Over de spelling.

Over de spelling.Overzicht van de regels, in zooverre zij de tot hiertoe gebruikelijke spelling wijzigen of aanvullen.1. Veelomvattende veranderingen in de spelling eener taal zijn in den beginne altijd lastig voor de schrijvenden en onaangenaam voor de lezenden, en hebben bij voortduring onvermijdelijk een nadeeligen invloed op de beoefening van de letterkunde dier taal. Wanneer een groot aantal woorden wijzigingen ondergaan hebben, dan wordt de schrijver, die aan de vroegere spelling gewoon is, onophoudelijk in zijn gedachtenloop gestuit, dewijl hij ieder oogenblik genoodzaakt is zich te bezinnen om den eenen of anderen nieuwen regel toe te passen; en de meeste lezers gevoelen een weerzin tegen hetgeen het voorkomen eener vreemde taal heeft gekregen en soms slechts met moeite begrepen wordt. Is men eenmaal aan zulk eene nieuwe spelling gewend, dan is de verhouding omgekeerd; dan schijnen allevroegeregeschriften in eene vreemde taal opgesteld te zijn, en de vorm schrikt de lezers af. Eene geheele omwenteling in de spelling graaft aldus tusschen het verledene en het toekomende eene kloof, die slechts door weinigen overschreden wordt; de vroegere literatuur, die het voedsel moet leveren voor de kennis der taal en het nationaliteitsgevoel van een volk, heeft dan voor de meesten opgehouden te bestaan.2. Om gemelde redenen hebben wij gemeend in onze schrijfwijze geene veranderingen te mogen aanbrengen van zoo wijden omvang, dat ons geheele schrift daardoor een ongewoon aanzien moest krijgen, gelijk het geval zou geweest zijn, indien wij b. v. besloten hadden allee’s eno’s in opene lettergrepen op dezelfde wijze, hetzij met één hetzij met twee letterteekens, te schrijven. Daarom hebben wij ons tot regel gesteld geene schrijfwijzen te bezigen, die volstrekt niet in gebruik waren, en zijn wij slechts ten opzichte van eenige weinige op zich zelve staande woorden, alsDinsdag,litteekenen nog enkele dergelijke, van dien stelregel afgeweken. Doch, hoewel wij het raadzaam oordeelden eenparig erkende spelregels ook tot de onze te maken, hebben wij ons toch niet verplicht gerekend tevens alle gebreken en onregelmatigheden over te nemen. Wij achtten ons integendeel gehouden om de willekeurige, op onkunde of misverstand berustende uitzonderingen te verwerpen en erkende regels, zooveel doenlijk, consequent toe te passen.—Verder bestond voor ons de onvermijdelijke noodzakelijkheid, uit twee (of meer) gebruikelijke schrijfwijzen ééne te kiezen en—wat ongetwijfeld het gewichtigste gedeelte van onze taak was—een aantal nog onbeantwoorde vragen, waaronder uiterst belangrijke die nog nooit of slechts ten deele behandeld waren, voor ons zelven te beantwoorden, en de regels, die onsdoelmatig voorkwamen, te formuleeren. Om een en ander hebben wij de grondbeginselen, die uit de natuur en de bestemming van het schrift met noodwendigheid voortvloeien, bestendig voor oogen gehouden, en daarbij de natuurwet van alle letterschrift, dat het namelijk de afbeelding der uitspraak behoort te wezen, op den voorgrond geplaatst. (ZieGrondbeginselen§ 1–72). De onbevooroordeelde zal uit de volgende beknopte opgave van hetgeen wij voor ons zelven hebben vastgesteld, kunnen zien, dat de wijzigingen in het bestaande betrekkelijk weinig in getal zijn en alle de strekking hebben om de spelling meer met de beschaafde uitspraak in overeenstemming te brengen of haar in andere opzichten regelmatiger te maken, en dat wij bij alles de doelmatigheid hebben beoogd, d.i. van schrift gesproken, duidelijkheid en voorkoming van misverstand.In het hier volgende overzicht hebben wij de gronden, waarop onze beslissing berustte, slechts even kunnen aanstippen, met verwijzing naar de § § van deGrondbeginselen der Nederlandsche spelling, waar zij breeder ontvouwd zijn.Klinkers en tweeklanken.De verdubbeling der klinkletters.3. In gesloten lettergrepen wordt de lange of heldere klank door verdubbeling van het letterteeken aangeduid:aa,ee,oo,uu; behalve bij dei, wier heldere klank met den vollen of halven klemtoon steeds doorievoorgesteld wordt. Wij schrijven daarom niet alleenbaar,beer,boor,buur, enz., maar ookeegaas,raasenvlaas, mv. van de echt Nederl. woordeneega(gade),raenvla, met eene dubbelea.—Daarentegen zijn de meeste schrijvers gewoon de heldere sluitklinkers in vreemde woorden en eigennamen, alsMaria,Hebe,Nero,acacia,echo, niet te verdubbelen, maar den tweeden klinker door het weglatingsteeken (apostrophe) te vervangen:Maria’s,Hebe’senz. Daar het verkieslijk is den vorm van vreemde woorden en in het bijzonder van eigennamen zooveel mogelijk onveranderd te laten, geven wij aan deze schrijfwijze de voorkeur boven die vanMariaas,Hebees,Neroos,echoosenz., te eer omdat men bij de woorden opi, alsGaribaldi,Rubini, toch zoo te werk gaat, en nooitGaribaldiis,Rubiniisschrijft. Wij spellen daarom den 2dennv. van het enkelv. en alle nv. van het meerv. der hier bedoelde woorden met’s:Maria’s,Hebe’s,Garibaldi’s,Nero’s,acacia’s,echo’senz. (Grondbeg.§ 90).4. Het behoeft wel geene vermelding, dat wij hier het oog niet hebben op woorden alspendule,Elize,Philippineenz., die op eene toonlooze, niet op eene heldereeuitgaan. De ’ zou daar overtollig zijn en geene weglating aanduiden; daarom schrijven wijElizes,Philippines,pendulesenz.5. De gebruikelijke onderscheiding van de zoogenaamde zachtlange en scherplangee’seno’s, met andere woorden, de verdubbeling der scherpee’seno’sin opene lettergrepen, b. v. inbeenenenboomen, nevensgevenenboven, is, o. a. om de redenen in § 2 vermeld, door ons behouden, met de volgende bepalingen, die gedeeltelijk wijzigingen zijn:1. Alle achtervoegsels, die óf altijd, óf soms den vollen klemtoon hebben, dus niet alleen -eel, en -loos, maar ook -ees, -eeschen -eerenworden steeds met den dubbelen klinker geschreven. Wij spellen derhalvehouweelen,penseelen,personeele,Chineezen,Japanneezen,Chineesche,Siameesche,waardeeren,regeeren,waardeering,regeering,goddelooze,redeloozenenz. (Grondbeg.§ 77–79).2. De aangenomen regel, dat in vreemde woorden dee’seno’s, behalve die welke in den boezem onzer eigene taal uitaienauontstaan zijn, met eene enkeleeenogeschreven worden, b. v. inlelie,menie,olie,rozenenz., wordt door ons consequent toegepast. Wij verwerpen dus de willekeurige uitzondering vankroon,troonentoon(in de muziek), en schrijven regelmatig ookkronen,tronen,tonen.Evenzoo blijven wij aan het beginsel getrouw ten aanzien van de uitzondering dero’suitau, en schrijven niet alleenmooren,poozenenz., maar ookkoozen,liefkoozen(lat.causari) metoo.3. Met dee’seno’sin samengetrokken lettergrepen handelt men veelal niet consequent. Zoo schrijft menleeman(ledeman),leeren(lederen),streelen(stregelen),gedwee(gedwede),slee(slede),oolijk(oodelijk); maar daarentegenpreken(prediken),kwelen(kwedelen),veren(vederen),kwe(kwede),doren(doderen); terwijl men ten opzichte van andere woorden, alsceelen(vancedel), het ww.onweeren(vanonweder) enz., in onzekerheid verkeert en in de woordenboeken geene aanwijzing vindt. Het is buiten twijfel raadzaam, alle dergelijke samentrekkingen meteeenoote schrijven, dewijl de dubbele letter het best geschikt is om den gerekten klank voor te stellen, die door samentrekking noodwendig ontstaat. Derhalve niet alleenleeman,leeren(lederen),streelen,gedwee,slee(slede),oolijk, maar ookpreeken,preeker,kweelen,veeren,kwee,dooren,ceelen,onweerenenz.4. Doordien de zachte en scherpee’seno’sin het Hollandsche dialect, dat in de schrijftaal den toon geeft, niet meer duidelijk onderscheiden worden, en sommige woorden ook elders niet op overeenstemmende wijze worden uitgesproken, zoo is er ten aanzien van enkele woorden onzekerheid en verwarring ontstaan, waaruit alleen de afleiding uitkomst kan geven. Bepaaldelijk bestaat die verwarring soms bij verschillende, maar nagenoeg gelijkluidende woorden. Daar nauwkeurig onderscheiden de eerste voorwaarde van juiste kennis is, hebben wij gemeend niet te mogen medewerken tot bestendiging van zulke verwarringen, en onderscheiden wij daarom niet alleenwekenenweeken,lenenenleenen,kolenenkoolen,rovenenroovenenz., maar om dezelfde redenen ookberen(verscheurende dieren) vanbeeren(varkens, waterkeeringen, muurstutten en heiblokken);delen(planken en dorschvloeren) vandeelen(gedeelten);sleepen(voorttrekken) vanslepen(gesleept worden);klooven(doen splijten) vankloven(mv. vankloofen verl. tijd vankluiven);slooven(voorschooten) vansloven(sukkels en als ww. sukkelen);tonen(in de muziek) vantoonen(werkw. en mv. vantoon=teen);zoogen(laten zuigen) vanzogen(verl. tijd vanzuigen).Hoe nuttig echter het onderscheiden van gelijkluidende woorden ook is, het mag niet op willekeur berusten, maar moet in de taal, in de afleiding gegrond zijn. Waar zulk een grondslag ontbreekt, mag men de onderscheiding alleen in gevallen van uiterste noodzakelijkheid erkennen. Zoo heeft men ten onrechte een onderscheid gemaakt tusschenkeelen(in de bouwkunde) enkelen(halzen), tusschenmeeren(een schip vastleggen) enmeren(mv. vanmeer). De taal eischt in beide gevallenmerenmet éénee, terwijlkeelin de bouwkunde, en zoo ook in de wapenkunde als benaming der roode kleur, geen ander woord is dankeel(hals), zoodat men zonder onderscheidkelente schrijven heeft. Daar eene verwarring van het ww.merenmet het mv. van (een)meer, en vankeelals bouwkundig ornament metkeelals lichaamsdeel niet te vreezen is, zoo hebben wij zonder aarzelen de grammatisch goede schrijfwijze tot de onze gemaakt.Evenzeer eischte de consequentie, met afwijking van de gebruikelijkespelling, de volgende woorden aldus te schrijven:deemoedig,deesem,eega,hoonenenvroolijk; maardwepen,hepen(handbijlen),keren(vegen),droge,drogen. Die spelling wordt door den oorspronkelijken vorm dezer woorden gebiedend voorgeschreven.6. Bij het bepalen van de natuur dere’seno’sin gevallen, waar verschil of onzekerheid bestond, hebben wij ons door de afleiding laten besturen, hetgeen door enkele beoordeelaars verkeerd is opgevat en ten onrechte voorgesteld als eene diep ingrijpende verandering, waardoor de vocaalspelling veel moeilijker zou geworden zijn. Bij eenig nadenken blijkt die voorstelling onjuist te wezen. De gebruikelijke spelling berust op het verschil in de uitspraak dere’s eno’s; en daar dit verschil een gevolg is van den ouderen vorm der woorden, moet het raadplegen der afleiding tot dezelfde uitkomsten leiden als het waarnemen der uitspraak; alleen met dit onderscheid, dat de afleiding ook beslist omtrent die woorden, bij welke de uitspraak niet beslissen kan, t. w. dezulke, wier uitspraak niet overal dezelfde is, of die niet tot de volkstaal behooren. De spelling wint dus voor den taalbeoefenaar in wetenschappelijke juistheid, terwijl voor het groote publiek de toestand dezelfde blijft, daar men bij de gebruikelijke spelling evenzeer genoodzaakt was woordenlijsten te raadplegen.Verdere regels omtrent de klinkers en tweeklanken.7.Aauofau.—De spellingflaauw,gaauwenz. vertegenwoordigt eene uitspraak, die volstrekt niet meer de algemeene is, maar in het oor der meeste beschaafde lieden hoogst onaangenaam klinkt. De meest algemeene uitspraak doet een klank hooren, die tusschenaauenouin ligt, en die in de woordendauw,kauw,heraut, reeds in de spelling erkend was. Het is juister en regelmatiger, die spelling ook in de andere woorden te volgen, enaauvoorgoed dooraute vervangen. Wij schrijven daaromblauw,flauw,gauw,nauw,nauwelijksenz. (Grondbeg.§ 74).8.Ieeni.—De lange of gerektei-klank wordt steeds doorievoorgesteld, in opene lettergrepen evenzeer als in geslotene; men schrijft zooweldie-nen,die-ren,kie-zenmetie, alsdien,dier,kies. Daarom verwerpen wij de spellingsubstanti-ven,anti-ke,Israëli-tenenz., als niet overeenstemmende metsubstantief,antiek,Israëlietenz., noch met de algemeen gebruikelijke schrijfwijzemortieren,officieren,kommiezen,valiezen, en schrijven regelmatigmotieven,substantieven,antieken,republieken,Israëlieten,Mennonietenenz. (Grondbeg.§ 82).9. Daarentegen is de klank, die doorievoorgesteld wordt, te lang en te zwaar voor toonlooze lettergrepen, om welke reden reeds de gebruikelijke spelling de enkeleiinafgodisch,Israëlitisch,predikant,muzikant, voorschreef. Wij spellen dienovereenkomstig ookhistorisch,geographisch,fabrikant,republikein,Jezuïtisme,motiveerenenz. met de enkelei, met verwerping van de bij sommigen gebruikelijke schrijfwijzehistoriesch,fabriekant,fabriekaat,Jezuietismeenz. (Grondbeg.§ 82 en 84).10. Slechts in den uitgang ie, van woorden alsbalie,linie,malie,olie,tralieenz., komt ie in eene toonlooze lettergreep voor. Het meervoud dier woorden wordt gespeld:baliën,liniën,maliënenz. (ofbalies,linies,malies). Deze spelling dagteekent uit den tijd toenienog algemeen als een tweeklankiëwerd uitgesproken, en kan dus als regelmatig beschouwd worden. Doch niet te verdedigen is de gebruikelijke spelling der meervoudenharmoniën,melodiën,reliquiën, die geheel anders klinken danbaliënenz. Wij spellen daarom de meervouden der woorden opieop twee wijzen, naargelang ie toonloos is of den klemtoon heeft, en schrijven:baliën,traliën,oliën, enz.; maarharmonieën,reliquieënenz., in overeenstemming metdrieën,knieën,tweeën,zeeën. Zoo dan ookgenieën, vangenie, in onderscheiding vangeniën, mv. vangenius. (Grondbeg.§ 83).11.Ieenij.—Deijwas oorspronkelijk eene langeien luidde vroeger algemeen, gelijk nog in sommige gewesten, alsiiofie. Toen zij denei-klank aannam, had dit ook plaats bij vreemde woorden alsbijbel,mijter,pijl,tijger,praktijk,fabrijk,kolijk,muzijkenz. Sommige dezer woorden hebben later hun vroegereni-klank hernomen, ofschoon men desniettemin voortging ze metijte schrijven. Die spelling is thans verkeerd, nu de uitspraak derijveranderd is. Daarom vervangen wij in al de laatstgenoemde woorden deijdoorie, en schrijvenfabriek,katholiek,koliek,muziek. (Grondbeg.§ 86).12. Toen de tweeklankiëin den hedendaagschen klinkerie(i) en de langeiinij(ei) overging, hadden er verschillende verwarringen plaats, en begon men ook aangerief,harmonie,poëzie,koffieenz., denij-klank te geven en dus te spellen:gerijf,harmonij,poëzij,koffijenz. Nu men van die uitspraak teruggekomen is, behoort men ook die schrijfwijze te laten varen, en overeenkomstig de ware uitspraakgerief,harmonie,poëzieenkoffie(evenalsbalieentralie) te spellen. (Grondbeg.§ 86).13. In de namen der maandenJanuarij,Februarij,Junij,Julij, bestaat een dergelijke strijd tusschen klank en letterteeken; wij schrijven daaromJanuari,Februari,Juni,Juli, in overeenstemming met de uitspraak en met de Latijnsche spellingJanuarivoorJanuariienz. (Grondbeg.§ 87).14.Eienij.—Eene dergelijke verwarring als tusschenieenijheeft bijeienijplaats gegrepen in de woordensacristijn,karwei(zaad) enmalvezei. Wij schrijven overeenkomstig de afleidingmalvezij,sacristein, nevenssacristij, enkarwij(zaad), dat in oorsprong niet minder dan in beteekenis verschilt vankarwei(werk). (Grondbeg.§ 88).15.Eeenei,ooenoi.—Men is gewoon aan deein het woordheer(leger) een klank te geven, die het naast aan den tweeklankeikomt; daarom onderscheiden wij dit woord ook door de spelling vanheerals persoonsnaam, en schrijven overeenkomstig de uitspraak:heir,heiren,heirscharen.—Ofschoon de vocaalklank inoir(erfgenaam, Fr.hoir) niet van die inoor(lichaamsdeel) verschilt, en de spelling metoiderhalve in strijd is met de uitspraak, zoo hebben wij gemeend om de doelmatigheid, d. i. hier om de duidelijkheid, de gebruikelijke onregelmatige spelling te moeten behouden in een zoo zeldzaam voorkomend woord alsoir, dat onder den vormoorniet terstond zou herkend worden. (Grondbeg.§ 91).16. De toonloozeevoor de achtervoegsels -ling, -lijken -loos.—Wanneer een der achtervoegsels -ling, -lijken -loosachter een stam gevoegd wordt, die niet uitgaat op een klinker of op eene der vloeiende lettersl,nenr, of op eene toonlooze lettergreep, dan ontstaat er in de uitspraak tusschen den stam en het achtervoegsel vanzelf eene toonloozee, die gewoonlijk ook in het schrift wordt uitgedrukt, b. v. indoopeling,goddelijk,goddeloos. Dichters—en ook prozaschrijvers—onderdrukken dieeechter niet zelden, en schrijvengodlijk,godloos, en zelfszeedlijkeneindloos, vanzedeeneinde. Het is evenwel niet raadzaam in prozastijl te dezen aanzien willekeurig te werk te gaan, dewijl zulks eene verbastering der uitspraak ten gevolge zou kunnen hebben. Wij hebben ons daarom de volgende regels gesteld:De toonloozeeblijft achterwege:1. Wanneer het grondwoord eindigt op een klinker of een tweeklank; b. v. intweeling,drieling,vrijling,kruiling,kwalijk,leelijk,oolijkenvroolijk. Invrijelijkechter kan deeniet worden gemist, die in de uitspraak altijdgehoord wordt; en nevens de regelmatige vormenmoeilijkenverfoeilijkzijn ookmoeielijkenverfoeielijkin gebruik.2. Wanneer het grondwoord eindigt op eenelofr, of wel op eenen, die voorafgegaan wordt door een helderen klinker of een tweeklank; b. v. ingroenling,billijk,begeerlijk,bekoorlijk,persoonlijk,aanzienlijk,pijnlijk,doelloos,verwaarloozenenz. Wordt dendoor een korten klinker voorafgegaan, dan zijn de beide vormen, met en zondere, even goed, b. v.manlijkenmannelijk,beminlijkenbeminnelijk. Het gebruik maakt echter onderscheid tusschenzinloos(zonder zin) enzinneloos(buiten zijne zinnen).3. Wanneer het grondwoord eindigt op eene toonlooze lettergreep, onverschillig met welken medeklinker deze sluit: b. v.adellijk,eigenlijk,geduriglijk,koninklijk,bodemloosenz.4. Wanneer het grondwoord eindigt op eeneg, die alschwordt uitgesproken; b. v. inbehaaglijk,ontzaglijk,heuglijk,genoeglijk,welvoeglijkenz. De uitlating derestrekt hier om aan degden verscherpten klank te verzekeren, en dus de spelling met de uitspraak in overeenstemming te brengen.In prozastijl is het niet raadzaam deeweg te laten achter de zachte medeklinkersb,deng(alsg, niet alschuitgesproken); b. v. niet uitonhebbelijk,dadelijk,dagelijks,degelijkenz., daar de spellingonheblijk,daadlijk,daaglijks,deeglijk, tot de verkeerde uitspraakonheplijk,daatlijk,daachlijks,deechlijkaanleiding zou geven. (Grondbeg.§ 112).Medeklinkers.De verdubbeling der medeklinkers.17. De medeklinkers worden in het midden van een woord verdubbeld, wanneer de voorafgaande klinker kort is en de lettergreep den vollen of halven klemtoon heeft; b. v. inhebben,vlaggen,dekbedden,opstellen. De regelmatigheid zou dus ook eischen, dat dechwerd verdubbeld inlachchen,lichchaam,echchoenz. Intusschen heeft deze spelling nooit ingang gevonden, en schreef men doorgaans óflagchen,ligchaam, enz., óflachen,lichaam. Het was dus noodig, uit die twee gebrekkige schrijfwijzen eene te kiezen, daar aan het invoeren der dubbelech(lachchenenz.), die eigenlijk de regelmatige spelling zou zijn, wel niet te denken valt. Van die beide gebruikelijke schrijfwijzen is die met de enkelechnog de minst onregelmatige. Daarom spellen wijlachen,echo,lichaam,richel,tichel,bochelenz. (Grondbeg.§ 95).18. Na eene toonlooze lettergreep is de verdubbeling van den medeklinker niet slechts overtollig, maar zelfs nadeelig voor de uitspraak. Men schrijftwandelen,inboezemen,regenen,beteren,zondigen; de spellingwandellen,zondiggenenz. zou tot eene verkeerde uitspraak aanleiding geven.Niet eenparig echter handelt men bij de uitgangen -ik, -eriken -it, en schrijft b. v.leeuwerikken,kievittennevensmonnikenendiemiten, ofschoon deze woorden onderling en met die op -elen, -emen, -enenen -erengelijkstaan. Het is dus raadzaam, consequent te schrijvenleeuweriken,perziken,botteriken,zwezeriken,kieviten,diemiten, en zoo ookDokkumer,Gorkumerenz. Alleen op twee woorden is deze regel niet toepasselijk, t. w. opkennissenenvonnissen, die algemeen metssgeschreven worden, naar analogie vangeheimenissen,getuigenissenenz., waarin de lettergreepnisniet toonloos is, maar den halven klemtoon heeft. Ook in het meervoud der woorden, uitgaande op -aris(Lat. -arius), wordt desverdubbeld:archivarissen,commissarissen,notarissenenz.19. Bij twee verschillende medeklinkers heeft in onze taal geene verdubbeling plaats; spellingen b. v. alskannten,stellten, zooals het Hoogduitschdie in de verbogen vormen der werkwoorden gebruikt, zijn bij ons onbekend. Slechts schijnbaar maken de woorden alswasschen,flesschen,visschen, enz. eene uitzondering. Dechis in de genoemde en alle dergelijke woorden stom geworden, zoodatwasschen,flesschen,visschenenz. eigenlijk hetzelfde is alswassen,flessen,vissen, waarin desregelmatig verdubbeld wordt. (Grondbeg.§ 96).20. Uit de drie voorgaande § § vloeit de volgende regel voort:Tusschenletters worden in vier gevallen niet verdubbeld, namelijk:1. niet achter heldere klinkers en tweeklanken; b. v. indagen,leven,blijven,huizenenz.2. niet achter toonlooze klinkers, b. v. inengelen,perziken,kievitenenz.; behalve desinkennissen,vonnissenen innotarissenenz.3. niet, wanneer er twee verschillende tusschenletters zijn, met de schijnbare uitzondering bij deschinwasschen,tusschenenz.4. niet wanneer de tusschenletter eenechis; b. v. inlachen,lichaamenz.21. Het behoeft nauwelijks vermelding, dat deze regels niet van toepassing zijn bij samengestelde en afgeleide woorden, wier deelen onverminkt behooren te blijven. Men schrijft te recht tweed’s,g’senz. inhoofddeel,waaggeld, uithoofdendeel,waagengeld; en zoo ook tweel’sinadellijkenmiddellijkvanadelenmiddel, door aanhechting van het achtervoegsel -lijk. (Grondbeg.§ 113).De halfklinkersjenw.22. Dej, welke de gebruikelijke spelling in woorden alsbaaijen,breijen,boeijen,buijenenz. invoegt, is geheel overtollig, nadeelig voor de uitspraak en strijdig met de regelmaat. Zij is overtollig, omdat de klank, dien zij moet voorstellen, vanzelf ontstaat en dus niet behoeft aangeduid te worden. Zij is nadeelig voor de uitspraak, omdat zij slechts aanleiding kan geven, dat men den bedoelden klank te sterk uitspreekt; b. v. inhooijer,leijen,strooijenten onrechte even sterk als in (een goed)hooijaar,leijonker,strooijonker. Zij strijdt met de analogie, omdat de spellingbaaijen,reijen,boeijen,luije,mooijeenz., om regelmatig te kunnen heeten, niet slechts eenejinbijjen,rijjen,pijjenenz., maar ookbaaij,reij,luij,mooijzou eischen, evenzeer als uitlooden,boegen,bloote,vroege, de spellinglood,boeg,bloot,vroegvolgt. Wij mochten dus niet aarzelen, door het weglaten der overtolligejde spelling der woorden, waarin tweeklanken opivoorkomen, in overeenstemming te brengen met den erkenden regel betreffende het spellen van de onverbogen vormen der verbuigbare woorden, en zoodoende eene nuttelooze onregelmatigheid uit onze spraakkunst weg te nemen. Wij schrijven uit dien hoofde:baaien,zaaien,breien,leien,gooien,hooien,buien,kruien,zaaier,hooier,kruier,bemoeiing,voltooiingenz., in overeenstemming metreeën,zeeën,tweeën,theeën,drieën,knieën,spieën, waarin evenzeer eene flauwejgehoord wordt. (Grondbeg.§ 92).23. De spellingverw,verwpot,verwenenz. is thans strijdig met de uitspraak, waarin dewdoorfenvvervangen is. Wij schrijven daaromverf,verfpot,verfwaren,verven,verver,ververij. (Grondbeg.§ 126).De vloeiende letterslenn.24. Reeds vanouds bestonden er een aantal samenstellingen metmiddel, alsmiddelpunt,middellinieenz. In den laatsten tijd is men begonnen ook metmiddensamen te stellen, en naastmiddeleeuwenenmiddelpuntookmiddeneeuwen,middenpuntenz. te schrijven. Daar nu de beteekenis vanmiddelenmiddenin al die woorden volkomen dezelfde is, en de eene vorm niet welluidender dan de andere klinkt, bestaat er geene reden om nu zus dan zoo te schrijven. Wij spellen daarom consequent:middeleeuwen,middelevenredig,middelpunt,Middelnederlandschenz., in overeenstemming metmiddeldeur,middellandsch,middellijf,middellijn,middelmaat,middelmatig,middelmuur,middelpad,middelschot,middelsoort,middelstandenz., waarin men nooitmiddenaantreft. (Grondbeg.§ 114).25. Het manl. achtervoegsel -ing(zieGesl.§ 54) wisselde oudtijds af met den uitgang -ig, die nog inhonigvoorkomt. De vormhoning, die in de spreektaal de gebruikelijkste is, heeft dus evenveel recht van bestaan alshonig. Daarom achten wij ons verplicht beide vormen, zoowelhoning,honingratenenz., alshonig,honigratenenz., te erkennen.26. De spelling der verkleinwoorden met eenen, als:boekjen,huisjen,kopjen,schoteltjen,boekjens,huisjens,kopjens,schoteltjens,stilletjens,zachtjens, is strijdig met de beschaafde uitspraak niet alleen, maar ook met de meeste dialecten. Wij schrijven daarom overeenkomstig de meest algemeene uitspraak:bankje,boekje,bloempje,huisje,kopje,stilletjes,warmpjes,zachtjes,zoetjesenz. zondern.Anders is het gelegen met de verkleinwoorden op -kenof -ke. Deze zijn verouderd en worden alleen nog in den kanselstijl en in sommige dialecten gebezigd, en dan meestal metnuitgesproken. Wij schrijven om die redenkindeken,jongsken,dochterkenenz., te meer daar de beschaafde uitspraak denvolstrekt eischt inallengskensenzachtkens. In gemeenzamen stijl evenwel, waar -kenstijf zou klinken, zien wij geen bezwaar inboekske,penningskeenz. (Grondbeg.§ 119).De keellettersg, chenk.27. De geadspireerde keelklank, gevolgd door eenet, die tot dezelfde lettergreep behoort, wordt, zonder op de afleiding te letten, overeenkomstig de uitspraak, metchgeschreven, b. v. inacht,biecht,dracht,gewicht,gezicht,jacht,klacht,lucht,nacht,plecht,plechtig,plicht,recht,rechter,richten,slecht,tocht,vlucht,zuchtenz., en zoo ook ingeslachtenlicht, in alle beteekenissen, niettegenstaande een aantal der genoemde woorden van stammen metgzijn gevormd, alsdracht,jacht,klachtenz. vandragen,jagen,klagen.Daarentegen blijft degin de regelmatige vervoeging der werkwoorden, wier stam opgeindigt, en in de zelfst. nw. door achtervoeging van -tegevormd van bijvoegl. nw. opg; b. v. indraagt,jaagt,klaagt,pleegt,weegt,ligt(vanliggen),zoogt,zuigtenz., en inlaagte,leegte,droogte,hoogte,vroegte,ruigte,menigteenz., waarin detsteeds tot de volgende lettergreep te behoort.De onvolm. verledene tijden der onregelmatige werkw.brengen,mogenenplegenbehooren metchte worden gespeld:bracht,brachten,mocht,mochten,placht,plachten, en zoo ook het verl. deelw.gebracht; dewijl detdaarin in alle vormen blijft. Daarentegen behoort menbrengt,moogt,pleegtmetgte schrijven, omdat detniet wordt aangetroffen in de overige vormen van den tegenw. tijd:breng,brengen,mag,mogen,pleeg,plegen.Evenzoo is de spellingAagtenaagtappelregelmatig, dewijl detin deze verkorte vormen slechts toevallig op degvolgt, maar er in denonverminktenvormAgathadoor eeneavan gescheiden is.Het opvolgen dezer regels maakt een einde aan eene der lastigste onderscheidingen, die de gebruikelijke spelling met zich bracht, en aan de willekeur, die daarbij heerschte. Zoo schreef zij o. a.ligtenregtvoor, ofschoon die woorden niet in verband staan met eenig woord, waarin eenegvoorkomt.Daarentegen gaf zij aangeslacht,tucht,tuchtigendech, hoewel deze woorden metslagentoog,togensamenhangen. (Grondbeg.§ 94).28. Onzeghad oudtijds denzelfden klank als de Franschegingrand,garde, en was dus toen eene zachtek, gelijk zij thans eene zachtechkan genoemd worden. Wanneer zij als sluitletter door eenenwordt voorafgegaan, b. v. intang,ring, dan heeft zij nog een zweem van haar vroegeren klank behouden en gaat dientengevolge alsdan dikwijls over ink, b. v. inkoninklijkvankoning,aanvankelijkvanaanvangen,jonkheervanjongenz. Het is daarom strijdig met ons taaleigen, aan eene sluitendeg, door eenenvoorafgegaan, den klank eener zachtechte geven, en haar intang,tangen,ding,dingen, enz. zóó uit te spreken als inaangaan,ingetogen,ongelukkigenz. Daarom vervangen wijngdoornkin al die gevallen, waarin de spelling metngmeer bijzonder tot de verkeerde uitspraak aanleiding kan geven, namelijk inkoninkrijk,jonkheid,lankmoedig, en in de verkleinwoorden op -je, gevormd van woorden op -ing, wanneer deze lettergreep toonloos is, als inkoninkje,woninkje,rottinkje,kettinkjeenz.Wanneer -ingdoor eene toonlooze lettergreep wordt voorafgegaan en dus zelf den halven klemtoon heeft, gelijk b. v. inwandeling,teekening, dan wordt het verkleinwoord door aanhechting van -etjegevormd:wandelingetje,teekeningetjeenz., evenalstangetje,ringetje,tongetjeenz. (Grondbeg.§ 98).29. Sedert dechachter desin het midden en aan het einde der woorden stom geworden is, b. v. intusschen,menschen,disch,vischenz., heeft men haar ingelascht in sommige woorden, waar zij door de afleiding niet gevorderd wordt. In bijv. nw. alsgansch,heeschen andere is zulks eenigermate te rechtvaardigen (Grondbeg.§ 123), maar niet bijtorschen, waarin dechvolstrekt geen nut doet en met de afleiding strijdt. Wij spellen daaromtorsenzonderch.30. Ten behoeve der duidelijkheid blijven wij, evenals in de gebruikelijke spelling geschiedt,nog(daarenboven, tot nu toe) vannoch(ook niet) onderscheiden, ofschoon ook het eerstgenoemde woord volgens de afleiding eenechbehoorde te hebben. Innochtansechter, ofschoon uitnog dansamengesteld, geven wij de voorkeur aan dech, vermits wel deze scherpe keelletter, maar niet de zachteg, den overgang derdvandanin detvantansheeft kunnen veroorzaken, en het woord voor ons gevoel eene eenheid geworden is, waarbij aan de samenstellende deelen niet meer gedacht wordt, zoodat hier alleen de uitspraak behoort gevolgd te worden.31. De gebruikelijke spellingDingsdagberust op eene bedorven uitspraak, en maakt van den derden dag der week ten onrechte eendag der (rechts)gedingen. Daar de betere uitspraakDinsdagop vele plaatsen nog in gebruik is, hebben wij gemeend dezen minder verbasterden vorm te moeten verkiezen. Wij schrijven derhalveDinsdag, want het woord is eigenlijk Diesdag, d. i. aan den oorlogsgodDieofDiugewijd, met ingelaschten, gelijk inkinkhoestuitkiekhoest. (Grondbeg.§ 128).De tonglettersdent.32. Wanneer desdoor eene tongletter wordt voorafgegaan, dan is deze de scherpet; uitgezonderd in den 2dennv. der woorden opd, en in de bijvoegl. nw. en bijwoorden, door aanhechting vanschensvan woorden opdgevormd; en eindelijk inloods(in de beide beteekenissen), ingidsensmidse. Ingevolge dezen regel, die op de uitspraak en de afleiding gegrond is, schrijven wij niet alleentrots,scherts,plaats,rotsenz. mett, maar ookgutsvangieten;knotsvanknotten;rits,ritsig, verwant metwrijten;gutsen, uit het ouderegussenvervormd, enritselenvan onzekere afleiding. Daarentegen metd:Gods,des kinds,des bloeds,goedsmoeds,steedschensteeds,gindschengindsvangind(er). (Grondbeg.§ 99).33. De woorden op -aardbestaan eigenlijk uit het bijv. nw.hard, gevoegd achter een bijv. of zelfst. nw. Zoo zijn b. v.bloodaard,grijsaard,gulzigaard, gevormd van de bijv. nw.blood,grijs,gulzig, enbankaardvan het znw.bank. Die woorden behooren dus met dedvanhardgeschreven te worden: en daar zij oorspronkelijk samenstellingen zijn, laat het gebruik te recht het grondwoord onveranderd en schrijftlafaard,grijsaard, nietlaffaard,grijzaard.Grijnzaardenveinzaardechter zijn tegen den regel van een werkwoord gevormd en uitgrijnzer,veinzerverbasterd. Zij kunnen dus niet als samenstellingen beschouwd worden, maar behooren den regel der afleidingen te volgen en (gelijkveinzer,lezerenz.) met dezgeschreven te worden. (Grondbeg.§ 100).34. De meervoudenrittenenbintenbewijzen, dat dedvanrijdenenbindenin de genoemde woorden tottis verscherpt, gelijk zulks ten aanzien van dedvanmedein het voorzetselmetsinds lang algemeen erkend is. De woordenrid,bindenmedmetdhebben dus feitelijk opgehouden te bestaan, en zijn doorrit,bintenmetvervangen. Het is derhalve regelmatig ookritmeester,gebintenenmetgezelte schrijven. (Grondbeg.§ 102).35. Dezelfde verscherping heeft dedondergaan voor het achtervoegsel -nisin de stammen der werkwoorden, die uitgaan opd, voorafgegaan door eenelofn. Ten onrechte heeft men inbeeldtenisenverbindteniseenedingevoegd, die aan eene afleiding met-tedoet denken. De ware spelling isbeeltenisenverbintenis, evenalsontstentenis, waarin men nooit eenedheeft geschreven, hoewel het op gelijke wijze afstamt vanontstanden, bijvorm vanontstaan(in den ouden zin vanontbreken). (Grondbeg.§ 102).36. Ofschoon de stofnaamkruit(poeder), wat den oorsprong betreft, hetzelfde woord is alskruid(gewas), is het echter thans door de geheel afwijkende beteekenis voor ons gevoel daarvan gescheiden. Reeds hierom is het wenschelijk, het onderscheid van beteekenis ook in de spelling te doen uitkomen. Daar komt bij, dat het woord in den zin vanpoedernu, zoo al niet tot de onverbuigbare, dan toch tot de onverbogen woorden behoort, aan welke de taal liefst de scherpe sluitletter pleegt toe te kennen. Het verkeert in hetzelfde geval alsschroot, dat ook eigenlijkschroodluidde (van ’t ww.schroden, snijden), en waarnevens nogschroodbeitelenschroodijzerbestaan. Wij schrijven daaromkruit(poeder),buskruit,rattenkruit, nevenskruid(gewas),kruiden,nieskruid,wormkruid. (Grondbeg.§ 127).37. De woorden op -leien -handezijn eigenlijk samenstellingen, waarin het eerste lid in den vrouwelijken 2dennv. staat. Regelmatig gevormd zijn derhalveallerlei,eenerlei,velerlei,menigerlei,twintigerleien -handeenz. Daarentegen hebben andere, alsvierderlei,vijfderlei,zesderleien -hande, eenedingelascht, die echter aan de beteekenis niets toedoet. Ten aanzien van twee woorden handelt het gebruik niet eenparig; men vindttweeërlei,drieërlei(-hande), entweederlei,driederlei(-hande) geschreven. Het is raadzaam, die onregelmatige vormen te verwerpen en aan de spraakkunstig juiste spellingtweeërleiendrieërlei(-hande) de voorkeur te geven. (Grondbeg.§ 93).38. De spellingKersdag,Kersfeest,Kersmisenz. maakt die woorden geheel onverstaanbaar. Het ongerijmde van die schrijfwijze komt vooral inkersboombelachelijk uit. De herstelling dertvan den naamKerst(Christus) doet den zin der woorden begrijpen, en verhindert althans aan eene verkeerde afleiding te denken. Wij schrijven daaromKerstdag, Kerstfeest,Kerstmis,kerstboomenz.—Daarentegen is er geene afdoende redenom inkermisenkerspeldekvankerkweder in te voegen. Sedert de kermissen in ons land niet meer met de feestdagen der kerkpatronen samenvallen, enspelde beteekenis vanrechtsgebiedverloren heeft, zou de spellingkerkmisenkerkspeldeze woorden vooral niet verstaanbaarder maken. Wij behouden daarom de gebruikelijke spellingkermis,kerspel.39. Reeds in de middeleeuwen onderging het woordliicteken(lijkteeken, d. i.blijkteeken) verbastering en ging over inlictekenenlitteken. Het veranderde tevens van beteekenis, en dit had eene miskenning van het geheele woord ten gevolge. Men vatte het op als teeken in het vleesch (lijk) en schreef daaromlikteeken, hetgeen niet verhinderde dat men voortginglitteekenuit te spreken. Daar nu de spellinglikteekenzoomin de afleiding als de beteekenis duidelijker maakt, schrijven wij overeenkomstig de uitspraak en het eeuwenoude gebruik:litteeken. (Grondbeg.§ 131).De liplettersvenf.40. De gebruikelijke spellingdiefeggedoet denken aan eene samenstelling vandiefmet zeker onbekend woordegge. Deze uitgang echter is slechts een achtervoegsel; het woord is niet door samenstelling, maar door afleiding gevormd. Het moet derhalve ook op de wijze der afgeleide woorden gespeld worden, dat wil hier zeggen, defmoet invveranderen: dusdievegge, gelijk indieverij,lieverdenz. (Grondbeg.§ 107).41. De beschaafde uitspraak heeft devvanvonkin het afgeleidefonkelen, wanneer dit woord overdrachtelijk wordt opgevat, totfverscherpt, en zoodoende een nieuw woord doen ontstaan nevensvonkelen, vonken schieten, in de eigenlijke opvatting. Wij schrijven daarom in den oneigenlijken zinfonkelen, en dus ookfonkelnieuw. (Grondbeg.§ 111).De sisletterssenz.42. Uit de bijwoordelijke uitdrukkingte zamenontstond eerst het bijw.tsamen, en hieruit, door het wegvallen dert, nadat zij deztotsverscherpt had,samen. Dit is dus inderdaad in oorsprong een ander woord dan zamen, en de scherpe uitspraak, die nog altijd de heerschende is, steunt op een goeden grond. Wij schrijven daaromsamenmetsaan het begin van alle samenstellingen, en zoo ook, wanneer het woord alleen staat:samenkomen,samenwerken,samenspraak,samenhangenz.Te samenzou echter niet te verdedigen zijn, dewijl het niets anders kan beteekenen dante te zamen, met dubbel voorzetsel. Daarom schrijven wij:Zij zullen er te zamen(ofer samen)heengaan. Ook blijft dezin het midden der woorden, die door samenstelling of door aanhechting van een voorvoegsel vanzamengevormd zijn, als inopzamelen,inzamelen,verzameling. (Grondbeg.§ 108).43. De gebruikelijke spelling schrijft naar eisch der afleiding en uitspraakgeenszins, maar strijdig met beideallezins,anderzins,eenigzins,veelzins. Naar analogie van het geheel onberispelijkegeenszins, behoort men ookalleszins,anderszins,eenigszins,veelszinste schrijven: eene spelling, die aan alle eischen der spraakkunst beantwoordt. (Grondbeg.