Chlamys.Chlamys.Chlamys,Χλαμύς, een mantel, dien men vooral bij het rijden droeg, oorspronkelijk aan Thessaliërs en Macedoniërs eigen. De atheensche jongelingen kregen zulk een mantel als zij epheben werden. Hij kon los omgeslagen of nauwer aan het lichaam aangesloten worden, en werd voor aan den hals of op den rechterschouder vastgemaakt.Chloe,Χλόη, bijnaam van Demēter.Chloris,Χλῶρις, 1) godin der bloemen, gemalin van Zephyrus, door de Romeinen voor dezelfde godin gehouden als Flora.—2)dochter van Amphīon en Niobe; zij en haar broeder Amyclas werden alleen door Apollo en Artemis gespaard (z.Niobe), maar de dood van hare broeders en zusters had haar zulk een schrik aangejaagd, dat men haar naam Meliboea in Chloris (bleeke) veranderde.—3)dochter van een anderen Amphion, gehuwd met Neleus.—4)dochter van Tiresias.Choaspes,Χοάσπης, 1) rivier in Susiāne, die langs Susa stroomt, beroemd om haar kristalhelder water, dat de perzische koningen op hunne reizen in zilveren kruiken medenamen.—2)stroom in het Indusgebied, zijrivier van den Cophes of Cophen, die in den Indus valt, ook Choës genoemd.Choerades,Χοιράδες, sc.νῆσοι, rotseilandjes voor de haven van Tarentum.Choerilus,Χοίριλος, 1) een der oudste atheensche treurspeldichters (omstreeks 524); vooral zijne satyrspelen worden geroemd.—2)van Samus, dichter van een historisch epos, Persēis (omstreeks 400).—3)van Iāsus, tijdgenoot van Alexander den Gr. wiens daden hij in een episch gedicht verheerlijkte.Χόες, de tweede dag der Anthesteria (z.a.).Chones,Χῶνες, volk aan de kust van Zuid-Italië, tot de Oenotri behoorend, in de buurt van Metapontum en Siris. Daarnaar heette de kuststreek om de golf van Tarentum Chonia.Chorāgus,χορηγός, iemand die bij het opvoeren van tooneelstukken, muziek- en dansuitvoeringen, met het bezorgen en bekostigen van het koor belast was. De choregie was een van de kostbaarste liturgieën (z.Liturgia), en bij den wedijver, waarmede de choragen elkander trachtten te overtreffen, stegen de kosten ervan wel eens tot 5000 drachmen. Deze kosten bestonden in de betaling en het onderhoud der choreuten en van denχοροδιδάσκαλος, iemand die het koor oefende en de repetities leidde, verder in prachtige kleederen, gouden kransen, enz., waarmede het koor optrad. De choragus, die den prijs won, richtte ter gedachtenis daaraan een klein marmeren gedenkteeken op, dat door een metalen drievoet gekroond werd. Zie de afbeelding bl. 103.Chorasmii,Χωράσμιοι, een arischevolksstam, die de oase van Chiwa reeds vroeg in cultuur heeft gebracht, en kanalen heeft aangelegd, gevoed door het water van den Araxes of Oxus, om het land te irrigeeren, zooals we dat in Mesopotamië vinden. Het is het stamland van Zarathustra. Zij leverden hulptroepen aan Alexander d. G.Choraules,χοραύλης, iemand die den zang en dans van een koor op de fluit begeleidt. De benaming zelf komt eerst in den romeinschen tijd voor.Χορηγία, z.Chorāgus.Χωρίζοντεςwerden in den alexandrijnschen tijd de grammatici genoemd, die beweerden dat de Ilias en de Odyssee niet van denzelfden dichter waren.Chorus,χορός, een zeker aantal personen, die bij godsdienstige feesten reidansen uitvoerden, welke zij door gezang afwisselden. Later werd dit gezang hier en daar afgebroken door alleenspraken en dialogen, en zoo ontstond het drama. In het eigenlijke drama neemt het koor, zonder zelf handelend op te treden, toch aan de handeling deel, en begeleidt de daden der hoofdpersonen met opmerkingen, vermaningen, aansporingen, troostredenen, enz., terwijl het bij zekere rustpunten in de handeling liederen zingt, die daarmede min of meer in verband staan, en dansen uitvoert. Daarmede geeft het uiting aan de gevoelens, die volgens den dichter het stuk bij den toeschouwer moet opwekken. Het koor bestond in het treurspel uit 12, later uit 15, in het blijspel uit 24 personen. Soms zongen allen met elkander, soms bij beurten grootere of kleinere afdeelingen; gesproken werd slechts door den leider van het koor (χορυφαῖος), of in enkele gevallen door de leiders der beide koorhelften (παραστάται). De plaats van het koor was in de orchestra.Chremonideïsche oorlog(± 265–263), zoo genoemd naar Chremonides, die in dien tijd te Athene aan het hoofd van den staat stond, werd door Athene, Sparta, het achaeisch verbond e. a. grieksche staten gevoerd om de Macedoniërs uit Griekenland te verjagen. De oorlog eindigde, toen Athene zich na een lang beleg aan Antigonus Gonātas had moeten overgeven.Chrȳsaof-e,Χρύσα, -η, stadje aan de Zuidkust van Troas, aan de Adramyttischegolf met een tempel van Apollo Smintheus. Het plaatsje is vroeg verwoest.Chrysāor,Χρυσάωρ, 1) zoon van Poseidon en Medūsa, die te voorschijn kwam toen zijne moeder door Perseus het hoofd werd afgehouwen.—2)“met een gouden zwaard”, bijnaam van Zeus, Apollo e. a. goden.Chrysas,Χρύσας, rivier op Sicilia nabij Assōrus, een zijrivier van den Symaethus.Chryse promunturium,Χρυσῆ χερρόνησος, het schiereiland Malakka.Chrysēis,Χρυσηίςdochter van Chryses, den priester van Apollo te Chryse. Op een strooptocht werd zij door Achilles gevangen genomen en bij de verdeeling van den buit aan Agamemnon gegeven. Toen haar vader haar wilde loskoopen, maar door Agamemnon beleedigd en weggejaagd was, zond Apollo tot straf de pest in het grieksche leger, die niet ophield voordat Chr. aan haar vader teruggegeven was (z.Brisēis).Chrysippus,Χρύσιππος, 1) zoon van Pelops en Axioche, werd door zijne stiefbroeders Atreus en Thyestes vermoord.—2)van Soli of Tarsus (282–206), zoon van Apollonius, leerling van Cleanthes en na diens dood hoofd der stoicijnsche school. Hij verdedigde en bevestigde de leer van Zeno in een groot aantal werken, naar men wil 705, waarin hij echter dikwijls zichzelf herhaalde of tegensprak. Hij gold als het ware voor den tweeden stichter der school, getuige het woord:εἰ μὴ γὰρ ἦν Χρύσιππος, οὐκ ἂν ἦν Στοά.Chrysogonus(C. Cornelius), vrijgelatene van Sulla, als valsche aanklager bekend uit Cicero’soratio pro S. Roscio Amerino.Chrysopolis,Χρυσόπολις, versterkte havenstad in het gebied van Chalcēdon in Bithynia, tegenover Byzantium, thans Scutari.Chrysothemis,Χρυσόθεμις, dochter van Agamemnon en Clytaemnestra.Chthonius,Χθόνιος, 1) een van de vijf Sparten, die in leven bleven bij het gevecht, dat zij onder elkander leverden (z.Cadmus).—2)Χθόνιος, Χθονία, is een bijnaam van godheden, die met de onderwereld in betrekking staan, als Hades, Demēter, Persephone e. a.Ζεὺς Χθόνιος= Hades.Χύτροι, de derde dag der Anthesteria (z. a.).Chytri,Χύτροι, stad op Cyprus, dicht bij de N.-kust.Cia=Ceos.Cibalis, Cibalae, stad in Pannonia dicht bij den Donau, tusschen Sirmium en Mursa, waarbij Constantijn de Gr. in 314 na C. zijn zwager Licinius versloeg.Cibyra,Κίβυρα, hoofdstad van Cabalia (z. a.) of Cibyrātis, 2½ uur gaans in omtrek, bloeiend door hare ijzerfabrikage. DitCibyrawerdmaiorbijgenaamd ter onderscheiding vanCibyra minorin Pamphylia.Cicerēius(C.), rom. praetor in 173, overwon de Corsen en was stadhouder van Sardinia en Corsica. Daar de senaat hem de eer van een zegetocht binnen Rome weigerde, hield hij een zegepraal op den Albaanschen berg.Cicero, familienaam in degens Tullia, z.Tulliino. 3–9.Cicones,Κίκονες, thracische volksstam aan de kust tusschen Abdēra en de monding van den Hebrus. Hun stad heette Ismarus. De streek is vroeg beroemd om den wijn, die er groeit. In hun gebied lag later de ionische stad Maronēa, ook Orthagorēa geheeten.Cidaris,κίδαρις, κίταρις, het hooge en stijve hoofddeksel der perzische koningen, waaromheen een blauw met witte band liep.Cierium,Κιέριον, stad in Thessaliōtis, vroeger Arne geheeten.Cilicia,Κιλικία, landschap in het Z.O. van Asia minor, ten Z. begrensd door de zee en verder ingesloten door den Taurus en den Amānus. Het westelijke deel, bergachtig en boschrijk, werdCil. aspera,τραχεῖα, geheeten, het oostelijke vlakkere gedeelteCil. campestris,πεδιάς, ookpropria. De bevolking, van syrische afkomst, week voor de grieksche kolonisatie naar de bergen en vormde na den val van het rijk der Seleuciden nog een afzonderlijk staatje in de bergstreken van den Amanus, onder den naamἘλευθεροκίλικες. In de westelijke bergstreken woonden pisidische en isaurische stammen, als stoute zeeroovers berucht, totdat Pompeius in 67 en 66 den zeeroof fnuikte. De hoofdstad van eigenlijk Cilicië was Tarsus. Cilicia was, ook onder de perzische opperheerschappij, een koninkrijk, waarvan de vorsten den naam of titelSyennesis(misschien = edel vorst) voerden. Alexanders verovering maakte hieraan een einde. In 75 werd een klein hoekje in het W. door P. Servilius Vatia tot rom. provincie gemaakt, terwijl het overige later door Pompeius werd veroverd. Als rom. provincie heeft Cilicia in verschillende tijden zeer verschillende grenzen en verschillende indeelingen gehad.Ciliciae portae, bergpas in den Taurus ten N. van Tarsus, door eene rivier doorsneden en door kasteelen versterkt. Door dezen pas kwam men uit het N. Cilicia binnen. Deportae Ciliciae et Syriaeen deportae Amanidesverleenden toegang uit het O.Cilix,Κίλιξ, zoon van Agēnor, die door zijn vader uitgezonden werd om zijne zuster Europa te zoeken; daar hij haar niet konde vinden, keerde hij niet naar huis terug. Het land, waar hij zich vestigde, werd Cilicia genoemd.Cilla,Κίλλα, stadje in Troas met een Apollo-tempel, in de buurt van Antandros.Cilnii, een oud etruscisch geslacht van koninklijken bloede. Hiertoe behoorde C.Cilnius Maecēnas(v. a. heet hij alleen C. Maecenas, en isMaecēnashetnomen gentilicium), de vertrouwde vriend en raadsman van Octaviānus, een voorstander van letteren en kunst en beschermer van dichters, vooral van Vergilius en Horatius. Tweemaal, in 36 en 31, droeg Octavianus gedurende zijne afwezigheid van Rome de zorg voor Rome en Italia aan Maecenas op. Deze was dus stadhouder, maar geheel alsprivatus, als gelastigde, daar hij nooit eenig openbaar ambt bekleed heeft. In deze betrekking en ook bij verschillende gelegenheden als onderhandelaarbewees Maecenas aan Augustus gewichtige diensten. Hij was het ook, die met Agrippa na den ondergang van Antonius aan Octavianus den raad gaf, de alleenheerschappij te behouden, en hij deed zulks uit volle overtuiging. Terwijl hij als schrijver of staatsman nooit heeft uitgeblonken, is zijn naam Maecenas als kunstbeschermer in wezen gebleven. Hij stierf in het jaar 8, omstreeks 60 jaar oud.Cimber, familienaam in degens Tillia.Cimbri,Κίμβροι, een volksstam van germaansche afkomst, die langs den Oceanus Germanicus (Noordzee) en wel grootendeels op de Chersonēsus Cimbrica in Sleeswijk woonde. Ze behooren tot den stam der Ingaevones of Noordzee-Germanen. Toen door het onderloopen van een gedeelte hunner landerijen, hetzij ten gevolge van hooge zeevloeden, hetzij door een langzame daling van den bodem, het de sterk aangroeiende bevolking aan voedsel begon te ontbreken, trokken zij, met de germaansche Teutonen en de gallische Ambronen en Tiguriners verbonden, zuidwaarts en eischten grond in het rom. gebied, dien zij niet verkregen. In 113 versloegen zij bij Norēia in Noricum den consul Cn. Papirius Carbo (Papiriino. 12), wendden zich toen naar Gallia, waar zij vreeselijke verwoestingen aanrichtten, doch werden door de Belgen verslagen. Hierop trokken zij weder zuidwaarts naar de rom. provincie, eischten opnieuw grondbezit en versloegen, toen de rom. senaat weigerachtig bleef, eerst in 109 den consul M. Junius Silānus (Juniino. 16), en in 107 den legaat M. Aemilius Scaurus, en vernietigden in 105 bij Arausio (Orange) een leger van 80000 man onder den consul Cn. Mallius Maximus en den proconsul Q. Servilius Caepio (Serviliino. 15) bijna tot den laatsten man. Nu richtten zij hun tocht naar Hispania, doch werden door de Celtiberiërs teruggedreven. In 102 keerden zij naar Gallia terug, en verdeelden zich in twee groepen. De Ambronen en Teutonen wilden hun weg over de Zeealpen nemen, maar werden in 102 door C. Marius bij Aquae Sextiae (Aix in Provence) geheel verslagen. De Cimbren trokken naar Noricum en drongen door het dal van den Athesis (Etsch) de Po-vlakte binnen, doch werden in 101 op de Raudische velden bij Vercellae door C. Marius en Q. Lutatius Catulus vernietigd. Een gedeelte van den stam was in het vaderland achtergebleven, en in de 2deeeuw na Chr. woont er nog een afdeeling van hen in het noordelijkste gedeelte van Jutland. Het schiereiland en de noordpunt daarvan is naar hen benoemd.Ciminius monsenlacus, boschrijke bergrug en meer in Etruria, ten Z.O. van het Volsinische meer.Cimmerii,Κιμμέριοι, mythisch volk aan den rand van den oceaan, in het uiterste Westen der aarde, waar geen zonnestraal doordringt en alles in eeuwige nevelen is gehuld. Bij de dichters wordt de uitdrukkingCimmerii lacusvoor de onderwereld gebezigd. De historische Cimmeriërs woonden in de taurische Chersonesus (de Krim) en verder langs de Palus Maeōtis (zee v. Azow). Voor de Scythen wijkende, trokken zij naar Azië, drongen plunderende tot in Lydia door, vermeesterden omstreeks 650 Sardes, maar werden toen door den lydischen koning Ardys teruggedreven.Cimolus,Κίμωλος, klein eiland der Cycladen, ten N. van Melos, met zilvererts en fijne kalkaarde, die door de vollers alscreta fullonicagebruikt werd tot het wasschen van fijn lijnwaad (zooals bij ons de zeep).Cimon,Κίμων, 1) zoon van Stesagoras, vader van Miltiades. Hij werd door Pisistratus uit Athene verjaagd, maar keerde later terug. Toen hij met zijne renpaarden ten derden male den eersten prijs te Olympia behaald had, lieten de zonen van Pisistratus hem vermoorden.—2)zoon van Miltiades en Hegesipyle, geb. 504. Daar zijn vader als schuldenaar van den staat gestorven was, miste hij eenigen tijd het burgerrecht, totdat de rijke Callias de schuld voor hem betaalde; daarvoor stond C. hem de schoone Elpinīce af, die zijne halfzuster en tevens zijne vrouw was. Na dien tijd streed hij met veel roem tegen de Perzen, veroverde Eïon in Thracië en het eiland Scyrus, voegde door zijne dapperheid en innemend gedrag vele steden, waaronder sommige niet-grieksche, aan den atheenschen bond toe, versloeg de Perzen bij de rivier Eurymedon in Pamphylië op denzelfden dag te land en ter zee (468), bedwong Naxus, dat getracht had zich van den atheenschen bond los te maken, en bracht eindelijk de geheele Chersonēsus in het bezit der Atheners (476–468). Door deze overwinningen had hij ook in het staatkundige grooten invloed gekregen, en toen Themistocles verbannen en Aristīdes gestorven was, was hij de eerste man van Athene. Hij wist het door te drijven, dat de bondgenooten hunne verplichting om schepen te leveren konden afkoopen, en dwong vele wederspannige staten met geweld in de atheensche symmachie te blijven. Ten gevolge van zijne aristocratische neigingen en van zijne vriendschap voor Sparta stond hij echter voortdurend bloot aan de aanvallen der volkspartij, en hoewel eene eerste aanklacht tegen hem zonder gevolg bleef, werd hij in 460, nadat een leger, dat op zijn raad in den oorlog tegen de Messeniërs aan de Spartanen ter hulp gezonden was, uit wantrouwen was teruggezonden, door het ostracismus verbannen. Hoewel zijn verzoek om in den slag bij Tanagra (457) mede te strijden, werd afgewezen, werd hij niet lang daarna uit zijne ballingschap teruggeroepen en in 451 bewerkte hij een vijfjarigen wapenstilstand tusschen Athene en Sparta. In 449 opnieuw met eene vloot van 200 schepen tegen de Perzen gezonden, stierf hij gedurende het beleg van Citium. De zoogenaamde vrede van Cimon, waarbij de koning van Perzië alle grieksche steden in Klein-Azië onafhankelijk verklaarde en zich verbond geene oorlogsschepenin de Aegaeische zee te zenden, wordt alleen door latere schrijvers vermeld. Deze vrede is in werkelijkheid door Callias gesloten (z.Calliasno. 1).—Behalve Cimon’s groote talenten als veldheer, worden ook zijne liefdadigheid en minzaamheid tegenover arme burgers geroemd en de mildheid, waarmede hij groote sommen aan de verfraaiing zijner vaderstad besteedde.Cinado,Κινάδων, een Spartaan, die in het begin der regeering van Agesilāus eene samenzwering smeedde om de staatsregeling omver te werpen. Het plan werd echter verraden en de saamgezworenen werden ter dood gebracht.Cinara,Κινάρα, eilandje in de Aegaeische zee, oostwaarts van Naxos, beroemd om zijne artisjokken,κινάραι.Cincia (lex)de donis et muneribus. Deze wet verbood aan advocaten geschenken aan te nemen van de rechtzoekenden. Zij was een plebisciet, 204.Cincii. Van dit plebejische geslacht zijn slechts deAlimentibekend. 1)L. Cincius Alimentuswas in 210 en 209 praetor op Sicilia. In 208 deed hij een vruchteloozen aanval op Locri Epizephyrii in Bruttium. Hij werd door Hannibal krijgsgevangen gemaakt. Hij is de schrijver vanannalesin het Grieksch.—2)M. Cincius Alimentus, volkstribuun in 204, was de vader derlex Cincia.Cincinnātus, familienaam in degens Quinctia, z.Quinctiino. 2–5.Cinctus Gabinus=Gabinus cinctus.Cineas,Κινέας, 1) thessalisch vorst, die met 1000 ruiters de Pisistratiden kwam helpen, toen de Lacedaemoniërs hen uit Athene wilden verjagen.—2)Thessaliër, vriend en dienaar van Pyrrhus, den koning van Epīrus, wien hij door zijn verstand en zijne welsprekendheid groote diensten bewees. Tevergeefs ontried hij Pyrrhus den tocht naar Italië, wel werd op zijn raad den Romeinen na de eerste overwinning van Pyrrhus vrede aangeboden. Hij ging zelf tweemaal naar Rome om te onderhandelen, de eerste maal na Pyrrhus’ overwinning bij Ausculum (279), maar in weerwil van zijne welsprekendheid wees de senaat, die op hem den indruk maakte van eene vergadering van koningen, zijne voorstellen standvastig af. Hij stierf, naar het schijnt, gedurende den tocht van Pyrrhus naar Sicilië. Ook als schrijver van werken over taktiek en geschiedenis wordt hij genoemd.Cinesias,Κινησίας, atheensch dithyrambendichter, omstreeks 415, dikwijls bespot om zijne ultra-moderne muziek.Cinga, zijrivier van den Sicoris (Segre) in Tarraconensis.Cingetorix, Galliër uit het volk der Treviri ten tijde van Caesar, vriend der Romeinen, die hem het bestuur over zijne onderworpen stamgenooten lieten. Ook naam van een vorst der Britten in denzelfden tijd.Cingulum, bergvesting in Picēnum, in 63 door Labiēnus aangelegd.Cinna, familienaam in degens Cornelia(z.Corneliino. 39–42) en degens Helvia.Cinxia, bijnaam van Juno, als godin van het huwelijk.Cinyps, gen. -phis,Κίνυψ, rivier op de kust van Africa tusschen de groote en de kleine Syrte, bij Leptis magna. De streek, waardoor zij stroomde, bracht zeer schoonharige geiten voort. Dichterlijk iscinyphius= afrikaansch.Cinyras,Κινύρας, zoon van Apollo, koning van Cyprus, priester van Aphrodīte. Bij zijne dochter Myrrha verwekte hij, zonder haar te kennen, den schoonen Adōnis; toen hij dit ontdekte, stortte hij zich in zijn zwaard.Cios=Cius.Cippus, oorspronkelijk = paal. Deze naam kreeg ook een palissadeering onder water, door Caesar aangelegd in de grachten zijner legerplaats vóór Alesia. Deze versterking bestond in stukken van boomstammen, van boven scherp gepunt en met gekapte takken, die op den bodem der gracht werden neergelaten. Verder wordt het meestal gebruikt voor grenspaal van hout of steen, om den Tiberloop, hetpomoerium, de waterleidingen, en deareavan een graf aan te wijzen.Circe,Κίρκη, dochter van Helius en Perse. Zij woonde op het eiland Aeaea, dat zij door hare tooverkunsten in een heerlijk oord herschapen had, waar zij den tijd doorbracht met weven en zingen en door schoone nimfen bediend werd. Toen Odysseus op haar eiland landde, veranderde zij zijne makkers in zwijnen, hijzelf was echter door een kruid, dat hem door Hermes gegeven was, tegen hare toovermiddelen bestand; zelfs dwong hij haar, aan zijne makkers hunne oorspronkelijke gedaante terug te geven. Hij bleef een geheel jaar bij haar en verwekte bij haar drie zonen: Telegonus, den mythischen stichter van Tusculum, Agrius en Latīnus. Toen hij eindelijk op aandringen zijner makkers wenschte te vertrekken, liet zij hem gaan, na hem eerst zijn verdere lotgevallen voorspeld te hebben. ZieTelemachus.Circeii, oude havenstad in Latium, wegens de overeenkomst van naam door de mythe met Circe in verband gebracht. De nabijgelegen kaap heettepromunturium CirceiumofCirceius mons. In de 5deeeuw was Circeii in de macht der Volscen, maar in 393 werd het heroverd, en als latijnsche kolonie ingericht, wat het gebleven is tot 90. OnderCircaea moeniabij Horatius moet men niet Circeii, maar Tusculum verstaan (z.Circe).Circesium,Κιρκήσιον, rom. grensvesting in Mesopotamia aan de samenvloeiing van den Chabōras en den Euphraat. Hier was in 604 koning Necho van Aegypte door Nebukadnezar verslagen.Circius,Θρασκίας, de noordwestenwind, zieWindstreken. Circius of Cercius ventus, ook ventus Gallicus geheeten, is de naam van een wind, die met groote heftigheid in het Zuiden van Gallia Narbonensis, en Zuidwaarts tot aan Ostia optreedt. Het is de bekende Mistral. In andere streken heet hij Corus of Caurus.Circumcellionesworden sedert de helft van de 4deeeuw n. C. die Donatisten genoemd, die in Afrika, door den nood gedrongen, monniken en zwervers werden; ze zijn hevig gekant tegen andersdenkenden en tegen de bezittende klassen.Circus.Circus.Circus. Wedrennen behoorden tot de meest geliefde schouwspelen der Rom. Het renperk was eene langwerpige ruimte, aan wier begin de stallen (carceres) zich bevonden. Dezecarcereswaren in een flauwen boog gebouwd, zoodat de afstand tot aan het eigenlijke aanvangspunt van den rit voor allen gelijk was. Aan het andere eind was de circus afgerond. Langs de renbaan waren de zitplaatsen voor de toeschouwers, op dezelfde wijze als in het amphitheatrum. In de as der baan was eene verhevenheid, despina, waarop dikwerf altaren, zuilen en dergelijke versierselen stonden. Vóór de beide uiteinden derspinastonden demetaeof eindpalen, waarom de wagens moesten heenzwenken. Zulk eenemetabestond uit een steenen voetstuk met drie kegelvormige zuilen. Op despina, nabij de einden, stonden twee verhevenheden; op de eene lagen zeven groote marmeren eieren, op de andere stonden zeven groote marmeren dolfijnen. Bij elken omrit (curriculumofspatium) werden een ei en een dolfijn afgenomen. Zeven omritten vormden eenmissus. Wie bij den zevenden omrit het eerst de krijtstreep (ziecalx) bereikte, was overwinnaar. Bij elken wedren ofmissusliepen in den regel vier wagens (zieauriga), terwijl verscheidenemissuselkander opvolgden.Circus maximus.Circus maximus.Decircus maximuste Rome, gelegen tusschen den Palatīnus en den Aventīnus, herhaaldelijk vergroot, was ten laatste 600 Meter lang en 150 M. breed. Hij kon toen 180,000 toeschouwers bevatten. Behalve dezen telde Rome binnen zijne muren nog een kleineren, dencircus Flaminius, door C. Flaminius in 220 gesticht op den Campus Martius ten N.O. van den Capitolinus. Decircus max.en decircus Flam.hebben hun naam gegeven aan de 11deen 9deder 14regiones, waarin Augustus Rome verdeelde.Cirphis,Κίρφις, zieParnassus.Cirrha, zieCrissa.Cirta,Κίρτα, uiterst sterke stad in Numidia (Africa Nova), koninklijke residentie, later naar Constantijn den Gr.Constantīnagenaamd; tgw. Constantine.Cisalpīna (Gallia), het noordelijk gedeelte van Italië, van de Alpen tot aan de riviertjes Macra en Rubico. Het was gedeeltelijk bevolkt door gallische stammen, die er de Etruscers en Umbriërs uit verdrongen. Het omvatte de landstreken Liguria, Gallia Cispadāna, Gallia Transpadāna, Venetia, Histria.Cispadāna (Gallia), de oostelijke helft van Noord-Italië bezuiden den Padus (Po).Cispius (mons), een van de bergen van hetSeptimontium, zieRoma; hij behoorde tot de wijkEsquiliae, en was gelegen tusschen den Mons Oppius en den Collis Viminālis.Cissēis,Κισσηίς, 1) Theāno, dochter van den thracischen koning Cisses.