niet de eerste keer, dat kapitein Get in handen van den vijand was gevallen. Bij de laatste gelegenheid had hij zich zwemmende gered. Hij was bevreesd, dat dit feit zwaar zou wegen en dat hij misschien in strenge gevangenschap zou worden gehouden. Daarom deelde hij aan Roubaix mede, dat hij elken dienst, die deze van hem vragen zou, zoo mogelijk, wilde volbrengen. De markies deed hem toen verschillende voorstellen, die Get echter niet aandurfde. Toen vroeg hij hem, of hij den Prins van Oranje niet uit den weg wilde ruimen. Daartoe meende de kapitein in staat te zijn en hij beschouwde vergif als het beste wapen, daar hij den hofmeester van den Prins kende en toegang kon krijgen tot de keuken.Roubaix geloofde niet aan het succes van dit plan, want, al was hij in de keuken, hij kon niet weten, welke spijs de Prins aan tafel zou kiezen. Maar Get stelde hem gerust. De Prins hield bijzonder veel van een zekere palingsoep, die in een kleinen pot gekookt werd, waarvan de deksel doorboord was, om den stoom te doen ontsnappen. Aan die bijzonderheid bemerkte Roubaix, dat de man goed op de hoogte van de keuken was. Daarop vroeg hij hem, wat hem bewoog tot dat verraad, als hij op zoo goeden voet met den Prins was. Get antwoordde dat de Franschen in Vlaanderen gehaat werden en dat ieder ze verraders noemde. Hij was arm en hij had gehoord, dat de koning van Spanje ieder, die hem verloste van zijn aartsvijand, rijk zou maken. Parma stelde niet veel geloof in de waarheid van Gets beweringen. Hij meende, dat het hem alleen te doen was, om vrij te komen; maar aan Roubaix gaf hij den raad, zijn eigen meening in dezen te volgen. Get werd losgelaten, ging onmiddellijk naar den Prins en beroemde er zich op, dat hij aan alle verleiding, om hem een valsch spel te spelen, weerstand had geboden.Al deze would-be moordenaars werden gedreven door motieven van eigenbelang, hetzij om Filips’ bescherming te winnen, hetzij om hun verloren goeden naam te herstellen, daarbij vooral geprikkeld door ’t uitzicht op de geldelijke belooning. Doch geen dezer beweegredenen bleken machtig genoeg, om het plan ten uitvoer te brengen. Anastro had behoefte aan den prijs; doch zijn leven was hem kostbaarder dan geld, terwijl zijn helper zijn voorstel aannam, niet ter wille van het goud, maar omdat hij eerlijk geloofde, dat hij een van God gezegend werk ging verrichten. Alleen een man, beheerscht door een gedachte, die zijn eigen persoonlijkheid geheel in de schaduw stelde, kon moed genoeg hebben, zich zelf aan zulk een gevaarlijke onderneming te wagen. De daad kon alleen voltrokken worden door een fanatiek persoon. Zulk een kwam in 1584 op het tooneel.Balthasar Gérard was geboren in het jaar 1557 te Wilafans les Ornans, een dorpje in Bourgondië. Hij was het kind van Jean Gérard en een zekere Barbara d’Emskercke, welke laatste van Antwerpen was en misschien uit Holland afkomstig. De geheele familie was met hart en ziel aan het katholiek geloof en aan den koning gehecht. Balthasar was van zijn vroegste jaren af een godsdienstige dweper. Volgens Renon de France toonde hij reeds in zijn jeugd, hoe een denkbeeld zijn geheele ziel in bezit kon nemen. Hij zou op twaalfjarigen leeftijd, toen hij zijn oudershoorde spreken van het kwaad, door de Nederlandsche Geuzen gesticht, reeds stoutweg verklaard hebben, dat hij den man wilde dooden, die zooveel kwaad had veroorzaakt.In 1577 was hij in huis bij een zekeren Jean Villaix te Dôle, toen hij van de scheuring in het land na de Pacificatie van Gent en de komst van Don Juan hoorde. Hij beschouwde den Prins van Oranje als het grootste struikelblok om tot de bevrediging te komen en in woede tegen hem ontstoken, nam hij een dolk en slingerde dien met alle macht tegen een deur, onder den uitroep: “Ik wenschte wel, dat die steek het hart van den Prins van Oranje had geraakt.”Een ooggetuige, een zekere Ponthier, berispte hem daarover in allen ernst. Het was zijn zaak niet, vorsten te bedreigen of te dooden, en naar dien raad hoorde hij tijdelijk en liet voorloopig alles over aan het bestuur van God en Zijne Majesteit. Toen hij echter drie jaar later hoorde van het doodvonnis, door den koning in den vorm van den ban over Oranje uitgesproken, en toen de uitvoering van des konings wil scheen te vertragen, verliet hij Bourgondië met het vaste voornemen, het moordplan te volvoeren.In Maart 1582 te Luxemburg komende, hoorde hij van den aanslag van Jaureguy en meenende, dat de dood was gevolgd, dankte hij God, dat hij hem had behoed tegen blootstelling aan zulk een gevaar. Zoo zeker waren de geruchten van den dood van den Prins, dat Gérard zich geheel verlicht gevoelde. Hij trad toen in dienst bij een zekeren Jean Dupré, zijn eigen neef, die secretaris was van Mansfelt, toen ter tijd gouverneur van Luxemburg en maarschalk-generaal van Filips’ leger. Toen de tijding van Oranje’s herstel Gérard bereikte, besloot hij zelf de onvoltooide taak te vervullen. Hij kwam toen op het denkbeeld, om van Manfelts handteekening en zegels, waarvan hij in rood lak tal van afdrukken bezat, gebruik te maken, om door middel daarvan het vertrouwen van Oranje te kunnen winnen.In Juni 1583 verliet hij Dupré en was op het punt, Luxemburg te verlaten, toen zijn meester voor een som van 450 kronen bestolen werd. Vreezende dat zijn heengaan hem van dien diefstal zou doen verdenken, stelde Gérard zijn vertrek een poos uit. Het verloren geld werd teruggevonden. Een ziekte van Dupré hield hem nog enkele weken terug van zijn reis, zoodat hij niet voor Maart 1584 met zijn plan kon beginnen. Aan Dupré vertelde hij, dat hij naar Spanje ging, waarvan deze hem trachtte terug te houden. Zij zeiden elkander vaarwel en Gérard ging zijn gekozen missie vervullen.Ten einde niets te doen in het nadeel van den koning en ook om zijn eigen gemoedsbezwaren te bestrijden, ging hij eerst naar Trier, waar hij zijn voornemen aan een lid van de Jezuïetenorde te kennen gaf. Hij liet hem de zegels zien en verzocht hem het geheim tot na Paschen te bewaren en het dan aan Graaf Mansfelt mee te deelen. In hoever het waar is, dat deze Jezuïet de onderneming van Gérard eerst afkeurde, maar hem daarna toch zijn voorbidding had beloofd en hem toegezegd, dat hij zou opgenomen worden onder de martelaars der kerk, zoo zijn opzet zijn eigen dood zou tengevolge hebben, is moeilijk met juistheid te zeggen. In de confessie van den moordenaar beweert hij zelf, dat de Jezuïet hemte Trier den moord had ontraden wegens de gezegelde bladen van Mansfelt.De verschillende verhalen van beide zijden aanstonds ontstaan zijn buiten quaestie partijdig opgesteld. Doch zooveel blijkt er volgens Fruin stellig wel uit, dat zoowel de Jezuïet te Trier, als de geestelijke te Doornik, aan wien later nog het plan werd meegedeeld, bezwaar begonnen te maken wegens bijkomende omstandigheden, doch ze zijn beiden geëindigd met den moordenaar te zegenen en hem hun voorbidding te beloven.Toch schijnt de fanatieke man zich niet gerust te hebben gevoeld over de goedkeuring der geestelijkheid. Althans hij trachtte in Doornik Parma zelf in zijn vertrouwen te nemen. Op 21 Maart kreeg hij bij dezen audiëntie en gaf hem een geschreven document over, waarin hij aan den landvoogd zijn voornemen meedeelde. Parma meende op het eerste gezicht, dat Gérard een te onbeteekenend man was, om zulk een plan te volvoeren. Toch gaf hij den raadsheer Assonleville last, den man verder te onderzoeken en te zien, wat hij met hem kon doen. Met dezen behandelde Gérard de bijzonderheden van zijn plan en besprak de manier, waarop van Mansfelts zegels zonder ernstige gevolgen gebruik gemaakt zou kunnen worden. Ook verzocht hij hem om Parma’s bemiddeling bij den Paus, ten einde absolutie voor zijn misdaad te verkrijgen. Met die misdaad bedoelde hij niet den moord, maar den geveinsden omgang, dien hij, om zijn doel te bereiken, noodzakelijk met ketters en atheïsten hebben moest en het tijdelijk aannemen van hunne gewoonten.Parma bleef trots de voorspraak van Assonleville weinig om den man geven. Hij weigerde zelfs de 100 kronen, die hem gevraagd werden. Reeds zoo menigmaal was hij onder hetzelfde voorwendsel bedrogen. Assonleville voorspelde den man weinig succes op zijn daad en weinig kans, zijn leven te behouden. De eenige aanmoediging, die hij hem gaf, was de waarborg in Parma’s naam, dat de belooning in den ban vermeld, hem of zijnen erfgenamen zou worden uitgekeerd, als hij slaagde. “Ga, mijn zoon en indien gij de taak volbrengt, zal de koning al zijn beloften vervullen en gij zult onsterfelijken roem inoogsten.”Gérard reisde van Doornik naar Delft; bijzonderheden op die reis voorgevallen zijn onbekend. In het begin van Mei 1584 bereikte hij Delft, waar de Prins geheel veilig scheen te zijn in het hart van Holland. Geen plaats scheen minder gevaarlijk voor ’t leven van Oranje, dan die oude, merkwaardige Hollandsche stad. Antwerpen was een kosmopolitische plaats, waar van alle oorden der wereld kooplieden en zeelieden elkander verdrongen en waar een sluipmoordenaar veel gemakkelijker zijn doel kon bereiken, zonder ontdekt te worden. Delft daarentegen, het kleine stadje, waar nagenoeg geen vreemdelingen kwamen, was er als het ware geheel op ingericht, om den Prins in zijn hoogst eenvoudige woning, het oude St. Agatha-klooster, te midden der zijnen levende, een zoo groot mogelijke veiligheid te verzekeren.Doch voor een geboren verrader en bedrieger, voor een man zoo volleerd door jarenlange oefening, voor een virtuoos in de kunst van huichelen, was het zoo moeilijk niet, om zelfs in dien kleinen, huiselijken en trouwen kring zijn opzet te volvoeren. Hij wist zich namelijk onder den valschen naam van François Guyontoegang te verschaffen tot den hofprediker van den Prins, de Villiers, terwijl hij zich aanstelde als een Hugenoot, die ter wille van het geloof werd vervolgd. Hij deed een verhaal van een vervolgziek priester, die hem het leven ondragelijk gemaakt had en schreef, door de Villiers geholpen, den volgenden merkwaardigen brief aan Prins Willem, om zich in de gunst aan te bevelen van hem, wien hij het moordend lood in het hart zou jagen. De brief luidt aldus:Doorluchtige Heer!“Aangezien de rede, gepaard aan het geloof en de gerechtigheid van God, aan zijn uitverkorenen gegeven is om hen boven alle andere schepselen te verheffen; zoo is waarlijk een iegelijk mensch, met deze genade toegerust ondankbaar als hij ze ongebruikt laat. En daar het den Heer heeft behaagd, door zijn oneindige goedheid mij uit zoovele andere te verkiezen, om Hem te dienen, zoo kan ik niet anders (inzonderheid in dezen alleszins rampzaligen tijd) dan mij metterdaad aangorden, om met de overige leden van zijne strijdende kerk (gelijk alle trouwe Evangeliedienaren verschuldigd zijn te doen) de moedige voornemens van Uwe Exc. te dienen en op alle mogelijke wijzen bij te staan. Zij toch draagt als hoofd en voorname beschermer sedert zoo langen tijd bijna al de moeiten en zorgen van ’s Heeren strijd; ook komen er nog andere redenen bij, die er mij toe bewegen, welke ik hier zal verzwijgen, om Uwe Exc. niet te vermoeien. Ik durf niet zonder Haar bevel de oorzaak melden van mijn komst herwaarts, weshalve ik Haar allernederigst smeek, dat Zij Haar Secretaris of eenigen anderen vertrouwde gelieve te gelasten, mij te hooren, te zien wat er van is en daarvan dan rapport te doen aan Uwe Exc, opdat zij er van gediend moge zijn, zoo het Haar goeddunkt.“Ik verzeker Uwe Exc. dat, zoo ik bij machte ware geweest iets beters tot Haar dienst uit te richten, ik mij daartoe zeer gaarne zou bemoeid hebben; want met geen ander doel heb ik zooveel wisselvalligheden en gevaren ondergaan. Ook hoop ik, dat het Haar welbehagen, waarom ik onderdanig bid, moge wezen mij toe te staan, van nu voortaan onder Haar overigheid den Heer zonder vrees des doods te dienen, daar in het land van mijn geboorte, als zulk een genade niet waardig, die vrijheid mij is benomen, ofschoon zij van Christus door het storten van zijn kostelijk bloed aan alle geloovigen is gegeven. Ik zal mij bevlijtigen, door mijn zeer nederige diensten mij de gunst waardig te maken, die het Uwe Exc. zal behagen mij daartoe te verleenen. Waarmee, Doorluchtige Heer, ik Gode bid, dat Hij Uwe Exc. in volmaakte gezondheid een lang en gelukkig leven schenke.Uit de stad van Delft, 6 Mei 1584.Van Uwe Exc. de zeer nederige en toegenegen dienaar voor altijdFrançois Guyon.”Had Fruin geen recht, om van dien brief te schrijven: “Mij dunkt, indien er ooit weer sprake mocht zijn om Gérard tot heilige te verheffen, dan zal de advocaat van den duivel kunnen volstaan met dezen brief over te leggen. Zoo deze niet voldoende is, om den man, die hem schreef, tot geboren verrader en bedrieger te stempelen, faalt mijn oordeel niet alleen, maar ook mijn zedelijk gevoel.”Eerst verwaardigde de Prins zich niet te antwoorden. Doch Gérard bleef met volharding op zijn verzoek aandringen en na eenige dagen werd de Villiers tot hem gezonden, ten einde hem eene audientie te verleenen.Gérard was een kleine, magere figuur met een dik en leelijk gezicht; onbeduidendheid teekende zijn geheele verschijning. Parma had het voor onmogelijk gehouden, dat zulk een kerel eenige moedige daad zou kunnen verrichten. Maar juist die ellendige verschijning deed zijn verhaal van vervolging te Delft geloofwaardig voorkomen. Het was met de grootste zorg door hem samengesteld. Elke bijzonderheid daarvan was zoo lang door hem overwogen, dat hij het nu heel natuurlijk en overtuigend kon vertellen.Hij was—zoo beweerde hij—uit Besançon geboortig en heette François Guyon. Zijn ouders, beiden Hugenoten, waren om hun godsdienst uit hun plaats verbannen. Later naar Besançon teruggekeerd, op beter tijden hopende, werden ze tegelijk met andere arme ballingen, die in Juni 1575 in die stad waren verrast, ter dood gebracht. Hij, François, had van de Papisten allerlei beleedigingen moeten verdragen, omdat hij volhardde in het verboden geloof en daarom besloot hij elders een toevluchtsoord te zoeken, waar hij God naar zijn geweten kon dienen. Twee jaar te voren was hij in Luxemburg aangekomen, op zijn reis naar den Prins; daar was hij ziek geworden en door zwakheid en armoede verhinderd zijn reis te vervolgen. Hij trad toen in dienst bij zijn neef Dupré, secretaris van Mansfelt. “Daar het mij echter voorkwam, dat geheime godsvereering den Heer zou mishagen en ik vreesde, dat mij dientengevolge iets kwaads zou overkomen, verliet ik mijn meester, na eerst afdrukken van de zegels van graaf Mansfelt genomen te hebben.”Er was namelijk in Mansfelts dienst een zekere priester uit Brussel, die argwaan koesterde omtrent zijn waarneming van katholieke kerkgebruiken, en om te ontsnappen, had hij toen voorgewend naar Trier te gaan, om met Paschen zijn communie te houden. De priester volgde hem daarheen, was achter de waarheid gekomen en had getracht, zich van zijn persoon meester te maken. Gérard had zich tegen dien man verdedigd, vluchtte uit Trier en was zoo in Holland gekomen. Hij was in staat, den Prins belangrijke diensten te bewijzen en om de waarheid zijner woorden te bevestigen, haalde hij een pak met Mansfelts zegels uit zijn mouw.Ziedaar zijn verdichte geschiedenis; alles valsch, uitgezonderd het feit van zijn dienst bij Dupré en zijn reis naar Trier. Hij had zich dat verhaal zoo eigen gemaakt en zoo met plaatselijke tinten opgesierd, dat hij in ’t minst niet in tegenspraak met zich zelven kwam en het voor zuivere waarheid werd aangenomen.De Prins stelde wel belang in hetgeen de Villiers vertelde, maar zag niet in wat hij persoonlijk aan de zegels van Mansfelt had. Toch kon maarschalk de Biron,die gouverneur van Kamerijk was geworden, er misschien van gebruik maken, om paspoorten te geven. Vandaar, dat Oranje Noel de Caron, gezant van de Staten-Generaal in Frankrijk, opdroeg, om den gewaanden Guyon in zijn gevolg te nemen, die dan aan Biron de zegels zou kunnen overhandigen. Dit strookte echter niet met Gérards plannen; hij moest in Holland blijven. Toch ging hij mee, om argwaan te voorkomen, maar trachtte door twist met de bedienden van Caron te zoeken, gedaan te krijgen, dat hij naar Holland werd teruggezonden. Toen stierf juist Anjou te Château-Thierry en dit gaf Gérard aanleiding zijn patroon te vragen, hem als overbrenger van de doodstijding naar den Prins af te vaardigen. Dat werd toegestaan en toen haastte hij zich, naar Delft terug te keeren, hopende dat thans de lang gezochte gelegenheid zich zou aanbieden, om zijn opzet te volvoeren. Hij kwam aan het Prinsenhof, gaf de depêches voor den Prins over, die, hoewel nog op zijn slaapkamer, onmiddellijk verlangde, nadere bijzonderheden omtrent Anjou’s dood uit den mond van den bode zelf te vernemen.Later verklaarde Gérard, dat hij toen tot zijn spijt ongewapend was. Hij moest een gelegener oogenblik afwachten, als hem de opdracht zou worden gedaan, het antwoord van den Prins aan Caron te brengen. Ondertusschen bleef hij in Delft en speelde zoo goed zijn rol als Calvinist, dat niemand den minsten argwaan koesterde. Hij bracht zijn tijd door met naar de kerk te gaan en te bidden; nooit werd hij gezien zonder psalm- of gebedenboek. Men vond later twee boeken in zijn bezit, een van den Hugenootschen dichter Bartas en een van Beza. Aan den concierge van het Prinsenhof vroeg hij een bijbel ter leen en wist zich op die wijze bij verschillende leden van de gemeente in te dringen, die hem allen voor een oprechten Calvinist aanzagen.Toen hem nu gevraagd werd, met het antwoord aan Caron naar Frankrijk terug te gaan, wendde hij, terwijl hij bezig was de uitgangen van het Prinsenhof op te nemen, groote armoede voor en liet als bewijs daarvan zijn oude schoenen zien. Oranje liet hem daarop op 8 Juli een som gelds ter hand stellen. Van dat geld kocht hij van een soldaat van de lijfwacht, Réné genaamd, eenpistool; doch daar hem bij onderzoek bleek, dat dit ketste, kocht hij nog twee andere pistolen van den onderofficier de la Forest, die in de compagnie van kapitein Caulier diende. Daarmee oefende hij zich een paar malen; hij trachtte zich toen van kettingkogels te voorzien en had nog ruzie met een soldaat van de garde, die ze weigerde voor hem te maken. Met een en ander ging Maandag de 9eJuli voorbij. Den volgenden dag zou hij de aanslag doen.Geheel onbewust van het gevaar, dat hem bedreigde, volgde de Prins dezelfde gewoonten als altijd. Wel was hij vol angst en zorg in die dagen, maar vrees voor eigen persoonlijke veiligheid kwelde hem niet. Vooral Vlaanderen bekommerde hem zeer; Gent was het tooneel van een strijd, zooals de woelige stad nog nimmer had beleefd. Door Parma hoe langer hoe meer ingesloten, was er een Spaansche en anti-Spaansche partij in de stad zelve en Hembyze stond aan het hoofd der eerstgenoemde. Wel werd deze in den loop van den zomer van verraad beschuldigd en ter dood gebracht, maar in September moest de stad voor Parma bukken.Ook Antwerpen werd reeds in den zomer van 1584 bedreigd. Het fortLiefkenshoek, dat door de Staten tot bescherming van Antwerpen gebouwd werd, viel op den dag van den moord van Oranje in Parma’s handen. Dat de Prins zich dus in die dagen bezighield met overleg omtrent nieuwe plannen, om Vlaanderen en Brabant te hulp te komen, behoeft geen nadere aanwijzing. Daarbij zagen wij, hoe Oranje in die laatste maanden van zijn leven, met de Staten van Holland over zijn verheffing tot het graafschap onderhandelde. Wat zijn briefwisseling aangaat, de laatste brieven, die hij schreef, en ons althans bekend zijn, waren gericht aan Catharina de Medicis en aan Koning Hendrik III van Frankrijk; het waren condoleantiebrieven, naar aanleiding van den dood van Anjou. Die dood was ongetwijfeld voor den Prins een groote misrekening en zeker zijn de zestien dagen, die nog verloopen zouden voor zijn eigen sterven, dagen geweest van groote bekommering over de vraag, wat thans te doen, nu het met de Fransche alliantie gedaan scheen.In Mei of Juni schijnt de Prins er over gedacht te hebben, zijn uitersten wil te maken en hij raadpleegde verschillende personen daarover, maar het kwam niet tot de daad. Mogelijk dacht hij wel, dat het kon wachten, totdat de zaak van het graafschap geregeld zou zijn.Gérard was voldoende bekend geworden met de inrichting en gewoonten van het huishouden van Oranje; hij kende de uren van de maaltijden en derhalve de oogenblikken, waarop de Prins de gangen van het Prinsenhof doorging. Op dien Dinsdag, den 10enJuli, wachtte hij aan den voet van de trap het oogenblik af, waarop de familie tusschen twaalf en een uur aan den maaltijd zou gaan. Toen de Prins hem voorbij ging, vroeg Gérard hem om zijn paspoort. Louise de Coligny hoorde die vraag en zag den man in het gelaat; ze ontving daarvan zulk een ongunstigen indruk, dat ze haar echtgenoot nog waarschuwde en vroeg, wie hij was. Niets kwaads vermoedende, antwoordde hij, dat die man een depêche moest overbrengen en hij gaf bevel, hem zijn paspoort gereed te maken. Toen ging het gezin aan den maaltijd. Die oogenblikken gebruikte de moordenaar om zijn pistolen te gaan halen; het een laadde hij met twee, het ander met drie kogels. Een paar minuten later had hem iemand uit de stallen zien komen. Hij keerde terug, plaatste zich bij de deur der eetkamer, tegen een pilaar leunende. De beide pistolen waren in zijn gordel aan den linkerkant gestoken en zijn mantel, die naar beneden hing, bedekte ze.Oranje had aan tafel den burgemeester van Leeuwarden, Rombert Uylenburgh, bij zich. Die moest verschillende zaken van Friesland met hem bespreken. Hij was dien dag de eenige vreemdeling. De Prinses van Oranje, de zuster van den Prins, gravin Schwarzburg en drie dochters van Oranje maakten deel uit van het gezelschap. De belangen van Friesland waren bovenal het punt van gesprek geweest gedurende den maaltijd. Toen zij ongeveer één uur des namiddags van tafel opstonden, kwamen kolonel Morgan, een Engelschman en een paar andere menschen binnen. Oranje sprak eenige woorden met den kolonel en ging met Uylenburgh de kamer uit. Nauwelijks was hij buiten de deur, of de moordenaar kwam te voorschijn en terwijl hij hem herinnerde aan zijn verzoek, schoot hij het pistool af, welks kogel Oranje de borst doorboorde.Weinig oogenblikken daarna gaf hij den geest. De laatste woorden, die hij sprak, waren een bewijs van zijn innige godsvrucht, zoowel als van zijn liefde tot het vaderland. Die woorden: “Mon Dieu, mon Dieu, ayez pitié de moi et de mon pauvre peuple!” zijn een dierbare nalatenschap voor het Nederlandsche volk. Aan de echtheid dier woorden valt niet te twijfelen. Wel kan men van de eerste verhalen af, die van den moord van den Zwijger zijn gegeven, den invloed ontdekken van den geest der schrijvers, die dien moord verhaalden.Men heeft n.l. beweerd dat de Prins zou gestorven zijn, zonder iets te zeggen. Zelfs een later bewerker van een oud verhaal van een Delftsch katholiek schreef: “De Prins is terstond neergevallen en heeft niet langer dan den tijd van een paternoster zijn lippen een weinig geroerd, alzoo zijn oproerig leven met een onzaligen dood besluitende.”Volgens Fruin mag echter het Nederlandsche volk zich die laatste woorden door geen onrechtmatigen twijfel laten betwisten en bestaat er geen grond om aan de echtheid daarvan te twijfelen. De lijkschouwing heeft geleerd, dat de Prins niet in het hart getroffen en dus niet onmiddellijk is gestorven. Behalve de heer van Malderé, zijn stalmeester, die den doodelijk gewonde in zijn armen opving was ook de Leeuwarder burgemeester van Uylenburgh bij het sterven tegenwoordig; deze schreef op denzelfden 10enJuli een brief aan de magistraat te Leeuwarden met bijzonderheden over den moord. De algemeene mare, dat de Prins de schoone woorden gesproken had, bestond van het eerste oogenblik af. Vosberghen, die op denzelfden dag aan de regeering te Veere schreef, verhaalt, dat de Prins zei: “Mon Dieu, mon Dieu, ayez pitié de moi et du pauvre peuple,” terwijl de oudste verhalen ze eveneens vermelden. “Zelden,” zegt Fruin, “treft men ten opzichte van eenig woord zulk een eenstemmigheid aan.”De moordenaar had, al was hij ten volle bereid zijn daad met den dood te boeten, niets verzuimd, om te kunnen ontsnappen, indien hem de gelegenheid was geboden. Hij was geheel op de hoogte van de lokaliteit. Hij had twee blazen en een buis bij zich, om die op te blazen, waarvan hij gebruik hoopte te maken om de grachten achter het oude klooster over te zwemmen. Vlak buiten de stad stond een paard, geheel gezadeld, gereed op hem te wachten. Zoodra hij geschoten had, sprong hij de vier treden van den ingang tot het plein ineens af en verloor in die haast zijn tweede pistool. Hij kwam nog door de stallen en had juist de kleine laan, nu de schoolstraat genoemd, die naar den wal leidde, bereikt, toen hij struikelde en viel. Toch gelukte het hem, den top van den walmuur te bereiken en was hij op het punt in de gracht te springen, toen een lakei en een hellebaardier hem beetgrepen. Een van dezen riep: “Jij schavuit!”