Opstelling van een legioen.De drie soorten van wapens waren in den slag in drie liniën opgesteld, op deze wijze:de 10 manipelshastati| | | | | | | | | |de 10 manipelsprincipes| | | | | | | | |de 10 manipelstriarii| | | | | | | | | |Werd het legioen versterkt, dan geschiedde dit door het aantal hastati en principes in elke centurie te versterken. Scipio had in den slag bij Zama legioenen van 6200 man. In Caesars tijd was het legioen in 10 cohorten verdeeld; zie hierovercohors. De plaatsing dezer cohorten in den slag was deze:Opstelling van cohorten.De ruiterij was verdeeld inalaeen elkealaweder in drieturmae; doch allengs verdweende rom. ruiterij en werd vervangen door ruiterij der bondgenooten. Zie ookcastra.Het getal legioenen was vóór Augustus afhankelijk geweest van de omstandigheden. In den laatsten oorlog had Octavianus er 45, Antonius omstreeks 30 gehad, Augustus bracht dit getal gaandeweg terug op 28. Van deze sneuvelden nog drie in het Teutoburgerwoud onder Varus en werden niet vervangen. Elk legioen had, reeds vóór Augustus, een nummer en dikwijls ook een bijnaam, zooals uit de geschiedenis der burgeroorlogen blijkt. Wij laten hier de nummers en namen volgen, waarbij men in het oog moet houden dat sommige nummers dubbel voorkomen, een gevolg hiervan dat in de burgeroorlogen dubbele cijfers voorkwamen en onder de monarchie de legioenen hunne oude nummers behielden. I Germanica, II Augusta, III Augusta, III Cyrenaïca, III Gallica, IV Macedonica, IV Scythica, V Alaudae, V Macedonica, VI Victrix, VI Ferrata, VII zonder naam, VIII Augusta, IX Hispana, X Fretensis, X Gemina, XI zonder naam, XII Fulminata, XIII Gemina, XIV Gemina Martia Victrix, XV Apollinaris, XVI zonder naam, (XVII, XVIII en XIX vielen met Varus), XX Valeria Victrix, XXI Rapax, XXII Deiotariana, samen 28. Onder Vespasianus waren er 30, onder Septimius Severus 33, onder Diocletianus 175. In dien tijd was echter de getalsterkte veel geringer; in de 4deeeuw bedroeg die slechts 1000 man.Legis actio, de inleiding tot een proces met de daarbij voorgeschreven formulieren en zinnebeeldige handelingen, waardoor men zijn vermeend recht deed gelden en waaraan men zich streng had te houden. Er waren er vijf:per sacramentum, per iudicis arbitrive postulationem,per condictionem, per manus iniectionem,per pignoris capionem. De geringste afwijking van de aan de wet ontleende of door de bevoegde macht als geldig erkende formule, b.v. wanneer men in plaats van het woordarborte gebruiken, dat de wet aangaf, vanvitissprak bij een klacht over beschadiging van een wijngaard, deed het proces verliezen. De klager kon dus zijn klaagformule niet zelf opstellen, maar moest ze telkens aan een deskundige (eenpontifex) vragen; later zijn delegis actionesin boekvorm uitgegeven, zieFlaviino. 2.Zie omtrent de vervanging en gedeeltelijke afschaffing van deze oude vormen onderformula.Λειτουργία, λῃτουργία, z.Liturgia.Leïtus,Λήιτος, zoon van Alector, een van de Argonauten, aanvoerder der Boeotiërs voor Troje.Lelantius campus,Λήλαντον πέδιον, 1) vlakte in W. Euboea, tusschen Chalcis en Eretria, met ijzer- en kopermijnen en om die reden een twistappel tusschen de beide steden, zie onderChalcis. De vlakte heet naar de rivier, die er doorstroomt.—2)vlakte aan den mond van den Euēnus in Aetolia, door aanslibbing ontstaan.Leleges,Λέλεγες, een oude, waarschijnlijk aziatischevolksstam, verwant met de Cariërs, met wie ze steeds te samen genoemd worden. Ze treden ook in Griekenland op, maar schijnen zich later opgelost te hebben in de Hellenen. Zij waren voortreffelijke zeevaarders en tevens zeeroovers, en waren over Z. en W. Griekenland, en over de eilanden der Aegaeïsche zee verbreid en komen ook op Creta en in Caria voor. In historischen tijd vindt men ze nog in Troas, namelijk in Antandrus, Gargara en Pedasus (aan den Satnioïs gelegen).Lelex,Λέλεξ, koning van Megara (Lelegēia moenia), Lacedaemon of Leucadia, mythisch stamvader der Leleges.Lemannus (lacus),Λεμάνος λίμνη, thans meer van Genève, door den Rhodanus (Rhône) gevormd. In den keizertijd komt het ook voor alslacus Losonnensis, naar de stad Losonna of Lousonna (Lausanne).Lemnius,Λήμνιος, bijnaam van Hephaestus naar het hem gewijde eiland Lemnus.Lemnus,Λῆμνος, thans Stalimene, vroeger ook Aethalia, vrij groot eiland derAegaeïschezee, tusschen Chalcidice en Asia. Toen Hephaestus door Zeus uit den hemel was geworpen, viel hij op Lemnus neder. Als oudste bewoners worden Sintiërs uit Thracia genoemd. Vóór den Argonautentocht hadden de lemnische vrouwen hare mannen vermoord (vandaarΛήμνια ἔργα); de Argonauten landden er en verwekten bij de genoemde vrouwen de Minyers,Μινύαι, die later door de Pelasgen werden verdreven. Naar dit eiland werd Philoctētes gebracht, toen hij door zijne wond het kamp der Grieken vóór Troje verpestte. Onder Darīus I werd het aan de Perzen onderworpen, doch later door Miltiades (no. 2) bevrijd. Het wordtδίπολιςgeheeten naar zijne twee steden Myrina en Hephaestia(s). De zoogenaamde lemnische aarde was eene delfstof, die als verfstof en als geneesmiddel werd gebezigd. Bij den uitvoer werd er tot bewijs van echtheid een merk,sigillum, ingedrukt.Lemōnum, stad der Pictavi of Pictones in Gallia Transpadāna, ten Z. van den Liger (Loire), thans Poitiers.Lemovīces, stam in Gallia Transpadāna in Aquitania, ten N. van de Garumna. De naam leeft nog voort in Limousin. Hoofdstad: Augustoritum (Limoges).Lemovii, een germaansche stam, alleen bij Tacitus vermeld; zij woonden aan de tegenw. Oostzee, ten Westen van de Rugii.Lemures, bij de Rom. de geesten der afgestorvenen.Men geloofde dat zij den 9den, 11denen 13denMei des nachts de plaatsen bezochten, die zij op aarde bewoond hadden, en vierde op die dagen omstreeks middernacht deLemuriaofLemuralia, waarbij men door eigenaardige plechtigheden de geesten trachtte te verzoenen en van zich af te houden. Men offerde hen vooral boonen. Zie ookLarvae. Andere dagen, waarop doodenoffers verricht worden, zijn deParentaliaofFeralia(z. a.) en deCarnaria(zieCarna). Ovidius verklaart het ontstaan van het feest uit de begrafenis vanRemus, en spreekt daarom ook vanRemuria.Lenaea,Λήναια, eig.Διονύσια τἀπὶ Ληναίῳ, feest ter eere van Dionȳsus te Athene bij het Lenaeum in de maand Gamelion (7demaand van het Attische jaar (Jan.–Febr.)) gevierd. Het drinken en offeren van den jongen wijn was hierbij hoofdzaak. Met klimop bekranst hield men een grooten optocht, waarbij men, op wagens gezeten (ἐξ ἁμαξῶν), ieder dien men ontmoette plaagde en soms op zeer ruwe wijze bespotte. Tot de feestelijkheden behoorde een openbare maaltijd, waartoe van staatswege het vleesch verschaft werd. Ten slotte werden tooneelvoorstellingen gegeven.Lenaeus,Λήναιος, bijnaam van Dionȳsus, naar het Lenaeum, zijn oudsten tempel te Athene. VandaarLenaeus latex= wijn.Lentulus, familienaam in degens Cornelia, z.Corneliino. 45–51.Leo,Λέων, 1) zoon van Eurycratidas, 14dekoning van Sparta uit het geslacht der Agiden.—2)Spartaan, die eene volkplanting naar Heraclēa in Trachinië aanvoerde (426).—3)spartaansch bevelhebber op Chius in de laatste tijden van den peloponnesischen oorlog.—4)bevelhebber der atheensche vloot bij Samus, die zich met Diomedon tegen de instelling van de regeering der 400 verzette (411); hij was een van de 10 strategen, die na het ontslag van Alcibiades aangesteld werden, en werd waarschijnlijk voor den slag bij de Arginusen krijgsgevangen gemaakt; onder de regeering van de 30 werd hij ter dood gebracht.—5)van Byzantium, leerling van Plato; hij was in zijne vaderstad aan de regeering, toen zij door Philippus belegerd werd (340). Door zijn toedoen weigerde men te Byzantium Chares te ontvangen, de hulp van Phocion nam hij echter gaarne aan. Later wist Philippus hem bij zijne medeburgers verdacht te maken, wat hij zich zoozeer aantrok, dat hij zich van het leven beroofde.—Zijn werk over den oorlog tusschen zijn vaderstad en Philippus is verloren gegaan.Leobōtes,Λεωβώτης=Labotas.Leochares,Λεωχάρης, atheensch beeldhouwer, die met Scopas aan het mausoleum van Halicarnassus werkte.Leocorium,Λεωκόριον, tempel te Athene, gewijd aan de drie dochters van Leos, die zich vrijwillig door haar vader lieten offeren om het land van de pest te bevrijden.Leocrates,Λεωκράτης, zoon van Stroebus, atheensch veldheer in den slag bij Plataea; na een gewonnen zeeslag en beleg onderwierp hij Aegīna aan de Atheners (457).Leodamas,Λεωδάμας, atheensch redenaar van naam, leerling van Isocrates.Leon,Λέων, vlek ten N. van Syracusae, waar de Atheners in 415 en de Rom. in 214 hun eerste kamp opsloegen.Leonidas,Λεωνίδας, -δης, 1) zoon van Anaxandridas, koning van Sparta, opvolger van zijn broeder Cleomenes I. Met een leger van ruim 6000 man, waaronder 300 Spartanen waren, verdedigde hij den doortocht der Thermopylae tegen het onmetelijke leger van Xerxes. Toen Xerxes, na vier dagen gewacht te hebben, eindelijk een aanval beproefde, werd hij op twee achtereenvolgende dagen met groot verlies teruggeslagen, en zelfs toen hij door het verraad van Ephialtes het leger der Grieken in den rug viel, wilde Leonidas niet terugtrekken; hij zond de ontmoedigde bondgenooten weg, en bleef de verdediging volhouden met zijne 300 Spartanen, 700 Thespiërs, die vrijwillig gebleven waren, en 400 verdachte Thebanen, die hij gedwongen had te blijven. De Thebanen liepen zoo spoedig mogelijk over, de Spartanen en Thespiërs sneuvelden tot den laatsten man (Juli 480). Xerxes liet het lijk van L. onthoofden en kruisigen, bij de Grieken bleef de nagedachtenis aan hem en de zijnen in liederen en gedenkteekenen bewaard.—2)L. II, koning van Sparta, ambtgenoot van Agis III (z.a.).—3)twee grieksche epigrammendichters, van wie gedichten in de grieksche anthologie zijn opgenomen, de eene, uit Tarentum, was een tijdgenoot van koning Pyrrhus van Epirus, de andere, uit Alexandrië, was een tijdgenoot van keizer Nero.—4)leermeester van Cicero’s zoon te Athene.—5)van Anthedon, schilder uit de vierde eeuw, leerling van Euphrānor.Leonnātus,Λεόννατος, van Pella, diende in de lijfwacht van Philippus van Macedonië. Als veldheer van Alexander onderscheidde hij zich vooral in den indischen veldtocht; bij de bestorming van de hoofdstad der Malli redde hij met Peucestas den koning het leven en werd hij zwaar gewond. Na Alex.’s dood werd hij satraap van Klein-Phrygië, toen hij echter op het gerucht van een opstand der Grieken Antipater te hulp snelde, sneuvelde hij in den slag bij Lamia (322).Leonteus,Λεοντεύς, 1) zoon van Corōnus, vorst van Gyrtōne, een van de belegeraars van Troje. Na den oorlog zou hij met zijn vriend Polypoetes Aspendus gesticht hebben.—2)leerling en, evenals zijne echtgenoote Themista, ijverig aanhanger van Epicūrus.Leontiades,Λεοντιάδης, 1) aanvoerder der Thebanen in den slag bij de Thermopylae.—2)hoofd der oligarchische partij te Thebe, die als polemarch de Cadmēa den Spartanen in handen speelde (382). Toen Thebe door Pelopidas bevrijd werd, werd L. gedood.Leontīni,οἱ Λεοντῖνοι, stad op Sicilia nabij de Oostkust, kol. van het noordelijker gelegen Naxus, gelegen in eene vruchtbare streek (Leontini campi). Burgertwisten brachten destad in de afhankelijkheid van Syracūsae. Later werd Leontini een bondgenoot van Carthago en werd het als zoodanig door de Rom. in den tweeden punischen oorlog vermeesterd en geplunderd.Leontis,Λεοντίς, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.Leontium,Λεόντιον, stad in Achaia, in het binnenland.Leoprepides,Λεωπρεπίδης, Simonides van Ceos, zoon van Leoprepes.Leosthenes,Λεωσθένης, Athener, aanvoerder der Grieken in den lamischen oorlog, overwon Antipater hij Heraclēa en sneuvelde bij het beleg van Lamia.Leotrophides,Λεωτροφίδης, lyrisch dichter te Athene, tijdgenoot van Aristophanes.Leotychides,Λεωτυχίδης, Λευτ-, 1) uit het geslacht der Eurypontiden, ondersteunde Cleomenes I (z. a.) bij zijne kuiperijen tegen Demarātus, en werd, nadat deze afgezet was, koning van Sparta (491). Hij was de aanvoerder der grieksche vloot in den zeeslag bij Mycale, maar later van verraad in een oorlog tegen de Aleuaden beschuldigd, vluchtte hij naar Tegea (469), waar hij stierf.—2)zoon van Agis I of, naar men beweerde, van Alcibiades; wegens dezen twijfel aan zijne echte geboorte werd hij van de regeering over Sparta uitgesloten (398).Lepidus, familienaam in degens Aemilia, z.Aemiliino. 1–5.Lepontii,Ληπόντιοι, Alpenvolk in het Z. van Raetia, waarnaar een gedeelte der Alpen nog de lepontische heet. Zij zijn met de andere Alpenvolken in 15 onderworpen.Lepreum,Λέπρεον, oude stad in het elische gewest Triphylia.Leptines,Λεπτίνης, 1) broeder van den ouden Dionysius, aanvoerder der vloot in den oorlog tegen de Carthagers. In 390 werd hij verbannen, later werd hij echter op de meest eervolle wijze teruggeroepen; hij sneuvelde in den slag bij Cronium (383).—2)tyran van Apollonia en Engyum op Sicilië, werd door Timoleon gedwongen de regeering neder te leggen en ging naar Corinthe.—3)een aanzienlijk Athener, wiens voorstel tot intrekking van alle vrijstellingen van belastingen en liturgieën door Demosthenes met gunstig gevolg bestreden werd.Leptis,Λέπτις, naam van twee steden.L. magnalag op de lybische kust tusschen de beide Syrten en was eene aanzienlijke koopstad. Het was eene phoenicische kolonie. Later werd het rom. kolonie. Keizer Septimius Sevērus was er geboren.L. minor, ook door Phoeniciërs gesticht, lag in Byzacium, in de provincie Africa. Vroeger was het aan de Carthagers cijnsbaar, de schatting bedroeg een talent daags.Lerna,Λέρνη, moeras en meer ten Z. van Argos, waar Heracles de lernaeïsche slang doodde.Lerus,Λέρος, klein eiland bij de carische kust, met een tempel van Artemis.Lesbōnax,Λεσβώναξ, 1) grieksch rhetor onder Augustus, van wien drie verdichte redevoeringen (declamationes) bewaard gebleven zijn.—2)grieksch taalkundige van lateren tijd, schrijver van een werkjeπερὶ σχημάτων.Lesbus,Λέσβος, eiland op de aeolisch-aziatische kust, met aeolische bevolking, het vaderland van de dichters Alcaeus (± 600), Arīon (± 625), Terpander (± 670) en de dichteres Sappho (± 600), van Pittacus, een der zeven wijzen (± 600), van den logograaf Hellanīcus (± 450), den wijsgeer Theophrastus (± 310) e.a. Horatius noemt de lesbische lier voor het lierdicht in het algemeen.Libri Lesbiaciheeten bij Cicero de thans verloren gesprekken van den peripatetischen wijsgeer Dicaearchus, die als op Lesbus gevoerd werden voorgesteld. De inwoners van Lesbus hadden den naam, op een hoogen trap van beschaving te staan, waarmede echter sterke weelde en zedeloosheid gepaard ging. Het eiland bracht beroemden wijn voort. Sedert Cyrus behoorde Lesbus tot het perzische rijk, sedert 478 tot den attischen bond. De voornaamste steden zijn: Mytilēne en Methymna, verder Antissa, Eresus, Pyrrha en Arisbe.Lesches,Λέσχης, van Mytilēne, een van de cyclici omstreeks het midden der 7deeeuw, dichter derἸλιὰς μικρά.Lethe,Λήθη, rivier in de onderwereld, waaruit de schimmen der afgestorvenen dronken om het verledene te vergeten.Leto,Λητώ,Latōna, dochter van Coeüs en Phoebe, dus van het geslacht der Titanen, vóór Hera gemalin van Zeus, bij wien zij moeder werd van Artemis en Apollo.—V.a. werd zij door Zeus bemind, toen hij reeds met Hera gehuwd was, daarom wordt zij over de geheele aarde door de jaloersche Hera vervolgd, totdat Zeus het eiland Delus uit de zee laat opkomen, waar zij eindelijk rust vindt, en aan den voet van den berg Cynthus Artemis en Apollo ter wereld bracht.—Zij is eene zachtmoedige, vriendelijke godin in donker gewaad, haar eeredienst is gewoonlijk met die van hare kinderen vereenigd.Letrīni,Λετρῖνοι, vlek in Elis, tusschen de stad Elis en Olympia. Z.Alphēus.Leuāci, volk in Belgica, onderhoorig aan de Nerviërs, misschien bij het tegenw. Leuven.Leuca,τὰ Λευκά, stadje aan de Z.O. spits van Calabria, bij hetpromunturium Iapygium.Leucadia=Leucas.Leucae,Λευκαί, stadje op de aziatische kust, tusschen Smyrna en Phocaea. Hier werd in 131 de consul P. Licinius Crassus Muciānus (Liciniino. 11) door den pergameenschen kroon-pretendent Aristonīcus verslagen. Ook een stad in Laconica, ten Z.O. van Helos, door de Spartanen verwoest.LeucasofLeucadia,Λευκάς, Λευκαδία, eiland in de Ionische zee, thans Santa Maura, dicht aan de acarnanische kust. Oorspronkelijk hing het door eene smalle landtong aan Acarnania vast, doch de Leucadiërs groeven deze door.In het Z. stak kaapLeucatein zee uit. Op den top stond een Apollo-tempel. De mythe laat hier Sappho zich in zee storten.Op het jaarlijksche feest van den god werd een misdadiger van boven afgeworpen, doch als hij het er levend afbracht, opgevischt en vrijgelaten. De oude hoofdstad was Nericus, later trad de jongere stad Leucas hiervoor in de plaats, die in de 3deeeuw zelfs als hoofdstad van geheel Acarnania gold. Tegenwoordig houden vele geleerden Leucas voor het Homerische Ithaca.Leucasia=Leucosia.Leuce,Λευκὴ ἀκτή,1)vlek en reede in Thracia aan de Propontis (zee v. Marmara).—2)=Achillis insula.—3)voorgebergte in het Z. van Euboea, ten W. van Geraestus.Leuci, volk in Belgica, ten N. van de Lingones, in het Z. van het latere Lotharingen. Hoofdstad Tullum (Toul).Leucimma,Λευκίμμη, een der beide zuidkapen van het eiland Corcȳra (Corfu).Leuci montes,Λευκὰ ὄρη, bergketen in het W. van Creta.Leucippe,Λευκίππη, 1) Oceanide, behoorde tot het gezelschap van Persephone, toen deze door Hades geroofd werd.—2)eene van de Minyades (z. a.).—3)dochter van Thestor (z. a.).—4)v. s. gemalin van Ilus, moeder van Laomedon.Leucippides,Λευκιππίδες, Phoebe en Hilaīra, dochters van Leucippus, z.Apharetidae.Leucippus,Λεύκιππος, 1) zoon van Oenomaüs, minnaar van de nimf Daphne. Toen hij zich in vrouwenkleederen in haar gezelschap indrong, werd hij door hare gezellinnen gedood.—2)zoon van Periēres, koning van Messenië, vader van Phoebe, Hilaīra en Arsinoë.—3)van Abdēra, Milētus of Elea, grieksch wijsgeer in de 5deeeuw, grondlegger der atomenleer, die door zijn leerling en vriend Democritus verder ontwikkeld werd. Bizonderheden omtrent zijn leven of leerstellingen zijn niet bekend.Leuconium,Λευκώνιον, stad in het Z. van Chios.Leucopetra,Λευκοπέτρα, Z.W. kaap van het land der Bruttii, ten Z. van Rhegium.Leucophrys,Λευκόφρυς, stad in Caria aan den Maeander, nabij Magnesia, met een tempel van Artemis en een meer van steeds borrelend heet, doch drinkbaar water.Leucosia,Λευκωσία, eiland in het Z. der golf van Paestum, aan de Westkust van Lucania.Leucosyri,Λευκόσυροι, blanke Syriërs, naam dien de Grieken aan de Cappadociërs gaven. In den tijd van het groot-assyrische rijk, vóór de 15deeeuw, vestigden zich een aantal assyrische volkplantingen aan den Pontus Euxīnus (Zwarte zee). Toen nu later de Grieken deze kust bezetten, noemden zij de bevolkingἈσσύριοι, verkortΣύριοιofΣύροι, en breidden dezen naam uit tot het nog onbekende binnenland. De eigenlijke Syriërs in Syria waren bruinachtig van tint; vandaar tot onderscheiding de naam van blanke Syriërs.Leucothea,Λευκοθέα=Ino.Leucothoë,Λευκοθόη, dochter van den babylonischen koning Orchamus. Apollo, die haar beminde, wist in de gedaante van hare moeder toegang tot haar te krijgen, en toen haar vader dit vernam, liet hij haar levend begraven. Apollo veranderde haar in een wierookplant.Leuctra,τὰ Λεῦκτρα, 1) stad in Boeotia, in het Z. bij Thespiae. Hier versloeg Epaminondas in 371 de Spartanen.—2)stad aan de W. kust van Laconia tusschen Cardamyle en Thalamae.—3)stad in Arcadia op de laconische grenzen, in het gebied van Megalopolis.Leuctrum=Leuctrano. 3.Levāci=Leuaci.Levāna, eene godin, die door de Rom. aangeroepen werd, wanneer de vader zijn pasgeboren kind van den grond opnam, en daarmede te kennen gaf, dat hij het als het zijne erkende.Ληξιαρχικὸν γραμματεῖον,z.Δῆμος.Ληξιαρχοι, zes beambten te Athene, die toezagen dat geen onbevoegde zich in de volksvergadering indrong, en dat niemand te laat kwam of te vroeg wegging.Lexovii,Ληξόβιοι, volksstam in Gallia in het tegenw. Normandië. Hoofdstad Noviomagus, thans Lisieux.Libanius,Λιβάνιος, van Antiochië, geb. 314 n. C., studeerde te Athene en hield daarna eenigen tijd te Constantinopel zijn verblijf, waar hij als rhetor werkzaam was en een school stichtte, die zeer veel leerlingen trok. Ten gevolge van de kuiperijen zijner tegenstanders kon hij echter op den duur niet te C. blijven; in 344 vestigde hij zich te Nicomedië, waar hij vijf jaar bleef, daarna wederom te Constantinopel; in 354 keerde hij naar zijne geboortestad terug, waar hij op ongeveer tachtigjarigen leeftijd stierf. Onder Iuliānus, die zeer met hem ingenomen was, en dien hij van zijn kant hoog vereerde, was hijquaestorius. Onder zijne talrijke werken, alle in het grieksch geschreven, zijn vele redevoeringen en brieven belangrijk voor de geschiedenis van zijn tijd.Libanus,Λίβανος, de Libanon, een hoog, bijna ontoegankelijk gebergte langs de phoenicische kust. De toppen zijn met eeuwige sneeuw bedekt, vandaar de naam = witte berg. Op de hellingen vond men de beroemde cederbosschen, aan den voet groeide de wijnstok, doch door het roekeloos vellen der boomen is het gebergte kaal geworden. Ten O. loopt, ongeveer evenwijdig, de nog hoogereAntilibanus.Libella, rom. zilveren muntstukje ter waarde van eenas. Deaswas van koper.Libentīna, bijnaam van Venus, als godin van zinnelijk genot.Liber, oud-italisch god, oorspronkelijk een nevenvorm van Jupiter, evenals Terminus (z. a.), vandaar Jupiter Liber geheeten; hij wordt ook dikwijlsLiber Patergenoemd en eene godinLiberastaat hem ter zijde. Reeds vroeg, sedert de invoering van den dienst van Demeter in 493 (z.Ceres), is hij met Dionysus geïdentificeerd, en tot een god van de voortbrengende kracht der natuur geworden.Meer in het bijzonder is hij god van den wijnbouw, en in de tijden van den wijnoogst worden te zijner eer allerwege in de steden en op het land vroolijke feesten gevierd. Zijne attributen en zijn eeredienst hebben veel overeenkomst met die van Dionȳsus, maar bovendien maakten de Romeinen hem naar aanleiding van zijn naam (vgl.Lyaeus) tot een god van burgerlijke en staatkundige vrijheid; zieLiberalia.Libera, 1) z.Liber.