§ 125).44. Het schrijven vanwijsst,boosst,loosst, als overtreffende trappen vanwijs,boos,loos, zou met de Nederl. begrippen aangaande de spelling in strijd en iets ongehoords zijn. Daarmede vervalt dan ook de spellingwijsste,boosste,loosste, en, naar analogie hiervan, ookvalschst,verschstenz. Wij schrijven derhalve, in de gevallen waar dergelijke harde vormen niet tevermijden mochten zijn:wijst—wijste,loost—looste,malscht—malschteenz., overeenkomstig de gebruikelijke spelling vanFriesch(nietFriessch),trotsch(niettrotssch), vanFriesentrots, die zelve opseindigen.Het achtervoegsel -ster, dat vrouwelijke persoonsnamen vormt, maakt steeds eene afzonderlijke lettergreep uit, en verschilt dus daarin van -sen -sch. Het behoudt daarom zijnes, b. v. inziekenoppasster,mutsenwaschsterenz. (Grondbeg.§ 124).De samenstellingen.45.Samengestelde woordenzijn verbindingen van woorden, die tot één geheel vereenigd zijn met het doel om een nieuw begrip uit te drukken, verschillende van de som der begrippen, die door de afzonderlijke deelen aangeduid worden. Zoo beteekenen b. v.grootschriftenkleinkindiets anders dangroot schriftenklein kind.46. Alle samenstellingen bestaan uit twee deelen,ledengenoemd, die echter zelve samenstellingen kunnen zijn; b. v.huis-knecht,op-stellen,horloge-maker,werk-tuig,horlogemakers-werktuig.47. De deelen der samengestelde woorden worden aaneen geschreven of door een koppelteeken verbonden, soms met verandering van den vorm van het eerste lid. Hieruit volgt, dat de spelling in de eerste plaats de middelen aan de hand moet geven om te onderkennen, welke opeenvolgingen van woorden samenstellingen zijn en dus óf aaneen geschreven óf door koppelteekens verbonden moeten worden. Vervolgens moet zij ook den aard der veranderingen van het eerste lid doen kennen, voor zooverre deze niet duidelijk uit de uitspraak blijken.Regels voor het onderkennen der samenstellingen.(Grondbeg. § 134–153).48. Samengestelde woorden—en dus aaneen te schrijven—zijn alle opeenvolgingen van woorden, die los staande óf geene óf een verkeerden zin zouden opleveren.I. Tot de eerste soort behooren alle opeenvolgingen van woorden, die, wanneer zij vaneen geschreven werden, geen verstaanbaren zin zouden opleveren, tenzij men door verandering van den vorm der deelen, door omzetting of invoeging van andere woorden, den zin nader aanduidde; b. v.ijzerdraad,ijzeren draad;tweehonderd, tweemaal honderd;godmensch, goddelijk mensen;zeshoek, figuur met zes hoeken;badkuip, kuip om te baden, enz.Bijzondere soorten der hier bedoelde woorden zijn:1. De uitdrukkingen, door middel van een achtervoegsel van op zich zelve staande woorden gevormd; t. w.:a.Vele zelfst. nw. op -er, -steren -ing, alshouthakker, vanhout hakken;droogscheerder, vandroog scheren;invrijheidstelling,tekortkoming, vanin vrijheid stellen,te kort komen.b.Vele bijvoegl. nw. op -igen -sch, alsvierhoekig, vanvier hoeken;alledaagsch, vanalle dagen, enz.c.Alle bijwoordelijke uitdrukkingen met de zoogenaamde bijwoordelijkes, alsveeltijds,buitendijks,terloops.2. Die zelfst. nw., wier eerste lid een bijvoegl. nw. is, dat in de redegeene naamvalsveranderingen ondergaat, maar steeds denzelfden vorm behoudt; b. v.grootmeester,oudoom,kleinzoonenz. Men zegt:des grootmeesters,uwen oudoom,zijne kleinzoons, nietdes grooten meesters,uwen ouden oom,zijne kleine zoons, dan met verandering der beteekenissen.3. De uitdrukkingen, waarin woorden voorkomen met spraakkunstige vormen, die buiten zulke samenstellingen niet meer in gebruik zijn. Hiertoe behooren:a.De uitdrukkingen met het eerste lid in den sterken manl. of onz. 2dennv., alsgoedsmoeds,blootshoofdsenz., dewijl men niet meer zegt:des goeds moeds,des bloots hoofdsenz.b.De uitdrukkingen, bestaande uit een bijv. nw. in den sterken 2dennv. op -er, met een zelfst. nw., in oneigenlijken zin genomen; alsallerwegen,langzamerhand,toevalligerwijzeenz.c.De uitdrukkingen, bestaande uit een voorzetsel, gevolgd van een 2dennv.; alsbinnensmonds,buitenshuisenz.d.De uitdrukkingen, waarin het verbogen lidwoorddein teris veranderd; alsmetterdaad,mettertijdenz.e.De uitdrukkingen, beginnende metdèr,dèsenwès, verouderde 2denvll. vandieenwie; alsderhalve,desgelijks,deskundige,weshalveenz.II. Tot de tweede soort behooren alle opeenvolgingen van twee woorden, in welke een van beide of beide hunne gewone beteekenis hebben afgelegd, zoodat de zin der vereenigde begrippen een andere is dan die, welken de bloote som der beide begrippen zou medebrengen.Als zoodanig worden aaneen geschreven:1. De werkwoorden met de voorzetselsaan,achter,bij,door,om,onder,op,over,tegen,uitenvoor, welke voorzetsels alsdan in bijwoorden zijn overgegaan, en die met de bijwoordenaf,medeentoe, als:aanbinden,doorsteken,uithalen,afgaan,medeloopen,toestemmenenz.2. De werkwoorden, verbonden met een zelfst. of bijv. naamw., óf met een bijwoord van wijze, wanneer de beteekenis dier woorden of die van het werkw. zelf is gewijzigd; b. v.gadeslaan,rechtspreken,gevangennemen,goeddoen,vrijlaten,voortgaan,aaneenbinden,ondereenmengenenz.Wanneer het eerste woord eene bepaling bij zich nemen of in een der trappen van vergelijking staan kan, is zulks een bewijs, dat er geene samenstelling plaats heeft. Zoo zijn b. v.staat makenenfraai schrijvengeene samenstellingen, omdat men kan zeggengeen staat op iets maken,fraaier schrijvenenz.3. De bijvoegl. naamw., vergezeld van de bijw.wel,volenal, wanneer deze woorden den zin hebben vanzeer, alswelbespraakt,volzalig,aloudenz.; alsmede de titels, beginnende metedel,hoog,welenzeer, alsEdelgeboren,Hooggeleerd,Weledel,Zeergeleerdenz.4. De benamingen van kleuren, uit twee bijvoegl. nw. bestaande, alshooggeel,lichtblauw,donkerbruin,zwartbontenz.5. De voornaamw.degene,diegene,hetwelk,dezulkeendezelfde.6. De bijwoordelijke uitdrukkingen, bestaande uit twee bijwoorden, alsveeleer,zoozeer,zoolang,evengoedenz. (verschillende vanveel eerofeerder,zoo zeer,zoo lang,even goed); of uit een bijwoord en een voorzetsel, dat bijwoord geworden is, alskortom,voluitenz.7. De bijwoordenhier,daarenwaar, gevolgd door een voorzetsel, dat echter in deze verbinding als bijwoord moet opgevat worden. Zoo b. v.hierdoor,daaruit,waaronderenz.8. De bijwoordelijke uitdrukkingen, bestaande uit een voorzetsel gevolgd van een zelfst. of bijvoegl. nw., een bijwoord of een voornaamw., wanneer er wijziging van beteekenis plaats heeft; b. v.achterwege,overeind,overlang,voorzeker,voorgoed,vanhier,vandaar,overal,ondereenenz., verschillende vanvoor zeker,voor goed,van hier,van daar.9. De bijwoordenterstond,terugenternauwernood.10. De voorzetselstegenover,rondom,niettegenstaandeeningevolge.Andere uitdrukkingen, die de waarde van een voorzetsel hebben, alsuit hoofde,in geval,door toedoen,met betrekkingenz., blijven gescheiden, omdat het tweede lid, dat altijd een zelfst. nw. is, steeds zelf eene bepaling vereischt; alsuit hoofde van,in geval van,met betrekking totenz.11. Alle uitdrukkingen met de waarde van een voegwoord, waarin de beteekenis van ieder deel niet duidelijk uitkomt; b. v.alhoewel,zoodat,doordien,dientengevolgeenz.12. De tusschenwerpselshelaaseneilieve.Het gebruik van het koppelteeken.(Grondbeg. § 154–158).49. Wanneer het werkelijk aaneen schrijven van de deelen eener samenstelling een woord zou opleveren van een te vreemd voorkomen, of dat wegens zijne lengte moeilijk zou te overzien zijn, dan worden de deelen door een koppelteeken vereenigd.50. Het koppelteeken wordt derhalve gebezigd:1. In woorden, waarin eigennamen of van eigennamen gevormde bijv. nw. voorkomen; als inCayenne-peper,Manilla-sigaren,Portorico-tabak,Zuidzee-traan,Schakel-lijmenz.,Berlijnsch-blauw,Friesch-groen enz.,Engelsch-Russisch,Indo-Germaanschenz. Niet echter, wanneer de eigennaam in de uitspraak onherkenbaar misvormd of wel geheel vergeten is, als inportwijn,kwassiehout,spijkerbalsemenz.2. In titels, bestaande:a. Uit twee bastaardwoorden, alsadjunct-commies,minister-resident,luitenant-kolonelenz.b. Uit een Nederl. woord en een bastaardwoord, die beide reeds op zich zelve titels zijn, of waarvan het achterste een bijv. nw. is; alsgrootmeester-nationaal,kapitein-geweldiger,Staten-Generaal,raad-pensionarisenz.3. In geographische namen, bestaande uit een eigennaam en een bijv. nw. of bijwoord; alsGroot-Britannië,Nieuw-Holland,Noord-Brabant,West-Friesland,Beneden-Egypteenz.Bijvoegl. naamw. echter, van woorden als de hier bedoelde gevormd, worden (volgens § 48, I, 1,b) zonder koppelteeken aaneen geschreven; b. v.Noordhollandsch,Oostfrieschenz.4. In samenstellingen, waarin het eerste lid—hetzij een bijv. nw., hetzij een voornaamwoord, lidwoord of telwoord—alleen betrekking heeft op het eerste gedeelte der volgende samenstelling, en niet op dit woord in zijn geheel; alsbolvormige-driehoeksmeting,dolle-hondsbeet,klein-kinderschooltje,oude-mannenhuis,ijzeren-spoorweg,Sint-Jansdag,St.-Catharinagasthuis,Lieve-Vrouwenkerk,Mijns-Heerenland,’s-Gravenhage,’s-Hertogenbosch,de Vier-Heerenlandenenz.De verbindingsklanken tusschen de leden der samenstellingen.(Grondbeg. § 161–213).51. In de meeste samenstellingen blijft het eerste lid onverminkt; maar niet zelden neemt het een toevoegsel aan, hetwelkverbindingsklankofverbindingslettergenoemd wordt.52. Verminkingen hebben plaats:a.Bij de woorden op eene toonloozee, welke dieeook buiten de samenstelling kunnen missen; b. v. inaardbewoner,eindbesluitenz.b.Bij de woorden, die in het mv. op -erenof -ersuitgaan. Deze werpen in de samenstelling -enof -saf, als:kalvermarkt,raderwerkenz., nietkalversmarkt,raderenwerk.c.Bij werkwoorden, wier eerste lid eene zoogenaamde onbepaalde wijs is. Deze werpen denweg, b. v. inspelevaren, voorspelen varen.d.Bij de stammen opd, voorafgegaan door een helderen klinker of tweeklank, waarin eeneiofuvoorkomt, t. w.ij,ei,ui,ieenou. Deze werpen, althans in dagelijksche woorden, de d af, als inrijkunst,leiboom,luiklok,verspiejacht,houpaardje, vanrijd(en),leid(en),luid(en),verspied(en) enhoud(en).53. Deverbindingsklankenzijn -e-, -n-, -el-, -en-, -er- en -s-. In de meeste gevallen leert de uitspraak, wanneer in een woord verbindingsklanken voorkomen, en welke het zijn. Slechts in twee gevallen kan er onzekerheid bestaan, namelijk ten aanzien eenernachter eene toonloozee, b. v. inpaardemarktofpaardenmarkt; en ten aanzien eeners, wanneer het tweede lid metsofzbegint, b. v. indorpschoolofdorpsschool,varkenziekteofvarkensziekte. De spelling heeft regels te geven voor het gebruik der verbindings-nen der verbindings-s, vermits denachter de toonloozeeveelal zeer onduidelijk uitgesproken of wel geheel onderdrukt wordt, en eenesin eene volgendesofzwegsmelt.Regels voor het gebruik der verbindings-n.54. Wanneer het tweede lid eener samenstelling met een klinker of eenehaanvangt, voegt men ter vermijding van de gaping (hiatus) eenenachter de toonloozee; b. v. ingalgenaas,ganzenei,brillenhuisje,vossenholenz.Uitgezonderd zijn de samenstellingen met het onverbuigbaremede, en met die zelfst. nw., welke, gelijk bede, bode, vrede, op eene toonloozeeeindigen, die niet onderdrukt kan worden; b. v.medearbeider,bedehuis,bodeambt,vredehandelenz. Hiertoe behoort ookminnehandel, van het oudeminne, dat thansminluidt, maar in samenstellingen den ouden vorm behoudt, alsminnebrief,minnedichtenz.55. In woorden als’s-Gravendeel,’s-Gravenhage,’s-Gravenland,’s-Heerenberg,’s-Hertogenbosch,Mijns-Heerenland,Prinsenhage, behoort eenenals teeken van den 2dennv.56. Wanneer het eerste lidnoodwendigde voorstelling van een meervoud medebrengt, dan wordt achter eene toonloozeeeenengevoegd als teeken van het meervoud; b. v. inboekenkast,brievenbesteller,brillenslijper,dievenbende,hoedenmaker,kaarsenmakerij,stoelendraaierenz.57. Wanneer het eerste lidnoodwendigeen enkelvoud voorstelt, schrijft men het woord zondern, behalve in die gevallen, waarin deze letter, volgens § 54, ter vermijding van den hiatus gevorderd wordt. Zoo b. v.brilleglas,bruggegeld,eendevleugel,galgebrok,mollevel,paardevijg,speldeknopenz.Tot deze soort van woorden behooren mede de samenstellingen op -boom, wier eerste lid ook op zich zelf als de benaming van den boom gebezigd wordt: b. v.berkeboom,beukeboom,eikeboomenz.Ingalgenaas,eendenei,duivenoog,brillenhuisje,bruggenhoofdenz., kan den, wegens de volgende klinkers ofh’sniet gemist worden, ofschoon het eerste lid enkelvoudig is. Evenmin dus ook inberkenhout,eikenhoutenz.58. In woorden, het dagelijksch leven betreffende, wordt geeneningevoegd, wanneer de beteekenis de gedachte aan een enkelvoud maar eenigszins toelaat; dus niet inflesschebakje,hondeketting,pennemes,pijpedop,hoededoosenz.—Wanneer echter het enkelvoud geheel tegen de natuurlijke opvatting aandruischt, is ook in zulke woorden de meervoudsvorm metnonvermijdelijk, b. v. inflesschenrek,hondenkoopman,pennenkoker,speldenkussen,speldenwerk,takkenbosenz.59. Woorden, wier eerste lid een persoonsnaam is, die zekeren stand in de maatschappij uitdrukt, en het mv. uitsluitend met -envormt, alsboer(boeren),heer,slaaf,vrouwenz., eischen den meervoudsvorm opn; b. v.boerendochter,heerenknecht,slavendienst,vorstentelg,vrouwenkleedenz.60. Woorden, wier eerste lid een manlijke diernaam is, die geene samenstellingen metsvormt, nemen eenenals teeken van het meerv. aan, wanneer zijgewoonlijkgebezigd worden in eene beteekenis, waarbij men aan het geheele geslacht denkt; b. v.apengezicht,berenjong,drakenbloed,hazenlip,leeuwenwelpenz.61. De samengestelde namen van planten, wier eerste lid een diernaam is, zijn in twee soorten te onderscheiden. Zij zijn óf namen van lichaamsdeelen, alsganzetong; óf zij geven te kennen, dat de plant tot de diersoort in eenige betrekking staat, als slangenwortel. In het eerste geval staat de diernaam in het enkelvoud, b. v. inkattestaart,slangekop; in het laatste in het meervoud, b. v. inkattendoorn,slangenkruid.62. De samengestelde namen op -boom, wier eerste lid de vrucht aanduidt die de boom oplevert, of de bloem die hij voortbrengt, hebben het eerste lid in den enkelvoudsvorm; b. v.kerseboom,kastanjeboom,rozeboom,seringeboomenz.63. De woorden, wier eerste lidstellignu eens op een enkel- dan op een meervoud ziet, hebben twee vormen, den eenen zonder, den anderen met den, naar gelang der omstandigheden; b. v.ossevleeschenossenvleesch,gemzelederengemzenleder,paardestalenpaardenstal. In twijfelachtige gevallen kiest men dien vorm, die het meest te pas komt; b. v.ossevleesch, maarpaardenstal.64. Wanneer eene samenstelling in haar geheel een zelfst. nw. is, dat uit een bijvoeglijk woord en een zelfst. nw. bestaat, alshoogepriester,zoutevisch,roodekool,eenhoorn, dan wordt het bijvoegl. woord gedacht in den 1stennv. te staan en blijft den vorm van dien nv. onveranderlijk behouden. Zoo zegt men b. v. niet alleende hoogepriester,de eenhoorn, maar ookdes hoogepriesters,den eenhoornenz.65. Wanneer het laatste lid eener samenstelling een zelfst. nw., maar het geheele woord een bij- of voegwoord is, dan staat de geheele uitdrukking in den 2denof in den 4dennv., en heeft het eerste lid den vorm, dien geslacht en naamval vereischen. Zoo b. v.grootendeels(2denv. onz.),dewijl(4denv. vrouwel.).Regels voor het gebruik der verbindings-s.66. De verbindings-swordt als teeken van den 2dennv. niet alleen gevoegd achter manl. en onz. woorden, b. v. inbakkersnering,dorpsherberg, maar ook achter vrouwelijke, als instadsbestuur,zielsverdriet,vriendschapsbetoon. In woorden, wier tweede lid metsofzbegint, wordt zij ingelascht, wanneer ook de overige samenstellingen, waarin het eerste lid voorkomt, ontwijfelbaar eeneshebben. Zoo leeren b. v.krijgsmansdeugd,krijgsmanseed,krijgsmanseer,dorpsherberg,dorpshuis,dorpsleeraar,stadsmuur,stadswal,waarheidsliefdeenz., dat men ook eenesheeft te voegen inkrijgsmansstand,dorpsschool,stadszegel,waarheidszuchtenz.67. De woorden, wier eerste lid op -iereindigt en de beteekenis van een meerv. heeft, of een geheelen stand vertegenwoordigt, lasschen desin als teeken van het meervoud; b. v.officierssabel,onderofficiersstrepenenz.De bastaardwoorden.(Grondbeg.§ 214–256).68. De vreemde woorden, die bij ons in gebruik zijn, moeten tot drie klassen gebracht worden. De eerste klasse bestaat uit dezulke, die hun vreemden vorm geheel hebben afgelegd en, in klemtoon zoowel als in klank, aan echt Nederlandsche gelijk zijn geworden; b. v.ark,beest,bijbel,keten,bisschop,luipaardenz.—De tweede bestaat uit woorden, waaraan niets veranderd is, zoodat zij door ons juist of nagenoeg zoo als in de vreemde taal worden uitgesproken; b. v.facto,incognito,cadeau,souspiedenz.—De derde omvat die woorden, welke in de uitspraak wijzigingen hebben ondergaan, die niet voldoende waren om hun het uitheemsch voorkomen geheel te benemen; b. v.advocaat,officier,president,resolutie,sigaarenz., die ieder op het gehoor af als vreemdelingen herkent. De zoodanige behooren als ’t ware tot twee talen en heeten daarombastaardwoorden.69. De wijzigingen, waardoor vreemde woorden in bastaardwoorden overgegaan zijn, bepalen zich doorgaans tot de uitgangen. Deze zijn óf geheel aan Nederl. uitgangen gelijk geworden, b. v. inarti-kel(arti-culus), óf zij hebben nog altijd een vreemd karakter behouden, maar worden, overeenkomstig de gewijzigde uitspraak, volgens de Nederl. spelregels geschreven; b. v.majesteit(majestat-is). Door zulke gedeeltelijke veranderingen aan het einde der woorden zijn de zoogenaamdebastaarduitgangenontstaan, als -age, -aat, -eeren, -ier, -ij, -ijnenz.70. De uitgang -agewerd, overeenkomstig de vroegere uitspraakaadzje, in de gebruikelijke spelling metdj(-aadje) geschreven. Nu deze spelling niet meer aan de uitspraak beantwoordt, hebben wij ons verplicht gerekend dedjte vervangen door deg, en zoodoende de woorden alsbagage,kijvage,pelgrimage,slijtage,stoffageenz. in overeenstemming te brengen met de gewone spelling vanmanege,logement,gelei,genie,horlogeenz.71. De woorden der eerste klasse worden geheel op Nederl. wijze geschreven; alsgroep,troep,kleur,klooster,koor,sier,singel,troonenz. Uitgezonderd zijn:cedel(ceêl),ceder,cel,cent,cijfer,cijnsencirkel, die men steeds metcheeft geschreven, en die metsgespeld niet terstond zouden herkend worden.Cel,centencirkelblijven hunne vreemde herkomst verraden door de onnederlandsch klinkende afleidsels cellulair,centesimaal,circulaire,circulatie;—cijferdoor zijnef, die invhad moeten overgaan om aan het woord geheel het voorkomen der Nederl. woordendrijver,ijver,kijverenz. te geven.72. De woorden der tweede klasse behouden hunne oorspronkelijke spelling; b. v.bougie,cadeau,catalogus,museum,savoir-vivre,vaudevilleenz. Wanneer zij in de verbuiging een Nederl. uitgang aannemen, alscadeau’s(cadeaux),catalogen(catalogi),museën(nevensmusea) enz., dan behooren zulke vormen tot de bastaardwoorden.73. De woorden der derde klasse, debastaardwoorden, moeten wederom in twee soorten onderscheiden worden. De eerste omvat die woorden,welke alleen in gebruik zijn bij hen, die de vreemde talen kennen; de tweede de dagelijksche woorden, bij lieden van allerlei stand in zwang.74. Tot de eerste soort behooren de benamingen der voorwerpen van weelde, de uitdrukkingen van begrippen, alleen onder meer beschaafden gangbaar, en bepaaldelijk de termen, uitsluitend gebruikelijk in wetenschappen of in kunsten en beroepen, die eene wetenschappelijke opleiding vereischen; alsdejeuneeren,disputeeren,receptie,candelaber,lorgnet,categorie,syllogisme,scrupel,lancet,tachygraafenz.75. Ten aanzien der woorden dezer klasse hebben wij ons den volgenden regel gesteld:Bastaardwoorden, ontleend uit talen die hetzelfde letterschrift bezigen als het Nederlandsch, worden op de oorspronkelijke wijze geschreven, voor zooverre hunne uitspraak onveranderd gebleven is. Waar deze is gewijzigd en de oorspronkelijke spelling tot eene ongewone uitspraak aanleiding zou geven, wordt de spelling zooveel noodig op Nederl. wijze veranderd. Zoo wordt b. v.executiobij onsexecutie,decanus—decaan,république—republiek,souverain—souvereinenz.76. Woorden, ontleend uit het Grieksch, dat een ander letterschrift heeft dan onze taal, worden op Latijnsche wijze uitgesproken, en daarom door ons, volgens oud gebruik, op Latijnsche wijze geschreven, met inachtneming evenwel van den regel, in de vorige § gesteld. Wij spellen derhalve:logica,physica,hypotenusa; doch, met verandering der uitgangen:synode(synodus),categorie(categoria),geographie(geographia) enz.77. De tweede soort bestaat uit de namen van zaken, voorkomende in allerlei beroepen en ambachten, en uitdrukkingen van denkbeelden, aan alle standen eigen; b. v.penseel,vermiljoen,stukadoor,karkas,karakter,kapitaal,kastelein,kwartierenz.78. Op de woorden dezer soort—die meest in de uitspraak eene veel sterkere verandering hebben ondergaan—is de vorige regel niet meer toepasselijk; het gebruik schrijft ze, zooveel doenlijk, op Nederlandsche wijze, b. v.komfoort(schoenmakersterm, fr.contrefort),penseel(penicillum),travalje(hoefstal, fr.travail),biljart(billard),biljet(billet),kapittel(capitulum),kasteel(castellum),sigaar(cigarro),sjees(chaise) enz.79. Niet alle tot deze soort behoorende woorden echter kunnen op Nederlandsche wijze gespeld worden; b. v. niethorloge,diligence,machine. De spellingenhorlozjeofhorloozje,dilizjanse,masjineofmaasjinezouden al te wanstaltig zijn en toch de juiste uitspraak niet voorstellen. In zulke woorden moet de vreemde spelling—en wel geheel en al—behouden worden:diligence,machine,chocoladeenz., nietdiligense,machiene,chokolade, welke noodelooze vermenging van tweeërlei orthographie tegen den goeden smaak zou aandruischen.80. Tot deze soort moeten twee bepaalde klassen van woorden gebracht worden, namelijk:a.Die vreemde woorden, welke ten onzent eene beteekenis hebben aangenomen, die hun in de vreemde taal niet eigen was. Dezulke behooren op Nederl. wijze geschreven te worden, ofschoon zij; in de oorspronkelijke beteekenis gebezigd wordende, de vreemde spelling geheel of gedeeltelijk behouden. Hiertoe zijn te brengen:dokterin den zin van geneeskundige, nevens doctor als titel;komedie(schouwburg) nevenscomedie(blijspel);kommies(beambte bij de belastingen, fr.douanier), nevenscommies(ambtenaar aan een ministerie of bij de posterijen, fr.commis);lokaal(vertrek, zaal) nevens het bijv. nw.locaal(plaatselijk) enz.b.De vreemde woorden, bij de dichters in gebruik, b. v.nimf,porfier,saffier,zéfirofzefíerenz. De poëzie, uit haren aard afkeerig van vreemdewoorden en vormen, heeft de genoemde en dergelijke vreemdelingen, ofschoon zij tot eene hoogere klasse van denkbeelden behooren, sinds lang in Nederlandsch gewaad populair gemaakt.81. Behalve de vreemde woorden, in de vorige § onderabedoeld, zijn er nog andere van Latijnschen of Griekschen oorsprong, die op tweeërlei wijze geschreven worden; t. w. dezulke, die onder twee vormen tot ons zijn gekomen, de eene rechtstreeks uit het Latijn of Grieksch, de andere middellijk, door tusschenkomst van het Fransch. De Latijnsche of Grieksche vorm is dan de meer wetenschappelijke of deftige, de Fransche de gewone en dagelijksche. Hiertoe behooren b. v.praesens(tegenwoordige tijd) enpresent(tegenwoordig),subject(onderwerp) ensujet(in de uitdrukkingeen gemeen sujet),familie(Lat. familia) en het gemeenzamefamielje(Fr.famille),dioeceseendiocese,nummerennommer,oeconomieeneconomie,praeparatenenpreparatieven,fundamentenfondement,secundeenseconde.82. De door ons aangenomen regels voor het schrijven der vreemde en bastaardwoorden zijn geheel in overeenstemming met de heerschende richting in ons spellingstelsel, waarin zich overal het streven openbaart om de uitspraak juist voor te stellen en de afleiding te doen uitkomen, voor zooverre deze het recht verstand der woorden kan bevorderen. Beide, de uitspraak en de afleiding der vreemde woorden, kunnen natuurlijk slechts door de oorspronkelijke spelling in het licht worden gesteld; doch, waar de uitspraak te zeer gewijzigd is en de kennis der etymologie geen nut kan doen, zou de oorspronkelijke spelling veeleer nadeelig werken, en is dus het volgen der Nederl. regels het rationeelst. Ook het erkennen van twee vormen nevens elkander is eene eigenschap van het Nederlandsch, dat een groot aantal woorden bezit, die twee, sommige zelfs drie vormen hebben, welke òf in gewijzigde beteekenissen òf in verschillende stijlsoorten gebruikelijk zijn. Men denke hier aanhet koord, met zorg vervaardigd touw,de koordder koordedansers, ende koordein de meetkunst; aanhet uurende ure, aande zielende ziele, aankleedenenkleederen, aanvolkenenvolkerenenz.83. De hier voorgedragene spelling is bovendien voor hen, die zich het meest van vreemde en bastaardwoorden bedienen, namelijk voor allen, die de vreemde talen kennen, buiten tegenspraak de gemakkelijkste, vermits zij hen niet noodzaakt zich nog eene derde, afzonderlijke spelling eigen te maken, die zoowel van de vreemde als van de Nederlandsche verschilt. De eenige moeilijkheid, die zij ook voor dezulken heeft, is te bepalen of een bastaardwoord tot de eerste, dan wel tot de tweede soort gebracht moet worden. Intusschen is die zwarigheid niet zoo groot, als zij schijnt. Het aantal woorden, waarbij men werkelijk in twijfel kan staan, is betrekkelijk gering; en de vraag, die zich bij elk dier woorden voordoet, betreft niet nu deze, dan eene andere bijzonderheid, maar luidt onveranderlijk:is het woord in gebruik bij het algemeen, of slechts in bepaalde kringen?Heeft men die vraag beantwoord, dan is de spelling door de regels in§ 75–80gegeven. In de weinige werkelijk twijfelachtige gevallen, waarin het antwoord van den tact des schrijvers afhangt, zal de beslissing niet bij ieder dezelfde zijn: de een zal een woord volgens den regel in§ 75, de ander volgens den regel in§ 78behandelen, hetgeen dan twee verschillende spellingen van hetzelfde woord ten gevolge heeft. Doch niemand kan hierin eene groote ramp zien, wanneer men bedenkt, dat geene der beide schrijfwijzen, zoo slechts de regels goed zijn toegepast, eene taalfout heeten of tot andere verkeerdheden leiden kan.84. Een ander bezwaar, namelijk dat niet allen, die zich van woordender eerste soort bedienen, de oorspronkelijke talen (meestal het Fransch, Latijn of Grieksch) verstaan, zoodat er steeds zullen gevonden worden die tot een woordenboek hunne toevlucht moeten nemen, drukt evenzeer op het stelsel dergenen, die de vreemde woorden meer op Nederl. wijze willen gespeld hebben, en b. v.fyzika,kritikus,katheder,kataloogenz. schrijven. Ook dezen moeten evengoed de vreemde talen kennen of eene woordenlijst raadplegen om te weten, dat—volgens hun stelsel—fyzikaeeney, maarkritikusgewonei’s, datkathedereeneth, maarkataloogeenethebben moet.85. Is het bedoelde stelsel1Zie vooral M. (J. A. Alberdingk Thijm),Over de Spelling van de Bastaartwoorden. Amsterd.1843.niet in staat om de moeilijkheid weg te ruimen, voor welker opheffing het juist opzettelijk is uitgedacht, het bezwaar in§ 83vermeld is daarin veel grooter dan bij het onze. Dat stelsel toch past zijne regels niet slechts toe op bastaardwoorden, maar ook op geheel ongewijzigd overgenomen vreemde woorden, wier klank door de Nederl. spelling meer of minder juist kan voorgesteld worden. Men gaat daarbij echter geheel inconsequent te werk en laat sommige, waarop de regels streng genomen zeer wel toepasselijk zouden zijn, geheel onveranderd, zonder eene grens te kunnen aanduiden, waar de vreemde spelling ophouden en de Nederlandsche beginnen moet. Zoo schrijft menbotanikus,kritikus,logika,kreion,portefeulië,kompanion, maar, geheel op Fransche wijze:bouillon,bouilli,eau de Cologne,entrepot,coup d’état,bordeaux(wijn), terwijl het stelsel volstrektodekolonje,antrepo,koedetaofkoedeeta,bordoeischt: spellingen, die de uitspraak zeker niet minder juist zouden voorstellen dankonsinië,sinialement,viniët,broeliëeren,akkeuliëeren, gelijk sommigen willen, die vanconsigne,signalement,vignet,brouilleeren,accueilleeren. Er is voor dergelijke uitzonderingen geene andere reden te bedenken, dan dat de aangevoerde en meer zulke woorden, op Nederl. wijze geschreven, een al te gedrochtelijk voorkomen zouden hebben. Wij hebben gemeend een stelsel niet te mogen aannemen, dat voor zijne eigene toepassing terugdeinst en daarmede zich zelf veroordeelt, en dat, consequent gevolgd, tot spellingen alssoepjee(souspied),swarree(soirée),koeduilj(coup d’oeil) enz. brengt, gelijk het reeds het niet zeer fraai klinkendeekwipaadjeheeft doen ontstaan.86. Daar men—en onzes inziens te recht—alle noodelooze inconsequentiën veroordeelt, en prijs stelt op regelmaat in alles, wat—gelijk de spelling eener taal—op den naam vanstelselaanspraak moet kunnen maken, mogen wij geene vormen goedkeuren alsfyzika(physica), waarin de Nederl.fenzplaats nemen naast de Gr.y, of alskatalogus(catalogus), waar de Lat. uitgangusin strijd is met de Gr. of Nederl.k. Schrijfwijzen, die twee of drie verschillende spellingen, zonder noodzaak en zonder eenig nut, op de willekeurigste wijze vermengen, kunnen niet ordelijk en regelmatig heeten. Wij behouden daarom niet slechts de Gr.theny, maar ook dec,senph, waar de Latijnsch-Grieksche spelling die letterteekens medebrengt. Dat dephaanleiding kan geven tot eene verkeerde uitspraak bij minkundigen, geeft dezen het recht niet om te eischen dat de geheele natie te hunnen gerieve inconsequent zal handelen. Een onkundige mogebedelenoflegerenuitspreken alsof erbedeelenenlegeerengeschreven stond, ofbévingenmetbevìngenverwarren; maar die mogelijke vergissing van lieden, wier kennis zoo gebrekkig is, kan voor de taal geene reden zijn om haar spellingstelsel te veranderen, dat zij eenmaal op goede gronden heeft aangenomen.Het verdeelen der woorden in lettergrepen.(Grondbeg.§ 257–270).87. De spelling heeft ook het antwoord te geven op de vraag, tot welke lettergreep bij het afbreken van een woord de tusschenletters moetengerekendworden, tot de voorgaande of tot de volgende. Te dien aanzien hebben wij de volgende regels aangenomen:1. In samengestelde woorden blijft iedere letter in het woord, waartoe zij behoort; men breekt derhalve dus af:kwab-aal,eer-ambt,mein-eedig,door-een,elk-anderenz.Woorden met voorvoegsels, alsbe-,ge-,her- enz., en die met de achtervoegsels -aarden -achtig, welke eigenlijk samenstellingen zijn, worden als samengestelde woorden behandeld. Men breekt dus af:be-kleeden,her-overen,blauw-achtig,wreed-aardenz., met uitzondering vangrijn-zaardenvein-zaard: vergel. § 33.2. Bij afgeleide woorden met achtervoegsels, die met éénen of meer medeklinkers beginnen, wordt het geheele achtervoegsel afgescheiden; b. v.lief-de,hoog-ste,gedwee-ste,mee-ste,bak-ster,vlee-schelijkenz. Ter wille van de uitspraak moetennaas-teenbes-teworden uitgezonderd.Ook detenp, die in de verkleinwoorden voor den uitgang -jegevoegd worden, en evenzoo desvoor -kenof -ke, behooren bij deze achtervoegsels te blijven. Men breekt derhalve dus af:stoel-tje,boon-tje,boom-pje,penning-ske,jong-skeenz.3. In gevallen, die niet tot een der behandelde te brengen zijn, gaat men naar de volgende voorschriften te werk:a.Eene alleenstaande tusschenletter behoort tot de volgende lettergreep; b. v. indee-len,ne-men,la-chen,li-chaam.b.Van twee tusschenletters behoort de eerste tot de voorgaande, de tweede tot de volgende lettergreep; b. v. inber-gen,lan-den,gan-zenenz., en zoo ook bijnginlan-ger,bren-gen,zin-gen.c.Van drie en vier tusschenletters behooren er zooveel tot de volgende lettergreep, als zich gezamenlijk aan het begin van een woord gemakkelijk laten uitspreken. Men breke volgens dezen regel dus af:vor-sten,kor-stig,ven-sterenz.; maaramb-ten,erw-ten,art-sen,koort-senenz.d.In vreemde woorden en eigennamen gaat men naar de uitspraak te werk, b. v. inle-proos,A-driaanenz.Het gebruik der hoofdletters.88. De hoofdletters of kapitale letters dienen om een woord van andere te onderscheiden en den lezer te waarschuwen, dat het tot eene bijzondere soort behoort. Zij worden daarom gebezigd om een woord te kenmerken als een eigennaam of daarmede gelijkstaande, of als het eerste eener reeks van woorden, die òf niet òf minder nauw met het voorafgaande samenhangen. Hieruit vloeien de volgende bijzondere regels voort:89. Men schrijft met hoofdletters:1. Het eerste woord van elken volzin en, in poëzie, van elken dichtregel.2. Alle eigennamen van personen, alsAlbert,Arend,Rubens,Wolfenz.Wanneer zij uit de vereeniging van twee woorden bestaan, dan wordt ieder hoofddeel met eene kapitale letter geschreven; b. v.Jan Steen,De Witt,Ter Horst,Van Erpenz.Bij namen, die uit drie deelen bestaan, van welke het eerste een voorzetselen het tweede een lidwoord is, behoudt het middelste de kleine letter, alsVan den Berg,Van der Horst,Van de Wall,Op den Heuvelenz.Ook de bijv. nw., als toenamen achter eigennamen gevoegd, hebben eene hoofdletter; b. v.Alexander de Groote,Karel de Vijfde.3. Alle geographische eigennamen, alsItalië,Alkmaar,de Rijn,de Vesuviusenz. Zijn zij samengesteld, dan krijgt ook bij deze ieder hoofddeel eene kapitale letter; alsNieuw-Holland,Noord-Brabant,de Middellandsche Zee,de Kust van Guineaenz.4. De namen van maanden en van week- en feestdagen, alsJanuari,Maandag,Kerstmis,Paschen,Allerheiligen,St.-Pieterenz.5. De gemeene zelfstandige naamwoorden die als eigene gebezigd worden. Dit heeft plaats:a.Met persoonsnamen, wanneer zonder nadere aanduiding alleen uit de omstandigheden moet blijken, welke persoon bepaaldelijk bedoeld wordt; b. v. in uitdrukkingen als:de Koning(namelijk der Nederlanden);de Burgemeester(der plaats, waar de schrijver zich bevindt), enz.Dit is natuurlijk ook van toepassing op bijvoegl. woorden, die als zelfst. nw. gebezigd worden, en in hetzelfde geval verkeeren; b. v.de Booze,de overzetting der Zeventigen.b.Met benamingen van zaken, wanneer zij iets aanduiden, dat in de rhetorischeapostropheaangesproken en dus als een persoon voorgesteld wordt; b. v. in uitdrukkingen als:U roep ik geenszins aan, Verbeelding! Gij, strenge Waarheid, gij alleen spoort me aan tot zingen.6. Ieder hoofdwoord in titels, als:de Heer A,Mijnheer,Mevrouw,Mijne Heeren,Dames,Weledelgestrenge Heer,de Staten-Generaal,de Hooge Raad,het Hof van Cassatieenz.7. De bijv. nw. van eigennamen afgeleid, alsAmsterdamsch,Groningsch,Engelsch,Russischenz.; evenzoo wanneer zulke woorden, als zelfst. nw. gebezigd, eene taal of een tongval beteekenen:het Engelsch,het Groningsch.Het sedert eenigen tijd—in navolging van andere talen—opkomende gebruik om bijv. nw. alsEngelsch,Fransch,Duitschenz. met kleine letter te schrijven, is volstrekt niet aan te bevelen. Het doel der kapitale letter is den lezer te waarschuwen, dat het woord niet een gewoon naamwoord, maar een eigennaam is, en daardoor alle mogelijke verwarring te voorkomen. Die aanwijzing is bij de bijv. nw. even noodzakelijk als bij de eigennamen zelve.8. Die woorden, die in bijzondere gevallen, door den smaak en het oordeel van den schrijver te bepalen, eene opzettelijke aanwijzing vereischen of van het overige onderscheiden moeten worden, als b. v.Hij,Hem,Zijn, van God gezegd;de Almacht;de Hemel;de Kroon;de Regeering;het Ik;in ’t Voorleden ligt het Heden, enz.Het gebruik van het samentrekkingsteeken.90. Het samentrekkingsteeken (^) dient om aan te duiden, dat eene lettergreep, ten gevolge van de uitlating eenerdtusschen twee klinkers, door de samensmelting van twee lettergrepen ontstaan is; als indaân,gebeên,gebiên,geboôn,spoên,reên, uitdaden,gebeden,gebieden,geboden,spoeden,redenen. De woorden, waarbij zulk eene samentrekking heeft plaats gehad, zijn vrij talrijk, en—althans voor het groote publiek—niet altijd gemakkelijk te herkennen. Zoo zal niet iedereen gevoelen, dat de woordengraag,kwee,kweelen,kiel(kleedingstuk),door(van een ei), samentrekkingen zijn vangradig,kwede,kwedelen,kedelofkidelendoder.Zelfs wanneer het woord nog onveranderd in gebruik is, kan de samentrekking licht onopgemerkt blijven; als bijweerlichtenuitwederlichten(hd.wetterleuchten), bijbuilen(bakkerw.) vanbuidel, en andere. Daar derhalve het aanduiden vanallesamentrekkingen zeer lastig zou wezen en in de meeste gevallen volstrekt geen nut zou hebben, bezigen wij het samentrekkingsteeken alleen dan, wanneer de ineensmelting van twee lettergrepen, die in den gewonen stijl niet samengetrokken worden, opzettelijk, met bewustheid, plaats heeft ten behoeve van maat, rijm of welluidendheid, als b. v.daân,leên,liên,doôn,voên,verneêrenen dergelijke ongewone vormen, bij welke de opzettelijke aanduiding der samentrekking voor de duidelijkheid wenschelijk is. Bij samentrekkingen echter alslavoorlade,meevoormede,sleevoorslede,leervoorleder,neervoorneder,veervoorveder,weervoorwederenz., die in het dagelijksch leven werkelijk zóó worden uitgesproken, achten wij het teeken geheel overtollig.1Zie vooral M. (J. A. Alberdingk Thijm),Over de Spelling van de Bastaartwoorden. Amsterd.1843.

