F.

F.F, ziefasti (dies).Fabaria, zieBurchana.Fabariae (Kalendae), z.Carna.Fabaris=Farfar(Farfarus).Fabianus Fornix, een boog over de Sacra via te Rome, op de plaats waar die op het Forum uitkwam, opgericht door Q. Fabius Maximus Allobrogicus (Fabiino. 20), en hersteld door zijn kleinzoon (Fabiino. 22).Fabiānus Papyrius, rom. wijsgeer ten tijde van Augustus en Tiberius, een man van groote welsprekendheid en reinen levenswandel. Zijne geschriften over wijsbegeerte en natuurlijke historie zijn verloren.Fabii, eene der oudste patricischegenteste Rome, misschien van sabijnschen oorsprong. 1)Q. Fabius Vibulānus, consul in 485 en 482, een warm voorvechter der aristocratie. Onder zijn eerste consulaat had de veroordeeling van Sp. Cassius Viscellīnus plaats. Hij streed in 485 tegen de Aequers en Volscers en maakte zich gehaat door aan de soldaten niets van den buit te gunnen, doch alles te laten verkoopen. In 480 sneuvelde hij in den strijd tegen Veii.—2)K. Fabius Vibulānus, broeder van no. 1, consul in 484, 481 en 479, de eerste maal met grooten tegenstand der plebs door toedoen der patriciërs verkozen, was eerst voortdurend in strijd met de volkstribunen, die eenelex agrariawilden doordrijven. In zijn derde consulaat echter deed hij zelf, maar vergeefs, den voorslag, dat de senaat verdere pogingen in dien geest zou voorkomen door uit eigen beweging veroverden grond onder de plebejers te verdeelen. Zie echterAgrariae (leges)enTribuni plebis. Op zijn voorstel trok in 479—volgens het niet al te betrouwbare geschiedverhaal—de geheelegens Fabia, uitgezonderd een nog te jonge knaap, 306 man sterk, met hare cliënten naar het riviertje de Cremera, om de grenzen tegen de Vejers te beschermen. In 477 vonden zij, in eene hinderlaag gelokt, allen den dood.—3)M. Fabius Vibulānus, broeder van no. 1 en 2, was consul in 483 en 480, zoodat het consulaat zeven jaren achtereen in degens Fabiawas. Hij voerde evenals zijne broeders oorlog tegen de naburige volken en sneuvelde bij de Cremera.—4)Q. Fabius Vibulānus, zoon van no. 3, de eenige overgeblevene van het geslacht, consul in 467, 465 en 459, streed tegen Aequers en Volscen, en bewerkte de uitzending eener rom. kolonie naar Antium (467). In 462 verzette hij zich alspraefectus urbiten sterkste tegen het voorstel van den tribuun Terentiliusde legibus scribendis. In 450 was hij een der tienmannen.—5)M. Fabius Vibulānus, zoon van no. 4, consul in 442, consulairtribuun in 433, bewerkte de uitzending eener kolonie naar Ardea (442), streed bij herhaling tegen Aequers en Vejenten en werd pontifex maximus. Hij kwam vermoedelijk om bij den inval der Galliërs in 390, daar hij Rome niet wilde verlaten.—6)Num. Fabius Vibulānus, ook een zoon van no. 4, consul in 421, consulairtribuun in 415 en 407, streed als consul tegen de Aequers.—7)Q. Fabius Vibulānus, evenals de beide vorigen een zoon van no. 4, was consul in 523 en consulairtribuun in 416 en 414.—8)Num. Fabius Ambustus, zoon van no. 5, veroverde als consulairtribuun in 406 Anxur. Hij was één der drie gebroedersFabii, die in 391 naar Clusium tot de Galliërs werden gezonden. In 390 was hij weder consulairtribuun. Zie no. 10.—9)K. Fabius Ambustus, broeder van no. 8, was consulairtribuun in 404, 401, 395 en 390. Ook hij behoorde tot het gezantschap naar Clusium (zie no. 8 en 10).—10)Q. Fabius Ambustus, broeder van no. 8 en 9, behoorde ook tot het gezantschap naar Clusium, en werd in 390 met zijne broeders tot consulairtribuun gekozen. Na den aftocht der Galliërs werd hij ter verantwoording geroepen wegens zijne schennis van het volkenrecht. De dood, misschien zelfmoord, deed hem een vonnis ontgaan. Het verhaal omtrent deze drie broeders is op allerlei wijzen opgesmukt. In het oorspronkelijke verhaal treden slechts twee Fabii op (no. 8 en 9), waarvan men niet zeker weet, of het broers zijn. No. 10 is tamelijk legendarisch.—11)M. Fabius Ambustus, zoon van no. 8, consul in 360, 356 en 354, overwon achtereenvolgens de Hernicers (360), de Faliscers en Tarquiniërs (356) en de Tiburtijnen (354). In 351 was hij dictator.—12)M. Fabius Ambustus, zoon van no. 9, consulairtribuun in 381 en 369, ondersteunde de plannen van zijn schoonzoon, den volkstribuun C. Licinius Stolo. Vermoedelijk echter was hij het, die in 355 alsinterrexde verkiezing van twee patricische consuls, hoewel tegen delex Licinia Sextiageschied, voor geldig verklaarde. Hier is alles onzeker. Z. ookLiciniae Sextiae (leges)no. 1.—13)C. Fabius Ambustusstreed als consul in 358 ongelukkig tegen de Tarquiniërs, die 307 rom. krijgsgevangenen ombrachten.—14)Q. Fabius Maximus Rulliānus, zoon van no. 11, leverde alsmagister equitumin 325 tegen het bevel van zijn dictator L. Papirius Cursor een schitterenden slag tegen de Samnieten, doch ontging de straf voor zijne ongehoorzaamheid slechts door de eenparige voorbede van senaat en volk. Zijn ambt moest hij echternederleggen. Dit verhaal is niet geheel betrouwbaar. In 322 was hij consul, in 315 dictator, in 310 en 308 weder consul, in 304 censor, in 301 andermaal dictator, in 297 en 295 nogmaals consul. Hij was een van Rome’s grootste veldheeren, schoon niet altijd overwinnaar. O.a. werd hij in 315 als dictator door de Samnieten bij Lautulae verslagen. In 310 ontzette hij het door de Etruscers belegerde Sutrium, door in Noord-Etrurië in te vallen. In 308 streed hij tegen de Samnieten. In 297 versloeg hij, volgens een ongeloofwaardig bericht, met P. Decius Mus hen bij den berg Tifernus, in 295 versloegen Fabius en Decius (z.Deciino. 2) de verbonden Samnieten, Galliërs en Etruriërs bij Sentīnum. Onder zijne tijdgenooten komen ook nogAmbustivoor:Q. Fabius Ambustusals dictatorcomit. habend. causain 321,C. Fabius Ambustusals mag. eq. in 315.—15)Q. Fabius Maximus, bijgenaamdGurges(= vraat, slokop) om zijne losbandigheid in zijne jeugd, zoon van no. 14 (waarschijnlijk is het verhaal omtrent zijn losbandigheid verzonnen om den naam Gurges te kunnen verklaren). Op rijperen leeftijd begon hij evenwel een ander gedrag te leiden. Als consul werd hij in 292 door de Samnieten verslagen, maar overwon daarna met hulp van zijn vader den samnietischen veldheer Pontius (z. a.), in 276 versloeg hij wederom als consul de Samnieten, Lucaners en Bruttiërs; in zijn derde consulaat, 265, dempte hij een slavenopstand te Volsinii, doch sneuvelde daarbij.—16)Q. Fabius Maximus Verrucōsus(wegens eene wrat,verrūca, aan de lip aldus genoemd), consul in 233, 228, 215, 214 en 209, censor in 230, de bekende dictator in 217 na de nederlaag en den dood van C. Flaminius bij het Trasumeensche meer. (Eigenlijk was hijpro dictatorezie het artikeldictator.) In 233 zegepraalde hij over de Liguriërs; in 219 was hij aan het hoofd van het gezantschap, dat na de inname van Saguntum naar Carthago werd gezonden, waarbij hij, volgens het bekende verhaal, den Carthagers de keuze liet tusschen oorlog en vrede, waarop zij tot den oorlog besloten. Als dictator volgde hij de taktiek, een slag in het open veld te vermijden, en liever Hannibal af te matten, daar hij de overtuiging koesterde, dat diens strijdkrachten en hulpmiddelen op vijandelijken bodem op den duur uitgeput moesten raken. Spoedig echter begon dit stelsel bij het rom. volk afkeuring te vinden, daar Hannibal zooveel mogelijk het platte land verwoestte en de dorpen en hoeven in brand stak. Door eenelex Metiliawerd toen de magister equitum M. Minucius Rufus ook met dictatoriale macht bekleed. Deze waagde een veldslag, en zou geheel verslagen zijn, zoo niet Fabius ware toegeschoten en hem gered had, waarop Minucius zich vrijwillig weder onder Fabius’ bevelen stelde. Naar deze wijze van oorlogvoeren heeft Fabius den bijnaam vanCunctātorgekregen; om zijn zacht karakter werd hij ookOviculagenoemd. Ook later voerde hij herhaaldelijk legers aan, hetzij als consul, hetzij als proconsul, onder het commando van zijn zoon. Bij vele geschiedschrijvers ook bij Livius, die hem legaat noemt, vinden wij het verhaal hoe de vader den zoon, als hoogere in rang, eer moet bewijzen. Het verhaal is vereeuwigd in het oud Amsterdamsche stadhuis (het Paleis op den Dam). In 209 veroverde hij Tarentum. Hij was een heftig tegenstander van Scipio’s plan, om den oorlog naar Afrika over te brengen. Fabius stierf in 203. Cicero roemt hem als redenaar.—17)Q. Fabius Maximus, zoon van no. 16 (z. a.), consul in 213, stierf nog vóór zijn vader.—18)Q. Fabius Maximus Aemiliānus, zoon van L. Aemilius Paullus en broeder van P. Cornelius Scipio Aemilianus, in 180 door een der Fabii Maximigeadopteerd, was een vriend van den geschiedschrijver Polybius. In 145 en 144 voerde hij als consul en proconsul oorlog in Lusitania tegen Viriāthus.—19)Q. Fabius Maximus Serviliānus, ook wel onder zijn oorspronkelijken naamCn. Servilius Caepiovoorkomende, door adoptie een broeder van no. 18, streed ook als proconsul in 141 en 140 tegen Viriathus en sloot met dezen een verdrag, dat echter door zijn broeder Q. Servilius Caepio verbroken werd. Hij heeftannalesgeschreven.—20)Q. Fabius Maximus Allobrogicus, zoon van no. 18, leidde als jongeling een losbandig leven. Onder zijn oom P. Cornelius Scipio Aemiliānus diende hij als quaestor in den numantijnschen oorlog. In 121 behaalde hij een groote overwinning op de Allobrogen in Gallia. Uit den buit richtte hij te Rome een triumfboog, denfornix Fabianus, op. Cicero prijst hem als redenaar.—21)Q. Fabius Maximus Eburnus, consul in 116, werd later verbannen, omdat hij zijn zoon met den dood gestraft had.—22)Q. Fabius Maximuskleinzoon van no. 20, diende in Hispania als legaat onder Caesar (46), en werd in 45 consul. Hij stierf nog in ditzelfde jaar. Totsuffectuswerd toen gekozen voor den laatsten dag van het jaar C. Caninius Rebilus (Caniniino. 2), met wiens waakzaamheid Cicero den spot drijft.—23)Paulus Fabius Maximus, een bloedverwant van Ovidius en bevriend met Augustus, vergezelde dezen op zijne reis naar Posthumus Agrippa, doch werd toen verdacht aan Livia geheimen verklapt te hebben. Kort daarna stierf hij.—24)C. Fabius Pictor, de eerste beoefenaar der schilderkunst onder de aanzienlijke Rom., beschilderde in 302 (v. a. in 304) de wanden van den tempel vanSalus, door C. Junius Bubulcus Brutus (Juniino. 3) gewijd. Zijn talent vond echter zoo weinig bijval, dat hij geene navolgers heeft gevonden.—25)Q. Fabius Pictor, kleinzoon van no. 24, omstreeks 220, schreef in het Grieksch zeer belangrijke annalen, van de komst van Aenēas in Italia tot op zijn eigen tijd. Er bestond ook een Latijnsche vertaling van.—26)Ser. Fabius Pictor, redenaar en geschiedkenner, was een tijdgenoot van Cato maior en schreef een werkde iure pontificio.—27)Verder komen onder de consuls, censoren, dictators nog de namenvoor:Fabius Buteo, Fabius Dorso, Fabius Licinus,Fabius Labeo, ookFabius Pictor. Iets bijzonders is van hen hier niet te vermelden. Ook wordt nog eenQ. Fabius Sanga, een vriend van Cicero, vermeld alsmede zekereQ. Fabius Virgiliānus, in 51 legaat in Cilicia, later aanhanger van Pompeius.—28)Fabius Rusticus, een vriend van Seneca, door Tacitus als redenaar geprezen, schreef eene geschiedenis van Nero, die verloren is gegaan.—29)C. Fabius Valens, bewerkte als legatus legionis samen met A. Caecīna Alīenus, dat Vitellius (Jan. 69 n. C.) tot keizer werd uitgeroepen. Aan het hoofd van een legercorps versloeg hij met Caecina de Othoniani bij Bedriācum. Later beheerde hij met Caecina de staatszaken voor Vitellius. In den oorlog tegen Vespasiānus werd hij gevangen genomen en gedood.Fabrateriavetus, volscische stad in Latium. Ten Zuiden hiervan is na de verwoesting van Fregellae in 124Fabrateria novaals rom. colonie gesticht.Fabricii, hernicisch geslacht uit Aletrium. 1)C. Fabricius Luscīnusverhuisde omstreeks 300 naar Rome. Als consul streed hij in 282 zegevierend tegen de Samnieten, Lucaniërs en Bruttiërs. Daarna werd hij als gezant naar Tarentum afgevaardigd, doch daar wederrechtelijk gevangen gehouden. In 280 streed hij onder den consul P. Valerius Laevīnus in den slag bij Heraclēa tegen Pyrrhus. In 279 was Fabricius als legaat in den slag bij Asculum (Ausculum). Daarna werd hij als gezant tot Pyrrhus gezonden, met wien hij tot overeenstemming schijnt gekomen te zijn; de vrede kwam echter niet tot stand, (zieClaudiino. 5). In 278 was hij opnieuw consul. Hij ontving toen van ’s konings lijfarts een aanbod om den koning te vergiftigen, doch in plaats van dit aan te nemen, gaf hij er den koning bericht van. In 275 was hij censor en ging met gestrengheid alle noodelooze weelde tegen. Hij stierf arm; de staat gaf aan zijne dochters een bruidschat.—2)L. Fabriciusbouwde in 62 den pons Fabricius van Rome naar deinsula Tiberina.—3)Q. Fabricius, volkstribuun in 57, deed een wetsvoorstel tot terugroeping van Cicero, doch Clodius verhinderde de aanneming er van.—4)A. Fabricius Veiento, z.Veiento (A. Fabricius).Fabula (palliata), z.Palliata.Fabula (praetexta), ziePraetexta (fabula).Fabula (togata), zieTogatano. 2.Fadii, plebejisch geslacht. 1)M. Fadius Gallus, een zeer geleerd man en vriend van Cicero. Hij heeft een lofrede geschreven op Cato Uticensis (45).—2)T. Fadius Gallus, volkstribuun in 57, deed vruchtelooze pogingen om Cicero te doen terugroepen. Onder Cicero’s consulaat, 63, was hij quaestor te Rome geweest.Faenius Rufus(L.),praefectus annonaesedert 55 n. C., werd na den dood van Burrus met Tigellīnus praefectus praetorio (62). Hij was een onbaatzuchtig man. In 65 nam hij deel aan de samenzwering van Piso, en hoewel hij zijn medeplichtigen verried, werd hij toch omgebracht.Faesulae,τὰ Φαίσυλα, thans Fiesole, stad in het N. van Etruria, nabij den Arnus (Arno). Hier hadden Catillina’s benden hun kamp opgeslagen. Onder Sulla werd er eene kolonie van gemaakt.Fagutal, een van de bergen van hetSeptimontium, zieRoma.Falacrinum, stad in het sabijnsche land, geboorteplaats van Vespasiānus.Falarica=Phalarica.Falces. Onder dezen naam verstaat men alle soorten van zeisen, sikkels en snoeimessen.Falx supinais een groot gekromd mes, aan de buitenzijde scherp (en dus als het ware achteroverliggend), waarmede eene soort van zwaardvechters vochten,Thracesgenoemd.Ensis falcatusof ookhamatusis een kort zwaard, aan de punt sikkel- of eenigszins haakvormig gekromd.Falces muralesofasseres falcatiwaren lange stelen of balken met sikkelvormige haken om de door den stormram gebeukte muren te doen afbrokkelen. In den zeestrijd gebruikte men gelijksoortigefalces navalesom het tuig der vijandelijke schepen door te snijden.Currus falcati, zeisenwagens, zijn door Grieken en Rom. nooit gebezigd.Falcidia (lex)testamentariavan den volkstribuun C. Falcidius, 40. Deze wet bepaalde dat de legaten bij testament nooit meer dan ¾ van het vermogen mochten bedragen.Falerii,Φαλέριον, stad in het Z.O. van Etruria, wier inwoners, deFalisci, waarschijnlijk verwant zijn met de Latijnen. Na den val van Veii beginnen de oorlogen met Rome. Later sloten zij zich bij Rome aan, tot ze in 293, toen het te laat was, tegen Rome partij kozen. In 241, na den vrede met Carthago, stond de stad op, en werd in 6 dagen ingenomen en verwoest. De bewoners werden gedwongen, de hoogte te verlaten en in de vlakte eene nieuwe nederzetting te stichten,Aequum Faliscum, terwijl in de oude stad slechts de tempels bleven staan. Iets verder af ligtFalerii Novi, dat later een colonie wordt, en in den keizertijd gebloeid heeft. Als stichter van Falerii werd Halēsus (Falēsus) aangenomen (z. a.).Falernus (ager), in het N. van Campania tusschen den mons Massicus en de rivier Volturnus, zie ookCampania. De falernische wijn was beroemd; hij was hooggeel van kleur, en moest noch te oud, noch te jong zijn; op 15 jaar was hij het best.Falisci, zieFalerii.Falsum. Valschheid en vervalsching waren volgens het oudste rom. recht slechts in enkele gevallen strafrechterlijk vervolgbaar, b.v. valsch getuigenis; zij konden evenwel tot een civiele rechtsvordering aanleiding geven. Sulla’slex Cornelia de falsostelde deaquae et ignis interdictioop testament- en muntvervalsching. Later, vooral onder de keizers, werden er veel meer valsche handelingen onder strafwetten gebracht.Fama, eene godin, die losse en onzekere geruchten onder de menschen verspreidt, personificatie van het loopend gerucht, waarvan geen zegsman aan te wijzen is. Zij heeft vleugels, duizend oogen en duizend monden, en heeft op hare afbeeldingen een spreektrompet voor den mond.Fannia (lex)sumptuariavan den consul C. Fannius Strabo, 161. Deze wet bepaalde de sommen, die op gewone dagen en op feestdagen voor een gastmaal mochten worden besteed.Fannii, plebejisch geslacht. 1)C. Fannius, volkstribuun 187, werkte mede tot de veroordeeling van L. Corn. Scipio Asiaticus.—2)C. Fannius Strabo, zoon van no. 1, consul in 161, was de ontwerper derlex Fannia sumptuaria. Ook werden tijdens zijn consulaat de grieksche philosophen en rhetoren uit Rome verbannen.—3)C. Fannius, zoon van no. 2, was in 146 een der eersten, die de muren van Carthago beklom; hij was volkstribuun in 142, consul in 122 door de hulp van C. Gracchus, behoorde nochtans tot diens tegenstanders. Hij was een schoonzoon van C. Laelius Sapiens. Hij was voorstander der stoicijnsche wijsbegeerte en schreefannales, waarin hij vooral zijn eigen tijd behandelde; verder stond hij bekend als redenaar.—4)M. Fanniuswas in 80 praetor in het proces van Sex. Roscius Amerinus.—5)L. Fannius, aanhanger van Sertorius, had de hand in het verbond tusschen dezen en Mithradātes.—6)C. Fannius, aanklager van P. Clodius Pulcher in 61, tijdens het tweede driemanschap op de hand van Sex. Pompeius, later aan de zijde van Antonius.—7)C. Fannius, in 59 als volkstribuun ernstig tegenstander van Caesar’slex agraria.—8)Fannius Caepio, wegens samenzwering tegen Augustus ter dood gebracht (22).—9)Fannius, tafelschuimer en pruldichter, bediller van Horatius.—10)C. Fannius, ten tijde van Traiānus, schreef een werk over de terechtstellingen onder Nero.—11)Fannia, eene vrouw te Minturnae, die Marius op zijne vlucht herbergde.—12)Fannia, de dochter van P. Clodius Thrasea Paetus en Arria minor, en de tweede vrouw van Helvidius Priseus (z.Helvidiino. 3). Zij deelde tweemaal de ballingschap van haar man. Onder Domitianus werd zij verbannen, en haar goederen verbeurd verklaard. Na diens dood keerde zij naar Rome terug.Fanum(vanfari), een door een formulier gewijde en met muren omgeven plaats, heiligdom, tempel.Fanum Fortūnae, aanzienlijke stad aan den Metaurus in Umbria in denager Gallicus, met een beroemden Fortuna-tempel.Farfar(Farfarus), zijtakje van den Tiber, in denager Sabīnus.Man met fasces.Fasces, bundel roeden van olmen- of berkentakken, met een lederen riem omsnoerd. In den bundel was ook de steel van een bijl gebonden, doch zoo, dat het staal naar buiten stak. Dit zijn defasces et secures, die de lictoren dermagistratus cum imperiodroegen. Binnen Rome echter lieten de consuls en praetoren de bijlen uit de bundels weg. Bij strafoefeningen dienden de roeden tot geeseling, de bijl tot onthoofding der veroordeelden. De lictoren droegen de bundels over den linkerschouder. Ontmoette de overheidspersoon iemand van hoogeren rang (bv. een praetor een consul of wel eene vestaalsche maagd), dan namen de lictoren van den eersten hunne roeden van den schouder en lieten ze zakken als teeken van eerbied (fasces submittere).Fascīnus, -num, z.Βασκανία.Fasti, 1)f. dies, rechtsdagen, waarop de praetor de woordendo, dico, addico, mocht uitspreken (ziepraetor). In den rom. kalender waren zij aangeduid met de letter F. Op eendies nefastus(N) mocht dit niet. Eendies nefastus principio(NP) was vóór den middag N., na den middag F. Zie ookNefasti dies.—2)de romeinsche kalender, d. w. z. de opteekening derdies fasti, nefasti, intercisi,comitiales, met vermelding der op iederen dag vallende feesten, spelen en offers, waarbij nog aanteekeningen gevoegd waren omtrent geschiedkundige gebeurtenissen, en omtrent den op- en ondergang van verschillende sterrenbeelden. Deze kalender werd opgemaakt door de pontifices; een gedeelte daarvan, dedies fasti, is voor het eerst door Cn. Flavius (zieFlaviino. 2) in 304 uitgegeven. Een dichterlijke bewerking heeft Ovidius gegeven in zijnFasti, die de eerste 6 maanden van het jaar behandelen. Verder verdienen vermeld te worden defasti Praenestinivan M. Verrius Flaccus (zieVerrius).—Een aanwijzing van de voornaamste romeinsche vaste feest- en gedenkdagen ten tijde van Augustus vindt men achter in dit werk.—3)de lijsten van jaarlijks wisselende ambtenaren (fasti consulares, praetorii), van de priesters (fasti sacerdotales, fasti fratrum arvalium), en van de in ieder jaar gevierde triumfen (fasti triumphales). Van hetgeen nog uit de oudheid over is, zijn wel het meest bekend de zoogenaamdeFasti Capitolini, een chronologische lijst van de consuls, censoren, dictatoren en magistri equitum, die in 34 aan den buitenmuur van deregiawerd aangebracht. Later (in 12) werd een relaas van zegetochten (fasti triumphalesof beteracta triumphorum(zieacta)) op afzonderlijke pijlers hieraan toegevoegd.Fatui, Fatuae, misvormde en soms onnoozele menschen, die in de huishouding der rom. grooten als huisnarren gebruikt werden. Dwergen,nani, nanae, waren tot dit doel ook zeer in trek.Fatum, de uitdrukkelijk uitgesproken en onherroepelijke wil der goden ten opzichte van den mensch, dus zijn geheel levenslot, gelukkig of ongelukkig, in het bijzonder de dood. Het meervoud beteekent de afzonderlijke beschikkingen van het noodlot betreffende een persoon of zaak; ook =Parcae. Vgl.μοῖρα.Fatuus, naam van Faunus als orakelgevend god. De heiligdommen, waar zijne orakels (droomorakels) gegeven werden, waren gewoonlijk in boschrijke streken.—Volgens een verhaal zou hij zich eens door Numa hebben laten dronken maken, en toen gedwongen zijn hem de geheimen der godenwereld te openbaren.Fauna, zieFaunusenBona Dea.Faunus, zoon van Picus, een oud-italisch veld- en boschgod, beschermer van landbouw en veeteelt, en dus den menschen welgezind, hoewel hij er vermaak in vindt hen in stille bosschen of in hun slaap (Incubus) te plagen en te verschrikken. Als orakelgevend god wordt hijFatuusgenoemd.—V. s. was hij een koning van Latium geweest, en door Heracles gedood, toen hij dezen aan Mercurius wilde offeren, zooals hij met vreemdelingen placht te doen.—Zijn voornaamste feest zijn de Lupercalia (z. a.); een ander landelijk feest zijn deFaunalia, die den 5denDecember werden gevierd; het was een dag van vroolijkheid, waarop zelfs slaven en vee vrijheid genoten; men offerde bokken, wijn, melk en wierook. F. had een tempel op de Insula Tiberina, z.Domitiino. 2. Zijn dienst werd in den keizertijd verdrongen door dien van Silvānus.