Chapter 22

Columbarium.Columbarium.Colonia, 1)Grieksche koloniën. Wanneer eene grieksche stad overbevolkt dreigde te worden, werd eene commissie uitgezonden, om op eene nog niet door Grieken in bezit genomen kust eene geschikte plaats te vinden voor den bouw eener nieuwe stad. Was zulk een punt gevonden, dan werd een deel der bevolking als vrijwillige landverhuizers daarheen overgebracht en van de noodige hulpmiddelen voorzien, en er verrees eene zelfstandigestad, die wel in den beginne de bescherming der moederstad genoot, maar toch niet afhankelijk van haar was. Het geval van Potidaea, dat jaarlijks zijn eersten magistraat uit Corinthus kreeg, is uitzondering, geen regel. Wel bleef er een band van piëteit tusschen de metropolis en de kolonie bestaan, als tusschen moeder en dochter, en de afgezanten der moederstad hadden bij de openbare feesten eene eereplaats, doch de burgers der eene hadden daarom nog geen aanspraak op het burgerrecht der andere. Zie ookCleruchia. De uitzending eener kolonie had onder zekere plechtigheden plaats, zooals het medenemen van vuur uit het prytanēum der moederstad, en ook werd geene grieksche kolonie gesticht zonder dat eerst een of ander orakel was geraadpleegd. Natuurlijk waren er behalve de bovengenoemde reden nog andere redenen tot stichting van volkplantingen. Bij inwendige verdeeldheid kon het gebeuren, dat de onderliggende partij besloot uit te wijken. Ook de verovering van een staat door machtiger vijanden kon aanleiding tot landverhuizing geven. Ook handelsbelangen speelden eene rol, en menige kolonie is gesticht om in afgelegen zeeën aan de koopvaarders der moederstad een veilig station te verschaffen. Met de inboorlingen van hun nieuw vaderland hadden de kolonisten vaak een hardnekkigen strijd te voeren. Overwonnen de Grieken, dan ontwikkelde zich in den regel een betrekking van perioeci, doch menigmaal ook bezweken zij, zooals b.v. de grieksche steden op de kust van Voor-Azië zich aan de lydische koningen moesten onderwerpen.—2)Romeinsche koloniën. De Romeinen zonden met een geheel ander doel koloniën uit, en wel niet naar onbewoonde plaatsen, maar naar bestaande steden in pas veroverd gebied, om daar als voorposten wacht te houden. Het waren militaire posten,propugnacula imperii. De nieuwe kolonisten kregen voor zich en hunne gezinnen woningen en landerijen, die door de oude bezitters moesten worden ingeruimd. Ze vormden een afzonderlijkegemeente. Voor een klein deel waren hetcoloniae civium Romanorum, d. w. z. de uitgezonden kolonisten waren rom. burgers, die ook in hunne nieuwe woonplaats het volle burgerrecht behielden. Hiertoe behooren o. a. decoloniae maritimae. Deze hebben, omdat zij met de verdediging der kust belast zijn,militiae vacationem sacrosanctam, waarmede echter in den tweeden punischen oorlog geen rekening gehouden werd. De meeste coloniae warencol. latinae(zie hieronder); vaak werden ook Romeinsche burgers naar veroverde streken gezonden, zonder een bepaaldecolonia, d.w.z. een stad met gemeentebestuur, te vormen; men spreekt dan vanassignationes viritanae. Zie ook onder het artikelAgrariae leges:Lex Sempronia agrariavan C. Gracchus. De oude inwoners,inquilini, werden alsdediticii, overwonnelingen, beschouwd. Evenwel werd hun nu en dan toegestaan, zich als colōni te laten inschrijven. Toen geheel Italia het burgerrecht bezat, hadden de coloniae geen militaire beteekenis meer.—Deze gewoonte, koloniën als militaire bezetting uit te zenden, was in Italia algemeen. Het latijnsche stedenverbond deed het ook, en tusschen 493 en 340, d. i. van de stichting van het romeinsch-latijnsch-hernicisch bondgenootschap tot aan den laatsten latijnschen oorlog, werden door de bondgenooten bondskoloniën uitgezonden. Na de onderwerping van Latium bevolkten de Romeinen sommige koloniën met Latijnen. In tegenstelling der vroegerecoloniae latinaewerden dezecoloniae latinae populi romanigeheeten; zij waren 39 in getal, o. a. Ariminum, Brundisium, Cremōna, Placentia, en hadden hetius Latii.—Een andere soort vancoloniaewaren die, welke nu en dan werden uitgezonden om Rome te ontlasten van behoeftige, dikwerf oproerige burgers. Dit waren landbouwkoloniën. De vestiging dezer laatste dagteekent van den tijd der Gracchen. In de burgeroorlogen werd het gewoonte, dat de overwinnaar zijne soldaten met grondbezit beloonde. Zoo wees Sulla niet slechts vele landerijen, waarvan de eigenaars omgekomen of gevlucht waren, aan zijne soldaten ter verdeeling toe, maar ook den grond van verschillende mariaanschgezinde steden, waarvan de inwoners eenvoudig uit huis en hof verdreven werden. Evenzoo wees Octaviānus in 41 en 40 acht steden in Gallia Transpadāna, tot straf voor hunne gehechtheid aan de zaak van Brutus en Cassius, aan zijne legioenen toe, bij welke gelegenheid ook Vergilius uit zijn eigendom verdreven werd. Dit zijncoloniae veteranorum.—De uitzending van koloniën had volgens eene speciale wet plaats en werd geregeld door opzettelijk hiertoe gekozen commissarissen, meestal drie,III viri coloniae deducendae.Colonia Agrippīna, stad der Ubii of Agrippinenses, aldus in 50 n. Chr. genoemd ter eere van Germanicus’ dochter Agrippīna. Het was de hoofdstad van Germania Inferior. In den lateren keizertijd is de stad zeer belangrijk als grensvesting, en nu en dan zetel van den keizer. Thans Keulen aan den Rijn.Colōnus,Κολωνός, demus in Attica, ten N. van Athenae, geboorteplaats van Sophocles, met een tempel van Poseidon, eene grot der Eumeniden en het graf van Oedipus.Colophon,Κολοφῶν, aziatisch-ionische stad met de havenstad Notium door muren verbonden, beroemd door zijne vloot en zijne voortreffelijke ruiterij. Vandaar het spreekwoordΚολοφῶνα ἐπιτιθέναι= eene zaak haar beslag geven. Toch werd de stad meer dan eens ingenomen. In het nabijgelegen Clarus was een beroemd orakel van Apollo. Colophon was de geboorteplaats van den elegieëndichter Mimnermus en maakte ook aanspraak op Homerus.Colossae,Κολοσσαί, vroeger eene aanzienlijke stad in het Z. van Groot-Phrygia, doch allengs door naburige plaatsen overschaduwd, in Strabo’s tijd nog slechts een stadje. Hier was een van de eerste christelijke gemeenten.Colossēum, zieAmphitheatrum.Colōtes,Κολώτης, leerling van Epicūrus, verdedigde in verscheiden werken de leer van zijn meester, en viel daarbij de oudere wijsgeeren soms hevig aan.Columbar, als strafwerktuig vermoedelijk een houten bord, waarin men zóó gesloten werd, dat hoofd en handen er door staken. Het werd slechts voor slaven gebezigd.Columbarium, duiventil; ook een grafkelder met een aantal rijen van nissen boven elkander om lijkbussen in te plaatsen. Zie de teekening op bldz. 187. Onder elke nis was op een plaatje de naam van den overledene vermeld. Er waren algemeenecolumbaria, waarin men eene plaats kon koopen.—Ook de roeigaten van een schip worden aldus genoemd.Columella(L. Iunius Moderātus) geboren te Gades, leefde in het midden der eerste eeuw na C. en leverde een smaakvol en vloeiend geschreven werkde re rusticain 12 boeken; hiervan is het 10deboek, over den tuinbouw, in navolging van Vergilius, in hexameters geschreven.Dorische zuil.Dorische zuil.Dorisch kapiteel.Dorisch kapiteel.Columna. Hoewel bij verschillende volken der oudheid verschillende vormen van zuilen in gebruik waren, kunnen hier slechts de grieksche en rom. worden besproken, en wel in hoofdtrekken de dorische, ionische en corinthische zuilen. Bij degrieksch-dorische orderijst de schacht der zuil zonder voetstuk als het ware uit den bodem op; deze schacht is voorzien van ondiepe, aaneensluitende groeven, cannelures geheeten, en bereikt eene hoogte van ongeveer 4,5 à 5 maal hare benedenmiddellijn. Op de schacht rust het bovenstuk of kapiteel,capitulum,κεφάλαιον. Het onderste deel van dit kapiteel is de hals,ὑποτραχήλιον, een voortzetting der schacht door eene insnijding of een lijstje er van gescheiden, en soms met ringvormige lijnen versierd. Daarop rust de eierlijst,echīnus,ἐχῖνος, en op deze weder de vierkante dekplaat ofabacus,ἄβαξ. Op de dekplaten rust dan de draagbalk of architraaf van den bovenbouw.Bij derom.-dorischezuil is de schacht meestal glad, en wanneer zij soms gecanneleerd is, zoo strekken de groeven zich toch slechts over het bovenste tweederde deel uit, terwijl het ondereinde glad blijft. Soms rust de zuil op een voetstuk of basement, eene cirkelvormige schijf met bolronde kanten,torus.—Degrieksch-ionischezuil bereikt gemiddeld eene hoogte van 8 maal de middellijn der beneden-doorsnede; de schacht rust op een voet van kussens, door holle randen,τρόχιλοι, gescheiden. De cannelures zijn dieper dan bij de dorische zuil, en niet aaneensluitend, maar door smalle, gladde bandjes gescheiden. Het kapiteel is minder eenvoudig dan het dorische. De hals is met figuren versierd, evenzoo de eierlijst. Daarop rust een dekstuk als een veerkrachtig kussen, aan weerszijden in spiraalvormige krullen, zoogenaamde voluten, uitloopende. Dit dekstuk draagt denabacusen deze wederom den architraaf.De rom.-ionischekrul mist de welving in het midden en maakt hierdoor niet den indruk van veerkracht, dien de grieksche maakt. Ter verklaring van de grootere slankheid der ionische zuil vergeleken met de dorische diene het volgende: De ionische zuil is oorspronkelijk een binnenzuil geweest, aan de binnenzijde van een gebouw aangebracht, tot schoring van het dak. Ze was dus oorspronkelijk van hout, maar tegen de vochtigheid van den bodem geplaatst op een steenen onderstel, hetgeen de basis dezer zuil verklaart. Later werd de zuil in steen gecopieerd, en ook aan de buitenzijde aangebracht. De dorische zuil isin den regelvan steen geweest, slechts bij het Heraeum te Olympia en bij den ouden tempel te Delphi waren de zuilen van hout. De zuilen worden om het gebouw aangebracht, en hullen het als het ware in een mantel in; men noemt dit deπερίστασις.—Decorinthischezuil onderscheidt zich van de ionische door den rijkdom van haar kapiteel, dat in tal van variatiën met bladvormen en vlechtwerken is versierd. Zie de teekening op blz. 190. Oorspronkelijk waren het acanthusbladeren. Vooral de Rom. hebben dit kapiteel met allerlei versieringen aangewend. Bij de Grieken is de corinthische zuil op de wijze der ionische gegroefd, bij de Rom. dikwerf glad. Echt rom. is onder al de drie zuilenorden de vierkante voet of plint, die soms vrij hoog is.Ionische zuil.Ionische zuil.Columna M. Aurelii, op de Piazza Colonna te Rome, naar het model van deColumna Traiani, door Keizer M. Aurelius opgericht ter verheerlijking zijner krijgsdaden. De zuil is 100 rom. voet (29,6 M.) hoog en omgeven door reliefs in 23 windingen; de onderste helft verheerlijkt hetbellum Germanicum, den oorlog tegen de Marcomannen en Quaden (172–173 n. C.), de bovenste helft hetbellum Sarmaticum, den oorlog tegen de Sarmaten, Iazygen en Quaden (174–175). Bovenop staat tegenwoordig een standbeeld van den apostel Paulus.Columna bellica, kleine zuil voor den Bellōna-tempel te Rome, ten N.W. van denmons Capitolīnus. Bij deze zuil werd oudtijds het formulier der oorlogsverklaring uitgesproken.Columna Maeniana, zuil op het Comitium te Rome, met een balkon er op, genoemd naar haren bouwmeester C. Maenius. Bij deze zuil werden slaven, dieven en gemeene misdadigers gestraft.Ionisch kapiteel.Ionisch kapiteel.Columna rostrāta, zuil met scheepssnebben versierd, opgericht ter eere der overwinning van C. Duillius op de Carthagers in 260.Columna Traiāni. Onder de verschillende zuilen te Rome is vooral die van Traianus merkwaardig. Zij is van wit marmer, 117voet hoog en van binnen met een wenteltrap van 180 treden voorzien. Bovenop stond het standbeeld des keizers; thans staat er dat van den apostel Petrus. Buitenom zijn spiraalsgewijzeen relieftafereelen uit den dacischen veldtocht aangebracht, uit meer dan 2500 figuren bestaande.Corinthisch kapiteel.Corinthisch kapiteel.Columnae Herculis, twee bergen aan hetfretum Gaditānum(straat v. Gibraltar), n.l. Calpe in Europa en Abyla in Afrika, volgens de mythe door Heracles vaneengescheiden, om de beide zeeën te vereenigen. Romeinsche zeelieden gaven bovendien dien naam aan het toen uit twee afzonderlijke rotsen bestaande Helgoland.Colyttus,Κολυττός=Collytus.Comaetho,Κομαιθώ, dochter van Pterelāus, koning der Taphiërs. Uit liefde voor Amphitryo, die de Taphiërs beoorloogde, sneed zij haar vader het gouden haar af, waarvan het behoud van zijn leven afhing; Amphitryo liet haar wegens haar verraderlijk gedrag dooden. Vgl.Nisus.Comāna,τὰ Κόμανα, naam van twee steden, de eene in Cappadocia aan den Sarus gelegen, de andere in Pontus aan den Iris. Beide steden hadden een tempel, aan de gewapende godin Mâ gewijd, waar tempelslavinnen wapendansen uitvoerden. Vooral de pontische tempel met zijne 6000 hierodulen had een uitgestrekt landbezit, en de opperpriester er van genoot een koninklijk aanzien. Misschien hebben die gewapende vrouwenscharen aanleiding gegeven, om in die streek aan den Thermōdon de woonplaats der Amazonen te stellen.Comes, sedert Constantijn den Grooten een titel voor hooge staats- en hofbeambten, als:comes stabuli, keizerlijk opperstalmeester,comes sacrarum largitionum, minister van finantiën, e. a. Zie ookIllustres. Er warencomites in actu, in dienst,vacantes, buiten dienst, en ookhonorarii.Cominii, plebejisch geslacht.Cominium, stad in Latium aan de grenzen van Samnium, ten N. van Atīna, door de Romeinen verwoest (293).Comissatio, een drinkgelag als voortzetting dercoena, meestal tot diep in den nacht.Comitiazijn vergaderingen, waar het romeinsche volk, na het waarnemen derauspicia, volgens een zijner politieke indeelingen bijeenkwam en waar een stemming plaats had. Het recht zulke vergaderingen samen te roepen en te leiden (ius agendi cum populo) kwam, behalve bij decom. curiata calata, alleen toe aan de hoogere overheidspersonen.Comitia curiata calatazijn volksvergaderingen, die vroeger door den koning, later door denpontifex maximuswerden bijeengeroepen (calare) tot zekere sacrale handelingen, waarbij de tegenwoordigheid van het volk voldoende was en geene stemming plaats had. Ze kwamen bijeen voor deCuria Calabraop het Capitool, en werden in de oudste tijden gehouden tot inauguratie van den koning, deflaminesen later van denrex sacrificus, tot het maken van testamenten (testamentum comitiis calatis factum), bijarrogatiouithoofde derdetestatio sacrorum, tot afkondiging van den feestkalender, bij detransitio in plebem, enz.Comitia curiatawaren de oudste soort van volksvergadering op het gebied van wetgeving en verkiezing. Men stemde er naar curiën, zoodat er 30 stemmen werden uitgebracht. Toen de wetgevende macht op de centuriaatcomitiën was overgegaan, werd toch aan de magistraten, die het noodig hadden, hetimperiumdoor eene curiaatvergadering verleend (lex curiata de imperio).Comitia centuriatawaren die, waarin het volk naarclassesencenturiaestemde. Ziecenturia. Het kwam dus op den census aan, niet op geboorte. Elke centurie bracht ééne stem uit, er waren derhalve 193 stemmen. Waren de 80 centuriën der eerste klasse en de 18 riddercenturiën eenstemmig, dan behoefde reeds de tweede klasse niet meer ter stemming te worden opgeroepen. De centuriaatcomitiën worden bijeengeroepen in de eerste plaats voor de verkiezing der hoogere ambtenaren, in de tweede plaats voor de wetgeving; deze ging echter in den loop der tijden gedeeltelijk op decomitia tributa, gedeeltelijk op hetconcilium plebisover. Consuls brachten hun wetsvoorstellen steeds (behalve als ze in de oppositie waren)ex auctoritate senatusvoor decom. cent.Twee bevoegdheden van wetgevenden aard bleven uitsluitend aan de c. centuriata voorbehouden: 1º. het recht om oorlog te verklaren (lex de bello indicendo), 2º.het recht om aan de censores na hun benoeming depotestaste verleenen (lex de censoria potestate). Ook hadden zij de rechtspraak in lijfstraffelijke zaken, die haar echter sedert 149 door dequaestiones perpetuaemeer en meer werd onttrokken.—Op een niet juist bekend tijdstip, vermoedelijk tusschen 241 en 218, had er eene samensmelting der centuriën en der tribus plaats. Volgens de meest aangenomen gissing werden de burgers van elke tribus naar hunnen census en hun leeftijd in 10 centuriën gesplitst, van elke klasse een cent.senioresboven 45 jaar, en een cent.iunioresvan 17–45 jaar. Ditgaf voor de 35 tribus 350 centuriën, 70 in elke klasse. Wanneer men daarbij 18 c. ridders, 2 c. werklieden, 2 c. muzikanten en 1 c. proletariërs voegt, krijgt men een totaal van 373 centuriën en even zooveel stemmen. Zelfs bij volkomen eenstemmigheid moest dan na de stemming der eerste klasse en der ridders niet slechts de tweede klasse, maar na deze ook nog de derde ter stemming worden opgeroepen, om eene volstrekte meerderheid te verkrijgen. Anderen geven weer andere oplossingen aan de hand, die allen hierop gebaseerd zijn, dat volgens Cicero het aantal stemmen steeds 193 gebleven was. Alleen zeker is dat de eersteclassisin elketribusin eencenturia seniorumen eenc. iuniorumgesplitst was.Comitia tributa.Zuivere tribuutcomitiën zijn die, waarin alle stemgerechtigde burgerstributimkunnen stemmen en elke tribus ééne stem uitbrengt. Over de tribuutvergaderingen der plebs onder voorzitterschap harer tribunen, zie men het artikelconcilia plebis. Op het voetspoor der volkstribunen maakten ook andere overheden van de gelegenheid gebruik, het volktributimop te roepen, omdat de tribuutvergaderingen, althans in den beginne, aan geene auspiciën gebonden waren en dus minder omslag vereischten. Delex Aternia Tarpeiadroeg in 454 aan deze comitia de rechtspraak op in boetezaken boven een zeker bedrag. In 447 werd hun de verkiezing der magistratus minores opgedragen. De eerste wetin comitiis tributisaangenomen was delex de vicesima manumissionum, waarover de consul Cn. Manlius, in het kamp voor Sutrium, het leger tribusgewijze liet stemmen (Zielex Manlia). Wetten van politieken aard zijn er overigens in decom. trib.slechts weinig voorgesteld en aangenomen. Het meest bekend zijn deleges tributae praetoriae, wetten tot regeling van het privaatrecht, dieex auctoritate senatusdoor denpraetor urbanuswerden ingediend. Delex Domitia, 104, bracht ook de verkiezing der priester-collegiën aan de tribus, doch op dezen voet, dat door het lot 17 (minor pars) van de 35 tribus zouden worden aangewezen voor de stemming, en dat de door haar gekozenen door het collegie moesten worden gecoöpteerd. Dit zijn decomitia sacerdotum.Comitiales dies, de dagen, waaropcomitiamochten gehouden worden (quibus cum populo agi licet). Er zijn er tegen het einde van de republiek ongeveer 190. Uitgesloten waren dedies nefasti, dedies fasti, en denundinae. In den kalender worden ze aangeduid met eenC. Op denundinaemochten wel vergaderingen van de plebs (concilium plebis) gehouden worden.Comitium, een vierhoekig plein, dat ten N. aan het forum grensde, waar oudtijds decomitia curiataplaats hadden en, voor het Forum ingericht was, ook als marktplein diende. Het lag veel hooger dan het Forum. Aan de Noordzijde lag de Curia Hostilia, ook stonden er de ambtszetels van detribuni plebis. Later werd een groot gedeelte van het plein ingenomen door de nieuweCuria Julia.Commagēne,Κομμαγηνή, het noordelijk gedeelte van Syria met de hoofdstad Samosata aan den Euphraat, die hier nog niet bevaarbaar was. Aan den anderen kant werd het gewest door den Taurus en den Amānus ingesloten. Na Alexander d. Gr. was het onder een zijtak der Seleuciden geruimen tijd een zelfstandig rijk. Tiberius veroverde het in 17 na C.; Caligula gaf het terug; Vespasiānus maakte het weder tot rom. provincie. Onder Diocletiānus en Constantijn droeg het, met Cyrrhestice vereenigd, den naamEuphratensisofAugustophratensis.Commeātus. Onder dit woord verstaat men niet slechts toevoer van levensmiddelen, maar ook het verlof aan de soldaten. Hoewel het recht omcommeatuste verleenen eigenlijk alleen aan den veldheer toekomt, schijnen decenturiones, evenals bij het verleenen vanvacationes munerum(zieBeneficiarius miles), hierin handel gedreven te hebben. Keizer Otho maakte hieraan een einde door aan de centurio’s eene jaarlijksche toelage te geven.Commentarii,ἀπομνημονεύματαofὑπομν., fr.mémoires, gedenkschriften, dagboek. Ook de aanteekeningen der pontifices, die in den gallischen brand verloren gingen, worden zóó geheeten,commentarii pontificum. Het woord wordt verder ook van letterkundige geschriften gebruikt. Caesar geeft dien naam aan zijn verslag van den Gallischen en den burgeroorlog.Commerciumis de bevoegdheid om volgens, streng rom. recht eigendom te verkrijgen en te vervreemden. Het zwaartepunt er van lag in het testament- en erfrecht. Wie toch het commercium niet bezat, kon van een burger niet erven, noch hem iets bij testament vermaken. Hij kon ook geen grondbezit hebben. Zoo zorgden de Romeinen er in den regel voor, dat decivitates(z. a.) in de onderworpen gewesten onderling geen commercium hadden.Commius, vorst der Atrebaten, door Caesar aangesteld (57), bewees hem diensten bij den tocht naar Britannia, doch sloot zich in 52 bij den grooten gallischen opstand onder Vercingetorix aan.Commodus (L. Aelius Aurelius), rom. keizer 180–192 n. C., zoon van Marcus Aurelius en diens gemalin Faustīna, hoewel sommigen hem voor een