Over de spelling.Overzicht van de regels, in zooverre zij de tot hiertoe gebruikelijke spelling wijzigen of aanvullen.1. Veelomvattende veranderingen in de spelling eener taal zijn in den beginne altijd lastig voor de schrijvenden en onaangenaam voor de lezenden, en hebben bij voortduring onvermijdelijk een nadeeligen invloed op de beoefening van de letterkunde dier taal. Wanneer een groot aantal woorden wijzigingen ondergaan hebben, dan wordt de schrijver, die aan de vroegere spelling gewoon is, onophoudelijk in zijn gedachtenloop gestuit, dewijl hij ieder oogenblik genoodzaakt is zich te bezinnen om den eenen of anderen nieuwen regel toe te passen; en de meeste lezers gevoelen een weerzin tegen hetgeen het voorkomen eener vreemde taal heeft gekregen en soms slechts met moeite begrepen wordt. Is men eenmaal aan zulk eene nieuwe spelling gewend, dan is de verhouding omgekeerd; dan schijnen allevroegeregeschriften in eene vreemde taal opgesteld te zijn, en de vorm schrikt de lezers af. Eene geheele omwenteling in de spelling graaft aldus tusschen het verledene en het toekomende eene kloof, die slechts door weinigen overschreden wordt; de vroegere literatuur, die het voedsel moet leveren voor de kennis der taal en het nationaliteitsgevoel van een volk, heeft dan voor de meesten opgehouden te bestaan.2. Om gemelde redenen hebben wij gemeend in onze schrijfwijze geene veranderingen te mogen aanbrengen van zoo wijden omvang, dat ons geheele schrift daardoor een ongewoon aanzien moest krijgen, gelijk het geval zou geweest zijn, indien wij b. v. besloten hadden allee’s eno’s in opene lettergrepen op dezelfde wijze, hetzij met één hetzij met twee letterteekens, te schrijven. Daarom hebben wij ons tot regel gesteld geene schrijfwijzen te bezigen, die volstrekt niet in gebruik waren, en zijn wij slechts ten opzichte van eenige weinige op zich zelve staande woorden, alsDinsdag,litteekenen nog enkele dergelijke, van dien stelregel afgeweken. Doch, hoewel wij het raadzaam oordeelden eenparig erkende spelregels ook tot de onze te maken, hebben wij ons toch niet verplicht gerekend tevens alle gebreken en onregelmatigheden over te nemen. Wij achtten ons integendeel gehouden om de willekeurige, op onkunde of misverstand berustende uitzonderingen te verwerpen en erkende regels, zooveel doenlijk, consequent toe te passen.—Verder bestond voor ons de onvermijdelijke noodzakelijkheid, uit twee (of meer) gebruikelijke schrijfwijzen ééne te kiezen en—wat ongetwijfeld het gewichtigste gedeelte van onze taak was—een aantal nog onbeantwoorde vragen, waaronder uiterst belangrijke die nog nooit of slechts ten deele behandeld waren, voor ons zelven te beantwoorden, en de regels, die onsdoelmatig voorkwamen, te formuleeren. Om een en ander hebben wij de grondbeginselen, die uit de natuur en de bestemming van het schrift met noodwendigheid voortvloeien, bestendig voor oogen gehouden, en daarbij de natuurwet van alle letterschrift, dat het namelijk de afbeelding der uitspraak behoort te wezen, op den voorgrond geplaatst. (ZieGrondbeginselen§ 1–72). De onbevooroordeelde zal uit de volgende beknopte opgave van hetgeen wij voor ons zelven hebben vastgesteld, kunnen zien, dat de wijzigingen in het bestaande betrekkelijk weinig in getal zijn en alle de strekking hebben om de spelling meer met de beschaafde uitspraak in overeenstemming te brengen of haar in andere opzichten regelmatiger te maken, en dat wij bij alles de doelmatigheid hebben beoogd, d.i. van schrift gesproken, duidelijkheid en voorkoming van misverstand.In het hier volgende overzicht hebben wij de gronden, waarop onze beslissing berustte, slechts even kunnen aanstippen, met verwijzing naar de § § van deGrondbeginselen der Nederlandsche spelling, waar zij breeder ontvouwd zijn.Klinkers en tweeklanken.De verdubbeling der klinkletters.3. In gesloten lettergrepen wordt de lange of heldere klank door verdubbeling van het letterteeken aangeduid:aa,ee,oo,uu; behalve bij dei, wier heldere klank met den vollen of halven klemtoon steeds doorievoorgesteld wordt. Wij schrijven daarom niet alleenbaar,beer,boor,buur, enz., maar ookeegaas,raasenvlaas, mv. van de echt Nederl. woordeneega(gade),raenvla, met eene dubbelea.—Daarentegen zijn de meeste schrijvers gewoon de heldere sluitklinkers in vreemde woorden en eigennamen, alsMaria,Hebe,Nero,acacia,echo, niet te verdubbelen, maar den tweeden klinker door het weglatingsteeken (apostrophe) te vervangen:Maria’s,Hebe’senz. Daar het verkieslijk is den vorm van vreemde woorden en in het bijzonder van eigennamen zooveel mogelijk onveranderd te laten, geven wij aan deze schrijfwijze de voorkeur boven die vanMariaas,Hebees,Neroos,echoosenz., te eer omdat men bij de woorden opi, alsGaribaldi,Rubini, toch zoo te werk gaat, en nooitGaribaldiis,Rubiniisschrijft. Wij spellen daarom den 2dennv. van het enkelv. en alle nv. van het meerv. der hier bedoelde woorden met’s:Maria’s,Hebe’s,Garibaldi’s,Nero’s,acacia’s,echo’senz. (Grondbeg.§ 90).4. Het behoeft wel geene vermelding, dat wij hier het oog niet hebben op woorden alspendule,Elize,Philippineenz., die op eene toonlooze, niet op eene heldereeuitgaan. De ’ zou daar overtollig zijn en geene weglating aanduiden; daarom schrijven wijElizes,Philippines,pendulesenz.5. De gebruikelijke onderscheiding van de zoogenaamde zachtlange en scherplangee’seno’s, met andere woorden, de verdubbeling der scherpee’seno’sin opene lettergrepen, b. v. inbeenenenboomen, nevensgevenenboven, is, o. a. om de redenen in § 2 vermeld, door ons behouden, met de volgende bepalingen, die gedeeltelijk wijzigingen zijn:1. Alle achtervoegsels, die óf altijd, óf soms den vollen klemtoon hebben, dus niet alleen -eel, en -loos, maar ook -ees, -eeschen -eerenworden steeds met den dubbelen klinker geschreven. Wij spellen derhalvehouweelen,penseelen,personeele,Chineezen,Japanneezen,Chineesche,Siameesche,waardeeren,regeeren,waardeering,regeering,goddelooze,redeloozenenz. (Grondbeg.§ 77–79).2. De aangenomen regel, dat in vreemde woorden dee’seno’s, behalve die welke in den boezem onzer eigene taal uitaienauontstaan zijn, met eene enkeleeenogeschreven worden, b. v. inlelie,menie,olie,rozenenz., wordt door ons consequent toegepast. Wij verwerpen dus de willekeurige uitzondering vankroon,troonentoon(in de muziek), en schrijven regelmatig ookkronen,tronen,tonen.Evenzoo blijven wij aan het beginsel getrouw ten aanzien van de uitzondering dero’suitau, en schrijven niet alleenmooren,poozenenz., maar ookkoozen,liefkoozen(lat.causari) metoo.3. Met dee’seno’sin samengetrokken lettergrepen handelt men veelal niet consequent. Zoo schrijft menleeman(ledeman),leeren(lederen),streelen(stregelen),gedwee(gedwede),slee(slede),oolijk(oodelijk); maar daarentegenpreken(prediken),kwelen(kwedelen),veren(vederen),kwe(kwede),doren(doderen); terwijl men ten opzichte van andere woorden, alsceelen(vancedel), het ww.onweeren(vanonweder) enz., in onzekerheid verkeert en in de woordenboeken geene aanwijzing vindt. Het is buiten twijfel raadzaam, alle dergelijke samentrekkingen meteeenoote schrijven, dewijl de dubbele letter het best geschikt is om den gerekten klank voor te stellen, die door samentrekking noodwendig ontstaat. Derhalve niet alleenleeman,leeren(lederen),streelen,gedwee,slee(slede),oolijk, maar ookpreeken,preeker,kweelen,veeren,kwee,dooren,ceelen,onweerenenz.4. Doordien de zachte en scherpee’seno’sin het Hollandsche dialect, dat in de schrijftaal den toon geeft, niet meer duidelijk onderscheiden worden, en sommige woorden ook elders niet op overeenstemmende wijze worden uitgesproken, zoo is er ten aanzien van enkele woorden onzekerheid en verwarring ontstaan, waaruit alleen de afleiding uitkomst kan geven. Bepaaldelijk bestaat die verwarring soms bij verschillende, maar nagenoeg gelijkluidende woorden. Daar nauwkeurig onderscheiden de eerste voorwaarde van juiste kennis is, hebben wij gemeend niet te mogen medewerken tot bestendiging van zulke verwarringen, en onderscheiden wij daarom niet alleenwekenenweeken,lenenenleenen,kolenenkoolen,rovenenroovenenz., maar om dezelfde redenen ookberen(verscheurende dieren) vanbeeren(varkens, waterkeeringen, muurstutten en heiblokken);delen(planken en dorschvloeren) vandeelen(gedeelten);sleepen(voorttrekken) vanslepen(gesleept worden);klooven(doen splijten) vankloven(mv. vankloofen verl. tijd vankluiven);slooven(voorschooten) vansloven(sukkels en als ww. sukkelen);tonen(in de muziek) vantoonen(werkw. en mv. vantoon=teen);zoogen(laten zuigen) vanzogen(verl. tijd vanzuigen).Hoe nuttig echter het onderscheiden van gelijkluidende woorden ook is, het mag niet op willekeur berusten, maar moet in de taal, in de afleiding gegrond zijn. Waar zulk een grondslag ontbreekt, mag men de onderscheiding alleen in gevallen van uiterste noodzakelijkheid erkennen. Zoo heeft men ten onrechte een onderscheid gemaakt tusschenkeelen(in de bouwkunde) enkelen(halzen), tusschenmeeren(een schip vastleggen) enmeren(mv. vanmeer). De taal eischt in beide gevallenmerenmet éénee, terwijlkeelin de bouwkunde, en zoo ook in de wapenkunde als benaming der roode kleur, geen ander woord is dankeel(hals), zoodat men zonder onderscheidkelente schrijven heeft. Daar eene verwarring van het ww.merenmet het mv. van (een)meer, en vankeelals bouwkundig ornament metkeelals lichaamsdeel niet te vreezen is, zoo hebben wij zonder aarzelen de grammatisch goede schrijfwijze tot de onze gemaakt.Evenzeer eischte de consequentie, met afwijking van de gebruikelijkespelling, de volgende woorden aldus te schrijven:deemoedig,deesem,eega,hoonenenvroolijk; maardwepen,hepen(handbijlen),keren(vegen),droge,drogen. Die spelling wordt door den oorspronkelijken vorm dezer woorden gebiedend voorgeschreven.6. Bij het bepalen van de natuur dere’seno’sin gevallen, waar verschil of onzekerheid bestond, hebben wij ons door de afleiding laten besturen, hetgeen door enkele beoordeelaars verkeerd is opgevat en ten onrechte voorgesteld als eene diep ingrijpende verandering, waardoor de vocaalspelling veel moeilijker zou geworden zijn. Bij eenig nadenken blijkt die voorstelling onjuist te wezen. De gebruikelijke spelling berust op het verschil in de uitspraak dere’s eno’s; en daar dit verschil een gevolg is van den ouderen vorm der woorden, moet het raadplegen der afleiding tot dezelfde uitkomsten leiden als het waarnemen der uitspraak; alleen met dit onderscheid, dat de afleiding ook beslist omtrent die woorden, bij welke de uitspraak niet beslissen kan, t. w. dezulke, wier uitspraak niet overal dezelfde is, of die niet tot de volkstaal behooren. De spelling wint dus voor den taalbeoefenaar in wetenschappelijke juistheid, terwijl voor het groote publiek de toestand dezelfde blijft, daar men bij de gebruikelijke spelling evenzeer genoodzaakt was woordenlijsten te raadplegen.Verdere regels omtrent de klinkers en tweeklanken.7.Aauofau.—De spellingflaauw,gaauwenz. vertegenwoordigt eene uitspraak, die volstrekt niet meer de algemeene is, maar in het oor der meeste beschaafde lieden hoogst onaangenaam klinkt. De meest algemeene uitspraak doet een klank hooren, die tusschenaauenouin ligt, en die in de woordendauw,kauw,heraut, reeds in de spelling erkend was. Het is juister en regelmatiger, die spelling ook in de andere woorden te volgen, enaauvoorgoed dooraute vervangen. Wij schrijven daaromblauw,flauw,gauw,nauw,nauwelijksenz. (Grondbeg.§ 74).8.Ieeni.—De lange of gerektei-klank wordt steeds doorievoorgesteld, in opene lettergrepen evenzeer als in geslotene; men schrijft zooweldie-nen,die-ren,kie-zenmetie, alsdien,dier,kies. Daarom verwerpen wij de spellingsubstanti-ven,anti-ke,Israëli-tenenz., als niet overeenstemmende metsubstantief,antiek,Israëlietenz., noch met de algemeen gebruikelijke schrijfwijzemortieren,officieren,kommiezen,valiezen, en schrijven regelmatigmotieven,substantieven,antieken,republieken,Israëlieten,Mennonietenenz. (Grondbeg.§ 82).9. Daarentegen is de klank, die doorievoorgesteld wordt, te lang en te zwaar voor toonlooze lettergrepen, om welke reden reeds de gebruikelijke spelling de enkeleiinafgodisch,Israëlitisch,predikant,muzikant, voorschreef. Wij spellen dienovereenkomstig ookhistorisch,geographisch,fabrikant,republikein,Jezuïtisme,motiveerenenz. met de enkelei, met verwerping van de bij sommigen gebruikelijke schrijfwijzehistoriesch,fabriekant,fabriekaat,Jezuietismeenz. (Grondbeg.§ 82 en 84).10. Slechts in den uitgang ie, van woorden alsbalie,linie,malie,olie,tralieenz., komt ie in eene toonlooze lettergreep voor. Het meervoud dier woorden wordt gespeld:baliën,liniën,maliënenz. (ofbalies,linies,malies). Deze spelling dagteekent uit den tijd toenienog algemeen als een tweeklankiëwerd uitgesproken, en kan dus als regelmatig beschouwd worden. Doch niet te verdedigen is de gebruikelijke spelling der meervoudenharmoniën,melodiën,reliquiën, die geheel anders klinken danbaliënenz. Wij spellen daarom de meervouden der woorden opieop twee wijzen, naargelang ie toonloos is of den klemtoon heeft, en schrijven:baliën,traliën,oliën, enz.; maarharmonieën,reliquieënenz., in overeenstemming metdrieën,knieën,tweeën,zeeën. Zoo dan ookgenieën, vangenie, in onderscheiding vangeniën, mv. vangenius. (Grondbeg.§ 83).11.Ieenij.—Deijwas oorspronkelijk eene langeien luidde vroeger algemeen, gelijk nog in sommige gewesten, alsiiofie. Toen zij denei-klank aannam, had dit ook plaats bij vreemde woorden alsbijbel,mijter,pijl,tijger,praktijk,fabrijk,kolijk,muzijkenz. Sommige dezer woorden hebben later hun vroegereni-klank hernomen, ofschoon men desniettemin voortging ze metijte schrijven. Die spelling is thans verkeerd, nu de uitspraak derijveranderd is. Daarom vervangen wij in al de laatstgenoemde woorden deijdoorie, en schrijvenfabriek,katholiek,koliek,muziek. (Grondbeg.§ 86).12. Toen de tweeklankiëin den hedendaagschen klinkerie(i) en de langeiinij(ei) overging, hadden er verschillende verwarringen plaats, en begon men ook aangerief,harmonie,poëzie,koffieenz., denij-klank te geven en dus te spellen:gerijf,harmonij,poëzij,koffijenz. Nu men van die uitspraak teruggekomen is, behoort men ook die schrijfwijze te laten varen, en overeenkomstig de ware uitspraakgerief,harmonie,poëzieenkoffie(evenalsbalieentralie) te spellen. (Grondbeg.§ 86).13. In de namen der maandenJanuarij,Februarij,Junij,Julij, bestaat een dergelijke strijd tusschen klank en letterteeken; wij schrijven daaromJanuari,Februari,Juni,Juli, in overeenstemming met de uitspraak en met de Latijnsche spellingJanuarivoorJanuariienz. (Grondbeg.§ 87).14.Eienij.—Eene dergelijke verwarring als tusschenieenijheeft bijeienijplaats gegrepen in de woordensacristijn,karwei(zaad) enmalvezei. Wij schrijven overeenkomstig de afleidingmalvezij,sacristein, nevenssacristij, enkarwij(zaad), dat in oorsprong niet minder dan in beteekenis verschilt vankarwei(werk). (Grondbeg.§ 88).15.Eeenei,ooenoi.—Men is gewoon aan deein het woordheer(leger) een klank te geven, die het naast aan den tweeklankeikomt; daarom onderscheiden wij dit woord ook door de spelling vanheerals persoonsnaam, en schrijven overeenkomstig de uitspraak:heir,heiren,heirscharen.—Ofschoon de vocaalklank inoir(erfgenaam, Fr.hoir) niet van die inoor(lichaamsdeel) verschilt, en de spelling metoiderhalve in strijd is met de uitspraak, zoo hebben wij gemeend om de doelmatigheid, d. i. hier om de duidelijkheid, de gebruikelijke onregelmatige spelling te moeten behouden in een zoo zeldzaam voorkomend woord alsoir, dat onder den vormoorniet terstond zou herkend worden. (Grondbeg.§ 91).16. De toonloozeevoor de achtervoegsels -ling, -lijken -loos.—Wanneer een der achtervoegsels -ling, -lijken -loosachter een stam gevoegd wordt, die niet uitgaat op een klinker of op eene der vloeiende lettersl,nenr, of op eene toonlooze lettergreep, dan ontstaat er in de uitspraak tusschen den stam en het achtervoegsel vanzelf eene toonloozee, die gewoonlijk ook in het schrift wordt uitgedrukt, b. v. indoopeling,goddelijk,goddeloos. Dichters—en ook prozaschrijvers—onderdrukken dieeechter niet zelden, en schrijvengodlijk,godloos, en zelfszeedlijkeneindloos, vanzedeeneinde. Het is evenwel niet raadzaam in prozastijl te dezen aanzien willekeurig te werk te gaan, dewijl zulks eene verbastering der uitspraak ten gevolge zou kunnen hebben. Wij hebben ons daarom de volgende regels gesteld:De toonloozeeblijft achterwege:1. Wanneer het grondwoord eindigt op een klinker of een tweeklank; b. v. intweeling,drieling,vrijling,kruiling,kwalijk,leelijk,oolijkenvroolijk. Invrijelijkechter kan deeniet worden gemist, die in de uitspraak altijdgehoord wordt; en nevens de regelmatige vormenmoeilijkenverfoeilijkzijn ookmoeielijkenverfoeielijkin gebruik.2. Wanneer het grondwoord eindigt op eenelofr, of wel op eenen, die voorafgegaan wordt door een helderen klinker of een tweeklank; b. v. ingroenling,billijk,begeerlijk,bekoorlijk,persoonlijk,aanzienlijk,pijnlijk,doelloos,verwaarloozenenz. Wordt dendoor een korten klinker voorafgegaan, dan zijn de beide vormen, met en zondere, even goed, b. v.manlijkenmannelijk,beminlijkenbeminnelijk. Het gebruik maakt echter onderscheid tusschenzinloos(zonder zin) enzinneloos(buiten zijne zinnen).3. Wanneer het grondwoord eindigt op eene toonlooze lettergreep, onverschillig met welken medeklinker deze sluit: b. v.adellijk,eigenlijk,geduriglijk,koninklijk,bodemloosenz.4. Wanneer het grondwoord eindigt op eeneg, die alschwordt uitgesproken; b. v. inbehaaglijk,ontzaglijk,heuglijk,genoeglijk,welvoeglijkenz. De uitlating derestrekt hier om aan degden verscherpten klank te verzekeren, en dus de spelling met de uitspraak in overeenstemming te brengen.In prozastijl is het niet raadzaam deeweg te laten achter de zachte medeklinkersb,deng(alsg, niet alschuitgesproken); b. v. niet uitonhebbelijk,dadelijk,dagelijks,degelijkenz., daar de spellingonheblijk,daadlijk,daaglijks,deeglijk, tot de verkeerde uitspraakonheplijk,daatlijk,daachlijks,deechlijkaanleiding zou geven. (Grondbeg.§ 112).Medeklinkers.De verdubbeling der medeklinkers.17. De medeklinkers worden in het midden van een woord verdubbeld, wanneer de voorafgaande klinker kort is en de lettergreep den vollen of halven klemtoon heeft; b. v. inhebben,vlaggen,dekbedden,opstellen. De regelmatigheid zou dus ook eischen, dat dechwerd verdubbeld inlachchen,lichchaam,echchoenz. Intusschen heeft deze spelling nooit ingang gevonden, en schreef men doorgaans óflagchen,ligchaam, enz., óflachen,lichaam. Het was dus noodig, uit die twee gebrekkige schrijfwijzen eene te kiezen, daar aan het invoeren der dubbelech(lachchenenz.), die eigenlijk de regelmatige spelling zou zijn, wel niet te denken valt. Van die beide gebruikelijke schrijfwijzen is die met de enkelechnog de minst onregelmatige. Daarom spellen wijlachen,echo,lichaam,richel,tichel,bochelenz. (Grondbeg.§ 95).18. Na eene toonlooze lettergreep is de verdubbeling van den medeklinker niet slechts overtollig, maar zelfs nadeelig voor de uitspraak. Men schrijftwandelen,inboezemen,regenen,beteren,zondigen; de spellingwandellen,zondiggenenz. zou tot eene verkeerde uitspraak aanleiding geven.Niet eenparig echter handelt men bij de uitgangen -ik, -eriken -it, en schrijft b. v.leeuwerikken,kievittennevensmonnikenendiemiten, ofschoon deze woorden onderling en met die op -elen, -emen, -enenen -erengelijkstaan. Het is dus raadzaam, consequent te schrijvenleeuweriken,perziken,botteriken,zwezeriken,kieviten,diemiten, en zoo ookDokkumer,Gorkumerenz. Alleen op twee woorden is deze regel niet toepasselijk, t. w. opkennissenenvonnissen, die algemeen metssgeschreven worden, naar analogie vangeheimenissen,getuigenissenenz., waarin de lettergreepnisniet toonloos is, maar den halven klemtoon heeft. Ook in het meervoud der woorden, uitgaande op -aris(Lat. -arius), wordt desverdubbeld:archivarissen,commissarissen,notarissenenz.19. Bij twee verschillende medeklinkers heeft in onze taal geene verdubbeling plaats; spellingen b. v. alskannten,stellten, zooals het Hoogduitschdie in de verbogen vormen der werkwoorden gebruikt, zijn bij ons onbekend. Slechts schijnbaar maken de woorden alswasschen,flesschen,visschen, enz. eene uitzondering. Dechis in de genoemde en alle dergelijke woorden stom geworden, zoodatwasschen,flesschen,visschenenz. eigenlijk hetzelfde is alswassen,flessen,vissen, waarin desregelmatig verdubbeld wordt. (Grondbeg.§ 96).20. Uit de drie voorgaande § § vloeit de volgende regel voort:Tusschenletters worden in vier gevallen niet verdubbeld, namelijk:1. niet achter heldere klinkers en tweeklanken; b. v. indagen,leven,blijven,huizenenz.2. niet achter toonlooze klinkers, b. v. inengelen,perziken,kievitenenz.; behalve desinkennissen,vonnissenen innotarissenenz.3. niet, wanneer er twee verschillende tusschenletters zijn, met de schijnbare uitzondering bij deschinwasschen,tusschenenz.4. niet wanneer de tusschenletter eenechis; b. v. inlachen,lichaamenz.21. Het behoeft nauwelijks vermelding, dat deze regels niet van toepassing zijn bij samengestelde en afgeleide woorden, wier deelen onverminkt behooren te blijven. Men schrijft te recht tweed’s,g’senz. inhoofddeel,waaggeld, uithoofdendeel,waagengeld; en zoo ook tweel’sinadellijkenmiddellijkvanadelenmiddel, door aanhechting van het achtervoegsel -lijk. (Grondbeg.§ 113).De halfklinkersjenw.22. Dej, welke de gebruikelijke spelling in woorden alsbaaijen,breijen,boeijen,buijenenz. invoegt, is geheel overtollig, nadeelig voor de uitspraak en strijdig met de regelmaat. Zij is overtollig, omdat de klank, dien zij moet voorstellen, vanzelf ontstaat en dus niet behoeft aangeduid te worden. Zij is nadeelig voor de uitspraak, omdat zij slechts aanleiding kan geven, dat men den bedoelden klank te sterk uitspreekt; b. v. inhooijer,leijen,strooijenten onrechte even sterk als in (een goed)hooijaar,leijonker,strooijonker. Zij strijdt met de analogie, omdat de spellingbaaijen,reijen,boeijen,luije,mooijeenz., om regelmatig te kunnen heeten, niet slechts eenejinbijjen,rijjen,pijjenenz., maar ookbaaij,reij,luij,mooijzou eischen, evenzeer als uitlooden,boegen,bloote,vroege, de spellinglood,boeg,bloot,vroegvolgt. Wij mochten dus niet aarzelen, door het weglaten der overtolligejde spelling der woorden, waarin tweeklanken opivoorkomen, in overeenstemming te brengen met den erkenden regel betreffende het spellen van de onverbogen vormen der verbuigbare woorden, en zoodoende eene nuttelooze onregelmatigheid uit onze spraakkunst weg te nemen. Wij schrijven uit dien hoofde:baaien,zaaien,breien,leien,gooien,hooien,buien,kruien,zaaier,hooier,kruier,bemoeiing,voltooiingenz., in overeenstemming metreeën,zeeën,tweeën,theeën,drieën,knieën,spieën, waarin evenzeer eene flauwejgehoord wordt. (Grondbeg.§ 92).23. De spellingverw,verwpot,verwenenz. is thans strijdig met de uitspraak, waarin dewdoorfenvvervangen is. Wij schrijven daaromverf,verfpot,verfwaren,verven,verver,ververij. (Grondbeg.§ 126).De vloeiende letterslenn.24. Reeds vanouds bestonden er een aantal samenstellingen metmiddel, alsmiddelpunt,middellinieenz. In den laatsten tijd is men begonnen ook metmiddensamen te stellen, en naastmiddeleeuwenenmiddelpuntookmiddeneeuwen,middenpuntenz. te schrijven. Daar nu de beteekenis vanmiddelenmiddenin al die woorden volkomen dezelfde is, en de eene vorm niet welluidender dan de andere klinkt, bestaat er geene reden om nu zus dan zoo te schrijven. Wij spellen daarom consequent:middeleeuwen,middelevenredig,middelpunt,Middelnederlandschenz., in overeenstemming metmiddeldeur,middellandsch,middellijf,middellijn,middelmaat,middelmatig,middelmuur,middelpad,middelschot,middelsoort,middelstandenz., waarin men nooitmiddenaantreft. (Grondbeg.§ 114).25. Het manl. achtervoegsel -ing(zieGesl.§ 54) wisselde oudtijds af met den uitgang -ig, die nog inhonigvoorkomt. De vormhoning, die in de spreektaal de gebruikelijkste is, heeft dus evenveel recht van bestaan alshonig. Daarom achten wij ons verplicht beide vormen, zoowelhoning,honingratenenz., alshonig,honigratenenz., te erkennen.26. De spelling der verkleinwoorden met eenen, als:boekjen,huisjen,kopjen,schoteltjen,boekjens,huisjens,kopjens,schoteltjens,stilletjens,zachtjens, is strijdig met de beschaafde uitspraak niet alleen, maar ook met de meeste dialecten. Wij schrijven daarom overeenkomstig de meest algemeene uitspraak:bankje,boekje,bloempje,huisje,kopje,stilletjes,warmpjes,zachtjes,zoetjesenz. zondern.Anders is het gelegen met de verkleinwoorden op -kenof -ke. Deze zijn verouderd en worden alleen nog in den kanselstijl en in sommige dialecten gebezigd, en dan meestal metnuitgesproken. Wij schrijven om die redenkindeken,jongsken,dochterkenenz., te meer daar de beschaafde uitspraak denvolstrekt eischt inallengskensenzachtkens. In gemeenzamen stijl evenwel, waar -kenstijf zou klinken, zien wij geen bezwaar inboekske,penningskeenz. (Grondbeg.§ 119).De keellettersg, chenk.27. De geadspireerde keelklank, gevolgd door eenet, die tot dezelfde lettergreep behoort, wordt, zonder op de afleiding te letten, overeenkomstig de uitspraak, metchgeschreven, b. v. inacht,biecht,dracht,gewicht,gezicht,jacht,klacht,lucht,nacht,plecht,plechtig,plicht,recht,rechter,richten,slecht,tocht,vlucht,zuchtenz., en zoo ook ingeslachtenlicht, in alle beteekenissen, niettegenstaande een aantal der genoemde woorden van stammen metgzijn gevormd, alsdracht,jacht,klachtenz. vandragen,jagen,klagen.Daarentegen blijft degin de regelmatige vervoeging der werkwoorden, wier stam opgeindigt, en in de zelfst. nw. door achtervoeging van -tegevormd van bijvoegl. nw. opg; b. v. indraagt,jaagt,klaagt,pleegt,weegt,ligt(vanliggen),zoogt,zuigtenz., en inlaagte,leegte,droogte,hoogte,vroegte,ruigte,menigteenz., waarin detsteeds tot de volgende lettergreep te behoort.De onvolm. verledene tijden der onregelmatige werkw.brengen,mogenenplegenbehooren metchte worden gespeld:bracht,brachten,mocht,mochten,placht,plachten, en zoo ook het verl. deelw.gebracht; dewijl detdaarin in alle vormen blijft. Daarentegen behoort menbrengt,moogt,pleegtmetgte schrijven, omdat detniet wordt aangetroffen in de overige vormen van den tegenw. tijd:breng,brengen,mag,mogen,pleeg,plegen.Evenzoo is de spellingAagtenaagtappelregelmatig, dewijl detin deze verkorte vormen slechts toevallig op degvolgt, maar er in denonverminktenvormAgathadoor eeneavan gescheiden is.Het opvolgen dezer regels maakt een einde aan eene der lastigste onderscheidingen, die de gebruikelijke spelling met zich bracht, en aan de willekeur, die daarbij heerschte. Zoo schreef zij o. a.ligtenregtvoor, ofschoon die woorden niet in verband staan met eenig woord, waarin eenegvoorkomt.Daarentegen gaf zij aangeslacht,tucht,tuchtigendech, hoewel deze woorden metslagentoog,togensamenhangen. (Grondbeg.§ 94).28. Onzeghad oudtijds denzelfden klank als de Franschegingrand,garde, en was dus toen eene zachtek, gelijk zij thans eene zachtechkan genoemd worden. Wanneer zij als sluitletter door eenenwordt voorafgegaan, b. v. intang,ring, dan heeft zij nog een zweem van haar vroegeren klank behouden en gaat dientengevolge alsdan dikwijls over ink, b. v. inkoninklijkvankoning,aanvankelijkvanaanvangen,jonkheervanjongenz. Het is daarom strijdig met ons taaleigen, aan eene sluitendeg, door eenenvoorafgegaan, den klank eener zachtechte geven, en haar intang,tangen,ding,dingen, enz. zóó uit te spreken als inaangaan,ingetogen,ongelukkigenz. Daarom vervangen wijngdoornkin al die gevallen, waarin de spelling metngmeer bijzonder tot de verkeerde uitspraak aanleiding kan geven, namelijk inkoninkrijk,jonkheid,lankmoedig, en in de verkleinwoorden op -je, gevormd van woorden op -ing, wanneer deze lettergreep toonloos is, als inkoninkje,woninkje,rottinkje,kettinkjeenz.Wanneer -ingdoor eene toonlooze lettergreep wordt voorafgegaan en dus zelf den halven klemtoon heeft, gelijk b. v. inwandeling,teekening, dan wordt het verkleinwoord door aanhechting van -etjegevormd:wandelingetje,teekeningetjeenz., evenalstangetje,ringetje,tongetjeenz. (Grondbeg.§ 98).29. Sedert dechachter desin het midden en aan het einde der woorden stom geworden is, b. v. intusschen,menschen,disch,vischenz., heeft men haar ingelascht in sommige woorden, waar zij door de afleiding niet gevorderd wordt. In bijv. nw. alsgansch,heeschen andere is zulks eenigermate te rechtvaardigen (Grondbeg.§ 123), maar niet bijtorschen, waarin dechvolstrekt geen nut doet en met de afleiding strijdt. Wij spellen daaromtorsenzonderch.30. Ten behoeve der duidelijkheid blijven wij, evenals in de gebruikelijke spelling geschiedt,nog(daarenboven, tot nu toe) vannoch(ook niet) onderscheiden, ofschoon ook het eerstgenoemde woord volgens de afleiding eenechbehoorde te hebben. Innochtansechter, ofschoon uitnog dansamengesteld, geven wij de voorkeur aan dech, vermits wel deze scherpe keelletter, maar niet de zachteg, den overgang derdvandanin detvantansheeft kunnen veroorzaken, en het woord voor ons gevoel eene eenheid geworden is, waarbij aan de samenstellende deelen niet meer gedacht wordt, zoodat hier alleen de uitspraak behoort gevolgd te worden.31. De gebruikelijke spellingDingsdagberust op eene bedorven uitspraak, en maakt van den derden dag der week ten onrechte eendag der (rechts)gedingen. Daar de betere uitspraakDinsdagop vele plaatsen nog in gebruik is, hebben wij gemeend dezen minder verbasterden vorm te moeten verkiezen. Wij schrijven derhalveDinsdag, want het woord is eigenlijk Diesdag, d. i. aan den oorlogsgodDieofDiugewijd, met ingelaschten, gelijk inkinkhoestuitkiekhoest. (Grondbeg.§ 128).De tonglettersdent.32. Wanneer desdoor eene tongletter wordt voorafgegaan, dan is deze de scherpet; uitgezonderd in den 2dennv. der woorden opd, en in de bijvoegl. nw. en bijwoorden, door aanhechting vanschensvan woorden opdgevormd; en eindelijk inloods(in de beide beteekenissen), ingidsensmidse. Ingevolge dezen regel, die op de uitspraak en de afleiding gegrond is, schrijven wij niet alleentrots,scherts,plaats,rotsenz. mett, maar ookgutsvangieten;knotsvanknotten;rits,ritsig, verwant metwrijten;gutsen, uit het ouderegussenvervormd, enritselenvan onzekere afleiding. Daarentegen metd:Gods,des kinds,des bloeds,goedsmoeds,steedschensteeds,gindschengindsvangind(er). (Grondbeg.§ 99).33. De woorden op -aardbestaan eigenlijk uit het bijv. nw.hard, gevoegd achter een bijv. of zelfst. nw. Zoo zijn b. v.bloodaard,grijsaard,gulzigaard, gevormd van de bijv. nw.blood,grijs,gulzig, enbankaardvan het znw.bank. Die woorden behooren dus met dedvanhardgeschreven te worden: en daar zij oorspronkelijk samenstellingen zijn, laat het gebruik te recht het grondwoord onveranderd en schrijftlafaard,grijsaard, nietlaffaard,grijzaard.Grijnzaardenveinzaardechter zijn tegen den regel van een werkwoord gevormd en uitgrijnzer,veinzerverbasterd. Zij kunnen dus niet als samenstellingen beschouwd worden, maar behooren den regel der afleidingen te volgen en (gelijkveinzer,lezerenz.) met dezgeschreven te worden. (Grondbeg.§ 100).34. De meervoudenrittenenbintenbewijzen, dat dedvanrijdenenbindenin de genoemde woorden tottis verscherpt, gelijk zulks ten aanzien van dedvanmedein het voorzetselmetsinds lang algemeen erkend is. De woordenrid,bindenmedmetdhebben dus feitelijk opgehouden te bestaan, en zijn doorrit,bintenmetvervangen. Het is derhalve regelmatig ookritmeester,gebintenenmetgezelte schrijven. (Grondbeg.§ 102).35. Dezelfde verscherping heeft dedondergaan voor het achtervoegsel -nisin de stammen der werkwoorden, die uitgaan opd, voorafgegaan door eenelofn. Ten onrechte heeft men inbeeldtenisenverbindteniseenedingevoegd, die aan eene afleiding met-tedoet denken. De ware spelling isbeeltenisenverbintenis, evenalsontstentenis, waarin men nooit eenedheeft geschreven, hoewel het op gelijke wijze afstamt vanontstanden, bijvorm vanontstaan(in den ouden zin vanontbreken). (Grondbeg.§ 102).36. Ofschoon de stofnaamkruit(poeder), wat den oorsprong betreft, hetzelfde woord is alskruid(gewas), is het echter thans door de geheel afwijkende beteekenis voor ons gevoel daarvan gescheiden. Reeds hierom is het wenschelijk, het onderscheid van beteekenis ook in de spelling te doen uitkomen. Daar komt bij, dat het woord in den zin vanpoedernu, zoo al niet tot de onverbuigbare, dan toch tot de onverbogen woorden behoort, aan welke de taal liefst de scherpe sluitletter pleegt toe te kennen. Het verkeert in hetzelfde geval alsschroot, dat ook eigenlijkschroodluidde (van ’t ww.schroden, snijden), en waarnevens nogschroodbeitelenschroodijzerbestaan. Wij schrijven daaromkruit(poeder),buskruit,rattenkruit, nevenskruid(gewas),kruiden,nieskruid,wormkruid. (Grondbeg.§ 127).37. De woorden op -leien -handezijn eigenlijk samenstellingen, waarin het eerste lid in den vrouwelijken 2dennv. staat. Regelmatig gevormd zijn derhalveallerlei,eenerlei,velerlei,menigerlei,twintigerleien -handeenz. Daarentegen hebben andere, alsvierderlei,vijfderlei,zesderleien -hande, eenedingelascht, die echter aan de beteekenis niets toedoet. Ten aanzien van twee woorden handelt het gebruik niet eenparig; men vindttweeërlei,drieërlei(-hande), entweederlei,driederlei(-hande) geschreven. Het is raadzaam, die onregelmatige vormen te verwerpen en aan de spraakkunstig juiste spellingtweeërleiendrieërlei(-hande) de voorkeur te geven. (Grondbeg.§ 93).38. De spellingKersdag,Kersfeest,Kersmisenz. maakt die woorden geheel onverstaanbaar. Het ongerijmde van die schrijfwijze komt vooral inkersboombelachelijk uit. De herstelling dertvan den naamKerst(Christus) doet den zin der woorden begrijpen, en verhindert althans aan eene verkeerde afleiding te denken. Wij schrijven daaromKerstdag, Kerstfeest,Kerstmis,kerstboomenz.—Daarentegen is er geene afdoende redenom inkermisenkerspeldekvankerkweder in te voegen. Sedert de kermissen in ons land niet meer met de feestdagen der kerkpatronen samenvallen, enspelde beteekenis vanrechtsgebiedverloren heeft, zou de spellingkerkmisenkerkspeldeze woorden vooral niet verstaanbaarder maken. Wij behouden daarom de gebruikelijke spellingkermis,kerspel.39. Reeds in de middeleeuwen onderging het woordliicteken(lijkteeken, d. i.blijkteeken) verbastering en ging over inlictekenenlitteken. Het veranderde tevens van beteekenis, en dit had eene miskenning van het geheele woord ten gevolge. Men vatte het op als teeken in het vleesch (lijk) en schreef daaromlikteeken, hetgeen niet verhinderde dat men voortginglitteekenuit te spreken. Daar nu de spellinglikteekenzoomin de afleiding als de beteekenis duidelijker maakt, schrijven wij overeenkomstig de uitspraak en het eeuwenoude gebruik:litteeken. (Grondbeg.§ 131).De liplettersvenf.40. De gebruikelijke spellingdiefeggedoet denken aan eene samenstelling vandiefmet zeker onbekend woordegge. Deze uitgang echter is slechts een achtervoegsel; het woord is niet door samenstelling, maar door afleiding gevormd. Het moet derhalve ook op de wijze der afgeleide woorden gespeld worden, dat wil hier zeggen, defmoet invveranderen: dusdievegge, gelijk indieverij,lieverdenz. (Grondbeg.§ 107).41. De beschaafde uitspraak heeft devvanvonkin het afgeleidefonkelen, wanneer dit woord overdrachtelijk wordt opgevat, totfverscherpt, en zoodoende een nieuw woord doen ontstaan nevensvonkelen, vonken schieten, in de eigenlijke opvatting. Wij schrijven daarom in den oneigenlijken zinfonkelen, en dus ookfonkelnieuw. (Grondbeg.§ 111).De sisletterssenz.42. Uit de bijwoordelijke uitdrukkingte zamenontstond eerst het bijw.tsamen, en hieruit, door het wegvallen dert, nadat zij deztotsverscherpt had,samen. Dit is dus inderdaad in oorsprong een ander woord dan zamen, en de scherpe uitspraak, die nog altijd de heerschende is, steunt op een goeden grond. Wij schrijven daaromsamenmetsaan het begin van alle samenstellingen, en zoo ook, wanneer het woord alleen staat:samenkomen,samenwerken,samenspraak,samenhangenz.Te samenzou echter niet te verdedigen zijn, dewijl het niets anders kan beteekenen dante te zamen, met dubbel voorzetsel. Daarom schrijven wij:Zij zullen er te zamen(ofer samen)heengaan. Ook blijft dezin het midden der woorden, die door samenstelling of door aanhechting van een voorvoegsel vanzamengevormd zijn, als inopzamelen,inzamelen,verzameling. (Grondbeg.§ 108).43. De gebruikelijke spelling schrijft naar eisch der afleiding en uitspraakgeenszins, maar strijdig met beideallezins,anderzins,eenigzins,veelzins. Naar analogie van het geheel onberispelijkegeenszins, behoort men ookalleszins,anderszins,eenigszins,veelszinste schrijven: eene spelling, die aan alle eischen der spraakkunst beantwoordt. (Grondbeg.§ 125).44. Het schrijven vanwijsst,boosst,loosst, als overtreffende trappen vanwijs,boos,loos, zou met de Nederl. begrippen aangaande de spelling in strijd en iets ongehoords zijn. Daarmede vervalt dan ook de spellingwijsste,boosste,loosste, en, naar analogie hiervan, ookvalschst,verschstenz. Wij schrijven derhalve, in de gevallen waar dergelijke harde vormen niet tevermijden mochten zijn:wijst—wijste,loost—looste,malscht—malschteenz., overeenkomstig de gebruikelijke spelling vanFriesch(nietFriessch),trotsch(niettrotssch), vanFriesentrots, die zelve opseindigen.Het achtervoegsel -ster, dat vrouwelijke persoonsnamen vormt, maakt steeds eene afzonderlijke lettergreep uit, en verschilt dus daarin van -sen -sch. Het behoudt daarom zijnes, b. v. inziekenoppasster,mutsenwaschsterenz. (Grondbeg.§ 124).De samenstellingen.45.Samengestelde woordenzijn verbindingen van woorden, die tot één geheel vereenigd zijn met het doel om een nieuw begrip uit te drukken, verschillende van de som der begrippen, die door de afzonderlijke deelen aangeduid worden. Zoo beteekenen b. v.grootschriftenkleinkindiets anders dangroot schriftenklein kind.46. Alle samenstellingen bestaan uit twee deelen,ledengenoemd, die echter zelve samenstellingen kunnen zijn; b. v.huis-knecht,op-stellen,horloge-maker,werk-tuig,horlogemakers-werktuig.47. De deelen der samengestelde woorden worden aaneen geschreven of door een koppelteeken verbonden, soms met verandering van den vorm van het eerste lid. Hieruit volgt, dat de spelling in de eerste plaats de middelen aan de hand moet geven om te onderkennen, welke opeenvolgingen van woorden samenstellingen zijn en dus óf aaneen geschreven óf door koppelteekens verbonden moeten worden. Vervolgens moet zij ook den aard der veranderingen van het eerste lid doen kennen, voor zooverre deze niet duidelijk uit de uitspraak blijken.Regels voor het onderkennen der samenstellingen.(Grondbeg. § 134–153).48. Samengestelde woorden—en dus aaneen te schrijven—zijn alle opeenvolgingen van woorden, die los staande óf geene óf een verkeerden zin zouden opleveren.I. Tot de eerste soort behooren alle opeenvolgingen van woorden, die, wanneer zij vaneen geschreven werden, geen verstaanbaren zin zouden opleveren, tenzij men door verandering van den vorm der deelen, door omzetting of invoeging van andere woorden, den zin nader aanduidde; b. v.ijzerdraad,ijzeren draad;tweehonderd, tweemaal honderd;godmensch, goddelijk mensen;zeshoek, figuur met zes hoeken;badkuip, kuip om te baden, enz.Bijzondere soorten der hier bedoelde woorden zijn:1. De uitdrukkingen, door middel van een achtervoegsel van op zich zelve staande woorden gevormd; t. w.:a.Vele zelfst. nw. op -er, -steren -ing, alshouthakker, vanhout hakken;droogscheerder, vandroog scheren;invrijheidstelling,tekortkoming, vanin vrijheid stellen,te kort komen.b.Vele bijvoegl. nw. op -igen -sch, alsvierhoekig, vanvier hoeken;alledaagsch, vanalle dagen, enz.c.Alle bijwoordelijke uitdrukkingen met de zoogenaamde bijwoordelijkes, alsveeltijds,buitendijks,terloops.2. Die zelfst. nw., wier eerste lid een bijvoegl. nw. is, dat in de redegeene naamvalsveranderingen ondergaat, maar steeds denzelfden vorm behoudt; b. v.grootmeester,oudoom,kleinzoonenz. Men zegt:des grootmeesters,uwen oudoom,zijne kleinzoons, nietdes grooten meesters,uwen ouden oom,zijne kleine zoons, dan met verandering der beteekenissen.3. De uitdrukkingen, waarin woorden voorkomen met spraakkunstige vormen, die buiten zulke samenstellingen niet meer in gebruik zijn. Hiertoe behooren:a.De uitdrukkingen met het eerste lid in den sterken manl. of onz. 2dennv., alsgoedsmoeds,blootshoofdsenz., dewijl men niet meer zegt:des goeds moeds,des bloots hoofdsenz.b.De uitdrukkingen, bestaande uit een bijv. nw. in den sterken 2dennv. op -er, met een zelfst. nw., in oneigenlijken zin genomen; alsallerwegen,langzamerhand,toevalligerwijzeenz.c.De uitdrukkingen, bestaande uit een voorzetsel, gevolgd van een 2dennv.; alsbinnensmonds,buitenshuisenz.d.De uitdrukkingen, waarin het verbogen lidwoorddein teris veranderd; alsmetterdaad,mettertijdenz.e.De uitdrukkingen, beginnende metdèr,dèsenwès, verouderde 2denvll. vandieenwie; alsderhalve,desgelijks,deskundige,weshalveenz.II. Tot de tweede soort behooren alle opeenvolgingen van twee woorden, in welke een van beide of beide hunne gewone beteekenis hebben afgelegd, zoodat de zin der vereenigde begrippen een andere is dan die, welken de bloote som der beide begrippen zou medebrengen.Als zoodanig worden aaneen geschreven:1. De werkwoorden met de voorzetselsaan,achter,bij,door,om,onder,op,over,tegen,uitenvoor, welke voorzetsels alsdan in bijwoorden zijn overgegaan, en die met de bijwoordenaf,medeentoe, als:aanbinden,doorsteken,uithalen,afgaan,medeloopen,toestemmenenz.2. De werkwoorden, verbonden met een zelfst. of bijv. naamw., óf met een bijwoord van wijze, wanneer de beteekenis dier woorden of die van het werkw. zelf is gewijzigd; b. v.gadeslaan,rechtspreken,gevangennemen,goeddoen,vrijlaten,voortgaan,aaneenbinden,ondereenmengenenz.Wanneer het eerste woord eene bepaling bij zich nemen of in een der trappen van vergelijking staan kan, is zulks een bewijs, dat er geene samenstelling plaats heeft. Zoo zijn b. v.staat makenenfraai schrijvengeene samenstellingen, omdat men kan zeggengeen staat op iets maken,fraaier schrijvenenz.3. De bijvoegl. naamw., vergezeld van de bijw.wel,volenal, wanneer deze woorden den zin hebben vanzeer, alswelbespraakt,volzalig,aloudenz.; alsmede de titels, beginnende metedel,hoog,welenzeer, alsEdelgeboren,Hooggeleerd,Weledel,Zeergeleerdenz.4. De benamingen van kleuren, uit twee bijvoegl. nw. bestaande, alshooggeel,lichtblauw,donkerbruin,zwartbontenz.5. De voornaamw.degene,diegene,hetwelk,dezulkeendezelfde.6. De bijwoordelijke uitdrukkingen, bestaande uit twee bijwoorden, alsveeleer,zoozeer,zoolang,evengoedenz. (verschillende vanveel eerofeerder,zoo zeer,zoo lang,even goed); of uit een bijwoord en een voorzetsel, dat bijwoord geworden is, alskortom,voluitenz.7. De bijwoordenhier,daarenwaar, gevolgd door een voorzetsel, dat echter in deze verbinding als bijwoord moet opgevat worden. Zoo b. v.hierdoor,daaruit,waaronderenz.8. De bijwoordelijke uitdrukkingen, bestaande uit een voorzetsel gevolgd van een zelfst. of bijvoegl. nw., een bijwoord of een voornaamw., wanneer er wijziging van beteekenis plaats heeft; b. v.achterwege,overeind,overlang,voorzeker,voorgoed,vanhier,vandaar,overal,ondereenenz., verschillende vanvoor zeker,voor goed,van hier,van daar.9. De bijwoordenterstond,terugenternauwernood.10. De voorzetselstegenover,rondom,niettegenstaandeeningevolge.Andere uitdrukkingen, die de waarde van een voorzetsel hebben, alsuit hoofde,in geval,door toedoen,met betrekkingenz., blijven gescheiden, omdat het tweede lid, dat altijd een zelfst. nw. is, steeds zelf eene bepaling vereischt; alsuit hoofde van,in geval van,met betrekking totenz.11. Alle uitdrukkingen met de waarde van een voegwoord, waarin de beteekenis van ieder deel niet duidelijk uitkomt; b. v.alhoewel,zoodat,doordien,dientengevolgeenz.12. De tusschenwerpselshelaaseneilieve.Het gebruik van het koppelteeken.(Grondbeg. § 154–158).49. Wanneer het werkelijk aaneen schrijven van de deelen eener samenstelling een woord zou opleveren van een te vreemd voorkomen, of dat wegens zijne lengte moeilijk zou te overzien zijn, dan worden de deelen door een koppelteeken vereenigd.50. Het koppelteeken wordt derhalve gebezigd:1. In woorden, waarin eigennamen of van eigennamen gevormde bijv. nw. voorkomen; als inCayenne-peper,Manilla-sigaren,Portorico-tabak,Zuidzee-traan,Schakel-lijmenz.,Berlijnsch-blauw,Friesch-groen enz.,Engelsch-Russisch,Indo-Germaanschenz. Niet echter, wanneer de eigennaam in de uitspraak onherkenbaar misvormd of wel geheel vergeten is, als inportwijn,kwassiehout,spijkerbalsemenz.2. In titels, bestaande:a. Uit twee bastaardwoorden, alsadjunct-commies,minister-resident,luitenant-kolonelenz.b. Uit een Nederl. woord en een bastaardwoord, die beide reeds op zich zelve titels zijn, of waarvan het achterste een bijv. nw. is; alsgrootmeester-nationaal,kapitein-geweldiger,Staten-Generaal,raad-pensionarisenz.3. In geographische namen, bestaande uit een eigennaam en een bijv. nw. of bijwoord; alsGroot-Britannië,Nieuw-Holland,Noord-Brabant,West-Friesland,Beneden-Egypteenz.Bijvoegl. naamw. echter, van woorden als de hier bedoelde gevormd, worden (volgens § 48, I, 1,b) zonder koppelteeken aaneen geschreven; b. v.Noordhollandsch,Oostfrieschenz.4. In samenstellingen, waarin het eerste lid—hetzij een bijv. nw., hetzij een voornaamwoord, lidwoord of telwoord—alleen betrekking heeft op het eerste gedeelte der volgende samenstelling, en niet op dit woord in zijn geheel; alsbolvormige-driehoeksmeting,dolle-hondsbeet,klein-kinderschooltje,oude-mannenhuis,ijzeren-spoorweg,Sint-Jansdag,St.-Catharinagasthuis,Lieve-Vrouwenkerk,Mijns-Heerenland,’s-Gravenhage,’s-Hertogenbosch,de Vier-Heerenlandenenz.De verbindingsklanken tusschen de leden der samenstellingen.(Grondbeg. § 161–213).51. In de meeste samenstellingen blijft het eerste lid onverminkt; maar niet zelden neemt het een toevoegsel aan, hetwelkverbindingsklankofverbindingslettergenoemd wordt.52. Verminkingen hebben plaats:a.Bij de woorden op eene toonloozee, welke dieeook buiten de samenstelling kunnen missen; b. v. inaardbewoner,eindbesluitenz.b.Bij de woorden, die in het mv. op -erenof -ersuitgaan. Deze werpen in de samenstelling -enof -saf, als:kalvermarkt,raderwerkenz., nietkalversmarkt,raderenwerk.c.Bij werkwoorden, wier eerste lid eene zoogenaamde onbepaalde wijs is. Deze werpen denweg, b. v. inspelevaren, voorspelen varen.d.Bij de stammen opd, voorafgegaan door een helderen klinker of tweeklank, waarin eeneiofuvoorkomt, t. w.ij,ei,ui,ieenou. Deze werpen, althans in dagelijksche woorden, de d af, als inrijkunst,leiboom,luiklok,verspiejacht,houpaardje, vanrijd(en),leid(en),luid(en),verspied(en) enhoud(en).53. Deverbindingsklankenzijn -e-, -n-, -el-, -en-, -er- en -s-. In de meeste gevallen leert de uitspraak, wanneer in een woord verbindingsklanken voorkomen, en welke het zijn. Slechts in twee gevallen kan er onzekerheid bestaan, namelijk ten aanzien eenernachter eene toonloozee, b. v. inpaardemarktofpaardenmarkt; en ten aanzien eeners, wanneer het tweede lid metsofzbegint, b. v. indorpschoolofdorpsschool,varkenziekteofvarkensziekte. De spelling heeft regels te geven voor het gebruik der verbindings-nen der verbindings-s, vermits denachter de toonloozeeveelal zeer onduidelijk uitgesproken of wel geheel onderdrukt wordt, en eenesin eene volgendesofzwegsmelt.Regels voor het gebruik der verbindings-n.54. Wanneer het tweede lid eener samenstelling met een klinker of eenehaanvangt, voegt men ter vermijding van de gaping (hiatus) eenenachter de toonloozee; b. v. ingalgenaas,ganzenei,brillenhuisje,vossenholenz.Uitgezonderd zijn de samenstellingen met het onverbuigbaremede, en met die zelfst. nw., welke, gelijk bede, bode, vrede, op eene toonloozeeeindigen, die niet onderdrukt kan worden; b. v.medearbeider,bedehuis,bodeambt,vredehandelenz. Hiertoe behoort ookminnehandel, van het oudeminne, dat thansminluidt, maar in samenstellingen den ouden vorm behoudt, alsminnebrief,minnedichtenz.55. In woorden als’s-Gravendeel,’s-Gravenhage,’s-Gravenland,’s-Heerenberg,’s-Hertogenbosch,Mijns-Heerenland,Prinsenhage, behoort eenenals teeken van den 2dennv.56. Wanneer het eerste lidnoodwendigde voorstelling van een meervoud medebrengt, dan wordt achter eene toonloozeeeenengevoegd als teeken van het meervoud; b. v. inboekenkast,brievenbesteller,brillenslijper,dievenbende,hoedenmaker,kaarsenmakerij,stoelendraaierenz.57. Wanneer het eerste lidnoodwendigeen enkelvoud voorstelt, schrijft men het woord zondern, behalve in die gevallen, waarin deze letter, volgens § 54, ter vermijding van den hiatus gevorderd wordt. Zoo b. v.brilleglas,bruggegeld,eendevleugel,galgebrok,mollevel,paardevijg,speldeknopenz.Tot deze soort van woorden behooren mede de samenstellingen op -boom, wier eerste lid ook op zich zelf als de benaming van den boom gebezigd wordt: b. v.berkeboom,beukeboom,eikeboomenz.Ingalgenaas,eendenei,duivenoog,brillenhuisje,bruggenhoofdenz., kan den, wegens de volgende klinkers ofh’sniet gemist worden, ofschoon het eerste lid enkelvoudig is. Evenmin dus ook inberkenhout,eikenhoutenz.58. In woorden, het dagelijksch leven betreffende, wordt geeneningevoegd, wanneer de beteekenis de gedachte aan een enkelvoud maar eenigszins toelaat; dus niet inflesschebakje,hondeketting,pennemes,pijpedop,hoededoosenz.—Wanneer echter het enkelvoud geheel tegen de natuurlijke opvatting aandruischt, is ook in zulke woorden de meervoudsvorm metnonvermijdelijk, b. v. inflesschenrek,hondenkoopman,pennenkoker,speldenkussen,speldenwerk,takkenbosenz.59. Woorden, wier eerste lid een persoonsnaam is, die zekeren stand in de maatschappij uitdrukt, en het mv. uitsluitend met -envormt, alsboer(boeren),heer,slaaf,vrouwenz., eischen den meervoudsvorm opn; b. v.boerendochter,heerenknecht,slavendienst,vorstentelg,vrouwenkleedenz.60. Woorden, wier eerste lid een manlijke diernaam is, die geene samenstellingen metsvormt, nemen eenenals teeken van het meerv. aan, wanneer zijgewoonlijkgebezigd worden in eene beteekenis, waarbij men aan het geheele geslacht denkt; b. v.apengezicht,berenjong,drakenbloed,hazenlip,leeuwenwelpenz.61. De samengestelde namen van planten, wier eerste lid een diernaam is, zijn in twee soorten te onderscheiden. Zij zijn óf namen van lichaamsdeelen, alsganzetong; óf zij geven te kennen, dat de plant tot de diersoort in eenige betrekking staat, als slangenwortel. In het eerste geval staat de diernaam in het enkelvoud, b. v. inkattestaart,slangekop; in het laatste in het meervoud, b. v. inkattendoorn,slangenkruid.62. De samengestelde namen op -boom, wier eerste lid de vrucht aanduidt die de boom oplevert, of de bloem die hij voortbrengt, hebben het eerste lid in den enkelvoudsvorm; b. v.kerseboom,kastanjeboom,rozeboom,seringeboomenz.63. De woorden, wier eerste lidstellignu eens op een enkel- dan op een meervoud ziet, hebben twee vormen, den eenen zonder, den anderen met den, naar gelang der omstandigheden; b. v.ossevleeschenossenvleesch,gemzelederengemzenleder,paardestalenpaardenstal. In twijfelachtige gevallen kiest men dien vorm, die het meest te pas komt; b. v.ossevleesch, maarpaardenstal.64. Wanneer eene samenstelling in haar geheel een zelfst. nw. is, dat uit een bijvoeglijk woord en een zelfst. nw. bestaat, alshoogepriester,zoutevisch,roodekool,eenhoorn, dan wordt het bijvoegl. woord gedacht in den 1stennv. te staan en blijft den vorm van dien nv. onveranderlijk behouden. Zoo zegt men b. v. niet alleende hoogepriester,de eenhoorn, maar ookdes hoogepriesters,den eenhoornenz.65. Wanneer het laatste lid eener samenstelling een zelfst. nw., maar het geheele woord een bij- of voegwoord is, dan staat de geheele uitdrukking in den 2denof in den 4dennv., en heeft het eerste lid den vorm, dien geslacht en naamval vereischen. Zoo b. v.grootendeels(2denv. onz.),dewijl(4denv. vrouwel.).Regels voor het gebruik der verbindings-s.66. De verbindings-swordt als teeken van den 2dennv. niet alleen gevoegd achter manl. en onz. woorden, b. v. inbakkersnering,dorpsherberg, maar ook achter vrouwelijke, als instadsbestuur,zielsverdriet,vriendschapsbetoon. In woorden, wier tweede lid metsofzbegint, wordt zij ingelascht, wanneer ook de overige samenstellingen, waarin het eerste lid voorkomt, ontwijfelbaar eeneshebben. Zoo leeren b. v.krijgsmansdeugd,krijgsmanseed,krijgsmanseer,dorpsherberg,dorpshuis,dorpsleeraar,stadsmuur,stadswal,waarheidsliefdeenz., dat men ook eenesheeft te voegen inkrijgsmansstand,dorpsschool,stadszegel,waarheidszuchtenz.67. De woorden, wier eerste lid op -iereindigt en de beteekenis van een meerv. heeft, of een geheelen stand vertegenwoordigt, lasschen desin als teeken van het meervoud; b. v.officierssabel,onderofficiersstrepenenz.De bastaardwoorden.(Grondbeg.§ 214–256).68. De vreemde woorden, die bij ons in gebruik zijn, moeten tot drie klassen gebracht worden. De eerste klasse bestaat uit dezulke, die hun vreemden vorm geheel hebben afgelegd en, in klemtoon zoowel als in klank, aan echt Nederlandsche gelijk zijn geworden; b. v.ark,beest,bijbel,keten,bisschop,luipaardenz.—De tweede bestaat uit woorden, waaraan niets veranderd is, zoodat zij door ons juist of nagenoeg zoo als in de vreemde taal worden uitgesproken; b. v.facto,incognito,cadeau,souspiedenz.—De derde omvat die woorden, welke in de uitspraak wijzigingen hebben ondergaan, die niet voldoende waren om hun het uitheemsch voorkomen geheel te benemen; b. v.advocaat,officier,president,resolutie,sigaarenz., die ieder op het gehoor af als vreemdelingen herkent. De zoodanige behooren als ’t ware tot twee talen en heeten daarombastaardwoorden.69. De wijzigingen, waardoor vreemde woorden in bastaardwoorden overgegaan zijn, bepalen zich doorgaans tot de uitgangen. Deze zijn óf geheel aan Nederl. uitgangen gelijk geworden, b. v. inarti-kel(arti-culus), óf zij hebben nog altijd een vreemd karakter behouden, maar worden, overeenkomstig de gewijzigde uitspraak, volgens de Nederl. spelregels geschreven; b. v.majesteit(majestat-is). Door zulke gedeeltelijke veranderingen aan het einde der woorden zijn de zoogenaamdebastaarduitgangenontstaan, als -age, -aat, -eeren, -ier, -ij, -ijnenz.70. De uitgang -agewerd, overeenkomstig de vroegere uitspraakaadzje, in de gebruikelijke spelling metdj(-aadje) geschreven. Nu deze spelling niet meer aan de uitspraak beantwoordt, hebben wij ons verplicht gerekend dedjte vervangen door deg, en zoodoende de woorden alsbagage,kijvage,pelgrimage,slijtage,stoffageenz. in overeenstemming te brengen met de gewone spelling vanmanege,logement,gelei,genie,horlogeenz.71. De woorden der eerste klasse worden geheel op Nederl. wijze geschreven; alsgroep,troep,kleur,klooster,koor,sier,singel,troonenz. Uitgezonderd zijn:cedel(ceêl),ceder,cel,cent,cijfer,cijnsencirkel, die men steeds metcheeft geschreven, en die metsgespeld niet terstond zouden herkend worden.Cel,centencirkelblijven hunne vreemde herkomst verraden door de onnederlandsch klinkende afleidsels cellulair,centesimaal,circulaire,circulatie;—cijferdoor zijnef, die invhad moeten overgaan om aan het woord geheel het voorkomen der Nederl. woordendrijver,ijver,kijverenz. te geven.72. De woorden der tweede klasse behouden hunne oorspronkelijke spelling; b. v.bougie,cadeau,catalogus,museum,savoir-vivre,vaudevilleenz. Wanneer zij in de verbuiging een Nederl. uitgang aannemen, alscadeau’s(cadeaux),catalogen(catalogi),museën(nevensmusea) enz., dan behooren zulke vormen tot de bastaardwoorden.73. De woorden der derde klasse, debastaardwoorden, moeten wederom in twee soorten onderscheiden worden. De eerste omvat die woorden,welke alleen in gebruik zijn bij hen, die de vreemde talen kennen; de tweede de dagelijksche woorden, bij lieden van allerlei stand in zwang.74. Tot de eerste soort behooren de benamingen der voorwerpen van weelde, de uitdrukkingen van begrippen, alleen onder meer beschaafden gangbaar, en bepaaldelijk de termen, uitsluitend gebruikelijk in wetenschappen of in kunsten en beroepen, die eene wetenschappelijke opleiding vereischen; alsdejeuneeren,disputeeren,receptie,candelaber,lorgnet,categorie,syllogisme,scrupel,lancet,tachygraafenz.75. Ten aanzien der woorden dezer klasse hebben wij ons den volgenden regel gesteld:Bastaardwoorden, ontleend uit talen die hetzelfde letterschrift bezigen als het Nederlandsch, worden op de oorspronkelijke wijze geschreven, voor zooverre hunne uitspraak onveranderd gebleven is. Waar deze is gewijzigd en de oorspronkelijke spelling tot eene ongewone uitspraak aanleiding zou geven, wordt de spelling zooveel noodig op Nederl. wijze veranderd. Zoo wordt b. v.executiobij onsexecutie,decanus—decaan,république—republiek,souverain—souvereinenz.76. Woorden, ontleend uit het Grieksch, dat een ander letterschrift heeft dan onze taal, worden op Latijnsche wijze uitgesproken, en daarom door ons, volgens oud gebruik, op Latijnsche wijze geschreven, met inachtneming evenwel van den regel, in de vorige § gesteld. Wij spellen derhalve:logica,physica,hypotenusa; doch, met verandering der uitgangen:synode(synodus),categorie(categoria),geographie(geographia) enz.77. De tweede soort bestaat uit de namen van zaken, voorkomende in allerlei beroepen en ambachten, en uitdrukkingen van denkbeelden, aan alle standen eigen; b. v.penseel,vermiljoen,stukadoor,karkas,karakter,kapitaal,kastelein,kwartierenz.78. Op de woorden dezer soort—die meest in de uitspraak eene veel sterkere verandering hebben ondergaan—is de vorige regel niet meer toepasselijk; het gebruik schrijft ze, zooveel doenlijk, op Nederlandsche wijze, b. v.komfoort(schoenmakersterm, fr.contrefort),penseel(penicillum),travalje(hoefstal, fr.travail),biljart(billard),biljet(billet),kapittel(capitulum),kasteel(castellum),sigaar(cigarro),sjees(chaise) enz.79. Niet alle tot deze soort behoorende woorden echter kunnen op Nederlandsche wijze gespeld worden; b. v. niethorloge,diligence,machine. De spellingenhorlozjeofhorloozje,dilizjanse,masjineofmaasjinezouden al te wanstaltig zijn en toch de juiste uitspraak niet voorstellen. In zulke woorden moet de vreemde spelling—en wel geheel en al—behouden worden:diligence,machine,chocoladeenz., nietdiligense,machiene,chokolade, welke noodelooze vermenging van tweeërlei orthographie tegen den goeden smaak zou aandruischen.80. Tot deze soort moeten twee bepaalde klassen van woorden gebracht worden, namelijk:a.Die vreemde woorden, welke ten onzent eene beteekenis hebben aangenomen, die hun in de vreemde taal niet eigen was. Dezulke behooren op Nederl. wijze geschreven te worden, ofschoon zij; in de oorspronkelijke beteekenis gebezigd wordende, de vreemde spelling geheel of gedeeltelijk behouden. Hiertoe zijn te brengen:dokterin den zin van geneeskundige, nevens doctor als titel;komedie(schouwburg) nevenscomedie(blijspel);kommies(beambte bij de belastingen, fr.douanier), nevenscommies(ambtenaar aan een ministerie of bij de posterijen, fr.commis);lokaal(vertrek, zaal) nevens het bijv. nw.locaal(plaatselijk) enz.b.De vreemde woorden, bij de dichters in gebruik, b. v.nimf,porfier,saffier,zéfirofzefíerenz. De poëzie, uit haren aard afkeerig van vreemdewoorden en vormen, heeft de genoemde en dergelijke vreemdelingen, ofschoon zij tot eene hoogere klasse van denkbeelden behooren, sinds lang in Nederlandsch gewaad populair gemaakt.81. Behalve de vreemde woorden, in de vorige § onderabedoeld, zijn er nog andere van Latijnschen of Griekschen oorsprong, die op tweeërlei wijze geschreven worden; t. w. dezulke, die onder twee vormen tot ons zijn gekomen, de eene rechtstreeks uit het Latijn of Grieksch, de andere middellijk, door tusschenkomst van het Fransch. De Latijnsche of Grieksche vorm is dan de meer wetenschappelijke of deftige, de Fransche de gewone en dagelijksche. Hiertoe behooren b. v.praesens(tegenwoordige tijd) enpresent(tegenwoordig),subject(onderwerp) ensujet(in de uitdrukkingeen gemeen sujet),familie(Lat. familia) en het gemeenzamefamielje(Fr.famille),dioeceseendiocese,nummerennommer,oeconomieeneconomie,praeparatenenpreparatieven,fundamentenfondement,secundeenseconde.82. De door ons aangenomen regels voor het schrijven der vreemde en bastaardwoorden zijn geheel in overeenstemming met de heerschende richting in ons spellingstelsel, waarin zich overal het streven openbaart om de uitspraak juist voor te stellen en de afleiding te doen uitkomen, voor zooverre deze het recht verstand der woorden kan bevorderen. Beide, de uitspraak en de afleiding der vreemde woorden, kunnen natuurlijk slechts door de oorspronkelijke spelling in het licht worden gesteld; doch, waar de uitspraak te zeer gewijzigd is en de kennis der etymologie geen nut kan doen, zou de oorspronkelijke spelling veeleer nadeelig werken, en is dus het volgen der Nederl. regels het rationeelst. Ook het erkennen van twee vormen nevens elkander is eene eigenschap van het Nederlandsch, dat een groot aantal woorden bezit, die twee, sommige zelfs drie vormen hebben, welke òf in gewijzigde beteekenissen òf in verschillende stijlsoorten gebruikelijk zijn. Men denke hier aanhet koord, met zorg vervaardigd touw,de koordder koordedansers, ende koordein de meetkunst; aanhet uurende ure, aande zielende ziele, aankleedenenkleederen, aanvolkenenvolkerenenz.83. De hier voorgedragene spelling is bovendien voor hen, die zich het meest van vreemde en bastaardwoorden bedienen, namelijk voor allen, die de vreemde talen kennen, buiten tegenspraak de gemakkelijkste, vermits zij hen niet noodzaakt zich nog eene derde, afzonderlijke spelling eigen te maken, die zoowel van de vreemde als van de Nederlandsche verschilt. De eenige moeilijkheid, die zij ook voor dezulken heeft, is te bepalen of een bastaardwoord tot de eerste, dan wel tot de tweede soort gebracht moet worden. Intusschen is die zwarigheid niet zoo groot, als zij schijnt. Het aantal woorden, waarbij men werkelijk in twijfel kan staan, is betrekkelijk gering; en de vraag, die zich bij elk dier woorden voordoet, betreft niet nu deze, dan eene andere bijzonderheid, maar luidt onveranderlijk:is het woord in gebruik bij het algemeen, of slechts in bepaalde kringen?Heeft men die vraag beantwoord, dan is de spelling door de regels in§ 75–80gegeven. In de weinige werkelijk twijfelachtige gevallen, waarin het antwoord van den tact des schrijvers afhangt, zal de beslissing niet bij ieder dezelfde zijn: de een zal een woord volgens den regel in§ 75, de ander volgens den regel in§ 78behandelen, hetgeen dan twee verschillende spellingen van hetzelfde woord ten gevolge heeft. Doch niemand kan hierin eene groote ramp zien, wanneer men bedenkt, dat geene der beide schrijfwijzen, zoo slechts de regels goed zijn toegepast, eene taalfout heeten of tot andere verkeerdheden leiden kan.84. Een ander bezwaar, namelijk dat niet allen, die zich van woordender eerste soort bedienen, de oorspronkelijke talen (meestal het Fransch, Latijn of Grieksch) verstaan, zoodat er steeds zullen gevonden worden die tot een woordenboek hunne toevlucht moeten nemen, drukt evenzeer op het stelsel dergenen, die de vreemde woorden meer op Nederl. wijze willen gespeld hebben, en b. v.fyzika,kritikus,katheder,kataloogenz. schrijven. Ook dezen moeten evengoed de vreemde talen kennen of eene woordenlijst raadplegen om te weten, dat—volgens hun stelsel—fyzikaeeney, maarkritikusgewonei’s, datkathedereeneth, maarkataloogeenethebben moet.85. Is het bedoelde stelsel1Zie vooral M. (J. A. Alberdingk Thijm),Over de Spelling van de Bastaartwoorden. Amsterd.1843.niet in staat om de moeilijkheid weg te ruimen, voor welker opheffing het juist opzettelijk is uitgedacht, het bezwaar in§ 83vermeld is daarin veel grooter dan bij het onze. Dat stelsel toch past zijne regels niet slechts toe op bastaardwoorden, maar ook op geheel ongewijzigd overgenomen vreemde woorden, wier klank door de Nederl. spelling meer of minder juist kan voorgesteld worden. Men gaat daarbij echter geheel inconsequent te werk en laat sommige, waarop de regels streng genomen zeer wel toepasselijk zouden zijn, geheel onveranderd, zonder eene grens te kunnen aanduiden, waar de vreemde spelling ophouden en de Nederlandsche beginnen moet. Zoo schrijft menbotanikus,kritikus,logika,kreion,portefeulië,kompanion, maar, geheel op Fransche wijze:bouillon,bouilli,eau de Cologne,entrepot,coup d’état,bordeaux(wijn), terwijl het stelsel volstrektodekolonje,antrepo,koedetaofkoedeeta,bordoeischt: spellingen, die de uitspraak zeker niet minder juist zouden voorstellen dankonsinië,sinialement,viniët,broeliëeren,akkeuliëeren, gelijk sommigen willen, die vanconsigne,signalement,vignet,brouilleeren,accueilleeren. Er is voor dergelijke uitzonderingen geene andere reden te bedenken, dan dat de aangevoerde en meer zulke woorden, op Nederl. wijze geschreven, een al te gedrochtelijk voorkomen zouden hebben. Wij hebben gemeend een stelsel niet te mogen aannemen, dat voor zijne eigene toepassing terugdeinst en daarmede zich zelf veroordeelt, en dat, consequent gevolgd, tot spellingen alssoepjee(souspied),swarree(soirée),koeduilj(coup d’oeil) enz. brengt, gelijk het reeds het niet zeer fraai klinkendeekwipaadjeheeft doen ontstaan.86. Daar men—en onzes inziens te recht—alle noodelooze inconsequentiën veroordeelt, en prijs stelt op regelmaat in alles, wat—gelijk de spelling eener taal—op den naam vanstelselaanspraak moet kunnen maken, mogen wij geene vormen goedkeuren alsfyzika(physica), waarin de Nederl.fenzplaats nemen naast de Gr.y, of alskatalogus(catalogus), waar de Lat. uitgangusin strijd is met de Gr. of Nederl.k. Schrijfwijzen, die twee of drie verschillende spellingen, zonder noodzaak en zonder eenig nut, op de willekeurigste wijze vermengen, kunnen niet ordelijk en regelmatig heeten. Wij behouden daarom niet slechts de Gr.theny, maar ook dec,senph, waar de Latijnsch-Grieksche spelling die letterteekens medebrengt. Dat dephaanleiding kan geven tot eene verkeerde uitspraak bij minkundigen, geeft dezen het recht niet om te eischen dat de geheele natie te hunnen gerieve inconsequent zal handelen. Een onkundige mogebedelenoflegerenuitspreken alsof erbedeelenenlegeerengeschreven stond, ofbévingenmetbevìngenverwarren; maar die mogelijke vergissing van lieden, wier kennis zoo gebrekkig is, kan voor de taal geene reden zijn om haar spellingstelsel te veranderen, dat zij eenmaal op goede gronden heeft aangenomen.Het verdeelen der woorden in lettergrepen.(Grondbeg.§ 257–270).87. De spelling heeft ook het antwoord te geven op de vraag, tot welke lettergreep bij het afbreken van een woord de tusschenletters moetengerekendworden, tot de voorgaande of tot de volgende. Te dien aanzien hebben wij de volgende regels aangenomen:1. In samengestelde woorden blijft iedere letter in het woord, waartoe zij behoort; men breekt derhalve dus af:kwab-aal,eer-ambt,mein-eedig,door-een,elk-anderenz.Woorden met voorvoegsels, alsbe-,ge-,her- enz., en die met de achtervoegsels -aarden -achtig, welke eigenlijk samenstellingen zijn, worden als samengestelde woorden behandeld. Men breekt dus af:be-kleeden,her-overen,blauw-achtig,wreed-aardenz., met uitzondering vangrijn-zaardenvein-zaard: vergel. § 33.2. Bij afgeleide woorden met achtervoegsels, die met éénen of meer medeklinkers beginnen, wordt het geheele achtervoegsel afgescheiden; b. v.lief-de,hoog-ste,gedwee-ste,mee-ste,bak-ster,vlee-schelijkenz. Ter wille van de uitspraak moetennaas-teenbes-teworden uitgezonderd.Ook detenp, die in de verkleinwoorden voor den uitgang -jegevoegd worden, en evenzoo desvoor -kenof -ke, behooren bij deze achtervoegsels te blijven. Men breekt derhalve dus af:stoel-tje,boon-tje,boom-pje,penning-ske,jong-skeenz.3. In gevallen, die niet tot een der behandelde te brengen zijn, gaat men naar de volgende voorschriften te werk:a.Eene alleenstaande tusschenletter behoort tot de volgende lettergreep; b. v. indee-len,ne-men,la-chen,li-chaam.b.Van twee tusschenletters behoort de eerste tot de voorgaande, de tweede tot de volgende lettergreep; b. v. inber-gen,lan-den,gan-zenenz., en zoo ook bijnginlan-ger,bren-gen,zin-gen.c.Van drie en vier tusschenletters behooren er zooveel tot de volgende lettergreep, als zich gezamenlijk aan het begin van een woord gemakkelijk laten uitspreken. Men breke volgens dezen regel dus af:vor-sten,kor-stig,ven-sterenz.; maaramb-ten,erw-ten,art-sen,koort-senenz.d.In vreemde woorden en eigennamen gaat men naar de uitspraak te werk, b. v. inle-proos,A-driaanenz.Het gebruik der hoofdletters.88. De hoofdletters of kapitale letters dienen om een woord van andere te onderscheiden en den lezer te waarschuwen, dat het tot eene bijzondere soort behoort. Zij worden daarom gebezigd om een woord te kenmerken als een eigennaam of daarmede gelijkstaande, of als het eerste eener reeks van woorden, die òf niet òf minder nauw met het voorafgaande samenhangen. Hieruit vloeien de volgende bijzondere regels voort:89. Men schrijft met hoofdletters:1. Het eerste woord van elken volzin en, in poëzie, van elken dichtregel.2. Alle eigennamen van personen, alsAlbert,Arend,Rubens,Wolfenz.Wanneer zij uit de vereeniging van twee woorden bestaan, dan wordt ieder hoofddeel met eene kapitale letter geschreven; b. v.Jan Steen,De Witt,Ter Horst,Van Erpenz.Bij namen, die uit drie deelen bestaan, van welke het eerste een voorzetselen het tweede een lidwoord is, behoudt het middelste de kleine letter, alsVan den Berg,Van der Horst,Van de Wall,Op den Heuvelenz.Ook de bijv. nw., als toenamen achter eigennamen gevoegd, hebben eene hoofdletter; b. v.Alexander de Groote,Karel de Vijfde.3. Alle geographische eigennamen, alsItalië,Alkmaar,de Rijn,de Vesuviusenz. Zijn zij samengesteld, dan krijgt ook bij deze ieder hoofddeel eene kapitale letter; alsNieuw-Holland,Noord-Brabant,de Middellandsche Zee,de Kust van Guineaenz.4. De namen van maanden en van week- en feestdagen, alsJanuari,Maandag,Kerstmis,Paschen,Allerheiligen,St.-Pieterenz.5. De gemeene zelfstandige naamwoorden die als eigene gebezigd worden. Dit heeft plaats:a.Met persoonsnamen, wanneer zonder nadere aanduiding alleen uit de omstandigheden moet blijken, welke persoon bepaaldelijk bedoeld wordt; b. v. in uitdrukkingen als:de Koning(namelijk der Nederlanden);de Burgemeester(der plaats, waar de schrijver zich bevindt), enz.Dit is natuurlijk ook van toepassing op bijvoegl. woorden, die als zelfst. nw. gebezigd worden, en in hetzelfde geval verkeeren; b. v.de Booze,de overzetting der Zeventigen.b.Met benamingen van zaken, wanneer zij iets aanduiden, dat in de rhetorischeapostropheaangesproken en dus als een persoon voorgesteld wordt; b. v. in uitdrukkingen als:U roep ik geenszins aan, Verbeelding! Gij, strenge Waarheid, gij alleen spoort me aan tot zingen.6. Ieder hoofdwoord in titels, als:de Heer A,Mijnheer,Mevrouw,Mijne Heeren,Dames,Weledelgestrenge Heer,de Staten-Generaal,de Hooge Raad,het Hof van Cassatieenz.7. De bijv. nw. van eigennamen afgeleid, alsAmsterdamsch,Groningsch,Engelsch,Russischenz.; evenzoo wanneer zulke woorden, als zelfst. nw. gebezigd, eene taal of een tongval beteekenen:het Engelsch,het Groningsch.Het sedert eenigen tijd—in navolging van andere talen—opkomende gebruik om bijv. nw. alsEngelsch,Fransch,Duitschenz. met kleine letter te schrijven, is volstrekt niet aan te bevelen. Het doel der kapitale letter is den lezer te waarschuwen, dat het woord niet een gewoon naamwoord, maar een eigennaam is, en daardoor alle mogelijke verwarring te voorkomen. Die aanwijzing is bij de bijv. nw. even noodzakelijk als bij de eigennamen zelve.8. Die woorden, die in bijzondere gevallen, door den smaak en het oordeel van den schrijver te bepalen, eene opzettelijke aanwijzing vereischen of van het overige onderscheiden moeten worden, als b. v.Hij,Hem,Zijn, van God gezegd;de Almacht;de Hemel;de Kroon;de Regeering;het Ik;in ’t Voorleden ligt het Heden, enz.Het gebruik van het samentrekkingsteeken.90. Het samentrekkingsteeken (^) dient om aan te duiden, dat eene lettergreep, ten gevolge van de uitlating eenerdtusschen twee klinkers, door de samensmelting van twee lettergrepen ontstaan is; als indaân,gebeên,gebiên,geboôn,spoên,reên, uitdaden,gebeden,gebieden,geboden,spoeden,redenen. De woorden, waarbij zulk eene samentrekking heeft plaats gehad, zijn vrij talrijk, en—althans voor het groote publiek—niet altijd gemakkelijk te herkennen. Zoo zal niet iedereen gevoelen, dat de woordengraag,kwee,kweelen,kiel(kleedingstuk),door(van een ei), samentrekkingen zijn vangradig,kwede,kwedelen,kedelofkidelendoder.Zelfs wanneer het woord nog onveranderd in gebruik is, kan de samentrekking licht onopgemerkt blijven; als bijweerlichtenuitwederlichten(hd.wetterleuchten), bijbuilen(bakkerw.) vanbuidel, en andere. Daar derhalve het aanduiden vanallesamentrekkingen zeer lastig zou wezen en in de meeste gevallen volstrekt geen nut zou hebben, bezigen wij het samentrekkingsteeken alleen dan, wanneer de ineensmelting van twee lettergrepen, die in den gewonen stijl niet samengetrokken worden, opzettelijk, met bewustheid, plaats heeft ten behoeve van maat, rijm of welluidendheid, als b. v.daân,leên,liên,doôn,voên,verneêrenen dergelijke ongewone vormen, bij welke de opzettelijke aanduiding der samentrekking voor de duidelijkheid wenschelijk is. Bij samentrekkingen echter alslavoorlade,meevoormede,sleevoorslede,leervoorleder,neervoorneder,veervoorveder,weervoorwederenz., die in het dagelijksch leven werkelijk zóó worden uitgesproken, achten wij het teeken geheel overtollig.1Zie vooral M. (J. A. Alberdingk Thijm),Over de Spelling van de Bastaartwoorden. Amsterd.1843.