—2)latijnsche naam van Ariadne, de bruid van Dionȳsus of Liber.Liberalia, feesten ter eere van den oud-italischen godLiber(z. a.) en zijne echtgenooteLibera. Uit den aard der zaak kenmerkten zich deze feesten, die op het platteland gevierd werden, vooral in streken, waar men wijn teelde, door vroolijke opgewondenheid en door eene groote mate van vrijheid, waartoe ook de naam aanleiding gaf. Te Rome werd op 17 Maart een lentefeest gehouden, dat denzelfden naam droeg en waarop de jongelingen, die aan de kinderschoenen ontwassen waren (op omstreeks 17-jarigen leeftijd) detoga virilisofliberaaannamen. Dan werden zij door hun vader en verwanten naar het forum begeleid en aan bekenden en invloedrijke personen voorgesteld en deden zóó hunne intrede in de wereld der volwassenen.Libertas, de godin der persoonlijke vrijheid; Tib. Sempronius Gracchus (Semproniino. 7) stichtte voor haar een tempel op den Aventīnus (238). Later werd zij ook de godin der republikeinsche vrijheid, delibertas publica populi Romani; aan haar wijdde P. Clodius een heiligdom op deareavan Cicero’s huis (58).Libertīnus, libertus. Een vrijgelaten slaaf of slavin,libertinus, -na, blijft tegenover den gewezen eigenaar, die nu hunpatronusis, eenlibertus, -ta, evenalspueritegenover hunne oudersliberiheeten. Deden vrijgelatenen te kort aan den eerbied, dien zij hun patroon verschuldigd waren, dan kon de vrijlating herroepen worden. Zie over de vrijlating zelvemanumissio.Libēthra,τὰ Λ(ε)ίβηθρα, stad in het macedonische gewest Piëria, aan den Olympus. De stad schijnt reeds vroeg door overstrooming verwoest te zijn. De streek was aan de Muzen geheiligd, doch de inwoners golden voor zeer prozaïsch, vandaar het gezegde:ἀμουσότερος τῶν Λιβηθρίων.Libethrides,Λ(ε)ιβηθρίδες, de Muzen, zoo genoemd naar den berg Libethrius, waar haar een grot en twee bronnen gewijd waren.Libethrius mons,Λ(ε)ιβήθριον ὄρος, berg in Boeotia, een gedeelte van den Helicon, bij Coronēa, met een grot en bronnen, aan de Muzen en de libethrische nymfen gewijd.Libicii=Lebecii.Libitīna, oud-italiaansche godin van tuinen en wijngaarden. Servius Tullius verordende, dat bij ieder sterfgeval in haar tempel een geldstuk neergelegd moest worden, ten einde het aantal gestorvenen te kunnen bepalen. Daaruit ontstond het gebruik, om in dien tempel alle benoodigdheden voor eene begrafenis te huur of te koop aan te bieden, en ook de personen, wier diensten daarbij vereischt werden, kon men er vinden. Vandaar dat zij voor eene godin der begrafenissen gehouden werd en haar naam door dichters gebruikt wordt voor begrafenis of dood.—Later verwarde men haar met Lubentia of Libentīna, een bijnaam van Venus, die in haarlucuseenaedeshad.Libo, 1) uit Elis, bouwmeester van den tempel van Zeus te Olympia (ongeveer 468–456).—2)rom. familienaam, o. a. in degens Iulia(z.Juliino. 3), degens Livia, degens Marcia, degens Poetelia, degens Scribonia(Scriboniino. 1, 3, 7, 9).Libripens, de man, die bijcoëmptioenmancipatio per aes et libramde weegschaal hield.LiburnaeofLiburnicae,sc. naves, scherpgebouwde snelvaarders, waarmede de Liburniërs den zeeroof plachten uit te oefenen. Zij waren uit lichte houtsoorten gebouwd. De Romeinen namen dit model over voor een gedeelte hunner oorlogsvloot.Liburnia,Λιβουρνία, het N.W. gedeelte van Illyricum, het kustland tusschen eigenlijk Dalmatia en Histria, met de hoofdstad Scardona. De bewoners, uitstekende zeelieden, dreven met hunne snelle, lichte schepen een uitgebreiden handel, maar ook zeeroof. Omstreeks 176 zochten zij tegen hunne naburen bescherming bij de Rom., wien hunne vloot zeer te stade kwam.Libya,Λιβύη, dochter van Epaphus en Memphis, bij Poseidon moeder van Agēnor. Het werelddeel Libya is naar haar genoemd.Libya,Λιβύη, oude naam voor het werelddeel Afrika, voor zoover het aan de oude Grieken bekend was. ZieAfrica. In engeren zin het land ten W. van de Nijldelta en ten Z. van Cyrenaïca, waar de stam derLibyeswoonde.Libyci montes,τὸ Λιβυκὸν ὂρος, het westelijke grensgebergte van Aegypte.Libycum mare,Λιβυκὸν πέλαγος, de zee langs de afrikaansche kust van de Nijldelta tot aan Carthago.Libyphoenīces,Λιβυφοίνικες, de gemengde libysch-phoenicische bevolking op de kust van het carthaagsche gebied.Libyssa,Λίβυσσα, stad in Bithynia nabij de Propontis (zee v. Marmara), met het grafmonument van Hannibal.Lichas,Λίχας, 1) bode van Heracles, die hem uit naam van Deïanīra het vergiftigde kleed bracht, dat met het bloed van Nessus besmeerd was; waanzinnig van pijn, verpletterde Heracles hem tegen een rots.—2)zoon van Arcesilāus, aanzienlijk Spartaan, beroemd door zijne gastvrijheid. Hij werd in den peloponnesischen oorlog dikwijls als gezant gebruikt, en verzette zich tegen de al te groote toegevendheid van de Spartanen tegenover de Perzen.Licinia (lex)van den praetor P. Licinius Varus (208), dat deludi Apollinares, in 212 ingesteld, jaarlijks op een vasten dag gevierd zouden worden.Licinia (lex)tot instelling van het priestercollege dertriumviri epulōnes, van den volkstribuun C. Licinius Lucullus (196) (Liciniino. 21); z.epulones.Licinia (lex)de sacerdotiis, eigenlijk slechts eenerogatio, daar zij door het volk werd verworpen. De volkstribuun C. Licinius Crassus (145) had voorgesteld, voor de priesters decoöptatioaf te schaffen en ze rechtstreeks door het volk te laten verkiezen.Licinia (lex)de sodaliciisvan den consul M. Licinius Crassus (55), waarbij decollegia sodalicia, kiesvereenigingen, die bij delex Clodiavan 58 weer toegelaten waren, werden opgeheven en verboden.Licinia Cassia (lex)van de consuls P. Licinius Crassus en C. Cassius Longīnus (171), dat voor dit jaar, wegens den op handen zijnden oorlog tegen Perseus geenetribuni militumdoor het volk mochten gekozen worden, maar de consuls en praetoren ze zouden kiezen en aanstellen.Licinia Mucia (lex)de civibus redigundisvan de consuls L. Licinius Crassus (Liciniino. 12) en Q. Mucius Scaevola (95). Deze wet verwees al de te Rome verblijf houdendesociiuit Rome. Het schijnt, dat er toen vele Italiërs te Rome aanwezig waren, die den schijn aannamen, rom. burgers te zijn. Cicero noemt het eenelex inutilis et perniciosa. Zij wekte groote verbittering en heeft veel bijgedragen tot de uitbarsting van den bondgenootenoorlog.Liciniae Sextiae (leges)van de volkstribunen C. Licinius Stolo en L. Sextius (367). 1)de consulatu, dat één der consuls uit de plebs zou gekozen worden. Aan het bestaan van deze wet wordt getwijfeld; vast staat slechts, dat L. Sextius Laterānus in 366 de eerste plebejische consul geweest is. Herhaaldelijk komen nog twee patricische consuls voor, zoo o.a. in 349 (zieFuriino. 11), voor het laatst in 343.—2)agraria, dat niemand meer dan 500 iugera (agri publici) zou bezitten. ZieAgrariae leges.—3)de X viris sacrorum, dat in plaats van IIviri tienmannen, en deze voor de helft uit de plebejers zouden gekozen worden. Ook aan het bestaan van deze wet wordt getwijfeld. ZieDecemvirino. 4.—4)de aere alieno, dat het geleende kapitaal met de genoten rente zou worden verminderd en het restant in drie jaarlijksche termijnen zou worden afbetaald. Sommige geleerden houden ook deze wet voor verzonnen, en wel naar den geest van den Sullaanschen tijd, toen zulke wetsvoorstellen herhaaldelijk opdoken.Licinii,plebejisch geslacht, waartoe o. a. de familiën Calvus, Crassus, Damasippus, Lucullus, Murēna, Nerva, Sacerdos, Varus behoorden. Het was afkomstig uit Etruria, de Murenae echter uit Lanuvium. 1)C. Licinius, een der eerste twee volkstribunen (493). V. a. heetten de twee eerstetribuni:L. Sicinius L. f. VelutusenL. Albinius C. f. Paterculus. Zie echter ooktribuni plebis.—2)P. Licinius Calvus Esquilīnus, de eerste plebejischetribunus militum consulari potestate(400).—3)C. Licinius Calvus Stolo, in 376 consulairtribuun en in 368 de eerste plebejische magister equitum.—4)C. Licinius Calvus Stolo, volkstribuun 377–367, verschafte na tienjarigen strijd, met zijn ambtgenoot L. Sextius den plebejers toegang tot het consulaat. Dit verhaal is niet geheel betrouwbaar, zieleges Liciniae Sextiae. In 361 was hij zelf consul. De patriciërs klaagden hem aan, omdat hij in strijd met zijne eigene akkerwet, 1000 iugera staatsdomein in erfpacht bezat en hij werd tot eene zware geldboete veroordeeld. Ook dit verhaal is niet geheel betrouwbaar, zieAgrariae leges.—5)C. Licinius Macer, redenaar en annalist, volkstribuun in 73. In 66, toen Cicero praetor was, van afpersingen aangeklaagd, pleegde hij zelfmoord. Hij heeftannalesgeschreven.—6)C. Licinius Macer Calvus, zoon van no. 5, als redenaar en elegieëndichter bekend. (82–48). Hij was een vriend van Catullus en een tegenstander van Cicero.—7)P. Licinius Crassus Diveswerd reeds jongpontifex maximus(212). In 210 was hij censor, nog voordat hij consul was geweest. In 205 bekleedde hij het consulaat. Hij was zeer ervaren in hetius pontificium.—8)P. Licinius Crassus, consul in 171, werd door Perseus van Macedonia bij Sycurium in Thessalia verslagen.—9)C. Licinius Crassus, broeder van no. 8 en diens legaat in 171, was zelf consul in 168.—10)C. Licinius Crassus, volkstribuun in 145, wiensrogatio de sacerdotiisverworpen werd, nam de gewoonte aan, wanneer hij in het openbaar het woord voerde, zich naar het volk te keeren en niet naar het senaatsgebouw, zooals tot nog toe gebruikelijk was.—11)P. Licinius Crassus Dives Muciānus, een geboren Mucius Scaevola, goed redenaar en jurist en kenner der grieksche taal, vriend van Tib. Gracchus, consul in 131, vond den dood op de vlucht na de nederlaag, hem bij Leucae door den pergameenschen kroonpretendent Aristonīcus toegebracht. Hij was pontifex maximus.—12)L. Licinius Crassus, de beste redenaar van zijn tijd. Nog slechts 21 jaar oud, trad hij in 119 als beschuldiger van C. Papirius Carbo op, die hierop zichzelf ombracht (Papiriino. 11). In 95 was hij consul met Q. Mucius Scaevola (zielex Licinia Mucia). Later was hij propraetor in Gallia Cisalpīna. Hij stierf in 91, na nog in het vorige jaar de censuur bekleed te hebben. In Cicero’s werkde oratorekomt hij als een der hoofdpersonen voor.—12a)L. Licinius Crassus Scipio, aangenomen zoon van no. 12, z.Corneliino. 24.—13)Licinia, dochter van no. 12, echtgenoote van den jongen Marius, eene zeer welsprekende vrouw. Ook eene oudere zuster bezat de gave der redekunst.—14)P. Licinius Crassus Dives, consul in 97, censor in 89, bracht verscheidene jaren als stadhouder in Hispania door en hield in 93 een triumphus over de Lusitaniërs. In den bondgenootenoorlog werd hij door M. Lamponius verslagen. Door de partij van Marius in 87 vogelvrijverklaard, sloeg hij de hand aan zichzelf.—15)M. Licinius Crassus Dives, zoon van no. 14, streed in den burgeroorlog onder Sulla en verwierf door het opkoopen van verbeurdverklaarde bezittingen een ontzaggelijk vermogen, dat hij nog langs verschillende wegen zocht te vermeerderen en dat hij tevens aanwendde om door het leenen van geld anderen van zich afhankelijk te maken. Als praetor verloste hij Rome in 71 van den slavenoorlog, waarop hij tegen het volgende jaar met Pompeius tot consul werd verkozen. Beide ambtgenooten waren allesbehalve eensgezind; Pompeius zocht de volksgunst door het herstel der tribunicische macht, Crassus door het volk aan 10000 tafels, op den openbaren weg aangericht, op een feestmaal te onthalen. Caesar trad verzoenend tusschen hen op, en in 60 kwam het zoogenaamde eerste driemanschap tot stand, dat in April 56 te Luca hernieuwd werd. In 55 werden Crassus en Pompeius ten tweeden male consuls; aan Crassus viel Syria als provincie ten deel. Uit hoop op roem trok hij tegen de Parthen te velde (54). Hij trok den Euphraat over, maar werd het volgend jaar in Mesopotamia, ten Z. van Carrhae, verslagen, waarbij zijn jongste zoon sneuvelde. Bij Carrhae andermaal aangevallen, werd hij bij een onderhoud met den parthischen veldheer verraderlijk afgemaakt (53).—16)M. Licinius Crassus Dives, zoon van no. 15, was quaestor van Caesar in Gallia; hij was waarschijnlijk gehuwd met Caecilia Metella, van wie het bekende grafmonument aan de Via Appia is (zieCaeciliino. 27).—17)P. Licinius Crassus Dives, zoon van no. 15, een bekwaam generaal, was onder Caesar legaat in Gallia geweest. Hij sneuvelde in 53 tegen de Parthen. Cicero roemt zijne kundigheden en zijne rechtschapenheid.—18)C. Licinius Muciānus, was onder Nero en Galba stadhouder van Syria, en ijverde voor de verheffing van Vespasiānus op den troon. Deze zond hem naar Italia, waar hij met Domitiānus het bestuur waarnam tot aan de komst des keizers. Sedert wijdde hij zich aan de wetenschap. Hij heeft o. a. een werk uitgegeven over hetgeen hij in het Oosten gezien had.—19)L. Licinius Damasippus, onjuiste naam voorL. Junius Brutus Damasippus(Juniino. 24). Hij was in 82 praetor, en liet toen op bevel van den jongen Marius, vóór hij Rome ontruimde, de voornaamste overgebleven leden van de optimatenpartij ombrengen. Na den slag bij Porta Collina (1 Nov. 82) liet Sulla hem met de overige krijgsgevangenen afmaken.—20)Licinius Damasippus, bij Cicero vermeld als liefhebber van standbeelden en tuinen. Bij Horatius komt een Damasippus voor, die zijn vermogen heeft doorgebracht en daarna stoicijn is geworden. Dit is waarschijnlijk dezelfde.—21)L. Licinius Lucullus, volkstribuun in 196 en een der eersteIIIviri epulones(zielex Licinia).—22)L. Licinius Lucullus, consul in 151, overviel verraderlijk in Spanje de Vaccaei, die met de Romeinen verbonden waren; na vele moordtooneelen werd hij genoodzaakt het beleg voor hun hoofdstad Pallantia op te geven en terug te trekken. Het volgende jaar behaalde hij samen met Ser. Sulpicius Galba (z.Sulpiciino. 11) eenige voordeelen op de Lusitaniërs.—23)L. Licinius Lucullus, propraetor op Sicilia in 103, trachtte vruchteloos den slavenopstand aldaar te onderdrukken. Later werd hij wegens bedriegelijke handelingen veroordeeld en verbannen.—24)L. Licinius Lucullus, zoon van no. 23, was Sulla’s quaestor in diens veldtocht tegen Mithradātes en commandant van de vloot in de Aegaeische zee. Een verzoek van Fimbria (zieFlaviino. 4) den koning in de haven van Pitane in te sluiten, wees hij van de hand, waardoor Mithradates ontsnappen kon. In 76 was hijpropraetorin Africa. In 74 was hij consul en kreeg als zoodanig de provincies Asia en en Cilicia, en werd belast met het opperbevel in den nieuwen mithradatischen oorlog, terwijl zijn ambtgenoot M. Aurelius Cotta met Bithynia het opperbevel kreeg over de vloot. In 73 versloeg hij den koning bij Cyzicus, verdreef hem uit de rom. provincie, veroverde vervolgens Pontus, trok hierop (69) tegen Tigrānes van Armenia, den schoonzoon en bondgenoot van Mithradates, op en versloeg bij Tigranocerta eene aanzienlijke overmacht. Doch Lucullus had zich vijanden gemaakt onder desocietates publicanorum, tegen wier afpersingen hij de Asiaten in bescherming had genomen; daarbij waren er, die de leiding van den oorlog aan Pompeius in handen wilden spelen. Het leger van Lucullus werd opgeruid en de soldaten weigerden eenparig den winterveldtocht in het onherbergzame Armenia voort te zetten. Lucullus moest de gemaakte veroveringen prijs geven en werd teruggeroepen (67). Hij zeide hierop het staatsleven vaarwel. Hij was ontzaggelijk rijk, doch in tegenstelling van zoovele anderen streng eerlijk en niet hebzuchtig. Hij was een der beschermers van den dichter Archias en zelf een kenner der grieksche literatuur. In zijne jongere jaren had hij in het Grieksch den bondgenootenoorlog beschreven. Zijne woning, landhuizen, boek- en kunstverzamelingen, alles was even rijk en prachtig. Hij stierf krankzinnig in 56.—25)M. Licinius Lucullus, broeder van no. 24, doch door M. Terentius Varro tot zoon aangenomen en dusM. Terentius Liciniānus Varro, ook welM. Terentius Varro Lucullusgenoemd, was consul in 73 (z.Terentiino. 6 enCassia Terentia (lex)), en bestuurde vervolgens Macedonia en onderwierp toen de Bessi, een thracischevolksstam. Hij was een vriend van Cicero en stond hem in zijn ballingschap bij. Hij had niet de groote talenten van zijn broeder, en leefde op minder vorstelijken voet.—26)M. Licinius Lucullus, zoon van no. 24, opgegroeid onder de voogdij van Cato (minor) en Cicero, sneuvelde bij Philippi als aanhanger van Brutus en Cassius.—27)L. Licinius Murēna, praetor in 156 (?), kreeg den naam Murena of Muraena(= makreel) naar de door hem aangelegde vischvijvers. Hij was één van de Xviri, die in 146 Griekenland als provincie Achaia ingericht hebben.—28)P. Licinius Murēna, zoon van no. 27, groot oudheidkenner, sneuvelde in den strijd tegen de partij van Marius.—29)L. Licinius Murēna, ook een zoon van no. 27, streed in 86 onder Sulla tegen den mithradatischen veldheer Archelāus. In 84 door Sulla als stadhouder in Asia achtergelaten, hervatte hij in 83 op eigen gezag den oorlog tegen Mithradātes, doch werd verslagen (82) en daarna door Sulla teruggeroepen. Er werd hem echter een triumftocht toegestaan.—30)L. LiciniusMurēnastreed eerst onder zijn vader (no. 29), daarna onder Lucullus (no. 24) tegen Mithradātes. Als propraetor van Gallia (64) betoonde hij zich een eerlijk en rechtvaardig bewindsman. In 63 werd hij tot consul voor het volgende jaar gekozen, doch vanambitusbeschuldigd. Cicero, Crassus en Hortensius traden als zijne verdedigers op en hij werd glansrijk vrijgesproken. Hij ondersteunde in 63 de veroordeeling van Catilina’s saamgezworenen.—31)C. Licinius Murēna, ook een zoon van no. 29, was in 63legatus pro praetorevan Gallia Cisalpīna en liet de boden van Catilīna gevangen nemen.—32)A. Terentius Varro Murēna, een geboren Licinius, roeide in 25 het Alpenvolk der Salassers bijna uit. In hun gebied werd toen Augusta Praetoria (tgw. Aosta) aangelegd. In 23 liet Augustus hem, ofschoon hij een zwager van Maecēnas was, wegens samenzwering ter dood brengen.—33)Een andere tak der Licinii waren deNervae. Een hunner,P. Licinius Nerva, in 104 propraetor van Sicilia, gaf aanleiding tot den tweeden slavenoorlog aldaar.—34)C. Licinius Sacerdos, werd in 142 door den censor Scipio (Africānus minor) van meineed beticht, doch de zaak werd niet verder doorgezet.—35)C. Licinius Sacerdos, de voorganger van C. Verres, had zich als propraetor van Sicilia (74) door eerlijkheid en rechtschapenheid onderscheiden.—36)Nog een tak zijn deVari. De voornaamste isC. Licinius Varus, consul in 236, die de Corsen onderwierp.