—2)Hecabe, dochter van Cisseus.Cissia,Κισσία, oude naam voor de landstreek Susiāne aan den Choaspes, met eene zeer heldhaftige bevolking.Cisterna, van boven gesloten vergaarbak, vooral voor regenwater; open vergaarbakken heetenlacus.Cistophorus,κιστοφόρος, 1) degene, die bijsommige godsdienstige plechtigheden, vooral bij de mysteriën, de heilige kist droeg, waarin zich offergereedschappen, enz. bevonden.—2)aziatische munt ter waarde van 4 drachmen, die tot stempel had een half geopende kist, waaruit een slang te voorschijn kwam.Cithaeron,Κιθαιρών, woest gebergte tusschen Attica, Boeotia en Megaris, rijk aan ongeluksmythen (Actaeon, Pentheus, Niobe’s kinderen, Oedipus te vondeling gelegd).Cithara,κιθάρα, κίθαρις, een muziekinstrument, door Amphīon of Linus uitgevonden; het was in vorm nagenoeg gelijk aan onze gitaar en had oorspronkelijk 3 of 4, gewoonlijk 7, later nog meer, eindelijk 15 snaren. Men bespeelde het met de hand of met een plectrum, terwijl men het op den linkerarm liet rusten.Citium,Κίτιον, een der negen hoofdsteden van Cyprus, op de Zuidkust gelegen. Cimon stierf hier (449).CiusofCios,Κίος, oude koopstad aan de Z. kust van de Propontis aan den Cianus Sinus, kolonie van Milētus, door de Macedoniërs verwoest, maar door Prusias van Bithynia herbouwd enPrusiasgeheeten, niet te verwarren met het zuidelijker gelegenPrusa.Civīlis(Iulius, nietClaudius), Batavier van edele afkomst, die in de jaren 69–70 na C. het hoofd was van den bataafschen opstand tegen Rome. Een oogenblik nam de opstand onrustwekkende afmetingen aan. Met andere germaansche stammen vereenigd, behaalden de Batavieren meer dan ééne overwinning en belegerden Castra Vetera (Xanten), dat zij ten laatste ook vermeesterden. Ook in Gallië brak een opstand uit, maar gebrek aan samenwerking en aan de noodige eenheid was oorzaak, dat de Galliër Julius Tutor en later ook Civilis door den rom. veldheer Cereālis verslagen werden. Het gelukte den Romeinen, de Batavieren van hunne bondgenooten te scheiden en naar hun eiland terug te dringen (z. ookBatavodurum), waarop Civilis met Cerealis een eervollen vrede sloot en het oude bondgenootschap der Batavieren met Rome werd hersteld.Civitas, burgerrecht (eigenlijkius civitatisofius Quiritium). Volgens de begrippen der oudheid had alleen de burger van den staat vanzelf aanspraak op de bescherming der wetten. Door verdragen met andere staten kon wederzijdsche bescherming worden verleend, doch in het algemeen beschermden de wetten den vreemdeling niet, tenzij een burger zich zijner aantrok en voor hem optrad. Vandaar de groote beteekenis van het burgerrecht in de oude tijden. Men was burger door geboorte of door schenking van het burgerrecht. De rechten, die het Rom. burgerrecht verleende, kunnen onderscheiden worden iniura privataeniura publica. Tot deiura privatabehoorden vooral hetconubiumen hetcommercium; tot deiura publicain de eerste plaats hetius provocationis, het recht om zich van een vonnis der overheden op de volksvergadering te beroepen. De rom. burger was tijdens de republiek vrij van onteerende straffen; alleen door de volksvergadering kon hij tot geeseling en doodstraf worden veroordeeld. Hetius suffragiien hetius honorum et sacerdotiorummaakten geen noodzakelijk bestanddeel van het rom. burgerrecht uit. Die het hadden, warencives optimo iure; die het niet hadden, heettenaerarii(z. a.). Keizer Caracalla schonk in 212 na C. het burgerrecht aan alle vrije inwoners van het rom. rijk, ten einde de successierechten op rom. erfenissen door het geheele rijk te kunnen heffen. Zie ookcapitis deminutioenπολιτεία.Civitates. In de oudheid vindt men in hetzelfde land verschillende volken en stammen, soms wel door een verbond vereenigd, maar toch elk met hun eigen gebied en als zelfstandig geheel. Zoo vormden ook de grieksche volksplantingen aan de Middellandsche zee en hare bijzeeën afzonderlijke staatjes. De Rom. lieten dezen toestand bestaan, en waar zij hem niet vonden, riepen zij hem in het leven, door het land incivitateste versnipperen. Hoever deze versnippering ging, blijkt o.a. hieruit, dat op Sicilia 63civitatesbestonden, ieder door een verdrag aan Rome geketend, doch onderling zonder band, zonderconubiumofcommercium. (Alleen de burgers van Centuripae hadden recht van grondbezit over het geheele eiland). Zoo stond Rome tegenover een aantal kleine gebiedjes of staatjes en bleef het gemakkelijk meester, en dit is het, wat men onderdividere et imperarete verstaan heeft.Civitates foederatae,liberae, immunes. In het rom. gebied had men ook vrije steden,civitates liberae, met eigen wetten en eigen rechtspraak, waaraan ook de inwonende Romeinen onderworpen waren. De stadhouder der provincie had dáár geen gezag uit te oefenen en geen recht, zich in deiurisdictiodezer staatjes te mengen. Deze vrije gemeenten waren òfcivitates liberae et foederatae, die indertijd vrijwillig eenfoedusmet Rome hadden gesloten op den voet van wederzijdsche gelijkheid van rechten,—òf wel alleencivitates liberae, waaraan de vrijheid door eene wet of een senaatsbesluit was geschonken, hetzij voor betoonde trouw of voor vrijwillige onderwerping. Deze laatste soort was aan geldelijke lasten ten bate der rom. schatkist onderworpen, tenzij zijcivitates liberae et immuneswaren, waaraan alleen in buitengewone gevallen verplichtingen konden worden opgelegd. De uitdrukkingcivitas foederatazonder bijvoeging vanliberasluit geene vrijheid in. Wanneer mencivitates foederataenaastsociigebezigd vindt, moeten onder de eerste decivitatesin de provinciën, onder de laatste die in Italia verstaan worden. Zie echtersocii.Cladeus,Κλάδεος, beek die langs Olympia stroomend in den Alphēus valt.Clanis, riv. in Etruria, stroomt langs Clusium en valt in den Tiber.Clanius, rivier in Campania, ten Z. van den Volturnus, aan zijn monding ook Liternus geheeten.Clarissimi, titel der derde klasse van ambtenaren onder Constantijn.Clarus,Κλάρος, stadje in Ionia nabij Colophon, met een tempel en een orakel vanApollo Clarius.Classiarii. De zeedienst was bij de Rom. veel minder in aanzien dan de krijgsdienst te land. De bemanning der vloot,classiarii, socii navales, werd dan ook uit de armere burgers en uit de vrijgelatenen genomen. In later tijd wordt ook de naamclassicigebruikt.Classici, de burgers, die tot de eerste klasse behoorden. Vanhier de uitdrukkingscriptores classici, schrijvers van den eersten rang. Ook =classiarii.Classicum, trompet- of hoornsignaal, ook gebruikt voor het bijeenroepen dercomitia centuriata.Classis. De rom. burgers waren naar hun vermogen in 5classesingedeeld (ziecenturia). De eerste klasse werd dikwerf bij uitnemendheidclassisgeheeten; vandaar de uitdrukkinginfra classemvoor hen, die lager stonden. In het oudere Latijn isclassisde onder de wapenen geroepen manschap; vandaarclassis procincta, het slagvaardige leger. Ook = vloot. Omtrent de geschiedenis der romeinsche marine valt het volgende te melden. In 426 wordt voor het eerst een zeegevecht vermeld, in 394 gaat eenoorlogsschipnaar Delphi. In 338 behalen de Romeinen een overwinning ter zee op de Antiaten, in 311 worden deduoviri navales classi ornandae et reficiendaevoor het eerst vermeld. In den eersten Punischen oorlog is de vloot zeer belangrijk. Later liet men ze vervallen, of liet men de bondgenooten voor schepen zorgen. Eerst door de troebelen van den zeerooveroorlog komt men er toe weer een voldoende vloot te bouwen (67), en sedert speelt die een groote rol in de burgeroorlogen. Augustus en de latere keizers onderhouden een blijvende vloot, die twee stations heeft, één te Misēnum, één te Ravenna. Ook in de provincies had men vloten, o.a. in Egypte, en op den Donau en den Rijn.Clastidium, stad der Anares (Anamari) in Gallia Cispadāna, nabij den Padus (Po) op de grens van Liguria. M. Claudius Marcellus (zieMarcellino. 29) behaalde hier in 222 eene overwinning op de Galliërs en versloeg eigenhandig hun aanvoerder Virdomārus.Claternae, stad in Gallia Cispadāna aan de Via Aemilia ten O. van Bononia (Bologna).Claudia(lex) van den volkstribuun Q. Claudius in 218, dat geen senator of senatorszoon een zeeschip mocht hebben van meer dan 300 amphorae (76 hectoliter) inhoud. Hierdoor werd het aan de senatoren onmogelijk gemaakt handel te drijven. Deze maatregel heeft indirekt het grootgrondbezit in Italië in de hand gewerkt, daar de senatoren voortaan hun geld in land belegden.Claudia(lex) van den consul C. Claudius Pulcher in 177, dat de Latijnen, die zich te Rome ophielden, deze stad moesten verlaten en naar hunne eigene steden terugkeeren. De bedoeling was, de ontvolking der latijnsche steden te voorkomen.Claudia(lex) van keizer Claudius, een verbod om aan minderjarigen geld te leenen.Claudiānus(Claudius), een der laatste dichters van het west-rom. rijk, ± 400 na C., geb. te Alexandrīa, bezong in latijnsche verzen den lof en de daden van keizer Honorius en van Stilicho. Epische fragmenten, brieven en kleine gedichten zijn nog van hem overig. Hij schreef niet zonder talent en kracht.Claudii, een oorspronkelijk sabijnsch geslacht. 1)Atta Claususverhuisde in 504 uit de stad Regillum, waar hij vele vijanden had, met zijne cliënten naar Rome, waar hij bereidwillig onder de patriciërs werd opgenomen en met de zijnen eene eigenetribus Claudiavormde. Te Rome werd zijn naam veranderd inAppius Claudiusmet den bijnaamSabīnus Inregillensis. In 495 was hij consul. Hij maakte zich gehaat door zijne trotschheid en hardheid jegens de plebejers en zijne schuldenaars. Alles wat van hem verteld wordt, is verzonnen.—2)App. Claudius Crassus Inregillensis Sabīnus, zoon van no. 1, was consul in 471 en in 451, maar trad toen af, omdecemvir legibus scribundiste worden. De verhalen omtrent zijn consulaat in 471, en zijn tegenwerking van de volkstribunen en delex Publilia, zijn verzonnen. Ook alle verhalen omtrent het decemviraat gedurende 451–449 zijn onhistorisch. Volgens deze verhalen zou hij na het gebeurde met Verginia (zieVerginiino. 6) in de gevangenis ter dood gebracht zijn of zich zelven het leven benomen hebben.—3)C. Claudius Sabinus, ook een zoon van no. 1, toonde zich bij verschillende gelegenheden den plebejers zeer vijandig. Alles is ook hier verzonnen.—4)App. Claudius CrassusofCrassīnus, heftig bestrijder van de toelating der plebejers tot het consulaat, was in 362 dictator en stierf als consul in 349.—5)App. Claudius Caecus, censor in 312 (v. a. 310), legde als zoodanig de beroemdevia Appiaen eene waterleiding,aqua Claudia, aan. Hij bleef langer dan zijn ambtgenoot in functie (ziePlautiino. 4) om deze bouwwerken te voltooien. Omtrent zijn verandering in den Herculesdienst zie menPinarii. Overigens is deze censuur bekend geworden door ingrijpende wijzigingen, vooral hierdoor, dat Cl. niet meer uitsluitend het grondbezit, maar ook het overige vermogen als grondslag voor den census aannam en aan alle burgers, ook aan de vrijgelatenen, toestond, zich in alle tribus te laten inschrijven, alsmede door de willekeurige, tegen de gewoonte indruischendelectio senatus, waarbij zonen van vrijgelatenen, o. a. Cn. Flavius in den senaat werden opgenomen. Zijn geheele werkzaamheid als censor was in democratischen geest en gekant tegen de belangen zijner standgenooten, depatricii. Claudius was consul in 307 en in 296, in welk laatste jaar hij de Etruscers versloeg. Later werd hij blind, doch hield in 279 of 280 in den senaat niettemin de beroemde rede, waardoor hij bewerkte dat de vredesvoorslagen van Pyrrhusvan de hand werden gewezen.—6)App. Claudius Caudexstreed als consul in 264 tegen de Carthagers op Sicilia.—7)P. Claudius Pulcher, zoon van no. 5, verloor als consul in 249 bij Drepana een zeeslag tegen de Carthagers. De heilige hoenders, die ongunstige voorteekenen gaven, had hij in zee laten werpen. Hij werd later wegens hoogverraad aangeklaagd, en waarschijnlijk veroordeeld. Hij hoorde tot de radicalen, evenals zijn vader.—8)App. Claudius Pulcher, zoon van no. 7, nam deel aan den slag bij Cannae in 216 en het beleg van Syracusae in 213 en stierf aan zijne wonden kort na de inneming van Capua in 211, waaraan hij als consul en proconsul een werkzaam aandeel had. Z.Fulviino. 4.—9)App. Claudius Pulcher, een zoon van no. 8, streed in 198 en 197 onder T. Quinctius Flamininus in den macedonischen oorlog, in 195 tegen Nabis van Sparta, in 191 onder M’. Acilius Glabrio in den syrischen oorlog, versloeg in 185 als consul de ligurische Ingauni en nam later nog verschillende gezantschappen waar.—10)C. Claudius Pulcher, ook een zoon van no. 8, consul in 177, versloeg de Istriërs en Liguriërs, streed in 171 in den oorlog tegen Perseus en werd in 169 censor. Als zoodanig maakte hij zich door zijne gestrengheid gehaat. Hij werd tijdens zijn censuur door dentribunus plebisP. Rutilius vanperduellioaangeklaagd, en zou veroordeeld zijn, als niet zijn ambtgenoot Tib. Sempronius Gracchus voor hem in de bres was gesprongen. Van hem is delex Claudia de sociis Latinis.—11)Claudia Quinta, waarschijnlijk een kleindochter van no. 5. Toen in 204 het schip met het beeld van Cybele (zieRhea) uit Pessinus te Ostia gekomen was, kon het door de droogte niet naar Rome opgesleept worden. De sage vertelt, dat daarop Claudia Quinta door aan het touw te trekken, beweging heeft gebracht in het schip, en zóó hare kuischheid heeft bewezen. Haar beeltenis stond later in den voorhof van den tempel van Cybele, en bleef bij brand tweemaal ongeschonden.—12)App. Claudius Pulcher, consul in 143, werd eerst door de Salassiërs, een alpenvolk, verslagen, doch behaalde later eene overwinning op hen en hield toen, trots de weigering van den senaat, een zegetocht binnen Rome onder bescherming zijner dochter Claudia, vestaalsche maagd, die op den zegewagen was gesprongen en den arm om haar vader sloeg. Hij was censor in 137. De als volkstribuun bekende Tib. Sempronius Gracchus was zijn schoonzoon. Hij wasIII vir agris iudicandis adsignandis(zieAgrariae leges), en wordt als zoodanig ook genoemdIII vir agris dividendis colonisque deducendis. Hij wasprinceps senatus. Als redenaar wordt hij door Cicero met lof genoemd.—13)C. Claudius Pulcher, ook als redenaar bekend, tegenstander van den volkstribuun L. Appuleius Saturnīnus in het jaar 100, vertoonde als aediel het eerst olifanten bij de openbare spelen in 99. In 95 kreeg hij als praetor de opdracht van den senaat, een nieuwe staatsregeling op te stellen voor de inwoners van Halaesa op Sicilië.—14)App. Claudius Pulcher, praetor in 89, zag in 87 in den burgeroorlog zijn leger tot L. Cornelius Cinna overloopen; hij werd in 86 verbannen, maar keerde met Sulla terug en werd consul in 79; later streed hij voorspoedig als pro-consul van Macedonië tegen de Scordisci. Hij liet zijn kinderen (no. 15–19) in armoede achter.—15)App. Claudius Pulcher, zoon van no. 14, diende onder zijn zwager L. Licinius Lucullus in den oorlog tegen Mithradātes in 74–72, en eischte in 72 van Tigrānes in Antiochia op hoogen toon de uitlevering van Mithradates. Griekenland (in 61) en Sardinia (56) hadden veel te lijden van zijne roofzucht, evenals Cilicia, waar hij in 53 proconsul was en in 51 door Cicero werd opgevolgd. In 54 was hij consul geweest, in 50 was hij censor en vervolgde in anderen de ondeugden, die hem zelven aankleefden, hebzucht en omkoopbaarheid. Hij was een vijand van Cicero, wiens terugroeping uit de ballingschap hij bestreed. Later haalde hij zich Caesars haat op den hals, moest in 49 Rome verlaten en voegde zich bij Pompeius, die hem tot stadhouder over Griekenland aanstelde. Hij was een goed redenaar. Hij stierf op Euboea kort na den slag bij Pharsālus.—16)C. Claudius Pulcher, ook een zoon van no. 14, propraetor van Asia in 55, werd veroordeeld wegens afpersingen, hoewel hij zijn aanklager omgekocht had.—17)P. Clodius (= Claudius) Pulcher, derde zoon van no. 14, was de bekende volkstribuun endoodsvijandvan Cicero. Hij was een rustelooze onruststoker, die voor geene daden van geweld terugdeinsde. In den oorlog tegen Mithradātes ruide hij ten bate van Pompeius de troepen van zijn zwager Lucullus op, zoodat zij weigerden verder te trekken. In Dec. 62 sloop hij bij gelegenheid van het feest der Bona Dea, dat in het huis van denpontifex maximusCaesar gevierd werd, en waarbij alleen vrouwen tegenwoordig mochten zijn, in vrouwenkleederen Caesar’s woning binnen, maar werd ontdekt. Hij werd in 61 wegensincestusaangeklaagd, maar tengevolge van omkooping der rechters vrijgesproken. Van dezen tijd dateert de vijandschap met Cicero, die tegen hem getuigd had. In 59 bewerkte Caesar, die hem als werktuig tegen Cicero en de senaatspartij noodig had, door eenlex curiata, waarbij Clodius door eenplebejerals zoon werd aangenomen, diens overgang tot de plebs (transitio ad plebem, zieComitia Curiata Calata), zoodat hij zich voor 58 tottribunus plebiskon laten kiezen. Toen hij in 58 als volkstribuun Cicero in ballingschap had gedreven en Cato door een eervolle opdracht uit Rome had verwijderd (zieClodiae legesno. 7), ontzag hij niets of niemand meer en oefende aan het hoofd zijner gewapende benden van slaven en huurlingen te Rome een waar schrikbewind uit. Hij kwam in 52 om bij eene schermutseling tusschen zijne bende en het gevolg vanzijn vijand T. Annius Milo op den heerweg bij Bovillae. Zie verderClodiae leges.—18)Clodia maior, dochter van no. 14, was gehuwd met Q. Caecilius Metelles Celer, wiens dood (59) haar werd geweten. Cicero, dien zij haatte, wreekte zich op haar in zijneoratio pro Coelio, die door haar van giftmengerij was beschuldigd. Zij was de minnares van Q. Valerius Catullus (zieValeriino. 38) en daarna van M. Caelius Rufus (Caeliino. 4).—19)Clodia minor, dochter van no. 14, was gehuwd met L. Licinius Lucullus.—20)C. Claudius Centho, komt in 200 in den oorlog tegen Philippus van Macedonia als legaat voor.—21)App. Claudius Centho, zoon van no. 20, streed in 174 voorspoedig tegen de Celtiberiërs, in 170 en 169 met afwisselend geluk in Illyria.—22)C. Claudius Nerostreed in 214 onder M. Claudius Marcellus op Sicilia, veroverde in 211 als pro-praetor Capua en versloeg in 207 als consul met zijn ambtgenoot M. Livius Salinātor bij den Metaurus Hannibals broeder Hasdrubal, die aldaar sneuvelde. In 204 waren beide consuls censors. Hierbij deed zich het ergerlijke tooneel voor, dat beide censoren elkander van de ridderlijsten schrapten, en ook op andere wijze kibbelden.—23)Tib. Claudius Nerowas in 202 consul met Scipio Africānus maior. Zijn tocht naar Africa mislukte door storm.—24)Tib. Claudius Nero, dien Cicero gaarne tot schoonzoon had gehad, hield het na Caesars dood eerst met Antonius, later met Sextus Pompeius, en stond vervolgens (38) aan Octaviānus zijne vrouw Livia Drusilla af, bij wie hij twee zonen had, den lateren keizer Tiberius en den bekenden veldheer Drusus (zie no. 26).—25)Tib. Claudius Nero, zoon van no. 24, rom. keizer 14–37 na C. ZieTiberius.—26)Nero Claudius Drusus, gewoonlijkDrususgenoemd, jongere zoon van no. 24 en dus broeder van keizer Tiberius, geb. 38, toen Livia reeds met Octaviānus getrouwd was, werd door zijn stiefvader Augustus, wiens vertrouwen hij in volle mate bezat, in 15 uitgezonden om de Alpenvolken, vooral de Raetiers, te onderwerpen, hetgeen hij met zijn broeder Tiberius tot stand bracht. Uit de onderworpen streken werd een nieuwe provincieRaetia et Vindeliciagevormd, waarbij de reeds onderworpenVallis Poeninagevoegd werd. Daarop werd Drusus in 13legatus Augustivan deTres Galliae, met de opdracht, den oorlog tegen de Germanen te voeren (12–9). Eerst versloeg hij de Sugambren, die onder koning Maelo over den Rijn waren gevallen, en voer langs de door hem gegravenfossa Drusiāna(z.a.) naar het land der Friezen en Chauken. Hij onderwierp de Friezen (12), de Usipii (11), trok door het land der Sugambri, en legde tweecastellaaan, n.l. Aliso en één in den Taunus (11). In 9 trok hij door het land der Chatten en Cherusci tot aan de Albis (Elbe), doch overleed toen door een val van zijn paard. Door zijn veldtochten werd Germania tot aan de Elbe bij het Romeinsche rijk gevoegd, en werd eerst weer vrij door de vernietiging van het leger van Varus (9 n. C.). Drusus’ dood werd algemeen betreurd. Daar hij evenals zijn broeder Tiberius door Augustus geadopteerd was, behoort zijn zoon Germanicus onder deCaesares, zieIuliienGermanicus.—27)Claudius Nero, zoon van no. 26 en broeder van Germanicus, rom. keizer, 41–54 na C. ZieClaudius (keizer).—28)Ti. Claudius Caesar Britannicus, zoon van keizer Claudius (no. 27), geboren 41 n. C. Zijne moeder was de zedelooze Valeria Messalīna. Hij werd door keizer Nero in 55 vergiftigd, zieClaudius (keizer).—29)Nero Claudius, aangenomen zoon en opvolger van no. 27, rom. keizer, 55–68 na C. ZieNero (keizer).—30)M. Claudius Marcellus, een der uitstekendste mannen van zijn tijd, onderwierp als consul, 222, Gallia Cisalpīna, waarbij hij in den slag bij Clastidium op den gallischen aanvoerder Virdumārus despolia opimabehaalde. Na den slag bij Cannae in 216 redde hij als praetor het overschot van het rom. leger en wist tijdig Nola te bezetten, zoodat de afval verhinderd werd. Een eigenlijke veldslag is toen niet geleverd, maar de moreele uitwerking was er niet minder om. In 215 als consul gekozen, legde hijvitio creatuszijn ambt neder, maar bleefpro consulein de nabijheid van Nola, dat hij wist te behouden. In 214 was hij weder consul, en nam met zijn ambtgenoot Q. Fabius Maximus Cunctātor Casilīnum in, waarbij hij zich aan trouwbreuk schuldig maakte. Hij ging daarop naar Sicilië, nam Leontīni in, en veroorzaakte door zijn gestrengheid den afval van Syracuse. In 213 volgt nu het beroemde beleg van deze stad, die in 211 door hem stormenderhand werd veroverd, waarbij Archimēdes omkwam. De stad werd uitgeplunderd. In 210 was hij ten vierden male consul en streed hij tegen Hannibal in Italië, maar richtte niet veel uit. In 208 was hij nogmaals consul, doch viel in eene hinderlaag en sneuvelde. De Rom. noemden hem “het zwaard van den staat” wegens zijne onversaagde dapperheid.—DeMarcelliwaren de eenige plebejische tak dergens Claudia; zij worden onder depatronivan Sicilia gerekend.—31)M. Claudius Marcellus, zoon van no. 30, ontkwam zwaar gewond aan de hinderlaag, waarin zijn vader sneuvelde. In 196 versloeg hij als consul deInsubriërs, in 189 was hij censor, waarbij hij zich door eene groote mate van zachtmoedigheid onderscheidde.—32)M. Claudius Marcellus, consul in 183.—33)M. Claudius Marcellus, kleinzoon van no. 30, een braaf en edel krijgsman, was consul in 166, 155 en 152, en behaalde lauweren in Gallia Cisalpīna, Liguria en Hispania.—34)M. Claudius Marcellus, ten wiens behoeve Cicero in 46 in den senaat zijneoratio pro Marcellohield, was een aanhanger van Pompeius, minder om diens persoon dan om het beginsel. Hij wilde Caesar niet om vergiffenis vragen, en eerst toen deze hem op aandrang van den senaat ongevraagd amnestie verleend had, maakte hij zich op, om naar Rome terug te keeren, dochonderweg werd hij te Athene omgebracht.—35)C. Claudius Marcellus, broeder van no. 34, consul in 49, was een tegenstander van Caesar en volgde Pompeius, maar stierf spoedig.—36)C. Claudius Marcellus, neef van no. 34 en 35, consul in 50, bood aan Pompeius het opperbevel tegen Caesar aan, en week met hem uit, doch verzoende zich later met Caesar. Hij was gehuwd met Octavia, de zuster van Octaviānus.—37)M. Claudius Marcellus, zoon van no. 36, werd door Augustus tot zoon aangenomen en huwde diens dochter Julia. Hij was iemand van uitstekende begaafdheden, van wien men algemeen groote verwachtingen koesterde; doch hij stierf plotseling, in het jaar 23, 20 jaar oud te Baiae. Dat hij door Livia zou zijn vergiftigd, is lasterpraat. Hij is het, die door Vergilius (Aen. VI 861–887) verheerlijkt wordt: “Tu Marcellus eris”.—38)Marcella, dochter van no. 36, was eerst gehuwd met M. Vipsanius Agrippa en na hare scheiding van dezen (21), met Julus Antonius, zoon van den drieman.—39)Q. Claudius Quadrigarius, rom. annalist, tijdgenoot van Sisenna (Corneliino. 