1. Veelomvattende veranderingen in de spelling eener taal zijn in den beginne altijd lastig voor de schrijvenden en onaangenaam voor de lezenden, en hebben bij voortduring onvermijdelijk een nadeeligen invloed op de beoefening van de letterkunde dier taal. Wanneer een groot aantal woorden wijzigingen ondergaan hebben, dan wordt de schrijver, die aan de vroegere spelling gewoon is, onophoudelijk in zijn gedachtenloop gestuit, dewijl hij ieder oogenblik genoodzaakt is zich te bezinnen om den eenen of anderen nieuwen regel toe te passen; en de meeste lezers gevoelen een weerzin tegen hetgeen het voorkomen eener vreemde taal heeft gekregen en soms slechts met moeite begrepen wordt. Is men eenmaal aan zulk eene nieuwe spelling gewend, dan is de verhouding omgekeerd; dan schijnen allevroegeregeschriften in eene vreemde taal opgesteld te zijn, en de vorm schrikt de lezers af. Eene geheele omwenteling in de spelling graaft aldus tusschen het verledene en het toekomende eene kloof, die slechts door weinigen overschreden wordt; de vroegere literatuur, die het voedsel moet leveren voor de kennis der taal en het nationaliteitsgevoel van een volk, heeft dan voor de meesten opgehouden te bestaan.

