Isis,Ἶσις, aegyptische hemelgodin, moeder der opgaande zon (Horus) en gemalin der middagzon (Osīris). Zij was een van de weinige godheden, die in geheel Aegypte vereerd werden, vandaar dat, toen men eene verklaring poogde te vinden van de geheimzinnige mythen, die op hare verhouding tot de zon betrekking hebben, die mythen op zeer verschillende wijzen uitgelegd werden, waarbij aan het wezen van Isis tal van beteekenissen werden toegeschreven, die haar oorspronkelijk geheelvreemd waren. Zoo werd zij godin van het Nijldal, maangodin, godin van leven en vruchtbaarheid, helpster bij geboorten, godin van ziekte en gezondheid, koningin der onderwereld, waarvan zij de sleutels bewaart en waar zij recht spreekt over de dooden, godin van zee en stormen, wetgeefster, beschermster van het huwelijk en den staat, enz. Door de Grieken werd zij daarom vereenzelvigd met Demēter, Persephone, Hecate, Hera, Artemis, Io en vele andere godinnen, en haar voor een groot deel geheime, dikwijls met onzedelijkheid gepaarde, eeredienst vond bij hen vrij algemeen ingang. Ook bij de Rom. werd de dienst van Isis tegen het einde der republiek ingevoerd en, hoewel herhaaldelijk verboden, was hij in den keizertijd door het geheele rijk verbreid. Een offerplechtigheid ter eere van Isis is op blz. 338 voorgesteld.—Latere wijsgeeren zagen in Isis, wegens haar uitgebreiden werkkring, de personificatie der grondstof van het heelal of de alles beheerschende godheid.—Hare afbeeldingen gelijken op die van Hera, hare attributen zijn slangen, korenaren, lotus, de halve maan, het sistrum, e. a.Ismarus,Ἴσμαρος, berg en stad in het gebied der Ciconen op de thracische kust. Bij dichtersIsmarius= thracisch.Ismēne,Ἰσμήνη, dochter van Oedipus en Iocaste. Zij bleef haar vader in zijn ongelukken getrouw en kwam hem in zijne verbanning inlichten omtrent thebaansche toestanden. Hoewel zij haar zusterAntigone(z. a.) had afgeraden tegen het bevel van Creon te handelen, was zij bereid de gevolgen van hare daad mede te dragen.Ismenias,Ἰσμηνίας, 1) rijk Thebaan, hoofd van de partij, die Sparta vijandig gezind was, geen democraat, zooals sommige schrijvers melden. In den corinthischen oorlog, waartoe hij, van Perzië uit met geld ondersteund, door zijn politiek aanleiding gegeven had, onderscheidde hij zich als veldheer. In 383 was hij polemarch, toen echter de Spartanen, door zijn ambtgenoot Leontiades geholpen, de Cadmēa bezet hadden, werd hij gevangen genomen en als onruststoker ter dood veroordeeld.—2)zoon van den vorigen, vluchtte bij den dood van zijn vader naar Athene en bleef er tot 379. Hij werd met Pelopidas te Pherae gevangen gehouden (368) en vergezelde hem bij zijn gezantschap naar Perzië.Ismēnus,Ἰσμηνός, riviertje in Boeotia, dat door Thebae stroomt, het water der bron Dirce opneemt en in het meer Hylice valt. Hierna heeten de Thebaansche vrouwen bij Ovidius:Ismenides.Isocrates,Ἰσοκράτης, een van de tien attische redenaars. Hij was de zoon van een rijk Athener, geb. 436, en genoot het onderwijs van de beroemdste sophisten van zijn tijd en ook van Socrates. Zijn vader verloor in den peloponnesischen oorlog zijn vermogen, hijzelf verwierf zich echter grooten rijkdom, vooral door zijn onderwijs in de welsprekendheid, dat zeer gezocht was; v.s. had hij 100 leerlingen, die hem ieder 1000 drachmen betaalden; voor eene redevoering zou hij eens van Nicocles 20 talenten gekregen hebben. Zijn aanzien was groot, niet alleen bij zijne leerlingen, maar ook in wijderen kring, zelfs met vreemde vorsten (Philippus, Euagoras, Nicocles) stond hij in betrekking. Zelf trad hij uit bedeesdheid en wegens zijn zwakke stem nooit in het openbaar als redenaar op, hij schreef echter voor anderen pleitredenen, totdat hij in 388, na een kort verblijf op Chius, te gelijk met het openen zijner school, zich in een nieuwe richting ging bewegen als schrijver van verhandelingen, die den vorm van redevoeringen (feestredenen, leerredenen) behouden hebben, ofschoon zij niet bestemd zijn om voorgedragen, maar om gelezen te worden (λογοὶ ἐπιδεικτικοὶ καὶ συμβουλευτικοί). De voornaamste hiervan zijn:Πανηγυρικός(380),Πλαταϊκός(373),Ἀρχίδαμος(365),Συμμαχικὸς ἢ περὶ εἰρήνης(357),Ἀρεοπαγιτικός(354),Φίλιππος(346),Παναθηναϊκός(342–339). Zijn taal is zuiver en eenvoudig, zijne perioden kunstig samengesteld; ook worden zijne werken, waarvan 21 bewaard gebleven zijn, als modellen van welsprekendheid geroemd, terwijl zij tevens getuigen van zijne vaderlandsliefde en vele juiste beschouwingen bevatten over de verwarde toestanden van zijn tijd. Over de waarde zijner kunst, die hij voor het praktische leven zeer hoog schat en waaraan hij, in tegenstelling met andere rhetoren, ook een zedelijke beteekenis toekende, is hij soms in polemiek met Plato. Uit verdriet over den afloop van den slag bij Chaeronēa maakte hij, 98 jaar oud, een einde aan zijn leven.Ἰσοτελής. Eenμέτοικος, die zich op een of andere wijze jegens den staat verdienstelijk had gemaakt, werd beloond met deἰσοτέλεια. Daardoor werd hij, wat zijn geldelijke verplichtingen tegenover den staat betreft, en soms ook in andere opzichten, met de burgers gelijkgesteld.Issa,Ἴσσα, eilandje op de dalmatische kust, thans Lissa. De inwoners waren flinke zeelieden; hunne booten werdenlembi Issaeigenoemd.Issedones,Ἰσσηδόνες, groot scythisch volk in Azië, aan de grenzen van Serica (China).Issus,Ἰσσός, Ἰσσοί, stad in het O. van Cilicia, aan de Issische golf, waarbij Alexander de Gr. in 333 zijne tweede groote overwinning op de Perzen behaalde.Istaevones=Istuaevones.Ister,Ἴστρος, leerling van Callimachus, schrijver eenerἈτθίς, en van vele andere werken. Er zijn alleen fragmenten over.Ister,Ἴστρος, zieDanuvius.Isthmia,Ἴσθμια, de isthmische spelen, na de olympische en de pythische het voornaamste feest der Grieken. Zij werden om de twee jaar onder voorzitterschap der Corinthiërs, en na de verwoesting van Corinthe onder dat der Sicyoniërs, op de landengte van Corinthus ter eere van Poseidon Isthmius gehouden, en bestonden uit de gewone wedstrijden in loopen, vechten, rijden, enz., waarbij later voordrachten van gedichten of muziek kwamen.De overwinnaar kreeg een palmtak en een krans van eppe. De isthmische spelen werden tot laat in den rom. keizertijd gevierd en druk bezocht, daarom werden hier dikwijls afkondigingen van algemeen belang gedaan; hier werden de Grieken door T. Quinctius Flaminīnus en later door Nero vrij en autonoom verklaard.Isthmius,Ἴσθμιος, bijnaam van Poseidon als den god, wien de isthmische spelen gewijd zijn.Isthmus,Ἰσθμός, landengte, bij uitnemendheid die van Corinthus. Op deze landengte stond de tempel van den isthmischen Poseidon en werden te zijner eer de isthmische spelen,τὰ Ἴσθμια, gevierd. Dwars over de landengte, tusschen de Saronische golf en de Corinthische, liep eene soort van overtoom of rolbaan,δίολκος(z. a.). Op deze wijze werd de gevaarlijke omvaart van kaap Malea vermeden.Istria=Histria.Istropolis,Ἰστρόπολις, Ἴστρος, stad op de kust van Moesia, ten Z. der Donaumonden, kolonie van Milētus.Istrus,Ἴστρος=Istropolis. Zie ookDanuvius.Istuaevones, oude naam voor één der onderafdeelingen der Germanen, de Rijn-Germanen, waarvan de Sicambri den voornaamsten stam vormden.Isisdienst.Isisdienst.Italia,Ἰταλία. Voordat Augustus de Alpenlanden onder Rome’s heerschappij bracht, begon Italia in het N. eerst aan den voet der Alpen, en zelfs kon het noordelijk gedeelte, het dal van den Po en zijne bijrivieren, geschiedkundig eerst tot Italia gerekend worden, sedert Augustus het in zijne verdeeling vanItaliain elfregionesopnam. Wel had Gallia Cispadāna in 89, Transpadāna in 49 het rom. burgerrecht gekregen, doch niettemin bleef Gallia Cisalpīna nog provincie. Ethnografisch behoorde het ook niet tot Italia, daar het geheel door ligurische en gallische stammen was bezet. ZieGallia Cisalpina.—Het eigenlijke oude Italia begon eerst dáár, waar het land zich op eenmaal versmalt, en waar zich de Rubico, vóór Sulla de Aesis, in de Adriatische, de Macra in de Tyrrheensche zee stort. De naam Italia wordt afgeleid van een oud umbrisch woordvitlu, rund (vitulus), en wordt oorspronkelijk alleen gebezigd van de uiterste Zuidpunt, de streek van het Sila-gebergte, dan van het heele Zuiden tot aan de rivieren de Laüs en de Siris (in Lucania), en ten slotte door de siciliaansche Grieken, deΣικελιῶται, op geheel eigenlijk Italia toegepast. In den oudsten tijd komen verschillende deelen onder verschillende namen voor, die ook wel, vooral bij dichters, voor het geheel worden gebezigd,als:AusoniaofOpica, oorspronkelijk de Z.W. kust,DauniaenIapygiaaan de Z.O. kust,Oenotria, het wijnland,Tyrrheniaof Etruria,Saturniaof Latium, terwijl de Grieken het ookHesperia, het avond- of Westland noemden. Onder de oudste bewoners worden deUmbriin Midden-Italia vermeld, die ook Etruria bewoonden, doch door deEtruseiin Umbria werden teruggedrongen. DeAusones,AurunciofOsciwoonden in Apulia, Campania (waaruit zij door Samnieten verdrongen werden) en in een deel van Latium. DeAborigineswaren de stamvaders der Latijnen. Dan had men den sabellischen stam, waartoe deSabīni, Peligni, Marsi, Marrucīni,Frentāni, Hernicien anderen behoorden en die zich onder den algemeenen naam vanSaunītaeofSamnītesover Samnium, Campania en Lucania uitbreidden. De kustbewoners van Apulia en Calabria waren misschien van illyrischen, deBruttiivan siculischen oorsprong. De kusten der zuidelijke helft (Beneden-Italië,Italia inferior, Magna Graecia) waren met grieksche, meest achaeïsche en dorische, koloniën bezet. In één woord, Italia vertoonde het bontste mengelmoes van verschillende bevolkingen en stammen, die elkander den bodem betwistten. Midden-Italia omvatte de landschappen Etruria, Umbria, Picēnum, Samnium, Latium, Campania; Beneden-Italia bevatte Lucania, Bruttii, Apulia, Calabria. De namen der XIregiones, waarin Augustus Italia verdeelde, zijn de volgende: 1o. Latium et Campania, 2o. Apulia et Calabria, 3o. Lucania et Bruttii, 4o. Samnium, 5o. Picēnum, 6o. Umbria, 7o. Etruria, 8o. Aemilia, 9o. Liguria, 10o. Venetia, 11o. Transpadana.Italica, 1) rom. municipium in Baetica aan den Baetis (Guadalquivir), nabij Hispalis (Sevilla), door Scipio (Africānus maior) gesticht.—2)zieCorfinium.Italicum bellum, zieMarsicum bellum.Italus,Ἰταλός, aloud koning der Oenotriërs of der Siculi, zoon van Telegonus en Penelope. Hij was gehuwd met Electra, dochter van Latīnus, en werd de vader van Remus of Romus.Itanus,Ἴτανος, stad op de Oostkust van Creta, met purperververijen.Ithaca,Ἰθάκη, thans Thiaki, een der tegenw. Ionische eilanden, het kleine, maar beroemde eiland van Ulysses, tusschen Cephallenia en het vasteland gelegen. Tegenwoordig meenen echter vele geleerden het Homerische Ithaca in Leucas teruggevonden te hebben.Ithōme,Ἰθώμη, berg in het midden van Messenia, slechts van ééne zijde toegankelijk, waarvan de Messeniërs in hun eersten oorlog tegen Sparta (743–724) eene bergvesting maakten, die zij 10 jaar lang verdedigden. Aan den voet van den berg legde Epaminondas in 369 de stad Messēne aan, waarvan Ithome de citadel werd. Ithome en de acropolis van Corinthus werden de beide horens,κέρατα, van de Peloponnēsus genoemd.Itius portus,τὸ Ἴτιον, havenstad der Morīni in Gallia, van waar Caesar naar Britannia overstak, thans Calais of Wissant; v. a. identisch met Gesoriacus portus (Boulogne s. m.).ItonofItōnus,Ἰτών, Ἴτωνος, oude stad in het midden van het thessalische landschap Phthiōtis, met een beroemden tempel van Athēna.Ituraea,Ἰτουραία, bergl. ten N.O. van Palaestina, tusschen Batanaea of Basan en de woestijn gelegen, ten O. van Bostra. DeIturaeiwaren woeste roovers, en beroemde boogschutters. Augustus voegde Ituraea aan het gebied van Herōdes den Gr. toe; keizer Claudius deelde het bij Syria in.Ityca,Ἰτύκη=Utica.Itylus,Ἴτυλος, zoon van Zethus en Aēdon (z. a.), die door zijne moeder bij vergissing gedood werd.Itys,Ἴτυς, zoon van Tereus en Procne (z. a.), die door zijne moeder en tante gedood werd.Iuba,Ἰόβας, koning van Numidia, zoon van Hiëmpsal II, welke laatste een zoon was van Gauda. Indertijd had Hiëmpsal de party van Sulla gekozen, was daarop door de mariaansche partij verdreven, doch door Pompeius in zijn rijk hersteld. In 63/62, nog tijdens het leven van zijn vader, haalde Juba zich de vijandschap van Caesar op den hals; toen dus de burgeroorlog uitbrak, koos hij partij tegen Caesar; hij versloeg Caesars legaat C. Curio met diens geheele leger, doch de nederlaag der pompejaansche partij bij Thapsus in 46 noodzaakte hem tot de vlucht, en toen nu ook de zijnen hem begonnen in den steek te laten, bracht hij in wanhoop zichzelf om het leven.Zijn zoon Juba, nog een kind, werd door Caesar naar Rome gebracht en ontving daar eene zorgvuldige rom. opvoeding, zoodat hij later als geleerde grooten naam had. Hij schreef vooral over geschiedenis en aardrijkskunde. Augustus gaf hem in 25 het westelijk gedeelte van zijn vaderlijk rijk, het latere Mauretania Caesariensis, en bovendien het eigenlijke Mauretania (M. Tingitāna) tot koninkrijk. Juba was gehuwd met Cleopatra Selēne (zieCleopatrano. 11). Hij overleed in 23 n. C., en werd opgevolgd door zijn zoon Ptolemaeus. Hij vestigde zijn residentie te Iol, dat hij verdoopte in Caesarēa (z. a. no. 6).Iudaea,Ἰουδαία, het Z. gedeelte van Palaestina, ten W. door de zee, ten O. door den Jordaan begrensd. In later tijd werd onder dezen naam ook wel geheel Palaestina als rom. provincie verstaan. Zie verderPalaestina.Iudex. In civiele processen was het regel, dat de twistende partijen voor den praetor verschenen. De praetor nam kennis van de zaak, onderzocht of er eene actie in zat, d.w.z. of een der op zijnalbumvermelde gevallen van rechtsvordering op het geval van toepassing was; hij besliste echter zelf niet, of de eischende partij gelijk had (zie echteriudicium extra ordinem). Hij stelde alleen hetiusvast, d. i. hij omschreef, wat recht was in geval de klager in zijn recht bleek te zijn, en wat er geschieden moest ingeval dit niet bleek. De vaststelling van den procesdag, de oproeping der getuigen geschieddendoor den praetor, doch de beslissing, de uitspraak, hetiudicium, werd door hem opgedragen òf aan een enkelen rechter,iudex,arbiter, òf in sommige gevallen aan een college van drie of vijf rechters,iudices recuperatores. Zulk eeniudexkreeg van den praetor eene bepaalde instructie, waarin hem voor elk geval de uitspraak was voorgeschreven; hij had dus alleen te onderzoeken, of de eischer zijn recht bewijzen kon. De pleidooien en het getuigenverhoor hadden dus voor den rechter plaats. Wanneer iemand door den praetor werd opgeroepen, om als alleenstaand rechter op te treden, nam hij eenconsilium amicorummede, ten einde hem als adviseurs ter zijde te staan. Het gewoonterecht eischte dit. Doch zijne uitspraak was de beslissendesententia iudicis, die geen hooger beroep toeliet.Deiudicesbij dequaestiones perpetuaespeelden eene andere rol. Dezequaestioneswaren processen in strafzaken, waarbij de straf eens en voor goed door eene wet was vastgesteld. Het kwam er dus slechts op aan, of de schuld van den beklaagde bewezen kon worden of niet. Hier vormden derhalve deiudiceseen hof van gezworenen, waar meerderheid van stemmen gold. De wet bepaalde het aantal gezworenen, alsmede hoeveel er door aanklager en aangeklaagde mochten gewraakt worden (reiectio iudicum).Jaarlijks werd door denpraetor urbanuseene lijst opgemaakt van hen, die voor het rechtersambt in aanmerking kwamen (album iudicum). Eerst bestond de lijst alleen uit leden van den senatorenstand; delex Semproniavan C. Gracchus (123) bracht hierin verandering door de senatoren uit te sluiten en het rechtersalbum samen te stellen uit hen, die den riddercensus hadden (zieequites). Sulla’slex Cornelia iudiciaria(81) gaf het rechtersambt aan den senaat terug. Ten gevolge van de reorganisatie van het strafrecht door Sulla ingevoerd, waren er voortaan 8quaestiones, waarbij de meeste strafdelicten waren ingedeeld; daar er slechts zes praetoren beschikbaar waren, en sommigequaestiones, vooral dieinter sicarios, gewoonlijk gesplitst moesten worden, wezen de praetoren voor elk van de overige eeniudex quaestionis(z. a.) aan. Delex Aureliavan L. Aurelius Cotta (70) verdeelde deiudiciatusschen den senaat, den ridderstand en detribuni aerarii, zoodat bij elkequaestio perpetuahet gerechtshof uit drie afdeelingen ofdecuriaebestond. Caesarslex Iuliasloot de aeraartribunen wederom uit; M. Antonius voerde wederom eene derde decurie zonder census in, voornamelijk uitcenturionesenveteranisamengesteld; Augustus nam vier decuriën aan; de leden der vierde decurie werdenducenariigeheeten naar hun census van slechts 200000 sestertiën. Uit de rechterslijsten werd door den praetor, wien het aanging, voor iedere zaak het voorgeschreven aantal rechters door loting aangewezen,sortitio iudicum. Ingeval de wet bepaalde, dat in plaats der gewraakte rechters andere zouden geloot worden, heette ditsubsortitio. Eenarbiterbehoefde niet uit hetalbum iudicumte worden gekozen. Dikwijls gaven de twistende partijen zelf aan den praetor op, wien zij liefst als arbiter wenschten aangewezen te zien.Iudex pedaneus,χαμαιδικαστής. In het keizerstijdperk kwam de rechtspraak meer en meer in hand der overheden, en werd hetiudicium extra ordinemde heerschende vorm. Soms evenwel werd in civiele zaken een onderzoek opgedragen aan een hulp- of onderrechter, diepedaneuswordt genoemd.Iudex quaestionis. Daar er voor dequaestiones perpetuaeniet zooveel praetoren beschikbaar waren als het getalquaestionesbedroeg, moesten wel enkele praetoren twee rubrieken van misdaden voor hunne rekening nemen. Zij konden zich dan wel met de instructie van tweequaestionesbelasten, maar niet altijd bij beide als voorzitter van het gerechtshof optreden. In dit geval