Philus, familienaam in degens Furia(Furiino. 1 en 2).Philyra,Φιλύρα, Oceanide, bij Cronus moeder van Chiron; uit smart over de gedaante van haar zoon veranderde zij in een lindeboom.Philyrides,Φιλυρίδης, Chiron, zoon van Philyra.Phineus,Φινεύς, 1) broeder van Cepheus, door Perseus met het Medusahoofd versteend, omdat hij van zijne verloofde Andromeda geen afstand wilde doen.—2)zoon van Agēnor, koning van Salmydessus, had bij Cleopatra twee zonen, wien hij op aandrijven zijner tweede gemalin, Idaea, de oogen liet uitsteken. Daarvoor werd hij door de Harpyieën gekweld, die zijne spijzen wegroofden of bezoedelden, totdat de Argonauten bij Ph. landden en de Harpyieën door Zetes en Calaïs verjaagd werden.—Ph. had van Apollo de kunst van voorspellen geleerd, maar had daarvan roekeloos gebruik gemaakt, waarom hij door Zeus van het gezicht beroofd werd.Phintias,Φιντίας, 1) zieDamon.—2)tyran van Agrigentum.Phintias,Φιντίας, stad aan de Zuidkust van Sicilia, door Phintias, tyran van Agrigentum, gesticht.Phla,Φλά, eilandje in het Tritonische meer in Africa, ten W. der groote Syrte.Phlegethon,Φλεγέθων=Pyriphlegeton.Phlegon,Φλέγων, van Tralles, vrijgelatene van Hadriānus, schrijver van eenige onbeduidende werken over geschiedenis. Het eenige, dat bewaard is, heeft slechts zekere belangrijkheid door de daarin bevatte aanhalingen van oudere schrijvers.Phlegra,Φλέγρα, oude naam van het schiereiland Pallēne op Chalcidice, waar Zeus de Giganten door zijn bliksems vernietigde.Phlegraei campi, ziecampi Phlegraei.Phlegyae,Φλεγύαι, een rooversstam, die den delphischen tempel wilde plunderen, en door Zeus met donder en bliksem vernietigd werd.Phlegyas,Φλεγύας, zoon van Ares en Chryse, mythisch stamvader der Phlegyers. Toen zijne dochter Corōnis bij Apollo moeder geworden was van Asclepius, stak hij in toorn den tempel van Apollo in brand. Daarvoor doodde de god hem met zijn pijlen en moet Ph. in de onderwereld onder een rotsblok zitten, dat steeds dreigt op hem te vallen.Phliasia,Φλιασία, gebied van Phlius.Phlius, gen.-untis,Φλιοῦς, stad in de Peloponnēsus, ten Z. van Sicyon. Het had slechts een klein gebied.Φλύαξ, Φλύακες. Bij de dorische comoedia, vooral op Sicilia, is niet, zooals in Attica, de satire, maar het humoristische element de hoofdzaak (z.Epicharmus); de eenvoudigste vorm hiervan is deφλύαξ, terwijl de spelers ookφλύακεςheeten. In deze stukjes worden in plaatselijk dialekt sprookjes en mythen geparodieerd (z.Sopaterno. 1). Men vindt ze in later tijd vooral in Zuid-Italië. Waarschijnlijk staan de Atellanae fabulae (z. a.) onder hun invloed. Vgl. ookMimusenRhinton.Phobētor,Φοβήτωρ, zoon van Hypnus, broeder van Morpheus (z. a.).Phocaea,Φωκαία, noordelijkste der aziatisch-ionische steden, eene belangrijke handelsstad met twee havens, gedekt door het eilandje Bacchium, dat rijk was aan tempels en prachtige gebouwen. De inwoners (Phocaei,Φωκαῆς, terwijl de bewoners van PhocisPhocenses,Φωκῆς, genoemd worden) waren onder de eersten, die koloniën stichtten, o.a. Massilia (Marseille). Toen Cyrus’ veldheer Harpagus de grieksche steden op de aziatische kust veroverde, weken de Phocaeërs uit naar Alalia op Corsica (zieAleria); een gedeelte stichtte toen Elea of Velia op de W.kust van Lucania. Later keerde echter het meerendeel uit Corsica naar Phocaea terug. In den syrischen oorlog werd Ph. door de Rom. geplunderd (190).Phoceae,Φωκέαι, sterkte in het gebied der sicilische stad Leontīni.Phocion,Φωκίων, Athener van geringe afkomst, leerling van Plato. Wegens zijnedapperheid en bekwaamheid herhaaldelijk tot strateeg gekozen, won hij den slag bij Tamynae (349/8), verjoeg hij de tyrannen Philistides en Clitarchus, nam hij Oreüs en Eretria in (341), en verdedigde hij Byzantium tegen Philippus en Megara tegen de Thebanen. Maar terwijl hij dus in het veld voor de belangen van Athene tegen Macedonië streed, was hij bij zichzelf overtuigd, dat het volk van zijn tijd voor de vrijheid ongeschikt was, en dat op den duur tegenstand tegen Philippus vruchteloos moest zijn. Daarom was hij, in tegenstelling met Demosthenes, altijd voor vrede, ried hij na den slag bij Chaeronēa tot het aannemen der voorwaarden van Philippus, en trachtte hij na diens dood de democratische bewegingen te Athene tegen te houden. Zijne eerlijkheid bleef ondertusschen boven allen twijfel verheven; wat Philippus en na hem Alexander hem ook mochten aanbieden, Ph. nam nooit geschenken of gunsten van hen aan, wel bewerkte hij, dat Alexander de redenaars vrijliet, wier uitlevering hij geëischt had, ofschoon hijzelf voor de inwilliging van dien eisch gestemd had. Het uitbreken van den lamischen oorlog zocht hij met alle kracht te beletten, en ook het aanvankelijk gunstig verloop er van stelde hem niet gerust; toen de oorlog ongelukkig voor de Grieken was afgeloopen, ging hij met Demādes naar Antipater om over den vrede te onderhandelen. In weerwil van de harde voorwaarden van den vrede, stond Ph. nu eenige jaren aan het hoofd van den staat, maar toen Antipater gestorven was, Polyperchon het herstel der oude toestanden beloofde, en Ph. zich hiertegen trachtte te verzetten, werd het volk ontevreden, vooral toen hij, hoewel gewaarschuwd, niet belette dat de bevelhebber der troepen van Antipater den Piraeus innam. Bij de nadering van Alexander, den zoon van Polyperchon, werd Ph. gevangen genomen, van verraad aangeklaagd en door de geheele volksvergadering ter dood veroordeeld (318). Hij was 81 jaar oud geworden. Kort daarna werd voor hem een standbeeld opgericht.Phocis,Φωκίς, bergachtig en niet vruchtbaar landschap van Midden-Griekenland. In de geschiedenis is het het meest bekend door de zoogenaamde heilige oorlogen. Over den eersten z.Crissa. Crisa werd verwoest en zijn gebied aan den delphischen god gewijd (± 590). De tweede oorlog had in 355 plaats, toen de Phocensers een stuk der crisaeïsche vlakte hadden bebouwd. Tot een boete veroordeeld die zij niet konden betalen, maakten zij zich van de delphische tempelschatten meester en wierven huurtroepen, die spoedig hun zelven te machtig werden. Philippus van Macedonia, door de Thebanen te hulp geroepen, drong in 346 Phocis binnen, het huurleger sloot een verdrag en liet de Phocensers aan hun lot over, die het nu ontgelden moesten. Zij werden uit het Amphictyonenverbond gestooten en hun plaats daarin werd aan Philippus gegeven. Zie verder ookAmphissa. De Parnassus met den delphischen tempel lag wel in Phocis, doch Delphi behoorde er niet toe, maar was een gemeenschappelijk gebied der Amphictyonen. In de stad Daulis behoort de mythe te huis van het zusterpaar Philomēla en Procne. De bewoners van Phocis wordenPhocenses,Φωκῆς, genoemd (ziePhocaea).Phocus,Φῶκος, 1) zoon van Poseidon, verhuisde van Corinthe naar het land, dat naar hem Phocis genoemd wordt.—2)zoon van Aeacus en Psamathe, werd door Telamon en Peleus gedood.Phocylides,Φωκυλίδης, van Milētus, gnomisch dichter uit de 6eeeuw; de korte fragmenten (gnomen), die van zijne werken bewaard zijn, zijn ernstig en eenvoudig; een langer gedicht, dat zijn naam draagt, is van veel lateren tijd.Phoebe,Φοίβη, 1) bijnaam van Artemis.—2)dochter van Uranus en Gaea, bij Coeüs moeder van Asteria en Leto, vóór Apollo bezitster van het orakel van Delphi.—3)eene van de Leucippides.—4)dochter van Leda.Phoebēum,Φοιβεῖον, vlek bij Sparta, met een tempel der Dioscuren.Phoebidas,Φοιβίδας, spartaansch veldheer, liet zich, toen hij met troepen op weg was naar Olynthus, door de oligarchische partij te Thebe overhalen om de Cadmēa te bezetten (382). Hij werd wel teruggeroepen en beboet, omdat hij zonder voorkennis der regeering gehandeld had, doch later werd hij als harmost naar Thespiae gezonden, in welke betrekking hij bij een aanval der Thebanen sneuvelde (378).Phoebus,Φοῖβος, bijn. van Apollo en Helius.Phoenīce,Φοινίκη, handelsstad in Chaonia in Epīrus, ten N. van Buthrōtum, hoofdstad van den epirotischen bond, zieEpirus.Phoenīceof-cia,Φοινίκη, het smalle kustland ten N. van Palaestina, tusschen de Middellandsche zee en den Libanon, een land, bloeiende door zeevaart, handel en nijverheid, waaronder de glasfabricatie, de purperververijen, weverijen en metaalfabrieken de hoofdtakken waren. In dien bloeitijd waren de bosschen van den Libanon nog niet geveld en ondervond het land, wat klimaat en bodem betrof, nog den weldadigen invloed daarvan. Het land vormde niet één staat, maar een bond van steden, waaronder Tyrus en Sidon de meest beroemde waren. De Phoeniciërs (Phoenīces,Φοίνικες) strekten hunne tochten uit tot ver langs de kusten van den Atlantischen oceaan, doch de kennis, op die tochten opgedaan, behoorde tot de staatsgeheimen en ging met hen verloren.Phoenīcus, gen.-untis,Φοινικοῦς, naam van verschillende steden, o. a. 1) in Ionia, aan den voet van den Mimas, tegenover het eiland Chius.—2)een zeerooversnest in Lycia, door P. Servilius Vatia in 78 vernield. Eigenlijk is het een in zee uitstekend gebergte aan de O.-kust van Lycia =Olympusno. 4.—3)op de Zuidkust van Messenia.—4)op het eiland Cythēra.Phoenix,Φοίνιξ, 1) vader of broeder vanEurōpa, mythisch stamvader der Phoeniciërs.—2)zoon van Amyntor en Cleobūle, een van de calydonische jagers. Op aansporen van zijn moeder knoopte hij liefdesbetrekkingen aan met een vrouw, die door Amyntor bemind werd, waarvoor zijn vader hem vervloekte en wegjoeg. Hij vluchtte naar Peleus, werd de opvoeder en vriend van Achilles en ging met hem naar Troje.—3)van Colophon, iambendichter tegen het einde der 4deeeuw. Van hem zijn enkele gedichten, moraliseerende choliamben, in een papyrus teruggevonden.—4)fabelachtige heilige vogel der Aegyptenaren. Over de wijze, waarop hij sterft, waren verschillende verhalen in omloop, het meest gewone is, dat hij, na een leven van 500 (of 1461, of 7006) jaar, op een door hemzelf gemaakten brandstapel den dood vindt en daarna verjongd uit de asch herboren wordt.Phoenodamas,Φοινοδάμας, Trojaan, wiens dochter door Laomedon (z. a.) geofferd zou worden aan het door Poseidon gezonden zeemonster en die daarom een opstand verwekte, zoodat Laomedon zijn eigen dochter moest offeren. Hij was de vader van Segesta, de moeder van Acestes.Pholoë,Φολόη, grensgebergte tusschen Arcadia en Elis, zijtak van den Erymanthus.Pholus,Φόλος, Centaur, die Heracles gastvrij ontving. Toen de andere Centauren Heracles lastig vielen, ontstond een gevecht, waarin bij ongeluk ook Ph. door Heracles gedood werd.Phorbas,Φόρβας, zoon van Lapithes en Orsinome, werd ingevolge een orakel door de Rhodiërs uit Thessalië geroepen om hun eiland van slangen te zuiveren. Daarvoor werd hij later door hen als heros vereerd. Hij stond Alector van Elis tegen Pelops bij, en kreeg daarvoor een deel van zijn land en zijne zuster Hyrmine; zijn afstammelingen werden koningen van Elis. Hij plunderde den delphischen tempel en werd door Apollo zelf gewond.Phorcides, Phorcynides,Φόρκιδες, de Gorgonen en Graeën, dochters van Phorcys.Phorcys, -cus,Φόρκυς, -κυν, -κος, 1) zoon van Pontus en Gaea, een van de zeegoden, vader van de Gorgonen, de Graeën, de Hesperiden, den draak Ladon en de nimfen Thoōsa en Scylla.—2)aanvoerder der Phrygiërs in den trojaanschen oorlog, door Aiax gedood.Φόρμιγξ, het oudste snareninstrument der Grieken, had veel overeenkomst met de lier en harp. Bij het bespelen hing het aan een band of riem over den schouder.Phormio,Φορμίων, 1) verdienstelijk atheensch veldheer in het begin van den peloponnesischen oorlog, behaalde o.a. bij Naupactus eene overwinning op een sterkere vloot der Spartanen (429).—2)van Ephesus, peripatetisch wijsgeer, wilde Hannibal theoretisch onderricht in de krijgskunst geven. Vandaar spreekwoordelijk voor iemand die anderen iets wil leeren, wat hij zelf minder goed verstaat.Phorōneus,Φορωνεύς, zoon van Inachus, koning van de Peloponnēsus, die den dienst van Hera invoerde, de menschen in steden vereenigde en hun het gebruik van vuur leerde. Hij werd in Argos als heros vereerd. Naar hem werden de Argiven Phoronīdae, en zijne zuster Io Phorōnis genoemd.Phosphorus, Lucifer, Eōus,Φωσφόρος, Φαεσφ., Ἑωσφ., 1) de morgenster, zoon van Astraeus of Cephalus en Eos.—2)bijnaam van de lichtgodinnen Artemis, Hecate, Eos.Phraātes,Φραάτης, naam van eenige parthische koningen uit het huis der Arsaciden. ZieArsaces.Phragandae, thracische stam op de macedonische grenzen.Phraortes,Φραόρτης, zoon en opvolger van Deïoces, regeerde over Medië (647–625); hij onderwierp de Perzen e. a. volken, maar sneuvelde in een strijd tegen de Assyriërs.Phrataphernes,Φραταφέρνης, satraap van Parthië onder Darīus Codomannus; hij streed in den slagbijGaugamēla, maar onderwierp zich daarna aan Alexander. Deze liet hem zijne satrapiën Parthia en Hyrcania, die hij gedurende zijn verder leven behield.Φρατρία, oudtijds eene afdeeling van den atheenschen adel. Door Clisthenes werd het aantal phratriën uitgebreid, en ook niet-adellijke burgers erin opgenomen. Tot Clisthenes waren in iedere phyle drie phratriën, in welke verhouding zij tot de latere phylae stonden is niet bekend. Ieder burger moest tot eene phr. behooren, jonggeboren kinderen werden op de Apaturia (z. a.) in de phr. van hun vader ingeschreven, terwijl de medeleden (φράτορες, φράτερες) tegen de inschrijving van onechte kinderen of om andere redenen onbevoegden moesten waken. Vrouwen gingen bij huwelijk in de phr. van haar man over. Ook verrichtten de leden eener phr. zekere gemeenschappelijke godsdienstige plechtigheden.Phrixa,Φρίξαof-αι, stad in Elis ten Z. van den Alphēus.Phrixus,Φρίξος, zoon van Athamas (z. a.) en Nephele. Door zijne moeder wonderdadig van den dood gered, vluchtte hij naar Aea, waar hij den ram, die hem overgebracht had, aan Zeus offerde en de gouden vacht aan Ares wijdde. Hij huwde met Chalciope, de dochter van Aeētes.Phrontis,Φρόντις, zoon van Onētor, stuurman van Menelāus. Apollo doodde hem op de terugreis van Troje, ten einde Menelāus op te houden.Phrygia,Φρυγία, gewest van Asia minor, ten O. van Lydia. Men onderscheiddePhrygia minorofPhrygia ad Hellespontum(zieMysia), waartoe ook Troas behoorde, enPhrygia maior.Onder de Rom. werd alleen het laatste met den naam van Phrygia bedoeld. De Phrygiërs waren een uitgebreid volk, dat reeds vroeg op beschaving en kunst kon bogen, doch op dit gebied bleef stilstaan, sedert zij door Croesus lydische, en later met de Lydiërs perzische onderdanen werden. Onder hun eigen koningen, de Gordiussen en Midassen, hadden zij eenmaal een machtig rijk uitgemaakt, dat zich zelfs over Lydia uitstrekte. Zij noemden zichzelven autochthonen, doch reedsbij de ouden heerschte de meening, dat de Phryges in den voorhistorischen tijd uit Thracia waren overgekomen. Eene phrygische eigenaardigheid was het uithouwen van woningen en zelfs steden in rotsen. Bij de rom. dichters is dikwijlsPhrygius= trojaansch,Phryges= Trojanen, bij Vergilius zelfs = Romeinen.Phrygia Mater=Rhea Cybele.PhrygiusofPhryx,Φρύγιος, rivier in Lydia, zijtak van den Hermus.Phryne,Φρύνη, van Thespiae, een schoone hetaere, die ten tijde van Alexander d. Gr. te Athene leefde, zeer rijk was, en tot model diende voor de cnidische Aphrodīte van Praxiteles en voor de Aphrodite Anadyomene van Apelles. Praxiteles plaatste haar beeld naast dat van Aphrodite in den tempel van Eros te Thespiae.Phrynichus,Φρύνιχος, 1) Athener, zoon van Polyphradmon, een van de oudste treurspeldichters, behaalde zijne eerste overwinning in 511. Hij was de eerste die vrouwenrollen in zijne stukken bracht en v. s. ook de eerste die zijne stukken tot trilogieën en tetralogieën vereenigde. Den meesten roem behaalde hij door de schoonheid der lyrische partijen. ZijneΜιλήτου ὰλωσις, waarin de inneming van Milētus na den ionischen opstand bezongen werd, trof de Atheners zoo, dat het stuk verboden en de dichter met 1000 drachmen beboet werd (496). In 476 werden zijneΦοίνισσαι, ook een historisch stuk, opgevoerd.—2)blijspeldichter te Athene, zoon van Eunomides, tijdgenoot van Aristophanes, door wien hij dikwijls bespot wordt.—3)tooneelspeler en danser, tijdgenoot van Aristophanes.—4)Athener, zoon van Stratonides, speelde als bevelhebber der vloot bij Samus eene zeer dubbelzinnige rol bij de onderhandelingen over de terugkomst van Alcibiades. Onder de regeering der 400 werd hij als veldheer afgezet, maar vreezende voor de wraak van Alcibiades, sloot hij zich niettemin bij de oligarchische partij aan; door deze werd hij met Antiphon als gezant naar Sparta gezonden om over vrede te onderhandelen; bij zijne terugkomst werd hij door zekeren Thrasybūlus van Calydon op straat vermoord (411).—5)grammaticus uit de tweede eeuw n. C., schrijver van een woordenboek van attische woorden en uitdrukkingen, waarvan eenige uittreksels bewaard zijn.Phrynis,Φρῦνις, van Mitylēne, beroemd dithyrambendichter tegen het einde der 5deeeuw.Phtha(s),Φθᾶ, Φθάς, aegyptisch god, vooral te Memphis vereerd, door de Grieken met Hephaestus geïdentificeerd. Hij wordt afgebeeld als een dwerg met stok en zweep, soms met een valkekop.Phthia,Φθία, 1) =Phthiōtis.—2)stad in Phthiotis, de zetel van Peleus en Achilles, waarschijnlijk in den omtrek van het latere Thebae Phthiotides.Phthiōtis,Φθιῶτις, bij Homerus Phthia, het Z. O. gewest van Thessalia, oudtijds ook wel als Achaia bekend, het stamland der Achaeërs. Hier behoorde Achilles te huis.Φυλή, bij de Grieken eene afdeeling van het volk, waarvan de leden oorspronkelijk door werkelijke of vooronderstelde gemeenschappelijke afkomst of door gemeenschappelijke woonplaatsen in nauwere betrekking tot elkander stonden. In Attica worden uit den mythischen tijd vele indeelingen vermeld, waarvan de beteekenis niet duidelijk is; de zoog. indeeling van Theseus inΕὐπατρίδαι, Γεωμόροι, Δημιοῦργοιberust blijkbaar op verschil van standen. Tot aan Solon had men de gewone ionische verdeeling in 4 phylae (Γελέοντες, Ὅπλητες, Ἀργαδεῖς, Αἰγικορῆς), die aan Ion toegeschreven wordt. Solon verdeelde de burgers naar hun vermogen in 4 klassen met verschillende staatkundige rechten:Πεντακοσιομέδιμνοι, Ἱππῆς, Ζευγῖται, Θῆτες, de oude ionische phylen bleven voor godsdienstige doeleinden daarnevens bestaan, ook toen Clisthenes eene geheel nieuwe verdeeling in 10 phylae invoerde, waaraan hij de namen van inheemsche heroën gaf. Deze phylae waren geene plaatselijke eenheden, maar werden uit drieτρίττυες(z. a.), dus uit dikwijls ver van elkander verwijderde demen samengesteld, ten einde in dezelfde phyle personen van verschillende afkomst en stand te vereenigen. Aan het hoofd van iedere phyle stondenἐπιμεληταί. Voor het leger en den raad leverde iedere phyle een gelijk aandeel. Bij de 10 phylae werden in 301 nog twee gevoegd, die naar Antigonus en Demetrius genoemd werden, in 221 kwam eene dertiende er bij, die naar Ptolemaeus (Euergetes) heette, kort daarop werden de beide eerstgenoemde opgeheven, maar in 200 werd het aantal weder op 12 gebracht door toevoeging van eene, die den naam van Attalus kreeg (z. ookΦρατρία).—In de dorische staten is de dorische bevolking overal in 3 phylae verdeeld:Ὑλλῆς, Πάμφυλοι, Δυμᾶνες, zoo genoemd naar den zoon van Heracles en de beide zonen van Aegimius; de niet dorische bevolking vormt, waar zij eenig aandeel aan het burgerrecht heeft, eene afzonderlijke phyle, zooalsinArgos en Sicyon. Iedere phyle is in 10obae(ὠβαί) verdeeld. Waarop hier de verdeeling berustte is onbekend, v. s. zijn zoowel phylae als obae plaatselijk van elkander gescheiden, ofschoon ten minste in Sparta ook eene plaatselijke indeeling in 5κῶμαιbestond.Φυλοβασιλεύς, bestuurder eener phyle in den tijd voor Clisthenes of Solon; ook toen deze phylen alleen voor den eeredienst beteekenis behouden hadden, bleef de waardigheid vanφυλοβ.bestaan.Phylace,Φυλάκη, stadje in Phthiōtis, ten O. van den Enipeus, geboorteplaats van Protesilāus.Phylacus,Φύλακος, 1) zoon van Deïon en Diomēde, vader van Iphicles no. 3, stichter van Phylace.