2. Om gemelde redenen hebben wij gemeend in onze schrijfwijze geene veranderingen te mogen aanbrengen van zoo wijden omvang, dat ons geheele schrift daardoor een ongewoon aanzien moest krijgen, gelijk het geval zou geweest zijn, indien wij b. v. besloten hadden allee’s eno’s in opene lettergrepen op dezelfde wijze, hetzij met één hetzij met twee letterteekens, te schrijven. Daarom hebben wij ons tot regel gesteld geene schrijfwijzen te bezigen, die volstrekt niet in gebruik waren, en zijn wij slechts ten opzichte van eenige weinige op zich zelve staande woorden, alsDinsdag,litteekenen nog enkele dergelijke, van dien stelregel afgeweken. Doch, hoewel wij het raadzaam oordeelden eenparig erkende spelregels ook tot de onze te maken, hebben wij ons toch niet verplicht gerekend tevens alle gebreken en onregelmatigheden over te nemen. Wij achtten ons integendeel gehouden om de willekeurige, op onkunde of misverstand berustende uitzonderingen te verwerpen en erkende regels, zooveel doenlijk, consequent toe te passen.—Verder bestond voor ons de onvermijdelijke noodzakelijkheid, uit twee (of meer) gebruikelijke schrijfwijzen ééne te kiezen en—wat ongetwijfeld het gewichtigste gedeelte van onze taak was—een aantal nog onbeantwoorde vragen, waaronder uiterst belangrijke die nog nooit of slechts ten deele behandeld waren, voor ons zelven te beantwoorden, en de regels, die onsdoelmatig voorkwamen, te formuleeren. Om een en ander hebben wij de grondbeginselen, die uit de natuur en de bestemming van het schrift met noodwendigheid voortvloeien, bestendig voor oogen gehouden, en daarbij de natuurwet van alle letterschrift, dat het namelijk de afbeelding der uitspraak behoort te wezen, op den voorgrond geplaatst. (ZieGrondbeginselen§ 1–72). De onbevooroordeelde zal uit de volgende beknopte opgave van hetgeen wij voor ons zelven hebben vastgesteld, kunnen zien, dat de wijzigingen in het bestaande betrekkelijk weinig in getal zijn en alle de strekking hebben om de spelling meer met de beschaafde uitspraak in overeenstemming te brengen of haar in andere opzichten regelmatiger te maken, en dat wij bij alles de doelmatigheid hebben beoogd, d.i. van schrift gesproken, duidelijkheid en voorkoming van misverstand.