—“Ik ben geen schavuit,” hernam hij, “ik heb alleen des konings bevelen gehoorzaamd.”—“Van welken koning?”—“Van den koning van Spanje, mijn meester!” Ze brachten hem terug naar het Prinsenhof en daar in de deurwachterskamer binnengebracht, vroeg hij papier en inkt en schreef zijn confessie. Die confessie is eeuwenlang verloren geweest, doch eerst in een afschrift in 1852, later als origineel in 1862 teruggevonden, tegelijk met de oorspronkelijke verhooren.De tegenwoordigheid van geest van den moordenaar was verbazend. In dit document vertelde hij de geheele waarheid wat hem zelf aanging, maar gaf geen aanleiding om te doen meenen, dat Parma hem had gemachtigd; en evenmin maakte hij er gewag van, dat de Jezuïet te Trier en de geestelijke te Doornik zijn plan hadden goedgekeurd. Hij toonde niet het minste berouw, maar verklaarde integendeel, dat, al was hij ook duizend mijlen van Delft verwijderd, hij zou terugkeeren om den aartsketter, die een pest voor het land was geweest, te dooden. Vier dagen achtereen werd hij daarop gruwelijk gepijnigd, om hem tot verdere bekentenis te brengen; doch hij bleef met een standvastigheid, een betere zaak waardig, volharden in zijn geloof, dat hij een rechtvaardige daad had bedreven; en al laadde hij op niemand anders de schuld van zijn bedrijf, hij ontkende toch niet bij het scherper verhoor, dat Parma van zijn aanslag had geweten en dat de Jezuïet en de geestelijke hem hadden gezegend.Op den 13enJuli werd zijn vonnis uitgesproken, en op den 14enwerd hij ter dood gebracht met al de afschuwelijkheid, die, den tijdgeest eigen, hier in volle mate werd toegepast. Hoe weinig die gruwelijke terdoodbrenging, die wij in haar bijzonderheden onzen lezers sparen, met den geest van zijn slachtoffer overeenkwam, blijkt voldoende uit de edele tusschenkomst van den Prins voor Jaureguy en de zijnen, waarover wij vroeger reeds spraken. En zonder een klacht te slaken, stierf hij. Dat feit wordt zelfs bevestigd door Aerssens, die in zijn brief naar Brussel o.a. schrijft: “Nooit heb ik zulk een standvastigheid in het lijden bijgewoond, geen ai mij! ontglipte zelfs den lijder.” De beulen schreven die Spartaansche hardnekkigheid aan tooverij toe; de katholieken, die niet alleen zijn standvastigheid, maar zelfs zijn zachtmoedigheid roemen, beschouwen hem daarom als een martelaar, die een heiligverklaring verdiende.Granvelle gaf in deze woorden zijn blijdschap te kennen over den welgelukten aanslag: “Alençon en Oranje”—zoo schreef hij aan zijn neef den Prins van Bellefontaine—“zijn nu, waar ze zijn. Men zal het martelaarschap dat onze goede Bourgondiër heeft geleden, die zulk een heldendaad heeft verricht, wel dankbaar erkennen.” En aan Don Juan de Idiaquez schreef dezelfde kardinaal: “Alençon is op den 10enJuni en Oranje op 10 Juli gestorven; als nu op den 10enAugustus de koningin-moeder Catharina de Medicis sterft, dan zal het verlies gering zijn.”De priesterschap gaf uiting aan haar haat tegen Oranje en verhief den dood van den ellendigen moordenaar ten hemel. Toch waren er enkele steden, ook in het Spaansche kamp, waar de blijdschap niet algemeen was. In den Bosch werd een feestviering, die men voor had, verhinderd door de gemeente en waren de kanunniken verplicht, alleen in de kathedraal hun Te Deum te zingen, maar dit Te Deum, zeggen enkele schrijvers, scheen geen goedkeuring in den hemel te vinden, want op den avond daarna werd de toren van de kerk door den bliksem getroffen, terwijl geen ander huis in de stad werd beschadigd.Parma wenschte, toen hij den koning bericht gaf van den moord, hem geluk, dat zulk een gevaarlijk man, die zooveel kwaad aan de Christenheid, aan den godsdienst en aan den koning had berokkend, thans de straf ontvangen had, zijne misdaden waard. Hij beloofde in dien brief ook, dat hij de bloedverwanten vanden heiligen moordenaar zou trachten uit te vinden, opdat die de belooning, door die dappere daad verdiend, zouden kunnen ontvangen. Een van Gérards broeders haastte zich naar de Nederlanden om de 25.000 kronen op te eischen, die hun thans wettig toekwamen. Parma drong daarop bij Filips aan, maar de koninklijke schatkist was niet ruim voorzien. Hij stelde daarom voor, aan de familie Gérard een aequivalent te geven in enkele der verbeurdverklaarde goederen van Oranje in Bourgondië, met het gevolg, dat de drie heerlijkheden van Lievremont, Hostal en Dammartin in Franche-Comté aan die familie werden geschonken. De brieven van adeldom aan de vier broeders en drie zusters van Balthasar Gérard en hun wettige nakomelingschap gegeven, dragen den datum van 4 Maart 1589.Toen Filips Willem, graaf van Buren, in 1595 naar de Nederlanden terugkeerde, werden die goederen op hem weder overgebracht en ontvingen de Gérards een geldelijke schadeloosstelling. Voltaire zegt, dat de adelbrieven van die familie zijn teruggetrokken, toen Franche-Comté bij Frankrijk kwam.Een donkere wolk van neerslachtigheid hing over Holland; maar weinig verwarring was er, zelfs in Delft, op het bericht van ’s Prinsen dood. De vrees voor een wijdvertakt verraad, die in Maart 1582 bij den aanslag van Jaureguy heerschte, toen men zelfs de Fransche bondgenooten verdacht van medeplichtigheid, bestond thans niet. De confessie van Gérard sprak duidelijk. De Staten-Generaal namen onmiddellijk het gezag, dat ze aan den Prins hadden willen geven, tot zich, en schreven, in hun souvereiniteit, brieven naar Engeland, Frankrijk, Duitschland en de steden, terwijl ze de Prinses van Oranje en Maurits hunne condoleantie aanboden.Het lijk van den vermoorde bleef tot 3 Augustus boven aarde staan. Gedurende dien tijd waren er, die een portret van den afgestorvene wilden vervaardigen, doch de Staten verboden dat, uit vrees, dat de vijand het bespottelijk zou maken, als het soms in zijn handen viel. Een zekere Chr. Janszoon van Bieselingen vervaardigde trots dit verbod toch een kleine schets van den Prins gelijk hij op zijn doodbed lag en de gelijkenis werd zeer geprezen. Die schets schijnt verloren te zijn, want het moet betwijfeld worden, of het schilderijtje, waarop het hoofd van den gestorven Prins is afgebeeld en dat nog heden in het Prinsenhof hangt, hetzelfde is als dat van van Bieselingen.Op den 3enAugustus begeleidde een breede optocht het lijk door de straten der in rouw gedompelde stad naar zijn laatste rustplaats in de groote, toen de nieuwe kerk. Voorop gingen de burgers met neerhangende vlaggen, omgekeerde wapens en zwijgende trompetten. De lijkwagen was bespannen met acht paarden, met zwarte kleederen bedekt, waarop de wapens van Breda, Vlissingen, Châlons, Diest, Vianden, Catzenellenbogen, Nassau en Oranje geborduurd waren. De lijkkist werd een eind weegs gedragen door twaalf edellieden. Maurits ging te voet daar achter; hij was gehuld in een langen zwarten mantel, waarvan de sleep door zijn voogd gedragen werd. Daarop volgden verscheidene familieleden en de Staten-Generaal, de Raad van State, de leden van den Hoogen Raad van Holland, andere leden van het gouvernement, al de officieren van Delft enz. Zoo werd het dierbaar overschotnaar de nieuwe kerk gebracht en in de aarde gelegd. Toen werd er een korte preek gehouden over Openb. XIV : 13. “Zalig de dooden die in den Heer sterven van nu voortaan; ja, zegt de geest, opdat ze rusten mogen van hun arbeid en hun werken volgen hen.” Ieders oog was week van tranen en ook de kinderen schreiden op de straten. De man, die zoo was veroordeeld, misverstaan, en slecht ondersteund door hen, voor wier zaak hij geleefd had, was heengegaan en het volk rouwde om zich zelf, terwijl het rouwde om hem.Alzoo was de loopbaan van den Prins van Oranje; zijn levensdraad werd afgesneden op den leeftijd van 51 jaar, twee maanden en 15 dagen. Door geenerlei ziekte verzwakt, gezond van gestel, zou hij nog vele jaren lang in den gewonen loop der gebeurtenissen zijn leven hebben kunnen voortzetten. Middelmatig van lengte en mager, was hij toch goed gebouwd. Zijn hoofd was breed, maar goed geproportioneerd, zijn gelaat schraal, zijn neus was groot met wijde neusgaten, zijn uitzicht donker, zijn oogen bruin met een vriendelijke uitdrukking. Hij droeg zijn donkerbruinen baard een weinig gepunt. Als jong man was zijn haar van dezelfde kleur als zijn baard, dik en weelderig gegroeid. Later was het dunner geworden en droeg hij een klein kapje. Op vier-en-dertig-jarigen leeftijd beschreef hij zich zelf als een Calvinist, calbo y calbanista, waarvan de woordspeling in onze taal niet kan worden weergegeven.Slot.De beschrijvingen van het uiterlijk van den Prins van Oranje stemmen tamelijk wel overeen. Niet aldus het oordeel over zijn karakter. Zelfs is bijna geen historisch persoon van beteekenis zoo verschillend beschreven als hij. Door zijn vijanden werd hij gehaat, door vroegere geschiedschrijvers uitbundig geprezen of belasterd en weinig door zijn warmste aanhangers begrepen. Volgens mijne meening zat er in zijn jeugd meer in hem dan hij zelf wist en kwam de werkelijke waarde van zijn karakter eerst langzaam te voorschijn. Misschien is het goed voor een man, een onbezorgde jeugd zonder veel verantwoordelijkheid te hebben. In een zekeren zin had hij die nooit. Zijn later gebrek aan spontaneïteit, het berekenend element van zijn karakter, zoo onaantrekkelijk bij een jongen man, waren zeker het gevolg van zijne vroegtijdige verantwoordelijkheid. Hij dacht voor hij handelde en bij zijn handelingen werd hij door verreikende beweegredenen geleid; politiek was de voornaamste bron van al zijne daden. Langs politieken weg ontwikkelde zich zijn edele gezindheid.Over het geheel genomen was Oranje in zijn latere jaren een beter man dan hij beloofde te zijn in de dagen, toen hij het troetelkind der fortuin aan het hof van Karel V was, toen het lot hem vriendelijk tegenlachte en zijn pad gemakkelijk scheen. In die dagen was hij wereldsch en eerzuchtig, zeer gewillig om zijn levensboot te sturen overeenkomstig de winden, die uit het Zuid-Westen van het hof van Spanje waaiden, wanneer daarvan voordeel voor zich of zijn familie te wachten was. Want persoonlijke eerzucht was het niet alleen. De Nassau’s hadden een groot familiezwak en waren zeer aan elkander gehecht; de hartelijkste gevoelens heerschten onder hen, gelijk elke brief van moeder en zoons, van broeder aan broeder ons bewijzen kan.Theologische begrippen bekommerden den Prins op vroegen leeftijd allerminst. Hoewel opgevoed in Luthersche denkbeelden, voegde hij zich geheel naar de praktijk van den hofkring, waarin hij zich bewoog. Om waarneming vangodsdienstige gebruiken gaf hij niet veel. In zijn huwelijk met Anna van Saksen kwam de plooiende aard van zijn karakter sterk uit. Tusschen de zandbanken van het ultra-katholicisme eenerzijds en de klippen van het Protestantisme aan den anderen kant zeilde hij heen, en hij bereikte zijn doel; het huwelijk werd evenmin door den meest katholieken koning veroordeeld, als dat het door Anna’s ultra-Lutherschen grootvader werd tegengehouden. Wat hij onder die omstandigheden kon doen, dat deed hij en bewees zijne onafhankelijkheid, zoover die toen in zijn vermogen lag. Doch het moet erkend worden, dat er zich in dat tijdvak in den jongen Prins geen heldennatuur openbaarde. Hij miste warmte en er smeulde in hem niet die levenwekkende vonk, die in staat is een vuur van sympathie te ontsteken.Of hij op het ontvangen der merkwaardige vertrouwelijke mededeeling van Hendrik II in het bosch van Vincennes, onmiddellijk besloot, zich aan de levenstaak te wijden, om godsdienstvervolging tegen te gaan, mag betwijfeld worden. Maar zeker begon er in dat jaar 1559 in de Nederlanden een haat te ontstaan tegen de vreemde overheersching; en ook de houding van Oranje veranderde tegenover dien souverein, voor wien hij als jong officier met het grootste geduld, in ’t aangezicht van den vijand, de forten Philippeville en Charlemont had gebouwd. De verantwoordelijkheid, die op hem als medelid der regeering rustte, begon in dat jaar mee te tellen.Zeker had de Prins toen nog niet den werkelijken geest van verdraagzaamheid, die hem in later tijd kenmerkte, maar hij gevoelde er afkeer van, een waardig volk slecht behandeld te zien. Toen Granvelle steeds onbeschaamder optrad, toen de scheidsmuur tusschen vreemdelingen en inboorlingen steeds hooger werd opgetrokken, toen de inquisitie als een roofvogel, niets dan kwaads voorspellende, zich vertoonde en zich boven het vredelievende, handeldrijvende en nijvere land nederzette, toen begon hij naar middelen uit te zien, om dien vogel uit zijn nest te verjagen. Het was niet, omdat hij de leerstellingen van het hervormd geloof was toegedaan, dat hij de poging haatte, om de vrijheid van het volk teonderdrukken, maar het was, omdat hij begon in te zien, dat het volk rechten had en dat een natie niet kon bestaan zonder het vermogen om adem te halen.De jaren tusschen 1563 en 1567 zijn zeer belangrijk voor de ontwikkeling van ’s Prinsen karakter. De brieven gewisseld tusschen Graaf Lodewijk en verschillende menschen in Duitschland, bewijzen duidelijk, hoe lang de weerstand tegen de tirannieke maatregelen werd voorbereid. Toch ging Oranje gedurende dat tijdvak standvastig voort, met zijn plicht te doen als stadhouder van den afwezigen koning en als vriend en raadgever van de regentes. Er is in dien tijd een zekere tegenstrijdigheid en onvereenigbaarheid tusschen zijn gemeenzame woorden en zijn uitingen van trouw aan den koning. Toch was hij reeds toen in zijn oordeelvellingen over Filips vrij en onbeschroomd, zoowel in brieven, die door hem in vereeniging met Egmond en Hoorne werden geschreven als in zijn eigen brieven, waarin hij duidelijk aan Filips te kennen gaf, dat zijn regeeringsmanieren niets goeds zouden uitwerken in een land, door den vrijen noordenwind bestreken, onder een volk, welks wereldhandel het reeds tot zelfstandig denken had opgevoed.Hij gaf zich geen rekenschap van al het voor en tegen, dat in zijn geest opkwam en zoo waren gedurende die jaren enkele zijner daden verre van idealistisch; doch terwijl ’s konings zegels hem nog waren toevertrouwd, deed hij ongetwijfeld zijn best, om den wil van Filips te volvoeren, al weigerde hij ook tot een zekere grens zijne gehoorzaamheid. Het keerpunt in zijn loopbaan was zijn vertrek uit de Nederlanden. De geheele toekomst zag hij niet—welk mensch kan dat? Langzaam ging hij voort van punt tot punt en langen tijd liet hij een weg open, om zich met den vorst te verzoenen, tegen wien hij het zwaard had opgenomen.Lang voor hij den katholieken koning afzwoer, verbrak hij de trouw aan de katholieke kerk. Na dien stap veranderden wel zijne godsdienstige uitingen, maar daarom was hij nog niet een godsdienstig man geworden in den zin, dat voor hem een godsdienstige overtuiging zijn steun en gids zou zijn, gelijk het dat wel was voor tallooze kleine luiden in de Nederlandsche gewesten, die zoowel in de oude kerk als onder het nieuw geloof vol blijmoedigheid vervolging verdroegen; of gelijk het dat was voor zijn moeder Juliana. Deze gevoelde, dat God alles bestuurde, dat Hij met alles een doel had, en dat elke aardsche gebeurtenis voor het bestwil der menschen plaats had, al kon men niet altijd begrijpen, waarom alles aldus geschiedde. Oranje hoopte, dat de hoogere machten met hem zouden zijn, maar hij geloofde in de noodzakelijkheid der menschelijke waakzaamheid. De overtuiging, dat er een dieperliggend geestelijk doel in Gods bestuur lag, ontstond zeer langzaam in zijn ziel. Hij geloofde in God en godsdienst en ook in uitwendigen eeredienst, maar hij gevoelde ook de tegenstrijdigheid van het aandringen op gelijkvormigheid van godsdienstige gebruiken; dit laatste was echter niet zijn vroegere meening.Nog minder theologisch dan ritueel was hij in die bij uitstek theologische eeuw. Hooft vertelt, dat hij, voor hij de Nederlanden in 1567 verliet, Lutherschen, Calvinisten en Anabaptisten opwekte, om tot een overeenkomst in geloof te komen, waaraan ze zich allen zouden kunnen houden. “Het geschil is te kleen, om dierhalve gesplijt te blijven.” “Laat toch die kleine verschilpunten u niet verdeelen,” zoo sprak hij. Voor hem waren de verschilpunten zeer klein en onwezenlijk; wat hij wenschte was, dat elk mensch datgene kon verkrijgen, wat hem het eene noodige scheen.In 1580 was Utrecht in hevige beroering door de prediking van Huibert Duifhuis. Toen trof het geval, dat de Prins een Zondag in de stad was en naar den dienst in de Jacobskerk ging, waar Duifhuis predikte. Dit ergerde velen en men vroeg hem, of hij daardoor wilde toonen, dat hij het met dien prediker eens was. “O neen”—hernam hij—“ik wilde alleen daarheen gaan, waar het best gepreekt werd en toen bracht men mij hier. Ik wist van den strijd niets. Het was een zeer goede preek, doch een volgenden keer zal ik den anderen predikant gaan hooren.”Waar de hervormde partij de bovenhand had, trachtte hij de katholieke kerkgebruiken te beschermen. Vervolging van Anabaptisten stond hij evenmin toe. Dat hooge standpunt werd noch door zijne broeders, noch door St. Aldegonde, die overigens het innigst met hem verbonden waren, ingenomen.Toch was die verdraagzaamheid geen onverschilligheid en geen gebrek aan godsdienst. Zijn schalksch, maar ondeugend gezegde, toen hij Anna van Saksen huwde, dat Amadis de Gaule de beste lectuur voor een jong meisje was, valt in zijn vroegere dagen. Op lateren leeftijd werd hij ernstiger van levensbeschouwing. Hij kon zich geen staat voorstellen zonder godsdienst als wezenlijk bestanddeel, doch dit moest volgens hem eene individueele zaak zijn. Mocht hij in zijn jeugd den godsdienst alleen om zijn doelmatigheid waardeeren, allengs steeg hij tot hooger en beter opvatting.De manier, waarop hij als diplomaat tusschen de Staten en de verschillende vreemde landen betrekkingen aanhield, was zeer verschillend van zijn zeilen tusschen de zandbanken in 1561. Ongetwijfeld duldde hij wel oogluikend transacties, die voor een zedelijke rechtbank niet waren te verdedigen.Het was de eeuw van de staatkunde van Macchiavelli en vele praktijken werden toen voor wettige staatkundige middelen gehouden, die, zooals Motley terecht opmerkt, door moderne staatslieden zouden worden veroordeeld, ook al worden ze nog wel toegepast.De school, waarin Oranje werd opgevoed, de hoven van Karel V, ook zijn zuster en zijn kinderen gaven hem vele middelen aan de hand, die hij met een goed oogmerk tegen zijn vijanden gebruikte. Van modern standpunt kon het niet als rechtmatig beschouwd worden, bijzondere dienaren van andere menschen om te koopen, teneinde achter de geheimen van dezen te komen. Dat is jarenlang door den Prins gedaan en daardoor was hij geheel op de hoogte van Filips’ gedachten. En toch waag ik het te zeggen, dat Oranje een veel hooger zedelijken standaard had. Als we zijn daden wegen op de schaal der toenmalige moraliteit en hem vergelijken met zijn tijdgenooten en gelijken als Elisabeth, Filips, Matthias, Johan Casimir, Catharina en haar zoons, dan moet worden erkend, dat zijne zedelijke daden zich uit hem zelf ontwikkelden en niet de gave waren van de eeuw, waarin hij leefde.De overdaad en eerzucht van zijn jeugd verdween voor de alles beheerschende aandrift van het eene denkbeeld, dat hem later bezielde. Elke penning, die hij bezat, elk voorwerp van waarde, dat zijn eigendom was, werd in de algemeene schatkist geworpen. De jaren van zijn onthouding en zorgen vormen een scherp contrast met den tijd, toen hij de meest fantastische maaltijden gaf, waarop zelfs de tafelkleeden van suiker waren. De tijd zou komen, dat hij er om moest denken, welk pak kleeren hersteld moest worden en dat hij, die open tafel had gehouden en de kwistigste gastvrijheid had getoond, de zuinigste berekeningen moest maken, om nog een klein geschenk te kunnen geven en te overleggen, welk tafelservies van waarde kon worden uitgespaard. Zeker later gaven de Staten-Generaal hem verschillende geschenken; maar de sommen daarvoor noodig, waren op verre na niet gelijk aan hetgeen hij had uitgegeven. Het bedrag aan graaf Jan alleen verschuldigd, bedroeg in het jaar 1594 nog 1.400.000 fl.Liggend beeld van den Prins op de graftombe te Delft, door Hendrik de Keyser. 