56), schreef eene kroniek, vermoedelijk van den gallischen brand tot aan Sulla’s dood.—40)Claudius Didymus, grammaticus in de 1ste eeuw n. C., schreef een werk, waarin hij de verwantschap van het Latijn en het Grieksch trachtte aan te toonen.Claudiopolis, zieBithynium.Claudius, voluitTib. Claudius Nero Germanicus, rom. keizer, 41–54 n. C. Hij was de jongere zoon van Drusus (Claudiino. 26) en Antonia minor, en was in het jaar 10 te Lugdūnum (Lyon) geboren. Na de vermoording van Caligula, 25 Jan. 41, vonden de praetorianen hem toevallig in het paleis verscholen en plaatsten hem op den troon. Na reeds van twee vrouwen gescheiden te zijn, had hij in 39 de zedelooze Messalīna gehuwd, die hem geheel beheerschte. Nadat hij eindelijk tot straf voor hare euveldaden haar had laten ombrengen (48), huwde hij zijne nicht Agrippīna, de dochter van zijn broeder Germanicus, wier derde man hij werd. Om haar te believen sloot hij zijn eigen zoon Britannicus Caesar van de regeering uit en nam Agrippina’s zoon uit haar eerste huwelijk met Cn. Domitius Ahenobarbus tot zoon en opvolger aan (50). Dit was de latere keizer Nero. Toen Claudius nu ook den onzedelijken levenswandel en de overheersching van Agrippina moede begon te worden, ruimde deze hem door vergif uit den weg. Britannicus was toen nog een knaap van 13 jaar; in het volgende jaar (55) ruimde Nero, door achterdocht en naijver gedreven, ook hem uit den weg door middel van vergif. Claudius was zwak en vreesachtig van aard, en meer geschikt voor de studeerkamer dan voor den troon. Voor hem voerden vooral de vrijgelatenen de regeering: de voornaamste hiervan zijn: Narcissus,ab epistulis, M. Antonius Pallas,a rationibus, C. Julius Callistus,a libellis, en Polybius,a studiis. Cl. ondernam een krijgstocht naar Britannia, doch liet spoedig de verovering daarvan aan zijne generaals over. Onder zijn bestuur werd Mauretania (z. a.) ingelijfd (42). Hij legde een groote zeehaven te Ostia aan, en bouwde twee waterleidingen, deAnio novusen deaqua Claudia. Ook trachtte hij denFucinus lacus(z. a.) een uitloop te geven. Hij beoefende o. a. de taalkunde en verrijkte het alphabet met drie nieuwe letters, die echter na zijn dood weder in onbruik geraakten. Ook hield hij gaarne redevoeringen. Zie ookIuliiaan het slot, onderdenf.Claudius II—M. Aurelius Claudius Gothicus—rom. keizer 268–270 na C., opvolger van Galliēnus, een Illyriër, die zich reeds onder de keizers Decius en Valeriānus als voortreffelijk krijgsman had doen kennen, dreef als keizer de Alemannen en Gothen, die hij bij Naissus in 269 versloeg, naar hun land terug, doch overleed spoedig te Sirmium aan de pest.Clausus (Atta). ZieClaudiino. 1.Clavus, spijker. In den muur van den Jupitertempel op het Capitool te Rome werd elk jaar een gouden spijker geslagen volgens overoud gebruik uit den tijd, dat het schrift nog niet algemeen bekend was. Dit geschiedde door een der consuls, of, wanneer deze afwezig waren, door eendictator clavi figendi causa, en wel op de Iden van Sept. (13 Sept.).Clavus, purperstreep, die van den hals der tunica over de borst tot beneden aan den zoom liep en voor de senatoren breed was (latus clavus, tunica laticlavia), voor de ridders smal (angustus clavus, tunica angusticlavia).Clazomenae,Κλαζομεναί, eene der 12 ionische steden op de kust van Voor-Azië, ten W. van Smyrna, aan den Sinus Hermaeus, geboorteplaats van den wijsgeer Anaxagoras, den vriend van Pericles. Uit vrees voor de Perzen verhuisde de bevolking voor een groot gedeelte naar een naburig eiland, dat door Alexander later met den vasten wal verbonden werd. De stad bezat fraaie tempels.Cleander,Κλέανδρος, volksleider te Gela, die zich later tot tyran opwierp, na eene regeering van zeven jaren werd gedood en door zijn broeder Hippocrates opgevolgd (498).Cleandridas,Κλεανδρίδας, Spartaan, werd in 445 door de ephoren met koning Plīstoanax als raadsman naar Attica gezonden; later werd hij beschuldigd, dat hij zich door Pericles had laten omkoopen om werkeloos te blijven, en ter dood veroordeeld; hij vluchtte echter naar Thurii, waar hij zich in den oorlog tegen de Lucaniërs onderscheidde. Zijn zoon was de beroemde Gylippus.Cleanthes,Κλεάνθης, 1) van Corinthe, een van de oudste grieksche schilders.—2)van Assus, oorspronkelijk vuistvechter, werd later een leerling van Zeno en voorzag des nachts in zijn levensonderhoud door water dragen en deeg kneden. Hij bleef gedurende 19 jaren de lessen van Zeno hooren en volgde hem na zijn dood (264) als hoofd der stoicijnscheschool op; op 99-jarigen leeftijd stierf hij, naar men zegt, vrijwillig van honger. Het kwaad is volgens hem niet het werk der goden, maar een gevolg van het onverstand der menschen, en wordt door de goden zelfs weder ten goede geleid. Een lofzang op Zeus van hem is bewaard gebleven.Clearchus,Κλέαρχος, 1) spartaansch vlootvoogd in de laatste jaren van den peloponnesischen oorlog. Toen hij later (403) Byzantium tegen de Thraciërs zoude verdedigen, maakte hij zich van de alleenheerschappij meester en regeerde hij met geweld en in strijd met de bevelen der ephoren. Om deze reden ter dood veroordeeld, keerde hij niet naar Sparta terug; hij werd aanvoerder van het grieksche leger van den jongen Cyrus, streed in den slag bij Cunaxa en werd na den dood van Cyrus stilzwijgend als leider der grieksche troepen erkend. Hij werd echter kort daarna door Tissaphernes verraderlijk gevangen en gedood.—2)leerling van Plato en Isocrates, later tyran van Heraclēa, werd na eene wreede regeering van elf jaar vermoord (364). Hij vestigde te Heraclea eene bibliotheek.—3)van Soli op Cyprus, een van de beste leerlingen van Aristoteles. Hij schreef verscheiden philosophische en historische werken, waarvan nog enkele fragmenten bestaan.Clearidas,Κλεαρίδας, streed in Macedonië onder Brasidas tegen de Atheners en trachtte den vrede van Nicias tegen te werken.Cleides,Κλεῖδες, Κληῖδες, oostkaap van het eiland Cyprus, met voorgelegen eilandjes.Clemens (T. Flavius) Alexandrīnus, presbyter van Alexandrië, waar hij ± 215 n. C. op hoogen leeftijd stierf. In zijne talrijke grieksche geschriften tot verdediging van het Christendom, waarvan drie bewaard gebleven zijn, tracht hij te bewijzen dat het beste van de grieksche philosophie aan de Joden ontleend is. Hij was de leermeester van Origenes.CleobisenBiton,Κλέοβις, Βίτων, zonen van Cydippe, priesteres van Hera te Argos, trokken op een feestdag den wagen hunner moeder naar den 45 stadiën verwijderden tempel, toen de daarvoor bestemde stieren te laat kwamen. Toen de moeder de godin om haar besten zegen voor hare kinderen gebeden had, sliepen zij in en ontwaakten niet weder.Cleobūlus,Κλεόβουλος, tyran van Lindus, een van de zeven wijzen (omstreeks 580); zijn spreuk was:μέτρον ἄριστον.Cleombrotus,Κλεόμβροτος, 1) Spartaan, jongste zoon van koning Anaxandridas en voogd van Plistarchus, den zoon van zijn broeder Leonidas I. Bij den inval van Xerxes in Griekenland, voerde hij het bevel over het grieksche landleger op den Isthmus, vanwaar hij, door een zonsverduistering verschrikt, overhaast terugkeerde; kort daarna stierf hij.—2)Cl. I, koning van Sparta, opvolger van zijn broeder Agesipolis I. Nadat de Spartanen uit de Cadmēa verdreven waren, deed hij een inval in Boeotië (378), doch spoedig trok hij terug zonder iets uitgericht te hebben; hij sneuvelde in den slag bij Leuctra, 371.—3)Cl. II werd in plaats van zijn schoonvader Leonidas II koning van Sparta, toen deze wegens zijn verzet tegen de plannen van Agis III was afgezet (242). Toen echter twee jaar later de partij van Leonidas de overhand kreeg, stond Cl. aan hevige vervolgingen bloot, zijn leven werd echter gespaard op de smeekingen van zijne gemalin Chilōnis, die met hem in ballingschap ging.Cleomēdes,Κλεομήδης, 1) beroemd worstelaar uit Astypalaea. Eens had hij bij de olympische spelen de overwinning behaald, maar geen prijs gekregen, omdat hij zijn tegenpartij gedood had; waanzinnig van spijt rukte hij de zuilen van een gymnasium uit den grond, waardoor zestig jongelingen onder de puinhoopen begraven werden. Toen men hem vervolgde, vluchtte hij in den tempel van Athēna en werd van daar als de laatste der heroën in den hemel opgenomen.—2)zoon van Lycomēdes, atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog.—3)schrijver over sterrenkunde (1steeeuw n. C.), van wien nog eenige werken bestaan.Cleomenes,Κλεομένης, 1) Cl. I, zoon van Anaxandridas, koning van Sparta (520–491), een moedig en ondernemend, maar trotsch en stijfhoofdig man. Zijn eerste onderneming was tegen de Argiven, wien hij door list een gevoeligen slag toebracht; zelfs werd hij aangeklaagd omdat hij de stad Argos niet genomen had, en hij erkende dat hij het had kunnen doen, maar door godsdienstige bezwaren weerhouden was. Later (510) was hij aanvoerder van het leger, dat op bevel van het delphische orakel de Pisistratiden uit Athene verjoeg, en ter wille van zijn gastvriend Isagoras deed hij nog tweemaal een inval in Attica, beide keeren met ongelukkigen afloop, want eerst werd hij op de acropolis ingesloten, en toen hij met een grooter leger terugkwam om hierover wraak te nemen, moest hij door den tegenstand van de Corinthiërs en van zijn ambtgenoot Demarātus onverrichter zake aftrekken. De voorstellen tot een bondgenootschap tegen de Perzen, zoowel van Aristagoras als van de Scythen, vonden bij hem meer gehoor dan bij eenig ander Spartaan. Door Demaratus in zijne plannen tegen Aegīna gedwarsboomd, wist hij door omkooping van het delphische orakel een uitspraak te verkrijgen, volgens welke Demaratus niet de zoon van koning Aristo was, zoodat deze van de regeering ontzet werd en zich in ballingschap begaf. Spoedig werd echter het bedrog bekend en Cl. vluchtte naar Thessalië en later naar Arcadië; eindelijk in Sparta teruggekeerd, werd hij waanzinnig, naar men zeide ten gevolge van dronkenschap, en maakte hij op gruwelijke wijze een einde aan zijn leven (489).—2)broeder van den spartaanschen koning Plistoanax en voogd van diens zoon Pausanias, voerde het bevel over het leger dat in 427 in Attica viel.—3)Cl. II, koning van Sparta, zoon en opvolger vanCleombrotus I, regeerde bijna 61 jaar (371–310) zonder dat er van zijne regeering iets te vermelden valt.—4)Cl. III, koning van Sparta, zoon van Leonidas II, dien hij op ongeveer twintigjarigen leeftijd opvolgde, (236), een verstandig, moedig en doortastend man, vol geestdrift voor de plannen van Agis III, waarin hij gesterkt werd door zijne moeder Cratesiclēa en zijne gemalin Agiātis, de weduwe van Agis. Daar hij inzag dat hij den steun van het leger noodig had, zoo hij de gewenschte hervormingen tot stand wilde brengen, trachtte hij dit voor zich te winnen door een oorlog tegen het achaeisch verbond, en inderdaad gelukte het hem na eenige kleine ondernemingen, deAchaeërsbij den berg Lycaeus en spoedig daarna (226) bij Leuctrum te verslaan. Nu openbaarde hij zijne plannen aan eenige vertrouwden; door list verwijderde hij zijne tegenstanders, doodde vier ephoren, verbande tijdelijk 80 van de voornaamste oligarchen, maakte zijn broeder Euclīdas tot mederegent, schafte het ephoraat af, kondigde schulddelging en nieuwe verdeeling van grondbezit af, vermeerderde het aantal burgers door het opnemen van perioeken, hervormde den raad, en voerde de oude wetten en instellingen weder in. Den oorlog zette hij intusschen met geluk voort, zelfs Argos en Corinthe kozen zijne zijde; toch bood hij vrede aan op voorwaarde, dat de hegemonie van Sparta in de Peloponnēsus erkend werd, maar Arātus, vreezend dat het achaeisch verbond daardoor alle macht zou verliezen, vond het beter de hulp van Antigonus Doson in te roepen. Nu ging Argos weder verloren en over het geheel kon Cl., die in dien tijd ook zijne gemalin verloor, zich niet tegen Antigonus staande houden; nadat de oorlog nog eenigen tijd met afwisselend geluk gevoerd was, en Cl. vergeefsche pogingen gedaan had om bij Ptolemaeus Euergetes ondersteuning te vinden, waagde hij bij Sellasia een grooten slag, maar leed een volkomen nederlaag en ontkwam met weinige ruiters (221). Terstond ging hij naar Aegypte om hulp te vragen, maar Ptolemaeus stierf kort daarna, en zijn opvolger Ptolemaeus Philopator liet zich door zijne gunstelingen overreden Cl. gevangen te nemen. Wel ontsnapte hij uit de gevangenis, maar wanhopende aan het bereiken van zijn doel, trachtte hij een opstand onder het volk te verwekken, en toen hij ook hierin geen steun vond, doodde hij zichzelf, 35 jaar oud (219). Zijn lijk werd opgehangen en ook zijn moeder en kinderen werden ter dood gebracht.—5)van Naucratis, werd door Alexander belast met het toezicht op den bouw van Alexandrië en met het innen der belastingen. Wegens zijn hebzucht en afpersingen liet Ptolemaeus hem na den dood van Alexander ter dood brengen, terwijl hij zijne groote schatten verbeurd verklaarde.—6)atheensch beeldhouwer uit de 1e eeuw n. C., van wien een werk, de Germanicus in het Louvre, bewaard gebleven is; de zgn. Venus van Medicis, die hem toegeschreven wordt, is niet van hem.Cleon,Κλέων, zoon van Cleaenetus, leerlooier te Athene, reeds bij het leven van Pericles een van de leiders der radicale partij, werd na diens dood de eerste man van de volkspartij. Hij was het die in 427, na de herovering van Lesbus, dat van de Atheners afgevallen was, doordreef, dat alle weerbare mannen van Mytilēne zouden gedood worden, een besluit, dat den volgenden dag in dien zin gewijzigd werd, dat alleen de hoofdschuldigen, volgens waarschijnlijk sterk overdreven berichten ruim duizend in getal, ter dood gebracht werden. Toen in 425 de Atheners 420 Spartanen op het eiland Sphacteria ingesloten hadden, en de Lacedaemoniërs vrede aanboden, drong Cl. erop aan, dat het eiland eerst overgegeven zou worden, zoodat de onderhandelingen afsprongen. Daar echter de inneming van het eiland niet zoo spoedig volgde als men verwacht had, begonnen de Atheners zich over den loop der zaken ongerust te maken, en verweet men Cl. reeds dat door hem de vrede niet was tot stand gekomen. Bij zijne verdediging liet deze zich ontvallen dat, indien de strategen (Nicias en Demosthenes) hun plicht deden, Sphacteria reeds lang in hunne macht moest zijn, waarop Nicias, die in de vergadering tegenwoordig was, terstond aanbood hem zijne betrekking tijdelijk af te staan. In het eerst sloeg Cl. dit aanbod van de hand, maar door het volk gedwongen het aan te nemen, beloofde hij zich binnen twintig dagen van het eiland te zullen meester maken, en met de hulp van Demosthenes vervulde hij zijne belofte. Daardoor kwam hij in groot aanzien, waarvan hij o. a. gebruik maakte om door verschillende financiëele maatregelen middelen te verschaffen om den oorlog krachtiger te voeren. In 422 werd hij met een leger naar Thracië gezonden, waar hij aanvankelijk eenig voordeel behaalde, maar den slag bij Amphipolis tegen Brasidas verloor, bij welke gelegenheid hij op de vlucht gedood werd. Zie ookδικαστικόν. Cl. wordt beschreven als een onopgevoed, baatzuchtig en overmoedig man, die de laagste hartstochten van het volk vleide en zijne meening meer door woorden, soms zelfs meer door schreeuwen, dan door argumenten deed zegevieren. Men heeft opgemerkt dat zijne tijdgenooten, die melding van hem maken, in de politiek zijne tegenstanders waren, en dat dus vermoedelijk hun oordeel aan overdrijving, misschien zelfs aan partijdigheid, lijdt; toch schijnt uit de feiten, die omtrent hem bekend zijn, te mogen worden opgemaakt, dat hij een man was van niet geringen aanleg en vol vaderlandsliefde, doch van weinig beschaving, in zijne geheele politieke richting en bij iedere bizondere gelegenheid door zijn haat tegen de Spartanen en de aristocratie tot uitersten geneigd, en dat hij in ieder geval de groote gaven miste, waardoor zijn voorganger Pericles het volk op den rechten weg had weten te houden.
Chlamys.Chlamys.Chlamys,Χλαμύς, een mantel, dien men vooral bij het rijden droeg, oorspronkelijk aan Thessaliërs en Macedoniërs eigen. De atheensche jongelingen kregen zulk een mantel als zij epheben werden. Hij kon los omgeslagen of nauwer aan het lichaam aangesloten worden, en werd voor aan den hals of op den rechterschouder vastgemaakt.Chloe,Χλόη, bijnaam van Demēter.Chloris,Χλῶρις, 1) godin der bloemen, gemalin van Zephyrus, door de Romeinen voor dezelfde godin gehouden als Flora.—2)dochter van Amphīon en Niobe; zij en haar broeder Amyclas werden alleen door Apollo en Artemis gespaard (z.Niobe), maar de dood van hare broeders en zusters had haar zulk een schrik aangejaagd, dat men haar naam Meliboea in Chloris (bleeke) veranderde.—3)dochter van een anderen Amphion, gehuwd met Neleus.—4)dochter van Tiresias.Choaspes,Χοάσπης, 1) rivier in Susiāne, die langs Susa stroomt, beroemd om haar kristalhelder water, dat de perzische koningen op hunne reizen in zilveren kruiken medenamen.—2)stroom in het Indusgebied, zijrivier van den Cophes of Cophen, die in den Indus valt, ook Choës genoemd.Choerades,Χοιράδες, sc.νῆσοι, rotseilandjes voor de haven van Tarentum.Choerilus,Χοίριλος, 1) een der oudste atheensche treurspeldichters (omstreeks 524); vooral zijne satyrspelen worden geroemd.—2)van Samus, dichter van een historisch epos, Persēis (omstreeks 400).—3)van Iāsus, tijdgenoot van Alexander den Gr. wiens daden hij in een episch gedicht verheerlijkte.Χόες, de tweede dag der Anthesteria (z.a.).Chones,Χῶνες, volk aan de kust van Zuid-Italië, tot de Oenotri behoorend, in de buurt van Metapontum en Siris. Daarnaar heette de kuststreek om de golf van Tarentum Chonia.Chorāgus,χορηγός, iemand die bij het opvoeren van tooneelstukken, muziek- en dansuitvoeringen, met het bezorgen en bekostigen van het koor belast was. De choregie was een van de kostbaarste liturgieën (z.Liturgia), en bij den wedijver, waarmede de choragen elkander trachtten te overtreffen, stegen de kosten ervan wel eens tot 5000 drachmen. Deze kosten bestonden in de betaling en het onderhoud der choreuten en van denχοροδιδάσκαλος, iemand die het koor oefende en de repetities leidde, verder in prachtige kleederen, gouden kransen, enz., waarmede het koor optrad. De choragus, die den prijs won, richtte ter gedachtenis daaraan een klein marmeren gedenkteeken op, dat door een metalen drievoet gekroond werd. Zie de afbeelding bl. 103.Chorasmii,Χωράσμιοι, een arischevolksstam, die de oase van Chiwa reeds vroeg in cultuur heeft gebracht, en kanalen heeft aangelegd, gevoed door het water van den Araxes of Oxus, om het land te irrigeeren, zooals we dat in Mesopotamië vinden. Het is het stamland van Zarathustra. Zij leverden hulptroepen aan Alexander d. G.Choraules,χοραύλης, iemand die den zang en dans van een koor op de fluit begeleidt. De benaming zelf komt eerst in den romeinschen tijd voor.Χορηγία, z.Chorāgus.Χωρίζοντεςwerden in den alexandrijnschen tijd de grammatici genoemd, die beweerden dat de Ilias en de Odyssee niet van denzelfden dichter waren.Chorus,χορός, een zeker aantal personen, die bij godsdienstige feesten reidansen uitvoerden, welke zij door gezang afwisselden. Later werd dit gezang hier en daar afgebroken door alleenspraken en dialogen, en zoo ontstond het drama. In het eigenlijke drama neemt het koor, zonder zelf handelend op te treden, toch aan de handeling deel, en begeleidt de daden der hoofdpersonen met opmerkingen, vermaningen, aansporingen, troostredenen, enz., terwijl het bij zekere rustpunten in de handeling liederen zingt, die daarmede min of meer in verband staan, en dansen uitvoert. Daarmede geeft het uiting aan de gevoelens, die volgens den dichter het stuk bij den toeschouwer moet opwekken. Het koor bestond in het treurspel uit 12, later uit 15, in het blijspel uit 24 personen. Soms zongen allen met elkander, soms bij beurten grootere of kleinere afdeelingen; gesproken werd slechts door den leider van het koor (χορυφαῖος), of in enkele gevallen door de leiders der beide koorhelften (παραστάται). De plaats van het koor was in de orchestra.Chremonideïsche oorlog(± 265–263), zoo genoemd naar Chremonides, die in dien tijd te Athene aan het hoofd van den staat stond, werd door Athene, Sparta, het achaeisch verbond e. a. grieksche staten gevoerd om de Macedoniërs uit Griekenland te verjagen. De oorlog eindigde, toen Athene zich na een lang beleg aan Antigonus Gonātas had moeten overgeven.Chrȳsaof-e,Χρύσα, -η, stadje aan de Zuidkust van Troas, aan de Adramyttischegolf met een tempel van Apollo Smintheus. Het plaatsje is vroeg verwoest.Chrysāor,Χρυσάωρ, 1) zoon van Poseidon en Medūsa, die te voorschijn kwam toen zijne moeder door Perseus het hoofd werd afgehouwen.—2)“met een gouden zwaard”, bijnaam van Zeus, Apollo e. a. goden.Chrysas,Χρύσας, rivier op Sicilia nabij Assōrus, een zijrivier van den Symaethus.Chryse promunturium,Χρυσῆ χερρόνησος, het schiereiland Malakka.Chrysēis,Χρυσηίςdochter van Chryses, den priester van Apollo te Chryse. Op een strooptocht werd zij door Achilles gevangen genomen en bij de verdeeling van den buit aan Agamemnon gegeven. Toen haar vader haar wilde loskoopen, maar door Agamemnon beleedigd en weggejaagd was, zond Apollo tot straf de pest in het grieksche leger, die niet ophield voordat Chr. aan haar vader teruggegeven was (z.Brisēis).Chrysippus,Χρύσιππος, 1) zoon van Pelops en Axioche, werd door zijne stiefbroeders Atreus en Thyestes vermoord.—2)van Soli of Tarsus (282–206), zoon van Apollonius, leerling van Cleanthes en na diens dood hoofd der stoicijnsche school. Hij verdedigde en bevestigde de leer van Zeno in een groot aantal werken, naar men wil 705, waarin hij echter dikwijls zichzelf herhaalde of tegensprak. Hij gold als het ware voor den tweeden stichter der school, getuige het woord:εἰ μὴ γὰρ ἦν Χρύσιππος, οὐκ ἂν ἦν Στοά.Chrysogonus(C. Cornelius), vrijgelatene van Sulla, als valsche aanklager bekend uit Cicero’soratio pro S. Roscio Amerino.Chrysopolis,Χρυσόπολις, versterkte havenstad in het gebied van Chalcēdon in Bithynia, tegenover Byzantium, thans Scutari.Chrysothemis,Χρυσόθεμις, dochter van Agamemnon en Clytaemnestra.Chthonius,Χθόνιος, 1) een van de vijf Sparten, die in leven bleven bij het gevecht, dat zij onder elkander leverden (z.Cadmus).—2)Χθόνιος, Χθονία, is een bijnaam van godheden, die met de onderwereld in betrekking staan, als Hades, Demēter, Persephone e. a.Ζεὺς Χθόνιος= Hades.Χύτροι, de derde dag der Anthesteria (z. a.).Chytri,Χύτροι, stad op Cyprus, dicht bij de N.-kust.Cia=Ceos.Cibalis, Cibalae, stad in Pannonia dicht bij den Donau, tusschen Sirmium en Mursa, waarbij Constantijn de Gr. in 314 na C. zijn zwager Licinius versloeg.Cibyra,Κίβυρα, hoofdstad van Cabalia (z. a.) of Cibyrātis, 2½ uur gaans in omtrek, bloeiend door hare ijzerfabrikage. DitCibyrawerdmaiorbijgenaamd ter onderscheiding vanCibyra minorin Pamphylia.Cicerēius(C.), rom. praetor in 173, overwon de Corsen en was stadhouder van Sardinia en Corsica. Daar de senaat hem de eer van een zegetocht binnen Rome weigerde, hield hij een zegepraal op den Albaanschen berg.Cicero, familienaam in degens Tullia, z.Tulliino. 