—Nevens hem staatFauna(Fatua), eene godin, die dezelfde eigenschappen heeft als hij, en zijne vrouw of dochter genoemd wordt. Faunus werd reeds vroeg voor denzelfden gehouden en eveneens afgebeeld als Pan, en onder den invloed van deze meening sprak men ook vanFauni, soms kinderen van hem en Fauna genoemd, en ongeveer gelijk aan de grieksche satyrs.Fausta, 1) dochter van L. Cornelius Sulla. Zij is driemaal gehuwd geweest, de tweede maal met T. Annius Milo.—2)de gemalin van Constantijn den Gr., die door hem in 326 n. C. gedood werd.Faustīna, naam der gemalin van Antonīnus Pius en van hare dochter, de gemalin van Marcus Aurelius. Beiden waren vrouwen van een losbandig karakter. Ter eere van de eersteFaustīnawijddeAntonīnusPius in 141 een tempel aan de Via Sacra te Rome, die na zijn dood ook aan hem werd gewijd. Een deel van den tempel bestaat nog.Faustulus, de herder, die de kinderen Romulus (z. a.) en Remus vond, en aan zijn vrouw Acca Larentia (z. a.) bracht.Faventia, thans Faënza, stad in Gallia Cisalpīna, aan de via Aemilia gelegen.Favonius(M.), bewonderaar en naäper van Cato van Utica, tegenstander van het eerste driemanschap, vooral van Pompeius toen deze machtig was, hoewel hij na diens vlucht toch zijne zijde koos. Na Pompeius’ dood schonk Caesar aan Favonius vergiffenis; doch deze sloot zich later bij Caesars moordenaars aan, werd in den slag bij Philippi (42) gevangen genomen en op last van Octaviānus omgebracht.Favonius, de Westenwind, later de Noordwestenwind. Met het waaien van dezen zachten wind begint in Italië de lente (1stehelft van Februari). In Zwitserland Föhn geheeten. ZieWindstreken.Favorīnus,Φαβωρῖνος, rhetor onder keizer Hadriānus, uit Arelate in Gallië, leerling van Dio Chrysostomus en bevriend met Plutarchus en Fronto, schrijver van verschillende grieksche werken over allerlei onderwerpen.Febris, koortsafwerende godin, die te Rome drie tempels had, waar genees- en toovermiddelen tegen de ziekte te verkrijgen waren.Februus, oud-italisch god der lijkoffers, die aangeroepen werd om de Larvae of spoken van de menschen af te houden. Naar hem was de maand Februarius genoemd, waarin men na de Lupercalia geen vroolijk feest vierde en niets van belang begon. V. a. was die maand genoemd naar defebrua, zieLupercalia.Feciāles=Fetiales.Felix,agnomenvan L. Cornelius Sulla (Corneliino. 52).—Felix (Antonius), zieAntonius Felix.Felsīna, oude naam van Bononia (Bologna), toen de Etruscers nog in het Po-dal woonden.Fenestella(C.), ten tijde van Augustus en Tiberius, geschiedkenner en annalist.Fenni, de Finnen. Ze worden door Tacitus geschilderd als een wild volk, dat uitsluitend van de jacht leeft, en slechts hutten kent van rijshout.Fennius Rufus, zieFaenius Rufus.Fenus(van den stamfe-=φύω, evenalsτόκοιvanτίκτω). De rentevoet was oudtijds zeer hoog, wat in verband stond met het gevaar, uitgeleende geldsommen te verliezen. Bij de Grieken is ons niets bekend van wettelijke regeling dezer zaak; bij de Rom. vindt men de eerste bepaling aangaande rente in de wetten der twaalf tafelen. Deze wetten stelden eenfenus unciariumals wettig maximum vast. Waarschijnlijk beteekent dit, dat de rente 1 uncia van de as = 1/12 (= 8⅓ %) bedroeg voor het jaar van 10 maanden, zoodat de rente per 12 maanden 10 % is. Doch hetzij de wet niet streng genoeg was, hetzij men ze wist te ontduiken, men hield zich er niet aan, althans in 357 achtten de volkstribunen M. Duillius en L. Maenius (Menenius) het noodig, nogmaals hetfenus unciariumdoor eene wet vast te stellen, en de plebs nam delex Duillia Maenia(Menenia) gretig aan. Tien jaar later werd de wettelijke rente met de helft verminderd,fenus semiunciarium. Hetdoel schijnt te zijn geweest, door lagen rentevoet de menschen af te schrikken, geld tegen rente uit te leenen; althans delex Genucia ne fenerare liceret, van den volkstribuun L. Genucius, in 342, verbood dit geheel en al. Maar men kon het schulden maken niet voorkomen, het handelsverkeer werd door de wet bemoeilijkt, zij was niet te handhaven, en de woeker herleefde, in weerwil van nog verschillende wetten. Sulla hernieuwde de wet van 357, zieCorneliae (leges) van L. Cornelius Sulla, 88, no. 6. Het handelsverkeer met Griekenland en het Oosten bracht eene nieuwe renteberekening in zwang, n.l. met maandelijkschecentesimae. Deusura centesimawas 1 % ’s maands,usurae semisses½ %,trientes⅓ %,quadrantes¼ %,sextantes⅙ %,unciae1/12 %. Interest op interest heetteanatocismus,ἀνατοκισμός. Bankinstellingen waren den Rom. niet onbekend; in 352 werd tijdelijk eene staatsbank opgericht onder beheer vanquinqueviri mensarii.Feraliaofparentalia, een feest te Rome ter eere der afgestorvenen, wier geesten, naar men geloofde, in die dagen hunne oude woonplaatsen mochten bezoeken. Het feest begon 13 Februari en duurde negen dagen. Men bracht offers aan de schimmen van bloedverwanten en versierde de graven. Zie ookCaristia.Ferentarii, lichte, ongeregelde troepen, die met werpschichten en steenen gewapend waren en op de vleugels dienst deden en den strijd openden.Ferentīna, godin van het latijnsche verbond, dat zijne vergaderingen placht te houden bij een aan haar gewijd bosch aan den voet van den Albaanschen berg.Ferentīnum, stad der Hernici, in Latium, een tijdlang in de macht der Volscen.Ferentum, Ferentium, Ferentinum, stad in Zuid-Etrurië, geboorteplaats van keizer Otho.Feretrius, bijnaam van Jupiter, wien despolia opīmagewijd werden. Zijn tempel was door Romulus gebouwd en door Augustus vernieuwd.Feriaewerden vooral die godsdienstige feesten genoemd, die meer dan één dag duurden.Feriae statae(stativae) waren feesten, die jaarlijks op vaste dagen terugkeerden,conceptivaedie, waarvan de dagen ieder jaar door de pontifices worden vastgesteld en afgekondigd (indicere). Dit zijn de landbouwfeesten, waarvan de viering van den stand van het gewas afhankelijk is, o.a. deSementivae, en deAmbarvalia. Feriae imperativaezijn feesten, die ten gevolge van buitengewone gebeurtenissen (overwinningen ofprodigia) door den senaat worden uitgeschreven, b.v. desupplicationes.Feriae Latīnae, groote feesten op den Albaanschen berg ter eere van Jupiter Latiāris. De viering behoorde plaats te vinden onder voorzitterschap der consuls, zoodra mogelijk na de aanvaarding van hun ambt. Waren zij verhinderd, dan werd er meestal een dictator voor aangewezen. Rome was in die dagen bijna verlaten (zie ookpraefectus urbi).Feronia, italische godin, vooral vereerd aan den voet van den berg Soracte, waar haar de eerstelingen der veldvruchten geofferd werden en druk bezochte markten gehouden werden. Zij was eene godin der vrijheid, en slaven, die zich in haar tempel te Anxur (Tarracīna) het hoofdhaar lieten afscheren, werden vrij. Ook een bron bij Anxur was haar gewijd.—V. s. is zij dezelfde als Persephone.Feroniae lucus, heilig woud met drukke marktplaats bij de etruscische stad Capēna aan den voet van den berg Soracte. Ook bij Anxur in Latium lag een bosch aan Feronia gewijd.Fescennium, oude stad der Falisci, in Zuid-Etrurië, juiste ligging onbekend; hiernaar hebben deversus Fescennini, boertige, niet altijd kiesche bruiloftsliederen, hun naam.Festi (dies)waren dagen, die aan eene godheid gewijd en dus feestdagen waren. Gewone dagen warendies profesti. Van eendies intercisusof naar een oudere schrijfwijzeendotercisus, in den rom. kalender door EN aangeduid, was het middelste gedeelte feestdag.Festuca, roedje, stokje, ziemanumissio.Festus. 1)Porcius Festus, procurator van Judaea, opvolger van Antonius Felix, 59–61 na C.—2)Sex. Pompeius Festus, taalkundige waarschijnlijk uit de 3deeeuw n. C., schreef een werk in 20 boekende significatione verborum, ontleend aan een ouder en nog uitgebreider woordenboek van Verrius Flaccus. Van het werk van Festus zijn slechts groote brokstukken over; van het geheel bezitten wij een uittreksel, door zekeren monnik Paulus Diaconus onder de regeering van Karel den Gr. vervaardigd.—3)Rufus Festus, z.Rufusno. 3.—4)Rufus Festus Avienus, z.Avienus.Fetiāles, priestercollegie te Rome, welks taak het was, bij oorlogsverklaringen, vredesverdragen en verbonden de voorgeschreven godsdienstige plechtigheden te vervullen. Zoolang het rom. gebied nog klein was, werden zij ook als herauten uitgezonden, om van de naburen herstel van grieven te vorderen (clarigatio) of den oorlog te verklaren, waartoe zij naar de grenzen gingen en een werpspies in het vijandelijke land slingerden. Toen het Rom. gebied hiertoe te groot werd, werd de vijandelijke grond voorgesteld door eene mand met aarde, bij den tempel van Bellōna geplaatst (ziecolumna bellica). De woordvoerder derfetialeswerdpater patratusgenoemd. Zij waren als gezanten onschendbaar, en droegen, wanneer zij eene zending vervulden, takken van heilig loof (verbena) of heilige kruiden (sagmina), op het Capitool geplukt.Fibrēnus, riviertje in Latium, bij Arpīnum. Juist daar, waar het in den Liris uitstroomt, lag het ouderlijk huis van Cicero.Fibula,περόνη, πόρπη, gesp, nestel. Terwijl in het Myceensche tijdperk de kleederdracht meer overeenstemt met de tegenwoordige, vindt men reeds in het Homerische tijdperken verder gedurende de geheele oudheid een wijze van kleeding, die van de onze geheel afwijkt; de meeste kleeren worden eenvoudig omgeslagen om het lichaam, en dan op één of beide schouders of op de borst met een gesp of nestel, het best te vergelijken met onze veiligheidsspeld, vastgestoken. Alleen bij detogais defibulaniet in gebruik. Ook als ceintuurgesp en als haarnaald komt defibulavoor.Ficāna, stadje in Latium aan devia Ostiensis, door Ancus Marcius verwoest.Ficul(n)ea, latijnsch stadje, verwoest door Tarquinius Priscus.Ficus Ruminalis, zieRumina.Fidēnae,Φιδῆναι, stad in Latium, 8 kilometer ten Noorden van Rome, op een rots aan den Tiber, tegenover de Cremera-beek gelegen. De stad hoorde oorspronkelijk tot het bondgenootschap van Alba (depopuli Albenses), maar sloot zich meestal bij Veii aan, tot ze in 426 (door den dictator Mam. Aemilius Mamercinus) veroverd en vernietigd werd.Fidentia, rom. kol. in Gallia Cispadāna aan de via Aemilia, tusschen Parma en Placentia.Fides, godin der goede trouw, afgebeeld als eene ernstige vrouw, in het wit gekleed, gekroond met olijf- en laurierbladeren, met een korf met vruchten of korenaren in de hand. Zij had verscheiden tempels te Rome; in den oudsten, die bij het Capitolium lag en volgens de sage door Numa gewijd was, werd zij alsF. publica populi Romanivereerd. In werkelijkheid is de tempel eerst gebouwd in 254 of 250, maar de dienst was ouder. Haar wezen was verwant metDius Fidius(z. a.). Het zinnebeeld der trouw waren twee in elkaar gelegde handen.Fidius, z.Dius Fidius.Fiduciais eene zaak van vertrouwen, een nevencontract bij de vrijwillige overgaaf van iets, waarbij de ontvanger beloofde, het ontvangene terug te zullen geven. Zoo verkoopt een vader, die zijn zoon wil emancipeeren, dezen driemaal aan eenpater fiduciarius, onder belofte, dat deze hem telkens weder zal vrijlaten. Ook gebeurde het wel, dat een erflater zijne nalatenschap geheel of ten deele door een schijnkoop aan een ander verkocht, onder belofte, dat deemptor fiduciariusover de erfenis volgens den wensch des erflaters zou beschikken. Dit middel werd te baat genomen om zekere gedeelten eener erfenis te doen uitkeeren aan personen, die naar de wet geen of slechts een beperkt erfrecht hadden, b.v. vreemdelingen en vrouwen. Het nakomen van zulk eene belofte was wel een heilige plicht, doch het strenge oude recht gaf geene dwangmiddelen aan. Ook bij het geven van onderpand kwamfiduciate pas, n.l. dat de pandnemer bij aflossing der schuld het pand zou teruggeven. Hier echter was, bij weigering, eeneactio fiduciaemogelijk. Als rechtsterm komtfiduciaook wel in de beteekenis van pand voor.Figulus, familienaam in degens Marcia, z.Marciino. 12 en 13.Figulus(P. Nigidius), zieNigidius.Fimbria, familienaam in degens Flavia, z.Flaviino. 3–5.Firmicus Maternus(Julius), schreef eerst als Neo-Platonicus een werk over astrologie (matheseos libri) in 337 n. C. verschenen. Later ging hij tot het Christendom over en schreef een werkde errore profanarum religionum, dat aan de keizers Constantius en Constans was opgedragen, en waarin hij hen aanspoorde de heidenen te vervolgen.Firmum, zeestad en lat. kolonie (sedert 264) in Picēnum.Firmus(Claudius), papyrusfabrikant in Alexandrië, maakte oproer onder de regeering van keizer Aureliānus (273 n. C.); het oproer werd echter spoedig gedempt en Firmus gedood.Fiscus, eigenlijk een uit biezen of teenen gevlochten mand tot verschillend gebruik. Het schijnt, dat de Rom. geldmanden gebruikten in plaats van geldkisten; althans wij vindenfisciook gebezigd tot verzending van geld, evengoed als tot bewaring er van. Vandaar beteekentfiscusook wel de schatkist van den staat =aerarium. Onder de keizers krijgtfiscus, in tegenstelling vanaerarium, de beteekenis van private kas des keizers, waarin ten laatste de meeste belastingen gestort werden. Eindelijk neemt het woord ook de beteekenis aan van opbrengsten aan den fiscus, dus van belasting.Flaccus, familienaam in degentes Fulvia(z.Fulviino. 4–9) enValeria(z.Valeriino. 19, 20, 22–25, 41). Ook de dichter Horatius droeg dezen naam.Flagellum, flagrum. Eenflagellumwas een geeselwerktuig, bestaande uit touwen met knoopen er in, die aan een steel bevestigd waren; eenflagrumhad kettingen met ijzeren knoppen er aan.Flagellum caedit, secat, scindit; flagrum pinsit, rumpit.Flamen. Deflamineste Rome waren 15 in getal, priesters van even zooveel godheden. Er waren drieflamines maiores, priesters van Jupiter, Mars en Quirīnus,flamen Dialis,Martialis, Quirinalis. De overige warenminores, zooals defl. Volcanalis, Carmentalis,Floralis, Pomonalis, enz. De voornaamste was defl. Dialis, die detoga praetexta, desella curulisen een lictor had en ook zitting had in den senaat. In zijn openbaar en huiselijk leven was hij aan een groot aantal dikwerf lastige voorschriften gebonden. Hij mocht geen leger onder de wapenen zien, geen knoop of ongebroken ring hebben, daar dit zinnebeelden van slavernij waren. Elke dag was voor hem een feestdag; hij mocht dus geen menschen aan den arbeid zien, en wanneer hij over de straat ging, liepenpraeclamitatoresvoor hem uit en riepen den menschen toe, hun werk te staken tot de priester voorbij was. Zijne vrouw,flaminica Dialis, was priesteres van Juno. Zijn huwelijk moestper confarreationemgesloten zijn; echtscheiding was hem verboden; stierf zijne vrouw, dan moest hij zijne waardigheid nederleggen. Sedert den dood van L. Cornelius Merulain 87 (Corneliino. 44) is dit ambt 75 jaar lang onbezet gebleven. Na Caesars dood werd eenflamen Caesarisgekozen; de vergode keizers kregen ook ieder hunflamen. De naam werd door de ouden afgeleid vanfilum, draad, omdat deflaminesnooit zich geheel blootshoofds aan het volk mochten vertoonen, en derhalve, wanneer zij niet de priestermuts (apex, albogalerus) droegen, zich een wollen draad om het hoofd wonden. Tegenwoordig leidt men het woord af vanflare= aanblazen van het offervuur. De keus was in de hand van den pontifex maximus; de voorgedragene werdcomitiis calatisaangenomen en gewijd. Weigering baatte niet veel. De benoeming was voor het leven, doch zoo men tegen de voorschriften zondigde, moest men het ambt nederleggen.Flaminia (lex)van den volkstribuun C. Flaminius in 232, ter verdeeling van gronden in Picēnum en Gallia onder arme rom. burgers. ZieAgrariae leges.Flaminia (via), van Rome naar Ariminum (Rimini) (z.Flaminiino. 1 en 2).Flaminica, echtgenoote van eenflamen.Flaminii, plebejisch geslacht. 1)C. Flaminius, volkstribuun in 232, dreef onder hevigen tegenstand van den senaat zijn akkerwet door (zielex Flaminia). Als praetor van Sicilia (227) maakte hij zich daar zeer bemind. In 223 was hij consul en versloeg de insubrische Galliërs aan den Addua (Adda), en bracht den oorlog ten einde, zonder zich aan het senaatsbesluit, dat hem terugriep, te storen. In 220 was hij censor, legde devia Flaminiaaan (zie echter no. 2) en bouwde in dencampus Martiuste Rome dencircus Flaminius. In 217 was hij andermaal consul, doch verliet Rome om het bevel tegen Hannibal op zich te nemen, alvorens aan al de voorgeschreven vormen en plechtigheden te hebben voldaan. Bij het meer Trasimēnus door Hannibal in eene bergengte gelokt en ingesloten, sneuvelde hij met het grootste deel van zijn leger.—2)C. Flaminius, zoon van no. 1, streed in Hispania (210) onder P. Cornelius Scipio (den lateren Africanus maior), en later als praetor in 193. In 187 was hij consul. V. s. was hij de aanlegger van devia Flaminia.—3)C. Flaminiuswas in 67aedilis curulis, in 66index quaestionis inter sicarios.—4)C. Flaminius, een van de deelnemers aan de samenzwering van Catilīna. Bij hem hield Catilina zich na zijn vlucht uit Rome eenigen tijd op inagro Arretino.Flaminīnus, familienaam in degens Quinctia, z.Quinctiino. 8 en 9.Flammeum,—eigenlijk een adjectief, waarbij het subst.velummoet gedacht worden—bruidssluier, rood of hooggeel van kleur en van groote afmetingen, zoodat hij tot op de voeten hing. Aldus gesluierd, werd de bruid naar de woning van den bruidegom geleid, waar deze haar van hetflammeumontdeed. Schertsend bij dichters:flammea conterere, bruidssluiers verslijten = hertrouwen. Ook deflaminicadroeg, als ze in functie was, eenflammeum.Flavia (lex), z.Flaviino. 6 enAgrariae leges.Flavii, een plebejisch geslacht, afkomstig uit Etruria. Echter komen onder dezen naam ook familiën voor uit andere streken van Italia. 1)M. Flavius, volkstribuun in 327 en 323, stelde in 323 voor, de bevolking van Tusculum voor haar ontrouw voorbeeldig te straffen. Tusculum had zich namelijk bij de Samnieten aangesloten. Door smeekbeden bij het volk slaagden de Tusculaners er in, het onweder af te wenden.—2)Cn. Flavius, zoon van een vrijgelatene,scribaof klerk bij den aedilis App. Claudius Caecus, werd door hem in den senaat opgenomen en wist zich voor het jaar 304 tot aedilis curulis te doen verkiezen. In deze hoedanigheid maakte hij een rechtskalender openbaar, waarin zoowel de rechtsdagen (dies fasti) waren aangewezen, als ook een aantal vormen en formules (legis actiones), die men in acht moest nemen bij het aanbrengen en behandelen van verschillende zaken. Deze verzameling, die door hem op houten borden (alba) op het forum werd openbaar gemaakt, draagt den naam vanius Flavianum.—3)C. Flavius Fimbria, eenhomo novus, consul in 104. Hij werd later wegens afpersingen aangeklaagd, maar vrijgesproken.—4)C. Flavius Fimbria, aanhanger van Marius en Cinna, zoon van no. 3, liet in 86 in Asia, als legaat van den consul L. Valerius Flaccus, dezen vermoorden om zelf het bevel te kunnen voeren. Vervolgens voerde hij niet zonder geluk en beleid den oorlog tegen Mithradātes, totdat in 85 Sulla in Asia kwam. Na vergeefsche pogingen om Sulla uit den weg te ruimen door zijn eigen troepen verlaten, liet hij zich door een slaaf dooden (84).—5)Flavius Fimbria, broeder van no. 4, streed onder den consul C. Norbānus in 83 tegen Sulla. Hij stierf door sluipmoord.—6)In Cicero’s tijd komen nog een aantal Flavii voor, alsL. Fl., rom. ridder, getuige tegen Verres,—L. Fl., praetor in 59, een vriend van Cicero, in 60 als volkstribuun voorsteller eenerlex agrariaten gunste van Pompeius’ veteranen, welke wet echter niet tot stand kwam,—C. Fl., een vriend van Cicero’s schoonzoon Piso,—C. Fl., een vriend van Brutus, bij Philippi gesneuveld.—7)Flavius Scaevīnus, senator tijdens keizer Nero, nam aan de samenzwering van Piso deel (65).—8)Uit degens Flaviawaren ook de drie achtereenvolgende keizers Vespasianus, Titus en Domitianus; de laatste wordt dichterlijkFlavius ultimusgeheeten.—9)Flavius Clemens, z.Vespasianusaan het slot.—10)Flavius Sabinus, z.Sabinusno. 3.Flavius Josēphus,Ἰώσηφος, in 37 na C. uit een joodsch priestergeslacht te Jerusalem geboren. Hij genoot eene geleerde opvoeding, ging vervolgens naar Rome, waar hij de gunst verwierf van Nero’s gemalin Poppaea Sabina; na zijn terugkeer brak weldra de opstand zijner landgenooten uit, waarbij hij zich aansloot. Hij organiseerde den opstand in Galilaea, maar werd na de innamevan de vesting Iotapata gevangen genomen. Later door Vespasiānus in vrijheid gesteld, woonde hij het beleg van Jerusalem door Titus bij, en wijdde zijne verdere dagen te Rome aan de wetenschap. Hij heeft o. a. eene geschiedenis van den joodschen oorlog geschreven, en eene joodsche geschiedenis van de schepping tot 66 na C. Van belang is ook zijn geschriftcontra Apionem(z.Apion) of:Περὶ τῆς τῶν Ἰουδαίων ἀρχαιότητος, waarin hij de aanvallen van verschillende schrijvers tegen het Jodendom tracht te weerleggen, en de oude en hooge beschaving van het oude volk tracht te bewijzen.Flavus, broeder van den vorst der Cheruscen Arminius, diende in het rom. leger.Flevo lacus, het meer Flevo, waaruit later de Zuiderzee is ontstaan. Door dit meer liep de noordelijke Rijnarm, die zich door hetFlevum ostium(het Vlie) in zee stortte.Flora, godin der bloemen en der lente, wier dienst door Titus Tatius ingevoerd was, had een tempel bij den Circus Maximus. Men hield haar voor dezelfde als Chloris.Floralia, Flora-feesten van 28 April tot 1 Mei. Zij komen het eerst voor in 238, bij de inwijding van den tempel van Flora. Sedert 173 worden zij jaarlijks gevierd, z.Ludi. Alles werd op dit feest met bloemen versierd, terwijl men zich aan dartele, uitgelaten vroolijkheid overgaf. De vrouwen droegen op die dagen bonte kleeren.Florentia, thans Florence, ital. Firenza, stad en rom. kolonie in Etruria, aan den Arnus (Arno).Florus, schrijver van eenEpitome rerum Romanarum, een beknopt overzicht der rom. geschiedenis van den koningstijd tot Augustus. Hij leefde ten tijde van Hadriānus en is dus waarschijnlijk identisch metP. Annius Florus, een dichter, die met keizer Hadrianus bevriend was. In dat geval is de naamJulius Florusvan het beste handschrift verschreven voorPublius, enAnneus(Annaeus) van de andere voorAnnius.—Onder de vrienden van den dichter Horatius komt eenJulius Florusvoor, die Tiberius tweemaal op zijne krijgstochten vergezelde. Quinctiliānus spreekt van een beroemd redenaarJulius Florusuit Gallia, terwijl in den gallischen opstand tijdens de regeering van Tiberius een derdeJulius Florusals een der heftigste opstandelingen wordt genoemd bij de Treviren (21 n. C.). Toen de opstandelingen verslagen waren, maakte hij zich van kant.Focus,ἑστία, de haardstede, eenvoudig bestaande uit eene ijzeren plaat of een steenen vloertje, waarop het vuur brandde, was eene heilige plaats. De vluchteling, die zich daar nederzette, was onschendbaar. Als de algemeenefocusder stad Rome gold de tempel van Vesta,Ἑστία.Foedus, z.Civitates foederatae.Foedus ferire, icere. Deze uitdrukkingen komen hier vandaan, dat bij het bezweren van een verdrag, de woordvoerder derfetiales(z. a.), depater patratus, met een steenen hamer een big doodsloeg, met de bede, dat het rom. volk, zoo het willens en wetens valschelijk tegen het verdrag handelde, door Jupiter evenzoo mocht getroffen worden.Foenus=Fenus.Fontēii, plebejisch geslacht uit Tusculum. 