1566–1621.Liggend beeld van den Prins op de graftombe te Delft, door Hendrik de Keyser. 1566–1621.Zijne vijanden hebben tot heden niet opgehouden, hem van eerzucht te beschuldigen. Die beschuldiging is zoo onwaar, dat juist het gemis van die eerzucht tot schade is geweest van de algemeene zaak, toen er in het land een vaststandpunt gewonnen was. Had Oranje even sterk geloofd in de onafhankelijkheid van de Nederlanden, als hij geloofde in haar eenheid; had hij zelf ook in naam willen zijn, wat hij in de daad was, het hoofd der regeering, dan zou er eenige jaren vroeger een grondwettig bestuur gevestigd zijn. Oorspronkelijk ontbrak het den Prins waarlijk niet aan ambitie, getuige zijn zucht in Granvelle’s tijd, om Ruwaard van Brabant te worden. Toen echter Holland en Zeeland hem later tot graaf wilden verheffen, berustte hij slechts met tegenzin in dien wensch. Waarschijnlijk kwam de beschuldiging van eerzucht hem meermalen ter oore en was dat een der redenen waarom hij zich zelf niet op den hem toekomenden voorgrond plaatste, maar allerlei vreemde, inzonderheid Fransche beschermers voor de gewesten zocht. Al de betrekkingen, die hij bekleedde, waren tijdelijk en ad interim; hij zelf maakte die bepalingen. Kortom, zijn belangeloosheid en onbaatzuchtigheid worden door alles duidelijk bewezen.In zijn bizonder leven was de Prins geliefd en geacht door zijne familie, al bestond er ook een meer gemeenzame verhouding tusschen zijn dochters en hun vaderlijken oom Jan van Nassau, bij wien ze hun jonge jaren hadden doorgebracht. De namen van de twaalf kinderen van den Prins spiegelen de verschillende phasen van zijn loopbaan af. Filips Willem ontving zijn naam van den man, die in 1554 de rijzende zon kon worden genaamd. Ondertusschen hield deze peetvader hem jaren lang in Spaansche gevangenschap en gaf hem een Spaansche opvoeding.Maria, de koningin van Hongarije, de landvoogdes, onder wie Oranje zijne eerste wapenfeiten verrichtte, werd door hem vereerd bij de naamgeving zijner dochter Maria. Anna van Saksen wilde haar kinderen: Anna en Maurits naar zich zelf en naar den grooten keurvorst noemen en Oranje bestreed dien wensch niet. De oudste dochter van Charlotte van Bourbon heette Juliana, naar Oranje’s moeder. De tweede ontving haar naam van koningin Elisabeth in de dagen, dat men hoopte, dat Engeland de arme Nederlanden zou ondersteunen. Catharina Belgica, Charlotte Flandrina, Charlotte Brabantina en Emilie Antwerpiana ontvingen hare Zuid-Nederlandsche namen in den tijd, dat de Prins nog hoop had op een vereeniging van Noord en Zuid. Zijn twaalfde kind werd geboren in een tijd, toen er een donkere wolk hing over Oranje’s verhouding tot het huis van Valois. De gelegenheid werd aangegrepen om te toonen, dat hij wel Fransche protectie, maar geen katholieke bescherming wilde. Daarom werden de koning van Denemarken en de koning van Navarre, de latere Hendrik IV, de peetvaders van Frederik Hendrik.Wat door zijn geheele briefwisseling heenstraalt, is niet zijn onafhankelijkheid en zijn zelfvertrouwen, maar veeleer zijn behoefte aan sympathie van de zijde dier menschen, op wier oordeel hij uit eenig oogpunt vertrouwen stelde. Zijne scherpzinnigheid wordt door vriend en vijand erkend. Terwijl hij wonderlijk bij de hand was, om de middelen te gebruiken, die hij had, om zich te voegen naar de actueele omstandigheden, waarin hij verkeerde, in plaats van zijn weg door theorieën en hypothesen af te bakenen, toonde hij een merkwaardige vasthoudendheid om bij zijn doel te volharden, ook al werkten de omstandigheden niet mee en een buitengewone bekwaamheid om kalm te blijven, als alles tegen hem was. Donkere wolkentrokken over zijn hoofd; onbewogen bleef hij onder het gemor en de ontevredenheid zijner minderen, onder den nijd en de jaloezie zijner gelijken, onder den haat en de vervolging van den kant zijner meerderen.Algemeen is het getuigenis, dat zijn manieren levendig en bekoorlijk waren en dat hij daardoor vele vrienden won. Vooral aan tafel ontspande hij zich gaarne door aangename gezelligheid en dan wierp hij voor een uur den last van zijn arbeid van zich af en hij vermaakte zich zoo met scherts en luim, dat het scheen, alsof hij door geen enkele zwarigheid werd gedrukt. “Sommige wijsneuzen,” zegt Hooft, “ergerden zich daaraan, niet bemerkende, dat hij den kommer menigmalen met nagebootste blijdschap bedekte. Om geen afkeer van ’t gebruik des landaards te toonen, dronk hij somtijds wel een duitschen dronk, maar zijn wezen bleef tot het laatste toe hetzelfde en zijn verstand was op zijn stel. In latere jaren was de dischvreugd schier zijn eenige ontspanning; in spelen, rijden en jagen had hij geen lust meer. De overige uren bracht hij door met blokken en zorgen.” Hoe onvermoeid zijn ijver was, is genoegzaam door ons aangetoond. Er waren weinig menschen in dien tijd, toen er zooveel geschreven werd, die zoo onvermoeid waren in dat deel der staatkunde als Willem van Oranje en Filips van Spanje.Een der meest gewone lasteringen omtrent ’s Prinsen karakter is de beschuldiging van vreesachtigheid geweest. Die wordt zoo vaak herhaald, dat het mogelijk is, dat hij van temperament niet zoo moedig geweest is als een soldaat voegt, doch des te meer eere dan, dat hij een natuurlijke neiging zoozeer heeft overwonnen. Want voor gevaren deinsde hij waarlijk niet terug. Onder de oogen van den vijand bouwde hij reeds in zijn eerste krijgsjaren forten. In de veldtochten van 1568 en 1572 spaarde hij zich zelf niet. Hij ging kort na de belegering naar Leiden, toen de pest daar nog met al haar verschrikkingen heerschte en gedurende de laatste jaren van zijn leven vervolgde hij onverschrokken zijn weg, al wist hij ook dat er moordenaars achter de gordijnen konden verscholen zijn. Er wordt niet gemeld, dat hij eenige bijzondere voorbehoedmiddelen tegen dat gevaar nam. Wel was hem een buitengewone lijfwacht geschonken, maar die was niet voortdurend tot zijn bescherming aanwezig; ook droeg hij geen maliënkolder. Zijn vrouw moest hem vragen, in Brussel ’s avonds niet uit eten te gaan, en de moordenaar Gérard was verbaasd, dat hij op zijn slaapkamer, terwijl hij te bed lag, bij hem werd toegelaten; zoowel die vrouwelijke voorzorg, als die verloren gelegenheid van den moordenaar, bewijzen wel, dat de Prins niet voortdurend om zijn eigen veiligheid dacht, gelijk een lafhartig mensch gedaan zou hebben.Wat zijne wapenfeiten aangaat, ongetwijfeld stonden Alva en Parma veel hooger dan hij in militaire kennis; doch beiden wist hij toch ook om den tuin te leiden; Requesens werd door hem ontmoedigd en met groote bekwaamheid maakte hij vaak gebruik van de omstandigheden. Zoo was het ontzet van Leiden zijn denkbeeld en dit was een zeer oorspronkelijk idee, dat zelfs de Spaansche veteranen verraste. Toch was de oorlogswetenschap der 16eeeuw niet wat ze, na Gustaaf Adolf, in de 17eeeuw werd. Oranje’s technische bekwaamheid in militaire zaken was echter ver beneden die van zijn tijdgenooten en bestrijders en ook benedendie van zijn zoon Maurits. Des te meer komt hem eere toe voor de steden, die hij won en den grond, dien hij behield.Zijn natuurlijke voorliefde had zeker de staatkunde meer dan de krijgskunde. Militaire operaties verrichtten anderen, maar alle draden van de regeering waren in zijne hand. Zijn persoonlijke invloed werd in elke daad gevoeld. Was hij tegenwoordig, dan zeilde het schip van staat; was hij afwezig, dan liep het op de zandbanken van plaatselijke jaloezie of op de klippen van gewestelijke vooroordeelen. Geen staatsman had ooit duidelijker visie van persoonlijke rechten en van nationale eenheid dan Willem van Nassau en zelden zijn er zulke heldere gedachten over de beginselen van de regeering eener confederatie geuit, als de tallooze uitspraken daaromtrent van de lippen van den beroemden Zwijger.(Sluit aan bij geslachtsregister tegenover pag.280)Bij het samenstellen van de geslachtsregisters ontving ik de zeer welwillende medewerking van Prof. Dr. F. J. L. Krämer, Directeur van het Koninklijk Huisarchief.
Hoofdstuk XXXIV.De Prins vermoord. 1584.Gedurende de maanden, die sedert den vergeefschen moordaanslag van Jaureguy waren verloopen, werden nog verschillende dergelijke beproefd en was de prijs, op het hoofd van Oranje gesteld, niet vergeten. De samenzwering van Juan de Salcedo en Francesco de Basa werd vermeld. In denzelfden zomer van 1582, ging een zekere Pedro Ordono, een Spanjaard, die in de Nederlanden had gediend en den weg in het land kende, naar Lissabon (toen Spaansch), met het bepaalde doel, Filips te bezoeken en nader met hem de voorwaarden te bespreken, waarop hij dien moord zou voltrekken. Met beide handen werd dit voorstel aangenomen. Don Jean de Idiaquez, Secretaris van Staat, voorzag Ordono van 600 kronen, om de uitgaaf zijner reis te bekostigen en stelde hem tevens een brief aan Parma ter hand. Op zijn reis naar de Nederlanden, schreef Ordono aan Filips, dat hij op ’t punt was, van Grevelingen naar Antwerpen te gaan en dat hij die plaats niet zou verlaten, voor het plan was volvoerd. Die bewering kwam in zoover uit, dat hij Antwerpen niet meer verliet, doch de daad bleef onvoltrokken. De samenzwering werd op den 2enMaart 1583 ontdekt en den volgenden dag werd hij onthoofd. “Ik zag hem in de gevangenis,” schrijft Le Petit, “maar ik heb nooit iemand zoo kleinmoedig gezien voor zulk een groote onderneming.”Ook wordt verhaald van een koopman uit Vlissingen, een zekeren Hans Hanszoon, die een buskruitverraad tegen den Prins smeedde. Het werd ontdekt en de man ter dood gebracht.In 1583 vatten vier Spaansche officieren, die om eerekrenking tot Oranje waren overgegaan, het plan op om zich door een bijzonderen dienst in de gunst van den koning te herstellen. Over dit plan schreef Tassis in den breede aan Parma. Alles scheen goed in gang te zijn, toen het plotseling werd opgegeven.In April 1584 werd een Fransch officier, een zekere Get of Got, door MarkiesRoubaix, toen te Eeclo in het kamp, gevat. Het was niet de eerste keer, dat kapitein Get in handen van den vijand was gevallen. Bij de laatste gelegenheid had hij zich zwemmende gered. Hij was bevreesd, dat dit feit zwaar zou wegen en dat hij misschien in strenge gevangenschap zou worden gehouden. Daarom deelde hij aan Roubaix mede, dat hij elken dienst, die deze van hem vragen zou, zoo mogelijk, wilde volbrengen. De markies deed hem toen verschillende voorstellen, die Get echter niet aandurfde. Toen vroeg hij hem, of hij den Prins van Oranje niet uit den weg wilde ruimen. Daartoe meende de kapitein in staat te zijn en hij beschouwde vergif als het beste wapen, daar hij den hofmeester van den Prins kende en toegang kon krijgen tot de keuken.Roubaix geloofde niet aan het succes van dit plan, want, al was hij in de keuken, hij kon niet weten, welke spijs de Prins aan tafel zou kiezen. Maar Get stelde hem gerust. De Prins hield bijzonder veel van een zekere palingsoep, die in een kleinen pot gekookt werd, waarvan de deksel doorboord was, om den stoom te doen ontsnappen. Aan die bijzonderheid bemerkte Roubaix, dat de man goed op de hoogte van de keuken was. Daarop vroeg hij hem, wat hem bewoog tot dat verraad, als hij op zoo goeden voet met den Prins was. Get antwoordde dat de Franschen in Vlaanderen gehaat werden en dat ieder ze verraders noemde. Hij was arm en hij had gehoord, dat de koning van Spanje ieder, die hem verloste van zijn aartsvijand, rijk zou maken. Parma stelde niet veel geloof in de waarheid van Gets beweringen. Hij meende, dat het hem alleen te doen was, om vrij te komen; maar aan Roubaix gaf hij den raad, zijn eigen meening in dezen te volgen. Get werd losgelaten, ging onmiddellijk naar den Prins en beroemde er zich op, dat hij aan alle verleiding, om hem een valsch spel te spelen, weerstand had geboden.Al deze would-be moordenaars werden gedreven door motieven van eigenbelang, hetzij om Filips’ bescherming te winnen, hetzij om hun verloren goeden naam te herstellen, daarbij vooral geprikkeld door ’t uitzicht op de geldelijke belooning. Doch geen dezer beweegredenen bleken machtig genoeg, om het plan ten uitvoer te brengen. Anastro had behoefte aan den prijs; doch zijn leven was hem kostbaarder dan geld, terwijl zijn helper zijn voorstel aannam, niet ter wille van het goud, maar omdat hij eerlijk geloofde, dat hij een van God gezegend werk ging verrichten. Alleen een man, beheerscht door een gedachte, die zijn eigen persoonlijkheid geheel in de schaduw stelde, kon moed genoeg hebben, zich zelf aan zulk een gevaarlijke onderneming te wagen. De daad kon alleen voltrokken worden door een fanatiek persoon. Zulk een kwam in 1584 op het tooneel.Balthasar Gérard was geboren in het jaar 1557 te Wilafans les Ornans, een dorpje in Bourgondië. Hij was het kind van Jean Gérard en een zekere Barbara d’Emskercke, welke laatste van Antwerpen was en misschien uit Holland afkomstig. De geheele familie was met hart en ziel aan het katholiek geloof en aan den koning gehecht. Balthasar was van zijn vroegste jaren af een godsdienstige dweper. Volgens Renon de France toonde hij reeds in zijn jeugd, hoe een denkbeeld zijn geheele ziel in bezit kon nemen. Hij zou op twaalfjarigen leeftijd, toen hij zijn oudershoorde spreken van het kwaad, door de Nederlandsche Geuzen gesticht, reeds stoutweg verklaard hebben, dat hij den man wilde dooden, die zooveel kwaad had veroorzaakt.In 1577 was hij in huis bij een zekeren Jean Villaix te Dôle, toen hij van de scheuring in het land na de Pacificatie van Gent en de komst van Don Juan hoorde. Hij beschouwde den Prins van Oranje als het grootste struikelblok om tot de bevrediging te komen en in woede tegen hem ontstoken, nam hij een dolk en slingerde dien met alle macht tegen een deur, onder den uitroep: “Ik wenschte wel, dat die steek het hart van den Prins van Oranje had geraakt.”Een ooggetuige, een zekere Ponthier, berispte hem daarover in allen ernst. Het was zijn zaak niet, vorsten te bedreigen of te dooden, en naar dien raad hoorde hij tijdelijk en liet voorloopig alles over aan het bestuur van God en Zijne Majesteit. Toen hij echter drie jaar later hoorde van het doodvonnis, door den koning in den vorm van den ban over Oranje uitgesproken, en toen de uitvoering van des konings wil scheen te vertragen, verliet hij Bourgondië met het vaste voornemen, het moordplan te volvoeren.In Maart 1582 te Luxemburg komende, hoorde hij van den aanslag van Jaureguy en meenende, dat de dood was gevolgd, dankte hij God, dat hij hem had behoed tegen blootstelling aan zulk een gevaar. Zoo zeker waren de geruchten van den dood van den Prins, dat Gérard zich geheel verlicht gevoelde. Hij trad toen in dienst bij een zekeren Jean Dupré, zijn eigen neef, die secretaris was van Mansfelt, toen ter tijd gouverneur van Luxemburg en maarschalk-generaal van Filips’ leger. Toen de tijding van Oranje’s herstel Gérard bereikte, besloot hij zelf de onvoltooide taak te vervullen. Hij kwam toen op het denkbeeld, om van Manfelts handteekening en zegels, waarvan hij in rood lak tal van afdrukken bezat, gebruik te maken, om door middel daarvan het vertrouwen van Oranje te kunnen winnen.In Juni 1583 verliet hij Dupré en was op het punt, Luxemburg te verlaten, toen zijn meester voor een som van 450 kronen bestolen werd. Vreezende dat zijn heengaan hem van dien diefstal zou doen verdenken, stelde Gérard zijn vertrek een poos uit. Het verloren geld werd teruggevonden. Een ziekte van Dupré hield hem nog enkele weken terug van zijn reis, zoodat hij niet voor Maart 1584 met zijn plan kon beginnen. Aan Dupré vertelde hij, dat hij naar Spanje ging, waarvan deze hem trachtte terug te houden. Zij zeiden elkander vaarwel en Gérard ging zijn gekozen missie vervullen.Ten einde niets te doen in het nadeel van den koning en ook om zijn eigen gemoedsbezwaren te bestrijden, ging hij eerst naar Trier, waar hij zijn voornemen aan een lid van de Jezuïetenorde te kennen gaf. Hij liet hem de zegels zien en verzocht hem het geheim tot na Paschen te bewaren en het dan aan Graaf Mansfelt mee te deelen. In hoever het waar is, dat deze Jezuïet de onderneming van Gérard eerst afkeurde, maar hem daarna toch zijn voorbidding had beloofd en hem toegezegd, dat hij zou opgenomen worden onder de martelaars der kerk, zoo zijn opzet zijn eigen dood zou tengevolge hebben, is moeilijk met juistheid te zeggen. In de confessie van den moordenaar beweert hij zelf, dat de Jezuïet hemte Trier den moord had ontraden wegens de gezegelde bladen van Mansfelt.De verschillende verhalen van beide zijden aanstonds ontstaan zijn buiten quaestie partijdig opgesteld. Doch zooveel blijkt er volgens Fruin stellig wel uit, dat zoowel de Jezuïet te Trier, als de geestelijke te Doornik, aan wien later nog het plan werd meegedeeld, bezwaar begonnen te maken wegens bijkomende omstandigheden, doch ze zijn beiden geëindigd met den moordenaar te zegenen en hem hun voorbidding te beloven.Toch schijnt de fanatieke man zich niet gerust te hebben gevoeld over de goedkeuring der geestelijkheid. Althans hij trachtte in Doornik Parma zelf in zijn vertrouwen te nemen. Op 21 Maart kreeg hij bij dezen audiëntie en gaf hem een geschreven document over, waarin hij aan den landvoogd zijn voornemen meedeelde. Parma meende op het eerste gezicht, dat Gérard een te onbeteekenend man was, om zulk een plan te volvoeren. Toch gaf hij den raadsheer Assonleville last, den man verder te onderzoeken en te zien, wat hij met hem kon doen. Met dezen behandelde Gérard de bijzonderheden van zijn plan en besprak de manier, waarop van Mansfelts zegels zonder ernstige gevolgen gebruik gemaakt zou kunnen worden. Ook verzocht hij hem om Parma’s bemiddeling bij den Paus, ten einde absolutie voor zijn misdaad te verkrijgen. Met die misdaad bedoelde hij niet den moord, maar den geveinsden omgang, dien hij, om zijn doel te bereiken, noodzakelijk met ketters en atheïsten hebben moest en het tijdelijk aannemen van hunne gewoonten.Parma bleef trots de voorspraak van Assonleville weinig om den man geven. Hij weigerde zelfs de 100 kronen, die hem gevraagd werden. Reeds zoo menigmaal was hij onder hetzelfde voorwendsel bedrogen. Assonleville voorspelde den man weinig succes op zijn daad en weinig kans, zijn leven te behouden. De eenige aanmoediging, die hij hem gaf, was de waarborg in Parma’s naam, dat de belooning in den ban vermeld, hem of zijnen erfgenamen zou worden uitgekeerd, als hij slaagde. “Ga, mijn zoon en indien gij de taak volbrengt, zal de koning al zijn beloften vervullen en gij zult onsterfelijken roem inoogsten.”Gérard reisde van Doornik naar Delft; bijzonderheden op die reis voorgevallen zijn onbekend. In het begin van Mei 1584 bereikte hij Delft, waar de Prins geheel veilig scheen te zijn in het hart van Holland. Geen plaats scheen minder gevaarlijk voor ’t leven van Oranje, dan die oude, merkwaardige Hollandsche stad. Antwerpen was een kosmopolitische plaats, waar van alle oorden der wereld kooplieden en zeelieden elkander verdrongen en waar een sluipmoordenaar veel gemakkelijker zijn doel kon bereiken, zonder ontdekt te worden. Delft daarentegen, het kleine stadje, waar nagenoeg geen vreemdelingen kwamen, was er als het ware geheel op ingericht, om den Prins in zijn hoogst eenvoudige woning, het oude St. Agatha-klooster, te midden der zijnen levende, een zoo groot mogelijke veiligheid te verzekeren.Doch voor een geboren verrader en bedrieger, voor een man zoo volleerd door jarenlange oefening, voor een virtuoos in de kunst van huichelen, was het zoo moeilijk niet, om zelfs in dien kleinen, huiselijken en trouwen kring zijn opzet te volvoeren. Hij wist zich namelijk onder den valschen naam van François Guyontoegang te verschaffen tot den hofprediker van den Prins, de Villiers, terwijl hij zich aanstelde als een Hugenoot, die ter wille van het geloof werd vervolgd. Hij deed een verhaal van een vervolgziek priester, die hem het leven ondragelijk gemaakt had en schreef, door de Villiers geholpen, den volgenden merkwaardigen brief aan Prins Willem, om zich in de gunst aan te bevelen van hem, wien hij het moordend lood in het hart zou jagen. De brief luidt aldus:Doorluchtige Heer!“Aangezien de rede, gepaard aan het geloof en de gerechtigheid van God, aan zijn uitverkorenen gegeven is om hen boven alle andere schepselen te verheffen; zoo is waarlijk een iegelijk mensch, met deze genade toegerust ondankbaar als hij ze ongebruikt laat. En daar het den Heer heeft behaagd, door zijn oneindige goedheid mij uit zoovele andere te verkiezen, om Hem te dienen, zoo kan ik niet anders (inzonderheid in dezen alleszins rampzaligen tijd) dan mij metterdaad aangorden, om met de overige leden van zijne strijdende kerk (gelijk alle trouwe Evangeliedienaren verschuldigd zijn te doen) de moedige voornemens van Uwe Exc. te dienen en op alle mogelijke wijzen bij te staan. Zij toch draagt als hoofd en voorname beschermer sedert zoo langen tijd bijna al de moeiten en zorgen van ’s Heeren strijd; ook komen er nog andere redenen bij, die er mij toe bewegen, welke ik hier zal verzwijgen, om Uwe Exc. niet te vermoeien. Ik durf niet zonder Haar bevel de oorzaak melden van mijn komst herwaarts, weshalve ik Haar allernederigst smeek, dat Zij Haar Secretaris of eenigen anderen vertrouwde gelieve te gelasten, mij te hooren, te zien wat er van is en daarvan dan rapport te doen aan Uwe Exc, opdat zij er van gediend moge zijn, zoo het Haar goeddunkt.