—2)heros, die den delphischen tempel tegen de Galliërs beschermde en daarvoor te Delphi een heiligdom had.Phylarchus,Φυλαρχος, van Athene, Sicyonof Naucratis, tijdgenoot van Arātus, schreef eene geschiedenis van de jaren 272–220 in 28 boeken. Zijn werk wordt, voor zoover men uit de weinige fragmenten kan opmaken ten onrechte, door Polybius en Plutarchus streng veroordeeld; toch maakte laatstgenoemde er veel gebruik van.Phyle,Φυλή, sterk kasteel in Attica aan de Zuidwestelijke helling van den Parnes, 3 uur afstands ten N. van Athene. In den tijd der 30 te Athene (404–403) bezette Thrasybūlus aan het hoofd der atheensche ballingen deze sterkte en maakte zich van daar uit van den Piraeus meester.Phyleus,Φυλεύς, zoon van Augīas, een van de deelnemers aan de calydonische jacht, werd door zijn vader verjaagd, omdat hij voor Heracles partij getrokken had. Deze bracht hem later in zijn vaderlijk rijk terug, maar hij liet het aan zijn broeder Agasthenes over en ging naar Dulichium.Phyllidas,Φυλλίδας, Thebaan, die in weerwil van zijne democratische gezindheid gedurende de spartaansche bezetting geheimschrijver der polemarchen werd. Hij begunstigde de samenzwering van Pelopidas en noodigde de polemarchen Archias en Philippus in zijn huis tot een feest, waarbij zij door de saamgezworenen gedood werden.Phyllis,Φυλλίς, z.Demophonno. 2.Phyllis,Φυλλίς, landstreek aan den mons Pangaeus.Phyllus,Φύλλος, stad in Thessaliōtis, bij den Enipeus, met een Apollo-tempel. Dichterlijk:Phillēius= thessalisch.Physcon,Φύσκων, dikbuik, bijnaam van Ptolemaeus VII.Physcus,Φύσκος, 1) zijtak van den Tigris, die zich bij de stad Opis met den hoofdstroom vereenigt.—2)berg in Bruttii, bij Croton.—3)haven op de Z. kust van Caria.Phytalus,Φύταλος, een heros van Eleusis, die Demēter op hare zwerftochten gastvrij ontving. Tot belooning leerde zij hem het kweeken van den vijgeboom.Phyxius,Φύξιος, beschermer der vluchtelingen, bijnaam van Zeus bij de Thessaliërs.Picentes, Picēni, bewoners van Picēnum.Picentia, tgw. Vicenza, hoofdstad der Picentīni, nabij de golf van Paestum (golf van Salerno).Picentīni, een gedeelte der Picentes, dat uit Picēnum naar het Z.O. van Campania was verhuisd.Picēnum,Πικεντίνη, kustland van Italia aan de Adriatische zee, tusschen Umbria en Samnium gelegen. De bewoners, Picēni, Picentes, waren van sabijnschen stam. In 268 werden zij door de Rom. onderworpen. Een gedeelte der Piceners werd daarna naar Campania overgebracht en zette zich aan den sinus Paestānus (golf v. Salerno) neder, waar zij naar hunne hoofdstad Picentia den naam Picentīni kregen.Pictāvi, ziePictones.Picti, in de 4deeeuw n. Chr. voor het eerst voorkomende naam van een volksstam in het Noorden van Schotland; ze woonden ten N. van de Firth of Forth, terwijl deScoti, die tegelijk met hen optreden, in Zuid-Schotland en Ierland wonen.PictonesofPictāvi, machtig gallisch volk in het tegenw. Poitou. Hoofdstad: Limōnum (Poitiers).Pictor, zieFabiino. 24 vv.Picumnus, italiaansche god van den landbouw, die het bemesten der landerijen zou uitgevonden hebben. Hij was de broeder van Pilumnus (z. a.).Picus, veld- en boschgod der Romeinen, wiens dienst reeds vroeg verouderd was. Hij wordt de zoon van Saturnus, de gemaal van Pomōna of van de nimf Canens, de vader van Faunus genoemd. Daar hij de liefde van Circe onbeantwoord liet, veranderde zij hem in een specht. Hij wordt voorgesteld als een specht op een zuil zittend, of als een jongeling met een specht op het hoofd.Pieria,Πιερία, 1) landschap van Macedonia op de grenzen van Thessalia, in het N. door den Haliacmon, in het O. door de golf van Thermae begrensd. Dit Pieria was de zetel van den Muzendienst (ziePierides), aan wie de berg Pierus geheiligd was. De Pieriërs waren een thracische stam; in de 7deeeuw werden zij door de Macedoniërs verdreven en vestigden zij zich aan den Strymon, in den omtrek van den mons Pangaeus, ook deze streek kreeg toen den naam Pieria.—2)landstreek in het N. der syrische kust, tusschen de golf van Issus en den Orontes, aan den berg Pieria, een uitlooper van den Amānus.—3)(of Pierium,Πιέριον), berg in het W. van Thessalia.Pierides,Πιερίδες, de Muzen, naar hare geboorteplaats Pieria.Pierus,Πίερος, koning van Emathia, vader der Emathides.Pierus,Πίερος, berg in het W. van Thessalia =Pieriano. 3.Pignoris capio.Wanneer een rom. burger zijne verplichtingen niet nakwam, waren er gevallen, waarin de praetor aan de benadeelde partij verlof gaf, een of ander eigendom van den nalatige in pand te nemen. Kwam de laatste dan binnen zekeren tijd zijne verplichtingen nog niet na en loste hij dus het pand niet in, dan konde de ander het verkoopen en zich uit de opbrengst schadeloos stellen.Pigres,Πίγρης, zoon of broeder van Artemisia no. 1, v. s. dichter der Batrachomyomachie, zie ookMargītes.Pigrum mare, de gestolde zee, zieCronium mare.Pilāni, ziehastati.Pilentum, een vierwielige, door twee paarden getrokken, overdekte wagen (currus arcuatus), waarinflamines, Vestalesenmatronaenaar offers en spelen reden.Pileus,πῖλος, vilten hoed of liever muts voor mannen, bij verschillende volken in verschillende fatsoenen in gebruik. De Rom. droegen denpileuszelden, althans in de stad; bij goed weder gingen zij meest blootshoofds, bij regen trokken zij zich een kap ofcucullusover het hoofd. Slaven mochten geenhoofddeksel dragen; vandaar dikwijlsius pilei=libertas.Pilōrus,Πιλωρός, stadje op het chalcidische schiereiland Sithonia, aan den sinus Singiticus.Pilum.Pilum.Pilum, de beroemde rom. werpspies, niet lang, slechts ongeveer 2 meter, maar zwaar en met een scherp gestaalde van weerhaken voorziene punt. De schacht was zoo in het ijzer (of omgekeerd) bevestigd, dat zij bij pogingen om de speer ergens uit te rukken, licht afbrak, evenals de fijne punt, zoodat de vijand het wapen niet kon terugwerpen. De rom. soldaten waren in het gebruik van dit wapen zeer geoefend. De aanval begon in den regel met het werpen van het pilum; door schilden van hout- of teenwerk drong het met gemak heen, reeg ze zelfs aan elkaâr, en noodzaakte dan door zijne zwaarte den vijand zich te ontblooten, terwijl onmiddellijk de aanval met het zwaard volgde.Pilumnus, 1) landelijke godheid der Rom., die den Italianen het dorschen, eig. het stampen (pinsere), van het koren geleerd had. Hij was een broeder van Picumnus; in een huis, waar een kind geboren was, werd gedurende de eerste dagen voor beiden in het atrium een bed gespreid, zie ookDeverra.—2)z.Danaē.Pimplēae, Pimpleides,Πιμπληίδες, bijnaam der Muzen, naar de stad Pimplēa in Piërië of naar een bron van dien naam aan den Helicon.Pinara,τὰ Πίναρα, stad in Lycia aan den berg Cragus.Pinaria(lex)annalisvan den volkstribuun M. Pinarius Rusca. Deze wet is een voorlooper van delex Villia annalis(z. a.) van 180.Pinaria Furia Postumia(lex) van de drie consulairtribunen L. Pinarius Mamercīnus Rufus, L. Furius Medullīnus Fusus en Sp. Postumius Albus Regillensis, 332. Deze wet verbood bij het dingen naar eenig ambt detogakunstmatig wit te maken. De wet is spoedig in onbruik geraakt.Pinarii, oud rom. geslacht, dat met een ander oud geslacht, dePotitii, in het erfelijk bezit was van een priesterambt van Hercules, dat in overouden tijd door Euander zou zijn ingesteld. Volgens de sage kwamen bij het eerste offermaal de Pinarii te laat aan tafel en werd hun ten eeuwigen dage als boete opgelegd, bij de offermaaltijden eerst te verschijnen, wanneer een gedeelte reeds genuttigd was. In 312 en 311 stierven de Potitii uit, omdat zij den dienst door servi publici hadden laten waarnemen, terwijl de censor Appius Claudius, op wiens raad dit was geschied, volgens het latere verhaal door den vertoornden halfgod met blindheid werd geslagen. In werkelijkheid heeft App. Claudius den eeredienst van Hercules aan de Ara Maxima, die eensacrum gentiliciumvan de Potitii en Pinarii was, tot staatsgodsdienst gemaakt, waarbij het offer verricht werd door denpraetor urbanus. Enkele leden van degens Pinariakomen als overheden en legeraanvoerders voor. Onder Cicero’s vrienden worden twee broeders vermeld, T. en L., doch ook een tegenstander, L. Pinarius Natta, die als pontifex, ten gevalle van zijn zwager P. Clodius, het huis van Cicero aan den dienst der goden wijdde, waardoor Clodius zocht te verhinderen, dat de plek ooit weder in Cicero’s bezit zou terugkeeren. Nog een L. Pinarius, met Caesar verwant, kreeg van Antonius het bevel in Africa, doch ging later tot de partij van Octaviānus over.Pinarus,Πίναρος, rivier in Cilicia, die op den Amānus ontspringt en in de golf van Issus valt.Pincius(mons), ookcollis hortorumgeheeten, thans monte Pincio, heuvel, onmiddellijk ten N. van Rome gelegen en door keizer Aureliānus grootendeels binnen den nieuwen vestingmuur getrokken.Pindarus,Πίνδαρος, Thebaan, de grootste lyrische dichter der Grieken, geb. 522. Hij was uit het geslacht der Aegiden, waartoe vele bekwame toonkunstenaars behoord hadden, verder genoot hij het onderwijs van Lasus van Hermione en van Myrtis en Corinna. Algemeen geëerd en bemind, had hij in alle deelen van Griekenland vrienden, die hij nu en dan bezocht, o. a. Hiero, Theron, de Aleuaden; ook bij de groote nationale feesten was hij dikwijls tegenwoordig, overigens leefde hij rustig in zijne geboorteplaats, waar hij na 442 stierf. Van zijne talrijke lierdichten van alle soort zijn bewaard gebleven 45 zegezangen ter eere van overwinnaars bij groote feesten, waarvan hij het oudste reeds op twintigjarigen leeftijd dichtte. Zij munten uit door krachtige en afwisselende taal, rijkdom en verhevenheid van gedachten en verscheidenheid van versbouw. Van zijne andere werken (hymnen, partheniën, enz.) hebben wij slechts fragmenten.Pindenissus,Πινδενίσσος, stad der Eleutherocilices in het Amānusgeb., door Cicero veroverd (51).Pindus,Πίνδος, 1) grensgebergte tusschen Epīrus en Thessalia, waarvan de Lacmon of Lacmus het hoogste gedeelte is.—2)eene der steden van de dorische tetrapolis, in het landschap Doris, ook Acypha geheeten.Pinna, hoofdstad der Vestīni, die ten Z. van Picēnum tusschen de Apennijnen en de Adriatische zee woonden. De stad lag in eene heerlijke omgeving.Pirae(e)us,Πειραιεύς, de havenstad van Athene, door Themistocles aangelegd, en later door Pericles verder afgewerkt. Toen Themistocles een moderne vloot van triëren wilde bouwen, was de open bocht van Phalēron als oorlogshaven niet meer geschikt. Daarom richtte hij het schiereiland Piraeus als havenstad in, en omgaf het met stevige muren; Munichia, de heuvel ten Oosten, werd hiervan de burcht. De stad had 3 havens, de westelijke, de eigenlijke Piraeus, diende voornamelijk voor het handelsverkeer. De invaart werd bewaakt door twee torens en kon door zware kettingen worden afgesloten. Aan de andere, de oostelijke, zijde van de stad vond men de oorlogshavens Zea en Munichia. De stad was volgens het plan van Hippodamus van Milete aangelegd met rechte straten, die elkaar rechthoekig sneden. Men vond er verder scheepswerven, een groot korenmagazijn, een groote beurs (τὸ δεῖγμα), een arsenaal (σκευοθήκη), een theater, enz. Een tijd lang, in de 4deeeuw, was de bevolking van den Piraeus even talrijk als die van Athene zelf. De wegen, die van den Piraeus naar Athene voerden, lagen tusschen de lange muren,τὰ μακρὰ τείχη, τὰ σκέλη, besloten. Oorspronkelijk waren er twee muren, één naar de N.-zijde van den Piraeus, één naar Phalēron; maar Pericles liet nog een tusschenmuur bouwen, en nu liet men den Phalerischen muur vervallen.Piraeus,Πειραιός, open haven op de Oostkust van Corinthia, nabij de grens van het gebied van Epidaurus. De Atheners hielden hier in 412 eene spartaansche vloot ingesloten.PiraicusofPyreicus, bekwaam genreschilder (rhyparograaf), waarschijnlijk uit den hellenistischen tijd, wiens schilderijen om hunne zorgvuldige bewerking bij de Rom. zeer gezocht waren.Piraticum bellum.In het bijzonder wordt hieronder verstaan de bekende tocht van Pompeius in 67 tegen de zeeroovers ondernomen (zieGabinia lex). Wel waren nu en dan verschillende kuststreken, waarvan de inwoners zeeroof dreven, getuchtigd, doch eerst in 67 werd tot een algemeenen maatregel besloten. Pompeius, wien de beschikking was gegeven over zooveel strijdkrachten als hij meende noodig te hebben, slaagde er in, door eene drijfjacht op groote schaal van de straat van Gibraltar tot aan de kusten van Cilicia den zeeroof voor het oogenblik uit te roeien, meer dan 1000 roofschepen te vernielen, werven en roofnesten te verwoesten en de Middellandsche zee weder voor rom. schepen veilig bevaarbaar te maken.Pirēne,Πειρήνη, nimf, dochter van Obalus, treurde om den dood van haar zoon, totdat zij in een bron veranderde, die haar naam draagt en bij welke Bellerophon het gevleugelde paard Pegasus opving, terwijl het zijn dorst leschte. De bron lag binnen de muren der acropolis van Corinthus. DichterlijkΠειρήνης ἄστυenPirēnis Ephyre= Corinthus,Πειρηναῖος πῶλος= Pegasus.Pirisabora, sterke vesting in Babylonia, aan den Euphraat, ten N. van Babylon.Pirithous,Πειρίθοος, zoon van Zeus of Ixīon en Dia. Op zijne bruiloft met Hippodamēa ontstond de geweldige strijd tusschen de Centauren en Lapithen, daar eerstgenoemden de bruid en andere vrouwen wilden ontvoeren. Later hielp hij Theseus bij het schaken van Helena, hijzelf wilde Persephone ontvoeren en daalde daarvoor met Theseus in de onderwereld af, doch Hades klonk hen aan een rots vast, waarvan alleen Theseus na eenigen tijd door Heracles weder losgemaakt werd.Pirus,Πεῖρος, Πίερος, hoofdriviertje van Achaia, dat zich ten W. van Olenus in de golf van Patrae stortte.Pirustae,Πιροῦσται, roofziek volk in Illyris, dat zich in 168 in den oorlog tegen Gentius bij de Rom. aansloot.Pisa,Πίσα, stad in Elis, even ten N. van den Alphēus nabij Olympia gelegen. Pisa voerde met het landschap Elis een langen strijd over het bestuur van het olympische tempelgebied, tot het de nederlaag leed en verwoest werd (572).Pisae,Πισαί, nabij de samenvloeiing van den Anser en den Arnus (Arno). De stad behoorde oorspronkelijk niet tot Etruria, waartoe ze later gerekend wordt. Ze had reeds vroeg handel met Griekenland, en een flinke marine, om zich tegen de ten N. wonende Liguriërs te kunnen verdedigen. In 180 werden op haar gebied de kolonien Luna en Luca aangelegd. Sedert Augustus is het rom. kolonie. In de nabijheid zijn heete bronnen,aquae Pisanae. Thans Pisa.Pisander,Πείσανδρος, 1) van Camīrus, episch dichter omstreeks het midden der 7dev. a. der 6deeeuw. In zijneἩράκλειαwerd Heracles voor het eerst voorgesteld als de held, die met buitengewone lichaamskracht begaafd, alleen met knots en leeuwenhuid gewapend, zijne twaalf werken volbrengt. In den alexandrijnschen canon werd hij na Homerus en Hesiodus genoemd.—2)Athener, de grootste ijveraar voor de oligarchische omwenteling van 411. Na den val van de regeering der 400, waartoe hij behoord had, vluchtte hij naar de Spartanen te Decelēa.—3)van Laranda, episch dichter onder Alexander Sevērus. Er zijn nog fragmenten over.PisātisofPisaea,Πισᾶτις, Πισαία, het land van Pisa (z. a.), het middengedeelte van Elis.Pisaurum,Πισαῦρον, oude stad in Umbria, in den ager Gallicus, aan den mond van den Pisaurus, rom. kolonie sinds 184. Thans Pesaro.Pisces,Ἰχθύες, het sterrenbeeld de Visschen. Men verhaalde, dat het de visschen waren, die Isis of Derceto gered hadden, toen zij in zee gevallen was.Pisidia,Πισιδία, bergachtig gewest op de Z.kust van Voor-Azië, ten N. van Pamphylia, lang als een stuk hiervan beschouwd. De inwoners, Pisidae,Πισίδαι, waren een dapper volk, dat, in zijn bergen verschanst, lang alle vreemde overheersching afsloeg,en slechts noode het hoofd boog voor Rome.Pisidice,Πεισιδίκη, eene van de dochters van Pelias.Pisistratus,Πεισίστρατος, 1) zoon van Nestor en Anaxibia, vergezelde Telemachus op zijne reis van Pylus naar Sparta.—2)Athener, zoon van Hippocrates, uit het geslacht der Philaiden, bloedverwant van Solon. Nadat deze uit Athene vertrokken was, trad P. in het openbaar op (571), hij voegde zich bij de partij der Diacriërs, en door zijne groote bekwaamheden werd hij weldra als de leider er van erkend. Nadat hij eenmaal, vooral door de verovering van Nisaea, de gunst van het volk verworven had, wist hij, onder voorwendsel dat hij ternauwernood aan een aanslag zijner vijanden ontsnapt was, in weerwil van Solon’s tegenspraak, te bewerken dat hem een lijfwacht gegeven werd, waarmede hij zich van de acropolis en van de alleenheerschappij meester maakte (560). Doch weldra vereenigden zich de beide andere partijen, de Pediaeërs onder Lycurgus en de Paraliërs onder den Alcmaeonide Megacles, tegen hem; hij moest Athene verlaten en bleef vijf jaar in ballingschap. Toen echter weder tusschen Lycurgus en Megacles oneenigheid ontstond, bood laatstgenoemde aan P. de hand ter verzoening en gaf hem zijne dochter ten huwelijk, en zoo kwam P. weder in feestelijken optocht in de stad terug, begeleid, naar het heette, door de godin Athena zelve, die door eene schoone en groote vrouw werd voorgesteld. Na korten tijd geraakte hij weder met zijn schoonvader in onmin, en weder moest hij uit de stad wijken; hij ging naar Eretria, en nu duurde het elf jaar eer hij zich door bondgenootschappen met Argos, Thebae e. a. genoeg versterkt had om een gewapenden inval in Attica te wagen, die het gewenschte gevolg had; tot aan zijn dood (528) bleef hij nu in het ongestoord bezit der regeering, die daarna onbetwist op zijn zoon Hippias overging. Ofschoon hij in de laatste periode eenigszins strenger regeerde, was zijne heerschappij ver van drukkend, hij handhaafde recht en wet, hield de instellingen van Solon in stand, bevorderde vooral de stoffelijke welvaart van het volk en beschermde kunsten en wetenschappen. O. a. werden onder zijne regeering voor het eerst de gedichten van Homerus tot een geheel vereenigd.Piso, familienaam in degens Calpurnia(Calpurniino. 1–13).Pissuthnes,Πισσούθνης, satraap van Lydië, betoonde zich voor en gedurende den peloponnesischen oorlog een vijand der Atheners. In 414 kwam hij in opstand tegen den koning en werd hij door Tissaphernes gevangen genomen en ter dood gebracht.Pistor, bakker, bijnaam aan Jupiter gegeven, omdat, volgens het aardige verhaal van Ovidius, op zijne ingeving de belegerden op het Capitolium aan de Galliërs brood toewierpen en hen daardoor in den waan brachten, dat zij overvloed van spijs hadden.Pistoria,Πιστωρία, stadje in het N. van Etruria; in de nabijheid sneuvelde Catilīna (62).Pitane,Πιτάνη, 1) vlek of buitenwijk van Sparta, met een tempel van Artemis.—2)havenstad van Aeolis, tegenover Lesbus.Pithecūsa,Πιθηκοῦσα, oude naam voor Aenaria, z. a.Πιθοιγία, de eerste dag der Anthesteria (z. a.).Pitholeon, een Rhodiër, die te Rome woonde, hij maakte onbeduidende verzen, waarin hij Grieksch en Latijn dooreenmengde. Hij is identisch met Pitholaus, z.Voltacilius Pitholaus, wiens naam door Horatius eenigszins gewijzigd is, omdat die niet in de maat paste. Hij beschimpte in zijn liederen Caesar.PithonofPython,Πίθων, Πείθ., Πύθ.1) zoon van Agēnor, bevelhebber van een legerkorps bij Alexanders tocht naar Indië, waar hij als stadhouder achtergelaten werd. Later nam hij deel aan de krijgstochten van Antigonus; hij sneuvelde in den slag bij Gaza (312).