1)Ti. Fonteius(Crassus) was in 212, toen P. en Cn. Cornelius Scipio in Hispania sneuvelden, legaat van den eerstgenoemden en voerde met L. Marcius Septimus (Marciino. 17) het bevel over het leger tot aan de komst van P. Scipio (Africanus maior).—2)Fonteiuswerd in 91 als legaat met den proconsul Servilius door eene bende uit Asculum vermoord. Dit was het signaal voor het uitbreken van den bondgenootenoorlog.—3)M. Fonteius, zoon van no. 2, was legaat in Hispania, en later propraetor in Gallia Narbonensis geweest, toen hij door M. Plaetorius van afpersingen werd beschuldigd (69). Cicero verdedigde hem, waarschijnlijk tevergeefs.—4)P. Fonteiusadopteerde P. Clodius Pulcher, opdat deze volkstribuun zou kunnen worden.—5)C. Fonteius Capitoherstelde te Brundisium met Maecēnas de verstandhouding tusschen Octavianus en Antonius (37). De dichter Horatius maakte de reis daartoe mede.—6)C. Fonteius Capito, consul 12 na C., vervolgens (23/24) proconsul in Asia.—7)Fonteius Agrippa, onder Vespasianus proconsul in Asia (68 n. C.), vervolgens in Moesia (69), sneuvelde tegen de Sarmaten.Forceps, tang ofForfex, schaar. In de krijgskunst verstond men hieronder eene slagorde in den vorm eener V, die men aan dencuneusof wigvormige slagorde van den vijand tegenoverstelde. In den slag bij Cannae voerde Hannibal deze manoeuvre uit tegen dencuneusder Romeinen, maar hij misleidde den vijand door in den beginne zijn centrum te laten vooruitrukken, en eerst in de hitte van den strijd zijn flanken zoodanig te laten zwenken, dat deforfextot stand kwam.Fordicidia, feest op 15 April gevierd. Op het Capitolium en in iedere curia werd eene drachtige koe,vacca forda, aan Tellus geofferd. Het ongeboren kalf werd tot asch verbrand, die door de Vestaalsche maagden bewaard werd om bij de Palilia tot reinigingsmiddel te dienen.Forentum, liefelijk gelegen stadje aan den berg Vultur, op de grens van Apulia en Lucania, ten Z. van Venusia.Forfex, z.forceps.Formiae,Φορμίαι, stad in het land der Aurunci in zuidelijk Latium aan de via Appia en aan zee gelegen, in 188 door het plebiscitum Valerium met het volledig burgerrecht begiftigd. De omstreken leverden uitstekenden wijn en waren zeer gezocht voor buitenplaatsen. Ook Cicero had er eene, zijnFormianum.Formio, kustriviertje t. Z. van Tergeste (Triest), ten tijde van Varro de oostelijke grens van Italië. Augustus heeft Istria bij Italië gevoegd, en de grens verschoven tot aan de Arsia.Formula, ingevoerd door delex Aebutiavan± 200 en deleges Juliaevan Augustus, ter vervanging der oudelegis actiones. De praetor gaf aan deniudexeen formulier, eene soort van instructie, waarin hij aanwees, wat recht was en hoe de rechter uitspraak moest doen, zoowel voor het geval, dat deze den klager in het gelijk, als dat hij hem in het ongelijk stelde. Het definitief vaststellen van deformulanoemde menlitis contestatio(z. a.), een naam ontleend aan het oudelegis actio-proces. De gevallen, waarvoor de praetor eeneformulagaf, stonden in diens edict vermeld. Voor dein iure cessioen de processen derXVirienCentumviribleven de vormen van hetlegis actio-proces bestaan.Fornacalia, een feest, dat oudtijds te Rome gevierd werd door hen, die gezamenlijk een oven (fornax) hadden voor het roosteren van de spelt,farris torrendi feriae, hetgeen aan het stampen (pinsere) voorafging; ook later, toen ieder een molen had, bleef het feest bestaan en sprak men van eendea Fornax. Het feest werd in de afzonderlijkecuriaeop verschillende dagen in Februari gevierd. Zij, die op dit feest verzuimd hadden te offeren, of niet wisten tot welkecuriazij behoorden, konden dit verzuim herstellen op de Quirinalia, 17 Februari, welke dag hieromferiae stultorumheette.Fornix, z.Arcusno. 2.Fornix Fabianus=Fabianus Fornix.Fortūna, ookFors Fortuna, godin van het toeval, dat zoowel gelukkig als ongelukkig zijn kan. Haar dienst was, naar men zeide, door Servius Tullius ingesteld, die haar twee tempels gewijd had. Zij was oudtijds vooral een landelijke godheid, en werd overigens het meest door vrouwen vereerd, tegelijk met Mater Matūta en Pudicitia. Daar het lot van den mensch voor een groot deel van het toeval afhangt, werd zij later zeer algemeen vereerd, en had zij een groot aantal bijnamen, naar de personen die, de plaatsen waar en de omstandigheden waaronder zij om hare gunst baden, of naar de eigenschappen, die men haar toekende:Publica, Privata, Patricia,Equestris, Virilis, Muliebris, Primigenia(z. a.),Redux, Blanda, Dubia, Brevis, enz.—Later hield men haar voor dezelfde als Tyche en werden haar ook dezelfde attributen gegeven.Fortunātae insulae,αἱ μακάρων νῆσοι, de plaatsen, waar volgens grieksche opvatting de zielen der afgestorvenen, vooral der helden en groote mannen, verblijf hielden, later geïdentificeerd met de Canarische eilanden ten W. van Afrika.Forum,ἀγορά. Hetforumbij uitnemendheid te Rome was hetforum Romanum, aan den voet van den Capitolijnschen berg gelegen en zich uitstrekkende in Z. O. richting. Dit forum was het middelpunt van het verkeer; dáár werden de rechtszaken behandeld, dáár waren de wisselkantoren, dáár kon men op gezette tijden van den dag elkander spreken. Tijdens den bloei der stad was dit forum omgeven met groote gebouwen, als: hetVulcanal, den tempel der Concordia, decuria Hostilia, deregia, waar de pontifex maximus woonde, den tempel van Vesta, enz. Men vond er derostra, decolumna rostrata, den gulden mijlpaal,milliarium aureum, standbeelden. Ten N. hiervan lag hetcomitium, de plaats, waar oudtijds de curiaatcomitiën werden gehouden (z. a.). Daar het plein op den duur voor het handelsverkeer te klein werd, kwamen er van lieverlede andere marktpleinen (fora venalia) bij:forum boaaium,suarium, piscarium, (h)olitorium(groenmarkt). Bovendien legde Caesar ten N. van hetforum Romanumeen nieuw plein aan, hetf. IuliumofCaesaris, met een tempel vanVenus Genetrixen een beeld van Caesars paard. In aansluiting hieraan werden door sommige keizers nog andereforaaangelegd, als: hetforum Augusti, hetf. Vespasianimet den Vredestempel, hetf. Nervae, en vooral het prachtigef. Traiani, met het paard van Traiānus, de grootschebasilica Ulpiaer aan grenzende en daarachter de Traianuszuil en de tempel van Traianus.—In de rom. legerplaatsen had men ook een forum naast (later vóór) de veldheerstent, bij de tenten der legaten.—In de provinciën, en ook in Italia, hadden enkele plaatsen, die in het bijzonder als marktplaatsen waren aangelegd (zie hieromtrentvicusno. 3) den naamforum, o. a.Forum Appii, aan de via Appia in de pontijnsche moerassen (Pomptinae paludes),Forum Clodii, in Liguria, aan de kust, ten N. W. van Luca,Forum Iulii(Fréjus) op de kust van Narbonensis,Forum Hadrianiop het eiland der Batavieren.Fosi, germaansch volkje, verwant met de Cheruscers.Fossa, elke gracht of kanaal.Fossa Corbulonis, door Corbulo op het eiland der Batavieren aangelegd ter verbinding van Rijn en Maas waarschijnlijk de Vliet van Leiden naar Delft;Fossa Drusiana, waarschijnlijk de Vecht, die bij Fectio (Vechten onder Bunnik) van den (Krommen) Rijn afboog, en in den Flevo lacus, de latere Zuiderzee uitmondde.Fossa Mariana, eigenlijk een nieuwe Rhônemond, door Marius gegraven, ten O. der oude monden, die verzand waren.Framea, de lange, dunne lans, met smalle, scherpe ijzeren punt, der Germanen. Ze gebruikten die zoowel om te werpen als om te stooten.Franci, het bekende germaansche volkenverbond der Franken, voor het eerst vermeld omstreeks 240 na C. Het ontstond aan den Beneden-Rijn en op onze grenzen uit de Sygambren, Bructeren, Chamaven, Chasuariërs of Chattuariërs, Amsivariërs; hierin zijn later de Batavieren opgegaan. In de 5deeeuw worden ze onderscheiden in de Salische Franken (zieSalii), en de Ripuarische Franken (zieRipuarii).Fregellae, volscische stad in Latium aan den Liris, door de Samnieten ± 330 verwoest, waarop de Romeinen in 328 op eenigen afstand bij den overgang van den Liris een latijnsche colonie Fregellae stichtten, hetgeen een van de oorzaken was van het uitbrekenvan den tweeden samnietischen oorlog. Na den Caudijnschen vrede verwoest, wordt het later weer opgebouwd, en een machtige stad, die Rome trouw terzijde staat, tot de stad in 125 opstond en door den Praetor L. Opimius verwoest werd.Fregēnae, etruscische zeestad, op de grens van Latium, sedert 245 rom. kolonie.Frentāni,Φρεντανοί, samnietisch volk aan de Adriatische zee. Hun gebied grensde aan Apulia.Frento, grensriv. tusschen het land der Frentani en Apulia.Fretum Gaditānum, straat van Gibraltar.Fretum Siculum, straat van Messina.Frigidarium, de zaal voor koude baden in een rom. badhuis. Ziebalneum.Friniātes, zieBriniātes.Frisiavonesof kleine Friezen, de tegenwoordige Westfriezen; ze behoorden tot het romeinsche rijk, en dienden in de rom. legers.Frisii, het bekende volk der Friezen, sedert Drusus schatplichtige bondgenooten der Rom. In 28 n. C. stonden zij op, wegens de afpersingen van denprimipilusOlennius, die de schatting van ossenhuiden moest invorderen. Zij versloegen den stadhouder van Germania inferior, L. Apronius, doch werden in 47 door Cn. Domitius Corbulo onderworpen. Later namen zij deel aan den bataafschen opstand onder Civīlis.Frontīnus(Sex. Iulius), consul in 75, 98 en 100 na C., 76–77 proconsul in Britannia, waar hij de Silures onderwierp. In 97 onder Nerva was hijcurator aquarum, eene aanzienlijke betrekking. Wij bezitten twee geschriften van hem:Strategematōn libri III(een vierde boek, dat er bij gevoegd is, is niet van hem) ende aquis urbis Romae.Fronto(M. Cornelius), uit Cirta in Africa, beroemd redenaar en advocaat onderHadriānusen Antonīnus Pius, leermeester van Marcus Aurelius en L. Verus. De brieven en vertoogen, die nog van hem overig zijn en die in 1815 door den kardinaal Angelo Mai te Milaan ontdekt zijn, hebben door hunne droogheid en gebrek aan smaak ’s mans roem niet verhoogd.Frumentariae (leges), zieannona.Frusino, hernicische stad in Latium, een tijd lang in het bezit der Volscen; na den opstand van 306 is het eenpraefectura(z.a.); het lag aan de via Latina.Fucentia(Alba), zieAlba Fucentia.Fucinus lacus, een vrij groot meer zonder zichtbare uitwatering, in het gebied der Marsen, een vergaderbak van bergriviertjes. Daar het door zijne overstroomingen dikwijls groote schade aanrichtte, liet keizer Claudius een afwateringskanaal (emissarius) door de bergen boren. Dit werk gelukte niet, en spoedig raakte het kanaal weder verstopt. In 1855–1875 heeft de italiaansche bankier prins Torlonia een dieperen afvoertunnel doen boren, zoodat thans de bodem van het meer grootendeels is drooggelegd en in bouwland herschapen.Fucus, blanketsel, was in de oudheid zeer in gebruik. De wenkbrauwen werden zwart geverfd, met eene zwavelverbinding van antimonium, de wangen rood met menie of met het sap eener zekere korstmosplant, de huid werd wit gemaakt metcerussaof loodwit,ψίμυθος, terwijl de aderen aan de slapen blauw werden gekleurd.Fufia (lex)de auspiciis, zieservare de caelo.Fufia (lex)de religione. Toen P. Clodius Pulcher in 61 van heiligschennis beschuldigd was, omdat hij in vrouwenkleederen de aan mannen ontzegdesacraderBona Deahad bijgewoond, en toen de consuls hadden voorgesteld, de rechters door den praetor te doen kiezen, stelde Clodius’ vriend, de volkstribuun Q. Fufius Calēnus, voor, de rechters op een andere wijze te doen aanwijzen, in de hoop dat er dan meer gelegenheid tot omkooping zou zijn, hetgeen gelukt is.Fufia (lex)iudiciaria, van denzelfden, doch als praetor, 59. Deze wet bepaalde o.a., dat de drie decuriën van rechters (zielex Aurelia iudiciaria) in afzonderlijke bussen zouden stemmen. Ook stelde zij vast, hoeveel helpers iemand mocht medenemen, die in eenige provincie een onderzoek naar gepleegde afpersingen ging instellen.Fufidii, plebejisch geslacht, waarvan bij Cicero e. a. enkele leden vermeld worden.Fufii, plebejisch geslacht, waarschijnlijk uit Cales. 1)Q. FufiusCalēnus, tegenstander van Tib. Sempronius Gracchus.—2)Q. Fufius Calenus(zie de beideleges Fufiae) bewerkte de vrijspraak van Clodius. Later bewees hij diensten aan Caesar, en was in Gallia en Hispania diens legaat. In 47 was hij consul. Na Caesars dood sloot hij zich bij Antonius aan. Hij stierf in 40.—3)Fufius Geminus, in 34 stadhouder van Pannonia onder Augustus.—4)Q. Fufius Geminus, gunsteling van Livia, op bevel van Tiberius omgebracht (30 of 31 n. C.).Fulcinii, plebejisch geslacht.C. Fulcinius, rom. gezant, werd in 438 door de Fidenaten omgebracht. Onder keizer Tiberius komt een zekere Fulcinius Trio alsdelatorvoor; o.a. klaagde hij in 16 n. C. Libo (Scriboniino. 9), in 20 Piso (Calpurniino. 7) aan; als vriend van Seiānus was zijn positie na diens val geschokt, en toen hem een proces dreigde, benam hij zich het leven (35 n. C.).Fulgur condere, ziebidental.Fullo, voller, die kleederen wiesch en opmaakte. De stoffen werden in groote kuipen met water, loog en urine gewasschen, waarbij het stampen vervangen werd door treden met de bloote voeten. Dan werden zij ingewreven met vollersaarde,creta fullonica, vervolgens gedroogd, gezwaveld, gekaard, geborsteld en geperst.Fulvia (rogatio),de civitate sociis Italicis danda, wetsvoorstel van M. Fulvius Flaccus (125), om het burgerrecht aan de italiaansche bondgenooten te geven. Het werd niet aangenomen.Fulvii, plebejisch geslacht, waarschijnlijk uit Tusculum. 1)M. Fulvius Paetinus, consul 299, versloeg de Umbriërs en veroverdeNequinum (z.Narnia)—2)Cn. Fulvius Maximus Centumalus, versloeg in 298 als consul de Samnieten bij Boviānum, en streed later als propraetor tegen de Etruscers.—3)Cn. Fulvius Centumalus, overwon als consul in 229 met een groote vloot de Illyriërs onder koningin Teuta. Zijn zoon, die den zelfden naam draagt, sneuvelde in den tweeden punischen oorlog te Herdonia tegen Hannibal (210).—4)Q. Fulvius Flaccus, consul in 237, 224, 212, en 209, streed in zijne eerste twee consulaten tegen de Galliërs en Liguriërs, in zijn derde tegen den Carthager Hanno. In 211 veroverde hij met Appius Claudius Pulcher (zieClaudiino. 8). Capua. Hij was pontifex maximus en in 210 dictator.—5)Cn. Fulvius Flaccus, broeder van no. 4, werd als praetor door Hannibal te Herdonia in Apulië verslagen (212) en in het volgend jaar veroordeeld tot ballingschap; hij ging naar Tarquinii.—6)Q. Fulvius Flaccus, zoon van no. 4, in 182 praetor, in 181 propraetor van Hispania Tarraconensis, beoorloogde de Celtiberiërs. In 179 was hij consul en behaalde hij een overwinning op de Liguriërs. Later sloeg hij in een vlaag van krankzinnigheid de hand aan zichzelf. Hij was pontifex maximus en in 174 censor. Een neef van hem, ookQ. Fulvius Flaccusgeheeten, wasconsul suffectusin 180, en bracht 7000 Apuani (z. a.) naar Samnium over.—7)M. Fulvius Flaccus, door Cicero een middelmatig redenaar genoemd, consul in 125, aanhanger van C. Gracchus, kwam met zijne beide zoons in 121 met Gracchus om. Van hem is derogatio Fulvia de civitate sociisItalicisdanda, die echter niet in stemming kwam (125).—8)Ser. Fulvius Flaccus, consul in 135, versloeg de Illyriërs. Hij behoorde onder de redenaars.—9)C. Fulvius Flaccus, consul in 134, streed tegen de opgestane slaven in Sicilia, doch bracht den oorlog niet ten einde.—10)Ser. Fulvius Paetinus Nobilior, consul in 225, versloeg met zijn ambtgenoot M. Aemilius Paullus de Carthagers ter zee op hunne eigen kust bij het Hermaeische voorgebergte,promunturium Mercurii254, zij verloren echter daarna hun vloot in een storm.—11)M. Fulvius Nobilior, streed als praetor in 193 en volgende jaren in Hispania en overwon als consul in 189 de Aetoliërs. In 179 was hij censor. Hij heeftfastigeschreven. Hij was een vriend en beschermer van Q. Ennius, die hem in zijneannalesverheerlijkt heeft.—12)M. Fulvius Nobilior, zoon van no. 11, consul in 159.—13)Q. Fulvius Nobilior, ook een zoon van no. 11, consul in 153, verschafte aan Ennius het rom. burgerrecht in 184, toen hijtriumvir coloniae deducendaewas. Hij was de eerste, die het consulaat op den 1stenJanuari aanvaardde.—14)Fulvia, dochter vanM. Fulvius Bambalio, was eerst gehuwd met P. Clodius Pulcher, later met C. Curio en ten derden male met M. Antonius. Zij was eene hevige vijandin van Cicero. Zij haalde in 41 haar zwager L. Antonius over, oorlog met Octaviānus te beginnen,bellum Perusinum, (zieAntoniino. 4 en 6).—15)Fulvia, minnares van Q. Curius, zieCuriino. 2.Fundanii, plebejisch geslacht. 1)C. Fundanius Fundulusklaagde als volkstribuun in 249 den consul P. Claudius Pulcher (Claudiino. 7) aan, die tegen de auspicia met de Carthagers bij Drepana ter zee had gestreden en verslagen was, en in 246 alsaedilis plebisdiens zuster, omdat ze het volk hevig beleedigd had. In 243 streed hij als consul tegen Hamilcar Barcas, en weigerde hem na den slag een wapenstilstand voor het begraven der lijken.—2)C. Fundanius, eerst aanhanger van Pompeius, ging tot de partij van Caesar over.—3)M. Fundanius, in 66 door Cicero verdedigd.Fundi, municipium in Latium aan de via Appia, met cyclopische muren. In 188 kreeg het, met Formiae en Arpīnum volledig burgerrecht. De omtrek,ager Caecubus(z. a.), was beroemd om zijn voortreffelijken wijn. Nabij Fundi lag een diep meer,lacus Fundanusgenoemd.Furca, gaffel of gavel, groote tweetandige vork, als hooivorken, enz.—Als strafwerktuig voor slaven is defurcaeen houten blok in den vorm eener <, dat om den hals werd gelegd, terwijl de armen aan de beide einden van den vork werden vastgebonden. Slaven, die gekruisigd of gehangen moesten worden, werden zóó ter strafplaats geleid; vandaar isfurciferals scheldwoord = galgebrok.Furia (lex)testamentaria, uit de eerste helft der 2deeeuw, dat niemand een grooter legaat dan van 1000 as mocht aanvaarden, op straffe van het meerdere vierdubbel te moeten teruggeven. Uitgezonderd zijn de naaste bloedverwanten.Furia Atilia (lex)van de consuls L. Furius Philus en Sex. Atilius Serrānus in 136, dat de consul C. Hostilius Mancīnus, die den vernederenden vrede met de Numantijnen had gesloten, aan de vijanden zou worden uitgeleverd.Furia Caninia (lex)de manumissionibus, onder Augustus, beperkte de overdreven vrijlatingen van slaven bij testament.Furiae, z.Erinnyes.Furii, patricisch geslacht, uit Tusculum. 1)P. Furius Philus, overwon als consul in 223 de Galliërs. Hij was in 214 censor, doch stierf gedurende zijn ambt, waarop zijn ambtgenoot de censuur nederlegde.—2)L. Furius Philus, consul 136. Zielex Furia Atilia.—3)Sp. Furius Medullīnus Fusus, consul 481, streed gelukkig tegen de Aequers.—4)Sp. Fur. Medullinus Fusus, consul 464, streed tegen de Aequers met afwisselend geluk.—5)Agrippa Fur. Medullinus Fusus, consul 446, versloeg de Volscers.—6)L. Fur. Medullinus, consul 413 en 409 en zevenmaal consulairtribuun, overwon de Volscers.—7)L. Fur. Medullinus, leverde als legaat van M. Furius Camillus tegen diens wil slag aan de Volscen en werd door Camillus nog van den ondergang gered. In 381 waren beiden ambtgenooten als consulairtribuun.—8)Sp. Fur. Medullinus, consulairtribuun in 378,verwoestte het volscische land.—9)M. Furius Camillus, in 403 censor, daarna bij herhaling consulairtribuun, in 396 dictator, behaalde grooten roem in den strijd tegen de Faliscers en vooral in 396 door de verovering van Veii. Van verduistering van buit beschuldigd, ging hij in 391 in ballingschap. Toen echter Rome door de Galliërs was ingenomen, riepen de belegerden op het Capitool zijne hulp in, en benoemden hem, schoon afwezig, tot dictator. Den aftrekkenden Galliërs bracht hij, volgens het latere verhaal, eene gevoelige nederlaag toe, waarvoor hij den naam vanpater patriaeontving. Hij hield de verhuizing van het volk naar Veii tegen, liet Rome met spoed herbouwen en legde zijn ambt toen neder. Later was hij nog bij herhaling consulairtribuun en nog driemaal dictator. Hij versloeg de Volscers, Aequers, Etruscers en in 367 nogmaals de Galliërs. In 365 stierf hij aan de pest, 82 jaar oud. Veel van deze verhalen omtrent Camillus worden door sommige geleerden voor verdicht gehouden. Aan Camillus wordt een verandering in het krijgswezen toegeschreven, zieAcies.—10)Sp. Furius Camillus, zoon van no. 9, was in 365 de tweede praetor.—11)L. Furius Camillus, ook een zoon van no. 9, was in 350 dictator, en weigerde toen hardnekkig, een plebejer tot consul te laten kiezen, waarop hij zelf tot consul voor 349 gekozen werd, met App. Claudius Crassīnus (Claudiino. 4).—12)L. Furius Camillusen C. Maenius, consuls in 338, genoten de zeldzame eer, dat hun triumftocht over de onderworpen Latijnen door ruiterstandbeelden op het forum vereeuwigd werd.—13)Een nazaat van dezeFurii Camilliis:M. Furius Camillus, consul 8 n. C., versloeg als proconsul van Africa (17 n. C.) de Numidiërs, die onder leiding van Tacfarīnas opgestaan waren, en verwierf deinsignia triumphalia.—14)Furius Camillus Scriboniānus, ofL. Arruntius Camillus Scribonianus, consul 32 n. C., liet zich alslegatus Illyricibij het begin van de regeering van keizer Claudius door zijn troepen tot keizer uitroepen, maar werd reeds binnen vijf dagen vermoord. In zijn val werd o.a. Caecīna Paetus meegesleept.—15)Verder vindt men onder de Furii nog deAculeōnes,—deBibaculi, waaronder een zekere M. Fur. Bib., een dichter ten tijde van Caesar, dien Horatius in zijn verzen bespotte; hij was te Cremōna geboren, hij was, evenals Catullus, een tegenstander van Caesar, en ook van Augustus; beiden heeft hij in zijn epigrammen bespot,—dePurpureōnes, waaronder L. Fur. Purpureo, die in 200 als praetor de Galliërs overwon en in 196 consul was,—dePacili, die ook nog een paar consuls hebben opgeleverd, en deCrassipedes. Een dezer laatsten is na den dood van C. Piso Frugi een tijd lang met diens weduwe Tullia, Cicero’s dochter, verloofd geweest.—16)A. Furius Antias, uit Antium, vriend van Q. Lutatius Catulus (consul in 102), dichtteAnnales.Furnii, plebejisch geslacht. 1)C. Furnius, volkstribuun in 50, een vriend van Cicero, aanhanger van Caesar en later van Antonius, vergezelde dezen in den parthischen oorlog en was in 35 stadhouder van Asia. Hij verzoende zich later met Octaviānus en was in 29 consul. Hij had naam als redenaar.—2)C. Furnius, zoon van no. 1, onderwierp in dienst van Augustus de Cantabriërs (25–23).Furrina, romeinsche godin, wier beteekenis reeds aan de ouden onbekend was. Haar feest, deFurrinalia, werd den 25enJuli gevierd.Fustuarium, zware lijfstraf in het rom. leger. Wanneer door den krijgsraad deze straf over een soldaat was uitgesproken, raakte zijn centurio hem met een stok aan, waarop de andere soldaten met knuppels en steenen zoo op den schuldige aanvielen, dat deze er meestal onder bezweek.