“Ik verzeker Uwe Exc. dat, zoo ik bij machte ware geweest iets beters tot Haar dienst uit te richten, ik mij daartoe zeer gaarne zou bemoeid hebben; want met geen ander doel heb ik zooveel wisselvalligheden en gevaren ondergaan. Ook hoop ik, dat het Haar welbehagen, waarom ik onderdanig bid, moge wezen mij toe te staan, van nu voortaan onder Haar overigheid den Heer zonder vrees des doods te dienen, daar in het land van mijn geboorte, als zulk een genade niet waardig, die vrijheid mij is benomen, ofschoon zij van Christus door het storten van zijn kostelijk bloed aan alle geloovigen is gegeven. Ik zal mij bevlijtigen, door mijn zeer nederige diensten mij de gunst waardig te maken, die het Uwe Exc. zal behagen mij daartoe te verleenen. Waarmee, Doorluchtige Heer, ik Gode bid, dat Hij Uwe Exc. in volmaakte gezondheid een lang en gelukkig leven schenke.Uit de stad van Delft, 6 Mei 1584.Van Uwe Exc. de zeer nederige en toegenegen dienaar voor altijdFrançois Guyon.”Had Fruin geen recht, om van dien brief te schrijven: “Mij dunkt, indien er ooit weer sprake mocht zijn om Gérard tot heilige te verheffen, dan zal de advocaat van den duivel kunnen volstaan met dezen brief over te leggen. Zoo deze niet voldoende is, om den man, die hem schreef, tot geboren verrader en bedrieger te stempelen, faalt mijn oordeel niet alleen, maar ook mijn zedelijk gevoel.”Eerst verwaardigde de Prins zich niet te antwoorden. Doch Gérard bleef met volharding op zijn verzoek aandringen en na eenige dagen werd de Villiers tot hem gezonden, ten einde hem eene audientie te verleenen.Gérard was een kleine, magere figuur met een dik en leelijk gezicht; onbeduidendheid teekende zijn geheele verschijning. Parma had het voor onmogelijk gehouden, dat zulk een kerel eenige moedige daad zou kunnen verrichten. Maar juist die ellendige verschijning deed zijn verhaal van vervolging te Delft geloofwaardig voorkomen. Het was met de grootste zorg door hem samengesteld. Elke bijzonderheid daarvan was zoo lang door hem overwogen, dat hij het nu heel natuurlijk en overtuigend kon vertellen.Hij was—zoo beweerde hij—uit Besançon geboortig en heette François Guyon. Zijn ouders, beiden Hugenoten, waren om hun godsdienst uit hun plaats verbannen. Later naar Besançon teruggekeerd, op beter tijden hopende, werden ze tegelijk met andere arme ballingen, die in Juni 1575 in die stad waren verrast, ter dood gebracht. Hij, François, had van de Papisten allerlei beleedigingen moeten verdragen, omdat hij volhardde in het verboden geloof en daarom besloot hij elders een toevluchtsoord te zoeken, waar hij God naar zijn geweten kon dienen. Twee jaar te voren was hij in Luxemburg aangekomen, op zijn reis naar den Prins; daar was hij ziek geworden en door zwakheid en armoede verhinderd zijn reis te vervolgen. Hij trad toen in dienst bij zijn neef Dupré, secretaris van Mansfelt. “Daar het mij echter voorkwam, dat geheime godsvereering den Heer zou mishagen en ik vreesde, dat mij dientengevolge iets kwaads zou overkomen, verliet ik mijn meester, na eerst afdrukken van de zegels van graaf Mansfelt genomen te hebben.”Er was namelijk in Mansfelts dienst een zekere priester uit Brussel, die argwaan koesterde omtrent zijn waarneming van katholieke kerkgebruiken, en om te ontsnappen, had hij toen voorgewend naar Trier te gaan, om met Paschen zijn communie te houden. De priester volgde hem daarheen, was achter de waarheid gekomen en had getracht, zich van zijn persoon meester te maken. Gérard had zich tegen dien man verdedigd, vluchtte uit Trier en was zoo in Holland gekomen. Hij was in staat, den Prins belangrijke diensten te bewijzen en om de waarheid zijner woorden te bevestigen, haalde hij een pak met Mansfelts zegels uit zijn mouw.Ziedaar zijn verdichte geschiedenis; alles valsch, uitgezonderd het feit van zijn dienst bij Dupré en zijn reis naar Trier. Hij had zich dat verhaal zoo eigen gemaakt en zoo met plaatselijke tinten opgesierd, dat hij in ’t minst niet in tegenspraak met zich zelven kwam en het voor zuivere waarheid werd aangenomen.De Prins stelde wel belang in hetgeen de Villiers vertelde, maar zag niet in wat hij persoonlijk aan de zegels van Mansfelt had. Toch kon maarschalk de Biron,die gouverneur van Kamerijk was geworden, er misschien van gebruik maken, om paspoorten te geven. Vandaar, dat Oranje Noel de Caron, gezant van de Staten-Generaal in Frankrijk, opdroeg, om den gewaanden Guyon in zijn gevolg te nemen, die dan aan Biron de zegels zou kunnen overhandigen. Dit strookte echter niet met Gérards plannen; hij moest in Holland blijven. Toch ging hij mee, om argwaan te voorkomen, maar trachtte door twist met de bedienden van Caron te zoeken, gedaan te krijgen, dat hij naar Holland werd teruggezonden. Toen stierf juist Anjou te Château-Thierry en dit gaf Gérard aanleiding zijn patroon te vragen, hem als overbrenger van de doodstijding naar den Prins af te vaardigen. Dat werd toegestaan en toen haastte hij zich, naar Delft terug te keeren, hopende dat thans de lang gezochte gelegenheid zich zou aanbieden, om zijn opzet te volvoeren. Hij kwam aan het Prinsenhof, gaf de depêches voor den Prins over, die, hoewel nog op zijn slaapkamer, onmiddellijk verlangde, nadere bijzonderheden omtrent Anjou’s dood uit den mond van den bode zelf te vernemen.Later verklaarde Gérard, dat hij toen tot zijn spijt ongewapend was. Hij moest een gelegener oogenblik afwachten, als hem de opdracht zou worden gedaan, het antwoord van den Prins aan Caron te brengen. Ondertusschen bleef hij in Delft en speelde zoo goed zijn rol als Calvinist, dat niemand den minsten argwaan koesterde. Hij bracht zijn tijd door met naar de kerk te gaan en te bidden; nooit werd hij gezien zonder psalm- of gebedenboek. Men vond later twee boeken in zijn bezit, een van den Hugenootschen dichter Bartas en een van Beza. Aan den concierge van het Prinsenhof vroeg hij een bijbel ter leen en wist zich op die wijze bij verschillende leden van de gemeente in te dringen, die hem allen voor een oprechten Calvinist aanzagen.Toen hem nu gevraagd werd, met het antwoord aan Caron naar Frankrijk terug te gaan, wendde hij, terwijl hij bezig was de uitgangen van het Prinsenhof op te nemen, groote armoede voor en liet als bewijs daarvan zijn oude schoenen zien. Oranje liet hem daarop op 8 Juli een som gelds ter hand stellen. Van dat geld kocht hij van een soldaat van de lijfwacht, Réné genaamd, eenpistool; doch daar hem bij onderzoek bleek, dat dit ketste, kocht hij nog twee andere pistolen van den onderofficier de la Forest, die in de compagnie van kapitein Caulier diende. Daarmee oefende hij zich een paar malen; hij trachtte zich toen van kettingkogels te voorzien en had nog ruzie met een soldaat van de garde, die ze weigerde voor hem te maken. Met een en ander ging Maandag de 9eJuli voorbij. Den volgenden dag zou hij de aanslag doen.Geheel onbewust van het gevaar, dat hem bedreigde, volgde de Prins dezelfde gewoonten als altijd. Wel was hij vol angst en zorg in die dagen, maar vrees voor eigen persoonlijke veiligheid kwelde hem niet. Vooral Vlaanderen bekommerde hem zeer; Gent was het tooneel van een strijd, zooals de woelige stad nog nimmer had beleefd. Door Parma hoe langer hoe meer ingesloten, was er een Spaansche en anti-Spaansche partij in de stad zelve en Hembyze stond aan het hoofd der eerstgenoemde. Wel werd deze in den loop van den zomer van verraad beschuldigd en ter dood gebracht, maar in September moest de stad voor Parma bukken.Ook Antwerpen werd reeds in den zomer van 1584 bedreigd. Het fortLiefkenshoek, dat door de Staten tot bescherming van Antwerpen gebouwd werd, viel op den dag van den moord van Oranje in Parma’s handen. Dat de Prins zich dus in die dagen bezighield met overleg omtrent nieuwe plannen, om Vlaanderen en Brabant te hulp te komen, behoeft geen nadere aanwijzing. Daarbij zagen wij, hoe Oranje in die laatste maanden van zijn leven, met de Staten van Holland over zijn verheffing tot het graafschap onderhandelde. Wat zijn briefwisseling aangaat, de laatste brieven, die hij schreef, en ons althans bekend zijn, waren gericht aan Catharina de Medicis en aan Koning Hendrik III van Frankrijk; het waren condoleantiebrieven, naar aanleiding van den dood van Anjou. Die dood was ongetwijfeld voor den Prins een groote misrekening en zeker zijn de zestien dagen, die nog verloopen zouden voor zijn eigen sterven, dagen geweest van groote bekommering over de vraag, wat thans te doen, nu het met de Fransche alliantie gedaan scheen.In Mei of Juni schijnt de Prins er over gedacht te hebben, zijn uitersten wil te maken en hij raadpleegde verschillende personen daarover, maar het kwam niet tot de daad. Mogelijk dacht hij wel, dat het kon wachten, totdat de zaak van het graafschap geregeld zou zijn.Gérard was voldoende bekend geworden met de inrichting en gewoonten van het huishouden van Oranje; hij kende de uren van de maaltijden en derhalve de oogenblikken, waarop de Prins de gangen van het Prinsenhof doorging. Op dien Dinsdag, den 10enJuli, wachtte hij aan den voet van de trap het oogenblik af, waarop de familie tusschen twaalf en een uur aan den maaltijd zou gaan. Toen de Prins hem voorbij ging, vroeg Gérard hem om zijn paspoort. Louise de Coligny hoorde die vraag en zag den man in het gelaat; ze ontving daarvan zulk een ongunstigen indruk, dat ze haar echtgenoot nog waarschuwde en vroeg, wie hij was. Niets kwaads vermoedende, antwoordde hij, dat die man een depêche moest overbrengen en hij gaf bevel, hem zijn paspoort gereed te maken. Toen ging het gezin aan den maaltijd. Die oogenblikken gebruikte de moordenaar om zijn pistolen te gaan halen; het een laadde hij met twee, het ander met drie kogels. Een paar minuten later had hem iemand uit de stallen zien komen. Hij keerde terug, plaatste zich bij de deur der eetkamer, tegen een pilaar leunende. De beide pistolen waren in zijn gordel aan den linkerkant gestoken en zijn mantel, die naar beneden hing, bedekte ze.Oranje had aan tafel den burgemeester van Leeuwarden, Rombert Uylenburgh, bij zich. Die moest verschillende zaken van Friesland met hem bespreken. Hij was dien dag de eenige vreemdeling. De Prinses van Oranje, de zuster van den Prins, gravin Schwarzburg en drie dochters van Oranje maakten deel uit van het gezelschap. De belangen van Friesland waren bovenal het punt van gesprek geweest gedurende den maaltijd. Toen zij ongeveer één uur des namiddags van tafel opstonden, kwamen kolonel Morgan, een Engelschman en een paar andere menschen binnen. Oranje sprak eenige woorden met den kolonel en ging met Uylenburgh de kamer uit. Nauwelijks was hij buiten de deur, of de moordenaar kwam te voorschijn en terwijl hij hem herinnerde aan zijn verzoek, schoot hij het pistool af, welks kogel Oranje de borst doorboorde.Weinig oogenblikken daarna gaf hij den geest. De laatste woorden, die hij sprak, waren een bewijs van zijn innige godsvrucht, zoowel als van zijn liefde tot het vaderland. Die woorden: “Mon Dieu, mon Dieu, ayez pitié de moi et de mon pauvre peuple!” zijn een dierbare nalatenschap voor het Nederlandsche volk. Aan de echtheid dier woorden valt niet te twijfelen. Wel kan men van de eerste verhalen af, die van den moord van den Zwijger zijn gegeven, den invloed ontdekken van den geest der schrijvers, die dien moord verhaalden.Men heeft n.l. beweerd dat de Prins zou gestorven zijn, zonder iets te zeggen. Zelfs een later bewerker van een oud verhaal van een Delftsch katholiek schreef: “De Prins is terstond neergevallen en heeft niet langer dan den tijd van een paternoster zijn lippen een weinig geroerd, alzoo zijn oproerig leven met een onzaligen dood besluitende.”Volgens Fruin mag echter het Nederlandsche volk zich die laatste woorden door geen onrechtmatigen twijfel laten betwisten en bestaat er geen grond om aan de echtheid daarvan te twijfelen. De lijkschouwing heeft geleerd, dat de Prins niet in het hart getroffen en dus niet onmiddellijk is gestorven. Behalve de heer van Malderé, zijn stalmeester, die den doodelijk gewonde in zijn armen opving was ook de Leeuwarder burgemeester van Uylenburgh bij het sterven tegenwoordig; deze schreef op denzelfden 10enJuli een brief aan de magistraat te Leeuwarden met bijzonderheden over den moord. De algemeene mare, dat de Prins de schoone woorden gesproken had, bestond van het eerste oogenblik af. Vosberghen, die op denzelfden dag aan de regeering te Veere schreef, verhaalt, dat de Prins zei: “Mon Dieu, mon Dieu, ayez pitié de moi et du pauvre peuple,” terwijl de oudste verhalen ze eveneens vermelden. “Zelden,” zegt Fruin, “treft men ten opzichte van eenig woord zulk een eenstemmigheid aan.”De moordenaar had, al was hij ten volle bereid zijn daad met den dood te boeten, niets verzuimd, om te kunnen ontsnappen, indien hem de gelegenheid was geboden. Hij was geheel op de hoogte van de lokaliteit. Hij had twee blazen en een buis bij zich, om die op te blazen, waarvan hij gebruik hoopte te maken om de grachten achter het oude klooster over te zwemmen. Vlak buiten de stad stond een paard, geheel gezadeld, gereed op hem te wachten. Zoodra hij geschoten had, sprong hij de vier treden van den ingang tot het plein ineens af en verloor in die haast zijn tweede pistool. Hij kwam nog door de stallen en had juist de kleine laan, nu de schoolstraat genoemd, die naar den wal leidde, bereikt, toen hij struikelde en viel. Toch gelukte het hem, den top van den walmuur te bereiken en was hij op het punt in de gracht te springen, toen een lakei en een hellebaardier hem beetgrepen. Een van dezen riep: “Jij schavuit!”—“Ik ben geen schavuit,” hernam hij, “ik heb alleen des konings bevelen gehoorzaamd.”—“Van welken koning?”—“Van den koning van Spanje, mijn meester!” Ze brachten hem terug naar het Prinsenhof en daar in de deurwachterskamer binnengebracht, vroeg hij papier en inkt en schreef zijn confessie. Die confessie is eeuwenlang verloren geweest, doch eerst in een afschrift in 1852, later als origineel in 1862 teruggevonden, tegelijk met de oorspronkelijke verhooren.De tegenwoordigheid van geest van den moordenaar was verbazend. In dit document vertelde hij de geheele waarheid wat hem zelf aanging, maar gaf geen aanleiding om te doen meenen, dat Parma hem had gemachtigd; en evenmin maakte hij er gewag van, dat de Jezuïet te Trier en de geestelijke te Doornik zijn plan hadden goedgekeurd. Hij toonde niet het minste berouw, maar verklaarde integendeel, dat, al was hij ook duizend mijlen van Delft verwijderd, hij zou terugkeeren om den aartsketter, die een pest voor het land was geweest, te dooden. Vier dagen achtereen werd hij daarop gruwelijk gepijnigd, om hem tot verdere bekentenis te brengen; doch hij bleef met een standvastigheid, een betere zaak waardig, volharden in zijn geloof, dat hij een rechtvaardige daad had bedreven; en al laadde hij op niemand anders de schuld van zijn bedrijf, hij ontkende toch niet bij het scherper verhoor, dat Parma van zijn aanslag had geweten en dat de Jezuïet en de geestelijke hem hadden gezegend.Op den 13enJuli werd zijn vonnis uitgesproken, en op den 14enwerd hij ter dood gebracht met al de afschuwelijkheid, die, den tijdgeest eigen, hier in volle mate werd toegepast. Hoe weinig die gruwelijke terdoodbrenging, die wij in haar bijzonderheden onzen lezers sparen, met den geest van zijn slachtoffer overeenkwam, blijkt voldoende uit de edele tusschenkomst van den Prins voor Jaureguy en de zijnen, waarover wij vroeger reeds spraken. En zonder een klacht te slaken, stierf hij. Dat feit wordt zelfs bevestigd door Aerssens, die in zijn brief naar Brussel o.a. schrijft: “Nooit heb ik zulk een standvastigheid in het lijden bijgewoond, geen ai mij! ontglipte zelfs den lijder.” De beulen schreven die Spartaansche hardnekkigheid aan tooverij toe; de katholieken, die niet alleen zijn standvastigheid, maar zelfs zijn zachtmoedigheid roemen, beschouwen hem daarom als een martelaar, die een heiligverklaring verdiende.Granvelle gaf in deze woorden zijn blijdschap te kennen over den welgelukten aanslag: “Alençon en Oranje”—zoo schreef hij aan zijn neef den Prins van Bellefontaine—“zijn nu, waar ze zijn. Men zal het martelaarschap dat onze goede Bourgondiër heeft geleden, die zulk een heldendaad heeft verricht, wel dankbaar erkennen.” En aan Don Juan de Idiaquez schreef dezelfde kardinaal: “Alençon is op den 10enJuni en Oranje op 10 Juli gestorven; als nu op den 10enAugustus de koningin-moeder Catharina de Medicis sterft, dan zal het verlies gering zijn.”De priesterschap gaf uiting aan haar haat tegen Oranje en verhief den dood van den ellendigen moordenaar ten hemel. Toch waren er enkele steden, ook in het Spaansche kamp, waar de blijdschap niet algemeen was. In den Bosch werd een feestviering, die men voor had, verhinderd door de gemeente en waren de kanunniken verplicht, alleen in de kathedraal hun Te Deum te zingen, maar dit Te Deum, zeggen enkele schrijvers, scheen geen goedkeuring in den hemel te vinden, want op den avond daarna werd de toren van de kerk door den bliksem getroffen, terwijl geen ander huis in de stad werd beschadigd.Parma wenschte, toen hij den koning bericht gaf van den moord, hem geluk, dat zulk een gevaarlijk man, die zooveel kwaad aan de Christenheid, aan den godsdienst en aan den koning had berokkend, thans de straf ontvangen had, zijne misdaden waard. Hij beloofde in dien brief ook, dat hij de bloedverwanten vanden heiligen moordenaar zou trachten uit te vinden, opdat die de belooning, door die dappere daad verdiend, zouden kunnen ontvangen. Een van Gérards broeders haastte zich naar de Nederlanden om de 25.000 kronen op te eischen, die hun thans wettig toekwamen. Parma drong daarop bij Filips aan, maar de koninklijke schatkist was niet ruim voorzien. Hij stelde daarom voor, aan de familie Gérard een aequivalent te geven in enkele der verbeurdverklaarde goederen van Oranje in Bourgondië, met het gevolg, dat de drie heerlijkheden van Lievremont, Hostal en Dammartin in Franche-Comté aan die familie werden geschonken. De brieven van adeldom aan de vier broeders en drie zusters van Balthasar Gérard en hun wettige nakomelingschap gegeven, dragen den datum van 4 Maart 1589.Toen Filips Willem, graaf van Buren, in 1595 naar de Nederlanden terugkeerde, werden die goederen op hem weder overgebracht en ontvingen de Gérards een geldelijke schadeloosstelling. Voltaire zegt, dat de adelbrieven van die familie zijn teruggetrokken, toen Franche-Comté bij Frankrijk kwam.Een donkere wolk van neerslachtigheid hing over Holland; maar weinig verwarring was er, zelfs in Delft, op het bericht van ’s Prinsen dood. De vrees voor een wijdvertakt verraad, die in Maart 1582 bij den aanslag van Jaureguy heerschte, toen men zelfs de Fransche bondgenooten verdacht van medeplichtigheid, bestond thans niet. De confessie van Gérard sprak duidelijk. De Staten-Generaal namen onmiddellijk het gezag, dat ze aan den Prins hadden willen geven, tot zich, en schreven, in hun souvereiniteit, brieven naar Engeland, Frankrijk, Duitschland en de steden, terwijl ze de Prinses van Oranje en Maurits hunne condoleantie aanboden.Het lijk van den vermoorde bleef tot 3 Augustus boven aarde staan. Gedurende dien tijd waren er, die een portret van den afgestorvene wilden vervaardigen, doch de Staten verboden dat, uit vrees, dat de vijand het bespottelijk zou maken, als het soms in zijn handen viel. Een zekere Chr. Janszoon van Bieselingen vervaardigde trots dit verbod toch een kleine schets van den Prins gelijk hij op zijn doodbed lag en de gelijkenis werd zeer geprezen. Die schets schijnt verloren te zijn, want het moet betwijfeld worden, of het schilderijtje, waarop het hoofd van den gestorven Prins is afgebeeld en dat nog heden in het Prinsenhof hangt, hetzelfde is als dat van van Bieselingen.Op den 3enAugustus begeleidde een breede optocht het lijk door de straten der in rouw gedompelde stad naar zijn laatste rustplaats in de groote, toen de nieuwe kerk. Voorop gingen de burgers met neerhangende vlaggen, omgekeerde wapens en zwijgende trompetten. De lijkwagen was bespannen met acht paarden, met zwarte kleederen bedekt, waarop de wapens van Breda, Vlissingen, Châlons, Diest, Vianden, Catzenellenbogen, Nassau en Oranje geborduurd waren. De lijkkist werd een eind weegs gedragen door twaalf edellieden. Maurits ging te voet daar achter; hij was gehuld in een langen zwarten mantel, waarvan de sleep door zijn voogd gedragen werd. Daarop volgden verscheidene familieleden en de Staten-Generaal, de Raad van State, de leden van den Hoogen Raad van Holland, andere leden van het gouvernement, al de officieren van Delft enz. Zoo werd het dierbaar overschotnaar de nieuwe kerk gebracht en in de aarde gelegd. Toen werd er een korte preek gehouden over Openb. XIV : 13. “Zalig de dooden die in den Heer sterven van nu voortaan; ja, zegt de geest, opdat ze rusten mogen van hun arbeid en hun werken volgen hen.” Ieders oog was week van tranen en ook de kinderen schreiden op de straten. De man, die zoo was veroordeeld, misverstaan, en slecht ondersteund door hen, voor wier zaak hij geleefd had, was heengegaan en het volk rouwde om zich zelf, terwijl het rouwde om hem.Alzoo was de loopbaan van den Prins van Oranje; zijn levensdraad werd afgesneden op den leeftijd van 51 jaar, twee maanden en 15 dagen. Door geenerlei ziekte verzwakt, gezond van gestel, zou hij nog vele jaren lang in den gewonen loop der gebeurtenissen zijn leven hebben kunnen voortzetten. Middelmatig van lengte en mager, was hij toch goed gebouwd. Zijn hoofd was breed, maar goed geproportioneerd, zijn gelaat schraal, zijn neus was groot met wijde neusgaten, zijn uitzicht donker, zijn oogen bruin met een vriendelijke uitdrukking. Hij droeg zijn donkerbruinen baard een weinig gepunt. Als jong man was zijn haar van dezelfde kleur als zijn baard, dik en weelderig gegroeid. Later was het dunner geworden en droeg hij een klein kapje. Op vier-en-dertig-jarigen leeftijd beschreef hij zich zelf als een Calvinist, calbo y calbanista, waarvan de woordspeling in onze taal niet kan worden weergegeven.