zoon van F. en een gladiator hielden. Hij was een der ellendigste vorsten, die op den rom. keizerstroon zetelden, verkwistte schatten aan wedrennen, zwaardvechtersspelen en dierengevechten, waarbij hij zelf optrad, en stelde er zijn roem in, de eerste gladiator van het rijk te zijn en zich als een tweeden Hercules te doen vereeren. Op aansporing zijner gunstelingen Perennis en Cleander liet hij met groote wreedheid de beste burgers om het leven brengen, tot hij eindelijk zelf vermoord werd.Commodus (L. Ceionius), zieVerus.Comoedia,κωμῳδία. De uitgelaten vroolijkheid, die bij de Dionysusfeesten placht te heerschen, uitte zich o. a. ook in kunsteloozeliederen, waarin zij, die aan het feest deelnamen, elkander en anderen vrijmoedig, dikwijls op zeer ruwe wijze, plaagden en bespotten. Uit deze liederen ontwikkelde zich mettertijd, onder de handen van eenige verdienstelijke dichters, de comedie. Nadat in Megara en op Sicilië de eerste stappen in deze richting gedaan waren, kwam deze dichtsoort tot hoogen bloei te Athene, waar het afwisselend en veelbewogen leven den dichters rijke stof opleverde, waarvan zij met de aloude vrijheid gebruik maakten. Geen onderwerp is van zoo teederen aard, of de comediedichters durven het op hunne wijze behandelen, geen persoon is zoo machtig of hoog geplaatst, of zij stellen hem, ook in zijn huiselijk leven, voor het volk ten toon en geven zijne feilen en tekortkomingen, natuurlijk veelal zeer overdreven, aan de openbare bespotting prijs; zoo werd de comedie een middel, waardoor de openbare meening met onbeperkte vrijheid over personen en toestanden kritiek uitoefende. Aan handeling ontbreekt het in de comedie niet, maar eenheid zou men er tevergeefs in zoeken; met onbeteugelde phantasie laat de dichter op de meest onverwachte wijze het eene tooneel op het andere volgen, mits hij de gelegenheid vindt zijne toeschouwers te doen lachen. Schijnt dus scherts en spot het eenige doel der comedie te zijn, als geheel beschouwd hebben de stukken, ten minste voor zoover wij ze kennen, eene ernstige strekking; wel beschouwd bestaat immers alles wat afgekeurd en bespot wordt, door toedoen of ten minste met goedvinden van het publiek, het oppermachtige volk; de dichter schroomt dan soms ook niet zelf, door middel van het koor, het woord tot de toeschouwers te richten en hun met ernst en aandrang mede te deelen wat hem op het hart ligt. In het bizonder dient daartoe deparabasis(παράβασις), een intermezzo, dat met de handeling niet in het minste verband staat. De voornaamste aantrekkelijkheid der oude comedie (ἀρχαία κωμ.) ging verloren, toen omstreeks het einde van den peloponnesischen oorlog hare vrijheid door wettelijke bepalingen beperkt en het verboden werd bestaande personen te noemen (ὀνομαστὶ κωμῳδεῖν), tevens werden de stukken met veel minder luister opgevoerd en langzamerhand vervielen ook de koren. Daarentegen leggen de dichters der nieuwe komedie (νέα κωμ.) zich meer op de eigenlijk gezegde dramatische kunst toe: in hunne stukken verloopt de handeling meer natuurlijk en voert geleidelijk tot de ontknooping, in plaats van bepaalde personen worden typen uit het dagelijksche leven ten tooneele gevoerd, de karakters worden beter volgehouden, enz. Het overgangstijdperk tusschen de oude en nieuwe comedie noemt men den tijd derμέση κωμ.—De rom. comedie is eene navolging van de nieuwe grieksche; een enkel stuk dat, naar het voorbeeld der oude attische comedie, tegen verscheiden aanzienlijke Rom. gericht was, bezorgde den schrijver, Naevius, gevangenisstraf. De stukken zijn meestal uit het Grieksch vertaald of bewerkt; in defabulae palliataekomen zelfs grieksche, in de veel minder talrijkefabulae togataeromeinsche toestanden en kleederdrachten voor.Comperendinatio. Wanneer eene rechtszaak niet op één dag kon worden afgehandeld, werd zij verdaagd tot den derden (volgens onze rekening den tweeden) dag daarna,in diem perendinum. Vandaar wordt de tweede termijn van een procescomperendinatiogenoemd, ook al viel deze niet op den derden dag.Compitalia, feesten 3–5 Januari ter eere derLares compitales, beschermgoden dercompita. Dit is oorspronkelijk vooral een feestdag voor defamilia, de slaven, en op dien dag mag devilicusofferen. Eencompitumis een punt, waar twee of meer straten of wegen zich vereenigen of elkander kruisen. Gewoonlijk vond men daar een Larenkapel of een altaar. De landelijke dienst derLares compitalesging ook op de stad over, waar zich uit de wijkencollegia compitaliciavoor de viering van de wijkfeesten vormden; meestal bestaan deze uit slaven en vrijgelatenen. Later is de keizersvereering hierop overgegaan, en werd deGenius Augustitusschen de tweeLares compitalesvereerd.Compluvium, vierkante opening in het dak van hetatrium, waardoor het licht naar binnen viel. De naam is hieraan ontleend, dat het dak naar de opening toe eenigszins afliep, om het regenwater te verzamelen, dat dan beneden in hetimpluviumof den regenbak werd opgevangen. Zie de afbeelding van een oud pompeiaansch huis, dat hiervan een voorstelling geeft, onderdomus.Compromissum, plechtige wederzijdsche belofte van geschilvoerende partijen, om hunne zaak aan de beslissing van eenarbiterte onderwerpen.Compsa, stad der Hirpīni in Zuid-Samnium nabij de bronnen van den Aufidus.Comum,Κῶμον, stad in Gallia Transpadāna aan den lacus Larius (meer v. Como), een zeer bloeiende rom. kolonie en een voorpost tegen de Alpenvolken. Plinius Secundus minor was hier geboren. Comum had beroemde ijzerfabrieken.Concilia plebis. Eenconciliumis eene vergadering, niet van het geheele volk, maar van een gedeelte, van een enkelen stand, b.v. alleen van de patriciërs of alleen van de plebejers. De volkstribunen nu, die alleen overheden der plebs, maar geenemagistratus populi Romaniwaren, konden alleen de plebejers oproepen; de lex Publilia Voleronis van 471 bepaalde, dat de volkstribunen het recht zouden hebben, de plebstributimop te roepen tot het verkiezen van hun opvolgers (zie hieromtrent ondertribuni plebis), eerst slechts de stedelijke bevolking, later sedert de vrijmaking van het platteland (457), ook de landelijke; er zijn dan 21 tribus. De besluiten van zulk eenconcilium plebiswaren geeneleges, maarplebiscita, en alleen verbindend voor de plebejers, niet voor het geheele volk. Doch de tribunen, steunende op hunne onschendbaarheid en op de getalsterkte derplebs, brachten het zóó ver, dat deplebiscitaook voor de patriciërs verbindend werden. Drie wetten brachten de gelijkstelling vanplebiscitametlegestot stand: delex Horatia Valeriain 449,ut quod tributim plebs iussisset, populum teneret, delex Publiliain 339,ut plebiscita omnes Quirites tenerent, delex Hortensia, in 287,ut eo iure, quod plebs statuisset, omnes Quirites tenerentur. V. s. zijn de twee eerste wetten een anticipatie van de lex Hortensia. ZieHoratiae Valeriae (leges). Sedert dezen tijd worden deconcilia plebisook veelvuldig met den naamcomitia tributabestempeld, en worden deplebiscitaooklegesgenoemd. Het eenige verschil tusschencomitia tributaenconcilium plebisis sedert delex Hortensiagelegen in den voorzitter; is de voorzitter eenmagistratus populi, dan spreekt men vancom. trib., is deze eenmag. plebis, dan heet de vergaderingconcilium plebis. Conciliaheeten in den keizertijd ook de provinciale landdagen, die vooral bijeenkomen voor de vereering des keizers, dencultus Augusti.Conciliabulum, eigenlijk verzamelplaats. Onder dezen naam werden marktvlekken en gerechtsplaatsen verstaan, die echter niet de rechten van een municipium hadden. Zievicusno. 3.Concio=Contio.Concordia, godin der eendracht, voornamelijk van de eendracht tusschen de burgers en in den keizerstijd tusschen de leden van het keizerlijke huis. Wanneer burgertwisten bijgelegd waren, bouwde men een tempel voor Concordia. De voornaamste van die tempels lag aan het Forum en was door Camillus gesticht na aanneming der licinische wetten. De godin werd afgebeeld als eene deftige matrone met een horen van overvloed en een olijftak of een schaal in de handen.Concubinātus, het samenleven van twee wettelijk ongehuwden, tusschen wie geen wettig huwelijk mogelijk is bij gebreke vanconubium. Ook wordt het woord gebezigd voor de samenleving van een ongehuwd man met eene vrouw, die in stand ver beneden hem stond, b.v. met eenelibertavan hem. Trouwbreuk derconcubīnawas volgens de zienswijze der rom. juristen als echtbreuk strafbaar. De kinderen warenliberi naturales. Soms wordtconcubinaook wel in den zin vanpellexgebezigd.Condāte, keltische stedennaam = het latijnscheConfluentes. Er waren in Gallia Transalpīna een aantal steden van dezen naam, aan de samenvloeiing van twee rivieren gelegen, als: in het gebied der Aeduërs, thans Cosne,—bij de Allobrogers, thans Seyssel,—bij de Redoners, thans Rennes,—bij de Santonen, thans Cognac,—bij de Senonen, thans Montereau. Eéne heeft den ouden naam vrij wel behouden, nl. Condate Aulercorum, thans Condé.Condictio, eigenlijk eene afspraak. In rechten beteekent eeneactio per condictionemde inleiding van een proces door eene dagvaarding om over 30 dagen voor den praetor te verschijnenad iudicem capiendum. Later heette elke persoonlijke aanklacht aldus, terwijl de dagvaarding achterwege bleef. Eenecondictiohad altijd eencertumtot onderwerp, b.v. eenecerta pecunia, eene bepaalde som gelds.Condrūsi, germaansche volksstam in Belgica, aan de Mosa (Maas). Hun naam leeft nog voort in Condroz, tusschen Luik en Namen. Zij waren onderhoorig aan de Treviri.Condylium, sterkte in het land der Perrhaebi (Thessalia).Confarreatiowas de oudste vorm van een rom. huwelijk en ontleende den naam aan den speltkoek,panis farreus, dien het bruidspaar samen nuttigde. Het huwelijk werd voltrokken in tegenwoordigheid van denpontifex maximus, denflamen Dialisen tien getuigen en van depronuba(z.a.). Na afloop van de plechtigheid zeide de echtgenoote: “ubi tu Caius (meester), ego Caia (meesteres)”. Door deze huwelijksvorm ontstond tevens demanus(z.a.). Zie ooknuptiae. Het kon alleen ontbonden worden doordiffarreatio(z.a.). Voor de priesterwaardigheid vanflamen Dialis,MartialisenQuirinalisenrex sacrificulusmoest men uit een huwelijkper confarreationemgesproten, en wanneer de vrouw ook als priesteres moest optreden, ook op deze wijze gehuwd zijn. Daar deconfarreatiolangzamerhand in plaats van regel uitzondering werd, werd het dikwijls moeielijk, voor deze priesterschappen geschikte personen te vinden.Confluentes, thans Coblenz, aldus genoemd omdat het aan de samenvloeiing van Mosella en Rhenus lag.Congiarium, uitdeeling van een zeker aantalcongiiwijn, olie en dgl. onder het volk door de overheden op eigen kosten bij plechtige gelegenheden. Vervolgens werd dit woord ook gebruikt voor andere bedeelingen, zelfs in geld. De uitdeeling had plaats intesseraeof bons, op vertoon waarvan men op aangewezen plaatsen de waarde kon ontvangen. In enkele gevallen werden dezetesseraeonder de menigte te grabbelen geworpen.Congius, rom. maat voor natte waren, iets meer dan 3 liter. Er gingen 8congiiop eene amphora.Conisterium,κονιστήριον, κονίστρα, in het gymnasium de plaats, waar worstelaars en vuistvechters zich oefenden; in het theater de plaats, waar de orchestra opgeslagen was, vandaar ook de orchestra zelve.Connubium, minder goed voorconubium.Conon,Κόνων, 1) atheensch vlootvoogd in den peloponnesischen oorlog. Na het ontslag van Alcibiades werd hem met anderen het opperbevel opgedragen, hij werd echter door Callicratidas op zee verslagen en in de haven van Mytilēne ingesloten; de overwinning der Atheners bij de Arginusen (406) bevrijdde hem. Bij Lysander’s overwinning bij Aegospotami was hij de eenige admiraal, die waakzaam genoeg was om met eenige schepen behouden te ontkomen. Hij ging naar Cyprus, van waar hij betrekkingen aanknoopte met het perzische hof, en toen Agesilāus in Aziëkwam, kreeg Conon het bevel over eene perzische vloot, waarmede hij de spartaansche vloot onder Pisander bij Cnidus volkomen versloeg (394). Door Pharnabāzus geholpen, verjoeg hij de Spartanen uit de eilanden en steden van Klein-Azië, landde hier en daar op de peloponnesische kusten, en liet voor perzisch geld de muren van Athene herstellen. Kort daarna door de Atheners naar den spartaanschgezinden perzischen veldheer Tiribāzus gezonden, werd hij door dezen te Sardes gevangen genomen, doch waarschijnlijk wist hij te ontsnappen en eindigde hij zijn leven op Cyprus.—2)van Samus, beroemd wis- en sterrenkundige, vriend van Archimēdes, gestorven ± 240.—3)taalkundige, die onder Caesar te Rome leefde, schreef vijftig verhalen van geschiedkundigen en mythologischen inhoud.Conopēum,κωνωπεῖον, een gordijn of deken van lichte stof, waarmede men zich bedekte om in den slaap niet door insecten gehinderd te worden.Conquisitōres, werfofficieren, buitengewone commissarissen, die in hachelijke tijden zooals na den slag bij Cannae, uitgezonden werden om allen, die voor den krijgsdienst geschikt waren, te pressen.Conscripti, ziePatres Conscripti.Consecratio, zieapotheosis.Consentes diizijn de twaalf goden, aan wie ingevolge de bepalingen derlibri Sibyllinivolgens Grieksch gebruik voor het eerst in 217 een lectisternium aangeboden is; het waren 6 paren van goden:Jupiteren Juno, Neptūnus en Minerva, Mars en Venus, Apollo en Diāna, Volcānus en Vesta, Mercurius en Ceres, naar analogie van de 12 groote goden der Grieken. Er werden van henstatuae aurataeop het forum opgesteld. In de 4deeeuw (367) n. C. zijn deze voor het laatst hernieuwd, en opgesteld in deporticus deorum Consentiumaan den Clivus Capitolīnus, die nog bestaat.Consentia, thans Cosenza, sterke vesting in het N. van het land der Bruttii, in het binnenland, aan den bovenloop van de Crathis. Hier stierf Alarik.Considii, plebejisch geslacht, waarvan wij hier alleen vermeldenC. Considius Longusdie in 50 zijne provincie Africa verliet en aan zijn legaat Q. Ligarius overdroeg, om zich te Rome candidaat te stellen voor het consulaat. Later naar Africa teruggekeerd, vond hij wel zijne plaats ingenomen, doch bezette Hadrumētum en verzette zich tegen Caesar, tot hij na den slag bij Thapsus (46) door zijn eigen soldaten vermoord werd.Consilium. Wanneer iemand door den praetor alsiudexwas aangesteld om in een proces vonnis te wijzen, eischte de gewoonte gebiedend, dat hij zich met eenconsiliumvan rechtskundige vrienden als adviseurs omgaf. Zoo behoorde ook depaterfamilias, wanneer hij als huisrechter in familiezaken optrad, eenconsiliumvan bloedverwanten en buren bijeen te roepen.Consilium principisis de kabinetsraad des keizers.Consistorium principisis de naam, dien de keizerlijke staats- of kabinetsraad sedert Diocletiānus droeg.Constans. Na den dood van Constantijn den Gr. (337 n. C.) en na de vermoording van Dalmatius, verdeelden de zonen op het congres te Viminacium het rijk, en kreeg de oudste zijner drie zonen,Constantīnus II, het bestuur over Gallia, Britannia, Hispania en Mauretania Tingitāna. De tweede zoonConstantiuskreeg het Oosten; de derde,Constans, bestuurde Italia, Illyricum, Macedonia, Achaia, Thracia en Africa. Constantinus II deed zijn broeder Constans den oorlog aan, doch werd in 340 bij Aquileia verslagen en verdronk op de vlucht. Constans voegde nu zijns broeders gebied bij het zijne, terwijl hij Thracia aan zijn broeder Constantius afstond. In 341 en 342 vocht hij voorspoedig tegen de Franken. Hij was een flink krijgsman. In den kerkelijken strijd was hij op de hand van Athanasius. Om zijne losbandige levenswijze algemeen veracht, werd hij in 350 bij een legeropstand onder Magnentius te Illiberis (Helena), door de soldaten vermoord.Constantia, zuster van Constantijn den Gr. en sedert 312 n. C. echtgenoote van Licinius.Constantia, latere naam van Salamis op Cyprus, zieSalamis.Constantīna, naam van eenige steden, ter eere van Constantijn den Gr. aldus verdoopt, o.a. Cirta in Numidia, thans nog Constantine, en Tomi aan de Zwarte zee, het ballingsoord van Ovidius.Constantinopolis, zieByzantium.Constantīnus Magnus(Flavius Valerius), rom. keizer 306–337 na C., was de oudste zoon van Constantius Chlorus en Helena, geboren te Naïssus 285 of later. Hij diende eerst onder Diocletiānus en Galerius in het Oosten. Toen zijn vader tot Caesar werd verheven (292), zocht Galerius hem uit wantrouwen onder zijn bereik te houden, doch moest eindelijk toegeven, dat de zoon zich naar Britannia tot zijn vader begaf. In 306 stierf Constantius Chlorus, die sedert een jaar den rang van Augustus bezat, te Eborācum (York) op een tocht tegen de Picten, waarop Constantinus door de troepen tot Augustus werd uitgeroepen, hoewel Galerius hem slechts als Caesar erkende. In den strijd van Galerius tegen den ouden keizer Maximiānus en diens zoon Maxentius mengde Constantinus zich in den beginne niet, hoewel hij Maximianus’ dochter Fausta huwde; doch na den dood van Galerius aanvaardde hij den strijd tegen alle medekeizers en pretendenten en bleef hij eindelijk als alleenheerscher over. Reeds in 310 had hij zijn schoonvader laten dooden, toen deze hem naar het leven stond. In 312 trok hij op tegen zijn zwager Maxentius, dien hij bij denpons Milvius, ten N. van Rome, versloeg. Zijn leger was in dezen slag 98000 man sterk, dat van Maxentius 170000; C. gebruikte daarin de kruisvaan (hetLabarum) en zijne soldaten droegen het teeken des kruises op hun schilden. Hij was nu alleenheerschervan het Westen, terwijl zijn zwager Licinius sedert den dood van Maximīnus Daia (313) het Oosten in handen had. Reeds in 314 ontstond een oorlog tusschen hen, waarin L. in verschillende gevechten, o. a. in den slag bij Cibalae, verslagen werd, en Illyricum aan C. moest afstaan. In 323 brak de oorlog op nieuw uit; C. overwon in twee groote slagen, bij Adrianopel en bij Chrysopolis, waarop L. gevangen genomen en afgezet werd. Van nu af aan is C. alleenheerscher over het geheele rijk.Van den beginne af had hij het Christendom begunstigd; na zijn overwinning op Maxentius besluit hij te Rome de christelijke priesters uit de staatskas te bezoldigen, en hen te bevrijden van de gemeentelasten, waardoor de christelijke eeredienst een door den staat erkende eeredienst wordt, en de Christenen gelijke rechten krijgen als de belijders der oude leer; hij ruimde hun ook openbare gebouwen in als kerken en liet nieuwe kerken voor hen bouwen; later verbood hij ook de heidensche offers. In 325, na den val van Licinius werd te Nicaea in Kl.-Azië onder zijn voorzitterschap het beroemdeconciliegehouden, en in 327 nogmaals bijeengeroepen. In het bestuur van het rijk bracht hij ingrijpende veranderingen, o. a. door het burgerlijk bestuur der provinciën streng van het militaire te scheiden. De hoogste burgerlijke ambtenaren zijn de 4praefecti praetorio(z. a.), depraefectus urbite Rome en die te Constantinopel; de hoogste militairen waren demagistri equitumenpeditumofutriusque militiae, oorspronkelijk twee, later meer. De keizerlijke garde (depalatinivan keizer Diocletianus) werd tot een veldleger uitgebreid, decomitatenses, terwijl de grenstroepen, delimitanei, tot soldaten van den tweeden rang verlaagd werden. Hij voerde een oostersche keizervereering in, omgaf zich met een vasten hofstoet van paleisbeambten, verdeelde de hooge ambtenaren in vier klassen met de titels vanillustres, spectabiles,clarissimienperfectissimi, en verplaatste de residentie en den zetel der regeering naar Byzantium (Constantinopel) in 330 n. C. Van zijne hardvochtigheid en wreedheid getuigen o. a. het ombrengen zijner gemalin Faustīna en van zijn zoon Crispus. Hij stierf 22 Mei 337 te Nicomedēa.Constantinus II(Flavius Claudius), keizer 337–340 na C., oudste zoon van Constantijn den Gr., streed voorspoedig tegen de Sarmaten, doch kwam in den strijd tegen zijn broeder Constans om. ZieConstans.Constantīnus III, een soldaat, die ten tijde van Honorius van 407 tot 411 n. C. in Britannia en Gallia voor keizer speelde, doch gevangen genomen en ter dood gebracht werd.Constantius Chlorus(Flavius Valerius), romeinsch keizer van 293–306 n. C., vader van Constantīnus Magnus. Hij was van geringe afkomst, maar leidde later zijn geslacht af van Claudius Gothicus. In 293 werd hij Caesar voor het Westen. Hij streed gedurende zijn geheele regeering tegen de Franken, en voegde Britannia, waar Allectus, opvolger van Carausius (z. a.) heerschte, weer bij het rijk (296). Hij woonde te Trier, waar van zijn paleis de ruïne nog te zien is. Toen Diocletiānus en Maximiānus 1 Mei 305 het bewind neerlegden, werd C. Augustus. In 306 stierf hij te Eborācum (York). ZieConstantinus Magnus.Constantius II, tweede zoon van Constantijn den Gr., zieConstans.