belastten zij eeniudexmet het voorzitterschap, die daniudex quaestioniswas. Dit was sedert Sulla geregeld een oud-aediel.Iudicio (in),in iure. Bij civiele gedingen moeten streng gescheiden worden de handelingenin iureenin iudicio. In iureis al datgene, wat voor den praetor plaats vindt;in ius ambulare, ire, venire= tot den praetor gaan.In iudiciois alles, wat voor den rechter geschiedt.Iudicium domesticum. De rom. vader was rechter over zijn gezin en kon krachtens zijnius vitae et neciszware misdaden zijner kinderen, ja, zijner vrouw, zelfs met den dood straffen. Wanneer hij echter als huisrechter optrad, moest hij evengoed als elke alleen uitspraak doende rechter (zieiudex) zich eenige buren en bloedverwanten alsconsiliumtoevoegen.Iudicium extra ordinem. Aldus wordt eeniudiciumgeheeten, wanneer dezelfde overheid de zaakin iureenin iudiciobehandelt, b.v. wanneer de praetor zelf uitspraak doet (zieiudex). Er konden zich gevallen voordoen, die niet naar eeniudexkonden verwezen worden, omdat zij naar het strenge rom. recht niet vervolgbaar waren, b.v. van een pupil, die nog te jong was om als rechtspersoon te kunnen optreden, tegen zijn voogd, en waarin toch eene tusschenkomst van hoogerhand wenschelijk was. Doch de uitspraak van eene overheid was geen vonnis, geenesententia iudicis, maar slechts eendecretum, dat herroepen kon worden door dengene, die het had uitgevaardigd en dat ook niet verbindend was voor diens opvolger. Onder de republiek was hetiudicium extra ordinemzeldzaam; onder de keizers werd het de heerschende vorm, en kon men zelfs van eene overheid op eene hoogere en in het hoogste ressort op den keizer zelven appelleeren, iets wat onder de republiek onbekend was.Iudicium privatum. Dit komt, wat den aard betreft, overeen met hetgeen bij ons een civiel rechtsgeding heet, met dien verstande, dat bij de Rom. minder strafzaken waren danbij ons, en dus vele zaken, die bij ons tot strafvervolging zouden leiden, bij hen slechts tot een civiel proces aanleiding gaven. Zie verder het begin van het artikeliudex.Iudicium publicum. De strafrechtpleging was in Rome oorspronkelijk in handen van de ambtenaren (ziecoercitio), maar ging voor zoover het burgers betrof door de verschillendeleges de provocationeover op de volksvergadering. Bijres capitaleswerd nu de zaak geïnstrueerd door een quaestor, en bij veroordeeling en appel op het volk werden dan decomitia centuriatadoor eenmagistratus cum imperiobijeengeroepen, die dan het vonnis bekrachtigden of vernietigden (zieContio). Bij boetezaken werden de opgelegde boeten bij overschrijding der provocatie-grens door detribunienaediles plebisvoor hetconcilium plebis, door demagistratus populivoor decomitia tributagerechtvaardigd. Daar echter het volk niet tegenover alle personen en in alle zaken een onpartijdig rechter was en het bijeenroepen der comitiën dikwerf op groote bezwaren stuitte, riep de volkstribuun L. Calpurnius Piso in 149 voor processen over afpersingen in de provinciën (repetundae) de eerste zoogenaamdequaestio perpetuain het leven. Bij zulk eenequaestiowas de straf door de wet aangewezen; het proces werd nu gevoerd voor een hof van gezworen rechters, die nu alleen over schuld of onschuld uitspraak hadden te doen en die voor elke zaak in het door de wet bepaalde getal door het lot werden aangewezen (zieiudex). Allengs werd het aantalquaestiones perpetuaeuitgebreid, evenals het aantal praetoren. Ieder burger kon thans als klager optreden. De praetor, wien dequaestioaanging, instrueerde de zaak en was in den regel voorzitter van het hof; zoo niet, dan werd hij als zoodanig vervangen door eeniudex quaestionis(z. a.). Met de invoering derquaestiones perpetuaeging echter niet noodzakelijk de opheffing van hetiudicium populigepaard; de overheidspersonen, die hetius agendi cum populohadden, konden altijd nog eene wet tot veroordeeling van dezen of genen voorstellen, doch uit den aard der zaak werd deze vorm van strafgeding zeldzamer.Iugarius vicus, straat in Rome, die aan den zuidelijken voet van het Capitool van de porta Carmentalis naar het forum liep.Iugerum, rom. vlaktemaat, 240 voet lang en 120 voet breed = omstreeks ¼ hectare.Iugum.Iugum,ζυγός. Bij de ouden liep een tweespan van paarden of andere trekdieren onder een juk of dwarshout, dat op den nek der dieren lag en met riemen aan het tuig werd bevestigd, terwijl het uiteinde van den disselboom op dit juk rustte en er met een zwaren riem aan vastgebonden was. Soms was dit juk golvend om het beter aan den nek der dieren te doen sluiten, somtijds ook recht. Bij een vierspan liepen alleen de beide middelste onder het juk.—Het juk, waaronder nu en dan overwonnen legers moesten doorgaan, bestond uit twee speren, die in den grond waren gestoken en waaraan eene derde horizontaal was vastgebonden.Iugurtha. Masinissa, koning van Numidia, had, voorzoover bekend is, drie zoons: Micipsa, Gulussa en Mastanabal. Micipsa volgde zijn vader op en regeerde van 148 tot 118. Hij had twee zoons, Hiëmpsal en Adherbal, bovendien had hij een onechten zoon van Mastanabal, Jugurtha, tot zoon aangenomen en tot medeërfgenaam van zijn rijk benoemd. Aan het hoofd der numidische hulptroepen diende Jugurtha onder P. Cornelius Scipio in 134 voor Numantia, waar hij grooten lof verwierf om zijn moed en zijn beleid. Na Micipsa’s dood ontstond er spoedig twist tusschen de prinsen; Jugurtha, die naar de alleenheerschappij streefde, ruimde zijne beide neven uit den weg, terwijl hij door omkooping op groote schaal den rom. senaat de oogen deed sluiten voor hetgeen er in Numidia gebeurde. Doch eindelijk, toen het rom. volk over de omkoopbaarheid van den senaat oproerig begon te worden, werd aan Jugurtha de oorlog verklaard. De eerste veldheer, die tegen hem werd afgezonden, de consul L. Calpurnius Bestia (111), bezweek zelf voor het numidisch goud; daarop kwam in 110 de consul Sp. Postumius Albīnus (Postumiino. 14), die al spoedig het bevel aan zijn broeder Aulus overliet, om te Rome de comitiën te houden. Door list wist Jugurtha zijn tegenstander te verschalken; het rom. leger moest zich overgeven en onder het juk doorgaan. Q. Caecilius Metellus (Caeciliino. 13), consul in 109, bestreed Jugurtha gedeeltelijk met diens eigen wapens en noodzaakte hem, naar zijn schoonvader Bocchus, koning van Mauretania, te vluchten. Beiden leden in 107 eene gevoelige nederlaag door C. Marius, die Metellus in het opperbevel was opgevolgd. Bocchus, voor zijn eigen troon bevreesd, leverde zijn schoonzoon uit aan L. Sulla, die als quaestor in Marius’ leger diende (105). Jugurtha moest den zegetocht van Marius opluisteren, waarna men hem zes dagen lang in den kerker met den hongerdood liet worstelen en toen worgde.Iulia (lex)van den consul L. Iulius Caesar (90), waarbij aan de italiaansche bondgenooten, die bij den algemeenen opstand aan Rome trouw gebleven waren, en evenzoo aan de Latijnen het burgerrecht werd toegekend.Iuliae (leges)van C. Iulius Caesar.—1)lex de publicanis(door Caesar in het leven geroepen in zijn eerste consulaat, in 59), dat aan de belastingpachters in Asia het derde deel der pachtsommen zou worden terugbetaald wegens de verliezen, die zij in den mithradatischen oorlog hadden geleden.—2)lex agraria, zoogenaamdlex Campāna, zie onderAgrariae (leges). Deze wet, evenals de vorige, van het jaar 59, werd door Caesar doorgedreven, niet zonder hevigen tegenstand van den senaat en van Caesars ambtgenoot M. Calpurnius Bibulus.—3)lex de repetundis(59), eene uitvoerige wet van meer dan 100 artikelen. O.a. beval zij, dat de verschuldigde gelden ook op hen zouden verhaald worden, die van den veroordeelde geld hadden ontvangen. Deze wet diende tot grondslag voor alle latere verordeningen op dit punt.—4)tot bekrachtiging der schikkingen, door Pompeius in Asia gemaakt (59).—5)lex de exsulibus, van het jaar 49 gedurende Caesars eerste dictatuurcomitiorum habendorum causa. Door deze wet werden zij, die in de laatste jaren van misdrijven waren aangeklaagd en volgens rom. gewoonte vóór de uitspraak van het vonnis in ballingschap waren gegaan, in hun vroegeren staat hersteld (restitutio in integrum). Het was dus eene amnestie, waarvan echter T. Annius Milo met name was uitgesloten. Het bestaan van deze wet wordt met recht betwist; wel werden eenige personen, vooral eenigen, dievolgensdelex Pompeia de ambituveroordeeld waren, teruggeroepen, maar een bepaalde wetde reditu damnatorumis niet aan te nemen. Wel heeft M. Antonius na Caesar’s dood uit deacta Caesariseenelex Julia de exulibus, die natuurlijk apocryph was, gepubliceerd.—6)lex de pecuniis mutuis s. de aere alieno. In den burgeroorlog hadden velen geleden en was het crediet geschokt. Hierom beval de wet de benoeming vanarbitri, die de geleden verliezen zouden taxeeren, waarna dan in verhouding daarvan een gedeelte der schulden zou worden geroyeerd. Ook deze wet dagteekent van het jaar 49. Hiermede ging, om het oppotten van geld te voorkomen, een bepaling gepaard, waarbij o.a. verboden werd, meer dan 15000denariiaan contant geld te bezitten. Een aanvulling hiervan wasde lex Julia de modo credendi et possidendi intra Italiamvan 47, waarbij de kapitalisten verplicht werden een gedeelte van hun vermogen in grondbezit aan te leggen, en de schulden op het grondbezit drukkend, tot een bepaald bedrag beperkt werden.—7)lex de civitate Transpadanis danda, evenzeer van 49.—8)lex iudiciaria, tot opheffing der derde, uittribuni aerariibestaande decurie rechters (zieiudex). Deze wet is van het jaar 46, toen Caesar, na de pompejaansche partij overal verslagen te hebben, te Rome was teruggekeerd. Hij was in dit jaar ten derden male consul.—9)leges de vi et de maiestate, waardoor zij, die voor deze misdaden veroordeeld werden, niet slechts metaquae et ignis interdictio, maar bovendien met geheele of gedeeltelijke verbeurdverklaring van hun vermogen werden gestraft. Ook van 46.—10)lex de collegiis(46), tot opheffing dercollegia, die niet van oudsher en wettig bestonden. Er hadden zich te Rome verschillende politieke clubs gevormd, die vooral bij verkiezingen ijverig in de weer waren. Tegen deze vereenigingen was Caesars wet gericht. V. s. zijn deze bepalingen bij edict vastgesteld.—11)lex de sacerdotiis(46), waarbij enkele priestercollegiën uitgebreid werden en o. a. bekrachtigd werd, wat toch reeds gebeurde, dat ook afwezigen tot priesters konden gekozen worden.—12)lex sumptuaria(46), waarbij o.a. het gebruik van draagstoelen, edelgesteenten, enz., beperkt werd, en op de markt wachters aangesteld werden, om wat boven het verbod gekocht werd, in beslag te nemen, ja zelfs in sommige gevallen aan lictoren en soldaten werd gelast, in de huizen binnen te gaan en wat buiten de perken der wet was, van tafel weg te nemen.—13)lex de provinciis(46), dat geen stadhouder in een praetorische provincie langer dan één, in eene consulaire langer dan twee jaar zou blijven.—14)lex de liberis legationibus(46), onzeker van welken inhoud. Door Cicero’slex Tulliawas dit gezantschap-titulair tot den duur van één jaar beperkt. Caesar schijnt het weder te hebben uitgebreid. Deze wet is waarschijnlijk een onderdeel van delex de provinciis.—15)lex municipalis(45), eene wet op het bestuur, de inrichting, het politiewezen, enz., der rom. municipiën.Iuliae (leges)van C. Iulius Caesar Octaviānus, 18. 1)lex sumptuaria, ter beperking vooral van de buitensporige uitgaven voor maaltijden en huiselijke feesten.—2)lex de adulteriis et de pudicitia, met strenge strafbepalingen.—3)leges de ambitu, de annona(tegen korenwoeker),de peculatu, enz.,lex de iudiciis privatisvan 17.—4)lex de maritandis ordinibus, zielex Iulia et Papia Poppaea.Iulia et Papia Poppaea (lex)de maritandis ordinibus, eigenlijk delex Iuliavan Octaviānus (18), gewijzigd en uitgebreid in 9 na C. door de consuls M. Papius Mutilus en Q. Poppaeus Secundus. Zij had tot doel de bevordering der huwelijken, door aan het hebben van wettige kinderen voorrechten te verbinden. Zieius liberorum.Iulia Papiria (lex)de multarum aestimationevan de consuls L. Iulius Iulus en C. Papirius Crassus (430), verving de veeboete door een boete in geld. Ze bepaalde de waarde van een schaap op 10, van een os op 100asses librales, zoodat demulta suprema(zielex Aternia Tarpeia) voortaan bedroeg 3020a. l.Bovendien werd bepaald, dat de boete de helft van het vermogen van den burger niet mocht overtreffen.Iulia Plautia (lex), dat van gestolen goed geeneusucapiogeldig was. Van deze wet is niets zekers bekend; misschien zijn het bepalingen ontleend aan tweeleges de vi, de lex Juliaen delex Plautia.Iulia Titia (lex)de dando tutorebepaalde, dat in de provinciën door den stadhouder de voogd zou benoemd worden voor het geval, waarin te Rome delex Atilia(z. a.) voorzag.Iuliāni. 1)Salvius Iulianus, beroemd jurist te Rome, in Africa geboren, stelde onder keizer Hadriānus op diens last hetedictum perpetuumop. In de Pandecten komt zijn naam meermalen voor.—2)P. Salvius Iulianus,zoon van no. 1, een voortreffelijk en algemeen bemind generaal van Antonīnus Pius, werd op last van Commodus ter dood gebracht.—3)M. Didius Sevērus Iulianus, had onder Antoninus Pius en diens opvolger hooge ambten bekleed, had in Belgica met succes tegen de Chauken en Chatten gestreden; was daarna stadhouder geweest van Dalmatia, van Germania Inferior (± 181 n. C.) en van Bithynia en Pontus. Toen na den dood van Pertinax de praetorianen den keizerstroon aan den meestbiedende verkochten, werdDidius Iulianuskeizer voor de som van ongeveer 300 millioen sestertiën. Na eene regeering van 66 dagen werd hij door den senaat afgezet en door de soldaten vermoord (193 na C.). Zijn opvolger was Septimius Severus.Iuliānus(Flavius Claudius), neef van Constantijn den Gr., zoon van diens broeder Julius Constantius, geboren in 332 n. C., om zijn afval van het Christendom gewoonlijk Apostata genoemd, was te Constantinopel, te Nicomedēa en te Athene in de letteren en wijsbegeerte onderwezen en gevoelde reeds vroeg een afkeer van het Christendom, waarin hij was opgevoed. Toen na den dood van Constantijn den Gr. diens drie zoons, Constantinus, Constantius en Constans de heerschappij verdeelden, lieten zij hunne bloedverwanten ombrengen; slechts twee neven, Gallus en Iulianus bleven gespaard (338). Een tijdlang werd Iulianus met zijn broeder Gallus naar een eenzaam landgoed, Macellum bij Caesarēa in Cappadocië, verbannen. In 351 werd Gallus door keizer Constantius totCaesarbenoemd, en sedert dien tijd genoot Iulianus meer vrijheid; in 352 is hij onder den invloed zijner neo-platonische leermeesters heimelijk tot het Heidendom overgegaan. Constantius liet in 354 Gallus ombrengen en zond in 355 Iulianus met den titel van Caesar naar Gallia om de invallen der Germanen tegen te gaan. Daar voerde Iul. gelukkig oorlog, o.a. versloeg hij in 357 de Alemannen bij Argentoratum (Straatsburg), doch moest alle voorzichtigheid in acht blijven nemen om niet Constantius’ argwaan op te wekken. In 360 echter wierp hij het masker af, zijn leger riep hem tot keizer uit, Constantius rukte wel tegen hem op, doch stierf op marsch (Nov. 361), en Iulianus werd algemeen als keizer erkend. Hij kwam er nu openlijk voor uit, dat hij een aanhanger was van den ouden godsdienst, begunstigde de heidenen, en zette de Christenen achteraf. Vooral zijn edikt, waarbij hij de christelijke rhetoren en sophisten verbood, de heidensche boeken bij hun onderwijs te gebruiken, zette kwaad bloed. Zijn plan was, een heidensche kerk te stichten, naar het model van de Christelijke, maar zijn theologie ontleende hij aan de leer der Neo-platonici, terwijl zijn moraal die der Neo-cynici was. Zijne plannen vonden zeerweiniginstemming. In 363 trok hij uit op een veldtocht tegen de Perzen, en drong door tot onder de muren van Ctesiphon, maar moest toen langs een anderen weg terugkeeren. Bij een plotselingen overval snelde hij, uithoofde der hitte ongeharnast ten strijde en werd door een lanssteek doodelijk gewond. Zoo stierf hij (Juni 363) slechts 31 jaar oud, volgens zijne vijanden met de woorden:tandem vicisti Galilaee!Met zijn dood viel ook deze laatste poging om het Heidendom te herstellen. Er zijn nog een aantal brieven en vele zeer belangrijke geschriften van Iulianus overig. Hij schreef Grieksch, en beschouwde Griekenland als zijn tweede vaderland.Iulii, een oud patricisch geslacht, dat onder Tullus Hostilius van Alba Longa naar Rome verhuisde en waarvan twee familiën naam verworven hebben, eerst deIulien later deCaesares. Zij leidden, althans in lateren tijd, hun oorsprong af van Aenēas’ zoon Ascanius of Iulus. 1)C. Iulius Iulus, consul in 489.—2)C. Iulius Iulus, consul in 447, legde met veel takt de geschillen bij tusschen de beide standen.—3)Onder de krijgstribunen met consulaire macht komen nog eenigeIulii Iulivoor; in 352 is een C. Iulius Iulus dictator, in 473 komt een consul voor met den ongewonen voornaamVopiscus, wiens kleinzoon in 393 censor was. Verder komen een enkele maal de familienamenLiboenMentovoor.—4)L. Iulius Caesar, consul in 90 bij het uitbreken van den bondgenootenoorlog, bezorgde door zijnlex de civitatehet rom. burgerrecht aan de trouw geblevensociiin Italia. In den oorlog was hij niet gelukkig, zieEgnatiino. 2. In 89 was hij censor. In 87 werd hij als aristocraat door de mariaansche partij omgebracht.—5)C. Iulius Caesar Strabo Vopiscus, broeder van no. 4, wordt als redenaar en dichter geprezen. Hij heeft o.a. tragedies geschreven, maar niets van zijn werken is bewaard gebleven. Ook hij kwam in 87 om, daar een vriend zijn schuilplaats verried.—6)L. Iulius Caesar, consul in 64, stemde in 63 voor den dood van P. Cornelius Lentulis Sura, zijn zwager, omdat deze tot de samenzwering van Catilīna behoorde. In 52 diende hij onder C. Iulius Caesar in Gallia. Na diens dood behoorde hij tot de hevige tegenstanders van zijn neef M. Antonius, die hem daarop vogelvrij verklaarde, doch later ongemoeid liet, op voorbede van Iulia (no. 7).