F.F, ziefasti (dies).Fabaria, zieBurchana.Fabariae (Kalendae), z.Carna.Fabaris=Farfar(Farfarus).Fabianus Fornix, een boog over de Sacra via te Rome, op de plaats waar die op het Forum uitkwam, opgericht door Q. Fabius Maximus Allobrogicus (Fabiino. 20), en hersteld door zijn kleinzoon (Fabiino. 22).Fabiānus Papyrius, rom. wijsgeer ten tijde van Augustus en Tiberius, een man van groote welsprekendheid en reinen levenswandel. Zijne geschriften over wijsbegeerte en natuurlijke historie zijn verloren.Fabii, eene der oudste patricischegenteste Rome, misschien van sabijnschen oorsprong. 1)Q. Fabius Vibulānus, consul in 485 en 482, een warm voorvechter der aristocratie. Onder zijn eerste consulaat had de veroordeeling van Sp. Cassius Viscellīnus plaats. Hij streed in 485 tegen de Aequers en Volscers en maakte zich gehaat door aan de soldaten niets van den buit te gunnen, doch alles te laten verkoopen. In 480 sneuvelde hij in den strijd tegen Veii.—2)K. Fabius Vibulānus, broeder van no. 1, consul in 484, 481 en 479, de eerste maal met grooten tegenstand der plebs door toedoen der patriciërs verkozen, was eerst voortdurend in strijd met de volkstribunen, die eenelex agrariawilden doordrijven. In zijn derde consulaat echter deed hij zelf, maar vergeefs, den voorslag, dat de senaat verdere pogingen in dien geest zou voorkomen door uit eigen beweging veroverden grond onder de plebejers te verdeelen. Zie echterAgrariae (leges)enTribuni plebis. Op zijn voorstel trok in 479—volgens het niet al te betrouwbare geschiedverhaal—de geheelegens Fabia, uitgezonderd een nog te jonge knaap, 306 man sterk, met hare cliënten naar het riviertje de Cremera, om de grenzen tegen de Vejers te beschermen. In 477 vonden zij, in eene hinderlaag gelokt, allen den dood.—3)M. Fabius Vibulānus, broeder van no. 1 en 2, was consul in 483 en 480, zoodat het consulaat zeven jaren achtereen in degens Fabiawas. Hij voerde evenals zijne broeders oorlog tegen de naburige volken en sneuvelde bij de Cremera.—4)Q. Fabius Vibulānus, zoon van no. 3, de eenige overgeblevene van het geslacht, consul in 467, 465 en 459, streed tegen Aequers en Volscen, en bewerkte de uitzending eener rom. kolonie naar Antium (467). In 462 verzette hij zich alspraefectus urbiten sterkste tegen het voorstel van den tribuun Terentiliusde legibus scribendis. In 450 was hij een der tienmannen.—5)M. Fabius Vibulānus, zoon van no. 4, consul in 442, consulairtribuun in 433, bewerkte de uitzending eener kolonie naar Ardea (442), streed bij herhaling tegen Aequers en Vejenten en werd pontifex maximus. Hij kwam vermoedelijk om bij den inval der Galliërs in 390, daar hij Rome niet wilde verlaten.—6)Num. Fabius Vibulānus, ook een zoon van no. 4, consul in 421, consulairtribuun in 415 en 407, streed als consul tegen de Aequers.—7)Q. Fabius Vibulānus, evenals de beide vorigen een zoon van no. 4, was consul in 523 en consulairtribuun in 416 en 414.—8)Num. Fabius Ambustus, zoon van no. 5, veroverde als consulairtribuun in 406 Anxur. Hij was één der drie gebroedersFabii, die in 391 naar Clusium tot de Galliërs werden gezonden. In 390 was hij weder consulairtribuun. Zie no. 10.—9)K. Fabius Ambustus, broeder van no. 8, was consulairtribuun in 404, 401, 395 en 390. Ook hij behoorde tot het gezantschap naar Clusium (zie no. 8 en 10).—10)Q. Fabius Ambustus, broeder van no. 8 en 9, behoorde ook tot het gezantschap naar Clusium, en werd in 390 met zijne broeders tot consulairtribuun gekozen. Na den aftocht der Galliërs werd hij ter verantwoording geroepen wegens zijne schennis van het volkenrecht. De dood, misschien zelfmoord, deed hem een vonnis ontgaan. Het verhaal omtrent deze drie broeders is op allerlei wijzen opgesmukt. In het oorspronkelijke verhaal treden slechts twee Fabii op (no. 8 en 9), waarvan men niet zeker weet, of het broers zijn. No. 10 is tamelijk legendarisch.—11)M. Fabius Ambustus, zoon van no. 8, consul in 360, 356 en 354, overwon achtereenvolgens de Hernicers (360), de Faliscers en Tarquiniërs (356) en de Tiburtijnen (354). In 351 was hij dictator.—12)M. Fabius Ambustus, zoon van no. 9, consulairtribuun in 381 en 369, ondersteunde de plannen van zijn schoonzoon, den volkstribuun C. Licinius Stolo. Vermoedelijk echter was hij het, die in 355 alsinterrexde verkiezing van twee patricische consuls, hoewel tegen delex Licinia Sextiageschied, voor geldig verklaarde. Hier is alles onzeker. Z. ookLiciniae Sextiae (leges)no. 1.—13)C. Fabius Ambustusstreed als consul in 358 ongelukkig tegen de Tarquiniërs, die 307 rom. krijgsgevangenen ombrachten.—14)Q. Fabius Maximus Rulliānus, zoon van no. 11, leverde alsmagister equitumin 325 tegen het bevel van zijn dictator L. Papirius Cursor een schitterenden slag tegen de Samnieten, doch ontging de straf voor zijne ongehoorzaamheid slechts door de eenparige voorbede van senaat en volk. Zijn ambt moest hij echternederleggen. Dit verhaal is niet geheel betrouwbaar. In 322 was hij consul, in 315 dictator, in 310 en 308 weder consul, in 304 censor, in 301 andermaal dictator, in 297 en 295 nogmaals consul. Hij was een van Rome’s grootste veldheeren, schoon niet altijd overwinnaar. O.a. werd hij in 315 als dictator door de Samnieten bij Lautulae verslagen. In 310 ontzette hij het door de Etruscers belegerde Sutrium, door in Noord-Etrurië in te vallen. In 308 streed hij tegen de Samnieten. In 297 versloeg hij, volgens een ongeloofwaardig bericht, met P. Decius Mus hen bij den berg Tifernus, in 295 versloegen Fabius en Decius (z.Deciino. 2) de verbonden Samnieten, Galliërs en Etruriërs bij Sentīnum. Onder zijne tijdgenooten komen ook nogAmbustivoor:Q. Fabius Ambustusals dictatorcomit. habend. causain 321,C. Fabius Ambustusals mag. eq. in 315.—15)Q. Fabius Maximus, bijgenaamdGurges(= vraat, slokop) om zijne losbandigheid in zijne jeugd, zoon van no. 14 (waarschijnlijk is het verhaal omtrent zijn losbandigheid verzonnen om den naam Gurges te kunnen verklaren). Op rijperen leeftijd begon hij evenwel een ander gedrag te leiden. Als consul werd hij in 292 door de Samnieten verslagen, maar overwon daarna met hulp van zijn vader den samnietischen veldheer Pontius (z. a.), in 276 versloeg hij wederom als consul de Samnieten, Lucaners en Bruttiërs; in zijn derde consulaat, 265, dempte hij een slavenopstand te Volsinii, doch sneuvelde daarbij.—16)Q. Fabius Maximus Verrucōsus(wegens eene wrat,verrūca, aan de lip aldus genoemd), consul in 233, 228, 215, 214 en 209, censor in 230, de bekende dictator in 217 na de nederlaag en den dood van C. Flaminius bij het Trasumeensche meer. (Eigenlijk was hijpro dictatorezie het artikeldictator.) In 233 zegepraalde hij over de Liguriërs; in 219 was hij aan het hoofd van het gezantschap, dat na de inname van Saguntum naar Carthago werd gezonden, waarbij hij, volgens het bekende verhaal, den Carthagers de keuze liet tusschen oorlog en vrede, waarop zij tot den oorlog besloten. Als dictator volgde hij de taktiek, een slag in het open veld te vermijden, en liever Hannibal af te matten, daar hij de overtuiging koesterde, dat diens strijdkrachten en hulpmiddelen op vijandelijken bodem op den duur uitgeput moesten raken. Spoedig echter begon dit stelsel bij het rom. volk afkeuring te vinden, daar Hannibal zooveel mogelijk het platte land verwoestte en de dorpen en hoeven in brand stak. Door eenelex Metiliawerd toen de magister equitum M. Minucius Rufus ook met dictatoriale macht bekleed. Deze waagde een veldslag, en zou geheel verslagen zijn, zoo niet Fabius ware toegeschoten en hem gered had, waarop Minucius zich vrijwillig weder onder Fabius’ bevelen stelde. Naar deze wijze van oorlogvoeren heeft Fabius den bijnaam vanCunctātorgekregen; om zijn zacht karakter werd hij ookOviculagenoemd. Ook later voerde hij herhaaldelijk legers aan, hetzij als consul, hetzij als proconsul, onder het commando van zijn zoon. Bij vele geschiedschrijvers ook bij Livius, die hem legaat noemt, vinden wij het verhaal hoe de vader den zoon, als hoogere in rang, eer moet bewijzen. Het verhaal is vereeuwigd in het oud Amsterdamsche stadhuis (het Paleis op den Dam). In 209 veroverde hij Tarentum. Hij was een heftig tegenstander van Scipio’s plan, om den oorlog naar Afrika over te brengen. Fabius stierf in 203. Cicero roemt hem als redenaar.—17)Q. Fabius Maximus, zoon van no. 16 (z. a.), consul in 213, stierf nog vóór zijn vader.—18)Q. Fabius Maximus Aemiliānus, zoon van L. Aemilius Paullus en broeder van P. Cornelius Scipio Aemilianus, in 180 door een der Fabii Maximigeadopteerd, was een vriend van den geschiedschrijver Polybius. In 145 en 144 voerde hij als consul en proconsul oorlog in Lusitania tegen Viriāthus.—19)Q. Fabius Maximus Serviliānus, ook wel onder zijn oorspronkelijken naamCn. Servilius Caepiovoorkomende, door adoptie een broeder van no. 18, streed ook als proconsul in 141 en 140 tegen Viriathus en sloot met dezen een verdrag, dat echter door zijn broeder Q. Servilius Caepio verbroken werd. Hij heeftannalesgeschreven.—20)Q. Fabius Maximus Allobrogicus, zoon van no. 18, leidde als jongeling een losbandig leven. Onder zijn oom P. Cornelius Scipio Aemiliānus diende hij als quaestor in den numantijnschen oorlog. In 121 behaalde hij een groote overwinning op de Allobrogen in Gallia. Uit den buit richtte hij te Rome een triumfboog, denfornix Fabianus, op. Cicero prijst hem als redenaar.—21)Q. Fabius Maximus Eburnus, consul in 116, werd later verbannen, omdat hij zijn zoon met den dood gestraft had.—22)Q. Fabius Maximuskleinzoon van no. 20, diende in Hispania als legaat onder Caesar (46), en werd in 45 consul. Hij stierf nog in ditzelfde jaar. Totsuffectuswerd toen gekozen voor den laatsten dag van het jaar C. Caninius Rebilus (Caniniino. 2), met wiens waakzaamheid Cicero den spot drijft.—23)Paulus Fabius Maximus, een bloedverwant van Ovidius en bevriend met Augustus, vergezelde dezen op zijne reis naar Posthumus Agrippa, doch werd toen verdacht aan Livia geheimen verklapt te hebben. Kort daarna stierf hij.—24)C. Fabius Pictor, de eerste beoefenaar der schilderkunst onder de aanzienlijke Rom., beschilderde in 302 (v. a. in 304) de wanden van den tempel vanSalus, door C. Junius Bubulcus Brutus (Juniino. 3) gewijd. Zijn talent vond echter zoo weinig bijval, dat hij geene navolgers heeft gevonden.—25)Q. Fabius Pictor, kleinzoon van no. 24, omstreeks 220, schreef in het Grieksch zeer belangrijke annalen, van de komst van Aenēas in Italia tot op zijn eigen tijd. Er bestond ook een Latijnsche vertaling van.—26)Ser. Fabius Pictor, redenaar en geschiedkenner, was een tijdgenoot van Cato maior en schreef een werkde iure pontificio.—27)Verder komen onder de consuls, censoren, dictators nog de namenvoor:Fabius Buteo, Fabius Dorso, Fabius Licinus,Fabius Labeo, ookFabius Pictor. Iets bijzonders is van hen hier niet te vermelden. Ook wordt nog eenQ. Fabius Sanga, een vriend van Cicero, vermeld alsmede zekereQ. Fabius Virgiliānus, in 51 legaat in Cilicia, later aanhanger van Pompeius.—28)Fabius Rusticus, een vriend van Seneca, door Tacitus als redenaar geprezen, schreef eene geschiedenis van Nero, die verloren is gegaan.—29)C. Fabius Valens, bewerkte als legatus legionis samen met A. Caecīna Alīenus, dat Vitellius (Jan. 69 n. C.) tot keizer werd uitgeroepen. Aan het hoofd van een legercorps versloeg hij met Caecina de Othoniani bij Bedriācum. Later beheerde hij met Caecina de staatszaken voor Vitellius. In den oorlog tegen Vespasiānus werd hij gevangen genomen en gedood.Fabrateriavetus, volscische stad in Latium. Ten Zuiden hiervan is na de verwoesting van Fregellae in 124Fabrateria novaals rom. colonie gesticht.Fabricii, hernicisch geslacht uit Aletrium. 1)C. Fabricius Luscīnusverhuisde omstreeks 300 naar Rome. Als consul streed hij in 282 zegevierend tegen de Samnieten, Lucaniërs en Bruttiërs. Daarna werd hij als gezant naar Tarentum afgevaardigd, doch daar wederrechtelijk gevangen gehouden. In 280 streed hij onder den consul P. Valerius Laevīnus in den slag bij Heraclēa tegen Pyrrhus. In 279 was Fabricius als legaat in den slag bij Asculum (Ausculum). Daarna werd hij als gezant tot Pyrrhus gezonden, met wien hij tot overeenstemming schijnt gekomen te zijn; de vrede kwam echter niet tot stand, (zieClaudiino. 5). In 278 was hij opnieuw consul. Hij ontving toen van ’s konings lijfarts een aanbod om den koning te vergiftigen, doch in plaats van dit aan te nemen, gaf hij er den koning bericht van. In 275 was hij censor en ging met gestrengheid alle noodelooze weelde tegen. Hij stierf arm; de staat gaf aan zijne dochters een bruidschat.—2)L. Fabriciusbouwde in 62 den pons Fabricius van Rome naar deinsula Tiberina.—3)Q. Fabricius, volkstribuun in 57, deed een wetsvoorstel tot terugroeping van Cicero, doch Clodius verhinderde de aanneming er van.—4)A. Fabricius Veiento, z.Veiento (A. Fabricius).Fabula (palliata), z.Palliata.Fabula (praetexta), ziePraetexta (fabula).Fabula (togata), zieTogatano. 2.Fadii, plebejisch geslacht. 1)M. Fadius Gallus, een zeer geleerd man en vriend van Cicero. Hij heeft een lofrede geschreven op Cato Uticensis (45).—2)T. Fadius Gallus, volkstribuun in 57, deed vruchtelooze pogingen om Cicero te doen terugroepen. Onder Cicero’s consulaat, 63, was hij quaestor te Rome geweest.Faenius Rufus(L.),praefectus annonaesedert 55 n. C., werd na den dood van Burrus met Tigellīnus praefectus praetorio (62). Hij was een onbaatzuchtig man. In 65 nam hij deel aan de samenzwering van Piso, en hoewel hij zijn medeplichtigen verried, werd hij toch omgebracht.Faesulae,τὰ Φαίσυλα, thans Fiesole, stad in het N. van Etruria, nabij den Arnus (Arno). Hier hadden Catillina’s benden hun kamp opgeslagen. Onder Sulla werd er eene kolonie van gemaakt.Fagutal, een van de bergen van hetSeptimontium, zieRoma.Falacrinum, stad in het sabijnsche land, geboorteplaats van Vespasiānus.Falarica=Phalarica.Falces. Onder dezen naam verstaat men alle soorten van zeisen, sikkels en snoeimessen.Falx supinais een groot gekromd mes, aan de buitenzijde scherp (en dus als het ware achteroverliggend), waarmede eene soort van zwaardvechters vochten,Thracesgenoemd.Ensis falcatusof ookhamatusis een kort zwaard, aan de punt sikkel- of eenigszins haakvormig gekromd.Falces muralesofasseres falcatiwaren lange stelen of balken met sikkelvormige haken om de door den stormram gebeukte muren te doen afbrokkelen. In den zeestrijd gebruikte men gelijksoortigefalces navalesom het tuig der vijandelijke schepen door te snijden.Currus falcati, zeisenwagens, zijn door Grieken en Rom. nooit gebezigd.Falcidia (lex)testamentariavan den volkstribuun C. Falcidius, 40. Deze wet bepaalde dat de legaten bij testament nooit meer dan ¾ van het vermogen mochten bedragen.Falerii,Φαλέριον, stad in het Z.O. van Etruria, wier inwoners, deFalisci, waarschijnlijk verwant zijn met de Latijnen. Na den val van Veii beginnen de oorlogen met Rome. Later sloten zij zich bij Rome aan, tot ze in 293, toen het te laat was, tegen Rome partij kozen. In 241, na den vrede met Carthago, stond de stad op, en werd in 6 dagen ingenomen en verwoest. De bewoners werden gedwongen, de hoogte te verlaten en in de vlakte eene nieuwe nederzetting te stichten,Aequum Faliscum, terwijl in de oude stad slechts de tempels bleven staan. Iets verder af ligtFalerii Novi, dat later een colonie wordt, en in den keizertijd gebloeid heeft. Als stichter van Falerii werd Halēsus (Falēsus) aangenomen (z. a.).Falernus (ager), in het N. van Campania tusschen den mons Massicus en de rivier Volturnus, zie ookCampania. De falernische wijn was beroemd; hij was hooggeel van kleur, en moest noch te oud, noch te jong zijn; op 15 jaar was hij het best.Falisci, zieFalerii.Falsum. Valschheid en vervalsching waren volgens het oudste rom. recht slechts in enkele gevallen strafrechterlijk vervolgbaar, b.v. valsch getuigenis; zij konden evenwel tot een civiele rechtsvordering aanleiding geven. Sulla’slex Cornelia de falsostelde deaquae et ignis interdictioop testament- en muntvervalsching. Later, vooral onder de keizers, werden er veel meer valsche handelingen onder strafwetten gebracht.Fama, eene godin, die losse en onzekere geruchten onder de menschen verspreidt, personificatie van het loopend gerucht, waarvan geen zegsman aan te wijzen is. Zij heeft vleugels, duizend oogen en duizend monden, en heeft op hare afbeeldingen een spreektrompet voor den mond.Fannia (lex)sumptuariavan den consul C. Fannius Strabo, 161. Deze wet bepaalde de sommen, die op gewone dagen en op feestdagen voor een gastmaal mochten worden besteed.Fannii, plebejisch geslacht. 1)C. Fannius, volkstribuun 187, werkte mede tot de veroordeeling van L. Corn. Scipio Asiaticus.—2)C. Fannius Strabo, zoon van no. 1, consul in 161, was de ontwerper derlex Fannia sumptuaria. Ook werden tijdens zijn consulaat de grieksche philosophen en rhetoren uit Rome verbannen.—3)C. Fannius, zoon van no. 2, was in 146 een der eersten, die de muren van Carthago beklom; hij was volkstribuun in 142, consul in 122 door de hulp van C. Gracchus, behoorde nochtans tot diens tegenstanders. Hij was een schoonzoon van C. Laelius Sapiens. Hij was voorstander der stoicijnsche wijsbegeerte en schreefannales, waarin hij vooral zijn eigen tijd behandelde; verder stond hij bekend als redenaar.—4)M. Fanniuswas in 80 praetor in het proces van Sex. Roscius Amerinus.—5)L. Fannius, aanhanger van Sertorius, had de hand in het verbond tusschen dezen en Mithradātes.—6)C. Fannius, aanklager van P. Clodius Pulcher in 61, tijdens het tweede driemanschap op de hand van Sex. Pompeius, later aan de zijde van Antonius.—7)C. Fannius, in 59 als volkstribuun ernstig tegenstander van Caesar’slex agraria.—8)Fannius Caepio, wegens samenzwering tegen Augustus ter dood gebracht (22).—9)Fannius, tafelschuimer en pruldichter, bediller van Horatius.—10)C. Fannius, ten tijde van Traiānus, schreef een werk over de terechtstellingen onder Nero.—11)Fannia, eene vrouw te Minturnae, die Marius op zijne vlucht herbergde.—12)Fannia, de dochter van P. Clodius Thrasea Paetus en Arria minor, en de tweede vrouw van Helvidius Priseus (z.Helvidiino. 3). Zij deelde tweemaal de ballingschap van haar man. Onder Domitianus werd zij verbannen, en haar goederen verbeurd verklaard. Na diens dood keerde zij naar Rome terug.Fanum(vanfari), een door een formulier gewijde en met muren omgeven plaats, heiligdom, tempel.Fanum Fortūnae, aanzienlijke stad aan den Metaurus in Umbria in denager Gallicus, met een beroemden Fortuna-tempel.Farfar(Farfarus), zijtakje van den Tiber, in denager Sabīnus.Man met fasces.Fasces, bundel roeden van olmen- of berkentakken, met een lederen riem omsnoerd. In den bundel was ook de steel van een bijl gebonden, doch zoo, dat het staal naar buiten stak. Dit zijn defasces et secures, die de lictoren dermagistratus cum imperiodroegen. Binnen Rome echter lieten de consuls en praetoren de bijlen uit de bundels weg. Bij strafoefeningen dienden de roeden tot geeseling, de bijl tot onthoofding der veroordeelden. De lictoren droegen de bundels over den linkerschouder. Ontmoette de overheidspersoon iemand van hoogeren rang (bv. een praetor een consul of wel eene vestaalsche maagd), dan namen de lictoren van den eersten hunne roeden van den schouder en lieten ze zakken als teeken van eerbied (fasces submittere).Fascīnus, -num, z.Βασκανία.Fasti, 1)f. dies, rechtsdagen, waarop de praetor de woordendo, dico, addico, mocht uitspreken (ziepraetor). In den rom. kalender waren zij aangeduid met de letter F. Op eendies nefastus(N) mocht dit niet. Eendies nefastus principio(NP) was vóór den middag N., na den middag F. Zie ookNefasti dies.—2)de romeinsche kalender, d. w. z. de opteekening derdies fasti, nefasti, intercisi,comitiales, met vermelding der op iederen dag vallende feesten, spelen en offers, waarbij nog aanteekeningen gevoegd waren omtrent geschiedkundige gebeurtenissen, en omtrent den op- en ondergang van verschillende sterrenbeelden. Deze kalender werd opgemaakt door de pontifices; een gedeelte daarvan, dedies fasti, is voor het eerst door Cn. Flavius (zieFlaviino. 2) in 304 uitgegeven. Een dichterlijke bewerking heeft Ovidius gegeven in zijnFasti, die de eerste 6 maanden van het jaar behandelen. Verder verdienen vermeld te worden defasti Praenestinivan M. Verrius Flaccus (zieVerrius).—Een aanwijzing van de voornaamste romeinsche vaste feest- en gedenkdagen ten tijde van Augustus vindt men achter in dit werk.—3)de lijsten van jaarlijks wisselende ambtenaren (fasti consulares, praetorii), van de priesters (fasti sacerdotales, fasti fratrum arvalium), en van de in ieder jaar gevierde triumfen (fasti triumphales). Van hetgeen nog uit de oudheid over is, zijn wel het meest bekend de zoogenaamdeFasti Capitolini, een chronologische lijst van de consuls, censoren, dictatoren en magistri equitum, die in 34 aan den buitenmuur van deregiawerd aangebracht. Later (in 12) werd een relaas van zegetochten (fasti triumphalesof beteracta triumphorum(zieacta)) op afzonderlijke pijlers hieraan toegevoegd.Fatui, Fatuae, misvormde en soms onnoozele menschen, die in de huishouding der rom. grooten als huisnarren gebruikt werden. Dwergen,nani, nanae, waren tot dit doel ook zeer in trek.Fatum, de uitdrukkelijk uitgesproken en onherroepelijke wil der goden ten opzichte van den mensch, dus zijn geheel levenslot, gelukkig of ongelukkig, in het bijzonder de dood. Het meervoud beteekent de afzonderlijke beschikkingen van het noodlot betreffende een persoon of zaak; ook =Parcae. Vgl.μοῖρα.Fatuus, naam van Faunus als orakelgevend god. De heiligdommen, waar zijne orakels (droomorakels) gegeven werden, waren gewoonlijk in boschrijke streken.—Volgens een verhaal zou hij zich eens door Numa hebben laten dronken maken, en toen gedwongen zijn hem de geheimen der godenwereld te openbaren.Fauna, zieFaunusenBona Dea.Faunus, zoon van Picus, een oud-italisch veld- en boschgod, beschermer van landbouw en veeteelt, en dus den menschen welgezind, hoewel hij er vermaak in vindt hen in stille bosschen of in hun slaap (Incubus) te plagen en te verschrikken. Als orakelgevend god wordt hijFatuusgenoemd.—V. s. was hij een koning van Latium geweest, en door Heracles gedood, toen hij dezen aan Mercurius wilde offeren, zooals hij met vreemdelingen placht te doen.—Zijn voornaamste feest zijn de Lupercalia (z. a.); een ander landelijk feest zijn deFaunalia, die den 5denDecember werden gevierd; het was een dag van vroolijkheid, waarop zelfs slaven en vee vrijheid genoten; men offerde bokken, wijn, melk en wierook. F. had een tempel op de Insula Tiberina, z.Domitiino. 2. Zijn dienst werd in den keizertijd verdrongen door dien van Silvānus.—Nevens hem staatFauna(Fatua), eene godin, die dezelfde eigenschappen heeft als hij, en zijne vrouw of dochter genoemd wordt. Faunus werd reeds vroeg voor denzelfden gehouden en eveneens afgebeeld als Pan, en onder den invloed van deze meening sprak men ook vanFauni, soms kinderen van hem en Fauna genoemd, en ongeveer gelijk aan de grieksche satyrs.Fausta, 1) dochter van L. Cornelius Sulla. Zij is driemaal gehuwd geweest, de tweede maal met T. Annius Milo.—2)de gemalin van Constantijn den Gr., die door hem in 326 n. C. gedood werd.Faustīna, naam der gemalin van Antonīnus Pius en van hare dochter, de gemalin van Marcus Aurelius. Beiden waren vrouwen van een losbandig karakter. Ter eere van de eersteFaustīnawijddeAntonīnusPius in 141 een tempel aan de Via Sacra te Rome, die na zijn dood ook aan hem werd gewijd. Een deel van den tempel bestaat nog.Faustulus, de herder, die de kinderen Romulus (z. a.) en Remus vond, en aan zijn vrouw Acca Larentia (z. a.) bracht.Faventia, thans Faënza, stad in Gallia Cisalpīna, aan de via Aemilia gelegen.Favonius(M.), bewonderaar en naäper van Cato van Utica, tegenstander van het eerste driemanschap, vooral van Pompeius toen deze machtig was, hoewel hij na diens vlucht toch zijne zijde koos. Na Pompeius’ dood schonk Caesar aan Favonius vergiffenis; doch deze sloot zich later bij Caesars moordenaars aan, werd in den slag bij Philippi (42) gevangen genomen en op last van Octaviānus omgebracht.Favonius, de Westenwind, later de Noordwestenwind. Met het waaien van dezen zachten wind begint in Italië de lente (1stehelft van Februari). In Zwitserland Föhn geheeten. ZieWindstreken.Favorīnus,Φαβωρῖνος, rhetor onder keizer Hadriānus, uit Arelate in Gallië, leerling van Dio Chrysostomus en bevriend met Plutarchus en Fronto, schrijver van verschillende grieksche werken over allerlei onderwerpen.Febris, koortsafwerende godin, die te Rome drie tempels had, waar genees- en toovermiddelen tegen de ziekte te verkrijgen waren.Februus, oud-italisch god der lijkoffers, die aangeroepen werd om de Larvae of spoken van de menschen af te houden. Naar hem was de maand Februarius genoemd, waarin men na de Lupercalia geen vroolijk feest vierde en niets van belang begon. V. a. was die maand genoemd naar defebrua, zieLupercalia.Feciāles=Fetiales.Felix,agnomenvan L. Cornelius Sulla (Corneliino. 52).—Felix (Antonius), zieAntonius Felix.Felsīna, oude naam van Bononia (Bologna), toen de Etruscers nog in het Po-dal woonden.Fenestella(C.), ten tijde van Augustus en Tiberius, geschiedkenner en annalist.Fenni, de Finnen. Ze worden door Tacitus geschilderd als een wild volk, dat uitsluitend van de jacht leeft, en slechts hutten kent van rijshout.Fennius Rufus, zieFaenius Rufus.Fenus(van den stamfe-=φύω, evenalsτόκοιvanτίκτω). De rentevoet was oudtijds zeer hoog, wat in verband stond met het gevaar, uitgeleende geldsommen te verliezen. Bij de Grieken is ons niets bekend van wettelijke regeling dezer zaak; bij de Rom. vindt men de eerste bepaling aangaande rente in de wetten der twaalf tafelen. Deze wetten stelden eenfenus unciariumals wettig maximum vast. Waarschijnlijk beteekent dit, dat de rente 1 uncia van de as = 1/12 (= 8⅓ %) bedroeg voor het jaar van 10 maanden, zoodat de rente per 12 maanden 10 % is. Doch hetzij de wet niet streng genoeg was, hetzij men ze wist te ontduiken, men hield zich er niet aan, althans in 357 achtten de volkstribunen M. Duillius en L. Maenius (Menenius) het noodig, nogmaals hetfenus unciariumdoor eene wet vast te stellen, en de plebs nam delex Duillia Maenia(Menenia) gretig aan. Tien jaar later werd de wettelijke rente met de helft verminderd,fenus semiunciarium. Hetdoel schijnt te zijn geweest, door lagen rentevoet de menschen af te schrikken, geld tegen rente uit te leenen; althans delex Genucia ne fenerare liceret, van den volkstribuun L. Genucius, in 342, verbood dit geheel en al. Maar men kon het schulden maken niet voorkomen, het handelsverkeer werd door de wet bemoeilijkt, zij was niet te handhaven, en de woeker herleefde, in weerwil van nog verschillende wetten. Sulla hernieuwde de wet van 357, zieCorneliae (leges) van L. Cornelius Sulla, 88, no. 6. Het handelsverkeer met Griekenland en het Oosten bracht eene nieuwe renteberekening in zwang, n.l. met maandelijkschecentesimae. Deusura centesimawas 1 % ’s maands,usurae semisses½ %,trientes⅓ %,quadrantes¼ %,sextantes⅙ %,unciae1/12 %. Interest op interest heetteanatocismus,ἀνατοκισμός. Bankinstellingen waren den Rom. niet onbekend; in 352 werd tijdelijk eene staatsbank opgericht onder beheer vanquinqueviri mensarii.Feraliaofparentalia, een feest te Rome ter eere der afgestorvenen, wier geesten, naar men geloofde, in die dagen hunne oude woonplaatsen mochten bezoeken. Het feest begon 13 Februari en duurde negen dagen. Men bracht offers aan de schimmen van bloedverwanten en versierde de graven. Zie ookCaristia.Ferentarii, lichte, ongeregelde troepen, die met werpschichten en steenen gewapend waren en op de vleugels dienst deden en den strijd openden.Ferentīna, godin van het latijnsche verbond, dat zijne vergaderingen placht te houden bij een aan haar gewijd bosch aan den voet van den Albaanschen berg.Ferentīnum, stad der Hernici, in Latium, een tijdlang in de macht der Volscen.Ferentum, Ferentium, Ferentinum, stad in Zuid-Etrurië, geboorteplaats van keizer Otho.Feretrius, bijnaam van Jupiter, wien despolia opīmagewijd werden. Zijn tempel was door Romulus gebouwd en door Augustus vernieuwd.Feriaewerden vooral die godsdienstige feesten genoemd, die meer dan één dag duurden.Feriae statae(stativae) waren feesten, die jaarlijks op vaste dagen terugkeerden,conceptivaedie, waarvan de dagen ieder jaar door de pontifices worden vastgesteld en afgekondigd (indicere). Dit zijn de landbouwfeesten, waarvan de viering van den stand van het gewas afhankelijk is, o.a. deSementivae, en deAmbarvalia. Feriae imperativaezijn feesten, die ten gevolge van buitengewone gebeurtenissen (overwinningen ofprodigia) door den senaat worden uitgeschreven, b.v. desupplicationes.Feriae Latīnae, groote feesten op den Albaanschen berg ter eere van Jupiter Latiāris. De viering behoorde plaats te vinden onder voorzitterschap der consuls, zoodra mogelijk na de aanvaarding van hun ambt. Waren zij verhinderd, dan werd er meestal een dictator voor aangewezen. Rome was in die dagen bijna verlaten (zie ookpraefectus urbi).Feronia, italische godin, vooral vereerd aan den voet van den berg Soracte, waar haar de eerstelingen der veldvruchten geofferd werden en druk bezochte markten gehouden werden. Zij was eene godin der vrijheid, en slaven, die zich in haar tempel te Anxur (Tarracīna) het hoofdhaar lieten afscheren, werden vrij. Ook een bron bij Anxur was haar gewijd.—V. s. is zij dezelfde als Persephone.Feroniae lucus, heilig woud met drukke marktplaats bij de etruscische stad Capēna aan den voet van den berg Soracte. Ook bij Anxur in Latium lag een bosch aan Feronia gewijd.Fescennium, oude stad der Falisci, in Zuid-Etrurië, juiste ligging onbekend; hiernaar hebben deversus Fescennini, boertige, niet altijd kiesche bruiloftsliederen, hun naam.Festi (dies)waren dagen, die aan eene godheid gewijd en dus feestdagen waren. Gewone dagen warendies profesti. Van eendies intercisusof naar een oudere schrijfwijzeendotercisus, in den rom. kalender door EN aangeduid, was het middelste gedeelte feestdag.Festuca, roedje, stokje, ziemanumissio.Festus. 1)Porcius Festus, procurator van Judaea, opvolger van Antonius Felix, 59–61 na C.—2)Sex. Pompeius Festus, taalkundige waarschijnlijk uit de 3deeeuw n. C., schreef een werk in 20 boekende significatione verborum, ontleend aan een ouder en nog uitgebreider woordenboek van Verrius Flaccus. Van het werk van Festus zijn slechts groote brokstukken over; van het geheel bezitten wij een uittreksel, door zekeren monnik Paulus Diaconus onder de regeering van Karel den Gr. vervaardigd.—3)Rufus Festus, z.Rufusno. 3.—4)Rufus Festus Avienus, z.Avienus.Fetiāles, priestercollegie te Rome, welks taak het was, bij oorlogsverklaringen, vredesverdragen en verbonden de voorgeschreven godsdienstige plechtigheden te vervullen. Zoolang het rom. gebied nog klein was, werden zij ook als herauten uitgezonden, om van de naburen herstel van grieven te vorderen (clarigatio) of den oorlog te verklaren, waartoe zij naar de grenzen gingen en een werpspies in het vijandelijke land slingerden. Toen het Rom. gebied hiertoe te groot werd, werd de vijandelijke grond voorgesteld door eene mand met aarde, bij den tempel van Bellōna geplaatst (ziecolumna bellica). De woordvoerder derfetialeswerdpater patratusgenoemd. Zij waren als gezanten onschendbaar, en droegen, wanneer zij eene zending vervulden, takken van heilig loof (verbena) of heilige kruiden (sagmina), op het Capitool geplukt.Fibrēnus, riviertje in Latium, bij Arpīnum. Juist daar, waar het in den Liris uitstroomt, lag het ouderlijk huis van Cicero.Fibula,περόνη, πόρπη, gesp, nestel. Terwijl in het Myceensche tijdperk de kleederdracht meer overeenstemt met de tegenwoordige, vindt men reeds in het Homerische tijdperken verder gedurende de geheele oudheid een wijze van kleeding, die van de onze geheel afwijkt; de meeste kleeren worden eenvoudig omgeslagen om het lichaam, en dan op één of beide schouders of op de borst met een gesp of nestel, het best te vergelijken met onze veiligheidsspeld, vastgestoken. Alleen bij detogais defibulaniet in gebruik. Ook als ceintuurgesp en als haarnaald komt defibulavoor.Ficāna, stadje in Latium aan devia Ostiensis, door Ancus Marcius verwoest.Ficul(n)ea, latijnsch stadje, verwoest door Tarquinius Priscus.Ficus Ruminalis, zieRumina.Fidēnae,Φιδῆναι, stad in Latium, 8 kilometer ten Noorden van Rome, op een rots aan den Tiber, tegenover de Cremera-beek gelegen. De stad hoorde oorspronkelijk tot het bondgenootschap van Alba (depopuli Albenses), maar sloot zich meestal bij Veii aan, tot ze in 426 (door den dictator Mam. Aemilius Mamercinus) veroverd en vernietigd werd.Fidentia, rom. kol. in Gallia Cispadāna aan de via Aemilia, tusschen Parma en Placentia.Fides, godin der goede trouw, afgebeeld als eene ernstige vrouw, in het wit gekleed, gekroond met olijf- en laurierbladeren, met een korf met vruchten of korenaren in de hand. Zij had verscheiden tempels te Rome; in den oudsten, die bij het Capitolium lag en volgens de sage door Numa gewijd was, werd zij alsF. publica populi Romanivereerd. In werkelijkheid is de tempel eerst gebouwd in 254 of 250, maar de dienst was ouder. Haar wezen was verwant metDius Fidius(z. a.). Het zinnebeeld der trouw waren twee in elkaar gelegde handen.Fidius, z.Dius Fidius.Fiduciais eene zaak van vertrouwen, een nevencontract bij de vrijwillige overgaaf van iets, waarbij de ontvanger beloofde, het ontvangene terug te zullen geven. Zoo verkoopt een vader, die zijn zoon wil emancipeeren, dezen driemaal aan eenpater fiduciarius, onder belofte, dat deze hem telkens weder zal vrijlaten. Ook gebeurde het wel, dat een erflater zijne nalatenschap geheel of ten deele door een schijnkoop aan een ander verkocht, onder belofte, dat deemptor fiduciariusover de erfenis volgens den wensch des erflaters zou beschikken. Dit middel werd te baat genomen om zekere gedeelten eener erfenis te doen uitkeeren aan personen, die naar de wet geen of slechts een beperkt erfrecht hadden, b.v. vreemdelingen en vrouwen. Het nakomen van zulk eene belofte was wel een heilige plicht, doch het strenge oude recht gaf geene dwangmiddelen aan. Ook bij het geven van onderpand kwamfiduciate pas, n.l. dat de pandnemer bij aflossing der schuld het pand zou teruggeven. Hier echter was, bij weigering, eeneactio fiduciaemogelijk. Als rechtsterm komtfiduciaook wel in de beteekenis van pand voor.Figulus, familienaam in degens Marcia, z.Marciino. 