—2)zoon van Crateas, behoorde tot de lijfwacht van Alexander. Bij de verdeeling van het rijk kreeg hij een deel van Medië, hij trok met Perdiccas naar Aegypte en veroorzaakte mede den opstand, die diens dood ten gevolge had. Daarop werd hij op voorstel van Ptolemaeus tot rijksbestuurder benoemd (321), doch deze betrekking moest hij spoedig aan Antipater afstaan. Zijne pogingen om in de oostelijke provinciën een eigen rijk te stichten mislukten, hij moest Antigonus en Seleucus helpen bij het beoorlogen van Eumenes, en daar hij in het leger van Antigonus aanhangers zocht te winnen voor zijne persoonlijke bedoelingen, liet deze hem dooden (316).Pittacus,Πιττακός, van Mytilēne, een van de 7 wijzen van Griekenland, wiens spreuk was:καιρὸν γνῶθι, let op het juiste oogenblik, voerde zijne medeburgers aan in den oorlog, dien zij met de Atheners, om het bezit van Sigēum voerden, en behaalde door list eene overwinning op den atheenschen veldheer Phrynon (607). In de later ontstane burgertwisten stond hij, als hoofd der volkspartij, tegenover zijn vroegeren vriend Alcaeus, eindelijk werd hij tot aesymnētes gekozen (omstreeks 595), eene waardigheid, die hij 10 jaar lang met wijsheid en rechtvaardigheid bekleedde en op 70-jarigen leeftijd vrijwillig nederlegde. Sedert dien tijd schijnt hij zich van het openbare leven teruggetrokken te hebben; tien jaar daarna stierf hij.Pitthēis, Aethra, dochter van Pittheus.Pittheus,Πιτθεύς, zoon van Pelops, koning van Troezen, grootvader van Theseus, die bij hem werd opgevoed.Pityocamptes,Πιτυοκάμπτης, pijnboombuiger, bijnaam van Sinis (z. a.).Pitys,Πίτυς, eene nimf, die door Pan bemind werd, en toen zij hem niet konde ontvluchten, op haar gebed door de goden in een pijnboom werd veranderd.Pityus, g.-untis,Πιτυοῦς, pijnboomstad, belangrijke grensstad in Pontus, aan den N.O.-hoek van den Pontus Euxīnus, aan den voet van den Caucasus; in den lateren keizertijd ballingsoord.Pityūsa,Πιτυοῦσσα= het pijnboomrijke, oude naam van Lampsacus, van Salamis en van Chius.Pityūsae insulae,Πιτυοῦσσαι, pijnboomeilanden, op de kust van Hispania, twee eilandjes, thans nog Pityusen geheeten: Ebusus (Iviza) en Ophiūsa = slangeneiland (Formentera).Pius, zieMetellino. 17 en 18 in degens CaeciliaenAntonīnus Pius.Placentia, thans Piacenza, aanzienlijke handelsplaats in Gallia Cispadāna aan de samenvloeiing van de Trebia met den Padus (Po). In 219, vóór het uitbreken van den tweeden punischen oorlog, stichtten de Rom. te Placentia en te Cremōna lat. koloniën. In 200 werd Plac. door de Galliërs verwoest, doch spoedig daarop door de Rom. herbouwd, en in 190 evenals Cremōna met vele nieuwe kolonisten versterkt. In 90 kreeg de stad het Rom. burgerrecht.Placia,Πλακία, oude pelasgische volkplanting aan de Propontis, ten O. van Cyzicus.Placus,Πλάκος, oostelijke uitlooper van het Idagebergte. Aan den voet daarvan lag Thebe.Plaetoria(lex) van den volkstribuun M. Plaetorius, waarschijnlijk in 242, v. a. na 227, dat een praetor binnen Rome niet meer dan twee lictoren mocht hebben.Plaetoria(lex), uit het jaar 191 of vroeger, waarbij jongelieden beneden 25 jaar, die reedssui iuriswaren, toch onder curateele gesteld werden. Ziecuratio.Plaetorii, plebejisch geslacht. 1)M. Plaetorius Cestiānus, was in 66 te gelijk met Cicero praetor. In 69 trad hij op als aanklager van Fonteius, die door Cicero verdedigd werd.—2)Plaetorius Rustiānuskwam na den slag bij Thapsus (46) te gelijk met Q. Metellus Scipio op de vlucht om.—3)Plaetorius(Platorius)Nepos, vertrouwde van keizer Hadriānus, doch in diens laatste regeeringsjaren uit achterdocht door hem vervolgd.Planasia,Πλανασία, eiland tusschen Corsica en Etruria, waarheen Augustus’ kleinzoon Agrippa Postumus verbannen werd.Plancii. 1)Cn. Plancius, rom. ridder uit Atīna, verdedigde als een der aanzienlijkste publicani met nadruk hun verzoek om vermindering van pacht (59).—2)Cn. Plancius, zoon van no. 1, diende eerst onder Metellus op Creta, bewees later als quaestor van Macedonia groote diensten aan Cicero in diens ballingschap en werd in 54 door hem in een procesde ambitumet goed gevolg verdedigd. ZieIuventiino. 3. In 46 leefde hij als aanhanger van Pompeius in ballingschap te Corcȳra.Planctae,Πλαγκταί, vuurspuwende en in rook gehulde rotsen, tegen welke de schepen, door een onweerstaanbare strooming getrokken, te pletter slaan. Zij bevinden zich volgens Homerus in de nabijheid van Scylla en Charybdis, v. s. staan zij aan den westelijken ingang der sicilische zeeëngte, v. a. zijn het de Aeolische of Liparische eilanden. Zij worden dikwijls met de Symplegadēs verward.Plancus, familienaam in degens Munatia.Plataeae, ook-taea,Πλαταιαί, -ταιά, beroemde stad in Boeotia, aan de Noordzijde van den Cithaeron. Plataeae stond vijandig tegenover Thebae en sloot zich sedert ± 519 nauw bij Athene aan. Terwijl Thebe zich aan de Perzen onderwierp, leverde Pl. in den slag bij Marathon (490) 1000 man hulptroepen aan de Atheners. Xerxes verwoestte de stad in 480 op aansporing der Thebanen. Bij de puinhoopen had in 479 de slag plaats, waarin de perzische veldheer Mardonius sneuvelde en waartoe de Plataeërs weder 600 man leverden. Pl. werd herbouwd en door de Grieken ontslagen van Thebe’s hegemonie. Na een vruchtelooze poging der Thebanen om Plataeae te overrompelen, werd de stad in het begin van den peloponnesischen oorlog, omdat zij zich niet tegen Athene wilde verklaren, door de Spartanen ingesloten en na vergeefsche pogingen om ze in te nemen door honger tot de overgaaf genoodzaakt (427). Een deel der bevolking ontkwam en vestigde zich te Sciōne op het schiereiland Pallēne. In 383 werd Pl. nogmaals herbouwd, doch in 372 door de Thebanen op nieuw verwoest. Onder macedonisch bestuur herrees het weder.Platanistas, eene ruimte bij Sparta, aan den Eurōtas, met plataanboomen beplant en met standbeelden van heroën versierd, en door de spartaansche jongelingschap tot lichaamsoefeningen gebezigd.Platea,Πλατέα, eiland op de kust van Cyrenaïca.Plato,Πλάτων, 1) Athener, zoon van Ariston en Perictione, geb. 427, aanvankelijk Aristocles genoemd, kreeg later door zijn gymnastiekmeester Ariston of door Socrates den naam Plato, debreede. Uit een edel geslacht gesproten, door de beste leermeesters onderwezen, dichterlijk van natuur, beproefde hij reeds jong zijne krachten in de poëzie, terwijl hij tevens kennis maakte met de stelsels van Heraclītus, Parmenides, Anaxagoras e. a. Op zijn 20stejaar leerde hij Socrates kennen, van hun omgang is weinig bekend, alleen weten wij, dat P. spoedig de voortreffelijkste leerling van Socrates was en dat hij aan zijn leermeester met de grootste genegenheid en eerbied verknocht was. Na den dood van Socrates ging hij vooreerst met vele andere van diens aanhangers naar Megara, maar weldra ging hij, door de zucht naar kennis gedreven, reizen doen naar Cyrēne, Aegypte en Italië. In Italië kwam hij in aanraking met de volgelingen van Pythagoras, op Sicilië leerde hij door zijn vriend Dio den ouden Dionysius kennen, wiens ongenade hij zich echter spoedig door zijne vrijmoedigheid op den hals haalde en die hem als slaaf liet verkoopen (z.Pollis). Door Anniceris losgekocht en naar Athene teruggekeerd (388), begon hij zijne voordrachten in de Academie (z. a.), die hij de volgende 20 jaar onafgebroken met den grootsten bijval voortzette. Toen hij echter van Dio eene uitnoodiging ontving om naar Syracūsaete komen en daar als leider en raadsman van den jongen Dionysius op te treden, nam hij die gaarne aan, daar zich nu, naar hij meende, eene gunstige gelegenheid aanbood om door een wijsgeerig gevormd vorst sommige van zijne theorieën in praktijk te doen brengen. De zaak kwam echter geheel anders uit. Dio viel spoedig in ongenade en werd verbannen en ook voor P. werden de toestanden te Syracusae onhoudbaar. Met moeite kreeg hij verlof te vertrekken (365) en op een latere reis naar Syracusae, ondernomen met het doel om eene verzoening tusschen Dionysius en Dio te bewerken (361), kwam hij zelfs door het wantrouwen van den tyran in levensgevaar en had hij zijn behoud alleen aan den invloed van Archȳtas te danken. Het overige van zijn leven wijdde hij nu uitsluitend aan het onderwijs der wijsbegeerte, totdat hij, nog krachtig werkzaam als leeraar en schrijver, in den ouderdom van 80 jaar overleed.—Te midden van de veelheid en afwisseling der zinnelijk waarneembare voorwerpen zoekt P. het eene en onveranderlijke in de idee (ἰδέα, εἶδος); de ideeën zijn nl. de geheel op zichzelf staande eigenschappen der stoffelijke dingen, zelve niet aan stof, tijd of plaats gebonden, zij zijn, hoewel geen afgetrokken begrippen, toch niet zinnelijk waarneembaar, maar de kennis er van is alleen te bereiken door de dialektiek (διαλεκτική), de kunst, die leert van het bizondere tot het algemeene op te klimmen en omgekeerd weder tot het bizondere af te dalen. De individuën staan in betrekking met de ideeën of zijn afbeeldingen er van, toch kent P. aan de ideeën zelf nu en dan zekere mate van persoonlijkheid toe, en over de idee van het goede spreekt hij als over de hoogste godheid zelf. De wereld is niet eeuwig, maar door den schepper (δημιουργός) uit ongeordende stof (ἄπειρον) tot een goed geordend geheel (κόσμος) gemaakt. De menschelijke ziel is onsterfelijk en bestaat uit drie deelen: verstand (λογιστικόν, νοῦς), moed (θυμοειδές), begeerte (ἐπιθυμητικόν). Het hoogste goed bereikt men door het streven naar gelijkheid met het absoluut goede, en daartoe moet ieder deel der ziel zijn eigenaardige deugden hebben, resp. wijsheid, dapperheid en zelfbeheersching, die met elkander vereenigd de hoogste deugd, rechtvaardigheid, vormen. Deze leer en hare toepassingen op staatsinrichting, opvoeding, kunst, enz. heeft P. gedurende eene bijna veertigjarige werkzaamheid onderwezen, deels in gesprekken op de wijze van Socrates, deels in samenhangende voordrachten, deels ook door zijne werken; deze laatste zijn, naar men gelooft, alle bewaard gebleven, daarentegen zijn onder die, welke zijn naam dragen, sommige zeker onecht; bijna alle zijn geschreven in den vorm van gesprekken van Socrates. De belangrijksteδιάλογοιzijn:Ἀπολογία, Κρίτων, Ἴων, Πρωταγόρας, Μένων, Γοργίας, Εὐθύδημος, Συμπόσιον(385),Φαίδων, Πολιτεία(ongeveer 380–370),Φαῖδρος, Τίμαιος. Zijn laatste werk zijn deΝόμοι. Hij werd in de oudheid als de eerste der wijsgeeren beschouwd, en zijne leer, hoewel uitgebreid en dikwijls gewijzigd, vond nog tot in de laatste tijden van het heidendom talrijke aanhangers, totdat Iustiniānus in 529 n. C. alle onderwijs in de wijsbegeerte verbood. Zijn opvolger als hoofd der academie was Speusippus, de zoon zijner zuster.—2)Athener, hooggeschatblijspeldichter, tijdgenoot van Aristophanes; van zijne 28 stukken zijn talrijke fragmenten bewaard.Platorius Nepos, ziePlaetoriino. 3.PlautiaofPlotia(lex)de vi, waarschijnlijk op verzoek van den consul Q. Lutatius Catulus (Lutatiino. 5) door een volkstribuun Plautius in 78 gemaakt, ook wellex Lutatiageheeten, waarbij een afzonderlijke rechtbank (quaestio perpetua) werd ingesteld ter bestraffing van opstand, samenrotting, het vormen van benden gewapenden, het vernielen van huizen, enz., hetgeen alles onder het begripviswerd samengevat.Plautia(lex), aangenomen na het jaar 77, waarbij aan de volgelingen van Lepidus (Aemiliino. 3) vergund werd, in het vaderland terug te keeren. De voorsteller van de wet is onbekend.Plautia Papiria(lex), van de volkstribunen M. Plautius Silvānus en C. Papirius Carbo, in 89, gaf aan de burgers van italischecivitates foederataebezuiden den Po gelegenheid, zich, mits binnen 60 dagen, bij den praetor urbanus als rom. burgers te doen inschrijven.Plautiae leges, 1)iudiciaria, van den volkstribuun M. Plautius Silvānus, 89, dat uit elke der 35 tribus door het volk 15 mannen als rechters zouden gekozen worden.—2)lex Plautia agraria, zieAgrariae(leges).PlautiiofPlotii. 1)C. Plautius Proculus, consul in 358, streed met succes tegen de Hernici.—2)C. Plautius Venno Hypsaeus, consul in 347 en 341, streed in 341 tegen de Privernaten en Antiaten. In dat jaar moesten hij en zijn ambtgenoot, nog voordat hun ambtsjaar verstreken was, hunne waardigheid nederleggen, daar de senaat den op handen zijnden latijnschen oorlog aan versche mannen wilde opdragen.—3)C. Plautius Deciānus, consul in 329 en 328, hield een zegetocht over de Privernaten. Hij verschafte hun daarop het Romeinsche burgerrecht.—4)C. Plautius, Venoxbijgenaamd wegens het opsporen van aderen (venae) voor een waterleiding in 312, was met App. Claudius (Caecus)censorin 312. Toen er 18 maanden van hunne censuur verstreken waren, legde Plautius zijn ambt neer; Claudius daarentegen bleef in functie, om de groote bouwwerken, die hij onder handen had, devia Appiaen deaqua Appia, af te maken. Het verhaal van hun oneenigheden, en dat Claudius Plautius zou om den tuin geleid hebben, is onhistorisch.—5)M. Plautius Silvānus, volkstribuun in 89; ziePlautiae leges.—6)P. Plautius Hypsaeus, quaestor van Pompeius in 66, werd in 52 wegens ambitus veroordeeld.—7)A. Plautiuswas ook in 66 legaatvan Pompeius en in 56 volkstribuun.—8)M. Plautius Silvānus, met Augustus consul in het jaar 2, voerde onder Tiberius voorspoedig oorlog in Pannonia en Dalmatia (6–9 n. C.). Als belooning verwierf hij deornamenta triumphalia. Hij is misschien dezelfde als Silvanus, die, wegens geweld, tegen zijne vrouw gepleegd, onder Tiberius gedagvaard, zich de aderen opende (24 n. C.).—9)Plautius Laterānus, onder Nero, werd in de samenzwering van Piso betrokken en onderging met standvastigheid den dood.—10)Plautius,rechtsgeleerde onder Vespasiānus, van wien verschillende geschriften in de Pandecten worden vermeld.—11)A. Plautiusveroverde alslegatus Augusti pro praetorein 43 n. C. en volgende jaren het zuidelijk gedeelte van Britannia, en vierde in 47 eeneovatio; hij was de laatste, wien die eer te beurt viel, zonder keizer te zijn of tot de keizerlijke familie te behooren.—12)L. Plautius Plancus, z.Munatiino. 4.
Philus, familienaam in degens Furia(Furiino. 1 en 2).Philyra,Φιλύρα, Oceanide, bij Cronus moeder van Chiron; uit smart over de gedaante van haar zoon veranderde zij in een lindeboom.Philyrides,Φιλυρίδης, Chiron, zoon van Philyra.Phineus,Φινεύς, 1) broeder van Cepheus, door Perseus met het Medusahoofd versteend, omdat hij van zijne verloofde Andromeda geen afstand wilde doen.—2)zoon van Agēnor, koning van Salmydessus, had bij Cleopatra twee zonen, wien hij op aandrijven zijner tweede gemalin, Idaea, de oogen liet uitsteken. Daarvoor werd hij door de Harpyieën gekweld, die zijne spijzen wegroofden of bezoedelden, totdat de Argonauten bij Ph. landden en de Harpyieën door Zetes en Calaïs verjaagd werden.—Ph. had van Apollo de kunst van voorspellen geleerd, maar had daarvan roekeloos gebruik gemaakt, waarom hij door Zeus van het gezicht beroofd werd.Phintias,Φιντίας, 1) zieDamon.—2)tyran van Agrigentum.Phintias,Φιντίας, stad aan de Zuidkust van Sicilia, door Phintias, tyran van Agrigentum, gesticht.Phla,Φλά, eilandje in het Tritonische meer in Africa, ten W. der groote Syrte.Phlegethon,Φλεγέθων=Pyriphlegeton.Phlegon,Φλέγων, van Tralles, vrijgelatene van Hadriānus, schrijver van eenige onbeduidende werken over geschiedenis. Het eenige, dat bewaard is, heeft slechts zekere belangrijkheid door de daarin bevatte aanhalingen van oudere schrijvers.Phlegra,Φλέγρα, oude naam van het schiereiland Pallēne op Chalcidice, waar Zeus de Giganten door zijn bliksems vernietigde.Phlegraei campi, ziecampi Phlegraei.Phlegyae,Φλεγύαι, een rooversstam, die den delphischen tempel wilde plunderen, en door Zeus met donder en bliksem vernietigd werd.Phlegyas,Φλεγύας, zoon van Ares en Chryse, mythisch stamvader der Phlegyers. Toen zijne dochter Corōnis bij Apollo moeder geworden was van Asclepius, stak hij in toorn den tempel van Apollo in brand. Daarvoor doodde de god hem met zijn pijlen en moet Ph. in de onderwereld onder een rotsblok zitten, dat steeds dreigt op hem te vallen.Phliasia,Φλιασία, gebied van Phlius.Phlius, gen.-untis,Φλιοῦς, stad in de Peloponnēsus, ten Z. van Sicyon. Het had slechts een klein gebied.Φλύαξ, Φλύακες. Bij de dorische comoedia, vooral op Sicilia, is niet, zooals in Attica, de satire, maar het humoristische element de hoofdzaak (z.Epicharmus); de eenvoudigste vorm hiervan is deφλύαξ, terwijl de spelers ookφλύακεςheeten. In deze stukjes worden in plaatselijk dialekt sprookjes en mythen geparodieerd (z.Sopaterno. 1). Men vindt ze in later tijd vooral in Zuid-Italië. Waarschijnlijk staan de Atellanae fabulae (z. a.) onder hun invloed. Vgl. ookMimusenRhinton.Phobētor,Φοβήτωρ, zoon van Hypnus, broeder van Morpheus (z. a.).Phocaea,Φωκαία, noordelijkste der aziatisch-ionische steden, eene belangrijke handelsstad met twee havens, gedekt door het eilandje Bacchium, dat rijk was aan tempels en prachtige gebouwen. De inwoners (Phocaei,Φωκαῆς, terwijl de bewoners van PhocisPhocenses,Φωκῆς, genoemd worden) waren onder de eersten, die koloniën stichtten, o.a. Massilia (Marseille). Toen Cyrus’ veldheer Harpagus de grieksche steden op de aziatische kust veroverde, weken de Phocaeërs uit naar Alalia op Corsica (zieAleria); een gedeelte stichtte toen Elea of Velia op de W.kust van Lucania. Later keerde echter het meerendeel uit Corsica naar Phocaea terug. In den syrischen oorlog werd Ph. door de Rom. geplunderd (190).Phoceae,Φωκέαι, sterkte in het gebied der sicilische stad Leontīni.Phocion,Φωκίων, Athener van geringe afkomst, leerling van Plato. Wegens zijnedapperheid en bekwaamheid herhaaldelijk tot strateeg gekozen, won hij den slag bij Tamynae (349/8), verjoeg hij de tyrannen Philistides en Clitarchus, nam hij Oreüs en Eretria in (341), en verdedigde hij Byzantium tegen Philippus en Megara tegen de Thebanen. Maar terwijl hij dus in het veld voor de belangen van Athene tegen Macedonië streed, was hij bij zichzelf overtuigd, dat het volk van zijn tijd voor de vrijheid ongeschikt was, en dat op den duur tegenstand tegen Philippus vruchteloos moest zijn. Daarom was hij, in tegenstelling met Demosthenes, altijd voor vrede, ried hij na den slag bij Chaeronēa tot het aannemen der voorwaarden van Philippus, en trachtte hij na diens dood de democratische bewegingen te Athene tegen te houden. Zijne eerlijkheid bleef ondertusschen boven allen twijfel verheven; wat Philippus en na hem Alexander hem ook mochten aanbieden, Ph. nam nooit geschenken of gunsten van hen aan, wel bewerkte hij, dat Alexander de redenaars vrijliet, wier uitlevering hij geëischt had, ofschoon hijzelf voor de inwilliging van dien eisch gestemd had. Het uitbreken van den lamischen oorlog zocht hij met alle kracht te beletten, en ook het aanvankelijk gunstig verloop er van stelde hem niet gerust; toen de oorlog ongelukkig voor de Grieken was afgeloopen, ging hij met Demādes naar Antipater om over den vrede te onderhandelen. In weerwil van de harde voorwaarden van den vrede, stond Ph. nu eenige jaren aan het hoofd van den staat, maar toen Antipater gestorven was, Polyperchon het herstel der oude toestanden beloofde, en Ph. zich hiertegen trachtte te verzetten, werd het volk ontevreden, vooral toen hij, hoewel gewaarschuwd, niet belette dat de bevelhebber der troepen van Antipater den Piraeus innam. Bij de nadering van Alexander, den zoon van Polyperchon, werd Ph. gevangen genomen, van verraad aangeklaagd en door de geheele volksvergadering ter dood veroordeeld (318). Hij was 81 jaar oud geworden. Kort daarna werd voor hem een standbeeld opgericht.Phocis,Φωκίς, bergachtig en niet vruchtbaar landschap van Midden-Griekenland. In de geschiedenis is het het meest bekend door de zoogenaamde heilige oorlogen. Over den eersten z.Crissa. Crisa werd verwoest en zijn gebied aan den delphischen god gewijd (± 590). De tweede oorlog had in 355 plaats, toen de Phocensers een stuk der crisaeïsche vlakte hadden bebouwd. Tot een boete veroordeeld die zij niet konden betalen, maakten zij zich van de delphische tempelschatten meester en wierven huurtroepen, die spoedig hun zelven te machtig werden. Philippus van Macedonia, door de Thebanen te hulp geroepen, drong in 346 Phocis binnen, het huurleger sloot een verdrag en liet de Phocensers aan hun lot over, die het nu ontgelden moesten. Zij werden uit het Amphictyonenverbond gestooten en hun plaats daarin werd aan Philippus gegeven. Zie verder ookAmphissa. De Parnassus met den delphischen tempel lag wel in Phocis, doch Delphi behoorde er niet toe, maar was een gemeenschappelijk gebied der Amphictyonen. In de stad Daulis behoort de mythe te huis van het zusterpaar Philomēla en Procne. De bewoners van Phocis wordenPhocenses,Φωκῆς, genoemd (ziePhocaea).Phocus,Φῶκος, 1) zoon van Poseidon, verhuisde van Corinthe naar het land, dat naar hem Phocis genoemd wordt.