—37)A. Licinius Archias, grieksch dichter uit Antiochīa in Syria, zeer bevriend met L. Licinius Lucullus, van wien hij den gentielnaam Licinius aannam. Hij had door toedoen van Lucullus het burgerrecht van Heraclēa (in Lucania) gekregen, en toen na den marsischen oorlog ook de Heracleoten het rom. burgerrecht erlangden, werd Archias rom. burger. In 62 echter werd hij beschuldigd, dat hij onwettig zich het burgerrecht zou hebben aangematigd. Cicero verdedigde hem.Licinius(C. Valerius), uit Dacia geboortig, rom. keizer 308–324 n. C. Na den dood van Maximīnus II Daia waren hij en zijn zwager Constantīnus (later de Groote) de eenige overgebleven keizers. Toen ook tusschen hen de strijd ontbrandde, dolf Licinius het onderspit. ZieConstantinus. Een jaar na zijn afzetting werd Licinius, toen hij hoogverraad wilde plegen, te Thessalonīce omgebracht (324).Licinus, familienaam in degens Porcia.Lictōres. De magistraten, die het imperium hadden, hadden lictoren in dienst, die defascesof roedenbundels voor hen uit droegen. Een consul had er 12, een praetor binnen Rome 2, buiten de stad 6. De dictator had er 24, de magister equitum 6. Wanneer er een dictator benoemd was, hadden de consuls, althans binnen Rome, geene lictoren. De lictoren van deze soort vormden 3decuriae, elk van 24 man. Een andere soort waren delictores curiati, de 30 boden der 30 curiën. Zij maakten ééne decurie uit. Deflamen Dialisen de vestaalsche maagden hadden ook ieder een lictor, die echter evenmin als de curiaatlictoren een roedenbundel droeg. De lictoren van een overheidspersoon gingen één voor één; hij, die het meeste vertrouwen genoot, was de achterste in de rij en dus het dichtst bij den magistraat (lictor proximus). Het was een vast gebruik, dat, wanneer de magistraat in het openbaar met iemand sprak, deze lictor altijd tusschen beiden in bleef staan.Licus, zijrivier van den Donau in Vindelicia, thans Lech.Licymnius,Λικύμνιος, zoon van Electryon, ging met zijn zwager Amphitryo naar Thebae en huwde diens zuster Perimēde. Hij vergezelde Heracles dikwijls op zijne tochten, en werd door diens zoon Tlepolemus, met opzet of bij ongeluk, gedood.Lide,Λίδη, berg in Caria, bij Pedasa.Ligarii, een geslacht van sabijnsche afkomst, waarvan in de burgeroorlogen drie broeders voorkomen. Een er van is Q. Ligarius, voor wien Cicero eene verdedigingsrede heeft gehouden. Hij was in 50 legaat in Africa geweest en wellegatus pro praetorebij ontstentenis van den stadhouder. Hij had echter de provincie overgedragen aan P. Attius Varus, aanhanger van Pompeius, en had L. Aelius Tubero, die door den senaat tot propraetor van Africa benoemd was, belet aan land te komen. Hij streed ook nog tegen Caesars veldheer C. Scribonius Curio, later tegen Caesar zelf, doch werd gevangen genomen en verbannen. Cicero wist echter in eene fijn doorwrochte rede Caesar tot genade te bewegen. Later vindt men Ligarius onder Caesars moordenaars.Liger, rivier in Gallia, thans de Loire.Ligii, Lugii, Lygii, een groote germaansche volksstam tusschen den bovenloop van Viadus (Oder) en Vistula (Weichsel). Uit hen zijn later de Vandalen en Burgundi voortgekomen.Ligula, een soort eierlepel, grooter dan decochlear(z. a.); ook als maat het ¼ deel van eencyathus.Liguria,Λιγυστική, het land in Boven-Italië, tusschen den sinus Ligusticus (golf v. Genua) en den Padus (Po). De inwoners,Ligures,Λίγυες, waren een krijgshaftig volk; het land was boschrijk en in het Z. doorsneden door den Apennīnus. Van omstreeks 240 tot op den tijd van Augustus poogden de Rom. het land te onderwerpen; eerst in 14werd Liguria tot provincie gemaakt. De Liguriërs waren sterk gebruind.Lilaea,Λίλαια, oude stad in het N.W. van Phocis, nabij de bronnen van den Cephīsus.Lilybaeum,Λιλύβαιον, westelijke kaap van Sicilia, met eene gelijknamige, uiterst sterke stad, in 390 door de Carthagers onder Himilco gesticht, die de inwoners van het nabijgelegen Motye hierheen overbracht, en de stad met een sterke bezetting voorzag. De Romeinen stieten in 250 voor Lilybaeum het hoofd. Onder de rom. heerschappij bleef Lilybaeum de zetel van een der beide quaestoren. De andere hield te Syracusae verblijf. Thans Marsala.Limes imperii, in het algemeen de grens van het rom. rijk, meer in het bijzonder deLimes Germaniae Superiorisen deLimes Raetiae. Deze grensversterking, die door de Flavische keizers begonnen en door latere keizers afgewerkt is, begint bij Rheinbrohl, loopt zuidoostelijk naar den Taunus, buigt dan noordelijk om, zoodat Friedberg en Wetterau ingesloten worden, en bereikt dan naar het Zuiden ombuigend, de Main bij Gross-Krotzenburg, die dan tot Miltenberg de grens vormt; dan loopt de limes in een rechte lijn bijna zuidelijk tot Lorch. Tot zoover reikt de limes Germaniae Superioris. Hier sluit zich bijna onder een rechten hoek de limes Raetiae aan, die in een boog ten Noorden van de Donau zich naar het Oosten richt, en boven Regensburg bij de Donau eindigt. Men heeft in de laatste jaren tal vancastellaopgegraven, waarvan het voornaamste, de Saalburg benoorden Homburg v. d. H., weer opgebouwd is.Limnae,Λίμναι, (= moeras), stad in Messenia, op de grens van Laconia, met een tempel van Artemis Limnātis. Hier greep de aanleiding tot den eersten messenischen oorlog plaats, toen messenische meisjes door spartaansche jongelingen onteerd werden.—Eene wijk in Athene en in Sparta heette ookLimnae.—Ook een ionische stad op de W. kust van de thracische Chersonēsus.Limnaea,Λίμναια, welvarend vlek in het N. van Acarnania, met eene haven aan de Ambracische golf.Limōne=Elōne.Limōnum, stad der Pictones in Gallia, thans Poitiers.Limus, een schort met schuine strepen, door den offerdienaar gedragen.Limyra,τὰ Λίμυρα, stad in het Z.O. van Lycia, aan de rivierLimyrus.Lindus,Λίνδος, stad aan de O.-kust van Rhodus. ZieIalysus.Lingones,Λίγγονες, aanzienlijk gallisch volk in Gallia op het tegenw. plateau van Langres, aan de bronnen der Mosa (Maas) en van den Matrona (Marne). Steden: Divio (Dijon), dat door sommigen tot het gebied der Sequani gerekend wordt, en Andematūnum (Langres).Linternum=Liternum.Linus,Λίνος, een schoon jongeling, wiens vroege dood in zeer oude klaagliederen (λίνοι) betreurd werd, waarin dikwijls de uitroepαἴλινοςherhaald werd. Te Argos heette hij de zoon van Apollo en Psamathe; hij was door zijne moeder te vondeling gelegd, bij een herder opgevoed, en toen hij opgegroeid was, door honden verscheurd. Psamathe werd, toen de geboorte van haar kind ontdekt was, door haar vader gedood. Om de schimmen der beide dooden te verzoenen, vierden de Argiven jaarlijks omstreeks de hondsdagen het feestἀρνηίςofκυνοφόντις, waarbij lammeren geofferd en honden gedood werden, terwijl vrouwen onder het zingen van het Linuslied een optocht hielden. De Thebanen brachten hem jaarlijks een lijkoffer op den Helicon. Bij hen heette hij de zoon van Hermes en de Muze Urania, en was hij een beroemd zanger, die met Apollo een wedstrijd aanging en door hem gedood werd.—V. a. was hij gedood door zijn leerling Heracles (z. a.).Lipara,Λιπάρα, het grootste der Aeolische, Vulcanische of Liparische eilanden, ten N. van Sicilia, waartoe het in den keizertijd behoorde.Lipaxus,Λίπαξος, kuststad in het macedonische gewest Crossaea.Λιπομαρτυρίου δίκη, aanklacht tegen iemand, die, in strijd met eene gedane belofte, niet als getuige verschenen is.Lipsydrium,Λειψύδριον, vesting aan den voet van het gebergte Parnes in Attica, ten Z.W. van Decelēa, door de Pisistratiden onder leiding van Clisthenes bezet (± 512); zij werden echter door Hippius gedwongen het Attische land te verlaten.Liquentia, rivier in het noordelijk gedeelte van het gebied der Veneti, die zich in de Adriatische zee stort.Liris,Λεῖρις, grensrivier tusschen Latium en Campania, die zich met weinig stroom bij Minturnae in zee stort; vandaar bij Horatiustaciturnus amnis. In zijn bovenloop stroomt hij langs Sora en Fregellae, waar hij den Tolērus (Trerus) opneemt.Lissus,Λίσσος, 1) rivier op Sicilia, een zijtak van den Terias, bij Leontīni.—2)rivier in Thracia, die bij Maronēa in zee valt.—3)stad aan de zuid-dalmatische kust, in 385 door Dionysius van Syracūsae gesticht, met eene onneembare acropolis.Litae,Λιταί, godinnen van berouw en gebed. Zij volgen Ate met langzame schreden, om het door deze bedreven kwaad weder goed te maken.Litāna silva, bergwoud op den Apennīnus in Gallia Cispadāna, ten Z.O. van Mutina (Modena). Ligging onzeker. Hier sneuvelde de consul L. Postumius Albīnus in 216 tegen de Galliërs.Literatus servus, een geletterde slaaf, zooals de aanzienlijken als secretaris, voorlezer, bibliothecaris, enz., gebruikten; doch ook gebrandmerkte slaaf, wien wegens ontvluchting of diefstal een F (fugitivus, fur) op het voorhoofd was gebrand.Liternum,Λίτερνον, ookLinternum, stad op de campaansche kust, ten Zuiden van de rivier de Clanius, naar de stad ook welLiternusofLinternusgenoemd. Tusschen de rivier en de stad lag langs de kust deLiterna palus. In 196 werd de stad als rom. kolonie aangelegd op het grondgebied van Capua. Scipio Africānus maior is hier in 183 als balling gestorven en begraven.Litis aestimatio, taxatie door deniudexvan het voorwerp, waarover het geding loopt, voor zoover niet op eene bepaalde som was geprocedeerd. Bij eeniudicium publicumkomt een dergelijke taxatie ook wel voor. Wanneer b.v. iemand wegens afpersingen veroordeeld was, moest het bedrag daarvan nog getaxeerd worden, om hiernaar de schadevergoeding vast te stellen. Dit geschiedde door dezelfde rechters, die het vonnis hadden geveld.Litis contestatio, plechtige oproeping van getuigen en vaststelling in hunne tegenwoordigheid van het punt, waarover het geding loopt. Hiermede werden de handelingenin iurebesloten. Zie ookformula.Litis denuntiatio, de door keizer M. Aurelius ingevoerde inleiding van een proces door het indienen eener schriftelijke klacht, ter vervanging der vroegerein ius vocatio.Liturgia,λῃτουργία, λειτ., eene uitgave ten bate van het algemeen door een enkel persoon gedragen. Te Athene behoorden tot de gewone (ἐγκύκλιοι) liturgieën: choregie, gymnasiarchie, enz., tot de buitengewone: de triërarchie,προεισφοράen architheorie. Van staatswege werd de persoon aangewezen, die met eene liturgie belast werd, uitgesloten waren archonten, erfdochters, minderjarigen, en zij wier vermogen minder dan 3 talenten bedroeg; ook bestonden er bepalingen om te voorkomen, dat hetzelfde vermogen te dikwijls door eene liturgie gedrukt werd, vgl.Ἀντίδοσις. De liturgieën waren zeer kostbaar, vooral daar men, tenminste in den goeden tijd, uit mildheid of eerzucht of een streven naar de volksgunst, veel meer deed dan eigenlijk vereischt werd; de choregie kostte soms 5000 drachmen, de kosten van de triërarchie stegen soms tot een talent.Lituus, de korte van boven spiraalvormig gekromde staf der augurs, die vrij van knoesten moest zijn. Ook de kromhoorn, die als blaasinstrument bij de rom. ruiterij diende.Lityerses,Λιτυέρσης, Phrygiër, zoon van Midas, ontving de vreemdelingen gastvrij, doch dwong hen later hem bij den oogst te helpen en een wedstrijd in het maaien met hem aan te gaan; den overwonnenen sneed hij het hoofd af. Heracles doodde hem en wierp zijn lijk in de rivier de Maeander.Liviae (leges)van den volkstribuun M. Livius Drusus, 122, die echter niet tot uitvoering kwamen, daar zij niet ernstig gemeend waren, doch slechts de strekking hadden, den invloed van C. Gracchus te ondermijnen. Zie hieromtrent verder onderAgrariae (leges).Liviae (leges)van den volkstribuun M. Livius Drusus in 91: 1)lex iudiciaria, dat 1o. de senaat met 300 leden uit den ridderstand zou aangevuld worden, en dat uit dezen verdubbelden senaat de rechters zouden gekozen worden; 2o. er een onderzoek zou ingesteld worden naar die rechters, die zich hadden laten omkoopen.—2)leges agraria et de coloniis deducendis, in denzelfden trant als die van C. Gracchus. Zie verder onderAgrariae (leges).—3)lex frumentaria, waarbij de prijs van het koren verlaagd werd, overigens niet nader bekend.—4)lex nummaria, dat de zilveren munt voor ⅛ met koper zou vermengd worden.—5)lex de civitate, om aan de italiaansche socii het rom. burgerrecht toe te kennen. De laatstgenoemde wet kwam niet in behandeling; de overige werden door den senaat ongeldig verklaard, omdat ze gezamenlijk in stemming waren gebracht, hetgeen verboden was, zieCaecilia Didia (lex).Livii, oud plebejisch geslacht, waarin de familie Drusus de voornaamste is. 1)M. Livius Denter, consul in 302, en na delex Ogulnia(300) een der eerste plebejische pontifices.—2)C. Livius Drusus, broeder van no. 3, een uitstekend redenaar, hield, toen hij blind was geworden, zich bezig met het geven van rechtsgeleerde adviezen.—3)M. Livius Drusus, volkstribuun in 122, broeder van no. 2, was een tegenstander van C. Gracchus (zieleges Liviae). In 112 was hij consul en bestreed met goed gevolg de thracische Scordisci.—4)M. Livius Drusus, volkstribuun in 91, zoon van no. 3, was een goed redenaar en een man van edel karakter en onbesproken zeden. Door te groot zelfvertrouwen gedreven, meende hij, door aan alle partijen iets te geven, ze met elkander te kunnen verzoenen. Aan den senaat wilde hij een deel der rechtspraak teruggeven, aan het volk landerijen en uitdeelingen van koren, aan de bondgenooten het rom. burgerrecht verleenen (zieleges Liviae). Vooral dit laatste wetsvoorstel stiet overal op tegenstand (zie vooralMarciino. 16), en Livius werd in zijn huis door een dweper vermoord.—5)Livia, zuster van no. 4, was bij M. Porcius Cato de moeder van Cato van Utica. Als weduwe hertrouwde zij met Q. Servilius Caepio (Serviliino. 17). Omtrent haar dochter Servilia z.Serviliino. 19.—6)M. Livius Macātusverdedigde in 214 Tarentum tegen Hannibal en hield zich in den burg staande, totdat Q. Fabius Maximus in 209 de stad heroverde.—7)M. Livius Salinātoroverwon als consul in 219 met zijn ambtgenoot L. Aemilius Paullus de Illyriërs; beiden werden wegens onregelmatigheden bij het verdeelen van den buit (de peculatu) veroordeeld. In 207 was hij andermaal consul en versloeg toen met zijn ambtgenoot C. Claudius Nero bij den Metaurus in Umbria Hannibals broeder Hasdrubal. In 204 was hij censor, wederom met Nero, bij welke gelegenheid de beide mannen, die elkander sedert vele jaren een diepen haat toedroegen, elkander onder deaerariibrachten. Door eene belasting op het zout te leggen, kreeg Livius in zijne censuur den spotnaam van Salinator.—8)Livia Drusilla, dochter van zekeren Appius Claudius Pulcher, die na zijn adoptiedoor een zekeren LiviusM. Livius Drusus Claudiānusheette, en die in den slag bij Philippi gesneuveld was, huwde met Tib. Claudius Nero, die haar echter aan Octaviānus op diens aandrang afstond (38). Door hare schoonheid en haar verstand wist zij Octavianus geheel aan zich te boeien, zoodat hij de beide zoons, die Livia van haren eersten man had, Tiberius en Drusus, als de zijne aannam. Door Augustus werd zij bij testament met de namen Julia Augusta in degens Juliaopgenomen. Op haar zoon Tiberius had zij minder invloed, hoewel zij door hare maatregelen na Augustus’ dood hem de regeering had verschaft. Zij overleed in 22 na C.—9)OverLivilla, dochter van Drusus en Antonia minor, enLivilla, dochter van Germanicus en Agrippina, zie menIuliiop het einde.—10)T. Livius Patavīnus, niet met degens Liviaverwant, maar uit eene aanzienlijke familie te Patavium geboren, schreef eene uitvoerige geschiedenis van Rome van de stichting der stad af tot op den dood van Drusus (9), in 142 boeken. Hij werkte hieraan van 27 tot aan zijn dood. Hiervan bestaan nog I-X (tot 293), XXI-XLV (218–167) en nog zeer enkele fragmenten. Er zijn nog inhoudsopgaven (periochae) van bijna alle boeken over. Hij leefde 59–17 na C.—11)Livius Andronīcus, een geboren Griek, uit Tarentum, bij de verovering dezer stad door de Rom. gevangen genomen (272) en te Rome als slaaf verkocht. Hij kwam als zoodanig in het huis van een derLiviien nam daarom als vrijgelatene den naam Livius aan. Hij was de eerste tooneeldichter der Romeinen, ± 240. Ook heeft hij de Odyssee in het Latijn overgebracht, in saturnische versmaat. Op enkele fragmenten na is alles verloren.
Opstelling van een legioen.De drie soorten van wapens waren in den slag in drie liniën opgesteld, op deze wijze:de 10 manipelshastati| | | | | | | | | |de 10 manipelsprincipes| | | | | | | | |de 10 manipelstriarii| | | | | | | | | |Werd het legioen versterkt, dan geschiedde dit door het aantal hastati en principes in elke centurie te versterken. Scipio had in den slag bij Zama legioenen van 6200 man. In Caesars tijd was het legioen in 10 cohorten verdeeld; zie hierovercohors. De plaatsing dezer cohorten in den slag was deze:Opstelling van cohorten.De ruiterij was verdeeld inalaeen elkealaweder in drieturmae; doch allengs verdweende rom. ruiterij en werd vervangen door ruiterij der bondgenooten. Zie ookcastra.Het getal legioenen was vóór Augustus afhankelijk geweest van de omstandigheden. In den laatsten oorlog had Octavianus er 45, Antonius omstreeks 30 gehad, Augustus bracht dit getal gaandeweg terug op 28. Van deze sneuvelden nog drie in het Teutoburgerwoud onder Varus en werden niet vervangen. Elk legioen had, reeds vóór Augustus, een nummer en dikwijls ook een bijnaam, zooals uit de geschiedenis der burgeroorlogen blijkt. Wij laten hier de nummers en namen volgen, waarbij men in het oog moet houden dat sommige nummers dubbel voorkomen, een gevolg hiervan dat in de burgeroorlogen dubbele cijfers voorkwamen en onder de monarchie de legioenen hunne oude nummers behielden. I Germanica, II Augusta, III Augusta, III Cyrenaïca, III Gallica, IV Macedonica, IV Scythica, V Alaudae, V Macedonica, VI Victrix, VI Ferrata, VII zonder naam, VIII Augusta, IX Hispana, X Fretensis, X Gemina, XI zonder naam, XII Fulminata, XIII Gemina, XIV Gemina Martia Victrix, XV Apollinaris, XVI zonder naam, (XVII, XVIII en XIX vielen met Varus), XX Valeria Victrix, XXI Rapax, XXII Deiotariana, samen 28. Onder Vespasianus waren er 30, onder Septimius Severus 33, onder Diocletianus 175. In dien tijd was echter de getalsterkte veel geringer; in de 4deeeuw bedroeg die slechts 1000 man.Legis actio, de inleiding tot een proces met de daarbij voorgeschreven formulieren en zinnebeeldige handelingen, waardoor men zijn vermeend recht deed gelden en waaraan men zich streng had te houden. Er waren er vijf:per sacramentum, per iudicis arbitrive postulationem,per condictionem, per manus iniectionem,per pignoris capionem. De geringste afwijking van de aan de wet ontleende of door de bevoegde macht als geldig erkende formule, b.v. wanneer men in plaats van het woordarborte gebruiken, dat de wet aangaf, vanvitissprak bij een klacht over beschadiging van een wijngaard, deed het proces verliezen. De klager kon dus zijn klaagformule niet zelf opstellen, maar moest ze telkens aan een deskundige (eenpontifex) vragen; later zijn delegis actionesin boekvorm uitgegeven, zieFlaviino. 2.Zie omtrent de vervanging en gedeeltelijke afschaffing van deze oude vormen onderformula.Λειτουργία, λῃτουργία, z.Liturgia.Leïtus,Λήιτος, zoon van Alector, een van de Argonauten, aanvoerder der Boeotiërs voor Troje.Lelantius campus,Λήλαντον πέδιον, 1) vlakte in W. Euboea, tusschen Chalcis en Eretria, met ijzer- en kopermijnen en om die reden een twistappel tusschen de beide steden, zie onderChalcis. De vlakte heet naar de rivier, die er doorstroomt.—2)vlakte aan den mond van den Euēnus in Aetolia, door aanslibbing ontstaan.Leleges,Λέλεγες, een oude, waarschijnlijk aziatischevolksstam, verwant met de Cariërs, met wie ze steeds te samen genoemd worden. Ze treden ook in Griekenland op, maar schijnen zich later opgelost te hebben in de Hellenen. Zij waren voortreffelijke zeevaarders en tevens zeeroovers, en waren over Z. en W. Griekenland, en over de eilanden der Aegaeïsche zee verbreid en komen ook op Creta en in Caria voor. In historischen tijd vindt men ze nog in Troas, namelijk in Antandrus, Gargara en Pedasus (aan den Satnioïs gelegen).Lelex,Λέλεξ, koning van Megara (Lelegēia moenia), Lacedaemon of Leucadia, mythisch stamvader der Leleges.Lemannus (lacus),Λεμάνος λίμνη, thans meer van Genève, door den Rhodanus (Rhône) gevormd. In den keizertijd komt het ook voor alslacus Losonnensis, naar de stad Losonna of Lousonna (Lausanne).Lemnius,Λήμνιος, bijnaam van Hephaestus naar het hem gewijde eiland Lemnus.Lemnus,Λῆμνος, thans Stalimene, vroeger ook Aethalia, vrij groot eiland derAegaeïschezee, tusschen Chalcidice en Asia. Toen Hephaestus door Zeus uit den hemel was geworpen, viel hij op Lemnus neder. Als oudste bewoners worden Sintiërs uit Thracia genoemd. Vóór den Argonautentocht hadden de lemnische vrouwen hare mannen vermoord (vandaarΛήμνια ἔργα); de Argonauten landden er en verwekten bij de genoemde vrouwen de Minyers,Μινύαι, die later door de Pelasgen werden verdreven. Naar dit eiland werd Philoctētes gebracht, toen hij door zijne wond het kamp der Grieken vóór Troje verpestte. Onder Darīus I werd het aan de Perzen onderworpen, doch later door Miltiades (no. 2) bevrijd. Het wordtδίπολιςgeheeten naar zijne twee steden Myrina en Hephaestia(s). De zoogenaamde lemnische aarde was eene delfstof, die als verfstof en als geneesmiddel werd gebezigd. Bij den uitvoer werd er tot bewijs van echtheid een merk,sigillum, ingedrukt.Lemōnum, stad der Pictavi of Pictones in Gallia Transpadāna, ten Z. van den Liger (Loire), thans Poitiers.Lemovīces, stam in Gallia Transpadāna in Aquitania, ten N. van de Garumna. De naam leeft nog voort in Limousin. Hoofdstad: Augustoritum (Limoges).Lemovii, een germaansche stam, alleen bij Tacitus vermeld; zij woonden aan de tegenw. Oostzee, ten Westen van de Rugii.Lemures, bij de Rom. de geesten der afgestorvenen.Men geloofde dat zij den 9den, 11denen 13denMei des nachts de plaatsen bezochten, die zij op aarde bewoond hadden, en vierde op die dagen omstreeks middernacht deLemuriaofLemuralia, waarbij men door eigenaardige plechtigheden de geesten trachtte te verzoenen en van zich af te houden. Men offerde hen vooral boonen. Zie ookLarvae. Andere dagen, waarop doodenoffers verricht worden, zijn deParentaliaofFeralia(z. a.) en deCarnaria(zieCarna). Ovidius verklaart het ontstaan van het feest uit de begrafenis vanRemus, en spreekt daarom ook vanRemuria.Lenaea,Λήναια, eig.Διονύσια τἀπὶ Ληναίῳ, feest ter eere van Dionȳsus te Athene bij het Lenaeum in de maand Gamelion (7demaand van het Attische jaar (Jan.–Febr.)) gevierd. Het drinken en offeren van den jongen wijn was hierbij hoofdzaak. Met klimop bekranst hield men een grooten optocht, waarbij men, op wagens gezeten (ἐξ ἁμαξῶν), ieder dien men ontmoette plaagde en soms op zeer ruwe wijze bespotte. Tot de feestelijkheden behoorde een openbare maaltijd, waartoe van staatswege het vleesch verschaft werd. Ten slotte werden tooneelvoorstellingen gegeven.Lenaeus,Λήναιος, bijnaam van Dionȳsus, naar het Lenaeum, zijn oudsten tempel te Athene. VandaarLenaeus latex= wijn.Lentulus, familienaam in degens Cornelia, z.Corneliino. 45–51.Leo,Λέων, 1) zoon van Eurycratidas, 14dekoning van Sparta uit het geslacht der Agiden.