In het hier volgende overzicht hebben wij de gronden, waarop onze beslissing berustte, slechts even kunnen aanstippen, met verwijzing naar de § § van deGrondbeginselen der Nederlandsche spelling, waar zij breeder ontvouwd zijn.

Klinkers en tweeklanken.De verdubbeling der klinkletters.3. In gesloten lettergrepen wordt de lange of heldere klank door verdubbeling van het letterteeken aangeduid:aa,ee,oo,uu; behalve bij dei, wier heldere klank met den vollen of halven klemtoon steeds doorievoorgesteld wordt. Wij schrijven daarom niet alleenbaar,beer,boor,buur, enz., maar ookeegaas,raasenvlaas, mv. van de echt Nederl. woordeneega(gade),raenvla, met eene dubbelea.—Daarentegen zijn de meeste schrijvers gewoon de heldere sluitklinkers in vreemde woorden en eigennamen, alsMaria,Hebe,Nero,acacia,echo, niet te verdubbelen, maar den tweeden klinker door het weglatingsteeken (apostrophe) te vervangen:Maria’s,Hebe’senz. Daar het verkieslijk is den vorm van vreemde woorden en in het bijzonder van eigennamen zooveel mogelijk onveranderd te laten, geven wij aan deze schrijfwijze de voorkeur boven die vanMariaas,Hebees,Neroos,echoosenz., te eer omdat men bij de woorden opi, alsGaribaldi,Rubini, toch zoo te werk gaat, en nooitGaribaldiis,Rubiniisschrijft. Wij spellen daarom den 2dennv. van het enkelv. en alle nv. van het meerv. der hier bedoelde woorden met’s:Maria’s,Hebe’s,Garibaldi’s,Nero’s,acacia’s,echo’senz. (Grondbeg.§ 90).4. Het behoeft wel geene vermelding, dat wij hier het oog niet hebben op woorden alspendule,Elize,Philippineenz., die op eene toonlooze, niet op eene heldereeuitgaan. De ’ zou daar overtollig zijn en geene weglating aanduiden; daarom schrijven wijElizes,Philippines,pendulesenz.5. De gebruikelijke onderscheiding van de zoogenaamde zachtlange en scherplangee’seno’s, met andere woorden, de verdubbeling der scherpee’seno’sin opene lettergrepen, b. v. inbeenenenboomen, nevensgevenenboven, is, o. a. om de redenen in § 2 vermeld, door ons behouden, met de volgende bepalingen, die gedeeltelijk wijzigingen zijn:1. Alle achtervoegsels, die óf altijd, óf soms den vollen klemtoon hebben, dus niet alleen -eel, en -loos, maar ook -ees, -eeschen -eerenworden steeds met den dubbelen klinker geschreven. Wij spellen derhalvehouweelen,penseelen,personeele,Chineezen,Japanneezen,Chineesche,Siameesche,waardeeren,regeeren,waardeering,regeering,goddelooze,redeloozenenz. (Grondbeg.§ 77–79).2. De aangenomen regel, dat in vreemde woorden dee’seno’s, behalve die welke in den boezem onzer eigene taal uitaienauontstaan zijn, met eene enkeleeenogeschreven worden, b. v. inlelie,menie,olie,rozenenz., wordt door ons consequent toegepast. Wij verwerpen dus de willekeurige uitzondering vankroon,troonentoon(in de muziek), en schrijven regelmatig ookkronen,tronen,tonen.Evenzoo blijven wij aan het beginsel getrouw ten aanzien van de uitzondering dero’suitau, en schrijven niet alleenmooren,poozenenz., maar ookkoozen,liefkoozen(lat.causari) metoo.3. Met dee’seno’sin samengetrokken lettergrepen handelt men veelal niet consequent. Zoo schrijft menleeman(ledeman),leeren(lederen),streelen(stregelen),gedwee(gedwede),slee(slede),oolijk(oodelijk); maar daarentegenpreken(prediken),kwelen(kwedelen),veren(vederen),kwe(kwede),doren(doderen); terwijl men ten opzichte van andere woorden, alsceelen(vancedel), het ww.onweeren(vanonweder) enz., in onzekerheid verkeert en in de woordenboeken geene aanwijzing vindt. Het is buiten twijfel raadzaam, alle dergelijke samentrekkingen meteeenoote schrijven, dewijl de dubbele letter het best geschikt is om den gerekten klank voor te stellen, die door samentrekking noodwendig ontstaat. Derhalve niet alleenleeman,leeren(lederen),streelen,gedwee,slee(slede),oolijk, maar ookpreeken,preeker,kweelen,veeren,kwee,dooren,ceelen,onweerenenz.4. Doordien de zachte en scherpee’seno’sin het Hollandsche dialect, dat in de schrijftaal den toon geeft, niet meer duidelijk onderscheiden worden, en sommige woorden ook elders niet op overeenstemmende wijze worden uitgesproken, zoo is er ten aanzien van enkele woorden onzekerheid en verwarring ontstaan, waaruit alleen de afleiding uitkomst kan geven. Bepaaldelijk bestaat die verwarring soms bij verschillende, maar nagenoeg gelijkluidende woorden. Daar nauwkeurig onderscheiden de eerste voorwaarde van juiste kennis is, hebben wij gemeend niet te mogen medewerken tot bestendiging van zulke verwarringen, en onderscheiden wij daarom niet alleenwekenenweeken,lenenenleenen,kolenenkoolen,rovenenroovenenz., maar om dezelfde redenen ookberen(verscheurende dieren) vanbeeren(varkens, waterkeeringen, muurstutten en heiblokken);delen(planken en dorschvloeren) vandeelen(gedeelten);sleepen(voorttrekken) vanslepen(gesleept worden);klooven(doen splijten) vankloven(mv. vankloofen verl. tijd vankluiven);slooven(voorschooten) vansloven(sukkels en als ww. sukkelen);tonen(in de muziek) vantoonen(werkw. en mv. vantoon=teen);zoogen(laten zuigen) vanzogen(verl. tijd vanzuigen).Hoe nuttig echter het onderscheiden van gelijkluidende woorden ook is, het mag niet op willekeur berusten, maar moet in de taal, in de afleiding gegrond zijn. Waar zulk een grondslag ontbreekt, mag men de onderscheiding alleen in gevallen van uiterste noodzakelijkheid erkennen. Zoo heeft men ten onrechte een onderscheid gemaakt tusschenkeelen(in de bouwkunde) enkelen(halzen), tusschenmeeren(een schip vastleggen) enmeren(mv. vanmeer). De taal eischt in beide gevallenmerenmet éénee, terwijlkeelin de bouwkunde, en zoo ook in de wapenkunde als benaming der roode kleur, geen ander woord is dankeel(hals), zoodat men zonder onderscheidkelente schrijven heeft. Daar eene verwarring van het ww.merenmet het mv. van (een)meer, en vankeelals bouwkundig ornament metkeelals lichaamsdeel niet te vreezen is, zoo hebben wij zonder aarzelen de grammatisch goede schrijfwijze tot de onze gemaakt.Evenzeer eischte de consequentie, met afwijking van de gebruikelijkespelling, de volgende woorden aldus te schrijven:deemoedig,deesem,eega,hoonenenvroolijk; maardwepen,hepen(handbijlen),keren(vegen),droge,drogen. Die spelling wordt door den oorspronkelijken vorm dezer woorden gebiedend voorgeschreven.6. Bij het bepalen van de natuur dere’seno’sin gevallen, waar verschil of onzekerheid bestond, hebben wij ons door de afleiding laten besturen, hetgeen door enkele beoordeelaars verkeerd is opgevat en ten onrechte voorgesteld als eene diep ingrijpende verandering, waardoor de vocaalspelling veel moeilijker zou geworden zijn. Bij eenig nadenken blijkt die voorstelling onjuist te wezen. De gebruikelijke spelling berust op het verschil in de uitspraak dere’s eno’s; en daar dit verschil een gevolg is van den ouderen vorm der woorden, moet het raadplegen der afleiding tot dezelfde uitkomsten leiden als het waarnemen der uitspraak; alleen met dit onderscheid, dat de afleiding ook beslist omtrent die woorden, bij welke de uitspraak niet beslissen kan, t. w. dezulke, wier uitspraak niet overal dezelfde is, of die niet tot de volkstaal behooren. De spelling wint dus voor den taalbeoefenaar in wetenschappelijke juistheid, terwijl voor het groote publiek de toestand dezelfde blijft, daar men bij de gebruikelijke spelling evenzeer genoodzaakt was woordenlijsten te raadplegen.Verdere regels omtrent de klinkers en tweeklanken.7.Aauofau.—De spellingflaauw,gaauwenz. vertegenwoordigt eene uitspraak, die volstrekt niet meer de algemeene is, maar in het oor der meeste beschaafde lieden hoogst onaangenaam klinkt. De meest algemeene uitspraak doet een klank hooren, die tusschenaauenouin ligt, en die in de woordendauw,kauw,heraut, reeds in de spelling erkend was. Het is juister en regelmatiger, die spelling ook in de andere woorden te volgen, enaauvoorgoed dooraute vervangen. Wij schrijven daaromblauw,flauw,gauw,nauw,nauwelijksenz. (Grondbeg.§ 74).8.Ieeni.—De lange of gerektei-klank wordt steeds doorievoorgesteld, in opene lettergrepen evenzeer als in geslotene; men schrijft zooweldie-nen,die-ren,kie-zenmetie, alsdien,dier,kies. Daarom verwerpen wij de spellingsubstanti-ven,anti-ke,Israëli-tenenz., als niet overeenstemmende metsubstantief,antiek,Israëlietenz., noch met de algemeen gebruikelijke schrijfwijzemortieren,officieren,kommiezen,valiezen, en schrijven regelmatigmotieven,substantieven,antieken,republieken,Israëlieten,Mennonietenenz. (Grondbeg.§ 82).9. Daarentegen is de klank, die doorievoorgesteld wordt, te lang en te zwaar voor toonlooze lettergrepen, om welke reden reeds de gebruikelijke spelling de enkeleiinafgodisch,Israëlitisch,predikant,muzikant, voorschreef. Wij spellen dienovereenkomstig ookhistorisch,geographisch,fabrikant,republikein,Jezuïtisme,motiveerenenz. met de enkelei, met verwerping van de bij sommigen gebruikelijke schrijfwijzehistoriesch,fabriekant,fabriekaat,Jezuietismeenz. (Grondbeg.§ 82 en 84).10. Slechts in den uitgang ie, van woorden alsbalie,linie,malie,olie,tralieenz., komt ie in eene toonlooze lettergreep voor. Het meervoud dier woorden wordt gespeld:baliën,liniën,maliënenz. (ofbalies,linies,malies). Deze spelling dagteekent uit den tijd toenienog algemeen als een tweeklankiëwerd uitgesproken, en kan dus als regelmatig beschouwd worden. Doch niet te verdedigen is de gebruikelijke spelling der meervoudenharmoniën,melodiën,reliquiën, die geheel anders klinken danbaliënenz. Wij spellen daarom de meervouden der woorden opieop twee wijzen, naargelang ie toonloos is of den klemtoon heeft, en schrijven:baliën,traliën,oliën, enz.; maarharmonieën,reliquieënenz., in overeenstemming metdrieën,knieën,tweeën,zeeën. Zoo dan ookgenieën, vangenie, in onderscheiding vangeniën, mv. vangenius. (Grondbeg.§ 83).11.Ieenij.—Deijwas oorspronkelijk eene langeien luidde vroeger algemeen, gelijk nog in sommige gewesten, alsiiofie. Toen zij denei-klank aannam, had dit ook plaats bij vreemde woorden alsbijbel,mijter,pijl,tijger,praktijk,fabrijk,kolijk,muzijkenz. Sommige dezer woorden hebben later hun vroegereni-klank hernomen, ofschoon men desniettemin voortging ze metijte schrijven. Die spelling is thans verkeerd, nu de uitspraak derijveranderd is. Daarom vervangen wij in al de laatstgenoemde woorden deijdoorie, en schrijvenfabriek,katholiek,koliek,muziek. (Grondbeg.§ 86).12. Toen de tweeklankiëin den hedendaagschen klinkerie(i) en de langeiinij(ei) overging, hadden er verschillende verwarringen plaats, en begon men ook aangerief,harmonie,poëzie,koffieenz., denij-klank te geven en dus te spellen:gerijf,harmonij,poëzij,koffijenz. Nu men van die uitspraak teruggekomen is, behoort men ook die schrijfwijze te laten varen, en overeenkomstig de ware uitspraakgerief,harmonie,poëzieenkoffie(evenalsbalieentralie) te spellen. (Grondbeg.§ 86).13. In de namen der maandenJanuarij,Februarij,Junij,Julij, bestaat een dergelijke strijd tusschen klank en letterteeken; wij schrijven daaromJanuari,Februari,Juni,Juli, in overeenstemming met de uitspraak en met de Latijnsche spellingJanuarivoorJanuariienz. (Grondbeg.§ 87).14.Eienij.—Eene dergelijke verwarring als tusschenieenijheeft bijeienijplaats gegrepen in de woordensacristijn,karwei(zaad) enmalvezei. Wij schrijven overeenkomstig de afleidingmalvezij,sacristein, nevenssacristij, enkarwij(zaad), dat in oorsprong niet minder dan in beteekenis verschilt vankarwei(werk). (Grondbeg.§ 88).15.Eeenei,ooenoi.—Men is gewoon aan deein het woordheer(leger) een klank te geven, die het naast aan den tweeklankeikomt; daarom onderscheiden wij dit woord ook door de spelling vanheerals persoonsnaam, en schrijven overeenkomstig de uitspraak:heir,heiren,heirscharen.—Ofschoon de vocaalklank inoir(erfgenaam, Fr.hoir) niet van die inoor(lichaamsdeel) verschilt, en de spelling metoiderhalve in strijd is met de uitspraak, zoo hebben wij gemeend om de doelmatigheid, d. i. hier om de duidelijkheid, de gebruikelijke onregelmatige spelling te moeten behouden in een zoo zeldzaam voorkomend woord alsoir, dat onder den vormoorniet terstond zou herkend worden. (Grondbeg.§ 91).16. De toonloozeevoor de achtervoegsels -ling, -lijken -loos.—Wanneer een der achtervoegsels -ling, -lijken -loosachter een stam gevoegd wordt, die niet uitgaat op een klinker of op eene der vloeiende lettersl,nenr, of op eene toonlooze lettergreep, dan ontstaat er in de uitspraak tusschen den stam en het achtervoegsel vanzelf eene toonloozee, die gewoonlijk ook in het schrift wordt uitgedrukt, b. v. indoopeling,goddelijk,goddeloos. Dichters—en ook prozaschrijvers—onderdrukken dieeechter niet zelden, en schrijvengodlijk,godloos, en zelfszeedlijkeneindloos, vanzedeeneinde. Het is evenwel niet raadzaam in prozastijl te dezen aanzien willekeurig te werk te gaan, dewijl zulks eene verbastering der uitspraak ten gevolge zou kunnen hebben. Wij hebben ons daarom de volgende regels gesteld:De toonloozeeblijft achterwege:1. Wanneer het grondwoord eindigt op een klinker of een tweeklank; b. v. intweeling,drieling,vrijling,kruiling,kwalijk,leelijk,oolijkenvroolijk. Invrijelijkechter kan deeniet worden gemist, die in de uitspraak altijdgehoord wordt; en nevens de regelmatige vormenmoeilijkenverfoeilijkzijn ookmoeielijkenverfoeielijkin gebruik.2. Wanneer het grondwoord eindigt op eenelofr, of wel op eenen, die voorafgegaan wordt door een helderen klinker of een tweeklank; b. v. ingroenling,billijk,begeerlijk,bekoorlijk,persoonlijk,aanzienlijk,pijnlijk,doelloos,verwaarloozenenz. Wordt dendoor een korten klinker voorafgegaan, dan zijn de beide vormen, met en zondere, even goed, b. v.manlijkenmannelijk,beminlijkenbeminnelijk. Het gebruik maakt echter onderscheid tusschenzinloos(zonder zin) enzinneloos(buiten zijne zinnen).3. Wanneer het grondwoord eindigt op eene toonlooze lettergreep, onverschillig met welken medeklinker deze sluit: b. v.adellijk,eigenlijk,geduriglijk,koninklijk,bodemloosenz.4. Wanneer het grondwoord eindigt op eeneg, die alschwordt uitgesproken; b. v. inbehaaglijk,ontzaglijk,heuglijk,genoeglijk,welvoeglijkenz. De uitlating derestrekt hier om aan degden verscherpten klank te verzekeren, en dus de spelling met de uitspraak in overeenstemming te brengen.In prozastijl is het niet raadzaam deeweg te laten achter de zachte medeklinkersb,deng(alsg, niet alschuitgesproken); b. v. niet uitonhebbelijk,dadelijk,dagelijks,degelijkenz., daar de spellingonheblijk,daadlijk,daaglijks,deeglijk, tot de verkeerde uitspraakonheplijk,daatlijk,daachlijks,deechlijkaanleiding zou geven. (Grondbeg.§ 112).