12 en 13.Figulus(P. Nigidius), zieNigidius.Fimbria, familienaam in degens Flavia, z.Flaviino. 3–5.Firmicus Maternus(Julius), schreef eerst als Neo-Platonicus een werk over astrologie (matheseos libri) in 337 n. C. verschenen. Later ging hij tot het Christendom over en schreef een werkde errore profanarum religionum, dat aan de keizers Constantius en Constans was opgedragen, en waarin hij hen aanspoorde de heidenen te vervolgen.Firmum, zeestad en lat. kolonie (sedert 264) in Picēnum.Firmus(Claudius), papyrusfabrikant in Alexandrië, maakte oproer onder de regeering van keizer Aureliānus (273 n. C.); het oproer werd echter spoedig gedempt en Firmus gedood.Fiscus, eigenlijk een uit biezen of teenen gevlochten mand tot verschillend gebruik. Het schijnt, dat de Rom. geldmanden gebruikten in plaats van geldkisten; althans wij vindenfisciook gebezigd tot verzending van geld, evengoed als tot bewaring er van. Vandaar beteekentfiscusook wel de schatkist van den staat =aerarium. Onder de keizers krijgtfiscus, in tegenstelling vanaerarium, de beteekenis van private kas des keizers, waarin ten laatste de meeste belastingen gestort werden. Eindelijk neemt het woord ook de beteekenis aan van opbrengsten aan den fiscus, dus van belasting.Flaccus, familienaam in degentes Fulvia(z.Fulviino. 4–9) enValeria(z.Valeriino. 19, 20, 22–25, 41). Ook de dichter Horatius droeg dezen naam.Flagellum, flagrum. Eenflagellumwas een geeselwerktuig, bestaande uit touwen met knoopen er in, die aan een steel bevestigd waren; eenflagrumhad kettingen met ijzeren knoppen er aan.Flagellum caedit, secat, scindit; flagrum pinsit, rumpit.Flamen. Deflamineste Rome waren 15 in getal, priesters van even zooveel godheden. Er waren drieflamines maiores, priesters van Jupiter, Mars en Quirīnus,flamen Dialis,Martialis, Quirinalis. De overige warenminores, zooals defl. Volcanalis, Carmentalis,Floralis, Pomonalis, enz. De voornaamste was defl. Dialis, die detoga praetexta, desella curulisen een lictor had en ook zitting had in den senaat. In zijn openbaar en huiselijk leven was hij aan een groot aantal dikwerf lastige voorschriften gebonden. Hij mocht geen leger onder de wapenen zien, geen knoop of ongebroken ring hebben, daar dit zinnebeelden van slavernij waren. Elke dag was voor hem een feestdag; hij mocht dus geen menschen aan den arbeid zien, en wanneer hij over de straat ging, liepenpraeclamitatoresvoor hem uit en riepen den menschen toe, hun werk te staken tot de priester voorbij was. Zijne vrouw,flaminica Dialis, was priesteres van Juno. Zijn huwelijk moestper confarreationemgesloten zijn; echtscheiding was hem verboden; stierf zijne vrouw, dan moest hij zijne waardigheid nederleggen. Sedert den dood van L. Cornelius Merulain 87 (Corneliino. 44) is dit ambt 75 jaar lang onbezet gebleven. Na Caesars dood werd eenflamen Caesarisgekozen; de vergode keizers kregen ook ieder hunflamen. De naam werd door de ouden afgeleid vanfilum, draad, omdat deflaminesnooit zich geheel blootshoofds aan het volk mochten vertoonen, en derhalve, wanneer zij niet de priestermuts (apex, albogalerus) droegen, zich een wollen draad om het hoofd wonden. Tegenwoordig leidt men het woord af vanflare= aanblazen van het offervuur. De keus was in de hand van den pontifex maximus; de voorgedragene werdcomitiis calatisaangenomen en gewijd. Weigering baatte niet veel. De benoeming was voor het leven, doch zoo men tegen de voorschriften zondigde, moest men het ambt nederleggen.Flaminia (lex)van den volkstribuun C. Flaminius in 232, ter verdeeling van gronden in Picēnum en Gallia onder arme rom. burgers. ZieAgrariae leges.Flaminia (via), van Rome naar Ariminum (Rimini) (z.Flaminiino. 1 en 2).Flaminica, echtgenoote van eenflamen.Flaminii, plebejisch geslacht. 1)C. Flaminius, volkstribuun in 232, dreef onder hevigen tegenstand van den senaat zijn akkerwet door (zielex Flaminia). Als praetor van Sicilia (227) maakte hij zich daar zeer bemind. In 223 was hij consul en versloeg de insubrische Galliërs aan den Addua (Adda), en bracht den oorlog ten einde, zonder zich aan het senaatsbesluit, dat hem terugriep, te storen. In 220 was hij censor, legde devia Flaminiaaan (zie echter no. 2) en bouwde in dencampus Martiuste Rome dencircus Flaminius. In 217 was hij andermaal consul, doch verliet Rome om het bevel tegen Hannibal op zich te nemen, alvorens aan al de voorgeschreven vormen en plechtigheden te hebben voldaan. Bij het meer Trasimēnus door Hannibal in eene bergengte gelokt en ingesloten, sneuvelde hij met het grootste deel van zijn leger.—2)C. Flaminius, zoon van no. 1, streed in Hispania (210) onder P. Cornelius Scipio (den lateren Africanus maior), en later als praetor in 193. In 187 was hij consul. V. s. was hij de aanlegger van devia Flaminia.—3)C. Flaminiuswas in 67aedilis curulis, in 66index quaestionis inter sicarios.—4)C. Flaminius, een van de deelnemers aan de samenzwering van Catilīna. Bij hem hield Catilina zich na zijn vlucht uit Rome eenigen tijd op inagro Arretino.Flaminīnus, familienaam in degens Quinctia, z.Quinctiino. 8 en 9.Flammeum,—eigenlijk een adjectief, waarbij het subst.velummoet gedacht worden—bruidssluier, rood of hooggeel van kleur en van groote afmetingen, zoodat hij tot op de voeten hing. Aldus gesluierd, werd de bruid naar de woning van den bruidegom geleid, waar deze haar van hetflammeumontdeed. Schertsend bij dichters:flammea conterere, bruidssluiers verslijten = hertrouwen. Ook deflaminicadroeg, als ze in functie was, eenflammeum.Flavia (lex), z.Flaviino. 6 enAgrariae leges.Flavii, een plebejisch geslacht, afkomstig uit Etruria. Echter komen onder dezen naam ook familiën voor uit andere streken van Italia. 1)M. Flavius, volkstribuun in 327 en 323, stelde in 323 voor, de bevolking van Tusculum voor haar ontrouw voorbeeldig te straffen. Tusculum had zich namelijk bij de Samnieten aangesloten. Door smeekbeden bij het volk slaagden de Tusculaners er in, het onweder af te wenden.—2)Cn. Flavius, zoon van een vrijgelatene,scribaof klerk bij den aedilis App. Claudius Caecus, werd door hem in den senaat opgenomen en wist zich voor het jaar 304 tot aedilis curulis te doen verkiezen. In deze hoedanigheid maakte hij een rechtskalender openbaar, waarin zoowel de rechtsdagen (dies fasti) waren aangewezen, als ook een aantal vormen en formules (legis actiones), die men in acht moest nemen bij het aanbrengen en behandelen van verschillende zaken. Deze verzameling, die door hem op houten borden (alba) op het forum werd openbaar gemaakt, draagt den naam vanius Flavianum.—3)C. Flavius Fimbria, eenhomo novus, consul in 104. Hij werd later wegens afpersingen aangeklaagd, maar vrijgesproken.—4)C. Flavius Fimbria, aanhanger van Marius en Cinna, zoon van no. 3, liet in 86 in Asia, als legaat van den consul L. Valerius Flaccus, dezen vermoorden om zelf het bevel te kunnen voeren. Vervolgens voerde hij niet zonder geluk en beleid den oorlog tegen Mithradātes, totdat in 85 Sulla in Asia kwam. Na vergeefsche pogingen om Sulla uit den weg te ruimen door zijn eigen troepen verlaten, liet hij zich door een slaaf dooden (84).—5)Flavius Fimbria, broeder van no. 4, streed onder den consul C. Norbānus in 83 tegen Sulla. Hij stierf door sluipmoord.—6)In Cicero’s tijd komen nog een aantal Flavii voor, alsL. Fl., rom. ridder, getuige tegen Verres,—L. Fl., praetor in 59, een vriend van Cicero, in 60 als volkstribuun voorsteller eenerlex agrariaten gunste van Pompeius’ veteranen, welke wet echter niet tot stand kwam,—C. Fl., een vriend van Cicero’s schoonzoon Piso,—C. Fl., een vriend van Brutus, bij Philippi gesneuveld.—7)Flavius Scaevīnus, senator tijdens keizer Nero, nam aan de samenzwering van Piso deel (65).—8)Uit degens Flaviawaren ook de drie achtereenvolgende keizers Vespasianus, Titus en Domitianus; de laatste wordt dichterlijkFlavius ultimusgeheeten.—9)Flavius Clemens, z.Vespasianusaan het slot.—10)Flavius Sabinus, z.Sabinusno. 3.Flavius Josēphus,Ἰώσηφος, in 37 na C. uit een joodsch priestergeslacht te Jerusalem geboren. Hij genoot eene geleerde opvoeding, ging vervolgens naar Rome, waar hij de gunst verwierf van Nero’s gemalin Poppaea Sabina; na zijn terugkeer brak weldra de opstand zijner landgenooten uit, waarbij hij zich aansloot. Hij organiseerde den opstand in Galilaea, maar werd na de innamevan de vesting Iotapata gevangen genomen. Later door Vespasiānus in vrijheid gesteld, woonde hij het beleg van Jerusalem door Titus bij, en wijdde zijne verdere dagen te Rome aan de wetenschap. Hij heeft o. a. eene geschiedenis van den joodschen oorlog geschreven, en eene joodsche geschiedenis van de schepping tot 66 na C. Van belang is ook zijn geschriftcontra Apionem(z.Apion) of:Περὶ τῆς τῶν Ἰουδαίων ἀρχαιότητος, waarin hij de aanvallen van verschillende schrijvers tegen het Jodendom tracht te weerleggen, en de oude en hooge beschaving van het oude volk tracht te bewijzen.Flavus, broeder van den vorst der Cheruscen Arminius, diende in het rom. leger.Flevo lacus, het meer Flevo, waaruit later de Zuiderzee is ontstaan. Door dit meer liep de noordelijke Rijnarm, die zich door hetFlevum ostium(het Vlie) in zee stortte.Flora, godin der bloemen en der lente, wier dienst door Titus Tatius ingevoerd was, had een tempel bij den Circus Maximus. Men hield haar voor dezelfde als Chloris.Floralia, Flora-feesten van 28 April tot 1 Mei. Zij komen het eerst voor in 238, bij de inwijding van den tempel van Flora. Sedert 173 worden zij jaarlijks gevierd, z.Ludi. Alles werd op dit feest met bloemen versierd, terwijl men zich aan dartele, uitgelaten vroolijkheid overgaf. De vrouwen droegen op die dagen bonte kleeren.Florentia, thans Florence, ital. Firenza, stad en rom. kolonie in Etruria, aan den Arnus (Arno).Florus, schrijver van eenEpitome rerum Romanarum, een beknopt overzicht der rom. geschiedenis van den koningstijd tot Augustus. Hij leefde ten tijde van Hadriānus en is dus waarschijnlijk identisch metP. Annius Florus, een dichter, die met keizer Hadrianus bevriend was. In dat geval is de naamJulius Florusvan het beste handschrift verschreven voorPublius, enAnneus(Annaeus) van de andere voorAnnius.—Onder de vrienden van den dichter Horatius komt eenJulius Florusvoor, die Tiberius tweemaal op zijne krijgstochten vergezelde. Quinctiliānus spreekt van een beroemd redenaarJulius Florusuit Gallia, terwijl in den gallischen opstand tijdens de regeering van Tiberius een derdeJulius Florusals een der heftigste opstandelingen wordt genoemd bij de Treviren (21 n. C.). Toen de opstandelingen verslagen waren, maakte hij zich van kant.Focus,ἑστία, de haardstede, eenvoudig bestaande uit eene ijzeren plaat of een steenen vloertje, waarop het vuur brandde, was eene heilige plaats. De vluchteling, die zich daar nederzette, was onschendbaar. Als de algemeenefocusder stad Rome gold de tempel van Vesta,Ἑστία.Foedus, z.Civitates foederatae.Foedus ferire, icere. Deze uitdrukkingen komen hier vandaan, dat bij het bezweren van een verdrag, de woordvoerder derfetiales(z. a.), depater patratus, met een steenen hamer een big doodsloeg, met de bede, dat het rom. volk, zoo het willens en wetens valschelijk tegen het verdrag handelde, door Jupiter evenzoo mocht getroffen worden.Foenus=Fenus.Fontēii, plebejisch geslacht uit Tusculum. 1)Ti. Fonteius(Crassus) was in 212, toen P. en Cn. Cornelius Scipio in Hispania sneuvelden, legaat van den eerstgenoemden en voerde met L. Marcius Septimus (Marciino. 17) het bevel over het leger tot aan de komst van P. Scipio (Africanus maior).—2)Fonteiuswerd in 91 als legaat met den proconsul Servilius door eene bende uit Asculum vermoord. Dit was het signaal voor het uitbreken van den bondgenootenoorlog.—3)M. Fonteius, zoon van no. 2, was legaat in Hispania, en later propraetor in Gallia Narbonensis geweest, toen hij door M. Plaetorius van afpersingen werd beschuldigd (69). Cicero verdedigde hem, waarschijnlijk tevergeefs.—4)P. Fonteiusadopteerde P. Clodius Pulcher, opdat deze volkstribuun zou kunnen worden.—5)C. Fonteius Capitoherstelde te Brundisium met Maecēnas de verstandhouding tusschen Octavianus en Antonius (37). De dichter Horatius maakte de reis daartoe mede.—6)C. Fonteius Capito, consul 12 na C., vervolgens (23/24) proconsul in Asia.—7)Fonteius Agrippa, onder Vespasianus proconsul in Asia (68 n. C.), vervolgens in Moesia (69), sneuvelde tegen de Sarmaten.Forceps, tang ofForfex, schaar. In de krijgskunst verstond men hieronder eene slagorde in den vorm eener V, die men aan dencuneusof wigvormige slagorde van den vijand tegenoverstelde. In den slag bij Cannae voerde Hannibal deze manoeuvre uit tegen dencuneusder Romeinen, maar hij misleidde den vijand door in den beginne zijn centrum te laten vooruitrukken, en eerst in de hitte van den strijd zijn flanken zoodanig te laten zwenken, dat deforfextot stand kwam.Fordicidia, feest op 15 April gevierd. Op het Capitolium en in iedere curia werd eene drachtige koe,vacca forda, aan Tellus geofferd. Het ongeboren kalf werd tot asch verbrand, die door de Vestaalsche maagden bewaard werd om bij de Palilia tot reinigingsmiddel te dienen.Forentum, liefelijk gelegen stadje aan den berg Vultur, op de grens van Apulia en Lucania, ten Z. van Venusia.Forfex, z.forceps.Formiae,Φορμίαι, stad in het land der Aurunci in zuidelijk Latium aan de via Appia en aan zee gelegen, in 188 door het plebiscitum Valerium met het volledig burgerrecht begiftigd. De omstreken leverden uitstekenden wijn en waren zeer gezocht voor buitenplaatsen. Ook Cicero had er eene, zijnFormianum.Formio, kustriviertje t. Z. van Tergeste (Triest), ten tijde van Varro de oostelijke grens van Italië. Augustus heeft Istria bij Italië gevoegd, en de grens verschoven tot aan de Arsia.Formula, ingevoerd door delex Aebutiavan± 200 en deleges Juliaevan Augustus, ter vervanging der oudelegis actiones. De praetor gaf aan deniudexeen formulier, eene soort van instructie, waarin hij aanwees, wat recht was en hoe de rechter uitspraak moest doen, zoowel voor het geval, dat deze den klager in het gelijk, als dat hij hem in het ongelijk stelde. Het definitief vaststellen van deformulanoemde menlitis contestatio(z. a.), een naam ontleend aan het oudelegis actio-proces. De gevallen, waarvoor de praetor eeneformulagaf, stonden in diens edict vermeld. Voor dein iure cessioen de processen derXVirienCentumviribleven de vormen van hetlegis actio-proces bestaan.Fornacalia, een feest, dat oudtijds te Rome gevierd werd door hen, die gezamenlijk een oven (fornax) hadden voor het roosteren van de spelt,farris torrendi feriae, hetgeen aan het stampen (pinsere) voorafging; ook later, toen ieder een molen had, bleef het feest bestaan en sprak men van eendea Fornax. Het feest werd in de afzonderlijkecuriaeop verschillende dagen in Februari gevierd. Zij, die op dit feest verzuimd hadden te offeren, of niet wisten tot welkecuriazij behoorden, konden dit verzuim herstellen op de Quirinalia, 17 Februari, welke dag hieromferiae stultorumheette.Fornix, z.Arcusno. 2.Fornix Fabianus=Fabianus Fornix.Fortūna, ookFors Fortuna, godin van het toeval, dat zoowel gelukkig als ongelukkig zijn kan. Haar dienst was, naar men zeide, door Servius Tullius ingesteld, die haar twee tempels gewijd had. Zij was oudtijds vooral een landelijke godheid, en werd overigens het meest door vrouwen vereerd, tegelijk met Mater Matūta en Pudicitia. Daar het lot van den mensch voor een groot deel van het toeval afhangt, werd zij later zeer algemeen vereerd, en had zij een groot aantal bijnamen, naar de personen die, de plaatsen waar en de omstandigheden waaronder zij om hare gunst baden, of naar de eigenschappen, die men haar toekende:Publica, Privata, Patricia,Equestris, Virilis, Muliebris, Primigenia(z. a.),Redux, Blanda, Dubia, Brevis, enz.—Later hield men haar voor dezelfde als Tyche en werden haar ook dezelfde attributen gegeven.Fortunātae insulae,αἱ μακάρων νῆσοι, de plaatsen, waar volgens grieksche opvatting de zielen der afgestorvenen, vooral der helden en groote mannen, verblijf hielden, later geïdentificeerd met de Canarische eilanden ten W. van Afrika.Forum,ἀγορά. Hetforumbij uitnemendheid te Rome was hetforum Romanum, aan den voet van den Capitolijnschen berg gelegen en zich uitstrekkende in Z. O. richting. Dit forum was het middelpunt van het verkeer; dáár werden de rechtszaken behandeld, dáár waren de wisselkantoren, dáár kon men op gezette tijden van den dag elkander spreken. Tijdens den bloei der stad was dit forum omgeven met groote gebouwen, als: hetVulcanal, den tempel der Concordia, decuria Hostilia, deregia, waar de pontifex maximus woonde, den tempel van Vesta, enz. Men vond er derostra, decolumna rostrata, den gulden mijlpaal,milliarium aureum, standbeelden. Ten N. hiervan lag hetcomitium, de plaats, waar oudtijds de curiaatcomitiën werden gehouden (z. a.). Daar het plein op den duur voor het handelsverkeer te klein werd, kwamen er van lieverlede andere marktpleinen (fora venalia) bij:forum boaaium,suarium, piscarium, (h)olitorium(groenmarkt). Bovendien legde Caesar ten N. van hetforum Romanumeen nieuw plein aan, hetf. IuliumofCaesaris, met een tempel vanVenus Genetrixen een beeld van Caesars paard. In aansluiting hieraan werden door sommige keizers nog andereforaaangelegd, als: hetforum Augusti, hetf. Vespasianimet den Vredestempel, hetf. Nervae, en vooral het prachtigef. Traiani, met het paard van Traiānus, de grootschebasilica Ulpiaer aan grenzende en daarachter de Traianuszuil en de tempel van Traianus.—In de rom. legerplaatsen had men ook een forum naast (later vóór) de veldheerstent, bij de tenten der legaten.—In de provinciën, en ook in Italia, hadden enkele plaatsen, die in het bijzonder als marktplaatsen waren aangelegd (zie hieromtrentvicusno. 3) den naamforum, o. a.Forum Appii, aan de via Appia in de pontijnsche moerassen (Pomptinae paludes),Forum Clodii, in Liguria, aan de kust, ten N. W. van Luca,Forum Iulii(Fréjus) op de kust van Narbonensis,Forum Hadrianiop het eiland der Batavieren.Fosi, germaansch volkje, verwant met de Cheruscers.Fossa, elke gracht of kanaal.Fossa Corbulonis, door Corbulo op het eiland der Batavieren aangelegd ter verbinding van Rijn en Maas waarschijnlijk de Vliet van Leiden naar Delft;Fossa Drusiana, waarschijnlijk de Vecht, die bij Fectio (Vechten onder Bunnik) van den (Krommen) Rijn afboog, en in den Flevo lacus, de latere Zuiderzee uitmondde.Fossa Mariana, eigenlijk een nieuwe Rhônemond, door Marius gegraven, ten O. der oude monden, die verzand waren.Framea, de lange, dunne lans, met smalle, scherpe ijzeren punt, der Germanen. Ze gebruikten die zoowel om te werpen als om te stooten.Franci, het bekende germaansche volkenverbond der Franken, voor het eerst vermeld omstreeks 240 na C. Het ontstond aan den Beneden-Rijn en op onze grenzen uit de Sygambren, Bructeren, Chamaven, Chasuariërs of Chattuariërs, Amsivariërs; hierin zijn later de Batavieren opgegaan. In de 5deeeuw worden ze onderscheiden in de Salische Franken (zieSalii), en de Ripuarische Franken (zieRipuarii).Fregellae, volscische stad in Latium aan den Liris, door de Samnieten ± 330 verwoest, waarop de Romeinen in 328 op eenigen afstand bij den overgang van den Liris een latijnsche colonie Fregellae stichtten, hetgeen een van de oorzaken was van het uitbrekenvan den tweeden samnietischen oorlog. Na den Caudijnschen vrede verwoest, wordt het later weer opgebouwd, en een machtige stad, die Rome trouw terzijde staat, tot de stad in 125 opstond en door den Praetor L. Opimius verwoest werd.Fregēnae, etruscische zeestad, op de grens van Latium, sedert 245 rom. kolonie.Frentāni,Φρεντανοί, samnietisch volk aan de Adriatische zee. Hun gebied grensde aan Apulia.Frento, grensriv. tusschen het land der Frentani en Apulia.Fretum Gaditānum, straat van Gibraltar.Fretum Siculum, straat van Messina.Frigidarium, de zaal voor koude baden in een rom. badhuis. Ziebalneum.Friniātes, zieBriniātes.Frisiavonesof kleine Friezen, de tegenwoordige Westfriezen; ze behoorden tot het romeinsche rijk, en dienden in de rom. legers.Frisii, het bekende volk der Friezen, sedert Drusus schatplichtige bondgenooten der Rom. In 28 n. C. stonden zij op, wegens de afpersingen van denprimipilusOlennius, die de schatting van ossenhuiden moest invorderen. Zij versloegen den stadhouder van Germania inferior, L. Apronius, doch werden in 47 door Cn. Domitius Corbulo onderworpen. Later namen zij deel aan den bataafschen opstand onder Civīlis.Frontīnus(Sex. Iulius), consul in 75, 98 en 100 na C., 76–77 proconsul in Britannia, waar hij de Silures onderwierp. In 97 onder Nerva was hijcurator aquarum, eene aanzienlijke betrekking. Wij bezitten twee geschriften van hem:Strategematōn libri III(een vierde boek, dat er bij gevoegd is, is niet van hem) ende aquis urbis Romae.Fronto(M. Cornelius), uit Cirta in Africa, beroemd redenaar en advocaat onderHadriānusen Antonīnus Pius, leermeester van Marcus Aurelius en L. Verus. De brieven en vertoogen, die nog van hem overig zijn en die in 1815 door den kardinaal Angelo Mai te Milaan ontdekt zijn, hebben door hunne droogheid en gebrek aan smaak ’s mans roem niet verhoogd.Frumentariae (leges), zieannona.Frusino, hernicische stad in Latium, een tijd lang in het bezit der Volscen; na den opstand van 306 is het eenpraefectura(z.a.); het lag aan de via Latina.Fucentia(Alba), zieAlba Fucentia.Fucinus lacus, een vrij groot meer zonder zichtbare uitwatering, in het gebied der Marsen, een vergaderbak van bergriviertjes. Daar het door zijne overstroomingen dikwijls groote schade aanrichtte, liet keizer Claudius een afwateringskanaal (emissarius) door de bergen boren. Dit werk gelukte niet, en spoedig raakte het kanaal weder verstopt. In 1855–1875 heeft de italiaansche bankier prins Torlonia een dieperen afvoertunnel doen boren, zoodat thans de bodem van het meer grootendeels is drooggelegd en in bouwland herschapen.Fucus, blanketsel, was in de oudheid zeer in gebruik. De wenkbrauwen werden zwart geverfd, met eene zwavelverbinding van antimonium, de wangen rood met menie of met het sap eener zekere korstmosplant, de huid werd wit gemaakt metcerussaof loodwit,ψίμυθος, terwijl de aderen aan de slapen blauw werden gekleurd.Fufia (lex)de auspiciis, zieservare de caelo.Fufia (lex)de religione. Toen P. Clodius Pulcher in 61 van heiligschennis beschuldigd was, omdat hij in vrouwenkleederen de aan mannen ontzegdesacraderBona Deahad bijgewoond, en toen de consuls hadden voorgesteld, de rechters door den praetor te doen kiezen, stelde Clodius’ vriend, de volkstribuun Q. Fufius Calēnus, voor, de rechters op een andere wijze te doen aanwijzen, in de hoop dat er dan meer gelegenheid tot omkooping zou zijn, hetgeen gelukt is.Fufia (lex)iudiciaria, van denzelfden, doch als praetor, 59. Deze wet bepaalde o.a., dat de drie decuriën van rechters (zielex Aurelia iudiciaria) in afzonderlijke bussen zouden stemmen. Ook stelde zij vast, hoeveel helpers iemand mocht medenemen, die in eenige provincie een onderzoek naar gepleegde afpersingen ging instellen.Fufidii, plebejisch geslacht, waarvan bij Cicero e. a. enkele leden vermeld worden.Fufii, plebejisch geslacht, waarschijnlijk uit Cales. 1)Q. FufiusCalēnus, tegenstander van Tib. Sempronius Gracchus.—2)Q. Fufius Calenus(zie de beideleges Fufiae) bewerkte de vrijspraak van Clodius. Later bewees hij diensten aan Caesar, en was in Gallia en Hispania diens legaat. In 47 was hij consul. Na Caesars dood sloot hij zich bij Antonius aan. Hij stierf in 40.—3)Fufius Geminus, in 34 stadhouder van Pannonia onder Augustus.—4)Q. Fufius Geminus, gunsteling van Livia, op bevel van Tiberius omgebracht (30 of 31 n. C.).Fulcinii, plebejisch geslacht.C. Fulcinius, rom. gezant, werd in 438 door de Fidenaten omgebracht. Onder keizer Tiberius komt een zekere Fulcinius Trio alsdelatorvoor; o.a. klaagde hij in 16 n. C. Libo (Scriboniino. 9), in 20 Piso (Calpurniino. 7) aan; als vriend van Seiānus was zijn positie na diens val geschokt, en toen hem een proces dreigde, benam hij zich het leven (35 n. C.).Fulgur condere, ziebidental.Fullo, voller, die kleederen wiesch en opmaakte. De stoffen werden in groote kuipen met water, loog en urine gewasschen, waarbij het stampen vervangen werd door treden met de bloote voeten. Dan werden zij ingewreven met vollersaarde,creta fullonica, vervolgens gedroogd, gezwaveld, gekaard, geborsteld en geperst.Fulvia (rogatio),de civitate sociis Italicis danda, wetsvoorstel van M. Fulvius Flaccus (125), om het burgerrecht aan de italiaansche bondgenooten te geven. Het werd niet aangenomen.Fulvii, plebejisch geslacht, waarschijnlijk uit Tusculum. 1)M. Fulvius Paetinus, consul 299, versloeg de Umbriërs en veroverdeNequinum (z.Narnia)—2)Cn. Fulvius Maximus Centumalus, versloeg in 298 als consul de Samnieten bij Boviānum, en streed later als propraetor tegen de Etruscers.—3)Cn. Fulvius Centumalus, overwon als consul in 229 met een groote vloot de Illyriërs onder koningin Teuta. Zijn zoon, die den zelfden naam draagt, sneuvelde in den tweeden punischen oorlog te Herdonia tegen Hannibal (210).—4)Q. Fulvius Flaccus, consul in 237, 224, 212, en 209, streed in zijne eerste twee consulaten tegen de Galliërs en Liguriërs, in zijn derde tegen den Carthager Hanno. In 211 veroverde hij met Appius Claudius Pulcher (zieClaudiino. 8). Capua. Hij was pontifex maximus en in 210 dictator.—5)Cn. Fulvius Flaccus, broeder van no. 4, werd als praetor door Hannibal te Herdonia in Apulië verslagen (212) en in het volgend jaar veroordeeld tot ballingschap; hij ging naar Tarquinii.—6)Q. Fulvius Flaccus, zoon van no. 4, in 182 praetor, in 181 propraetor van Hispania Tarraconensis, beoorloogde de Celtiberiërs. In 179 was hij consul en behaalde hij een overwinning op de Liguriërs. Later sloeg hij in een vlaag van krankzinnigheid de hand aan zichzelf. Hij was pontifex maximus en in 174 censor. Een neef van hem, ookQ. Fulvius Flaccusgeheeten, wasconsul suffectusin 180, en bracht 7000 Apuani (z. a.) naar Samnium over.—7)M. Fulvius Flaccus, door Cicero een middelmatig redenaar genoemd, consul in 125, aanhanger van C. Gracchus, kwam met zijne beide zoons in 121 met Gracchus om. Van hem is derogatio Fulvia de civitate sociisItalicisdanda, die echter niet in stemming kwam (125).—8)Ser. Fulvius Flaccus, consul in 135, versloeg de Illyriërs. Hij behoorde onder de redenaars.—9)C. Fulvius Flaccus, consul in 134, streed tegen de opgestane slaven in Sicilia, doch bracht den oorlog niet ten einde.—10)Ser. Fulvius Paetinus Nobilior, consul in 225, versloeg met zijn ambtgenoot M. Aemilius Paullus de Carthagers ter zee op hunne eigen kust bij het Hermaeische voorgebergte,promunturium Mercurii254, zij verloren echter daarna hun vloot in een storm.—11)M. Fulvius Nobilior, streed als praetor in 193 en volgende jaren in Hispania en overwon als consul in 189 de Aetoliërs. In 179 was hij censor. Hij heeftfastigeschreven. Hij was een vriend en beschermer van Q. Ennius, die hem in zijneannalesverheerlijkt heeft.—12)M. Fulvius Nobilior, zoon van no. 11, consul in 159.—13)Q. Fulvius Nobilior, ook een zoon van no. 11, consul in 153, verschafte aan Ennius het rom. burgerrecht in 184, toen hijtriumvir coloniae deducendaewas. Hij was de eerste, die het consulaat op den 1stenJanuari aanvaardde.—14)Fulvia, dochter vanM. Fulvius Bambalio, was eerst gehuwd met P. Clodius Pulcher, later met C. Curio en ten derden male met M. Antonius. Zij was eene hevige vijandin van Cicero. Zij haalde in 41 haar zwager L. Antonius over, oorlog met Octaviānus te beginnen,bellum Perusinum, (zieAntoniino. 4 en 6).—15)Fulvia, minnares van Q. Curius, zieCuriino. 2.Fundanii, plebejisch geslacht. 1)C. Fundanius Fundulusklaagde als volkstribuun in 249 den consul P. Claudius Pulcher (Claudiino. 7) aan, die tegen de auspicia met de Carthagers bij Drepana ter zee had gestreden en verslagen was, en in 246 alsaedilis plebisdiens zuster, omdat ze het volk hevig beleedigd had. In 243 streed hij als consul tegen Hamilcar Barcas, en weigerde hem na den slag een wapenstilstand voor het begraven der lijken.—2)C. Fundanius, eerst aanhanger van Pompeius, ging tot de partij van Caesar over.—3)M. Fundanius, in 66 door Cicero verdedigd.Fundi, municipium in Latium aan de via Appia, met cyclopische muren. In 188 kreeg het, met Formiae en Arpīnum volledig burgerrecht. De omtrek,ager Caecubus(z. a.), was beroemd om zijn voortreffelijken wijn. Nabij Fundi lag een diep meer,lacus Fundanusgenoemd.Furca, gaffel of gavel, groote tweetandige vork, als hooivorken, enz.—Als strafwerktuig voor slaven is defurcaeen houten blok in den vorm eener <, dat om den hals werd gelegd, terwijl de armen aan de beide einden van den vork werden vastgebonden. Slaven, die gekruisigd of gehangen moesten worden, werden zóó ter strafplaats geleid; vandaar isfurciferals scheldwoord = galgebrok.Furia (lex)testamentaria, uit de eerste helft der 2deeeuw, dat niemand een grooter legaat dan van 1000 as mocht aanvaarden, op straffe van het meerdere vierdubbel te moeten teruggeven. Uitgezonderd zijn de naaste bloedverwanten.Furia Atilia (lex)van de consuls L. Furius Philus en Sex. Atilius Serrānus in 136, dat de consul C. Hostilius Mancīnus, die den vernederenden vrede met de Numantijnen had gesloten, aan de vijanden zou worden uitgeleverd.Furia Caninia (lex)de manumissionibus, onder Augustus, beperkte de overdreven vrijlatingen van slaven bij testament.Furiae, z.Erinnyes.Furii, patricisch geslacht, uit Tusculum. 1)P. Furius Philus, overwon als consul in 223 de Galliërs. Hij was in 214 censor, doch stierf gedurende zijn ambt, waarop zijn ambtgenoot de censuur nederlegde.—2)L. Furius Philus, consul 136. Zielex Furia Atilia.—3)Sp. Furius Medullīnus Fusus, consul 481, streed gelukkig tegen de Aequers.—4)Sp. Fur. Medullinus Fusus, consul 464, streed tegen de Aequers met afwisselend geluk.—5)Agrippa Fur. Medullinus Fusus, consul 446, versloeg de Volscers.—6)L. Fur. Medullinus, consul 413 en 409 en zevenmaal consulairtribuun, overwon de Volscers.—7)L. Fur. Medullinus, leverde als legaat van M. Furius Camillus tegen diens wil slag aan de Volscen en werd door Camillus nog van den ondergang gered. In 381 waren beiden ambtgenooten als consulairtribuun.—8)Sp. Fur. Medullinus, consulairtribuun in 378,verwoestte het volscische land.—9)M. Furius Camillus, in 403 censor, daarna bij herhaling consulairtribuun, in 396 dictator, behaalde grooten roem in den strijd tegen de Faliscers en vooral in 396 door de verovering van Veii. Van verduistering van buit beschuldigd, ging hij in 391 in ballingschap. Toen echter Rome door de Galliërs was ingenomen, riepen de belegerden op het Capitool zijne hulp in, en benoemden hem, schoon afwezig, tot dictator. Den aftrekkenden Galliërs bracht hij, volgens het latere verhaal, eene gevoelige nederlaag toe, waarvoor hij den naam vanpater patriaeontving. Hij hield de verhuizing van het volk naar Veii tegen, liet Rome met spoed herbouwen en legde zijn ambt toen neder. Later was hij nog bij herhaling consulairtribuun en nog driemaal dictator. Hij versloeg de Volscers, Aequers, Etruscers en in 367 nogmaals de Galliërs. In 365 stierf hij aan de pest, 82 jaar oud. Veel van deze verhalen omtrent Camillus worden door sommige geleerden voor verdicht gehouden. Aan Camillus wordt een verandering in het krijgswezen toegeschreven, zieAcies.—10)Sp. Furius Camillus, zoon van no. 9, was in 365 de tweede praetor.—11)L. Furius Camillus, ook een zoon van no. 9, was in 350 dictator, en weigerde toen hardnekkig, een plebejer tot consul te laten kiezen, waarop hij zelf tot consul voor 349 gekozen werd, met App. Claudius Crassīnus (Claudiino. 4).—12)L. Furius Camillusen C. Maenius, consuls in 338, genoten de zeldzame eer, dat hun triumftocht over de onderworpen Latijnen door ruiterstandbeelden op het forum vereeuwigd werd.—13)Een nazaat van dezeFurii Camilliis:M. Furius Camillus, consul 8 n. C., versloeg als proconsul van Africa (17 n. C.) de Numidiërs, die onder leiding van Tacfarīnas opgestaan waren, en verwierf deinsignia triumphalia.—14)Furius Camillus Scriboniānus, ofL. Arruntius Camillus Scribonianus, consul 32 n. C., liet zich alslegatus Illyricibij het begin van de regeering van keizer Claudius door zijn troepen tot keizer uitroepen, maar werd reeds binnen vijf dagen vermoord. In zijn val werd o.a. Caecīna Paetus meegesleept.—15)Verder vindt men onder de Furii nog deAculeōnes,—deBibaculi, waaronder een zekere M. Fur. Bib., een dichter ten tijde van Caesar, dien Horatius in zijn verzen bespotte; hij was te Cremōna geboren, hij was, evenals Catullus, een tegenstander van Caesar, en ook van Augustus; beiden heeft hij in zijn epigrammen bespot,—dePurpureōnes, waaronder L. Fur. Purpureo, die in 200 als praetor de Galliërs overwon en in 196 consul was,—dePacili, die ook nog een paar consuls hebben opgeleverd, en deCrassipedes. Een dezer laatsten is na den dood van C. Piso Frugi een tijd lang met diens weduwe Tullia, Cicero’s dochter, verloofd geweest.—16)A. Furius Antias, uit Antium, vriend van Q. Lutatius Catulus (consul in 102), dichtteAnnales.Furnii, plebejisch geslacht. 1)C. Furnius, volkstribuun in 50, een vriend van Cicero, aanhanger van Caesar en later van Antonius, vergezelde dezen in den parthischen oorlog en was in 35 stadhouder van Asia. Hij verzoende zich later met Octaviānus en was in 29 consul. Hij had naam als redenaar.—2)C. Furnius, zoon van no. 1, onderwierp in dienst van Augustus de Cantabriërs (25–23).Furrina, romeinsche godin, wier beteekenis reeds aan de ouden onbekend was. Haar feest, deFurrinalia, werd den 25enJuli gevierd.Fustuarium, zware lijfstraf in het rom. leger. Wanneer door den krijgsraad deze straf over een soldaat was uitgesproken, raakte zijn centurio hem met een stok aan, waarop de andere soldaten met knuppels en steenen zoo op den schuldige aanvielen, dat deze er meestal onder bezweek.