—Na den dood zijns vaders ruimde hij, schijnbaar onder den aandrang van zijn leger, een aantal bloedverwanten uit den weg. Twee neven bleven gespaard, Gallus, dien hij later, in 354 na C., toch liet ombrengen, en Juliānus, die hem in 361 opvolgde. Door den dood zijner beide broeders werd Constantius in 350 alleenheerscher. Een tegenkeizer, Magnentius, werd verslagen en doodde zichzelf, door allen verlaten, in 353 te Lugdūnum (Lyon). Constantius bracht zijn leven door in oorlogen met de Perzen en met verschillende kroonpretendenten, en stierf in Cilicia in 361, terwijl hij op marsch was tegen zijn neef Caesar Julianus, die in 360 in opstand was gekomen.Constantius(Flavius), veldheer van keizer Honorius, versloeg o.a. den overweldiger Constantīnus III, huwde in 417 na C. ’s keizers zuster Placidia en werd in 421 door Honorius tot Aug. en medekeizer benoemd, doch stierf nog in datzelfde jaar.Consualia, z.Consus.Consulairtribunen=tribuni militum consulari potestate.Consules,ὕπατοι. Na de verdrijving der laatste koningsfamilie uit Rome werd het consulaat ingesteld. Dit ambt werd telkens door twee mannen gedurende een jaar waargenomen. Stierf er een, dan werd in zijne plaats een ander gekozen,consul suffectus. Zij werden gekozen in de centuriaatcomitiën. Hun titel, uitconensulsaamgesteld (op de wijze vanex-sul), beteekent zooveel als samengaanden, ambtgenooten. Als erfgenamen der koninklijke macht hadden zij deinsigniadaarvan:toga praetexta, sella curulis, lictores. Zij vervulden ook den werkkring des konings, totdat door de instelling der censuur en der praetuur een deel hunner werkzaamheden op afzonderlijke magistraten overging. Te Rome riepen zij den senaat bijeen, zaten daarin voor en voerden de genomen besluiten uit. Hunne rechtsmacht was beperkt door deprovocatio, doch in oogenblikken van gevaar werd hun somtijds door den senaat buitengewone, dictatoriale macht verleend door de formule:videant consules, ne quid respublica detrimenti capiat. In het leger was hunne macht nagenoeg onbeperkt; de krijgseed werd door de soldaten aan hen gedaan (iurare in verba consulis). De aanvaarding van hun ambt moest met bepaalde plechtigheden geschieden: auspiciën, een offer op het Capitool, eene plechtige senaatszitting, viering derferiae Latinae. Wie deze formaliteiten verzuimde, zooals in 217 Flaminius, werd door velen gerekend eigenlijk geen consul te zijn.Tweemaal is het consulaat geschorst, de eerste maal in 451 door de instelling derdecemviri legibus scribundis, de tweede keer in 445 door de instelling vantribuni militum consulari potestate. Door een derleges Liciniae Sextiae(z. echter aldaar) in 367, werd bevolen, dat één der consuls uit de plebejers zou gekozen worden. In 172 werd het consulaat voor de eerste maal door twee plebejers bekleed. De dag, waarop de consuls hun ambt aanvaardden, is in verschillende tijden verschillend geweest, sinds 222 echter was het geregeld de 15deMaart, sinds 153 (z.Fulviino. 13) geregeld de 1steJanuari. Sulla bepaalde, dat de consuls gedurende hun ambtsjaar in Rome moesten blijven, en eerst na afloop daarvanpro consulenaar eene provincie mochten gaan. In de laatste halve eeuw der republiek komen enkele afwijkingen voor. Zoo werd in 52 Pompeius totconsul sine collegagekozen. Onder de keizers werd het consulaat eene schijnvertooning. De benoeming geschiedde in den regel voor twee maanden; de eerste van elk jaar heettenconsules ordinarii, de volgendesuffecti. Macht was er niet meer aan verbonden; het was alleen om de eer te doen en om later den titel vanconsulariste kunnen voeren. Om de eerzucht te bevredigen, benoemden de keizers soms wel oud-consuls titulair,consulares honorarii.—Consul designatuswas hij, die tot consul gekozen was, maar zijn ambt nog niet aanvaard had. Met opzet liet men de verkiezing eenigen tijd aan de aanvaarding voorafgaan, opdat de benoemden tijd zouden hebben zich op de hoogte der zaken te stellen.Consus, oud-italisch god van den landbouw, eigenlijk van het in de schuren geborgen graan (vancondere). Hij had een tempel op den Aventīnus, en een onderaardsch altaar in den Circus. Zijn voornaamste feestdag, deConsualia(21 Augustus) is een oogstfeest; aan Consus worden de eerstelingen van den oogst geofferd, en verder wordt het feest gevierd metludi circenses, bestaande oorspronkelijk in wedrennen van muildieren, die onder de bescherming van Consus staan. Hij raakte spoedig in vergetelheid, en nu werd hij door de Romeinsche geleerden geïdentificeerd met Neptūnus Equester,Ποσειδῶν Ἵππιος. Ook nam men aan, dat op zijn feest de sabijnsche maagdenroof zou gepleegd zijn, en dat ter herinnering hieraan die dag luisterrijk met groote wedrennen gevierd werd.Contestatio litis=Litis contestatio.Contio, saamgetrokken uitconventio, volksvergadering, door een overheidspersoon bijeengeroepen, om een of andere mededeeling te doen, in het algemeen voor alle openbare staatkundige en godsdienstige handelingen van ambtenaren en priesters, voor het afkondigen van edicten, of om eenig onderwerp in debat te brengen. Stemming kon in eenecontioniet plaats hebben. De voorzittende magistraat opende decontiomet een gebed,sollemne precationis carmen. Het debat was niet vrij. De voorzittende magistraat kon naar goedvinden het woord verleenen,contionem dare, of weigeren. Hij kon ook iemand ongevraagd oproepen om het woord te voeren, hij kon ook het debat sluiten,contionem summovere. In eenecontiostaat het volk niet gerangschikt naar curiën, centuriën of tribus. Bij de wetgevendecomitiawerd de stemming door eencontiovoorafgegaan. Ook het strafproces werd in eerste instantie viermaal in eencontiobehandeld. Voor de eerste (prima accusatio) riep de magistraat (quaestorofduoviri perduellionis) denreusop, om zich op een bepaalden dag te verantwoorden (diei dictio). In een tweede en derdecontio, telkens door minstens één dag gescheiden (z.comperendinatio) volgde nu getuigenverhoor en verdediging. Bij dequarta accusatiowerd nu, indien de magistraat den aangeklaagde schuldig bevond, het vonnis geveld. Kwam dan de veroordeelde in hooger beroep bij het volk, dan volgde na minstens 24 dagen (in trinundinum) de bijeenkomst dercomitia centuriata, die het vonnis bekrachtigde of vernietigde.Contractus, contract, overeenkomst, van dien aard, dat overtreding of niet-naleving ervan grond oplevert tot eene rechtsvordering, wat bij eenpactumof afspraak in den regel niet het geval is.Contrebia, sterke stad der Celtiberiërs in Hispania Tarraconensis Z.Z.W.waarts van Caesaraugusta (Saragossa).Contubernāles, de krijgsmakkers, die in dezelfde tent kampeerden. Ook verstaat men er jonge Romeinen van aanzienlijken huize onder, die zich vrijwillig alscomitesbij den veldheer aansloten, om zich in de krijgskunde te oefenen, en die in de veldheerstent, hetpraetorium, met den veldheer het middagmaal gebruikten.Contubernium, de toestand vancontubernales. Ook het huwelijk van of met slaven of slavinnen, dat geene rechtsgeldigheid had, daar slaven geen conubium hadden.Contumacia, vancontemnere, niet voldoen aan de oproeping van den praetor, om voor den rechter te verschijnen. De partij, die niet verscheen, verloor bij verstek onherroepelijk zijn proces. In strafzaken stond op het niet verschijnen van den beklaagde deaqua et igni interdictio.Conubium, de bevoegdheid volgens de wet om een rechtsgeldig huwelijk,matrimonium iustumoflegitimum, te sluiten. Dit bestond in de oudheid niet tusschen burgers van verschillende staten, indien het niet uitdrukkelijk bij verdrag bepaald was. Vóór 445 bestond te Rome ook geenconubiumtusschen patriciërs en plebejers; eerst delex Canuleiastond dit toe. Was erconubium, dan volgden de kinderen den stand des vaders, anders dien der moeder. Zie verdermatrimonium.Convenae, gemengde bevolking in Aquitania langs den Garumna (Garonne) aan den voet der Pyrenaeën, gedeeltelijk door Pompeius uit Hispania daarheen overgebracht. De hoofdplaats was Lugdūnum Convenārum.Conventio in manum.Manuswas de macht van den man over de vrouw, waarmede gepaard ging het beheer van haar vermogen.De vrouw kwam door huwelijkin manum mariti. Bij een huwelijkper confarreationemofper coëmptionemwas deconventio in manumeen onmiddellijk gevolg, bijususechter volgde zij eerst na een onafgebroken bezit van een vol jaar en kon zij verhinderd worden, wanneer de vrouw vóór den afloop van het jaar eentrinoctiumbuitenshuis doorbracht. In den loop des tijds werd deconventio in manumdoorcoëmptioook in zwang gebracht, niet om te huwen, maar om agnatenvoogdij te ontgaan,coëmptio cum extraneo fiduciae causa. Zie hierover het artikeltutela.Conventus. Een rom. provincie was voor de rechtspleging in arrondissementen of distrikten ingedeeld,conventusgenaamd, en in de hoofdplaatsen daarvan hield de stadhouder zijne rechtsdagen (conventumofforum agere).Conventusbeteekent ook wel de saamgekomen menigte, de vergadering.—Onderconventus civium Romanorumverstaat men eene corporatie van in zulk een distrikt woonachtigecives Romani, de romeinsche gemeente aldaar.Convivium,συμπόσιον, drinkgelag na den maaltijd, iets, waarvan de Rom. bij een gastmaal hartstochtelijke liefhebbers waren. Door het lot (het werpen met dobbelsteenen) werd een der dischgenooten tot president aangewezen,arbiterofmagister bibendi, rex vini, die omtrent de menging van den wijn, het aantal schepjes (cyathi) voor elken beker, zijne bevelen gaf en de tafelwetten vaststelde. Onder de aardigheden bij zoodanigconviviumbehoorde ook hetad numerum bibere, het drinken op iemands gezondheid met zooveel bekers (hoewel niet in eens), als diens naam letters bevatte. Ook decottabuswas een geliefd spel daarbij. Terwijl bij de Grieken een symposion nog wel eens met verstandige gesprekken kon gepaard gaan, was het bij de Rom. vaak alleen aan het drinken gewijd. Zieδεῖπνον.Coos=Cos.Copa, ookcaupaencupa, waardin, meisje uit een herberg, vooral eene, die door een dans met begeleiding van castagnetten bezoekers trachtte te lokken.Cupais ook de titel van een klein gedicht, aan Vergilius toegeschreven.Cōpae,Κῶπαι, oude bondsstad van Boeotia, aan het meer Copāis.Copaïs,Κωπαίς, het meer van Copae, in Boeotia, bekend door zijn fluitenriet en zijne alen. Het riviertje Cephissus stroomde er door, terwijl onderaardsche kanalen,catabothra, het water afvoerden. In den zomer droogde het meer grootendeels uit en vormde dan een aantal kleine meertjes.Cophen,Κωφήν, zijtak van den Indus, waaraan Cabura (Kabul) en Nagara liggen.Copia, sedert 193 lat. kolonie in het gebied van het oude Thurii, z. a.Copis,κόπις, een licht gekromde sabel, vooral bij oostersche volken in gebruik.Coponii, plebejisch geslacht uit Tibur afkomstig. Een hunner, C. Coponius, redde bij Carrhae het rom. leger na den dood van Crassus (53).Copreus,Κοπρεύς, zoon van Pelops, vluchtte wegens den moord van Iphitus uit Elis naar Eurystheus, die hem als heraut gebruikte om zijne bevelen aan Heracles over te brengen, daar hijzelf zich niet in diens tegenwoordigheid durfde wagen.Coptus,Κοπτός, stad in Boven-Aegypte, door handel bloeiende, niet ver stroomafwaarts van Thebae.Cora,Κόρη=Persephone.Cora,Κόρα, oude latijnsche stad op den rand van het Volscisch gebergte, met cyclopische muren.Coracesium,Κορακήσιον, vesting en zeerooversnest in W. Cilicia.Coras, zieTiburtus.Corassiae,Κορασσίαι, eilandjes op de aziatisch-ionische kust, niet ver van Samus. Zie ookCorsiae.Corax,Κόραξ, een Siciliër, die na den dood van Hiero (467) over Syracuse regeerde, maar zich later van het staatsbestuur terugtrok. Hij beoefende vlijtig de wetenschap en was de eerste, die de leer der welsprekendheid theoretisch behandelde.Corax,Κόραξ, berg in het oosten van Aetolia.Corbio, 1) vesting der Aequers in Latium op den berg Algidus, oorspronkelijk latijnsch.—2)stad der Suessetanen in Tarraconensis, nabij den Ibērus (Ebro), thans Berga.Corbulo, familienaam in degens Domitia, z.Domitiino.16.Corcȳra,Κέρκυρα, laterΚόρκυρα, waarschijnlijk het Scheria der Phaeaciërs bij Homerus, aanzienlijk eiland tegenover de epirotische kust in de ionische zee gelegen, sedert ongeveer 700 volkplanting van Corinthus. De toenemende bloei van Corcyra wekte den naijver van Corinthus op, en reeds in 660 waren de twee staten in oorlog; in dezen oorlog wordt het eerst van een geregelden zeeslag melding gemaakt. Toen in 436 de gebeurtenissen in Epidamnus eene botsing tusschen de beide staten hadden uitgelokt, zocht Corcyra, dat eene machtige vloot had, hulp bij Athene en verhaastte hierdoor de uitbarsting van den peloponnesischen oorlog. Na Alexander d. Gr. geraakte Corcyra door inwendige verdeeldheid in verval en stelde zich in 228 onder romeinsche bescherming. De hoofdstad heette ook Corcyra en had eene hooggelegen acropolis. De eilanders stonden in geen goeden reuk, en hadden den naam, brutaal en bedriegelijk te zijn.Corcȳra nigra, eiland aan de dalmatische kust, tusschen de eilanden Melite en Pharus tgw. Cursola.Cordax,κόρδαξ, de dans van het koor in de oude attische comedie, over het algemeen een ontuchtige, onbetamelijke dans.Corduba,Κόρδυβα, thans Cordova, de eerste rom. kolonie in Baetica en hoofdplaats van dit gewest, geboorteplaats van M. en L. Annaeus Seneca en van M. Annaeus Lucānus.CordyēneofGordyēne,Γορδυηνή, het land der Carduchen in het Z.O. van Armenia, thans Kurdistan.Coressus,Κορησός, ook welΚορεσσόςgeschreven,berg in Ionia, nabij Ephesus en ook een voorstad van Ephesus, aan den voet van dien berg gelegen.Coresus,Κόρεσος, z.Callirrhoëno. 4.Corfinium, stad der Paeligni in Samnium, in den marsischen oorlog (90) onder den naamItaliatot hoofdstad der tegen Rome opgestane bondgenooten gekozen.Corinna,Κόριννα, beroemde lyrische dichteres van Tanagra, die zich echter gewoonlijk te Thebe ophield. Zij zou Pindarus de dichtkunst geleerd en hem vijfmaal in wedstrijden den prijs afgewonnen hebben. Haar bloeitijd valt omstreeks 500.Corinthia,Κορινθία, landschap van de Peloponnēsus, gedeeltelijk op den Isthmus gelegen, aan de eene zijde door densinus Corinthiacus, aan de andere door densinus Saronicusbespoeld.—Als oudste bewoners werden Aeoliërs genoemd; de stad heette toen Ephyra. Bij de dorische verovering viel C. aan zekeren Aletes ten deel; omstreeks 950 verhief zich het geslacht der Bacchiaden, dat in 657 door zekeren Cypselus verdreven werd. Deze veranderde de oligarchie in eene tyrannis. Hij heerschte gematigd en verfraaide de stad (657–628). Zijn zoon Periander (628–585) wordt onder de zeven wijzen van Griekenland gerekend; hij regeerde echter willekeurig en zocht den adel uit te roeien. Zijn zoon Psammetichus werd verdreven en de republikeinsche staatsvorm hersteld. Corinthe had een aanzienlijke vloot en dreef een zeer uitgebreiden zeehandel, die echter geweldig achteruit ging sedert Athene als zeemogendheid optrad; na den peloponnesischen oorlog begon het aanzien van den staat te tanen; het sloot zich vervolgens aan bij de Macedoniërs en later bij het achaeïsch verbond, ten gevolge waarvan het in 146 door den rom. consul L. Mummius veroverd en de stad Corinthus ingenomen en verwoest werd. In Corinthia behooren de mythen te huis van Sisyphus en Bellerophon. Zie verderIsthmusenIsthmia.Corinthische oorlogwordt de oorlog genoemd, dien de verbonden Atheners, Thebanen, Corinthiërs en Argiven van 395 tot 387 tegen Sparta voerden, waarbij zij van Perzië uit met geld ondersteund werden. De oorlog begon met den aanval der Spartanen op Haliartus, die echter mislukte en waarbij Lysander sneuvelde; deze ongelukkige uitslag noodzaakte de Spartanen Agesilāus uit Azië terug te roepen. Nog voor zijne terugkomst wonnen zij den slag bij Nemea, en ook de bloedige slag bij Coronēa, waarin Agesilaus vele wonden kreeg, liep in hun voordeel af; daarentegen werd hun vloot bij Cnidus door Conon geheel vernietigd (394). De Corinthische oorlog, zoo genoemd omdat de legers van beide partijen zich meestal bij Corinthe bevonden, levert na deze slagen weinig belangrijke gebeurtenissen op, maar is merkwaardig wegens het optreden van Pharnabāzus als bondgenoot van Sparta’s vijanden, en omdat toen voor het eerst door Iphicrates uit huurtroepen een goed georganiseerd corps peltasten gevormd werd. De oorlog eindigde met den vrede van Antalcidas (z. a.).Corinthus,Κόρινθος, in zijn bloeitijd de prachtigste stad van Griekenland, aan den voet van een berg, waarop ter hoogte van 1900 voet de burchtἈκροκόρινθοςstond. Het had drie havens: Schoenus en Cenchreae aan de saronische golf, Lechaeum (waarmede het door een dubbelen muur verbonden was) aan de golf van Corinthe. Nabij de stad lag het cypressenbosch Cranēum, waar de wijsgeer Diogenes zijn zomerverblijf hield. De ligging der stad was overheerlijk; in tal van prachtige gebouwen overtrof zij Athene, doch tevens was Corinthus de meest weelderige en zedelooze stad van Griekenland. Vooral voor vreemdelingen was het verblijf er kostbaar en vol verleiding; vandaar het spreekwoord:οὐ παντὸς ἀνδρὸς ἐς Κόρινθον ἔσθ’ ὁ πλοῦς. Beroemd was de Aphrodīte-tempel met zijne 1000ἱερόδουλοι.—Door L. Mummius werd de stad in 146 veroverd en verwoest. Caesar liet ze herbouwen (46), en dank zij hare ligging, begon zij opnieuw te bloeien. Z.Corinthia.Coriolānus(C.ofCn. Marcius), zieMarciino. 3.Corioli, latijnsche stad, die van den latijnschen bond naar de Volscen overging, in 493 heroverd door C. Marcius, die hiernaar den bijnaam Coriolānus kreeg. De stad is in den strijd tusschen Romeinen en Volscen vroeg te gronde gegaan; ze lag dicht bij Lanuvium.Cormasa, stad in Pisidia.Cornelia (lex)de senatu cooptando Agrigentinorumvan P. Cornelius Scipio Africānus maior, die in 205 praetor van Sicilia was.Cornelia (lex)van den consul Cn. Cornelius Lentulus Clodiānus (Corneliino. 49) in 72, tot invordering der gelden, die Sulla aan de koopers van verbeurdverklaarde goederen had kwijtgescholden.Cornelia (lex)de restituendo Cicerone, tot terugroeping van Cicero uit zijne ballingschap, van den consul P. Cornelius Lentulus Spinther in 57 (Corneliino. 50).Corneliae (leges)van L. Cornelius Cinna (zieCorneliino. 39) van 87. 1)de novorum civium et libertinorum suffragiis, waarbij de nieuwe burgers en de vrijgelatenen over alletribuswerden verdeeld.—2)de exsulibus revocandis. Tot deze ballingen behoorde in de eerste plaats Marius. Deze wetten werden voorgesteld, nadat Sulla naar het Oosten was vertrokken.Corneliae (leges)van L. Cornelius Sulla, van 88, die hij liet aannemen, nadat hij zich met geweld van de stad had meester gemaakt. 1) tot afschaffing van deleges Sulpiciaevan P. Sulpicius Rufus.—2)dat geen wetsvoorstel door een volkstribuun aan het volk mocht voorgesteld worden zonder voorafgaande goedkeuring van den senaat, z.lex Hortensia. Deze wet is hernieuwd in 81.—3)dat het volk bij de verkiezingen niet meertributim, zooals sedert 241 gebruikelijk was (zieComitia Centuriata), maar volgens de ouderwetschecenturiënindeeling van Servius Tullius moest stemmen.—4)dat het aantal senatoren met 300 leden uit de nobilitas moest versterkt worden.—5)eenlex de coloniis deducendis.—6)eenelex unciaria, waarbij de wettelijke rente op eeneunciaper 10 maanden, dus op 10% per jaar werd vastgesteld, zieFenus.Corneliae (leges)van L. Corn. Sulla, van 81. 1)lex de proscriptione, dat de goederen der vogelvrijverklaarden zouden worden verbeurd verklaard, evenals van hen, die in den strijd voor de partij van Marius en Cinna gevallen waren; bovendien werden de zonen en kleinzonen van het recht om eerambten te bekleeden uitgesloten.—2)lex tribunicia, die aan de volkstribunen het recht ontnam wetten voor te stellen, zonder voorafgaande goedkeuring van den senaat (zie ookCorneliae (leges)van 88), zoodat het eenige recht, dat ze behielden, hetius auxilii ferendiwas, en hen onbevoegd verklaarde verder eenig ambt te bekleeden.—3)lex de magistratibus, dat men eerst aediel moest geweest zijn om praetor, en praetor om consul te kunnen worden, en niet tweemaal binnen tien jaar hetzelfde ambt mocht bekleeden, eene hernieuwing van delex Villia annalis.—4)lex iudiciaria, die deiudiciaaan den ridderstand ontnam en aan de senatoren teruggaf.—5)lex de sacerdotiis, waarbij het getal der pontifices en der augurs op 15 werd gebracht; tevens werd delex Domitia de sacerdotiisafgeschaft (zieAttia (lex)), en ook de verkiezing van denpontifex maximusen dencurio maximusdoorcooptatiovervangen.—6)leges agrariaeenlex de civitate, om aan de inwoners van een aantal democratischgezinde municipia het burgerrecht te ontnemen en hun grond onder de soldaten van Sulla te verdeelen, zie ook onderAgrariae (leges).—7)lex de provinciis ordinandis, dat de stadhouders in de provinciën ook zonderlex curiatahet imperium zouden hebben en de aftredende stadhouder binnen 30 dagen na de aankomst van zijn opvolger de provincie moest verlaten.—8)lex sumptuaria, waarbij de som bepaald werd, die op gewone dagen en op feestdagen voor het middagmaal besteed mocht worden.—Verder gaf Sulla nog eenige wetten betreffende dequaestiones perpetuae, waarbij niet zoozeer nieuwigheden werden ingevoerd, als wel eene nauwkeuriger omschrijving van de verschillende misdrijven, en hier en daar wellicht eenige verscherping van straf. Vermeld worden de volgende wetten:lex de repetundis,lex de maiestate, lex de sicariis et veneficiis,lex nummaria(tegen valsche munters),lex testamentaria(tegen testamentvervalsching)sive de falsis, lex de iniuriise.a. Zie verderiudex. Sulla’slex iudiciariawerd in 70 afgeschaft door delex Aureliavan den praetor L. Aurelius Cotta, delex tribuniciain hetzelfde jaar door delex Pompeia, delex de civitategeraakte nog veel eerder in vergetelheid. Tot delex de magistratibusbehoorde misschien ook de afschaffing der censuur en de jaarlijksche verkiezing van 20 quaestoren, die in den senaat zitting namen, waardoor deze vanzelf voltallig werd gehouden. Vooraf had Sulla het aantal senatoren op 600 gebracht, door de ontbrekende bij volkskeuze te laten benoemen.