3–9.Cicones,Κίκονες, thracische volksstam aan de kust tusschen Abdēra en de monding van den Hebrus. Hun stad heette Ismarus. De streek is vroeg beroemd om den wijn, die er groeit. In hun gebied lag later de ionische stad Maronēa, ook Orthagorēa geheeten.Cidaris,κίδαρις, κίταρις, het hooge en stijve hoofddeksel der perzische koningen, waaromheen een blauw met witte band liep.Cierium,Κιέριον, stad in Thessaliōtis, vroeger Arne geheeten.Cilicia,Κιλικία, landschap in het Z.O. van Asia minor, ten Z. begrensd door de zee en verder ingesloten door den Taurus en den Amānus. Het westelijke deel, bergachtig en boschrijk, werdCil. aspera,τραχεῖα, geheeten, het oostelijke vlakkere gedeelteCil. campestris,πεδιάς, ookpropria. De bevolking, van syrische afkomst, week voor de grieksche kolonisatie naar de bergen en vormde na den val van het rijk der Seleuciden nog een afzonderlijk staatje in de bergstreken van den Amanus, onder den naamἘλευθεροκίλικες. In de westelijke bergstreken woonden pisidische en isaurische stammen, als stoute zeeroovers berucht, totdat Pompeius in 67 en 66 den zeeroof fnuikte. De hoofdstad van eigenlijk Cilicië was Tarsus. Cilicia was, ook onder de perzische opperheerschappij, een koninkrijk, waarvan de vorsten den naam of titelSyennesis(misschien = edel vorst) voerden. Alexanders verovering maakte hieraan een einde. In 75 werd een klein hoekje in het W. door P. Servilius Vatia tot rom. provincie gemaakt, terwijl het overige later door Pompeius werd veroverd. Als rom. provincie heeft Cilicia in verschillende tijden zeer verschillende grenzen en verschillende indeelingen gehad.Ciliciae portae, bergpas in den Taurus ten N. van Tarsus, door eene rivier doorsneden en door kasteelen versterkt. Door dezen pas kwam men uit het N. Cilicia binnen. Deportae Ciliciae et Syriaeen deportae Amanidesverleenden toegang uit het O.Cilix,Κίλιξ, zoon van Agēnor, die door zijn vader uitgezonden werd om zijne zuster Europa te zoeken; daar hij haar niet konde vinden, keerde hij niet naar huis terug. Het land, waar hij zich vestigde, werd Cilicia genoemd.Cilla,Κίλλα, stadje in Troas met een Apollo-tempel, in de buurt van Antandros.Cilnii, een oud etruscisch geslacht van koninklijken bloede. Hiertoe behoorde C.Cilnius Maecēnas(v. a. heet hij alleen C. Maecenas, en isMaecēnashetnomen gentilicium), de vertrouwde vriend en raadsman van Octaviānus, een voorstander van letteren en kunst en beschermer van dichters, vooral van Vergilius en Horatius. Tweemaal, in 36 en 31, droeg Octavianus gedurende zijne afwezigheid van Rome de zorg voor Rome en Italia aan Maecenas op. Deze was dus stadhouder, maar geheel alsprivatus, als gelastigde, daar hij nooit eenig openbaar ambt bekleed heeft. In deze betrekking en ook bij verschillende gelegenheden als onderhandelaarbewees Maecenas aan Augustus gewichtige diensten. Hij was het ook, die met Agrippa na den ondergang van Antonius aan Octavianus den raad gaf, de alleenheerschappij te behouden, en hij deed zulks uit volle overtuiging. Terwijl hij als schrijver of staatsman nooit heeft uitgeblonken, is zijn naam Maecenas als kunstbeschermer in wezen gebleven. Hij stierf in het jaar 8, omstreeks 60 jaar oud.Cimber, familienaam in degens Tillia.Cimbri,Κίμβροι, een volksstam van germaansche afkomst, die langs den Oceanus Germanicus (Noordzee) en wel grootendeels op de Chersonēsus Cimbrica in Sleeswijk woonde. Ze behooren tot den stam der Ingaevones of Noordzee-Germanen. Toen door het onderloopen van een gedeelte hunner landerijen, hetzij ten gevolge van hooge zeevloeden, hetzij door een langzame daling van den bodem, het de sterk aangroeiende bevolking aan voedsel begon te ontbreken, trokken zij, met de germaansche Teutonen en de gallische Ambronen en Tiguriners verbonden, zuidwaarts en eischten grond in het rom. gebied, dien zij niet verkregen. In 113 versloegen zij bij Norēia in Noricum den consul Cn. Papirius Carbo (Papiriino. 12), wendden zich toen naar Gallia, waar zij vreeselijke verwoestingen aanrichtten, doch werden door de Belgen verslagen. Hierop trokken zij weder zuidwaarts naar de rom. provincie, eischten opnieuw grondbezit en versloegen, toen de rom. senaat weigerachtig bleef, eerst in 109 den consul M. Junius Silānus (Juniino. 16), en in 107 den legaat M. Aemilius Scaurus, en vernietigden in 105 bij Arausio (Orange) een leger van 80000 man onder den consul Cn. Mallius Maximus en den proconsul Q. Servilius Caepio (Serviliino. 15) bijna tot den laatsten man. Nu richtten zij hun tocht naar Hispania, doch werden door de Celtiberiërs teruggedreven. In 102 keerden zij naar Gallia terug, en verdeelden zich in twee groepen. De Ambronen en Teutonen wilden hun weg over de Zeealpen nemen, maar werden in 102 door C. Marius bij Aquae Sextiae (Aix in Provence) geheel verslagen. De Cimbren trokken naar Noricum en drongen door het dal van den Athesis (Etsch) de Po-vlakte binnen, doch werden in 101 op de Raudische velden bij Vercellae door C. Marius en Q. Lutatius Catulus vernietigd. Een gedeelte van den stam was in het vaderland achtergebleven, en in de 2deeeuw na Chr. woont er nog een afdeeling van hen in het noordelijkste gedeelte van Jutland. Het schiereiland en de noordpunt daarvan is naar hen benoemd.Ciminius monsenlacus, boschrijke bergrug en meer in Etruria, ten Z.O. van het Volsinische meer.Cimmerii,Κιμμέριοι, mythisch volk aan den rand van den oceaan, in het uiterste Westen der aarde, waar geen zonnestraal doordringt en alles in eeuwige nevelen is gehuld. Bij de dichters wordt de uitdrukkingCimmerii lacusvoor de onderwereld gebezigd. De historische Cimmeriërs woonden in de taurische Chersonesus (de Krim) en verder langs de Palus Maeōtis (zee v. Azow). Voor de Scythen wijkende, trokken zij naar Azië, drongen plunderende tot in Lydia door, vermeesterden omstreeks 650 Sardes, maar werden toen door den lydischen koning Ardys teruggedreven.Cimolus,Κίμωλος, klein eiland der Cycladen, ten N. van Melos, met zilvererts en fijne kalkaarde, die door de vollers alscreta fullonicagebruikt werd tot het wasschen van fijn lijnwaad (zooals bij ons de zeep).Cimon,Κίμων, 1) zoon van Stesagoras, vader van Miltiades. Hij werd door Pisistratus uit Athene verjaagd, maar keerde later terug. Toen hij met zijne renpaarden ten derden male den eersten prijs te Olympia behaald had, lieten de zonen van Pisistratus hem vermoorden.—2)zoon van Miltiades en Hegesipyle, geb. 504. Daar zijn vader als schuldenaar van den staat gestorven was, miste hij eenigen tijd het burgerrecht, totdat de rijke Callias de schuld voor hem betaalde; daarvoor stond C. hem de schoone Elpinīce af, die zijne halfzuster en tevens zijne vrouw was. Na dien tijd streed hij met veel roem tegen de Perzen, veroverde Eïon in Thracië en het eiland Scyrus, voegde door zijne dapperheid en innemend gedrag vele steden, waaronder sommige niet-grieksche, aan den atheenschen bond toe, versloeg de Perzen bij de rivier Eurymedon in Pamphylië op denzelfden dag te land en ter zee (468), bedwong Naxus, dat getracht had zich van den atheenschen bond los te maken, en bracht eindelijk de geheele Chersonēsus in het bezit der Atheners (476–468). Door deze overwinningen had hij ook in het staatkundige grooten invloed gekregen, en toen Themistocles verbannen en Aristīdes gestorven was, was hij de eerste man van Athene. Hij wist het door te drijven, dat de bondgenooten hunne verplichting om schepen te leveren konden afkoopen, en dwong vele wederspannige staten met geweld in de atheensche symmachie te blijven. Ten gevolge van zijne aristocratische neigingen en van zijne vriendschap voor Sparta stond hij echter voortdurend bloot aan de aanvallen der volkspartij, en hoewel eene eerste aanklacht tegen hem zonder gevolg bleef, werd hij in 460, nadat een leger, dat op zijn raad in den oorlog tegen de Messeniërs aan de Spartanen ter hulp gezonden was, uit wantrouwen was teruggezonden, door het ostracismus verbannen. Hoewel zijn verzoek om in den slag bij Tanagra (457) mede te strijden, werd afgewezen, werd hij niet lang daarna uit zijne ballingschap teruggeroepen en in 451 bewerkte hij een vijfjarigen wapenstilstand tusschen Athene en Sparta. In 449 opnieuw met eene vloot van 200 schepen tegen de Perzen gezonden, stierf hij gedurende het beleg van Citium. De zoogenaamde vrede van Cimon, waarbij de koning van Perzië alle grieksche steden in Klein-Azië onafhankelijk verklaarde en zich verbond geene oorlogsschepenin de Aegaeische zee te zenden, wordt alleen door latere schrijvers vermeld. Deze vrede is in werkelijkheid door Callias gesloten (z.Calliasno. 1).—Behalve Cimon’s groote talenten als veldheer, worden ook zijne liefdadigheid en minzaamheid tegenover arme burgers geroemd en de mildheid, waarmede hij groote sommen aan de verfraaiing zijner vaderstad besteedde.Cinado,Κινάδων, een Spartaan, die in het begin der regeering van Agesilāus eene samenzwering smeedde om de staatsregeling omver te werpen. Het plan werd echter verraden en de saamgezworenen werden ter dood gebracht.Cinara,Κινάρα, eilandje in de Aegaeische zee, oostwaarts van Naxos, beroemd om zijne artisjokken,κινάραι.Cincia (lex)de donis et muneribus. Deze wet verbood aan advocaten geschenken aan te nemen van de rechtzoekenden. Zij was een plebisciet, 204.Cincii. Van dit plebejische geslacht zijn slechts deAlimentibekend. 1)L. Cincius Alimentuswas in 210 en 209 praetor op Sicilia. In 208 deed hij een vruchteloozen aanval op Locri Epizephyrii in Bruttium. Hij werd door Hannibal krijgsgevangen gemaakt. Hij is de schrijver vanannalesin het Grieksch.—2)M. Cincius Alimentus, volkstribuun in 204, was de vader derlex Cincia.Cincinnātus, familienaam in degens Quinctia, z.Quinctiino. 2–5.Cinctus Gabinus=Gabinus cinctus.Cineas,Κινέας, 1) thessalisch vorst, die met 1000 ruiters de Pisistratiden kwam helpen, toen de Lacedaemoniërs hen uit Athene wilden verjagen.—2)Thessaliër, vriend en dienaar van Pyrrhus, den koning van Epīrus, wien hij door zijn verstand en zijne welsprekendheid groote diensten bewees. Tevergeefs ontried hij Pyrrhus den tocht naar Italië, wel werd op zijn raad den Romeinen na de eerste overwinning van Pyrrhus vrede aangeboden. Hij ging zelf tweemaal naar Rome om te onderhandelen, de eerste maal na Pyrrhus’ overwinning bij Ausculum (279), maar in weerwil van zijne welsprekendheid wees de senaat, die op hem den indruk maakte van eene vergadering van koningen, zijne voorstellen standvastig af. Hij stierf, naar het schijnt, gedurende den tocht van Pyrrhus naar Sicilië. Ook als schrijver van werken over taktiek en geschiedenis wordt hij genoemd.Cinesias,Κινησίας, atheensch dithyrambendichter, omstreeks 415, dikwijls bespot om zijne ultra-moderne muziek.Cinga, zijrivier van den Sicoris (Segre) in Tarraconensis.Cingetorix, Galliër uit het volk der Treviri ten tijde van Caesar, vriend der Romeinen, die hem het bestuur over zijne onderworpen stamgenooten lieten. Ook naam van een vorst der Britten in denzelfden tijd.Cingulum, bergvesting in Picēnum, in 63 door Labiēnus aangelegd.Cinna, familienaam in degens Cornelia(z.Corneliino. 39–42) en degens Helvia.Cinxia, bijnaam van Juno, als godin van het huwelijk.Cinyps, gen. -phis,Κίνυψ, rivier op de kust van Africa tusschen de groote en de kleine Syrte, bij Leptis magna. De streek, waardoor zij stroomde, bracht zeer schoonharige geiten voort. Dichterlijk iscinyphius= afrikaansch.Cinyras,Κινύρας, zoon van Apollo, koning van Cyprus, priester van Aphrodīte. Bij zijne dochter Myrrha verwekte hij, zonder haar te kennen, den schoonen Adōnis; toen hij dit ontdekte, stortte hij zich in zijn zwaard.Cios=Cius.Cippus, oorspronkelijk = paal. Deze naam kreeg ook een palissadeering onder water, door Caesar aangelegd in de grachten zijner legerplaats vóór Alesia. Deze versterking bestond in stukken van boomstammen, van boven scherp gepunt en met gekapte takken, die op den bodem der gracht werden neergelaten. Verder wordt het meestal gebruikt voor grenspaal van hout of steen, om den Tiberloop, hetpomoerium, de waterleidingen, en deareavan een graf aan te wijzen.Circe,Κίρκη, dochter van Helius en Perse. Zij woonde op het eiland Aeaea, dat zij door hare tooverkunsten in een heerlijk oord herschapen had, waar zij den tijd doorbracht met weven en zingen en door schoone nimfen bediend werd. Toen Odysseus op haar eiland landde, veranderde zij zijne makkers in zwijnen, hijzelf was echter door een kruid, dat hem door Hermes gegeven was, tegen hare toovermiddelen bestand; zelfs dwong hij haar, aan zijne makkers hunne oorspronkelijke gedaante terug te geven. Hij bleef een geheel jaar bij haar en verwekte bij haar drie zonen: Telegonus, den mythischen stichter van Tusculum, Agrius en Latīnus. Toen hij eindelijk op aandringen zijner makkers wenschte te vertrekken, liet zij hem gaan, na hem eerst zijn verdere lotgevallen voorspeld te hebben. ZieTelemachus.Circeii, oude havenstad in Latium, wegens de overeenkomst van naam door de mythe met Circe in verband gebracht. De nabijgelegen kaap heettepromunturium CirceiumofCirceius mons. In de 5deeeuw was Circeii in de macht der Volscen, maar in 393 werd het heroverd, en als latijnsche kolonie ingericht, wat het gebleven is tot 90. OnderCircaea moeniabij Horatius moet men niet Circeii, maar Tusculum verstaan (z.Circe).Circesium,Κιρκήσιον, rom. grensvesting in Mesopotamia aan de samenvloeiing van den Chabōras en den Euphraat. Hier was in 604 koning Necho van Aegypte door Nebukadnezar verslagen.Circius,Θρασκίας, de noordwestenwind, zieWindstreken. Circius of Cercius ventus, ook ventus Gallicus geheeten, is de naam van een wind, die met groote heftigheid in het Zuiden van Gallia Narbonensis, en Zuidwaarts tot aan Ostia optreedt. Het is de bekende Mistral. In andere streken heet hij Corus of Caurus.Circumcellionesworden sedert de helft van de 4deeeuw n. C. die Donatisten genoemd, die in Afrika, door den nood gedrongen, monniken en zwervers werden; ze zijn hevig gekant tegen andersdenkenden en tegen de bezittende klassen.Circus.Circus.Circus. Wedrennen behoorden tot de meest geliefde schouwspelen der Rom. Het renperk was eene langwerpige ruimte, aan wier begin de stallen (carceres) zich bevonden. Dezecarcereswaren in een flauwen boog gebouwd, zoodat de afstand tot aan het eigenlijke aanvangspunt van den rit voor allen gelijk was. Aan het andere eind was de circus afgerond. Langs de renbaan waren de zitplaatsen voor de toeschouwers, op dezelfde wijze als in het amphitheatrum. In de as der baan was eene verhevenheid, despina, waarop dikwerf altaren, zuilen en dergelijke versierselen stonden. Vóór de beide uiteinden derspinastonden demetaeof eindpalen, waarom de wagens moesten heenzwenken. Zulk eenemetabestond uit een steenen voetstuk met drie kegelvormige zuilen. Op despina, nabij de einden, stonden twee verhevenheden; op de eene lagen zeven groote marmeren eieren, op de andere stonden zeven groote marmeren dolfijnen. Bij elken omrit (curriculumofspatium) werden een ei en een dolfijn afgenomen. Zeven omritten vormden eenmissus. Wie bij den zevenden omrit het eerst de krijtstreep (ziecalx) bereikte, was overwinnaar. Bij elken wedren ofmissusliepen in den regel vier wagens (zieauriga), terwijl verscheidenemissuselkander opvolgden.Circus maximus.Circus maximus.Decircus maximuste Rome, gelegen tusschen den Palatīnus en den Aventīnus, herhaaldelijk vergroot, was ten laatste 600 Meter lang en 150 M. breed. Hij kon toen 180,000 toeschouwers bevatten. Behalve dezen telde Rome binnen zijne muren nog een kleineren, dencircus Flaminius, door C. Flaminius in 220 gesticht op den Campus Martius ten N.O. van den Capitolinus. Decircus max.en decircus Flam.hebben hun naam gegeven aan de 11deen 9deder 14regiones, waarin Augustus Rome verdeelde.Cirphis,Κίρφις, zieParnassus.Cirrha, zieCrissa.Cirta,Κίρτα, uiterst sterke stad in Numidia (Africa Nova), koninklijke residentie, later naar Constantijn den Gr.Constantīnagenaamd; tgw. Constantine.Cisalpīna (Gallia), het noordelijk gedeelte van Italië, van de Alpen tot aan de riviertjes Macra en Rubico. Het was gedeeltelijk bevolkt door gallische stammen, die er de Etruscers en Umbriërs uit verdrongen. Het omvatte de landstreken Liguria, Gallia Cispadāna, Gallia Transpadāna, Venetia, Histria.Cispadāna (Gallia), de oostelijke helft van Noord-Italië bezuiden den Padus (Po).Cispius (mons), een van de bergen van hetSeptimontium, zieRoma; hij behoorde tot de wijkEsquiliae, en was gelegen tusschen den Mons Oppius en den Collis Viminālis.Cissēis,Κισσηίς, 1) Theāno, dochter van den thracischen koning Cisses.—2)Hecabe, dochter van Cisseus.Cissia,Κισσία, oude naam voor de landstreek Susiāne aan den Choaspes, met eene zeer heldhaftige bevolking.Cisterna, van boven gesloten vergaarbak, vooral voor regenwater; open vergaarbakken heetenlacus.Cistophorus,κιστοφόρος, 1) degene, die bijsommige godsdienstige plechtigheden, vooral bij de mysteriën, de heilige kist droeg, waarin zich offergereedschappen, enz. bevonden.—2)aziatische munt ter waarde van 4 drachmen, die tot stempel had een half geopende kist, waaruit een slang te voorschijn kwam.Cithaeron,Κιθαιρών, woest gebergte tusschen Attica, Boeotia en Megaris, rijk aan ongeluksmythen (Actaeon, Pentheus, Niobe’s kinderen, Oedipus te vondeling gelegd).Cithara,κιθάρα, κίθαρις, een muziekinstrument, door Amphīon of Linus uitgevonden; het was in vorm nagenoeg gelijk aan onze gitaar en had oorspronkelijk 3 of 4, gewoonlijk 7, later nog meer, eindelijk 15 snaren. Men bespeelde het met de hand of met een plectrum, terwijl men het op den linkerarm liet rusten.Citium,Κίτιον, een der negen hoofdsteden van Cyprus, op de Zuidkust gelegen. Cimon stierf hier (449).CiusofCios,Κίος, oude koopstad aan de Z. kust van de Propontis aan den Cianus Sinus, kolonie van Milētus, door de Macedoniërs verwoest, maar door Prusias van Bithynia herbouwd enPrusiasgeheeten, niet te verwarren met het zuidelijker gelegenPrusa.Civīlis(Iulius, nietClaudius), Batavier van edele afkomst, die in de jaren 69–70 na C. het hoofd was van den bataafschen opstand tegen Rome. Een oogenblik nam de opstand onrustwekkende afmetingen aan. Met andere germaansche stammen vereenigd, behaalden de Batavieren meer dan ééne overwinning en belegerden Castra Vetera (Xanten), dat zij ten laatste ook vermeesterden. Ook in Gallië brak een opstand uit, maar gebrek aan samenwerking en aan de noodige eenheid was oorzaak, dat de Galliër Julius Tutor en later ook Civilis door den rom. veldheer Cereālis verslagen werden. Het gelukte den Romeinen, de Batavieren van hunne bondgenooten te scheiden en naar hun eiland terug te dringen (z. ookBatavodurum), waarop Civilis met Cerealis een eervollen vrede sloot en het oude bondgenootschap der Batavieren met Rome werd hersteld.Civitas, burgerrecht (eigenlijkius civitatisofius Quiritium). Volgens de begrippen der oudheid had alleen de burger van den staat vanzelf aanspraak op de bescherming der wetten. Door verdragen met andere staten kon wederzijdsche bescherming worden verleend, doch in het algemeen beschermden de wetten den vreemdeling niet, tenzij een burger zich zijner aantrok en voor hem optrad. Vandaar de groote beteekenis van het burgerrecht in de oude tijden. Men was burger door geboorte of door schenking van het burgerrecht. De rechten, die het Rom. burgerrecht verleende, kunnen onderscheiden worden iniura privataeniura publica. Tot deiura privatabehoorden vooral hetconubiumen hetcommercium; tot deiura publicain de eerste plaats hetius provocationis, het recht om zich van een vonnis der overheden op de volksvergadering te beroepen. De rom. burger was tijdens de republiek vrij van onteerende straffen; alleen door de volksvergadering kon hij tot geeseling en doodstraf worden veroordeeld. Hetius suffragiien hetius honorum et sacerdotiorummaakten geen noodzakelijk bestanddeel van het rom. burgerrecht uit. Die het hadden, warencives optimo iure; die het niet hadden, heettenaerarii(z. a.). Keizer Caracalla schonk in 212 na C. het burgerrecht aan alle vrije inwoners van het rom. rijk, ten einde de successierechten op rom. erfenissen door het geheele rijk te kunnen heffen. Zie ookcapitis deminutioenπολιτεία.Civitates. In de oudheid vindt men in hetzelfde land verschillende volken en stammen, soms wel door een verbond vereenigd, maar toch elk met hun eigen gebied en als zelfstandig geheel. Zoo vormden ook de grieksche volksplantingen aan de Middellandsche zee en hare bijzeeën afzonderlijke staatjes. De Rom. lieten dezen toestand bestaan, en waar zij hem niet vonden, riepen zij hem in het leven, door het land incivitateste versnipperen. Hoever deze versnippering ging, blijkt o.a. hieruit, dat op Sicilia 63civitatesbestonden, ieder door een verdrag aan Rome geketend, doch onderling zonder band, zonderconubiumofcommercium. (Alleen de burgers van Centuripae hadden recht van grondbezit over het geheele eiland). Zoo stond Rome tegenover een aantal kleine gebiedjes of staatjes en bleef het gemakkelijk meester, en dit is het, wat men onderdividere et imperarete verstaan heeft.Civitates foederatae,liberae, immunes. In het rom. gebied had men ook vrije steden,civitates liberae, met eigen wetten en eigen rechtspraak, waaraan ook de inwonende Romeinen onderworpen waren. De stadhouder der provincie had dáár geen gezag uit te oefenen en geen recht, zich in deiurisdictiodezer staatjes te mengen. Deze vrije gemeenten waren òfcivitates liberae et foederatae, die indertijd vrijwillig eenfoedusmet Rome hadden gesloten op den voet van wederzijdsche gelijkheid van rechten,—òf wel alleencivitates liberae, waaraan de vrijheid door eene wet of een senaatsbesluit was geschonken, hetzij voor betoonde trouw of voor vrijwillige onderwerping. Deze laatste soort was aan geldelijke lasten ten bate der rom. schatkist onderworpen, tenzij zijcivitates liberae et immuneswaren, waaraan alleen in buitengewone gevallen verplichtingen konden worden opgelegd. De uitdrukkingcivitas foederatazonder bijvoeging vanliberasluit geene vrijheid in. Wanneer mencivitates foederataenaastsociigebezigd vindt, moeten onder de eerste decivitatesin de provinciën, onder de laatste die in Italia verstaan worden. Zie echtersocii.Cladeus,Κλάδεος, beek die langs Olympia stroomend in den Alphēus valt.Clanis, riv. in Etruria, stroomt langs Clusium en valt in den Tiber.Clanius, rivier in Campania, ten Z. van den Volturnus, aan zijn monding ook Liternus geheeten.Clarissimi, titel der derde klasse van ambtenaren onder Constantijn.Clarus,Κλάρος, stadje in Ionia nabij Colophon, met een tempel en een orakel vanApollo Clarius.Classiarii. De zeedienst was bij de Rom. veel minder in aanzien dan de krijgsdienst te land. De bemanning der vloot,classiarii, socii navales, werd dan ook uit de armere burgers en uit de vrijgelatenen genomen. In later tijd wordt ook de naamclassicigebruikt.Classici, de burgers, die tot de eerste klasse behoorden. Vanhier de uitdrukkingscriptores classici, schrijvers van den eersten rang. Ook =classiarii.Classicum, trompet- of hoornsignaal, ook gebruikt voor het bijeenroepen dercomitia centuriata.Classis. De rom. burgers waren naar hun vermogen in 5classesingedeeld (ziecenturia). De eerste klasse werd dikwerf bij uitnemendheidclassisgeheeten; vandaar de uitdrukkinginfra classemvoor hen, die lager stonden. In het oudere Latijn isclassisde onder de wapenen geroepen manschap; vandaarclassis procincta, het slagvaardige leger. Ook = vloot. Omtrent de geschiedenis der romeinsche marine valt het volgende te melden. In 426 wordt voor het eerst een zeegevecht vermeld, in 394 gaat eenoorlogsschipnaar Delphi. In 338 behalen de Romeinen een overwinning ter zee op de Antiaten, in 311 worden deduoviri navales classi ornandae et reficiendaevoor het eerst vermeld. In den eersten Punischen oorlog is de vloot zeer belangrijk. Later liet men ze vervallen, of liet men de bondgenooten voor schepen zorgen. Eerst door de troebelen van den zeerooveroorlog komt men er toe weer een voldoende vloot te bouwen (67), en sedert speelt die een groote rol in de burgeroorlogen. Augustus en de latere keizers onderhouden een blijvende vloot, die twee stations heeft, één te Misēnum, één te Ravenna. Ook in de provincies had men vloten, o.a. in Egypte, en op den Donau en den Rijn.Clastidium, stad der Anares (Anamari) in Gallia Cispadāna, nabij den Padus (Po) op de grens van Liguria. M. Claudius Marcellus (zieMarcellino. 