De verdubbeling der klinkletters.3. In gesloten lettergrepen wordt de lange of heldere klank door verdubbeling van het letterteeken aangeduid:aa,ee,oo,uu; behalve bij dei, wier heldere klank met den vollen of halven klemtoon steeds doorievoorgesteld wordt. Wij schrijven daarom niet alleenbaar,beer,boor,buur, enz., maar ookeegaas,raasenvlaas, mv. van de echt Nederl. woordeneega(gade),raenvla, met eene dubbelea.—Daarentegen zijn de meeste schrijvers gewoon de heldere sluitklinkers in vreemde woorden en eigennamen, alsMaria,Hebe,Nero,acacia,echo, niet te verdubbelen, maar den tweeden klinker door het weglatingsteeken (apostrophe) te vervangen:Maria’s,Hebe’senz. Daar het verkieslijk is den vorm van vreemde woorden en in het bijzonder van eigennamen zooveel mogelijk onveranderd te laten, geven wij aan deze schrijfwijze de voorkeur boven die vanMariaas,Hebees,Neroos,echoosenz., te eer omdat men bij de woorden opi, alsGaribaldi,Rubini, toch zoo te werk gaat, en nooitGaribaldiis,Rubiniisschrijft. Wij spellen daarom den 2dennv. van het enkelv. en alle nv. van het meerv. der hier bedoelde woorden met’s:Maria’s,Hebe’s,Garibaldi’s,Nero’s,acacia’s,echo’senz. (Grondbeg.§ 90).4. Het behoeft wel geene vermelding, dat wij hier het oog niet hebben op woorden alspendule,Elize,Philippineenz., die op eene toonlooze, niet op eene heldereeuitgaan. De ’ zou daar overtollig zijn en geene weglating aanduiden; daarom schrijven wijElizes,Philippines,pendulesenz.5. De gebruikelijke onderscheiding van de zoogenaamde zachtlange en scherplangee’seno’s, met andere woorden, de verdubbeling der scherpee’seno’sin opene lettergrepen, b. v. inbeenenenboomen, nevensgevenenboven, is, o. a. om de redenen in § 2 vermeld, door ons behouden, met de volgende bepalingen, die gedeeltelijk wijzigingen zijn:1. Alle achtervoegsels, die óf altijd, óf soms den vollen klemtoon hebben, dus niet alleen -eel, en -loos, maar ook -ees, -eeschen -eerenworden steeds met den dubbelen klinker geschreven. Wij spellen derhalvehouweelen,penseelen,personeele,Chineezen,Japanneezen,Chineesche,Siameesche,waardeeren,regeeren,waardeering,regeering,goddelooze,redeloozenenz. (Grondbeg.§ 77–79).2. De aangenomen regel, dat in vreemde woorden dee’seno’s, behalve die welke in den boezem onzer eigene taal uitaienauontstaan zijn, met eene enkeleeenogeschreven worden, b. v. inlelie,menie,olie,rozenenz., wordt door ons consequent toegepast. Wij verwerpen dus de willekeurige uitzondering vankroon,troonentoon(in de muziek), en schrijven regelmatig ookkronen,tronen,tonen.Evenzoo blijven wij aan het beginsel getrouw ten aanzien van de uitzondering dero’suitau, en schrijven niet alleenmooren,poozenenz., maar ookkoozen,liefkoozen(lat.causari) metoo.3. Met dee’seno’sin samengetrokken lettergrepen handelt men veelal niet consequent. Zoo schrijft menleeman(ledeman),leeren(lederen),streelen(stregelen),gedwee(gedwede),slee(slede),oolijk(oodelijk); maar daarentegenpreken(prediken),kwelen(kwedelen),veren(vederen),kwe(kwede),doren(doderen); terwijl men ten opzichte van andere woorden, alsceelen(vancedel), het ww.onweeren(vanonweder) enz., in onzekerheid verkeert en in de woordenboeken geene aanwijzing vindt. Het is buiten twijfel raadzaam, alle dergelijke samentrekkingen meteeenoote schrijven, dewijl de dubbele letter het best geschikt is om den gerekten klank voor te stellen, die door samentrekking noodwendig ontstaat. Derhalve niet alleenleeman,leeren(lederen),streelen,gedwee,slee(slede),oolijk, maar ookpreeken,preeker,kweelen,veeren,kwee,dooren,ceelen,onweerenenz.4. Doordien de zachte en scherpee’seno’sin het Hollandsche dialect, dat in de schrijftaal den toon geeft, niet meer duidelijk onderscheiden worden, en sommige woorden ook elders niet op overeenstemmende wijze worden uitgesproken, zoo is er ten aanzien van enkele woorden onzekerheid en verwarring ontstaan, waaruit alleen de afleiding uitkomst kan geven. Bepaaldelijk bestaat die verwarring soms bij verschillende, maar nagenoeg gelijkluidende woorden. Daar nauwkeurig onderscheiden de eerste voorwaarde van juiste kennis is, hebben wij gemeend niet te mogen medewerken tot bestendiging van zulke verwarringen, en onderscheiden wij daarom niet alleenwekenenweeken,lenenenleenen,kolenenkoolen,rovenenroovenenz., maar om dezelfde redenen ookberen(verscheurende dieren) vanbeeren(varkens, waterkeeringen, muurstutten en heiblokken);delen(planken en dorschvloeren) vandeelen(gedeelten);sleepen(voorttrekken) vanslepen(gesleept worden);klooven(doen splijten) vankloven(mv. vankloofen verl. tijd vankluiven);slooven(voorschooten) vansloven(sukkels en als ww. sukkelen);tonen(in de muziek) vantoonen(werkw. en mv. vantoon=teen);zoogen(laten zuigen) vanzogen(verl. tijd vanzuigen).Hoe nuttig echter het onderscheiden van gelijkluidende woorden ook is, het mag niet op willekeur berusten, maar moet in de taal, in de afleiding gegrond zijn. Waar zulk een grondslag ontbreekt, mag men de onderscheiding alleen in gevallen van uiterste noodzakelijkheid erkennen. Zoo heeft men ten onrechte een onderscheid gemaakt tusschenkeelen(in de bouwkunde) enkelen(halzen), tusschenmeeren(een schip vastleggen) enmeren(mv. vanmeer). De taal eischt in beide gevallenmerenmet éénee, terwijlkeelin de bouwkunde, en zoo ook in de wapenkunde als benaming der roode kleur, geen ander woord is dankeel(hals), zoodat men zonder onderscheidkelente schrijven heeft. Daar eene verwarring van het ww.merenmet het mv. van (een)meer, en vankeelals bouwkundig ornament metkeelals lichaamsdeel niet te vreezen is, zoo hebben wij zonder aarzelen de grammatisch goede schrijfwijze tot de onze gemaakt.Evenzeer eischte de consequentie, met afwijking van de gebruikelijkespelling, de volgende woorden aldus te schrijven:deemoedig,deesem,eega,hoonenenvroolijk; maardwepen,hepen(handbijlen),keren(vegen),droge,drogen. Die spelling wordt door den oorspronkelijken vorm dezer woorden gebiedend voorgeschreven.6. Bij het bepalen van de natuur dere’seno’sin gevallen, waar verschil of onzekerheid bestond, hebben wij ons door de afleiding laten besturen, hetgeen door enkele beoordeelaars verkeerd is opgevat en ten onrechte voorgesteld als eene diep ingrijpende verandering, waardoor de vocaalspelling veel moeilijker zou geworden zijn. Bij eenig nadenken blijkt die voorstelling onjuist te wezen. De gebruikelijke spelling berust op het verschil in de uitspraak dere’s eno’s; en daar dit verschil een gevolg is van den ouderen vorm der woorden, moet het raadplegen der afleiding tot dezelfde uitkomsten leiden als het waarnemen der uitspraak; alleen met dit onderscheid, dat de afleiding ook beslist omtrent die woorden, bij welke de uitspraak niet beslissen kan, t. w. dezulke, wier uitspraak niet overal dezelfde is, of die niet tot de volkstaal behooren. De spelling wint dus voor den taalbeoefenaar in wetenschappelijke juistheid, terwijl voor het groote publiek de toestand dezelfde blijft, daar men bij de gebruikelijke spelling evenzeer genoodzaakt was woordenlijsten te raadplegen.

3. In gesloten lettergrepen wordt de lange of heldere klank door verdubbeling van het letterteeken aangeduid:aa,ee,oo,uu; behalve bij dei, wier heldere klank met den vollen of halven klemtoon steeds doorievoorgesteld wordt. Wij schrijven daarom niet alleenbaar,beer,boor,buur, enz., maar ookeegaas,raasenvlaas, mv. van de echt Nederl. woordeneega(gade),raenvla, met eene dubbelea.—Daarentegen zijn de meeste schrijvers gewoon de heldere sluitklinkers in vreemde woorden en eigennamen, alsMaria,Hebe,Nero,acacia,echo, niet te verdubbelen, maar den tweeden klinker door het weglatingsteeken (apostrophe) te vervangen:Maria’s,Hebe’senz. Daar het verkieslijk is den vorm van vreemde woorden en in het bijzonder van eigennamen zooveel mogelijk onveranderd te laten, geven wij aan deze schrijfwijze de voorkeur boven die vanMariaas,Hebees,Neroos,echoosenz., te eer omdat men bij de woorden opi, alsGaribaldi,Rubini, toch zoo te werk gaat, en nooitGaribaldiis,Rubiniisschrijft. Wij spellen daarom den 2dennv. van het enkelv. en alle nv. van het meerv. der hier bedoelde woorden met’s:Maria’s,Hebe’s,Garibaldi’s,Nero’s,acacia’s,echo’senz. (Grondbeg.§ 90).

4. Het behoeft wel geene vermelding, dat wij hier het oog niet hebben op woorden alspendule,Elize,Philippineenz., die op eene toonlooze, niet op eene heldereeuitgaan. De ’ zou daar overtollig zijn en geene weglating aanduiden; daarom schrijven wijElizes,Philippines,pendulesenz.

5. De gebruikelijke onderscheiding van de zoogenaamde zachtlange en scherplangee’seno’s, met andere woorden, de verdubbeling der scherpee’seno’sin opene lettergrepen, b. v. inbeenenenboomen, nevensgevenenboven, is, o. a. om de redenen in § 2 vermeld, door ons behouden, met de volgende bepalingen, die gedeeltelijk wijzigingen zijn:

1. Alle achtervoegsels, die óf altijd, óf soms den vollen klemtoon hebben, dus niet alleen -eel, en -loos, maar ook -ees, -eeschen -eerenworden steeds met den dubbelen klinker geschreven. Wij spellen derhalvehouweelen,penseelen,personeele,Chineezen,Japanneezen,Chineesche,Siameesche,waardeeren,regeeren,waardeering,regeering,goddelooze,redeloozenenz. (Grondbeg.§ 77–79).

2. De aangenomen regel, dat in vreemde woorden dee’seno’s, behalve die welke in den boezem onzer eigene taal uitaienauontstaan zijn, met eene enkeleeenogeschreven worden, b. v. inlelie,menie,olie,rozenenz., wordt door ons consequent toegepast. Wij verwerpen dus de willekeurige uitzondering vankroon,troonentoon(in de muziek), en schrijven regelmatig ookkronen,tronen,tonen.

Evenzoo blijven wij aan het beginsel getrouw ten aanzien van de uitzondering dero’suitau, en schrijven niet alleenmooren,poozenenz., maar ookkoozen,liefkoozen(lat.causari) metoo.

3. Met dee’seno’sin samengetrokken lettergrepen handelt men veelal niet consequent. Zoo schrijft menleeman(ledeman),leeren(lederen),streelen(stregelen),gedwee(gedwede),slee(slede),oolijk(oodelijk); maar daarentegenpreken(prediken),kwelen(kwedelen),veren(vederen),kwe(kwede),doren(doderen); terwijl men ten opzichte van andere woorden, alsceelen(vancedel), het ww.onweeren(vanonweder) enz., in onzekerheid verkeert en in de woordenboeken geene aanwijzing vindt. Het is buiten twijfel raadzaam, alle dergelijke samentrekkingen meteeenoote schrijven, dewijl de dubbele letter het best geschikt is om den gerekten klank voor te stellen, die door samentrekking noodwendig ontstaat. Derhalve niet alleenleeman,leeren(lederen),streelen,gedwee,slee(slede),oolijk, maar ookpreeken,preeker,kweelen,veeren,kwee,dooren,ceelen,onweerenenz.

4. Doordien de zachte en scherpee’seno’sin het Hollandsche dialect, dat in de schrijftaal den toon geeft, niet meer duidelijk onderscheiden worden, en sommige woorden ook elders niet op overeenstemmende wijze worden uitgesproken, zoo is er ten aanzien van enkele woorden onzekerheid en verwarring ontstaan, waaruit alleen de afleiding uitkomst kan geven. Bepaaldelijk bestaat die verwarring soms bij verschillende, maar nagenoeg gelijkluidende woorden. Daar nauwkeurig onderscheiden de eerste voorwaarde van juiste kennis is, hebben wij gemeend niet te mogen medewerken tot bestendiging van zulke verwarringen, en onderscheiden wij daarom niet alleenwekenenweeken,lenenenleenen,kolenenkoolen,rovenenroovenenz., maar om dezelfde redenen ook

beren(verscheurende dieren) vanbeeren(varkens, waterkeeringen, muurstutten en heiblokken);delen(planken en dorschvloeren) vandeelen(gedeelten);sleepen(voorttrekken) vanslepen(gesleept worden);klooven(doen splijten) vankloven(mv. vankloofen verl. tijd vankluiven);slooven(voorschooten) vansloven(sukkels en als ww. sukkelen);tonen(in de muziek) vantoonen(werkw. en mv. vantoon=teen);zoogen(laten zuigen) vanzogen(verl. tijd vanzuigen).

Hoe nuttig echter het onderscheiden van gelijkluidende woorden ook is, het mag niet op willekeur berusten, maar moet in de taal, in de afleiding gegrond zijn. Waar zulk een grondslag ontbreekt, mag men de onderscheiding alleen in gevallen van uiterste noodzakelijkheid erkennen. Zoo heeft men ten onrechte een onderscheid gemaakt tusschenkeelen(in de bouwkunde) enkelen(halzen), tusschenmeeren(een schip vastleggen) enmeren(mv. vanmeer). De taal eischt in beide gevallenmerenmet éénee, terwijlkeelin de bouwkunde, en zoo ook in de wapenkunde als benaming der roode kleur, geen ander woord is dankeel(hals), zoodat men zonder onderscheidkelente schrijven heeft. Daar eene verwarring van het ww.merenmet het mv. van (een)meer, en vankeelals bouwkundig ornament metkeelals lichaamsdeel niet te vreezen is, zoo hebben wij zonder aarzelen de grammatisch goede schrijfwijze tot de onze gemaakt.

Evenzeer eischte de consequentie, met afwijking van de gebruikelijkespelling, de volgende woorden aldus te schrijven:deemoedig,deesem,eega,hoonenenvroolijk; maardwepen,hepen(handbijlen),keren(vegen),droge,drogen. Die spelling wordt door den oorspronkelijken vorm dezer woorden gebiedend voorgeschreven.

6. Bij het bepalen van de natuur dere’seno’sin gevallen, waar verschil of onzekerheid bestond, hebben wij ons door de afleiding laten besturen, hetgeen door enkele beoordeelaars verkeerd is opgevat en ten onrechte voorgesteld als eene diep ingrijpende verandering, waardoor de vocaalspelling veel moeilijker zou geworden zijn. Bij eenig nadenken blijkt die voorstelling onjuist te wezen. De gebruikelijke spelling berust op het verschil in de uitspraak dere’s eno’s; en daar dit verschil een gevolg is van den ouderen vorm der woorden, moet het raadplegen der afleiding tot dezelfde uitkomsten leiden als het waarnemen der uitspraak; alleen met dit onderscheid, dat de afleiding ook beslist omtrent die woorden, bij welke de uitspraak niet beslissen kan, t. w. dezulke, wier uitspraak niet overal dezelfde is, of die niet tot de volkstaal behooren. De spelling wint dus voor den taalbeoefenaar in wetenschappelijke juistheid, terwijl voor het groote publiek de toestand dezelfde blijft, daar men bij de gebruikelijke spelling evenzeer genoodzaakt was woordenlijsten te raadplegen.

Verdere regels omtrent de klinkers en tweeklanken.7.Aauofau.—De spellingflaauw,gaauwenz. vertegenwoordigt eene uitspraak, die volstrekt niet meer de algemeene is, maar in het oor der meeste beschaafde lieden hoogst onaangenaam klinkt. De meest algemeene uitspraak doet een klank hooren, die tusschenaauenouin ligt, en die in de woordendauw,kauw,heraut, reeds in de spelling erkend was. Het is juister en regelmatiger, die spelling ook in de andere woorden te volgen, enaauvoorgoed dooraute vervangen. Wij schrijven daaromblauw,flauw,gauw,nauw,nauwelijksenz. (Grondbeg.§ 74).8.Ieeni.—De lange of gerektei-klank wordt steeds doorievoorgesteld, in opene lettergrepen evenzeer als in geslotene; men schrijft zooweldie-nen,die-ren,kie-zenmetie, alsdien,dier,kies. Daarom verwerpen wij de spellingsubstanti-ven,anti-ke,Israëli-tenenz., als niet overeenstemmende metsubstantief,antiek,Israëlietenz., noch met de algemeen gebruikelijke schrijfwijzemortieren,officieren,kommiezen,valiezen, en schrijven regelmatigmotieven,substantieven,antieken,republieken,Israëlieten,Mennonietenenz. (Grondbeg.§ 82).9. Daarentegen is de klank, die doorievoorgesteld wordt, te lang en te zwaar voor toonlooze lettergrepen, om welke reden reeds de gebruikelijke spelling de enkeleiinafgodisch,Israëlitisch,predikant,muzikant, voorschreef. Wij spellen dienovereenkomstig ookhistorisch,geographisch,fabrikant,republikein,Jezuïtisme,motiveerenenz. met de enkelei, met verwerping van de bij sommigen gebruikelijke schrijfwijzehistoriesch,fabriekant,fabriekaat,Jezuietismeenz. (Grondbeg.§ 82 en 84).10. Slechts in den uitgang ie, van woorden alsbalie,linie,malie,olie,tralieenz., komt ie in eene toonlooze lettergreep voor. Het meervoud dier woorden wordt gespeld:baliën,liniën,maliënenz. (ofbalies,linies,malies). Deze spelling dagteekent uit den tijd toenienog algemeen als een tweeklankiëwerd uitgesproken, en kan dus als regelmatig beschouwd worden. Doch niet te verdedigen is de gebruikelijke spelling der meervoudenharmoniën,melodiën,reliquiën, die geheel anders klinken danbaliënenz. Wij spellen daarom de meervouden der woorden opieop twee wijzen, naargelang ie toonloos is of den klemtoon heeft, en schrijven:baliën,traliën,oliën, enz.; maarharmonieën,reliquieënenz., in overeenstemming metdrieën,knieën,tweeën,zeeën. Zoo dan ookgenieën, vangenie, in onderscheiding vangeniën, mv. vangenius. (Grondbeg.§ 83).11.Ieenij.—Deijwas oorspronkelijk eene langeien luidde vroeger algemeen, gelijk nog in sommige gewesten, alsiiofie. Toen zij denei-klank aannam, had dit ook plaats bij vreemde woorden alsbijbel,mijter,pijl,tijger,praktijk,fabrijk,kolijk,muzijkenz. Sommige dezer woorden hebben later hun vroegereni-klank hernomen, ofschoon men desniettemin voortging ze metijte schrijven. Die spelling is thans verkeerd, nu de uitspraak derijveranderd is. Daarom vervangen wij in al de laatstgenoemde woorden deijdoorie, en schrijvenfabriek,katholiek,koliek,muziek. (Grondbeg.§ 86).12. Toen de tweeklankiëin den hedendaagschen klinkerie(i) en de langeiinij(ei) overging, hadden er verschillende verwarringen plaats, en begon men ook aangerief,harmonie,poëzie,koffieenz., denij-klank te geven en dus te spellen:gerijf,harmonij,poëzij,koffijenz. Nu men van die uitspraak teruggekomen is, behoort men ook die schrijfwijze te laten varen, en overeenkomstig de ware uitspraakgerief,harmonie,poëzieenkoffie(evenalsbalieentralie) te spellen. (Grondbeg.§ 86).13. In de namen der maandenJanuarij,Februarij,Junij,Julij, bestaat een dergelijke strijd tusschen klank en letterteeken; wij schrijven daaromJanuari,Februari,Juni,Juli, in overeenstemming met de uitspraak en met de Latijnsche spellingJanuarivoorJanuariienz. (Grondbeg.§ 87).14.Eienij.—Eene dergelijke verwarring als tusschenieenijheeft bijeienijplaats gegrepen in de woordensacristijn,karwei(zaad) enmalvezei. Wij schrijven overeenkomstig de afleidingmalvezij,sacristein, nevenssacristij, enkarwij(zaad), dat in oorsprong niet minder dan in beteekenis verschilt vankarwei(werk). (Grondbeg.§ 88).15.Eeenei,ooenoi.—Men is gewoon aan deein het woordheer(leger) een klank te geven, die het naast aan den tweeklankeikomt; daarom onderscheiden wij dit woord ook door de spelling vanheerals persoonsnaam, en schrijven overeenkomstig de uitspraak:heir,heiren,heirscharen.—Ofschoon de vocaalklank inoir(erfgenaam, Fr.hoir) niet van die inoor(lichaamsdeel) verschilt, en de spelling metoiderhalve in strijd is met de uitspraak, zoo hebben wij gemeend om de doelmatigheid, d. i. hier om de duidelijkheid, de gebruikelijke onregelmatige spelling te moeten behouden in een zoo zeldzaam voorkomend woord alsoir, dat onder den vormoorniet terstond zou herkend worden. (Grondbeg.§ 91).16. De toonloozeevoor de achtervoegsels -ling, -lijken -loos.—Wanneer een der achtervoegsels -ling, -lijken -loosachter een stam gevoegd wordt, die niet uitgaat op een klinker of op eene der vloeiende lettersl,nenr, of op eene toonlooze lettergreep, dan ontstaat er in de uitspraak tusschen den stam en het achtervoegsel vanzelf eene toonloozee, die gewoonlijk ook in het schrift wordt uitgedrukt, b. v. indoopeling,goddelijk,goddeloos. Dichters—en ook prozaschrijvers—onderdrukken dieeechter niet zelden, en schrijvengodlijk,godloos, en zelfszeedlijkeneindloos, vanzedeeneinde. Het is evenwel niet raadzaam in prozastijl te dezen aanzien willekeurig te werk te gaan, dewijl zulks eene verbastering der uitspraak ten gevolge zou kunnen hebben. Wij hebben ons daarom de volgende regels gesteld:De toonloozeeblijft achterwege:1. Wanneer het grondwoord eindigt op een klinker of een tweeklank; b. v. intweeling,drieling,vrijling,kruiling,kwalijk,leelijk,oolijkenvroolijk. Invrijelijkechter kan deeniet worden gemist, die in de uitspraak altijdgehoord wordt; en nevens de regelmatige vormenmoeilijkenverfoeilijkzijn ookmoeielijkenverfoeielijkin gebruik.2. Wanneer het grondwoord eindigt op eenelofr, of wel op eenen, die voorafgegaan wordt door een helderen klinker of een tweeklank; b. v. ingroenling,billijk,begeerlijk,bekoorlijk,persoonlijk,aanzienlijk,pijnlijk,doelloos,verwaarloozenenz. Wordt dendoor een korten klinker voorafgegaan, dan zijn de beide vormen, met en zondere, even goed, b. v.manlijkenmannelijk,beminlijkenbeminnelijk. Het gebruik maakt echter onderscheid tusschenzinloos(zonder zin) enzinneloos(buiten zijne zinnen).3. Wanneer het grondwoord eindigt op eene toonlooze lettergreep, onverschillig met welken medeklinker deze sluit: b. v.adellijk,eigenlijk,geduriglijk,koninklijk,bodemloosenz.4. Wanneer het grondwoord eindigt op eeneg, die alschwordt uitgesproken; b. v. inbehaaglijk,ontzaglijk,heuglijk,genoeglijk,welvoeglijkenz. De uitlating derestrekt hier om aan degden verscherpten klank te verzekeren, en dus de spelling met de uitspraak in overeenstemming te brengen.In prozastijl is het niet raadzaam deeweg te laten achter de zachte medeklinkersb,deng(alsg, niet alschuitgesproken); b. v. niet uitonhebbelijk,dadelijk,dagelijks,degelijkenz., daar de spellingonheblijk,daadlijk,daaglijks,deeglijk, tot de verkeerde uitspraakonheplijk,daatlijk,daachlijks,deechlijkaanleiding zou geven. (Grondbeg.§ 112).

7.Aauofau.—De spellingflaauw,gaauwenz. vertegenwoordigt eene uitspraak, die volstrekt niet meer de algemeene is, maar in het oor der meeste beschaafde lieden hoogst onaangenaam klinkt. De meest algemeene uitspraak doet een klank hooren, die tusschenaauenouin ligt, en die in de woordendauw,kauw,heraut, reeds in de spelling erkend was. Het is juister en regelmatiger, die spelling ook in de andere woorden te volgen, enaauvoorgoed dooraute vervangen. Wij schrijven daaromblauw,flauw,gauw,nauw,nauwelijksenz. (Grondbeg.§ 74).

8.Ieeni.—De lange of gerektei-klank wordt steeds doorievoorgesteld, in opene lettergrepen evenzeer als in geslotene; men schrijft zooweldie-nen,die-ren,kie-zenmetie, alsdien,dier,kies. Daarom verwerpen wij de spellingsubstanti-ven,anti-ke,Israëli-tenenz., als niet overeenstemmende metsubstantief,antiek,Israëlietenz., noch met de algemeen gebruikelijke schrijfwijzemortieren,officieren,kommiezen,valiezen, en schrijven regelmatigmotieven,substantieven,antieken,republieken,Israëlieten,Mennonietenenz. (Grondbeg.§ 82).

9. Daarentegen is de klank, die doorievoorgesteld wordt, te lang en te zwaar voor toonlooze lettergrepen, om welke reden reeds de gebruikelijke spelling de enkeleiinafgodisch,Israëlitisch,predikant,muzikant, voorschreef. Wij spellen dienovereenkomstig ookhistorisch,geographisch,fabrikant,republikein,Jezuïtisme,motiveerenenz. met de enkelei, met verwerping van de bij sommigen gebruikelijke schrijfwijzehistoriesch,fabriekant,fabriekaat,Jezuietismeenz. (Grondbeg.§ 82 en 84).

10. Slechts in den uitgang ie, van woorden alsbalie,linie,malie,olie,tralieenz., komt ie in eene toonlooze lettergreep voor. Het meervoud dier woorden wordt gespeld:baliën,liniën,maliënenz. (ofbalies,linies,malies). Deze spelling dagteekent uit den tijd toenienog algemeen als een tweeklankiëwerd uitgesproken, en kan dus als regelmatig beschouwd worden. Doch niet te verdedigen is de gebruikelijke spelling der meervoudenharmoniën,melodiën,reliquiën, die geheel anders klinken danbaliënenz. Wij spellen daarom de meervouden der woorden opieop twee wijzen, naargelang ie toonloos is of den klemtoon heeft, en schrijven:baliën,traliën,oliën, enz.; maarharmonieën,reliquieënenz., in overeenstemming metdrieën,knieën,tweeën,zeeën. Zoo dan ookgenieën, vangenie, in onderscheiding vangeniën, mv. vangenius. (Grondbeg.§ 83).

11.Ieenij.—Deijwas oorspronkelijk eene langeien luidde vroeger algemeen, gelijk nog in sommige gewesten, alsiiofie. Toen zij denei-klank aannam, had dit ook plaats bij vreemde woorden alsbijbel,mijter,pijl,tijger,praktijk,fabrijk,kolijk,muzijkenz. Sommige dezer woorden hebben later hun vroegereni-klank hernomen, ofschoon men desniettemin voortging ze metijte schrijven. Die spelling is thans verkeerd, nu de uitspraak derijveranderd is. Daarom vervangen wij in al de laatstgenoemde woorden deijdoorie, en schrijvenfabriek,katholiek,koliek,muziek. (Grondbeg.§ 86).

12. Toen de tweeklankiëin den hedendaagschen klinkerie(i) en de langeiinij(ei) overging, hadden er verschillende verwarringen plaats, en begon men ook aangerief,harmonie,poëzie,koffieenz., denij-klank te geven en dus te spellen:gerijf,harmonij,poëzij,koffijenz. Nu men van die uitspraak teruggekomen is, behoort men ook die schrijfwijze te laten varen, en overeenkomstig de ware uitspraakgerief,harmonie,poëzieenkoffie(evenalsbalieentralie) te spellen. (Grondbeg.§ 86).

13. In de namen der maandenJanuarij,Februarij,Junij,Julij, bestaat een dergelijke strijd tusschen klank en letterteeken; wij schrijven daaromJanuari,Februari,Juni,Juli, in overeenstemming met de uitspraak en met de Latijnsche spellingJanuarivoorJanuariienz. (Grondbeg.§ 87).

14.Eienij.—Eene dergelijke verwarring als tusschenieenijheeft bijeienijplaats gegrepen in de woordensacristijn,karwei(zaad) enmalvezei. Wij schrijven overeenkomstig de afleidingmalvezij,sacristein, nevenssacristij, enkarwij(zaad), dat in oorsprong niet minder dan in beteekenis verschilt vankarwei(werk). (Grondbeg.§ 88).

15.Eeenei,ooenoi.—Men is gewoon aan deein het woordheer(leger) een klank te geven, die het naast aan den tweeklankeikomt; daarom onderscheiden wij dit woord ook door de spelling vanheerals persoonsnaam, en schrijven overeenkomstig de uitspraak:heir,heiren,heirscharen.—Ofschoon de vocaalklank inoir(erfgenaam, Fr.hoir) niet van die inoor(lichaamsdeel) verschilt, en de spelling metoiderhalve in strijd is met de uitspraak, zoo hebben wij gemeend om de doelmatigheid, d. i. hier om de duidelijkheid, de gebruikelijke onregelmatige spelling te moeten behouden in een zoo zeldzaam voorkomend woord alsoir, dat onder den vormoorniet terstond zou herkend worden. (Grondbeg.§ 91).

16. De toonloozeevoor de achtervoegsels -ling, -lijken -loos.—Wanneer een der achtervoegsels -ling, -lijken -loosachter een stam gevoegd wordt, die niet uitgaat op een klinker of op eene der vloeiende lettersl,nenr, of op eene toonlooze lettergreep, dan ontstaat er in de uitspraak tusschen den stam en het achtervoegsel vanzelf eene toonloozee, die gewoonlijk ook in het schrift wordt uitgedrukt, b. v. indoopeling,goddelijk,goddeloos. Dichters—en ook prozaschrijvers—onderdrukken dieeechter niet zelden, en schrijvengodlijk,godloos, en zelfszeedlijkeneindloos, vanzedeeneinde. Het is evenwel niet raadzaam in prozastijl te dezen aanzien willekeurig te werk te gaan, dewijl zulks eene verbastering der uitspraak ten gevolge zou kunnen hebben. Wij hebben ons daarom de volgende regels gesteld:

De toonloozeeblijft achterwege:

1. Wanneer het grondwoord eindigt op een klinker of een tweeklank; b. v. intweeling,drieling,vrijling,kruiling,kwalijk,leelijk,oolijkenvroolijk. Invrijelijkechter kan deeniet worden gemist, die in de uitspraak altijdgehoord wordt; en nevens de regelmatige vormenmoeilijkenverfoeilijkzijn ookmoeielijkenverfoeielijkin gebruik.

2. Wanneer het grondwoord eindigt op eenelofr, of wel op eenen, die voorafgegaan wordt door een helderen klinker of een tweeklank; b. v. ingroenling,billijk,begeerlijk,bekoorlijk,persoonlijk,aanzienlijk,pijnlijk,doelloos,verwaarloozenenz. Wordt dendoor een korten klinker voorafgegaan, dan zijn de beide vormen, met en zondere, even goed, b. v.manlijkenmannelijk,beminlijkenbeminnelijk. Het gebruik maakt echter onderscheid tusschenzinloos(zonder zin) enzinneloos(buiten zijne zinnen).

3. Wanneer het grondwoord eindigt op eene toonlooze lettergreep, onverschillig met welken medeklinker deze sluit: b. v.adellijk,eigenlijk,geduriglijk,koninklijk,bodemloosenz.

4. Wanneer het grondwoord eindigt op eeneg, die alschwordt uitgesproken; b. v. inbehaaglijk,ontzaglijk,heuglijk,genoeglijk,welvoeglijkenz. De uitlating derestrekt hier om aan degden verscherpten klank te verzekeren, en dus de spelling met de uitspraak in overeenstemming te brengen.