—2)Spartaan, die eene volkplanting naar Heraclēa in Trachinië aanvoerde (426).—3)spartaansch bevelhebber op Chius in de laatste tijden van den peloponnesischen oorlog.—4)bevelhebber der atheensche vloot bij Samus, die zich met Diomedon tegen de instelling van de regeering der 400 verzette (411); hij was een van de 10 strategen, die na het ontslag van Alcibiades aangesteld werden, en werd waarschijnlijk voor den slag bij de Arginusen krijgsgevangen gemaakt; onder de regeering van de 30 werd hij ter dood gebracht.—5)van Byzantium, leerling van Plato; hij was in zijne vaderstad aan de regeering, toen zij door Philippus belegerd werd (340). Door zijn toedoen weigerde men te Byzantium Chares te ontvangen, de hulp van Phocion nam hij echter gaarne aan. Later wist Philippus hem bij zijne medeburgers verdacht te maken, wat hij zich zoozeer aantrok, dat hij zich van het leven beroofde.—Zijn werk over den oorlog tusschen zijn vaderstad en Philippus is verloren gegaan.Leobōtes,Λεωβώτης=Labotas.Leochares,Λεωχάρης, atheensch beeldhouwer, die met Scopas aan het mausoleum van Halicarnassus werkte.Leocorium,Λεωκόριον, tempel te Athene, gewijd aan de drie dochters van Leos, die zich vrijwillig door haar vader lieten offeren om het land van de pest te bevrijden.Leocrates,Λεωκράτης, zoon van Stroebus, atheensch veldheer in den slag bij Plataea; na een gewonnen zeeslag en beleg onderwierp hij Aegīna aan de Atheners (457).Leodamas,Λεωδάμας, atheensch redenaar van naam, leerling van Isocrates.Leon,Λέων, vlek ten N. van Syracusae, waar de Atheners in 415 en de Rom. in 214 hun eerste kamp opsloegen.Leonidas,Λεωνίδας, -δης, 1) zoon van Anaxandridas, koning van Sparta, opvolger van zijn broeder Cleomenes I. Met een leger van ruim 6000 man, waaronder 300 Spartanen waren, verdedigde hij den doortocht der Thermopylae tegen het onmetelijke leger van Xerxes. Toen Xerxes, na vier dagen gewacht te hebben, eindelijk een aanval beproefde, werd hij op twee achtereenvolgende dagen met groot verlies teruggeslagen, en zelfs toen hij door het verraad van Ephialtes het leger der Grieken in den rug viel, wilde Leonidas niet terugtrekken; hij zond de ontmoedigde bondgenooten weg, en bleef de verdediging volhouden met zijne 300 Spartanen, 700 Thespiërs, die vrijwillig gebleven waren, en 400 verdachte Thebanen, die hij gedwongen had te blijven. De Thebanen liepen zoo spoedig mogelijk over, de Spartanen en Thespiërs sneuvelden tot den laatsten man (Juli 480). Xerxes liet het lijk van L. onthoofden en kruisigen, bij de Grieken bleef de nagedachtenis aan hem en de zijnen in liederen en gedenkteekenen bewaard.—2)L. II, koning van Sparta, ambtgenoot van Agis III (z.a.).—3)twee grieksche epigrammendichters, van wie gedichten in de grieksche anthologie zijn opgenomen, de eene, uit Tarentum, was een tijdgenoot van koning Pyrrhus van Epirus, de andere, uit Alexandrië, was een tijdgenoot van keizer Nero.—4)leermeester van Cicero’s zoon te Athene.—5)van Anthedon, schilder uit de vierde eeuw, leerling van Euphrānor.Leonnātus,Λεόννατος, van Pella, diende in de lijfwacht van Philippus van Macedonië. Als veldheer van Alexander onderscheidde hij zich vooral in den indischen veldtocht; bij de bestorming van de hoofdstad der Malli redde hij met Peucestas den koning het leven en werd hij zwaar gewond. Na Alex.’s dood werd hij satraap van Klein-Phrygië, toen hij echter op het gerucht van een opstand der Grieken Antipater te hulp snelde, sneuvelde hij in den slag bij Lamia (322).Leonteus,Λεοντεύς, 1) zoon van Corōnus, vorst van Gyrtōne, een van de belegeraars van Troje. Na den oorlog zou hij met zijn vriend Polypoetes Aspendus gesticht hebben.—2)leerling en, evenals zijne echtgenoote Themista, ijverig aanhanger van Epicūrus.Leontiades,Λεοντιάδης, 1) aanvoerder der Thebanen in den slag bij de Thermopylae.—2)hoofd der oligarchische partij te Thebe, die als polemarch de Cadmēa den Spartanen in handen speelde (382). Toen Thebe door Pelopidas bevrijd werd, werd L. gedood.Leontīni,οἱ Λεοντῖνοι, stad op Sicilia nabij de Oostkust, kol. van het noordelijker gelegen Naxus, gelegen in eene vruchtbare streek (Leontini campi). Burgertwisten brachten destad in de afhankelijkheid van Syracūsae. Later werd Leontini een bondgenoot van Carthago en werd het als zoodanig door de Rom. in den tweeden punischen oorlog vermeesterd en geplunderd.Leontis,Λεοντίς, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.Leontium,Λεόντιον, stad in Achaia, in het binnenland.Leoprepides,Λεωπρεπίδης, Simonides van Ceos, zoon van Leoprepes.Leosthenes,Λεωσθένης, Athener, aanvoerder der Grieken in den lamischen oorlog, overwon Antipater hij Heraclēa en sneuvelde bij het beleg van Lamia.Leotrophides,Λεωτροφίδης, lyrisch dichter te Athene, tijdgenoot van Aristophanes.Leotychides,Λεωτυχίδης, Λευτ-, 1) uit het geslacht der Eurypontiden, ondersteunde Cleomenes I (z. a.) bij zijne kuiperijen tegen Demarātus, en werd, nadat deze afgezet was, koning van Sparta (491). Hij was de aanvoerder der grieksche vloot in den zeeslag bij Mycale, maar later van verraad in een oorlog tegen de Aleuaden beschuldigd, vluchtte hij naar Tegea (469), waar hij stierf.—2)zoon van Agis I of, naar men beweerde, van Alcibiades; wegens dezen twijfel aan zijne echte geboorte werd hij van de regeering over Sparta uitgesloten (398).Lepidus, familienaam in degens Aemilia, z.Aemiliino. 1–5.Lepontii,Ληπόντιοι, Alpenvolk in het Z. van Raetia, waarnaar een gedeelte der Alpen nog de lepontische heet. Zij zijn met de andere Alpenvolken in 15 onderworpen.Lepreum,Λέπρεον, oude stad in het elische gewest Triphylia.Leptines,Λεπτίνης, 1) broeder van den ouden Dionysius, aanvoerder der vloot in den oorlog tegen de Carthagers. In 390 werd hij verbannen, later werd hij echter op de meest eervolle wijze teruggeroepen; hij sneuvelde in den slag bij Cronium (383).—2)tyran van Apollonia en Engyum op Sicilië, werd door Timoleon gedwongen de regeering neder te leggen en ging naar Corinthe.—3)een aanzienlijk Athener, wiens voorstel tot intrekking van alle vrijstellingen van belastingen en liturgieën door Demosthenes met gunstig gevolg bestreden werd.Leptis,Λέπτις, naam van twee steden.L. magnalag op de lybische kust tusschen de beide Syrten en was eene aanzienlijke koopstad. Het was eene phoenicische kolonie. Later werd het rom. kolonie. Keizer Septimius Sevērus was er geboren.L. minor, ook door Phoeniciërs gesticht, lag in Byzacium, in de provincie Africa. Vroeger was het aan de Carthagers cijnsbaar, de schatting bedroeg een talent daags.Lerna,Λέρνη, moeras en meer ten Z. van Argos, waar Heracles de lernaeïsche slang doodde.Lerus,Λέρος, klein eiland bij de carische kust, met een tempel van Artemis.Lesbōnax,Λεσβώναξ, 1) grieksch rhetor onder Augustus, van wien drie verdichte redevoeringen (declamationes) bewaard gebleven zijn.—2)grieksch taalkundige van lateren tijd, schrijver van een werkjeπερὶ σχημάτων.Lesbus,Λέσβος, eiland op de aeolisch-aziatische kust, met aeolische bevolking, het vaderland van de dichters Alcaeus (± 600), Arīon (± 625), Terpander (± 670) en de dichteres Sappho (± 600), van Pittacus, een der zeven wijzen (± 600), van den logograaf Hellanīcus (± 450), den wijsgeer Theophrastus (± 310) e.a. Horatius noemt de lesbische lier voor het lierdicht in het algemeen.Libri Lesbiaciheeten bij Cicero de thans verloren gesprekken van den peripatetischen wijsgeer Dicaearchus, die als op Lesbus gevoerd werden voorgesteld. De inwoners van Lesbus hadden den naam, op een hoogen trap van beschaving te staan, waarmede echter sterke weelde en zedeloosheid gepaard ging. Het eiland bracht beroemden wijn voort. Sedert Cyrus behoorde Lesbus tot het perzische rijk, sedert 478 tot den attischen bond. De voornaamste steden zijn: Mytilēne en Methymna, verder Antissa, Eresus, Pyrrha en Arisbe.Lesches,Λέσχης, van Mytilēne, een van de cyclici omstreeks het midden der 7deeeuw, dichter derἸλιὰς μικρά.Lethe,Λήθη, rivier in de onderwereld, waaruit de schimmen der afgestorvenen dronken om het verledene te vergeten.Leto,Λητώ,Latōna, dochter van Coeüs en Phoebe, dus van het geslacht der Titanen, vóór Hera gemalin van Zeus, bij wien zij moeder werd van Artemis en Apollo.—V.a. werd zij door Zeus bemind, toen hij reeds met Hera gehuwd was, daarom wordt zij over de geheele aarde door de jaloersche Hera vervolgd, totdat Zeus het eiland Delus uit de zee laat opkomen, waar zij eindelijk rust vindt, en aan den voet van den berg Cynthus Artemis en Apollo ter wereld bracht.—Zij is eene zachtmoedige, vriendelijke godin in donker gewaad, haar eeredienst is gewoonlijk met die van hare kinderen vereenigd.Letrīni,Λετρῖνοι, vlek in Elis, tusschen de stad Elis en Olympia. Z.Alphēus.Leuāci, volk in Belgica, onderhoorig aan de Nerviërs, misschien bij het tegenw. Leuven.Leuca,τὰ Λευκά, stadje aan de Z.O. spits van Calabria, bij hetpromunturium Iapygium.Leucadia=Leucas.Leucae,Λευκαί, stadje op de aziatische kust, tusschen Smyrna en Phocaea. Hier werd in 131 de consul P. Licinius Crassus Muciānus (Liciniino. 11) door den pergameenschen kroon-pretendent Aristonīcus verslagen. Ook een stad in Laconica, ten Z.O. van Helos, door de Spartanen verwoest.LeucasofLeucadia,Λευκάς, Λευκαδία, eiland in de Ionische zee, thans Santa Maura, dicht aan de acarnanische kust. Oorspronkelijk hing het door eene smalle landtong aan Acarnania vast, doch de Leucadiërs groeven deze door.In het Z. stak kaapLeucatein zee uit. Op den top stond een Apollo-tempel. De mythe laat hier Sappho zich in zee storten.Op het jaarlijksche feest van den god werd een misdadiger van boven afgeworpen, doch als hij het er levend afbracht, opgevischt en vrijgelaten. De oude hoofdstad was Nericus, later trad de jongere stad Leucas hiervoor in de plaats, die in de 3deeeuw zelfs als hoofdstad van geheel Acarnania gold. Tegenwoordig houden vele geleerden Leucas voor het Homerische Ithaca.Leucasia=Leucosia.Leuce,Λευκὴ ἀκτή,1)vlek en reede in Thracia aan de Propontis (zee v. Marmara).—2)=Achillis insula.—3)voorgebergte in het Z. van Euboea, ten W. van Geraestus.Leuci, volk in Belgica, ten N. van de Lingones, in het Z. van het latere Lotharingen. Hoofdstad Tullum (Toul).Leucimma,Λευκίμμη, een der beide zuidkapen van het eiland Corcȳra (Corfu).Leuci montes,Λευκὰ ὄρη, bergketen in het W. van Creta.Leucippe,Λευκίππη, 1) Oceanide, behoorde tot het gezelschap van Persephone, toen deze door Hades geroofd werd.—2)eene van de Minyades (z. a.).—3)dochter van Thestor (z. a.).—4)v. s. gemalin van Ilus, moeder van Laomedon.Leucippides,Λευκιππίδες, Phoebe en Hilaīra, dochters van Leucippus, z.Apharetidae.Leucippus,Λεύκιππος, 1) zoon van Oenomaüs, minnaar van de nimf Daphne. Toen hij zich in vrouwenkleederen in haar gezelschap indrong, werd hij door hare gezellinnen gedood.—2)zoon van Periēres, koning van Messenië, vader van Phoebe, Hilaīra en Arsinoë.—3)van Abdēra, Milētus of Elea, grieksch wijsgeer in de 5deeeuw, grondlegger der atomenleer, die door zijn leerling en vriend Democritus verder ontwikkeld werd. Bizonderheden omtrent zijn leven of leerstellingen zijn niet bekend.Leuconium,Λευκώνιον, stad in het Z. van Chios.Leucopetra,Λευκοπέτρα, Z.W. kaap van het land der Bruttii, ten Z. van Rhegium.Leucophrys,Λευκόφρυς, stad in Caria aan den Maeander, nabij Magnesia, met een tempel van Artemis en een meer van steeds borrelend heet, doch drinkbaar water.Leucosia,Λευκωσία, eiland in het Z. der golf van Paestum, aan de Westkust van Lucania.Leucosyri,Λευκόσυροι, blanke Syriërs, naam dien de Grieken aan de Cappadociërs gaven. In den tijd van het groot-assyrische rijk, vóór de 15deeeuw, vestigden zich een aantal assyrische volkplantingen aan den Pontus Euxīnus (Zwarte zee). Toen nu later de Grieken deze kust bezetten, noemden zij de bevolkingἈσσύριοι, verkortΣύριοιofΣύροι, en breidden dezen naam uit tot het nog onbekende binnenland. De eigenlijke Syriërs in Syria waren bruinachtig van tint; vandaar tot onderscheiding de naam van blanke Syriërs.Leucothea,Λευκοθέα=Ino.Leucothoë,Λευκοθόη, dochter van den babylonischen koning Orchamus. Apollo, die haar beminde, wist in de gedaante van hare moeder toegang tot haar te krijgen, en toen haar vader dit vernam, liet hij haar levend begraven. Apollo veranderde haar in een wierookplant.Leuctra,τὰ Λεῦκτρα, 1) stad in Boeotia, in het Z. bij Thespiae. Hier versloeg Epaminondas in 371 de Spartanen.—2)stad aan de W. kust van Laconia tusschen Cardamyle en Thalamae.—3)stad in Arcadia op de laconische grenzen, in het gebied van Megalopolis.Leuctrum=Leuctrano. 3.Levāci=Leuaci.Levāna, eene godin, die door de Rom. aangeroepen werd, wanneer de vader zijn pasgeboren kind van den grond opnam, en daarmede te kennen gaf, dat hij het als het zijne erkende.Ληξιαρχικὸν γραμματεῖον,z.Δῆμος.Ληξιαρχοι, zes beambten te Athene, die toezagen dat geen onbevoegde zich in de volksvergadering indrong, en dat niemand te laat kwam of te vroeg wegging.Lexovii,Ληξόβιοι, volksstam in Gallia in het tegenw. Normandië. Hoofdstad Noviomagus, thans Lisieux.Libanius,Λιβάνιος, van Antiochië, geb. 314 n. C., studeerde te Athene en hield daarna eenigen tijd te Constantinopel zijn verblijf, waar hij als rhetor werkzaam was en een school stichtte, die zeer veel leerlingen trok. Ten gevolge van de kuiperijen zijner tegenstanders kon hij echter op den duur niet te C. blijven; in 344 vestigde hij zich te Nicomedië, waar hij vijf jaar bleef, daarna wederom te Constantinopel; in 354 keerde hij naar zijne geboortestad terug, waar hij op ongeveer tachtigjarigen leeftijd stierf. Onder Iuliānus, die zeer met hem ingenomen was, en dien hij van zijn kant hoog vereerde, was hijquaestorius. Onder zijne talrijke werken, alle in het grieksch geschreven, zijn vele redevoeringen en brieven belangrijk voor de geschiedenis van zijn tijd.Libanus,Λίβανος, de Libanon, een hoog, bijna ontoegankelijk gebergte langs de phoenicische kust. De toppen zijn met eeuwige sneeuw bedekt, vandaar de naam = witte berg. Op de hellingen vond men de beroemde cederbosschen, aan den voet groeide de wijnstok, doch door het roekeloos vellen der boomen is het gebergte kaal geworden. Ten O. loopt, ongeveer evenwijdig, de nog hoogereAntilibanus.Libella, rom. zilveren muntstukje ter waarde van eenas. Deaswas van koper.Libentīna, bijnaam van Venus, als godin van zinnelijk genot.Liber, oud-italisch god, oorspronkelijk een nevenvorm van Jupiter, evenals Terminus (z. a.), vandaar Jupiter Liber geheeten; hij wordt ook dikwijlsLiber Patergenoemd en eene godinLiberastaat hem ter zijde. Reeds vroeg, sedert de invoering van den dienst van Demeter in 493 (z.Ceres), is hij met Dionysus geïdentificeerd, en tot een god van de voortbrengende kracht der natuur geworden.Meer in het bijzonder is hij god van den wijnbouw, en in de tijden van den wijnoogst worden te zijner eer allerwege in de steden en op het land vroolijke feesten gevierd. Zijne attributen en zijn eeredienst hebben veel overeenkomst met die van Dionȳsus, maar bovendien maakten de Romeinen hem naar aanleiding van zijn naam (vgl.Lyaeus) tot een god van burgerlijke en staatkundige vrijheid; zieLiberalia.Libera, 1) z.Liber.—2)latijnsche naam van Ariadne, de bruid van Dionȳsus of Liber.Liberalia, feesten ter eere van den oud-italischen godLiber(z. a.) en zijne echtgenooteLibera. Uit den aard der zaak kenmerkten zich deze feesten, die op het platteland gevierd werden, vooral in streken, waar men wijn teelde, door vroolijke opgewondenheid en door eene groote mate van vrijheid, waartoe ook de naam aanleiding gaf. Te Rome werd op 17 Maart een lentefeest gehouden, dat denzelfden naam droeg en waarop de jongelingen, die aan de kinderschoenen ontwassen waren (op omstreeks 17-jarigen leeftijd) detoga virilisofliberaaannamen. Dan werden zij door hun vader en verwanten naar het forum begeleid en aan bekenden en invloedrijke personen voorgesteld en deden zóó hunne intrede in de wereld der volwassenen.Libertas, de godin der persoonlijke vrijheid; Tib. Sempronius Gracchus (Semproniino. 7) stichtte voor haar een tempel op den Aventīnus (238). Later werd zij ook de godin der republikeinsche vrijheid, delibertas publica populi Romani; aan haar wijdde P. Clodius een heiligdom op deareavan Cicero’s huis (58).Libertīnus, libertus. Een vrijgelaten slaaf of slavin,libertinus, -na, blijft tegenover den gewezen eigenaar, die nu hunpatronusis, eenlibertus, -ta, evenalspueritegenover hunne oudersliberiheeten. Deden vrijgelatenen te kort aan den eerbied, dien zij hun patroon verschuldigd waren, dan kon de vrijlating herroepen worden. Zie over de vrijlating zelvemanumissio.Libēthra,τὰ Λ(ε)ίβηθρα, stad in het macedonische gewest Piëria, aan den Olympus. De stad schijnt reeds vroeg door overstrooming verwoest te zijn. De streek was aan de Muzen geheiligd, doch de inwoners golden voor zeer prozaïsch, vandaar het gezegde:ἀμουσότερος τῶν Λιβηθρίων.Libethrides,Λ(ε)ιβηθρίδες, de Muzen, zoo genoemd naar den berg Libethrius, waar haar een grot en twee bronnen gewijd waren.Libethrius mons,Λ(ε)ιβήθριον ὄρος, berg in Boeotia, een gedeelte van den Helicon, bij Coronēa, met een grot en bronnen, aan de Muzen en de libethrische nymfen gewijd.Libicii=Lebecii.Libitīna, oud-italiaansche godin van tuinen en wijngaarden. Servius Tullius verordende, dat bij ieder sterfgeval in haar tempel een geldstuk neergelegd moest worden, ten einde het aantal gestorvenen te kunnen bepalen. Daaruit ontstond het gebruik, om in dien tempel alle benoodigdheden voor eene begrafenis te huur of te koop aan te bieden, en ook de personen, wier diensten daarbij vereischt werden, kon men er vinden. Vandaar dat zij voor eene godin der begrafenissen gehouden werd en haar naam door dichters gebruikt wordt voor begrafenis of dood.—Later verwarde men haar met Lubentia of Libentīna, een bijnaam van Venus, die in haarlucuseenaedeshad.Libo, 1) uit Elis, bouwmeester van den tempel van Zeus te Olympia (ongeveer 468–456).—2)rom. familienaam, o. a. in degens Iulia(z.Juliino. 3), degens Livia, degens Marcia, degens Poetelia, degens Scribonia(Scriboniino. 1, 3, 7, 9).Libripens, de man, die bijcoëmptioenmancipatio per aes et libramde weegschaal hield.LiburnaeofLiburnicae,sc. naves, scherpgebouwde snelvaarders, waarmede de Liburniërs den zeeroof plachten uit te oefenen. Zij waren uit lichte houtsoorten gebouwd. De Romeinen namen dit model over voor een gedeelte hunner oorlogsvloot.Liburnia,Λιβουρνία, het N.W. gedeelte van Illyricum, het kustland tusschen eigenlijk Dalmatia en Histria, met de hoofdstad Scardona. De bewoners, uitstekende zeelieden, dreven met hunne snelle, lichte schepen een uitgebreiden handel, maar ook zeeroof. Omstreeks 176 zochten zij tegen hunne naburen bescherming bij de Rom., wien hunne vloot zeer te stade kwam.Libya,Λιβύη, dochter van Epaphus en Memphis, bij Poseidon moeder van Agēnor. Het werelddeel Libya is naar haar genoemd.Libya,Λιβύη, oude naam voor het werelddeel Afrika, voor zoover het aan de oude Grieken bekend was. ZieAfrica. In engeren zin het land ten W. van de Nijldelta en ten Z. van Cyrenaïca, waar de stam derLibyeswoonde.Libyci montes,τὸ Λιβυκὸν ὂρος, het westelijke grensgebergte van Aegypte.Libycum mare,Λιβυκὸν πέλαγος, de zee langs de afrikaansche kust van de Nijldelta tot aan Carthago.Libyphoenīces,Λιβυφοίνικες, de gemengde libysch-phoenicische bevolking op de kust van het carthaagsche gebied.Libyssa,Λίβυσσα, stad in Bithynia nabij de Propontis (zee v. Marmara), met het grafmonument van Hannibal.Lichas,Λίχας, 1) bode van Heracles, die hem uit naam van Deïanīra het vergiftigde kleed bracht, dat met het bloed van Nessus besmeerd was; waanzinnig van pijn, verpletterde Heracles hem tegen een rots.—2)zoon van Arcesilāus, aanzienlijk Spartaan, beroemd door zijne gastvrijheid. Hij werd in den peloponnesischen oorlog dikwijls als gezant gebruikt, en verzette zich tegen de al te groote toegevendheid van de Spartanen tegenover de Perzen.Licinia (lex)van den praetor P. Licinius Varus (208), dat deludi Apollinares, in 212 ingesteld, jaarlijks op een vasten dag gevierd zouden worden.Licinia (lex)tot instelling van het priestercollege dertriumviri epulōnes, van den volkstribuun C. Licinius Lucullus (196) (Liciniino. 21); z.epulones.Licinia (lex)de sacerdotiis, eigenlijk slechts eenerogatio, daar zij door het volk werd verworpen. De volkstribuun C. Licinius Crassus (145) had voorgesteld, voor de priesters decoöptatioaf te schaffen en ze rechtstreeks door het volk te laten verkiezen.Licinia (lex)de sodaliciisvan den consul M. Licinius Crassus (55), waarbij decollegia sodalicia, kiesvereenigingen, die bij delex Clodiavan 58 weer toegelaten waren, werden opgeheven en verboden.Licinia Cassia (lex)van de consuls P. Licinius Crassus en C. Cassius Longīnus (171), dat voor dit jaar, wegens den op handen zijnden oorlog tegen Perseus geenetribuni militumdoor het volk mochten gekozen worden, maar de consuls en praetoren ze zouden kiezen en aanstellen.Licinia Mucia (lex)de civibus redigundisvan de consuls L. Licinius Crassus (Liciniino. 