29) behaalde hier in 222 eene overwinning op de Galliërs en versloeg eigenhandig hun aanvoerder Virdomārus.Claternae, stad in Gallia Cispadāna aan de Via Aemilia ten O. van Bononia (Bologna).Claudia(lex) van den volkstribuun Q. Claudius in 218, dat geen senator of senatorszoon een zeeschip mocht hebben van meer dan 300 amphorae (76 hectoliter) inhoud. Hierdoor werd het aan de senatoren onmogelijk gemaakt handel te drijven. Deze maatregel heeft indirekt het grootgrondbezit in Italië in de hand gewerkt, daar de senatoren voortaan hun geld in land belegden.Claudia(lex) van den consul C. Claudius Pulcher in 177, dat de Latijnen, die zich te Rome ophielden, deze stad moesten verlaten en naar hunne eigene steden terugkeeren. De bedoeling was, de ontvolking der latijnsche steden te voorkomen.Claudia(lex) van keizer Claudius, een verbod om aan minderjarigen geld te leenen.Claudiānus(Claudius), een der laatste dichters van het west-rom. rijk, ± 400 na C., geb. te Alexandrīa, bezong in latijnsche verzen den lof en de daden van keizer Honorius en van Stilicho. Epische fragmenten, brieven en kleine gedichten zijn nog van hem overig. Hij schreef niet zonder talent en kracht.Claudii, een oorspronkelijk sabijnsch geslacht. 1)Atta Claususverhuisde in 504 uit de stad Regillum, waar hij vele vijanden had, met zijne cliënten naar Rome, waar hij bereidwillig onder de patriciërs werd opgenomen en met de zijnen eene eigenetribus Claudiavormde. Te Rome werd zijn naam veranderd inAppius Claudiusmet den bijnaamSabīnus Inregillensis. In 495 was hij consul. Hij maakte zich gehaat door zijne trotschheid en hardheid jegens de plebejers en zijne schuldenaars. Alles wat van hem verteld wordt, is verzonnen.—2)App. Claudius Crassus Inregillensis Sabīnus, zoon van no. 1, was consul in 471 en in 451, maar trad toen af, omdecemvir legibus scribundiste worden. De verhalen omtrent zijn consulaat in 471, en zijn tegenwerking van de volkstribunen en delex Publilia, zijn verzonnen. Ook alle verhalen omtrent het decemviraat gedurende 451–449 zijn onhistorisch. Volgens deze verhalen zou hij na het gebeurde met Verginia (zieVerginiino. 6) in de gevangenis ter dood gebracht zijn of zich zelven het leven benomen hebben.—3)C. Claudius Sabinus, ook een zoon van no. 1, toonde zich bij verschillende gelegenheden den plebejers zeer vijandig. Alles is ook hier verzonnen.—4)App. Claudius CrassusofCrassīnus, heftig bestrijder van de toelating der plebejers tot het consulaat, was in 362 dictator en stierf als consul in 349.—5)App. Claudius Caecus, censor in 312 (v. a. 310), legde als zoodanig de beroemdevia Appiaen eene waterleiding,aqua Claudia, aan. Hij bleef langer dan zijn ambtgenoot in functie (ziePlautiino. 4) om deze bouwwerken te voltooien. Omtrent zijn verandering in den Herculesdienst zie menPinarii. Overigens is deze censuur bekend geworden door ingrijpende wijzigingen, vooral hierdoor, dat Cl. niet meer uitsluitend het grondbezit, maar ook het overige vermogen als grondslag voor den census aannam en aan alle burgers, ook aan de vrijgelatenen, toestond, zich in alle tribus te laten inschrijven, alsmede door de willekeurige, tegen de gewoonte indruischendelectio senatus, waarbij zonen van vrijgelatenen, o. a. Cn. Flavius in den senaat werden opgenomen. Zijn geheele werkzaamheid als censor was in democratischen geest en gekant tegen de belangen zijner standgenooten, depatricii. Claudius was consul in 307 en in 296, in welk laatste jaar hij de Etruscers versloeg. Later werd hij blind, doch hield in 279 of 280 in den senaat niettemin de beroemde rede, waardoor hij bewerkte dat de vredesvoorslagen van Pyrrhusvan de hand werden gewezen.—6)App. Claudius Caudexstreed als consul in 264 tegen de Carthagers op Sicilia.—7)P. Claudius Pulcher, zoon van no. 5, verloor als consul in 249 bij Drepana een zeeslag tegen de Carthagers. De heilige hoenders, die ongunstige voorteekenen gaven, had hij in zee laten werpen. Hij werd later wegens hoogverraad aangeklaagd, en waarschijnlijk veroordeeld. Hij hoorde tot de radicalen, evenals zijn vader.—8)App. Claudius Pulcher, zoon van no. 7, nam deel aan den slag bij Cannae in 216 en het beleg van Syracusae in 213 en stierf aan zijne wonden kort na de inneming van Capua in 211, waaraan hij als consul en proconsul een werkzaam aandeel had. Z.Fulviino. 4.—9)App. Claudius Pulcher, een zoon van no. 8, streed in 198 en 197 onder T. Quinctius Flamininus in den macedonischen oorlog, in 195 tegen Nabis van Sparta, in 191 onder M’. Acilius Glabrio in den syrischen oorlog, versloeg in 185 als consul de ligurische Ingauni en nam later nog verschillende gezantschappen waar.—10)C. Claudius Pulcher, ook een zoon van no. 8, consul in 177, versloeg de Istriërs en Liguriërs, streed in 171 in den oorlog tegen Perseus en werd in 169 censor. Als zoodanig maakte hij zich door zijne gestrengheid gehaat. Hij werd tijdens zijn censuur door dentribunus plebisP. Rutilius vanperduellioaangeklaagd, en zou veroordeeld zijn, als niet zijn ambtgenoot Tib. Sempronius Gracchus voor hem in de bres was gesprongen. Van hem is delex Claudia de sociis Latinis.—11)Claudia Quinta, waarschijnlijk een kleindochter van no. 5. Toen in 204 het schip met het beeld van Cybele (zieRhea) uit Pessinus te Ostia gekomen was, kon het door de droogte niet naar Rome opgesleept worden. De sage vertelt, dat daarop Claudia Quinta door aan het touw te trekken, beweging heeft gebracht in het schip, en zóó hare kuischheid heeft bewezen. Haar beeltenis stond later in den voorhof van den tempel van Cybele, en bleef bij brand tweemaal ongeschonden.—12)App. Claudius Pulcher, consul in 143, werd eerst door de Salassiërs, een alpenvolk, verslagen, doch behaalde later eene overwinning op hen en hield toen, trots de weigering van den senaat, een zegetocht binnen Rome onder bescherming zijner dochter Claudia, vestaalsche maagd, die op den zegewagen was gesprongen en den arm om haar vader sloeg. Hij was censor in 137. De als volkstribuun bekende Tib. Sempronius Gracchus was zijn schoonzoon. Hij wasIII vir agris iudicandis adsignandis(zieAgrariae leges), en wordt als zoodanig ook genoemdIII vir agris dividendis colonisque deducendis. Hij wasprinceps senatus. Als redenaar wordt hij door Cicero met lof genoemd.—13)C. Claudius Pulcher, ook als redenaar bekend, tegenstander van den volkstribuun L. Appuleius Saturnīnus in het jaar 100, vertoonde als aediel het eerst olifanten bij de openbare spelen in 99. In 95 kreeg hij als praetor de opdracht van den senaat, een nieuwe staatsregeling op te stellen voor de inwoners van Halaesa op Sicilië.—14)App. Claudius Pulcher, praetor in 89, zag in 87 in den burgeroorlog zijn leger tot L. Cornelius Cinna overloopen; hij werd in 86 verbannen, maar keerde met Sulla terug en werd consul in 79; later streed hij voorspoedig als pro-consul van Macedonië tegen de Scordisci. Hij liet zijn kinderen (no. 15–19) in armoede achter.—15)App. Claudius Pulcher, zoon van no. 14, diende onder zijn zwager L. Licinius Lucullus in den oorlog tegen Mithradātes in 74–72, en eischte in 72 van Tigrānes in Antiochia op hoogen toon de uitlevering van Mithradates. Griekenland (in 61) en Sardinia (56) hadden veel te lijden van zijne roofzucht, evenals Cilicia, waar hij in 53 proconsul was en in 51 door Cicero werd opgevolgd. In 54 was hij consul geweest, in 50 was hij censor en vervolgde in anderen de ondeugden, die hem zelven aankleefden, hebzucht en omkoopbaarheid. Hij was een vijand van Cicero, wiens terugroeping uit de ballingschap hij bestreed. Later haalde hij zich Caesars haat op den hals, moest in 49 Rome verlaten en voegde zich bij Pompeius, die hem tot stadhouder over Griekenland aanstelde. Hij was een goed redenaar. Hij stierf op Euboea kort na den slag bij Pharsālus.—16)C. Claudius Pulcher, ook een zoon van no. 14, propraetor van Asia in 55, werd veroordeeld wegens afpersingen, hoewel hij zijn aanklager omgekocht had.—17)P. Clodius (= Claudius) Pulcher, derde zoon van no. 14, was de bekende volkstribuun endoodsvijandvan Cicero. Hij was een rustelooze onruststoker, die voor geene daden van geweld terugdeinsde. In den oorlog tegen Mithradātes ruide hij ten bate van Pompeius de troepen van zijn zwager Lucullus op, zoodat zij weigerden verder te trekken. In Dec. 62 sloop hij bij gelegenheid van het feest der Bona Dea, dat in het huis van denpontifex maximusCaesar gevierd werd, en waarbij alleen vrouwen tegenwoordig mochten zijn, in vrouwenkleederen Caesar’s woning binnen, maar werd ontdekt. Hij werd in 61 wegensincestusaangeklaagd, maar tengevolge van omkooping der rechters vrijgesproken. Van dezen tijd dateert de vijandschap met Cicero, die tegen hem getuigd had. In 59 bewerkte Caesar, die hem als werktuig tegen Cicero en de senaatspartij noodig had, door eenlex curiata, waarbij Clodius door eenplebejerals zoon werd aangenomen, diens overgang tot de plebs (transitio ad plebem, zieComitia Curiata Calata), zoodat hij zich voor 58 tottribunus plebiskon laten kiezen. Toen hij in 58 als volkstribuun Cicero in ballingschap had gedreven en Cato door een eervolle opdracht uit Rome had verwijderd (zieClodiae legesno. 7), ontzag hij niets of niemand meer en oefende aan het hoofd zijner gewapende benden van slaven en huurlingen te Rome een waar schrikbewind uit. Hij kwam in 52 om bij eene schermutseling tusschen zijne bende en het gevolg vanzijn vijand T. Annius Milo op den heerweg bij Bovillae. Zie verderClodiae leges.—18)Clodia maior, dochter van no. 14, was gehuwd met Q. Caecilius Metelles Celer, wiens dood (59) haar werd geweten. Cicero, dien zij haatte, wreekte zich op haar in zijneoratio pro Coelio, die door haar van giftmengerij was beschuldigd. Zij was de minnares van Q. Valerius Catullus (zieValeriino. 38) en daarna van M. Caelius Rufus (Caeliino. 4).—19)Clodia minor, dochter van no. 14, was gehuwd met L. Licinius Lucullus.—20)C. Claudius Centho, komt in 200 in den oorlog tegen Philippus van Macedonia als legaat voor.—21)App. Claudius Centho, zoon van no. 20, streed in 174 voorspoedig tegen de Celtiberiërs, in 170 en 169 met afwisselend geluk in Illyria.—22)C. Claudius Nerostreed in 214 onder M. Claudius Marcellus op Sicilia, veroverde in 211 als pro-praetor Capua en versloeg in 207 als consul met zijn ambtgenoot M. Livius Salinātor bij den Metaurus Hannibals broeder Hasdrubal, die aldaar sneuvelde. In 204 waren beide consuls censors. Hierbij deed zich het ergerlijke tooneel voor, dat beide censoren elkander van de ridderlijsten schrapten, en ook op andere wijze kibbelden.—23)Tib. Claudius Nerowas in 202 consul met Scipio Africānus maior. Zijn tocht naar Africa mislukte door storm.—24)Tib. Claudius Nero, dien Cicero gaarne tot schoonzoon had gehad, hield het na Caesars dood eerst met Antonius, later met Sextus Pompeius, en stond vervolgens (38) aan Octaviānus zijne vrouw Livia Drusilla af, bij wie hij twee zonen had, den lateren keizer Tiberius en den bekenden veldheer Drusus (zie no. 26).—25)Tib. Claudius Nero, zoon van no. 24, rom. keizer 14–37 na C. ZieTiberius.—26)Nero Claudius Drusus, gewoonlijkDrususgenoemd, jongere zoon van no. 24 en dus broeder van keizer Tiberius, geb. 38, toen Livia reeds met Octaviānus getrouwd was, werd door zijn stiefvader Augustus, wiens vertrouwen hij in volle mate bezat, in 15 uitgezonden om de Alpenvolken, vooral de Raetiers, te onderwerpen, hetgeen hij met zijn broeder Tiberius tot stand bracht. Uit de onderworpen streken werd een nieuwe provincieRaetia et Vindeliciagevormd, waarbij de reeds onderworpenVallis Poeninagevoegd werd. Daarop werd Drusus in 13legatus Augustivan deTres Galliae, met de opdracht, den oorlog tegen de Germanen te voeren (12–9). Eerst versloeg hij de Sugambren, die onder koning Maelo over den Rijn waren gevallen, en voer langs de door hem gegravenfossa Drusiāna(z.a.) naar het land der Friezen en Chauken. Hij onderwierp de Friezen (12), de Usipii (11), trok door het land der Sugambri, en legde tweecastellaaan, n.l. Aliso en één in den Taunus (11). In 9 trok hij door het land der Chatten en Cherusci tot aan de Albis (Elbe), doch overleed toen door een val van zijn paard. Door zijn veldtochten werd Germania tot aan de Elbe bij het Romeinsche rijk gevoegd, en werd eerst weer vrij door de vernietiging van het leger van Varus (9 n. C.). Drusus’ dood werd algemeen betreurd. Daar hij evenals zijn broeder Tiberius door Augustus geadopteerd was, behoort zijn zoon Germanicus onder deCaesares, zieIuliienGermanicus.—27)Claudius Nero, zoon van no. 26 en broeder van Germanicus, rom. keizer, 41–54 na C. ZieClaudius (keizer).—28)Ti. Claudius Caesar Britannicus, zoon van keizer Claudius (no. 27), geboren 41 n. C. Zijne moeder was de zedelooze Valeria Messalīna. Hij werd door keizer Nero in 55 vergiftigd, zieClaudius (keizer).—29)Nero Claudius, aangenomen zoon en opvolger van no. 27, rom. keizer, 55–68 na C. ZieNero (keizer).—30)M. Claudius Marcellus, een der uitstekendste mannen van zijn tijd, onderwierp als consul, 222, Gallia Cisalpīna, waarbij hij in den slag bij Clastidium op den gallischen aanvoerder Virdumārus despolia opimabehaalde. Na den slag bij Cannae in 216 redde hij als praetor het overschot van het rom. leger en wist tijdig Nola te bezetten, zoodat de afval verhinderd werd. Een eigenlijke veldslag is toen niet geleverd, maar de moreele uitwerking was er niet minder om. In 215 als consul gekozen, legde hijvitio creatuszijn ambt neder, maar bleefpro consulein de nabijheid van Nola, dat hij wist te behouden. In 214 was hij weder consul, en nam met zijn ambtgenoot Q. Fabius Maximus Cunctātor Casilīnum in, waarbij hij zich aan trouwbreuk schuldig maakte. Hij ging daarop naar Sicilië, nam Leontīni in, en veroorzaakte door zijn gestrengheid den afval van Syracuse. In 213 volgt nu het beroemde beleg van deze stad, die in 211 door hem stormenderhand werd veroverd, waarbij Archimēdes omkwam. De stad werd uitgeplunderd. In 210 was hij ten vierden male consul en streed hij tegen Hannibal in Italië, maar richtte niet veel uit. In 208 was hij nogmaals consul, doch viel in eene hinderlaag en sneuvelde. De Rom. noemden hem “het zwaard van den staat” wegens zijne onversaagde dapperheid.—DeMarcelliwaren de eenige plebejische tak dergens Claudia; zij worden onder depatronivan Sicilia gerekend.—31)M. Claudius Marcellus, zoon van no. 30, ontkwam zwaar gewond aan de hinderlaag, waarin zijn vader sneuvelde. In 196 versloeg hij als consul deInsubriërs, in 189 was hij censor, waarbij hij zich door eene groote mate van zachtmoedigheid onderscheidde.—32)M. Claudius Marcellus, consul in 183.—33)M. Claudius Marcellus, kleinzoon van no. 30, een braaf en edel krijgsman, was consul in 166, 155 en 152, en behaalde lauweren in Gallia Cisalpīna, Liguria en Hispania.—34)M. Claudius Marcellus, ten wiens behoeve Cicero in 46 in den senaat zijneoratio pro Marcellohield, was een aanhanger van Pompeius, minder om diens persoon dan om het beginsel. Hij wilde Caesar niet om vergiffenis vragen, en eerst toen deze hem op aandrang van den senaat ongevraagd amnestie verleend had, maakte hij zich op, om naar Rome terug te keeren, dochonderweg werd hij te Athene omgebracht.—35)C. Claudius Marcellus, broeder van no. 34, consul in 49, was een tegenstander van Caesar en volgde Pompeius, maar stierf spoedig.—36)C. Claudius Marcellus, neef van no. 34 en 35, consul in 50, bood aan Pompeius het opperbevel tegen Caesar aan, en week met hem uit, doch verzoende zich later met Caesar. Hij was gehuwd met Octavia, de zuster van Octaviānus.—37)M. Claudius Marcellus, zoon van no. 36, werd door Augustus tot zoon aangenomen en huwde diens dochter Julia. Hij was iemand van uitstekende begaafdheden, van wien men algemeen groote verwachtingen koesterde; doch hij stierf plotseling, in het jaar 23, 20 jaar oud te Baiae. Dat hij door Livia zou zijn vergiftigd, is lasterpraat. Hij is het, die door Vergilius (Aen. VI 861–887) verheerlijkt wordt: “Tu Marcellus eris”.—38)Marcella, dochter van no. 36, was eerst gehuwd met M. Vipsanius Agrippa en na hare scheiding van dezen (21), met Julus Antonius, zoon van den drieman.—39)Q. Claudius Quadrigarius, rom. annalist, tijdgenoot van Sisenna (Corneliino. 56), schreef eene kroniek, vermoedelijk van den gallischen brand tot aan Sulla’s dood.—40)Claudius Didymus, grammaticus in de 1ste eeuw n. C., schreef een werk, waarin hij de verwantschap van het Latijn en het Grieksch trachtte aan te toonen.Claudiopolis, zieBithynium.Claudius, voluitTib. Claudius Nero Germanicus, rom. keizer, 41–54 n. C. Hij was de jongere zoon van Drusus (Claudiino. 26) en Antonia minor, en was in het jaar 10 te Lugdūnum (Lyon) geboren. Na de vermoording van Caligula, 25 Jan. 41, vonden de praetorianen hem toevallig in het paleis verscholen en plaatsten hem op den troon. Na reeds van twee vrouwen gescheiden te zijn, had hij in 39 de zedelooze Messalīna gehuwd, die hem geheel beheerschte. Nadat hij eindelijk tot straf voor hare euveldaden haar had laten ombrengen (48), huwde hij zijne nicht Agrippīna, de dochter van zijn broeder Germanicus, wier derde man hij werd. Om haar te believen sloot hij zijn eigen zoon Britannicus Caesar van de regeering uit en nam Agrippina’s zoon uit haar eerste huwelijk met Cn. Domitius Ahenobarbus tot zoon en opvolger aan (50). Dit was de latere keizer Nero. Toen Claudius nu ook den onzedelijken levenswandel en de overheersching van Agrippina moede begon te worden, ruimde deze hem door vergif uit den weg. Britannicus was toen nog een knaap van 13 jaar; in het volgende jaar (55) ruimde Nero, door achterdocht en naijver gedreven, ook hem uit den weg door middel van vergif. Claudius was zwak en vreesachtig van aard, en meer geschikt voor de studeerkamer dan voor den troon. Voor hem voerden vooral de vrijgelatenen de regeering: de voornaamste hiervan zijn: Narcissus,ab epistulis, M. Antonius Pallas,a rationibus, C. Julius Callistus,a libellis, en Polybius,a studiis. Cl. ondernam een krijgstocht naar Britannia, doch liet spoedig de verovering daarvan aan zijne generaals over. Onder zijn bestuur werd Mauretania (z. a.) ingelijfd (42). Hij legde een groote zeehaven te Ostia aan, en bouwde twee waterleidingen, deAnio novusen deaqua Claudia. Ook trachtte hij denFucinus lacus(z. a.) een uitloop te geven. Hij beoefende o. a. de taalkunde en verrijkte het alphabet met drie nieuwe letters, die echter na zijn dood weder in onbruik geraakten. Ook hield hij gaarne redevoeringen. Zie ookIuliiaan het slot, onderdenf.Claudius II—M. Aurelius Claudius Gothicus—rom. keizer 268–270 na C., opvolger van Galliēnus, een Illyriër, die zich reeds onder de keizers Decius en Valeriānus als voortreffelijk krijgsman had doen kennen, dreef als keizer de Alemannen en Gothen, die hij bij Naissus in 269 versloeg, naar hun land terug, doch overleed spoedig te Sirmium aan de pest.Clausus (Atta). ZieClaudiino. 1.Clavus, spijker. In den muur van den Jupitertempel op het Capitool te Rome werd elk jaar een gouden spijker geslagen volgens overoud gebruik uit den tijd, dat het schrift nog niet algemeen bekend was. Dit geschiedde door een der consuls, of, wanneer deze afwezig waren, door eendictator clavi figendi causa, en wel op de Iden van Sept. (13 Sept.).Clavus, purperstreep, die van den hals der tunica over de borst tot beneden aan den zoom liep en voor de senatoren breed was (latus clavus, tunica laticlavia), voor de ridders smal (angustus clavus, tunica angusticlavia).Clazomenae,Κλαζομεναί, eene der 12 ionische steden op de kust van Voor-Azië, ten W. van Smyrna, aan den Sinus Hermaeus, geboorteplaats van den wijsgeer Anaxagoras, den vriend van Pericles. Uit vrees voor de Perzen verhuisde de bevolking voor een groot gedeelte naar een naburig eiland, dat door Alexander later met den vasten wal verbonden werd. De stad bezat fraaie tempels.Cleander,Κλέανδρος, volksleider te Gela, die zich later tot tyran opwierp, na eene regeering van zeven jaren werd gedood en door zijn broeder Hippocrates opgevolgd (498).Cleandridas,Κλεανδρίδας, Spartaan, werd in 445 door de ephoren met koning Plīstoanax als raadsman naar Attica gezonden; later werd hij beschuldigd, dat hij zich door Pericles had laten omkoopen om werkeloos te blijven, en ter dood veroordeeld; hij vluchtte echter naar Thurii, waar hij zich in den oorlog tegen de Lucaniërs onderscheidde. Zijn zoon was de beroemde Gylippus.Cleanthes,Κλεάνθης, 1) van Corinthe, een van de oudste grieksche schilders.—2)van Assus, oorspronkelijk vuistvechter, werd later een leerling van Zeno en voorzag des nachts in zijn levensonderhoud door water dragen en deeg kneden. Hij bleef gedurende 19 jaren de lessen van Zeno hooren en volgde hem na zijn dood (264) als hoofd der stoicijnscheschool op; op 99-jarigen leeftijd stierf hij, naar men zegt, vrijwillig van honger. Het kwaad is volgens hem niet het werk der goden, maar een gevolg van het onverstand der menschen, en wordt door de goden zelfs weder ten goede geleid. Een lofzang op Zeus van hem is bewaard gebleven.Clearchus,Κλέαρχος, 1) spartaansch vlootvoogd in de laatste jaren van den peloponnesischen oorlog. Toen hij later (403) Byzantium tegen de Thraciërs zoude verdedigen, maakte hij zich van de alleenheerschappij meester en regeerde hij met geweld en in strijd met de bevelen der ephoren. Om deze reden ter dood veroordeeld, keerde hij niet naar Sparta terug; hij werd aanvoerder van het grieksche leger van den jongen Cyrus, streed in den slag bij Cunaxa en werd na den dood van Cyrus stilzwijgend als leider der grieksche troepen erkend. Hij werd echter kort daarna door Tissaphernes verraderlijk gevangen en gedood.—2)leerling van Plato en Isocrates, later tyran van Heraclēa, werd na eene wreede regeering van elf jaar vermoord (364). Hij vestigde te Heraclea eene bibliotheek.—3)van Soli op Cyprus, een van de beste leerlingen van Aristoteles. Hij schreef verscheiden philosophische en historische werken, waarvan nog enkele fragmenten bestaan.Clearidas,Κλεαρίδας, streed in Macedonië onder Brasidas tegen de Atheners en trachtte den vrede van Nicias tegen te werken.Cleides,Κλεῖδες, Κληῖδες, oostkaap van het eiland Cyprus, met voorgelegen eilandjes.Clemens (T. Flavius) Alexandrīnus, presbyter van Alexandrië, waar hij ± 215 n. C. op hoogen leeftijd stierf. In zijne talrijke grieksche geschriften tot verdediging van het Christendom, waarvan drie bewaard gebleven zijn, tracht hij te bewijzen dat het beste van de grieksche philosophie aan de Joden ontleend is. Hij was de leermeester van Origenes.CleobisenBiton,Κλέοβις, Βίτων, zonen van Cydippe, priesteres van Hera te Argos, trokken op een feestdag den wagen hunner moeder naar den 45 stadiën verwijderden tempel, toen de daarvoor bestemde stieren te laat kwamen. Toen de moeder de godin om haar besten zegen voor hare kinderen gebeden had, sliepen zij in en ontwaakten niet weder.Cleobūlus,Κλεόβουλος, tyran van Lindus, een van de zeven wijzen (omstreeks 580); zijn spreuk was:μέτρον ἄριστον.Cleombrotus,Κλεόμβροτος, 1) Spartaan, jongste zoon van koning Anaxandridas en voogd van Plistarchus, den zoon van zijn broeder Leonidas I. Bij den inval van Xerxes in Griekenland, voerde hij het bevel over het grieksche landleger op den Isthmus, vanwaar hij, door een zonsverduistering verschrikt, overhaast terugkeerde; kort daarna stierf hij.—2)Cl. I, koning van Sparta, opvolger van zijn broeder Agesipolis I. Nadat de Spartanen uit de Cadmēa verdreven waren, deed hij een inval in Boeotië (378), doch spoedig trok hij terug zonder iets uitgericht te hebben; hij sneuvelde in den slag bij Leuctra, 371.—3)Cl. II werd in plaats van zijn schoonvader Leonidas II koning van Sparta, toen deze wegens zijn verzet tegen de plannen van Agis III was afgezet (242). Toen echter twee jaar later de partij van Leonidas de overhand kreeg, stond Cl. aan hevige vervolgingen bloot, zijn leven werd echter gespaard op de smeekingen van zijne gemalin Chilōnis, die met hem in ballingschap ging.Cleomēdes,Κλεομήδης, 1) beroemd worstelaar uit Astypalaea. Eens had hij bij de olympische spelen de overwinning behaald, maar geen prijs gekregen, omdat hij zijn tegenpartij gedood had; waanzinnig van spijt rukte hij de zuilen van een gymnasium uit den grond, waardoor zestig jongelingen onder de puinhoopen begraven werden. Toen men hem vervolgde, vluchtte hij in den tempel van Athēna en werd van daar als de laatste der heroën in den hemel opgenomen.