Columbarium.Columbarium.Colonia, 1)Grieksche koloniën. Wanneer eene grieksche stad overbevolkt dreigde te worden, werd eene commissie uitgezonden, om op eene nog niet door Grieken in bezit genomen kust eene geschikte plaats te vinden voor den bouw eener nieuwe stad. Was zulk een punt gevonden, dan werd een deel der bevolking als vrijwillige landverhuizers daarheen overgebracht en van de noodige hulpmiddelen voorzien, en er verrees eene zelfstandigestad, die wel in den beginne de bescherming der moederstad genoot, maar toch niet afhankelijk van haar was. Het geval van Potidaea, dat jaarlijks zijn eersten magistraat uit Corinthus kreeg, is uitzondering, geen regel. Wel bleef er een band van piëteit tusschen de metropolis en de kolonie bestaan, als tusschen moeder en dochter, en de afgezanten der moederstad hadden bij de openbare feesten eene eereplaats, doch de burgers der eene hadden daarom nog geen aanspraak op het burgerrecht der andere. Zie ookCleruchia. De uitzending eener kolonie had onder zekere plechtigheden plaats, zooals het medenemen van vuur uit het prytanēum der moederstad, en ook werd geene grieksche kolonie gesticht zonder dat eerst een of ander orakel was geraadpleegd. Natuurlijk waren er behalve de bovengenoemde reden nog andere redenen tot stichting van volkplantingen. Bij inwendige verdeeldheid kon het gebeuren, dat de onderliggende partij besloot uit te wijken. Ook de verovering van een staat door machtiger vijanden kon aanleiding tot landverhuizing geven. Ook handelsbelangen speelden eene rol, en menige kolonie is gesticht om in afgelegen zeeën aan de koopvaarders der moederstad een veilig station te verschaffen. Met de inboorlingen van hun nieuw vaderland hadden de kolonisten vaak een hardnekkigen strijd te voeren. Overwonnen de Grieken, dan ontwikkelde zich in den regel een betrekking van perioeci, doch menigmaal ook bezweken zij, zooals b.v. de grieksche steden op de kust van Voor-Azië zich aan de lydische koningen moesten onderwerpen.—2)Romeinsche koloniën. De Romeinen zonden met een geheel ander doel koloniën uit, en wel niet naar onbewoonde plaatsen, maar naar bestaande steden in pas veroverd gebied, om daar als voorposten wacht te houden. Het waren militaire posten,propugnacula imperii. De nieuwe kolonisten kregen voor zich en hunne gezinnen woningen en landerijen, die door de oude bezitters moesten worden ingeruimd. Ze vormden een afzonderlijkegemeente. Voor een klein deel waren hetcoloniae civium Romanorum, d. w. z. de uitgezonden kolonisten waren rom. burgers, die ook in hunne nieuwe woonplaats het volle burgerrecht behielden. Hiertoe behooren o. a. decoloniae maritimae. Deze hebben, omdat zij met de verdediging der kust belast zijn,militiae vacationem sacrosanctam, waarmede echter in den tweeden punischen oorlog geen rekening gehouden werd. De meeste coloniae warencol. latinae(zie hieronder); vaak werden ook Romeinsche burgers naar veroverde streken gezonden, zonder een bepaaldecolonia, d.w.z. een stad met gemeentebestuur, te vormen; men spreekt dan vanassignationes viritanae. Zie ook onder het artikelAgrariae leges:Lex Sempronia agrariavan C. Gracchus. De oude inwoners,inquilini, werden alsdediticii, overwonnelingen, beschouwd. Evenwel werd hun nu en dan toegestaan, zich als colōni te laten inschrijven. Toen geheel Italia het burgerrecht bezat, hadden de coloniae geen militaire beteekenis meer.—Deze gewoonte, koloniën als militaire bezetting uit te zenden, was in Italia algemeen. Het latijnsche stedenverbond deed het ook, en tusschen 493 en 340, d. i. van de stichting van het romeinsch-latijnsch-hernicisch bondgenootschap tot aan den laatsten latijnschen oorlog, werden door de bondgenooten bondskoloniën uitgezonden. Na de onderwerping van Latium bevolkten de Romeinen sommige koloniën met Latijnen. In tegenstelling der vroegerecoloniae latinaewerden dezecoloniae latinae populi romanigeheeten; zij waren 39 in getal, o. a. Ariminum, Brundisium, Cremōna, Placentia, en hadden hetius Latii.—Een andere soort vancoloniaewaren die, welke nu en dan werden uitgezonden om Rome te ontlasten van behoeftige, dikwerf oproerige burgers. Dit waren landbouwkoloniën. De vestiging dezer laatste dagteekent van den tijd der Gracchen. In de burgeroorlogen werd het gewoonte, dat de overwinnaar zijne soldaten met grondbezit beloonde. Zoo wees Sulla niet slechts vele landerijen, waarvan de eigenaars omgekomen of gevlucht waren, aan zijne soldaten ter verdeeling toe, maar ook den grond van verschillende mariaanschgezinde steden, waarvan de inwoners eenvoudig uit huis en hof verdreven werden. Evenzoo wees Octaviānus in 41 en 40 acht steden in Gallia Transpadāna, tot straf voor hunne gehechtheid aan de zaak van Brutus en Cassius, aan zijne legioenen toe, bij welke gelegenheid ook Vergilius uit zijn eigendom verdreven werd. Dit zijncoloniae veteranorum.—De uitzending van koloniën had volgens eene speciale wet plaats en werd geregeld door opzettelijk hiertoe gekozen commissarissen, meestal drie,III viri coloniae deducendae.Colonia Agrippīna, stad der Ubii of Agrippinenses, aldus in 50 n. Chr. genoemd ter eere van Germanicus’ dochter Agrippīna. Het was de hoofdstad van Germania Inferior. In den lateren keizertijd is de stad zeer belangrijk als grensvesting, en nu en dan zetel van den keizer. Thans Keulen aan den Rijn.Colōnus,Κολωνός, demus in Attica, ten N. van Athenae, geboorteplaats van Sophocles, met een tempel van Poseidon, eene grot der Eumeniden en het graf van Oedipus.Colophon,Κολοφῶν, aziatisch-ionische stad met de havenstad Notium door muren verbonden, beroemd door zijne vloot en zijne voortreffelijke ruiterij. Vandaar het spreekwoordΚολοφῶνα ἐπιτιθέναι= eene zaak haar beslag geven. Toch werd de stad meer dan eens ingenomen. In het nabijgelegen Clarus was een beroemd orakel van Apollo. Colophon was de geboorteplaats van den elegieëndichter Mimnermus en maakte ook aanspraak op Homerus.Colossae,Κολοσσαί, vroeger eene aanzienlijke stad in het Z. van Groot-Phrygia, doch allengs door naburige plaatsen overschaduwd, in Strabo’s tijd nog slechts een stadje. Hier was een van de eerste christelijke gemeenten.Colossēum, zieAmphitheatrum.Colōtes,Κολώτης, leerling van Epicūrus, verdedigde in verscheiden werken de leer van zijn meester, en viel daarbij de oudere wijsgeeren soms hevig aan.Columbar, als strafwerktuig vermoedelijk een houten bord, waarin men zóó gesloten werd, dat hoofd en handen er door staken. Het werd slechts voor slaven gebezigd.Columbarium, duiventil; ook een grafkelder met een aantal rijen van nissen boven elkander om lijkbussen in te plaatsen. Zie de teekening op bldz. 187. Onder elke nis was op een plaatje de naam van den overledene vermeld. Er waren algemeenecolumbaria, waarin men eene plaats kon koopen.—Ook de roeigaten van een schip worden aldus genoemd.Columella(L. Iunius Moderātus) geboren te Gades, leefde in het midden der eerste eeuw na C. en leverde een smaakvol en vloeiend geschreven werkde re rusticain 12 boeken; hiervan is het 10deboek, over den tuinbouw, in navolging van Vergilius, in hexameters geschreven.Dorische zuil.Dorische zuil.Dorisch kapiteel.Dorisch kapiteel.Columna. Hoewel bij verschillende volken der oudheid verschillende vormen van zuilen in gebruik waren, kunnen hier slechts de grieksche en rom. worden besproken, en wel in hoofdtrekken de dorische, ionische en corinthische zuilen. Bij degrieksch-dorische orderijst de schacht der zuil zonder voetstuk als het ware uit den bodem op; deze schacht is voorzien van ondiepe, aaneensluitende groeven, cannelures geheeten, en bereikt eene hoogte van ongeveer 4,5 à 5 maal hare benedenmiddellijn. Op de schacht rust het bovenstuk of kapiteel,capitulum,κεφάλαιον. Het onderste deel van dit kapiteel is de hals,ὑποτραχήλιον, een voortzetting der schacht door eene insnijding of een lijstje er van gescheiden, en soms met ringvormige lijnen versierd. Daarop rust de eierlijst,echīnus,ἐχῖνος, en op deze weder de vierkante dekplaat ofabacus,ἄβαξ. Op de dekplaten rust dan de draagbalk of architraaf van den bovenbouw.Bij derom.-dorischezuil is de schacht meestal glad, en wanneer zij soms gecanneleerd is, zoo strekken de groeven zich toch slechts over het bovenste tweederde deel uit, terwijl het ondereinde glad blijft. Soms rust de zuil op een voetstuk of basement, eene cirkelvormige schijf met bolronde kanten,torus.—Degrieksch-ionischezuil bereikt gemiddeld eene hoogte van 8 maal de middellijn der beneden-doorsnede; de schacht rust op een voet van kussens, door holle randen,τρόχιλοι, gescheiden. De cannelures zijn dieper dan bij de dorische zuil, en niet aaneensluitend, maar door smalle, gladde bandjes gescheiden. Het kapiteel is minder eenvoudig dan het dorische. De hals is met figuren versierd, evenzoo de eierlijst. Daarop rust een dekstuk als een veerkrachtig kussen, aan weerszijden in spiraalvormige krullen, zoogenaamde voluten, uitloopende. Dit dekstuk draagt denabacusen deze wederom den architraaf.De rom.-ionischekrul mist de welving in het midden en maakt hierdoor niet den indruk van veerkracht, dien de grieksche maakt. Ter verklaring van de grootere slankheid der ionische zuil vergeleken met de dorische diene het volgende: De ionische zuil is oorspronkelijk een binnenzuil geweest, aan de binnenzijde van een gebouw aangebracht, tot schoring van het dak. Ze was dus oorspronkelijk van hout, maar tegen de vochtigheid van den bodem geplaatst op een steenen onderstel, hetgeen de basis dezer zuil verklaart. Later werd de zuil in steen gecopieerd, en ook aan de buitenzijde aangebracht. De dorische zuil isin den regelvan steen geweest, slechts bij het Heraeum te Olympia en bij den ouden tempel te Delphi waren de zuilen van hout. De zuilen worden om het gebouw aangebracht, en hullen het als het ware in een mantel in; men noemt dit deπερίστασις.—Decorinthischezuil onderscheidt zich van de ionische door den rijkdom van haar kapiteel, dat in tal van variatiën met bladvormen en vlechtwerken is versierd. Zie de teekening op blz. 190. Oorspronkelijk waren het acanthusbladeren. Vooral de Rom. hebben dit kapiteel met allerlei versieringen aangewend. Bij de Grieken is de corinthische zuil op de wijze der ionische gegroefd, bij de Rom. dikwerf glad. Echt rom. is onder al de drie zuilenorden de vierkante voet of plint, die soms vrij hoog is.Ionische zuil.Ionische zuil.Columna M. Aurelii, op de Piazza Colonna te Rome, naar het model van deColumna Traiani, door Keizer M. Aurelius opgericht ter verheerlijking zijner krijgsdaden. De zuil is 100 rom. voet (29,6 M.) hoog en omgeven door reliefs in 23 windingen; de onderste helft verheerlijkt hetbellum Germanicum, den oorlog tegen de Marcomannen en Quaden (172–173 n. C.), de bovenste helft hetbellum Sarmaticum, den oorlog tegen de Sarmaten, Iazygen en Quaden (174–175). Bovenop staat tegenwoordig een standbeeld van den apostel Paulus.Columna bellica, kleine zuil voor den Bellōna-tempel te Rome, ten N.W. van denmons Capitolīnus. Bij deze zuil werd oudtijds het formulier der oorlogsverklaring uitgesproken.Columna Maeniana, zuil op het Comitium te Rome, met een balkon er op, genoemd naar haren bouwmeester C. Maenius. Bij deze zuil werden slaven, dieven en gemeene misdadigers gestraft.Ionisch kapiteel.Ionisch kapiteel.Columna rostrāta, zuil met scheepssnebben versierd, opgericht ter eere der overwinning van C. Duillius op de Carthagers in 260.Columna Traiāni. Onder de verschillende zuilen te Rome is vooral die van Traianus merkwaardig. Zij is van wit marmer, 117voet hoog en van binnen met een wenteltrap van 180 treden voorzien. Bovenop stond het standbeeld des keizers; thans staat er dat van den apostel Petrus. Buitenom zijn spiraalsgewijzeen relieftafereelen uit den dacischen veldtocht aangebracht, uit meer dan 2500 figuren bestaande.Corinthisch kapiteel.Corinthisch kapiteel.Columnae Herculis, twee bergen aan hetfretum Gaditānum(straat v. Gibraltar), n.l. Calpe in Europa en Abyla in Afrika, volgens de mythe door Heracles vaneengescheiden, om de beide zeeën te vereenigen. Romeinsche zeelieden gaven bovendien dien naam aan het toen uit twee afzonderlijke rotsen bestaande Helgoland.Colyttus,Κολυττός=Collytus.Comaetho,Κομαιθώ, dochter van Pterelāus, koning der Taphiërs. Uit liefde voor Amphitryo, die de Taphiërs beoorloogde, sneed zij haar vader het gouden haar af, waarvan het behoud van zijn leven afhing; Amphitryo liet haar wegens haar verraderlijk gedrag dooden. Vgl.Nisus.Comāna,τὰ Κόμανα, naam van twee steden, de eene in Cappadocia aan den Sarus gelegen, de andere in Pontus aan den Iris. Beide steden hadden een tempel, aan de gewapende godin Mâ gewijd, waar tempelslavinnen wapendansen uitvoerden. Vooral de pontische tempel met zijne 6000 hierodulen had een uitgestrekt landbezit, en de opperpriester er van genoot een koninklijk aanzien. Misschien hebben die gewapende vrouwenscharen aanleiding gegeven, om in die streek aan den Thermōdon de woonplaats der Amazonen te stellen.Comes, sedert Constantijn den Grooten een titel voor hooge staats- en hofbeambten, als:comes stabuli, keizerlijk opperstalmeester,comes sacrarum largitionum, minister van finantiën, e. a. Zie ookIllustres. Er warencomites in actu, in dienst,vacantes, buiten dienst, en ookhonorarii.Cominii, plebejisch geslacht.Cominium, stad in Latium aan de grenzen van Samnium, ten N. van Atīna, door de Romeinen verwoest (293).Comissatio, een drinkgelag als voortzetting dercoena, meestal tot diep in den nacht.Comitiazijn vergaderingen, waar het romeinsche volk, na het waarnemen derauspicia, volgens een zijner politieke indeelingen bijeenkwam en waar een stemming plaats had. Het recht zulke vergaderingen samen te roepen en te leiden (ius agendi cum populo) kwam, behalve bij decom. curiata calata, alleen toe aan de hoogere overheidspersonen.Comitia curiata calatazijn volksvergaderingen, die vroeger door den koning, later door denpontifex maximuswerden bijeengeroepen (calare) tot zekere sacrale handelingen, waarbij de tegenwoordigheid van het volk voldoende was en geene stemming plaats had. Ze kwamen bijeen voor deCuria Calabraop het Capitool, en werden in de oudste tijden gehouden tot inauguratie van den koning, deflaminesen later van denrex sacrificus, tot het maken van testamenten (testamentum comitiis calatis factum), bijarrogatiouithoofde derdetestatio sacrorum, tot afkondiging van den feestkalender, bij detransitio in plebem, enz.Comitia curiatawaren de oudste soort van volksvergadering op het gebied van wetgeving en verkiezing. Men stemde er naar curiën, zoodat er 30 stemmen werden uitgebracht. Toen de wetgevende macht op de centuriaatcomitiën was overgegaan, werd toch aan de magistraten, die het noodig hadden, hetimperiumdoor eene curiaatvergadering verleend (lex curiata de imperio).Comitia centuriatawaren die, waarin het volk naarclassesencenturiaestemde. Ziecenturia. Het kwam dus op den census aan, niet op geboorte. Elke centurie bracht ééne stem uit, er waren derhalve 193 stemmen. Waren de 80 centuriën der eerste klasse en de 18 riddercenturiën eenstemmig, dan behoefde reeds de tweede klasse niet meer ter stemming te worden opgeroepen. De centuriaatcomitiën worden bijeengeroepen in de eerste plaats voor de verkiezing der hoogere ambtenaren, in de tweede plaats voor de wetgeving; deze ging echter in den loop der tijden gedeeltelijk op decomitia tributa, gedeeltelijk op hetconcilium plebisover. Consuls brachten hun wetsvoorstellen steeds (behalve als ze in de oppositie waren)ex auctoritate senatusvoor decom. cent.Twee bevoegdheden van wetgevenden aard bleven uitsluitend aan de c. centuriata voorbehouden: 1º. het recht om oorlog te verklaren (lex de bello indicendo), 2º.het recht om aan de censores na hun benoeming depotestaste verleenen (lex de censoria potestate). Ook hadden zij de rechtspraak in lijfstraffelijke zaken, die haar echter sedert 149 door dequaestiones perpetuaemeer en meer werd onttrokken.—Op een niet juist bekend tijdstip, vermoedelijk tusschen 241 en 218, had er eene samensmelting der centuriën en der tribus plaats. Volgens de meest aangenomen gissing werden de burgers van elke tribus naar hunnen census en hun leeftijd in 10 centuriën gesplitst, van elke klasse een cent.senioresboven 45 jaar, en een cent.iunioresvan 17–45 jaar. Ditgaf voor de 35 tribus 350 centuriën, 70 in elke klasse. Wanneer men daarbij 18 c. ridders, 2 c. werklieden, 2 c. muzikanten en 1 c. proletariërs voegt, krijgt men een totaal van 373 centuriën en even zooveel stemmen. Zelfs bij volkomen eenstemmigheid moest dan na de stemming der eerste klasse en der ridders niet slechts de tweede klasse, maar na deze ook nog de derde ter stemming worden opgeroepen, om eene volstrekte meerderheid te verkrijgen. Anderen geven weer andere oplossingen aan de hand, die allen hierop gebaseerd zijn, dat volgens Cicero het aantal stemmen steeds 193 gebleven was. Alleen zeker is dat de eersteclassisin elketribusin eencenturia seniorumen eenc. iuniorumgesplitst was.Comitia tributa.Zuivere tribuutcomitiën zijn die, waarin alle stemgerechtigde burgerstributimkunnen stemmen en elke tribus ééne stem uitbrengt. Over de tribuutvergaderingen der plebs onder voorzitterschap harer tribunen, zie men het artikelconcilia plebis. Op het voetspoor der volkstribunen maakten ook andere overheden van de gelegenheid gebruik, het volktributimop te roepen, omdat de tribuutvergaderingen, althans in den beginne, aan geene auspiciën gebonden waren en dus minder omslag vereischten. Delex Aternia Tarpeiadroeg in 454 aan deze comitia de rechtspraak op in boetezaken boven een zeker bedrag. In 447 werd hun de verkiezing der magistratus minores opgedragen. De eerste wetin comitiis tributisaangenomen was delex de vicesima manumissionum, waarover de consul Cn. Manlius, in het kamp voor Sutrium, het leger tribusgewijze liet stemmen (Zielex Manlia). Wetten van politieken aard zijn er overigens in decom. trib.slechts weinig voorgesteld en aangenomen. Het meest bekend zijn deleges tributae praetoriae, wetten tot regeling van het privaatrecht, dieex auctoritate senatusdoor denpraetor urbanuswerden ingediend. Delex Domitia, 104, bracht ook de verkiezing der priester-collegiën aan de tribus, doch op dezen voet, dat door het lot 17 (minor pars) van de 35 tribus zouden worden aangewezen voor de stemming, en dat de door haar gekozenen door het collegie moesten worden gecoöpteerd. Dit zijn decomitia sacerdotum.Comitiales dies, de dagen, waaropcomitiamochten gehouden worden (quibus cum populo agi licet). Er zijn er tegen het einde van de republiek ongeveer 190. Uitgesloten waren dedies nefasti, dedies fasti, en denundinae. In den kalender worden ze aangeduid met eenC. Op denundinaemochten wel vergaderingen van de plebs (concilium plebis) gehouden worden.Comitium, een vierhoekig plein, dat ten N. aan het forum grensde, waar oudtijds decomitia curiataplaats hadden en, voor het Forum ingericht was, ook als marktplein diende. Het lag veel hooger dan het Forum. Aan de Noordzijde lag de Curia Hostilia, ook stonden er de ambtszetels van detribuni plebis. Later werd een groot gedeelte van het plein ingenomen door de nieuweCuria Julia.Commagēne,Κομμαγηνή, het noordelijk gedeelte van Syria met de hoofdstad Samosata aan den Euphraat, die hier nog niet bevaarbaar was. Aan den anderen kant werd het gewest door den Taurus en den Amānus ingesloten. Na Alexander d. Gr. was het onder een zijtak der Seleuciden geruimen tijd een zelfstandig rijk. Tiberius veroverde het in 17 na C.; Caligula gaf het terug; Vespasiānus maakte het weder tot rom. provincie. Onder Diocletiānus en Constantijn droeg het, met Cyrrhestice vereenigd, den naamEuphratensisofAugustophratensis.Commeātus. Onder dit woord verstaat men niet slechts toevoer van levensmiddelen, maar ook het verlof aan de soldaten. Hoewel het recht omcommeatuste verleenen eigenlijk alleen aan den veldheer toekomt, schijnen decenturiones, evenals bij het verleenen vanvacationes munerum(zieBeneficiarius miles), hierin handel gedreven te hebben. Keizer Otho maakte hieraan een einde door aan de centurio’s eene jaarlijksche toelage te geven.Commentarii,ἀπομνημονεύματαofὑπομν., fr.mémoires, gedenkschriften, dagboek. Ook de aanteekeningen der pontifices, die in den gallischen brand verloren gingen, worden zóó geheeten,commentarii pontificum. Het woord wordt verder ook van letterkundige geschriften gebruikt. Caesar geeft dien naam aan zijn verslag van den Gallischen en den burgeroorlog.Commerciumis de bevoegdheid om volgens, streng rom. recht eigendom te verkrijgen en te vervreemden. Het zwaartepunt er van lag in het testament- en erfrecht. Wie toch het commercium niet bezat, kon van een burger niet erven, noch hem iets bij testament vermaken. Hij kon ook geen grondbezit hebben. Zoo zorgden de Romeinen er in den regel voor, dat decivitates(z. a.) in de onderworpen gewesten onderling geen commercium hadden.Commius, vorst der Atrebaten, door Caesar aangesteld (57), bewees hem diensten bij den tocht naar Britannia, doch sloot zich in 52 bij den grooten gallischen opstand onder Vercingetorix aan.Commodus (L. Aelius Aurelius), rom. keizer 180–192 n. C., zoon van Marcus Aurelius en diens gemalin Faustīna, hoewel sommigen hem voor een zoon van F. en een gladiator hielden. Hij was een der ellendigste vorsten, die op den rom. keizerstroon zetelden, verkwistte schatten aan wedrennen, zwaardvechtersspelen en dierengevechten, waarbij hij zelf optrad, en stelde er zijn roem in, de eerste gladiator van het rijk te zijn en zich als een tweeden Hercules te doen vereeren. Op aansporing zijner gunstelingen Perennis en Cleander liet hij met groote wreedheid de beste burgers om het leven brengen, tot hij eindelijk zelf vermoord werd.Commodus (L. Ceionius), zieVerus.Comoedia,κωμῳδία. De uitgelaten vroolijkheid, die bij de Dionysusfeesten placht te heerschen, uitte zich o. a. ook in kunsteloozeliederen, waarin zij, die aan het feest deelnamen, elkander en anderen vrijmoedig, dikwijls op zeer ruwe wijze, plaagden en bespotten. Uit deze liederen ontwikkelde zich mettertijd, onder de handen van eenige verdienstelijke dichters, de comedie. Nadat in Megara en op Sicilië de eerste stappen in deze richting gedaan waren, kwam deze dichtsoort tot hoogen bloei te Athene, waar het afwisselend en veelbewogen leven den dichters rijke stof opleverde, waarvan zij met de aloude vrijheid gebruik maakten. Geen onderwerp is van zoo teederen aard, of de comediedichters durven het op hunne wijze behandelen, geen persoon is zoo machtig of hoog geplaatst, of zij stellen hem, ook in zijn huiselijk leven, voor het volk ten toon en geven zijne feilen en tekortkomingen, natuurlijk veelal zeer overdreven, aan de openbare bespotting prijs; zoo werd de comedie een middel, waardoor de openbare meening met onbeperkte vrijheid over personen en toestanden kritiek uitoefende. Aan handeling ontbreekt het in de comedie niet, maar eenheid zou men er tevergeefs in zoeken; met onbeteugelde phantasie laat de dichter op de meest onverwachte wijze het eene tooneel op het andere volgen, mits hij de gelegenheid vindt zijne toeschouwers te doen lachen. Schijnt dus scherts en spot het eenige doel der comedie te zijn, als geheel beschouwd hebben de stukken, ten minste voor zoover wij ze kennen, eene ernstige strekking; wel beschouwd bestaat immers alles wat afgekeurd en bespot wordt, door toedoen of ten minste met goedvinden van het publiek, het oppermachtige volk; de dichter schroomt dan soms ook niet zelf, door middel van het koor, het woord tot de toeschouwers te richten en hun met ernst en aandrang mede te deelen wat hem op het hart ligt. In het bizonder dient daartoe deparabasis(παράβασις), een intermezzo, dat met de handeling niet in het minste verband staat. De voornaamste aantrekkelijkheid der oude comedie (ἀρχαία κωμ.) ging verloren, toen omstreeks het einde van den peloponnesischen oorlog hare vrijheid door wettelijke bepalingen beperkt en het verboden werd bestaande personen te noemen (ὀνομαστὶ κωμῳδεῖν), tevens werden de stukken met veel minder luister opgevoerd en langzamerhand vervielen ook de koren. Daarentegen leggen de dichters der nieuwe komedie (νέα κωμ.) zich meer op de eigenlijk gezegde dramatische kunst toe: in hunne stukken verloopt de handeling meer natuurlijk en voert geleidelijk tot de ontknooping, in plaats van bepaalde personen worden typen uit het dagelijksche leven ten tooneele gevoerd, de karakters worden beter volgehouden, enz. Het overgangstijdperk tusschen de oude en nieuwe comedie noemt men den tijd derμέση κωμ.—De rom. comedie is eene navolging van de nieuwe grieksche; een enkel stuk dat, naar het voorbeeld der oude attische comedie, tegen verscheiden aanzienlijke Rom. gericht was, bezorgde den schrijver, Naevius, gevangenisstraf. De stukken zijn meestal uit het Grieksch vertaald of bewerkt; in defabulae palliataekomen zelfs grieksche, in de veel minder talrijkefabulae togataeromeinsche toestanden en kleederdrachten voor.Comperendinatio. Wanneer eene rechtszaak niet op één dag kon worden afgehandeld, werd zij verdaagd tot den derden (volgens onze rekening den tweeden) dag daarna,in diem perendinum. Vandaar wordt de tweede termijn van een procescomperendinatiogenoemd, ook al viel deze niet op den derden dag.Compitalia, feesten 3–5 Januari ter eere derLares compitales, beschermgoden dercompita. Dit is oorspronkelijk vooral een feestdag voor defamilia, de slaven, en op dien dag mag devilicusofferen. Eencompitumis een punt, waar twee of meer straten of wegen zich vereenigen of elkander kruisen. Gewoonlijk vond men daar een Larenkapel of een altaar. De landelijke dienst derLares compitalesging ook op de stad over, waar zich uit de wijkencollegia compitaliciavoor de viering van de wijkfeesten vormden; meestal bestaan deze uit slaven en vrijgelatenen. Later is de keizersvereering hierop overgegaan, en werd deGenius Augustitusschen de tweeLares compitalesvereerd.Compluvium, vierkante opening in het dak van hetatrium, waardoor het licht naar binnen viel. De naam is hieraan ontleend, dat het dak naar de opening toe eenigszins afliep, om het regenwater te verzamelen, dat dan beneden in hetimpluviumof den regenbak werd opgevangen. Zie de afbeelding van een oud pompeiaansch huis, dat hiervan een voorstelling geeft, onderdomus.Compromissum, plechtige wederzijdsche belofte van geschilvoerende partijen, om hunne zaak aan de beslissing van eenarbiterte onderwerpen.Compsa, stad der Hirpīni in Zuid-Samnium nabij de bronnen van den Aufidus.Comum,Κῶμον, stad in Gallia Transpadāna aan den lacus Larius (meer v. Como), een zeer bloeiende rom. kolonie en een voorpost tegen de Alpenvolken. Plinius Secundus minor was hier geboren. Comum had beroemde ijzerfabrieken.Concilia plebis. Eenconciliumis eene vergadering, niet van het geheele volk, maar van een gedeelte, van een enkelen stand, b.v. alleen van de patriciërs of alleen van de plebejers. De volkstribunen nu, die alleen overheden der plebs, maar geenemagistratus populi Romaniwaren, konden alleen de plebejers oproepen; de lex Publilia Voleronis van 471 bepaalde, dat de volkstribunen het recht zouden hebben, de plebstributimop te roepen tot het verkiezen van hun opvolgers (zie hieromtrent ondertribuni plebis), eerst slechts de stedelijke bevolking, later sedert de vrijmaking van het platteland (457), ook de landelijke; er zijn dan 21 tribus. De besluiten van zulk eenconcilium plebiswaren geeneleges, maarplebiscita, en alleen verbindend voor de plebejers, niet voor het geheele volk. Doch de tribunen, steunende op hunne onschendbaarheid en op de getalsterkte derplebs, brachten het zóó ver, dat deplebiscitaook voor de patriciërs verbindend werden. Drie wetten brachten de gelijkstelling vanplebiscitametlegestot stand: delex Horatia Valeriain 449,ut quod tributim plebs iussisset, populum teneret, delex Publiliain 339,ut plebiscita omnes Quirites tenerent, delex Hortensia, in 287,ut eo iure, quod plebs statuisset, omnes Quirites tenerentur. V. s. zijn de twee eerste wetten een anticipatie van de lex Hortensia. ZieHoratiae Valeriae (leges). Sedert dezen tijd worden deconcilia plebisook veelvuldig met den naamcomitia tributabestempeld, en worden deplebiscitaooklegesgenoemd. Het eenige verschil tusschencomitia tributaenconcilium plebisis sedert delex Hortensiagelegen in den voorzitter; is de voorzitter eenmagistratus populi, dan spreekt men vancom. trib., is deze eenmag. plebis, dan heet de vergaderingconcilium plebis. Conciliaheeten in den keizertijd ook de provinciale landdagen, die vooral bijeenkomen voor de vereering des keizers, dencultus Augusti.Conciliabulum, eigenlijk verzamelplaats. Onder dezen naam werden marktvlekken en gerechtsplaatsen verstaan, die echter niet de rechten van een municipium hadden. Zievicusno. 3.Concio=Contio.Concordia, godin der eendracht, voornamelijk van de eendracht tusschen de burgers en in den keizerstijd tusschen de leden van het keizerlijke huis. Wanneer burgertwisten bijgelegd waren, bouwde men een tempel voor Concordia. De voornaamste van die tempels lag aan het Forum en was door Camillus gesticht na aanneming der licinische wetten. De godin werd afgebeeld als eene deftige matrone met een horen van overvloed en een olijftak of een schaal in de handen.Concubinātus, het samenleven van twee wettelijk ongehuwden, tusschen wie geen wettig huwelijk mogelijk is bij gebreke vanconubium. Ook wordt het woord gebezigd voor de samenleving van een ongehuwd man met eene vrouw, die in stand ver beneden hem stond, b.v. met eenelibertavan hem. Trouwbreuk derconcubīnawas volgens de zienswijze der rom. juristen als echtbreuk strafbaar. De kinderen warenliberi naturales. Soms wordtconcubinaook wel in den zin vanpellexgebezigd.Condāte, keltische stedennaam = het latijnscheConfluentes. Er waren in Gallia Transalpīna een aantal steden van dezen naam, aan de samenvloeiing van twee rivieren gelegen, als: in het gebied der Aeduërs, thans Cosne,—bij de Allobrogers, thans Seyssel,—bij de Redoners, thans Rennes,—bij de Santonen, thans Cognac,—bij de Senonen, thans Montereau. Eéne heeft den ouden naam vrij wel behouden, nl. Condate Aulercorum, thans Condé.Condictio, eigenlijk eene afspraak. In rechten beteekent eeneactio per condictionemde inleiding van een proces door eene dagvaarding om over 30 dagen voor den praetor te verschijnenad iudicem capiendum. Later heette elke persoonlijke aanklacht aldus, terwijl de dagvaarding achterwege bleef. Eenecondictiohad altijd eencertumtot onderwerp, b.v. eenecerta pecunia, eene bepaalde som gelds.Condrūsi, germaansche volksstam in Belgica, aan de Mosa (Maas). Hun naam leeft nog voort in Condroz, tusschen Luik en Namen. Zij waren onderhoorig aan de Treviri.Condylium, sterkte in het land der Perrhaebi (Thessalia).Confarreatiowas de oudste vorm van een rom. huwelijk en ontleende den naam aan den speltkoek,panis farreus, dien het bruidspaar samen nuttigde. Het huwelijk werd voltrokken in tegenwoordigheid van denpontifex maximus, denflamen Dialisen tien getuigen en van depronuba(z.a.). Na afloop van de plechtigheid zeide de echtgenoote: “ubi tu Caius (meester), ego Caia (meesteres)”. Door deze huwelijksvorm ontstond tevens demanus(z.a.). Zie ooknuptiae. Het kon alleen ontbonden worden doordiffarreatio(z.a.). Voor de priesterwaardigheid vanflamen Dialis,MartialisenQuirinalisenrex sacrificulusmoest men uit een huwelijkper confarreationemgesproten, en wanneer de vrouw ook als priesteres moest optreden, ook op deze wijze gehuwd zijn. Daar deconfarreatiolangzamerhand in plaats van regel uitzondering werd, werd het dikwijls moeielijk, voor deze priesterschappen geschikte personen te vinden.Confluentes, thans Coblenz, aldus genoemd omdat het aan de samenvloeiing van Mosella en Rhenus lag.Congiarium, uitdeeling van een zeker aantalcongiiwijn, olie en dgl. onder het volk door de overheden op eigen kosten bij plechtige gelegenheden. Vervolgens werd dit woord ook gebruikt voor andere bedeelingen, zelfs in geld. De uitdeeling had plaats intesseraeof bons, op vertoon waarvan men op aangewezen plaatsen de waarde kon ontvangen. In enkele gevallen werden dezetesseraeonder de menigte te grabbelen geworpen.Congius, rom. maat voor natte waren, iets meer dan 3 liter. Er gingen 8congiiop eene amphora.Conisterium,κονιστήριον, κονίστρα, in het gymnasium de plaats, waar worstelaars en vuistvechters zich oefenden; in het theater de plaats, waar de orchestra opgeslagen was, vandaar ook de orchestra zelve.Connubium, minder goed voorconubium.Conon,Κόνων, 1) atheensch vlootvoogd in den peloponnesischen oorlog. Na het ontslag van Alcibiades werd hem met anderen het opperbevel opgedragen, hij werd echter door Callicratidas op zee verslagen en in de haven van Mytilēne ingesloten; de overwinning der Atheners bij de Arginusen (406) bevrijdde hem. Bij Lysander’s overwinning bij Aegospotami was hij de eenige admiraal, die waakzaam genoeg was om met eenige schepen behouden te ontkomen. Hij ging naar Cyprus, van waar hij betrekkingen aanknoopte met het perzische hof, en toen Agesilāus in Aziëkwam, kreeg Conon het bevel over eene perzische vloot, waarmede hij de spartaansche vloot onder Pisander bij Cnidus volkomen versloeg (394). Door Pharnabāzus geholpen, verjoeg hij de Spartanen uit de eilanden en steden van Klein-Azië, landde hier en daar op de peloponnesische kusten, en liet voor perzisch geld de muren van Athene herstellen. Kort daarna door de Atheners naar den spartaanschgezinden perzischen veldheer Tiribāzus gezonden, werd hij door dezen te Sardes gevangen genomen, doch waarschijnlijk wist hij te ontsnappen en eindigde hij zijn leven op Cyprus.