F, ziefasti (dies).

Fabaria, zieBurchana.

Fabariae (Kalendae), z.Carna.

Fabaris=Farfar(Farfarus).

Fabianus Fornix, een boog over de Sacra via te Rome, op de plaats waar die op het Forum uitkwam, opgericht door Q. Fabius Maximus Allobrogicus (Fabiino. 20), en hersteld door zijn kleinzoon (Fabiino. 22).

Fabiānus Papyrius, rom. wijsgeer ten tijde van Augustus en Tiberius, een man van groote welsprekendheid en reinen levenswandel. Zijne geschriften over wijsbegeerte en natuurlijke historie zijn verloren.

Fabii, eene der oudste patricischegenteste Rome, misschien van sabijnschen oorsprong. 1)Q. Fabius Vibulānus, consul in 485 en 482, een warm voorvechter der aristocratie. Onder zijn eerste consulaat had de veroordeeling van Sp. Cassius Viscellīnus plaats. Hij streed in 485 tegen de Aequers en Volscers en maakte zich gehaat door aan de soldaten niets van den buit te gunnen, doch alles te laten verkoopen. In 480 sneuvelde hij in den strijd tegen Veii.—2)K. Fabius Vibulānus, broeder van no. 1, consul in 484, 481 en 479, de eerste maal met grooten tegenstand der plebs door toedoen der patriciërs verkozen, was eerst voortdurend in strijd met de volkstribunen, die eenelex agrariawilden doordrijven. In zijn derde consulaat echter deed hij zelf, maar vergeefs, den voorslag, dat de senaat verdere pogingen in dien geest zou voorkomen door uit eigen beweging veroverden grond onder de plebejers te verdeelen. Zie echterAgrariae (leges)enTribuni plebis. Op zijn voorstel trok in 479—volgens het niet al te betrouwbare geschiedverhaal—de geheelegens Fabia, uitgezonderd een nog te jonge knaap, 306 man sterk, met hare cliënten naar het riviertje de Cremera, om de grenzen tegen de Vejers te beschermen. In 477 vonden zij, in eene hinderlaag gelokt, allen den dood.—3)M. Fabius Vibulānus, broeder van no. 1 en 2, was consul in 483 en 480, zoodat het consulaat zeven jaren achtereen in degens Fabiawas. Hij voerde evenals zijne broeders oorlog tegen de naburige volken en sneuvelde bij de Cremera.—4)Q. Fabius Vibulānus, zoon van no. 3, de eenige overgeblevene van het geslacht, consul in 467, 465 en 459, streed tegen Aequers en Volscen, en bewerkte de uitzending eener rom. kolonie naar Antium (467). In 462 verzette hij zich alspraefectus urbiten sterkste tegen het voorstel van den tribuun Terentiliusde legibus scribendis. In 450 was hij een der tienmannen.—5)M. Fabius Vibulānus, zoon van no. 4, consul in 442, consulairtribuun in 433, bewerkte de uitzending eener kolonie naar Ardea (442), streed bij herhaling tegen Aequers en Vejenten en werd pontifex maximus. Hij kwam vermoedelijk om bij den inval der Galliërs in 390, daar hij Rome niet wilde verlaten.—6)Num. Fabius Vibulānus, ook een zoon van no. 4, consul in 421, consulairtribuun in 415 en 407, streed als consul tegen de Aequers.—7)Q. Fabius Vibulānus, evenals de beide vorigen een zoon van no. 4, was consul in 523 en consulairtribuun in 416 en 414.—8)Num. Fabius Ambustus, zoon van no. 5, veroverde als consulairtribuun in 406 Anxur. Hij was één der drie gebroedersFabii, die in 391 naar Clusium tot de Galliërs werden gezonden. In 390 was hij weder consulairtribuun. Zie no. 10.—9)K. Fabius Ambustus, broeder van no. 8, was consulairtribuun in 404, 401, 395 en 390. Ook hij behoorde tot het gezantschap naar Clusium (zie no. 8 en 10).—10)Q. Fabius Ambustus, broeder van no. 8 en 9, behoorde ook tot het gezantschap naar Clusium, en werd in 390 met zijne broeders tot consulairtribuun gekozen. Na den aftocht der Galliërs werd hij ter verantwoording geroepen wegens zijne schennis van het volkenrecht. De dood, misschien zelfmoord, deed hem een vonnis ontgaan. Het verhaal omtrent deze drie broeders is op allerlei wijzen opgesmukt. In het oorspronkelijke verhaal treden slechts twee Fabii op (no. 8 en 9), waarvan men niet zeker weet, of het broers zijn. No. 10 is tamelijk legendarisch.—11)M. Fabius Ambustus, zoon van no. 8, consul in 360, 356 en 354, overwon achtereenvolgens de Hernicers (360), de Faliscers en Tarquiniërs (356) en de Tiburtijnen (354). In 351 was hij dictator.—12)M. Fabius Ambustus, zoon van no. 9, consulairtribuun in 381 en 369, ondersteunde de plannen van zijn schoonzoon, den volkstribuun C. Licinius Stolo. Vermoedelijk echter was hij het, die in 355 alsinterrexde verkiezing van twee patricische consuls, hoewel tegen delex Licinia Sextiageschied, voor geldig verklaarde. Hier is alles onzeker. Z. ookLiciniae Sextiae (leges)no. 1.—13)C. Fabius Ambustusstreed als consul in 358 ongelukkig tegen de Tarquiniërs, die 307 rom. krijgsgevangenen ombrachten.—14)Q. Fabius Maximus Rulliānus, zoon van no. 11, leverde alsmagister equitumin 325 tegen het bevel van zijn dictator L. Papirius Cursor een schitterenden slag tegen de Samnieten, doch ontging de straf voor zijne ongehoorzaamheid slechts door de eenparige voorbede van senaat en volk. Zijn ambt moest hij echternederleggen. Dit verhaal is niet geheel betrouwbaar. In 322 was hij consul, in 315 dictator, in 310 en 308 weder consul, in 304 censor, in 301 andermaal dictator, in 297 en 295 nogmaals consul. Hij was een van Rome’s grootste veldheeren, schoon niet altijd overwinnaar. O.a. werd hij in 315 als dictator door de Samnieten bij Lautulae verslagen. In 310 ontzette hij het door de Etruscers belegerde Sutrium, door in Noord-Etrurië in te vallen. In 308 streed hij tegen de Samnieten. In 297 versloeg hij, volgens een ongeloofwaardig bericht, met P. Decius Mus hen bij den berg Tifernus, in 295 versloegen Fabius en Decius (z.Deciino. 2) de verbonden Samnieten, Galliërs en Etruriërs bij Sentīnum. Onder zijne tijdgenooten komen ook nogAmbustivoor:Q. Fabius Ambustusals dictatorcomit. habend. causain 321,C. Fabius Ambustusals mag. eq. in 315.—15)Q. Fabius Maximus, bijgenaamdGurges(= vraat, slokop) om zijne losbandigheid in zijne jeugd, zoon van no. 14 (waarschijnlijk is het verhaal omtrent zijn losbandigheid verzonnen om den naam Gurges te kunnen verklaren). Op rijperen leeftijd begon hij evenwel een ander gedrag te leiden. Als consul werd hij in 292 door de Samnieten verslagen, maar overwon daarna met hulp van zijn vader den samnietischen veldheer Pontius (z. a.), in 276 versloeg hij wederom als consul de Samnieten, Lucaners en Bruttiërs; in zijn derde consulaat, 265, dempte hij een slavenopstand te Volsinii, doch sneuvelde daarbij.—16)Q. Fabius Maximus Verrucōsus(wegens eene wrat,verrūca, aan de lip aldus genoemd), consul in 233, 228, 215, 214 en 209, censor in 230, de bekende dictator in 217 na de nederlaag en den dood van C. Flaminius bij het Trasumeensche meer. (Eigenlijk was hijpro dictatorezie het artikeldictator.) In 233 zegepraalde hij over de Liguriërs; in 219 was hij aan het hoofd van het gezantschap, dat na de inname van Saguntum naar Carthago werd gezonden, waarbij hij, volgens het bekende verhaal, den Carthagers de keuze liet tusschen oorlog en vrede, waarop zij tot den oorlog besloten. Als dictator volgde hij de taktiek, een slag in het open veld te vermijden, en liever Hannibal af te matten, daar hij de overtuiging koesterde, dat diens strijdkrachten en hulpmiddelen op vijandelijken bodem op den duur uitgeput moesten raken. Spoedig echter begon dit stelsel bij het rom. volk afkeuring te vinden, daar Hannibal zooveel mogelijk het platte land verwoestte en de dorpen en hoeven in brand stak. Door eenelex Metiliawerd toen de magister equitum M. Minucius Rufus ook met dictatoriale macht bekleed. Deze waagde een veldslag, en zou geheel verslagen zijn, zoo niet Fabius ware toegeschoten en hem gered had, waarop Minucius zich vrijwillig weder onder Fabius’ bevelen stelde. Naar deze wijze van oorlogvoeren heeft Fabius den bijnaam vanCunctātorgekregen; om zijn zacht karakter werd hij ookOviculagenoemd. Ook later voerde hij herhaaldelijk legers aan, hetzij als consul, hetzij als proconsul, onder het commando van zijn zoon. Bij vele geschiedschrijvers ook bij Livius, die hem legaat noemt, vinden wij het verhaal hoe de vader den zoon, als hoogere in rang, eer moet bewijzen. Het verhaal is vereeuwigd in het oud Amsterdamsche stadhuis (het Paleis op den Dam). In 209 veroverde hij Tarentum. Hij was een heftig tegenstander van Scipio’s plan, om den oorlog naar Afrika over te brengen. Fabius stierf in 203. Cicero roemt hem als redenaar.—17)Q. Fabius Maximus, zoon van no. 16 (z. a.), consul in 213, stierf nog vóór zijn vader.—18)Q. Fabius Maximus Aemiliānus, zoon van L. Aemilius Paullus en broeder van P. Cornelius Scipio Aemilianus, in 180 door een der Fabii Maximigeadopteerd, was een vriend van den geschiedschrijver Polybius. In 145 en 144 voerde hij als consul en proconsul oorlog in Lusitania tegen Viriāthus.—19)Q. Fabius Maximus Serviliānus, ook wel onder zijn oorspronkelijken naamCn. Servilius Caepiovoorkomende, door adoptie een broeder van no. 18, streed ook als proconsul in 141 en 140 tegen Viriathus en sloot met dezen een verdrag, dat echter door zijn broeder Q. Servilius Caepio verbroken werd. Hij heeftannalesgeschreven.—20)Q. Fabius Maximus Allobrogicus, zoon van no. 18, leidde als jongeling een losbandig leven. Onder zijn oom P. Cornelius Scipio Aemiliānus diende hij als quaestor in den numantijnschen oorlog. In 121 behaalde hij een groote overwinning op de Allobrogen in Gallia. Uit den buit richtte hij te Rome een triumfboog, denfornix Fabianus, op. Cicero prijst hem als redenaar.—21)Q. Fabius Maximus Eburnus, consul in 116, werd later verbannen, omdat hij zijn zoon met den dood gestraft had.—22)Q. Fabius Maximuskleinzoon van no. 20, diende in Hispania als legaat onder Caesar (46), en werd in 45 consul. Hij stierf nog in ditzelfde jaar. Totsuffectuswerd toen gekozen voor den laatsten dag van het jaar C. Caninius Rebilus (Caniniino. 2), met wiens waakzaamheid Cicero den spot drijft.—23)Paulus Fabius Maximus, een bloedverwant van Ovidius en bevriend met Augustus, vergezelde dezen op zijne reis naar Posthumus Agrippa, doch werd toen verdacht aan Livia geheimen verklapt te hebben. Kort daarna stierf hij.—24)C. Fabius Pictor, de eerste beoefenaar der schilderkunst onder de aanzienlijke Rom., beschilderde in 302 (v. a. in 304) de wanden van den tempel vanSalus, door C. Junius Bubulcus Brutus (Juniino. 3) gewijd. Zijn talent vond echter zoo weinig bijval, dat hij geene navolgers heeft gevonden.—25)Q. Fabius Pictor, kleinzoon van no. 24, omstreeks 220, schreef in het Grieksch zeer belangrijke annalen, van de komst van Aenēas in Italia tot op zijn eigen tijd. Er bestond ook een Latijnsche vertaling van.—26)Ser. Fabius Pictor, redenaar en geschiedkenner, was een tijdgenoot van Cato maior en schreef een werkde iure pontificio.—27)Verder komen onder de consuls, censoren, dictators nog de namenvoor:Fabius Buteo, Fabius Dorso, Fabius Licinus,Fabius Labeo, ookFabius Pictor. Iets bijzonders is van hen hier niet te vermelden. Ook wordt nog eenQ. Fabius Sanga, een vriend van Cicero, vermeld alsmede zekereQ. Fabius Virgiliānus, in 51 legaat in Cilicia, later aanhanger van Pompeius.—28)Fabius Rusticus, een vriend van Seneca, door Tacitus als redenaar geprezen, schreef eene geschiedenis van Nero, die verloren is gegaan.—29)C. Fabius Valens, bewerkte als legatus legionis samen met A. Caecīna Alīenus, dat Vitellius (Jan. 69 n. C.) tot keizer werd uitgeroepen. Aan het hoofd van een legercorps versloeg hij met Caecina de Othoniani bij Bedriācum. Later beheerde hij met Caecina de staatszaken voor Vitellius. In den oorlog tegen Vespasiānus werd hij gevangen genomen en gedood.

Fabrateriavetus, volscische stad in Latium. Ten Zuiden hiervan is na de verwoesting van Fregellae in 124Fabrateria novaals rom. colonie gesticht.

Fabricii, hernicisch geslacht uit Aletrium. 1)C. Fabricius Luscīnusverhuisde omstreeks 300 naar Rome. Als consul streed hij in 282 zegevierend tegen de Samnieten, Lucaniërs en Bruttiërs. Daarna werd hij als gezant naar Tarentum afgevaardigd, doch daar wederrechtelijk gevangen gehouden. In 280 streed hij onder den consul P. Valerius Laevīnus in den slag bij Heraclēa tegen Pyrrhus. In 279 was Fabricius als legaat in den slag bij Asculum (Ausculum). Daarna werd hij als gezant tot Pyrrhus gezonden, met wien hij tot overeenstemming schijnt gekomen te zijn; de vrede kwam echter niet tot stand, (zieClaudiino. 5). In 278 was hij opnieuw consul. Hij ontving toen van ’s konings lijfarts een aanbod om den koning te vergiftigen, doch in plaats van dit aan te nemen, gaf hij er den koning bericht van. In 275 was hij censor en ging met gestrengheid alle noodelooze weelde tegen. Hij stierf arm; de staat gaf aan zijne dochters een bruidschat.—2)L. Fabriciusbouwde in 62 den pons Fabricius van Rome naar deinsula Tiberina.—3)Q. Fabricius, volkstribuun in 57, deed een wetsvoorstel tot terugroeping van Cicero, doch Clodius verhinderde de aanneming er van.—4)A. Fabricius Veiento, z.Veiento (A. Fabricius).

Fabula (palliata), z.Palliata.

Fabula (praetexta), ziePraetexta (fabula).

Fabula (togata), zieTogatano. 2.

Fadii, plebejisch geslacht. 1)M. Fadius Gallus, een zeer geleerd man en vriend van Cicero. Hij heeft een lofrede geschreven op Cato Uticensis (45).—2)T. Fadius Gallus, volkstribuun in 57, deed vruchtelooze pogingen om Cicero te doen terugroepen. Onder Cicero’s consulaat, 63, was hij quaestor te Rome geweest.

Faenius Rufus(L.),praefectus annonaesedert 55 n. C., werd na den dood van Burrus met Tigellīnus praefectus praetorio (62). Hij was een onbaatzuchtig man. In 65 nam hij deel aan de samenzwering van Piso, en hoewel hij zijn medeplichtigen verried, werd hij toch omgebracht.

Faesulae,τὰ Φαίσυλα, thans Fiesole, stad in het N. van Etruria, nabij den Arnus (Arno). Hier hadden Catillina’s benden hun kamp opgeslagen. Onder Sulla werd er eene kolonie van gemaakt.

Fagutal, een van de bergen van hetSeptimontium, zieRoma.

Falacrinum, stad in het sabijnsche land, geboorteplaats van Vespasiānus.

Falarica=Phalarica.

Falces. Onder dezen naam verstaat men alle soorten van zeisen, sikkels en snoeimessen.Falx supinais een groot gekromd mes, aan de buitenzijde scherp (en dus als het ware achteroverliggend), waarmede eene soort van zwaardvechters vochten,Thracesgenoemd.Ensis falcatusof ookhamatusis een kort zwaard, aan de punt sikkel- of eenigszins haakvormig gekromd.Falces muralesofasseres falcatiwaren lange stelen of balken met sikkelvormige haken om de door den stormram gebeukte muren te doen afbrokkelen. In den zeestrijd gebruikte men gelijksoortigefalces navalesom het tuig der vijandelijke schepen door te snijden.Currus falcati, zeisenwagens, zijn door Grieken en Rom. nooit gebezigd.

Falcidia (lex)testamentariavan den volkstribuun C. Falcidius, 40. Deze wet bepaalde dat de legaten bij testament nooit meer dan ¾ van het vermogen mochten bedragen.

Falerii,Φαλέριον, stad in het Z.O. van Etruria, wier inwoners, deFalisci, waarschijnlijk verwant zijn met de Latijnen. Na den val van Veii beginnen de oorlogen met Rome. Later sloten zij zich bij Rome aan, tot ze in 293, toen het te laat was, tegen Rome partij kozen. In 241, na den vrede met Carthago, stond de stad op, en werd in 6 dagen ingenomen en verwoest. De bewoners werden gedwongen, de hoogte te verlaten en in de vlakte eene nieuwe nederzetting te stichten,Aequum Faliscum, terwijl in de oude stad slechts de tempels bleven staan. Iets verder af ligtFalerii Novi, dat later een colonie wordt, en in den keizertijd gebloeid heeft. Als stichter van Falerii werd Halēsus (Falēsus) aangenomen (z. a.).

Falernus (ager), in het N. van Campania tusschen den mons Massicus en de rivier Volturnus, zie ookCampania. De falernische wijn was beroemd; hij was hooggeel van kleur, en moest noch te oud, noch te jong zijn; op 15 jaar was hij het best.

Falisci, zieFalerii.

Falsum. Valschheid en vervalsching waren volgens het oudste rom. recht slechts in enkele gevallen strafrechterlijk vervolgbaar, b.v. valsch getuigenis; zij konden evenwel tot een civiele rechtsvordering aanleiding geven. Sulla’slex Cornelia de falsostelde deaquae et ignis interdictioop testament- en muntvervalsching. Later, vooral onder de keizers, werden er veel meer valsche handelingen onder strafwetten gebracht.

Fama, eene godin, die losse en onzekere geruchten onder de menschen verspreidt, personificatie van het loopend gerucht, waarvan geen zegsman aan te wijzen is. Zij heeft vleugels, duizend oogen en duizend monden, en heeft op hare afbeeldingen een spreektrompet voor den mond.

Fannia (lex)sumptuariavan den consul C. Fannius Strabo, 161. Deze wet bepaalde de sommen, die op gewone dagen en op feestdagen voor een gastmaal mochten worden besteed.