—2)zoon van Aeacus en Psamathe, werd door Telamon en Peleus gedood.Phocylides,Φωκυλίδης, van Milētus, gnomisch dichter uit de 6eeeuw; de korte fragmenten (gnomen), die van zijne werken bewaard zijn, zijn ernstig en eenvoudig; een langer gedicht, dat zijn naam draagt, is van veel lateren tijd.Phoebe,Φοίβη, 1) bijnaam van Artemis.—2)dochter van Uranus en Gaea, bij Coeüs moeder van Asteria en Leto, vóór Apollo bezitster van het orakel van Delphi.—3)eene van de Leucippides.—4)dochter van Leda.Phoebēum,Φοιβεῖον, vlek bij Sparta, met een tempel der Dioscuren.Phoebidas,Φοιβίδας, spartaansch veldheer, liet zich, toen hij met troepen op weg was naar Olynthus, door de oligarchische partij te Thebe overhalen om de Cadmēa te bezetten (382). Hij werd wel teruggeroepen en beboet, omdat hij zonder voorkennis der regeering gehandeld had, doch later werd hij als harmost naar Thespiae gezonden, in welke betrekking hij bij een aanval der Thebanen sneuvelde (378).Phoebus,Φοῖβος, bijn. van Apollo en Helius.Phoenīce,Φοινίκη, handelsstad in Chaonia in Epīrus, ten N. van Buthrōtum, hoofdstad van den epirotischen bond, zieEpirus.Phoenīceof-cia,Φοινίκη, het smalle kustland ten N. van Palaestina, tusschen de Middellandsche zee en den Libanon, een land, bloeiende door zeevaart, handel en nijverheid, waaronder de glasfabricatie, de purperververijen, weverijen en metaalfabrieken de hoofdtakken waren. In dien bloeitijd waren de bosschen van den Libanon nog niet geveld en ondervond het land, wat klimaat en bodem betrof, nog den weldadigen invloed daarvan. Het land vormde niet één staat, maar een bond van steden, waaronder Tyrus en Sidon de meest beroemde waren. De Phoeniciërs (Phoenīces,Φοίνικες) strekten hunne tochten uit tot ver langs de kusten van den Atlantischen oceaan, doch de kennis, op die tochten opgedaan, behoorde tot de staatsgeheimen en ging met hen verloren.Phoenīcus, gen.-untis,Φοινικοῦς, naam van verschillende steden, o. a. 1) in Ionia, aan den voet van den Mimas, tegenover het eiland Chius.—2)een zeerooversnest in Lycia, door P. Servilius Vatia in 78 vernield. Eigenlijk is het een in zee uitstekend gebergte aan de O.-kust van Lycia =Olympusno. 4.—3)op de Zuidkust van Messenia.—4)op het eiland Cythēra.Phoenix,Φοίνιξ, 1) vader of broeder vanEurōpa, mythisch stamvader der Phoeniciërs.—2)zoon van Amyntor en Cleobūle, een van de calydonische jagers. Op aansporen van zijn moeder knoopte hij liefdesbetrekkingen aan met een vrouw, die door Amyntor bemind werd, waarvoor zijn vader hem vervloekte en wegjoeg. Hij vluchtte naar Peleus, werd de opvoeder en vriend van Achilles en ging met hem naar Troje.—3)van Colophon, iambendichter tegen het einde der 4deeeuw. Van hem zijn enkele gedichten, moraliseerende choliamben, in een papyrus teruggevonden.—4)fabelachtige heilige vogel der Aegyptenaren. Over de wijze, waarop hij sterft, waren verschillende verhalen in omloop, het meest gewone is, dat hij, na een leven van 500 (of 1461, of 7006) jaar, op een door hemzelf gemaakten brandstapel den dood vindt en daarna verjongd uit de asch herboren wordt.Phoenodamas,Φοινοδάμας, Trojaan, wiens dochter door Laomedon (z. a.) geofferd zou worden aan het door Poseidon gezonden zeemonster en die daarom een opstand verwekte, zoodat Laomedon zijn eigen dochter moest offeren. Hij was de vader van Segesta, de moeder van Acestes.Pholoë,Φολόη, grensgebergte tusschen Arcadia en Elis, zijtak van den Erymanthus.Pholus,Φόλος, Centaur, die Heracles gastvrij ontving. Toen de andere Centauren Heracles lastig vielen, ontstond een gevecht, waarin bij ongeluk ook Ph. door Heracles gedood werd.Phorbas,Φόρβας, zoon van Lapithes en Orsinome, werd ingevolge een orakel door de Rhodiërs uit Thessalië geroepen om hun eiland van slangen te zuiveren. Daarvoor werd hij later door hen als heros vereerd. Hij stond Alector van Elis tegen Pelops bij, en kreeg daarvoor een deel van zijn land en zijne zuster Hyrmine; zijn afstammelingen werden koningen van Elis. Hij plunderde den delphischen tempel en werd door Apollo zelf gewond.Phorcides, Phorcynides,Φόρκιδες, de Gorgonen en Graeën, dochters van Phorcys.Phorcys, -cus,Φόρκυς, -κυν, -κος, 1) zoon van Pontus en Gaea, een van de zeegoden, vader van de Gorgonen, de Graeën, de Hesperiden, den draak Ladon en de nimfen Thoōsa en Scylla.—2)aanvoerder der Phrygiërs in den trojaanschen oorlog, door Aiax gedood.Φόρμιγξ, het oudste snareninstrument der Grieken, had veel overeenkomst met de lier en harp. Bij het bespelen hing het aan een band of riem over den schouder.Phormio,Φορμίων, 1) verdienstelijk atheensch veldheer in het begin van den peloponnesischen oorlog, behaalde o.a. bij Naupactus eene overwinning op een sterkere vloot der Spartanen (429).—2)van Ephesus, peripatetisch wijsgeer, wilde Hannibal theoretisch onderricht in de krijgskunst geven. Vandaar spreekwoordelijk voor iemand die anderen iets wil leeren, wat hij zelf minder goed verstaat.Phorōneus,Φορωνεύς, zoon van Inachus, koning van de Peloponnēsus, die den dienst van Hera invoerde, de menschen in steden vereenigde en hun het gebruik van vuur leerde. Hij werd in Argos als heros vereerd. Naar hem werden de Argiven Phoronīdae, en zijne zuster Io Phorōnis genoemd.Phosphorus, Lucifer, Eōus,Φωσφόρος, Φαεσφ., Ἑωσφ., 1) de morgenster, zoon van Astraeus of Cephalus en Eos.—2)bijnaam van de lichtgodinnen Artemis, Hecate, Eos.Phraātes,Φραάτης, naam van eenige parthische koningen uit het huis der Arsaciden. ZieArsaces.Phragandae, thracische stam op de macedonische grenzen.Phraortes,Φραόρτης, zoon en opvolger van Deïoces, regeerde over Medië (647–625); hij onderwierp de Perzen e. a. volken, maar sneuvelde in een strijd tegen de Assyriërs.Phrataphernes,Φραταφέρνης, satraap van Parthië onder Darīus Codomannus; hij streed in den slagbijGaugamēla, maar onderwierp zich daarna aan Alexander. Deze liet hem zijne satrapiën Parthia en Hyrcania, die hij gedurende zijn verder leven behield.Φρατρία, oudtijds eene afdeeling van den atheenschen adel. Door Clisthenes werd het aantal phratriën uitgebreid, en ook niet-adellijke burgers erin opgenomen. Tot Clisthenes waren in iedere phyle drie phratriën, in welke verhouding zij tot de latere phylae stonden is niet bekend. Ieder burger moest tot eene phr. behooren, jonggeboren kinderen werden op de Apaturia (z. a.) in de phr. van hun vader ingeschreven, terwijl de medeleden (φράτορες, φράτερες) tegen de inschrijving van onechte kinderen of om andere redenen onbevoegden moesten waken. Vrouwen gingen bij huwelijk in de phr. van haar man over. Ook verrichtten de leden eener phr. zekere gemeenschappelijke godsdienstige plechtigheden.Phrixa,Φρίξαof-αι, stad in Elis ten Z. van den Alphēus.Phrixus,Φρίξος, zoon van Athamas (z. a.) en Nephele. Door zijne moeder wonderdadig van den dood gered, vluchtte hij naar Aea, waar hij den ram, die hem overgebracht had, aan Zeus offerde en de gouden vacht aan Ares wijdde. Hij huwde met Chalciope, de dochter van Aeētes.Phrontis,Φρόντις, zoon van Onētor, stuurman van Menelāus. Apollo doodde hem op de terugreis van Troje, ten einde Menelāus op te houden.Phrygia,Φρυγία, gewest van Asia minor, ten O. van Lydia. Men onderscheiddePhrygia minorofPhrygia ad Hellespontum(zieMysia), waartoe ook Troas behoorde, enPhrygia maior.Onder de Rom. werd alleen het laatste met den naam van Phrygia bedoeld. De Phrygiërs waren een uitgebreid volk, dat reeds vroeg op beschaving en kunst kon bogen, doch op dit gebied bleef stilstaan, sedert zij door Croesus lydische, en later met de Lydiërs perzische onderdanen werden. Onder hun eigen koningen, de Gordiussen en Midassen, hadden zij eenmaal een machtig rijk uitgemaakt, dat zich zelfs over Lydia uitstrekte. Zij noemden zichzelven autochthonen, doch reedsbij de ouden heerschte de meening, dat de Phryges in den voorhistorischen tijd uit Thracia waren overgekomen. Eene phrygische eigenaardigheid was het uithouwen van woningen en zelfs steden in rotsen. Bij de rom. dichters is dikwijlsPhrygius= trojaansch,Phryges= Trojanen, bij Vergilius zelfs = Romeinen.Phrygia Mater=Rhea Cybele.PhrygiusofPhryx,Φρύγιος, rivier in Lydia, zijtak van den Hermus.Phryne,Φρύνη, van Thespiae, een schoone hetaere, die ten tijde van Alexander d. Gr. te Athene leefde, zeer rijk was, en tot model diende voor de cnidische Aphrodīte van Praxiteles en voor de Aphrodite Anadyomene van Apelles. Praxiteles plaatste haar beeld naast dat van Aphrodite in den tempel van Eros te Thespiae.Phrynichus,Φρύνιχος, 1) Athener, zoon van Polyphradmon, een van de oudste treurspeldichters, behaalde zijne eerste overwinning in 511. Hij was de eerste die vrouwenrollen in zijne stukken bracht en v. s. ook de eerste die zijne stukken tot trilogieën en tetralogieën vereenigde. Den meesten roem behaalde hij door de schoonheid der lyrische partijen. ZijneΜιλήτου ὰλωσις, waarin de inneming van Milētus na den ionischen opstand bezongen werd, trof de Atheners zoo, dat het stuk verboden en de dichter met 1000 drachmen beboet werd (496). In 476 werden zijneΦοίνισσαι, ook een historisch stuk, opgevoerd.—2)blijspeldichter te Athene, zoon van Eunomides, tijdgenoot van Aristophanes, door wien hij dikwijls bespot wordt.—3)tooneelspeler en danser, tijdgenoot van Aristophanes.—4)Athener, zoon van Stratonides, speelde als bevelhebber der vloot bij Samus eene zeer dubbelzinnige rol bij de onderhandelingen over de terugkomst van Alcibiades. Onder de regeering der 400 werd hij als veldheer afgezet, maar vreezende voor de wraak van Alcibiades, sloot hij zich niettemin bij de oligarchische partij aan; door deze werd hij met Antiphon als gezant naar Sparta gezonden om over vrede te onderhandelen; bij zijne terugkomst werd hij door zekeren Thrasybūlus van Calydon op straat vermoord (411).—5)grammaticus uit de tweede eeuw n. C., schrijver van een woordenboek van attische woorden en uitdrukkingen, waarvan eenige uittreksels bewaard zijn.Phrynis,Φρῦνις, van Mitylēne, beroemd dithyrambendichter tegen het einde der 5deeeuw.Phtha(s),Φθᾶ, Φθάς, aegyptisch god, vooral te Memphis vereerd, door de Grieken met Hephaestus geïdentificeerd. Hij wordt afgebeeld als een dwerg met stok en zweep, soms met een valkekop.Phthia,Φθία, 1) =Phthiōtis.—2)stad in Phthiotis, de zetel van Peleus en Achilles, waarschijnlijk in den omtrek van het latere Thebae Phthiotides.Phthiōtis,Φθιῶτις, bij Homerus Phthia, het Z. O. gewest van Thessalia, oudtijds ook wel als Achaia bekend, het stamland der Achaeërs. Hier behoorde Achilles te huis.Φυλή, bij de Grieken eene afdeeling van het volk, waarvan de leden oorspronkelijk door werkelijke of vooronderstelde gemeenschappelijke afkomst of door gemeenschappelijke woonplaatsen in nauwere betrekking tot elkander stonden. In Attica worden uit den mythischen tijd vele indeelingen vermeld, waarvan de beteekenis niet duidelijk is; de zoog. indeeling van Theseus inΕὐπατρίδαι, Γεωμόροι, Δημιοῦργοιberust blijkbaar op verschil van standen. Tot aan Solon had men de gewone ionische verdeeling in 4 phylae (Γελέοντες, Ὅπλητες, Ἀργαδεῖς, Αἰγικορῆς), die aan Ion toegeschreven wordt. Solon verdeelde de burgers naar hun vermogen in 4 klassen met verschillende staatkundige rechten:Πεντακοσιομέδιμνοι, Ἱππῆς, Ζευγῖται, Θῆτες, de oude ionische phylen bleven voor godsdienstige doeleinden daarnevens bestaan, ook toen Clisthenes eene geheel nieuwe verdeeling in 10 phylae invoerde, waaraan hij de namen van inheemsche heroën gaf. Deze phylae waren geene plaatselijke eenheden, maar werden uit drieτρίττυες(z. a.), dus uit dikwijls ver van elkander verwijderde demen samengesteld, ten einde in dezelfde phyle personen van verschillende afkomst en stand te vereenigen. Aan het hoofd van iedere phyle stondenἐπιμεληταί. Voor het leger en den raad leverde iedere phyle een gelijk aandeel. Bij de 10 phylae werden in 301 nog twee gevoegd, die naar Antigonus en Demetrius genoemd werden, in 221 kwam eene dertiende er bij, die naar Ptolemaeus (Euergetes) heette, kort daarop werden de beide eerstgenoemde opgeheven, maar in 200 werd het aantal weder op 12 gebracht door toevoeging van eene, die den naam van Attalus kreeg (z. ookΦρατρία).—In de dorische staten is de dorische bevolking overal in 3 phylae verdeeld:Ὑλλῆς, Πάμφυλοι, Δυμᾶνες, zoo genoemd naar den zoon van Heracles en de beide zonen van Aegimius; de niet dorische bevolking vormt, waar zij eenig aandeel aan het burgerrecht heeft, eene afzonderlijke phyle, zooalsinArgos en Sicyon. Iedere phyle is in 10obae(ὠβαί) verdeeld. Waarop hier de verdeeling berustte is onbekend, v. s. zijn zoowel phylae als obae plaatselijk van elkander gescheiden, ofschoon ten minste in Sparta ook eene plaatselijke indeeling in 5κῶμαιbestond.Φυλοβασιλεύς, bestuurder eener phyle in den tijd voor Clisthenes of Solon; ook toen deze phylen alleen voor den eeredienst beteekenis behouden hadden, bleef de waardigheid vanφυλοβ.bestaan.Phylace,Φυλάκη, stadje in Phthiōtis, ten O. van den Enipeus, geboorteplaats van Protesilāus.Phylacus,Φύλακος, 1) zoon van Deïon en Diomēde, vader van Iphicles no. 3, stichter van Phylace.—2)heros, die den delphischen tempel tegen de Galliërs beschermde en daarvoor te Delphi een heiligdom had.Phylarchus,Φυλαρχος, van Athene, Sicyonof Naucratis, tijdgenoot van Arātus, schreef eene geschiedenis van de jaren 272–220 in 28 boeken. Zijn werk wordt, voor zoover men uit de weinige fragmenten kan opmaken ten onrechte, door Polybius en Plutarchus streng veroordeeld; toch maakte laatstgenoemde er veel gebruik van.Phyle,Φυλή, sterk kasteel in Attica aan de Zuidwestelijke helling van den Parnes, 3 uur afstands ten N. van Athene. In den tijd der 30 te Athene (404–403) bezette Thrasybūlus aan het hoofd der atheensche ballingen deze sterkte en maakte zich van daar uit van den Piraeus meester.Phyleus,Φυλεύς, zoon van Augīas, een van de deelnemers aan de calydonische jacht, werd door zijn vader verjaagd, omdat hij voor Heracles partij getrokken had. Deze bracht hem later in zijn vaderlijk rijk terug, maar hij liet het aan zijn broeder Agasthenes over en ging naar Dulichium.Phyllidas,Φυλλίδας, Thebaan, die in weerwil van zijne democratische gezindheid gedurende de spartaansche bezetting geheimschrijver der polemarchen werd. Hij begunstigde de samenzwering van Pelopidas en noodigde de polemarchen Archias en Philippus in zijn huis tot een feest, waarbij zij door de saamgezworenen gedood werden.Phyllis,Φυλλίς, z.Demophonno. 2.Phyllis,Φυλλίς, landstreek aan den mons Pangaeus.Phyllus,Φύλλος, stad in Thessaliōtis, bij den Enipeus, met een Apollo-tempel. Dichterlijk:Phillēius= thessalisch.Physcon,Φύσκων, dikbuik, bijnaam van Ptolemaeus VII.Physcus,Φύσκος, 1) zijtak van den Tigris, die zich bij de stad Opis met den hoofdstroom vereenigt.—2)berg in Bruttii, bij Croton.—3)haven op de Z. kust van Caria.Phytalus,Φύταλος, een heros van Eleusis, die Demēter op hare zwerftochten gastvrij ontving. Tot belooning leerde zij hem het kweeken van den vijgeboom.Phyxius,Φύξιος, beschermer der vluchtelingen, bijnaam van Zeus bij de Thessaliërs.Picentes, Picēni, bewoners van Picēnum.Picentia, tgw. Vicenza, hoofdstad der Picentīni, nabij de golf van Paestum (golf van Salerno).Picentīni, een gedeelte der Picentes, dat uit Picēnum naar het Z.O. van Campania was verhuisd.Picēnum,Πικεντίνη, kustland van Italia aan de Adriatische zee, tusschen Umbria en Samnium gelegen. De bewoners, Picēni, Picentes, waren van sabijnschen stam. In 268 werden zij door de Rom. onderworpen. Een gedeelte der Piceners werd daarna naar Campania overgebracht en zette zich aan den sinus Paestānus (golf v. Salerno) neder, waar zij naar hunne hoofdstad Picentia den naam Picentīni kregen.Pictāvi, ziePictones.Picti, in de 4deeeuw n. Chr. voor het eerst voorkomende naam van een volksstam in het Noorden van Schotland; ze woonden ten N. van de Firth of Forth, terwijl deScoti, die tegelijk met hen optreden, in Zuid-Schotland en Ierland wonen.PictonesofPictāvi, machtig gallisch volk in het tegenw. Poitou. Hoofdstad: Limōnum (Poitiers).Pictor, zieFabiino. 24 vv.Picumnus, italiaansche god van den landbouw, die het bemesten der landerijen zou uitgevonden hebben. Hij was de broeder van Pilumnus (z. a.).Picus, veld- en boschgod der Romeinen, wiens dienst reeds vroeg verouderd was. Hij wordt de zoon van Saturnus, de gemaal van Pomōna of van de nimf Canens, de vader van Faunus genoemd. Daar hij de liefde van Circe onbeantwoord liet, veranderde zij hem in een specht. Hij wordt voorgesteld als een specht op een zuil zittend, of als een jongeling met een specht op het hoofd.Pieria,Πιερία, 1) landschap van Macedonia op de grenzen van Thessalia, in het N. door den Haliacmon, in het O. door de golf van Thermae begrensd. Dit Pieria was de zetel van den Muzendienst (ziePierides), aan wie de berg Pierus geheiligd was. De Pieriërs waren een thracische stam; in de 7deeeuw werden zij door de Macedoniërs verdreven en vestigden zij zich aan den Strymon, in den omtrek van den mons Pangaeus, ook deze streek kreeg toen den naam Pieria.—2)landstreek in het N. der syrische kust, tusschen de golf van Issus en den Orontes, aan den berg Pieria, een uitlooper van den Amānus.—3)(of Pierium,Πιέριον), berg in het W. van Thessalia.Pierides,Πιερίδες, de Muzen, naar hare geboorteplaats Pieria.Pierus,Πίερος, koning van Emathia, vader der Emathides.Pierus,Πίερος, berg in het W. van Thessalia =Pieriano. 3.Pignoris capio.Wanneer een rom. burger zijne verplichtingen niet nakwam, waren er gevallen, waarin de praetor aan de benadeelde partij verlof gaf, een of ander eigendom van den nalatige in pand te nemen. Kwam de laatste dan binnen zekeren tijd zijne verplichtingen nog niet na en loste hij dus het pand niet in, dan konde de ander het verkoopen en zich uit de opbrengst schadeloos stellen.Pigres,Πίγρης, zoon of broeder van Artemisia no. 1, v. s. dichter der Batrachomyomachie, zie ookMargītes.Pigrum mare, de gestolde zee, zieCronium mare.Pilāni, ziehastati.Pilentum, een vierwielige, door twee paarden getrokken, overdekte wagen (currus arcuatus), waarinflamines, Vestalesenmatronaenaar offers en spelen reden.Pileus,πῖλος, vilten hoed of liever muts voor mannen, bij verschillende volken in verschillende fatsoenen in gebruik. De Rom. droegen denpileuszelden, althans in de stad; bij goed weder gingen zij meest blootshoofds, bij regen trokken zij zich een kap ofcucullusover het hoofd. Slaven mochten geenhoofddeksel dragen; vandaar dikwijlsius pilei=libertas.Pilōrus,Πιλωρός, stadje op het chalcidische schiereiland Sithonia, aan den sinus Singiticus.Pilum.Pilum.Pilum, de beroemde rom. werpspies, niet lang, slechts ongeveer 2 meter, maar zwaar en met een scherp gestaalde van weerhaken voorziene punt. De schacht was zoo in het ijzer (of omgekeerd) bevestigd, dat zij bij pogingen om de speer ergens uit te rukken, licht afbrak, evenals de fijne punt, zoodat de vijand het wapen niet kon terugwerpen. De rom. soldaten waren in het gebruik van dit wapen zeer geoefend. De aanval begon in den regel met het werpen van het pilum; door schilden van hout- of teenwerk drong het met gemak heen, reeg ze zelfs aan elkaâr, en noodzaakte dan door zijne zwaarte den vijand zich te ontblooten, terwijl onmiddellijk de aanval met het zwaard volgde.Pilumnus, 1) landelijke godheid der Rom., die den Italianen het dorschen, eig. het stampen (pinsere), van het koren geleerd had. Hij was een broeder van Picumnus; in een huis, waar een kind geboren was, werd gedurende de eerste dagen voor beiden in het atrium een bed gespreid, zie ookDeverra.