—2)van Samus, beroemd wis- en sterrenkundige, vriend van Archimēdes, gestorven ± 240.—3)taalkundige, die onder Caesar te Rome leefde, schreef vijftig verhalen van geschiedkundigen en mythologischen inhoud.Conopēum,κωνωπεῖον, een gordijn of deken van lichte stof, waarmede men zich bedekte om in den slaap niet door insecten gehinderd te worden.Conquisitōres, werfofficieren, buitengewone commissarissen, die in hachelijke tijden zooals na den slag bij Cannae, uitgezonden werden om allen, die voor den krijgsdienst geschikt waren, te pressen.Conscripti, ziePatres Conscripti.Consecratio, zieapotheosis.Consentes diizijn de twaalf goden, aan wie ingevolge de bepalingen derlibri Sibyllinivolgens Grieksch gebruik voor het eerst in 217 een lectisternium aangeboden is; het waren 6 paren van goden:Jupiteren Juno, Neptūnus en Minerva, Mars en Venus, Apollo en Diāna, Volcānus en Vesta, Mercurius en Ceres, naar analogie van de 12 groote goden der Grieken. Er werden van henstatuae aurataeop het forum opgesteld. In de 4deeeuw (367) n. C. zijn deze voor het laatst hernieuwd, en opgesteld in deporticus deorum Consentiumaan den Clivus Capitolīnus, die nog bestaat.Consentia, thans Cosenza, sterke vesting in het N. van het land der Bruttii, in het binnenland, aan den bovenloop van de Crathis. Hier stierf Alarik.Considii, plebejisch geslacht, waarvan wij hier alleen vermeldenC. Considius Longusdie in 50 zijne provincie Africa verliet en aan zijn legaat Q. Ligarius overdroeg, om zich te Rome candidaat te stellen voor het consulaat. Later naar Africa teruggekeerd, vond hij wel zijne plaats ingenomen, doch bezette Hadrumētum en verzette zich tegen Caesar, tot hij na den slag bij Thapsus (46) door zijn eigen soldaten vermoord werd.Consilium. Wanneer iemand door den praetor alsiudexwas aangesteld om in een proces vonnis te wijzen, eischte de gewoonte gebiedend, dat hij zich met eenconsiliumvan rechtskundige vrienden als adviseurs omgaf. Zoo behoorde ook depaterfamilias, wanneer hij als huisrechter in familiezaken optrad, eenconsiliumvan bloedverwanten en buren bijeen te roepen.Consilium principisis de kabinetsraad des keizers.Consistorium principisis de naam, dien de keizerlijke staats- of kabinetsraad sedert Diocletiānus droeg.Constans. Na den dood van Constantijn den Gr. (337 n. C.) en na de vermoording van Dalmatius, verdeelden de zonen op het congres te Viminacium het rijk, en kreeg de oudste zijner drie zonen,Constantīnus II, het bestuur over Gallia, Britannia, Hispania en Mauretania Tingitāna. De tweede zoonConstantiuskreeg het Oosten; de derde,Constans, bestuurde Italia, Illyricum, Macedonia, Achaia, Thracia en Africa. Constantinus II deed zijn broeder Constans den oorlog aan, doch werd in 340 bij Aquileia verslagen en verdronk op de vlucht. Constans voegde nu zijns broeders gebied bij het zijne, terwijl hij Thracia aan zijn broeder Constantius afstond. In 341 en 342 vocht hij voorspoedig tegen de Franken. Hij was een flink krijgsman. In den kerkelijken strijd was hij op de hand van Athanasius. Om zijne losbandige levenswijze algemeen veracht, werd hij in 350 bij een legeropstand onder Magnentius te Illiberis (Helena), door de soldaten vermoord.Constantia, zuster van Constantijn den Gr. en sedert 312 n. C. echtgenoote van Licinius.Constantia, latere naam van Salamis op Cyprus, zieSalamis.Constantīna, naam van eenige steden, ter eere van Constantijn den Gr. aldus verdoopt, o.a. Cirta in Numidia, thans nog Constantine, en Tomi aan de Zwarte zee, het ballingsoord van Ovidius.Constantinopolis, zieByzantium.Constantīnus Magnus(Flavius Valerius), rom. keizer 306–337 na C., was de oudste zoon van Constantius Chlorus en Helena, geboren te Naïssus 285 of later. Hij diende eerst onder Diocletiānus en Galerius in het Oosten. Toen zijn vader tot Caesar werd verheven (292), zocht Galerius hem uit wantrouwen onder zijn bereik te houden, doch moest eindelijk toegeven, dat de zoon zich naar Britannia tot zijn vader begaf. In 306 stierf Constantius Chlorus, die sedert een jaar den rang van Augustus bezat, te Eborācum (York) op een tocht tegen de Picten, waarop Constantinus door de troepen tot Augustus werd uitgeroepen, hoewel Galerius hem slechts als Caesar erkende. In den strijd van Galerius tegen den ouden keizer Maximiānus en diens zoon Maxentius mengde Constantinus zich in den beginne niet, hoewel hij Maximianus’ dochter Fausta huwde; doch na den dood van Galerius aanvaardde hij den strijd tegen alle medekeizers en pretendenten en bleef hij eindelijk als alleenheerscher over. Reeds in 310 had hij zijn schoonvader laten dooden, toen deze hem naar het leven stond. In 312 trok hij op tegen zijn zwager Maxentius, dien hij bij denpons Milvius, ten N. van Rome, versloeg. Zijn leger was in dezen slag 98000 man sterk, dat van Maxentius 170000; C. gebruikte daarin de kruisvaan (hetLabarum) en zijne soldaten droegen het teeken des kruises op hun schilden. Hij was nu alleenheerschervan het Westen, terwijl zijn zwager Licinius sedert den dood van Maximīnus Daia (313) het Oosten in handen had. Reeds in 314 ontstond een oorlog tusschen hen, waarin L. in verschillende gevechten, o. a. in den slag bij Cibalae, verslagen werd, en Illyricum aan C. moest afstaan. In 323 brak de oorlog op nieuw uit; C. overwon in twee groote slagen, bij Adrianopel en bij Chrysopolis, waarop L. gevangen genomen en afgezet werd. Van nu af aan is C. alleenheerscher over het geheele rijk.Van den beginne af had hij het Christendom begunstigd; na zijn overwinning op Maxentius besluit hij te Rome de christelijke priesters uit de staatskas te bezoldigen, en hen te bevrijden van de gemeentelasten, waardoor de christelijke eeredienst een door den staat erkende eeredienst wordt, en de Christenen gelijke rechten krijgen als de belijders der oude leer; hij ruimde hun ook openbare gebouwen in als kerken en liet nieuwe kerken voor hen bouwen; later verbood hij ook de heidensche offers. In 325, na den val van Licinius werd te Nicaea in Kl.-Azië onder zijn voorzitterschap het beroemdeconciliegehouden, en in 327 nogmaals bijeengeroepen. In het bestuur van het rijk bracht hij ingrijpende veranderingen, o. a. door het burgerlijk bestuur der provinciën streng van het militaire te scheiden. De hoogste burgerlijke ambtenaren zijn de 4praefecti praetorio(z. a.), depraefectus urbite Rome en die te Constantinopel; de hoogste militairen waren demagistri equitumenpeditumofutriusque militiae, oorspronkelijk twee, later meer. De keizerlijke garde (depalatinivan keizer Diocletianus) werd tot een veldleger uitgebreid, decomitatenses, terwijl de grenstroepen, delimitanei, tot soldaten van den tweeden rang verlaagd werden. Hij voerde een oostersche keizervereering in, omgaf zich met een vasten hofstoet van paleisbeambten, verdeelde de hooge ambtenaren in vier klassen met de titels vanillustres, spectabiles,clarissimienperfectissimi, en verplaatste de residentie en den zetel der regeering naar Byzantium (Constantinopel) in 330 n. C. Van zijne hardvochtigheid en wreedheid getuigen o. a. het ombrengen zijner gemalin Faustīna en van zijn zoon Crispus. Hij stierf 22 Mei 337 te Nicomedēa.Constantinus II(Flavius Claudius), keizer 337–340 na C., oudste zoon van Constantijn den Gr., streed voorspoedig tegen de Sarmaten, doch kwam in den strijd tegen zijn broeder Constans om. ZieConstans.Constantīnus III, een soldaat, die ten tijde van Honorius van 407 tot 411 n. C. in Britannia en Gallia voor keizer speelde, doch gevangen genomen en ter dood gebracht werd.Constantius Chlorus(Flavius Valerius), romeinsch keizer van 293–306 n. C., vader van Constantīnus Magnus. Hij was van geringe afkomst, maar leidde later zijn geslacht af van Claudius Gothicus. In 293 werd hij Caesar voor het Westen. Hij streed gedurende zijn geheele regeering tegen de Franken, en voegde Britannia, waar Allectus, opvolger van Carausius (z. a.) heerschte, weer bij het rijk (296). Hij woonde te Trier, waar van zijn paleis de ruïne nog te zien is. Toen Diocletiānus en Maximiānus 1 Mei 305 het bewind neerlegden, werd C. Augustus. In 306 stierf hij te Eborācum (York). ZieConstantinus Magnus.Constantius II, tweede zoon van Constantijn den Gr., zieConstans.—Na den dood zijns vaders ruimde hij, schijnbaar onder den aandrang van zijn leger, een aantal bloedverwanten uit den weg. Twee neven bleven gespaard, Gallus, dien hij later, in 354 na C., toch liet ombrengen, en Juliānus, die hem in 361 opvolgde. Door den dood zijner beide broeders werd Constantius in 350 alleenheerscher. Een tegenkeizer, Magnentius, werd verslagen en doodde zichzelf, door allen verlaten, in 353 te Lugdūnum (Lyon). Constantius bracht zijn leven door in oorlogen met de Perzen en met verschillende kroonpretendenten, en stierf in Cilicia in 361, terwijl hij op marsch was tegen zijn neef Caesar Julianus, die in 360 in opstand was gekomen.Constantius(Flavius), veldheer van keizer Honorius, versloeg o.a. den overweldiger Constantīnus III, huwde in 417 na C. ’s keizers zuster Placidia en werd in 421 door Honorius tot Aug. en medekeizer benoemd, doch stierf nog in datzelfde jaar.Consualia, z.Consus.Consulairtribunen=tribuni militum consulari potestate.Consules,ὕπατοι. Na de verdrijving der laatste koningsfamilie uit Rome werd het consulaat ingesteld. Dit ambt werd telkens door twee mannen gedurende een jaar waargenomen. Stierf er een, dan werd in zijne plaats een ander gekozen,consul suffectus. Zij werden gekozen in de centuriaatcomitiën. Hun titel, uitconensulsaamgesteld (op de wijze vanex-sul), beteekent zooveel als samengaanden, ambtgenooten. Als erfgenamen der koninklijke macht hadden zij deinsigniadaarvan:toga praetexta, sella curulis, lictores. Zij vervulden ook den werkkring des konings, totdat door de instelling der censuur en der praetuur een deel hunner werkzaamheden op afzonderlijke magistraten overging. Te Rome riepen zij den senaat bijeen, zaten daarin voor en voerden de genomen besluiten uit. Hunne rechtsmacht was beperkt door deprovocatio, doch in oogenblikken van gevaar werd hun somtijds door den senaat buitengewone, dictatoriale macht verleend door de formule:videant consules, ne quid respublica detrimenti capiat. In het leger was hunne macht nagenoeg onbeperkt; de krijgseed werd door de soldaten aan hen gedaan (iurare in verba consulis). De aanvaarding van hun ambt moest met bepaalde plechtigheden geschieden: auspiciën, een offer op het Capitool, eene plechtige senaatszitting, viering derferiae Latinae. Wie deze formaliteiten verzuimde, zooals in 217 Flaminius, werd door velen gerekend eigenlijk geen consul te zijn.Tweemaal is het consulaat geschorst, de eerste maal in 451 door de instelling derdecemviri legibus scribundis, de tweede keer in 445 door de instelling vantribuni militum consulari potestate. Door een derleges Liciniae Sextiae(z. echter aldaar) in 367, werd bevolen, dat één der consuls uit de plebejers zou gekozen worden. In 172 werd het consulaat voor de eerste maal door twee plebejers bekleed. De dag, waarop de consuls hun ambt aanvaardden, is in verschillende tijden verschillend geweest, sinds 222 echter was het geregeld de 15deMaart, sinds 153 (z.Fulviino. 13) geregeld de 1steJanuari. Sulla bepaalde, dat de consuls gedurende hun ambtsjaar in Rome moesten blijven, en eerst na afloop daarvanpro consulenaar eene provincie mochten gaan. In de laatste halve eeuw der republiek komen enkele afwijkingen voor. Zoo werd in 52 Pompeius totconsul sine collegagekozen. Onder de keizers werd het consulaat eene schijnvertooning. De benoeming geschiedde in den regel voor twee maanden; de eerste van elk jaar heettenconsules ordinarii, de volgendesuffecti. Macht was er niet meer aan verbonden; het was alleen om de eer te doen en om later den titel vanconsulariste kunnen voeren. Om de eerzucht te bevredigen, benoemden de keizers soms wel oud-consuls titulair,consulares honorarii.—Consul designatuswas hij, die tot consul gekozen was, maar zijn ambt nog niet aanvaard had. Met opzet liet men de verkiezing eenigen tijd aan de aanvaarding voorafgaan, opdat de benoemden tijd zouden hebben zich op de hoogte der zaken te stellen.Consus, oud-italisch god van den landbouw, eigenlijk van het in de schuren geborgen graan (vancondere). Hij had een tempel op den Aventīnus, en een onderaardsch altaar in den Circus. Zijn voornaamste feestdag, deConsualia(21 Augustus) is een oogstfeest; aan Consus worden de eerstelingen van den oogst geofferd, en verder wordt het feest gevierd metludi circenses, bestaande oorspronkelijk in wedrennen van muildieren, die onder de bescherming van Consus staan. Hij raakte spoedig in vergetelheid, en nu werd hij door de Romeinsche geleerden geïdentificeerd met Neptūnus Equester,Ποσειδῶν Ἵππιος. Ook nam men aan, dat op zijn feest de sabijnsche maagdenroof zou gepleegd zijn, en dat ter herinnering hieraan die dag luisterrijk met groote wedrennen gevierd werd.Contestatio litis=Litis contestatio.Contio, saamgetrokken uitconventio, volksvergadering, door een overheidspersoon bijeengeroepen, om een of andere mededeeling te doen, in het algemeen voor alle openbare staatkundige en godsdienstige handelingen van ambtenaren en priesters, voor het afkondigen van edicten, of om eenig onderwerp in debat te brengen. Stemming kon in eenecontioniet plaats hebben. De voorzittende magistraat opende decontiomet een gebed,sollemne precationis carmen. Het debat was niet vrij. De voorzittende magistraat kon naar goedvinden het woord verleenen,contionem dare, of weigeren. Hij kon ook iemand ongevraagd oproepen om het woord te voeren, hij kon ook het debat sluiten,contionem summovere. In eenecontiostaat het volk niet gerangschikt naar curiën, centuriën of tribus. Bij de wetgevendecomitiawerd de stemming door eencontiovoorafgegaan. Ook het strafproces werd in eerste instantie viermaal in eencontiobehandeld. Voor de eerste (prima accusatio) riep de magistraat (quaestorofduoviri perduellionis) denreusop, om zich op een bepaalden dag te verantwoorden (diei dictio). In een tweede en derdecontio, telkens door minstens één dag gescheiden (z.comperendinatio) volgde nu getuigenverhoor en verdediging. Bij dequarta accusatiowerd nu, indien de magistraat den aangeklaagde schuldig bevond, het vonnis geveld. Kwam dan de veroordeelde in hooger beroep bij het volk, dan volgde na minstens 24 dagen (in trinundinum) de bijeenkomst dercomitia centuriata, die het vonnis bekrachtigde of vernietigde.Contractus, contract, overeenkomst, van dien aard, dat overtreding of niet-naleving ervan grond oplevert tot eene rechtsvordering, wat bij eenpactumof afspraak in den regel niet het geval is.Contrebia, sterke stad der Celtiberiërs in Hispania Tarraconensis Z.Z.W.waarts van Caesaraugusta (Saragossa).Contubernāles, de krijgsmakkers, die in dezelfde tent kampeerden. Ook verstaat men er jonge Romeinen van aanzienlijken huize onder, die zich vrijwillig alscomitesbij den veldheer aansloten, om zich in de krijgskunde te oefenen, en die in de veldheerstent, hetpraetorium, met den veldheer het middagmaal gebruikten.Contubernium, de toestand vancontubernales. Ook het huwelijk van of met slaven of slavinnen, dat geene rechtsgeldigheid had, daar slaven geen conubium hadden.Contumacia, vancontemnere, niet voldoen aan de oproeping van den praetor, om voor den rechter te verschijnen. De partij, die niet verscheen, verloor bij verstek onherroepelijk zijn proces. In strafzaken stond op het niet verschijnen van den beklaagde deaqua et igni interdictio.Conubium, de bevoegdheid volgens de wet om een rechtsgeldig huwelijk,matrimonium iustumoflegitimum, te sluiten. Dit bestond in de oudheid niet tusschen burgers van verschillende staten, indien het niet uitdrukkelijk bij verdrag bepaald was. Vóór 445 bestond te Rome ook geenconubiumtusschen patriciërs en plebejers; eerst delex Canuleiastond dit toe. Was erconubium, dan volgden de kinderen den stand des vaders, anders dien der moeder. Zie verdermatrimonium.Convenae, gemengde bevolking in Aquitania langs den Garumna (Garonne) aan den voet der Pyrenaeën, gedeeltelijk door Pompeius uit Hispania daarheen overgebracht. De hoofdplaats was Lugdūnum Convenārum.Conventio in manum.Manuswas de macht van den man over de vrouw, waarmede gepaard ging het beheer van haar vermogen.De vrouw kwam door huwelijkin manum mariti. Bij een huwelijkper confarreationemofper coëmptionemwas deconventio in manumeen onmiddellijk gevolg, bijususechter volgde zij eerst na een onafgebroken bezit van een vol jaar en kon zij verhinderd worden, wanneer de vrouw vóór den afloop van het jaar eentrinoctiumbuitenshuis doorbracht. In den loop des tijds werd deconventio in manumdoorcoëmptioook in zwang gebracht, niet om te huwen, maar om agnatenvoogdij te ontgaan,coëmptio cum extraneo fiduciae causa. Zie hierover het artikeltutela.Conventus. Een rom. provincie was voor de rechtspleging in arrondissementen of distrikten ingedeeld,conventusgenaamd, en in de hoofdplaatsen daarvan hield de stadhouder zijne rechtsdagen (conventumofforum agere).Conventusbeteekent ook wel de saamgekomen menigte, de vergadering.—Onderconventus civium Romanorumverstaat men eene corporatie van in zulk een distrikt woonachtigecives Romani, de romeinsche gemeente aldaar.Convivium,συμπόσιον, drinkgelag na den maaltijd, iets, waarvan de Rom. bij een gastmaal hartstochtelijke liefhebbers waren. Door het lot (het werpen met dobbelsteenen) werd een der dischgenooten tot president aangewezen,arbiterofmagister bibendi, rex vini, die omtrent de menging van den wijn, het aantal schepjes (cyathi) voor elken beker, zijne bevelen gaf en de tafelwetten vaststelde. Onder de aardigheden bij zoodanigconviviumbehoorde ook hetad numerum bibere, het drinken op iemands gezondheid met zooveel bekers (hoewel niet in eens), als diens naam letters bevatte. Ook decottabuswas een geliefd spel daarbij. Terwijl bij de Grieken een symposion nog wel eens met verstandige gesprekken kon gepaard gaan, was het bij de Rom. vaak alleen aan het drinken gewijd. Zieδεῖπνον.Coos=Cos.Copa, ookcaupaencupa, waardin, meisje uit een herberg, vooral eene, die door een dans met begeleiding van castagnetten bezoekers trachtte te lokken.Cupais ook de titel van een klein gedicht, aan Vergilius toegeschreven.Cōpae,Κῶπαι, oude bondsstad van Boeotia, aan het meer Copāis.Copaïs,Κωπαίς, het meer van Copae, in Boeotia, bekend door zijn fluitenriet en zijne alen. Het riviertje Cephissus stroomde er door, terwijl onderaardsche kanalen,catabothra, het water afvoerden. In den zomer droogde het meer grootendeels uit en vormde dan een aantal kleine meertjes.Cophen,Κωφήν, zijtak van den Indus, waaraan Cabura (Kabul) en Nagara liggen.Copia, sedert 193 lat. kolonie in het gebied van het oude Thurii, z. a.Copis,κόπις, een licht gekromde sabel, vooral bij oostersche volken in gebruik.Coponii, plebejisch geslacht uit Tibur afkomstig. Een hunner, C. Coponius, redde bij Carrhae het rom. leger na den dood van Crassus (53).Copreus,Κοπρεύς, zoon van Pelops, vluchtte wegens den moord van Iphitus uit Elis naar Eurystheus, die hem als heraut gebruikte om zijne bevelen aan Heracles over te brengen, daar hijzelf zich niet in diens tegenwoordigheid durfde wagen.Coptus,Κοπτός, stad in Boven-Aegypte, door handel bloeiende, niet ver stroomafwaarts van Thebae.Cora,Κόρη=Persephone.Cora,Κόρα, oude latijnsche stad op den rand van het Volscisch gebergte, met cyclopische muren.Coracesium,Κορακήσιον, vesting en zeerooversnest in W. Cilicia.Coras, zieTiburtus.Corassiae,Κορασσίαι, eilandjes op de aziatisch-ionische kust, niet ver van Samus. Zie ookCorsiae.Corax,Κόραξ, een Siciliër, die na den dood van Hiero (467) over Syracuse regeerde, maar zich later van het staatsbestuur terugtrok. Hij beoefende vlijtig de wetenschap en was de eerste, die de leer der welsprekendheid theoretisch behandelde.Corax,Κόραξ, berg in het oosten van Aetolia.Corbio, 1) vesting der Aequers in Latium op den berg Algidus, oorspronkelijk latijnsch.—2)stad der Suessetanen in Tarraconensis, nabij den Ibērus (Ebro), thans Berga.Corbulo, familienaam in degens Domitia, z.Domitiino.16.Corcȳra,Κέρκυρα, laterΚόρκυρα, waarschijnlijk het Scheria der Phaeaciërs bij Homerus, aanzienlijk eiland tegenover de epirotische kust in de ionische zee gelegen, sedert ongeveer 700 volkplanting van Corinthus. De toenemende bloei van Corcyra wekte den naijver van Corinthus op, en reeds in 660 waren de twee staten in oorlog; in dezen oorlog wordt het eerst van een geregelden zeeslag melding gemaakt. Toen in 436 de gebeurtenissen in Epidamnus eene botsing tusschen de beide staten hadden uitgelokt, zocht Corcyra, dat eene machtige vloot had, hulp bij Athene en verhaastte hierdoor de uitbarsting van den peloponnesischen oorlog. Na Alexander d. Gr. geraakte Corcyra door inwendige verdeeldheid in verval en stelde zich in 228 onder romeinsche bescherming. De hoofdstad heette ook Corcyra en had eene hooggelegen acropolis. De eilanders stonden in geen goeden reuk, en hadden den naam, brutaal en bedriegelijk te zijn.Corcȳra nigra, eiland aan de dalmatische kust, tusschen de eilanden Melite en Pharus tgw. Cursola.Cordax,κόρδαξ, de dans van het koor in de oude attische comedie, over het algemeen een ontuchtige, onbetamelijke dans.Corduba,Κόρδυβα, thans Cordova, de eerste rom. kolonie in Baetica en hoofdplaats van dit gewest, geboorteplaats van M. en L. Annaeus Seneca en van M. Annaeus Lucānus.CordyēneofGordyēne,Γορδυηνή, het land der Carduchen in het Z.O. van Armenia, thans Kurdistan.Coressus,Κορησός, ook welΚορεσσόςgeschreven,berg in Ionia, nabij Ephesus en ook een voorstad van Ephesus, aan den voet van dien berg gelegen.Coresus,Κόρεσος, z.Callirrhoëno. 4.Corfinium, stad der Paeligni in Samnium, in den marsischen oorlog (90) onder den naamItaliatot hoofdstad der tegen Rome opgestane bondgenooten gekozen.Corinna,Κόριννα, beroemde lyrische dichteres van Tanagra, die zich echter gewoonlijk te Thebe ophield. Zij zou Pindarus de dichtkunst geleerd en hem vijfmaal in wedstrijden den prijs afgewonnen hebben. Haar bloeitijd valt omstreeks 500.Corinthia,Κορινθία, landschap van de Peloponnēsus, gedeeltelijk op den Isthmus gelegen, aan de eene zijde door densinus Corinthiacus, aan de andere door densinus Saronicusbespoeld.—Als oudste bewoners werden Aeoliërs genoemd; de stad heette toen Ephyra. Bij de dorische verovering viel C. aan zekeren Aletes ten deel; omstreeks 950 verhief zich het geslacht der Bacchiaden, dat in 657 door zekeren Cypselus verdreven werd. Deze veranderde de oligarchie in eene tyrannis. Hij heerschte gematigd en verfraaide de stad (657–628). Zijn zoon Periander (628–585) wordt onder de zeven wijzen van Griekenland gerekend; hij regeerde echter willekeurig en zocht den adel uit te roeien. Zijn zoon Psammetichus werd verdreven en de republikeinsche staatsvorm hersteld. Corinthe had een aanzienlijke vloot en dreef een zeer uitgebreiden zeehandel, die echter geweldig achteruit ging sedert Athene als zeemogendheid optrad; na den peloponnesischen oorlog begon het aanzien van den staat te tanen; het sloot zich vervolgens aan bij de Macedoniërs en later bij het achaeïsch verbond, ten gevolge waarvan het in 146 door den rom. consul L. Mummius veroverd en de stad Corinthus ingenomen en verwoest werd. In Corinthia behooren de mythen te huis van Sisyphus en Bellerophon. Zie verderIsthmusenIsthmia.Corinthische oorlogwordt de oorlog genoemd, dien de verbonden Atheners, Thebanen, Corinthiërs en Argiven van 395 tot 387 tegen Sparta voerden, waarbij zij van Perzië uit met geld ondersteund werden. De oorlog begon met den aanval der Spartanen op Haliartus, die echter mislukte en waarbij Lysander sneuvelde; deze ongelukkige uitslag noodzaakte de Spartanen Agesilāus uit Azië terug te roepen. Nog voor zijne terugkomst wonnen zij den slag bij Nemea, en ook de bloedige slag bij Coronēa, waarin Agesilaus vele wonden kreeg, liep in hun voordeel af; daarentegen werd hun vloot bij Cnidus door Conon geheel vernietigd (394). De Corinthische oorlog, zoo genoemd omdat de legers van beide partijen zich meestal bij Corinthe bevonden, levert na deze slagen weinig belangrijke gebeurtenissen op, maar is merkwaardig wegens het optreden van Pharnabāzus als bondgenoot van Sparta’s vijanden, en omdat toen voor het eerst door Iphicrates uit huurtroepen een goed georganiseerd corps peltasten gevormd werd. De oorlog eindigde met den vrede van Antalcidas (z. a.).Corinthus,Κόρινθος, in zijn bloeitijd de prachtigste stad van Griekenland, aan den voet van een berg, waarop ter hoogte van 1900 voet de burchtἈκροκόρινθοςstond. Het had drie havens: Schoenus en Cenchreae aan de saronische golf, Lechaeum (waarmede het door een dubbelen muur verbonden was) aan de golf van Corinthe. Nabij de stad lag het cypressenbosch Cranēum, waar de wijsgeer Diogenes zijn zomerverblijf hield. De ligging der stad was overheerlijk; in tal van prachtige gebouwen overtrof zij Athene, doch tevens was Corinthus de meest weelderige en zedelooze stad van Griekenland. Vooral voor vreemdelingen was het verblijf er kostbaar en vol verleiding; vandaar het spreekwoord:οὐ παντὸς ἀνδρὸς ἐς Κόρινθον ἔσθ’ ὁ πλοῦς. Beroemd was de Aphrodīte-tempel met zijne 1000ἱερόδουλοι.—Door L. Mummius werd de stad in 146 veroverd en verwoest. Caesar liet ze herbouwen (46), en dank zij hare ligging, begon zij opnieuw te bloeien. Z.Corinthia.Coriolānus(C.ofCn. Marcius), zieMarciino. 3.Corioli, latijnsche stad, die van den latijnschen bond naar de Volscen overging, in 493 heroverd door C. Marcius, die hiernaar den bijnaam Coriolānus kreeg. De stad is in den strijd tusschen Romeinen en Volscen vroeg te gronde gegaan; ze lag dicht bij Lanuvium.Cormasa, stad in Pisidia.Cornelia (lex)de senatu cooptando Agrigentinorumvan P. Cornelius Scipio Africānus maior, die in 205 praetor van Sicilia was.Cornelia (lex)van den consul Cn. Cornelius Lentulus Clodiānus (Corneliino. 49) in 72, tot invordering der gelden, die Sulla aan de koopers van verbeurdverklaarde goederen had kwijtgescholden.Cornelia (lex)de restituendo Cicerone, tot terugroeping van Cicero uit zijne ballingschap, van den consul P. Cornelius Lentulus Spinther in 57 (Corneliino. 50).Corneliae (leges)van L. Cornelius Cinna (zieCorneliino. 39) van 87. 1)de novorum civium et libertinorum suffragiis, waarbij de nieuwe burgers en de vrijgelatenen over alletribuswerden verdeeld.—2)de exsulibus revocandis. Tot deze ballingen behoorde in de eerste plaats Marius. Deze wetten werden voorgesteld, nadat Sulla naar het Oosten was vertrokken.Corneliae (leges)van L. Cornelius Sulla, van 88, die hij liet aannemen, nadat hij zich met geweld van de stad had meester gemaakt. 1) tot afschaffing van deleges Sulpiciaevan P. Sulpicius Rufus.—2)dat geen wetsvoorstel door een volkstribuun aan het volk mocht voorgesteld worden zonder voorafgaande goedkeuring van den senaat, z.lex Hortensia. Deze wet is hernieuwd in 81.—3)dat het volk bij de verkiezingen niet meertributim, zooals sedert 241 gebruikelijk was (zieComitia Centuriata), maar volgens de ouderwetschecenturiënindeeling van Servius Tullius moest stemmen.—4)dat het aantal senatoren met 300 leden uit de nobilitas moest versterkt worden.—5)eenlex de coloniis deducendis.—6)eenelex unciaria, waarbij de wettelijke rente op eeneunciaper 10 maanden, dus op 10% per jaar werd vastgesteld, zieFenus.Corneliae (leges)van L. Corn. Sulla, van 81. 1)lex de proscriptione, dat de goederen der vogelvrijverklaarden zouden worden verbeurd verklaard, evenals van hen, die in den strijd voor de partij van Marius en Cinna gevallen waren; bovendien werden de zonen en kleinzonen van het recht om eerambten te bekleeden uitgesloten.—2)lex tribunicia, die aan de volkstribunen het recht ontnam wetten voor te stellen, zonder voorafgaande goedkeuring van den senaat (zie ookCorneliae (leges)van 88), zoodat het eenige recht, dat ze behielden, hetius auxilii ferendiwas, en hen onbevoegd verklaarde verder eenig ambt te bekleeden.—3)lex de magistratibus, dat men eerst aediel moest geweest zijn om praetor, en praetor om consul te kunnen worden, en niet tweemaal binnen tien jaar hetzelfde ambt mocht bekleeden, eene hernieuwing van delex Villia annalis.—4)lex iudiciaria, die deiudiciaaan den ridderstand ontnam en aan de senatoren teruggaf.—5)lex de sacerdotiis, waarbij het getal der pontifices en der augurs op 15 werd gebracht; tevens werd delex Domitia de sacerdotiisafgeschaft (zieAttia (lex)), en ook de verkiezing van denpontifex maximusen dencurio maximusdoorcooptatiovervangen.—6)leges agrariaeenlex de civitate, om aan de inwoners van een aantal democratischgezinde municipia het burgerrecht te ontnemen en hun grond onder de soldaten van Sulla te verdeelen, zie ook onderAgrariae (leges).—7)lex de provinciis ordinandis, dat de stadhouders in de provinciën ook zonderlex curiatahet imperium zouden hebben en de aftredende stadhouder binnen 30 dagen na de aankomst van zijn opvolger de provincie moest verlaten.—8)lex sumptuaria, waarbij de som bepaald werd, die op gewone dagen en op feestdagen voor het middagmaal besteed mocht worden.—Verder gaf Sulla nog eenige wetten betreffende dequaestiones perpetuae, waarbij niet zoozeer nieuwigheden werden ingevoerd, als wel eene nauwkeuriger omschrijving van de verschillende misdrijven, en hier en daar wellicht eenige verscherping van straf. Vermeld worden de volgende wetten:lex de repetundis,lex de maiestate, lex de sicariis et veneficiis,lex nummaria(tegen valsche munters),lex testamentaria(tegen testamentvervalsching)sive de falsis, lex de iniuriise.a. Zie verderiudex. Sulla’slex iudiciariawerd in 70 afgeschaft door delex Aureliavan den praetor L. Aurelius Cotta, delex tribuniciain hetzelfde jaar door delex Pompeia, delex de civitategeraakte nog veel eerder in vergetelheid. Tot delex de magistratibusbehoorde misschien ook de afschaffing der censuur en de jaarlijksche verkiezing van 20 quaestoren, die in den senaat zitting namen, waardoor deze vanzelf voltallig werd gehouden. Vooraf had Sulla het aantal senatoren op 600 gebracht, door de ontbrekende bij volkskeuze te laten benoemen.