Fannii, plebejisch geslacht. 1)C. Fannius, volkstribuun 187, werkte mede tot de veroordeeling van L. Corn. Scipio Asiaticus.—2)C. Fannius Strabo, zoon van no. 1, consul in 161, was de ontwerper derlex Fannia sumptuaria. Ook werden tijdens zijn consulaat de grieksche philosophen en rhetoren uit Rome verbannen.—3)C. Fannius, zoon van no. 2, was in 146 een der eersten, die de muren van Carthago beklom; hij was volkstribuun in 142, consul in 122 door de hulp van C. Gracchus, behoorde nochtans tot diens tegenstanders. Hij was een schoonzoon van C. Laelius Sapiens. Hij was voorstander der stoicijnsche wijsbegeerte en schreefannales, waarin hij vooral zijn eigen tijd behandelde; verder stond hij bekend als redenaar.—4)M. Fanniuswas in 80 praetor in het proces van Sex. Roscius Amerinus.—5)L. Fannius, aanhanger van Sertorius, had de hand in het verbond tusschen dezen en Mithradātes.—6)C. Fannius, aanklager van P. Clodius Pulcher in 61, tijdens het tweede driemanschap op de hand van Sex. Pompeius, later aan de zijde van Antonius.—7)C. Fannius, in 59 als volkstribuun ernstig tegenstander van Caesar’slex agraria.—8)Fannius Caepio, wegens samenzwering tegen Augustus ter dood gebracht (22).—9)Fannius, tafelschuimer en pruldichter, bediller van Horatius.—10)C. Fannius, ten tijde van Traiānus, schreef een werk over de terechtstellingen onder Nero.—11)Fannia, eene vrouw te Minturnae, die Marius op zijne vlucht herbergde.—12)Fannia, de dochter van P. Clodius Thrasea Paetus en Arria minor, en de tweede vrouw van Helvidius Priseus (z.Helvidiino. 3). Zij deelde tweemaal de ballingschap van haar man. Onder Domitianus werd zij verbannen, en haar goederen verbeurd verklaard. Na diens dood keerde zij naar Rome terug.

Fanum(vanfari), een door een formulier gewijde en met muren omgeven plaats, heiligdom, tempel.

Fanum Fortūnae, aanzienlijke stad aan den Metaurus in Umbria in denager Gallicus, met een beroemden Fortuna-tempel.

Farfar(Farfarus), zijtakje van den Tiber, in denager Sabīnus.

Man met fasces.

Fasces, bundel roeden van olmen- of berkentakken, met een lederen riem omsnoerd. In den bundel was ook de steel van een bijl gebonden, doch zoo, dat het staal naar buiten stak. Dit zijn defasces et secures, die de lictoren dermagistratus cum imperiodroegen. Binnen Rome echter lieten de consuls en praetoren de bijlen uit de bundels weg. Bij strafoefeningen dienden de roeden tot geeseling, de bijl tot onthoofding der veroordeelden. De lictoren droegen de bundels over den linkerschouder. Ontmoette de overheidspersoon iemand van hoogeren rang (bv. een praetor een consul of wel eene vestaalsche maagd), dan namen de lictoren van den eersten hunne roeden van den schouder en lieten ze zakken als teeken van eerbied (fasces submittere).

Fascīnus, -num, z.Βασκανία.

Fasti, 1)f. dies, rechtsdagen, waarop de praetor de woordendo, dico, addico, mocht uitspreken (ziepraetor). In den rom. kalender waren zij aangeduid met de letter F. Op eendies nefastus(N) mocht dit niet. Eendies nefastus principio(NP) was vóór den middag N., na den middag F. Zie ookNefasti dies.—2)de romeinsche kalender, d. w. z. de opteekening derdies fasti, nefasti, intercisi,comitiales, met vermelding der op iederen dag vallende feesten, spelen en offers, waarbij nog aanteekeningen gevoegd waren omtrent geschiedkundige gebeurtenissen, en omtrent den op- en ondergang van verschillende sterrenbeelden. Deze kalender werd opgemaakt door de pontifices; een gedeelte daarvan, dedies fasti, is voor het eerst door Cn. Flavius (zieFlaviino. 2) in 304 uitgegeven. Een dichterlijke bewerking heeft Ovidius gegeven in zijnFasti, die de eerste 6 maanden van het jaar behandelen. Verder verdienen vermeld te worden defasti Praenestinivan M. Verrius Flaccus (zieVerrius).—Een aanwijzing van de voornaamste romeinsche vaste feest- en gedenkdagen ten tijde van Augustus vindt men achter in dit werk.—3)de lijsten van jaarlijks wisselende ambtenaren (fasti consulares, praetorii), van de priesters (fasti sacerdotales, fasti fratrum arvalium), en van de in ieder jaar gevierde triumfen (fasti triumphales). Van hetgeen nog uit de oudheid over is, zijn wel het meest bekend de zoogenaamdeFasti Capitolini, een chronologische lijst van de consuls, censoren, dictatoren en magistri equitum, die in 34 aan den buitenmuur van deregiawerd aangebracht. Later (in 12) werd een relaas van zegetochten (fasti triumphalesof beteracta triumphorum(zieacta)) op afzonderlijke pijlers hieraan toegevoegd.

Fatui, Fatuae, misvormde en soms onnoozele menschen, die in de huishouding der rom. grooten als huisnarren gebruikt werden. Dwergen,nani, nanae, waren tot dit doel ook zeer in trek.

Fatum, de uitdrukkelijk uitgesproken en onherroepelijke wil der goden ten opzichte van den mensch, dus zijn geheel levenslot, gelukkig of ongelukkig, in het bijzonder de dood. Het meervoud beteekent de afzonderlijke beschikkingen van het noodlot betreffende een persoon of zaak; ook =Parcae. Vgl.μοῖρα.

Fatuus, naam van Faunus als orakelgevend god. De heiligdommen, waar zijne orakels (droomorakels) gegeven werden, waren gewoonlijk in boschrijke streken.—Volgens een verhaal zou hij zich eens door Numa hebben laten dronken maken, en toen gedwongen zijn hem de geheimen der godenwereld te openbaren.

Fauna, zieFaunusenBona Dea.

Faunus, zoon van Picus, een oud-italisch veld- en boschgod, beschermer van landbouw en veeteelt, en dus den menschen welgezind, hoewel hij er vermaak in vindt hen in stille bosschen of in hun slaap (Incubus) te plagen en te verschrikken. Als orakelgevend god wordt hijFatuusgenoemd.—V. s. was hij een koning van Latium geweest, en door Heracles gedood, toen hij dezen aan Mercurius wilde offeren, zooals hij met vreemdelingen placht te doen.—Zijn voornaamste feest zijn de Lupercalia (z. a.); een ander landelijk feest zijn deFaunalia, die den 5denDecember werden gevierd; het was een dag van vroolijkheid, waarop zelfs slaven en vee vrijheid genoten; men offerde bokken, wijn, melk en wierook. F. had een tempel op de Insula Tiberina, z.Domitiino. 2. Zijn dienst werd in den keizertijd verdrongen door dien van Silvānus.—Nevens hem staatFauna(Fatua), eene godin, die dezelfde eigenschappen heeft als hij, en zijne vrouw of dochter genoemd wordt. Faunus werd reeds vroeg voor denzelfden gehouden en eveneens afgebeeld als Pan, en onder den invloed van deze meening sprak men ook vanFauni, soms kinderen van hem en Fauna genoemd, en ongeveer gelijk aan de grieksche satyrs.

Fausta, 1) dochter van L. Cornelius Sulla. Zij is driemaal gehuwd geweest, de tweede maal met T. Annius Milo.—2)de gemalin van Constantijn den Gr., die door hem in 326 n. C. gedood werd.

Faustīna, naam der gemalin van Antonīnus Pius en van hare dochter, de gemalin van Marcus Aurelius. Beiden waren vrouwen van een losbandig karakter. Ter eere van de eersteFaustīnawijddeAntonīnusPius in 141 een tempel aan de Via Sacra te Rome, die na zijn dood ook aan hem werd gewijd. Een deel van den tempel bestaat nog.

Faustulus, de herder, die de kinderen Romulus (z. a.) en Remus vond, en aan zijn vrouw Acca Larentia (z. a.) bracht.

Faventia, thans Faënza, stad in Gallia Cisalpīna, aan de via Aemilia gelegen.

Favonius(M.), bewonderaar en naäper van Cato van Utica, tegenstander van het eerste driemanschap, vooral van Pompeius toen deze machtig was, hoewel hij na diens vlucht toch zijne zijde koos. Na Pompeius’ dood schonk Caesar aan Favonius vergiffenis; doch deze sloot zich later bij Caesars moordenaars aan, werd in den slag bij Philippi (42) gevangen genomen en op last van Octaviānus omgebracht.

Favonius, de Westenwind, later de Noordwestenwind. Met het waaien van dezen zachten wind begint in Italië de lente (1stehelft van Februari). In Zwitserland Föhn geheeten. ZieWindstreken.

Favorīnus,Φαβωρῖνος, rhetor onder keizer Hadriānus, uit Arelate in Gallië, leerling van Dio Chrysostomus en bevriend met Plutarchus en Fronto, schrijver van verschillende grieksche werken over allerlei onderwerpen.

Febris, koortsafwerende godin, die te Rome drie tempels had, waar genees- en toovermiddelen tegen de ziekte te verkrijgen waren.

Februus, oud-italisch god der lijkoffers, die aangeroepen werd om de Larvae of spoken van de menschen af te houden. Naar hem was de maand Februarius genoemd, waarin men na de Lupercalia geen vroolijk feest vierde en niets van belang begon. V. a. was die maand genoemd naar defebrua, zieLupercalia.

Feciāles=Fetiales.

Felix,agnomenvan L. Cornelius Sulla (Corneliino. 52).—Felix (Antonius), zieAntonius Felix.

Felsīna, oude naam van Bononia (Bologna), toen de Etruscers nog in het Po-dal woonden.

Fenestella(C.), ten tijde van Augustus en Tiberius, geschiedkenner en annalist.

Fenni, de Finnen. Ze worden door Tacitus geschilderd als een wild volk, dat uitsluitend van de jacht leeft, en slechts hutten kent van rijshout.

Fennius Rufus, zieFaenius Rufus.

Fenus(van den stamfe-=φύω, evenalsτόκοιvanτίκτω). De rentevoet was oudtijds zeer hoog, wat in verband stond met het gevaar, uitgeleende geldsommen te verliezen. Bij de Grieken is ons niets bekend van wettelijke regeling dezer zaak; bij de Rom. vindt men de eerste bepaling aangaande rente in de wetten der twaalf tafelen. Deze wetten stelden eenfenus unciariumals wettig maximum vast. Waarschijnlijk beteekent dit, dat de rente 1 uncia van de as = 1/12 (= 8⅓ %) bedroeg voor het jaar van 10 maanden, zoodat de rente per 12 maanden 10 % is. Doch hetzij de wet niet streng genoeg was, hetzij men ze wist te ontduiken, men hield zich er niet aan, althans in 357 achtten de volkstribunen M. Duillius en L. Maenius (Menenius) het noodig, nogmaals hetfenus unciariumdoor eene wet vast te stellen, en de plebs nam delex Duillia Maenia(Menenia) gretig aan. Tien jaar later werd de wettelijke rente met de helft verminderd,fenus semiunciarium. Hetdoel schijnt te zijn geweest, door lagen rentevoet de menschen af te schrikken, geld tegen rente uit te leenen; althans delex Genucia ne fenerare liceret, van den volkstribuun L. Genucius, in 342, verbood dit geheel en al. Maar men kon het schulden maken niet voorkomen, het handelsverkeer werd door de wet bemoeilijkt, zij was niet te handhaven, en de woeker herleefde, in weerwil van nog verschillende wetten. Sulla hernieuwde de wet van 357, zieCorneliae (leges) van L. Cornelius Sulla, 88, no. 6. Het handelsverkeer met Griekenland en het Oosten bracht eene nieuwe renteberekening in zwang, n.l. met maandelijkschecentesimae. Deusura centesimawas 1 % ’s maands,usurae semisses½ %,trientes⅓ %,quadrantes¼ %,sextantes⅙ %,unciae1/12 %. Interest op interest heetteanatocismus,ἀνατοκισμός. Bankinstellingen waren den Rom. niet onbekend; in 352 werd tijdelijk eene staatsbank opgericht onder beheer vanquinqueviri mensarii.

Feraliaofparentalia, een feest te Rome ter eere der afgestorvenen, wier geesten, naar men geloofde, in die dagen hunne oude woonplaatsen mochten bezoeken. Het feest begon 13 Februari en duurde negen dagen. Men bracht offers aan de schimmen van bloedverwanten en versierde de graven. Zie ookCaristia.

Ferentarii, lichte, ongeregelde troepen, die met werpschichten en steenen gewapend waren en op de vleugels dienst deden en den strijd openden.

Ferentīna, godin van het latijnsche verbond, dat zijne vergaderingen placht te houden bij een aan haar gewijd bosch aan den voet van den Albaanschen berg.

Ferentīnum, stad der Hernici, in Latium, een tijdlang in de macht der Volscen.

Ferentum, Ferentium, Ferentinum, stad in Zuid-Etrurië, geboorteplaats van keizer Otho.

Feretrius, bijnaam van Jupiter, wien despolia opīmagewijd werden. Zijn tempel was door Romulus gebouwd en door Augustus vernieuwd.

Feriaewerden vooral die godsdienstige feesten genoemd, die meer dan één dag duurden.Feriae statae(stativae) waren feesten, die jaarlijks op vaste dagen terugkeerden,conceptivaedie, waarvan de dagen ieder jaar door de pontifices worden vastgesteld en afgekondigd (indicere). Dit zijn de landbouwfeesten, waarvan de viering van den stand van het gewas afhankelijk is, o.a. deSementivae, en deAmbarvalia. Feriae imperativaezijn feesten, die ten gevolge van buitengewone gebeurtenissen (overwinningen ofprodigia) door den senaat worden uitgeschreven, b.v. desupplicationes.

Feriae Latīnae, groote feesten op den Albaanschen berg ter eere van Jupiter Latiāris. De viering behoorde plaats te vinden onder voorzitterschap der consuls, zoodra mogelijk na de aanvaarding van hun ambt. Waren zij verhinderd, dan werd er meestal een dictator voor aangewezen. Rome was in die dagen bijna verlaten (zie ookpraefectus urbi).

Feronia, italische godin, vooral vereerd aan den voet van den berg Soracte, waar haar de eerstelingen der veldvruchten geofferd werden en druk bezochte markten gehouden werden. Zij was eene godin der vrijheid, en slaven, die zich in haar tempel te Anxur (Tarracīna) het hoofdhaar lieten afscheren, werden vrij. Ook een bron bij Anxur was haar gewijd.—V. s. is zij dezelfde als Persephone.

Feroniae lucus, heilig woud met drukke marktplaats bij de etruscische stad Capēna aan den voet van den berg Soracte. Ook bij Anxur in Latium lag een bosch aan Feronia gewijd.

Fescennium, oude stad der Falisci, in Zuid-Etrurië, juiste ligging onbekend; hiernaar hebben deversus Fescennini, boertige, niet altijd kiesche bruiloftsliederen, hun naam.

Festi (dies)waren dagen, die aan eene godheid gewijd en dus feestdagen waren. Gewone dagen warendies profesti. Van eendies intercisusof naar een oudere schrijfwijzeendotercisus, in den rom. kalender door EN aangeduid, was het middelste gedeelte feestdag.

Festuca, roedje, stokje, ziemanumissio.

Festus. 1)Porcius Festus, procurator van Judaea, opvolger van Antonius Felix, 59–61 na C.—2)Sex. Pompeius Festus, taalkundige waarschijnlijk uit de 3deeeuw n. C., schreef een werk in 20 boekende significatione verborum, ontleend aan een ouder en nog uitgebreider woordenboek van Verrius Flaccus. Van het werk van Festus zijn slechts groote brokstukken over; van het geheel bezitten wij een uittreksel, door zekeren monnik Paulus Diaconus onder de regeering van Karel den Gr. vervaardigd.—3)Rufus Festus, z.Rufusno. 3.—4)Rufus Festus Avienus, z.Avienus.

Fetiāles, priestercollegie te Rome, welks taak het was, bij oorlogsverklaringen, vredesverdragen en verbonden de voorgeschreven godsdienstige plechtigheden te vervullen. Zoolang het rom. gebied nog klein was, werden zij ook als herauten uitgezonden, om van de naburen herstel van grieven te vorderen (clarigatio) of den oorlog te verklaren, waartoe zij naar de grenzen gingen en een werpspies in het vijandelijke land slingerden. Toen het Rom. gebied hiertoe te groot werd, werd de vijandelijke grond voorgesteld door eene mand met aarde, bij den tempel van Bellōna geplaatst (ziecolumna bellica). De woordvoerder derfetialeswerdpater patratusgenoemd. Zij waren als gezanten onschendbaar, en droegen, wanneer zij eene zending vervulden, takken van heilig loof (verbena) of heilige kruiden (sagmina), op het Capitool geplukt.

Fibrēnus, riviertje in Latium, bij Arpīnum. Juist daar, waar het in den Liris uitstroomt, lag het ouderlijk huis van Cicero.

Fibula,περόνη, πόρπη, gesp, nestel. Terwijl in het Myceensche tijdperk de kleederdracht meer overeenstemt met de tegenwoordige, vindt men reeds in het Homerische tijdperken verder gedurende de geheele oudheid een wijze van kleeding, die van de onze geheel afwijkt; de meeste kleeren worden eenvoudig omgeslagen om het lichaam, en dan op één of beide schouders of op de borst met een gesp of nestel, het best te vergelijken met onze veiligheidsspeld, vastgestoken. Alleen bij detogais defibulaniet in gebruik. Ook als ceintuurgesp en als haarnaald komt defibulavoor.

Ficāna, stadje in Latium aan devia Ostiensis, door Ancus Marcius verwoest.

Ficul(n)ea, latijnsch stadje, verwoest door Tarquinius Priscus.

Ficus Ruminalis, zieRumina.

Fidēnae,Φιδῆναι, stad in Latium, 8 kilometer ten Noorden van Rome, op een rots aan den Tiber, tegenover de Cremera-beek gelegen. De stad hoorde oorspronkelijk tot het bondgenootschap van Alba (depopuli Albenses), maar sloot zich meestal bij Veii aan, tot ze in 426 (door den dictator Mam. Aemilius Mamercinus) veroverd en vernietigd werd.

Fidentia, rom. kol. in Gallia Cispadāna aan de via Aemilia, tusschen Parma en Placentia.

Fides, godin der goede trouw, afgebeeld als eene ernstige vrouw, in het wit gekleed, gekroond met olijf- en laurierbladeren, met een korf met vruchten of korenaren in de hand. Zij had verscheiden tempels te Rome; in den oudsten, die bij het Capitolium lag en volgens de sage door Numa gewijd was, werd zij alsF. publica populi Romanivereerd. In werkelijkheid is de tempel eerst gebouwd in 254 of 250, maar de dienst was ouder. Haar wezen was verwant metDius Fidius(z. a.). Het zinnebeeld der trouw waren twee in elkaar gelegde handen.

Fidius, z.Dius Fidius.

Fiduciais eene zaak van vertrouwen, een nevencontract bij de vrijwillige overgaaf van iets, waarbij de ontvanger beloofde, het ontvangene terug te zullen geven. Zoo verkoopt een vader, die zijn zoon wil emancipeeren, dezen driemaal aan eenpater fiduciarius, onder belofte, dat deze hem telkens weder zal vrijlaten. Ook gebeurde het wel, dat een erflater zijne nalatenschap geheel of ten deele door een schijnkoop aan een ander verkocht, onder belofte, dat deemptor fiduciariusover de erfenis volgens den wensch des erflaters zou beschikken. Dit middel werd te baat genomen om zekere gedeelten eener erfenis te doen uitkeeren aan personen, die naar de wet geen of slechts een beperkt erfrecht hadden, b.v. vreemdelingen en vrouwen. Het nakomen van zulk eene belofte was wel een heilige plicht, doch het strenge oude recht gaf geene dwangmiddelen aan. Ook bij het geven van onderpand kwamfiduciate pas, n.l. dat de pandnemer bij aflossing der schuld het pand zou teruggeven. Hier echter was, bij weigering, eeneactio fiduciaemogelijk. Als rechtsterm komtfiduciaook wel in de beteekenis van pand voor.

Figulus, familienaam in degens Marcia, z.Marciino. 12 en 13.

Figulus(P. Nigidius), zieNigidius.

Fimbria, familienaam in degens Flavia, z.Flaviino. 3–5.

Firmicus Maternus(Julius), schreef eerst als Neo-Platonicus een werk over astrologie (matheseos libri) in 337 n. C. verschenen. Later ging hij tot het Christendom over en schreef een werkde errore profanarum religionum, dat aan de keizers Constantius en Constans was opgedragen, en waarin hij hen aanspoorde de heidenen te vervolgen.

Firmum, zeestad en lat. kolonie (sedert 264) in Picēnum.

Firmus(Claudius), papyrusfabrikant in Alexandrië, maakte oproer onder de regeering van keizer Aureliānus (273 n. C.); het oproer werd echter spoedig gedempt en Firmus gedood.

Fiscus, eigenlijk een uit biezen of teenen gevlochten mand tot verschillend gebruik. Het schijnt, dat de Rom. geldmanden gebruikten in plaats van geldkisten; althans wij vindenfisciook gebezigd tot verzending van geld, evengoed als tot bewaring er van. Vandaar beteekentfiscusook wel de schatkist van den staat =aerarium. Onder de keizers krijgtfiscus, in tegenstelling vanaerarium, de beteekenis van private kas des keizers, waarin ten laatste de meeste belastingen gestort werden. Eindelijk neemt het woord ook de beteekenis aan van opbrengsten aan den fiscus, dus van belasting.

Flaccus, familienaam in degentes Fulvia(z.Fulviino. 4–9) enValeria(z.Valeriino. 19, 20, 22–25, 41). Ook de dichter Horatius droeg dezen naam.

Flagellum, flagrum. Eenflagellumwas een geeselwerktuig, bestaande uit touwen met knoopen er in, die aan een steel bevestigd waren; eenflagrumhad kettingen met ijzeren knoppen er aan.Flagellum caedit, secat, scindit; flagrum pinsit, rumpit.

Flamen. Deflamineste Rome waren 15 in getal, priesters van even zooveel godheden. Er waren drieflamines maiores, priesters van Jupiter, Mars en Quirīnus,flamen Dialis,Martialis, Quirinalis. De overige warenminores, zooals defl. Volcanalis, Carmentalis,Floralis, Pomonalis, enz. De voornaamste was defl. Dialis, die detoga praetexta, desella curulisen een lictor had en ook zitting had in den senaat. In zijn openbaar en huiselijk leven was hij aan een groot aantal dikwerf lastige voorschriften gebonden. Hij mocht geen leger onder de wapenen zien, geen knoop of ongebroken ring hebben, daar dit zinnebeelden van slavernij waren. Elke dag was voor hem een feestdag; hij mocht dus geen menschen aan den arbeid zien, en wanneer hij over de straat ging, liepenpraeclamitatoresvoor hem uit en riepen den menschen toe, hun werk te staken tot de priester voorbij was. Zijne vrouw,flaminica Dialis, was priesteres van Juno. Zijn huwelijk moestper confarreationemgesloten zijn; echtscheiding was hem verboden; stierf zijne vrouw, dan moest hij zijne waardigheid nederleggen. Sedert den dood van L. Cornelius Merulain 87 (Corneliino. 44) is dit ambt 75 jaar lang onbezet gebleven. Na Caesars dood werd eenflamen Caesarisgekozen; de vergode keizers kregen ook ieder hunflamen. De naam werd door de ouden afgeleid vanfilum, draad, omdat deflaminesnooit zich geheel blootshoofds aan het volk mochten vertoonen, en derhalve, wanneer zij niet de priestermuts (apex, albogalerus) droegen, zich een wollen draad om het hoofd wonden. Tegenwoordig leidt men het woord af vanflare= aanblazen van het offervuur. De keus was in de hand van den pontifex maximus; de voorgedragene werdcomitiis calatisaangenomen en gewijd. Weigering baatte niet veel. De benoeming was voor het leven, doch zoo men tegen de voorschriften zondigde, moest men het ambt nederleggen.

Flaminia (lex)van den volkstribuun C. Flaminius in 232, ter verdeeling van gronden in Picēnum en Gallia onder arme rom. burgers. ZieAgrariae leges.

Flaminia (via), van Rome naar Ariminum (Rimini) (z.Flaminiino. 1 en 2).

Flaminica, echtgenoote van eenflamen.

Flaminii, plebejisch geslacht. 1)C. Flaminius, volkstribuun in 232, dreef onder hevigen tegenstand van den senaat zijn akkerwet door (zielex Flaminia). Als praetor van Sicilia (227) maakte hij zich daar zeer bemind. In 223 was hij consul en versloeg de insubrische Galliërs aan den Addua (Adda), en bracht den oorlog ten einde, zonder zich aan het senaatsbesluit, dat hem terugriep, te storen. In 220 was hij censor, legde devia Flaminiaaan (zie echter no. 2) en bouwde in dencampus Martiuste Rome dencircus Flaminius. In 217 was hij andermaal consul, doch verliet Rome om het bevel tegen Hannibal op zich te nemen, alvorens aan al de voorgeschreven vormen en plechtigheden te hebben voldaan. Bij het meer Trasimēnus door Hannibal in eene bergengte gelokt en ingesloten, sneuvelde hij met het grootste deel van zijn leger.—2)C. Flaminius, zoon van no. 1, streed in Hispania (210) onder P. Cornelius Scipio (den lateren Africanus maior), en later als praetor in 193. In 187 was hij consul. V. s. was hij de aanlegger van devia Flaminia.—3)C. Flaminiuswas in 67aedilis curulis, in 66index quaestionis inter sicarios.—4)C. Flaminius, een van de deelnemers aan de samenzwering van Catilīna. Bij hem hield Catilina zich na zijn vlucht uit Rome eenigen tijd op inagro Arretino.

Flaminīnus, familienaam in degens Quinctia, z.Quinctiino. 8 en 9.

Flammeum,—eigenlijk een adjectief, waarbij het subst.velummoet gedacht worden—bruidssluier, rood of hooggeel van kleur en van groote afmetingen, zoodat hij tot op de voeten hing. Aldus gesluierd, werd de bruid naar de woning van den bruidegom geleid, waar deze haar van hetflammeumontdeed. Schertsend bij dichters:flammea conterere, bruidssluiers verslijten = hertrouwen. Ook deflaminicadroeg, als ze in functie was, eenflammeum.

Flavia (lex), z.Flaviino. 6 enAgrariae leges.

Flavii, een plebejisch geslacht, afkomstig uit Etruria. Echter komen onder dezen naam ook familiën voor uit andere streken van Italia. 1)M. Flavius, volkstribuun in 327 en 323, stelde in 323 voor, de bevolking van Tusculum voor haar ontrouw voorbeeldig te straffen. Tusculum had zich namelijk bij de Samnieten aangesloten. Door smeekbeden bij het volk slaagden de Tusculaners er in, het onweder af te wenden.—2)Cn. Flavius, zoon van een vrijgelatene,scribaof klerk bij den aedilis App. Claudius Caecus, werd door hem in den senaat opgenomen en wist zich voor het jaar 304 tot aedilis curulis te doen verkiezen. In deze hoedanigheid maakte hij een rechtskalender openbaar, waarin zoowel de rechtsdagen (dies fasti) waren aangewezen, als ook een aantal vormen en formules (legis actiones), die men in acht moest nemen bij het aanbrengen en behandelen van verschillende zaken. Deze verzameling, die door hem op houten borden (alba) op het forum werd openbaar gemaakt, draagt den naam vanius Flavianum.—3)C. Flavius Fimbria, eenhomo novus, consul in 104. Hij werd later wegens afpersingen aangeklaagd, maar vrijgesproken.—4)C. Flavius Fimbria, aanhanger van Marius en Cinna, zoon van no. 3, liet in 86 in Asia, als legaat van den consul L. Valerius Flaccus, dezen vermoorden om zelf het bevel te kunnen voeren. Vervolgens voerde hij niet zonder geluk en beleid den oorlog tegen Mithradātes, totdat in 85 Sulla in Asia kwam. Na vergeefsche pogingen om Sulla uit den weg te ruimen door zijn eigen troepen verlaten, liet hij zich door een slaaf dooden (84).—5)Flavius Fimbria, broeder van no. 4, streed onder den consul C. Norbānus in 83 tegen Sulla. Hij stierf door sluipmoord.—6)In Cicero’s tijd komen nog een aantal Flavii voor, alsL. Fl., rom. ridder, getuige tegen Verres,—L. Fl., praetor in 59, een vriend van Cicero, in 60 als volkstribuun voorsteller eenerlex agrariaten gunste van Pompeius’ veteranen, welke wet echter niet tot stand kwam,—C. Fl., een vriend van Cicero’s schoonzoon Piso,—C. Fl., een vriend van Brutus, bij Philippi gesneuveld.—7)Flavius Scaevīnus, senator tijdens keizer Nero, nam aan de samenzwering van Piso deel (65).—8)Uit degens Flaviawaren ook de drie achtereenvolgende keizers Vespasianus, Titus en Domitianus; de laatste wordt dichterlijkFlavius ultimusgeheeten.—9)Flavius Clemens, z.Vespasianusaan het slot.—10)Flavius Sabinus, z.Sabinusno. 3.

Flavius Josēphus,Ἰώσηφος, in 37 na C. uit een joodsch priestergeslacht te Jerusalem geboren. Hij genoot eene geleerde opvoeding, ging vervolgens naar Rome, waar hij de gunst verwierf van Nero’s gemalin Poppaea Sabina; na zijn terugkeer brak weldra de opstand zijner landgenooten uit, waarbij hij zich aansloot. Hij organiseerde den opstand in Galilaea, maar werd na de innamevan de vesting Iotapata gevangen genomen. Later door Vespasiānus in vrijheid gesteld, woonde hij het beleg van Jerusalem door Titus bij, en wijdde zijne verdere dagen te Rome aan de wetenschap. Hij heeft o. a. eene geschiedenis van den joodschen oorlog geschreven, en eene joodsche geschiedenis van de schepping tot 66 na C. Van belang is ook zijn geschriftcontra Apionem(z.Apion) of:Περὶ τῆς τῶν Ἰουδαίων ἀρχαιότητος, waarin hij de aanvallen van verschillende schrijvers tegen het Jodendom tracht te weerleggen, en de oude en hooge beschaving van het oude volk tracht te bewijzen.