—2)z.Danaē.Pimplēae, Pimpleides,Πιμπληίδες, bijnaam der Muzen, naar de stad Pimplēa in Piërië of naar een bron van dien naam aan den Helicon.Pinara,τὰ Πίναρα, stad in Lycia aan den berg Cragus.Pinaria(lex)annalisvan den volkstribuun M. Pinarius Rusca. Deze wet is een voorlooper van delex Villia annalis(z. a.) van 180.Pinaria Furia Postumia(lex) van de drie consulairtribunen L. Pinarius Mamercīnus Rufus, L. Furius Medullīnus Fusus en Sp. Postumius Albus Regillensis, 332. Deze wet verbood bij het dingen naar eenig ambt detogakunstmatig wit te maken. De wet is spoedig in onbruik geraakt.Pinarii, oud rom. geslacht, dat met een ander oud geslacht, dePotitii, in het erfelijk bezit was van een priesterambt van Hercules, dat in overouden tijd door Euander zou zijn ingesteld. Volgens de sage kwamen bij het eerste offermaal de Pinarii te laat aan tafel en werd hun ten eeuwigen dage als boete opgelegd, bij de offermaaltijden eerst te verschijnen, wanneer een gedeelte reeds genuttigd was. In 312 en 311 stierven de Potitii uit, omdat zij den dienst door servi publici hadden laten waarnemen, terwijl de censor Appius Claudius, op wiens raad dit was geschied, volgens het latere verhaal door den vertoornden halfgod met blindheid werd geslagen. In werkelijkheid heeft App. Claudius den eeredienst van Hercules aan de Ara Maxima, die eensacrum gentiliciumvan de Potitii en Pinarii was, tot staatsgodsdienst gemaakt, waarbij het offer verricht werd door denpraetor urbanus. Enkele leden van degens Pinariakomen als overheden en legeraanvoerders voor. Onder Cicero’s vrienden worden twee broeders vermeld, T. en L., doch ook een tegenstander, L. Pinarius Natta, die als pontifex, ten gevalle van zijn zwager P. Clodius, het huis van Cicero aan den dienst der goden wijdde, waardoor Clodius zocht te verhinderen, dat de plek ooit weder in Cicero’s bezit zou terugkeeren. Nog een L. Pinarius, met Caesar verwant, kreeg van Antonius het bevel in Africa, doch ging later tot de partij van Octaviānus over.Pinarus,Πίναρος, rivier in Cilicia, die op den Amānus ontspringt en in de golf van Issus valt.Pincius(mons), ookcollis hortorumgeheeten, thans monte Pincio, heuvel, onmiddellijk ten N. van Rome gelegen en door keizer Aureliānus grootendeels binnen den nieuwen vestingmuur getrokken.Pindarus,Πίνδαρος, Thebaan, de grootste lyrische dichter der Grieken, geb. 522. Hij was uit het geslacht der Aegiden, waartoe vele bekwame toonkunstenaars behoord hadden, verder genoot hij het onderwijs van Lasus van Hermione en van Myrtis en Corinna. Algemeen geëerd en bemind, had hij in alle deelen van Griekenland vrienden, die hij nu en dan bezocht, o. a. Hiero, Theron, de Aleuaden; ook bij de groote nationale feesten was hij dikwijls tegenwoordig, overigens leefde hij rustig in zijne geboorteplaats, waar hij na 442 stierf. Van zijne talrijke lierdichten van alle soort zijn bewaard gebleven 45 zegezangen ter eere van overwinnaars bij groote feesten, waarvan hij het oudste reeds op twintigjarigen leeftijd dichtte. Zij munten uit door krachtige en afwisselende taal, rijkdom en verhevenheid van gedachten en verscheidenheid van versbouw. Van zijne andere werken (hymnen, partheniën, enz.) hebben wij slechts fragmenten.Pindenissus,Πινδενίσσος, stad der Eleutherocilices in het Amānusgeb., door Cicero veroverd (51).Pindus,Πίνδος, 1) grensgebergte tusschen Epīrus en Thessalia, waarvan de Lacmon of Lacmus het hoogste gedeelte is.—2)eene der steden van de dorische tetrapolis, in het landschap Doris, ook Acypha geheeten.Pinna, hoofdstad der Vestīni, die ten Z. van Picēnum tusschen de Apennijnen en de Adriatische zee woonden. De stad lag in eene heerlijke omgeving.Pirae(e)us,Πειραιεύς, de havenstad van Athene, door Themistocles aangelegd, en later door Pericles verder afgewerkt. Toen Themistocles een moderne vloot van triëren wilde bouwen, was de open bocht van Phalēron als oorlogshaven niet meer geschikt. Daarom richtte hij het schiereiland Piraeus als havenstad in, en omgaf het met stevige muren; Munichia, de heuvel ten Oosten, werd hiervan de burcht. De stad had 3 havens, de westelijke, de eigenlijke Piraeus, diende voornamelijk voor het handelsverkeer. De invaart werd bewaakt door twee torens en kon door zware kettingen worden afgesloten. Aan de andere, de oostelijke, zijde van de stad vond men de oorlogshavens Zea en Munichia. De stad was volgens het plan van Hippodamus van Milete aangelegd met rechte straten, die elkaar rechthoekig sneden. Men vond er verder scheepswerven, een groot korenmagazijn, een groote beurs (τὸ δεῖγμα), een arsenaal (σκευοθήκη), een theater, enz. Een tijd lang, in de 4deeeuw, was de bevolking van den Piraeus even talrijk als die van Athene zelf. De wegen, die van den Piraeus naar Athene voerden, lagen tusschen de lange muren,τὰ μακρὰ τείχη, τὰ σκέλη, besloten. Oorspronkelijk waren er twee muren, één naar de N.-zijde van den Piraeus, één naar Phalēron; maar Pericles liet nog een tusschenmuur bouwen, en nu liet men den Phalerischen muur vervallen.Piraeus,Πειραιός, open haven op de Oostkust van Corinthia, nabij de grens van het gebied van Epidaurus. De Atheners hielden hier in 412 eene spartaansche vloot ingesloten.PiraicusofPyreicus, bekwaam genreschilder (rhyparograaf), waarschijnlijk uit den hellenistischen tijd, wiens schilderijen om hunne zorgvuldige bewerking bij de Rom. zeer gezocht waren.Piraticum bellum.In het bijzonder wordt hieronder verstaan de bekende tocht van Pompeius in 67 tegen de zeeroovers ondernomen (zieGabinia lex). Wel waren nu en dan verschillende kuststreken, waarvan de inwoners zeeroof dreven, getuchtigd, doch eerst in 67 werd tot een algemeenen maatregel besloten. Pompeius, wien de beschikking was gegeven over zooveel strijdkrachten als hij meende noodig te hebben, slaagde er in, door eene drijfjacht op groote schaal van de straat van Gibraltar tot aan de kusten van Cilicia den zeeroof voor het oogenblik uit te roeien, meer dan 1000 roofschepen te vernielen, werven en roofnesten te verwoesten en de Middellandsche zee weder voor rom. schepen veilig bevaarbaar te maken.Pirēne,Πειρήνη, nimf, dochter van Obalus, treurde om den dood van haar zoon, totdat zij in een bron veranderde, die haar naam draagt en bij welke Bellerophon het gevleugelde paard Pegasus opving, terwijl het zijn dorst leschte. De bron lag binnen de muren der acropolis van Corinthus. DichterlijkΠειρήνης ἄστυenPirēnis Ephyre= Corinthus,Πειρηναῖος πῶλος= Pegasus.Pirisabora, sterke vesting in Babylonia, aan den Euphraat, ten N. van Babylon.Pirithous,Πειρίθοος, zoon van Zeus of Ixīon en Dia. Op zijne bruiloft met Hippodamēa ontstond de geweldige strijd tusschen de Centauren en Lapithen, daar eerstgenoemden de bruid en andere vrouwen wilden ontvoeren. Later hielp hij Theseus bij het schaken van Helena, hijzelf wilde Persephone ontvoeren en daalde daarvoor met Theseus in de onderwereld af, doch Hades klonk hen aan een rots vast, waarvan alleen Theseus na eenigen tijd door Heracles weder losgemaakt werd.Pirus,Πεῖρος, Πίερος, hoofdriviertje van Achaia, dat zich ten W. van Olenus in de golf van Patrae stortte.Pirustae,Πιροῦσται, roofziek volk in Illyris, dat zich in 168 in den oorlog tegen Gentius bij de Rom. aansloot.Pisa,Πίσα, stad in Elis, even ten N. van den Alphēus nabij Olympia gelegen. Pisa voerde met het landschap Elis een langen strijd over het bestuur van het olympische tempelgebied, tot het de nederlaag leed en verwoest werd (572).Pisae,Πισαί, nabij de samenvloeiing van den Anser en den Arnus (Arno). De stad behoorde oorspronkelijk niet tot Etruria, waartoe ze later gerekend wordt. Ze had reeds vroeg handel met Griekenland, en een flinke marine, om zich tegen de ten N. wonende Liguriërs te kunnen verdedigen. In 180 werden op haar gebied de kolonien Luna en Luca aangelegd. Sedert Augustus is het rom. kolonie. In de nabijheid zijn heete bronnen,aquae Pisanae. Thans Pisa.Pisander,Πείσανδρος, 1) van Camīrus, episch dichter omstreeks het midden der 7dev. a. der 6deeeuw. In zijneἩράκλειαwerd Heracles voor het eerst voorgesteld als de held, die met buitengewone lichaamskracht begaafd, alleen met knots en leeuwenhuid gewapend, zijne twaalf werken volbrengt. In den alexandrijnschen canon werd hij na Homerus en Hesiodus genoemd.—2)Athener, de grootste ijveraar voor de oligarchische omwenteling van 411. Na den val van de regeering der 400, waartoe hij behoord had, vluchtte hij naar de Spartanen te Decelēa.—3)van Laranda, episch dichter onder Alexander Sevērus. Er zijn nog fragmenten over.PisātisofPisaea,Πισᾶτις, Πισαία, het land van Pisa (z. a.), het middengedeelte van Elis.Pisaurum,Πισαῦρον, oude stad in Umbria, in den ager Gallicus, aan den mond van den Pisaurus, rom. kolonie sinds 184. Thans Pesaro.Pisces,Ἰχθύες, het sterrenbeeld de Visschen. Men verhaalde, dat het de visschen waren, die Isis of Derceto gered hadden, toen zij in zee gevallen was.Pisidia,Πισιδία, bergachtig gewest op de Z.kust van Voor-Azië, ten N. van Pamphylia, lang als een stuk hiervan beschouwd. De inwoners, Pisidae,Πισίδαι, waren een dapper volk, dat, in zijn bergen verschanst, lang alle vreemde overheersching afsloeg,en slechts noode het hoofd boog voor Rome.Pisidice,Πεισιδίκη, eene van de dochters van Pelias.Pisistratus,Πεισίστρατος, 1) zoon van Nestor en Anaxibia, vergezelde Telemachus op zijne reis van Pylus naar Sparta.—2)Athener, zoon van Hippocrates, uit het geslacht der Philaiden, bloedverwant van Solon. Nadat deze uit Athene vertrokken was, trad P. in het openbaar op (571), hij voegde zich bij de partij der Diacriërs, en door zijne groote bekwaamheden werd hij weldra als de leider er van erkend. Nadat hij eenmaal, vooral door de verovering van Nisaea, de gunst van het volk verworven had, wist hij, onder voorwendsel dat hij ternauwernood aan een aanslag zijner vijanden ontsnapt was, in weerwil van Solon’s tegenspraak, te bewerken dat hem een lijfwacht gegeven werd, waarmede hij zich van de acropolis en van de alleenheerschappij meester maakte (560). Doch weldra vereenigden zich de beide andere partijen, de Pediaeërs onder Lycurgus en de Paraliërs onder den Alcmaeonide Megacles, tegen hem; hij moest Athene verlaten en bleef vijf jaar in ballingschap. Toen echter weder tusschen Lycurgus en Megacles oneenigheid ontstond, bood laatstgenoemde aan P. de hand ter verzoening en gaf hem zijne dochter ten huwelijk, en zoo kwam P. weder in feestelijken optocht in de stad terug, begeleid, naar het heette, door de godin Athena zelve, die door eene schoone en groote vrouw werd voorgesteld. Na korten tijd geraakte hij weder met zijn schoonvader in onmin, en weder moest hij uit de stad wijken; hij ging naar Eretria, en nu duurde het elf jaar eer hij zich door bondgenootschappen met Argos, Thebae e. a. genoeg versterkt had om een gewapenden inval in Attica te wagen, die het gewenschte gevolg had; tot aan zijn dood (528) bleef hij nu in het ongestoord bezit der regeering, die daarna onbetwist op zijn zoon Hippias overging. Ofschoon hij in de laatste periode eenigszins strenger regeerde, was zijne heerschappij ver van drukkend, hij handhaafde recht en wet, hield de instellingen van Solon in stand, bevorderde vooral de stoffelijke welvaart van het volk en beschermde kunsten en wetenschappen. O. a. werden onder zijne regeering voor het eerst de gedichten van Homerus tot een geheel vereenigd.Piso, familienaam in degens Calpurnia(Calpurniino. 1–13).Pissuthnes,Πισσούθνης, satraap van Lydië, betoonde zich voor en gedurende den peloponnesischen oorlog een vijand der Atheners. In 414 kwam hij in opstand tegen den koning en werd hij door Tissaphernes gevangen genomen en ter dood gebracht.Pistor, bakker, bijnaam aan Jupiter gegeven, omdat, volgens het aardige verhaal van Ovidius, op zijne ingeving de belegerden op het Capitolium aan de Galliërs brood toewierpen en hen daardoor in den waan brachten, dat zij overvloed van spijs hadden.Pistoria,Πιστωρία, stadje in het N. van Etruria; in de nabijheid sneuvelde Catilīna (62).Pitane,Πιτάνη, 1) vlek of buitenwijk van Sparta, met een tempel van Artemis.—2)havenstad van Aeolis, tegenover Lesbus.Pithecūsa,Πιθηκοῦσα, oude naam voor Aenaria, z. a.Πιθοιγία, de eerste dag der Anthesteria (z. a.).Pitholeon, een Rhodiër, die te Rome woonde, hij maakte onbeduidende verzen, waarin hij Grieksch en Latijn dooreenmengde. Hij is identisch met Pitholaus, z.Voltacilius Pitholaus, wiens naam door Horatius eenigszins gewijzigd is, omdat die niet in de maat paste. Hij beschimpte in zijn liederen Caesar.PithonofPython,Πίθων, Πείθ., Πύθ.1) zoon van Agēnor, bevelhebber van een legerkorps bij Alexanders tocht naar Indië, waar hij als stadhouder achtergelaten werd. Later nam hij deel aan de krijgstochten van Antigonus; hij sneuvelde in den slag bij Gaza (312).—2)zoon van Crateas, behoorde tot de lijfwacht van Alexander. Bij de verdeeling van het rijk kreeg hij een deel van Medië, hij trok met Perdiccas naar Aegypte en veroorzaakte mede den opstand, die diens dood ten gevolge had. Daarop werd hij op voorstel van Ptolemaeus tot rijksbestuurder benoemd (321), doch deze betrekking moest hij spoedig aan Antipater afstaan. Zijne pogingen om in de oostelijke provinciën een eigen rijk te stichten mislukten, hij moest Antigonus en Seleucus helpen bij het beoorlogen van Eumenes, en daar hij in het leger van Antigonus aanhangers zocht te winnen voor zijne persoonlijke bedoelingen, liet deze hem dooden (316).Pittacus,Πιττακός, van Mytilēne, een van de 7 wijzen van Griekenland, wiens spreuk was:καιρὸν γνῶθι, let op het juiste oogenblik, voerde zijne medeburgers aan in den oorlog, dien zij met de Atheners, om het bezit van Sigēum voerden, en behaalde door list eene overwinning op den atheenschen veldheer Phrynon (607). In de later ontstane burgertwisten stond hij, als hoofd der volkspartij, tegenover zijn vroegeren vriend Alcaeus, eindelijk werd hij tot aesymnētes gekozen (omstreeks 595), eene waardigheid, die hij 10 jaar lang met wijsheid en rechtvaardigheid bekleedde en op 70-jarigen leeftijd vrijwillig nederlegde. Sedert dien tijd schijnt hij zich van het openbare leven teruggetrokken te hebben; tien jaar daarna stierf hij.Pitthēis, Aethra, dochter van Pittheus.Pittheus,Πιτθεύς, zoon van Pelops, koning van Troezen, grootvader van Theseus, die bij hem werd opgevoed.Pityocamptes,Πιτυοκάμπτης, pijnboombuiger, bijnaam van Sinis (z. a.).Pitys,Πίτυς, eene nimf, die door Pan bemind werd, en toen zij hem niet konde ontvluchten, op haar gebed door de goden in een pijnboom werd veranderd.Pityus, g.-untis,Πιτυοῦς, pijnboomstad, belangrijke grensstad in Pontus, aan den N.O.-hoek van den Pontus Euxīnus, aan den voet van den Caucasus; in den lateren keizertijd ballingsoord.Pityūsa,Πιτυοῦσσα= het pijnboomrijke, oude naam van Lampsacus, van Salamis en van Chius.Pityūsae insulae,Πιτυοῦσσαι, pijnboomeilanden, op de kust van Hispania, twee eilandjes, thans nog Pityusen geheeten: Ebusus (Iviza) en Ophiūsa = slangeneiland (Formentera).Pius, zieMetellino. 17 en 18 in degens CaeciliaenAntonīnus Pius.Placentia, thans Piacenza, aanzienlijke handelsplaats in Gallia Cispadāna aan de samenvloeiing van de Trebia met den Padus (Po). In 219, vóór het uitbreken van den tweeden punischen oorlog, stichtten de Rom. te Placentia en te Cremōna lat. koloniën. In 200 werd Plac. door de Galliërs verwoest, doch spoedig daarop door de Rom. herbouwd, en in 190 evenals Cremōna met vele nieuwe kolonisten versterkt. In 90 kreeg de stad het Rom. burgerrecht.Placia,Πλακία, oude pelasgische volkplanting aan de Propontis, ten O. van Cyzicus.Placus,Πλάκος, oostelijke uitlooper van het Idagebergte. Aan den voet daarvan lag Thebe.Plaetoria(lex) van den volkstribuun M. Plaetorius, waarschijnlijk in 242, v. a. na 227, dat een praetor binnen Rome niet meer dan twee lictoren mocht hebben.Plaetoria(lex), uit het jaar 191 of vroeger, waarbij jongelieden beneden 25 jaar, die reedssui iuriswaren, toch onder curateele gesteld werden. Ziecuratio.Plaetorii, plebejisch geslacht. 1)M. Plaetorius Cestiānus, was in 66 te gelijk met Cicero praetor. In 69 trad hij op als aanklager van Fonteius, die door Cicero verdedigd werd.—2)Plaetorius Rustiānuskwam na den slag bij Thapsus (46) te gelijk met Q. Metellus Scipio op de vlucht om.—3)Plaetorius(Platorius)Nepos, vertrouwde van keizer Hadriānus, doch in diens laatste regeeringsjaren uit achterdocht door hem vervolgd.Planasia,Πλανασία, eiland tusschen Corsica en Etruria, waarheen Augustus’ kleinzoon Agrippa Postumus verbannen werd.Plancii. 1)Cn. Plancius, rom. ridder uit Atīna, verdedigde als een der aanzienlijkste publicani met nadruk hun verzoek om vermindering van pacht (59).—2)Cn. Plancius, zoon van no. 1, diende eerst onder Metellus op Creta, bewees later als quaestor van Macedonia groote diensten aan Cicero in diens ballingschap en werd in 54 door hem in een procesde ambitumet goed gevolg verdedigd. ZieIuventiino. 3. In 46 leefde hij als aanhanger van Pompeius in ballingschap te Corcȳra.Planctae,Πλαγκταί, vuurspuwende en in rook gehulde rotsen, tegen welke de schepen, door een onweerstaanbare strooming getrokken, te pletter slaan. Zij bevinden zich volgens Homerus in de nabijheid van Scylla en Charybdis, v. s. staan zij aan den westelijken ingang der sicilische zeeëngte, v. a. zijn het de Aeolische of Liparische eilanden. Zij worden dikwijls met de Symplegadēs verward.Plancus, familienaam in degens Munatia.Plataeae, ook-taea,Πλαταιαί, -ταιά, beroemde stad in Boeotia, aan de Noordzijde van den Cithaeron. Plataeae stond vijandig tegenover Thebae en sloot zich sedert ± 519 nauw bij Athene aan. Terwijl Thebe zich aan de Perzen onderwierp, leverde Pl. in den slag bij Marathon (490) 1000 man hulptroepen aan de Atheners. Xerxes verwoestte de stad in 480 op aansporing der Thebanen. Bij de puinhoopen had in 479 de slag plaats, waarin de perzische veldheer Mardonius sneuvelde en waartoe de Plataeërs weder 600 man leverden. Pl. werd herbouwd en door de Grieken ontslagen van Thebe’s hegemonie. Na een vruchtelooze poging der Thebanen om Plataeae te overrompelen, werd de stad in het begin van den peloponnesischen oorlog, omdat zij zich niet tegen Athene wilde verklaren, door de Spartanen ingesloten en na vergeefsche pogingen om ze in te nemen door honger tot de overgaaf genoodzaakt (427). Een deel der bevolking ontkwam en vestigde zich te Sciōne op het schiereiland Pallēne. In 383 werd Pl. nogmaals herbouwd, doch in 372 door de Thebanen op nieuw verwoest. Onder macedonisch bestuur herrees het weder.Platanistas, eene ruimte bij Sparta, aan den Eurōtas, met plataanboomen beplant en met standbeelden van heroën versierd, en door de spartaansche jongelingschap tot lichaamsoefeningen gebezigd.Platea,Πλατέα, eiland op de kust van Cyrenaïca.Plato,Πλάτων, 1) Athener, zoon van Ariston en Perictione, geb. 427, aanvankelijk Aristocles genoemd, kreeg later door zijn gymnastiekmeester Ariston of door Socrates den naam Plato, debreede. Uit een edel geslacht gesproten, door de beste leermeesters onderwezen, dichterlijk van natuur, beproefde hij reeds jong zijne krachten in de poëzie, terwijl hij tevens kennis maakte met de stelsels van Heraclītus, Parmenides, Anaxagoras e. a. Op zijn 20stejaar leerde hij Socrates kennen, van hun omgang is weinig bekend, alleen weten wij, dat P. spoedig de voortreffelijkste leerling van Socrates was en dat hij aan zijn leermeester met de grootste genegenheid en eerbied verknocht was. Na den dood van Socrates ging hij vooreerst met vele andere van diens aanhangers naar Megara, maar weldra ging hij, door de zucht naar kennis gedreven, reizen doen naar Cyrēne, Aegypte en Italië. In Italië kwam hij in aanraking met de volgelingen van Pythagoras, op Sicilië leerde hij door zijn vriend Dio den ouden Dionysius kennen, wiens ongenade hij zich echter spoedig door zijne vrijmoedigheid op den hals haalde en die hem als slaaf liet verkoopen (z.Pollis). Door Anniceris losgekocht en naar Athene teruggekeerd (388), begon hij zijne voordrachten in de Academie (z. a.), die hij de volgende 20 jaar onafgebroken met den grootsten bijval voortzette. Toen hij echter van Dio eene uitnoodiging ontving om naar Syracūsaete komen en daar als leider en raadsman van den jongen Dionysius op te treden, nam hij die gaarne aan, daar zich nu, naar hij meende, eene gunstige gelegenheid aanbood om door een wijsgeerig gevormd vorst sommige van zijne theorieën in praktijk te doen brengen. De zaak kwam echter geheel anders uit. Dio viel spoedig in ongenade en werd verbannen en ook voor P. werden de toestanden te Syracusae onhoudbaar. Met moeite kreeg hij verlof te vertrekken (365) en op een latere reis naar Syracusae, ondernomen met het doel om eene verzoening tusschen Dionysius en Dio te bewerken (361), kwam hij zelfs door het wantrouwen van den tyran in levensgevaar en had hij zijn behoud alleen aan den invloed van Archȳtas te danken. Het overige van zijn leven wijdde hij nu uitsluitend aan het onderwijs der wijsbegeerte, totdat hij, nog krachtig werkzaam als leeraar en schrijver, in den ouderdom van 80 jaar overleed.