—2)zoon van Lycomēdes, atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog.—3)schrijver over sterrenkunde (1steeeuw n. C.), van wien nog eenige werken bestaan.Cleomenes,Κλεομένης, 1) Cl. I, zoon van Anaxandridas, koning van Sparta (520–491), een moedig en ondernemend, maar trotsch en stijfhoofdig man. Zijn eerste onderneming was tegen de Argiven, wien hij door list een gevoeligen slag toebracht; zelfs werd hij aangeklaagd omdat hij de stad Argos niet genomen had, en hij erkende dat hij het had kunnen doen, maar door godsdienstige bezwaren weerhouden was. Later (510) was hij aanvoerder van het leger, dat op bevel van het delphische orakel de Pisistratiden uit Athene verjoeg, en ter wille van zijn gastvriend Isagoras deed hij nog tweemaal een inval in Attica, beide keeren met ongelukkigen afloop, want eerst werd hij op de acropolis ingesloten, en toen hij met een grooter leger terugkwam om hierover wraak te nemen, moest hij door den tegenstand van de Corinthiërs en van zijn ambtgenoot Demarātus onverrichter zake aftrekken. De voorstellen tot een bondgenootschap tegen de Perzen, zoowel van Aristagoras als van de Scythen, vonden bij hem meer gehoor dan bij eenig ander Spartaan. Door Demaratus in zijne plannen tegen Aegīna gedwarsboomd, wist hij door omkooping van het delphische orakel een uitspraak te verkrijgen, volgens welke Demaratus niet de zoon van koning Aristo was, zoodat deze van de regeering ontzet werd en zich in ballingschap begaf. Spoedig werd echter het bedrog bekend en Cl. vluchtte naar Thessalië en later naar Arcadië; eindelijk in Sparta teruggekeerd, werd hij waanzinnig, naar men zeide ten gevolge van dronkenschap, en maakte hij op gruwelijke wijze een einde aan zijn leven (489).—2)broeder van den spartaanschen koning Plistoanax en voogd van diens zoon Pausanias, voerde het bevel over het leger dat in 427 in Attica viel.—3)Cl. II, koning van Sparta, zoon en opvolger vanCleombrotus I, regeerde bijna 61 jaar (371–310) zonder dat er van zijne regeering iets te vermelden valt.—4)Cl. III, koning van Sparta, zoon van Leonidas II, dien hij op ongeveer twintigjarigen leeftijd opvolgde, (236), een verstandig, moedig en doortastend man, vol geestdrift voor de plannen van Agis III, waarin hij gesterkt werd door zijne moeder Cratesiclēa en zijne gemalin Agiātis, de weduwe van Agis. Daar hij inzag dat hij den steun van het leger noodig had, zoo hij de gewenschte hervormingen tot stand wilde brengen, trachtte hij dit voor zich te winnen door een oorlog tegen het achaeisch verbond, en inderdaad gelukte het hem na eenige kleine ondernemingen, deAchaeërsbij den berg Lycaeus en spoedig daarna (226) bij Leuctrum te verslaan. Nu openbaarde hij zijne plannen aan eenige vertrouwden; door list verwijderde hij zijne tegenstanders, doodde vier ephoren, verbande tijdelijk 80 van de voornaamste oligarchen, maakte zijn broeder Euclīdas tot mederegent, schafte het ephoraat af, kondigde schulddelging en nieuwe verdeeling van grondbezit af, vermeerderde het aantal burgers door het opnemen van perioeken, hervormde den raad, en voerde de oude wetten en instellingen weder in. Den oorlog zette hij intusschen met geluk voort, zelfs Argos en Corinthe kozen zijne zijde; toch bood hij vrede aan op voorwaarde, dat de hegemonie van Sparta in de Peloponnēsus erkend werd, maar Arātus, vreezend dat het achaeisch verbond daardoor alle macht zou verliezen, vond het beter de hulp van Antigonus Doson in te roepen. Nu ging Argos weder verloren en over het geheel kon Cl., die in dien tijd ook zijne gemalin verloor, zich niet tegen Antigonus staande houden; nadat de oorlog nog eenigen tijd met afwisselend geluk gevoerd was, en Cl. vergeefsche pogingen gedaan had om bij Ptolemaeus Euergetes ondersteuning te vinden, waagde hij bij Sellasia een grooten slag, maar leed een volkomen nederlaag en ontkwam met weinige ruiters (221). Terstond ging hij naar Aegypte om hulp te vragen, maar Ptolemaeus stierf kort daarna, en zijn opvolger Ptolemaeus Philopator liet zich door zijne gunstelingen overreden Cl. gevangen te nemen. Wel ontsnapte hij uit de gevangenis, maar wanhopende aan het bereiken van zijn doel, trachtte hij een opstand onder het volk te verwekken, en toen hij ook hierin geen steun vond, doodde hij zichzelf, 35 jaar oud (219). Zijn lijk werd opgehangen en ook zijn moeder en kinderen werden ter dood gebracht.—5)van Naucratis, werd door Alexander belast met het toezicht op den bouw van Alexandrië en met het innen der belastingen. Wegens zijn hebzucht en afpersingen liet Ptolemaeus hem na den dood van Alexander ter dood brengen, terwijl hij zijne groote schatten verbeurd verklaarde.—6)atheensch beeldhouwer uit de 1e eeuw n. C., van wien een werk, de Germanicus in het Louvre, bewaard gebleven is; de zgn. Venus van Medicis, die hem toegeschreven wordt, is niet van hem.Cleon,Κλέων, zoon van Cleaenetus, leerlooier te Athene, reeds bij het leven van Pericles een van de leiders der radicale partij, werd na diens dood de eerste man van de volkspartij. Hij was het die in 427, na de herovering van Lesbus, dat van de Atheners afgevallen was, doordreef, dat alle weerbare mannen van Mytilēne zouden gedood worden, een besluit, dat den volgenden dag in dien zin gewijzigd werd, dat alleen de hoofdschuldigen, volgens waarschijnlijk sterk overdreven berichten ruim duizend in getal, ter dood gebracht werden. Toen in 425 de Atheners 420 Spartanen op het eiland Sphacteria ingesloten hadden, en de Lacedaemoniërs vrede aanboden, drong Cl. erop aan, dat het eiland eerst overgegeven zou worden, zoodat de onderhandelingen afsprongen. Daar echter de inneming van het eiland niet zoo spoedig volgde als men verwacht had, begonnen de Atheners zich over den loop der zaken ongerust te maken, en verweet men Cl. reeds dat door hem de vrede niet was tot stand gekomen. Bij zijne verdediging liet deze zich ontvallen dat, indien de strategen (Nicias en Demosthenes) hun plicht deden, Sphacteria reeds lang in hunne macht moest zijn, waarop Nicias, die in de vergadering tegenwoordig was, terstond aanbood hem zijne betrekking tijdelijk af te staan. In het eerst sloeg Cl. dit aanbod van de hand, maar door het volk gedwongen het aan te nemen, beloofde hij zich binnen twintig dagen van het eiland te zullen meester maken, en met de hulp van Demosthenes vervulde hij zijne belofte. Daardoor kwam hij in groot aanzien, waarvan hij o. a. gebruik maakte om door verschillende financiëele maatregelen middelen te verschaffen om den oorlog krachtiger te voeren. In 422 werd hij met een leger naar Thracië gezonden, waar hij aanvankelijk eenig voordeel behaalde, maar den slag bij Amphipolis tegen Brasidas verloor, bij welke gelegenheid hij op de vlucht gedood werd. Zie ookδικαστικόν. Cl. wordt beschreven als een onopgevoed, baatzuchtig en overmoedig man, die de laagste hartstochten van het volk vleide en zijne meening meer door woorden, soms zelfs meer door schreeuwen, dan door argumenten deed zegevieren. Men heeft opgemerkt dat zijne tijdgenooten, die melding van hem maken, in de politiek zijne tegenstanders waren, en dat dus vermoedelijk hun oordeel aan overdrijving, misschien zelfs aan partijdigheid, lijdt; toch schijnt uit de feiten, die omtrent hem bekend zijn, te mogen worden opgemaakt, dat hij een man was van niet geringen aanleg en vol vaderlandsliefde, doch van weinig beschaving, in zijne geheele politieke richting en bij iedere bizondere gelegenheid door zijn haat tegen de Spartanen en de aristocratie tot uitersten geneigd, en dat hij in ieder geval de groote gaven miste, waardoor zijn voorganger Pericles het volk op den rechten weg had weten te houden.
Chlamys.Chlamys.
Chlamys.
Chlamys,Χλαμύς, een mantel, dien men vooral bij het rijden droeg, oorspronkelijk aan Thessaliërs en Macedoniërs eigen. De atheensche jongelingen kregen zulk een mantel als zij epheben werden. Hij kon los omgeslagen of nauwer aan het lichaam aangesloten worden, en werd voor aan den hals of op den rechterschouder vastgemaakt.
Chloe,Χλόη, bijnaam van Demēter.
Chloris,Χλῶρις, 1) godin der bloemen, gemalin van Zephyrus, door de Romeinen voor dezelfde godin gehouden als Flora.—2)dochter van Amphīon en Niobe; zij en haar broeder Amyclas werden alleen door Apollo en Artemis gespaard (z.Niobe), maar de dood van hare broeders en zusters had haar zulk een schrik aangejaagd, dat men haar naam Meliboea in Chloris (bleeke) veranderde.—3)dochter van een anderen Amphion, gehuwd met Neleus.—4)dochter van Tiresias.
Choaspes,Χοάσπης, 1) rivier in Susiāne, die langs Susa stroomt, beroemd om haar kristalhelder water, dat de perzische koningen op hunne reizen in zilveren kruiken medenamen.—2)stroom in het Indusgebied, zijrivier van den Cophes of Cophen, die in den Indus valt, ook Choës genoemd.
Choerades,Χοιράδες, sc.νῆσοι, rotseilandjes voor de haven van Tarentum.
Choerilus,Χοίριλος, 1) een der oudste atheensche treurspeldichters (omstreeks 524); vooral zijne satyrspelen worden geroemd.—2)van Samus, dichter van een historisch epos, Persēis (omstreeks 400).—3)van Iāsus, tijdgenoot van Alexander den Gr. wiens daden hij in een episch gedicht verheerlijkte.
Χόες, de tweede dag der Anthesteria (z.a.).
Chones,Χῶνες, volk aan de kust van Zuid-Italië, tot de Oenotri behoorend, in de buurt van Metapontum en Siris. Daarnaar heette de kuststreek om de golf van Tarentum Chonia.
Chorāgus,χορηγός, iemand die bij het opvoeren van tooneelstukken, muziek- en dansuitvoeringen, met het bezorgen en bekostigen van het koor belast was. De choregie was een van de kostbaarste liturgieën (z.Liturgia), en bij den wedijver, waarmede de choragen elkander trachtten te overtreffen, stegen de kosten ervan wel eens tot 5000 drachmen. Deze kosten bestonden in de betaling en het onderhoud der choreuten en van denχοροδιδάσκαλος, iemand die het koor oefende en de repetities leidde, verder in prachtige kleederen, gouden kransen, enz., waarmede het koor optrad. De choragus, die den prijs won, richtte ter gedachtenis daaraan een klein marmeren gedenkteeken op, dat door een metalen drievoet gekroond werd. Zie de afbeelding bl. 103.
Chorasmii,Χωράσμιοι, een arischevolksstam, die de oase van Chiwa reeds vroeg in cultuur heeft gebracht, en kanalen heeft aangelegd, gevoed door het water van den Araxes of Oxus, om het land te irrigeeren, zooals we dat in Mesopotamië vinden. Het is het stamland van Zarathustra. Zij leverden hulptroepen aan Alexander d. G.
Choraules,χοραύλης, iemand die den zang en dans van een koor op de fluit begeleidt. De benaming zelf komt eerst in den romeinschen tijd voor.
Χορηγία, z.Chorāgus.
Χωρίζοντεςwerden in den alexandrijnschen tijd de grammatici genoemd, die beweerden dat de Ilias en de Odyssee niet van denzelfden dichter waren.
Chorus,χορός, een zeker aantal personen, die bij godsdienstige feesten reidansen uitvoerden, welke zij door gezang afwisselden. Later werd dit gezang hier en daar afgebroken door alleenspraken en dialogen, en zoo ontstond het drama. In het eigenlijke drama neemt het koor, zonder zelf handelend op te treden, toch aan de handeling deel, en begeleidt de daden der hoofdpersonen met opmerkingen, vermaningen, aansporingen, troostredenen, enz., terwijl het bij zekere rustpunten in de handeling liederen zingt, die daarmede min of meer in verband staan, en dansen uitvoert. Daarmede geeft het uiting aan de gevoelens, die volgens den dichter het stuk bij den toeschouwer moet opwekken. Het koor bestond in het treurspel uit 12, later uit 15, in het blijspel uit 24 personen. Soms zongen allen met elkander, soms bij beurten grootere of kleinere afdeelingen; gesproken werd slechts door den leider van het koor (χορυφαῖος), of in enkele gevallen door de leiders der beide koorhelften (παραστάται). De plaats van het koor was in de orchestra.
Chremonideïsche oorlog(± 265–263), zoo genoemd naar Chremonides, die in dien tijd te Athene aan het hoofd van den staat stond, werd door Athene, Sparta, het achaeisch verbond e. a. grieksche staten gevoerd om de Macedoniërs uit Griekenland te verjagen. De oorlog eindigde, toen Athene zich na een lang beleg aan Antigonus Gonātas had moeten overgeven.
Chrȳsaof-e,Χρύσα, -η, stadje aan de Zuidkust van Troas, aan de Adramyttischegolf met een tempel van Apollo Smintheus. Het plaatsje is vroeg verwoest.
Chrysāor,Χρυσάωρ, 1) zoon van Poseidon en Medūsa, die te voorschijn kwam toen zijne moeder door Perseus het hoofd werd afgehouwen.—2)“met een gouden zwaard”, bijnaam van Zeus, Apollo e. a. goden.
Chrysas,Χρύσας, rivier op Sicilia nabij Assōrus, een zijrivier van den Symaethus.
Chryse promunturium,Χρυσῆ χερρόνησος, het schiereiland Malakka.
Chrysēis,Χρυσηίςdochter van Chryses, den priester van Apollo te Chryse. Op een strooptocht werd zij door Achilles gevangen genomen en bij de verdeeling van den buit aan Agamemnon gegeven. Toen haar vader haar wilde loskoopen, maar door Agamemnon beleedigd en weggejaagd was, zond Apollo tot straf de pest in het grieksche leger, die niet ophield voordat Chr. aan haar vader teruggegeven was (z.Brisēis).
Chrysippus,Χρύσιππος, 1) zoon van Pelops en Axioche, werd door zijne stiefbroeders Atreus en Thyestes vermoord.—2)van Soli of Tarsus (282–206), zoon van Apollonius, leerling van Cleanthes en na diens dood hoofd der stoicijnsche school. Hij verdedigde en bevestigde de leer van Zeno in een groot aantal werken, naar men wil 705, waarin hij echter dikwijls zichzelf herhaalde of tegensprak. Hij gold als het ware voor den tweeden stichter der school, getuige het woord:εἰ μὴ γὰρ ἦν Χρύσιππος, οὐκ ἂν ἦν Στοά.
Chrysogonus(C. Cornelius), vrijgelatene van Sulla, als valsche aanklager bekend uit Cicero’soratio pro S. Roscio Amerino.
Chrysopolis,Χρυσόπολις, versterkte havenstad in het gebied van Chalcēdon in Bithynia, tegenover Byzantium, thans Scutari.
Chrysothemis,Χρυσόθεμις, dochter van Agamemnon en Clytaemnestra.
Chthonius,Χθόνιος, 1) een van de vijf Sparten, die in leven bleven bij het gevecht, dat zij onder elkander leverden (z.Cadmus).—2)Χθόνιος, Χθονία, is een bijnaam van godheden, die met de onderwereld in betrekking staan, als Hades, Demēter, Persephone e. a.Ζεὺς Χθόνιος= Hades.
Χύτροι, de derde dag der Anthesteria (z. a.).
Chytri,Χύτροι, stad op Cyprus, dicht bij de N.-kust.
Cia=Ceos.
Cibalis, Cibalae, stad in Pannonia dicht bij den Donau, tusschen Sirmium en Mursa, waarbij Constantijn de Gr. in 314 na C. zijn zwager Licinius versloeg.
Cibyra,Κίβυρα, hoofdstad van Cabalia (z. a.) of Cibyrātis, 2½ uur gaans in omtrek, bloeiend door hare ijzerfabrikage. DitCibyrawerdmaiorbijgenaamd ter onderscheiding vanCibyra minorin Pamphylia.
Cicerēius(C.), rom. praetor in 173, overwon de Corsen en was stadhouder van Sardinia en Corsica. Daar de senaat hem de eer van een zegetocht binnen Rome weigerde, hield hij een zegepraal op den Albaanschen berg.
Cicero, familienaam in degens Tullia, z.Tulliino. 3–9.
Cicones,Κίκονες, thracische volksstam aan de kust tusschen Abdēra en de monding van den Hebrus. Hun stad heette Ismarus. De streek is vroeg beroemd om den wijn, die er groeit. In hun gebied lag later de ionische stad Maronēa, ook Orthagorēa geheeten.
Cidaris,κίδαρις, κίταρις, het hooge en stijve hoofddeksel der perzische koningen, waaromheen een blauw met witte band liep.
Cierium,Κιέριον, stad in Thessaliōtis, vroeger Arne geheeten.
Cilicia,Κιλικία, landschap in het Z.O. van Asia minor, ten Z. begrensd door de zee en verder ingesloten door den Taurus en den Amānus. Het westelijke deel, bergachtig en boschrijk, werdCil. aspera,τραχεῖα, geheeten, het oostelijke vlakkere gedeelteCil. campestris,πεδιάς, ookpropria. De bevolking, van syrische afkomst, week voor de grieksche kolonisatie naar de bergen en vormde na den val van het rijk der Seleuciden nog een afzonderlijk staatje in de bergstreken van den Amanus, onder den naamἘλευθεροκίλικες. In de westelijke bergstreken woonden pisidische en isaurische stammen, als stoute zeeroovers berucht, totdat Pompeius in 67 en 66 den zeeroof fnuikte. De hoofdstad van eigenlijk Cilicië was Tarsus. Cilicia was, ook onder de perzische opperheerschappij, een koninkrijk, waarvan de vorsten den naam of titelSyennesis(misschien = edel vorst) voerden. Alexanders verovering maakte hieraan een einde. In 75 werd een klein hoekje in het W. door P. Servilius Vatia tot rom. provincie gemaakt, terwijl het overige later door Pompeius werd veroverd. Als rom. provincie heeft Cilicia in verschillende tijden zeer verschillende grenzen en verschillende indeelingen gehad.
Ciliciae portae, bergpas in den Taurus ten N. van Tarsus, door eene rivier doorsneden en door kasteelen versterkt. Door dezen pas kwam men uit het N. Cilicia binnen. Deportae Ciliciae et Syriaeen deportae Amanidesverleenden toegang uit het O.
Cilix,Κίλιξ, zoon van Agēnor, die door zijn vader uitgezonden werd om zijne zuster Europa te zoeken; daar hij haar niet konde vinden, keerde hij niet naar huis terug. Het land, waar hij zich vestigde, werd Cilicia genoemd.
Cilla,Κίλλα, stadje in Troas met een Apollo-tempel, in de buurt van Antandros.
Cilnii, een oud etruscisch geslacht van koninklijken bloede. Hiertoe behoorde C.Cilnius Maecēnas(v. a. heet hij alleen C. Maecenas, en isMaecēnashetnomen gentilicium), de vertrouwde vriend en raadsman van Octaviānus, een voorstander van letteren en kunst en beschermer van dichters, vooral van Vergilius en Horatius. Tweemaal, in 36 en 31, droeg Octavianus gedurende zijne afwezigheid van Rome de zorg voor Rome en Italia aan Maecenas op. Deze was dus stadhouder, maar geheel alsprivatus, als gelastigde, daar hij nooit eenig openbaar ambt bekleed heeft. In deze betrekking en ook bij verschillende gelegenheden als onderhandelaarbewees Maecenas aan Augustus gewichtige diensten. Hij was het ook, die met Agrippa na den ondergang van Antonius aan Octavianus den raad gaf, de alleenheerschappij te behouden, en hij deed zulks uit volle overtuiging. Terwijl hij als schrijver of staatsman nooit heeft uitgeblonken, is zijn naam Maecenas als kunstbeschermer in wezen gebleven. Hij stierf in het jaar 8, omstreeks 60 jaar oud.
Cimber, familienaam in degens Tillia.
Cimbri,Κίμβροι, een volksstam van germaansche afkomst, die langs den Oceanus Germanicus (Noordzee) en wel grootendeels op de Chersonēsus Cimbrica in Sleeswijk woonde. Ze behooren tot den stam der Ingaevones of Noordzee-Germanen. Toen door het onderloopen van een gedeelte hunner landerijen, hetzij ten gevolge van hooge zeevloeden, hetzij door een langzame daling van den bodem, het de sterk aangroeiende bevolking aan voedsel begon te ontbreken, trokken zij, met de germaansche Teutonen en de gallische Ambronen en Tiguriners verbonden, zuidwaarts en eischten grond in het rom. gebied, dien zij niet verkregen. In 113 versloegen zij bij Norēia in Noricum den consul Cn. Papirius Carbo (Papiriino. 12), wendden zich toen naar Gallia, waar zij vreeselijke verwoestingen aanrichtten, doch werden door de Belgen verslagen. Hierop trokken zij weder zuidwaarts naar de rom. provincie, eischten opnieuw grondbezit en versloegen, toen de rom. senaat weigerachtig bleef, eerst in 109 den consul M. Junius Silānus (Juniino. 16), en in 107 den legaat M. Aemilius Scaurus, en vernietigden in 105 bij Arausio (Orange) een leger van 80000 man onder den consul Cn. Mallius Maximus en den proconsul Q. Servilius Caepio (Serviliino. 15) bijna tot den laatsten man. Nu richtten zij hun tocht naar Hispania, doch werden door de Celtiberiërs teruggedreven. In 102 keerden zij naar Gallia terug, en verdeelden zich in twee groepen. De Ambronen en Teutonen wilden hun weg over de Zeealpen nemen, maar werden in 102 door C. Marius bij Aquae Sextiae (Aix in Provence) geheel verslagen. De Cimbren trokken naar Noricum en drongen door het dal van den Athesis (Etsch) de Po-vlakte binnen, doch werden in 101 op de Raudische velden bij Vercellae door C. Marius en Q. Lutatius Catulus vernietigd. Een gedeelte van den stam was in het vaderland achtergebleven, en in de 2deeeuw na Chr. woont er nog een afdeeling van hen in het noordelijkste gedeelte van Jutland. Het schiereiland en de noordpunt daarvan is naar hen benoemd.
Ciminius monsenlacus, boschrijke bergrug en meer in Etruria, ten Z.O. van het Volsinische meer.
Cimmerii,Κιμμέριοι, mythisch volk aan den rand van den oceaan, in het uiterste Westen der aarde, waar geen zonnestraal doordringt en alles in eeuwige nevelen is gehuld. Bij de dichters wordt de uitdrukkingCimmerii lacusvoor de onderwereld gebezigd. De historische Cimmeriërs woonden in de taurische Chersonesus (de Krim) en verder langs de Palus Maeōtis (zee v. Azow). Voor de Scythen wijkende, trokken zij naar Azië, drongen plunderende tot in Lydia door, vermeesterden omstreeks 650 Sardes, maar werden toen door den lydischen koning Ardys teruggedreven.
Cimolus,Κίμωλος, klein eiland der Cycladen, ten N. van Melos, met zilvererts en fijne kalkaarde, die door de vollers alscreta fullonicagebruikt werd tot het wasschen van fijn lijnwaad (zooals bij ons de zeep).
Cimon,Κίμων, 1) zoon van Stesagoras, vader van Miltiades. Hij werd door Pisistratus uit Athene verjaagd, maar keerde later terug. Toen hij met zijne renpaarden ten derden male den eersten prijs te Olympia behaald had, lieten de zonen van Pisistratus hem vermoorden.—2)zoon van Miltiades en Hegesipyle, geb. 504. Daar zijn vader als schuldenaar van den staat gestorven was, miste hij eenigen tijd het burgerrecht, totdat de rijke Callias de schuld voor hem betaalde; daarvoor stond C. hem de schoone Elpinīce af, die zijne halfzuster en tevens zijne vrouw was. Na dien tijd streed hij met veel roem tegen de Perzen, veroverde Eïon in Thracië en het eiland Scyrus, voegde door zijne dapperheid en innemend gedrag vele steden, waaronder sommige niet-grieksche, aan den atheenschen bond toe, versloeg de Perzen bij de rivier Eurymedon in Pamphylië op denzelfden dag te land en ter zee (468), bedwong Naxus, dat getracht had zich van den atheenschen bond los te maken, en bracht eindelijk de geheele Chersonēsus in het bezit der Atheners (476–468). Door deze overwinningen had hij ook in het staatkundige grooten invloed gekregen, en toen Themistocles verbannen en Aristīdes gestorven was, was hij de eerste man van Athene. Hij wist het door te drijven, dat de bondgenooten hunne verplichting om schepen te leveren konden afkoopen, en dwong vele wederspannige staten met geweld in de atheensche symmachie te blijven. Ten gevolge van zijne aristocratische neigingen en van zijne vriendschap voor Sparta stond hij echter voortdurend bloot aan de aanvallen der volkspartij, en hoewel eene eerste aanklacht tegen hem zonder gevolg bleef, werd hij in 460, nadat een leger, dat op zijn raad in den oorlog tegen de Messeniërs aan de Spartanen ter hulp gezonden was, uit wantrouwen was teruggezonden, door het ostracismus verbannen. Hoewel zijn verzoek om in den slag bij Tanagra (457) mede te strijden, werd afgewezen, werd hij niet lang daarna uit zijne ballingschap teruggeroepen en in 451 bewerkte hij een vijfjarigen wapenstilstand tusschen Athene en Sparta. In 449 opnieuw met eene vloot van 200 schepen tegen de Perzen gezonden, stierf hij gedurende het beleg van Citium. De zoogenaamde vrede van Cimon, waarbij de koning van Perzië alle grieksche steden in Klein-Azië onafhankelijk verklaarde en zich verbond geene oorlogsschepenin de Aegaeische zee te zenden, wordt alleen door latere schrijvers vermeld. Deze vrede is in werkelijkheid door Callias gesloten (z.Calliasno. 1).—Behalve Cimon’s groote talenten als veldheer, worden ook zijne liefdadigheid en minzaamheid tegenover arme burgers geroemd en de mildheid, waarmede hij groote sommen aan de verfraaiing zijner vaderstad besteedde.