Columbarium.Columbarium.

Columbarium.

Colonia, 1)Grieksche koloniën. Wanneer eene grieksche stad overbevolkt dreigde te worden, werd eene commissie uitgezonden, om op eene nog niet door Grieken in bezit genomen kust eene geschikte plaats te vinden voor den bouw eener nieuwe stad. Was zulk een punt gevonden, dan werd een deel der bevolking als vrijwillige landverhuizers daarheen overgebracht en van de noodige hulpmiddelen voorzien, en er verrees eene zelfstandigestad, die wel in den beginne de bescherming der moederstad genoot, maar toch niet afhankelijk van haar was. Het geval van Potidaea, dat jaarlijks zijn eersten magistraat uit Corinthus kreeg, is uitzondering, geen regel. Wel bleef er een band van piëteit tusschen de metropolis en de kolonie bestaan, als tusschen moeder en dochter, en de afgezanten der moederstad hadden bij de openbare feesten eene eereplaats, doch de burgers der eene hadden daarom nog geen aanspraak op het burgerrecht der andere. Zie ookCleruchia. De uitzending eener kolonie had onder zekere plechtigheden plaats, zooals het medenemen van vuur uit het prytanēum der moederstad, en ook werd geene grieksche kolonie gesticht zonder dat eerst een of ander orakel was geraadpleegd. Natuurlijk waren er behalve de bovengenoemde reden nog andere redenen tot stichting van volkplantingen. Bij inwendige verdeeldheid kon het gebeuren, dat de onderliggende partij besloot uit te wijken. Ook de verovering van een staat door machtiger vijanden kon aanleiding tot landverhuizing geven. Ook handelsbelangen speelden eene rol, en menige kolonie is gesticht om in afgelegen zeeën aan de koopvaarders der moederstad een veilig station te verschaffen. Met de inboorlingen van hun nieuw vaderland hadden de kolonisten vaak een hardnekkigen strijd te voeren. Overwonnen de Grieken, dan ontwikkelde zich in den regel een betrekking van perioeci, doch menigmaal ook bezweken zij, zooals b.v. de grieksche steden op de kust van Voor-Azië zich aan de lydische koningen moesten onderwerpen.—2)Romeinsche koloniën. De Romeinen zonden met een geheel ander doel koloniën uit, en wel niet naar onbewoonde plaatsen, maar naar bestaande steden in pas veroverd gebied, om daar als voorposten wacht te houden. Het waren militaire posten,propugnacula imperii. De nieuwe kolonisten kregen voor zich en hunne gezinnen woningen en landerijen, die door de oude bezitters moesten worden ingeruimd. Ze vormden een afzonderlijkegemeente. Voor een klein deel waren hetcoloniae civium Romanorum, d. w. z. de uitgezonden kolonisten waren rom. burgers, die ook in hunne nieuwe woonplaats het volle burgerrecht behielden. Hiertoe behooren o. a. decoloniae maritimae. Deze hebben, omdat zij met de verdediging der kust belast zijn,militiae vacationem sacrosanctam, waarmede echter in den tweeden punischen oorlog geen rekening gehouden werd. De meeste coloniae warencol. latinae(zie hieronder); vaak werden ook Romeinsche burgers naar veroverde streken gezonden, zonder een bepaaldecolonia, d.w.z. een stad met gemeentebestuur, te vormen; men spreekt dan vanassignationes viritanae. Zie ook onder het artikelAgrariae leges:Lex Sempronia agrariavan C. Gracchus. De oude inwoners,inquilini, werden alsdediticii, overwonnelingen, beschouwd. Evenwel werd hun nu en dan toegestaan, zich als colōni te laten inschrijven. Toen geheel Italia het burgerrecht bezat, hadden de coloniae geen militaire beteekenis meer.—Deze gewoonte, koloniën als militaire bezetting uit te zenden, was in Italia algemeen. Het latijnsche stedenverbond deed het ook, en tusschen 493 en 340, d. i. van de stichting van het romeinsch-latijnsch-hernicisch bondgenootschap tot aan den laatsten latijnschen oorlog, werden door de bondgenooten bondskoloniën uitgezonden. Na de onderwerping van Latium bevolkten de Romeinen sommige koloniën met Latijnen. In tegenstelling der vroegerecoloniae latinaewerden dezecoloniae latinae populi romanigeheeten; zij waren 39 in getal, o. a. Ariminum, Brundisium, Cremōna, Placentia, en hadden hetius Latii.—Een andere soort vancoloniaewaren die, welke nu en dan werden uitgezonden om Rome te ontlasten van behoeftige, dikwerf oproerige burgers. Dit waren landbouwkoloniën. De vestiging dezer laatste dagteekent van den tijd der Gracchen. In de burgeroorlogen werd het gewoonte, dat de overwinnaar zijne soldaten met grondbezit beloonde. Zoo wees Sulla niet slechts vele landerijen, waarvan de eigenaars omgekomen of gevlucht waren, aan zijne soldaten ter verdeeling toe, maar ook den grond van verschillende mariaanschgezinde steden, waarvan de inwoners eenvoudig uit huis en hof verdreven werden. Evenzoo wees Octaviānus in 41 en 40 acht steden in Gallia Transpadāna, tot straf voor hunne gehechtheid aan de zaak van Brutus en Cassius, aan zijne legioenen toe, bij welke gelegenheid ook Vergilius uit zijn eigendom verdreven werd. Dit zijncoloniae veteranorum.—De uitzending van koloniën had volgens eene speciale wet plaats en werd geregeld door opzettelijk hiertoe gekozen commissarissen, meestal drie,III viri coloniae deducendae.

Colonia Agrippīna, stad der Ubii of Agrippinenses, aldus in 50 n. Chr. genoemd ter eere van Germanicus’ dochter Agrippīna. Het was de hoofdstad van Germania Inferior. In den lateren keizertijd is de stad zeer belangrijk als grensvesting, en nu en dan zetel van den keizer. Thans Keulen aan den Rijn.

Colōnus,Κολωνός, demus in Attica, ten N. van Athenae, geboorteplaats van Sophocles, met een tempel van Poseidon, eene grot der Eumeniden en het graf van Oedipus.

Colophon,Κολοφῶν, aziatisch-ionische stad met de havenstad Notium door muren verbonden, beroemd door zijne vloot en zijne voortreffelijke ruiterij. Vandaar het spreekwoordΚολοφῶνα ἐπιτιθέναι= eene zaak haar beslag geven. Toch werd de stad meer dan eens ingenomen. In het nabijgelegen Clarus was een beroemd orakel van Apollo. Colophon was de geboorteplaats van den elegieëndichter Mimnermus en maakte ook aanspraak op Homerus.

Colossae,Κολοσσαί, vroeger eene aanzienlijke stad in het Z. van Groot-Phrygia, doch allengs door naburige plaatsen overschaduwd, in Strabo’s tijd nog slechts een stadje. Hier was een van de eerste christelijke gemeenten.

Colossēum, zieAmphitheatrum.

Colōtes,Κολώτης, leerling van Epicūrus, verdedigde in verscheiden werken de leer van zijn meester, en viel daarbij de oudere wijsgeeren soms hevig aan.

Columbar, als strafwerktuig vermoedelijk een houten bord, waarin men zóó gesloten werd, dat hoofd en handen er door staken. Het werd slechts voor slaven gebezigd.

Columbarium, duiventil; ook een grafkelder met een aantal rijen van nissen boven elkander om lijkbussen in te plaatsen. Zie de teekening op bldz. 187. Onder elke nis was op een plaatje de naam van den overledene vermeld. Er waren algemeenecolumbaria, waarin men eene plaats kon koopen.—Ook de roeigaten van een schip worden aldus genoemd.

Columella(L. Iunius Moderātus) geboren te Gades, leefde in het midden der eerste eeuw na C. en leverde een smaakvol en vloeiend geschreven werkde re rusticain 12 boeken; hiervan is het 10deboek, over den tuinbouw, in navolging van Vergilius, in hexameters geschreven.

Dorische zuil.Dorische zuil.

Dorische zuil.

Dorisch kapiteel.Dorisch kapiteel.

Dorisch kapiteel.

Columna. Hoewel bij verschillende volken der oudheid verschillende vormen van zuilen in gebruik waren, kunnen hier slechts de grieksche en rom. worden besproken, en wel in hoofdtrekken de dorische, ionische en corinthische zuilen. Bij degrieksch-dorische orderijst de schacht der zuil zonder voetstuk als het ware uit den bodem op; deze schacht is voorzien van ondiepe, aaneensluitende groeven, cannelures geheeten, en bereikt eene hoogte van ongeveer 4,5 à 5 maal hare benedenmiddellijn. Op de schacht rust het bovenstuk of kapiteel,capitulum,κεφάλαιον. Het onderste deel van dit kapiteel is de hals,ὑποτραχήλιον, een voortzetting der schacht door eene insnijding of een lijstje er van gescheiden, en soms met ringvormige lijnen versierd. Daarop rust de eierlijst,echīnus,ἐχῖνος, en op deze weder de vierkante dekplaat ofabacus,ἄβαξ. Op de dekplaten rust dan de draagbalk of architraaf van den bovenbouw.Bij derom.-dorischezuil is de schacht meestal glad, en wanneer zij soms gecanneleerd is, zoo strekken de groeven zich toch slechts over het bovenste tweederde deel uit, terwijl het ondereinde glad blijft. Soms rust de zuil op een voetstuk of basement, eene cirkelvormige schijf met bolronde kanten,torus.—Degrieksch-ionischezuil bereikt gemiddeld eene hoogte van 8 maal de middellijn der beneden-doorsnede; de schacht rust op een voet van kussens, door holle randen,τρόχιλοι, gescheiden. De cannelures zijn dieper dan bij de dorische zuil, en niet aaneensluitend, maar door smalle, gladde bandjes gescheiden. Het kapiteel is minder eenvoudig dan het dorische. De hals is met figuren versierd, evenzoo de eierlijst. Daarop rust een dekstuk als een veerkrachtig kussen, aan weerszijden in spiraalvormige krullen, zoogenaamde voluten, uitloopende. Dit dekstuk draagt denabacusen deze wederom den architraaf.De rom.-ionischekrul mist de welving in het midden en maakt hierdoor niet den indruk van veerkracht, dien de grieksche maakt. Ter verklaring van de grootere slankheid der ionische zuil vergeleken met de dorische diene het volgende: De ionische zuil is oorspronkelijk een binnenzuil geweest, aan de binnenzijde van een gebouw aangebracht, tot schoring van het dak. Ze was dus oorspronkelijk van hout, maar tegen de vochtigheid van den bodem geplaatst op een steenen onderstel, hetgeen de basis dezer zuil verklaart. Later werd de zuil in steen gecopieerd, en ook aan de buitenzijde aangebracht. De dorische zuil isin den regelvan steen geweest, slechts bij het Heraeum te Olympia en bij den ouden tempel te Delphi waren de zuilen van hout. De zuilen worden om het gebouw aangebracht, en hullen het als het ware in een mantel in; men noemt dit deπερίστασις.—Decorinthischezuil onderscheidt zich van de ionische door den rijkdom van haar kapiteel, dat in tal van variatiën met bladvormen en vlechtwerken is versierd. Zie de teekening op blz. 190. Oorspronkelijk waren het acanthusbladeren. Vooral de Rom. hebben dit kapiteel met allerlei versieringen aangewend. Bij de Grieken is de corinthische zuil op de wijze der ionische gegroefd, bij de Rom. dikwerf glad. Echt rom. is onder al de drie zuilenorden de vierkante voet of plint, die soms vrij hoog is.

Ionische zuil.Ionische zuil.

Ionische zuil.

Columna M. Aurelii, op de Piazza Colonna te Rome, naar het model van deColumna Traiani, door Keizer M. Aurelius opgericht ter verheerlijking zijner krijgsdaden. De zuil is 100 rom. voet (29,6 M.) hoog en omgeven door reliefs in 23 windingen; de onderste helft verheerlijkt hetbellum Germanicum, den oorlog tegen de Marcomannen en Quaden (172–173 n. C.), de bovenste helft hetbellum Sarmaticum, den oorlog tegen de Sarmaten, Iazygen en Quaden (174–175). Bovenop staat tegenwoordig een standbeeld van den apostel Paulus.

Columna bellica, kleine zuil voor den Bellōna-tempel te Rome, ten N.W. van denmons Capitolīnus. Bij deze zuil werd oudtijds het formulier der oorlogsverklaring uitgesproken.

Columna Maeniana, zuil op het Comitium te Rome, met een balkon er op, genoemd naar haren bouwmeester C. Maenius. Bij deze zuil werden slaven, dieven en gemeene misdadigers gestraft.

Ionisch kapiteel.Ionisch kapiteel.

Ionisch kapiteel.

Columna rostrāta, zuil met scheepssnebben versierd, opgericht ter eere der overwinning van C. Duillius op de Carthagers in 260.

Columna Traiāni. Onder de verschillende zuilen te Rome is vooral die van Traianus merkwaardig. Zij is van wit marmer, 117voet hoog en van binnen met een wenteltrap van 180 treden voorzien. Bovenop stond het standbeeld des keizers; thans staat er dat van den apostel Petrus. Buitenom zijn spiraalsgewijzeen relieftafereelen uit den dacischen veldtocht aangebracht, uit meer dan 2500 figuren bestaande.

Corinthisch kapiteel.Corinthisch kapiteel.

Corinthisch kapiteel.

Columnae Herculis, twee bergen aan hetfretum Gaditānum(straat v. Gibraltar), n.l. Calpe in Europa en Abyla in Afrika, volgens de mythe door Heracles vaneengescheiden, om de beide zeeën te vereenigen. Romeinsche zeelieden gaven bovendien dien naam aan het toen uit twee afzonderlijke rotsen bestaande Helgoland.

Colyttus,Κολυττός=Collytus.

Comaetho,Κομαιθώ, dochter van Pterelāus, koning der Taphiërs. Uit liefde voor Amphitryo, die de Taphiërs beoorloogde, sneed zij haar vader het gouden haar af, waarvan het behoud van zijn leven afhing; Amphitryo liet haar wegens haar verraderlijk gedrag dooden. Vgl.Nisus.

Comāna,τὰ Κόμανα, naam van twee steden, de eene in Cappadocia aan den Sarus gelegen, de andere in Pontus aan den Iris. Beide steden hadden een tempel, aan de gewapende godin Mâ gewijd, waar tempelslavinnen wapendansen uitvoerden. Vooral de pontische tempel met zijne 6000 hierodulen had een uitgestrekt landbezit, en de opperpriester er van genoot een koninklijk aanzien. Misschien hebben die gewapende vrouwenscharen aanleiding gegeven, om in die streek aan den Thermōdon de woonplaats der Amazonen te stellen.

Comes, sedert Constantijn den Grooten een titel voor hooge staats- en hofbeambten, als:comes stabuli, keizerlijk opperstalmeester,comes sacrarum largitionum, minister van finantiën, e. a. Zie ookIllustres. Er warencomites in actu, in dienst,vacantes, buiten dienst, en ookhonorarii.

Cominii, plebejisch geslacht.

Cominium, stad in Latium aan de grenzen van Samnium, ten N. van Atīna, door de Romeinen verwoest (293).

Comissatio, een drinkgelag als voortzetting dercoena, meestal tot diep in den nacht.

Comitiazijn vergaderingen, waar het romeinsche volk, na het waarnemen derauspicia, volgens een zijner politieke indeelingen bijeenkwam en waar een stemming plaats had. Het recht zulke vergaderingen samen te roepen en te leiden (ius agendi cum populo) kwam, behalve bij decom. curiata calata, alleen toe aan de hoogere overheidspersonen.

Comitia curiata calatazijn volksvergaderingen, die vroeger door den koning, later door denpontifex maximuswerden bijeengeroepen (calare) tot zekere sacrale handelingen, waarbij de tegenwoordigheid van het volk voldoende was en geene stemming plaats had. Ze kwamen bijeen voor deCuria Calabraop het Capitool, en werden in de oudste tijden gehouden tot inauguratie van den koning, deflaminesen later van denrex sacrificus, tot het maken van testamenten (testamentum comitiis calatis factum), bijarrogatiouithoofde derdetestatio sacrorum, tot afkondiging van den feestkalender, bij detransitio in plebem, enz.

Comitia curiatawaren de oudste soort van volksvergadering op het gebied van wetgeving en verkiezing. Men stemde er naar curiën, zoodat er 30 stemmen werden uitgebracht. Toen de wetgevende macht op de centuriaatcomitiën was overgegaan, werd toch aan de magistraten, die het noodig hadden, hetimperiumdoor eene curiaatvergadering verleend (lex curiata de imperio).

Comitia centuriatawaren die, waarin het volk naarclassesencenturiaestemde. Ziecenturia. Het kwam dus op den census aan, niet op geboorte. Elke centurie bracht ééne stem uit, er waren derhalve 193 stemmen. Waren de 80 centuriën der eerste klasse en de 18 riddercenturiën eenstemmig, dan behoefde reeds de tweede klasse niet meer ter stemming te worden opgeroepen. De centuriaatcomitiën worden bijeengeroepen in de eerste plaats voor de verkiezing der hoogere ambtenaren, in de tweede plaats voor de wetgeving; deze ging echter in den loop der tijden gedeeltelijk op decomitia tributa, gedeeltelijk op hetconcilium plebisover. Consuls brachten hun wetsvoorstellen steeds (behalve als ze in de oppositie waren)ex auctoritate senatusvoor decom. cent.Twee bevoegdheden van wetgevenden aard bleven uitsluitend aan de c. centuriata voorbehouden: 1º. het recht om oorlog te verklaren (lex de bello indicendo), 2º.het recht om aan de censores na hun benoeming depotestaste verleenen (lex de censoria potestate). Ook hadden zij de rechtspraak in lijfstraffelijke zaken, die haar echter sedert 149 door dequaestiones perpetuaemeer en meer werd onttrokken.—Op een niet juist bekend tijdstip, vermoedelijk tusschen 241 en 218, had er eene samensmelting der centuriën en der tribus plaats. Volgens de meest aangenomen gissing werden de burgers van elke tribus naar hunnen census en hun leeftijd in 10 centuriën gesplitst, van elke klasse een cent.senioresboven 45 jaar, en een cent.iunioresvan 17–45 jaar. Ditgaf voor de 35 tribus 350 centuriën, 70 in elke klasse. Wanneer men daarbij 18 c. ridders, 2 c. werklieden, 2 c. muzikanten en 1 c. proletariërs voegt, krijgt men een totaal van 373 centuriën en even zooveel stemmen. Zelfs bij volkomen eenstemmigheid moest dan na de stemming der eerste klasse en der ridders niet slechts de tweede klasse, maar na deze ook nog de derde ter stemming worden opgeroepen, om eene volstrekte meerderheid te verkrijgen. Anderen geven weer andere oplossingen aan de hand, die allen hierop gebaseerd zijn, dat volgens Cicero het aantal stemmen steeds 193 gebleven was. Alleen zeker is dat de eersteclassisin elketribusin eencenturia seniorumen eenc. iuniorumgesplitst was.