—Te midden van de veelheid en afwisseling der zinnelijk waarneembare voorwerpen zoekt P. het eene en onveranderlijke in de idee (ἰδέα, εἶδος); de ideeën zijn nl. de geheel op zichzelf staande eigenschappen der stoffelijke dingen, zelve niet aan stof, tijd of plaats gebonden, zij zijn, hoewel geen afgetrokken begrippen, toch niet zinnelijk waarneembaar, maar de kennis er van is alleen te bereiken door de dialektiek (διαλεκτική), de kunst, die leert van het bizondere tot het algemeene op te klimmen en omgekeerd weder tot het bizondere af te dalen. De individuën staan in betrekking met de ideeën of zijn afbeeldingen er van, toch kent P. aan de ideeën zelf nu en dan zekere mate van persoonlijkheid toe, en over de idee van het goede spreekt hij als over de hoogste godheid zelf. De wereld is niet eeuwig, maar door den schepper (δημιουργός) uit ongeordende stof (ἄπειρον) tot een goed geordend geheel (κόσμος) gemaakt. De menschelijke ziel is onsterfelijk en bestaat uit drie deelen: verstand (λογιστικόν, νοῦς), moed (θυμοειδές), begeerte (ἐπιθυμητικόν). Het hoogste goed bereikt men door het streven naar gelijkheid met het absoluut goede, en daartoe moet ieder deel der ziel zijn eigenaardige deugden hebben, resp. wijsheid, dapperheid en zelfbeheersching, die met elkander vereenigd de hoogste deugd, rechtvaardigheid, vormen. Deze leer en hare toepassingen op staatsinrichting, opvoeding, kunst, enz. heeft P. gedurende eene bijna veertigjarige werkzaamheid onderwezen, deels in gesprekken op de wijze van Socrates, deels in samenhangende voordrachten, deels ook door zijne werken; deze laatste zijn, naar men gelooft, alle bewaard gebleven, daarentegen zijn onder die, welke zijn naam dragen, sommige zeker onecht; bijna alle zijn geschreven in den vorm van gesprekken van Socrates. De belangrijksteδιάλογοιzijn:Ἀπολογία, Κρίτων, Ἴων, Πρωταγόρας, Μένων, Γοργίας, Εὐθύδημος, Συμπόσιον(385),Φαίδων, Πολιτεία(ongeveer 380–370),Φαῖδρος, Τίμαιος. Zijn laatste werk zijn deΝόμοι. Hij werd in de oudheid als de eerste der wijsgeeren beschouwd, en zijne leer, hoewel uitgebreid en dikwijls gewijzigd, vond nog tot in de laatste tijden van het heidendom talrijke aanhangers, totdat Iustiniānus in 529 n. C. alle onderwijs in de wijsbegeerte verbood. Zijn opvolger als hoofd der academie was Speusippus, de zoon zijner zuster.—2)Athener, hooggeschatblijspeldichter, tijdgenoot van Aristophanes; van zijne 28 stukken zijn talrijke fragmenten bewaard.Platorius Nepos, ziePlaetoriino. 3.PlautiaofPlotia(lex)de vi, waarschijnlijk op verzoek van den consul Q. Lutatius Catulus (Lutatiino. 5) door een volkstribuun Plautius in 78 gemaakt, ook wellex Lutatiageheeten, waarbij een afzonderlijke rechtbank (quaestio perpetua) werd ingesteld ter bestraffing van opstand, samenrotting, het vormen van benden gewapenden, het vernielen van huizen, enz., hetgeen alles onder het begripviswerd samengevat.Plautia(lex), aangenomen na het jaar 77, waarbij aan de volgelingen van Lepidus (Aemiliino. 3) vergund werd, in het vaderland terug te keeren. De voorsteller van de wet is onbekend.Plautia Papiria(lex), van de volkstribunen M. Plautius Silvānus en C. Papirius Carbo, in 89, gaf aan de burgers van italischecivitates foederataebezuiden den Po gelegenheid, zich, mits binnen 60 dagen, bij den praetor urbanus als rom. burgers te doen inschrijven.Plautiae leges, 1)iudiciaria, van den volkstribuun M. Plautius Silvānus, 89, dat uit elke der 35 tribus door het volk 15 mannen als rechters zouden gekozen worden.—2)lex Plautia agraria, zieAgrariae(leges).PlautiiofPlotii. 1)C. Plautius Proculus, consul in 358, streed met succes tegen de Hernici.—2)C. Plautius Venno Hypsaeus, consul in 347 en 341, streed in 341 tegen de Privernaten en Antiaten. In dat jaar moesten hij en zijn ambtgenoot, nog voordat hun ambtsjaar verstreken was, hunne waardigheid nederleggen, daar de senaat den op handen zijnden latijnschen oorlog aan versche mannen wilde opdragen.—3)C. Plautius Deciānus, consul in 329 en 328, hield een zegetocht over de Privernaten. Hij verschafte hun daarop het Romeinsche burgerrecht.—4)C. Plautius, Venoxbijgenaamd wegens het opsporen van aderen (venae) voor een waterleiding in 312, was met App. Claudius (Caecus)censorin 312. Toen er 18 maanden van hunne censuur verstreken waren, legde Plautius zijn ambt neer; Claudius daarentegen bleef in functie, om de groote bouwwerken, die hij onder handen had, devia Appiaen deaqua Appia, af te maken. Het verhaal van hun oneenigheden, en dat Claudius Plautius zou om den tuin geleid hebben, is onhistorisch.—5)M. Plautius Silvānus, volkstribuun in 89; ziePlautiae leges.—6)P. Plautius Hypsaeus, quaestor van Pompeius in 66, werd in 52 wegens ambitus veroordeeld.—7)A. Plautiuswas ook in 66 legaatvan Pompeius en in 56 volkstribuun.—8)M. Plautius Silvānus, met Augustus consul in het jaar 2, voerde onder Tiberius voorspoedig oorlog in Pannonia en Dalmatia (6–9 n. C.). Als belooning verwierf hij deornamenta triumphalia. Hij is misschien dezelfde als Silvanus, die, wegens geweld, tegen zijne vrouw gepleegd, onder Tiberius gedagvaard, zich de aderen opende (24 n. C.).—9)Plautius Laterānus, onder Nero, werd in de samenzwering van Piso betrokken en onderging met standvastigheid den dood.—10)Plautius,rechtsgeleerde onder Vespasiānus, van wien verschillende geschriften in de Pandecten worden vermeld.—11)A. Plautiusveroverde alslegatus Augusti pro praetorein 43 n. C. en volgende jaren het zuidelijk gedeelte van Britannia, en vierde in 47 eeneovatio; hij was de laatste, wien die eer te beurt viel, zonder keizer te zijn of tot de keizerlijke familie te behooren.—12)L. Plautius Plancus, z.Munatiino. 4.
Philus, familienaam in degens Furia(Furiino. 1 en 2).
Philyra,Φιλύρα, Oceanide, bij Cronus moeder van Chiron; uit smart over de gedaante van haar zoon veranderde zij in een lindeboom.
Philyrides,Φιλυρίδης, Chiron, zoon van Philyra.
Phineus,Φινεύς, 1) broeder van Cepheus, door Perseus met het Medusahoofd versteend, omdat hij van zijne verloofde Andromeda geen afstand wilde doen.—2)zoon van Agēnor, koning van Salmydessus, had bij Cleopatra twee zonen, wien hij op aandrijven zijner tweede gemalin, Idaea, de oogen liet uitsteken. Daarvoor werd hij door de Harpyieën gekweld, die zijne spijzen wegroofden of bezoedelden, totdat de Argonauten bij Ph. landden en de Harpyieën door Zetes en Calaïs verjaagd werden.—Ph. had van Apollo de kunst van voorspellen geleerd, maar had daarvan roekeloos gebruik gemaakt, waarom hij door Zeus van het gezicht beroofd werd.
Phintias,Φιντίας, 1) zieDamon.—2)tyran van Agrigentum.
Phintias,Φιντίας, stad aan de Zuidkust van Sicilia, door Phintias, tyran van Agrigentum, gesticht.
Phla,Φλά, eilandje in het Tritonische meer in Africa, ten W. der groote Syrte.
Phlegethon,Φλεγέθων=Pyriphlegeton.
Phlegon,Φλέγων, van Tralles, vrijgelatene van Hadriānus, schrijver van eenige onbeduidende werken over geschiedenis. Het eenige, dat bewaard is, heeft slechts zekere belangrijkheid door de daarin bevatte aanhalingen van oudere schrijvers.
Phlegra,Φλέγρα, oude naam van het schiereiland Pallēne op Chalcidice, waar Zeus de Giganten door zijn bliksems vernietigde.
Phlegraei campi, ziecampi Phlegraei.
Phlegyae,Φλεγύαι, een rooversstam, die den delphischen tempel wilde plunderen, en door Zeus met donder en bliksem vernietigd werd.
Phlegyas,Φλεγύας, zoon van Ares en Chryse, mythisch stamvader der Phlegyers. Toen zijne dochter Corōnis bij Apollo moeder geworden was van Asclepius, stak hij in toorn den tempel van Apollo in brand. Daarvoor doodde de god hem met zijn pijlen en moet Ph. in de onderwereld onder een rotsblok zitten, dat steeds dreigt op hem te vallen.
Phliasia,Φλιασία, gebied van Phlius.
Phlius, gen.-untis,Φλιοῦς, stad in de Peloponnēsus, ten Z. van Sicyon. Het had slechts een klein gebied.
Φλύαξ, Φλύακες. Bij de dorische comoedia, vooral op Sicilia, is niet, zooals in Attica, de satire, maar het humoristische element de hoofdzaak (z.Epicharmus); de eenvoudigste vorm hiervan is deφλύαξ, terwijl de spelers ookφλύακεςheeten. In deze stukjes worden in plaatselijk dialekt sprookjes en mythen geparodieerd (z.Sopaterno. 1). Men vindt ze in later tijd vooral in Zuid-Italië. Waarschijnlijk staan de Atellanae fabulae (z. a.) onder hun invloed. Vgl. ookMimusenRhinton.
Phobētor,Φοβήτωρ, zoon van Hypnus, broeder van Morpheus (z. a.).
Phocaea,Φωκαία, noordelijkste der aziatisch-ionische steden, eene belangrijke handelsstad met twee havens, gedekt door het eilandje Bacchium, dat rijk was aan tempels en prachtige gebouwen. De inwoners (Phocaei,Φωκαῆς, terwijl de bewoners van PhocisPhocenses,Φωκῆς, genoemd worden) waren onder de eersten, die koloniën stichtten, o.a. Massilia (Marseille). Toen Cyrus’ veldheer Harpagus de grieksche steden op de aziatische kust veroverde, weken de Phocaeërs uit naar Alalia op Corsica (zieAleria); een gedeelte stichtte toen Elea of Velia op de W.kust van Lucania. Later keerde echter het meerendeel uit Corsica naar Phocaea terug. In den syrischen oorlog werd Ph. door de Rom. geplunderd (190).
Phoceae,Φωκέαι, sterkte in het gebied der sicilische stad Leontīni.
Phocion,Φωκίων, Athener van geringe afkomst, leerling van Plato. Wegens zijnedapperheid en bekwaamheid herhaaldelijk tot strateeg gekozen, won hij den slag bij Tamynae (349/8), verjoeg hij de tyrannen Philistides en Clitarchus, nam hij Oreüs en Eretria in (341), en verdedigde hij Byzantium tegen Philippus en Megara tegen de Thebanen. Maar terwijl hij dus in het veld voor de belangen van Athene tegen Macedonië streed, was hij bij zichzelf overtuigd, dat het volk van zijn tijd voor de vrijheid ongeschikt was, en dat op den duur tegenstand tegen Philippus vruchteloos moest zijn. Daarom was hij, in tegenstelling met Demosthenes, altijd voor vrede, ried hij na den slag bij Chaeronēa tot het aannemen der voorwaarden van Philippus, en trachtte hij na diens dood de democratische bewegingen te Athene tegen te houden. Zijne eerlijkheid bleef ondertusschen boven allen twijfel verheven; wat Philippus en na hem Alexander hem ook mochten aanbieden, Ph. nam nooit geschenken of gunsten van hen aan, wel bewerkte hij, dat Alexander de redenaars vrijliet, wier uitlevering hij geëischt had, ofschoon hijzelf voor de inwilliging van dien eisch gestemd had. Het uitbreken van den lamischen oorlog zocht hij met alle kracht te beletten, en ook het aanvankelijk gunstig verloop er van stelde hem niet gerust; toen de oorlog ongelukkig voor de Grieken was afgeloopen, ging hij met Demādes naar Antipater om over den vrede te onderhandelen. In weerwil van de harde voorwaarden van den vrede, stond Ph. nu eenige jaren aan het hoofd van den staat, maar toen Antipater gestorven was, Polyperchon het herstel der oude toestanden beloofde, en Ph. zich hiertegen trachtte te verzetten, werd het volk ontevreden, vooral toen hij, hoewel gewaarschuwd, niet belette dat de bevelhebber der troepen van Antipater den Piraeus innam. Bij de nadering van Alexander, den zoon van Polyperchon, werd Ph. gevangen genomen, van verraad aangeklaagd en door de geheele volksvergadering ter dood veroordeeld (318). Hij was 81 jaar oud geworden. Kort daarna werd voor hem een standbeeld opgericht.
Phocis,Φωκίς, bergachtig en niet vruchtbaar landschap van Midden-Griekenland. In de geschiedenis is het het meest bekend door de zoogenaamde heilige oorlogen. Over den eersten z.Crissa. Crisa werd verwoest en zijn gebied aan den delphischen god gewijd (± 590). De tweede oorlog had in 355 plaats, toen de Phocensers een stuk der crisaeïsche vlakte hadden bebouwd. Tot een boete veroordeeld die zij niet konden betalen, maakten zij zich van de delphische tempelschatten meester en wierven huurtroepen, die spoedig hun zelven te machtig werden. Philippus van Macedonia, door de Thebanen te hulp geroepen, drong in 346 Phocis binnen, het huurleger sloot een verdrag en liet de Phocensers aan hun lot over, die het nu ontgelden moesten. Zij werden uit het Amphictyonenverbond gestooten en hun plaats daarin werd aan Philippus gegeven. Zie verder ookAmphissa. De Parnassus met den delphischen tempel lag wel in Phocis, doch Delphi behoorde er niet toe, maar was een gemeenschappelijk gebied der Amphictyonen. In de stad Daulis behoort de mythe te huis van het zusterpaar Philomēla en Procne. De bewoners van Phocis wordenPhocenses,Φωκῆς, genoemd (ziePhocaea).
Phocus,Φῶκος, 1) zoon van Poseidon, verhuisde van Corinthe naar het land, dat naar hem Phocis genoemd wordt.—2)zoon van Aeacus en Psamathe, werd door Telamon en Peleus gedood.
Phocylides,Φωκυλίδης, van Milētus, gnomisch dichter uit de 6eeeuw; de korte fragmenten (gnomen), die van zijne werken bewaard zijn, zijn ernstig en eenvoudig; een langer gedicht, dat zijn naam draagt, is van veel lateren tijd.
Phoebe,Φοίβη, 1) bijnaam van Artemis.—2)dochter van Uranus en Gaea, bij Coeüs moeder van Asteria en Leto, vóór Apollo bezitster van het orakel van Delphi.—3)eene van de Leucippides.—4)dochter van Leda.
Phoebēum,Φοιβεῖον, vlek bij Sparta, met een tempel der Dioscuren.
Phoebidas,Φοιβίδας, spartaansch veldheer, liet zich, toen hij met troepen op weg was naar Olynthus, door de oligarchische partij te Thebe overhalen om de Cadmēa te bezetten (382). Hij werd wel teruggeroepen en beboet, omdat hij zonder voorkennis der regeering gehandeld had, doch later werd hij als harmost naar Thespiae gezonden, in welke betrekking hij bij een aanval der Thebanen sneuvelde (378).
Phoebus,Φοῖβος, bijn. van Apollo en Helius.
Phoenīce,Φοινίκη, handelsstad in Chaonia in Epīrus, ten N. van Buthrōtum, hoofdstad van den epirotischen bond, zieEpirus.
Phoenīceof-cia,Φοινίκη, het smalle kustland ten N. van Palaestina, tusschen de Middellandsche zee en den Libanon, een land, bloeiende door zeevaart, handel en nijverheid, waaronder de glasfabricatie, de purperververijen, weverijen en metaalfabrieken de hoofdtakken waren. In dien bloeitijd waren de bosschen van den Libanon nog niet geveld en ondervond het land, wat klimaat en bodem betrof, nog den weldadigen invloed daarvan. Het land vormde niet één staat, maar een bond van steden, waaronder Tyrus en Sidon de meest beroemde waren. De Phoeniciërs (Phoenīces,Φοίνικες) strekten hunne tochten uit tot ver langs de kusten van den Atlantischen oceaan, doch de kennis, op die tochten opgedaan, behoorde tot de staatsgeheimen en ging met hen verloren.
Phoenīcus, gen.-untis,Φοινικοῦς, naam van verschillende steden, o. a. 1) in Ionia, aan den voet van den Mimas, tegenover het eiland Chius.—2)een zeerooversnest in Lycia, door P. Servilius Vatia in 78 vernield. Eigenlijk is het een in zee uitstekend gebergte aan de O.-kust van Lycia =Olympusno. 4.—3)op de Zuidkust van Messenia.—4)op het eiland Cythēra.
Phoenix,Φοίνιξ, 1) vader of broeder vanEurōpa, mythisch stamvader der Phoeniciërs.—2)zoon van Amyntor en Cleobūle, een van de calydonische jagers. Op aansporen van zijn moeder knoopte hij liefdesbetrekkingen aan met een vrouw, die door Amyntor bemind werd, waarvoor zijn vader hem vervloekte en wegjoeg. Hij vluchtte naar Peleus, werd de opvoeder en vriend van Achilles en ging met hem naar Troje.—3)van Colophon, iambendichter tegen het einde der 4deeeuw. Van hem zijn enkele gedichten, moraliseerende choliamben, in een papyrus teruggevonden.—4)fabelachtige heilige vogel der Aegyptenaren. Over de wijze, waarop hij sterft, waren verschillende verhalen in omloop, het meest gewone is, dat hij, na een leven van 500 (of 1461, of 7006) jaar, op een door hemzelf gemaakten brandstapel den dood vindt en daarna verjongd uit de asch herboren wordt.
Phoenodamas,Φοινοδάμας, Trojaan, wiens dochter door Laomedon (z. a.) geofferd zou worden aan het door Poseidon gezonden zeemonster en die daarom een opstand verwekte, zoodat Laomedon zijn eigen dochter moest offeren. Hij was de vader van Segesta, de moeder van Acestes.
Pholoë,Φολόη, grensgebergte tusschen Arcadia en Elis, zijtak van den Erymanthus.
Pholus,Φόλος, Centaur, die Heracles gastvrij ontving. Toen de andere Centauren Heracles lastig vielen, ontstond een gevecht, waarin bij ongeluk ook Ph. door Heracles gedood werd.
Phorbas,Φόρβας, zoon van Lapithes en Orsinome, werd ingevolge een orakel door de Rhodiërs uit Thessalië geroepen om hun eiland van slangen te zuiveren. Daarvoor werd hij later door hen als heros vereerd. Hij stond Alector van Elis tegen Pelops bij, en kreeg daarvoor een deel van zijn land en zijne zuster Hyrmine; zijn afstammelingen werden koningen van Elis. Hij plunderde den delphischen tempel en werd door Apollo zelf gewond.
Phorcides, Phorcynides,Φόρκιδες, de Gorgonen en Graeën, dochters van Phorcys.
Phorcys, -cus,Φόρκυς, -κυν, -κος, 1) zoon van Pontus en Gaea, een van de zeegoden, vader van de Gorgonen, de Graeën, de Hesperiden, den draak Ladon en de nimfen Thoōsa en Scylla.—2)aanvoerder der Phrygiërs in den trojaanschen oorlog, door Aiax gedood.
Φόρμιγξ, het oudste snareninstrument der Grieken, had veel overeenkomst met de lier en harp. Bij het bespelen hing het aan een band of riem over den schouder.
Phormio,Φορμίων, 1) verdienstelijk atheensch veldheer in het begin van den peloponnesischen oorlog, behaalde o.a. bij Naupactus eene overwinning op een sterkere vloot der Spartanen (429).—2)van Ephesus, peripatetisch wijsgeer, wilde Hannibal theoretisch onderricht in de krijgskunst geven. Vandaar spreekwoordelijk voor iemand die anderen iets wil leeren, wat hij zelf minder goed verstaat.
Phorōneus,Φορωνεύς, zoon van Inachus, koning van de Peloponnēsus, die den dienst van Hera invoerde, de menschen in steden vereenigde en hun het gebruik van vuur leerde. Hij werd in Argos als heros vereerd. Naar hem werden de Argiven Phoronīdae, en zijne zuster Io Phorōnis genoemd.
Phosphorus, Lucifer, Eōus,Φωσφόρος, Φαεσφ., Ἑωσφ., 1) de morgenster, zoon van Astraeus of Cephalus en Eos.—2)bijnaam van de lichtgodinnen Artemis, Hecate, Eos.
Phraātes,Φραάτης, naam van eenige parthische koningen uit het huis der Arsaciden. ZieArsaces.
Phragandae, thracische stam op de macedonische grenzen.
Phraortes,Φραόρτης, zoon en opvolger van Deïoces, regeerde over Medië (647–625); hij onderwierp de Perzen e. a. volken, maar sneuvelde in een strijd tegen de Assyriërs.
Phrataphernes,Φραταφέρνης, satraap van Parthië onder Darīus Codomannus; hij streed in den slagbijGaugamēla, maar onderwierp zich daarna aan Alexander. Deze liet hem zijne satrapiën Parthia en Hyrcania, die hij gedurende zijn verder leven behield.
Φρατρία, oudtijds eene afdeeling van den atheenschen adel. Door Clisthenes werd het aantal phratriën uitgebreid, en ook niet-adellijke burgers erin opgenomen. Tot Clisthenes waren in iedere phyle drie phratriën, in welke verhouding zij tot de latere phylae stonden is niet bekend. Ieder burger moest tot eene phr. behooren, jonggeboren kinderen werden op de Apaturia (z. a.) in de phr. van hun vader ingeschreven, terwijl de medeleden (φράτορες, φράτερες) tegen de inschrijving van onechte kinderen of om andere redenen onbevoegden moesten waken. Vrouwen gingen bij huwelijk in de phr. van haar man over. Ook verrichtten de leden eener phr. zekere gemeenschappelijke godsdienstige plechtigheden.