Gedurende de maanden, die sedert den vergeefschen moordaanslag van Jaureguy waren verloopen, werden nog verschillende dergelijke beproefd en was de prijs, op het hoofd van Oranje gesteld, niet vergeten. De samenzwering van Juan de Salcedo en Francesco de Basa werd vermeld. In denzelfden zomer van 1582, ging een zekere Pedro Ordono, een Spanjaard, die in de Nederlanden had gediend en den weg in het land kende, naar Lissabon (toen Spaansch), met het bepaalde doel, Filips te bezoeken en nader met hem de voorwaarden te bespreken, waarop hij dien moord zou voltrekken. Met beide handen werd dit voorstel aangenomen. Don Jean de Idiaquez, Secretaris van Staat, voorzag Ordono van 600 kronen, om de uitgaaf zijner reis te bekostigen en stelde hem tevens een brief aan Parma ter hand. Op zijn reis naar de Nederlanden, schreef Ordono aan Filips, dat hij op ’t punt was, van Grevelingen naar Antwerpen te gaan en dat hij die plaats niet zou verlaten, voor het plan was volvoerd. Die bewering kwam in zoover uit, dat hij Antwerpen niet meer verliet, doch de daad bleef onvoltrokken. De samenzwering werd op den 2enMaart 1583 ontdekt en den volgenden dag werd hij onthoofd. “Ik zag hem in de gevangenis,” schrijft Le Petit, “maar ik heb nooit iemand zoo kleinmoedig gezien voor zulk een groote onderneming.”
Ook wordt verhaald van een koopman uit Vlissingen, een zekeren Hans Hanszoon, die een buskruitverraad tegen den Prins smeedde. Het werd ontdekt en de man ter dood gebracht.
In 1583 vatten vier Spaansche officieren, die om eerekrenking tot Oranje waren overgegaan, het plan op om zich door een bijzonderen dienst in de gunst van den koning te herstellen. Over dit plan schreef Tassis in den breede aan Parma. Alles scheen goed in gang te zijn, toen het plotseling werd opgegeven.
In April 1584 werd een Fransch officier, een zekere Get of Got, door MarkiesRoubaix, toen te Eeclo in het kamp, gevat. Het was niet de eerste keer, dat kapitein Get in handen van den vijand was gevallen. Bij de laatste gelegenheid had hij zich zwemmende gered. Hij was bevreesd, dat dit feit zwaar zou wegen en dat hij misschien in strenge gevangenschap zou worden gehouden. Daarom deelde hij aan Roubaix mede, dat hij elken dienst, die deze van hem vragen zou, zoo mogelijk, wilde volbrengen. De markies deed hem toen verschillende voorstellen, die Get echter niet aandurfde. Toen vroeg hij hem, of hij den Prins van Oranje niet uit den weg wilde ruimen. Daartoe meende de kapitein in staat te zijn en hij beschouwde vergif als het beste wapen, daar hij den hofmeester van den Prins kende en toegang kon krijgen tot de keuken.
Roubaix geloofde niet aan het succes van dit plan, want, al was hij in de keuken, hij kon niet weten, welke spijs de Prins aan tafel zou kiezen. Maar Get stelde hem gerust. De Prins hield bijzonder veel van een zekere palingsoep, die in een kleinen pot gekookt werd, waarvan de deksel doorboord was, om den stoom te doen ontsnappen. Aan die bijzonderheid bemerkte Roubaix, dat de man goed op de hoogte van de keuken was. Daarop vroeg hij hem, wat hem bewoog tot dat verraad, als hij op zoo goeden voet met den Prins was. Get antwoordde dat de Franschen in Vlaanderen gehaat werden en dat ieder ze verraders noemde. Hij was arm en hij had gehoord, dat de koning van Spanje ieder, die hem verloste van zijn aartsvijand, rijk zou maken. Parma stelde niet veel geloof in de waarheid van Gets beweringen. Hij meende, dat het hem alleen te doen was, om vrij te komen; maar aan Roubaix gaf hij den raad, zijn eigen meening in dezen te volgen. Get werd losgelaten, ging onmiddellijk naar den Prins en beroemde er zich op, dat hij aan alle verleiding, om hem een valsch spel te spelen, weerstand had geboden.
Al deze would-be moordenaars werden gedreven door motieven van eigenbelang, hetzij om Filips’ bescherming te winnen, hetzij om hun verloren goeden naam te herstellen, daarbij vooral geprikkeld door ’t uitzicht op de geldelijke belooning. Doch geen dezer beweegredenen bleken machtig genoeg, om het plan ten uitvoer te brengen. Anastro had behoefte aan den prijs; doch zijn leven was hem kostbaarder dan geld, terwijl zijn helper zijn voorstel aannam, niet ter wille van het goud, maar omdat hij eerlijk geloofde, dat hij een van God gezegend werk ging verrichten. Alleen een man, beheerscht door een gedachte, die zijn eigen persoonlijkheid geheel in de schaduw stelde, kon moed genoeg hebben, zich zelf aan zulk een gevaarlijke onderneming te wagen. De daad kon alleen voltrokken worden door een fanatiek persoon. Zulk een kwam in 1584 op het tooneel.
Balthasar Gérard was geboren in het jaar 1557 te Wilafans les Ornans, een dorpje in Bourgondië. Hij was het kind van Jean Gérard en een zekere Barbara d’Emskercke, welke laatste van Antwerpen was en misschien uit Holland afkomstig. De geheele familie was met hart en ziel aan het katholiek geloof en aan den koning gehecht. Balthasar was van zijn vroegste jaren af een godsdienstige dweper. Volgens Renon de France toonde hij reeds in zijn jeugd, hoe een denkbeeld zijn geheele ziel in bezit kon nemen. Hij zou op twaalfjarigen leeftijd, toen hij zijn oudershoorde spreken van het kwaad, door de Nederlandsche Geuzen gesticht, reeds stoutweg verklaard hebben, dat hij den man wilde dooden, die zooveel kwaad had veroorzaakt.
In 1577 was hij in huis bij een zekeren Jean Villaix te Dôle, toen hij van de scheuring in het land na de Pacificatie van Gent en de komst van Don Juan hoorde. Hij beschouwde den Prins van Oranje als het grootste struikelblok om tot de bevrediging te komen en in woede tegen hem ontstoken, nam hij een dolk en slingerde dien met alle macht tegen een deur, onder den uitroep: “Ik wenschte wel, dat die steek het hart van den Prins van Oranje had geraakt.”
Een ooggetuige, een zekere Ponthier, berispte hem daarover in allen ernst. Het was zijn zaak niet, vorsten te bedreigen of te dooden, en naar dien raad hoorde hij tijdelijk en liet voorloopig alles over aan het bestuur van God en Zijne Majesteit. Toen hij echter drie jaar later hoorde van het doodvonnis, door den koning in den vorm van den ban over Oranje uitgesproken, en toen de uitvoering van des konings wil scheen te vertragen, verliet hij Bourgondië met het vaste voornemen, het moordplan te volvoeren.
In Maart 1582 te Luxemburg komende, hoorde hij van den aanslag van Jaureguy en meenende, dat de dood was gevolgd, dankte hij God, dat hij hem had behoed tegen blootstelling aan zulk een gevaar. Zoo zeker waren de geruchten van den dood van den Prins, dat Gérard zich geheel verlicht gevoelde. Hij trad toen in dienst bij een zekeren Jean Dupré, zijn eigen neef, die secretaris was van Mansfelt, toen ter tijd gouverneur van Luxemburg en maarschalk-generaal van Filips’ leger. Toen de tijding van Oranje’s herstel Gérard bereikte, besloot hij zelf de onvoltooide taak te vervullen. Hij kwam toen op het denkbeeld, om van Manfelts handteekening en zegels, waarvan hij in rood lak tal van afdrukken bezat, gebruik te maken, om door middel daarvan het vertrouwen van Oranje te kunnen winnen.
In Juni 1583 verliet hij Dupré en was op het punt, Luxemburg te verlaten, toen zijn meester voor een som van 450 kronen bestolen werd. Vreezende dat zijn heengaan hem van dien diefstal zou doen verdenken, stelde Gérard zijn vertrek een poos uit. Het verloren geld werd teruggevonden. Een ziekte van Dupré hield hem nog enkele weken terug van zijn reis, zoodat hij niet voor Maart 1584 met zijn plan kon beginnen. Aan Dupré vertelde hij, dat hij naar Spanje ging, waarvan deze hem trachtte terug te houden. Zij zeiden elkander vaarwel en Gérard ging zijn gekozen missie vervullen.
Ten einde niets te doen in het nadeel van den koning en ook om zijn eigen gemoedsbezwaren te bestrijden, ging hij eerst naar Trier, waar hij zijn voornemen aan een lid van de Jezuïetenorde te kennen gaf. Hij liet hem de zegels zien en verzocht hem het geheim tot na Paschen te bewaren en het dan aan Graaf Mansfelt mee te deelen. In hoever het waar is, dat deze Jezuïet de onderneming van Gérard eerst afkeurde, maar hem daarna toch zijn voorbidding had beloofd en hem toegezegd, dat hij zou opgenomen worden onder de martelaars der kerk, zoo zijn opzet zijn eigen dood zou tengevolge hebben, is moeilijk met juistheid te zeggen. In de confessie van den moordenaar beweert hij zelf, dat de Jezuïet hemte Trier den moord had ontraden wegens de gezegelde bladen van Mansfelt.
De verschillende verhalen van beide zijden aanstonds ontstaan zijn buiten quaestie partijdig opgesteld. Doch zooveel blijkt er volgens Fruin stellig wel uit, dat zoowel de Jezuïet te Trier, als de geestelijke te Doornik, aan wien later nog het plan werd meegedeeld, bezwaar begonnen te maken wegens bijkomende omstandigheden, doch ze zijn beiden geëindigd met den moordenaar te zegenen en hem hun voorbidding te beloven.
Toch schijnt de fanatieke man zich niet gerust te hebben gevoeld over de goedkeuring der geestelijkheid. Althans hij trachtte in Doornik Parma zelf in zijn vertrouwen te nemen. Op 21 Maart kreeg hij bij dezen audiëntie en gaf hem een geschreven document over, waarin hij aan den landvoogd zijn voornemen meedeelde. Parma meende op het eerste gezicht, dat Gérard een te onbeteekenend man was, om zulk een plan te volvoeren. Toch gaf hij den raadsheer Assonleville last, den man verder te onderzoeken en te zien, wat hij met hem kon doen. Met dezen behandelde Gérard de bijzonderheden van zijn plan en besprak de manier, waarop van Mansfelts zegels zonder ernstige gevolgen gebruik gemaakt zou kunnen worden. Ook verzocht hij hem om Parma’s bemiddeling bij den Paus, ten einde absolutie voor zijn misdaad te verkrijgen. Met die misdaad bedoelde hij niet den moord, maar den geveinsden omgang, dien hij, om zijn doel te bereiken, noodzakelijk met ketters en atheïsten hebben moest en het tijdelijk aannemen van hunne gewoonten.
Parma bleef trots de voorspraak van Assonleville weinig om den man geven. Hij weigerde zelfs de 100 kronen, die hem gevraagd werden. Reeds zoo menigmaal was hij onder hetzelfde voorwendsel bedrogen. Assonleville voorspelde den man weinig succes op zijn daad en weinig kans, zijn leven te behouden. De eenige aanmoediging, die hij hem gaf, was de waarborg in Parma’s naam, dat de belooning in den ban vermeld, hem of zijnen erfgenamen zou worden uitgekeerd, als hij slaagde. “Ga, mijn zoon en indien gij de taak volbrengt, zal de koning al zijn beloften vervullen en gij zult onsterfelijken roem inoogsten.”
Gérard reisde van Doornik naar Delft; bijzonderheden op die reis voorgevallen zijn onbekend. In het begin van Mei 1584 bereikte hij Delft, waar de Prins geheel veilig scheen te zijn in het hart van Holland. Geen plaats scheen minder gevaarlijk voor ’t leven van Oranje, dan die oude, merkwaardige Hollandsche stad. Antwerpen was een kosmopolitische plaats, waar van alle oorden der wereld kooplieden en zeelieden elkander verdrongen en waar een sluipmoordenaar veel gemakkelijker zijn doel kon bereiken, zonder ontdekt te worden. Delft daarentegen, het kleine stadje, waar nagenoeg geen vreemdelingen kwamen, was er als het ware geheel op ingericht, om den Prins in zijn hoogst eenvoudige woning, het oude St. Agatha-klooster, te midden der zijnen levende, een zoo groot mogelijke veiligheid te verzekeren.
Doch voor een geboren verrader en bedrieger, voor een man zoo volleerd door jarenlange oefening, voor een virtuoos in de kunst van huichelen, was het zoo moeilijk niet, om zelfs in dien kleinen, huiselijken en trouwen kring zijn opzet te volvoeren. Hij wist zich namelijk onder den valschen naam van François Guyontoegang te verschaffen tot den hofprediker van den Prins, de Villiers, terwijl hij zich aanstelde als een Hugenoot, die ter wille van het geloof werd vervolgd. Hij deed een verhaal van een vervolgziek priester, die hem het leven ondragelijk gemaakt had en schreef, door de Villiers geholpen, den volgenden merkwaardigen brief aan Prins Willem, om zich in de gunst aan te bevelen van hem, wien hij het moordend lood in het hart zou jagen. De brief luidt aldus:
Doorluchtige Heer!“Aangezien de rede, gepaard aan het geloof en de gerechtigheid van God, aan zijn uitverkorenen gegeven is om hen boven alle andere schepselen te verheffen; zoo is waarlijk een iegelijk mensch, met deze genade toegerust ondankbaar als hij ze ongebruikt laat. En daar het den Heer heeft behaagd, door zijn oneindige goedheid mij uit zoovele andere te verkiezen, om Hem te dienen, zoo kan ik niet anders (inzonderheid in dezen alleszins rampzaligen tijd) dan mij metterdaad aangorden, om met de overige leden van zijne strijdende kerk (gelijk alle trouwe Evangeliedienaren verschuldigd zijn te doen) de moedige voornemens van Uwe Exc. te dienen en op alle mogelijke wijzen bij te staan. Zij toch draagt als hoofd en voorname beschermer sedert zoo langen tijd bijna al de moeiten en zorgen van ’s Heeren strijd; ook komen er nog andere redenen bij, die er mij toe bewegen, welke ik hier zal verzwijgen, om Uwe Exc. niet te vermoeien. Ik durf niet zonder Haar bevel de oorzaak melden van mijn komst herwaarts, weshalve ik Haar allernederigst smeek, dat Zij Haar Secretaris of eenigen anderen vertrouwde gelieve te gelasten, mij te hooren, te zien wat er van is en daarvan dan rapport te doen aan Uwe Exc, opdat zij er van gediend moge zijn, zoo het Haar goeddunkt.“Ik verzeker Uwe Exc. dat, zoo ik bij machte ware geweest iets beters tot Haar dienst uit te richten, ik mij daartoe zeer gaarne zou bemoeid hebben; want met geen ander doel heb ik zooveel wisselvalligheden en gevaren ondergaan. Ook hoop ik, dat het Haar welbehagen, waarom ik onderdanig bid, moge wezen mij toe te staan, van nu voortaan onder Haar overigheid den Heer zonder vrees des doods te dienen, daar in het land van mijn geboorte, als zulk een genade niet waardig, die vrijheid mij is benomen, ofschoon zij van Christus door het storten van zijn kostelijk bloed aan alle geloovigen is gegeven. Ik zal mij bevlijtigen, door mijn zeer nederige diensten mij de gunst waardig te maken, die het Uwe Exc. zal behagen mij daartoe te verleenen. Waarmee, Doorluchtige Heer, ik Gode bid, dat Hij Uwe Exc. in volmaakte gezondheid een lang en gelukkig leven schenke.Uit de stad van Delft, 6 Mei 1584.Van Uwe Exc. de zeer nederige en toegenegen dienaar voor altijdFrançois Guyon.”
Doorluchtige Heer!
“Aangezien de rede, gepaard aan het geloof en de gerechtigheid van God, aan zijn uitverkorenen gegeven is om hen boven alle andere schepselen te verheffen; zoo is waarlijk een iegelijk mensch, met deze genade toegerust ondankbaar als hij ze ongebruikt laat. En daar het den Heer heeft behaagd, door zijn oneindige goedheid mij uit zoovele andere te verkiezen, om Hem te dienen, zoo kan ik niet anders (inzonderheid in dezen alleszins rampzaligen tijd) dan mij metterdaad aangorden, om met de overige leden van zijne strijdende kerk (gelijk alle trouwe Evangeliedienaren verschuldigd zijn te doen) de moedige voornemens van Uwe Exc. te dienen en op alle mogelijke wijzen bij te staan. Zij toch draagt als hoofd en voorname beschermer sedert zoo langen tijd bijna al de moeiten en zorgen van ’s Heeren strijd; ook komen er nog andere redenen bij, die er mij toe bewegen, welke ik hier zal verzwijgen, om Uwe Exc. niet te vermoeien. Ik durf niet zonder Haar bevel de oorzaak melden van mijn komst herwaarts, weshalve ik Haar allernederigst smeek, dat Zij Haar Secretaris of eenigen anderen vertrouwde gelieve te gelasten, mij te hooren, te zien wat er van is en daarvan dan rapport te doen aan Uwe Exc, opdat zij er van gediend moge zijn, zoo het Haar goeddunkt.