12) en Q. Mucius Scaevola (95). Deze wet verwees al de te Rome verblijf houdendesociiuit Rome. Het schijnt, dat er toen vele Italiërs te Rome aanwezig waren, die den schijn aannamen, rom. burgers te zijn. Cicero noemt het eenelex inutilis et perniciosa. Zij wekte groote verbittering en heeft veel bijgedragen tot de uitbarsting van den bondgenootenoorlog.Liciniae Sextiae (leges)van de volkstribunen C. Licinius Stolo en L. Sextius (367). 1)de consulatu, dat één der consuls uit de plebs zou gekozen worden. Aan het bestaan van deze wet wordt getwijfeld; vast staat slechts, dat L. Sextius Laterānus in 366 de eerste plebejische consul geweest is. Herhaaldelijk komen nog twee patricische consuls voor, zoo o.a. in 349 (zieFuriino. 11), voor het laatst in 343.—2)agraria, dat niemand meer dan 500 iugera (agri publici) zou bezitten. ZieAgrariae leges.—3)de X viris sacrorum, dat in plaats van IIviri tienmannen, en deze voor de helft uit de plebejers zouden gekozen worden. Ook aan het bestaan van deze wet wordt getwijfeld. ZieDecemvirino. 4.—4)de aere alieno, dat het geleende kapitaal met de genoten rente zou worden verminderd en het restant in drie jaarlijksche termijnen zou worden afbetaald. Sommige geleerden houden ook deze wet voor verzonnen, en wel naar den geest van den Sullaanschen tijd, toen zulke wetsvoorstellen herhaaldelijk opdoken.Licinii,plebejisch geslacht, waartoe o. a. de familiën Calvus, Crassus, Damasippus, Lucullus, Murēna, Nerva, Sacerdos, Varus behoorden. Het was afkomstig uit Etruria, de Murenae echter uit Lanuvium. 1)C. Licinius, een der eerste twee volkstribunen (493). V. a. heetten de twee eerstetribuni:L. Sicinius L. f. VelutusenL. Albinius C. f. Paterculus. Zie echter ooktribuni plebis.—2)P. Licinius Calvus Esquilīnus, de eerste plebejischetribunus militum consulari potestate(400).—3)C. Licinius Calvus Stolo, in 376 consulairtribuun en in 368 de eerste plebejische magister equitum.—4)C. Licinius Calvus Stolo, volkstribuun 377–367, verschafte na tienjarigen strijd, met zijn ambtgenoot L. Sextius den plebejers toegang tot het consulaat. Dit verhaal is niet geheel betrouwbaar, zieleges Liciniae Sextiae. In 361 was hij zelf consul. De patriciërs klaagden hem aan, omdat hij in strijd met zijne eigene akkerwet, 1000 iugera staatsdomein in erfpacht bezat en hij werd tot eene zware geldboete veroordeeld. Ook dit verhaal is niet geheel betrouwbaar, zieAgrariae leges.—5)C. Licinius Macer, redenaar en annalist, volkstribuun in 73. In 66, toen Cicero praetor was, van afpersingen aangeklaagd, pleegde hij zelfmoord. Hij heeftannalesgeschreven.—6)C. Licinius Macer Calvus, zoon van no. 5, als redenaar en elegieëndichter bekend. (82–48). Hij was een vriend van Catullus en een tegenstander van Cicero.—7)P. Licinius Crassus Diveswerd reeds jongpontifex maximus(212). In 210 was hij censor, nog voordat hij consul was geweest. In 205 bekleedde hij het consulaat. Hij was zeer ervaren in hetius pontificium.—8)P. Licinius Crassus, consul in 171, werd door Perseus van Macedonia bij Sycurium in Thessalia verslagen.—9)C. Licinius Crassus, broeder van no. 8 en diens legaat in 171, was zelf consul in 168.—10)C. Licinius Crassus, volkstribuun in 145, wiensrogatio de sacerdotiisverworpen werd, nam de gewoonte aan, wanneer hij in het openbaar het woord voerde, zich naar het volk te keeren en niet naar het senaatsgebouw, zooals tot nog toe gebruikelijk was.—11)P. Licinius Crassus Dives Muciānus, een geboren Mucius Scaevola, goed redenaar en jurist en kenner der grieksche taal, vriend van Tib. Gracchus, consul in 131, vond den dood op de vlucht na de nederlaag, hem bij Leucae door den pergameenschen kroonpretendent Aristonīcus toegebracht. Hij was pontifex maximus.—12)L. Licinius Crassus, de beste redenaar van zijn tijd. Nog slechts 21 jaar oud, trad hij in 119 als beschuldiger van C. Papirius Carbo op, die hierop zichzelf ombracht (Papiriino. 11). In 95 was hij consul met Q. Mucius Scaevola (zielex Licinia Mucia). Later was hij propraetor in Gallia Cisalpīna. Hij stierf in 91, na nog in het vorige jaar de censuur bekleed te hebben. In Cicero’s werkde oratorekomt hij als een der hoofdpersonen voor.—12a)L. Licinius Crassus Scipio, aangenomen zoon van no. 12, z.Corneliino. 24.—13)Licinia, dochter van no. 12, echtgenoote van den jongen Marius, eene zeer welsprekende vrouw. Ook eene oudere zuster bezat de gave der redekunst.—14)P. Licinius Crassus Dives, consul in 97, censor in 89, bracht verscheidene jaren als stadhouder in Hispania door en hield in 93 een triumphus over de Lusitaniërs. In den bondgenootenoorlog werd hij door M. Lamponius verslagen. Door de partij van Marius in 87 vogelvrijverklaard, sloeg hij de hand aan zichzelf.—15)M. Licinius Crassus Dives, zoon van no. 14, streed in den burgeroorlog onder Sulla en verwierf door het opkoopen van verbeurdverklaarde bezittingen een ontzaggelijk vermogen, dat hij nog langs verschillende wegen zocht te vermeerderen en dat hij tevens aanwendde om door het leenen van geld anderen van zich afhankelijk te maken. Als praetor verloste hij Rome in 71 van den slavenoorlog, waarop hij tegen het volgende jaar met Pompeius tot consul werd verkozen. Beide ambtgenooten waren allesbehalve eensgezind; Pompeius zocht de volksgunst door het herstel der tribunicische macht, Crassus door het volk aan 10000 tafels, op den openbaren weg aangericht, op een feestmaal te onthalen. Caesar trad verzoenend tusschen hen op, en in 60 kwam het zoogenaamde eerste driemanschap tot stand, dat in April 56 te Luca hernieuwd werd. In 55 werden Crassus en Pompeius ten tweeden male consuls; aan Crassus viel Syria als provincie ten deel. Uit hoop op roem trok hij tegen de Parthen te velde (54). Hij trok den Euphraat over, maar werd het volgend jaar in Mesopotamia, ten Z. van Carrhae, verslagen, waarbij zijn jongste zoon sneuvelde. Bij Carrhae andermaal aangevallen, werd hij bij een onderhoud met den parthischen veldheer verraderlijk afgemaakt (53).—16)M. Licinius Crassus Dives, zoon van no. 15, was quaestor van Caesar in Gallia; hij was waarschijnlijk gehuwd met Caecilia Metella, van wie het bekende grafmonument aan de Via Appia is (zieCaeciliino. 27).—17)P. Licinius Crassus Dives, zoon van no. 15, een bekwaam generaal, was onder Caesar legaat in Gallia geweest. Hij sneuvelde in 53 tegen de Parthen. Cicero roemt zijne kundigheden en zijne rechtschapenheid.—18)C. Licinius Muciānus, was onder Nero en Galba stadhouder van Syria, en ijverde voor de verheffing van Vespasiānus op den troon. Deze zond hem naar Italia, waar hij met Domitiānus het bestuur waarnam tot aan de komst des keizers. Sedert wijdde hij zich aan de wetenschap. Hij heeft o. a. een werk uitgegeven over hetgeen hij in het Oosten gezien had.—19)L. Licinius Damasippus, onjuiste naam voorL. Junius Brutus Damasippus(Juniino. 24). Hij was in 82 praetor, en liet toen op bevel van den jongen Marius, vóór hij Rome ontruimde, de voornaamste overgebleven leden van de optimatenpartij ombrengen. Na den slag bij Porta Collina (1 Nov. 82) liet Sulla hem met de overige krijgsgevangenen afmaken.—20)Licinius Damasippus, bij Cicero vermeld als liefhebber van standbeelden en tuinen. Bij Horatius komt een Damasippus voor, die zijn vermogen heeft doorgebracht en daarna stoicijn is geworden. Dit is waarschijnlijk dezelfde.—21)L. Licinius Lucullus, volkstribuun in 196 en een der eersteIIIviri epulones(zielex Licinia).—22)L. Licinius Lucullus, consul in 151, overviel verraderlijk in Spanje de Vaccaei, die met de Romeinen verbonden waren; na vele moordtooneelen werd hij genoodzaakt het beleg voor hun hoofdstad Pallantia op te geven en terug te trekken. Het volgende jaar behaalde hij samen met Ser. Sulpicius Galba (z.Sulpiciino. 11) eenige voordeelen op de Lusitaniërs.—23)L. Licinius Lucullus, propraetor op Sicilia in 103, trachtte vruchteloos den slavenopstand aldaar te onderdrukken. Later werd hij wegens bedriegelijke handelingen veroordeeld en verbannen.—24)L. Licinius Lucullus, zoon van no. 23, was Sulla’s quaestor in diens veldtocht tegen Mithradātes en commandant van de vloot in de Aegaeische zee. Een verzoek van Fimbria (zieFlaviino. 4) den koning in de haven van Pitane in te sluiten, wees hij van de hand, waardoor Mithradates ontsnappen kon. In 76 was hijpropraetorin Africa. In 74 was hij consul en kreeg als zoodanig de provincies Asia en en Cilicia, en werd belast met het opperbevel in den nieuwen mithradatischen oorlog, terwijl zijn ambtgenoot M. Aurelius Cotta met Bithynia het opperbevel kreeg over de vloot. In 73 versloeg hij den koning bij Cyzicus, verdreef hem uit de rom. provincie, veroverde vervolgens Pontus, trok hierop (69) tegen Tigrānes van Armenia, den schoonzoon en bondgenoot van Mithradates, op en versloeg bij Tigranocerta eene aanzienlijke overmacht. Doch Lucullus had zich vijanden gemaakt onder desocietates publicanorum, tegen wier afpersingen hij de Asiaten in bescherming had genomen; daarbij waren er, die de leiding van den oorlog aan Pompeius in handen wilden spelen. Het leger van Lucullus werd opgeruid en de soldaten weigerden eenparig den winterveldtocht in het onherbergzame Armenia voort te zetten. Lucullus moest de gemaakte veroveringen prijs geven en werd teruggeroepen (67). Hij zeide hierop het staatsleven vaarwel. Hij was ontzaggelijk rijk, doch in tegenstelling van zoovele anderen streng eerlijk en niet hebzuchtig. Hij was een der beschermers van den dichter Archias en zelf een kenner der grieksche literatuur. In zijne jongere jaren had hij in het Grieksch den bondgenootenoorlog beschreven. Zijne woning, landhuizen, boek- en kunstverzamelingen, alles was even rijk en prachtig. Hij stierf krankzinnig in 56.—25)M. Licinius Lucullus, broeder van no. 24, doch door M. Terentius Varro tot zoon aangenomen en dusM. Terentius Liciniānus Varro, ook welM. Terentius Varro Lucullusgenoemd, was consul in 73 (z.Terentiino. 6 enCassia Terentia (lex)), en bestuurde vervolgens Macedonia en onderwierp toen de Bessi, een thracischevolksstam. Hij was een vriend van Cicero en stond hem in zijn ballingschap bij. Hij had niet de groote talenten van zijn broeder, en leefde op minder vorstelijken voet.—26)M. Licinius Lucullus, zoon van no. 24, opgegroeid onder de voogdij van Cato (minor) en Cicero, sneuvelde bij Philippi als aanhanger van Brutus en Cassius.—27)L. Licinius Murēna, praetor in 156 (?), kreeg den naam Murena of Muraena(= makreel) naar de door hem aangelegde vischvijvers. Hij was één van de Xviri, die in 146 Griekenland als provincie Achaia ingericht hebben.—28)P. Licinius Murēna, zoon van no. 27, groot oudheidkenner, sneuvelde in den strijd tegen de partij van Marius.—29)L. Licinius Murēna, ook een zoon van no. 27, streed in 86 onder Sulla tegen den mithradatischen veldheer Archelāus. In 84 door Sulla als stadhouder in Asia achtergelaten, hervatte hij in 83 op eigen gezag den oorlog tegen Mithradātes, doch werd verslagen (82) en daarna door Sulla teruggeroepen. Er werd hem echter een triumftocht toegestaan.—30)L. LiciniusMurēnastreed eerst onder zijn vader (no. 29), daarna onder Lucullus (no. 24) tegen Mithradātes. Als propraetor van Gallia (64) betoonde hij zich een eerlijk en rechtvaardig bewindsman. In 63 werd hij tot consul voor het volgende jaar gekozen, doch vanambitusbeschuldigd. Cicero, Crassus en Hortensius traden als zijne verdedigers op en hij werd glansrijk vrijgesproken. Hij ondersteunde in 63 de veroordeeling van Catilina’s saamgezworenen.—31)C. Licinius Murēna, ook een zoon van no. 29, was in 63legatus pro praetorevan Gallia Cisalpīna en liet de boden van Catilīna gevangen nemen.—32)A. Terentius Varro Murēna, een geboren Licinius, roeide in 25 het Alpenvolk der Salassers bijna uit. In hun gebied werd toen Augusta Praetoria (tgw. Aosta) aangelegd. In 23 liet Augustus hem, ofschoon hij een zwager van Maecēnas was, wegens samenzwering ter dood brengen.—33)Een andere tak der Licinii waren deNervae. Een hunner,P. Licinius Nerva, in 104 propraetor van Sicilia, gaf aanleiding tot den tweeden slavenoorlog aldaar.—34)C. Licinius Sacerdos, werd in 142 door den censor Scipio (Africānus minor) van meineed beticht, doch de zaak werd niet verder doorgezet.—35)C. Licinius Sacerdos, de voorganger van C. Verres, had zich als propraetor van Sicilia (74) door eerlijkheid en rechtschapenheid onderscheiden.—36)Nog een tak zijn deVari. De voornaamste isC. Licinius Varus, consul in 236, die de Corsen onderwierp.—37)A. Licinius Archias, grieksch dichter uit Antiochīa in Syria, zeer bevriend met L. Licinius Lucullus, van wien hij den gentielnaam Licinius aannam. Hij had door toedoen van Lucullus het burgerrecht van Heraclēa (in Lucania) gekregen, en toen na den marsischen oorlog ook de Heracleoten het rom. burgerrecht erlangden, werd Archias rom. burger. In 62 echter werd hij beschuldigd, dat hij onwettig zich het burgerrecht zou hebben aangematigd. Cicero verdedigde hem.Licinius(C. Valerius), uit Dacia geboortig, rom. keizer 308–324 n. C. Na den dood van Maximīnus II Daia waren hij en zijn zwager Constantīnus (later de Groote) de eenige overgebleven keizers. Toen ook tusschen hen de strijd ontbrandde, dolf Licinius het onderspit. ZieConstantinus. Een jaar na zijn afzetting werd Licinius, toen hij hoogverraad wilde plegen, te Thessalonīce omgebracht (324).Licinus, familienaam in degens Porcia.Lictōres. De magistraten, die het imperium hadden, hadden lictoren in dienst, die defascesof roedenbundels voor hen uit droegen. Een consul had er 12, een praetor binnen Rome 2, buiten de stad 6. De dictator had er 24, de magister equitum 6. Wanneer er een dictator benoemd was, hadden de consuls, althans binnen Rome, geene lictoren. De lictoren van deze soort vormden 3decuriae, elk van 24 man. Een andere soort waren delictores curiati, de 30 boden der 30 curiën. Zij maakten ééne decurie uit. Deflamen Dialisen de vestaalsche maagden hadden ook ieder een lictor, die echter evenmin als de curiaatlictoren een roedenbundel droeg. De lictoren van een overheidspersoon gingen één voor één; hij, die het meeste vertrouwen genoot, was de achterste in de rij en dus het dichtst bij den magistraat (lictor proximus). Het was een vast gebruik, dat, wanneer de magistraat in het openbaar met iemand sprak, deze lictor altijd tusschen beiden in bleef staan.Licus, zijrivier van den Donau in Vindelicia, thans Lech.Licymnius,Λικύμνιος, zoon van Electryon, ging met zijn zwager Amphitryo naar Thebae en huwde diens zuster Perimēde. Hij vergezelde Heracles dikwijls op zijne tochten, en werd door diens zoon Tlepolemus, met opzet of bij ongeluk, gedood.Lide,Λίδη, berg in Caria, bij Pedasa.Ligarii, een geslacht van sabijnsche afkomst, waarvan in de burgeroorlogen drie broeders voorkomen. Een er van is Q. Ligarius, voor wien Cicero eene verdedigingsrede heeft gehouden. Hij was in 50 legaat in Africa geweest en wellegatus pro praetorebij ontstentenis van den stadhouder. Hij had echter de provincie overgedragen aan P. Attius Varus, aanhanger van Pompeius, en had L. Aelius Tubero, die door den senaat tot propraetor van Africa benoemd was, belet aan land te komen. Hij streed ook nog tegen Caesars veldheer C. Scribonius Curio, later tegen Caesar zelf, doch werd gevangen genomen en verbannen. Cicero wist echter in eene fijn doorwrochte rede Caesar tot genade te bewegen. Later vindt men Ligarius onder Caesars moordenaars.Liger, rivier in Gallia, thans de Loire.Ligii, Lugii, Lygii, een groote germaansche volksstam tusschen den bovenloop van Viadus (Oder) en Vistula (Weichsel). Uit hen zijn later de Vandalen en Burgundi voortgekomen.Ligula, een soort eierlepel, grooter dan decochlear(z. a.); ook als maat het ¼ deel van eencyathus.Liguria,Λιγυστική, het land in Boven-Italië, tusschen den sinus Ligusticus (golf v. Genua) en den Padus (Po). De inwoners,Ligures,Λίγυες, waren een krijgshaftig volk; het land was boschrijk en in het Z. doorsneden door den Apennīnus. Van omstreeks 240 tot op den tijd van Augustus poogden de Rom. het land te onderwerpen; eerst in 14werd Liguria tot provincie gemaakt. De Liguriërs waren sterk gebruind.Lilaea,Λίλαια, oude stad in het N.W. van Phocis, nabij de bronnen van den Cephīsus.Lilybaeum,Λιλύβαιον, westelijke kaap van Sicilia, met eene gelijknamige, uiterst sterke stad, in 390 door de Carthagers onder Himilco gesticht, die de inwoners van het nabijgelegen Motye hierheen overbracht, en de stad met een sterke bezetting voorzag. De Romeinen stieten in 250 voor Lilybaeum het hoofd. Onder de rom. heerschappij bleef Lilybaeum de zetel van een der beide quaestoren. De andere hield te Syracusae verblijf. Thans Marsala.Limes imperii, in het algemeen de grens van het rom. rijk, meer in het bijzonder deLimes Germaniae Superiorisen deLimes Raetiae. Deze grensversterking, die door de Flavische keizers begonnen en door latere keizers afgewerkt is, begint bij Rheinbrohl, loopt zuidoostelijk naar den Taunus, buigt dan noordelijk om, zoodat Friedberg en Wetterau ingesloten worden, en bereikt dan naar het Zuiden ombuigend, de Main bij Gross-Krotzenburg, die dan tot Miltenberg de grens vormt; dan loopt de limes in een rechte lijn bijna zuidelijk tot Lorch. Tot zoover reikt de limes Germaniae Superioris. Hier sluit zich bijna onder een rechten hoek de limes Raetiae aan, die in een boog ten Noorden van de Donau zich naar het Oosten richt, en boven Regensburg bij de Donau eindigt. Men heeft in de laatste jaren tal vancastellaopgegraven, waarvan het voornaamste, de Saalburg benoorden Homburg v. d. H., weer opgebouwd is.Limnae,Λίμναι, (= moeras), stad in Messenia, op de grens van Laconia, met een tempel van Artemis Limnātis. Hier greep de aanleiding tot den eersten messenischen oorlog plaats, toen messenische meisjes door spartaansche jongelingen onteerd werden.—Eene wijk in Athene en in Sparta heette ookLimnae.—Ook een ionische stad op de W. kust van de thracische Chersonēsus.Limnaea,Λίμναια, welvarend vlek in het N. van Acarnania, met eene haven aan de Ambracische golf.Limōne=Elōne.Limōnum, stad der Pictones in Gallia, thans Poitiers.Limus, een schort met schuine strepen, door den offerdienaar gedragen.Limyra,τὰ Λίμυρα, stad in het Z.O. van Lycia, aan de rivierLimyrus.Lindus,Λίνδος, stad aan de O.-kust van Rhodus. ZieIalysus.Lingones,Λίγγονες, aanzienlijk gallisch volk in Gallia op het tegenw. plateau van Langres, aan de bronnen der Mosa (Maas) en van den Matrona (Marne). Steden: Divio (Dijon), dat door sommigen tot het gebied der Sequani gerekend wordt, en Andematūnum (Langres).Linternum=Liternum.Linus,Λίνος, een schoon jongeling, wiens vroege dood in zeer oude klaagliederen (λίνοι) betreurd werd, waarin dikwijls de uitroepαἴλινοςherhaald werd. Te Argos heette hij de zoon van Apollo en Psamathe; hij was door zijne moeder te vondeling gelegd, bij een herder opgevoed, en toen hij opgegroeid was, door honden verscheurd. Psamathe werd, toen de geboorte van haar kind ontdekt was, door haar vader gedood. Om de schimmen der beide dooden te verzoenen, vierden de Argiven jaarlijks omstreeks de hondsdagen het feestἀρνηίςofκυνοφόντις, waarbij lammeren geofferd en honden gedood werden, terwijl vrouwen onder het zingen van het Linuslied een optocht hielden. De Thebanen brachten hem jaarlijks een lijkoffer op den Helicon. Bij hen heette hij de zoon van Hermes en de Muze Urania, en was hij een beroemd zanger, die met Apollo een wedstrijd aanging en door hem gedood werd.—V. a. was hij gedood door zijn leerling Heracles (z. a.).Lipara,Λιπάρα, het grootste der Aeolische, Vulcanische of Liparische eilanden, ten N. van Sicilia, waartoe het in den keizertijd behoorde.Lipaxus,Λίπαξος, kuststad in het macedonische gewest Crossaea.Λιπομαρτυρίου δίκη, aanklacht tegen iemand, die, in strijd met eene gedane belofte, niet als getuige verschenen is.Lipsydrium,Λειψύδριον, vesting aan den voet van het gebergte Parnes in Attica, ten Z.W. van Decelēa, door de Pisistratiden onder leiding van Clisthenes bezet (± 512); zij werden echter door Hippius gedwongen het Attische land te verlaten.Liquentia, rivier in het noordelijk gedeelte van het gebied der Veneti, die zich in de Adriatische zee stort.Liris,Λεῖρις, grensrivier tusschen Latium en Campania, die zich met weinig stroom bij Minturnae in zee stort; vandaar bij Horatiustaciturnus amnis. In zijn bovenloop stroomt hij langs Sora en Fregellae, waar hij den Tolērus (Trerus) opneemt.Lissus,Λίσσος, 1) rivier op Sicilia, een zijtak van den Terias, bij Leontīni.—2)rivier in Thracia, die bij Maronēa in zee valt.