—7)Iulia, zuster van no. 6 en moeder van M. Antonius, den drieman.—8)L. Iulius Caesar, zoon van no. 6, behoorde tot de aanhangers van Pompeius, en streed ook nog in Africa tegen Caesar, die hem echter, toen hij na Cato’s dood Utica aan Caesar had overgegeven, genade schonk. Kort hierna overleed hij.—9)C. Iulius Caesar, grootvader van no. 11. Hij stierf plotseling, terwijl hij bezig was zich te kleeden.—10)C. Iulius Caesar, zoon van no. 9 en vader van no. 11, stierf ook plotseling, in 85.—11)C. Iulius Caesar, zoon van no. 10, geb. 13 Juli 100, de bekende veldheer en dictator, de grootste man zijner eeuw. Zijne moeder was eene Aurelia. Zijne verwantschap met C. Marius, die met Iulia, Caesars tante, gehuwd was, en met Cinna, wiens dochter Cornelia hij zelf had gehuwd, maakten hem bij Sulla verdacht, vooral toen hij weigerde,zijne vrouw te verstooten (82). Caesar achtte het derhalve geraden, zich uit Rome te verwijderen en zich in het sabijnsche land eenigen tijd schuil te houden. Toen Sulla’s toorn eenigszins bedaard was, stak Caesar naar Asia over, waar hij onder den praetor M. Minucius Thermus zijn eersten veldtocht medemaakte (80). In 78 keerde Caesar naar Rome terug, op het bericht van Sulla’s dood. In 77 klaagde hij den gewetenloozen Cn. Cornelius Dolabella (Corneliino. 36) van afpersingen aan, en hoewel de rechters (weder uit den senaat gekozen) Dolabella vrijspraken, bereikte Caesar toch in zooverre zijn doel dat hij de opmerkzaamheid op zich vestigde en de hoop der volkspartij deed herleven. Doch de aristocratie was nog te machtig, en voorzichtigheidshalve verliet C. andermaal Rome en ging naar Rhodus, waar hij de lessen van den rhetor Molo in de welsprekendheid bijwoonde. Na zijn terugkeer wendde hij alle krachten aan, om de gunst van het volk deelachtig te worden door minzaamheid, dienstvaardigheid en mildheid. Nog als knaap was hij door toedoen van Marius reeds totflamen Dialisgekozen, welke verkiezing Sulla echter in 82 ongeldig verklaarde; achtereenvolgens werd hij nu in 73 pontifex, in 68 quaestor, in 65 aedilis curulis, in 63 pontifex maximus, in 62 praetor urbanus. Men verdacht er Caesar, evenals Crassus van, deel te hebben gehad aan de Catilinarische samenzwering. Als aediel had hij schitterende spelen gegeven en prachtige bouwwerken laten oprichten, maar ook de door Sulla omvergeworpen zegeteekenen van Marius en Cinna hersteld; als voorzitter van dequaestio de sicariisveroordeelde hij in 64 twee vroegere aanhangers van Sulla, die een aantal vogelvrijverklaarden hadden omgebracht. In 61 was hij propraetor in Lusitania en Baetica, van waar hij met roem en rijken buit terugkeerde. In 60 sloot hij het geheim verbond, hetzoogenaamdeeerste driemanschap, met Pompeius en Crassus, en bekleedde in 59 het consulaat (zieIuliae(leges)). Om den band hechter te maken, gaf hij zijne dochter Iulia aan Pompeius tot vrouw. Door delex Vatiniavan den volkstribuun P. Vatinius werden aan Caesar Gallia Cisalpīna en Illyricum als provinciën toegewezen, waarbij de senaat nog Gallia Transalpīna voegde. Tevens werden hem 4 legioenen toegewezen. Negen jaar bracht Caesar in Gallia door (58–49). Wel was hem het stadhouderschap slechts voor 5 jaar opgedragen, maar delex Treboniavan den volkstribuun C. Trebonius in 55 had het met 5 jaar verlengd (het triumviraat was reeds in April 56 te Luca hernieuwd). In die negen jaar onderwierp hij geheel Gallia en Belgica en breidde in overeenstemming daarmede zijn leger uit. Decommentarii de bello Gallicoleeren ons, hoe meesterlijk hij van alle oneenigheden der Galliërs wist partij te trekken om zegevierend voorwaarts te dringen. Iulia echter stierf in 54 en Crassus in 53, en hiermede was de band tusschen Caesar en Pompeius verbroken. Pompeius begon Caesars wassende macht bedenkelijk te achten en toen de senaat aan C. beval, zijn leger af te danken en zijn ambt neder te leggen, terwijl Pompeius weigerde hetzelfde te doen, trok C. den 10denJanuari 49 de Rubico over, het begin van den burgeroorlog, en veroverde binnen 2 maanden geheel Italia, terwijl Pompeius en de zijnen naar het Oosten gingen. Daarop begaf C. zich naar Hispania, waar hij de onderbevelhebbers van Pompeius, C. Afranius en M. Petreius bij Ilerda versloeg; vervolgens, na eerst het consulaat aanvaard te hebben, ijlde hij in het begin van 48 naar Epīrus en Thessalia, leed wel bij Dyrrachium eene nederlaag, doch behaalde bij Pharsālus op het sterke, door Pompeius bijeengebrachte leger eene volkomene overwinning (6 Juni 48). Pompeius vluchtte naar Aegypte, doch werd vermoord nog voor hij te Alexandrië aan land stapte. Caesar regelde nu in Aegypte de troonsopvolging ten gunste der schoone Cleopatra, en had toen nog een oorlog door te staan met haar broeder Ptolemaeus XII, die in den Nijl verdronk (bellum Alexandrinum, zieCleopatrano. 10). Na vervolgens in Azië Pharnaces van Pontus en Deiotarus van Galatia voor hunne aanhankelijkheid aan Pompeius gestraft te hebben, kwam C. in 47 te Rome terug, doch stak weldra naar Africa over, waar hij de pompejaansche partij vernietigde (slag bij Thapsus 46) en het oostelijk gedeelte van Numidia, tot aan de Ampsaga, inlijfde. In 46 hield hij te Rome een vierdubbelen triomftocht over Gallia,Aegypte, Pontus en Africa. In dit jaar valt ook de regeling van den rom. kalender met behulp van den sterrenkundige Sosigenes. Nog eenmaal moest hij te velde trekken tegen Pompeius’ zonen, die in Hispania een leger op de been hadden gebracht (slag bij Munda, 45). Hij werd met eerbewijzen overladen, en onder verschillende titels bezat hij eene onbeperkte macht. In 49 was hij dictator, in 48 was hij consul, in 46 dictator en consul tegelijk, in 45 was hij tot dictator voor zijn leven en consul voor tien jaar benoemd, met den titel van imperator; alspraefectus morumbezat hij censorische macht; de keuze der overheden werd hem overgelaten; hij mocht zijne beeltenis op de munt laten slaan, enz. Doch bij de aristocratische partij bleef een geheime wrok bestaan, en deels uit persoonlijke eerzucht, deels uit ijdelen waan, dat met Caesars dood de oude republiek zou herleven en de aanzienlijke familiën weder in het bezit harer vroegere macht zouden komen, vereenigden zich een zestigtal samenzweerders en overvielen C. den 15denMaart 44 in den senaat, waar hij, door 23 dolksteken doorboord, voor het standbeeld van Pompeius nederviel. Zijne begrafenis gaf tot hevige tooneelen aanleiding, vooral toen zijne testamentaire beschikkingen ten gunste van het volk bekend werden.—Behalve de eerste 7 boekende bello Gallicohebben wij van hem nog 3 boekende bello civili. Zijne redevoeringen en brieven, door de ouden bewonderd,zijn verloren gegaan, evenals zijne taalkundige werken. Als veldheer, staatsman, redenaar, kortom op welk gebied hij zich bewoog, overal muntte hij uit. Hij had een vriendelijk en openhartig karakter, een grenzenlooze eerzucht en ijzeren volharding.—12)Iulia, zuster van no.11, gehuwd met M. Attius Balbus. Eene dochter uit dit huwelijk, Attia, huwde C. Octavius, en werd moeder van Augustus.—13)Iulia, dochter van no. 11 en van Cornelia (Corneliino. 42), in 59 gehuwd met Pompeius, eene verstandige vrouw, die, zoolang zij leefde, eene breuk tusschen haar vader en haar man wist te voorkomen. Het was eene eenigszins vreemde verhouding, dat haar man zes jaar ouder dan haar vader was. Zij stierf in 54 bij eene bevalling.—14)C. Octavius, laterC. Iulius Caesar Octaviānusgenoemd en in de geschiedenis onder den titel vanAugustusbekend, was de zoon van C. Octavius (zie hierboven no. 12) en door zijn oudoom Caesar tot zoon aangenomen. Hij was in 63 geboren en verloor reeds in 59 zijn vader, waarna zijne moeder Attia met L. Marcius Philippus hertrouwde. Terwijl hij zich te Apollonia met zijne letterkundige studiën bezig hield, ontving hij het bericht van Caesars dood. Hij spoedde zich naar Italia, en was zoo voorzichtig, zich van Brundisium uit door een paar rom. legioenen, die hij daar aantrof, naar Rome te doen vergezellen. Over de gebeurtenissen, die toen volgden, zie menAntoniino.4 en 6,Pompeiino. 13.—Na den slag bij Actium in 31 en den daarop volgenden dood van Antonius en Cleopatra regelde Octavianus de zaken in het Oosten en keerde als alleenheerscher te Rome terug. Hier werd hij met eerbewijzen overladen; hij legde echter 13 Jan. 27 de onbeperkte macht, die hij sinds Nov. 43 alstriumvirbezat (zieTresvirino.9), vrijwillig neder, en gaf aan senaat en volk de republikeinsche vrijheid terug. Drie dagen later verleende de senaat hem den titel Augustus, en gaf hem tevens het grootste deel der pas afgestane macht terug. Van dezen dag dateert het Romeinsche keizerrijk ofprincipaat. Augustus wilde slechts de eerste der burgers,princeps civiumzijn. Hij behield het consulaat, dat hij tot 23 geregeld bekleedde, verder detribunicia potestas, die hem in 36 voor onbepaalden tijd, in 30 levenslang was verleend. Hierdoor had deprincepsde bevoegdheid van het tribunaat, was onschendbaar en kon alle rechten van het ambt uitoefenen zonder beperking van tijd of plaats. Verder verleende de senaat hem hetimperium proconsulareover alle provincies, waar legers stonden, die hij doorlegati pro praetoreliet besturen, en het oppertoezicht over de andere provinciën, die onder het beheer van den senaat bleven. Verder had hij het recht een lijfwacht te hebben, decohortes praetoriae. Hij deelde zijn macht met den senaat, die nu o. a. ook voor zijne leden hooggerechtshof werd. Voor Rome brak nu een tijd van rust en vrede aan, dubbel welkom na het eindelooze bloedvergieten der laatste 18 jaren. Onder zijne voornaamste regeeringsdaden behooren de verdeeling van Italië in 11 en van Rome in 14regiones, de oprichting vancohortes vigilumencohortes praetoriae, de verdeeling der provinciën in keizerlijke en senatorische (zie hierboven), de aanstelling van eenpraefectus urbien tweepraefecti praetorio. De oorlogen, die hij nu voerde, hadden geene nieuwe veroveringen ten doel, maar òf behoud van het bestaande òf meer volledige onderwerping der volken in het rom. gebied. Zoo brachten zijne stiefzoons Drusus en Tiberius de Alpenvolken ten onder tot aan den Donau, om de grenzen van het rijk te bevestigen; vervolgens trachtten zij de rom. heerschappij tussen Rijn en Elbe op vaste grondslagen te vestigen, welk plan later door de nederlaag van Varus in duigen viel; Agrippa onderwierp de Cantabriërs en Asturiërs in Hispania. Zelf trok Augustus in 20 naar het Oosten en ontving van den parthischen koning de op Crassus en Antonius veroverde veldteekenen terug. Hij stierf te Nola in 14 na C. Zijne weduwe Livia hield zijn dood geheim, totdat Tiberius de noodige maatregelen had kunnen treffen, om zich in het bezit der heerschappij te stellen.—15)Voor de min of meer verwarde familiebetrekkingen van het huis van Augustus mogen de volgende opgaven dienen.Augustus is driemaal gehuwd geweest: 1) met Claudia, dochter van den beruchten P. Clodius Pulcher, uit welk huwelijk geene kinderen waren;—2) met Scribonia, zuster van L. Scribonius Libo, in 40, een huwelijk uit staatkunde gesloten, dat in 39 weder ontbonden werd, juist op den dag harer bevalling van eene dochter Iulia;—3) met Livia Drusilla, wier vader Livius Drusus in den slag bij Philippi was gesneuveld. Zij was gehuwd met Tib. Claudius Nero en had twee zoons, in de geschiedenis bekend als Tiberius en Drusus. Augustus overreedde haar man, haar aan hem af te staan en nam toen Tiberius en Drusus als zoons aan.a) Augustus en Scribonia.Iulia, driemaal gehuwd, 1) met M. Claudius Marcellus, jong gestorven (zieClaudiino. 37),—2) met M. Vipsanius Agrippa, gest. 12,—3) met den lateren keizer Tiberius.Wegens haar ergerlijken levenswandel werd zij in 2 door haar vader naar het eiland Pandataria en later naar Rhegium verbannen, waar zij in 14 na C. stierf.Kinderen uit Iulia’s tweede huwelijk.
Isis,Ἶσις, aegyptische hemelgodin, moeder der opgaande zon (Horus) en gemalin der middagzon (Osīris). Zij was een van de weinige godheden, die in geheel Aegypte vereerd werden, vandaar dat, toen men eene verklaring poogde te vinden van de geheimzinnige mythen, die op hare verhouding tot de zon betrekking hebben, die mythen op zeer verschillende wijzen uitgelegd werden, waarbij aan het wezen van Isis tal van beteekenissen werden toegeschreven, die haar oorspronkelijk geheelvreemd waren. Zoo werd zij godin van het Nijldal, maangodin, godin van leven en vruchtbaarheid, helpster bij geboorten, godin van ziekte en gezondheid, koningin der onderwereld, waarvan zij de sleutels bewaart en waar zij recht spreekt over de dooden, godin van zee en stormen, wetgeefster, beschermster van het huwelijk en den staat, enz. Door de Grieken werd zij daarom vereenzelvigd met Demēter, Persephone, Hecate, Hera, Artemis, Io en vele andere godinnen, en haar voor een groot deel geheime, dikwijls met onzedelijkheid gepaarde, eeredienst vond bij hen vrij algemeen ingang. Ook bij de Rom. werd de dienst van Isis tegen het einde der republiek ingevoerd en, hoewel herhaaldelijk verboden, was hij in den keizertijd door het geheele rijk verbreid. Een offerplechtigheid ter eere van Isis is op blz. 338 voorgesteld.—Latere wijsgeeren zagen in Isis, wegens haar uitgebreiden werkkring, de personificatie der grondstof van het heelal of de alles beheerschende godheid.—Hare afbeeldingen gelijken op die van Hera, hare attributen zijn slangen, korenaren, lotus, de halve maan, het sistrum, e. a.Ismarus,Ἴσμαρος, berg en stad in het gebied der Ciconen op de thracische kust. Bij dichtersIsmarius= thracisch.Ismēne,Ἰσμήνη, dochter van Oedipus en Iocaste. Zij bleef haar vader in zijn ongelukken getrouw en kwam hem in zijne verbanning inlichten omtrent thebaansche toestanden. Hoewel zij haar zusterAntigone(z. a.) had afgeraden tegen het bevel van Creon te handelen, was zij bereid de gevolgen van hare daad mede te dragen.Ismenias,Ἰσμηνίας, 1) rijk Thebaan, hoofd van de partij, die Sparta vijandig gezind was, geen democraat, zooals sommige schrijvers melden. In den corinthischen oorlog, waartoe hij, van Perzië uit met geld ondersteund, door zijn politiek aanleiding gegeven had, onderscheidde hij zich als veldheer. In 383 was hij polemarch, toen echter de Spartanen, door zijn ambtgenoot Leontiades geholpen, de Cadmēa bezet hadden, werd hij gevangen genomen en als onruststoker ter dood veroordeeld.—2)zoon van den vorigen, vluchtte bij den dood van zijn vader naar Athene en bleef er tot 379. Hij werd met Pelopidas te Pherae gevangen gehouden (368) en vergezelde hem bij zijn gezantschap naar Perzië.Ismēnus,Ἰσμηνός, riviertje in Boeotia, dat door Thebae stroomt, het water der bron Dirce opneemt en in het meer Hylice valt. Hierna heeten de Thebaansche vrouwen bij Ovidius:Ismenides.Isocrates,Ἰσοκράτης, een van de tien attische redenaars. Hij was de zoon van een rijk Athener, geb. 436, en genoot het onderwijs van de beroemdste sophisten van zijn tijd en ook van Socrates. Zijn vader verloor in den peloponnesischen oorlog zijn vermogen, hijzelf verwierf zich echter grooten rijkdom, vooral door zijn onderwijs in de welsprekendheid, dat zeer gezocht was; v.s. had hij 100 leerlingen, die hem ieder 1000 drachmen betaalden; voor eene redevoering zou hij eens van Nicocles 20 talenten gekregen hebben. Zijn aanzien was groot, niet alleen bij zijne leerlingen, maar ook in wijderen kring, zelfs met vreemde vorsten (Philippus, Euagoras, Nicocles) stond hij in betrekking. Zelf trad hij uit bedeesdheid en wegens zijn zwakke stem nooit in het openbaar als redenaar op, hij schreef echter voor anderen pleitredenen, totdat hij in 388, na een kort verblijf op Chius, te gelijk met het openen zijner school, zich in een nieuwe richting ging bewegen als schrijver van verhandelingen, die den vorm van redevoeringen (feestredenen, leerredenen) behouden hebben, ofschoon zij niet bestemd zijn om voorgedragen, maar om gelezen te worden (λογοὶ ἐπιδεικτικοὶ καὶ συμβουλευτικοί). De voornaamste hiervan zijn:Πανηγυρικός(380),Πλαταϊκός(373),Ἀρχίδαμος(365),Συμμαχικὸς ἢ περὶ εἰρήνης(357),Ἀρεοπαγιτικός(354),Φίλιππος(346),Παναθηναϊκός(342–339). Zijn taal is zuiver en eenvoudig, zijne perioden kunstig samengesteld; ook worden zijne werken, waarvan 21 bewaard gebleven zijn, als modellen van welsprekendheid geroemd, terwijl zij tevens getuigen van zijne vaderlandsliefde en vele juiste beschouwingen bevatten over de verwarde toestanden van zijn tijd. Over de waarde zijner kunst, die hij voor het praktische leven zeer hoog schat en waaraan hij, in tegenstelling met andere rhetoren, ook een zedelijke beteekenis toekende, is hij soms in polemiek met Plato. Uit verdriet over den afloop van den slag bij Chaeronēa maakte hij, 98 jaar oud, een einde aan zijn leven.