Cinado,Κινάδων, een Spartaan, die in het begin der regeering van Agesilāus eene samenzwering smeedde om de staatsregeling omver te werpen. Het plan werd echter verraden en de saamgezworenen werden ter dood gebracht.
Cinara,Κινάρα, eilandje in de Aegaeische zee, oostwaarts van Naxos, beroemd om zijne artisjokken,κινάραι.
Cincia (lex)de donis et muneribus. Deze wet verbood aan advocaten geschenken aan te nemen van de rechtzoekenden. Zij was een plebisciet, 204.
Cincii. Van dit plebejische geslacht zijn slechts deAlimentibekend. 1)L. Cincius Alimentuswas in 210 en 209 praetor op Sicilia. In 208 deed hij een vruchteloozen aanval op Locri Epizephyrii in Bruttium. Hij werd door Hannibal krijgsgevangen gemaakt. Hij is de schrijver vanannalesin het Grieksch.—2)M. Cincius Alimentus, volkstribuun in 204, was de vader derlex Cincia.
Cincinnātus, familienaam in degens Quinctia, z.Quinctiino. 2–5.
Cinctus Gabinus=Gabinus cinctus.
Cineas,Κινέας, 1) thessalisch vorst, die met 1000 ruiters de Pisistratiden kwam helpen, toen de Lacedaemoniërs hen uit Athene wilden verjagen.—2)Thessaliër, vriend en dienaar van Pyrrhus, den koning van Epīrus, wien hij door zijn verstand en zijne welsprekendheid groote diensten bewees. Tevergeefs ontried hij Pyrrhus den tocht naar Italië, wel werd op zijn raad den Romeinen na de eerste overwinning van Pyrrhus vrede aangeboden. Hij ging zelf tweemaal naar Rome om te onderhandelen, de eerste maal na Pyrrhus’ overwinning bij Ausculum (279), maar in weerwil van zijne welsprekendheid wees de senaat, die op hem den indruk maakte van eene vergadering van koningen, zijne voorstellen standvastig af. Hij stierf, naar het schijnt, gedurende den tocht van Pyrrhus naar Sicilië. Ook als schrijver van werken over taktiek en geschiedenis wordt hij genoemd.
Cinesias,Κινησίας, atheensch dithyrambendichter, omstreeks 415, dikwijls bespot om zijne ultra-moderne muziek.
Cinga, zijrivier van den Sicoris (Segre) in Tarraconensis.
Cingetorix, Galliër uit het volk der Treviri ten tijde van Caesar, vriend der Romeinen, die hem het bestuur over zijne onderworpen stamgenooten lieten. Ook naam van een vorst der Britten in denzelfden tijd.
Cingulum, bergvesting in Picēnum, in 63 door Labiēnus aangelegd.
Cinna, familienaam in degens Cornelia(z.Corneliino. 39–42) en degens Helvia.
Cinxia, bijnaam van Juno, als godin van het huwelijk.
Cinyps, gen. -phis,Κίνυψ, rivier op de kust van Africa tusschen de groote en de kleine Syrte, bij Leptis magna. De streek, waardoor zij stroomde, bracht zeer schoonharige geiten voort. Dichterlijk iscinyphius= afrikaansch.
Cinyras,Κινύρας, zoon van Apollo, koning van Cyprus, priester van Aphrodīte. Bij zijne dochter Myrrha verwekte hij, zonder haar te kennen, den schoonen Adōnis; toen hij dit ontdekte, stortte hij zich in zijn zwaard.
Cios=Cius.
Cippus, oorspronkelijk = paal. Deze naam kreeg ook een palissadeering onder water, door Caesar aangelegd in de grachten zijner legerplaats vóór Alesia. Deze versterking bestond in stukken van boomstammen, van boven scherp gepunt en met gekapte takken, die op den bodem der gracht werden neergelaten. Verder wordt het meestal gebruikt voor grenspaal van hout of steen, om den Tiberloop, hetpomoerium, de waterleidingen, en deareavan een graf aan te wijzen.
Circe,Κίρκη, dochter van Helius en Perse. Zij woonde op het eiland Aeaea, dat zij door hare tooverkunsten in een heerlijk oord herschapen had, waar zij den tijd doorbracht met weven en zingen en door schoone nimfen bediend werd. Toen Odysseus op haar eiland landde, veranderde zij zijne makkers in zwijnen, hijzelf was echter door een kruid, dat hem door Hermes gegeven was, tegen hare toovermiddelen bestand; zelfs dwong hij haar, aan zijne makkers hunne oorspronkelijke gedaante terug te geven. Hij bleef een geheel jaar bij haar en verwekte bij haar drie zonen: Telegonus, den mythischen stichter van Tusculum, Agrius en Latīnus. Toen hij eindelijk op aandringen zijner makkers wenschte te vertrekken, liet zij hem gaan, na hem eerst zijn verdere lotgevallen voorspeld te hebben. ZieTelemachus.
Circeii, oude havenstad in Latium, wegens de overeenkomst van naam door de mythe met Circe in verband gebracht. De nabijgelegen kaap heettepromunturium CirceiumofCirceius mons. In de 5deeeuw was Circeii in de macht der Volscen, maar in 393 werd het heroverd, en als latijnsche kolonie ingericht, wat het gebleven is tot 90. OnderCircaea moeniabij Horatius moet men niet Circeii, maar Tusculum verstaan (z.Circe).
Circesium,Κιρκήσιον, rom. grensvesting in Mesopotamia aan de samenvloeiing van den Chabōras en den Euphraat. Hier was in 604 koning Necho van Aegypte door Nebukadnezar verslagen.
Circius,Θρασκίας, de noordwestenwind, zieWindstreken. Circius of Cercius ventus, ook ventus Gallicus geheeten, is de naam van een wind, die met groote heftigheid in het Zuiden van Gallia Narbonensis, en Zuidwaarts tot aan Ostia optreedt. Het is de bekende Mistral. In andere streken heet hij Corus of Caurus.
Circumcellionesworden sedert de helft van de 4deeeuw n. C. die Donatisten genoemd, die in Afrika, door den nood gedrongen, monniken en zwervers werden; ze zijn hevig gekant tegen andersdenkenden en tegen de bezittende klassen.
Circus.Circus.
Circus.
Circus. Wedrennen behoorden tot de meest geliefde schouwspelen der Rom. Het renperk was eene langwerpige ruimte, aan wier begin de stallen (carceres) zich bevonden. Dezecarcereswaren in een flauwen boog gebouwd, zoodat de afstand tot aan het eigenlijke aanvangspunt van den rit voor allen gelijk was. Aan het andere eind was de circus afgerond. Langs de renbaan waren de zitplaatsen voor de toeschouwers, op dezelfde wijze als in het amphitheatrum. In de as der baan was eene verhevenheid, despina, waarop dikwerf altaren, zuilen en dergelijke versierselen stonden. Vóór de beide uiteinden derspinastonden demetaeof eindpalen, waarom de wagens moesten heenzwenken. Zulk eenemetabestond uit een steenen voetstuk met drie kegelvormige zuilen. Op despina, nabij de einden, stonden twee verhevenheden; op de eene lagen zeven groote marmeren eieren, op de andere stonden zeven groote marmeren dolfijnen. Bij elken omrit (curriculumofspatium) werden een ei en een dolfijn afgenomen. Zeven omritten vormden eenmissus. Wie bij den zevenden omrit het eerst de krijtstreep (ziecalx) bereikte, was overwinnaar. Bij elken wedren ofmissusliepen in den regel vier wagens (zieauriga), terwijl verscheidenemissuselkander opvolgden.
Circus maximus.Circus maximus.
Circus maximus.
Decircus maximuste Rome, gelegen tusschen den Palatīnus en den Aventīnus, herhaaldelijk vergroot, was ten laatste 600 Meter lang en 150 M. breed. Hij kon toen 180,000 toeschouwers bevatten. Behalve dezen telde Rome binnen zijne muren nog een kleineren, dencircus Flaminius, door C. Flaminius in 220 gesticht op den Campus Martius ten N.O. van den Capitolinus. Decircus max.en decircus Flam.hebben hun naam gegeven aan de 11deen 9deder 14regiones, waarin Augustus Rome verdeelde.
Cirphis,Κίρφις, zieParnassus.
Cirrha, zieCrissa.
Cirta,Κίρτα, uiterst sterke stad in Numidia (Africa Nova), koninklijke residentie, later naar Constantijn den Gr.Constantīnagenaamd; tgw. Constantine.
Cisalpīna (Gallia), het noordelijk gedeelte van Italië, van de Alpen tot aan de riviertjes Macra en Rubico. Het was gedeeltelijk bevolkt door gallische stammen, die er de Etruscers en Umbriërs uit verdrongen. Het omvatte de landstreken Liguria, Gallia Cispadāna, Gallia Transpadāna, Venetia, Histria.
Cispadāna (Gallia), de oostelijke helft van Noord-Italië bezuiden den Padus (Po).
Cispius (mons), een van de bergen van hetSeptimontium, zieRoma; hij behoorde tot de wijkEsquiliae, en was gelegen tusschen den Mons Oppius en den Collis Viminālis.
Cissēis,Κισσηίς, 1) Theāno, dochter van den thracischen koning Cisses.—2)Hecabe, dochter van Cisseus.
Cissia,Κισσία, oude naam voor de landstreek Susiāne aan den Choaspes, met eene zeer heldhaftige bevolking.
Cisterna, van boven gesloten vergaarbak, vooral voor regenwater; open vergaarbakken heetenlacus.
Cistophorus,κιστοφόρος, 1) degene, die bijsommige godsdienstige plechtigheden, vooral bij de mysteriën, de heilige kist droeg, waarin zich offergereedschappen, enz. bevonden.—2)aziatische munt ter waarde van 4 drachmen, die tot stempel had een half geopende kist, waaruit een slang te voorschijn kwam.
Cithaeron,Κιθαιρών, woest gebergte tusschen Attica, Boeotia en Megaris, rijk aan ongeluksmythen (Actaeon, Pentheus, Niobe’s kinderen, Oedipus te vondeling gelegd).
Cithara,κιθάρα, κίθαρις, een muziekinstrument, door Amphīon of Linus uitgevonden; het was in vorm nagenoeg gelijk aan onze gitaar en had oorspronkelijk 3 of 4, gewoonlijk 7, later nog meer, eindelijk 15 snaren. Men bespeelde het met de hand of met een plectrum, terwijl men het op den linkerarm liet rusten.
Citium,Κίτιον, een der negen hoofdsteden van Cyprus, op de Zuidkust gelegen. Cimon stierf hier (449).
CiusofCios,Κίος, oude koopstad aan de Z. kust van de Propontis aan den Cianus Sinus, kolonie van Milētus, door de Macedoniërs verwoest, maar door Prusias van Bithynia herbouwd enPrusiasgeheeten, niet te verwarren met het zuidelijker gelegenPrusa.
Civīlis(Iulius, nietClaudius), Batavier van edele afkomst, die in de jaren 69–70 na C. het hoofd was van den bataafschen opstand tegen Rome. Een oogenblik nam de opstand onrustwekkende afmetingen aan. Met andere germaansche stammen vereenigd, behaalden de Batavieren meer dan ééne overwinning en belegerden Castra Vetera (Xanten), dat zij ten laatste ook vermeesterden. Ook in Gallië brak een opstand uit, maar gebrek aan samenwerking en aan de noodige eenheid was oorzaak, dat de Galliër Julius Tutor en later ook Civilis door den rom. veldheer Cereālis verslagen werden. Het gelukte den Romeinen, de Batavieren van hunne bondgenooten te scheiden en naar hun eiland terug te dringen (z. ookBatavodurum), waarop Civilis met Cerealis een eervollen vrede sloot en het oude bondgenootschap der Batavieren met Rome werd hersteld.
Civitas, burgerrecht (eigenlijkius civitatisofius Quiritium). Volgens de begrippen der oudheid had alleen de burger van den staat vanzelf aanspraak op de bescherming der wetten. Door verdragen met andere staten kon wederzijdsche bescherming worden verleend, doch in het algemeen beschermden de wetten den vreemdeling niet, tenzij een burger zich zijner aantrok en voor hem optrad. Vandaar de groote beteekenis van het burgerrecht in de oude tijden. Men was burger door geboorte of door schenking van het burgerrecht. De rechten, die het Rom. burgerrecht verleende, kunnen onderscheiden worden iniura privataeniura publica. Tot deiura privatabehoorden vooral hetconubiumen hetcommercium; tot deiura publicain de eerste plaats hetius provocationis, het recht om zich van een vonnis der overheden op de volksvergadering te beroepen. De rom. burger was tijdens de republiek vrij van onteerende straffen; alleen door de volksvergadering kon hij tot geeseling en doodstraf worden veroordeeld. Hetius suffragiien hetius honorum et sacerdotiorummaakten geen noodzakelijk bestanddeel van het rom. burgerrecht uit. Die het hadden, warencives optimo iure; die het niet hadden, heettenaerarii(z. a.). Keizer Caracalla schonk in 212 na C. het burgerrecht aan alle vrije inwoners van het rom. rijk, ten einde de successierechten op rom. erfenissen door het geheele rijk te kunnen heffen. Zie ookcapitis deminutioenπολιτεία.
Civitates. In de oudheid vindt men in hetzelfde land verschillende volken en stammen, soms wel door een verbond vereenigd, maar toch elk met hun eigen gebied en als zelfstandig geheel. Zoo vormden ook de grieksche volksplantingen aan de Middellandsche zee en hare bijzeeën afzonderlijke staatjes. De Rom. lieten dezen toestand bestaan, en waar zij hem niet vonden, riepen zij hem in het leven, door het land incivitateste versnipperen. Hoever deze versnippering ging, blijkt o.a. hieruit, dat op Sicilia 63civitatesbestonden, ieder door een verdrag aan Rome geketend, doch onderling zonder band, zonderconubiumofcommercium. (Alleen de burgers van Centuripae hadden recht van grondbezit over het geheele eiland). Zoo stond Rome tegenover een aantal kleine gebiedjes of staatjes en bleef het gemakkelijk meester, en dit is het, wat men onderdividere et imperarete verstaan heeft.
Civitates foederatae,liberae, immunes. In het rom. gebied had men ook vrije steden,civitates liberae, met eigen wetten en eigen rechtspraak, waaraan ook de inwonende Romeinen onderworpen waren. De stadhouder der provincie had dáár geen gezag uit te oefenen en geen recht, zich in deiurisdictiodezer staatjes te mengen. Deze vrije gemeenten waren òfcivitates liberae et foederatae, die indertijd vrijwillig eenfoedusmet Rome hadden gesloten op den voet van wederzijdsche gelijkheid van rechten,—òf wel alleencivitates liberae, waaraan de vrijheid door eene wet of een senaatsbesluit was geschonken, hetzij voor betoonde trouw of voor vrijwillige onderwerping. Deze laatste soort was aan geldelijke lasten ten bate der rom. schatkist onderworpen, tenzij zijcivitates liberae et immuneswaren, waaraan alleen in buitengewone gevallen verplichtingen konden worden opgelegd. De uitdrukkingcivitas foederatazonder bijvoeging vanliberasluit geene vrijheid in. Wanneer mencivitates foederataenaastsociigebezigd vindt, moeten onder de eerste decivitatesin de provinciën, onder de laatste die in Italia verstaan worden. Zie echtersocii.
Cladeus,Κλάδεος, beek die langs Olympia stroomend in den Alphēus valt.
Clanis, riv. in Etruria, stroomt langs Clusium en valt in den Tiber.
Clanius, rivier in Campania, ten Z. van den Volturnus, aan zijn monding ook Liternus geheeten.
Clarissimi, titel der derde klasse van ambtenaren onder Constantijn.
Clarus,Κλάρος, stadje in Ionia nabij Colophon, met een tempel en een orakel vanApollo Clarius.
Classiarii. De zeedienst was bij de Rom. veel minder in aanzien dan de krijgsdienst te land. De bemanning der vloot,classiarii, socii navales, werd dan ook uit de armere burgers en uit de vrijgelatenen genomen. In later tijd wordt ook de naamclassicigebruikt.
Classici, de burgers, die tot de eerste klasse behoorden. Vanhier de uitdrukkingscriptores classici, schrijvers van den eersten rang. Ook =classiarii.
Classicum, trompet- of hoornsignaal, ook gebruikt voor het bijeenroepen dercomitia centuriata.
Classis. De rom. burgers waren naar hun vermogen in 5classesingedeeld (ziecenturia). De eerste klasse werd dikwerf bij uitnemendheidclassisgeheeten; vandaar de uitdrukkinginfra classemvoor hen, die lager stonden. In het oudere Latijn isclassisde onder de wapenen geroepen manschap; vandaarclassis procincta, het slagvaardige leger. Ook = vloot. Omtrent de geschiedenis der romeinsche marine valt het volgende te melden. In 426 wordt voor het eerst een zeegevecht vermeld, in 394 gaat eenoorlogsschipnaar Delphi. In 338 behalen de Romeinen een overwinning ter zee op de Antiaten, in 311 worden deduoviri navales classi ornandae et reficiendaevoor het eerst vermeld. In den eersten Punischen oorlog is de vloot zeer belangrijk. Later liet men ze vervallen, of liet men de bondgenooten voor schepen zorgen. Eerst door de troebelen van den zeerooveroorlog komt men er toe weer een voldoende vloot te bouwen (67), en sedert speelt die een groote rol in de burgeroorlogen. Augustus en de latere keizers onderhouden een blijvende vloot, die twee stations heeft, één te Misēnum, één te Ravenna. Ook in de provincies had men vloten, o.a. in Egypte, en op den Donau en den Rijn.
Clastidium, stad der Anares (Anamari) in Gallia Cispadāna, nabij den Padus (Po) op de grens van Liguria. M. Claudius Marcellus (zieMarcellino. 29) behaalde hier in 222 eene overwinning op de Galliërs en versloeg eigenhandig hun aanvoerder Virdomārus.
Claternae, stad in Gallia Cispadāna aan de Via Aemilia ten O. van Bononia (Bologna).
Claudia(lex) van den volkstribuun Q. Claudius in 218, dat geen senator of senatorszoon een zeeschip mocht hebben van meer dan 300 amphorae (76 hectoliter) inhoud. Hierdoor werd het aan de senatoren onmogelijk gemaakt handel te drijven. Deze maatregel heeft indirekt het grootgrondbezit in Italië in de hand gewerkt, daar de senatoren voortaan hun geld in land belegden.
Claudia(lex) van den consul C. Claudius Pulcher in 177, dat de Latijnen, die zich te Rome ophielden, deze stad moesten verlaten en naar hunne eigene steden terugkeeren. De bedoeling was, de ontvolking der latijnsche steden te voorkomen.
Claudia(lex) van keizer Claudius, een verbod om aan minderjarigen geld te leenen.
Claudiānus(Claudius), een der laatste dichters van het west-rom. rijk, ± 400 na C., geb. te Alexandrīa, bezong in latijnsche verzen den lof en de daden van keizer Honorius en van Stilicho. Epische fragmenten, brieven en kleine gedichten zijn nog van hem overig. Hij schreef niet zonder talent en kracht.