—3)stad aan de zuid-dalmatische kust, in 385 door Dionysius van Syracūsae gesticht, met eene onneembare acropolis.Litae,Λιταί, godinnen van berouw en gebed. Zij volgen Ate met langzame schreden, om het door deze bedreven kwaad weder goed te maken.Litāna silva, bergwoud op den Apennīnus in Gallia Cispadāna, ten Z.O. van Mutina (Modena). Ligging onzeker. Hier sneuvelde de consul L. Postumius Albīnus in 216 tegen de Galliërs.Literatus servus, een geletterde slaaf, zooals de aanzienlijken als secretaris, voorlezer, bibliothecaris, enz., gebruikten; doch ook gebrandmerkte slaaf, wien wegens ontvluchting of diefstal een F (fugitivus, fur) op het voorhoofd was gebrand.Liternum,Λίτερνον, ookLinternum, stad op de campaansche kust, ten Zuiden van de rivier de Clanius, naar de stad ook welLiternusofLinternusgenoemd. Tusschen de rivier en de stad lag langs de kust deLiterna palus. In 196 werd de stad als rom. kolonie aangelegd op het grondgebied van Capua. Scipio Africānus maior is hier in 183 als balling gestorven en begraven.Litis aestimatio, taxatie door deniudexvan het voorwerp, waarover het geding loopt, voor zoover niet op eene bepaalde som was geprocedeerd. Bij eeniudicium publicumkomt een dergelijke taxatie ook wel voor. Wanneer b.v. iemand wegens afpersingen veroordeeld was, moest het bedrag daarvan nog getaxeerd worden, om hiernaar de schadevergoeding vast te stellen. Dit geschiedde door dezelfde rechters, die het vonnis hadden geveld.Litis contestatio, plechtige oproeping van getuigen en vaststelling in hunne tegenwoordigheid van het punt, waarover het geding loopt. Hiermede werden de handelingenin iurebesloten. Zie ookformula.Litis denuntiatio, de door keizer M. Aurelius ingevoerde inleiding van een proces door het indienen eener schriftelijke klacht, ter vervanging der vroegerein ius vocatio.Liturgia,λῃτουργία, λειτ., eene uitgave ten bate van het algemeen door een enkel persoon gedragen. Te Athene behoorden tot de gewone (ἐγκύκλιοι) liturgieën: choregie, gymnasiarchie, enz., tot de buitengewone: de triërarchie,προεισφοράen architheorie. Van staatswege werd de persoon aangewezen, die met eene liturgie belast werd, uitgesloten waren archonten, erfdochters, minderjarigen, en zij wier vermogen minder dan 3 talenten bedroeg; ook bestonden er bepalingen om te voorkomen, dat hetzelfde vermogen te dikwijls door eene liturgie gedrukt werd, vgl.Ἀντίδοσις. De liturgieën waren zeer kostbaar, vooral daar men, tenminste in den goeden tijd, uit mildheid of eerzucht of een streven naar de volksgunst, veel meer deed dan eigenlijk vereischt werd; de choregie kostte soms 5000 drachmen, de kosten van de triërarchie stegen soms tot een talent.Lituus, de korte van boven spiraalvormig gekromde staf der augurs, die vrij van knoesten moest zijn. Ook de kromhoorn, die als blaasinstrument bij de rom. ruiterij diende.Lityerses,Λιτυέρσης, Phrygiër, zoon van Midas, ontving de vreemdelingen gastvrij, doch dwong hen later hem bij den oogst te helpen en een wedstrijd in het maaien met hem aan te gaan; den overwonnenen sneed hij het hoofd af. Heracles doodde hem en wierp zijn lijk in de rivier de Maeander.Liviae (leges)van den volkstribuun M. Livius Drusus, 122, die echter niet tot uitvoering kwamen, daar zij niet ernstig gemeend waren, doch slechts de strekking hadden, den invloed van C. Gracchus te ondermijnen. Zie hieromtrent verder onderAgrariae (leges).Liviae (leges)van den volkstribuun M. Livius Drusus in 91: 1)lex iudiciaria, dat 1o. de senaat met 300 leden uit den ridderstand zou aangevuld worden, en dat uit dezen verdubbelden senaat de rechters zouden gekozen worden; 2o. er een onderzoek zou ingesteld worden naar die rechters, die zich hadden laten omkoopen.—2)leges agraria et de coloniis deducendis, in denzelfden trant als die van C. Gracchus. Zie verder onderAgrariae (leges).—3)lex frumentaria, waarbij de prijs van het koren verlaagd werd, overigens niet nader bekend.—4)lex nummaria, dat de zilveren munt voor ⅛ met koper zou vermengd worden.—5)lex de civitate, om aan de italiaansche socii het rom. burgerrecht toe te kennen. De laatstgenoemde wet kwam niet in behandeling; de overige werden door den senaat ongeldig verklaard, omdat ze gezamenlijk in stemming waren gebracht, hetgeen verboden was, zieCaecilia Didia (lex).Livii, oud plebejisch geslacht, waarin de familie Drusus de voornaamste is. 1)M. Livius Denter, consul in 302, en na delex Ogulnia(300) een der eerste plebejische pontifices.—2)C. Livius Drusus, broeder van no. 3, een uitstekend redenaar, hield, toen hij blind was geworden, zich bezig met het geven van rechtsgeleerde adviezen.—3)M. Livius Drusus, volkstribuun in 122, broeder van no. 2, was een tegenstander van C. Gracchus (zieleges Liviae). In 112 was hij consul en bestreed met goed gevolg de thracische Scordisci.—4)M. Livius Drusus, volkstribuun in 91, zoon van no. 3, was een goed redenaar en een man van edel karakter en onbesproken zeden. Door te groot zelfvertrouwen gedreven, meende hij, door aan alle partijen iets te geven, ze met elkander te kunnen verzoenen. Aan den senaat wilde hij een deel der rechtspraak teruggeven, aan het volk landerijen en uitdeelingen van koren, aan de bondgenooten het rom. burgerrecht verleenen (zieleges Liviae). Vooral dit laatste wetsvoorstel stiet overal op tegenstand (zie vooralMarciino. 16), en Livius werd in zijn huis door een dweper vermoord.—5)Livia, zuster van no. 4, was bij M. Porcius Cato de moeder van Cato van Utica. Als weduwe hertrouwde zij met Q. Servilius Caepio (Serviliino. 17). Omtrent haar dochter Servilia z.Serviliino. 19.—6)M. Livius Macātusverdedigde in 214 Tarentum tegen Hannibal en hield zich in den burg staande, totdat Q. Fabius Maximus in 209 de stad heroverde.—7)M. Livius Salinātoroverwon als consul in 219 met zijn ambtgenoot L. Aemilius Paullus de Illyriërs; beiden werden wegens onregelmatigheden bij het verdeelen van den buit (de peculatu) veroordeeld. In 207 was hij andermaal consul en versloeg toen met zijn ambtgenoot C. Claudius Nero bij den Metaurus in Umbria Hannibals broeder Hasdrubal. In 204 was hij censor, wederom met Nero, bij welke gelegenheid de beide mannen, die elkander sedert vele jaren een diepen haat toedroegen, elkander onder deaerariibrachten. Door eene belasting op het zout te leggen, kreeg Livius in zijne censuur den spotnaam van Salinator.—8)Livia Drusilla, dochter van zekeren Appius Claudius Pulcher, die na zijn adoptiedoor een zekeren LiviusM. Livius Drusus Claudiānusheette, en die in den slag bij Philippi gesneuveld was, huwde met Tib. Claudius Nero, die haar echter aan Octaviānus op diens aandrang afstond (38). Door hare schoonheid en haar verstand wist zij Octavianus geheel aan zich te boeien, zoodat hij de beide zoons, die Livia van haren eersten man had, Tiberius en Drusus, als de zijne aannam. Door Augustus werd zij bij testament met de namen Julia Augusta in degens Juliaopgenomen. Op haar zoon Tiberius had zij minder invloed, hoewel zij door hare maatregelen na Augustus’ dood hem de regeering had verschaft. Zij overleed in 22 na C.—9)OverLivilla, dochter van Drusus en Antonia minor, enLivilla, dochter van Germanicus en Agrippina, zie menIuliiop het einde.—10)T. Livius Patavīnus, niet met degens Liviaverwant, maar uit eene aanzienlijke familie te Patavium geboren, schreef eene uitvoerige geschiedenis van Rome van de stichting der stad af tot op den dood van Drusus (9), in 142 boeken. Hij werkte hieraan van 27 tot aan zijn dood. Hiervan bestaan nog I-X (tot 293), XXI-XLV (218–167) en nog zeer enkele fragmenten. Er zijn nog inhoudsopgaven (periochae) van bijna alle boeken over. Hij leefde 59–17 na C.—11)Livius Andronīcus, een geboren Griek, uit Tarentum, bij de verovering dezer stad door de Rom. gevangen genomen (272) en te Rome als slaaf verkocht. Hij kwam als zoodanig in het huis van een derLiviien nam daarom als vrijgelatene den naam Livius aan. Hij was de eerste tooneeldichter der Romeinen, ± 240. Ook heeft hij de Odyssee in het Latijn overgebracht, in saturnische versmaat. Op enkele fragmenten na is alles verloren.
Opstelling van een legioen.
De drie soorten van wapens waren in den slag in drie liniën opgesteld, op deze wijze:
de 10 manipelshastati| | | | | | | | | |de 10 manipelsprincipes| | | | | | | | |de 10 manipelstriarii| | | | | | | | | |
Werd het legioen versterkt, dan geschiedde dit door het aantal hastati en principes in elke centurie te versterken. Scipio had in den slag bij Zama legioenen van 6200 man. In Caesars tijd was het legioen in 10 cohorten verdeeld; zie hierovercohors. De plaatsing dezer cohorten in den slag was deze:
Opstelling van cohorten.
De ruiterij was verdeeld inalaeen elkealaweder in drieturmae; doch allengs verdween
de rom. ruiterij en werd vervangen door ruiterij der bondgenooten. Zie ookcastra.
Het getal legioenen was vóór Augustus afhankelijk geweest van de omstandigheden. In den laatsten oorlog had Octavianus er 45, Antonius omstreeks 30 gehad, Augustus bracht dit getal gaandeweg terug op 28. Van deze sneuvelden nog drie in het Teutoburgerwoud onder Varus en werden niet vervangen. Elk legioen had, reeds vóór Augustus, een nummer en dikwijls ook een bijnaam, zooals uit de geschiedenis der burgeroorlogen blijkt. Wij laten hier de nummers en namen volgen, waarbij men in het oog moet houden dat sommige nummers dubbel voorkomen, een gevolg hiervan dat in de burgeroorlogen dubbele cijfers voorkwamen en onder de monarchie de legioenen hunne oude nummers behielden. I Germanica, II Augusta, III Augusta, III Cyrenaïca, III Gallica, IV Macedonica, IV Scythica, V Alaudae, V Macedonica, VI Victrix, VI Ferrata, VII zonder naam, VIII Augusta, IX Hispana, X Fretensis, X Gemina, XI zonder naam, XII Fulminata, XIII Gemina, XIV Gemina Martia Victrix, XV Apollinaris, XVI zonder naam, (XVII, XVIII en XIX vielen met Varus), XX Valeria Victrix, XXI Rapax, XXII Deiotariana, samen 28. Onder Vespasianus waren er 30, onder Septimius Severus 33, onder Diocletianus 175. In dien tijd was echter de getalsterkte veel geringer; in de 4deeeuw bedroeg die slechts 1000 man.
Legis actio, de inleiding tot een proces met de daarbij voorgeschreven formulieren en zinnebeeldige handelingen, waardoor men zijn vermeend recht deed gelden en waaraan men zich streng had te houden. Er waren er vijf:per sacramentum, per iudicis arbitrive postulationem,per condictionem, per manus iniectionem,per pignoris capionem. De geringste afwijking van de aan de wet ontleende of door de bevoegde macht als geldig erkende formule, b.v. wanneer men in plaats van het woordarborte gebruiken, dat de wet aangaf, vanvitissprak bij een klacht over beschadiging van een wijngaard, deed het proces verliezen. De klager kon dus zijn klaagformule niet zelf opstellen, maar moest ze telkens aan een deskundige (eenpontifex) vragen; later zijn delegis actionesin boekvorm uitgegeven, zieFlaviino. 2.
Zie omtrent de vervanging en gedeeltelijke afschaffing van deze oude vormen onderformula.
Λειτουργία, λῃτουργία, z.Liturgia.
Leïtus,Λήιτος, zoon van Alector, een van de Argonauten, aanvoerder der Boeotiërs voor Troje.
Lelantius campus,Λήλαντον πέδιον, 1) vlakte in W. Euboea, tusschen Chalcis en Eretria, met ijzer- en kopermijnen en om die reden een twistappel tusschen de beide steden, zie onderChalcis. De vlakte heet naar de rivier, die er doorstroomt.—2)vlakte aan den mond van den Euēnus in Aetolia, door aanslibbing ontstaan.
Leleges,Λέλεγες, een oude, waarschijnlijk aziatischevolksstam, verwant met de Cariërs, met wie ze steeds te samen genoemd worden. Ze treden ook in Griekenland op, maar schijnen zich later opgelost te hebben in de Hellenen. Zij waren voortreffelijke zeevaarders en tevens zeeroovers, en waren over Z. en W. Griekenland, en over de eilanden der Aegaeïsche zee verbreid en komen ook op Creta en in Caria voor. In historischen tijd vindt men ze nog in Troas, namelijk in Antandrus, Gargara en Pedasus (aan den Satnioïs gelegen).
Lelex,Λέλεξ, koning van Megara (Lelegēia moenia), Lacedaemon of Leucadia, mythisch stamvader der Leleges.
Lemannus (lacus),Λεμάνος λίμνη, thans meer van Genève, door den Rhodanus (Rhône) gevormd. In den keizertijd komt het ook voor alslacus Losonnensis, naar de stad Losonna of Lousonna (Lausanne).
Lemnius,Λήμνιος, bijnaam van Hephaestus naar het hem gewijde eiland Lemnus.
Lemnus,Λῆμνος, thans Stalimene, vroeger ook Aethalia, vrij groot eiland derAegaeïschezee, tusschen Chalcidice en Asia. Toen Hephaestus door Zeus uit den hemel was geworpen, viel hij op Lemnus neder. Als oudste bewoners worden Sintiërs uit Thracia genoemd. Vóór den Argonautentocht hadden de lemnische vrouwen hare mannen vermoord (vandaarΛήμνια ἔργα); de Argonauten landden er en verwekten bij de genoemde vrouwen de Minyers,Μινύαι, die later door de Pelasgen werden verdreven. Naar dit eiland werd Philoctētes gebracht, toen hij door zijne wond het kamp der Grieken vóór Troje verpestte. Onder Darīus I werd het aan de Perzen onderworpen, doch later door Miltiades (no. 2) bevrijd. Het wordtδίπολιςgeheeten naar zijne twee steden Myrina en Hephaestia(s). De zoogenaamde lemnische aarde was eene delfstof, die als verfstof en als geneesmiddel werd gebezigd. Bij den uitvoer werd er tot bewijs van echtheid een merk,sigillum, ingedrukt.
Lemōnum, stad der Pictavi of Pictones in Gallia Transpadāna, ten Z. van den Liger (Loire), thans Poitiers.
Lemovīces, stam in Gallia Transpadāna in Aquitania, ten N. van de Garumna. De naam leeft nog voort in Limousin. Hoofdstad: Augustoritum (Limoges).
Lemovii, een germaansche stam, alleen bij Tacitus vermeld; zij woonden aan de tegenw. Oostzee, ten Westen van de Rugii.
Lemures, bij de Rom. de geesten der afgestorvenen.Men geloofde dat zij den 9den, 11denen 13denMei des nachts de plaatsen bezochten, die zij op aarde bewoond hadden, en vierde op die dagen omstreeks middernacht deLemuriaofLemuralia, waarbij men door eigenaardige plechtigheden de geesten trachtte te verzoenen en van zich af te houden. Men offerde hen vooral boonen. Zie ookLarvae. Andere dagen, waarop doodenoffers verricht worden, zijn deParentaliaofFeralia(z. a.) en deCarnaria(zieCarna). Ovidius verklaart het ontstaan van het feest uit de begrafenis vanRemus, en spreekt daarom ook vanRemuria.
Lenaea,Λήναια, eig.Διονύσια τἀπὶ Ληναίῳ, feest ter eere van Dionȳsus te Athene bij het Lenaeum in de maand Gamelion (7demaand van het Attische jaar (Jan.–Febr.)) gevierd. Het drinken en offeren van den jongen wijn was hierbij hoofdzaak. Met klimop bekranst hield men een grooten optocht, waarbij men, op wagens gezeten (ἐξ ἁμαξῶν), ieder dien men ontmoette plaagde en soms op zeer ruwe wijze bespotte. Tot de feestelijkheden behoorde een openbare maaltijd, waartoe van staatswege het vleesch verschaft werd. Ten slotte werden tooneelvoorstellingen gegeven.
Lenaeus,Λήναιος, bijnaam van Dionȳsus, naar het Lenaeum, zijn oudsten tempel te Athene. VandaarLenaeus latex= wijn.
Lentulus, familienaam in degens Cornelia, z.Corneliino. 45–51.
Leo,Λέων, 1) zoon van Eurycratidas, 14dekoning van Sparta uit het geslacht der Agiden.—2)Spartaan, die eene volkplanting naar Heraclēa in Trachinië aanvoerde (426).—3)spartaansch bevelhebber op Chius in de laatste tijden van den peloponnesischen oorlog.—4)bevelhebber der atheensche vloot bij Samus, die zich met Diomedon tegen de instelling van de regeering der 400 verzette (411); hij was een van de 10 strategen, die na het ontslag van Alcibiades aangesteld werden, en werd waarschijnlijk voor den slag bij de Arginusen krijgsgevangen gemaakt; onder de regeering van de 30 werd hij ter dood gebracht.—5)van Byzantium, leerling van Plato; hij was in zijne vaderstad aan de regeering, toen zij door Philippus belegerd werd (340). Door zijn toedoen weigerde men te Byzantium Chares te ontvangen, de hulp van Phocion nam hij echter gaarne aan. Later wist Philippus hem bij zijne medeburgers verdacht te maken, wat hij zich zoozeer aantrok, dat hij zich van het leven beroofde.—Zijn werk over den oorlog tusschen zijn vaderstad en Philippus is verloren gegaan.
Leobōtes,Λεωβώτης=Labotas.
Leochares,Λεωχάρης, atheensch beeldhouwer, die met Scopas aan het mausoleum van Halicarnassus werkte.
Leocorium,Λεωκόριον, tempel te Athene, gewijd aan de drie dochters van Leos, die zich vrijwillig door haar vader lieten offeren om het land van de pest te bevrijden.
Leocrates,Λεωκράτης, zoon van Stroebus, atheensch veldheer in den slag bij Plataea; na een gewonnen zeeslag en beleg onderwierp hij Aegīna aan de Atheners (457).
Leodamas,Λεωδάμας, atheensch redenaar van naam, leerling van Isocrates.
Leon,Λέων, vlek ten N. van Syracusae, waar de Atheners in 415 en de Rom. in 214 hun eerste kamp opsloegen.
Leonidas,Λεωνίδας, -δης, 1) zoon van Anaxandridas, koning van Sparta, opvolger van zijn broeder Cleomenes I. Met een leger van ruim 6000 man, waaronder 300 Spartanen waren, verdedigde hij den doortocht der Thermopylae tegen het onmetelijke leger van Xerxes. Toen Xerxes, na vier dagen gewacht te hebben, eindelijk een aanval beproefde, werd hij op twee achtereenvolgende dagen met groot verlies teruggeslagen, en zelfs toen hij door het verraad van Ephialtes het leger der Grieken in den rug viel, wilde Leonidas niet terugtrekken; hij zond de ontmoedigde bondgenooten weg, en bleef de verdediging volhouden met zijne 300 Spartanen, 700 Thespiërs, die vrijwillig gebleven waren, en 400 verdachte Thebanen, die hij gedwongen had te blijven. De Thebanen liepen zoo spoedig mogelijk over, de Spartanen en Thespiërs sneuvelden tot den laatsten man (Juli 480). Xerxes liet het lijk van L. onthoofden en kruisigen, bij de Grieken bleef de nagedachtenis aan hem en de zijnen in liederen en gedenkteekenen bewaard.—2)L. II, koning van Sparta, ambtgenoot van Agis III (z.a.).—3)twee grieksche epigrammendichters, van wie gedichten in de grieksche anthologie zijn opgenomen, de eene, uit Tarentum, was een tijdgenoot van koning Pyrrhus van Epirus, de andere, uit Alexandrië, was een tijdgenoot van keizer Nero.—4)leermeester van Cicero’s zoon te Athene.—5)van Anthedon, schilder uit de vierde eeuw, leerling van Euphrānor.
Leonnātus,Λεόννατος, van Pella, diende in de lijfwacht van Philippus van Macedonië. Als veldheer van Alexander onderscheidde hij zich vooral in den indischen veldtocht; bij de bestorming van de hoofdstad der Malli redde hij met Peucestas den koning het leven en werd hij zwaar gewond. Na Alex.’s dood werd hij satraap van Klein-Phrygië, toen hij echter op het gerucht van een opstand der Grieken Antipater te hulp snelde, sneuvelde hij in den slag bij Lamia (322).
Leonteus,Λεοντεύς, 1) zoon van Corōnus, vorst van Gyrtōne, een van de belegeraars van Troje. Na den oorlog zou hij met zijn vriend Polypoetes Aspendus gesticht hebben.—2)leerling en, evenals zijne echtgenoote Themista, ijverig aanhanger van Epicūrus.
Leontiades,Λεοντιάδης, 1) aanvoerder der Thebanen in den slag bij de Thermopylae.—2)hoofd der oligarchische partij te Thebe, die als polemarch de Cadmēa den Spartanen in handen speelde (382). Toen Thebe door Pelopidas bevrijd werd, werd L. gedood.
Leontīni,οἱ Λεοντῖνοι, stad op Sicilia nabij de Oostkust, kol. van het noordelijker gelegen Naxus, gelegen in eene vruchtbare streek (Leontini campi). Burgertwisten brachten destad in de afhankelijkheid van Syracūsae. Later werd Leontini een bondgenoot van Carthago en werd het als zoodanig door de Rom. in den tweeden punischen oorlog vermeesterd en geplunderd.
Leontis,Λεοντίς, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.
Leontium,Λεόντιον, stad in Achaia, in het binnenland.
Leoprepides,Λεωπρεπίδης, Simonides van Ceos, zoon van Leoprepes.
Leosthenes,Λεωσθένης, Athener, aanvoerder der Grieken in den lamischen oorlog, overwon Antipater hij Heraclēa en sneuvelde bij het beleg van Lamia.
Leotrophides,Λεωτροφίδης, lyrisch dichter te Athene, tijdgenoot van Aristophanes.
Leotychides,Λεωτυχίδης, Λευτ-, 1) uit het geslacht der Eurypontiden, ondersteunde Cleomenes I (z. a.) bij zijne kuiperijen tegen Demarātus, en werd, nadat deze afgezet was, koning van Sparta (491). Hij was de aanvoerder der grieksche vloot in den zeeslag bij Mycale, maar later van verraad in een oorlog tegen de Aleuaden beschuldigd, vluchtte hij naar Tegea (469), waar hij stierf.—2)zoon van Agis I of, naar men beweerde, van Alcibiades; wegens dezen twijfel aan zijne echte geboorte werd hij van de regeering over Sparta uitgesloten (398).
Lepidus, familienaam in degens Aemilia, z.Aemiliino. 1–5.
Lepontii,Ληπόντιοι, Alpenvolk in het Z. van Raetia, waarnaar een gedeelte der Alpen nog de lepontische heet. Zij zijn met de andere Alpenvolken in 15 onderworpen.
Lepreum,Λέπρεον, oude stad in het elische gewest Triphylia.
Leptines,Λεπτίνης, 1) broeder van den ouden Dionysius, aanvoerder der vloot in den oorlog tegen de Carthagers. In 390 werd hij verbannen, later werd hij echter op de meest eervolle wijze teruggeroepen; hij sneuvelde in den slag bij Cronium (383).—2)tyran van Apollonia en Engyum op Sicilië, werd door Timoleon gedwongen de regeering neder te leggen en ging naar Corinthe.—3)een aanzienlijk Athener, wiens voorstel tot intrekking van alle vrijstellingen van belastingen en liturgieën door Demosthenes met gunstig gevolg bestreden werd.
Leptis,Λέπτις, naam van twee steden.L. magnalag op de lybische kust tusschen de beide Syrten en was eene aanzienlijke koopstad. Het was eene phoenicische kolonie. Later werd het rom. kolonie. Keizer Septimius Sevērus was er geboren.L. minor, ook door Phoeniciërs gesticht, lag in Byzacium, in de provincie Africa. Vroeger was het aan de Carthagers cijnsbaar, de schatting bedroeg een talent daags.
Lerna,Λέρνη, moeras en meer ten Z. van Argos, waar Heracles de lernaeïsche slang doodde.
Lerus,Λέρος, klein eiland bij de carische kust, met een tempel van Artemis.
Lesbōnax,Λεσβώναξ, 1) grieksch rhetor onder Augustus, van wien drie verdichte redevoeringen (declamationes) bewaard gebleven zijn.—2)grieksch taalkundige van lateren tijd, schrijver van een werkjeπερὶ σχημάτων.