Ἰσοτελής. Eenμέτοικος, die zich op een of andere wijze jegens den staat verdienstelijk had gemaakt, werd beloond met deἰσοτέλεια. Daardoor werd hij, wat zijn geldelijke verplichtingen tegenover den staat betreft, en soms ook in andere opzichten, met de burgers gelijkgesteld.Issa,Ἴσσα, eilandje op de dalmatische kust, thans Lissa. De inwoners waren flinke zeelieden; hunne booten werdenlembi Issaeigenoemd.Issedones,Ἰσσηδόνες, groot scythisch volk in Azië, aan de grenzen van Serica (China).Issus,Ἰσσός, Ἰσσοί, stad in het O. van Cilicia, aan de Issische golf, waarbij Alexander de Gr. in 333 zijne tweede groote overwinning op de Perzen behaalde.Istaevones=Istuaevones.Ister,Ἴστρος, leerling van Callimachus, schrijver eenerἈτθίς, en van vele andere werken. Er zijn alleen fragmenten over.Ister,Ἴστρος, zieDanuvius.Isthmia,Ἴσθμια, de isthmische spelen, na de olympische en de pythische het voornaamste feest der Grieken. Zij werden om de twee jaar onder voorzitterschap der Corinthiërs, en na de verwoesting van Corinthe onder dat der Sicyoniërs, op de landengte van Corinthus ter eere van Poseidon Isthmius gehouden, en bestonden uit de gewone wedstrijden in loopen, vechten, rijden, enz., waarbij later voordrachten van gedichten of muziek kwamen.De overwinnaar kreeg een palmtak en een krans van eppe. De isthmische spelen werden tot laat in den rom. keizertijd gevierd en druk bezocht, daarom werden hier dikwijls afkondigingen van algemeen belang gedaan; hier werden de Grieken door T. Quinctius Flaminīnus en later door Nero vrij en autonoom verklaard.Isthmius,Ἴσθμιος, bijnaam van Poseidon als den god, wien de isthmische spelen gewijd zijn.Isthmus,Ἰσθμός, landengte, bij uitnemendheid die van Corinthus. Op deze landengte stond de tempel van den isthmischen Poseidon en werden te zijner eer de isthmische spelen,τὰ Ἴσθμια, gevierd. Dwars over de landengte, tusschen de Saronische golf en de Corinthische, liep eene soort van overtoom of rolbaan,δίολκος(z. a.). Op deze wijze werd de gevaarlijke omvaart van kaap Malea vermeden.Istria=Histria.Istropolis,Ἰστρόπολις, Ἴστρος, stad op de kust van Moesia, ten Z. der Donaumonden, kolonie van Milētus.Istrus,Ἴστρος=Istropolis. Zie ookDanuvius.Istuaevones, oude naam voor één der onderafdeelingen der Germanen, de Rijn-Germanen, waarvan de Sicambri den voornaamsten stam vormden.Isisdienst.Isisdienst.Italia,Ἰταλία. Voordat Augustus de Alpenlanden onder Rome’s heerschappij bracht, begon Italia in het N. eerst aan den voet der Alpen, en zelfs kon het noordelijk gedeelte, het dal van den Po en zijne bijrivieren, geschiedkundig eerst tot Italia gerekend worden, sedert Augustus het in zijne verdeeling vanItaliain elfregionesopnam. Wel had Gallia Cispadāna in 89, Transpadāna in 49 het rom. burgerrecht gekregen, doch niettemin bleef Gallia Cisalpīna nog provincie. Ethnografisch behoorde het ook niet tot Italia, daar het geheel door ligurische en gallische stammen was bezet. ZieGallia Cisalpina.—Het eigenlijke oude Italia begon eerst dáár, waar het land zich op eenmaal versmalt, en waar zich de Rubico, vóór Sulla de Aesis, in de Adriatische, de Macra in de Tyrrheensche zee stort. De naam Italia wordt afgeleid van een oud umbrisch woordvitlu, rund (vitulus), en wordt oorspronkelijk alleen gebezigd van de uiterste Zuidpunt, de streek van het Sila-gebergte, dan van het heele Zuiden tot aan de rivieren de Laüs en de Siris (in Lucania), en ten slotte door de siciliaansche Grieken, deΣικελιῶται, op geheel eigenlijk Italia toegepast. In den oudsten tijd komen verschillende deelen onder verschillende namen voor, die ook wel, vooral bij dichters, voor het geheel worden gebezigd,als:AusoniaofOpica, oorspronkelijk de Z.W. kust,DauniaenIapygiaaan de Z.O. kust,Oenotria, het wijnland,Tyrrheniaof Etruria,Saturniaof Latium, terwijl de Grieken het ookHesperia, het avond- of Westland noemden. Onder de oudste bewoners worden deUmbriin Midden-Italia vermeld, die ook Etruria bewoonden, doch door deEtruseiin Umbria werden teruggedrongen. DeAusones,AurunciofOsciwoonden in Apulia, Campania (waaruit zij door Samnieten verdrongen werden) en in een deel van Latium. DeAborigineswaren de stamvaders der Latijnen. Dan had men den sabellischen stam, waartoe deSabīni, Peligni, Marsi, Marrucīni,Frentāni, Hernicien anderen behoorden en die zich onder den algemeenen naam vanSaunītaeofSamnītesover Samnium, Campania en Lucania uitbreidden. De kustbewoners van Apulia en Calabria waren misschien van illyrischen, deBruttiivan siculischen oorsprong. De kusten der zuidelijke helft (Beneden-Italië,Italia inferior, Magna Graecia) waren met grieksche, meest achaeïsche en dorische, koloniën bezet. In één woord, Italia vertoonde het bontste mengelmoes van verschillende bevolkingen en stammen, die elkander den bodem betwistten. Midden-Italia omvatte de landschappen Etruria, Umbria, Picēnum, Samnium, Latium, Campania; Beneden-Italia bevatte Lucania, Bruttii, Apulia, Calabria. De namen der XIregiones, waarin Augustus Italia verdeelde, zijn de volgende: 1o. Latium et Campania, 2o. Apulia et Calabria, 3o. Lucania et Bruttii, 4o. Samnium, 5o. Picēnum, 6o. Umbria, 7o. Etruria, 8o. Aemilia, 9o. Liguria, 10o. Venetia, 11o. Transpadana.Italica, 1) rom. municipium in Baetica aan den Baetis (Guadalquivir), nabij Hispalis (Sevilla), door Scipio (Africānus maior) gesticht.—2)zieCorfinium.Italicum bellum, zieMarsicum bellum.Italus,Ἰταλός, aloud koning der Oenotriërs of der Siculi, zoon van Telegonus en Penelope. Hij was gehuwd met Electra, dochter van Latīnus, en werd de vader van Remus of Romus.Itanus,Ἴτανος, stad op de Oostkust van Creta, met purperververijen.Ithaca,Ἰθάκη, thans Thiaki, een der tegenw. Ionische eilanden, het kleine, maar beroemde eiland van Ulysses, tusschen Cephallenia en het vasteland gelegen. Tegenwoordig meenen echter vele geleerden het Homerische Ithaca in Leucas teruggevonden te hebben.Ithōme,Ἰθώμη, berg in het midden van Messenia, slechts van ééne zijde toegankelijk, waarvan de Messeniërs in hun eersten oorlog tegen Sparta (743–724) eene bergvesting maakten, die zij 10 jaar lang verdedigden. Aan den voet van den berg legde Epaminondas in 369 de stad Messēne aan, waarvan Ithome de citadel werd. Ithome en de acropolis van Corinthus werden de beide horens,κέρατα, van de Peloponnēsus genoemd.Itius portus,τὸ Ἴτιον, havenstad der Morīni in Gallia, van waar Caesar naar Britannia overstak, thans Calais of Wissant; v. a. identisch met Gesoriacus portus (Boulogne s. m.).ItonofItōnus,Ἰτών, Ἴτωνος, oude stad in het midden van het thessalische landschap Phthiōtis, met een beroemden tempel van Athēna.Ituraea,Ἰτουραία, bergl. ten N.O. van Palaestina, tusschen Batanaea of Basan en de woestijn gelegen, ten O. van Bostra. DeIturaeiwaren woeste roovers, en beroemde boogschutters. Augustus voegde Ituraea aan het gebied van Herōdes den Gr. toe; keizer Claudius deelde het bij Syria in.Ityca,Ἰτύκη=Utica.Itylus,Ἴτυλος, zoon van Zethus en Aēdon (z. a.), die door zijne moeder bij vergissing gedood werd.Itys,Ἴτυς, zoon van Tereus en Procne (z. a.), die door zijne moeder en tante gedood werd.Iuba,Ἰόβας, koning van Numidia, zoon van Hiëmpsal II, welke laatste een zoon was van Gauda. Indertijd had Hiëmpsal de party van Sulla gekozen, was daarop door de mariaansche partij verdreven, doch door Pompeius in zijn rijk hersteld. In 63/62, nog tijdens het leven van zijn vader, haalde Juba zich de vijandschap van Caesar op den hals; toen dus de burgeroorlog uitbrak, koos hij partij tegen Caesar; hij versloeg Caesars legaat C. Curio met diens geheele leger, doch de nederlaag der pompejaansche partij bij Thapsus in 46 noodzaakte hem tot de vlucht, en toen nu ook de zijnen hem begonnen in den steek te laten, bracht hij in wanhoop zichzelf om het leven.Zijn zoon Juba, nog een kind, werd door Caesar naar Rome gebracht en ontving daar eene zorgvuldige rom. opvoeding, zoodat hij later als geleerde grooten naam had. Hij schreef vooral over geschiedenis en aardrijkskunde. Augustus gaf hem in 25 het westelijk gedeelte van zijn vaderlijk rijk, het latere Mauretania Caesariensis, en bovendien het eigenlijke Mauretania (M. Tingitāna) tot koninkrijk. Juba was gehuwd met Cleopatra Selēne (zieCleopatrano. 11). Hij overleed in 23 n. C., en werd opgevolgd door zijn zoon Ptolemaeus. Hij vestigde zijn residentie te Iol, dat hij verdoopte in Caesarēa (z. a. no. 6).Iudaea,Ἰουδαία, het Z. gedeelte van Palaestina, ten W. door de zee, ten O. door den Jordaan begrensd. In later tijd werd onder dezen naam ook wel geheel Palaestina als rom. provincie verstaan. Zie verderPalaestina.Iudex. In civiele processen was het regel, dat de twistende partijen voor den praetor verschenen. De praetor nam kennis van de zaak, onderzocht of er eene actie in zat, d.w.z. of een der op zijnalbumvermelde gevallen van rechtsvordering op het geval van toepassing was; hij besliste echter zelf niet, of de eischende partij gelijk had (zie echteriudicium extra ordinem). Hij stelde alleen hetiusvast, d. i. hij omschreef, wat recht was in geval de klager in zijn recht bleek te zijn, en wat er geschieden moest ingeval dit niet bleek. De vaststelling van den procesdag, de oproeping der getuigen geschieddendoor den praetor, doch de beslissing, de uitspraak, hetiudicium, werd door hem opgedragen òf aan een enkelen rechter,iudex,arbiter, òf in sommige gevallen aan een college van drie of vijf rechters,iudices recuperatores. Zulk eeniudexkreeg van den praetor eene bepaalde instructie, waarin hem voor elk geval de uitspraak was voorgeschreven; hij had dus alleen te onderzoeken, of de eischer zijn recht bewijzen kon. De pleidooien en het getuigenverhoor hadden dus voor den rechter plaats. Wanneer iemand door den praetor werd opgeroepen, om als alleenstaand rechter op te treden, nam hij eenconsilium amicorummede, ten einde hem als adviseurs ter zijde te staan. Het gewoonterecht eischte dit. Doch zijne uitspraak was de beslissendesententia iudicis, die geen hooger beroep toeliet.Deiudicesbij dequaestiones perpetuaespeelden eene andere rol. Dezequaestioneswaren processen in strafzaken, waarbij de straf eens en voor goed door eene wet was vastgesteld. Het kwam er dus slechts op aan, of de schuld van den beklaagde bewezen kon worden of niet. Hier vormden derhalve deiudiceseen hof van gezworenen, waar meerderheid van stemmen gold. De wet bepaalde het aantal gezworenen, alsmede hoeveel er door aanklager en aangeklaagde mochten gewraakt worden (reiectio iudicum).Jaarlijks werd door denpraetor urbanuseene lijst opgemaakt van hen, die voor het rechtersambt in aanmerking kwamen (album iudicum). Eerst bestond de lijst alleen uit leden van den senatorenstand; delex Semproniavan C. Gracchus (123) bracht hierin verandering door de senatoren uit te sluiten en het rechtersalbum samen te stellen uit hen, die den riddercensus hadden (zieequites). Sulla’slex Cornelia iudiciaria(81) gaf het rechtersambt aan den senaat terug. Ten gevolge van de reorganisatie van het strafrecht door Sulla ingevoerd, waren er voortaan 8quaestiones, waarbij de meeste strafdelicten waren ingedeeld; daar er slechts zes praetoren beschikbaar waren, en sommigequaestiones, vooral dieinter sicarios, gewoonlijk gesplitst moesten worden, wezen de praetoren voor elk van de overige eeniudex quaestionis(z. a.) aan. Delex Aureliavan L. Aurelius Cotta (70) verdeelde deiudiciatusschen den senaat, den ridderstand en detribuni aerarii, zoodat bij elkequaestio perpetuahet gerechtshof uit drie afdeelingen ofdecuriaebestond. Caesarslex Iuliasloot de aeraartribunen wederom uit; M. Antonius voerde wederom eene derde decurie zonder census in, voornamelijk uitcenturionesenveteranisamengesteld; Augustus nam vier decuriën aan; de leden der vierde decurie werdenducenariigeheeten naar hun census van slechts 200000 sestertiën. Uit de rechterslijsten werd door den praetor, wien het aanging, voor iedere zaak het voorgeschreven aantal rechters door loting aangewezen,sortitio iudicum. Ingeval de wet bepaalde, dat in plaats der gewraakte rechters andere zouden geloot worden, heette ditsubsortitio. Eenarbiterbehoefde niet uit hetalbum iudicumte worden gekozen. Dikwijls gaven de twistende partijen zelf aan den praetor op, wien zij liefst als arbiter wenschten aangewezen te zien.Iudex pedaneus,χαμαιδικαστής. In het keizerstijdperk kwam de rechtspraak meer en meer in hand der overheden, en werd hetiudicium extra ordinemde heerschende vorm. Soms evenwel werd in civiele zaken een onderzoek opgedragen aan een hulp- of onderrechter, diepedaneuswordt genoemd.Iudex quaestionis. Daar er voor dequaestiones perpetuaeniet zooveel praetoren beschikbaar waren als het getalquaestionesbedroeg, moesten wel enkele praetoren twee rubrieken van misdaden voor hunne rekening nemen. Zij konden zich dan wel met de instructie van tweequaestionesbelasten, maar niet altijd bij beide als voorzitter van het gerechtshof optreden. In dit geval belastten zij eeniudexmet het voorzitterschap, die daniudex quaestioniswas. Dit was sedert Sulla geregeld een oud-aediel.Iudicio (in),in iure. Bij civiele gedingen moeten streng gescheiden worden de handelingenin iureenin iudicio. In iureis al datgene, wat voor den praetor plaats vindt;in ius ambulare, ire, venire= tot den praetor gaan.In iudiciois alles, wat voor den rechter geschiedt.Iudicium domesticum. De rom. vader was rechter over zijn gezin en kon krachtens zijnius vitae et neciszware misdaden zijner kinderen, ja, zijner vrouw, zelfs met den dood straffen. Wanneer hij echter als huisrechter optrad, moest hij evengoed als elke alleen uitspraak doende rechter (zieiudex) zich eenige buren en bloedverwanten alsconsiliumtoevoegen.Iudicium extra ordinem. Aldus wordt eeniudiciumgeheeten, wanneer dezelfde overheid de zaakin iureenin iudiciobehandelt, b.v. wanneer de praetor zelf uitspraak doet (zieiudex). Er konden zich gevallen voordoen, die niet naar eeniudexkonden verwezen worden, omdat zij naar het strenge rom. recht niet vervolgbaar waren, b.v. van een pupil, die nog te jong was om als rechtspersoon te kunnen optreden, tegen zijn voogd, en waarin toch eene tusschenkomst van hoogerhand wenschelijk was. Doch de uitspraak van eene overheid was geen vonnis, geenesententia iudicis, maar slechts eendecretum, dat herroepen kon worden door dengene, die het had uitgevaardigd en dat ook niet verbindend was voor diens opvolger. Onder de republiek was hetiudicium extra ordinemzeldzaam; onder de keizers werd het de heerschende vorm, en kon men zelfs van eene overheid op eene hoogere en in het hoogste ressort op den keizer zelven appelleeren, iets wat onder de republiek onbekend was.Iudicium privatum. Dit komt, wat den aard betreft, overeen met hetgeen bij ons een civiel rechtsgeding heet, met dien verstande, dat bij de Rom. minder strafzaken waren danbij ons, en dus vele zaken, die bij ons tot strafvervolging zouden leiden, bij hen slechts tot een civiel proces aanleiding gaven. Zie verder het begin van het artikeliudex.Iudicium publicum. De strafrechtpleging was in Rome oorspronkelijk in handen van de ambtenaren (ziecoercitio), maar ging voor zoover het burgers betrof door de verschillendeleges de provocationeover op de volksvergadering. Bijres capitaleswerd nu de zaak geïnstrueerd door een quaestor, en bij veroordeeling en appel op het volk werden dan decomitia centuriatadoor eenmagistratus cum imperiobijeengeroepen, die dan het vonnis bekrachtigden of vernietigden (zieContio). Bij boetezaken werden de opgelegde boeten bij overschrijding der provocatie-grens door detribunienaediles plebisvoor hetconcilium plebis, door demagistratus populivoor decomitia tributagerechtvaardigd. Daar echter het volk niet tegenover alle personen en in alle zaken een onpartijdig rechter was en het bijeenroepen der comitiën dikwerf op groote bezwaren stuitte, riep de volkstribuun L. Calpurnius Piso in 149 voor processen over afpersingen in de provinciën (repetundae) de eerste zoogenaamdequaestio perpetuain het leven. Bij zulk eenequaestiowas de straf door de wet aangewezen; het proces werd nu gevoerd voor een hof van gezworen rechters, die nu alleen over schuld of onschuld uitspraak hadden te doen en die voor elke zaak in het door de wet bepaalde getal door het lot werden aangewezen (zieiudex). Allengs werd het aantalquaestiones perpetuaeuitgebreid, evenals het aantal praetoren. Ieder burger kon thans als klager optreden. De praetor, wien dequaestioaanging, instrueerde de zaak en was in den regel voorzitter van het hof; zoo niet, dan werd hij als zoodanig vervangen door eeniudex quaestionis(z. a.). Met de invoering derquaestiones perpetuaeging echter niet noodzakelijk de opheffing van hetiudicium populigepaard; de overheidspersonen, die hetius agendi cum populohadden, konden altijd nog eene wet tot veroordeeling van dezen of genen voorstellen, doch uit den aard der zaak werd deze vorm van strafgeding zeldzamer.Iugarius vicus, straat in Rome, die aan den zuidelijken voet van het Capitool van de porta Carmentalis naar het forum liep.Iugerum, rom. vlaktemaat, 240 voet lang en 120 voet breed = omstreeks ¼ hectare.Iugum.Iugum,ζυγός. Bij de ouden liep een tweespan van paarden of andere trekdieren onder een juk of dwarshout, dat op den nek der dieren lag en met riemen aan het tuig werd bevestigd, terwijl het uiteinde van den disselboom op dit juk rustte en er met een zwaren riem aan vastgebonden was. Soms was dit juk golvend om het beter aan den nek der dieren te doen sluiten, somtijds ook recht. Bij een vierspan liepen alleen de beide middelste onder het juk.—Het juk, waaronder nu en dan overwonnen legers moesten doorgaan, bestond uit twee speren, die in den grond waren gestoken en waaraan eene derde horizontaal was vastgebonden.Iugurtha. Masinissa, koning van Numidia, had, voorzoover bekend is, drie zoons: Micipsa, Gulussa en Mastanabal. Micipsa volgde zijn vader op en regeerde van 148 tot 118. Hij had twee zoons, Hiëmpsal en Adherbal, bovendien had hij een onechten zoon van Mastanabal, Jugurtha, tot zoon aangenomen en tot medeërfgenaam van zijn rijk benoemd. Aan het hoofd der numidische hulptroepen diende Jugurtha onder P. Cornelius Scipio in 134 voor Numantia, waar hij grooten lof verwierf om zijn moed en zijn beleid. Na Micipsa’s dood ontstond er spoedig twist tusschen de prinsen; Jugurtha, die naar de alleenheerschappij streefde, ruimde zijne beide neven uit den weg, terwijl hij door omkooping op groote schaal den rom. senaat de oogen deed sluiten voor hetgeen er in Numidia gebeurde. Doch eindelijk, toen het rom. volk over de omkoopbaarheid van den senaat oproerig begon te worden, werd aan Jugurtha de oorlog verklaard. De eerste veldheer, die tegen hem werd afgezonden, de consul L. Calpurnius Bestia (111), bezweek zelf voor het numidisch goud; daarop kwam in 110 de consul Sp. Postumius Albīnus (Postumiino. 