Comitia tributa.Zuivere tribuutcomitiën zijn die, waarin alle stemgerechtigde burgerstributimkunnen stemmen en elke tribus ééne stem uitbrengt. Over de tribuutvergaderingen der plebs onder voorzitterschap harer tribunen, zie men het artikelconcilia plebis. Op het voetspoor der volkstribunen maakten ook andere overheden van de gelegenheid gebruik, het volktributimop te roepen, omdat de tribuutvergaderingen, althans in den beginne, aan geene auspiciën gebonden waren en dus minder omslag vereischten. Delex Aternia Tarpeiadroeg in 454 aan deze comitia de rechtspraak op in boetezaken boven een zeker bedrag. In 447 werd hun de verkiezing der magistratus minores opgedragen. De eerste wetin comitiis tributisaangenomen was delex de vicesima manumissionum, waarover de consul Cn. Manlius, in het kamp voor Sutrium, het leger tribusgewijze liet stemmen (Zielex Manlia). Wetten van politieken aard zijn er overigens in decom. trib.slechts weinig voorgesteld en aangenomen. Het meest bekend zijn deleges tributae praetoriae, wetten tot regeling van het privaatrecht, dieex auctoritate senatusdoor denpraetor urbanuswerden ingediend. Delex Domitia, 104, bracht ook de verkiezing der priester-collegiën aan de tribus, doch op dezen voet, dat door het lot 17 (minor pars) van de 35 tribus zouden worden aangewezen voor de stemming, en dat de door haar gekozenen door het collegie moesten worden gecoöpteerd. Dit zijn decomitia sacerdotum.

Comitiales dies, de dagen, waaropcomitiamochten gehouden worden (quibus cum populo agi licet). Er zijn er tegen het einde van de republiek ongeveer 190. Uitgesloten waren dedies nefasti, dedies fasti, en denundinae. In den kalender worden ze aangeduid met eenC. Op denundinaemochten wel vergaderingen van de plebs (concilium plebis) gehouden worden.

Comitium, een vierhoekig plein, dat ten N. aan het forum grensde, waar oudtijds decomitia curiataplaats hadden en, voor het Forum ingericht was, ook als marktplein diende. Het lag veel hooger dan het Forum. Aan de Noordzijde lag de Curia Hostilia, ook stonden er de ambtszetels van detribuni plebis. Later werd een groot gedeelte van het plein ingenomen door de nieuweCuria Julia.

Commagēne,Κομμαγηνή, het noordelijk gedeelte van Syria met de hoofdstad Samosata aan den Euphraat, die hier nog niet bevaarbaar was. Aan den anderen kant werd het gewest door den Taurus en den Amānus ingesloten. Na Alexander d. Gr. was het onder een zijtak der Seleuciden geruimen tijd een zelfstandig rijk. Tiberius veroverde het in 17 na C.; Caligula gaf het terug; Vespasiānus maakte het weder tot rom. provincie. Onder Diocletiānus en Constantijn droeg het, met Cyrrhestice vereenigd, den naamEuphratensisofAugustophratensis.

Commeātus. Onder dit woord verstaat men niet slechts toevoer van levensmiddelen, maar ook het verlof aan de soldaten. Hoewel het recht omcommeatuste verleenen eigenlijk alleen aan den veldheer toekomt, schijnen decenturiones, evenals bij het verleenen vanvacationes munerum(zieBeneficiarius miles), hierin handel gedreven te hebben. Keizer Otho maakte hieraan een einde door aan de centurio’s eene jaarlijksche toelage te geven.

Commentarii,ἀπομνημονεύματαofὑπομν., fr.mémoires, gedenkschriften, dagboek. Ook de aanteekeningen der pontifices, die in den gallischen brand verloren gingen, worden zóó geheeten,commentarii pontificum. Het woord wordt verder ook van letterkundige geschriften gebruikt. Caesar geeft dien naam aan zijn verslag van den Gallischen en den burgeroorlog.

Commerciumis de bevoegdheid om volgens, streng rom. recht eigendom te verkrijgen en te vervreemden. Het zwaartepunt er van lag in het testament- en erfrecht. Wie toch het commercium niet bezat, kon van een burger niet erven, noch hem iets bij testament vermaken. Hij kon ook geen grondbezit hebben. Zoo zorgden de Romeinen er in den regel voor, dat decivitates(z. a.) in de onderworpen gewesten onderling geen commercium hadden.

Commius, vorst der Atrebaten, door Caesar aangesteld (57), bewees hem diensten bij den tocht naar Britannia, doch sloot zich in 52 bij den grooten gallischen opstand onder Vercingetorix aan.

Commodus (L. Aelius Aurelius), rom. keizer 180–192 n. C., zoon van Marcus Aurelius en diens gemalin Faustīna, hoewel sommigen hem voor een zoon van F. en een gladiator hielden. Hij was een der ellendigste vorsten, die op den rom. keizerstroon zetelden, verkwistte schatten aan wedrennen, zwaardvechtersspelen en dierengevechten, waarbij hij zelf optrad, en stelde er zijn roem in, de eerste gladiator van het rijk te zijn en zich als een tweeden Hercules te doen vereeren. Op aansporing zijner gunstelingen Perennis en Cleander liet hij met groote wreedheid de beste burgers om het leven brengen, tot hij eindelijk zelf vermoord werd.

Commodus (L. Ceionius), zieVerus.

Comoedia,κωμῳδία. De uitgelaten vroolijkheid, die bij de Dionysusfeesten placht te heerschen, uitte zich o. a. ook in kunsteloozeliederen, waarin zij, die aan het feest deelnamen, elkander en anderen vrijmoedig, dikwijls op zeer ruwe wijze, plaagden en bespotten. Uit deze liederen ontwikkelde zich mettertijd, onder de handen van eenige verdienstelijke dichters, de comedie. Nadat in Megara en op Sicilië de eerste stappen in deze richting gedaan waren, kwam deze dichtsoort tot hoogen bloei te Athene, waar het afwisselend en veelbewogen leven den dichters rijke stof opleverde, waarvan zij met de aloude vrijheid gebruik maakten. Geen onderwerp is van zoo teederen aard, of de comediedichters durven het op hunne wijze behandelen, geen persoon is zoo machtig of hoog geplaatst, of zij stellen hem, ook in zijn huiselijk leven, voor het volk ten toon en geven zijne feilen en tekortkomingen, natuurlijk veelal zeer overdreven, aan de openbare bespotting prijs; zoo werd de comedie een middel, waardoor de openbare meening met onbeperkte vrijheid over personen en toestanden kritiek uitoefende. Aan handeling ontbreekt het in de comedie niet, maar eenheid zou men er tevergeefs in zoeken; met onbeteugelde phantasie laat de dichter op de meest onverwachte wijze het eene tooneel op het andere volgen, mits hij de gelegenheid vindt zijne toeschouwers te doen lachen. Schijnt dus scherts en spot het eenige doel der comedie te zijn, als geheel beschouwd hebben de stukken, ten minste voor zoover wij ze kennen, eene ernstige strekking; wel beschouwd bestaat immers alles wat afgekeurd en bespot wordt, door toedoen of ten minste met goedvinden van het publiek, het oppermachtige volk; de dichter schroomt dan soms ook niet zelf, door middel van het koor, het woord tot de toeschouwers te richten en hun met ernst en aandrang mede te deelen wat hem op het hart ligt. In het bizonder dient daartoe deparabasis(παράβασις), een intermezzo, dat met de handeling niet in het minste verband staat. De voornaamste aantrekkelijkheid der oude comedie (ἀρχαία κωμ.) ging verloren, toen omstreeks het einde van den peloponnesischen oorlog hare vrijheid door wettelijke bepalingen beperkt en het verboden werd bestaande personen te noemen (ὀνομαστὶ κωμῳδεῖν), tevens werden de stukken met veel minder luister opgevoerd en langzamerhand vervielen ook de koren. Daarentegen leggen de dichters der nieuwe komedie (νέα κωμ.) zich meer op de eigenlijk gezegde dramatische kunst toe: in hunne stukken verloopt de handeling meer natuurlijk en voert geleidelijk tot de ontknooping, in plaats van bepaalde personen worden typen uit het dagelijksche leven ten tooneele gevoerd, de karakters worden beter volgehouden, enz. Het overgangstijdperk tusschen de oude en nieuwe comedie noemt men den tijd derμέση κωμ.—De rom. comedie is eene navolging van de nieuwe grieksche; een enkel stuk dat, naar het voorbeeld der oude attische comedie, tegen verscheiden aanzienlijke Rom. gericht was, bezorgde den schrijver, Naevius, gevangenisstraf. De stukken zijn meestal uit het Grieksch vertaald of bewerkt; in defabulae palliataekomen zelfs grieksche, in de veel minder talrijkefabulae togataeromeinsche toestanden en kleederdrachten voor.

Comperendinatio. Wanneer eene rechtszaak niet op één dag kon worden afgehandeld, werd zij verdaagd tot den derden (volgens onze rekening den tweeden) dag daarna,in diem perendinum. Vandaar wordt de tweede termijn van een procescomperendinatiogenoemd, ook al viel deze niet op den derden dag.

Compitalia, feesten 3–5 Januari ter eere derLares compitales, beschermgoden dercompita. Dit is oorspronkelijk vooral een feestdag voor defamilia, de slaven, en op dien dag mag devilicusofferen. Eencompitumis een punt, waar twee of meer straten of wegen zich vereenigen of elkander kruisen. Gewoonlijk vond men daar een Larenkapel of een altaar. De landelijke dienst derLares compitalesging ook op de stad over, waar zich uit de wijkencollegia compitaliciavoor de viering van de wijkfeesten vormden; meestal bestaan deze uit slaven en vrijgelatenen. Later is de keizersvereering hierop overgegaan, en werd deGenius Augustitusschen de tweeLares compitalesvereerd.

Compluvium, vierkante opening in het dak van hetatrium, waardoor het licht naar binnen viel. De naam is hieraan ontleend, dat het dak naar de opening toe eenigszins afliep, om het regenwater te verzamelen, dat dan beneden in hetimpluviumof den regenbak werd opgevangen. Zie de afbeelding van een oud pompeiaansch huis, dat hiervan een voorstelling geeft, onderdomus.

Compromissum, plechtige wederzijdsche belofte van geschilvoerende partijen, om hunne zaak aan de beslissing van eenarbiterte onderwerpen.

Compsa, stad der Hirpīni in Zuid-Samnium nabij de bronnen van den Aufidus.

Comum,Κῶμον, stad in Gallia Transpadāna aan den lacus Larius (meer v. Como), een zeer bloeiende rom. kolonie en een voorpost tegen de Alpenvolken. Plinius Secundus minor was hier geboren. Comum had beroemde ijzerfabrieken.

Concilia plebis. Eenconciliumis eene vergadering, niet van het geheele volk, maar van een gedeelte, van een enkelen stand, b.v. alleen van de patriciërs of alleen van de plebejers. De volkstribunen nu, die alleen overheden der plebs, maar geenemagistratus populi Romaniwaren, konden alleen de plebejers oproepen; de lex Publilia Voleronis van 471 bepaalde, dat de volkstribunen het recht zouden hebben, de plebstributimop te roepen tot het verkiezen van hun opvolgers (zie hieromtrent ondertribuni plebis), eerst slechts de stedelijke bevolking, later sedert de vrijmaking van het platteland (457), ook de landelijke; er zijn dan 21 tribus. De besluiten van zulk eenconcilium plebiswaren geeneleges, maarplebiscita, en alleen verbindend voor de plebejers, niet voor het geheele volk. Doch de tribunen, steunende op hunne onschendbaarheid en op de getalsterkte derplebs, brachten het zóó ver, dat deplebiscitaook voor de patriciërs verbindend werden. Drie wetten brachten de gelijkstelling vanplebiscitametlegestot stand: delex Horatia Valeriain 449,ut quod tributim plebs iussisset, populum teneret, delex Publiliain 339,ut plebiscita omnes Quirites tenerent, delex Hortensia, in 287,ut eo iure, quod plebs statuisset, omnes Quirites tenerentur. V. s. zijn de twee eerste wetten een anticipatie van de lex Hortensia. ZieHoratiae Valeriae (leges). Sedert dezen tijd worden deconcilia plebisook veelvuldig met den naamcomitia tributabestempeld, en worden deplebiscitaooklegesgenoemd. Het eenige verschil tusschencomitia tributaenconcilium plebisis sedert delex Hortensiagelegen in den voorzitter; is de voorzitter eenmagistratus populi, dan spreekt men vancom. trib., is deze eenmag. plebis, dan heet de vergaderingconcilium plebis. Conciliaheeten in den keizertijd ook de provinciale landdagen, die vooral bijeenkomen voor de vereering des keizers, dencultus Augusti.

Conciliabulum, eigenlijk verzamelplaats. Onder dezen naam werden marktvlekken en gerechtsplaatsen verstaan, die echter niet de rechten van een municipium hadden. Zievicusno. 3.

Concio=Contio.

Concordia, godin der eendracht, voornamelijk van de eendracht tusschen de burgers en in den keizerstijd tusschen de leden van het keizerlijke huis. Wanneer burgertwisten bijgelegd waren, bouwde men een tempel voor Concordia. De voornaamste van die tempels lag aan het Forum en was door Camillus gesticht na aanneming der licinische wetten. De godin werd afgebeeld als eene deftige matrone met een horen van overvloed en een olijftak of een schaal in de handen.

Concubinātus, het samenleven van twee wettelijk ongehuwden, tusschen wie geen wettig huwelijk mogelijk is bij gebreke vanconubium. Ook wordt het woord gebezigd voor de samenleving van een ongehuwd man met eene vrouw, die in stand ver beneden hem stond, b.v. met eenelibertavan hem. Trouwbreuk derconcubīnawas volgens de zienswijze der rom. juristen als echtbreuk strafbaar. De kinderen warenliberi naturales. Soms wordtconcubinaook wel in den zin vanpellexgebezigd.

Condāte, keltische stedennaam = het latijnscheConfluentes. Er waren in Gallia Transalpīna een aantal steden van dezen naam, aan de samenvloeiing van twee rivieren gelegen, als: in het gebied der Aeduërs, thans Cosne,—bij de Allobrogers, thans Seyssel,—bij de Redoners, thans Rennes,—bij de Santonen, thans Cognac,—bij de Senonen, thans Montereau. Eéne heeft den ouden naam vrij wel behouden, nl. Condate Aulercorum, thans Condé.

Condictio, eigenlijk eene afspraak. In rechten beteekent eeneactio per condictionemde inleiding van een proces door eene dagvaarding om over 30 dagen voor den praetor te verschijnenad iudicem capiendum. Later heette elke persoonlijke aanklacht aldus, terwijl de dagvaarding achterwege bleef. Eenecondictiohad altijd eencertumtot onderwerp, b.v. eenecerta pecunia, eene bepaalde som gelds.

Condrūsi, germaansche volksstam in Belgica, aan de Mosa (Maas). Hun naam leeft nog voort in Condroz, tusschen Luik en Namen. Zij waren onderhoorig aan de Treviri.

Condylium, sterkte in het land der Perrhaebi (Thessalia).

Confarreatiowas de oudste vorm van een rom. huwelijk en ontleende den naam aan den speltkoek,panis farreus, dien het bruidspaar samen nuttigde. Het huwelijk werd voltrokken in tegenwoordigheid van denpontifex maximus, denflamen Dialisen tien getuigen en van depronuba(z.a.). Na afloop van de plechtigheid zeide de echtgenoote: “ubi tu Caius (meester), ego Caia (meesteres)”. Door deze huwelijksvorm ontstond tevens demanus(z.a.). Zie ooknuptiae. Het kon alleen ontbonden worden doordiffarreatio(z.a.). Voor de priesterwaardigheid vanflamen Dialis,MartialisenQuirinalisenrex sacrificulusmoest men uit een huwelijkper confarreationemgesproten, en wanneer de vrouw ook als priesteres moest optreden, ook op deze wijze gehuwd zijn. Daar deconfarreatiolangzamerhand in plaats van regel uitzondering werd, werd het dikwijls moeielijk, voor deze priesterschappen geschikte personen te vinden.

Confluentes, thans Coblenz, aldus genoemd omdat het aan de samenvloeiing van Mosella en Rhenus lag.

Congiarium, uitdeeling van een zeker aantalcongiiwijn, olie en dgl. onder het volk door de overheden op eigen kosten bij plechtige gelegenheden. Vervolgens werd dit woord ook gebruikt voor andere bedeelingen, zelfs in geld. De uitdeeling had plaats intesseraeof bons, op vertoon waarvan men op aangewezen plaatsen de waarde kon ontvangen. In enkele gevallen werden dezetesseraeonder de menigte te grabbelen geworpen.

Congius, rom. maat voor natte waren, iets meer dan 3 liter. Er gingen 8congiiop eene amphora.

Conisterium,κονιστήριον, κονίστρα, in het gymnasium de plaats, waar worstelaars en vuistvechters zich oefenden; in het theater de plaats, waar de orchestra opgeslagen was, vandaar ook de orchestra zelve.

Connubium, minder goed voorconubium.

Conon,Κόνων, 1) atheensch vlootvoogd in den peloponnesischen oorlog. Na het ontslag van Alcibiades werd hem met anderen het opperbevel opgedragen, hij werd echter door Callicratidas op zee verslagen en in de haven van Mytilēne ingesloten; de overwinning der Atheners bij de Arginusen (406) bevrijdde hem. Bij Lysander’s overwinning bij Aegospotami was hij de eenige admiraal, die waakzaam genoeg was om met eenige schepen behouden te ontkomen. Hij ging naar Cyprus, van waar hij betrekkingen aanknoopte met het perzische hof, en toen Agesilāus in Aziëkwam, kreeg Conon het bevel over eene perzische vloot, waarmede hij de spartaansche vloot onder Pisander bij Cnidus volkomen versloeg (394). Door Pharnabāzus geholpen, verjoeg hij de Spartanen uit de eilanden en steden van Klein-Azië, landde hier en daar op de peloponnesische kusten, en liet voor perzisch geld de muren van Athene herstellen. Kort daarna door de Atheners naar den spartaanschgezinden perzischen veldheer Tiribāzus gezonden, werd hij door dezen te Sardes gevangen genomen, doch waarschijnlijk wist hij te ontsnappen en eindigde hij zijn leven op Cyprus.—2)van Samus, beroemd wis- en sterrenkundige, vriend van Archimēdes, gestorven ± 240.—3)taalkundige, die onder Caesar te Rome leefde, schreef vijftig verhalen van geschiedkundigen en mythologischen inhoud.

Conopēum,κωνωπεῖον, een gordijn of deken van lichte stof, waarmede men zich bedekte om in den slaap niet door insecten gehinderd te worden.

Conquisitōres, werfofficieren, buitengewone commissarissen, die in hachelijke tijden zooals na den slag bij Cannae, uitgezonden werden om allen, die voor den krijgsdienst geschikt waren, te pressen.

Conscripti, ziePatres Conscripti.

Consecratio, zieapotheosis.

Consentes diizijn de twaalf goden, aan wie ingevolge de bepalingen derlibri Sibyllinivolgens Grieksch gebruik voor het eerst in 217 een lectisternium aangeboden is; het waren 6 paren van goden:Jupiteren Juno, Neptūnus en Minerva, Mars en Venus, Apollo en Diāna, Volcānus en Vesta, Mercurius en Ceres, naar analogie van de 12 groote goden der Grieken. Er werden van henstatuae aurataeop het forum opgesteld. In de 4deeeuw (367) n. C. zijn deze voor het laatst hernieuwd, en opgesteld in deporticus deorum Consentiumaan den Clivus Capitolīnus, die nog bestaat.

Consentia, thans Cosenza, sterke vesting in het N. van het land der Bruttii, in het binnenland, aan den bovenloop van de Crathis. Hier stierf Alarik.

Considii, plebejisch geslacht, waarvan wij hier alleen vermeldenC. Considius Longusdie in 50 zijne provincie Africa verliet en aan zijn legaat Q. Ligarius overdroeg, om zich te Rome candidaat te stellen voor het consulaat. Later naar Africa teruggekeerd, vond hij wel zijne plaats ingenomen, doch bezette Hadrumētum en verzette zich tegen Caesar, tot hij na den slag bij Thapsus (46) door zijn eigen soldaten vermoord werd.

Consilium. Wanneer iemand door den praetor alsiudexwas aangesteld om in een proces vonnis te wijzen, eischte de gewoonte gebiedend, dat hij zich met eenconsiliumvan rechtskundige vrienden als adviseurs omgaf. Zoo behoorde ook depaterfamilias, wanneer hij als huisrechter in familiezaken optrad, eenconsiliumvan bloedverwanten en buren bijeen te roepen.Consilium principisis de kabinetsraad des keizers.

Consistorium principisis de naam, dien de keizerlijke staats- of kabinetsraad sedert Diocletiānus droeg.

Constans. Na den dood van Constantijn den Gr. (337 n. C.) en na de vermoording van Dalmatius, verdeelden de zonen op het congres te Viminacium het rijk, en kreeg de oudste zijner drie zonen,Constantīnus II, het bestuur over Gallia, Britannia, Hispania en Mauretania Tingitāna. De tweede zoonConstantiuskreeg het Oosten; de derde,Constans, bestuurde Italia, Illyricum, Macedonia, Achaia, Thracia en Africa. Constantinus II deed zijn broeder Constans den oorlog aan, doch werd in 340 bij Aquileia verslagen en verdronk op de vlucht. Constans voegde nu zijns broeders gebied bij het zijne, terwijl hij Thracia aan zijn broeder Constantius afstond. In 341 en 342 vocht hij voorspoedig tegen de Franken. Hij was een flink krijgsman. In den kerkelijken strijd was hij op de hand van Athanasius. Om zijne losbandige levenswijze algemeen veracht, werd hij in 350 bij een legeropstand onder Magnentius te Illiberis (Helena), door de soldaten vermoord.

Constantia, zuster van Constantijn den Gr. en sedert 312 n. C. echtgenoote van Licinius.

Constantia, latere naam van Salamis op Cyprus, zieSalamis.

Constantīna, naam van eenige steden, ter eere van Constantijn den Gr. aldus verdoopt, o.a. Cirta in Numidia, thans nog Constantine, en Tomi aan de Zwarte zee, het ballingsoord van Ovidius.

Constantinopolis, zieByzantium.

Constantīnus Magnus(Flavius Valerius), rom. keizer 306–337 na C., was de oudste zoon van Constantius Chlorus en Helena, geboren te Naïssus 285 of later. Hij diende eerst onder Diocletiānus en Galerius in het Oosten. Toen zijn vader tot Caesar werd verheven (292), zocht Galerius hem uit wantrouwen onder zijn bereik te houden, doch moest eindelijk toegeven, dat de zoon zich naar Britannia tot zijn vader begaf. In 306 stierf Constantius Chlorus, die sedert een jaar den rang van Augustus bezat, te Eborācum (York) op een tocht tegen de Picten, waarop Constantinus door de troepen tot Augustus werd uitgeroepen, hoewel Galerius hem slechts als Caesar erkende. In den strijd van Galerius tegen den ouden keizer Maximiānus en diens zoon Maxentius mengde Constantinus zich in den beginne niet, hoewel hij Maximianus’ dochter Fausta huwde; doch na den dood van Galerius aanvaardde hij den strijd tegen alle medekeizers en pretendenten en bleef hij eindelijk als alleenheerscher over. Reeds in 310 had hij zijn schoonvader laten dooden, toen deze hem naar het leven stond. In 312 trok hij op tegen zijn zwager Maxentius, dien hij bij denpons Milvius, ten N. van Rome, versloeg. Zijn leger was in dezen slag 98000 man sterk, dat van Maxentius 170000; C. gebruikte daarin de kruisvaan (hetLabarum) en zijne soldaten droegen het teeken des kruises op hun schilden. Hij was nu alleenheerschervan het Westen, terwijl zijn zwager Licinius sedert den dood van Maximīnus Daia (313) het Oosten in handen had. Reeds in 314 ontstond een oorlog tusschen hen, waarin L. in verschillende gevechten, o. a. in den slag bij Cibalae, verslagen werd, en Illyricum aan C. moest afstaan. In 323 brak de oorlog op nieuw uit; C. overwon in twee groote slagen, bij Adrianopel en bij Chrysopolis, waarop L. gevangen genomen en afgezet werd. Van nu af aan is C. alleenheerscher over het geheele rijk.

Van den beginne af had hij het Christendom begunstigd; na zijn overwinning op Maxentius besluit hij te Rome de christelijke priesters uit de staatskas te bezoldigen, en hen te bevrijden van de gemeentelasten, waardoor de christelijke eeredienst een door den staat erkende eeredienst wordt, en de Christenen gelijke rechten krijgen als de belijders der oude leer; hij ruimde hun ook openbare gebouwen in als kerken en liet nieuwe kerken voor hen bouwen; later verbood hij ook de heidensche offers. In 325, na den val van Licinius werd te Nicaea in Kl.-Azië onder zijn voorzitterschap het beroemdeconciliegehouden, en in 327 nogmaals bijeengeroepen. In het bestuur van het rijk bracht hij ingrijpende veranderingen, o. a. door het burgerlijk bestuur der provinciën streng van het militaire te scheiden. De hoogste burgerlijke ambtenaren zijn de 4praefecti praetorio(z. a.), depraefectus urbite Rome en die te Constantinopel; de hoogste militairen waren demagistri equitumenpeditumofutriusque militiae, oorspronkelijk twee, later meer. De keizerlijke garde (depalatinivan keizer Diocletianus) werd tot een veldleger uitgebreid, decomitatenses, terwijl de grenstroepen, delimitanei, tot soldaten van den tweeden rang verlaagd werden. Hij voerde een oostersche keizervereering in, omgaf zich met een vasten hofstoet van paleisbeambten, verdeelde de hooge ambtenaren in vier klassen met de titels vanillustres, spectabiles,clarissimienperfectissimi, en verplaatste de residentie en den zetel der regeering naar Byzantium (Constantinopel) in 330 n. C. Van zijne hardvochtigheid en wreedheid getuigen o. a. het ombrengen zijner gemalin Faustīna en van zijn zoon Crispus. Hij stierf 22 Mei 337 te Nicomedēa.