Lesbus,Λέσβος, eiland op de aeolisch-aziatische kust, met aeolische bevolking, het vaderland van de dichters Alcaeus (± 600), Arīon (± 625), Terpander (± 670) en de dichteres Sappho (± 600), van Pittacus, een der zeven wijzen (± 600), van den logograaf Hellanīcus (± 450), den wijsgeer Theophrastus (± 310) e.a. Horatius noemt de lesbische lier voor het lierdicht in het algemeen.Libri Lesbiaciheeten bij Cicero de thans verloren gesprekken van den peripatetischen wijsgeer Dicaearchus, die als op Lesbus gevoerd werden voorgesteld. De inwoners van Lesbus hadden den naam, op een hoogen trap van beschaving te staan, waarmede echter sterke weelde en zedeloosheid gepaard ging. Het eiland bracht beroemden wijn voort. Sedert Cyrus behoorde Lesbus tot het perzische rijk, sedert 478 tot den attischen bond. De voornaamste steden zijn: Mytilēne en Methymna, verder Antissa, Eresus, Pyrrha en Arisbe.
Lesches,Λέσχης, van Mytilēne, een van de cyclici omstreeks het midden der 7deeeuw, dichter derἸλιὰς μικρά.
Lethe,Λήθη, rivier in de onderwereld, waaruit de schimmen der afgestorvenen dronken om het verledene te vergeten.
Leto,Λητώ,Latōna, dochter van Coeüs en Phoebe, dus van het geslacht der Titanen, vóór Hera gemalin van Zeus, bij wien zij moeder werd van Artemis en Apollo.—V.a. werd zij door Zeus bemind, toen hij reeds met Hera gehuwd was, daarom wordt zij over de geheele aarde door de jaloersche Hera vervolgd, totdat Zeus het eiland Delus uit de zee laat opkomen, waar zij eindelijk rust vindt, en aan den voet van den berg Cynthus Artemis en Apollo ter wereld bracht.—Zij is eene zachtmoedige, vriendelijke godin in donker gewaad, haar eeredienst is gewoonlijk met die van hare kinderen vereenigd.
Letrīni,Λετρῖνοι, vlek in Elis, tusschen de stad Elis en Olympia. Z.Alphēus.
Leuāci, volk in Belgica, onderhoorig aan de Nerviërs, misschien bij het tegenw. Leuven.
Leuca,τὰ Λευκά, stadje aan de Z.O. spits van Calabria, bij hetpromunturium Iapygium.
Leucadia=Leucas.
Leucae,Λευκαί, stadje op de aziatische kust, tusschen Smyrna en Phocaea. Hier werd in 131 de consul P. Licinius Crassus Muciānus (Liciniino. 11) door den pergameenschen kroon-pretendent Aristonīcus verslagen. Ook een stad in Laconica, ten Z.O. van Helos, door de Spartanen verwoest.
LeucasofLeucadia,Λευκάς, Λευκαδία, eiland in de Ionische zee, thans Santa Maura, dicht aan de acarnanische kust. Oorspronkelijk hing het door eene smalle landtong aan Acarnania vast, doch de Leucadiërs groeven deze door.In het Z. stak kaapLeucatein zee uit. Op den top stond een Apollo-tempel. De mythe laat hier Sappho zich in zee storten.Op het jaarlijksche feest van den god werd een misdadiger van boven afgeworpen, doch als hij het er levend afbracht, opgevischt en vrijgelaten. De oude hoofdstad was Nericus, later trad de jongere stad Leucas hiervoor in de plaats, die in de 3deeeuw zelfs als hoofdstad van geheel Acarnania gold. Tegenwoordig houden vele geleerden Leucas voor het Homerische Ithaca.
Leucasia=Leucosia.
Leuce,Λευκὴ ἀκτή,1)vlek en reede in Thracia aan de Propontis (zee v. Marmara).—2)=Achillis insula.—3)voorgebergte in het Z. van Euboea, ten W. van Geraestus.
Leuci, volk in Belgica, ten N. van de Lingones, in het Z. van het latere Lotharingen. Hoofdstad Tullum (Toul).
Leucimma,Λευκίμμη, een der beide zuidkapen van het eiland Corcȳra (Corfu).
Leuci montes,Λευκὰ ὄρη, bergketen in het W. van Creta.
Leucippe,Λευκίππη, 1) Oceanide, behoorde tot het gezelschap van Persephone, toen deze door Hades geroofd werd.—2)eene van de Minyades (z. a.).—3)dochter van Thestor (z. a.).—4)v. s. gemalin van Ilus, moeder van Laomedon.
Leucippides,Λευκιππίδες, Phoebe en Hilaīra, dochters van Leucippus, z.Apharetidae.
Leucippus,Λεύκιππος, 1) zoon van Oenomaüs, minnaar van de nimf Daphne. Toen hij zich in vrouwenkleederen in haar gezelschap indrong, werd hij door hare gezellinnen gedood.—2)zoon van Periēres, koning van Messenië, vader van Phoebe, Hilaīra en Arsinoë.—3)van Abdēra, Milētus of Elea, grieksch wijsgeer in de 5deeeuw, grondlegger der atomenleer, die door zijn leerling en vriend Democritus verder ontwikkeld werd. Bizonderheden omtrent zijn leven of leerstellingen zijn niet bekend.
Leuconium,Λευκώνιον, stad in het Z. van Chios.
Leucopetra,Λευκοπέτρα, Z.W. kaap van het land der Bruttii, ten Z. van Rhegium.
Leucophrys,Λευκόφρυς, stad in Caria aan den Maeander, nabij Magnesia, met een tempel van Artemis en een meer van steeds borrelend heet, doch drinkbaar water.
Leucosia,Λευκωσία, eiland in het Z. der golf van Paestum, aan de Westkust van Lucania.
Leucosyri,Λευκόσυροι, blanke Syriërs, naam dien de Grieken aan de Cappadociërs gaven. In den tijd van het groot-assyrische rijk, vóór de 15deeeuw, vestigden zich een aantal assyrische volkplantingen aan den Pontus Euxīnus (Zwarte zee). Toen nu later de Grieken deze kust bezetten, noemden zij de bevolkingἈσσύριοι, verkortΣύριοιofΣύροι, en breidden dezen naam uit tot het nog onbekende binnenland. De eigenlijke Syriërs in Syria waren bruinachtig van tint; vandaar tot onderscheiding de naam van blanke Syriërs.
Leucothea,Λευκοθέα=Ino.
Leucothoë,Λευκοθόη, dochter van den babylonischen koning Orchamus. Apollo, die haar beminde, wist in de gedaante van hare moeder toegang tot haar te krijgen, en toen haar vader dit vernam, liet hij haar levend begraven. Apollo veranderde haar in een wierookplant.
Leuctra,τὰ Λεῦκτρα, 1) stad in Boeotia, in het Z. bij Thespiae. Hier versloeg Epaminondas in 371 de Spartanen.—2)stad aan de W. kust van Laconia tusschen Cardamyle en Thalamae.—3)stad in Arcadia op de laconische grenzen, in het gebied van Megalopolis.
Leuctrum=Leuctrano. 3.
Levāci=Leuaci.
Levāna, eene godin, die door de Rom. aangeroepen werd, wanneer de vader zijn pasgeboren kind van den grond opnam, en daarmede te kennen gaf, dat hij het als het zijne erkende.
Ληξιαρχικὸν γραμματεῖον,z.Δῆμος.
Ληξιαρχοι, zes beambten te Athene, die toezagen dat geen onbevoegde zich in de volksvergadering indrong, en dat niemand te laat kwam of te vroeg wegging.
Lexovii,Ληξόβιοι, volksstam in Gallia in het tegenw. Normandië. Hoofdstad Noviomagus, thans Lisieux.
Libanius,Λιβάνιος, van Antiochië, geb. 314 n. C., studeerde te Athene en hield daarna eenigen tijd te Constantinopel zijn verblijf, waar hij als rhetor werkzaam was en een school stichtte, die zeer veel leerlingen trok. Ten gevolge van de kuiperijen zijner tegenstanders kon hij echter op den duur niet te C. blijven; in 344 vestigde hij zich te Nicomedië, waar hij vijf jaar bleef, daarna wederom te Constantinopel; in 354 keerde hij naar zijne geboortestad terug, waar hij op ongeveer tachtigjarigen leeftijd stierf. Onder Iuliānus, die zeer met hem ingenomen was, en dien hij van zijn kant hoog vereerde, was hijquaestorius. Onder zijne talrijke werken, alle in het grieksch geschreven, zijn vele redevoeringen en brieven belangrijk voor de geschiedenis van zijn tijd.
Libanus,Λίβανος, de Libanon, een hoog, bijna ontoegankelijk gebergte langs de phoenicische kust. De toppen zijn met eeuwige sneeuw bedekt, vandaar de naam = witte berg. Op de hellingen vond men de beroemde cederbosschen, aan den voet groeide de wijnstok, doch door het roekeloos vellen der boomen is het gebergte kaal geworden. Ten O. loopt, ongeveer evenwijdig, de nog hoogereAntilibanus.
Libella, rom. zilveren muntstukje ter waarde van eenas. Deaswas van koper.
Libentīna, bijnaam van Venus, als godin van zinnelijk genot.
Liber, oud-italisch god, oorspronkelijk een nevenvorm van Jupiter, evenals Terminus (z. a.), vandaar Jupiter Liber geheeten; hij wordt ook dikwijlsLiber Patergenoemd en eene godinLiberastaat hem ter zijde. Reeds vroeg, sedert de invoering van den dienst van Demeter in 493 (z.Ceres), is hij met Dionysus geïdentificeerd, en tot een god van de voortbrengende kracht der natuur geworden.Meer in het bijzonder is hij god van den wijnbouw, en in de tijden van den wijnoogst worden te zijner eer allerwege in de steden en op het land vroolijke feesten gevierd. Zijne attributen en zijn eeredienst hebben veel overeenkomst met die van Dionȳsus, maar bovendien maakten de Romeinen hem naar aanleiding van zijn naam (vgl.Lyaeus) tot een god van burgerlijke en staatkundige vrijheid; zieLiberalia.
Libera, 1) z.Liber.—2)latijnsche naam van Ariadne, de bruid van Dionȳsus of Liber.
Liberalia, feesten ter eere van den oud-italischen godLiber(z. a.) en zijne echtgenooteLibera. Uit den aard der zaak kenmerkten zich deze feesten, die op het platteland gevierd werden, vooral in streken, waar men wijn teelde, door vroolijke opgewondenheid en door eene groote mate van vrijheid, waartoe ook de naam aanleiding gaf. Te Rome werd op 17 Maart een lentefeest gehouden, dat denzelfden naam droeg en waarop de jongelingen, die aan de kinderschoenen ontwassen waren (op omstreeks 17-jarigen leeftijd) detoga virilisofliberaaannamen. Dan werden zij door hun vader en verwanten naar het forum begeleid en aan bekenden en invloedrijke personen voorgesteld en deden zóó hunne intrede in de wereld der volwassenen.
Libertas, de godin der persoonlijke vrijheid; Tib. Sempronius Gracchus (Semproniino. 7) stichtte voor haar een tempel op den Aventīnus (238). Later werd zij ook de godin der republikeinsche vrijheid, delibertas publica populi Romani; aan haar wijdde P. Clodius een heiligdom op deareavan Cicero’s huis (58).
Libertīnus, libertus. Een vrijgelaten slaaf of slavin,libertinus, -na, blijft tegenover den gewezen eigenaar, die nu hunpatronusis, eenlibertus, -ta, evenalspueritegenover hunne oudersliberiheeten. Deden vrijgelatenen te kort aan den eerbied, dien zij hun patroon verschuldigd waren, dan kon de vrijlating herroepen worden. Zie over de vrijlating zelvemanumissio.
Libēthra,τὰ Λ(ε)ίβηθρα, stad in het macedonische gewest Piëria, aan den Olympus. De stad schijnt reeds vroeg door overstrooming verwoest te zijn. De streek was aan de Muzen geheiligd, doch de inwoners golden voor zeer prozaïsch, vandaar het gezegde:ἀμουσότερος τῶν Λιβηθρίων.
Libethrides,Λ(ε)ιβηθρίδες, de Muzen, zoo genoemd naar den berg Libethrius, waar haar een grot en twee bronnen gewijd waren.
Libethrius mons,Λ(ε)ιβήθριον ὄρος, berg in Boeotia, een gedeelte van den Helicon, bij Coronēa, met een grot en bronnen, aan de Muzen en de libethrische nymfen gewijd.
Libicii=Lebecii.
Libitīna, oud-italiaansche godin van tuinen en wijngaarden. Servius Tullius verordende, dat bij ieder sterfgeval in haar tempel een geldstuk neergelegd moest worden, ten einde het aantal gestorvenen te kunnen bepalen. Daaruit ontstond het gebruik, om in dien tempel alle benoodigdheden voor eene begrafenis te huur of te koop aan te bieden, en ook de personen, wier diensten daarbij vereischt werden, kon men er vinden. Vandaar dat zij voor eene godin der begrafenissen gehouden werd en haar naam door dichters gebruikt wordt voor begrafenis of dood.—Later verwarde men haar met Lubentia of Libentīna, een bijnaam van Venus, die in haarlucuseenaedeshad.
Libo, 1) uit Elis, bouwmeester van den tempel van Zeus te Olympia (ongeveer 468–456).—2)rom. familienaam, o. a. in degens Iulia(z.Juliino. 3), degens Livia, degens Marcia, degens Poetelia, degens Scribonia(Scriboniino. 1, 3, 7, 9).
Libripens, de man, die bijcoëmptioenmancipatio per aes et libramde weegschaal hield.
LiburnaeofLiburnicae,sc. naves, scherpgebouwde snelvaarders, waarmede de Liburniërs den zeeroof plachten uit te oefenen. Zij waren uit lichte houtsoorten gebouwd. De Romeinen namen dit model over voor een gedeelte hunner oorlogsvloot.
Liburnia,Λιβουρνία, het N.W. gedeelte van Illyricum, het kustland tusschen eigenlijk Dalmatia en Histria, met de hoofdstad Scardona. De bewoners, uitstekende zeelieden, dreven met hunne snelle, lichte schepen een uitgebreiden handel, maar ook zeeroof. Omstreeks 176 zochten zij tegen hunne naburen bescherming bij de Rom., wien hunne vloot zeer te stade kwam.
Libya,Λιβύη, dochter van Epaphus en Memphis, bij Poseidon moeder van Agēnor. Het werelddeel Libya is naar haar genoemd.
Libya,Λιβύη, oude naam voor het werelddeel Afrika, voor zoover het aan de oude Grieken bekend was. ZieAfrica. In engeren zin het land ten W. van de Nijldelta en ten Z. van Cyrenaïca, waar de stam derLibyeswoonde.
Libyci montes,τὸ Λιβυκὸν ὂρος, het westelijke grensgebergte van Aegypte.
Libycum mare,Λιβυκὸν πέλαγος, de zee langs de afrikaansche kust van de Nijldelta tot aan Carthago.
Libyphoenīces,Λιβυφοίνικες, de gemengde libysch-phoenicische bevolking op de kust van het carthaagsche gebied.
Libyssa,Λίβυσσα, stad in Bithynia nabij de Propontis (zee v. Marmara), met het grafmonument van Hannibal.
Lichas,Λίχας, 1) bode van Heracles, die hem uit naam van Deïanīra het vergiftigde kleed bracht, dat met het bloed van Nessus besmeerd was; waanzinnig van pijn, verpletterde Heracles hem tegen een rots.—2)zoon van Arcesilāus, aanzienlijk Spartaan, beroemd door zijne gastvrijheid. Hij werd in den peloponnesischen oorlog dikwijls als gezant gebruikt, en verzette zich tegen de al te groote toegevendheid van de Spartanen tegenover de Perzen.
Licinia (lex)van den praetor P. Licinius Varus (208), dat deludi Apollinares, in 212 ingesteld, jaarlijks op een vasten dag gevierd zouden worden.
Licinia (lex)tot instelling van het priestercollege dertriumviri epulōnes, van den volkstribuun C. Licinius Lucullus (196) (Liciniino. 21); z.epulones.
Licinia (lex)de sacerdotiis, eigenlijk slechts eenerogatio, daar zij door het volk werd verworpen. De volkstribuun C. Licinius Crassus (145) had voorgesteld, voor de priesters decoöptatioaf te schaffen en ze rechtstreeks door het volk te laten verkiezen.
Licinia (lex)de sodaliciisvan den consul M. Licinius Crassus (55), waarbij decollegia sodalicia, kiesvereenigingen, die bij delex Clodiavan 58 weer toegelaten waren, werden opgeheven en verboden.
Licinia Cassia (lex)van de consuls P. Licinius Crassus en C. Cassius Longīnus (171), dat voor dit jaar, wegens den op handen zijnden oorlog tegen Perseus geenetribuni militumdoor het volk mochten gekozen worden, maar de consuls en praetoren ze zouden kiezen en aanstellen.
Licinia Mucia (lex)de civibus redigundisvan de consuls L. Licinius Crassus (Liciniino. 12) en Q. Mucius Scaevola (95). Deze wet verwees al de te Rome verblijf houdendesociiuit Rome. Het schijnt, dat er toen vele Italiërs te Rome aanwezig waren, die den schijn aannamen, rom. burgers te zijn. Cicero noemt het eenelex inutilis et perniciosa. Zij wekte groote verbittering en heeft veel bijgedragen tot de uitbarsting van den bondgenootenoorlog.
Liciniae Sextiae (leges)van de volkstribunen C. Licinius Stolo en L. Sextius (367). 1)de consulatu, dat één der consuls uit de plebs zou gekozen worden. Aan het bestaan van deze wet wordt getwijfeld; vast staat slechts, dat L. Sextius Laterānus in 366 de eerste plebejische consul geweest is. Herhaaldelijk komen nog twee patricische consuls voor, zoo o.a. in 349 (zieFuriino. 11), voor het laatst in 343.—2)agraria, dat niemand meer dan 500 iugera (agri publici) zou bezitten. ZieAgrariae leges.—3)de X viris sacrorum, dat in plaats van IIviri tienmannen, en deze voor de helft uit de plebejers zouden gekozen worden. Ook aan het bestaan van deze wet wordt getwijfeld. ZieDecemvirino. 4.—4)de aere alieno, dat het geleende kapitaal met de genoten rente zou worden verminderd en het restant in drie jaarlijksche termijnen zou worden afbetaald. Sommige geleerden houden ook deze wet voor verzonnen, en wel naar den geest van den Sullaanschen tijd, toen zulke wetsvoorstellen herhaaldelijk opdoken.