Claudii, een oorspronkelijk sabijnsch geslacht. 1)Atta Claususverhuisde in 504 uit de stad Regillum, waar hij vele vijanden had, met zijne cliënten naar Rome, waar hij bereidwillig onder de patriciërs werd opgenomen en met de zijnen eene eigenetribus Claudiavormde. Te Rome werd zijn naam veranderd inAppius Claudiusmet den bijnaamSabīnus Inregillensis. In 495 was hij consul. Hij maakte zich gehaat door zijne trotschheid en hardheid jegens de plebejers en zijne schuldenaars. Alles wat van hem verteld wordt, is verzonnen.—2)App. Claudius Crassus Inregillensis Sabīnus, zoon van no. 1, was consul in 471 en in 451, maar trad toen af, omdecemvir legibus scribundiste worden. De verhalen omtrent zijn consulaat in 471, en zijn tegenwerking van de volkstribunen en delex Publilia, zijn verzonnen. Ook alle verhalen omtrent het decemviraat gedurende 451–449 zijn onhistorisch. Volgens deze verhalen zou hij na het gebeurde met Verginia (zieVerginiino. 6) in de gevangenis ter dood gebracht zijn of zich zelven het leven benomen hebben.—3)C. Claudius Sabinus, ook een zoon van no. 1, toonde zich bij verschillende gelegenheden den plebejers zeer vijandig. Alles is ook hier verzonnen.—4)App. Claudius CrassusofCrassīnus, heftig bestrijder van de toelating der plebejers tot het consulaat, was in 362 dictator en stierf als consul in 349.—5)App. Claudius Caecus, censor in 312 (v. a. 310), legde als zoodanig de beroemdevia Appiaen eene waterleiding,aqua Claudia, aan. Hij bleef langer dan zijn ambtgenoot in functie (ziePlautiino. 4) om deze bouwwerken te voltooien. Omtrent zijn verandering in den Herculesdienst zie menPinarii. Overigens is deze censuur bekend geworden door ingrijpende wijzigingen, vooral hierdoor, dat Cl. niet meer uitsluitend het grondbezit, maar ook het overige vermogen als grondslag voor den census aannam en aan alle burgers, ook aan de vrijgelatenen, toestond, zich in alle tribus te laten inschrijven, alsmede door de willekeurige, tegen de gewoonte indruischendelectio senatus, waarbij zonen van vrijgelatenen, o. a. Cn. Flavius in den senaat werden opgenomen. Zijn geheele werkzaamheid als censor was in democratischen geest en gekant tegen de belangen zijner standgenooten, depatricii. Claudius was consul in 307 en in 296, in welk laatste jaar hij de Etruscers versloeg. Later werd hij blind, doch hield in 279 of 280 in den senaat niettemin de beroemde rede, waardoor hij bewerkte dat de vredesvoorslagen van Pyrrhusvan de hand werden gewezen.—6)App. Claudius Caudexstreed als consul in 264 tegen de Carthagers op Sicilia.—7)P. Claudius Pulcher, zoon van no. 5, verloor als consul in 249 bij Drepana een zeeslag tegen de Carthagers. De heilige hoenders, die ongunstige voorteekenen gaven, had hij in zee laten werpen. Hij werd later wegens hoogverraad aangeklaagd, en waarschijnlijk veroordeeld. Hij hoorde tot de radicalen, evenals zijn vader.—8)App. Claudius Pulcher, zoon van no. 7, nam deel aan den slag bij Cannae in 216 en het beleg van Syracusae in 213 en stierf aan zijne wonden kort na de inneming van Capua in 211, waaraan hij als consul en proconsul een werkzaam aandeel had. Z.Fulviino. 4.—9)App. Claudius Pulcher, een zoon van no. 8, streed in 198 en 197 onder T. Quinctius Flamininus in den macedonischen oorlog, in 195 tegen Nabis van Sparta, in 191 onder M’. Acilius Glabrio in den syrischen oorlog, versloeg in 185 als consul de ligurische Ingauni en nam later nog verschillende gezantschappen waar.—10)C. Claudius Pulcher, ook een zoon van no. 8, consul in 177, versloeg de Istriërs en Liguriërs, streed in 171 in den oorlog tegen Perseus en werd in 169 censor. Als zoodanig maakte hij zich door zijne gestrengheid gehaat. Hij werd tijdens zijn censuur door dentribunus plebisP. Rutilius vanperduellioaangeklaagd, en zou veroordeeld zijn, als niet zijn ambtgenoot Tib. Sempronius Gracchus voor hem in de bres was gesprongen. Van hem is delex Claudia de sociis Latinis.—11)Claudia Quinta, waarschijnlijk een kleindochter van no. 5. Toen in 204 het schip met het beeld van Cybele (zieRhea) uit Pessinus te Ostia gekomen was, kon het door de droogte niet naar Rome opgesleept worden. De sage vertelt, dat daarop Claudia Quinta door aan het touw te trekken, beweging heeft gebracht in het schip, en zóó hare kuischheid heeft bewezen. Haar beeltenis stond later in den voorhof van den tempel van Cybele, en bleef bij brand tweemaal ongeschonden.—12)App. Claudius Pulcher, consul in 143, werd eerst door de Salassiërs, een alpenvolk, verslagen, doch behaalde later eene overwinning op hen en hield toen, trots de weigering van den senaat, een zegetocht binnen Rome onder bescherming zijner dochter Claudia, vestaalsche maagd, die op den zegewagen was gesprongen en den arm om haar vader sloeg. Hij was censor in 137. De als volkstribuun bekende Tib. Sempronius Gracchus was zijn schoonzoon. Hij wasIII vir agris iudicandis adsignandis(zieAgrariae leges), en wordt als zoodanig ook genoemdIII vir agris dividendis colonisque deducendis. Hij wasprinceps senatus. Als redenaar wordt hij door Cicero met lof genoemd.—13)C. Claudius Pulcher, ook als redenaar bekend, tegenstander van den volkstribuun L. Appuleius Saturnīnus in het jaar 100, vertoonde als aediel het eerst olifanten bij de openbare spelen in 99. In 95 kreeg hij als praetor de opdracht van den senaat, een nieuwe staatsregeling op te stellen voor de inwoners van Halaesa op Sicilië.—14)App. Claudius Pulcher, praetor in 89, zag in 87 in den burgeroorlog zijn leger tot L. Cornelius Cinna overloopen; hij werd in 86 verbannen, maar keerde met Sulla terug en werd consul in 79; later streed hij voorspoedig als pro-consul van Macedonië tegen de Scordisci. Hij liet zijn kinderen (no. 15–19) in armoede achter.—15)App. Claudius Pulcher, zoon van no. 14, diende onder zijn zwager L. Licinius Lucullus in den oorlog tegen Mithradātes in 74–72, en eischte in 72 van Tigrānes in Antiochia op hoogen toon de uitlevering van Mithradates. Griekenland (in 61) en Sardinia (56) hadden veel te lijden van zijne roofzucht, evenals Cilicia, waar hij in 53 proconsul was en in 51 door Cicero werd opgevolgd. In 54 was hij consul geweest, in 50 was hij censor en vervolgde in anderen de ondeugden, die hem zelven aankleefden, hebzucht en omkoopbaarheid. Hij was een vijand van Cicero, wiens terugroeping uit de ballingschap hij bestreed. Later haalde hij zich Caesars haat op den hals, moest in 49 Rome verlaten en voegde zich bij Pompeius, die hem tot stadhouder over Griekenland aanstelde. Hij was een goed redenaar. Hij stierf op Euboea kort na den slag bij Pharsālus.—16)C. Claudius Pulcher, ook een zoon van no. 14, propraetor van Asia in 55, werd veroordeeld wegens afpersingen, hoewel hij zijn aanklager omgekocht had.—17)P. Clodius (= Claudius) Pulcher, derde zoon van no. 14, was de bekende volkstribuun endoodsvijandvan Cicero. Hij was een rustelooze onruststoker, die voor geene daden van geweld terugdeinsde. In den oorlog tegen Mithradātes ruide hij ten bate van Pompeius de troepen van zijn zwager Lucullus op, zoodat zij weigerden verder te trekken. In Dec. 62 sloop hij bij gelegenheid van het feest der Bona Dea, dat in het huis van denpontifex maximusCaesar gevierd werd, en waarbij alleen vrouwen tegenwoordig mochten zijn, in vrouwenkleederen Caesar’s woning binnen, maar werd ontdekt. Hij werd in 61 wegensincestusaangeklaagd, maar tengevolge van omkooping der rechters vrijgesproken. Van dezen tijd dateert de vijandschap met Cicero, die tegen hem getuigd had. In 59 bewerkte Caesar, die hem als werktuig tegen Cicero en de senaatspartij noodig had, door eenlex curiata, waarbij Clodius door eenplebejerals zoon werd aangenomen, diens overgang tot de plebs (transitio ad plebem, zieComitia Curiata Calata), zoodat hij zich voor 58 tottribunus plebiskon laten kiezen. Toen hij in 58 als volkstribuun Cicero in ballingschap had gedreven en Cato door een eervolle opdracht uit Rome had verwijderd (zieClodiae legesno. 7), ontzag hij niets of niemand meer en oefende aan het hoofd zijner gewapende benden van slaven en huurlingen te Rome een waar schrikbewind uit. Hij kwam in 52 om bij eene schermutseling tusschen zijne bende en het gevolg vanzijn vijand T. Annius Milo op den heerweg bij Bovillae. Zie verderClodiae leges.—18)Clodia maior, dochter van no. 14, was gehuwd met Q. Caecilius Metelles Celer, wiens dood (59) haar werd geweten. Cicero, dien zij haatte, wreekte zich op haar in zijneoratio pro Coelio, die door haar van giftmengerij was beschuldigd. Zij was de minnares van Q. Valerius Catullus (zieValeriino. 38) en daarna van M. Caelius Rufus (Caeliino. 4).—19)Clodia minor, dochter van no. 14, was gehuwd met L. Licinius Lucullus.—20)C. Claudius Centho, komt in 200 in den oorlog tegen Philippus van Macedonia als legaat voor.—21)App. Claudius Centho, zoon van no. 20, streed in 174 voorspoedig tegen de Celtiberiërs, in 170 en 169 met afwisselend geluk in Illyria.—22)C. Claudius Nerostreed in 214 onder M. Claudius Marcellus op Sicilia, veroverde in 211 als pro-praetor Capua en versloeg in 207 als consul met zijn ambtgenoot M. Livius Salinātor bij den Metaurus Hannibals broeder Hasdrubal, die aldaar sneuvelde. In 204 waren beide consuls censors. Hierbij deed zich het ergerlijke tooneel voor, dat beide censoren elkander van de ridderlijsten schrapten, en ook op andere wijze kibbelden.—23)Tib. Claudius Nerowas in 202 consul met Scipio Africānus maior. Zijn tocht naar Africa mislukte door storm.—24)Tib. Claudius Nero, dien Cicero gaarne tot schoonzoon had gehad, hield het na Caesars dood eerst met Antonius, later met Sextus Pompeius, en stond vervolgens (38) aan Octaviānus zijne vrouw Livia Drusilla af, bij wie hij twee zonen had, den lateren keizer Tiberius en den bekenden veldheer Drusus (zie no. 26).—25)Tib. Claudius Nero, zoon van no. 24, rom. keizer 14–37 na C. ZieTiberius.—26)Nero Claudius Drusus, gewoonlijkDrususgenoemd, jongere zoon van no. 24 en dus broeder van keizer Tiberius, geb. 38, toen Livia reeds met Octaviānus getrouwd was, werd door zijn stiefvader Augustus, wiens vertrouwen hij in volle mate bezat, in 15 uitgezonden om de Alpenvolken, vooral de Raetiers, te onderwerpen, hetgeen hij met zijn broeder Tiberius tot stand bracht. Uit de onderworpen streken werd een nieuwe provincieRaetia et Vindeliciagevormd, waarbij de reeds onderworpenVallis Poeninagevoegd werd. Daarop werd Drusus in 13legatus Augustivan deTres Galliae, met de opdracht, den oorlog tegen de Germanen te voeren (12–9). Eerst versloeg hij de Sugambren, die onder koning Maelo over den Rijn waren gevallen, en voer langs de door hem gegravenfossa Drusiāna(z.a.) naar het land der Friezen en Chauken. Hij onderwierp de Friezen (12), de Usipii (11), trok door het land der Sugambri, en legde tweecastellaaan, n.l. Aliso en één in den Taunus (11). In 9 trok hij door het land der Chatten en Cherusci tot aan de Albis (Elbe), doch overleed toen door een val van zijn paard. Door zijn veldtochten werd Germania tot aan de Elbe bij het Romeinsche rijk gevoegd, en werd eerst weer vrij door de vernietiging van het leger van Varus (9 n. C.). Drusus’ dood werd algemeen betreurd. Daar hij evenals zijn broeder Tiberius door Augustus geadopteerd was, behoort zijn zoon Germanicus onder deCaesares, zieIuliienGermanicus.—27)Claudius Nero, zoon van no. 26 en broeder van Germanicus, rom. keizer, 41–54 na C. ZieClaudius (keizer).—28)Ti. Claudius Caesar Britannicus, zoon van keizer Claudius (no. 27), geboren 41 n. C. Zijne moeder was de zedelooze Valeria Messalīna. Hij werd door keizer Nero in 55 vergiftigd, zieClaudius (keizer).—29)Nero Claudius, aangenomen zoon en opvolger van no. 27, rom. keizer, 55–68 na C. ZieNero (keizer).—30)M. Claudius Marcellus, een der uitstekendste mannen van zijn tijd, onderwierp als consul, 222, Gallia Cisalpīna, waarbij hij in den slag bij Clastidium op den gallischen aanvoerder Virdumārus despolia opimabehaalde. Na den slag bij Cannae in 216 redde hij als praetor het overschot van het rom. leger en wist tijdig Nola te bezetten, zoodat de afval verhinderd werd. Een eigenlijke veldslag is toen niet geleverd, maar de moreele uitwerking was er niet minder om. In 215 als consul gekozen, legde hijvitio creatuszijn ambt neder, maar bleefpro consulein de nabijheid van Nola, dat hij wist te behouden. In 214 was hij weder consul, en nam met zijn ambtgenoot Q. Fabius Maximus Cunctātor Casilīnum in, waarbij hij zich aan trouwbreuk schuldig maakte. Hij ging daarop naar Sicilië, nam Leontīni in, en veroorzaakte door zijn gestrengheid den afval van Syracuse. In 213 volgt nu het beroemde beleg van deze stad, die in 211 door hem stormenderhand werd veroverd, waarbij Archimēdes omkwam. De stad werd uitgeplunderd. In 210 was hij ten vierden male consul en streed hij tegen Hannibal in Italië, maar richtte niet veel uit. In 208 was hij nogmaals consul, doch viel in eene hinderlaag en sneuvelde. De Rom. noemden hem “het zwaard van den staat” wegens zijne onversaagde dapperheid.—DeMarcelliwaren de eenige plebejische tak dergens Claudia; zij worden onder depatronivan Sicilia gerekend.—31)M. Claudius Marcellus, zoon van no. 30, ontkwam zwaar gewond aan de hinderlaag, waarin zijn vader sneuvelde. In 196 versloeg hij als consul deInsubriërs, in 189 was hij censor, waarbij hij zich door eene groote mate van zachtmoedigheid onderscheidde.—32)M. Claudius Marcellus, consul in 183.—33)M. Claudius Marcellus, kleinzoon van no. 30, een braaf en edel krijgsman, was consul in 166, 155 en 152, en behaalde lauweren in Gallia Cisalpīna, Liguria en Hispania.—34)M. Claudius Marcellus, ten wiens behoeve Cicero in 46 in den senaat zijneoratio pro Marcellohield, was een aanhanger van Pompeius, minder om diens persoon dan om het beginsel. Hij wilde Caesar niet om vergiffenis vragen, en eerst toen deze hem op aandrang van den senaat ongevraagd amnestie verleend had, maakte hij zich op, om naar Rome terug te keeren, dochonderweg werd hij te Athene omgebracht.—35)C. Claudius Marcellus, broeder van no. 34, consul in 49, was een tegenstander van Caesar en volgde Pompeius, maar stierf spoedig.—36)C. Claudius Marcellus, neef van no. 34 en 35, consul in 50, bood aan Pompeius het opperbevel tegen Caesar aan, en week met hem uit, doch verzoende zich later met Caesar. Hij was gehuwd met Octavia, de zuster van Octaviānus.—37)M. Claudius Marcellus, zoon van no. 36, werd door Augustus tot zoon aangenomen en huwde diens dochter Julia. Hij was iemand van uitstekende begaafdheden, van wien men algemeen groote verwachtingen koesterde; doch hij stierf plotseling, in het jaar 23, 20 jaar oud te Baiae. Dat hij door Livia zou zijn vergiftigd, is lasterpraat. Hij is het, die door Vergilius (Aen. VI 861–887) verheerlijkt wordt: “Tu Marcellus eris”.—38)Marcella, dochter van no. 36, was eerst gehuwd met M. Vipsanius Agrippa en na hare scheiding van dezen (21), met Julus Antonius, zoon van den drieman.—39)Q. Claudius Quadrigarius, rom. annalist, tijdgenoot van Sisenna (Corneliino. 56), schreef eene kroniek, vermoedelijk van den gallischen brand tot aan Sulla’s dood.—40)Claudius Didymus, grammaticus in de 1ste eeuw n. C., schreef een werk, waarin hij de verwantschap van het Latijn en het Grieksch trachtte aan te toonen.
Claudiopolis, zieBithynium.
Claudius, voluitTib. Claudius Nero Germanicus, rom. keizer, 41–54 n. C. Hij was de jongere zoon van Drusus (Claudiino. 26) en Antonia minor, en was in het jaar 10 te Lugdūnum (Lyon) geboren. Na de vermoording van Caligula, 25 Jan. 41, vonden de praetorianen hem toevallig in het paleis verscholen en plaatsten hem op den troon. Na reeds van twee vrouwen gescheiden te zijn, had hij in 39 de zedelooze Messalīna gehuwd, die hem geheel beheerschte. Nadat hij eindelijk tot straf voor hare euveldaden haar had laten ombrengen (48), huwde hij zijne nicht Agrippīna, de dochter van zijn broeder Germanicus, wier derde man hij werd. Om haar te believen sloot hij zijn eigen zoon Britannicus Caesar van de regeering uit en nam Agrippina’s zoon uit haar eerste huwelijk met Cn. Domitius Ahenobarbus tot zoon en opvolger aan (50). Dit was de latere keizer Nero. Toen Claudius nu ook den onzedelijken levenswandel en de overheersching van Agrippina moede begon te worden, ruimde deze hem door vergif uit den weg. Britannicus was toen nog een knaap van 13 jaar; in het volgende jaar (55) ruimde Nero, door achterdocht en naijver gedreven, ook hem uit den weg door middel van vergif. Claudius was zwak en vreesachtig van aard, en meer geschikt voor de studeerkamer dan voor den troon. Voor hem voerden vooral de vrijgelatenen de regeering: de voornaamste hiervan zijn: Narcissus,ab epistulis, M. Antonius Pallas,a rationibus, C. Julius Callistus,a libellis, en Polybius,a studiis. Cl. ondernam een krijgstocht naar Britannia, doch liet spoedig de verovering daarvan aan zijne generaals over. Onder zijn bestuur werd Mauretania (z. a.) ingelijfd (42). Hij legde een groote zeehaven te Ostia aan, en bouwde twee waterleidingen, deAnio novusen deaqua Claudia. Ook trachtte hij denFucinus lacus(z. a.) een uitloop te geven. Hij beoefende o. a. de taalkunde en verrijkte het alphabet met drie nieuwe letters, die echter na zijn dood weder in onbruik geraakten. Ook hield hij gaarne redevoeringen. Zie ookIuliiaan het slot, onderdenf.
Claudius II—M. Aurelius Claudius Gothicus—rom. keizer 268–270 na C., opvolger van Galliēnus, een Illyriër, die zich reeds onder de keizers Decius en Valeriānus als voortreffelijk krijgsman had doen kennen, dreef als keizer de Alemannen en Gothen, die hij bij Naissus in 269 versloeg, naar hun land terug, doch overleed spoedig te Sirmium aan de pest.
Clausus (Atta). ZieClaudiino. 1.
Clavus, spijker. In den muur van den Jupitertempel op het Capitool te Rome werd elk jaar een gouden spijker geslagen volgens overoud gebruik uit den tijd, dat het schrift nog niet algemeen bekend was. Dit geschiedde door een der consuls, of, wanneer deze afwezig waren, door eendictator clavi figendi causa, en wel op de Iden van Sept. (13 Sept.).
Clavus, purperstreep, die van den hals der tunica over de borst tot beneden aan den zoom liep en voor de senatoren breed was (latus clavus, tunica laticlavia), voor de ridders smal (angustus clavus, tunica angusticlavia).
Clazomenae,Κλαζομεναί, eene der 12 ionische steden op de kust van Voor-Azië, ten W. van Smyrna, aan den Sinus Hermaeus, geboorteplaats van den wijsgeer Anaxagoras, den vriend van Pericles. Uit vrees voor de Perzen verhuisde de bevolking voor een groot gedeelte naar een naburig eiland, dat door Alexander later met den vasten wal verbonden werd. De stad bezat fraaie tempels.
Cleander,Κλέανδρος, volksleider te Gela, die zich later tot tyran opwierp, na eene regeering van zeven jaren werd gedood en door zijn broeder Hippocrates opgevolgd (498).
Cleandridas,Κλεανδρίδας, Spartaan, werd in 445 door de ephoren met koning Plīstoanax als raadsman naar Attica gezonden; later werd hij beschuldigd, dat hij zich door Pericles had laten omkoopen om werkeloos te blijven, en ter dood veroordeeld; hij vluchtte echter naar Thurii, waar hij zich in den oorlog tegen de Lucaniërs onderscheidde. Zijn zoon was de beroemde Gylippus.
Cleanthes,Κλεάνθης, 1) van Corinthe, een van de oudste grieksche schilders.—2)van Assus, oorspronkelijk vuistvechter, werd later een leerling van Zeno en voorzag des nachts in zijn levensonderhoud door water dragen en deeg kneden. Hij bleef gedurende 19 jaren de lessen van Zeno hooren en volgde hem na zijn dood (264) als hoofd der stoicijnscheschool op; op 99-jarigen leeftijd stierf hij, naar men zegt, vrijwillig van honger. Het kwaad is volgens hem niet het werk der goden, maar een gevolg van het onverstand der menschen, en wordt door de goden zelfs weder ten goede geleid. Een lofzang op Zeus van hem is bewaard gebleven.
Clearchus,Κλέαρχος, 1) spartaansch vlootvoogd in de laatste jaren van den peloponnesischen oorlog. Toen hij later (403) Byzantium tegen de Thraciërs zoude verdedigen, maakte hij zich van de alleenheerschappij meester en regeerde hij met geweld en in strijd met de bevelen der ephoren. Om deze reden ter dood veroordeeld, keerde hij niet naar Sparta terug; hij werd aanvoerder van het grieksche leger van den jongen Cyrus, streed in den slag bij Cunaxa en werd na den dood van Cyrus stilzwijgend als leider der grieksche troepen erkend. Hij werd echter kort daarna door Tissaphernes verraderlijk gevangen en gedood.—2)leerling van Plato en Isocrates, later tyran van Heraclēa, werd na eene wreede regeering van elf jaar vermoord (364). Hij vestigde te Heraclea eene bibliotheek.—3)van Soli op Cyprus, een van de beste leerlingen van Aristoteles. Hij schreef verscheiden philosophische en historische werken, waarvan nog enkele fragmenten bestaan.
Clearidas,Κλεαρίδας, streed in Macedonië onder Brasidas tegen de Atheners en trachtte den vrede van Nicias tegen te werken.
Cleides,Κλεῖδες, Κληῖδες, oostkaap van het eiland Cyprus, met voorgelegen eilandjes.
Clemens (T. Flavius) Alexandrīnus, presbyter van Alexandrië, waar hij ± 215 n. C. op hoogen leeftijd stierf. In zijne talrijke grieksche geschriften tot verdediging van het Christendom, waarvan drie bewaard gebleven zijn, tracht hij te bewijzen dat het beste van de grieksche philosophie aan de Joden ontleend is. Hij was de leermeester van Origenes.
CleobisenBiton,Κλέοβις, Βίτων, zonen van Cydippe, priesteres van Hera te Argos, trokken op een feestdag den wagen hunner moeder naar den 45 stadiën verwijderden tempel, toen de daarvoor bestemde stieren te laat kwamen. Toen de moeder de godin om haar besten zegen voor hare kinderen gebeden had, sliepen zij in en ontwaakten niet weder.
Cleobūlus,Κλεόβουλος, tyran van Lindus, een van de zeven wijzen (omstreeks 580); zijn spreuk was:μέτρον ἄριστον.
Cleombrotus,Κλεόμβροτος, 1) Spartaan, jongste zoon van koning Anaxandridas en voogd van Plistarchus, den zoon van zijn broeder Leonidas I. Bij den inval van Xerxes in Griekenland, voerde hij het bevel over het grieksche landleger op den Isthmus, vanwaar hij, door een zonsverduistering verschrikt, overhaast terugkeerde; kort daarna stierf hij.—2)Cl. I, koning van Sparta, opvolger van zijn broeder Agesipolis I. Nadat de Spartanen uit de Cadmēa verdreven waren, deed hij een inval in Boeotië (378), doch spoedig trok hij terug zonder iets uitgericht te hebben; hij sneuvelde in den slag bij Leuctra, 371.—3)Cl. II werd in plaats van zijn schoonvader Leonidas II koning van Sparta, toen deze wegens zijn verzet tegen de plannen van Agis III was afgezet (242). Toen echter twee jaar later de partij van Leonidas de overhand kreeg, stond Cl. aan hevige vervolgingen bloot, zijn leven werd echter gespaard op de smeekingen van zijne gemalin Chilōnis, die met hem in ballingschap ging.
Cleomēdes,Κλεομήδης, 1) beroemd worstelaar uit Astypalaea. Eens had hij bij de olympische spelen de overwinning behaald, maar geen prijs gekregen, omdat hij zijn tegenpartij gedood had; waanzinnig van spijt rukte hij de zuilen van een gymnasium uit den grond, waardoor zestig jongelingen onder de puinhoopen begraven werden. Toen men hem vervolgde, vluchtte hij in den tempel van Athēna en werd van daar als de laatste der heroën in den hemel opgenomen.—2)zoon van Lycomēdes, atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog.—3)schrijver over sterrenkunde (1steeeuw n. C.), van wien nog eenige werken bestaan.
Cleomenes,Κλεομένης, 1) Cl. I, zoon van Anaxandridas, koning van Sparta (520–491), een moedig en ondernemend, maar trotsch en stijfhoofdig man. Zijn eerste onderneming was tegen de Argiven, wien hij door list een gevoeligen slag toebracht; zelfs werd hij aangeklaagd omdat hij de stad Argos niet genomen had, en hij erkende dat hij het had kunnen doen, maar door godsdienstige bezwaren weerhouden was. Later (510) was hij aanvoerder van het leger, dat op bevel van het delphische orakel de Pisistratiden uit Athene verjoeg, en ter wille van zijn gastvriend Isagoras deed hij nog tweemaal een inval in Attica, beide keeren met ongelukkigen afloop, want eerst werd hij op de acropolis ingesloten, en toen hij met een grooter leger terugkwam om hierover wraak te nemen, moest hij door den tegenstand van de Corinthiërs en van zijn ambtgenoot Demarātus onverrichter zake aftrekken. De voorstellen tot een bondgenootschap tegen de Perzen, zoowel van Aristagoras als van de Scythen, vonden bij hem meer gehoor dan bij eenig ander Spartaan. Door Demaratus in zijne plannen tegen Aegīna gedwarsboomd, wist hij door omkooping van het delphische orakel een uitspraak te verkrijgen, volgens welke Demaratus niet de zoon van koning Aristo was, zoodat deze van de regeering ontzet werd en zich in ballingschap begaf. Spoedig werd echter het bedrog bekend en Cl. vluchtte naar Thessalië en later naar Arcadië; eindelijk in Sparta teruggekeerd, werd hij waanzinnig, naar men zeide ten gevolge van dronkenschap, en maakte hij op gruwelijke wijze een einde aan zijn leven (489).—2)broeder van den spartaanschen koning Plistoanax en voogd van diens zoon Pausanias, voerde het bevel over het leger dat in 427 in Attica viel.—3)Cl. II, koning van Sparta, zoon en opvolger vanCleombrotus I, regeerde bijna 61 jaar (371–310) zonder dat er van zijne regeering iets te vermelden valt.—4)Cl. III, koning van Sparta, zoon van Leonidas II, dien hij op ongeveer twintigjarigen leeftijd opvolgde, (236), een verstandig, moedig en doortastend man, vol geestdrift voor de plannen van Agis III, waarin hij gesterkt werd door zijne moeder Cratesiclēa en zijne gemalin Agiātis, de weduwe van Agis. Daar hij inzag dat hij den steun van het leger noodig had, zoo hij de gewenschte hervormingen tot stand wilde brengen, trachtte hij dit voor zich te winnen door een oorlog tegen het achaeisch verbond, en inderdaad gelukte het hem na eenige kleine ondernemingen, deAchaeërsbij den berg Lycaeus en spoedig daarna (226) bij Leuctrum te verslaan. Nu openbaarde hij zijne plannen aan eenige vertrouwden; door list verwijderde hij zijne tegenstanders, doodde vier ephoren, verbande tijdelijk 80 van de voornaamste oligarchen, maakte zijn broeder Euclīdas tot mederegent, schafte het ephoraat af, kondigde schulddelging en nieuwe verdeeling van grondbezit af, vermeerderde het aantal burgers door het opnemen van perioeken, hervormde den raad, en voerde de oude wetten en instellingen weder in. Den oorlog zette hij intusschen met geluk voort, zelfs Argos en Corinthe kozen zijne zijde; toch bood hij vrede aan op voorwaarde, dat de hegemonie van Sparta in de Peloponnēsus erkend werd, maar Arātus, vreezend dat het achaeisch verbond daardoor alle macht zou verliezen, vond het beter de hulp van Antigonus Doson in te roepen. Nu ging Argos weder verloren en over het geheel kon Cl., die in dien tijd ook zijne gemalin verloor, zich niet tegen Antigonus staande houden; nadat de oorlog nog eenigen tijd met afwisselend geluk gevoerd was, en Cl. vergeefsche pogingen gedaan had om bij Ptolemaeus Euergetes ondersteuning te vinden, waagde hij bij Sellasia een grooten slag, maar leed een volkomen nederlaag en ontkwam met weinige ruiters (221). Terstond ging hij naar Aegypte om hulp te vragen, maar Ptolemaeus stierf kort daarna, en zijn opvolger Ptolemaeus Philopator liet zich door zijne gunstelingen overreden Cl. gevangen te nemen. Wel ontsnapte hij uit de gevangenis, maar wanhopende aan het bereiken van zijn doel, trachtte hij een opstand onder het volk te verwekken, en toen hij ook hierin geen steun vond, doodde hij zichzelf, 35 jaar oud (219). Zijn lijk werd opgehangen en ook zijn moeder en kinderen werden ter dood gebracht.—5)van Naucratis, werd door Alexander belast met het toezicht op den bouw van Alexandrië en met het innen der belastingen. Wegens zijn hebzucht en afpersingen liet Ptolemaeus hem na den dood van Alexander ter dood brengen, terwijl hij zijne groote schatten verbeurd verklaarde.—6)atheensch beeldhouwer uit de 1e eeuw n. C., van wien een werk, de Germanicus in het Louvre, bewaard gebleven is; de zgn. Venus van Medicis, die hem toegeschreven wordt, is niet van hem.
Cleon,Κλέων, zoon van Cleaenetus, leerlooier te Athene, reeds bij het leven van Pericles een van de leiders der radicale partij, werd na diens dood de eerste man van de volkspartij. Hij was het die in 427, na de herovering van Lesbus, dat van de Atheners afgevallen was, doordreef, dat alle weerbare mannen van Mytilēne zouden gedood worden, een besluit, dat den volgenden dag in dien zin gewijzigd werd, dat alleen de hoofdschuldigen, volgens waarschijnlijk sterk overdreven berichten ruim duizend in getal, ter dood gebracht werden. Toen in 425 de Atheners 420 Spartanen op het eiland Sphacteria ingesloten hadden, en de Lacedaemoniërs vrede aanboden, drong Cl. erop aan, dat het eiland eerst overgegeven zou worden, zoodat de onderhandelingen afsprongen. Daar echter de inneming van het eiland niet zoo spoedig volgde als men verwacht had, begonnen de Atheners zich over den loop der zaken ongerust te maken, en verweet men Cl. reeds dat door hem de vrede niet was tot stand gekomen. Bij zijne verdediging liet deze zich ontvallen dat, indien de strategen (Nicias en Demosthenes) hun plicht deden, Sphacteria reeds lang in hunne macht moest zijn, waarop Nicias, die in de vergadering tegenwoordig was, terstond aanbood hem zijne betrekking tijdelijk af te staan. In het eerst sloeg Cl. dit aanbod van de hand, maar door het volk gedwongen het aan te nemen, beloofde hij zich binnen twintig dagen van het eiland te zullen meester maken, en met de hulp van Demosthenes vervulde hij zijne belofte. Daardoor kwam hij in groot aanzien, waarvan hij o. a. gebruik maakte om door verschillende financiëele maatregelen middelen te verschaffen om den oorlog krachtiger te voeren. In 422 werd hij met een leger naar Thracië gezonden, waar hij aanvankelijk eenig voordeel behaalde, maar den slag bij Amphipolis tegen Brasidas verloor, bij welke gelegenheid hij op de vlucht gedood werd. Zie ookδικαστικόν. Cl. wordt beschreven als een onopgevoed, baatzuchtig en overmoedig man, die de laagste hartstochten van het volk vleide en zijne meening meer door woorden, soms zelfs meer door schreeuwen, dan door argumenten deed zegevieren. Men heeft opgemerkt dat zijne tijdgenooten, die melding van hem maken, in de politiek zijne tegenstanders waren, en dat dus vermoedelijk hun oordeel aan overdrijving, misschien zelfs aan partijdigheid, lijdt; toch schijnt uit de feiten, die omtrent hem bekend zijn, te mogen worden opgemaakt, dat hij een man was van niet geringen aanleg en vol vaderlandsliefde, doch van weinig beschaving, in zijne geheele politieke richting en bij iedere bizondere gelegenheid door zijn haat tegen de Spartanen en de aristocratie tot uitersten geneigd, en dat hij in ieder geval de groote gaven miste, waardoor zijn voorganger Pericles het volk op den rechten weg had weten te houden.