Phrixa,Φρίξαof-αι, stad in Elis ten Z. van den Alphēus.
Phrixus,Φρίξος, zoon van Athamas (z. a.) en Nephele. Door zijne moeder wonderdadig van den dood gered, vluchtte hij naar Aea, waar hij den ram, die hem overgebracht had, aan Zeus offerde en de gouden vacht aan Ares wijdde. Hij huwde met Chalciope, de dochter van Aeētes.
Phrontis,Φρόντις, zoon van Onētor, stuurman van Menelāus. Apollo doodde hem op de terugreis van Troje, ten einde Menelāus op te houden.
Phrygia,Φρυγία, gewest van Asia minor, ten O. van Lydia. Men onderscheiddePhrygia minorofPhrygia ad Hellespontum(zieMysia), waartoe ook Troas behoorde, enPhrygia maior.Onder de Rom. werd alleen het laatste met den naam van Phrygia bedoeld. De Phrygiërs waren een uitgebreid volk, dat reeds vroeg op beschaving en kunst kon bogen, doch op dit gebied bleef stilstaan, sedert zij door Croesus lydische, en later met de Lydiërs perzische onderdanen werden. Onder hun eigen koningen, de Gordiussen en Midassen, hadden zij eenmaal een machtig rijk uitgemaakt, dat zich zelfs over Lydia uitstrekte. Zij noemden zichzelven autochthonen, doch reedsbij de ouden heerschte de meening, dat de Phryges in den voorhistorischen tijd uit Thracia waren overgekomen. Eene phrygische eigenaardigheid was het uithouwen van woningen en zelfs steden in rotsen. Bij de rom. dichters is dikwijlsPhrygius= trojaansch,Phryges= Trojanen, bij Vergilius zelfs = Romeinen.
Phrygia Mater=Rhea Cybele.
PhrygiusofPhryx,Φρύγιος, rivier in Lydia, zijtak van den Hermus.
Phryne,Φρύνη, van Thespiae, een schoone hetaere, die ten tijde van Alexander d. Gr. te Athene leefde, zeer rijk was, en tot model diende voor de cnidische Aphrodīte van Praxiteles en voor de Aphrodite Anadyomene van Apelles. Praxiteles plaatste haar beeld naast dat van Aphrodite in den tempel van Eros te Thespiae.
Phrynichus,Φρύνιχος, 1) Athener, zoon van Polyphradmon, een van de oudste treurspeldichters, behaalde zijne eerste overwinning in 511. Hij was de eerste die vrouwenrollen in zijne stukken bracht en v. s. ook de eerste die zijne stukken tot trilogieën en tetralogieën vereenigde. Den meesten roem behaalde hij door de schoonheid der lyrische partijen. ZijneΜιλήτου ὰλωσις, waarin de inneming van Milētus na den ionischen opstand bezongen werd, trof de Atheners zoo, dat het stuk verboden en de dichter met 1000 drachmen beboet werd (496). In 476 werden zijneΦοίνισσαι, ook een historisch stuk, opgevoerd.—2)blijspeldichter te Athene, zoon van Eunomides, tijdgenoot van Aristophanes, door wien hij dikwijls bespot wordt.—3)tooneelspeler en danser, tijdgenoot van Aristophanes.—4)Athener, zoon van Stratonides, speelde als bevelhebber der vloot bij Samus eene zeer dubbelzinnige rol bij de onderhandelingen over de terugkomst van Alcibiades. Onder de regeering der 400 werd hij als veldheer afgezet, maar vreezende voor de wraak van Alcibiades, sloot hij zich niettemin bij de oligarchische partij aan; door deze werd hij met Antiphon als gezant naar Sparta gezonden om over vrede te onderhandelen; bij zijne terugkomst werd hij door zekeren Thrasybūlus van Calydon op straat vermoord (411).—5)grammaticus uit de tweede eeuw n. C., schrijver van een woordenboek van attische woorden en uitdrukkingen, waarvan eenige uittreksels bewaard zijn.
Phrynis,Φρῦνις, van Mitylēne, beroemd dithyrambendichter tegen het einde der 5deeeuw.
Phtha(s),Φθᾶ, Φθάς, aegyptisch god, vooral te Memphis vereerd, door de Grieken met Hephaestus geïdentificeerd. Hij wordt afgebeeld als een dwerg met stok en zweep, soms met een valkekop.
Phthia,Φθία, 1) =Phthiōtis.—2)stad in Phthiotis, de zetel van Peleus en Achilles, waarschijnlijk in den omtrek van het latere Thebae Phthiotides.
Phthiōtis,Φθιῶτις, bij Homerus Phthia, het Z. O. gewest van Thessalia, oudtijds ook wel als Achaia bekend, het stamland der Achaeërs. Hier behoorde Achilles te huis.
Φυλή, bij de Grieken eene afdeeling van het volk, waarvan de leden oorspronkelijk door werkelijke of vooronderstelde gemeenschappelijke afkomst of door gemeenschappelijke woonplaatsen in nauwere betrekking tot elkander stonden. In Attica worden uit den mythischen tijd vele indeelingen vermeld, waarvan de beteekenis niet duidelijk is; de zoog. indeeling van Theseus inΕὐπατρίδαι, Γεωμόροι, Δημιοῦργοιberust blijkbaar op verschil van standen. Tot aan Solon had men de gewone ionische verdeeling in 4 phylae (Γελέοντες, Ὅπλητες, Ἀργαδεῖς, Αἰγικορῆς), die aan Ion toegeschreven wordt. Solon verdeelde de burgers naar hun vermogen in 4 klassen met verschillende staatkundige rechten:Πεντακοσιομέδιμνοι, Ἱππῆς, Ζευγῖται, Θῆτες, de oude ionische phylen bleven voor godsdienstige doeleinden daarnevens bestaan, ook toen Clisthenes eene geheel nieuwe verdeeling in 10 phylae invoerde, waaraan hij de namen van inheemsche heroën gaf. Deze phylae waren geene plaatselijke eenheden, maar werden uit drieτρίττυες(z. a.), dus uit dikwijls ver van elkander verwijderde demen samengesteld, ten einde in dezelfde phyle personen van verschillende afkomst en stand te vereenigen. Aan het hoofd van iedere phyle stondenἐπιμεληταί. Voor het leger en den raad leverde iedere phyle een gelijk aandeel. Bij de 10 phylae werden in 301 nog twee gevoegd, die naar Antigonus en Demetrius genoemd werden, in 221 kwam eene dertiende er bij, die naar Ptolemaeus (Euergetes) heette, kort daarop werden de beide eerstgenoemde opgeheven, maar in 200 werd het aantal weder op 12 gebracht door toevoeging van eene, die den naam van Attalus kreeg (z. ookΦρατρία).—In de dorische staten is de dorische bevolking overal in 3 phylae verdeeld:Ὑλλῆς, Πάμφυλοι, Δυμᾶνες, zoo genoemd naar den zoon van Heracles en de beide zonen van Aegimius; de niet dorische bevolking vormt, waar zij eenig aandeel aan het burgerrecht heeft, eene afzonderlijke phyle, zooalsinArgos en Sicyon. Iedere phyle is in 10obae(ὠβαί) verdeeld. Waarop hier de verdeeling berustte is onbekend, v. s. zijn zoowel phylae als obae plaatselijk van elkander gescheiden, ofschoon ten minste in Sparta ook eene plaatselijke indeeling in 5κῶμαιbestond.
Φυλοβασιλεύς, bestuurder eener phyle in den tijd voor Clisthenes of Solon; ook toen deze phylen alleen voor den eeredienst beteekenis behouden hadden, bleef de waardigheid vanφυλοβ.bestaan.
Phylace,Φυλάκη, stadje in Phthiōtis, ten O. van den Enipeus, geboorteplaats van Protesilāus.
Phylacus,Φύλακος, 1) zoon van Deïon en Diomēde, vader van Iphicles no. 3, stichter van Phylace.—2)heros, die den delphischen tempel tegen de Galliërs beschermde en daarvoor te Delphi een heiligdom had.
Phylarchus,Φυλαρχος, van Athene, Sicyonof Naucratis, tijdgenoot van Arātus, schreef eene geschiedenis van de jaren 272–220 in 28 boeken. Zijn werk wordt, voor zoover men uit de weinige fragmenten kan opmaken ten onrechte, door Polybius en Plutarchus streng veroordeeld; toch maakte laatstgenoemde er veel gebruik van.
Phyle,Φυλή, sterk kasteel in Attica aan de Zuidwestelijke helling van den Parnes, 3 uur afstands ten N. van Athene. In den tijd der 30 te Athene (404–403) bezette Thrasybūlus aan het hoofd der atheensche ballingen deze sterkte en maakte zich van daar uit van den Piraeus meester.
Phyleus,Φυλεύς, zoon van Augīas, een van de deelnemers aan de calydonische jacht, werd door zijn vader verjaagd, omdat hij voor Heracles partij getrokken had. Deze bracht hem later in zijn vaderlijk rijk terug, maar hij liet het aan zijn broeder Agasthenes over en ging naar Dulichium.
Phyllidas,Φυλλίδας, Thebaan, die in weerwil van zijne democratische gezindheid gedurende de spartaansche bezetting geheimschrijver der polemarchen werd. Hij begunstigde de samenzwering van Pelopidas en noodigde de polemarchen Archias en Philippus in zijn huis tot een feest, waarbij zij door de saamgezworenen gedood werden.
Phyllis,Φυλλίς, z.Demophonno. 2.
Phyllis,Φυλλίς, landstreek aan den mons Pangaeus.
Phyllus,Φύλλος, stad in Thessaliōtis, bij den Enipeus, met een Apollo-tempel. Dichterlijk:Phillēius= thessalisch.
Physcon,Φύσκων, dikbuik, bijnaam van Ptolemaeus VII.
Physcus,Φύσκος, 1) zijtak van den Tigris, die zich bij de stad Opis met den hoofdstroom vereenigt.—2)berg in Bruttii, bij Croton.—3)haven op de Z. kust van Caria.
Phytalus,Φύταλος, een heros van Eleusis, die Demēter op hare zwerftochten gastvrij ontving. Tot belooning leerde zij hem het kweeken van den vijgeboom.
Phyxius,Φύξιος, beschermer der vluchtelingen, bijnaam van Zeus bij de Thessaliërs.
Picentes, Picēni, bewoners van Picēnum.
Picentia, tgw. Vicenza, hoofdstad der Picentīni, nabij de golf van Paestum (golf van Salerno).
Picentīni, een gedeelte der Picentes, dat uit Picēnum naar het Z.O. van Campania was verhuisd.
Picēnum,Πικεντίνη, kustland van Italia aan de Adriatische zee, tusschen Umbria en Samnium gelegen. De bewoners, Picēni, Picentes, waren van sabijnschen stam. In 268 werden zij door de Rom. onderworpen. Een gedeelte der Piceners werd daarna naar Campania overgebracht en zette zich aan den sinus Paestānus (golf v. Salerno) neder, waar zij naar hunne hoofdstad Picentia den naam Picentīni kregen.
Pictāvi, ziePictones.
Picti, in de 4deeeuw n. Chr. voor het eerst voorkomende naam van een volksstam in het Noorden van Schotland; ze woonden ten N. van de Firth of Forth, terwijl deScoti, die tegelijk met hen optreden, in Zuid-Schotland en Ierland wonen.
PictonesofPictāvi, machtig gallisch volk in het tegenw. Poitou. Hoofdstad: Limōnum (Poitiers).
Pictor, zieFabiino. 24 vv.
Picumnus, italiaansche god van den landbouw, die het bemesten der landerijen zou uitgevonden hebben. Hij was de broeder van Pilumnus (z. a.).
Picus, veld- en boschgod der Romeinen, wiens dienst reeds vroeg verouderd was. Hij wordt de zoon van Saturnus, de gemaal van Pomōna of van de nimf Canens, de vader van Faunus genoemd. Daar hij de liefde van Circe onbeantwoord liet, veranderde zij hem in een specht. Hij wordt voorgesteld als een specht op een zuil zittend, of als een jongeling met een specht op het hoofd.
Pieria,Πιερία, 1) landschap van Macedonia op de grenzen van Thessalia, in het N. door den Haliacmon, in het O. door de golf van Thermae begrensd. Dit Pieria was de zetel van den Muzendienst (ziePierides), aan wie de berg Pierus geheiligd was. De Pieriërs waren een thracische stam; in de 7deeeuw werden zij door de Macedoniërs verdreven en vestigden zij zich aan den Strymon, in den omtrek van den mons Pangaeus, ook deze streek kreeg toen den naam Pieria.—2)landstreek in het N. der syrische kust, tusschen de golf van Issus en den Orontes, aan den berg Pieria, een uitlooper van den Amānus.—3)(of Pierium,Πιέριον), berg in het W. van Thessalia.
Pierides,Πιερίδες, de Muzen, naar hare geboorteplaats Pieria.
Pierus,Πίερος, koning van Emathia, vader der Emathides.
Pierus,Πίερος, berg in het W. van Thessalia =Pieriano. 3.
Pignoris capio.Wanneer een rom. burger zijne verplichtingen niet nakwam, waren er gevallen, waarin de praetor aan de benadeelde partij verlof gaf, een of ander eigendom van den nalatige in pand te nemen. Kwam de laatste dan binnen zekeren tijd zijne verplichtingen nog niet na en loste hij dus het pand niet in, dan konde de ander het verkoopen en zich uit de opbrengst schadeloos stellen.
Pigres,Πίγρης, zoon of broeder van Artemisia no. 1, v. s. dichter der Batrachomyomachie, zie ookMargītes.
Pigrum mare, de gestolde zee, zieCronium mare.
Pilāni, ziehastati.
Pilentum, een vierwielige, door twee paarden getrokken, overdekte wagen (currus arcuatus), waarinflamines, Vestalesenmatronaenaar offers en spelen reden.
Pileus,πῖλος, vilten hoed of liever muts voor mannen, bij verschillende volken in verschillende fatsoenen in gebruik. De Rom. droegen denpileuszelden, althans in de stad; bij goed weder gingen zij meest blootshoofds, bij regen trokken zij zich een kap ofcucullusover het hoofd. Slaven mochten geenhoofddeksel dragen; vandaar dikwijlsius pilei=libertas.
Pilōrus,Πιλωρός, stadje op het chalcidische schiereiland Sithonia, aan den sinus Singiticus.
Pilum.Pilum.
Pilum.
Pilum, de beroemde rom. werpspies, niet lang, slechts ongeveer 2 meter, maar zwaar en met een scherp gestaalde van weerhaken voorziene punt. De schacht was zoo in het ijzer (of omgekeerd) bevestigd, dat zij bij pogingen om de speer ergens uit te rukken, licht afbrak, evenals de fijne punt, zoodat de vijand het wapen niet kon terugwerpen. De rom. soldaten waren in het gebruik van dit wapen zeer geoefend. De aanval begon in den regel met het werpen van het pilum; door schilden van hout- of teenwerk drong het met gemak heen, reeg ze zelfs aan elkaâr, en noodzaakte dan door zijne zwaarte den vijand zich te ontblooten, terwijl onmiddellijk de aanval met het zwaard volgde.
Pilumnus, 1) landelijke godheid der Rom., die den Italianen het dorschen, eig. het stampen (pinsere), van het koren geleerd had. Hij was een broeder van Picumnus; in een huis, waar een kind geboren was, werd gedurende de eerste dagen voor beiden in het atrium een bed gespreid, zie ookDeverra.—2)z.Danaē.
Pimplēae, Pimpleides,Πιμπληίδες, bijnaam der Muzen, naar de stad Pimplēa in Piërië of naar een bron van dien naam aan den Helicon.
Pinara,τὰ Πίναρα, stad in Lycia aan den berg Cragus.
Pinaria(lex)annalisvan den volkstribuun M. Pinarius Rusca. Deze wet is een voorlooper van delex Villia annalis(z. a.) van 180.
Pinaria Furia Postumia(lex) van de drie consulairtribunen L. Pinarius Mamercīnus Rufus, L. Furius Medullīnus Fusus en Sp. Postumius Albus Regillensis, 332. Deze wet verbood bij het dingen naar eenig ambt detogakunstmatig wit te maken. De wet is spoedig in onbruik geraakt.
Pinarii, oud rom. geslacht, dat met een ander oud geslacht, dePotitii, in het erfelijk bezit was van een priesterambt van Hercules, dat in overouden tijd door Euander zou zijn ingesteld. Volgens de sage kwamen bij het eerste offermaal de Pinarii te laat aan tafel en werd hun ten eeuwigen dage als boete opgelegd, bij de offermaaltijden eerst te verschijnen, wanneer een gedeelte reeds genuttigd was. In 312 en 311 stierven de Potitii uit, omdat zij den dienst door servi publici hadden laten waarnemen, terwijl de censor Appius Claudius, op wiens raad dit was geschied, volgens het latere verhaal door den vertoornden halfgod met blindheid werd geslagen. In werkelijkheid heeft App. Claudius den eeredienst van Hercules aan de Ara Maxima, die eensacrum gentiliciumvan de Potitii en Pinarii was, tot staatsgodsdienst gemaakt, waarbij het offer verricht werd door denpraetor urbanus. Enkele leden van degens Pinariakomen als overheden en legeraanvoerders voor. Onder Cicero’s vrienden worden twee broeders vermeld, T. en L., doch ook een tegenstander, L. Pinarius Natta, die als pontifex, ten gevalle van zijn zwager P. Clodius, het huis van Cicero aan den dienst der goden wijdde, waardoor Clodius zocht te verhinderen, dat de plek ooit weder in Cicero’s bezit zou terugkeeren. Nog een L. Pinarius, met Caesar verwant, kreeg van Antonius het bevel in Africa, doch ging later tot de partij van Octaviānus over.
Pinarus,Πίναρος, rivier in Cilicia, die op den Amānus ontspringt en in de golf van Issus valt.
Pincius(mons), ookcollis hortorumgeheeten, thans monte Pincio, heuvel, onmiddellijk ten N. van Rome gelegen en door keizer Aureliānus grootendeels binnen den nieuwen vestingmuur getrokken.
Pindarus,Πίνδαρος, Thebaan, de grootste lyrische dichter der Grieken, geb. 522. Hij was uit het geslacht der Aegiden, waartoe vele bekwame toonkunstenaars behoord hadden, verder genoot hij het onderwijs van Lasus van Hermione en van Myrtis en Corinna. Algemeen geëerd en bemind, had hij in alle deelen van Griekenland vrienden, die hij nu en dan bezocht, o. a. Hiero, Theron, de Aleuaden; ook bij de groote nationale feesten was hij dikwijls tegenwoordig, overigens leefde hij rustig in zijne geboorteplaats, waar hij na 442 stierf. Van zijne talrijke lierdichten van alle soort zijn bewaard gebleven 45 zegezangen ter eere van overwinnaars bij groote feesten, waarvan hij het oudste reeds op twintigjarigen leeftijd dichtte. Zij munten uit door krachtige en afwisselende taal, rijkdom en verhevenheid van gedachten en verscheidenheid van versbouw. Van zijne andere werken (hymnen, partheniën, enz.) hebben wij slechts fragmenten.
Pindenissus,Πινδενίσσος, stad der Eleutherocilices in het Amānusgeb., door Cicero veroverd (51).
Pindus,Πίνδος, 1) grensgebergte tusschen Epīrus en Thessalia, waarvan de Lacmon of Lacmus het hoogste gedeelte is.—2)eene der steden van de dorische tetrapolis, in het landschap Doris, ook Acypha geheeten.
Pinna, hoofdstad der Vestīni, die ten Z. van Picēnum tusschen de Apennijnen en de Adriatische zee woonden. De stad lag in eene heerlijke omgeving.
Pirae(e)us,Πειραιεύς, de havenstad van Athene, door Themistocles aangelegd, en later door Pericles verder afgewerkt. Toen Themistocles een moderne vloot van triëren wilde bouwen, was de open bocht van Phalēron als oorlogshaven niet meer geschikt. Daarom richtte hij het schiereiland Piraeus als havenstad in, en omgaf het met stevige muren; Munichia, de heuvel ten Oosten, werd hiervan de burcht. De stad had 3 havens, de westelijke, de eigenlijke Piraeus, diende voornamelijk voor het handelsverkeer. De invaart werd bewaakt door twee torens en kon door zware kettingen worden afgesloten. Aan de andere, de oostelijke, zijde van de stad vond men de oorlogshavens Zea en Munichia. De stad was volgens het plan van Hippodamus van Milete aangelegd met rechte straten, die elkaar rechthoekig sneden. Men vond er verder scheepswerven, een groot korenmagazijn, een groote beurs (τὸ δεῖγμα), een arsenaal (σκευοθήκη), een theater, enz. Een tijd lang, in de 4deeeuw, was de bevolking van den Piraeus even talrijk als die van Athene zelf. De wegen, die van den Piraeus naar Athene voerden, lagen tusschen de lange muren,τὰ μακρὰ τείχη, τὰ σκέλη, besloten. Oorspronkelijk waren er twee muren, één naar de N.-zijde van den Piraeus, één naar Phalēron; maar Pericles liet nog een tusschenmuur bouwen, en nu liet men den Phalerischen muur vervallen.
Piraeus,Πειραιός, open haven op de Oostkust van Corinthia, nabij de grens van het gebied van Epidaurus. De Atheners hielden hier in 412 eene spartaansche vloot ingesloten.
PiraicusofPyreicus, bekwaam genreschilder (rhyparograaf), waarschijnlijk uit den hellenistischen tijd, wiens schilderijen om hunne zorgvuldige bewerking bij de Rom. zeer gezocht waren.
Piraticum bellum.In het bijzonder wordt hieronder verstaan de bekende tocht van Pompeius in 67 tegen de zeeroovers ondernomen (zieGabinia lex). Wel waren nu en dan verschillende kuststreken, waarvan de inwoners zeeroof dreven, getuchtigd, doch eerst in 67 werd tot een algemeenen maatregel besloten. Pompeius, wien de beschikking was gegeven over zooveel strijdkrachten als hij meende noodig te hebben, slaagde er in, door eene drijfjacht op groote schaal van de straat van Gibraltar tot aan de kusten van Cilicia den zeeroof voor het oogenblik uit te roeien, meer dan 1000 roofschepen te vernielen, werven en roofnesten te verwoesten en de Middellandsche zee weder voor rom. schepen veilig bevaarbaar te maken.
Pirēne,Πειρήνη, nimf, dochter van Obalus, treurde om den dood van haar zoon, totdat zij in een bron veranderde, die haar naam draagt en bij welke Bellerophon het gevleugelde paard Pegasus opving, terwijl het zijn dorst leschte. De bron lag binnen de muren der acropolis van Corinthus. DichterlijkΠειρήνης ἄστυenPirēnis Ephyre= Corinthus,Πειρηναῖος πῶλος= Pegasus.
Pirisabora, sterke vesting in Babylonia, aan den Euphraat, ten N. van Babylon.
Pirithous,Πειρίθοος, zoon van Zeus of Ixīon en Dia. Op zijne bruiloft met Hippodamēa ontstond de geweldige strijd tusschen de Centauren en Lapithen, daar eerstgenoemden de bruid en andere vrouwen wilden ontvoeren. Later hielp hij Theseus bij het schaken van Helena, hijzelf wilde Persephone ontvoeren en daalde daarvoor met Theseus in de onderwereld af, doch Hades klonk hen aan een rots vast, waarvan alleen Theseus na eenigen tijd door Heracles weder losgemaakt werd.