Constantinus II(Flavius Claudius), keizer 337–340 na C., oudste zoon van Constantijn den Gr., streed voorspoedig tegen de Sarmaten, doch kwam in den strijd tegen zijn broeder Constans om. ZieConstans.

Constantīnus III, een soldaat, die ten tijde van Honorius van 407 tot 411 n. C. in Britannia en Gallia voor keizer speelde, doch gevangen genomen en ter dood gebracht werd.

Constantius Chlorus(Flavius Valerius), romeinsch keizer van 293–306 n. C., vader van Constantīnus Magnus. Hij was van geringe afkomst, maar leidde later zijn geslacht af van Claudius Gothicus. In 293 werd hij Caesar voor het Westen. Hij streed gedurende zijn geheele regeering tegen de Franken, en voegde Britannia, waar Allectus, opvolger van Carausius (z. a.) heerschte, weer bij het rijk (296). Hij woonde te Trier, waar van zijn paleis de ruïne nog te zien is. Toen Diocletiānus en Maximiānus 1 Mei 305 het bewind neerlegden, werd C. Augustus. In 306 stierf hij te Eborācum (York). ZieConstantinus Magnus.

Constantius II, tweede zoon van Constantijn den Gr., zieConstans.—Na den dood zijns vaders ruimde hij, schijnbaar onder den aandrang van zijn leger, een aantal bloedverwanten uit den weg. Twee neven bleven gespaard, Gallus, dien hij later, in 354 na C., toch liet ombrengen, en Juliānus, die hem in 361 opvolgde. Door den dood zijner beide broeders werd Constantius in 350 alleenheerscher. Een tegenkeizer, Magnentius, werd verslagen en doodde zichzelf, door allen verlaten, in 353 te Lugdūnum (Lyon). Constantius bracht zijn leven door in oorlogen met de Perzen en met verschillende kroonpretendenten, en stierf in Cilicia in 361, terwijl hij op marsch was tegen zijn neef Caesar Julianus, die in 360 in opstand was gekomen.

Constantius(Flavius), veldheer van keizer Honorius, versloeg o.a. den overweldiger Constantīnus III, huwde in 417 na C. ’s keizers zuster Placidia en werd in 421 door Honorius tot Aug. en medekeizer benoemd, doch stierf nog in datzelfde jaar.

Consualia, z.Consus.

Consulairtribunen=tribuni militum consulari potestate.

Consules,ὕπατοι. Na de verdrijving der laatste koningsfamilie uit Rome werd het consulaat ingesteld. Dit ambt werd telkens door twee mannen gedurende een jaar waargenomen. Stierf er een, dan werd in zijne plaats een ander gekozen,consul suffectus. Zij werden gekozen in de centuriaatcomitiën. Hun titel, uitconensulsaamgesteld (op de wijze vanex-sul), beteekent zooveel als samengaanden, ambtgenooten. Als erfgenamen der koninklijke macht hadden zij deinsigniadaarvan:toga praetexta, sella curulis, lictores. Zij vervulden ook den werkkring des konings, totdat door de instelling der censuur en der praetuur een deel hunner werkzaamheden op afzonderlijke magistraten overging. Te Rome riepen zij den senaat bijeen, zaten daarin voor en voerden de genomen besluiten uit. Hunne rechtsmacht was beperkt door deprovocatio, doch in oogenblikken van gevaar werd hun somtijds door den senaat buitengewone, dictatoriale macht verleend door de formule:videant consules, ne quid respublica detrimenti capiat. In het leger was hunne macht nagenoeg onbeperkt; de krijgseed werd door de soldaten aan hen gedaan (iurare in verba consulis). De aanvaarding van hun ambt moest met bepaalde plechtigheden geschieden: auspiciën, een offer op het Capitool, eene plechtige senaatszitting, viering derferiae Latinae. Wie deze formaliteiten verzuimde, zooals in 217 Flaminius, werd door velen gerekend eigenlijk geen consul te zijn.Tweemaal is het consulaat geschorst, de eerste maal in 451 door de instelling derdecemviri legibus scribundis, de tweede keer in 445 door de instelling vantribuni militum consulari potestate. Door een derleges Liciniae Sextiae(z. echter aldaar) in 367, werd bevolen, dat één der consuls uit de plebejers zou gekozen worden. In 172 werd het consulaat voor de eerste maal door twee plebejers bekleed. De dag, waarop de consuls hun ambt aanvaardden, is in verschillende tijden verschillend geweest, sinds 222 echter was het geregeld de 15deMaart, sinds 153 (z.Fulviino. 13) geregeld de 1steJanuari. Sulla bepaalde, dat de consuls gedurende hun ambtsjaar in Rome moesten blijven, en eerst na afloop daarvanpro consulenaar eene provincie mochten gaan. In de laatste halve eeuw der republiek komen enkele afwijkingen voor. Zoo werd in 52 Pompeius totconsul sine collegagekozen. Onder de keizers werd het consulaat eene schijnvertooning. De benoeming geschiedde in den regel voor twee maanden; de eerste van elk jaar heettenconsules ordinarii, de volgendesuffecti. Macht was er niet meer aan verbonden; het was alleen om de eer te doen en om later den titel vanconsulariste kunnen voeren. Om de eerzucht te bevredigen, benoemden de keizers soms wel oud-consuls titulair,consulares honorarii.—Consul designatuswas hij, die tot consul gekozen was, maar zijn ambt nog niet aanvaard had. Met opzet liet men de verkiezing eenigen tijd aan de aanvaarding voorafgaan, opdat de benoemden tijd zouden hebben zich op de hoogte der zaken te stellen.

Consus, oud-italisch god van den landbouw, eigenlijk van het in de schuren geborgen graan (vancondere). Hij had een tempel op den Aventīnus, en een onderaardsch altaar in den Circus. Zijn voornaamste feestdag, deConsualia(21 Augustus) is een oogstfeest; aan Consus worden de eerstelingen van den oogst geofferd, en verder wordt het feest gevierd metludi circenses, bestaande oorspronkelijk in wedrennen van muildieren, die onder de bescherming van Consus staan. Hij raakte spoedig in vergetelheid, en nu werd hij door de Romeinsche geleerden geïdentificeerd met Neptūnus Equester,Ποσειδῶν Ἵππιος. Ook nam men aan, dat op zijn feest de sabijnsche maagdenroof zou gepleegd zijn, en dat ter herinnering hieraan die dag luisterrijk met groote wedrennen gevierd werd.

Contestatio litis=Litis contestatio.

Contio, saamgetrokken uitconventio, volksvergadering, door een overheidspersoon bijeengeroepen, om een of andere mededeeling te doen, in het algemeen voor alle openbare staatkundige en godsdienstige handelingen van ambtenaren en priesters, voor het afkondigen van edicten, of om eenig onderwerp in debat te brengen. Stemming kon in eenecontioniet plaats hebben. De voorzittende magistraat opende decontiomet een gebed,sollemne precationis carmen. Het debat was niet vrij. De voorzittende magistraat kon naar goedvinden het woord verleenen,contionem dare, of weigeren. Hij kon ook iemand ongevraagd oproepen om het woord te voeren, hij kon ook het debat sluiten,contionem summovere. In eenecontiostaat het volk niet gerangschikt naar curiën, centuriën of tribus. Bij de wetgevendecomitiawerd de stemming door eencontiovoorafgegaan. Ook het strafproces werd in eerste instantie viermaal in eencontiobehandeld. Voor de eerste (prima accusatio) riep de magistraat (quaestorofduoviri perduellionis) denreusop, om zich op een bepaalden dag te verantwoorden (diei dictio). In een tweede en derdecontio, telkens door minstens één dag gescheiden (z.comperendinatio) volgde nu getuigenverhoor en verdediging. Bij dequarta accusatiowerd nu, indien de magistraat den aangeklaagde schuldig bevond, het vonnis geveld. Kwam dan de veroordeelde in hooger beroep bij het volk, dan volgde na minstens 24 dagen (in trinundinum) de bijeenkomst dercomitia centuriata, die het vonnis bekrachtigde of vernietigde.

Contractus, contract, overeenkomst, van dien aard, dat overtreding of niet-naleving ervan grond oplevert tot eene rechtsvordering, wat bij eenpactumof afspraak in den regel niet het geval is.

Contrebia, sterke stad der Celtiberiërs in Hispania Tarraconensis Z.Z.W.waarts van Caesaraugusta (Saragossa).

Contubernāles, de krijgsmakkers, die in dezelfde tent kampeerden. Ook verstaat men er jonge Romeinen van aanzienlijken huize onder, die zich vrijwillig alscomitesbij den veldheer aansloten, om zich in de krijgskunde te oefenen, en die in de veldheerstent, hetpraetorium, met den veldheer het middagmaal gebruikten.

Contubernium, de toestand vancontubernales. Ook het huwelijk van of met slaven of slavinnen, dat geene rechtsgeldigheid had, daar slaven geen conubium hadden.

Contumacia, vancontemnere, niet voldoen aan de oproeping van den praetor, om voor den rechter te verschijnen. De partij, die niet verscheen, verloor bij verstek onherroepelijk zijn proces. In strafzaken stond op het niet verschijnen van den beklaagde deaqua et igni interdictio.

Conubium, de bevoegdheid volgens de wet om een rechtsgeldig huwelijk,matrimonium iustumoflegitimum, te sluiten. Dit bestond in de oudheid niet tusschen burgers van verschillende staten, indien het niet uitdrukkelijk bij verdrag bepaald was. Vóór 445 bestond te Rome ook geenconubiumtusschen patriciërs en plebejers; eerst delex Canuleiastond dit toe. Was erconubium, dan volgden de kinderen den stand des vaders, anders dien der moeder. Zie verdermatrimonium.

Convenae, gemengde bevolking in Aquitania langs den Garumna (Garonne) aan den voet der Pyrenaeën, gedeeltelijk door Pompeius uit Hispania daarheen overgebracht. De hoofdplaats was Lugdūnum Convenārum.

Conventio in manum.Manuswas de macht van den man over de vrouw, waarmede gepaard ging het beheer van haar vermogen.De vrouw kwam door huwelijkin manum mariti. Bij een huwelijkper confarreationemofper coëmptionemwas deconventio in manumeen onmiddellijk gevolg, bijususechter volgde zij eerst na een onafgebroken bezit van een vol jaar en kon zij verhinderd worden, wanneer de vrouw vóór den afloop van het jaar eentrinoctiumbuitenshuis doorbracht. In den loop des tijds werd deconventio in manumdoorcoëmptioook in zwang gebracht, niet om te huwen, maar om agnatenvoogdij te ontgaan,coëmptio cum extraneo fiduciae causa. Zie hierover het artikeltutela.

Conventus. Een rom. provincie was voor de rechtspleging in arrondissementen of distrikten ingedeeld,conventusgenaamd, en in de hoofdplaatsen daarvan hield de stadhouder zijne rechtsdagen (conventumofforum agere).Conventusbeteekent ook wel de saamgekomen menigte, de vergadering.—Onderconventus civium Romanorumverstaat men eene corporatie van in zulk een distrikt woonachtigecives Romani, de romeinsche gemeente aldaar.

Convivium,συμπόσιον, drinkgelag na den maaltijd, iets, waarvan de Rom. bij een gastmaal hartstochtelijke liefhebbers waren. Door het lot (het werpen met dobbelsteenen) werd een der dischgenooten tot president aangewezen,arbiterofmagister bibendi, rex vini, die omtrent de menging van den wijn, het aantal schepjes (cyathi) voor elken beker, zijne bevelen gaf en de tafelwetten vaststelde. Onder de aardigheden bij zoodanigconviviumbehoorde ook hetad numerum bibere, het drinken op iemands gezondheid met zooveel bekers (hoewel niet in eens), als diens naam letters bevatte. Ook decottabuswas een geliefd spel daarbij. Terwijl bij de Grieken een symposion nog wel eens met verstandige gesprekken kon gepaard gaan, was het bij de Rom. vaak alleen aan het drinken gewijd. Zieδεῖπνον.

Coos=Cos.

Copa, ookcaupaencupa, waardin, meisje uit een herberg, vooral eene, die door een dans met begeleiding van castagnetten bezoekers trachtte te lokken.Cupais ook de titel van een klein gedicht, aan Vergilius toegeschreven.

Cōpae,Κῶπαι, oude bondsstad van Boeotia, aan het meer Copāis.

Copaïs,Κωπαίς, het meer van Copae, in Boeotia, bekend door zijn fluitenriet en zijne alen. Het riviertje Cephissus stroomde er door, terwijl onderaardsche kanalen,catabothra, het water afvoerden. In den zomer droogde het meer grootendeels uit en vormde dan een aantal kleine meertjes.

Cophen,Κωφήν, zijtak van den Indus, waaraan Cabura (Kabul) en Nagara liggen.

Copia, sedert 193 lat. kolonie in het gebied van het oude Thurii, z. a.

Copis,κόπις, een licht gekromde sabel, vooral bij oostersche volken in gebruik.

Coponii, plebejisch geslacht uit Tibur afkomstig. Een hunner, C. Coponius, redde bij Carrhae het rom. leger na den dood van Crassus (53).

Copreus,Κοπρεύς, zoon van Pelops, vluchtte wegens den moord van Iphitus uit Elis naar Eurystheus, die hem als heraut gebruikte om zijne bevelen aan Heracles over te brengen, daar hijzelf zich niet in diens tegenwoordigheid durfde wagen.

Coptus,Κοπτός, stad in Boven-Aegypte, door handel bloeiende, niet ver stroomafwaarts van Thebae.

Cora,Κόρη=Persephone.

Cora,Κόρα, oude latijnsche stad op den rand van het Volscisch gebergte, met cyclopische muren.

Coracesium,Κορακήσιον, vesting en zeerooversnest in W. Cilicia.

Coras, zieTiburtus.

Corassiae,Κορασσίαι, eilandjes op de aziatisch-ionische kust, niet ver van Samus. Zie ookCorsiae.

Corax,Κόραξ, een Siciliër, die na den dood van Hiero (467) over Syracuse regeerde, maar zich later van het staatsbestuur terugtrok. Hij beoefende vlijtig de wetenschap en was de eerste, die de leer der welsprekendheid theoretisch behandelde.

Corax,Κόραξ, berg in het oosten van Aetolia.

Corbio, 1) vesting der Aequers in Latium op den berg Algidus, oorspronkelijk latijnsch.—2)stad der Suessetanen in Tarraconensis, nabij den Ibērus (Ebro), thans Berga.

Corbulo, familienaam in degens Domitia, z.Domitiino.16.

Corcȳra,Κέρκυρα, laterΚόρκυρα, waarschijnlijk het Scheria der Phaeaciërs bij Homerus, aanzienlijk eiland tegenover de epirotische kust in de ionische zee gelegen, sedert ongeveer 700 volkplanting van Corinthus. De toenemende bloei van Corcyra wekte den naijver van Corinthus op, en reeds in 660 waren de twee staten in oorlog; in dezen oorlog wordt het eerst van een geregelden zeeslag melding gemaakt. Toen in 436 de gebeurtenissen in Epidamnus eene botsing tusschen de beide staten hadden uitgelokt, zocht Corcyra, dat eene machtige vloot had, hulp bij Athene en verhaastte hierdoor de uitbarsting van den peloponnesischen oorlog. Na Alexander d. Gr. geraakte Corcyra door inwendige verdeeldheid in verval en stelde zich in 228 onder romeinsche bescherming. De hoofdstad heette ook Corcyra en had eene hooggelegen acropolis. De eilanders stonden in geen goeden reuk, en hadden den naam, brutaal en bedriegelijk te zijn.

Corcȳra nigra, eiland aan de dalmatische kust, tusschen de eilanden Melite en Pharus tgw. Cursola.

Cordax,κόρδαξ, de dans van het koor in de oude attische comedie, over het algemeen een ontuchtige, onbetamelijke dans.

Corduba,Κόρδυβα, thans Cordova, de eerste rom. kolonie in Baetica en hoofdplaats van dit gewest, geboorteplaats van M. en L. Annaeus Seneca en van M. Annaeus Lucānus.

CordyēneofGordyēne,Γορδυηνή, het land der Carduchen in het Z.O. van Armenia, thans Kurdistan.

Coressus,Κορησός, ook welΚορεσσόςgeschreven,berg in Ionia, nabij Ephesus en ook een voorstad van Ephesus, aan den voet van dien berg gelegen.

Coresus,Κόρεσος, z.Callirrhoëno. 4.

Corfinium, stad der Paeligni in Samnium, in den marsischen oorlog (90) onder den naamItaliatot hoofdstad der tegen Rome opgestane bondgenooten gekozen.

Corinna,Κόριννα, beroemde lyrische dichteres van Tanagra, die zich echter gewoonlijk te Thebe ophield. Zij zou Pindarus de dichtkunst geleerd en hem vijfmaal in wedstrijden den prijs afgewonnen hebben. Haar bloeitijd valt omstreeks 500.

Corinthia,Κορινθία, landschap van de Peloponnēsus, gedeeltelijk op den Isthmus gelegen, aan de eene zijde door densinus Corinthiacus, aan de andere door densinus Saronicusbespoeld.—Als oudste bewoners werden Aeoliërs genoemd; de stad heette toen Ephyra. Bij de dorische verovering viel C. aan zekeren Aletes ten deel; omstreeks 950 verhief zich het geslacht der Bacchiaden, dat in 657 door zekeren Cypselus verdreven werd. Deze veranderde de oligarchie in eene tyrannis. Hij heerschte gematigd en verfraaide de stad (657–628). Zijn zoon Periander (628–585) wordt onder de zeven wijzen van Griekenland gerekend; hij regeerde echter willekeurig en zocht den adel uit te roeien. Zijn zoon Psammetichus werd verdreven en de republikeinsche staatsvorm hersteld. Corinthe had een aanzienlijke vloot en dreef een zeer uitgebreiden zeehandel, die echter geweldig achteruit ging sedert Athene als zeemogendheid optrad; na den peloponnesischen oorlog begon het aanzien van den staat te tanen; het sloot zich vervolgens aan bij de Macedoniërs en later bij het achaeïsch verbond, ten gevolge waarvan het in 146 door den rom. consul L. Mummius veroverd en de stad Corinthus ingenomen en verwoest werd. In Corinthia behooren de mythen te huis van Sisyphus en Bellerophon. Zie verderIsthmusenIsthmia.

Corinthische oorlogwordt de oorlog genoemd, dien de verbonden Atheners, Thebanen, Corinthiërs en Argiven van 395 tot 387 tegen Sparta voerden, waarbij zij van Perzië uit met geld ondersteund werden. De oorlog begon met den aanval der Spartanen op Haliartus, die echter mislukte en waarbij Lysander sneuvelde; deze ongelukkige uitslag noodzaakte de Spartanen Agesilāus uit Azië terug te roepen. Nog voor zijne terugkomst wonnen zij den slag bij Nemea, en ook de bloedige slag bij Coronēa, waarin Agesilaus vele wonden kreeg, liep in hun voordeel af; daarentegen werd hun vloot bij Cnidus door Conon geheel vernietigd (394). De Corinthische oorlog, zoo genoemd omdat de legers van beide partijen zich meestal bij Corinthe bevonden, levert na deze slagen weinig belangrijke gebeurtenissen op, maar is merkwaardig wegens het optreden van Pharnabāzus als bondgenoot van Sparta’s vijanden, en omdat toen voor het eerst door Iphicrates uit huurtroepen een goed georganiseerd corps peltasten gevormd werd. De oorlog eindigde met den vrede van Antalcidas (z. a.).

Corinthus,Κόρινθος, in zijn bloeitijd de prachtigste stad van Griekenland, aan den voet van een berg, waarop ter hoogte van 1900 voet de burchtἈκροκόρινθοςstond. Het had drie havens: Schoenus en Cenchreae aan de saronische golf, Lechaeum (waarmede het door een dubbelen muur verbonden was) aan de golf van Corinthe. Nabij de stad lag het cypressenbosch Cranēum, waar de wijsgeer Diogenes zijn zomerverblijf hield. De ligging der stad was overheerlijk; in tal van prachtige gebouwen overtrof zij Athene, doch tevens was Corinthus de meest weelderige en zedelooze stad van Griekenland. Vooral voor vreemdelingen was het verblijf er kostbaar en vol verleiding; vandaar het spreekwoord:οὐ παντὸς ἀνδρὸς ἐς Κόρινθον ἔσθ’ ὁ πλοῦς. Beroemd was de Aphrodīte-tempel met zijne 1000ἱερόδουλοι.—Door L. Mummius werd de stad in 146 veroverd en verwoest. Caesar liet ze herbouwen (46), en dank zij hare ligging, begon zij opnieuw te bloeien. Z.Corinthia.

Coriolānus(C.ofCn. Marcius), zieMarciino. 3.

Corioli, latijnsche stad, die van den latijnschen bond naar de Volscen overging, in 493 heroverd door C. Marcius, die hiernaar den bijnaam Coriolānus kreeg. De stad is in den strijd tusschen Romeinen en Volscen vroeg te gronde gegaan; ze lag dicht bij Lanuvium.

Cormasa, stad in Pisidia.

Cornelia (lex)de senatu cooptando Agrigentinorumvan P. Cornelius Scipio Africānus maior, die in 205 praetor van Sicilia was.

Cornelia (lex)van den consul Cn. Cornelius Lentulus Clodiānus (Corneliino. 49) in 72, tot invordering der gelden, die Sulla aan de koopers van verbeurdverklaarde goederen had kwijtgescholden.

Cornelia (lex)de restituendo Cicerone, tot terugroeping van Cicero uit zijne ballingschap, van den consul P. Cornelius Lentulus Spinther in 57 (Corneliino. 50).

Corneliae (leges)van L. Cornelius Cinna (zieCorneliino. 39) van 87. 1)de novorum civium et libertinorum suffragiis, waarbij de nieuwe burgers en de vrijgelatenen over alletribuswerden verdeeld.—2)de exsulibus revocandis. Tot deze ballingen behoorde in de eerste plaats Marius. Deze wetten werden voorgesteld, nadat Sulla naar het Oosten was vertrokken.

Corneliae (leges)van L. Cornelius Sulla, van 88, die hij liet aannemen, nadat hij zich met geweld van de stad had meester gemaakt. 1) tot afschaffing van deleges Sulpiciaevan P. Sulpicius Rufus.—2)dat geen wetsvoorstel door een volkstribuun aan het volk mocht voorgesteld worden zonder voorafgaande goedkeuring van den senaat, z.lex Hortensia. Deze wet is hernieuwd in 81.—3)dat het volk bij de verkiezingen niet meertributim, zooals sedert 241 gebruikelijk was (zieComitia Centuriata), maar volgens de ouderwetschecenturiënindeeling van Servius Tullius moest stemmen.—4)dat het aantal senatoren met 300 leden uit de nobilitas moest versterkt worden.—5)eenlex de coloniis deducendis.—6)eenelex unciaria, waarbij de wettelijke rente op eeneunciaper 10 maanden, dus op 10% per jaar werd vastgesteld, zieFenus.

Corneliae (leges)van L. Corn. Sulla, van 81. 1)lex de proscriptione, dat de goederen der vogelvrijverklaarden zouden worden verbeurd verklaard, evenals van hen, die in den strijd voor de partij van Marius en Cinna gevallen waren; bovendien werden de zonen en kleinzonen van het recht om eerambten te bekleeden uitgesloten.—2)lex tribunicia, die aan de volkstribunen het recht ontnam wetten voor te stellen, zonder voorafgaande goedkeuring van den senaat (zie ookCorneliae (leges)van 88), zoodat het eenige recht, dat ze behielden, hetius auxilii ferendiwas, en hen onbevoegd verklaarde verder eenig ambt te bekleeden.—3)lex de magistratibus, dat men eerst aediel moest geweest zijn om praetor, en praetor om consul te kunnen worden, en niet tweemaal binnen tien jaar hetzelfde ambt mocht bekleeden, eene hernieuwing van delex Villia annalis.—4)lex iudiciaria, die deiudiciaaan den ridderstand ontnam en aan de senatoren teruggaf.—5)lex de sacerdotiis, waarbij het getal der pontifices en der augurs op 15 werd gebracht; tevens werd delex Domitia de sacerdotiisafgeschaft (zieAttia (lex)), en ook de verkiezing van denpontifex maximusen dencurio maximusdoorcooptatiovervangen.—6)leges agrariaeenlex de civitate, om aan de inwoners van een aantal democratischgezinde municipia het burgerrecht te ontnemen en hun grond onder de soldaten van Sulla te verdeelen, zie ook onderAgrariae (leges).—7)lex de provinciis ordinandis, dat de stadhouders in de provinciën ook zonderlex curiatahet imperium zouden hebben en de aftredende stadhouder binnen 30 dagen na de aankomst van zijn opvolger de provincie moest verlaten.—8)lex sumptuaria, waarbij de som bepaald werd, die op gewone dagen en op feestdagen voor het middagmaal besteed mocht worden.—Verder gaf Sulla nog eenige wetten betreffende dequaestiones perpetuae, waarbij niet zoozeer nieuwigheden werden ingevoerd, als wel eene nauwkeuriger omschrijving van de verschillende misdrijven, en hier en daar wellicht eenige verscherping van straf. Vermeld worden de volgende wetten:lex de repetundis,lex de maiestate, lex de sicariis et veneficiis,lex nummaria(tegen valsche munters),lex testamentaria(tegen testamentvervalsching)sive de falsis, lex de iniuriise.a. Zie verderiudex. Sulla’slex iudiciariawerd in 70 afgeschaft door delex Aureliavan den praetor L. Aurelius Cotta, delex tribuniciain hetzelfde jaar door delex Pompeia, delex de civitategeraakte nog veel eerder in vergetelheid. Tot delex de magistratibusbehoorde misschien ook de afschaffing der censuur en de jaarlijksche verkiezing van 20 quaestoren, die in den senaat zitting namen, waardoor deze vanzelf voltallig werd gehouden. Vooraf had Sulla het aantal senatoren op 600 gebracht, door de ontbrekende bij volkskeuze te laten benoemen.


Back to IndexNext