“Ik verzeker Uwe Exc. dat, zoo ik bij machte ware geweest iets beters tot Haar dienst uit te richten, ik mij daartoe zeer gaarne zou bemoeid hebben; want met geen ander doel heb ik zooveel wisselvalligheden en gevaren ondergaan. Ook hoop ik, dat het Haar welbehagen, waarom ik onderdanig bid, moge wezen mij toe te staan, van nu voortaan onder Haar overigheid den Heer zonder vrees des doods te dienen, daar in het land van mijn geboorte, als zulk een genade niet waardig, die vrijheid mij is benomen, ofschoon zij van Christus door het storten van zijn kostelijk bloed aan alle geloovigen is gegeven. Ik zal mij bevlijtigen, door mijn zeer nederige diensten mij de gunst waardig te maken, die het Uwe Exc. zal behagen mij daartoe te verleenen. Waarmee, Doorluchtige Heer, ik Gode bid, dat Hij Uwe Exc. in volmaakte gezondheid een lang en gelukkig leven schenke.
Uit de stad van Delft, 6 Mei 1584.Van Uwe Exc. de zeer nederige en toegenegen dienaar voor altijdFrançois Guyon.”
Had Fruin geen recht, om van dien brief te schrijven: “Mij dunkt, indien er ooit weer sprake mocht zijn om Gérard tot heilige te verheffen, dan zal de advocaat van den duivel kunnen volstaan met dezen brief over te leggen. Zoo deze niet voldoende is, om den man, die hem schreef, tot geboren verrader en bedrieger te stempelen, faalt mijn oordeel niet alleen, maar ook mijn zedelijk gevoel.”
Eerst verwaardigde de Prins zich niet te antwoorden. Doch Gérard bleef met volharding op zijn verzoek aandringen en na eenige dagen werd de Villiers tot hem gezonden, ten einde hem eene audientie te verleenen.
Gérard was een kleine, magere figuur met een dik en leelijk gezicht; onbeduidendheid teekende zijn geheele verschijning. Parma had het voor onmogelijk gehouden, dat zulk een kerel eenige moedige daad zou kunnen verrichten. Maar juist die ellendige verschijning deed zijn verhaal van vervolging te Delft geloofwaardig voorkomen. Het was met de grootste zorg door hem samengesteld. Elke bijzonderheid daarvan was zoo lang door hem overwogen, dat hij het nu heel natuurlijk en overtuigend kon vertellen.
Hij was—zoo beweerde hij—uit Besançon geboortig en heette François Guyon. Zijn ouders, beiden Hugenoten, waren om hun godsdienst uit hun plaats verbannen. Later naar Besançon teruggekeerd, op beter tijden hopende, werden ze tegelijk met andere arme ballingen, die in Juni 1575 in die stad waren verrast, ter dood gebracht. Hij, François, had van de Papisten allerlei beleedigingen moeten verdragen, omdat hij volhardde in het verboden geloof en daarom besloot hij elders een toevluchtsoord te zoeken, waar hij God naar zijn geweten kon dienen. Twee jaar te voren was hij in Luxemburg aangekomen, op zijn reis naar den Prins; daar was hij ziek geworden en door zwakheid en armoede verhinderd zijn reis te vervolgen. Hij trad toen in dienst bij zijn neef Dupré, secretaris van Mansfelt. “Daar het mij echter voorkwam, dat geheime godsvereering den Heer zou mishagen en ik vreesde, dat mij dientengevolge iets kwaads zou overkomen, verliet ik mijn meester, na eerst afdrukken van de zegels van graaf Mansfelt genomen te hebben.”
Er was namelijk in Mansfelts dienst een zekere priester uit Brussel, die argwaan koesterde omtrent zijn waarneming van katholieke kerkgebruiken, en om te ontsnappen, had hij toen voorgewend naar Trier te gaan, om met Paschen zijn communie te houden. De priester volgde hem daarheen, was achter de waarheid gekomen en had getracht, zich van zijn persoon meester te maken. Gérard had zich tegen dien man verdedigd, vluchtte uit Trier en was zoo in Holland gekomen. Hij was in staat, den Prins belangrijke diensten te bewijzen en om de waarheid zijner woorden te bevestigen, haalde hij een pak met Mansfelts zegels uit zijn mouw.
Ziedaar zijn verdichte geschiedenis; alles valsch, uitgezonderd het feit van zijn dienst bij Dupré en zijn reis naar Trier. Hij had zich dat verhaal zoo eigen gemaakt en zoo met plaatselijke tinten opgesierd, dat hij in ’t minst niet in tegenspraak met zich zelven kwam en het voor zuivere waarheid werd aangenomen.
De Prins stelde wel belang in hetgeen de Villiers vertelde, maar zag niet in wat hij persoonlijk aan de zegels van Mansfelt had. Toch kon maarschalk de Biron,die gouverneur van Kamerijk was geworden, er misschien van gebruik maken, om paspoorten te geven. Vandaar, dat Oranje Noel de Caron, gezant van de Staten-Generaal in Frankrijk, opdroeg, om den gewaanden Guyon in zijn gevolg te nemen, die dan aan Biron de zegels zou kunnen overhandigen. Dit strookte echter niet met Gérards plannen; hij moest in Holland blijven. Toch ging hij mee, om argwaan te voorkomen, maar trachtte door twist met de bedienden van Caron te zoeken, gedaan te krijgen, dat hij naar Holland werd teruggezonden. Toen stierf juist Anjou te Château-Thierry en dit gaf Gérard aanleiding zijn patroon te vragen, hem als overbrenger van de doodstijding naar den Prins af te vaardigen. Dat werd toegestaan en toen haastte hij zich, naar Delft terug te keeren, hopende dat thans de lang gezochte gelegenheid zich zou aanbieden, om zijn opzet te volvoeren. Hij kwam aan het Prinsenhof, gaf de depêches voor den Prins over, die, hoewel nog op zijn slaapkamer, onmiddellijk verlangde, nadere bijzonderheden omtrent Anjou’s dood uit den mond van den bode zelf te vernemen.
Later verklaarde Gérard, dat hij toen tot zijn spijt ongewapend was. Hij moest een gelegener oogenblik afwachten, als hem de opdracht zou worden gedaan, het antwoord van den Prins aan Caron te brengen. Ondertusschen bleef hij in Delft en speelde zoo goed zijn rol als Calvinist, dat niemand den minsten argwaan koesterde. Hij bracht zijn tijd door met naar de kerk te gaan en te bidden; nooit werd hij gezien zonder psalm- of gebedenboek. Men vond later twee boeken in zijn bezit, een van den Hugenootschen dichter Bartas en een van Beza. Aan den concierge van het Prinsenhof vroeg hij een bijbel ter leen en wist zich op die wijze bij verschillende leden van de gemeente in te dringen, die hem allen voor een oprechten Calvinist aanzagen.
Toen hem nu gevraagd werd, met het antwoord aan Caron naar Frankrijk terug te gaan, wendde hij, terwijl hij bezig was de uitgangen van het Prinsenhof op te nemen, groote armoede voor en liet als bewijs daarvan zijn oude schoenen zien. Oranje liet hem daarop op 8 Juli een som gelds ter hand stellen. Van dat geld kocht hij van een soldaat van de lijfwacht, Réné genaamd, eenpistool; doch daar hem bij onderzoek bleek, dat dit ketste, kocht hij nog twee andere pistolen van den onderofficier de la Forest, die in de compagnie van kapitein Caulier diende. Daarmee oefende hij zich een paar malen; hij trachtte zich toen van kettingkogels te voorzien en had nog ruzie met een soldaat van de garde, die ze weigerde voor hem te maken. Met een en ander ging Maandag de 9eJuli voorbij. Den volgenden dag zou hij de aanslag doen.
Geheel onbewust van het gevaar, dat hem bedreigde, volgde de Prins dezelfde gewoonten als altijd. Wel was hij vol angst en zorg in die dagen, maar vrees voor eigen persoonlijke veiligheid kwelde hem niet. Vooral Vlaanderen bekommerde hem zeer; Gent was het tooneel van een strijd, zooals de woelige stad nog nimmer had beleefd. Door Parma hoe langer hoe meer ingesloten, was er een Spaansche en anti-Spaansche partij in de stad zelve en Hembyze stond aan het hoofd der eerstgenoemde. Wel werd deze in den loop van den zomer van verraad beschuldigd en ter dood gebracht, maar in September moest de stad voor Parma bukken.
Ook Antwerpen werd reeds in den zomer van 1584 bedreigd. Het fortLiefkenshoek, dat door de Staten tot bescherming van Antwerpen gebouwd werd, viel op den dag van den moord van Oranje in Parma’s handen. Dat de Prins zich dus in die dagen bezighield met overleg omtrent nieuwe plannen, om Vlaanderen en Brabant te hulp te komen, behoeft geen nadere aanwijzing. Daarbij zagen wij, hoe Oranje in die laatste maanden van zijn leven, met de Staten van Holland over zijn verheffing tot het graafschap onderhandelde. Wat zijn briefwisseling aangaat, de laatste brieven, die hij schreef, en ons althans bekend zijn, waren gericht aan Catharina de Medicis en aan Koning Hendrik III van Frankrijk; het waren condoleantiebrieven, naar aanleiding van den dood van Anjou. Die dood was ongetwijfeld voor den Prins een groote misrekening en zeker zijn de zestien dagen, die nog verloopen zouden voor zijn eigen sterven, dagen geweest van groote bekommering over de vraag, wat thans te doen, nu het met de Fransche alliantie gedaan scheen.
In Mei of Juni schijnt de Prins er over gedacht te hebben, zijn uitersten wil te maken en hij raadpleegde verschillende personen daarover, maar het kwam niet tot de daad. Mogelijk dacht hij wel, dat het kon wachten, totdat de zaak van het graafschap geregeld zou zijn.
Gérard was voldoende bekend geworden met de inrichting en gewoonten van het huishouden van Oranje; hij kende de uren van de maaltijden en derhalve de oogenblikken, waarop de Prins de gangen van het Prinsenhof doorging. Op dien Dinsdag, den 10enJuli, wachtte hij aan den voet van de trap het oogenblik af, waarop de familie tusschen twaalf en een uur aan den maaltijd zou gaan. Toen de Prins hem voorbij ging, vroeg Gérard hem om zijn paspoort. Louise de Coligny hoorde die vraag en zag den man in het gelaat; ze ontving daarvan zulk een ongunstigen indruk, dat ze haar echtgenoot nog waarschuwde en vroeg, wie hij was. Niets kwaads vermoedende, antwoordde hij, dat die man een depêche moest overbrengen en hij gaf bevel, hem zijn paspoort gereed te maken. Toen ging het gezin aan den maaltijd. Die oogenblikken gebruikte de moordenaar om zijn pistolen te gaan halen; het een laadde hij met twee, het ander met drie kogels. Een paar minuten later had hem iemand uit de stallen zien komen. Hij keerde terug, plaatste zich bij de deur der eetkamer, tegen een pilaar leunende. De beide pistolen waren in zijn gordel aan den linkerkant gestoken en zijn mantel, die naar beneden hing, bedekte ze.
Oranje had aan tafel den burgemeester van Leeuwarden, Rombert Uylenburgh, bij zich. Die moest verschillende zaken van Friesland met hem bespreken. Hij was dien dag de eenige vreemdeling. De Prinses van Oranje, de zuster van den Prins, gravin Schwarzburg en drie dochters van Oranje maakten deel uit van het gezelschap. De belangen van Friesland waren bovenal het punt van gesprek geweest gedurende den maaltijd. Toen zij ongeveer één uur des namiddags van tafel opstonden, kwamen kolonel Morgan, een Engelschman en een paar andere menschen binnen. Oranje sprak eenige woorden met den kolonel en ging met Uylenburgh de kamer uit. Nauwelijks was hij buiten de deur, of de moordenaar kwam te voorschijn en terwijl hij hem herinnerde aan zijn verzoek, schoot hij het pistool af, welks kogel Oranje de borst doorboorde.
Weinig oogenblikken daarna gaf hij den geest. De laatste woorden, die hij sprak, waren een bewijs van zijn innige godsvrucht, zoowel als van zijn liefde tot het vaderland. Die woorden: “Mon Dieu, mon Dieu, ayez pitié de moi et de mon pauvre peuple!” zijn een dierbare nalatenschap voor het Nederlandsche volk. Aan de echtheid dier woorden valt niet te twijfelen. Wel kan men van de eerste verhalen af, die van den moord van den Zwijger zijn gegeven, den invloed ontdekken van den geest der schrijvers, die dien moord verhaalden.
Men heeft n.l. beweerd dat de Prins zou gestorven zijn, zonder iets te zeggen. Zelfs een later bewerker van een oud verhaal van een Delftsch katholiek schreef: “De Prins is terstond neergevallen en heeft niet langer dan den tijd van een paternoster zijn lippen een weinig geroerd, alzoo zijn oproerig leven met een onzaligen dood besluitende.”
Volgens Fruin mag echter het Nederlandsche volk zich die laatste woorden door geen onrechtmatigen twijfel laten betwisten en bestaat er geen grond om aan de echtheid daarvan te twijfelen. De lijkschouwing heeft geleerd, dat de Prins niet in het hart getroffen en dus niet onmiddellijk is gestorven. Behalve de heer van Malderé, zijn stalmeester, die den doodelijk gewonde in zijn armen opving was ook de Leeuwarder burgemeester van Uylenburgh bij het sterven tegenwoordig; deze schreef op denzelfden 10enJuli een brief aan de magistraat te Leeuwarden met bijzonderheden over den moord. De algemeene mare, dat de Prins de schoone woorden gesproken had, bestond van het eerste oogenblik af. Vosberghen, die op denzelfden dag aan de regeering te Veere schreef, verhaalt, dat de Prins zei: “Mon Dieu, mon Dieu, ayez pitié de moi et du pauvre peuple,” terwijl de oudste verhalen ze eveneens vermelden. “Zelden,” zegt Fruin, “treft men ten opzichte van eenig woord zulk een eenstemmigheid aan.”
De moordenaar had, al was hij ten volle bereid zijn daad met den dood te boeten, niets verzuimd, om te kunnen ontsnappen, indien hem de gelegenheid was geboden. Hij was geheel op de hoogte van de lokaliteit. Hij had twee blazen en een buis bij zich, om die op te blazen, waarvan hij gebruik hoopte te maken om de grachten achter het oude klooster over te zwemmen. Vlak buiten de stad stond een paard, geheel gezadeld, gereed op hem te wachten. Zoodra hij geschoten had, sprong hij de vier treden van den ingang tot het plein ineens af en verloor in die haast zijn tweede pistool. Hij kwam nog door de stallen en had juist de kleine laan, nu de schoolstraat genoemd, die naar den wal leidde, bereikt, toen hij struikelde en viel. Toch gelukte het hem, den top van den walmuur te bereiken en was hij op het punt in de gracht te springen, toen een lakei en een hellebaardier hem beetgrepen. Een van dezen riep: “Jij schavuit!”—“Ik ben geen schavuit,” hernam hij, “ik heb alleen des konings bevelen gehoorzaamd.”—“Van welken koning?”—“Van den koning van Spanje, mijn meester!” Ze brachten hem terug naar het Prinsenhof en daar in de deurwachterskamer binnengebracht, vroeg hij papier en inkt en schreef zijn confessie. Die confessie is eeuwenlang verloren geweest, doch eerst in een afschrift in 1852, later als origineel in 1862 teruggevonden, tegelijk met de oorspronkelijke verhooren.
De tegenwoordigheid van geest van den moordenaar was verbazend. In dit document vertelde hij de geheele waarheid wat hem zelf aanging, maar gaf geen aanleiding om te doen meenen, dat Parma hem had gemachtigd; en evenmin maakte hij er gewag van, dat de Jezuïet te Trier en de geestelijke te Doornik zijn plan hadden goedgekeurd. Hij toonde niet het minste berouw, maar verklaarde integendeel, dat, al was hij ook duizend mijlen van Delft verwijderd, hij zou terugkeeren om den aartsketter, die een pest voor het land was geweest, te dooden. Vier dagen achtereen werd hij daarop gruwelijk gepijnigd, om hem tot verdere bekentenis te brengen; doch hij bleef met een standvastigheid, een betere zaak waardig, volharden in zijn geloof, dat hij een rechtvaardige daad had bedreven; en al laadde hij op niemand anders de schuld van zijn bedrijf, hij ontkende toch niet bij het scherper verhoor, dat Parma van zijn aanslag had geweten en dat de Jezuïet en de geestelijke hem hadden gezegend.
Op den 13enJuli werd zijn vonnis uitgesproken, en op den 14enwerd hij ter dood gebracht met al de afschuwelijkheid, die, den tijdgeest eigen, hier in volle mate werd toegepast. Hoe weinig die gruwelijke terdoodbrenging, die wij in haar bijzonderheden onzen lezers sparen, met den geest van zijn slachtoffer overeenkwam, blijkt voldoende uit de edele tusschenkomst van den Prins voor Jaureguy en de zijnen, waarover wij vroeger reeds spraken. En zonder een klacht te slaken, stierf hij. Dat feit wordt zelfs bevestigd door Aerssens, die in zijn brief naar Brussel o.a. schrijft: “Nooit heb ik zulk een standvastigheid in het lijden bijgewoond, geen ai mij! ontglipte zelfs den lijder.” De beulen schreven die Spartaansche hardnekkigheid aan tooverij toe; de katholieken, die niet alleen zijn standvastigheid, maar zelfs zijn zachtmoedigheid roemen, beschouwen hem daarom als een martelaar, die een heiligverklaring verdiende.
Granvelle gaf in deze woorden zijn blijdschap te kennen over den welgelukten aanslag: “Alençon en Oranje”—zoo schreef hij aan zijn neef den Prins van Bellefontaine—“zijn nu, waar ze zijn. Men zal het martelaarschap dat onze goede Bourgondiër heeft geleden, die zulk een heldendaad heeft verricht, wel dankbaar erkennen.” En aan Don Juan de Idiaquez schreef dezelfde kardinaal: “Alençon is op den 10enJuni en Oranje op 10 Juli gestorven; als nu op den 10enAugustus de koningin-moeder Catharina de Medicis sterft, dan zal het verlies gering zijn.”
De priesterschap gaf uiting aan haar haat tegen Oranje en verhief den dood van den ellendigen moordenaar ten hemel. Toch waren er enkele steden, ook in het Spaansche kamp, waar de blijdschap niet algemeen was. In den Bosch werd een feestviering, die men voor had, verhinderd door de gemeente en waren de kanunniken verplicht, alleen in de kathedraal hun Te Deum te zingen, maar dit Te Deum, zeggen enkele schrijvers, scheen geen goedkeuring in den hemel te vinden, want op den avond daarna werd de toren van de kerk door den bliksem getroffen, terwijl geen ander huis in de stad werd beschadigd.
Parma wenschte, toen hij den koning bericht gaf van den moord, hem geluk, dat zulk een gevaarlijk man, die zooveel kwaad aan de Christenheid, aan den godsdienst en aan den koning had berokkend, thans de straf ontvangen had, zijne misdaden waard. Hij beloofde in dien brief ook, dat hij de bloedverwanten vanden heiligen moordenaar zou trachten uit te vinden, opdat die de belooning, door die dappere daad verdiend, zouden kunnen ontvangen. Een van Gérards broeders haastte zich naar de Nederlanden om de 25.000 kronen op te eischen, die hun thans wettig toekwamen. Parma drong daarop bij Filips aan, maar de koninklijke schatkist was niet ruim voorzien. Hij stelde daarom voor, aan de familie Gérard een aequivalent te geven in enkele der verbeurdverklaarde goederen van Oranje in Bourgondië, met het gevolg, dat de drie heerlijkheden van Lievremont, Hostal en Dammartin in Franche-Comté aan die familie werden geschonken. De brieven van adeldom aan de vier broeders en drie zusters van Balthasar Gérard en hun wettige nakomelingschap gegeven, dragen den datum van 4 Maart 1589.
Toen Filips Willem, graaf van Buren, in 1595 naar de Nederlanden terugkeerde, werden die goederen op hem weder overgebracht en ontvingen de Gérards een geldelijke schadeloosstelling. Voltaire zegt, dat de adelbrieven van die familie zijn teruggetrokken, toen Franche-Comté bij Frankrijk kwam.
Een donkere wolk van neerslachtigheid hing over Holland; maar weinig verwarring was er, zelfs in Delft, op het bericht van ’s Prinsen dood. De vrees voor een wijdvertakt verraad, die in Maart 1582 bij den aanslag van Jaureguy heerschte, toen men zelfs de Fransche bondgenooten verdacht van medeplichtigheid, bestond thans niet. De confessie van Gérard sprak duidelijk. De Staten-Generaal namen onmiddellijk het gezag, dat ze aan den Prins hadden willen geven, tot zich, en schreven, in hun souvereiniteit, brieven naar Engeland, Frankrijk, Duitschland en de steden, terwijl ze de Prinses van Oranje en Maurits hunne condoleantie aanboden.
Het lijk van den vermoorde bleef tot 3 Augustus boven aarde staan. Gedurende dien tijd waren er, die een portret van den afgestorvene wilden vervaardigen, doch de Staten verboden dat, uit vrees, dat de vijand het bespottelijk zou maken, als het soms in zijn handen viel. Een zekere Chr. Janszoon van Bieselingen vervaardigde trots dit verbod toch een kleine schets van den Prins gelijk hij op zijn doodbed lag en de gelijkenis werd zeer geprezen. Die schets schijnt verloren te zijn, want het moet betwijfeld worden, of het schilderijtje, waarop het hoofd van den gestorven Prins is afgebeeld en dat nog heden in het Prinsenhof hangt, hetzelfde is als dat van van Bieselingen.