Flavus, broeder van den vorst der Cheruscen Arminius, diende in het rom. leger.

Flevo lacus, het meer Flevo, waaruit later de Zuiderzee is ontstaan. Door dit meer liep de noordelijke Rijnarm, die zich door hetFlevum ostium(het Vlie) in zee stortte.

Flora, godin der bloemen en der lente, wier dienst door Titus Tatius ingevoerd was, had een tempel bij den Circus Maximus. Men hield haar voor dezelfde als Chloris.

Floralia, Flora-feesten van 28 April tot 1 Mei. Zij komen het eerst voor in 238, bij de inwijding van den tempel van Flora. Sedert 173 worden zij jaarlijks gevierd, z.Ludi. Alles werd op dit feest met bloemen versierd, terwijl men zich aan dartele, uitgelaten vroolijkheid overgaf. De vrouwen droegen op die dagen bonte kleeren.

Florentia, thans Florence, ital. Firenza, stad en rom. kolonie in Etruria, aan den Arnus (Arno).

Florus, schrijver van eenEpitome rerum Romanarum, een beknopt overzicht der rom. geschiedenis van den koningstijd tot Augustus. Hij leefde ten tijde van Hadriānus en is dus waarschijnlijk identisch metP. Annius Florus, een dichter, die met keizer Hadrianus bevriend was. In dat geval is de naamJulius Florusvan het beste handschrift verschreven voorPublius, enAnneus(Annaeus) van de andere voorAnnius.—Onder de vrienden van den dichter Horatius komt eenJulius Florusvoor, die Tiberius tweemaal op zijne krijgstochten vergezelde. Quinctiliānus spreekt van een beroemd redenaarJulius Florusuit Gallia, terwijl in den gallischen opstand tijdens de regeering van Tiberius een derdeJulius Florusals een der heftigste opstandelingen wordt genoemd bij de Treviren (21 n. C.). Toen de opstandelingen verslagen waren, maakte hij zich van kant.

Focus,ἑστία, de haardstede, eenvoudig bestaande uit eene ijzeren plaat of een steenen vloertje, waarop het vuur brandde, was eene heilige plaats. De vluchteling, die zich daar nederzette, was onschendbaar. Als de algemeenefocusder stad Rome gold de tempel van Vesta,Ἑστία.

Foedus, z.Civitates foederatae.

Foedus ferire, icere. Deze uitdrukkingen komen hier vandaan, dat bij het bezweren van een verdrag, de woordvoerder derfetiales(z. a.), depater patratus, met een steenen hamer een big doodsloeg, met de bede, dat het rom. volk, zoo het willens en wetens valschelijk tegen het verdrag handelde, door Jupiter evenzoo mocht getroffen worden.

Foenus=Fenus.

Fontēii, plebejisch geslacht uit Tusculum. 1)Ti. Fonteius(Crassus) was in 212, toen P. en Cn. Cornelius Scipio in Hispania sneuvelden, legaat van den eerstgenoemden en voerde met L. Marcius Septimus (Marciino. 17) het bevel over het leger tot aan de komst van P. Scipio (Africanus maior).—2)Fonteiuswerd in 91 als legaat met den proconsul Servilius door eene bende uit Asculum vermoord. Dit was het signaal voor het uitbreken van den bondgenootenoorlog.—3)M. Fonteius, zoon van no. 2, was legaat in Hispania, en later propraetor in Gallia Narbonensis geweest, toen hij door M. Plaetorius van afpersingen werd beschuldigd (69). Cicero verdedigde hem, waarschijnlijk tevergeefs.—4)P. Fonteiusadopteerde P. Clodius Pulcher, opdat deze volkstribuun zou kunnen worden.—5)C. Fonteius Capitoherstelde te Brundisium met Maecēnas de verstandhouding tusschen Octavianus en Antonius (37). De dichter Horatius maakte de reis daartoe mede.—6)C. Fonteius Capito, consul 12 na C., vervolgens (23/24) proconsul in Asia.—7)Fonteius Agrippa, onder Vespasianus proconsul in Asia (68 n. C.), vervolgens in Moesia (69), sneuvelde tegen de Sarmaten.

Forceps, tang ofForfex, schaar. In de krijgskunst verstond men hieronder eene slagorde in den vorm eener V, die men aan dencuneusof wigvormige slagorde van den vijand tegenoverstelde. In den slag bij Cannae voerde Hannibal deze manoeuvre uit tegen dencuneusder Romeinen, maar hij misleidde den vijand door in den beginne zijn centrum te laten vooruitrukken, en eerst in de hitte van den strijd zijn flanken zoodanig te laten zwenken, dat deforfextot stand kwam.

Fordicidia, feest op 15 April gevierd. Op het Capitolium en in iedere curia werd eene drachtige koe,vacca forda, aan Tellus geofferd. Het ongeboren kalf werd tot asch verbrand, die door de Vestaalsche maagden bewaard werd om bij de Palilia tot reinigingsmiddel te dienen.

Forentum, liefelijk gelegen stadje aan den berg Vultur, op de grens van Apulia en Lucania, ten Z. van Venusia.

Forfex, z.forceps.

Formiae,Φορμίαι, stad in het land der Aurunci in zuidelijk Latium aan de via Appia en aan zee gelegen, in 188 door het plebiscitum Valerium met het volledig burgerrecht begiftigd. De omstreken leverden uitstekenden wijn en waren zeer gezocht voor buitenplaatsen. Ook Cicero had er eene, zijnFormianum.

Formio, kustriviertje t. Z. van Tergeste (Triest), ten tijde van Varro de oostelijke grens van Italië. Augustus heeft Istria bij Italië gevoegd, en de grens verschoven tot aan de Arsia.

Formula, ingevoerd door delex Aebutiavan± 200 en deleges Juliaevan Augustus, ter vervanging der oudelegis actiones. De praetor gaf aan deniudexeen formulier, eene soort van instructie, waarin hij aanwees, wat recht was en hoe de rechter uitspraak moest doen, zoowel voor het geval, dat deze den klager in het gelijk, als dat hij hem in het ongelijk stelde. Het definitief vaststellen van deformulanoemde menlitis contestatio(z. a.), een naam ontleend aan het oudelegis actio-proces. De gevallen, waarvoor de praetor eeneformulagaf, stonden in diens edict vermeld. Voor dein iure cessioen de processen derXVirienCentumviribleven de vormen van hetlegis actio-proces bestaan.

Fornacalia, een feest, dat oudtijds te Rome gevierd werd door hen, die gezamenlijk een oven (fornax) hadden voor het roosteren van de spelt,farris torrendi feriae, hetgeen aan het stampen (pinsere) voorafging; ook later, toen ieder een molen had, bleef het feest bestaan en sprak men van eendea Fornax. Het feest werd in de afzonderlijkecuriaeop verschillende dagen in Februari gevierd. Zij, die op dit feest verzuimd hadden te offeren, of niet wisten tot welkecuriazij behoorden, konden dit verzuim herstellen op de Quirinalia, 17 Februari, welke dag hieromferiae stultorumheette.

Fornix, z.Arcusno. 2.

Fornix Fabianus=Fabianus Fornix.

Fortūna, ookFors Fortuna, godin van het toeval, dat zoowel gelukkig als ongelukkig zijn kan. Haar dienst was, naar men zeide, door Servius Tullius ingesteld, die haar twee tempels gewijd had. Zij was oudtijds vooral een landelijke godheid, en werd overigens het meest door vrouwen vereerd, tegelijk met Mater Matūta en Pudicitia. Daar het lot van den mensch voor een groot deel van het toeval afhangt, werd zij later zeer algemeen vereerd, en had zij een groot aantal bijnamen, naar de personen die, de plaatsen waar en de omstandigheden waaronder zij om hare gunst baden, of naar de eigenschappen, die men haar toekende:Publica, Privata, Patricia,Equestris, Virilis, Muliebris, Primigenia(z. a.),Redux, Blanda, Dubia, Brevis, enz.—Later hield men haar voor dezelfde als Tyche en werden haar ook dezelfde attributen gegeven.

Fortunātae insulae,αἱ μακάρων νῆσοι, de plaatsen, waar volgens grieksche opvatting de zielen der afgestorvenen, vooral der helden en groote mannen, verblijf hielden, later geïdentificeerd met de Canarische eilanden ten W. van Afrika.

Forum,ἀγορά. Hetforumbij uitnemendheid te Rome was hetforum Romanum, aan den voet van den Capitolijnschen berg gelegen en zich uitstrekkende in Z. O. richting. Dit forum was het middelpunt van het verkeer; dáár werden de rechtszaken behandeld, dáár waren de wisselkantoren, dáár kon men op gezette tijden van den dag elkander spreken. Tijdens den bloei der stad was dit forum omgeven met groote gebouwen, als: hetVulcanal, den tempel der Concordia, decuria Hostilia, deregia, waar de pontifex maximus woonde, den tempel van Vesta, enz. Men vond er derostra, decolumna rostrata, den gulden mijlpaal,milliarium aureum, standbeelden. Ten N. hiervan lag hetcomitium, de plaats, waar oudtijds de curiaatcomitiën werden gehouden (z. a.). Daar het plein op den duur voor het handelsverkeer te klein werd, kwamen er van lieverlede andere marktpleinen (fora venalia) bij:forum boaaium,suarium, piscarium, (h)olitorium(groenmarkt). Bovendien legde Caesar ten N. van hetforum Romanumeen nieuw plein aan, hetf. IuliumofCaesaris, met een tempel vanVenus Genetrixen een beeld van Caesars paard. In aansluiting hieraan werden door sommige keizers nog andereforaaangelegd, als: hetforum Augusti, hetf. Vespasianimet den Vredestempel, hetf. Nervae, en vooral het prachtigef. Traiani, met het paard van Traiānus, de grootschebasilica Ulpiaer aan grenzende en daarachter de Traianuszuil en de tempel van Traianus.—In de rom. legerplaatsen had men ook een forum naast (later vóór) de veldheerstent, bij de tenten der legaten.—In de provinciën, en ook in Italia, hadden enkele plaatsen, die in het bijzonder als marktplaatsen waren aangelegd (zie hieromtrentvicusno. 3) den naamforum, o. a.Forum Appii, aan de via Appia in de pontijnsche moerassen (Pomptinae paludes),Forum Clodii, in Liguria, aan de kust, ten N. W. van Luca,Forum Iulii(Fréjus) op de kust van Narbonensis,Forum Hadrianiop het eiland der Batavieren.

Fosi, germaansch volkje, verwant met de Cheruscers.

Fossa, elke gracht of kanaal.Fossa Corbulonis, door Corbulo op het eiland der Batavieren aangelegd ter verbinding van Rijn en Maas waarschijnlijk de Vliet van Leiden naar Delft;Fossa Drusiana, waarschijnlijk de Vecht, die bij Fectio (Vechten onder Bunnik) van den (Krommen) Rijn afboog, en in den Flevo lacus, de latere Zuiderzee uitmondde.Fossa Mariana, eigenlijk een nieuwe Rhônemond, door Marius gegraven, ten O. der oude monden, die verzand waren.

Framea, de lange, dunne lans, met smalle, scherpe ijzeren punt, der Germanen. Ze gebruikten die zoowel om te werpen als om te stooten.

Franci, het bekende germaansche volkenverbond der Franken, voor het eerst vermeld omstreeks 240 na C. Het ontstond aan den Beneden-Rijn en op onze grenzen uit de Sygambren, Bructeren, Chamaven, Chasuariërs of Chattuariërs, Amsivariërs; hierin zijn later de Batavieren opgegaan. In de 5deeeuw worden ze onderscheiden in de Salische Franken (zieSalii), en de Ripuarische Franken (zieRipuarii).

Fregellae, volscische stad in Latium aan den Liris, door de Samnieten ± 330 verwoest, waarop de Romeinen in 328 op eenigen afstand bij den overgang van den Liris een latijnsche colonie Fregellae stichtten, hetgeen een van de oorzaken was van het uitbrekenvan den tweeden samnietischen oorlog. Na den Caudijnschen vrede verwoest, wordt het later weer opgebouwd, en een machtige stad, die Rome trouw terzijde staat, tot de stad in 125 opstond en door den Praetor L. Opimius verwoest werd.

Fregēnae, etruscische zeestad, op de grens van Latium, sedert 245 rom. kolonie.

Frentāni,Φρεντανοί, samnietisch volk aan de Adriatische zee. Hun gebied grensde aan Apulia.

Frento, grensriv. tusschen het land der Frentani en Apulia.

Fretum Gaditānum, straat van Gibraltar.

Fretum Siculum, straat van Messina.

Frigidarium, de zaal voor koude baden in een rom. badhuis. Ziebalneum.

Friniātes, zieBriniātes.

Frisiavonesof kleine Friezen, de tegenwoordige Westfriezen; ze behoorden tot het romeinsche rijk, en dienden in de rom. legers.

Frisii, het bekende volk der Friezen, sedert Drusus schatplichtige bondgenooten der Rom. In 28 n. C. stonden zij op, wegens de afpersingen van denprimipilusOlennius, die de schatting van ossenhuiden moest invorderen. Zij versloegen den stadhouder van Germania inferior, L. Apronius, doch werden in 47 door Cn. Domitius Corbulo onderworpen. Later namen zij deel aan den bataafschen opstand onder Civīlis.

Frontīnus(Sex. Iulius), consul in 75, 98 en 100 na C., 76–77 proconsul in Britannia, waar hij de Silures onderwierp. In 97 onder Nerva was hijcurator aquarum, eene aanzienlijke betrekking. Wij bezitten twee geschriften van hem:Strategematōn libri III(een vierde boek, dat er bij gevoegd is, is niet van hem) ende aquis urbis Romae.

Fronto(M. Cornelius), uit Cirta in Africa, beroemd redenaar en advocaat onderHadriānusen Antonīnus Pius, leermeester van Marcus Aurelius en L. Verus. De brieven en vertoogen, die nog van hem overig zijn en die in 1815 door den kardinaal Angelo Mai te Milaan ontdekt zijn, hebben door hunne droogheid en gebrek aan smaak ’s mans roem niet verhoogd.

Frumentariae (leges), zieannona.

Frusino, hernicische stad in Latium, een tijd lang in het bezit der Volscen; na den opstand van 306 is het eenpraefectura(z.a.); het lag aan de via Latina.

Fucentia(Alba), zieAlba Fucentia.

Fucinus lacus, een vrij groot meer zonder zichtbare uitwatering, in het gebied der Marsen, een vergaderbak van bergriviertjes. Daar het door zijne overstroomingen dikwijls groote schade aanrichtte, liet keizer Claudius een afwateringskanaal (emissarius) door de bergen boren. Dit werk gelukte niet, en spoedig raakte het kanaal weder verstopt. In 1855–1875 heeft de italiaansche bankier prins Torlonia een dieperen afvoertunnel doen boren, zoodat thans de bodem van het meer grootendeels is drooggelegd en in bouwland herschapen.

Fucus, blanketsel, was in de oudheid zeer in gebruik. De wenkbrauwen werden zwart geverfd, met eene zwavelverbinding van antimonium, de wangen rood met menie of met het sap eener zekere korstmosplant, de huid werd wit gemaakt metcerussaof loodwit,ψίμυθος, terwijl de aderen aan de slapen blauw werden gekleurd.

Fufia (lex)de auspiciis, zieservare de caelo.

Fufia (lex)de religione. Toen P. Clodius Pulcher in 61 van heiligschennis beschuldigd was, omdat hij in vrouwenkleederen de aan mannen ontzegdesacraderBona Deahad bijgewoond, en toen de consuls hadden voorgesteld, de rechters door den praetor te doen kiezen, stelde Clodius’ vriend, de volkstribuun Q. Fufius Calēnus, voor, de rechters op een andere wijze te doen aanwijzen, in de hoop dat er dan meer gelegenheid tot omkooping zou zijn, hetgeen gelukt is.

Fufia (lex)iudiciaria, van denzelfden, doch als praetor, 59. Deze wet bepaalde o.a., dat de drie decuriën van rechters (zielex Aurelia iudiciaria) in afzonderlijke bussen zouden stemmen. Ook stelde zij vast, hoeveel helpers iemand mocht medenemen, die in eenige provincie een onderzoek naar gepleegde afpersingen ging instellen.

Fufidii, plebejisch geslacht, waarvan bij Cicero e. a. enkele leden vermeld worden.

Fufii, plebejisch geslacht, waarschijnlijk uit Cales. 1)Q. FufiusCalēnus, tegenstander van Tib. Sempronius Gracchus.—2)Q. Fufius Calenus(zie de beideleges Fufiae) bewerkte de vrijspraak van Clodius. Later bewees hij diensten aan Caesar, en was in Gallia en Hispania diens legaat. In 47 was hij consul. Na Caesars dood sloot hij zich bij Antonius aan. Hij stierf in 40.—3)Fufius Geminus, in 34 stadhouder van Pannonia onder Augustus.—4)Q. Fufius Geminus, gunsteling van Livia, op bevel van Tiberius omgebracht (30 of 31 n. C.).

Fulcinii, plebejisch geslacht.C. Fulcinius, rom. gezant, werd in 438 door de Fidenaten omgebracht. Onder keizer Tiberius komt een zekere Fulcinius Trio alsdelatorvoor; o.a. klaagde hij in 16 n. C. Libo (Scriboniino. 9), in 20 Piso (Calpurniino. 7) aan; als vriend van Seiānus was zijn positie na diens val geschokt, en toen hem een proces dreigde, benam hij zich het leven (35 n. C.).

Fulgur condere, ziebidental.

Fullo, voller, die kleederen wiesch en opmaakte. De stoffen werden in groote kuipen met water, loog en urine gewasschen, waarbij het stampen vervangen werd door treden met de bloote voeten. Dan werden zij ingewreven met vollersaarde,creta fullonica, vervolgens gedroogd, gezwaveld, gekaard, geborsteld en geperst.

Fulvia (rogatio),de civitate sociis Italicis danda, wetsvoorstel van M. Fulvius Flaccus (125), om het burgerrecht aan de italiaansche bondgenooten te geven. Het werd niet aangenomen.

Fulvii, plebejisch geslacht, waarschijnlijk uit Tusculum. 1)M. Fulvius Paetinus, consul 299, versloeg de Umbriërs en veroverdeNequinum (z.Narnia)—2)Cn. Fulvius Maximus Centumalus, versloeg in 298 als consul de Samnieten bij Boviānum, en streed later als propraetor tegen de Etruscers.—3)Cn. Fulvius Centumalus, overwon als consul in 229 met een groote vloot de Illyriërs onder koningin Teuta. Zijn zoon, die den zelfden naam draagt, sneuvelde in den tweeden punischen oorlog te Herdonia tegen Hannibal (210).—4)Q. Fulvius Flaccus, consul in 237, 224, 212, en 209, streed in zijne eerste twee consulaten tegen de Galliërs en Liguriërs, in zijn derde tegen den Carthager Hanno. In 211 veroverde hij met Appius Claudius Pulcher (zieClaudiino. 8). Capua. Hij was pontifex maximus en in 210 dictator.—5)Cn. Fulvius Flaccus, broeder van no. 4, werd als praetor door Hannibal te Herdonia in Apulië verslagen (212) en in het volgend jaar veroordeeld tot ballingschap; hij ging naar Tarquinii.—6)Q. Fulvius Flaccus, zoon van no. 4, in 182 praetor, in 181 propraetor van Hispania Tarraconensis, beoorloogde de Celtiberiërs. In 179 was hij consul en behaalde hij een overwinning op de Liguriërs. Later sloeg hij in een vlaag van krankzinnigheid de hand aan zichzelf. Hij was pontifex maximus en in 174 censor. Een neef van hem, ookQ. Fulvius Flaccusgeheeten, wasconsul suffectusin 180, en bracht 7000 Apuani (z. a.) naar Samnium over.—7)M. Fulvius Flaccus, door Cicero een middelmatig redenaar genoemd, consul in 125, aanhanger van C. Gracchus, kwam met zijne beide zoons in 121 met Gracchus om. Van hem is derogatio Fulvia de civitate sociisItalicisdanda, die echter niet in stemming kwam (125).—8)Ser. Fulvius Flaccus, consul in 135, versloeg de Illyriërs. Hij behoorde onder de redenaars.—9)C. Fulvius Flaccus, consul in 134, streed tegen de opgestane slaven in Sicilia, doch bracht den oorlog niet ten einde.—10)Ser. Fulvius Paetinus Nobilior, consul in 225, versloeg met zijn ambtgenoot M. Aemilius Paullus de Carthagers ter zee op hunne eigen kust bij het Hermaeische voorgebergte,promunturium Mercurii254, zij verloren echter daarna hun vloot in een storm.—11)M. Fulvius Nobilior, streed als praetor in 193 en volgende jaren in Hispania en overwon als consul in 189 de Aetoliërs. In 179 was hij censor. Hij heeftfastigeschreven. Hij was een vriend en beschermer van Q. Ennius, die hem in zijneannalesverheerlijkt heeft.—12)M. Fulvius Nobilior, zoon van no. 11, consul in 159.—13)Q. Fulvius Nobilior, ook een zoon van no. 11, consul in 153, verschafte aan Ennius het rom. burgerrecht in 184, toen hijtriumvir coloniae deducendaewas. Hij was de eerste, die het consulaat op den 1stenJanuari aanvaardde.—14)Fulvia, dochter vanM. Fulvius Bambalio, was eerst gehuwd met P. Clodius Pulcher, later met C. Curio en ten derden male met M. Antonius. Zij was eene hevige vijandin van Cicero. Zij haalde in 41 haar zwager L. Antonius over, oorlog met Octaviānus te beginnen,bellum Perusinum, (zieAntoniino. 4 en 6).—15)Fulvia, minnares van Q. Curius, zieCuriino. 2.

Fundanii, plebejisch geslacht. 1)C. Fundanius Fundulusklaagde als volkstribuun in 249 den consul P. Claudius Pulcher (Claudiino. 7) aan, die tegen de auspicia met de Carthagers bij Drepana ter zee had gestreden en verslagen was, en in 246 alsaedilis plebisdiens zuster, omdat ze het volk hevig beleedigd had. In 243 streed hij als consul tegen Hamilcar Barcas, en weigerde hem na den slag een wapenstilstand voor het begraven der lijken.—2)C. Fundanius, eerst aanhanger van Pompeius, ging tot de partij van Caesar over.—3)M. Fundanius, in 66 door Cicero verdedigd.

Fundi, municipium in Latium aan de via Appia, met cyclopische muren. In 188 kreeg het, met Formiae en Arpīnum volledig burgerrecht. De omtrek,ager Caecubus(z. a.), was beroemd om zijn voortreffelijken wijn. Nabij Fundi lag een diep meer,lacus Fundanusgenoemd.

Furca, gaffel of gavel, groote tweetandige vork, als hooivorken, enz.—Als strafwerktuig voor slaven is defurcaeen houten blok in den vorm eener <, dat om den hals werd gelegd, terwijl de armen aan de beide einden van den vork werden vastgebonden. Slaven, die gekruisigd of gehangen moesten worden, werden zóó ter strafplaats geleid; vandaar isfurciferals scheldwoord = galgebrok.

Furia (lex)testamentaria, uit de eerste helft der 2deeeuw, dat niemand een grooter legaat dan van 1000 as mocht aanvaarden, op straffe van het meerdere vierdubbel te moeten teruggeven. Uitgezonderd zijn de naaste bloedverwanten.

Furia Atilia (lex)van de consuls L. Furius Philus en Sex. Atilius Serrānus in 136, dat de consul C. Hostilius Mancīnus, die den vernederenden vrede met de Numantijnen had gesloten, aan de vijanden zou worden uitgeleverd.

Furia Caninia (lex)de manumissionibus, onder Augustus, beperkte de overdreven vrijlatingen van slaven bij testament.

Furiae, z.Erinnyes.

Furii, patricisch geslacht, uit Tusculum. 1)P. Furius Philus, overwon als consul in 223 de Galliërs. Hij was in 214 censor, doch stierf gedurende zijn ambt, waarop zijn ambtgenoot de censuur nederlegde.—2)L. Furius Philus, consul 136. Zielex Furia Atilia.—3)Sp. Furius Medullīnus Fusus, consul 481, streed gelukkig tegen de Aequers.—4)Sp. Fur. Medullinus Fusus, consul 464, streed tegen de Aequers met afwisselend geluk.—5)Agrippa Fur. Medullinus Fusus, consul 446, versloeg de Volscers.—6)L. Fur. Medullinus, consul 413 en 409 en zevenmaal consulairtribuun, overwon de Volscers.—7)L. Fur. Medullinus, leverde als legaat van M. Furius Camillus tegen diens wil slag aan de Volscen en werd door Camillus nog van den ondergang gered. In 381 waren beiden ambtgenooten als consulairtribuun.—8)Sp. Fur. Medullinus, consulairtribuun in 378,verwoestte het volscische land.—9)M. Furius Camillus, in 403 censor, daarna bij herhaling consulairtribuun, in 396 dictator, behaalde grooten roem in den strijd tegen de Faliscers en vooral in 396 door de verovering van Veii. Van verduistering van buit beschuldigd, ging hij in 391 in ballingschap. Toen echter Rome door de Galliërs was ingenomen, riepen de belegerden op het Capitool zijne hulp in, en benoemden hem, schoon afwezig, tot dictator. Den aftrekkenden Galliërs bracht hij, volgens het latere verhaal, eene gevoelige nederlaag toe, waarvoor hij den naam vanpater patriaeontving. Hij hield de verhuizing van het volk naar Veii tegen, liet Rome met spoed herbouwen en legde zijn ambt toen neder. Later was hij nog bij herhaling consulairtribuun en nog driemaal dictator. Hij versloeg de Volscers, Aequers, Etruscers en in 367 nogmaals de Galliërs. In 365 stierf hij aan de pest, 82 jaar oud. Veel van deze verhalen omtrent Camillus worden door sommige geleerden voor verdicht gehouden. Aan Camillus wordt een verandering in het krijgswezen toegeschreven, zieAcies.—10)Sp. Furius Camillus, zoon van no. 9, was in 365 de tweede praetor.—11)L. Furius Camillus, ook een zoon van no. 9, was in 350 dictator, en weigerde toen hardnekkig, een plebejer tot consul te laten kiezen, waarop hij zelf tot consul voor 349 gekozen werd, met App. Claudius Crassīnus (Claudiino. 4).—12)L. Furius Camillusen C. Maenius, consuls in 338, genoten de zeldzame eer, dat hun triumftocht over de onderworpen Latijnen door ruiterstandbeelden op het forum vereeuwigd werd.—13)Een nazaat van dezeFurii Camilliis:M. Furius Camillus, consul 8 n. C., versloeg als proconsul van Africa (17 n. C.) de Numidiërs, die onder leiding van Tacfarīnas opgestaan waren, en verwierf deinsignia triumphalia.—14)Furius Camillus Scriboniānus, ofL. Arruntius Camillus Scribonianus, consul 32 n. C., liet zich alslegatus Illyricibij het begin van de regeering van keizer Claudius door zijn troepen tot keizer uitroepen, maar werd reeds binnen vijf dagen vermoord. In zijn val werd o.a. Caecīna Paetus meegesleept.—15)Verder vindt men onder de Furii nog deAculeōnes,—deBibaculi, waaronder een zekere M. Fur. Bib., een dichter ten tijde van Caesar, dien Horatius in zijn verzen bespotte; hij was te Cremōna geboren, hij was, evenals Catullus, een tegenstander van Caesar, en ook van Augustus; beiden heeft hij in zijn epigrammen bespot,—dePurpureōnes, waaronder L. Fur. Purpureo, die in 200 als praetor de Galliërs overwon en in 196 consul was,—dePacili, die ook nog een paar consuls hebben opgeleverd, en deCrassipedes. Een dezer laatsten is na den dood van C. Piso Frugi een tijd lang met diens weduwe Tullia, Cicero’s dochter, verloofd geweest.—16)A. Furius Antias, uit Antium, vriend van Q. Lutatius Catulus (consul in 102), dichtteAnnales.

Furnii, plebejisch geslacht. 1)C. Furnius, volkstribuun in 50, een vriend van Cicero, aanhanger van Caesar en later van Antonius, vergezelde dezen in den parthischen oorlog en was in 35 stadhouder van Asia. Hij verzoende zich later met Octaviānus en was in 29 consul. Hij had naam als redenaar.—2)C. Furnius, zoon van no. 1, onderwierp in dienst van Augustus de Cantabriërs (25–23).

Furrina, romeinsche godin, wier beteekenis reeds aan de ouden onbekend was. Haar feest, deFurrinalia, werd den 25enJuli gevierd.

Fustuarium, zware lijfstraf in het rom. leger. Wanneer door den krijgsraad deze straf over een soldaat was uitgesproken, raakte zijn centurio hem met een stok aan, waarop de andere soldaten met knuppels en steenen zoo op den schuldige aanvielen, dat deze er meestal onder bezweek.


Back to IndexNext