14), die al spoedig het bevel aan zijn broeder Aulus overliet, om te Rome de comitiën te houden. Door list wist Jugurtha zijn tegenstander te verschalken; het rom. leger moest zich overgeven en onder het juk doorgaan. Q. Caecilius Metellus (Caeciliino. 13), consul in 109, bestreed Jugurtha gedeeltelijk met diens eigen wapens en noodzaakte hem, naar zijn schoonvader Bocchus, koning van Mauretania, te vluchten. Beiden leden in 107 eene gevoelige nederlaag door C. Marius, die Metellus in het opperbevel was opgevolgd. Bocchus, voor zijn eigen troon bevreesd, leverde zijn schoonzoon uit aan L. Sulla, die als quaestor in Marius’ leger diende (105). Jugurtha moest den zegetocht van Marius opluisteren, waarna men hem zes dagen lang in den kerker met den hongerdood liet worstelen en toen worgde.Iulia (lex)van den consul L. Iulius Caesar (90), waarbij aan de italiaansche bondgenooten, die bij den algemeenen opstand aan Rome trouw gebleven waren, en evenzoo aan de Latijnen het burgerrecht werd toegekend.Iuliae (leges)van C. Iulius Caesar.—1)lex de publicanis(door Caesar in het leven geroepen in zijn eerste consulaat, in 59), dat aan de belastingpachters in Asia het derde deel der pachtsommen zou worden terugbetaald wegens de verliezen, die zij in den mithradatischen oorlog hadden geleden.—2)lex agraria, zoogenaamdlex Campāna, zie onderAgrariae (leges). Deze wet, evenals de vorige, van het jaar 59, werd door Caesar doorgedreven, niet zonder hevigen tegenstand van den senaat en van Caesars ambtgenoot M. Calpurnius Bibulus.—3)lex de repetundis(59), eene uitvoerige wet van meer dan 100 artikelen. O.a. beval zij, dat de verschuldigde gelden ook op hen zouden verhaald worden, die van den veroordeelde geld hadden ontvangen. Deze wet diende tot grondslag voor alle latere verordeningen op dit punt.—4)tot bekrachtiging der schikkingen, door Pompeius in Asia gemaakt (59).—5)lex de exsulibus, van het jaar 49 gedurende Caesars eerste dictatuurcomitiorum habendorum causa. Door deze wet werden zij, die in de laatste jaren van misdrijven waren aangeklaagd en volgens rom. gewoonte vóór de uitspraak van het vonnis in ballingschap waren gegaan, in hun vroegeren staat hersteld (restitutio in integrum). Het was dus eene amnestie, waarvan echter T. Annius Milo met name was uitgesloten. Het bestaan van deze wet wordt met recht betwist; wel werden eenige personen, vooral eenigen, dievolgensdelex Pompeia de ambituveroordeeld waren, teruggeroepen, maar een bepaalde wetde reditu damnatorumis niet aan te nemen. Wel heeft M. Antonius na Caesar’s dood uit deacta Caesariseenelex Julia de exulibus, die natuurlijk apocryph was, gepubliceerd.—6)lex de pecuniis mutuis s. de aere alieno. In den burgeroorlog hadden velen geleden en was het crediet geschokt. Hierom beval de wet de benoeming vanarbitri, die de geleden verliezen zouden taxeeren, waarna dan in verhouding daarvan een gedeelte der schulden zou worden geroyeerd. Ook deze wet dagteekent van het jaar 49. Hiermede ging, om het oppotten van geld te voorkomen, een bepaling gepaard, waarbij o.a. verboden werd, meer dan 15000denariiaan contant geld te bezitten. Een aanvulling hiervan wasde lex Julia de modo credendi et possidendi intra Italiamvan 47, waarbij de kapitalisten verplicht werden een gedeelte van hun vermogen in grondbezit aan te leggen, en de schulden op het grondbezit drukkend, tot een bepaald bedrag beperkt werden.—7)lex de civitate Transpadanis danda, evenzeer van 49.—8)lex iudiciaria, tot opheffing der derde, uittribuni aerariibestaande decurie rechters (zieiudex). Deze wet is van het jaar 46, toen Caesar, na de pompejaansche partij overal verslagen te hebben, te Rome was teruggekeerd. Hij was in dit jaar ten derden male consul.—9)leges de vi et de maiestate, waardoor zij, die voor deze misdaden veroordeeld werden, niet slechts metaquae et ignis interdictio, maar bovendien met geheele of gedeeltelijke verbeurdverklaring van hun vermogen werden gestraft. Ook van 46.—10)lex de collegiis(46), tot opheffing dercollegia, die niet van oudsher en wettig bestonden. Er hadden zich te Rome verschillende politieke clubs gevormd, die vooral bij verkiezingen ijverig in de weer waren. Tegen deze vereenigingen was Caesars wet gericht. V. s. zijn deze bepalingen bij edict vastgesteld.—11)lex de sacerdotiis(46), waarbij enkele priestercollegiën uitgebreid werden en o. a. bekrachtigd werd, wat toch reeds gebeurde, dat ook afwezigen tot priesters konden gekozen worden.—12)lex sumptuaria(46), waarbij o.a. het gebruik van draagstoelen, edelgesteenten, enz., beperkt werd, en op de markt wachters aangesteld werden, om wat boven het verbod gekocht werd, in beslag te nemen, ja zelfs in sommige gevallen aan lictoren en soldaten werd gelast, in de huizen binnen te gaan en wat buiten de perken der wet was, van tafel weg te nemen.—13)lex de provinciis(46), dat geen stadhouder in een praetorische provincie langer dan één, in eene consulaire langer dan twee jaar zou blijven.—14)lex de liberis legationibus(46), onzeker van welken inhoud. Door Cicero’slex Tulliawas dit gezantschap-titulair tot den duur van één jaar beperkt. Caesar schijnt het weder te hebben uitgebreid. Deze wet is waarschijnlijk een onderdeel van delex de provinciis.—15)lex municipalis(45), eene wet op het bestuur, de inrichting, het politiewezen, enz., der rom. municipiën.Iuliae (leges)van C. Iulius Caesar Octaviānus, 18. 1)lex sumptuaria, ter beperking vooral van de buitensporige uitgaven voor maaltijden en huiselijke feesten.—2)lex de adulteriis et de pudicitia, met strenge strafbepalingen.—3)leges de ambitu, de annona(tegen korenwoeker),de peculatu, enz.,lex de iudiciis privatisvan 17.—4)lex de maritandis ordinibus, zielex Iulia et Papia Poppaea.Iulia et Papia Poppaea (lex)de maritandis ordinibus, eigenlijk delex Iuliavan Octaviānus (18), gewijzigd en uitgebreid in 9 na C. door de consuls M. Papius Mutilus en Q. Poppaeus Secundus. Zij had tot doel de bevordering der huwelijken, door aan het hebben van wettige kinderen voorrechten te verbinden. Zieius liberorum.Iulia Papiria (lex)de multarum aestimationevan de consuls L. Iulius Iulus en C. Papirius Crassus (430), verving de veeboete door een boete in geld. Ze bepaalde de waarde van een schaap op 10, van een os op 100asses librales, zoodat demulta suprema(zielex Aternia Tarpeia) voortaan bedroeg 3020a. l.Bovendien werd bepaald, dat de boete de helft van het vermogen van den burger niet mocht overtreffen.Iulia Plautia (lex), dat van gestolen goed geeneusucapiogeldig was. Van deze wet is niets zekers bekend; misschien zijn het bepalingen ontleend aan tweeleges de vi, de lex Juliaen delex Plautia.Iulia Titia (lex)de dando tutorebepaalde, dat in de provinciën door den stadhouder de voogd zou benoemd worden voor het geval, waarin te Rome delex Atilia(z. a.) voorzag.Iuliāni. 1)Salvius Iulianus, beroemd jurist te Rome, in Africa geboren, stelde onder keizer Hadriānus op diens last hetedictum perpetuumop. In de Pandecten komt zijn naam meermalen voor.—2)P. Salvius Iulianus,zoon van no. 1, een voortreffelijk en algemeen bemind generaal van Antonīnus Pius, werd op last van Commodus ter dood gebracht.—3)M. Didius Sevērus Iulianus, had onder Antoninus Pius en diens opvolger hooge ambten bekleed, had in Belgica met succes tegen de Chauken en Chatten gestreden; was daarna stadhouder geweest van Dalmatia, van Germania Inferior (± 181 n. C.) en van Bithynia en Pontus. Toen na den dood van Pertinax de praetorianen den keizerstroon aan den meestbiedende verkochten, werdDidius Iulianuskeizer voor de som van ongeveer 300 millioen sestertiën. Na eene regeering van 66 dagen werd hij door den senaat afgezet en door de soldaten vermoord (193 na C.). Zijn opvolger was Septimius Severus.Iuliānus(Flavius Claudius), neef van Constantijn den Gr., zoon van diens broeder Julius Constantius, geboren in 332 n. C., om zijn afval van het Christendom gewoonlijk Apostata genoemd, was te Constantinopel, te Nicomedēa en te Athene in de letteren en wijsbegeerte onderwezen en gevoelde reeds vroeg een afkeer van het Christendom, waarin hij was opgevoed. Toen na den dood van Constantijn den Gr. diens drie zoons, Constantinus, Constantius en Constans de heerschappij verdeelden, lieten zij hunne bloedverwanten ombrengen; slechts twee neven, Gallus en Iulianus bleven gespaard (338). Een tijdlang werd Iulianus met zijn broeder Gallus naar een eenzaam landgoed, Macellum bij Caesarēa in Cappadocië, verbannen. In 351 werd Gallus door keizer Constantius totCaesarbenoemd, en sedert dien tijd genoot Iulianus meer vrijheid; in 352 is hij onder den invloed zijner neo-platonische leermeesters heimelijk tot het Heidendom overgegaan. Constantius liet in 354 Gallus ombrengen en zond in 355 Iulianus met den titel van Caesar naar Gallia om de invallen der Germanen tegen te gaan. Daar voerde Iul. gelukkig oorlog, o.a. versloeg hij in 357 de Alemannen bij Argentoratum (Straatsburg), doch moest alle voorzichtigheid in acht blijven nemen om niet Constantius’ argwaan op te wekken. In 360 echter wierp hij het masker af, zijn leger riep hem tot keizer uit, Constantius rukte wel tegen hem op, doch stierf op marsch (Nov. 361), en Iulianus werd algemeen als keizer erkend. Hij kwam er nu openlijk voor uit, dat hij een aanhanger was van den ouden godsdienst, begunstigde de heidenen, en zette de Christenen achteraf. Vooral zijn edikt, waarbij hij de christelijke rhetoren en sophisten verbood, de heidensche boeken bij hun onderwijs te gebruiken, zette kwaad bloed. Zijn plan was, een heidensche kerk te stichten, naar het model van de Christelijke, maar zijn theologie ontleende hij aan de leer der Neo-platonici, terwijl zijn moraal die der Neo-cynici was. Zijne plannen vonden zeerweiniginstemming. In 363 trok hij uit op een veldtocht tegen de Perzen, en drong door tot onder de muren van Ctesiphon, maar moest toen langs een anderen weg terugkeeren. Bij een plotselingen overval snelde hij, uithoofde der hitte ongeharnast ten strijde en werd door een lanssteek doodelijk gewond. Zoo stierf hij (Juni 363) slechts 31 jaar oud, volgens zijne vijanden met de woorden:tandem vicisti Galilaee!Met zijn dood viel ook deze laatste poging om het Heidendom te herstellen. Er zijn nog een aantal brieven en vele zeer belangrijke geschriften van Iulianus overig. Hij schreef Grieksch, en beschouwde Griekenland als zijn tweede vaderland.Iulii, een oud patricisch geslacht, dat onder Tullus Hostilius van Alba Longa naar Rome verhuisde en waarvan twee familiën naam verworven hebben, eerst deIulien later deCaesares. Zij leidden, althans in lateren tijd, hun oorsprong af van Aenēas’ zoon Ascanius of Iulus. 1)C. Iulius Iulus, consul in 489.—2)C. Iulius Iulus, consul in 447, legde met veel takt de geschillen bij tusschen de beide standen.—3)Onder de krijgstribunen met consulaire macht komen nog eenigeIulii Iulivoor; in 352 is een C. Iulius Iulus dictator, in 473 komt een consul voor met den ongewonen voornaamVopiscus, wiens kleinzoon in 393 censor was. Verder komen een enkele maal de familienamenLiboenMentovoor.—4)L. Iulius Caesar, consul in 90 bij het uitbreken van den bondgenootenoorlog, bezorgde door zijnlex de civitatehet rom. burgerrecht aan de trouw geblevensociiin Italia. In den oorlog was hij niet gelukkig, zieEgnatiino. 2. In 89 was hij censor. In 87 werd hij als aristocraat door de mariaansche partij omgebracht.—5)C. Iulius Caesar Strabo Vopiscus, broeder van no. 4, wordt als redenaar en dichter geprezen. Hij heeft o.a. tragedies geschreven, maar niets van zijn werken is bewaard gebleven. Ook hij kwam in 87 om, daar een vriend zijn schuilplaats verried.—6)L. Iulius Caesar, consul in 64, stemde in 63 voor den dood van P. Cornelius Lentulis Sura, zijn zwager, omdat deze tot de samenzwering van Catilīna behoorde. In 52 diende hij onder C. Iulius Caesar in Gallia. Na diens dood behoorde hij tot de hevige tegenstanders van zijn neef M. Antonius, die hem daarop vogelvrij verklaarde, doch later ongemoeid liet, op voorbede van Iulia (no. 7).—7)Iulia, zuster van no. 6 en moeder van M. Antonius, den drieman.—8)L. Iulius Caesar, zoon van no. 6, behoorde tot de aanhangers van Pompeius, en streed ook nog in Africa tegen Caesar, die hem echter, toen hij na Cato’s dood Utica aan Caesar had overgegeven, genade schonk. Kort hierna overleed hij.—9)C. Iulius Caesar, grootvader van no. 11. Hij stierf plotseling, terwijl hij bezig was zich te kleeden.—10)C. Iulius Caesar, zoon van no. 9 en vader van no. 11, stierf ook plotseling, in 85.—11)C. Iulius Caesar, zoon van no. 10, geb. 13 Juli 100, de bekende veldheer en dictator, de grootste man zijner eeuw. Zijne moeder was eene Aurelia. Zijne verwantschap met C. Marius, die met Iulia, Caesars tante, gehuwd was, en met Cinna, wiens dochter Cornelia hij zelf had gehuwd, maakten hem bij Sulla verdacht, vooral toen hij weigerde,zijne vrouw te verstooten (82). Caesar achtte het derhalve geraden, zich uit Rome te verwijderen en zich in het sabijnsche land eenigen tijd schuil te houden. Toen Sulla’s toorn eenigszins bedaard was, stak Caesar naar Asia over, waar hij onder den praetor M. Minucius Thermus zijn eersten veldtocht medemaakte (80). In 78 keerde Caesar naar Rome terug, op het bericht van Sulla’s dood. In 77 klaagde hij den gewetenloozen Cn. Cornelius Dolabella (Corneliino. 36) van afpersingen aan, en hoewel de rechters (weder uit den senaat gekozen) Dolabella vrijspraken, bereikte Caesar toch in zooverre zijn doel dat hij de opmerkzaamheid op zich vestigde en de hoop der volkspartij deed herleven. Doch de aristocratie was nog te machtig, en voorzichtigheidshalve verliet C. andermaal Rome en ging naar Rhodus, waar hij de lessen van den rhetor Molo in de welsprekendheid bijwoonde. Na zijn terugkeer wendde hij alle krachten aan, om de gunst van het volk deelachtig te worden door minzaamheid, dienstvaardigheid en mildheid. Nog als knaap was hij door toedoen van Marius reeds totflamen Dialisgekozen, welke verkiezing Sulla echter in 82 ongeldig verklaarde; achtereenvolgens werd hij nu in 73 pontifex, in 68 quaestor, in 65 aedilis curulis, in 63 pontifex maximus, in 62 praetor urbanus. Men verdacht er Caesar, evenals Crassus van, deel te hebben gehad aan de Catilinarische samenzwering. Als aediel had hij schitterende spelen gegeven en prachtige bouwwerken laten oprichten, maar ook de door Sulla omvergeworpen zegeteekenen van Marius en Cinna hersteld; als voorzitter van dequaestio de sicariisveroordeelde hij in 64 twee vroegere aanhangers van Sulla, die een aantal vogelvrijverklaarden hadden omgebracht. In 61 was hij propraetor in Lusitania en Baetica, van waar hij met roem en rijken buit terugkeerde. In 60 sloot hij het geheim verbond, hetzoogenaamdeeerste driemanschap, met Pompeius en Crassus, en bekleedde in 59 het consulaat (zieIuliae(leges)). Om den band hechter te maken, gaf hij zijne dochter Iulia aan Pompeius tot vrouw. Door delex Vatiniavan den volkstribuun P. Vatinius werden aan Caesar Gallia Cisalpīna en Illyricum als provinciën toegewezen, waarbij de senaat nog Gallia Transalpīna voegde. Tevens werden hem 4 legioenen toegewezen. Negen jaar bracht Caesar in Gallia door (58–49). Wel was hem het stadhouderschap slechts voor 5 jaar opgedragen, maar delex Treboniavan den volkstribuun C. Trebonius in 55 had het met 5 jaar verlengd (het triumviraat was reeds in April 56 te Luca hernieuwd). In die negen jaar onderwierp hij geheel Gallia en Belgica en breidde in overeenstemming daarmede zijn leger uit. Decommentarii de bello Gallicoleeren ons, hoe meesterlijk hij van alle oneenigheden der Galliërs wist partij te trekken om zegevierend voorwaarts te dringen. Iulia echter stierf in 54 en Crassus in 53, en hiermede was de band tusschen Caesar en Pompeius verbroken. Pompeius begon Caesars wassende macht bedenkelijk te achten en toen de senaat aan C. beval, zijn leger af te danken en zijn ambt neder te leggen, terwijl Pompeius weigerde hetzelfde te doen, trok C. den 10denJanuari 49 de Rubico over, het begin van den burgeroorlog, en veroverde binnen 2 maanden geheel Italia, terwijl Pompeius en de zijnen naar het Oosten gingen. Daarop begaf C. zich naar Hispania, waar hij de onderbevelhebbers van Pompeius, C. Afranius en M. Petreius bij Ilerda versloeg; vervolgens, na eerst het consulaat aanvaard te hebben, ijlde hij in het begin van 48 naar Epīrus en Thessalia, leed wel bij Dyrrachium eene nederlaag, doch behaalde bij Pharsālus op het sterke, door Pompeius bijeengebrachte leger eene volkomene overwinning (6 Juni 48). Pompeius vluchtte naar Aegypte, doch werd vermoord nog voor hij te Alexandrië aan land stapte. Caesar regelde nu in Aegypte de troonsopvolging ten gunste der schoone Cleopatra, en had toen nog een oorlog door te staan met haar broeder Ptolemaeus XII, die in den Nijl verdronk (bellum Alexandrinum, zieCleopatrano. 