Op den 3enAugustus begeleidde een breede optocht het lijk door de straten der in rouw gedompelde stad naar zijn laatste rustplaats in de groote, toen de nieuwe kerk. Voorop gingen de burgers met neerhangende vlaggen, omgekeerde wapens en zwijgende trompetten. De lijkwagen was bespannen met acht paarden, met zwarte kleederen bedekt, waarop de wapens van Breda, Vlissingen, Châlons, Diest, Vianden, Catzenellenbogen, Nassau en Oranje geborduurd waren. De lijkkist werd een eind weegs gedragen door twaalf edellieden. Maurits ging te voet daar achter; hij was gehuld in een langen zwarten mantel, waarvan de sleep door zijn voogd gedragen werd. Daarop volgden verscheidene familieleden en de Staten-Generaal, de Raad van State, de leden van den Hoogen Raad van Holland, andere leden van het gouvernement, al de officieren van Delft enz. Zoo werd het dierbaar overschotnaar de nieuwe kerk gebracht en in de aarde gelegd. Toen werd er een korte preek gehouden over Openb. XIV : 13. “Zalig de dooden die in den Heer sterven van nu voortaan; ja, zegt de geest, opdat ze rusten mogen van hun arbeid en hun werken volgen hen.” Ieders oog was week van tranen en ook de kinderen schreiden op de straten. De man, die zoo was veroordeeld, misverstaan, en slecht ondersteund door hen, voor wier zaak hij geleefd had, was heengegaan en het volk rouwde om zich zelf, terwijl het rouwde om hem.
Alzoo was de loopbaan van den Prins van Oranje; zijn levensdraad werd afgesneden op den leeftijd van 51 jaar, twee maanden en 15 dagen. Door geenerlei ziekte verzwakt, gezond van gestel, zou hij nog vele jaren lang in den gewonen loop der gebeurtenissen zijn leven hebben kunnen voortzetten. Middelmatig van lengte en mager, was hij toch goed gebouwd. Zijn hoofd was breed, maar goed geproportioneerd, zijn gelaat schraal, zijn neus was groot met wijde neusgaten, zijn uitzicht donker, zijn oogen bruin met een vriendelijke uitdrukking. Hij droeg zijn donkerbruinen baard een weinig gepunt. Als jong man was zijn haar van dezelfde kleur als zijn baard, dik en weelderig gegroeid. Later was het dunner geworden en droeg hij een klein kapje. Op vier-en-dertig-jarigen leeftijd beschreef hij zich zelf als een Calvinist, calbo y calbanista, waarvan de woordspeling in onze taal niet kan worden weergegeven.
Slot.De beschrijvingen van het uiterlijk van den Prins van Oranje stemmen tamelijk wel overeen. Niet aldus het oordeel over zijn karakter. Zelfs is bijna geen historisch persoon van beteekenis zoo verschillend beschreven als hij. Door zijn vijanden werd hij gehaat, door vroegere geschiedschrijvers uitbundig geprezen of belasterd en weinig door zijn warmste aanhangers begrepen. Volgens mijne meening zat er in zijn jeugd meer in hem dan hij zelf wist en kwam de werkelijke waarde van zijn karakter eerst langzaam te voorschijn. Misschien is het goed voor een man, een onbezorgde jeugd zonder veel verantwoordelijkheid te hebben. In een zekeren zin had hij die nooit. Zijn later gebrek aan spontaneïteit, het berekenend element van zijn karakter, zoo onaantrekkelijk bij een jongen man, waren zeker het gevolg van zijne vroegtijdige verantwoordelijkheid. Hij dacht voor hij handelde en bij zijn handelingen werd hij door verreikende beweegredenen geleid; politiek was de voornaamste bron van al zijne daden. Langs politieken weg ontwikkelde zich zijn edele gezindheid.Over het geheel genomen was Oranje in zijn latere jaren een beter man dan hij beloofde te zijn in de dagen, toen hij het troetelkind der fortuin aan het hof van Karel V was, toen het lot hem vriendelijk tegenlachte en zijn pad gemakkelijk scheen. In die dagen was hij wereldsch en eerzuchtig, zeer gewillig om zijn levensboot te sturen overeenkomstig de winden, die uit het Zuid-Westen van het hof van Spanje waaiden, wanneer daarvan voordeel voor zich of zijn familie te wachten was. Want persoonlijke eerzucht was het niet alleen. De Nassau’s hadden een groot familiezwak en waren zeer aan elkander gehecht; de hartelijkste gevoelens heerschten onder hen, gelijk elke brief van moeder en zoons, van broeder aan broeder ons bewijzen kan.Theologische begrippen bekommerden den Prins op vroegen leeftijd allerminst. Hoewel opgevoed in Luthersche denkbeelden, voegde hij zich geheel naar de praktijk van den hofkring, waarin hij zich bewoog. Om waarneming vangodsdienstige gebruiken gaf hij niet veel. In zijn huwelijk met Anna van Saksen kwam de plooiende aard van zijn karakter sterk uit. Tusschen de zandbanken van het ultra-katholicisme eenerzijds en de klippen van het Protestantisme aan den anderen kant zeilde hij heen, en hij bereikte zijn doel; het huwelijk werd evenmin door den meest katholieken koning veroordeeld, als dat het door Anna’s ultra-Lutherschen grootvader werd tegengehouden. Wat hij onder die omstandigheden kon doen, dat deed hij en bewees zijne onafhankelijkheid, zoover die toen in zijn vermogen lag. Doch het moet erkend worden, dat er zich in dat tijdvak in den jongen Prins geen heldennatuur openbaarde. Hij miste warmte en er smeulde in hem niet die levenwekkende vonk, die in staat is een vuur van sympathie te ontsteken.Of hij op het ontvangen der merkwaardige vertrouwelijke mededeeling van Hendrik II in het bosch van Vincennes, onmiddellijk besloot, zich aan de levenstaak te wijden, om godsdienstvervolging tegen te gaan, mag betwijfeld worden. Maar zeker begon er in dat jaar 1559 in de Nederlanden een haat te ontstaan tegen de vreemde overheersching; en ook de houding van Oranje veranderde tegenover dien souverein, voor wien hij als jong officier met het grootste geduld, in ’t aangezicht van den vijand, de forten Philippeville en Charlemont had gebouwd. De verantwoordelijkheid, die op hem als medelid der regeering rustte, begon in dat jaar mee te tellen.Zeker had de Prins toen nog niet den werkelijken geest van verdraagzaamheid, die hem in later tijd kenmerkte, maar hij gevoelde er afkeer van, een waardig volk slecht behandeld te zien. Toen Granvelle steeds onbeschaamder optrad, toen de scheidsmuur tusschen vreemdelingen en inboorlingen steeds hooger werd opgetrokken, toen de inquisitie als een roofvogel, niets dan kwaads voorspellende, zich vertoonde en zich boven het vredelievende, handeldrijvende en nijvere land nederzette, toen begon hij naar middelen uit te zien, om dien vogel uit zijn nest te verjagen. Het was niet, omdat hij de leerstellingen van het hervormd geloof was toegedaan, dat hij de poging haatte, om de vrijheid van het volk teonderdrukken, maar het was, omdat hij begon in te zien, dat het volk rechten had en dat een natie niet kon bestaan zonder het vermogen om adem te halen.De jaren tusschen 1563 en 1567 zijn zeer belangrijk voor de ontwikkeling van ’s Prinsen karakter. De brieven gewisseld tusschen Graaf Lodewijk en verschillende menschen in Duitschland, bewijzen duidelijk, hoe lang de weerstand tegen de tirannieke maatregelen werd voorbereid. Toch ging Oranje gedurende dat tijdvak standvastig voort, met zijn plicht te doen als stadhouder van den afwezigen koning en als vriend en raadgever van de regentes. Er is in dien tijd een zekere tegenstrijdigheid en onvereenigbaarheid tusschen zijn gemeenzame woorden en zijn uitingen van trouw aan den koning. Toch was hij reeds toen in zijn oordeelvellingen over Filips vrij en onbeschroomd, zoowel in brieven, die door hem in vereeniging met Egmond en Hoorne werden geschreven als in zijn eigen brieven, waarin hij duidelijk aan Filips te kennen gaf, dat zijn regeeringsmanieren niets goeds zouden uitwerken in een land, door den vrijen noordenwind bestreken, onder een volk, welks wereldhandel het reeds tot zelfstandig denken had opgevoed.Hij gaf zich geen rekenschap van al het voor en tegen, dat in zijn geest opkwam en zoo waren gedurende die jaren enkele zijner daden verre van idealistisch; doch terwijl ’s konings zegels hem nog waren toevertrouwd, deed hij ongetwijfeld zijn best, om den wil van Filips te volvoeren, al weigerde hij ook tot een zekere grens zijne gehoorzaamheid. Het keerpunt in zijn loopbaan was zijn vertrek uit de Nederlanden. De geheele toekomst zag hij niet—welk mensch kan dat? Langzaam ging hij voort van punt tot punt en langen tijd liet hij een weg open, om zich met den vorst te verzoenen, tegen wien hij het zwaard had opgenomen.Lang voor hij den katholieken koning afzwoer, verbrak hij de trouw aan de katholieke kerk. Na dien stap veranderden wel zijne godsdienstige uitingen, maar daarom was hij nog niet een godsdienstig man geworden in den zin, dat voor hem een godsdienstige overtuiging zijn steun en gids zou zijn, gelijk het dat wel was voor tallooze kleine luiden in de Nederlandsche gewesten, die zoowel in de oude kerk als onder het nieuw geloof vol blijmoedigheid vervolging verdroegen; of gelijk het dat was voor zijn moeder Juliana. Deze gevoelde, dat God alles bestuurde, dat Hij met alles een doel had, en dat elke aardsche gebeurtenis voor het bestwil der menschen plaats had, al kon men niet altijd begrijpen, waarom alles aldus geschiedde. Oranje hoopte, dat de hoogere machten met hem zouden zijn, maar hij geloofde in de noodzakelijkheid der menschelijke waakzaamheid. De overtuiging, dat er een dieperliggend geestelijk doel in Gods bestuur lag, ontstond zeer langzaam in zijn ziel. Hij geloofde in God en godsdienst en ook in uitwendigen eeredienst, maar hij gevoelde ook de tegenstrijdigheid van het aandringen op gelijkvormigheid van godsdienstige gebruiken; dit laatste was echter niet zijn vroegere meening.Nog minder theologisch dan ritueel was hij in die bij uitstek theologische eeuw. Hooft vertelt, dat hij, voor hij de Nederlanden in 1567 verliet, Lutherschen, Calvinisten en Anabaptisten opwekte, om tot een overeenkomst in geloof te komen, waaraan ze zich allen zouden kunnen houden. “Het geschil is te kleen, om dierhalve gesplijt te blijven.” “Laat toch die kleine verschilpunten u niet verdeelen,” zoo sprak hij. Voor hem waren de verschilpunten zeer klein en onwezenlijk; wat hij wenschte was, dat elk mensch datgene kon verkrijgen, wat hem het eene noodige scheen.In 1580 was Utrecht in hevige beroering door de prediking van Huibert Duifhuis. Toen trof het geval, dat de Prins een Zondag in de stad was en naar den dienst in de Jacobskerk ging, waar Duifhuis predikte. Dit ergerde velen en men vroeg hem, of hij daardoor wilde toonen, dat hij het met dien prediker eens was. “O neen”—hernam hij—“ik wilde alleen daarheen gaan, waar het best gepreekt werd en toen bracht men mij hier. Ik wist van den strijd niets. Het was een zeer goede preek, doch een volgenden keer zal ik den anderen predikant gaan hooren.”Waar de hervormde partij de bovenhand had, trachtte hij de katholieke kerkgebruiken te beschermen. Vervolging van Anabaptisten stond hij evenmin toe. Dat hooge standpunt werd noch door zijne broeders, noch door St. Aldegonde, die overigens het innigst met hem verbonden waren, ingenomen.Toch was die verdraagzaamheid geen onverschilligheid en geen gebrek aan godsdienst. Zijn schalksch, maar ondeugend gezegde, toen hij Anna van Saksen huwde, dat Amadis de Gaule de beste lectuur voor een jong meisje was, valt in zijn vroegere dagen. Op lateren leeftijd werd hij ernstiger van levensbeschouwing. Hij kon zich geen staat voorstellen zonder godsdienst als wezenlijk bestanddeel, doch dit moest volgens hem eene individueele zaak zijn. Mocht hij in zijn jeugd den godsdienst alleen om zijn doelmatigheid waardeeren, allengs steeg hij tot hooger en beter opvatting.De manier, waarop hij als diplomaat tusschen de Staten en de verschillende vreemde landen betrekkingen aanhield, was zeer verschillend van zijn zeilen tusschen de zandbanken in 1561. Ongetwijfeld duldde hij wel oogluikend transacties, die voor een zedelijke rechtbank niet waren te verdedigen.Het was de eeuw van de staatkunde van Macchiavelli en vele praktijken werden toen voor wettige staatkundige middelen gehouden, die, zooals Motley terecht opmerkt, door moderne staatslieden zouden worden veroordeeld, ook al worden ze nog wel toegepast.De school, waarin Oranje werd opgevoed, de hoven van Karel V, ook zijn zuster en zijn kinderen gaven hem vele middelen aan de hand, die hij met een goed oogmerk tegen zijn vijanden gebruikte. Van modern standpunt kon het niet als rechtmatig beschouwd worden, bijzondere dienaren van andere menschen om te koopen, teneinde achter de geheimen van dezen te komen. Dat is jarenlang door den Prins gedaan en daardoor was hij geheel op de hoogte van Filips’ gedachten. En toch waag ik het te zeggen, dat Oranje een veel hooger zedelijken standaard had. Als we zijn daden wegen op de schaal der toenmalige moraliteit en hem vergelijken met zijn tijdgenooten en gelijken als Elisabeth, Filips, Matthias, Johan Casimir, Catharina en haar zoons, dan moet worden erkend, dat zijne zedelijke daden zich uit hem zelf ontwikkelden en niet de gave waren van de eeuw, waarin hij leefde.De overdaad en eerzucht van zijn jeugd verdween voor de alles beheerschende aandrift van het eene denkbeeld, dat hem later bezielde. Elke penning, die hij bezat, elk voorwerp van waarde, dat zijn eigendom was, werd in de algemeene schatkist geworpen. De jaren van zijn onthouding en zorgen vormen een scherp contrast met den tijd, toen hij de meest fantastische maaltijden gaf, waarop zelfs de tafelkleeden van suiker waren. De tijd zou komen, dat hij er om moest denken, welk pak kleeren hersteld moest worden en dat hij, die open tafel had gehouden en de kwistigste gastvrijheid had getoond, de zuinigste berekeningen moest maken, om nog een klein geschenk te kunnen geven en te overleggen, welk tafelservies van waarde kon worden uitgespaard. Zeker later gaven de Staten-Generaal hem verschillende geschenken; maar de sommen daarvoor noodig, waren op verre na niet gelijk aan hetgeen hij had uitgegeven. Het bedrag aan graaf Jan alleen verschuldigd, bedroeg in het jaar 1594 nog 1.400.000 fl.Liggend beeld van den Prins op de graftombe te Delft, door Hendrik de Keyser. 1566–1621.Liggend beeld van den Prins op de graftombe te Delft, door Hendrik de Keyser. 1566–1621.Zijne vijanden hebben tot heden niet opgehouden, hem van eerzucht te beschuldigen. Die beschuldiging is zoo onwaar, dat juist het gemis van die eerzucht tot schade is geweest van de algemeene zaak, toen er in het land een vaststandpunt gewonnen was. Had Oranje even sterk geloofd in de onafhankelijkheid van de Nederlanden, als hij geloofde in haar eenheid; had hij zelf ook in naam willen zijn, wat hij in de daad was, het hoofd der regeering, dan zou er eenige jaren vroeger een grondwettig bestuur gevestigd zijn. Oorspronkelijk ontbrak het den Prins waarlijk niet aan ambitie, getuige zijn zucht in Granvelle’s tijd, om Ruwaard van Brabant te worden. Toen echter Holland en Zeeland hem later tot graaf wilden verheffen, berustte hij slechts met tegenzin in dien wensch. Waarschijnlijk kwam de beschuldiging van eerzucht hem meermalen ter oore en was dat een der redenen waarom hij zich zelf niet op den hem toekomenden voorgrond plaatste, maar allerlei vreemde, inzonderheid Fransche beschermers voor de gewesten zocht. Al de betrekkingen, die hij bekleedde, waren tijdelijk en ad interim; hij zelf maakte die bepalingen. Kortom, zijn belangeloosheid en onbaatzuchtigheid worden door alles duidelijk bewezen.In zijn bizonder leven was de Prins geliefd en geacht door zijne familie, al bestond er ook een meer gemeenzame verhouding tusschen zijn dochters en hun vaderlijken oom Jan van Nassau, bij wien ze hun jonge jaren hadden doorgebracht. De namen van de twaalf kinderen van den Prins spiegelen de verschillende phasen van zijn loopbaan af. Filips Willem ontving zijn naam van den man, die in 1554 de rijzende zon kon worden genaamd. Ondertusschen hield deze peetvader hem jaren lang in Spaansche gevangenschap en gaf hem een Spaansche opvoeding.Maria, de koningin van Hongarije, de landvoogdes, onder wie Oranje zijne eerste wapenfeiten verrichtte, werd door hem vereerd bij de naamgeving zijner dochter Maria. Anna van Saksen wilde haar kinderen: Anna en Maurits naar zich zelf en naar den grooten keurvorst noemen en Oranje bestreed dien wensch niet. De oudste dochter van Charlotte van Bourbon heette Juliana, naar Oranje’s moeder. De tweede ontving haar naam van koningin Elisabeth in de dagen, dat men hoopte, dat Engeland de arme Nederlanden zou ondersteunen. Catharina Belgica, Charlotte Flandrina, Charlotte Brabantina en Emilie Antwerpiana ontvingen hare Zuid-Nederlandsche namen in den tijd, dat de Prins nog hoop had op een vereeniging van Noord en Zuid. Zijn twaalfde kind werd geboren in een tijd, toen er een donkere wolk hing over Oranje’s verhouding tot het huis van Valois. De gelegenheid werd aangegrepen om te toonen, dat hij wel Fransche protectie, maar geen katholieke bescherming wilde. Daarom werden de koning van Denemarken en de koning van Navarre, de latere Hendrik IV, de peetvaders van Frederik Hendrik.Wat door zijn geheele briefwisseling heenstraalt, is niet zijn onafhankelijkheid en zijn zelfvertrouwen, maar veeleer zijn behoefte aan sympathie van de zijde dier menschen, op wier oordeel hij uit eenig oogpunt vertrouwen stelde. Zijne scherpzinnigheid wordt door vriend en vijand erkend. Terwijl hij wonderlijk bij de hand was, om de middelen te gebruiken, die hij had, om zich te voegen naar de actueele omstandigheden, waarin hij verkeerde, in plaats van zijn weg door theorieën en hypothesen af te bakenen, toonde hij een merkwaardige vasthoudendheid om bij zijn doel te volharden, ook al werkten de omstandigheden niet mee en een buitengewone bekwaamheid om kalm te blijven, als alles tegen hem was. Donkere wolkentrokken over zijn hoofd; onbewogen bleef hij onder het gemor en de ontevredenheid zijner minderen, onder den nijd en de jaloezie zijner gelijken, onder den haat en de vervolging van den kant zijner meerderen.Algemeen is het getuigenis, dat zijn manieren levendig en bekoorlijk waren en dat hij daardoor vele vrienden won. Vooral aan tafel ontspande hij zich gaarne door aangename gezelligheid en dan wierp hij voor een uur den last van zijn arbeid van zich af en hij vermaakte zich zoo met scherts en luim, dat het scheen, alsof hij door geen enkele zwarigheid werd gedrukt. “Sommige wijsneuzen,” zegt Hooft, “ergerden zich daaraan, niet bemerkende, dat hij den kommer menigmalen met nagebootste blijdschap bedekte. Om geen afkeer van ’t gebruik des landaards te toonen, dronk hij somtijds wel een duitschen dronk, maar zijn wezen bleef tot het laatste toe hetzelfde en zijn verstand was op zijn stel. In latere jaren was de dischvreugd schier zijn eenige ontspanning; in spelen, rijden en jagen had hij geen lust meer. De overige uren bracht hij door met blokken en zorgen.” Hoe onvermoeid zijn ijver was, is genoegzaam door ons aangetoond. Er waren weinig menschen in dien tijd, toen er zooveel geschreven werd, die zoo onvermoeid waren in dat deel der staatkunde als Willem van Oranje en Filips van Spanje.Een der meest gewone lasteringen omtrent ’s Prinsen karakter is de beschuldiging van vreesachtigheid geweest. Die wordt zoo vaak herhaald, dat het mogelijk is, dat hij van temperament niet zoo moedig geweest is als een soldaat voegt, doch des te meer eere dan, dat hij een natuurlijke neiging zoozeer heeft overwonnen. Want voor gevaren deinsde hij waarlijk niet terug. Onder de oogen van den vijand bouwde hij reeds in zijn eerste krijgsjaren forten. In de veldtochten van 1568 en 1572 spaarde hij zich zelf niet. Hij ging kort na de belegering naar Leiden, toen de pest daar nog met al haar verschrikkingen heerschte en gedurende de laatste jaren van zijn leven vervolgde hij onverschrokken zijn weg, al wist hij ook dat er moordenaars achter de gordijnen konden verscholen zijn. Er wordt niet gemeld, dat hij eenige bijzondere voorbehoedmiddelen tegen dat gevaar nam. Wel was hem een buitengewone lijfwacht geschonken, maar die was niet voortdurend tot zijn bescherming aanwezig; ook droeg hij geen maliënkolder. Zijn vrouw moest hem vragen, in Brussel ’s avonds niet uit eten te gaan, en de moordenaar Gérard was verbaasd, dat hij op zijn slaapkamer, terwijl hij te bed lag, bij hem werd toegelaten; zoowel die vrouwelijke voorzorg, als die verloren gelegenheid van den moordenaar, bewijzen wel, dat de Prins niet voortdurend om zijn eigen veiligheid dacht, gelijk een lafhartig mensch gedaan zou hebben.Wat zijne wapenfeiten aangaat, ongetwijfeld stonden Alva en Parma veel hooger dan hij in militaire kennis; doch beiden wist hij toch ook om den tuin te leiden; Requesens werd door hem ontmoedigd en met groote bekwaamheid maakte hij vaak gebruik van de omstandigheden. Zoo was het ontzet van Leiden zijn denkbeeld en dit was een zeer oorspronkelijk idee, dat zelfs de Spaansche veteranen verraste. Toch was de oorlogswetenschap der 16eeeuw niet wat ze, na Gustaaf Adolf, in de 17eeeuw werd. Oranje’s technische bekwaamheid in militaire zaken was echter ver beneden die van zijn tijdgenooten en bestrijders en ook benedendie van zijn zoon Maurits. Des te meer komt hem eere toe voor de steden, die hij won en den grond, dien hij behield.Zijn natuurlijke voorliefde had zeker de staatkunde meer dan de krijgskunde. Militaire operaties verrichtten anderen, maar alle draden van de regeering waren in zijne hand. Zijn persoonlijke invloed werd in elke daad gevoeld. Was hij tegenwoordig, dan zeilde het schip van staat; was hij afwezig, dan liep het op de zandbanken van plaatselijke jaloezie of op de klippen van gewestelijke vooroordeelen. Geen staatsman had ooit duidelijker visie van persoonlijke rechten en van nationale eenheid dan Willem van Nassau en zelden zijn er zulke heldere gedachten over de beginselen van de regeering eener confederatie geuit, als de tallooze uitspraken daaromtrent van de lippen van den beroemden Zwijger.(Sluit aan bij geslachtsregister tegenover pag.280)Bij het samenstellen van de geslachtsregisters ontving ik de zeer welwillende medewerking van Prof. Dr. F. J. L. Krämer, Directeur van het Koninklijk Huisarchief.