Licinii,plebejisch geslacht, waartoe o. a. de familiën Calvus, Crassus, Damasippus, Lucullus, Murēna, Nerva, Sacerdos, Varus behoorden. Het was afkomstig uit Etruria, de Murenae echter uit Lanuvium. 1)C. Licinius, een der eerste twee volkstribunen (493). V. a. heetten de twee eerstetribuni:L. Sicinius L. f. VelutusenL. Albinius C. f. Paterculus. Zie echter ooktribuni plebis.—2)P. Licinius Calvus Esquilīnus, de eerste plebejischetribunus militum consulari potestate(400).—3)C. Licinius Calvus Stolo, in 376 consulairtribuun en in 368 de eerste plebejische magister equitum.—4)C. Licinius Calvus Stolo, volkstribuun 377–367, verschafte na tienjarigen strijd, met zijn ambtgenoot L. Sextius den plebejers toegang tot het consulaat. Dit verhaal is niet geheel betrouwbaar, zieleges Liciniae Sextiae. In 361 was hij zelf consul. De patriciërs klaagden hem aan, omdat hij in strijd met zijne eigene akkerwet, 1000 iugera staatsdomein in erfpacht bezat en hij werd tot eene zware geldboete veroordeeld. Ook dit verhaal is niet geheel betrouwbaar, zieAgrariae leges.—5)C. Licinius Macer, redenaar en annalist, volkstribuun in 73. In 66, toen Cicero praetor was, van afpersingen aangeklaagd, pleegde hij zelfmoord. Hij heeftannalesgeschreven.—6)C. Licinius Macer Calvus, zoon van no. 5, als redenaar en elegieëndichter bekend. (82–48). Hij was een vriend van Catullus en een tegenstander van Cicero.—7)P. Licinius Crassus Diveswerd reeds jongpontifex maximus(212). In 210 was hij censor, nog voordat hij consul was geweest. In 205 bekleedde hij het consulaat. Hij was zeer ervaren in hetius pontificium.—8)P. Licinius Crassus, consul in 171, werd door Perseus van Macedonia bij Sycurium in Thessalia verslagen.—9)C. Licinius Crassus, broeder van no. 8 en diens legaat in 171, was zelf consul in 168.—10)C. Licinius Crassus, volkstribuun in 145, wiensrogatio de sacerdotiisverworpen werd, nam de gewoonte aan, wanneer hij in het openbaar het woord voerde, zich naar het volk te keeren en niet naar het senaatsgebouw, zooals tot nog toe gebruikelijk was.—11)P. Licinius Crassus Dives Muciānus, een geboren Mucius Scaevola, goed redenaar en jurist en kenner der grieksche taal, vriend van Tib. Gracchus, consul in 131, vond den dood op de vlucht na de nederlaag, hem bij Leucae door den pergameenschen kroonpretendent Aristonīcus toegebracht. Hij was pontifex maximus.—12)L. Licinius Crassus, de beste redenaar van zijn tijd. Nog slechts 21 jaar oud, trad hij in 119 als beschuldiger van C. Papirius Carbo op, die hierop zichzelf ombracht (Papiriino. 11). In 95 was hij consul met Q. Mucius Scaevola (zielex Licinia Mucia). Later was hij propraetor in Gallia Cisalpīna. Hij stierf in 91, na nog in het vorige jaar de censuur bekleed te hebben. In Cicero’s werkde oratorekomt hij als een der hoofdpersonen voor.—12a)L. Licinius Crassus Scipio, aangenomen zoon van no. 12, z.Corneliino. 24.—13)Licinia, dochter van no. 12, echtgenoote van den jongen Marius, eene zeer welsprekende vrouw. Ook eene oudere zuster bezat de gave der redekunst.—14)P. Licinius Crassus Dives, consul in 97, censor in 89, bracht verscheidene jaren als stadhouder in Hispania door en hield in 93 een triumphus over de Lusitaniërs. In den bondgenootenoorlog werd hij door M. Lamponius verslagen. Door de partij van Marius in 87 vogelvrijverklaard, sloeg hij de hand aan zichzelf.—15)M. Licinius Crassus Dives, zoon van no. 14, streed in den burgeroorlog onder Sulla en verwierf door het opkoopen van verbeurdverklaarde bezittingen een ontzaggelijk vermogen, dat hij nog langs verschillende wegen zocht te vermeerderen en dat hij tevens aanwendde om door het leenen van geld anderen van zich afhankelijk te maken. Als praetor verloste hij Rome in 71 van den slavenoorlog, waarop hij tegen het volgende jaar met Pompeius tot consul werd verkozen. Beide ambtgenooten waren allesbehalve eensgezind; Pompeius zocht de volksgunst door het herstel der tribunicische macht, Crassus door het volk aan 10000 tafels, op den openbaren weg aangericht, op een feestmaal te onthalen. Caesar trad verzoenend tusschen hen op, en in 60 kwam het zoogenaamde eerste driemanschap tot stand, dat in April 56 te Luca hernieuwd werd. In 55 werden Crassus en Pompeius ten tweeden male consuls; aan Crassus viel Syria als provincie ten deel. Uit hoop op roem trok hij tegen de Parthen te velde (54). Hij trok den Euphraat over, maar werd het volgend jaar in Mesopotamia, ten Z. van Carrhae, verslagen, waarbij zijn jongste zoon sneuvelde. Bij Carrhae andermaal aangevallen, werd hij bij een onderhoud met den parthischen veldheer verraderlijk afgemaakt (53).—16)M. Licinius Crassus Dives, zoon van no. 15, was quaestor van Caesar in Gallia; hij was waarschijnlijk gehuwd met Caecilia Metella, van wie het bekende grafmonument aan de Via Appia is (zieCaeciliino. 27).—17)P. Licinius Crassus Dives, zoon van no. 15, een bekwaam generaal, was onder Caesar legaat in Gallia geweest. Hij sneuvelde in 53 tegen de Parthen. Cicero roemt zijne kundigheden en zijne rechtschapenheid.—18)C. Licinius Muciānus, was onder Nero en Galba stadhouder van Syria, en ijverde voor de verheffing van Vespasiānus op den troon. Deze zond hem naar Italia, waar hij met Domitiānus het bestuur waarnam tot aan de komst des keizers. Sedert wijdde hij zich aan de wetenschap. Hij heeft o. a. een werk uitgegeven over hetgeen hij in het Oosten gezien had.—19)L. Licinius Damasippus, onjuiste naam voorL. Junius Brutus Damasippus(Juniino. 24). Hij was in 82 praetor, en liet toen op bevel van den jongen Marius, vóór hij Rome ontruimde, de voornaamste overgebleven leden van de optimatenpartij ombrengen. Na den slag bij Porta Collina (1 Nov. 82) liet Sulla hem met de overige krijgsgevangenen afmaken.—20)Licinius Damasippus, bij Cicero vermeld als liefhebber van standbeelden en tuinen. Bij Horatius komt een Damasippus voor, die zijn vermogen heeft doorgebracht en daarna stoicijn is geworden. Dit is waarschijnlijk dezelfde.—21)L. Licinius Lucullus, volkstribuun in 196 en een der eersteIIIviri epulones(zielex Licinia).—22)L. Licinius Lucullus, consul in 151, overviel verraderlijk in Spanje de Vaccaei, die met de Romeinen verbonden waren; na vele moordtooneelen werd hij genoodzaakt het beleg voor hun hoofdstad Pallantia op te geven en terug te trekken. Het volgende jaar behaalde hij samen met Ser. Sulpicius Galba (z.Sulpiciino. 11) eenige voordeelen op de Lusitaniërs.—23)L. Licinius Lucullus, propraetor op Sicilia in 103, trachtte vruchteloos den slavenopstand aldaar te onderdrukken. Later werd hij wegens bedriegelijke handelingen veroordeeld en verbannen.—24)L. Licinius Lucullus, zoon van no. 23, was Sulla’s quaestor in diens veldtocht tegen Mithradātes en commandant van de vloot in de Aegaeische zee. Een verzoek van Fimbria (zieFlaviino. 4) den koning in de haven van Pitane in te sluiten, wees hij van de hand, waardoor Mithradates ontsnappen kon. In 76 was hijpropraetorin Africa. In 74 was hij consul en kreeg als zoodanig de provincies Asia en en Cilicia, en werd belast met het opperbevel in den nieuwen mithradatischen oorlog, terwijl zijn ambtgenoot M. Aurelius Cotta met Bithynia het opperbevel kreeg over de vloot. In 73 versloeg hij den koning bij Cyzicus, verdreef hem uit de rom. provincie, veroverde vervolgens Pontus, trok hierop (69) tegen Tigrānes van Armenia, den schoonzoon en bondgenoot van Mithradates, op en versloeg bij Tigranocerta eene aanzienlijke overmacht. Doch Lucullus had zich vijanden gemaakt onder desocietates publicanorum, tegen wier afpersingen hij de Asiaten in bescherming had genomen; daarbij waren er, die de leiding van den oorlog aan Pompeius in handen wilden spelen. Het leger van Lucullus werd opgeruid en de soldaten weigerden eenparig den winterveldtocht in het onherbergzame Armenia voort te zetten. Lucullus moest de gemaakte veroveringen prijs geven en werd teruggeroepen (67). Hij zeide hierop het staatsleven vaarwel. Hij was ontzaggelijk rijk, doch in tegenstelling van zoovele anderen streng eerlijk en niet hebzuchtig. Hij was een der beschermers van den dichter Archias en zelf een kenner der grieksche literatuur. In zijne jongere jaren had hij in het Grieksch den bondgenootenoorlog beschreven. Zijne woning, landhuizen, boek- en kunstverzamelingen, alles was even rijk en prachtig. Hij stierf krankzinnig in 56.—25)M. Licinius Lucullus, broeder van no. 24, doch door M. Terentius Varro tot zoon aangenomen en dusM. Terentius Liciniānus Varro, ook welM. Terentius Varro Lucullusgenoemd, was consul in 73 (z.Terentiino. 6 enCassia Terentia (lex)), en bestuurde vervolgens Macedonia en onderwierp toen de Bessi, een thracischevolksstam. Hij was een vriend van Cicero en stond hem in zijn ballingschap bij. Hij had niet de groote talenten van zijn broeder, en leefde op minder vorstelijken voet.—26)M. Licinius Lucullus, zoon van no. 24, opgegroeid onder de voogdij van Cato (minor) en Cicero, sneuvelde bij Philippi als aanhanger van Brutus en Cassius.—27)L. Licinius Murēna, praetor in 156 (?), kreeg den naam Murena of Muraena(= makreel) naar de door hem aangelegde vischvijvers. Hij was één van de Xviri, die in 146 Griekenland als provincie Achaia ingericht hebben.—28)P. Licinius Murēna, zoon van no. 27, groot oudheidkenner, sneuvelde in den strijd tegen de partij van Marius.—29)L. Licinius Murēna, ook een zoon van no. 27, streed in 86 onder Sulla tegen den mithradatischen veldheer Archelāus. In 84 door Sulla als stadhouder in Asia achtergelaten, hervatte hij in 83 op eigen gezag den oorlog tegen Mithradātes, doch werd verslagen (82) en daarna door Sulla teruggeroepen. Er werd hem echter een triumftocht toegestaan.—30)L. LiciniusMurēnastreed eerst onder zijn vader (no. 29), daarna onder Lucullus (no. 24) tegen Mithradātes. Als propraetor van Gallia (64) betoonde hij zich een eerlijk en rechtvaardig bewindsman. In 63 werd hij tot consul voor het volgende jaar gekozen, doch vanambitusbeschuldigd. Cicero, Crassus en Hortensius traden als zijne verdedigers op en hij werd glansrijk vrijgesproken. Hij ondersteunde in 63 de veroordeeling van Catilina’s saamgezworenen.—31)C. Licinius Murēna, ook een zoon van no. 29, was in 63legatus pro praetorevan Gallia Cisalpīna en liet de boden van Catilīna gevangen nemen.—32)A. Terentius Varro Murēna, een geboren Licinius, roeide in 25 het Alpenvolk der Salassers bijna uit. In hun gebied werd toen Augusta Praetoria (tgw. Aosta) aangelegd. In 23 liet Augustus hem, ofschoon hij een zwager van Maecēnas was, wegens samenzwering ter dood brengen.—33)Een andere tak der Licinii waren deNervae. Een hunner,P. Licinius Nerva, in 104 propraetor van Sicilia, gaf aanleiding tot den tweeden slavenoorlog aldaar.—34)C. Licinius Sacerdos, werd in 142 door den censor Scipio (Africānus minor) van meineed beticht, doch de zaak werd niet verder doorgezet.—35)C. Licinius Sacerdos, de voorganger van C. Verres, had zich als propraetor van Sicilia (74) door eerlijkheid en rechtschapenheid onderscheiden.—36)Nog een tak zijn deVari. De voornaamste isC. Licinius Varus, consul in 236, die de Corsen onderwierp.—37)A. Licinius Archias, grieksch dichter uit Antiochīa in Syria, zeer bevriend met L. Licinius Lucullus, van wien hij den gentielnaam Licinius aannam. Hij had door toedoen van Lucullus het burgerrecht van Heraclēa (in Lucania) gekregen, en toen na den marsischen oorlog ook de Heracleoten het rom. burgerrecht erlangden, werd Archias rom. burger. In 62 echter werd hij beschuldigd, dat hij onwettig zich het burgerrecht zou hebben aangematigd. Cicero verdedigde hem.
Licinius(C. Valerius), uit Dacia geboortig, rom. keizer 308–324 n. C. Na den dood van Maximīnus II Daia waren hij en zijn zwager Constantīnus (later de Groote) de eenige overgebleven keizers. Toen ook tusschen hen de strijd ontbrandde, dolf Licinius het onderspit. ZieConstantinus. Een jaar na zijn afzetting werd Licinius, toen hij hoogverraad wilde plegen, te Thessalonīce omgebracht (324).
Licinus, familienaam in degens Porcia.
Lictōres. De magistraten, die het imperium hadden, hadden lictoren in dienst, die defascesof roedenbundels voor hen uit droegen. Een consul had er 12, een praetor binnen Rome 2, buiten de stad 6. De dictator had er 24, de magister equitum 6. Wanneer er een dictator benoemd was, hadden de consuls, althans binnen Rome, geene lictoren. De lictoren van deze soort vormden 3decuriae, elk van 24 man. Een andere soort waren delictores curiati, de 30 boden der 30 curiën. Zij maakten ééne decurie uit. Deflamen Dialisen de vestaalsche maagden hadden ook ieder een lictor, die echter evenmin als de curiaatlictoren een roedenbundel droeg. De lictoren van een overheidspersoon gingen één voor één; hij, die het meeste vertrouwen genoot, was de achterste in de rij en dus het dichtst bij den magistraat (lictor proximus). Het was een vast gebruik, dat, wanneer de magistraat in het openbaar met iemand sprak, deze lictor altijd tusschen beiden in bleef staan.
Licus, zijrivier van den Donau in Vindelicia, thans Lech.
Licymnius,Λικύμνιος, zoon van Electryon, ging met zijn zwager Amphitryo naar Thebae en huwde diens zuster Perimēde. Hij vergezelde Heracles dikwijls op zijne tochten, en werd door diens zoon Tlepolemus, met opzet of bij ongeluk, gedood.
Lide,Λίδη, berg in Caria, bij Pedasa.
Ligarii, een geslacht van sabijnsche afkomst, waarvan in de burgeroorlogen drie broeders voorkomen. Een er van is Q. Ligarius, voor wien Cicero eene verdedigingsrede heeft gehouden. Hij was in 50 legaat in Africa geweest en wellegatus pro praetorebij ontstentenis van den stadhouder. Hij had echter de provincie overgedragen aan P. Attius Varus, aanhanger van Pompeius, en had L. Aelius Tubero, die door den senaat tot propraetor van Africa benoemd was, belet aan land te komen. Hij streed ook nog tegen Caesars veldheer C. Scribonius Curio, later tegen Caesar zelf, doch werd gevangen genomen en verbannen. Cicero wist echter in eene fijn doorwrochte rede Caesar tot genade te bewegen. Later vindt men Ligarius onder Caesars moordenaars.
Liger, rivier in Gallia, thans de Loire.
Ligii, Lugii, Lygii, een groote germaansche volksstam tusschen den bovenloop van Viadus (Oder) en Vistula (Weichsel). Uit hen zijn later de Vandalen en Burgundi voortgekomen.
Ligula, een soort eierlepel, grooter dan decochlear(z. a.); ook als maat het ¼ deel van eencyathus.
Liguria,Λιγυστική, het land in Boven-Italië, tusschen den sinus Ligusticus (golf v. Genua) en den Padus (Po). De inwoners,Ligures,Λίγυες, waren een krijgshaftig volk; het land was boschrijk en in het Z. doorsneden door den Apennīnus. Van omstreeks 240 tot op den tijd van Augustus poogden de Rom. het land te onderwerpen; eerst in 14werd Liguria tot provincie gemaakt. De Liguriërs waren sterk gebruind.
Lilaea,Λίλαια, oude stad in het N.W. van Phocis, nabij de bronnen van den Cephīsus.
Lilybaeum,Λιλύβαιον, westelijke kaap van Sicilia, met eene gelijknamige, uiterst sterke stad, in 390 door de Carthagers onder Himilco gesticht, die de inwoners van het nabijgelegen Motye hierheen overbracht, en de stad met een sterke bezetting voorzag. De Romeinen stieten in 250 voor Lilybaeum het hoofd. Onder de rom. heerschappij bleef Lilybaeum de zetel van een der beide quaestoren. De andere hield te Syracusae verblijf. Thans Marsala.
Limes imperii, in het algemeen de grens van het rom. rijk, meer in het bijzonder deLimes Germaniae Superiorisen deLimes Raetiae. Deze grensversterking, die door de Flavische keizers begonnen en door latere keizers afgewerkt is, begint bij Rheinbrohl, loopt zuidoostelijk naar den Taunus, buigt dan noordelijk om, zoodat Friedberg en Wetterau ingesloten worden, en bereikt dan naar het Zuiden ombuigend, de Main bij Gross-Krotzenburg, die dan tot Miltenberg de grens vormt; dan loopt de limes in een rechte lijn bijna zuidelijk tot Lorch. Tot zoover reikt de limes Germaniae Superioris. Hier sluit zich bijna onder een rechten hoek de limes Raetiae aan, die in een boog ten Noorden van de Donau zich naar het Oosten richt, en boven Regensburg bij de Donau eindigt. Men heeft in de laatste jaren tal vancastellaopgegraven, waarvan het voornaamste, de Saalburg benoorden Homburg v. d. H., weer opgebouwd is.
Limnae,Λίμναι, (= moeras), stad in Messenia, op de grens van Laconia, met een tempel van Artemis Limnātis. Hier greep de aanleiding tot den eersten messenischen oorlog plaats, toen messenische meisjes door spartaansche jongelingen onteerd werden.—Eene wijk in Athene en in Sparta heette ookLimnae.—Ook een ionische stad op de W. kust van de thracische Chersonēsus.
Limnaea,Λίμναια, welvarend vlek in het N. van Acarnania, met eene haven aan de Ambracische golf.
Limōne=Elōne.
Limōnum, stad der Pictones in Gallia, thans Poitiers.
Limus, een schort met schuine strepen, door den offerdienaar gedragen.
Limyra,τὰ Λίμυρα, stad in het Z.O. van Lycia, aan de rivierLimyrus.
Lindus,Λίνδος, stad aan de O.-kust van Rhodus. ZieIalysus.
Lingones,Λίγγονες, aanzienlijk gallisch volk in Gallia op het tegenw. plateau van Langres, aan de bronnen der Mosa (Maas) en van den Matrona (Marne). Steden: Divio (Dijon), dat door sommigen tot het gebied der Sequani gerekend wordt, en Andematūnum (Langres).
Linternum=Liternum.
Linus,Λίνος, een schoon jongeling, wiens vroege dood in zeer oude klaagliederen (λίνοι) betreurd werd, waarin dikwijls de uitroepαἴλινοςherhaald werd. Te Argos heette hij de zoon van Apollo en Psamathe; hij was door zijne moeder te vondeling gelegd, bij een herder opgevoed, en toen hij opgegroeid was, door honden verscheurd. Psamathe werd, toen de geboorte van haar kind ontdekt was, door haar vader gedood. Om de schimmen der beide dooden te verzoenen, vierden de Argiven jaarlijks omstreeks de hondsdagen het feestἀρνηίςofκυνοφόντις, waarbij lammeren geofferd en honden gedood werden, terwijl vrouwen onder het zingen van het Linuslied een optocht hielden. De Thebanen brachten hem jaarlijks een lijkoffer op den Helicon. Bij hen heette hij de zoon van Hermes en de Muze Urania, en was hij een beroemd zanger, die met Apollo een wedstrijd aanging en door hem gedood werd.—V. a. was hij gedood door zijn leerling Heracles (z. a.).
Lipara,Λιπάρα, het grootste der Aeolische, Vulcanische of Liparische eilanden, ten N. van Sicilia, waartoe het in den keizertijd behoorde.
Lipaxus,Λίπαξος, kuststad in het macedonische gewest Crossaea.
Λιπομαρτυρίου δίκη, aanklacht tegen iemand, die, in strijd met eene gedane belofte, niet als getuige verschenen is.
Lipsydrium,Λειψύδριον, vesting aan den voet van het gebergte Parnes in Attica, ten Z.W. van Decelēa, door de Pisistratiden onder leiding van Clisthenes bezet (± 512); zij werden echter door Hippius gedwongen het Attische land te verlaten.
Liquentia, rivier in het noordelijk gedeelte van het gebied der Veneti, die zich in de Adriatische zee stort.
Liris,Λεῖρις, grensrivier tusschen Latium en Campania, die zich met weinig stroom bij Minturnae in zee stort; vandaar bij Horatiustaciturnus amnis. In zijn bovenloop stroomt hij langs Sora en Fregellae, waar hij den Tolērus (Trerus) opneemt.
Lissus,Λίσσος, 1) rivier op Sicilia, een zijtak van den Terias, bij Leontīni.—2)rivier in Thracia, die bij Maronēa in zee valt.—3)stad aan de zuid-dalmatische kust, in 385 door Dionysius van Syracūsae gesticht, met eene onneembare acropolis.
Litae,Λιταί, godinnen van berouw en gebed. Zij volgen Ate met langzame schreden, om het door deze bedreven kwaad weder goed te maken.
Litāna silva, bergwoud op den Apennīnus in Gallia Cispadāna, ten Z.O. van Mutina (Modena). Ligging onzeker. Hier sneuvelde de consul L. Postumius Albīnus in 216 tegen de Galliërs.
Literatus servus, een geletterde slaaf, zooals de aanzienlijken als secretaris, voorlezer, bibliothecaris, enz., gebruikten; doch ook gebrandmerkte slaaf, wien wegens ontvluchting of diefstal een F (fugitivus, fur) op het voorhoofd was gebrand.
Liternum,Λίτερνον, ookLinternum, stad op de campaansche kust, ten Zuiden van de rivier de Clanius, naar de stad ook welLiternusofLinternusgenoemd. Tusschen de rivier en de stad lag langs de kust deLiterna palus. In 196 werd de stad als rom. kolonie aangelegd op het grondgebied van Capua. Scipio Africānus maior is hier in 183 als balling gestorven en begraven.
Litis aestimatio, taxatie door deniudexvan het voorwerp, waarover het geding loopt, voor zoover niet op eene bepaalde som was geprocedeerd. Bij eeniudicium publicumkomt een dergelijke taxatie ook wel voor. Wanneer b.v. iemand wegens afpersingen veroordeeld was, moest het bedrag daarvan nog getaxeerd worden, om hiernaar de schadevergoeding vast te stellen. Dit geschiedde door dezelfde rechters, die het vonnis hadden geveld.
Litis contestatio, plechtige oproeping van getuigen en vaststelling in hunne tegenwoordigheid van het punt, waarover het geding loopt. Hiermede werden de handelingenin iurebesloten. Zie ookformula.
Litis denuntiatio, de door keizer M. Aurelius ingevoerde inleiding van een proces door het indienen eener schriftelijke klacht, ter vervanging der vroegerein ius vocatio.
Liturgia,λῃτουργία, λειτ., eene uitgave ten bate van het algemeen door een enkel persoon gedragen. Te Athene behoorden tot de gewone (ἐγκύκλιοι) liturgieën: choregie, gymnasiarchie, enz., tot de buitengewone: de triërarchie,προεισφοράen architheorie. Van staatswege werd de persoon aangewezen, die met eene liturgie belast werd, uitgesloten waren archonten, erfdochters, minderjarigen, en zij wier vermogen minder dan 3 talenten bedroeg; ook bestonden er bepalingen om te voorkomen, dat hetzelfde vermogen te dikwijls door eene liturgie gedrukt werd, vgl.Ἀντίδοσις. De liturgieën waren zeer kostbaar, vooral daar men, tenminste in den goeden tijd, uit mildheid of eerzucht of een streven naar de volksgunst, veel meer deed dan eigenlijk vereischt werd; de choregie kostte soms 5000 drachmen, de kosten van de triërarchie stegen soms tot een talent.
Lituus, de korte van boven spiraalvormig gekromde staf der augurs, die vrij van knoesten moest zijn. Ook de kromhoorn, die als blaasinstrument bij de rom. ruiterij diende.
Lityerses,Λιτυέρσης, Phrygiër, zoon van Midas, ontving de vreemdelingen gastvrij, doch dwong hen later hem bij den oogst te helpen en een wedstrijd in het maaien met hem aan te gaan; den overwonnenen sneed hij het hoofd af. Heracles doodde hem en wierp zijn lijk in de rivier de Maeander.
Liviae (leges)van den volkstribuun M. Livius Drusus, 122, die echter niet tot uitvoering kwamen, daar zij niet ernstig gemeend waren, doch slechts de strekking hadden, den invloed van C. Gracchus te ondermijnen. Zie hieromtrent verder onderAgrariae (leges).
Liviae (leges)van den volkstribuun M. Livius Drusus in 91: 1)lex iudiciaria, dat 1o. de senaat met 300 leden uit den ridderstand zou aangevuld worden, en dat uit dezen verdubbelden senaat de rechters zouden gekozen worden; 2o. er een onderzoek zou ingesteld worden naar die rechters, die zich hadden laten omkoopen.—2)leges agraria et de coloniis deducendis, in denzelfden trant als die van C. Gracchus. Zie verder onderAgrariae (leges).—3)lex frumentaria, waarbij de prijs van het koren verlaagd werd, overigens niet nader bekend.—4)lex nummaria, dat de zilveren munt voor ⅛ met koper zou vermengd worden.—5)lex de civitate, om aan de italiaansche socii het rom. burgerrecht toe te kennen. De laatstgenoemde wet kwam niet in behandeling; de overige werden door den senaat ongeldig verklaard, omdat ze gezamenlijk in stemming waren gebracht, hetgeen verboden was, zieCaecilia Didia (lex).
Livii, oud plebejisch geslacht, waarin de familie Drusus de voornaamste is. 1)M. Livius Denter, consul in 302, en na delex Ogulnia(300) een der eerste plebejische pontifices.—2)C. Livius Drusus, broeder van no. 3, een uitstekend redenaar, hield, toen hij blind was geworden, zich bezig met het geven van rechtsgeleerde adviezen.—3)M. Livius Drusus, volkstribuun in 122, broeder van no. 2, was een tegenstander van C. Gracchus (zieleges Liviae). In 112 was hij consul en bestreed met goed gevolg de thracische Scordisci.—4)M. Livius Drusus, volkstribuun in 91, zoon van no. 3, was een goed redenaar en een man van edel karakter en onbesproken zeden. Door te groot zelfvertrouwen gedreven, meende hij, door aan alle partijen iets te geven, ze met elkander te kunnen verzoenen. Aan den senaat wilde hij een deel der rechtspraak teruggeven, aan het volk landerijen en uitdeelingen van koren, aan de bondgenooten het rom. burgerrecht verleenen (zieleges Liviae). Vooral dit laatste wetsvoorstel stiet overal op tegenstand (zie vooralMarciino. 16), en Livius werd in zijn huis door een dweper vermoord.—5)Livia, zuster van no. 4, was bij M. Porcius Cato de moeder van Cato van Utica. Als weduwe hertrouwde zij met Q. Servilius Caepio (Serviliino. 17). Omtrent haar dochter Servilia z.Serviliino. 19.—6)M. Livius Macātusverdedigde in 214 Tarentum tegen Hannibal en hield zich in den burg staande, totdat Q. Fabius Maximus in 209 de stad heroverde.—7)M. Livius Salinātoroverwon als consul in 219 met zijn ambtgenoot L. Aemilius Paullus de Illyriërs; beiden werden wegens onregelmatigheden bij het verdeelen van den buit (de peculatu) veroordeeld. In 207 was hij andermaal consul en versloeg toen met zijn ambtgenoot C. Claudius Nero bij den Metaurus in Umbria Hannibals broeder Hasdrubal. In 204 was hij censor, wederom met Nero, bij welke gelegenheid de beide mannen, die elkander sedert vele jaren een diepen haat toedroegen, elkander onder deaerariibrachten. Door eene belasting op het zout te leggen, kreeg Livius in zijne censuur den spotnaam van Salinator.—8)Livia Drusilla, dochter van zekeren Appius Claudius Pulcher, die na zijn adoptiedoor een zekeren LiviusM. Livius Drusus Claudiānusheette, en die in den slag bij Philippi gesneuveld was, huwde met Tib. Claudius Nero, die haar echter aan Octaviānus op diens aandrang afstond (38). Door hare schoonheid en haar verstand wist zij Octavianus geheel aan zich te boeien, zoodat hij de beide zoons, die Livia van haren eersten man had, Tiberius en Drusus, als de zijne aannam. Door Augustus werd zij bij testament met de namen Julia Augusta in degens Juliaopgenomen. Op haar zoon Tiberius had zij minder invloed, hoewel zij door hare maatregelen na Augustus’ dood hem de regeering had verschaft. Zij overleed in 22 na C.—9)OverLivilla, dochter van Drusus en Antonia minor, enLivilla, dochter van Germanicus en Agrippina, zie menIuliiop het einde.—10)T. Livius Patavīnus, niet met degens Liviaverwant, maar uit eene aanzienlijke familie te Patavium geboren, schreef eene uitvoerige geschiedenis van Rome van de stichting der stad af tot op den dood van Drusus (9), in 142 boeken. Hij werkte hieraan van 27 tot aan zijn dood. Hiervan bestaan nog I-X (tot 293), XXI-XLV (218–167) en nog zeer enkele fragmenten. Er zijn nog inhoudsopgaven (periochae) van bijna alle boeken over. Hij leefde 59–17 na C.—11)Livius Andronīcus, een geboren Griek, uit Tarentum, bij de verovering dezer stad door de Rom. gevangen genomen (272) en te Rome als slaaf verkocht. Hij kwam als zoodanig in het huis van een derLiviien nam daarom als vrijgelatene den naam Livius aan. Hij was de eerste tooneeldichter der Romeinen, ± 240. Ook heeft hij de Odyssee in het Latijn overgebracht, in saturnische versmaat. Op enkele fragmenten na is alles verloren.