10). Na vervolgens in Azië Pharnaces van Pontus en Deiotarus van Galatia voor hunne aanhankelijkheid aan Pompeius gestraft te hebben, kwam C. in 47 te Rome terug, doch stak weldra naar Africa over, waar hij de pompejaansche partij vernietigde (slag bij Thapsus 46) en het oostelijk gedeelte van Numidia, tot aan de Ampsaga, inlijfde. In 46 hield hij te Rome een vierdubbelen triomftocht over Gallia,Aegypte, Pontus en Africa. In dit jaar valt ook de regeling van den rom. kalender met behulp van den sterrenkundige Sosigenes. Nog eenmaal moest hij te velde trekken tegen Pompeius’ zonen, die in Hispania een leger op de been hadden gebracht (slag bij Munda, 45). Hij werd met eerbewijzen overladen, en onder verschillende titels bezat hij eene onbeperkte macht. In 49 was hij dictator, in 48 was hij consul, in 46 dictator en consul tegelijk, in 45 was hij tot dictator voor zijn leven en consul voor tien jaar benoemd, met den titel van imperator; alspraefectus morumbezat hij censorische macht; de keuze der overheden werd hem overgelaten; hij mocht zijne beeltenis op de munt laten slaan, enz. Doch bij de aristocratische partij bleef een geheime wrok bestaan, en deels uit persoonlijke eerzucht, deels uit ijdelen waan, dat met Caesars dood de oude republiek zou herleven en de aanzienlijke familiën weder in het bezit harer vroegere macht zouden komen, vereenigden zich een zestigtal samenzweerders en overvielen C. den 15denMaart 44 in den senaat, waar hij, door 23 dolksteken doorboord, voor het standbeeld van Pompeius nederviel. Zijne begrafenis gaf tot hevige tooneelen aanleiding, vooral toen zijne testamentaire beschikkingen ten gunste van het volk bekend werden.—Behalve de eerste 7 boekende bello Gallicohebben wij van hem nog 3 boekende bello civili. Zijne redevoeringen en brieven, door de ouden bewonderd,zijn verloren gegaan, evenals zijne taalkundige werken. Als veldheer, staatsman, redenaar, kortom op welk gebied hij zich bewoog, overal muntte hij uit. Hij had een vriendelijk en openhartig karakter, een grenzenlooze eerzucht en ijzeren volharding.—12)Iulia, zuster van no.11, gehuwd met M. Attius Balbus. Eene dochter uit dit huwelijk, Attia, huwde C. Octavius, en werd moeder van Augustus.—13)Iulia, dochter van no. 11 en van Cornelia (Corneliino. 42), in 59 gehuwd met Pompeius, eene verstandige vrouw, die, zoolang zij leefde, eene breuk tusschen haar vader en haar man wist te voorkomen. Het was eene eenigszins vreemde verhouding, dat haar man zes jaar ouder dan haar vader was. Zij stierf in 54 bij eene bevalling.—14)C. Octavius, laterC. Iulius Caesar Octaviānusgenoemd en in de geschiedenis onder den titel vanAugustusbekend, was de zoon van C. Octavius (zie hierboven no. 12) en door zijn oudoom Caesar tot zoon aangenomen. Hij was in 63 geboren en verloor reeds in 59 zijn vader, waarna zijne moeder Attia met L. Marcius Philippus hertrouwde. Terwijl hij zich te Apollonia met zijne letterkundige studiën bezig hield, ontving hij het bericht van Caesars dood. Hij spoedde zich naar Italia, en was zoo voorzichtig, zich van Brundisium uit door een paar rom. legioenen, die hij daar aantrof, naar Rome te doen vergezellen. Over de gebeurtenissen, die toen volgden, zie menAntoniino.4 en 6,Pompeiino. 13.—Na den slag bij Actium in 31 en den daarop volgenden dood van Antonius en Cleopatra regelde Octavianus de zaken in het Oosten en keerde als alleenheerscher te Rome terug. Hier werd hij met eerbewijzen overladen; hij legde echter 13 Jan. 27 de onbeperkte macht, die hij sinds Nov. 43 alstriumvirbezat (zieTresvirino.9), vrijwillig neder, en gaf aan senaat en volk de republikeinsche vrijheid terug. Drie dagen later verleende de senaat hem den titel Augustus, en gaf hem tevens het grootste deel der pas afgestane macht terug. Van dezen dag dateert het Romeinsche keizerrijk ofprincipaat. Augustus wilde slechts de eerste der burgers,princeps civiumzijn. Hij behield het consulaat, dat hij tot 23 geregeld bekleedde, verder detribunicia potestas, die hem in 36 voor onbepaalden tijd, in 30 levenslang was verleend. Hierdoor had deprincepsde bevoegdheid van het tribunaat, was onschendbaar en kon alle rechten van het ambt uitoefenen zonder beperking van tijd of plaats. Verder verleende de senaat hem hetimperium proconsulareover alle provincies, waar legers stonden, die hij doorlegati pro praetoreliet besturen, en het oppertoezicht over de andere provinciën, die onder het beheer van den senaat bleven. Verder had hij het recht een lijfwacht te hebben, decohortes praetoriae. Hij deelde zijn macht met den senaat, die nu o. a. ook voor zijne leden hooggerechtshof werd. Voor Rome brak nu een tijd van rust en vrede aan, dubbel welkom na het eindelooze bloedvergieten der laatste 18 jaren. Onder zijne voornaamste regeeringsdaden behooren de verdeeling van Italië in 11 en van Rome in 14regiones, de oprichting vancohortes vigilumencohortes praetoriae, de verdeeling der provinciën in keizerlijke en senatorische (zie hierboven), de aanstelling van eenpraefectus urbien tweepraefecti praetorio. De oorlogen, die hij nu voerde, hadden geene nieuwe veroveringen ten doel, maar òf behoud van het bestaande òf meer volledige onderwerping der volken in het rom. gebied. Zoo brachten zijne stiefzoons Drusus en Tiberius de Alpenvolken ten onder tot aan den Donau, om de grenzen van het rijk te bevestigen; vervolgens trachtten zij de rom. heerschappij tussen Rijn en Elbe op vaste grondslagen te vestigen, welk plan later door de nederlaag van Varus in duigen viel; Agrippa onderwierp de Cantabriërs en Asturiërs in Hispania. Zelf trok Augustus in 20 naar het Oosten en ontving van den parthischen koning de op Crassus en Antonius veroverde veldteekenen terug. Hij stierf te Nola in 14 na C. Zijne weduwe Livia hield zijn dood geheim, totdat Tiberius de noodige maatregelen had kunnen treffen, om zich in het bezit der heerschappij te stellen.—15)Voor de min of meer verwarde familiebetrekkingen van het huis van Augustus mogen de volgende opgaven dienen.Augustus is driemaal gehuwd geweest: 1) met Claudia, dochter van den beruchten P. Clodius Pulcher, uit welk huwelijk geene kinderen waren;—2) met Scribonia, zuster van L. Scribonius Libo, in 40, een huwelijk uit staatkunde gesloten, dat in 39 weder ontbonden werd, juist op den dag harer bevalling van eene dochter Iulia;—3) met Livia Drusilla, wier vader Livius Drusus in den slag bij Philippi was gesneuveld. Zij was gehuwd met Tib. Claudius Nero en had twee zoons, in de geschiedenis bekend als Tiberius en Drusus. Augustus overreedde haar man, haar aan hem af te staan en nam toen Tiberius en Drusus als zoons aan.a) Augustus en Scribonia.Iulia, driemaal gehuwd, 1) met M. Claudius Marcellus, jong gestorven (zieClaudiino. 37),—2) met M. Vipsanius Agrippa, gest. 12,—3) met den lateren keizer Tiberius.Wegens haar ergerlijken levenswandel werd zij in 2 door haar vader naar het eiland Pandataria en later naar Rhegium verbannen, waar zij in 14 na C. stierf.Kinderen uit Iulia’s tweede huwelijk.
Isis,Ἶσις, aegyptische hemelgodin, moeder der opgaande zon (Horus) en gemalin der middagzon (Osīris). Zij was een van de weinige godheden, die in geheel Aegypte vereerd werden, vandaar dat, toen men eene verklaring poogde te vinden van de geheimzinnige mythen, die op hare verhouding tot de zon betrekking hebben, die mythen op zeer verschillende wijzen uitgelegd werden, waarbij aan het wezen van Isis tal van beteekenissen werden toegeschreven, die haar oorspronkelijk geheelvreemd waren. Zoo werd zij godin van het Nijldal, maangodin, godin van leven en vruchtbaarheid, helpster bij geboorten, godin van ziekte en gezondheid, koningin der onderwereld, waarvan zij de sleutels bewaart en waar zij recht spreekt over de dooden, godin van zee en stormen, wetgeefster, beschermster van het huwelijk en den staat, enz. Door de Grieken werd zij daarom vereenzelvigd met Demēter, Persephone, Hecate, Hera, Artemis, Io en vele andere godinnen, en haar voor een groot deel geheime, dikwijls met onzedelijkheid gepaarde, eeredienst vond bij hen vrij algemeen ingang. Ook bij de Rom. werd de dienst van Isis tegen het einde der republiek ingevoerd en, hoewel herhaaldelijk verboden, was hij in den keizertijd door het geheele rijk verbreid. Een offerplechtigheid ter eere van Isis is op blz. 338 voorgesteld.—Latere wijsgeeren zagen in Isis, wegens haar uitgebreiden werkkring, de personificatie der grondstof van het heelal of de alles beheerschende godheid.—Hare afbeeldingen gelijken op die van Hera, hare attributen zijn slangen, korenaren, lotus, de halve maan, het sistrum, e. a.
Ismarus,Ἴσμαρος, berg en stad in het gebied der Ciconen op de thracische kust. Bij dichtersIsmarius= thracisch.
Ismēne,Ἰσμήνη, dochter van Oedipus en Iocaste. Zij bleef haar vader in zijn ongelukken getrouw en kwam hem in zijne verbanning inlichten omtrent thebaansche toestanden. Hoewel zij haar zusterAntigone(z. a.) had afgeraden tegen het bevel van Creon te handelen, was zij bereid de gevolgen van hare daad mede te dragen.
Ismenias,Ἰσμηνίας, 1) rijk Thebaan, hoofd van de partij, die Sparta vijandig gezind was, geen democraat, zooals sommige schrijvers melden. In den corinthischen oorlog, waartoe hij, van Perzië uit met geld ondersteund, door zijn politiek aanleiding gegeven had, onderscheidde hij zich als veldheer. In 383 was hij polemarch, toen echter de Spartanen, door zijn ambtgenoot Leontiades geholpen, de Cadmēa bezet hadden, werd hij gevangen genomen en als onruststoker ter dood veroordeeld.—2)zoon van den vorigen, vluchtte bij den dood van zijn vader naar Athene en bleef er tot 379. Hij werd met Pelopidas te Pherae gevangen gehouden (368) en vergezelde hem bij zijn gezantschap naar Perzië.
Ismēnus,Ἰσμηνός, riviertje in Boeotia, dat door Thebae stroomt, het water der bron Dirce opneemt en in het meer Hylice valt. Hierna heeten de Thebaansche vrouwen bij Ovidius:Ismenides.
Isocrates,Ἰσοκράτης, een van de tien attische redenaars. Hij was de zoon van een rijk Athener, geb. 436, en genoot het onderwijs van de beroemdste sophisten van zijn tijd en ook van Socrates. Zijn vader verloor in den peloponnesischen oorlog zijn vermogen, hijzelf verwierf zich echter grooten rijkdom, vooral door zijn onderwijs in de welsprekendheid, dat zeer gezocht was; v.s. had hij 100 leerlingen, die hem ieder 1000 drachmen betaalden; voor eene redevoering zou hij eens van Nicocles 20 talenten gekregen hebben. Zijn aanzien was groot, niet alleen bij zijne leerlingen, maar ook in wijderen kring, zelfs met vreemde vorsten (Philippus, Euagoras, Nicocles) stond hij in betrekking. Zelf trad hij uit bedeesdheid en wegens zijn zwakke stem nooit in het openbaar als redenaar op, hij schreef echter voor anderen pleitredenen, totdat hij in 388, na een kort verblijf op Chius, te gelijk met het openen zijner school, zich in een nieuwe richting ging bewegen als schrijver van verhandelingen, die den vorm van redevoeringen (feestredenen, leerredenen) behouden hebben, ofschoon zij niet bestemd zijn om voorgedragen, maar om gelezen te worden (λογοὶ ἐπιδεικτικοὶ καὶ συμβουλευτικοί). De voornaamste hiervan zijn:Πανηγυρικός(380),Πλαταϊκός(373),Ἀρχίδαμος(365),Συμμαχικὸς ἢ περὶ εἰρήνης(357),Ἀρεοπαγιτικός(354),Φίλιππος(346),Παναθηναϊκός(342–339). Zijn taal is zuiver en eenvoudig, zijne perioden kunstig samengesteld; ook worden zijne werken, waarvan 21 bewaard gebleven zijn, als modellen van welsprekendheid geroemd, terwijl zij tevens getuigen van zijne vaderlandsliefde en vele juiste beschouwingen bevatten over de verwarde toestanden van zijn tijd. Over de waarde zijner kunst, die hij voor het praktische leven zeer hoog schat en waaraan hij, in tegenstelling met andere rhetoren, ook een zedelijke beteekenis toekende, is hij soms in polemiek met Plato. Uit verdriet over den afloop van den slag bij Chaeronēa maakte hij, 98 jaar oud, een einde aan zijn leven.
Ἰσοτελής. Eenμέτοικος, die zich op een of andere wijze jegens den staat verdienstelijk had gemaakt, werd beloond met deἰσοτέλεια. Daardoor werd hij, wat zijn geldelijke verplichtingen tegenover den staat betreft, en soms ook in andere opzichten, met de burgers gelijkgesteld.
Issa,Ἴσσα, eilandje op de dalmatische kust, thans Lissa. De inwoners waren flinke zeelieden; hunne booten werdenlembi Issaeigenoemd.
Issedones,Ἰσσηδόνες, groot scythisch volk in Azië, aan de grenzen van Serica (China).
Issus,Ἰσσός, Ἰσσοί, stad in het O. van Cilicia, aan de Issische golf, waarbij Alexander de Gr. in 333 zijne tweede groote overwinning op de Perzen behaalde.
Istaevones=Istuaevones.
Ister,Ἴστρος, leerling van Callimachus, schrijver eenerἈτθίς, en van vele andere werken. Er zijn alleen fragmenten over.
Ister,Ἴστρος, zieDanuvius.
Isthmia,Ἴσθμια, de isthmische spelen, na de olympische en de pythische het voornaamste feest der Grieken. Zij werden om de twee jaar onder voorzitterschap der Corinthiërs, en na de verwoesting van Corinthe onder dat der Sicyoniërs, op de landengte van Corinthus ter eere van Poseidon Isthmius gehouden, en bestonden uit de gewone wedstrijden in loopen, vechten, rijden, enz., waarbij later voordrachten van gedichten of muziek kwamen.De overwinnaar kreeg een palmtak en een krans van eppe. De isthmische spelen werden tot laat in den rom. keizertijd gevierd en druk bezocht, daarom werden hier dikwijls afkondigingen van algemeen belang gedaan; hier werden de Grieken door T. Quinctius Flaminīnus en later door Nero vrij en autonoom verklaard.
Isthmius,Ἴσθμιος, bijnaam van Poseidon als den god, wien de isthmische spelen gewijd zijn.
Isthmus,Ἰσθμός, landengte, bij uitnemendheid die van Corinthus. Op deze landengte stond de tempel van den isthmischen Poseidon en werden te zijner eer de isthmische spelen,τὰ Ἴσθμια, gevierd. Dwars over de landengte, tusschen de Saronische golf en de Corinthische, liep eene soort van overtoom of rolbaan,δίολκος(z. a.). Op deze wijze werd de gevaarlijke omvaart van kaap Malea vermeden.
Istria=Histria.
Istropolis,Ἰστρόπολις, Ἴστρος, stad op de kust van Moesia, ten Z. der Donaumonden, kolonie van Milētus.
Istrus,Ἴστρος=Istropolis. Zie ookDanuvius.
Istuaevones, oude naam voor één der onderafdeelingen der Germanen, de Rijn-Germanen, waarvan de Sicambri den voornaamsten stam vormden.
Isisdienst.Isisdienst.
Isisdienst.
Italia,Ἰταλία. Voordat Augustus de Alpenlanden onder Rome’s heerschappij bracht, begon Italia in het N. eerst aan den voet der Alpen, en zelfs kon het noordelijk gedeelte, het dal van den Po en zijne bijrivieren, geschiedkundig eerst tot Italia gerekend worden, sedert Augustus het in zijne verdeeling vanItaliain elfregionesopnam. Wel had Gallia Cispadāna in 89, Transpadāna in 49 het rom. burgerrecht gekregen, doch niettemin bleef Gallia Cisalpīna nog provincie. Ethnografisch behoorde het ook niet tot Italia, daar het geheel door ligurische en gallische stammen was bezet. ZieGallia Cisalpina.—Het eigenlijke oude Italia begon eerst dáár, waar het land zich op eenmaal versmalt, en waar zich de Rubico, vóór Sulla de Aesis, in de Adriatische, de Macra in de Tyrrheensche zee stort. De naam Italia wordt afgeleid van een oud umbrisch woordvitlu, rund (vitulus), en wordt oorspronkelijk alleen gebezigd van de uiterste Zuidpunt, de streek van het Sila-gebergte, dan van het heele Zuiden tot aan de rivieren de Laüs en de Siris (in Lucania), en ten slotte door de siciliaansche Grieken, deΣικελιῶται, op geheel eigenlijk Italia toegepast. In den oudsten tijd komen verschillende deelen onder verschillende namen voor, die ook wel, vooral bij dichters, voor het geheel worden gebezigd,als:AusoniaofOpica, oorspronkelijk de Z.W. kust,DauniaenIapygiaaan de Z.O. kust,Oenotria, het wijnland,Tyrrheniaof Etruria,Saturniaof Latium, terwijl de Grieken het ookHesperia, het avond- of Westland noemden. Onder de oudste bewoners worden deUmbriin Midden-Italia vermeld, die ook Etruria bewoonden, doch door deEtruseiin Umbria werden teruggedrongen. DeAusones,AurunciofOsciwoonden in Apulia, Campania (waaruit zij door Samnieten verdrongen werden) en in een deel van Latium. DeAborigineswaren de stamvaders der Latijnen. Dan had men den sabellischen stam, waartoe deSabīni, Peligni, Marsi, Marrucīni,Frentāni, Hernicien anderen behoorden en die zich onder den algemeenen naam vanSaunītaeofSamnītesover Samnium, Campania en Lucania uitbreidden. De kustbewoners van Apulia en Calabria waren misschien van illyrischen, deBruttiivan siculischen oorsprong. De kusten der zuidelijke helft (Beneden-Italië,Italia inferior, Magna Graecia) waren met grieksche, meest achaeïsche en dorische, koloniën bezet. In één woord, Italia vertoonde het bontste mengelmoes van verschillende bevolkingen en stammen, die elkander den bodem betwistten. Midden-Italia omvatte de landschappen Etruria, Umbria, Picēnum, Samnium, Latium, Campania; Beneden-Italia bevatte Lucania, Bruttii, Apulia, Calabria. De namen der XIregiones, waarin Augustus Italia verdeelde, zijn de volgende: 1o. Latium et Campania, 2o. Apulia et Calabria, 3o. Lucania et Bruttii, 4o. Samnium, 5o. Picēnum, 6o. Umbria, 7o. Etruria, 8o. Aemilia, 9o. Liguria, 10o. Venetia, 11o. Transpadana.
Italica, 1) rom. municipium in Baetica aan den Baetis (Guadalquivir), nabij Hispalis (Sevilla), door Scipio (Africānus maior) gesticht.—2)zieCorfinium.
Italicum bellum, zieMarsicum bellum.
Italus,Ἰταλός, aloud koning der Oenotriërs of der Siculi, zoon van Telegonus en Penelope. Hij was gehuwd met Electra, dochter van Latīnus, en werd de vader van Remus of Romus.
Itanus,Ἴτανος, stad op de Oostkust van Creta, met purperververijen.
Ithaca,Ἰθάκη, thans Thiaki, een der tegenw. Ionische eilanden, het kleine, maar beroemde eiland van Ulysses, tusschen Cephallenia en het vasteland gelegen. Tegenwoordig meenen echter vele geleerden het Homerische Ithaca in Leucas teruggevonden te hebben.
Ithōme,Ἰθώμη, berg in het midden van Messenia, slechts van ééne zijde toegankelijk, waarvan de Messeniërs in hun eersten oorlog tegen Sparta (743–724) eene bergvesting maakten, die zij 10 jaar lang verdedigden. Aan den voet van den berg legde Epaminondas in 369 de stad Messēne aan, waarvan Ithome de citadel werd. Ithome en de acropolis van Corinthus werden de beide horens,κέρατα, van de Peloponnēsus genoemd.
Itius portus,τὸ Ἴτιον, havenstad der Morīni in Gallia, van waar Caesar naar Britannia overstak, thans Calais of Wissant; v. a. identisch met Gesoriacus portus (Boulogne s. m.).
ItonofItōnus,Ἰτών, Ἴτωνος, oude stad in het midden van het thessalische landschap Phthiōtis, met een beroemden tempel van Athēna.