De beschrijvingen van het uiterlijk van den Prins van Oranje stemmen tamelijk wel overeen. Niet aldus het oordeel over zijn karakter. Zelfs is bijna geen historisch persoon van beteekenis zoo verschillend beschreven als hij. Door zijn vijanden werd hij gehaat, door vroegere geschiedschrijvers uitbundig geprezen of belasterd en weinig door zijn warmste aanhangers begrepen. Volgens mijne meening zat er in zijn jeugd meer in hem dan hij zelf wist en kwam de werkelijke waarde van zijn karakter eerst langzaam te voorschijn. Misschien is het goed voor een man, een onbezorgde jeugd zonder veel verantwoordelijkheid te hebben. In een zekeren zin had hij die nooit. Zijn later gebrek aan spontaneïteit, het berekenend element van zijn karakter, zoo onaantrekkelijk bij een jongen man, waren zeker het gevolg van zijne vroegtijdige verantwoordelijkheid. Hij dacht voor hij handelde en bij zijn handelingen werd hij door verreikende beweegredenen geleid; politiek was de voornaamste bron van al zijne daden. Langs politieken weg ontwikkelde zich zijn edele gezindheid.
Over het geheel genomen was Oranje in zijn latere jaren een beter man dan hij beloofde te zijn in de dagen, toen hij het troetelkind der fortuin aan het hof van Karel V was, toen het lot hem vriendelijk tegenlachte en zijn pad gemakkelijk scheen. In die dagen was hij wereldsch en eerzuchtig, zeer gewillig om zijn levensboot te sturen overeenkomstig de winden, die uit het Zuid-Westen van het hof van Spanje waaiden, wanneer daarvan voordeel voor zich of zijn familie te wachten was. Want persoonlijke eerzucht was het niet alleen. De Nassau’s hadden een groot familiezwak en waren zeer aan elkander gehecht; de hartelijkste gevoelens heerschten onder hen, gelijk elke brief van moeder en zoons, van broeder aan broeder ons bewijzen kan.
Theologische begrippen bekommerden den Prins op vroegen leeftijd allerminst. Hoewel opgevoed in Luthersche denkbeelden, voegde hij zich geheel naar de praktijk van den hofkring, waarin hij zich bewoog. Om waarneming vangodsdienstige gebruiken gaf hij niet veel. In zijn huwelijk met Anna van Saksen kwam de plooiende aard van zijn karakter sterk uit. Tusschen de zandbanken van het ultra-katholicisme eenerzijds en de klippen van het Protestantisme aan den anderen kant zeilde hij heen, en hij bereikte zijn doel; het huwelijk werd evenmin door den meest katholieken koning veroordeeld, als dat het door Anna’s ultra-Lutherschen grootvader werd tegengehouden. Wat hij onder die omstandigheden kon doen, dat deed hij en bewees zijne onafhankelijkheid, zoover die toen in zijn vermogen lag. Doch het moet erkend worden, dat er zich in dat tijdvak in den jongen Prins geen heldennatuur openbaarde. Hij miste warmte en er smeulde in hem niet die levenwekkende vonk, die in staat is een vuur van sympathie te ontsteken.
Of hij op het ontvangen der merkwaardige vertrouwelijke mededeeling van Hendrik II in het bosch van Vincennes, onmiddellijk besloot, zich aan de levenstaak te wijden, om godsdienstvervolging tegen te gaan, mag betwijfeld worden. Maar zeker begon er in dat jaar 1559 in de Nederlanden een haat te ontstaan tegen de vreemde overheersching; en ook de houding van Oranje veranderde tegenover dien souverein, voor wien hij als jong officier met het grootste geduld, in ’t aangezicht van den vijand, de forten Philippeville en Charlemont had gebouwd. De verantwoordelijkheid, die op hem als medelid der regeering rustte, begon in dat jaar mee te tellen.
Zeker had de Prins toen nog niet den werkelijken geest van verdraagzaamheid, die hem in later tijd kenmerkte, maar hij gevoelde er afkeer van, een waardig volk slecht behandeld te zien. Toen Granvelle steeds onbeschaamder optrad, toen de scheidsmuur tusschen vreemdelingen en inboorlingen steeds hooger werd opgetrokken, toen de inquisitie als een roofvogel, niets dan kwaads voorspellende, zich vertoonde en zich boven het vredelievende, handeldrijvende en nijvere land nederzette, toen begon hij naar middelen uit te zien, om dien vogel uit zijn nest te verjagen. Het was niet, omdat hij de leerstellingen van het hervormd geloof was toegedaan, dat hij de poging haatte, om de vrijheid van het volk teonderdrukken, maar het was, omdat hij begon in te zien, dat het volk rechten had en dat een natie niet kon bestaan zonder het vermogen om adem te halen.
De jaren tusschen 1563 en 1567 zijn zeer belangrijk voor de ontwikkeling van ’s Prinsen karakter. De brieven gewisseld tusschen Graaf Lodewijk en verschillende menschen in Duitschland, bewijzen duidelijk, hoe lang de weerstand tegen de tirannieke maatregelen werd voorbereid. Toch ging Oranje gedurende dat tijdvak standvastig voort, met zijn plicht te doen als stadhouder van den afwezigen koning en als vriend en raadgever van de regentes. Er is in dien tijd een zekere tegenstrijdigheid en onvereenigbaarheid tusschen zijn gemeenzame woorden en zijn uitingen van trouw aan den koning. Toch was hij reeds toen in zijn oordeelvellingen over Filips vrij en onbeschroomd, zoowel in brieven, die door hem in vereeniging met Egmond en Hoorne werden geschreven als in zijn eigen brieven, waarin hij duidelijk aan Filips te kennen gaf, dat zijn regeeringsmanieren niets goeds zouden uitwerken in een land, door den vrijen noordenwind bestreken, onder een volk, welks wereldhandel het reeds tot zelfstandig denken had opgevoed.
Hij gaf zich geen rekenschap van al het voor en tegen, dat in zijn geest opkwam en zoo waren gedurende die jaren enkele zijner daden verre van idealistisch; doch terwijl ’s konings zegels hem nog waren toevertrouwd, deed hij ongetwijfeld zijn best, om den wil van Filips te volvoeren, al weigerde hij ook tot een zekere grens zijne gehoorzaamheid. Het keerpunt in zijn loopbaan was zijn vertrek uit de Nederlanden. De geheele toekomst zag hij niet—welk mensch kan dat? Langzaam ging hij voort van punt tot punt en langen tijd liet hij een weg open, om zich met den vorst te verzoenen, tegen wien hij het zwaard had opgenomen.
Lang voor hij den katholieken koning afzwoer, verbrak hij de trouw aan de katholieke kerk. Na dien stap veranderden wel zijne godsdienstige uitingen, maar daarom was hij nog niet een godsdienstig man geworden in den zin, dat voor hem een godsdienstige overtuiging zijn steun en gids zou zijn, gelijk het dat wel was voor tallooze kleine luiden in de Nederlandsche gewesten, die zoowel in de oude kerk als onder het nieuw geloof vol blijmoedigheid vervolging verdroegen; of gelijk het dat was voor zijn moeder Juliana. Deze gevoelde, dat God alles bestuurde, dat Hij met alles een doel had, en dat elke aardsche gebeurtenis voor het bestwil der menschen plaats had, al kon men niet altijd begrijpen, waarom alles aldus geschiedde. Oranje hoopte, dat de hoogere machten met hem zouden zijn, maar hij geloofde in de noodzakelijkheid der menschelijke waakzaamheid. De overtuiging, dat er een dieperliggend geestelijk doel in Gods bestuur lag, ontstond zeer langzaam in zijn ziel. Hij geloofde in God en godsdienst en ook in uitwendigen eeredienst, maar hij gevoelde ook de tegenstrijdigheid van het aandringen op gelijkvormigheid van godsdienstige gebruiken; dit laatste was echter niet zijn vroegere meening.
Nog minder theologisch dan ritueel was hij in die bij uitstek theologische eeuw. Hooft vertelt, dat hij, voor hij de Nederlanden in 1567 verliet, Lutherschen, Calvinisten en Anabaptisten opwekte, om tot een overeenkomst in geloof te komen, waaraan ze zich allen zouden kunnen houden. “Het geschil is te kleen, om dierhalve gesplijt te blijven.” “Laat toch die kleine verschilpunten u niet verdeelen,” zoo sprak hij. Voor hem waren de verschilpunten zeer klein en onwezenlijk; wat hij wenschte was, dat elk mensch datgene kon verkrijgen, wat hem het eene noodige scheen.
In 1580 was Utrecht in hevige beroering door de prediking van Huibert Duifhuis. Toen trof het geval, dat de Prins een Zondag in de stad was en naar den dienst in de Jacobskerk ging, waar Duifhuis predikte. Dit ergerde velen en men vroeg hem, of hij daardoor wilde toonen, dat hij het met dien prediker eens was. “O neen”—hernam hij—“ik wilde alleen daarheen gaan, waar het best gepreekt werd en toen bracht men mij hier. Ik wist van den strijd niets. Het was een zeer goede preek, doch een volgenden keer zal ik den anderen predikant gaan hooren.”
Waar de hervormde partij de bovenhand had, trachtte hij de katholieke kerkgebruiken te beschermen. Vervolging van Anabaptisten stond hij evenmin toe. Dat hooge standpunt werd noch door zijne broeders, noch door St. Aldegonde, die overigens het innigst met hem verbonden waren, ingenomen.
Toch was die verdraagzaamheid geen onverschilligheid en geen gebrek aan godsdienst. Zijn schalksch, maar ondeugend gezegde, toen hij Anna van Saksen huwde, dat Amadis de Gaule de beste lectuur voor een jong meisje was, valt in zijn vroegere dagen. Op lateren leeftijd werd hij ernstiger van levensbeschouwing. Hij kon zich geen staat voorstellen zonder godsdienst als wezenlijk bestanddeel, doch dit moest volgens hem eene individueele zaak zijn. Mocht hij in zijn jeugd den godsdienst alleen om zijn doelmatigheid waardeeren, allengs steeg hij tot hooger en beter opvatting.
De manier, waarop hij als diplomaat tusschen de Staten en de verschillende vreemde landen betrekkingen aanhield, was zeer verschillend van zijn zeilen tusschen de zandbanken in 1561. Ongetwijfeld duldde hij wel oogluikend transacties, die voor een zedelijke rechtbank niet waren te verdedigen.
Het was de eeuw van de staatkunde van Macchiavelli en vele praktijken werden toen voor wettige staatkundige middelen gehouden, die, zooals Motley terecht opmerkt, door moderne staatslieden zouden worden veroordeeld, ook al worden ze nog wel toegepast.
De school, waarin Oranje werd opgevoed, de hoven van Karel V, ook zijn zuster en zijn kinderen gaven hem vele middelen aan de hand, die hij met een goed oogmerk tegen zijn vijanden gebruikte. Van modern standpunt kon het niet als rechtmatig beschouwd worden, bijzondere dienaren van andere menschen om te koopen, teneinde achter de geheimen van dezen te komen. Dat is jarenlang door den Prins gedaan en daardoor was hij geheel op de hoogte van Filips’ gedachten. En toch waag ik het te zeggen, dat Oranje een veel hooger zedelijken standaard had. Als we zijn daden wegen op de schaal der toenmalige moraliteit en hem vergelijken met zijn tijdgenooten en gelijken als Elisabeth, Filips, Matthias, Johan Casimir, Catharina en haar zoons, dan moet worden erkend, dat zijne zedelijke daden zich uit hem zelf ontwikkelden en niet de gave waren van de eeuw, waarin hij leefde.
De overdaad en eerzucht van zijn jeugd verdween voor de alles beheerschende aandrift van het eene denkbeeld, dat hem later bezielde. Elke penning, die hij bezat, elk voorwerp van waarde, dat zijn eigendom was, werd in de algemeene schatkist geworpen. De jaren van zijn onthouding en zorgen vormen een scherp contrast met den tijd, toen hij de meest fantastische maaltijden gaf, waarop zelfs de tafelkleeden van suiker waren. De tijd zou komen, dat hij er om moest denken, welk pak kleeren hersteld moest worden en dat hij, die open tafel had gehouden en de kwistigste gastvrijheid had getoond, de zuinigste berekeningen moest maken, om nog een klein geschenk te kunnen geven en te overleggen, welk tafelservies van waarde kon worden uitgespaard. Zeker later gaven de Staten-Generaal hem verschillende geschenken; maar de sommen daarvoor noodig, waren op verre na niet gelijk aan hetgeen hij had uitgegeven. Het bedrag aan graaf Jan alleen verschuldigd, bedroeg in het jaar 1594 nog 1.400.000 fl.
Liggend beeld van den Prins op de graftombe te Delft, door Hendrik de Keyser. 1566–1621.Liggend beeld van den Prins op de graftombe te Delft, door Hendrik de Keyser. 1566–1621.
Liggend beeld van den Prins op de graftombe te Delft, door Hendrik de Keyser. 1566–1621.
Zijne vijanden hebben tot heden niet opgehouden, hem van eerzucht te beschuldigen. Die beschuldiging is zoo onwaar, dat juist het gemis van die eerzucht tot schade is geweest van de algemeene zaak, toen er in het land een vaststandpunt gewonnen was. Had Oranje even sterk geloofd in de onafhankelijkheid van de Nederlanden, als hij geloofde in haar eenheid; had hij zelf ook in naam willen zijn, wat hij in de daad was, het hoofd der regeering, dan zou er eenige jaren vroeger een grondwettig bestuur gevestigd zijn. Oorspronkelijk ontbrak het den Prins waarlijk niet aan ambitie, getuige zijn zucht in Granvelle’s tijd, om Ruwaard van Brabant te worden. Toen echter Holland en Zeeland hem later tot graaf wilden verheffen, berustte hij slechts met tegenzin in dien wensch. Waarschijnlijk kwam de beschuldiging van eerzucht hem meermalen ter oore en was dat een der redenen waarom hij zich zelf niet op den hem toekomenden voorgrond plaatste, maar allerlei vreemde, inzonderheid Fransche beschermers voor de gewesten zocht. Al de betrekkingen, die hij bekleedde, waren tijdelijk en ad interim; hij zelf maakte die bepalingen. Kortom, zijn belangeloosheid en onbaatzuchtigheid worden door alles duidelijk bewezen.
In zijn bizonder leven was de Prins geliefd en geacht door zijne familie, al bestond er ook een meer gemeenzame verhouding tusschen zijn dochters en hun vaderlijken oom Jan van Nassau, bij wien ze hun jonge jaren hadden doorgebracht. De namen van de twaalf kinderen van den Prins spiegelen de verschillende phasen van zijn loopbaan af. Filips Willem ontving zijn naam van den man, die in 1554 de rijzende zon kon worden genaamd. Ondertusschen hield deze peetvader hem jaren lang in Spaansche gevangenschap en gaf hem een Spaansche opvoeding.
Maria, de koningin van Hongarije, de landvoogdes, onder wie Oranje zijne eerste wapenfeiten verrichtte, werd door hem vereerd bij de naamgeving zijner dochter Maria. Anna van Saksen wilde haar kinderen: Anna en Maurits naar zich zelf en naar den grooten keurvorst noemen en Oranje bestreed dien wensch niet. De oudste dochter van Charlotte van Bourbon heette Juliana, naar Oranje’s moeder. De tweede ontving haar naam van koningin Elisabeth in de dagen, dat men hoopte, dat Engeland de arme Nederlanden zou ondersteunen. Catharina Belgica, Charlotte Flandrina, Charlotte Brabantina en Emilie Antwerpiana ontvingen hare Zuid-Nederlandsche namen in den tijd, dat de Prins nog hoop had op een vereeniging van Noord en Zuid. Zijn twaalfde kind werd geboren in een tijd, toen er een donkere wolk hing over Oranje’s verhouding tot het huis van Valois. De gelegenheid werd aangegrepen om te toonen, dat hij wel Fransche protectie, maar geen katholieke bescherming wilde. Daarom werden de koning van Denemarken en de koning van Navarre, de latere Hendrik IV, de peetvaders van Frederik Hendrik.
Wat door zijn geheele briefwisseling heenstraalt, is niet zijn onafhankelijkheid en zijn zelfvertrouwen, maar veeleer zijn behoefte aan sympathie van de zijde dier menschen, op wier oordeel hij uit eenig oogpunt vertrouwen stelde. Zijne scherpzinnigheid wordt door vriend en vijand erkend. Terwijl hij wonderlijk bij de hand was, om de middelen te gebruiken, die hij had, om zich te voegen naar de actueele omstandigheden, waarin hij verkeerde, in plaats van zijn weg door theorieën en hypothesen af te bakenen, toonde hij een merkwaardige vasthoudendheid om bij zijn doel te volharden, ook al werkten de omstandigheden niet mee en een buitengewone bekwaamheid om kalm te blijven, als alles tegen hem was. Donkere wolkentrokken over zijn hoofd; onbewogen bleef hij onder het gemor en de ontevredenheid zijner minderen, onder den nijd en de jaloezie zijner gelijken, onder den haat en de vervolging van den kant zijner meerderen.
Algemeen is het getuigenis, dat zijn manieren levendig en bekoorlijk waren en dat hij daardoor vele vrienden won. Vooral aan tafel ontspande hij zich gaarne door aangename gezelligheid en dan wierp hij voor een uur den last van zijn arbeid van zich af en hij vermaakte zich zoo met scherts en luim, dat het scheen, alsof hij door geen enkele zwarigheid werd gedrukt. “Sommige wijsneuzen,” zegt Hooft, “ergerden zich daaraan, niet bemerkende, dat hij den kommer menigmalen met nagebootste blijdschap bedekte. Om geen afkeer van ’t gebruik des landaards te toonen, dronk hij somtijds wel een duitschen dronk, maar zijn wezen bleef tot het laatste toe hetzelfde en zijn verstand was op zijn stel. In latere jaren was de dischvreugd schier zijn eenige ontspanning; in spelen, rijden en jagen had hij geen lust meer. De overige uren bracht hij door met blokken en zorgen.” Hoe onvermoeid zijn ijver was, is genoegzaam door ons aangetoond. Er waren weinig menschen in dien tijd, toen er zooveel geschreven werd, die zoo onvermoeid waren in dat deel der staatkunde als Willem van Oranje en Filips van Spanje.
Een der meest gewone lasteringen omtrent ’s Prinsen karakter is de beschuldiging van vreesachtigheid geweest. Die wordt zoo vaak herhaald, dat het mogelijk is, dat hij van temperament niet zoo moedig geweest is als een soldaat voegt, doch des te meer eere dan, dat hij een natuurlijke neiging zoozeer heeft overwonnen. Want voor gevaren deinsde hij waarlijk niet terug. Onder de oogen van den vijand bouwde hij reeds in zijn eerste krijgsjaren forten. In de veldtochten van 1568 en 1572 spaarde hij zich zelf niet. Hij ging kort na de belegering naar Leiden, toen de pest daar nog met al haar verschrikkingen heerschte en gedurende de laatste jaren van zijn leven vervolgde hij onverschrokken zijn weg, al wist hij ook dat er moordenaars achter de gordijnen konden verscholen zijn. Er wordt niet gemeld, dat hij eenige bijzondere voorbehoedmiddelen tegen dat gevaar nam. Wel was hem een buitengewone lijfwacht geschonken, maar die was niet voortdurend tot zijn bescherming aanwezig; ook droeg hij geen maliënkolder. Zijn vrouw moest hem vragen, in Brussel ’s avonds niet uit eten te gaan, en de moordenaar Gérard was verbaasd, dat hij op zijn slaapkamer, terwijl hij te bed lag, bij hem werd toegelaten; zoowel die vrouwelijke voorzorg, als die verloren gelegenheid van den moordenaar, bewijzen wel, dat de Prins niet voortdurend om zijn eigen veiligheid dacht, gelijk een lafhartig mensch gedaan zou hebben.
Wat zijne wapenfeiten aangaat, ongetwijfeld stonden Alva en Parma veel hooger dan hij in militaire kennis; doch beiden wist hij toch ook om den tuin te leiden; Requesens werd door hem ontmoedigd en met groote bekwaamheid maakte hij vaak gebruik van de omstandigheden. Zoo was het ontzet van Leiden zijn denkbeeld en dit was een zeer oorspronkelijk idee, dat zelfs de Spaansche veteranen verraste. Toch was de oorlogswetenschap der 16eeeuw niet wat ze, na Gustaaf Adolf, in de 17eeeuw werd. Oranje’s technische bekwaamheid in militaire zaken was echter ver beneden die van zijn tijdgenooten en bestrijders en ook benedendie van zijn zoon Maurits. Des te meer komt hem eere toe voor de steden, die hij won en den grond, dien hij behield.
Zijn natuurlijke voorliefde had zeker de staatkunde meer dan de krijgskunde. Militaire operaties verrichtten anderen, maar alle draden van de regeering waren in zijne hand. Zijn persoonlijke invloed werd in elke daad gevoeld. Was hij tegenwoordig, dan zeilde het schip van staat; was hij afwezig, dan liep het op de zandbanken van plaatselijke jaloezie of op de klippen van gewestelijke vooroordeelen. Geen staatsman had ooit duidelijker visie van persoonlijke rechten en van nationale eenheid dan Willem van Nassau en zelden zijn er zulke heldere gedachten over de beginselen van de regeering eener confederatie geuit, als de tallooze uitspraken daaromtrent van de lippen van den beroemden Zwijger.
(Sluit aan bij geslachtsregister tegenover pag.280)Bij het samenstellen van de geslachtsregisters ontving ik de zeer welwillende medewerking van Prof. Dr. F. J. L. Krämer, Directeur van het Koninklijk Huisarchief.
(Sluit aan bij geslachtsregister tegenover pag.280)
Bij het samenstellen van de geslachtsregisters ontving ik de zeer welwillende medewerking van Prof. Dr. F. J. L. Krämer, Directeur van het Koninklijk Huisarchief.