Pirus,Πεῖρος, Πίερος, hoofdriviertje van Achaia, dat zich ten W. van Olenus in de golf van Patrae stortte.
Pirustae,Πιροῦσται, roofziek volk in Illyris, dat zich in 168 in den oorlog tegen Gentius bij de Rom. aansloot.
Pisa,Πίσα, stad in Elis, even ten N. van den Alphēus nabij Olympia gelegen. Pisa voerde met het landschap Elis een langen strijd over het bestuur van het olympische tempelgebied, tot het de nederlaag leed en verwoest werd (572).
Pisae,Πισαί, nabij de samenvloeiing van den Anser en den Arnus (Arno). De stad behoorde oorspronkelijk niet tot Etruria, waartoe ze later gerekend wordt. Ze had reeds vroeg handel met Griekenland, en een flinke marine, om zich tegen de ten N. wonende Liguriërs te kunnen verdedigen. In 180 werden op haar gebied de kolonien Luna en Luca aangelegd. Sedert Augustus is het rom. kolonie. In de nabijheid zijn heete bronnen,aquae Pisanae. Thans Pisa.
Pisander,Πείσανδρος, 1) van Camīrus, episch dichter omstreeks het midden der 7dev. a. der 6deeeuw. In zijneἩράκλειαwerd Heracles voor het eerst voorgesteld als de held, die met buitengewone lichaamskracht begaafd, alleen met knots en leeuwenhuid gewapend, zijne twaalf werken volbrengt. In den alexandrijnschen canon werd hij na Homerus en Hesiodus genoemd.—2)Athener, de grootste ijveraar voor de oligarchische omwenteling van 411. Na den val van de regeering der 400, waartoe hij behoord had, vluchtte hij naar de Spartanen te Decelēa.—3)van Laranda, episch dichter onder Alexander Sevērus. Er zijn nog fragmenten over.
PisātisofPisaea,Πισᾶτις, Πισαία, het land van Pisa (z. a.), het middengedeelte van Elis.
Pisaurum,Πισαῦρον, oude stad in Umbria, in den ager Gallicus, aan den mond van den Pisaurus, rom. kolonie sinds 184. Thans Pesaro.
Pisces,Ἰχθύες, het sterrenbeeld de Visschen. Men verhaalde, dat het de visschen waren, die Isis of Derceto gered hadden, toen zij in zee gevallen was.
Pisidia,Πισιδία, bergachtig gewest op de Z.kust van Voor-Azië, ten N. van Pamphylia, lang als een stuk hiervan beschouwd. De inwoners, Pisidae,Πισίδαι, waren een dapper volk, dat, in zijn bergen verschanst, lang alle vreemde overheersching afsloeg,en slechts noode het hoofd boog voor Rome.
Pisidice,Πεισιδίκη, eene van de dochters van Pelias.
Pisistratus,Πεισίστρατος, 1) zoon van Nestor en Anaxibia, vergezelde Telemachus op zijne reis van Pylus naar Sparta.—2)Athener, zoon van Hippocrates, uit het geslacht der Philaiden, bloedverwant van Solon. Nadat deze uit Athene vertrokken was, trad P. in het openbaar op (571), hij voegde zich bij de partij der Diacriërs, en door zijne groote bekwaamheden werd hij weldra als de leider er van erkend. Nadat hij eenmaal, vooral door de verovering van Nisaea, de gunst van het volk verworven had, wist hij, onder voorwendsel dat hij ternauwernood aan een aanslag zijner vijanden ontsnapt was, in weerwil van Solon’s tegenspraak, te bewerken dat hem een lijfwacht gegeven werd, waarmede hij zich van de acropolis en van de alleenheerschappij meester maakte (560). Doch weldra vereenigden zich de beide andere partijen, de Pediaeërs onder Lycurgus en de Paraliërs onder den Alcmaeonide Megacles, tegen hem; hij moest Athene verlaten en bleef vijf jaar in ballingschap. Toen echter weder tusschen Lycurgus en Megacles oneenigheid ontstond, bood laatstgenoemde aan P. de hand ter verzoening en gaf hem zijne dochter ten huwelijk, en zoo kwam P. weder in feestelijken optocht in de stad terug, begeleid, naar het heette, door de godin Athena zelve, die door eene schoone en groote vrouw werd voorgesteld. Na korten tijd geraakte hij weder met zijn schoonvader in onmin, en weder moest hij uit de stad wijken; hij ging naar Eretria, en nu duurde het elf jaar eer hij zich door bondgenootschappen met Argos, Thebae e. a. genoeg versterkt had om een gewapenden inval in Attica te wagen, die het gewenschte gevolg had; tot aan zijn dood (528) bleef hij nu in het ongestoord bezit der regeering, die daarna onbetwist op zijn zoon Hippias overging. Ofschoon hij in de laatste periode eenigszins strenger regeerde, was zijne heerschappij ver van drukkend, hij handhaafde recht en wet, hield de instellingen van Solon in stand, bevorderde vooral de stoffelijke welvaart van het volk en beschermde kunsten en wetenschappen. O. a. werden onder zijne regeering voor het eerst de gedichten van Homerus tot een geheel vereenigd.
Piso, familienaam in degens Calpurnia(Calpurniino. 1–13).
Pissuthnes,Πισσούθνης, satraap van Lydië, betoonde zich voor en gedurende den peloponnesischen oorlog een vijand der Atheners. In 414 kwam hij in opstand tegen den koning en werd hij door Tissaphernes gevangen genomen en ter dood gebracht.
Pistor, bakker, bijnaam aan Jupiter gegeven, omdat, volgens het aardige verhaal van Ovidius, op zijne ingeving de belegerden op het Capitolium aan de Galliërs brood toewierpen en hen daardoor in den waan brachten, dat zij overvloed van spijs hadden.
Pistoria,Πιστωρία, stadje in het N. van Etruria; in de nabijheid sneuvelde Catilīna (62).
Pitane,Πιτάνη, 1) vlek of buitenwijk van Sparta, met een tempel van Artemis.—2)havenstad van Aeolis, tegenover Lesbus.
Pithecūsa,Πιθηκοῦσα, oude naam voor Aenaria, z. a.
Πιθοιγία, de eerste dag der Anthesteria (z. a.).
Pitholeon, een Rhodiër, die te Rome woonde, hij maakte onbeduidende verzen, waarin hij Grieksch en Latijn dooreenmengde. Hij is identisch met Pitholaus, z.Voltacilius Pitholaus, wiens naam door Horatius eenigszins gewijzigd is, omdat die niet in de maat paste. Hij beschimpte in zijn liederen Caesar.
PithonofPython,Πίθων, Πείθ., Πύθ.1) zoon van Agēnor, bevelhebber van een legerkorps bij Alexanders tocht naar Indië, waar hij als stadhouder achtergelaten werd. Later nam hij deel aan de krijgstochten van Antigonus; hij sneuvelde in den slag bij Gaza (312).—2)zoon van Crateas, behoorde tot de lijfwacht van Alexander. Bij de verdeeling van het rijk kreeg hij een deel van Medië, hij trok met Perdiccas naar Aegypte en veroorzaakte mede den opstand, die diens dood ten gevolge had. Daarop werd hij op voorstel van Ptolemaeus tot rijksbestuurder benoemd (321), doch deze betrekking moest hij spoedig aan Antipater afstaan. Zijne pogingen om in de oostelijke provinciën een eigen rijk te stichten mislukten, hij moest Antigonus en Seleucus helpen bij het beoorlogen van Eumenes, en daar hij in het leger van Antigonus aanhangers zocht te winnen voor zijne persoonlijke bedoelingen, liet deze hem dooden (316).
Pittacus,Πιττακός, van Mytilēne, een van de 7 wijzen van Griekenland, wiens spreuk was:καιρὸν γνῶθι, let op het juiste oogenblik, voerde zijne medeburgers aan in den oorlog, dien zij met de Atheners, om het bezit van Sigēum voerden, en behaalde door list eene overwinning op den atheenschen veldheer Phrynon (607). In de later ontstane burgertwisten stond hij, als hoofd der volkspartij, tegenover zijn vroegeren vriend Alcaeus, eindelijk werd hij tot aesymnētes gekozen (omstreeks 595), eene waardigheid, die hij 10 jaar lang met wijsheid en rechtvaardigheid bekleedde en op 70-jarigen leeftijd vrijwillig nederlegde. Sedert dien tijd schijnt hij zich van het openbare leven teruggetrokken te hebben; tien jaar daarna stierf hij.
Pitthēis, Aethra, dochter van Pittheus.
Pittheus,Πιτθεύς, zoon van Pelops, koning van Troezen, grootvader van Theseus, die bij hem werd opgevoed.
Pityocamptes,Πιτυοκάμπτης, pijnboombuiger, bijnaam van Sinis (z. a.).
Pitys,Πίτυς, eene nimf, die door Pan bemind werd, en toen zij hem niet konde ontvluchten, op haar gebed door de goden in een pijnboom werd veranderd.
Pityus, g.-untis,Πιτυοῦς, pijnboomstad, belangrijke grensstad in Pontus, aan den N.O.-hoek van den Pontus Euxīnus, aan den voet van den Caucasus; in den lateren keizertijd ballingsoord.
Pityūsa,Πιτυοῦσσα= het pijnboomrijke, oude naam van Lampsacus, van Salamis en van Chius.
Pityūsae insulae,Πιτυοῦσσαι, pijnboomeilanden, op de kust van Hispania, twee eilandjes, thans nog Pityusen geheeten: Ebusus (Iviza) en Ophiūsa = slangeneiland (Formentera).
Pius, zieMetellino. 17 en 18 in degens CaeciliaenAntonīnus Pius.
Placentia, thans Piacenza, aanzienlijke handelsplaats in Gallia Cispadāna aan de samenvloeiing van de Trebia met den Padus (Po). In 219, vóór het uitbreken van den tweeden punischen oorlog, stichtten de Rom. te Placentia en te Cremōna lat. koloniën. In 200 werd Plac. door de Galliërs verwoest, doch spoedig daarop door de Rom. herbouwd, en in 190 evenals Cremōna met vele nieuwe kolonisten versterkt. In 90 kreeg de stad het Rom. burgerrecht.
Placia,Πλακία, oude pelasgische volkplanting aan de Propontis, ten O. van Cyzicus.
Placus,Πλάκος, oostelijke uitlooper van het Idagebergte. Aan den voet daarvan lag Thebe.
Plaetoria(lex) van den volkstribuun M. Plaetorius, waarschijnlijk in 242, v. a. na 227, dat een praetor binnen Rome niet meer dan twee lictoren mocht hebben.
Plaetoria(lex), uit het jaar 191 of vroeger, waarbij jongelieden beneden 25 jaar, die reedssui iuriswaren, toch onder curateele gesteld werden. Ziecuratio.
Plaetorii, plebejisch geslacht. 1)M. Plaetorius Cestiānus, was in 66 te gelijk met Cicero praetor. In 69 trad hij op als aanklager van Fonteius, die door Cicero verdedigd werd.—2)Plaetorius Rustiānuskwam na den slag bij Thapsus (46) te gelijk met Q. Metellus Scipio op de vlucht om.—3)Plaetorius(Platorius)Nepos, vertrouwde van keizer Hadriānus, doch in diens laatste regeeringsjaren uit achterdocht door hem vervolgd.
Planasia,Πλανασία, eiland tusschen Corsica en Etruria, waarheen Augustus’ kleinzoon Agrippa Postumus verbannen werd.
Plancii. 1)Cn. Plancius, rom. ridder uit Atīna, verdedigde als een der aanzienlijkste publicani met nadruk hun verzoek om vermindering van pacht (59).—2)Cn. Plancius, zoon van no. 1, diende eerst onder Metellus op Creta, bewees later als quaestor van Macedonia groote diensten aan Cicero in diens ballingschap en werd in 54 door hem in een procesde ambitumet goed gevolg verdedigd. ZieIuventiino. 3. In 46 leefde hij als aanhanger van Pompeius in ballingschap te Corcȳra.
Planctae,Πλαγκταί, vuurspuwende en in rook gehulde rotsen, tegen welke de schepen, door een onweerstaanbare strooming getrokken, te pletter slaan. Zij bevinden zich volgens Homerus in de nabijheid van Scylla en Charybdis, v. s. staan zij aan den westelijken ingang der sicilische zeeëngte, v. a. zijn het de Aeolische of Liparische eilanden. Zij worden dikwijls met de Symplegadēs verward.
Plancus, familienaam in degens Munatia.
Plataeae, ook-taea,Πλαταιαί, -ταιά, beroemde stad in Boeotia, aan de Noordzijde van den Cithaeron. Plataeae stond vijandig tegenover Thebae en sloot zich sedert ± 519 nauw bij Athene aan. Terwijl Thebe zich aan de Perzen onderwierp, leverde Pl. in den slag bij Marathon (490) 1000 man hulptroepen aan de Atheners. Xerxes verwoestte de stad in 480 op aansporing der Thebanen. Bij de puinhoopen had in 479 de slag plaats, waarin de perzische veldheer Mardonius sneuvelde en waartoe de Plataeërs weder 600 man leverden. Pl. werd herbouwd en door de Grieken ontslagen van Thebe’s hegemonie. Na een vruchtelooze poging der Thebanen om Plataeae te overrompelen, werd de stad in het begin van den peloponnesischen oorlog, omdat zij zich niet tegen Athene wilde verklaren, door de Spartanen ingesloten en na vergeefsche pogingen om ze in te nemen door honger tot de overgaaf genoodzaakt (427). Een deel der bevolking ontkwam en vestigde zich te Sciōne op het schiereiland Pallēne. In 383 werd Pl. nogmaals herbouwd, doch in 372 door de Thebanen op nieuw verwoest. Onder macedonisch bestuur herrees het weder.
Platanistas, eene ruimte bij Sparta, aan den Eurōtas, met plataanboomen beplant en met standbeelden van heroën versierd, en door de spartaansche jongelingschap tot lichaamsoefeningen gebezigd.
Platea,Πλατέα, eiland op de kust van Cyrenaïca.
Plato,Πλάτων, 1) Athener, zoon van Ariston en Perictione, geb. 427, aanvankelijk Aristocles genoemd, kreeg later door zijn gymnastiekmeester Ariston of door Socrates den naam Plato, debreede. Uit een edel geslacht gesproten, door de beste leermeesters onderwezen, dichterlijk van natuur, beproefde hij reeds jong zijne krachten in de poëzie, terwijl hij tevens kennis maakte met de stelsels van Heraclītus, Parmenides, Anaxagoras e. a. Op zijn 20stejaar leerde hij Socrates kennen, van hun omgang is weinig bekend, alleen weten wij, dat P. spoedig de voortreffelijkste leerling van Socrates was en dat hij aan zijn leermeester met de grootste genegenheid en eerbied verknocht was. Na den dood van Socrates ging hij vooreerst met vele andere van diens aanhangers naar Megara, maar weldra ging hij, door de zucht naar kennis gedreven, reizen doen naar Cyrēne, Aegypte en Italië. In Italië kwam hij in aanraking met de volgelingen van Pythagoras, op Sicilië leerde hij door zijn vriend Dio den ouden Dionysius kennen, wiens ongenade hij zich echter spoedig door zijne vrijmoedigheid op den hals haalde en die hem als slaaf liet verkoopen (z.Pollis). Door Anniceris losgekocht en naar Athene teruggekeerd (388), begon hij zijne voordrachten in de Academie (z. a.), die hij de volgende 20 jaar onafgebroken met den grootsten bijval voortzette. Toen hij echter van Dio eene uitnoodiging ontving om naar Syracūsaete komen en daar als leider en raadsman van den jongen Dionysius op te treden, nam hij die gaarne aan, daar zich nu, naar hij meende, eene gunstige gelegenheid aanbood om door een wijsgeerig gevormd vorst sommige van zijne theorieën in praktijk te doen brengen. De zaak kwam echter geheel anders uit. Dio viel spoedig in ongenade en werd verbannen en ook voor P. werden de toestanden te Syracusae onhoudbaar. Met moeite kreeg hij verlof te vertrekken (365) en op een latere reis naar Syracusae, ondernomen met het doel om eene verzoening tusschen Dionysius en Dio te bewerken (361), kwam hij zelfs door het wantrouwen van den tyran in levensgevaar en had hij zijn behoud alleen aan den invloed van Archȳtas te danken. Het overige van zijn leven wijdde hij nu uitsluitend aan het onderwijs der wijsbegeerte, totdat hij, nog krachtig werkzaam als leeraar en schrijver, in den ouderdom van 80 jaar overleed.—Te midden van de veelheid en afwisseling der zinnelijk waarneembare voorwerpen zoekt P. het eene en onveranderlijke in de idee (ἰδέα, εἶδος); de ideeën zijn nl. de geheel op zichzelf staande eigenschappen der stoffelijke dingen, zelve niet aan stof, tijd of plaats gebonden, zij zijn, hoewel geen afgetrokken begrippen, toch niet zinnelijk waarneembaar, maar de kennis er van is alleen te bereiken door de dialektiek (διαλεκτική), de kunst, die leert van het bizondere tot het algemeene op te klimmen en omgekeerd weder tot het bizondere af te dalen. De individuën staan in betrekking met de ideeën of zijn afbeeldingen er van, toch kent P. aan de ideeën zelf nu en dan zekere mate van persoonlijkheid toe, en over de idee van het goede spreekt hij als over de hoogste godheid zelf. De wereld is niet eeuwig, maar door den schepper (δημιουργός) uit ongeordende stof (ἄπειρον) tot een goed geordend geheel (κόσμος) gemaakt. De menschelijke ziel is onsterfelijk en bestaat uit drie deelen: verstand (λογιστικόν, νοῦς), moed (θυμοειδές), begeerte (ἐπιθυμητικόν). Het hoogste goed bereikt men door het streven naar gelijkheid met het absoluut goede, en daartoe moet ieder deel der ziel zijn eigenaardige deugden hebben, resp. wijsheid, dapperheid en zelfbeheersching, die met elkander vereenigd de hoogste deugd, rechtvaardigheid, vormen. Deze leer en hare toepassingen op staatsinrichting, opvoeding, kunst, enz. heeft P. gedurende eene bijna veertigjarige werkzaamheid onderwezen, deels in gesprekken op de wijze van Socrates, deels in samenhangende voordrachten, deels ook door zijne werken; deze laatste zijn, naar men gelooft, alle bewaard gebleven, daarentegen zijn onder die, welke zijn naam dragen, sommige zeker onecht; bijna alle zijn geschreven in den vorm van gesprekken van Socrates. De belangrijksteδιάλογοιzijn:Ἀπολογία, Κρίτων, Ἴων, Πρωταγόρας, Μένων, Γοργίας, Εὐθύδημος, Συμπόσιον(385),Φαίδων, Πολιτεία(ongeveer 380–370),Φαῖδρος, Τίμαιος. Zijn laatste werk zijn deΝόμοι. Hij werd in de oudheid als de eerste der wijsgeeren beschouwd, en zijne leer, hoewel uitgebreid en dikwijls gewijzigd, vond nog tot in de laatste tijden van het heidendom talrijke aanhangers, totdat Iustiniānus in 529 n. C. alle onderwijs in de wijsbegeerte verbood. Zijn opvolger als hoofd der academie was Speusippus, de zoon zijner zuster.—2)Athener, hooggeschatblijspeldichter, tijdgenoot van Aristophanes; van zijne 28 stukken zijn talrijke fragmenten bewaard.
Platorius Nepos, ziePlaetoriino. 3.
PlautiaofPlotia(lex)de vi, waarschijnlijk op verzoek van den consul Q. Lutatius Catulus (Lutatiino. 5) door een volkstribuun Plautius in 78 gemaakt, ook wellex Lutatiageheeten, waarbij een afzonderlijke rechtbank (quaestio perpetua) werd ingesteld ter bestraffing van opstand, samenrotting, het vormen van benden gewapenden, het vernielen van huizen, enz., hetgeen alles onder het begripviswerd samengevat.
Plautia(lex), aangenomen na het jaar 77, waarbij aan de volgelingen van Lepidus (Aemiliino. 3) vergund werd, in het vaderland terug te keeren. De voorsteller van de wet is onbekend.
Plautia Papiria(lex), van de volkstribunen M. Plautius Silvānus en C. Papirius Carbo, in 89, gaf aan de burgers van italischecivitates foederataebezuiden den Po gelegenheid, zich, mits binnen 60 dagen, bij den praetor urbanus als rom. burgers te doen inschrijven.
Plautiae leges, 1)iudiciaria, van den volkstribuun M. Plautius Silvānus, 89, dat uit elke der 35 tribus door het volk 15 mannen als rechters zouden gekozen worden.—2)lex Plautia agraria, zieAgrariae(leges).
PlautiiofPlotii. 1)C. Plautius Proculus, consul in 358, streed met succes tegen de Hernici.—2)C. Plautius Venno Hypsaeus, consul in 347 en 341, streed in 341 tegen de Privernaten en Antiaten. In dat jaar moesten hij en zijn ambtgenoot, nog voordat hun ambtsjaar verstreken was, hunne waardigheid nederleggen, daar de senaat den op handen zijnden latijnschen oorlog aan versche mannen wilde opdragen.—3)C. Plautius Deciānus, consul in 329 en 328, hield een zegetocht over de Privernaten. Hij verschafte hun daarop het Romeinsche burgerrecht.—4)C. Plautius, Venoxbijgenaamd wegens het opsporen van aderen (venae) voor een waterleiding in 312, was met App. Claudius (Caecus)censorin 312. Toen er 18 maanden van hunne censuur verstreken waren, legde Plautius zijn ambt neer; Claudius daarentegen bleef in functie, om de groote bouwwerken, die hij onder handen had, devia Appiaen deaqua Appia, af te maken. Het verhaal van hun oneenigheden, en dat Claudius Plautius zou om den tuin geleid hebben, is onhistorisch.—5)M. Plautius Silvānus, volkstribuun in 89; ziePlautiae leges.—6)P. Plautius Hypsaeus, quaestor van Pompeius in 66, werd in 52 wegens ambitus veroordeeld.—7)A. Plautiuswas ook in 66 legaatvan Pompeius en in 56 volkstribuun.—8)M. Plautius Silvānus, met Augustus consul in het jaar 2, voerde onder Tiberius voorspoedig oorlog in Pannonia en Dalmatia (6–9 n. C.). Als belooning verwierf hij deornamenta triumphalia. Hij is misschien dezelfde als Silvanus, die, wegens geweld, tegen zijne vrouw gepleegd, onder Tiberius gedagvaard, zich de aderen opende (24 n. C.).—9)Plautius Laterānus, onder Nero, werd in de samenzwering van Piso betrokken en onderging met standvastigheid den dood.—10)Plautius,rechtsgeleerde onder Vespasiānus, van wien verschillende geschriften in de Pandecten worden vermeld.—11)A. Plautiusveroverde alslegatus Augusti pro praetorein 43 n. C. en volgende jaren het zuidelijk gedeelte van Britannia, en vierde in 47 eeneovatio; hij was de laatste, wien die eer te beurt viel, zonder keizer te zijn of tot de keizerlijke familie te behooren.—12)L. Plautius Plancus, z.Munatiino. 4.