Ituraea,Ἰτουραία, bergl. ten N.O. van Palaestina, tusschen Batanaea of Basan en de woestijn gelegen, ten O. van Bostra. DeIturaeiwaren woeste roovers, en beroemde boogschutters. Augustus voegde Ituraea aan het gebied van Herōdes den Gr. toe; keizer Claudius deelde het bij Syria in.
Ityca,Ἰτύκη=Utica.
Itylus,Ἴτυλος, zoon van Zethus en Aēdon (z. a.), die door zijne moeder bij vergissing gedood werd.
Itys,Ἴτυς, zoon van Tereus en Procne (z. a.), die door zijne moeder en tante gedood werd.
Iuba,Ἰόβας, koning van Numidia, zoon van Hiëmpsal II, welke laatste een zoon was van Gauda. Indertijd had Hiëmpsal de party van Sulla gekozen, was daarop door de mariaansche partij verdreven, doch door Pompeius in zijn rijk hersteld. In 63/62, nog tijdens het leven van zijn vader, haalde Juba zich de vijandschap van Caesar op den hals; toen dus de burgeroorlog uitbrak, koos hij partij tegen Caesar; hij versloeg Caesars legaat C. Curio met diens geheele leger, doch de nederlaag der pompejaansche partij bij Thapsus in 46 noodzaakte hem tot de vlucht, en toen nu ook de zijnen hem begonnen in den steek te laten, bracht hij in wanhoop zichzelf om het leven.Zijn zoon Juba, nog een kind, werd door Caesar naar Rome gebracht en ontving daar eene zorgvuldige rom. opvoeding, zoodat hij later als geleerde grooten naam had. Hij schreef vooral over geschiedenis en aardrijkskunde. Augustus gaf hem in 25 het westelijk gedeelte van zijn vaderlijk rijk, het latere Mauretania Caesariensis, en bovendien het eigenlijke Mauretania (M. Tingitāna) tot koninkrijk. Juba was gehuwd met Cleopatra Selēne (zieCleopatrano. 11). Hij overleed in 23 n. C., en werd opgevolgd door zijn zoon Ptolemaeus. Hij vestigde zijn residentie te Iol, dat hij verdoopte in Caesarēa (z. a. no. 6).
Iudaea,Ἰουδαία, het Z. gedeelte van Palaestina, ten W. door de zee, ten O. door den Jordaan begrensd. In later tijd werd onder dezen naam ook wel geheel Palaestina als rom. provincie verstaan. Zie verderPalaestina.
Iudex. In civiele processen was het regel, dat de twistende partijen voor den praetor verschenen. De praetor nam kennis van de zaak, onderzocht of er eene actie in zat, d.w.z. of een der op zijnalbumvermelde gevallen van rechtsvordering op het geval van toepassing was; hij besliste echter zelf niet, of de eischende partij gelijk had (zie echteriudicium extra ordinem). Hij stelde alleen hetiusvast, d. i. hij omschreef, wat recht was in geval de klager in zijn recht bleek te zijn, en wat er geschieden moest ingeval dit niet bleek. De vaststelling van den procesdag, de oproeping der getuigen geschieddendoor den praetor, doch de beslissing, de uitspraak, hetiudicium, werd door hem opgedragen òf aan een enkelen rechter,iudex,arbiter, òf in sommige gevallen aan een college van drie of vijf rechters,iudices recuperatores. Zulk eeniudexkreeg van den praetor eene bepaalde instructie, waarin hem voor elk geval de uitspraak was voorgeschreven; hij had dus alleen te onderzoeken, of de eischer zijn recht bewijzen kon. De pleidooien en het getuigenverhoor hadden dus voor den rechter plaats. Wanneer iemand door den praetor werd opgeroepen, om als alleenstaand rechter op te treden, nam hij eenconsilium amicorummede, ten einde hem als adviseurs ter zijde te staan. Het gewoonterecht eischte dit. Doch zijne uitspraak was de beslissendesententia iudicis, die geen hooger beroep toeliet.
Deiudicesbij dequaestiones perpetuaespeelden eene andere rol. Dezequaestioneswaren processen in strafzaken, waarbij de straf eens en voor goed door eene wet was vastgesteld. Het kwam er dus slechts op aan, of de schuld van den beklaagde bewezen kon worden of niet. Hier vormden derhalve deiudiceseen hof van gezworenen, waar meerderheid van stemmen gold. De wet bepaalde het aantal gezworenen, alsmede hoeveel er door aanklager en aangeklaagde mochten gewraakt worden (reiectio iudicum).
Jaarlijks werd door denpraetor urbanuseene lijst opgemaakt van hen, die voor het rechtersambt in aanmerking kwamen (album iudicum). Eerst bestond de lijst alleen uit leden van den senatorenstand; delex Semproniavan C. Gracchus (123) bracht hierin verandering door de senatoren uit te sluiten en het rechtersalbum samen te stellen uit hen, die den riddercensus hadden (zieequites). Sulla’slex Cornelia iudiciaria(81) gaf het rechtersambt aan den senaat terug. Ten gevolge van de reorganisatie van het strafrecht door Sulla ingevoerd, waren er voortaan 8quaestiones, waarbij de meeste strafdelicten waren ingedeeld; daar er slechts zes praetoren beschikbaar waren, en sommigequaestiones, vooral dieinter sicarios, gewoonlijk gesplitst moesten worden, wezen de praetoren voor elk van de overige eeniudex quaestionis(z. a.) aan. Delex Aureliavan L. Aurelius Cotta (70) verdeelde deiudiciatusschen den senaat, den ridderstand en detribuni aerarii, zoodat bij elkequaestio perpetuahet gerechtshof uit drie afdeelingen ofdecuriaebestond. Caesarslex Iuliasloot de aeraartribunen wederom uit; M. Antonius voerde wederom eene derde decurie zonder census in, voornamelijk uitcenturionesenveteranisamengesteld; Augustus nam vier decuriën aan; de leden der vierde decurie werdenducenariigeheeten naar hun census van slechts 200000 sestertiën. Uit de rechterslijsten werd door den praetor, wien het aanging, voor iedere zaak het voorgeschreven aantal rechters door loting aangewezen,sortitio iudicum. Ingeval de wet bepaalde, dat in plaats der gewraakte rechters andere zouden geloot worden, heette ditsubsortitio. Eenarbiterbehoefde niet uit hetalbum iudicumte worden gekozen. Dikwijls gaven de twistende partijen zelf aan den praetor op, wien zij liefst als arbiter wenschten aangewezen te zien.
Iudex pedaneus,χαμαιδικαστής. In het keizerstijdperk kwam de rechtspraak meer en meer in hand der overheden, en werd hetiudicium extra ordinemde heerschende vorm. Soms evenwel werd in civiele zaken een onderzoek opgedragen aan een hulp- of onderrechter, diepedaneuswordt genoemd.
Iudex quaestionis. Daar er voor dequaestiones perpetuaeniet zooveel praetoren beschikbaar waren als het getalquaestionesbedroeg, moesten wel enkele praetoren twee rubrieken van misdaden voor hunne rekening nemen. Zij konden zich dan wel met de instructie van tweequaestionesbelasten, maar niet altijd bij beide als voorzitter van het gerechtshof optreden. In dit geval belastten zij eeniudexmet het voorzitterschap, die daniudex quaestioniswas. Dit was sedert Sulla geregeld een oud-aediel.
Iudicio (in),in iure. Bij civiele gedingen moeten streng gescheiden worden de handelingenin iureenin iudicio. In iureis al datgene, wat voor den praetor plaats vindt;in ius ambulare, ire, venire= tot den praetor gaan.In iudiciois alles, wat voor den rechter geschiedt.
Iudicium domesticum. De rom. vader was rechter over zijn gezin en kon krachtens zijnius vitae et neciszware misdaden zijner kinderen, ja, zijner vrouw, zelfs met den dood straffen. Wanneer hij echter als huisrechter optrad, moest hij evengoed als elke alleen uitspraak doende rechter (zieiudex) zich eenige buren en bloedverwanten alsconsiliumtoevoegen.
Iudicium extra ordinem. Aldus wordt eeniudiciumgeheeten, wanneer dezelfde overheid de zaakin iureenin iudiciobehandelt, b.v. wanneer de praetor zelf uitspraak doet (zieiudex). Er konden zich gevallen voordoen, die niet naar eeniudexkonden verwezen worden, omdat zij naar het strenge rom. recht niet vervolgbaar waren, b.v. van een pupil, die nog te jong was om als rechtspersoon te kunnen optreden, tegen zijn voogd, en waarin toch eene tusschenkomst van hoogerhand wenschelijk was. Doch de uitspraak van eene overheid was geen vonnis, geenesententia iudicis, maar slechts eendecretum, dat herroepen kon worden door dengene, die het had uitgevaardigd en dat ook niet verbindend was voor diens opvolger. Onder de republiek was hetiudicium extra ordinemzeldzaam; onder de keizers werd het de heerschende vorm, en kon men zelfs van eene overheid op eene hoogere en in het hoogste ressort op den keizer zelven appelleeren, iets wat onder de republiek onbekend was.
Iudicium privatum. Dit komt, wat den aard betreft, overeen met hetgeen bij ons een civiel rechtsgeding heet, met dien verstande, dat bij de Rom. minder strafzaken waren danbij ons, en dus vele zaken, die bij ons tot strafvervolging zouden leiden, bij hen slechts tot een civiel proces aanleiding gaven. Zie verder het begin van het artikeliudex.
Iudicium publicum. De strafrechtpleging was in Rome oorspronkelijk in handen van de ambtenaren (ziecoercitio), maar ging voor zoover het burgers betrof door de verschillendeleges de provocationeover op de volksvergadering. Bijres capitaleswerd nu de zaak geïnstrueerd door een quaestor, en bij veroordeeling en appel op het volk werden dan decomitia centuriatadoor eenmagistratus cum imperiobijeengeroepen, die dan het vonnis bekrachtigden of vernietigden (zieContio). Bij boetezaken werden de opgelegde boeten bij overschrijding der provocatie-grens door detribunienaediles plebisvoor hetconcilium plebis, door demagistratus populivoor decomitia tributagerechtvaardigd. Daar echter het volk niet tegenover alle personen en in alle zaken een onpartijdig rechter was en het bijeenroepen der comitiën dikwerf op groote bezwaren stuitte, riep de volkstribuun L. Calpurnius Piso in 149 voor processen over afpersingen in de provinciën (repetundae) de eerste zoogenaamdequaestio perpetuain het leven. Bij zulk eenequaestiowas de straf door de wet aangewezen; het proces werd nu gevoerd voor een hof van gezworen rechters, die nu alleen over schuld of onschuld uitspraak hadden te doen en die voor elke zaak in het door de wet bepaalde getal door het lot werden aangewezen (zieiudex). Allengs werd het aantalquaestiones perpetuaeuitgebreid, evenals het aantal praetoren. Ieder burger kon thans als klager optreden. De praetor, wien dequaestioaanging, instrueerde de zaak en was in den regel voorzitter van het hof; zoo niet, dan werd hij als zoodanig vervangen door eeniudex quaestionis(z. a.). Met de invoering derquaestiones perpetuaeging echter niet noodzakelijk de opheffing van hetiudicium populigepaard; de overheidspersonen, die hetius agendi cum populohadden, konden altijd nog eene wet tot veroordeeling van dezen of genen voorstellen, doch uit den aard der zaak werd deze vorm van strafgeding zeldzamer.
Iugarius vicus, straat in Rome, die aan den zuidelijken voet van het Capitool van de porta Carmentalis naar het forum liep.
Iugerum, rom. vlaktemaat, 240 voet lang en 120 voet breed = omstreeks ¼ hectare.
Iugum.
Iugum,ζυγός. Bij de ouden liep een tweespan van paarden of andere trekdieren onder een juk of dwarshout, dat op den nek der dieren lag en met riemen aan het tuig werd bevestigd, terwijl het uiteinde van den disselboom op dit juk rustte en er met een zwaren riem aan vastgebonden was. Soms was dit juk golvend om het beter aan den nek der dieren te doen sluiten, somtijds ook recht. Bij een vierspan liepen alleen de beide middelste onder het juk.—Het juk, waaronder nu en dan overwonnen legers moesten doorgaan, bestond uit twee speren, die in den grond waren gestoken en waaraan eene derde horizontaal was vastgebonden.
Iugurtha. Masinissa, koning van Numidia, had, voorzoover bekend is, drie zoons: Micipsa, Gulussa en Mastanabal. Micipsa volgde zijn vader op en regeerde van 148 tot 118. Hij had twee zoons, Hiëmpsal en Adherbal, bovendien had hij een onechten zoon van Mastanabal, Jugurtha, tot zoon aangenomen en tot medeërfgenaam van zijn rijk benoemd. Aan het hoofd der numidische hulptroepen diende Jugurtha onder P. Cornelius Scipio in 134 voor Numantia, waar hij grooten lof verwierf om zijn moed en zijn beleid. Na Micipsa’s dood ontstond er spoedig twist tusschen de prinsen; Jugurtha, die naar de alleenheerschappij streefde, ruimde zijne beide neven uit den weg, terwijl hij door omkooping op groote schaal den rom. senaat de oogen deed sluiten voor hetgeen er in Numidia gebeurde. Doch eindelijk, toen het rom. volk over de omkoopbaarheid van den senaat oproerig begon te worden, werd aan Jugurtha de oorlog verklaard. De eerste veldheer, die tegen hem werd afgezonden, de consul L. Calpurnius Bestia (111), bezweek zelf voor het numidisch goud; daarop kwam in 110 de consul Sp. Postumius Albīnus (Postumiino. 14), die al spoedig het bevel aan zijn broeder Aulus overliet, om te Rome de comitiën te houden. Door list wist Jugurtha zijn tegenstander te verschalken; het rom. leger moest zich overgeven en onder het juk doorgaan. Q. Caecilius Metellus (Caeciliino. 13), consul in 109, bestreed Jugurtha gedeeltelijk met diens eigen wapens en noodzaakte hem, naar zijn schoonvader Bocchus, koning van Mauretania, te vluchten. Beiden leden in 107 eene gevoelige nederlaag door C. Marius, die Metellus in het opperbevel was opgevolgd. Bocchus, voor zijn eigen troon bevreesd, leverde zijn schoonzoon uit aan L. Sulla, die als quaestor in Marius’ leger diende (105). Jugurtha moest den zegetocht van Marius opluisteren, waarna men hem zes dagen lang in den kerker met den hongerdood liet worstelen en toen worgde.
Iulia (lex)van den consul L. Iulius Caesar (90), waarbij aan de italiaansche bondgenooten, die bij den algemeenen opstand aan Rome trouw gebleven waren, en evenzoo aan de Latijnen het burgerrecht werd toegekend.
Iuliae (leges)van C. Iulius Caesar.—1)lex de publicanis(door Caesar in het leven geroepen in zijn eerste consulaat, in 59), dat aan de belastingpachters in Asia het derde deel der pachtsommen zou worden terugbetaald wegens de verliezen, die zij in den mithradatischen oorlog hadden geleden.—2)lex agraria, zoogenaamdlex Campāna, zie onderAgrariae (leges). Deze wet, evenals de vorige, van het jaar 59, werd door Caesar doorgedreven, niet zonder hevigen tegenstand van den senaat en van Caesars ambtgenoot M. Calpurnius Bibulus.—3)lex de repetundis(59), eene uitvoerige wet van meer dan 100 artikelen. O.a. beval zij, dat de verschuldigde gelden ook op hen zouden verhaald worden, die van den veroordeelde geld hadden ontvangen. Deze wet diende tot grondslag voor alle latere verordeningen op dit punt.—4)tot bekrachtiging der schikkingen, door Pompeius in Asia gemaakt (59).—5)lex de exsulibus, van het jaar 49 gedurende Caesars eerste dictatuurcomitiorum habendorum causa. Door deze wet werden zij, die in de laatste jaren van misdrijven waren aangeklaagd en volgens rom. gewoonte vóór de uitspraak van het vonnis in ballingschap waren gegaan, in hun vroegeren staat hersteld (restitutio in integrum). Het was dus eene amnestie, waarvan echter T. Annius Milo met name was uitgesloten. Het bestaan van deze wet wordt met recht betwist; wel werden eenige personen, vooral eenigen, dievolgensdelex Pompeia de ambituveroordeeld waren, teruggeroepen, maar een bepaalde wetde reditu damnatorumis niet aan te nemen. Wel heeft M. Antonius na Caesar’s dood uit deacta Caesariseenelex Julia de exulibus, die natuurlijk apocryph was, gepubliceerd.—6)lex de pecuniis mutuis s. de aere alieno. In den burgeroorlog hadden velen geleden en was het crediet geschokt. Hierom beval de wet de benoeming vanarbitri, die de geleden verliezen zouden taxeeren, waarna dan in verhouding daarvan een gedeelte der schulden zou worden geroyeerd. Ook deze wet dagteekent van het jaar 49. Hiermede ging, om het oppotten van geld te voorkomen, een bepaling gepaard, waarbij o.a. verboden werd, meer dan 15000denariiaan contant geld te bezitten. Een aanvulling hiervan wasde lex Julia de modo credendi et possidendi intra Italiamvan 47, waarbij de kapitalisten verplicht werden een gedeelte van hun vermogen in grondbezit aan te leggen, en de schulden op het grondbezit drukkend, tot een bepaald bedrag beperkt werden.—7)lex de civitate Transpadanis danda, evenzeer van 49.—8)lex iudiciaria, tot opheffing der derde, uittribuni aerariibestaande decurie rechters (zieiudex). Deze wet is van het jaar 46, toen Caesar, na de pompejaansche partij overal verslagen te hebben, te Rome was teruggekeerd. Hij was in dit jaar ten derden male consul.—9)leges de vi et de maiestate, waardoor zij, die voor deze misdaden veroordeeld werden, niet slechts metaquae et ignis interdictio, maar bovendien met geheele of gedeeltelijke verbeurdverklaring van hun vermogen werden gestraft. Ook van 46.—10)lex de collegiis(46), tot opheffing dercollegia, die niet van oudsher en wettig bestonden. Er hadden zich te Rome verschillende politieke clubs gevormd, die vooral bij verkiezingen ijverig in de weer waren. Tegen deze vereenigingen was Caesars wet gericht. V. s. zijn deze bepalingen bij edict vastgesteld.—11)lex de sacerdotiis(46), waarbij enkele priestercollegiën uitgebreid werden en o. a. bekrachtigd werd, wat toch reeds gebeurde, dat ook afwezigen tot priesters konden gekozen worden.—12)lex sumptuaria(46), waarbij o.a. het gebruik van draagstoelen, edelgesteenten, enz., beperkt werd, en op de markt wachters aangesteld werden, om wat boven het verbod gekocht werd, in beslag te nemen, ja zelfs in sommige gevallen aan lictoren en soldaten werd gelast, in de huizen binnen te gaan en wat buiten de perken der wet was, van tafel weg te nemen.—13)lex de provinciis(46), dat geen stadhouder in een praetorische provincie langer dan één, in eene consulaire langer dan twee jaar zou blijven.—14)lex de liberis legationibus(46), onzeker van welken inhoud. Door Cicero’slex Tulliawas dit gezantschap-titulair tot den duur van één jaar beperkt. Caesar schijnt het weder te hebben uitgebreid. Deze wet is waarschijnlijk een onderdeel van delex de provinciis.—15)lex municipalis(45), eene wet op het bestuur, de inrichting, het politiewezen, enz., der rom. municipiën.
Iuliae (leges)van C. Iulius Caesar Octaviānus, 18. 1)lex sumptuaria, ter beperking vooral van de buitensporige uitgaven voor maaltijden en huiselijke feesten.—2)lex de adulteriis et de pudicitia, met strenge strafbepalingen.—3)leges de ambitu, de annona(tegen korenwoeker),de peculatu, enz.,lex de iudiciis privatisvan 17.—4)lex de maritandis ordinibus, zielex Iulia et Papia Poppaea.
Iulia et Papia Poppaea (lex)de maritandis ordinibus, eigenlijk delex Iuliavan Octaviānus (18), gewijzigd en uitgebreid in 9 na C. door de consuls M. Papius Mutilus en Q. Poppaeus Secundus. Zij had tot doel de bevordering der huwelijken, door aan het hebben van wettige kinderen voorrechten te verbinden. Zieius liberorum.
Iulia Papiria (lex)de multarum aestimationevan de consuls L. Iulius Iulus en C. Papirius Crassus (430), verving de veeboete door een boete in geld. Ze bepaalde de waarde van een schaap op 10, van een os op 100asses librales, zoodat demulta suprema(zielex Aternia Tarpeia) voortaan bedroeg 3020a. l.Bovendien werd bepaald, dat de boete de helft van het vermogen van den burger niet mocht overtreffen.
Iulia Plautia (lex), dat van gestolen goed geeneusucapiogeldig was. Van deze wet is niets zekers bekend; misschien zijn het bepalingen ontleend aan tweeleges de vi, de lex Juliaen delex Plautia.
Iulia Titia (lex)de dando tutorebepaalde, dat in de provinciën door den stadhouder de voogd zou benoemd worden voor het geval, waarin te Rome delex Atilia(z. a.) voorzag.
Iuliāni. 1)Salvius Iulianus, beroemd jurist te Rome, in Africa geboren, stelde onder keizer Hadriānus op diens last hetedictum perpetuumop. In de Pandecten komt zijn naam meermalen voor.—2)P. Salvius Iulianus,zoon van no. 1, een voortreffelijk en algemeen bemind generaal van Antonīnus Pius, werd op last van Commodus ter dood gebracht.—3)M. Didius Sevērus Iulianus, had onder Antoninus Pius en diens opvolger hooge ambten bekleed, had in Belgica met succes tegen de Chauken en Chatten gestreden; was daarna stadhouder geweest van Dalmatia, van Germania Inferior (± 181 n. C.) en van Bithynia en Pontus. Toen na den dood van Pertinax de praetorianen den keizerstroon aan den meestbiedende verkochten, werdDidius Iulianuskeizer voor de som van ongeveer 300 millioen sestertiën. Na eene regeering van 66 dagen werd hij door den senaat afgezet en door de soldaten vermoord (193 na C.). Zijn opvolger was Septimius Severus.
Iuliānus(Flavius Claudius), neef van Constantijn den Gr., zoon van diens broeder Julius Constantius, geboren in 332 n. C., om zijn afval van het Christendom gewoonlijk Apostata genoemd, was te Constantinopel, te Nicomedēa en te Athene in de letteren en wijsbegeerte onderwezen en gevoelde reeds vroeg een afkeer van het Christendom, waarin hij was opgevoed. Toen na den dood van Constantijn den Gr. diens drie zoons, Constantinus, Constantius en Constans de heerschappij verdeelden, lieten zij hunne bloedverwanten ombrengen; slechts twee neven, Gallus en Iulianus bleven gespaard (338). Een tijdlang werd Iulianus met zijn broeder Gallus naar een eenzaam landgoed, Macellum bij Caesarēa in Cappadocië, verbannen. In 351 werd Gallus door keizer Constantius totCaesarbenoemd, en sedert dien tijd genoot Iulianus meer vrijheid; in 352 is hij onder den invloed zijner neo-platonische leermeesters heimelijk tot het Heidendom overgegaan. Constantius liet in 354 Gallus ombrengen en zond in 355 Iulianus met den titel van Caesar naar Gallia om de invallen der Germanen tegen te gaan. Daar voerde Iul. gelukkig oorlog, o.a. versloeg hij in 357 de Alemannen bij Argentoratum (Straatsburg), doch moest alle voorzichtigheid in acht blijven nemen om niet Constantius’ argwaan op te wekken. In 360 echter wierp hij het masker af, zijn leger riep hem tot keizer uit, Constantius rukte wel tegen hem op, doch stierf op marsch (Nov. 361), en Iulianus werd algemeen als keizer erkend. Hij kwam er nu openlijk voor uit, dat hij een aanhanger was van den ouden godsdienst, begunstigde de heidenen, en zette de Christenen achteraf. Vooral zijn edikt, waarbij hij de christelijke rhetoren en sophisten verbood, de heidensche boeken bij hun onderwijs te gebruiken, zette kwaad bloed. Zijn plan was, een heidensche kerk te stichten, naar het model van de Christelijke, maar zijn theologie ontleende hij aan de leer der Neo-platonici, terwijl zijn moraal die der Neo-cynici was. Zijne plannen vonden zeerweiniginstemming. In 363 trok hij uit op een veldtocht tegen de Perzen, en drong door tot onder de muren van Ctesiphon, maar moest toen langs een anderen weg terugkeeren. Bij een plotselingen overval snelde hij, uithoofde der hitte ongeharnast ten strijde en werd door een lanssteek doodelijk gewond. Zoo stierf hij (Juni 363) slechts 31 jaar oud, volgens zijne vijanden met de woorden:tandem vicisti Galilaee!Met zijn dood viel ook deze laatste poging om het Heidendom te herstellen. Er zijn nog een aantal brieven en vele zeer belangrijke geschriften van Iulianus overig. Hij schreef Grieksch, en beschouwde Griekenland als zijn tweede vaderland.
Iulii, een oud patricisch geslacht, dat onder Tullus Hostilius van Alba Longa naar Rome verhuisde en waarvan twee familiën naam verworven hebben, eerst deIulien later deCaesares. Zij leidden, althans in lateren tijd, hun oorsprong af van Aenēas’ zoon Ascanius of Iulus. 1)C. Iulius Iulus, consul in 489.—2)C. Iulius Iulus, consul in 447, legde met veel takt de geschillen bij tusschen de beide standen.—3)Onder de krijgstribunen met consulaire macht komen nog eenigeIulii Iulivoor; in 352 is een C. Iulius Iulus dictator, in 473 komt een consul voor met den ongewonen voornaamVopiscus, wiens kleinzoon in 393 censor was. Verder komen een enkele maal de familienamenLiboenMentovoor.—4)L. Iulius Caesar, consul in 90 bij het uitbreken van den bondgenootenoorlog, bezorgde door zijnlex de civitatehet rom. burgerrecht aan de trouw geblevensociiin Italia. In den oorlog was hij niet gelukkig, zieEgnatiino. 2. In 89 was hij censor. In 87 werd hij als aristocraat door de mariaansche partij omgebracht.—5)C. Iulius Caesar Strabo Vopiscus, broeder van no. 4, wordt als redenaar en dichter geprezen. Hij heeft o.a. tragedies geschreven, maar niets van zijn werken is bewaard gebleven. Ook hij kwam in 87 om, daar een vriend zijn schuilplaats verried.—6)L. Iulius Caesar, consul in 64, stemde in 63 voor den dood van P. Cornelius Lentulis Sura, zijn zwager, omdat deze tot de samenzwering van Catilīna behoorde. In 52 diende hij onder C. Iulius Caesar in Gallia. Na diens dood behoorde hij tot de hevige tegenstanders van zijn neef M. Antonius, die hem daarop vogelvrij verklaarde, doch later ongemoeid liet, op voorbede van Iulia (no. 7).—7)Iulia, zuster van no. 6 en moeder van M. Antonius, den drieman.—8)L. Iulius Caesar, zoon van no. 6, behoorde tot de aanhangers van Pompeius, en streed ook nog in Africa tegen Caesar, die hem echter, toen hij na Cato’s dood Utica aan Caesar had overgegeven, genade schonk. Kort hierna overleed hij.—9)C. Iulius Caesar, grootvader van no. 11. Hij stierf plotseling, terwijl hij bezig was zich te kleeden.—10)C. Iulius Caesar, zoon van no. 9 en vader van no. 11, stierf ook plotseling, in 85.—11)C. Iulius Caesar, zoon van no. 10, geb. 13 Juli 100, de bekende veldheer en dictator, de grootste man zijner eeuw. Zijne moeder was eene Aurelia. Zijne verwantschap met C. Marius, die met Iulia, Caesars tante, gehuwd was, en met Cinna, wiens dochter Cornelia hij zelf had gehuwd, maakten hem bij Sulla verdacht, vooral toen hij weigerde,zijne vrouw te verstooten (82). Caesar achtte het derhalve geraden, zich uit Rome te verwijderen en zich in het sabijnsche land eenigen tijd schuil te houden. Toen Sulla’s toorn eenigszins bedaard was, stak Caesar naar Asia over, waar hij onder den praetor M. Minucius Thermus zijn eersten veldtocht medemaakte (80). In 78 keerde Caesar naar Rome terug, op het bericht van Sulla’s dood. In 77 klaagde hij den gewetenloozen Cn. Cornelius Dolabella (Corneliino. 36) van afpersingen aan, en hoewel de rechters (weder uit den senaat gekozen) Dolabella vrijspraken, bereikte Caesar toch in zooverre zijn doel dat hij de opmerkzaamheid op zich vestigde en de hoop der volkspartij deed herleven. Doch de aristocratie was nog te machtig, en voorzichtigheidshalve verliet C. andermaal Rome en ging naar Rhodus, waar hij de lessen van den rhetor Molo in de welsprekendheid bijwoonde. Na zijn terugkeer wendde hij alle krachten aan, om de gunst van het volk deelachtig te worden door minzaamheid, dienstvaardigheid en mildheid. Nog als knaap was hij door toedoen van Marius reeds totflamen Dialisgekozen, welke verkiezing Sulla echter in 82 ongeldig verklaarde; achtereenvolgens werd hij nu in 73 pontifex, in 68 quaestor, in 65 aedilis curulis, in 63 pontifex maximus, in 62 praetor urbanus. Men verdacht er Caesar, evenals Crassus van, deel te hebben gehad aan de Catilinarische samenzwering. Als aediel had hij schitterende spelen gegeven en prachtige bouwwerken laten oprichten, maar ook de door Sulla omvergeworpen zegeteekenen van Marius en Cinna hersteld; als voorzitter van dequaestio de sicariisveroordeelde hij in 64 twee vroegere aanhangers van Sulla, die een aantal vogelvrijverklaarden hadden omgebracht. In 61 was hij propraetor in Lusitania en Baetica, van waar hij met roem en rijken buit terugkeerde. In 60 sloot hij het geheim verbond, hetzoogenaamdeeerste driemanschap, met Pompeius en Crassus, en bekleedde in 59 het consulaat (zieIuliae(leges)). Om den band hechter te maken, gaf hij zijne dochter Iulia aan Pompeius tot vrouw. Door delex Vatiniavan den volkstribuun P. Vatinius werden aan Caesar Gallia Cisalpīna en Illyricum als provinciën toegewezen, waarbij de senaat nog Gallia Transalpīna voegde. Tevens werden hem 4 legioenen toegewezen. Negen jaar bracht Caesar in Gallia door (58–49). Wel was hem het stadhouderschap slechts voor 5 jaar opgedragen, maar delex Treboniavan den volkstribuun C. Trebonius in 55 had het met 5 jaar verlengd (het triumviraat was reeds in April 56 te Luca hernieuwd). In die negen jaar onderwierp hij geheel Gallia en Belgica en breidde in overeenstemming daarmede zijn leger uit. Decommentarii de bello Gallicoleeren ons, hoe meesterlijk hij van alle oneenigheden der Galliërs wist partij te trekken om zegevierend voorwaarts te dringen. Iulia echter stierf in 54 en Crassus in 53, en hiermede was de band tusschen Caesar en Pompeius verbroken. Pompeius begon Caesars wassende macht bedenkelijk te achten en toen de senaat aan C. beval, zijn leger af te danken en zijn ambt neder te leggen, terwijl Pompeius weigerde hetzelfde te doen, trok C. den 10denJanuari 49 de Rubico over, het begin van den burgeroorlog, en veroverde binnen 2 maanden geheel Italia, terwijl Pompeius en de zijnen naar het Oosten gingen. Daarop begaf C. zich naar Hispania, waar hij de onderbevelhebbers van Pompeius, C. Afranius en M. Petreius bij Ilerda versloeg; vervolgens, na eerst het consulaat aanvaard te hebben, ijlde hij in het begin van 48 naar Epīrus en Thessalia, leed wel bij Dyrrachium eene nederlaag, doch behaalde bij Pharsālus op het sterke, door Pompeius bijeengebrachte leger eene volkomene overwinning (6 Juni 48). Pompeius vluchtte naar Aegypte, doch werd vermoord nog voor hij te Alexandrië aan land stapte. Caesar regelde nu in Aegypte de troonsopvolging ten gunste der schoone Cleopatra, en had toen nog een oorlog door te staan met haar broeder Ptolemaeus XII, die in den Nijl verdronk (bellum Alexandrinum, zieCleopatrano. 10). Na vervolgens in Azië Pharnaces van Pontus en Deiotarus van Galatia voor hunne aanhankelijkheid aan Pompeius gestraft te hebben, kwam C. in 47 te Rome terug, doch stak weldra naar Africa over, waar hij de pompejaansche partij vernietigde (slag bij Thapsus 46) en het oostelijk gedeelte van Numidia, tot aan de Ampsaga, inlijfde. In 46 hield hij te Rome een vierdubbelen triomftocht over Gallia,Aegypte, Pontus en Africa. In dit jaar valt ook de regeling van den rom. kalender met behulp van den sterrenkundige Sosigenes. Nog eenmaal moest hij te velde trekken tegen Pompeius’ zonen, die in Hispania een leger op de been hadden gebracht (slag bij Munda, 45). Hij werd met eerbewijzen overladen, en onder verschillende titels bezat hij eene onbeperkte macht. In 49 was hij dictator, in 48 was hij consul, in 46 dictator en consul tegelijk, in 45 was hij tot dictator voor zijn leven en consul voor tien jaar benoemd, met den titel van imperator; alspraefectus morumbezat hij censorische macht; de keuze der overheden werd hem overgelaten; hij mocht zijne beeltenis op de munt laten slaan, enz. Doch bij de aristocratische partij bleef een geheime wrok bestaan, en deels uit persoonlijke eerzucht, deels uit ijdelen waan, dat met Caesars dood de oude republiek zou herleven en de aanzienlijke familiën weder in het bezit harer vroegere macht zouden komen, vereenigden zich een zestigtal samenzweerders en overvielen C. den 15denMaart 44 in den senaat, waar hij, door 23 dolksteken doorboord, voor het standbeeld van Pompeius nederviel. Zijne begrafenis gaf tot hevige tooneelen aanleiding, vooral toen zijne testamentaire beschikkingen ten gunste van het volk bekend werden.—Behalve de eerste 7 boekende bello Gallicohebben wij van hem nog 3 boekende bello civili. Zijne redevoeringen en brieven, door de ouden bewonderd,zijn verloren gegaan, evenals zijne taalkundige werken. Als veldheer, staatsman, redenaar, kortom op welk gebied hij zich bewoog, overal muntte hij uit. Hij had een vriendelijk en openhartig karakter, een grenzenlooze eerzucht en ijzeren volharding.—12)Iulia, zuster van no.11, gehuwd met M. Attius Balbus. Eene dochter uit dit huwelijk, Attia, huwde C. Octavius, en werd moeder van Augustus.—13)Iulia, dochter van no. 11 en van Cornelia (Corneliino. 42), in 59 gehuwd met Pompeius, eene verstandige vrouw, die, zoolang zij leefde, eene breuk tusschen haar vader en haar man wist te voorkomen. Het was eene eenigszins vreemde verhouding, dat haar man zes jaar ouder dan haar vader was. Zij stierf in 54 bij eene bevalling.—14)C. Octavius, laterC. Iulius Caesar Octaviānusgenoemd en in de geschiedenis onder den titel vanAugustusbekend, was de zoon van C. Octavius (zie hierboven no. 12) en door zijn oudoom Caesar tot zoon aangenomen. Hij was in 63 geboren en verloor reeds in 59 zijn vader, waarna zijne moeder Attia met L. Marcius Philippus hertrouwde. Terwijl hij zich te Apollonia met zijne letterkundige studiën bezig hield, ontving hij het bericht van Caesars dood. Hij spoedde zich naar Italia, en was zoo voorzichtig, zich van Brundisium uit door een paar rom. legioenen, die hij daar aantrof, naar Rome te doen vergezellen. Over de gebeurtenissen, die toen volgden, zie menAntoniino.4 en 6,Pompeiino. 13.—Na den slag bij Actium in 31 en den daarop volgenden dood van Antonius en Cleopatra regelde Octavianus de zaken in het Oosten en keerde als alleenheerscher te Rome terug. Hier werd hij met eerbewijzen overladen; hij legde echter 13 Jan. 27 de onbeperkte macht, die hij sinds Nov. 43 alstriumvirbezat (zieTresvirino.9), vrijwillig neder, en gaf aan senaat en volk de republikeinsche vrijheid terug. Drie dagen later verleende de senaat hem den titel Augustus, en gaf hem tevens het grootste deel der pas afgestane macht terug. Van dezen dag dateert het Romeinsche keizerrijk ofprincipaat. Augustus wilde slechts de eerste der burgers,princeps civiumzijn. Hij behield het consulaat, dat hij tot 23 geregeld bekleedde, verder detribunicia potestas, die hem in 36 voor onbepaalden tijd, in 30 levenslang was verleend. Hierdoor had deprincepsde bevoegdheid van het tribunaat, was onschendbaar en kon alle rechten van het ambt uitoefenen zonder beperking van tijd of plaats. Verder verleende de senaat hem hetimperium proconsulareover alle provincies, waar legers stonden, die hij doorlegati pro praetoreliet besturen, en het oppertoezicht over de andere provinciën, die onder het beheer van den senaat bleven. Verder had hij het recht een lijfwacht te hebben, decohortes praetoriae. Hij deelde zijn macht met den senaat, die nu o. a. ook voor zijne leden hooggerechtshof werd. Voor Rome brak nu een tijd van rust en vrede aan, dubbel welkom na het eindelooze bloedvergieten der laatste 18 jaren. Onder zijne voornaamste regeeringsdaden behooren de verdeeling van Italië in 11 en van Rome in 14regiones, de oprichting vancohortes vigilumencohortes praetoriae, de verdeeling der provinciën in keizerlijke en senatorische (zie hierboven), de aanstelling van eenpraefectus urbien tweepraefecti praetorio. De oorlogen, die hij nu voerde, hadden geene nieuwe veroveringen ten doel, maar òf behoud van het bestaande òf meer volledige onderwerping der volken in het rom. gebied. Zoo brachten zijne stiefzoons Drusus en Tiberius de Alpenvolken ten onder tot aan den Donau, om de grenzen van het rijk te bevestigen; vervolgens trachtten zij de rom. heerschappij tussen Rijn en Elbe op vaste grondslagen te vestigen, welk plan later door de nederlaag van Varus in duigen viel; Agrippa onderwierp de Cantabriërs en Asturiërs in Hispania. Zelf trok Augustus in 20 naar het Oosten en ontving van den parthischen koning de op Crassus en Antonius veroverde veldteekenen terug. Hij stierf te Nola in 14 na C. Zijne weduwe Livia hield zijn dood geheim, totdat Tiberius de noodige maatregelen had kunnen treffen, om zich in het bezit der heerschappij te stellen.—15)Voor de min of meer verwarde familiebetrekkingen van het huis van Augustus mogen de volgende opgaven dienen.
Augustus is driemaal gehuwd geweest: 1) met Claudia, dochter van den beruchten P. Clodius Pulcher, uit welk huwelijk geene kinderen waren;—2) met Scribonia, zuster van L. Scribonius Libo, in 40, een huwelijk uit staatkunde gesloten, dat in 39 weder ontbonden werd, juist op den dag harer bevalling van eene dochter Iulia;—3) met Livia Drusilla, wier vader Livius Drusus in den slag bij Philippi was gesneuveld. Zij was gehuwd met Tib. Claudius Nero en had twee zoons, in de geschiedenis bekend als Tiberius en Drusus. Augustus overreedde haar man, haar aan hem af te staan en nam toen Tiberius en Drusus als zoons aan.
a) Augustus en Scribonia.
Iulia, driemaal gehuwd, 1) met M. Claudius Marcellus, jong gestorven (zieClaudiino. 37),—2) met M. Vipsanius Agrippa, gest. 12,—3) met den lateren keizer Tiberius.
Wegens haar ergerlijken levenswandel werd zij in 2 door haar vader naar het eiland Pandataria en later naar Rhegium verbannen, waar zij in 14 na C. stierf.
Kinderen uit Iulia’s tweede huwelijk.