In prozastijl is het niet raadzaam deeweg te laten achter de zachte medeklinkersb,deng(alsg, niet alschuitgesproken); b. v. niet uitonhebbelijk,dadelijk,dagelijks,degelijkenz., daar de spellingonheblijk,daadlijk,daaglijks,deeglijk, tot de verkeerde uitspraakonheplijk,daatlijk,daachlijks,deechlijkaanleiding zou geven. (Grondbeg.§ 112).

Medeklinkers.De verdubbeling der medeklinkers.17. De medeklinkers worden in het midden van een woord verdubbeld, wanneer de voorafgaande klinker kort is en de lettergreep den vollen of halven klemtoon heeft; b. v. inhebben,vlaggen,dekbedden,opstellen. De regelmatigheid zou dus ook eischen, dat dechwerd verdubbeld inlachchen,lichchaam,echchoenz. Intusschen heeft deze spelling nooit ingang gevonden, en schreef men doorgaans óflagchen,ligchaam, enz., óflachen,lichaam. Het was dus noodig, uit die twee gebrekkige schrijfwijzen eene te kiezen, daar aan het invoeren der dubbelech(lachchenenz.), die eigenlijk de regelmatige spelling zou zijn, wel niet te denken valt. Van die beide gebruikelijke schrijfwijzen is die met de enkelechnog de minst onregelmatige. Daarom spellen wijlachen,echo,lichaam,richel,tichel,bochelenz. (Grondbeg.§ 95).18. Na eene toonlooze lettergreep is de verdubbeling van den medeklinker niet slechts overtollig, maar zelfs nadeelig voor de uitspraak. Men schrijftwandelen,inboezemen,regenen,beteren,zondigen; de spellingwandellen,zondiggenenz. zou tot eene verkeerde uitspraak aanleiding geven.Niet eenparig echter handelt men bij de uitgangen -ik, -eriken -it, en schrijft b. v.leeuwerikken,kievittennevensmonnikenendiemiten, ofschoon deze woorden onderling en met die op -elen, -emen, -enenen -erengelijkstaan. Het is dus raadzaam, consequent te schrijvenleeuweriken,perziken,botteriken,zwezeriken,kieviten,diemiten, en zoo ookDokkumer,Gorkumerenz. Alleen op twee woorden is deze regel niet toepasselijk, t. w. opkennissenenvonnissen, die algemeen metssgeschreven worden, naar analogie vangeheimenissen,getuigenissenenz., waarin de lettergreepnisniet toonloos is, maar den halven klemtoon heeft. Ook in het meervoud der woorden, uitgaande op -aris(Lat. -arius), wordt desverdubbeld:archivarissen,commissarissen,notarissenenz.19. Bij twee verschillende medeklinkers heeft in onze taal geene verdubbeling plaats; spellingen b. v. alskannten,stellten, zooals het Hoogduitschdie in de verbogen vormen der werkwoorden gebruikt, zijn bij ons onbekend. Slechts schijnbaar maken de woorden alswasschen,flesschen,visschen, enz. eene uitzondering. Dechis in de genoemde en alle dergelijke woorden stom geworden, zoodatwasschen,flesschen,visschenenz. eigenlijk hetzelfde is alswassen,flessen,vissen, waarin desregelmatig verdubbeld wordt. (Grondbeg.§ 96).20. Uit de drie voorgaande § § vloeit de volgende regel voort:Tusschenletters worden in vier gevallen niet verdubbeld, namelijk:1. niet achter heldere klinkers en tweeklanken; b. v. indagen,leven,blijven,huizenenz.2. niet achter toonlooze klinkers, b. v. inengelen,perziken,kievitenenz.; behalve desinkennissen,vonnissenen innotarissenenz.3. niet, wanneer er twee verschillende tusschenletters zijn, met de schijnbare uitzondering bij deschinwasschen,tusschenenz.4. niet wanneer de tusschenletter eenechis; b. v. inlachen,lichaamenz.21. Het behoeft nauwelijks vermelding, dat deze regels niet van toepassing zijn bij samengestelde en afgeleide woorden, wier deelen onverminkt behooren te blijven. Men schrijft te recht tweed’s,g’senz. inhoofddeel,waaggeld, uithoofdendeel,waagengeld; en zoo ook tweel’sinadellijkenmiddellijkvanadelenmiddel, door aanhechting van het achtervoegsel -lijk. (Grondbeg.§ 113).De halfklinkersjenw.22. Dej, welke de gebruikelijke spelling in woorden alsbaaijen,breijen,boeijen,buijenenz. invoegt, is geheel overtollig, nadeelig voor de uitspraak en strijdig met de regelmaat. Zij is overtollig, omdat de klank, dien zij moet voorstellen, vanzelf ontstaat en dus niet behoeft aangeduid te worden. Zij is nadeelig voor de uitspraak, omdat zij slechts aanleiding kan geven, dat men den bedoelden klank te sterk uitspreekt; b. v. inhooijer,leijen,strooijenten onrechte even sterk als in (een goed)hooijaar,leijonker,strooijonker. Zij strijdt met de analogie, omdat de spellingbaaijen,reijen,boeijen,luije,mooijeenz., om regelmatig te kunnen heeten, niet slechts eenejinbijjen,rijjen,pijjenenz., maar ookbaaij,reij,luij,mooijzou eischen, evenzeer als uitlooden,boegen,bloote,vroege, de spellinglood,boeg,bloot,vroegvolgt. Wij mochten dus niet aarzelen, door het weglaten der overtolligejde spelling der woorden, waarin tweeklanken opivoorkomen, in overeenstemming te brengen met den erkenden regel betreffende het spellen van de onverbogen vormen der verbuigbare woorden, en zoodoende eene nuttelooze onregelmatigheid uit onze spraakkunst weg te nemen. Wij schrijven uit dien hoofde:baaien,zaaien,breien,leien,gooien,hooien,buien,kruien,zaaier,hooier,kruier,bemoeiing,voltooiingenz., in overeenstemming metreeën,zeeën,tweeën,theeën,drieën,knieën,spieën, waarin evenzeer eene flauwejgehoord wordt. (Grondbeg.§ 92).23. De spellingverw,verwpot,verwenenz. is thans strijdig met de uitspraak, waarin dewdoorfenvvervangen is. Wij schrijven daaromverf,verfpot,verfwaren,verven,verver,ververij. (Grondbeg.§ 126).De vloeiende letterslenn.24. Reeds vanouds bestonden er een aantal samenstellingen metmiddel, alsmiddelpunt,middellinieenz. In den laatsten tijd is men begonnen ook metmiddensamen te stellen, en naastmiddeleeuwenenmiddelpuntookmiddeneeuwen,middenpuntenz. te schrijven. Daar nu de beteekenis vanmiddelenmiddenin al die woorden volkomen dezelfde is, en de eene vorm niet welluidender dan de andere klinkt, bestaat er geene reden om nu zus dan zoo te schrijven. Wij spellen daarom consequent:middeleeuwen,middelevenredig,middelpunt,Middelnederlandschenz., in overeenstemming metmiddeldeur,middellandsch,middellijf,middellijn,middelmaat,middelmatig,middelmuur,middelpad,middelschot,middelsoort,middelstandenz., waarin men nooitmiddenaantreft. (Grondbeg.§ 114).25. Het manl. achtervoegsel -ing(zieGesl.§ 54) wisselde oudtijds af met den uitgang -ig, die nog inhonigvoorkomt. De vormhoning, die in de spreektaal de gebruikelijkste is, heeft dus evenveel recht van bestaan alshonig. Daarom achten wij ons verplicht beide vormen, zoowelhoning,honingratenenz., alshonig,honigratenenz., te erkennen.26. De spelling der verkleinwoorden met eenen, als:boekjen,huisjen,kopjen,schoteltjen,boekjens,huisjens,kopjens,schoteltjens,stilletjens,zachtjens, is strijdig met de beschaafde uitspraak niet alleen, maar ook met de meeste dialecten. Wij schrijven daarom overeenkomstig de meest algemeene uitspraak:bankje,boekje,bloempje,huisje,kopje,stilletjes,warmpjes,zachtjes,zoetjesenz. zondern.Anders is het gelegen met de verkleinwoorden op -kenof -ke. Deze zijn verouderd en worden alleen nog in den kanselstijl en in sommige dialecten gebezigd, en dan meestal metnuitgesproken. Wij schrijven om die redenkindeken,jongsken,dochterkenenz., te meer daar de beschaafde uitspraak denvolstrekt eischt inallengskensenzachtkens. In gemeenzamen stijl evenwel, waar -kenstijf zou klinken, zien wij geen bezwaar inboekske,penningskeenz. (Grondbeg.§ 119).De keellettersg, chenk.27. De geadspireerde keelklank, gevolgd door eenet, die tot dezelfde lettergreep behoort, wordt, zonder op de afleiding te letten, overeenkomstig de uitspraak, metchgeschreven, b. v. inacht,biecht,dracht,gewicht,gezicht,jacht,klacht,lucht,nacht,plecht,plechtig,plicht,recht,rechter,richten,slecht,tocht,vlucht,zuchtenz., en zoo ook ingeslachtenlicht, in alle beteekenissen, niettegenstaande een aantal der genoemde woorden van stammen metgzijn gevormd, alsdracht,jacht,klachtenz. vandragen,jagen,klagen.Daarentegen blijft degin de regelmatige vervoeging der werkwoorden, wier stam opgeindigt, en in de zelfst. nw. door achtervoeging van -tegevormd van bijvoegl. nw. opg; b. v. indraagt,jaagt,klaagt,pleegt,weegt,ligt(vanliggen),zoogt,zuigtenz., en inlaagte,leegte,droogte,hoogte,vroegte,ruigte,menigteenz., waarin detsteeds tot de volgende lettergreep te behoort.De onvolm. verledene tijden der onregelmatige werkw.brengen,mogenenplegenbehooren metchte worden gespeld:bracht,brachten,mocht,mochten,placht,plachten, en zoo ook het verl. deelw.gebracht; dewijl detdaarin in alle vormen blijft. Daarentegen behoort menbrengt,moogt,pleegtmetgte schrijven, omdat detniet wordt aangetroffen in de overige vormen van den tegenw. tijd:breng,brengen,mag,mogen,pleeg,plegen.Evenzoo is de spellingAagtenaagtappelregelmatig, dewijl detin deze verkorte vormen slechts toevallig op degvolgt, maar er in denonverminktenvormAgathadoor eeneavan gescheiden is.Het opvolgen dezer regels maakt een einde aan eene der lastigste onderscheidingen, die de gebruikelijke spelling met zich bracht, en aan de willekeur, die daarbij heerschte. Zoo schreef zij o. a.ligtenregtvoor, ofschoon die woorden niet in verband staan met eenig woord, waarin eenegvoorkomt.Daarentegen gaf zij aangeslacht,tucht,tuchtigendech, hoewel deze woorden metslagentoog,togensamenhangen. (Grondbeg.§ 94).28. Onzeghad oudtijds denzelfden klank als de Franschegingrand,garde, en was dus toen eene zachtek, gelijk zij thans eene zachtechkan genoemd worden. Wanneer zij als sluitletter door eenenwordt voorafgegaan, b. v. intang,ring, dan heeft zij nog een zweem van haar vroegeren klank behouden en gaat dientengevolge alsdan dikwijls over ink, b. v. inkoninklijkvankoning,aanvankelijkvanaanvangen,jonkheervanjongenz. Het is daarom strijdig met ons taaleigen, aan eene sluitendeg, door eenenvoorafgegaan, den klank eener zachtechte geven, en haar intang,tangen,ding,dingen, enz. zóó uit te spreken als inaangaan,ingetogen,ongelukkigenz. Daarom vervangen wijngdoornkin al die gevallen, waarin de spelling metngmeer bijzonder tot de verkeerde uitspraak aanleiding kan geven, namelijk inkoninkrijk,jonkheid,lankmoedig, en in de verkleinwoorden op -je, gevormd van woorden op -ing, wanneer deze lettergreep toonloos is, als inkoninkje,woninkje,rottinkje,kettinkjeenz.Wanneer -ingdoor eene toonlooze lettergreep wordt voorafgegaan en dus zelf den halven klemtoon heeft, gelijk b. v. inwandeling,teekening, dan wordt het verkleinwoord door aanhechting van -etjegevormd:wandelingetje,teekeningetjeenz., evenalstangetje,ringetje,tongetjeenz. (Grondbeg.§ 98).29. Sedert dechachter desin het midden en aan het einde der woorden stom geworden is, b. v. intusschen,menschen,disch,vischenz., heeft men haar ingelascht in sommige woorden, waar zij door de afleiding niet gevorderd wordt. In bijv. nw. alsgansch,heeschen andere is zulks eenigermate te rechtvaardigen (Grondbeg.§ 123), maar niet bijtorschen, waarin dechvolstrekt geen nut doet en met de afleiding strijdt. Wij spellen daaromtorsenzonderch.30. Ten behoeve der duidelijkheid blijven wij, evenals in de gebruikelijke spelling geschiedt,nog(daarenboven, tot nu toe) vannoch(ook niet) onderscheiden, ofschoon ook het eerstgenoemde woord volgens de afleiding eenechbehoorde te hebben. Innochtansechter, ofschoon uitnog dansamengesteld, geven wij de voorkeur aan dech, vermits wel deze scherpe keelletter, maar niet de zachteg, den overgang derdvandanin detvantansheeft kunnen veroorzaken, en het woord voor ons gevoel eene eenheid geworden is, waarbij aan de samenstellende deelen niet meer gedacht wordt, zoodat hier alleen de uitspraak behoort gevolgd te worden.31. De gebruikelijke spellingDingsdagberust op eene bedorven uitspraak, en maakt van den derden dag der week ten onrechte eendag der (rechts)gedingen. Daar de betere uitspraakDinsdagop vele plaatsen nog in gebruik is, hebben wij gemeend dezen minder verbasterden vorm te moeten verkiezen. Wij schrijven derhalveDinsdag, want het woord is eigenlijk Diesdag, d. i. aan den oorlogsgodDieofDiugewijd, met ingelaschten, gelijk inkinkhoestuitkiekhoest. (Grondbeg.§ 128).De tonglettersdent.32. Wanneer desdoor eene tongletter wordt voorafgegaan, dan is deze de scherpet; uitgezonderd in den 2dennv. der woorden opd, en in de bijvoegl. nw. en bijwoorden, door aanhechting vanschensvan woorden opdgevormd; en eindelijk inloods(in de beide beteekenissen), ingidsensmidse. Ingevolge dezen regel, die op de uitspraak en de afleiding gegrond is, schrijven wij niet alleentrots,scherts,plaats,rotsenz. mett, maar ookgutsvangieten;knotsvanknotten;rits,ritsig, verwant metwrijten;gutsen, uit het ouderegussenvervormd, enritselenvan onzekere afleiding. Daarentegen metd:Gods,des kinds,des bloeds,goedsmoeds,steedschensteeds,gindschengindsvangind(er). (Grondbeg.§ 99).33. De woorden op -aardbestaan eigenlijk uit het bijv. nw.hard, gevoegd achter een bijv. of zelfst. nw. Zoo zijn b. v.bloodaard,grijsaard,gulzigaard, gevormd van de bijv. nw.blood,grijs,gulzig, enbankaardvan het znw.bank. Die woorden behooren dus met dedvanhardgeschreven te worden: en daar zij oorspronkelijk samenstellingen zijn, laat het gebruik te recht het grondwoord onveranderd en schrijftlafaard,grijsaard, nietlaffaard,grijzaard.Grijnzaardenveinzaardechter zijn tegen den regel van een werkwoord gevormd en uitgrijnzer,veinzerverbasterd. Zij kunnen dus niet als samenstellingen beschouwd worden, maar behooren den regel der afleidingen te volgen en (gelijkveinzer,lezerenz.) met dezgeschreven te worden. (Grondbeg.§ 100).34. De meervoudenrittenenbintenbewijzen, dat dedvanrijdenenbindenin de genoemde woorden tottis verscherpt, gelijk zulks ten aanzien van dedvanmedein het voorzetselmetsinds lang algemeen erkend is. De woordenrid,bindenmedmetdhebben dus feitelijk opgehouden te bestaan, en zijn doorrit,bintenmetvervangen. Het is derhalve regelmatig ookritmeester,gebintenenmetgezelte schrijven. (Grondbeg.§ 102).35. Dezelfde verscherping heeft dedondergaan voor het achtervoegsel -nisin de stammen der werkwoorden, die uitgaan opd, voorafgegaan door eenelofn. Ten onrechte heeft men inbeeldtenisenverbindteniseenedingevoegd, die aan eene afleiding met-tedoet denken. De ware spelling isbeeltenisenverbintenis, evenalsontstentenis, waarin men nooit eenedheeft geschreven, hoewel het op gelijke wijze afstamt vanontstanden, bijvorm vanontstaan(in den ouden zin vanontbreken). (Grondbeg.§ 102).36. Ofschoon de stofnaamkruit(poeder), wat den oorsprong betreft, hetzelfde woord is alskruid(gewas), is het echter thans door de geheel afwijkende beteekenis voor ons gevoel daarvan gescheiden. Reeds hierom is het wenschelijk, het onderscheid van beteekenis ook in de spelling te doen uitkomen. Daar komt bij, dat het woord in den zin vanpoedernu, zoo al niet tot de onverbuigbare, dan toch tot de onverbogen woorden behoort, aan welke de taal liefst de scherpe sluitletter pleegt toe te kennen. Het verkeert in hetzelfde geval alsschroot, dat ook eigenlijkschroodluidde (van ’t ww.schroden, snijden), en waarnevens nogschroodbeitelenschroodijzerbestaan. Wij schrijven daaromkruit(poeder),buskruit,rattenkruit, nevenskruid(gewas),kruiden,nieskruid,wormkruid. (Grondbeg.§ 127).37. De woorden op -leien -handezijn eigenlijk samenstellingen, waarin het eerste lid in den vrouwelijken 2dennv. staat. Regelmatig gevormd zijn derhalveallerlei,eenerlei,velerlei,menigerlei,twintigerleien -handeenz. Daarentegen hebben andere, alsvierderlei,vijfderlei,zesderleien -hande, eenedingelascht, die echter aan de beteekenis niets toedoet. Ten aanzien van twee woorden handelt het gebruik niet eenparig; men vindttweeërlei,drieërlei(-hande), entweederlei,driederlei(-hande) geschreven. Het is raadzaam, die onregelmatige vormen te verwerpen en aan de spraakkunstig juiste spellingtweeërleiendrieërlei(-hande) de voorkeur te geven. (Grondbeg.§ 93).38. De spellingKersdag,Kersfeest,Kersmisenz. maakt die woorden geheel onverstaanbaar. Het ongerijmde van die schrijfwijze komt vooral inkersboombelachelijk uit. De herstelling dertvan den naamKerst(Christus) doet den zin der woorden begrijpen, en verhindert althans aan eene verkeerde afleiding te denken. Wij schrijven daaromKerstdag, Kerstfeest,Kerstmis,kerstboomenz.—Daarentegen is er geene afdoende redenom inkermisenkerspeldekvankerkweder in te voegen. Sedert de kermissen in ons land niet meer met de feestdagen der kerkpatronen samenvallen, enspelde beteekenis vanrechtsgebiedverloren heeft, zou de spellingkerkmisenkerkspeldeze woorden vooral niet verstaanbaarder maken. Wij behouden daarom de gebruikelijke spellingkermis,kerspel.39. Reeds in de middeleeuwen onderging het woordliicteken(lijkteeken, d. i.blijkteeken) verbastering en ging over inlictekenenlitteken. Het veranderde tevens van beteekenis, en dit had eene miskenning van het geheele woord ten gevolge. Men vatte het op als teeken in het vleesch (lijk) en schreef daaromlikteeken, hetgeen niet verhinderde dat men voortginglitteekenuit te spreken. Daar nu de spellinglikteekenzoomin de afleiding als de beteekenis duidelijker maakt, schrijven wij overeenkomstig de uitspraak en het eeuwenoude gebruik:litteeken. (Grondbeg.§ 131).De liplettersvenf.40. De gebruikelijke spellingdiefeggedoet denken aan eene samenstelling vandiefmet zeker onbekend woordegge. Deze uitgang echter is slechts een achtervoegsel; het woord is niet door samenstelling, maar door afleiding gevormd. Het moet derhalve ook op de wijze der afgeleide woorden gespeld worden, dat wil hier zeggen, defmoet invveranderen: dusdievegge, gelijk indieverij,lieverdenz. (Grondbeg.§ 107).41. De beschaafde uitspraak heeft devvanvonkin het afgeleidefonkelen, wanneer dit woord overdrachtelijk wordt opgevat, totfverscherpt, en zoodoende een nieuw woord doen ontstaan nevensvonkelen, vonken schieten, in de eigenlijke opvatting. Wij schrijven daarom in den oneigenlijken zinfonkelen, en dus ookfonkelnieuw. (Grondbeg.§ 111).De sisletterssenz.42. Uit de bijwoordelijke uitdrukkingte zamenontstond eerst het bijw.tsamen, en hieruit, door het wegvallen dert, nadat zij deztotsverscherpt had,samen. Dit is dus inderdaad in oorsprong een ander woord dan zamen, en de scherpe uitspraak, die nog altijd de heerschende is, steunt op een goeden grond. Wij schrijven daaromsamenmetsaan het begin van alle samenstellingen, en zoo ook, wanneer het woord alleen staat:samenkomen,samenwerken,samenspraak,samenhangenz.Te samenzou echter niet te verdedigen zijn, dewijl het niets anders kan beteekenen dante te zamen, met dubbel voorzetsel. Daarom schrijven wij:Zij zullen er te zamen(ofer samen)heengaan. Ook blijft dezin het midden der woorden, die door samenstelling of door aanhechting van een voorvoegsel vanzamengevormd zijn, als inopzamelen,inzamelen,verzameling. (Grondbeg.§ 108).43. De gebruikelijke spelling schrijft naar eisch der afleiding en uitspraakgeenszins, maar strijdig met beideallezins,anderzins,eenigzins,veelzins. Naar analogie van het geheel onberispelijkegeenszins, behoort men ookalleszins,anderszins,eenigszins,veelszinste schrijven: eene spelling, die aan alle eischen der spraakkunst beantwoordt. (Grondbeg.§ 125).44. Het schrijven vanwijsst,boosst,loosst, als overtreffende trappen vanwijs,boos,loos, zou met de Nederl. begrippen aangaande de spelling in strijd en iets ongehoords zijn. Daarmede vervalt dan ook de spellingwijsste,boosste,loosste, en, naar analogie hiervan, ookvalschst,verschstenz. Wij schrijven derhalve, in de gevallen waar dergelijke harde vormen niet tevermijden mochten zijn:wijst—wijste,loost—looste,malscht—malschteenz., overeenkomstig de gebruikelijke spelling vanFriesch(nietFriessch),trotsch(niettrotssch), vanFriesentrots, die zelve opseindigen.Het achtervoegsel -ster, dat vrouwelijke persoonsnamen vormt, maakt steeds eene afzonderlijke lettergreep uit, en verschilt dus daarin van -sen -sch. Het behoudt daarom zijnes, b. v. inziekenoppasster,mutsenwaschsterenz. (Grondbeg.§ 124).

De verdubbeling der medeklinkers.17. De medeklinkers worden in het midden van een woord verdubbeld, wanneer de voorafgaande klinker kort is en de lettergreep den vollen of halven klemtoon heeft; b. v. inhebben,vlaggen,dekbedden,opstellen. De regelmatigheid zou dus ook eischen, dat dechwerd verdubbeld inlachchen,lichchaam,echchoenz. Intusschen heeft deze spelling nooit ingang gevonden, en schreef men doorgaans óflagchen,ligchaam, enz., óflachen,lichaam. Het was dus noodig, uit die twee gebrekkige schrijfwijzen eene te kiezen, daar aan het invoeren der dubbelech(lachchenenz.), die eigenlijk de regelmatige spelling zou zijn, wel niet te denken valt. Van die beide gebruikelijke schrijfwijzen is die met de enkelechnog de minst onregelmatige. Daarom spellen wijlachen,echo,lichaam,richel,tichel,bochelenz. (Grondbeg.§ 95).18. Na eene toonlooze lettergreep is de verdubbeling van den medeklinker niet slechts overtollig, maar zelfs nadeelig voor de uitspraak. Men schrijftwandelen,inboezemen,regenen,beteren,zondigen; de spellingwandellen,zondiggenenz. zou tot eene verkeerde uitspraak aanleiding geven.Niet eenparig echter handelt men bij de uitgangen -ik, -eriken -it, en schrijft b. v.leeuwerikken,kievittennevensmonnikenendiemiten, ofschoon deze woorden onderling en met die op -elen, -emen, -enenen -erengelijkstaan. Het is dus raadzaam, consequent te schrijvenleeuweriken,perziken,botteriken,zwezeriken,kieviten,diemiten, en zoo ookDokkumer,Gorkumerenz. Alleen op twee woorden is deze regel niet toepasselijk, t. w. opkennissenenvonnissen, die algemeen metssgeschreven worden, naar analogie vangeheimenissen,getuigenissenenz., waarin de lettergreepnisniet toonloos is, maar den halven klemtoon heeft. Ook in het meervoud der woorden, uitgaande op -aris(Lat. -arius), wordt desverdubbeld:archivarissen,commissarissen,notarissenenz.19. Bij twee verschillende medeklinkers heeft in onze taal geene verdubbeling plaats; spellingen b. v. alskannten,stellten, zooals het Hoogduitschdie in de verbogen vormen der werkwoorden gebruikt, zijn bij ons onbekend. Slechts schijnbaar maken de woorden alswasschen,flesschen,visschen, enz. eene uitzondering. Dechis in de genoemde en alle dergelijke woorden stom geworden, zoodatwasschen,flesschen,visschenenz. eigenlijk hetzelfde is alswassen,flessen,vissen, waarin desregelmatig verdubbeld wordt. (Grondbeg.§ 96).20. Uit de drie voorgaande § § vloeit de volgende regel voort:Tusschenletters worden in vier gevallen niet verdubbeld, namelijk:1. niet achter heldere klinkers en tweeklanken; b. v. indagen,leven,blijven,huizenenz.2. niet achter toonlooze klinkers, b. v. inengelen,perziken,kievitenenz.; behalve desinkennissen,vonnissenen innotarissenenz.3. niet, wanneer er twee verschillende tusschenletters zijn, met de schijnbare uitzondering bij deschinwasschen,tusschenenz.4. niet wanneer de tusschenletter eenechis; b. v. inlachen,lichaamenz.21. Het behoeft nauwelijks vermelding, dat deze regels niet van toepassing zijn bij samengestelde en afgeleide woorden, wier deelen onverminkt behooren te blijven. Men schrijft te recht tweed’s,g’senz. inhoofddeel,waaggeld, uithoofdendeel,waagengeld; en zoo ook tweel’sinadellijkenmiddellijkvanadelenmiddel, door aanhechting van het achtervoegsel -lijk. (Grondbeg.§ 113).

17. De medeklinkers worden in het midden van een woord verdubbeld, wanneer de voorafgaande klinker kort is en de lettergreep den vollen of halven klemtoon heeft; b. v. inhebben,vlaggen,dekbedden,opstellen. De regelmatigheid zou dus ook eischen, dat dechwerd verdubbeld inlachchen,lichchaam,echchoenz. Intusschen heeft deze spelling nooit ingang gevonden, en schreef men doorgaans óflagchen,ligchaam, enz., óflachen,lichaam. Het was dus noodig, uit die twee gebrekkige schrijfwijzen eene te kiezen, daar aan het invoeren der dubbelech(lachchenenz.), die eigenlijk de regelmatige spelling zou zijn, wel niet te denken valt. Van die beide gebruikelijke schrijfwijzen is die met de enkelechnog de minst onregelmatige. Daarom spellen wijlachen,echo,lichaam,richel,tichel,bochelenz. (Grondbeg.§ 95).

18. Na eene toonlooze lettergreep is de verdubbeling van den medeklinker niet slechts overtollig, maar zelfs nadeelig voor de uitspraak. Men schrijftwandelen,inboezemen,regenen,beteren,zondigen; de spellingwandellen,zondiggenenz. zou tot eene verkeerde uitspraak aanleiding geven.

Niet eenparig echter handelt men bij de uitgangen -ik, -eriken -it, en schrijft b. v.leeuwerikken,kievittennevensmonnikenendiemiten, ofschoon deze woorden onderling en met die op -elen, -emen, -enenen -erengelijkstaan. Het is dus raadzaam, consequent te schrijvenleeuweriken,perziken,botteriken,zwezeriken,kieviten,diemiten, en zoo ookDokkumer,Gorkumerenz. Alleen op twee woorden is deze regel niet toepasselijk, t. w. opkennissenenvonnissen, die algemeen metssgeschreven worden, naar analogie vangeheimenissen,getuigenissenenz., waarin de lettergreepnisniet toonloos is, maar den halven klemtoon heeft. Ook in het meervoud der woorden, uitgaande op -aris(Lat. -arius), wordt desverdubbeld:archivarissen,commissarissen,notarissenenz.

19. Bij twee verschillende medeklinkers heeft in onze taal geene verdubbeling plaats; spellingen b. v. alskannten,stellten, zooals het Hoogduitschdie in de verbogen vormen der werkwoorden gebruikt, zijn bij ons onbekend. Slechts schijnbaar maken de woorden alswasschen,flesschen,visschen, enz. eene uitzondering. Dechis in de genoemde en alle dergelijke woorden stom geworden, zoodatwasschen,flesschen,visschenenz. eigenlijk hetzelfde is alswassen,flessen,vissen, waarin desregelmatig verdubbeld wordt. (Grondbeg.§ 96).

20. Uit de drie voorgaande § § vloeit de volgende regel voort:

Tusschenletters worden in vier gevallen niet verdubbeld, namelijk:

1. niet achter heldere klinkers en tweeklanken; b. v. indagen,leven,blijven,huizenenz.

2. niet achter toonlooze klinkers, b. v. inengelen,perziken,kievitenenz.; behalve desinkennissen,vonnissenen innotarissenenz.

3. niet, wanneer er twee verschillende tusschenletters zijn, met de schijnbare uitzondering bij deschinwasschen,tusschenenz.

4. niet wanneer de tusschenletter eenechis; b. v. inlachen,lichaamenz.

21. Het behoeft nauwelijks vermelding, dat deze regels niet van toepassing zijn bij samengestelde en afgeleide woorden, wier deelen onverminkt behooren te blijven. Men schrijft te recht tweed’s,g’senz. inhoofddeel,waaggeld, uithoofdendeel,waagengeld; en zoo ook tweel’sinadellijkenmiddellijkvanadelenmiddel, door aanhechting van het achtervoegsel -lijk. (Grondbeg.§ 113).

De halfklinkersjenw.22. Dej, welke de gebruikelijke spelling in woorden alsbaaijen,breijen,boeijen,buijenenz. invoegt, is geheel overtollig, nadeelig voor de uitspraak en strijdig met de regelmaat. Zij is overtollig, omdat de klank, dien zij moet voorstellen, vanzelf ontstaat en dus niet behoeft aangeduid te worden. Zij is nadeelig voor de uitspraak, omdat zij slechts aanleiding kan geven, dat men den bedoelden klank te sterk uitspreekt; b. v. inhooijer,leijen,strooijenten onrechte even sterk als in (een goed)hooijaar,leijonker,strooijonker. Zij strijdt met de analogie, omdat de spellingbaaijen,reijen,boeijen,luije,mooijeenz., om regelmatig te kunnen heeten, niet slechts eenejinbijjen,rijjen,pijjenenz., maar ookbaaij,reij,luij,mooijzou eischen, evenzeer als uitlooden,boegen,bloote,vroege, de spellinglood,boeg,bloot,vroegvolgt. Wij mochten dus niet aarzelen, door het weglaten der overtolligejde spelling der woorden, waarin tweeklanken opivoorkomen, in overeenstemming te brengen met den erkenden regel betreffende het spellen van de onverbogen vormen der verbuigbare woorden, en zoodoende eene nuttelooze onregelmatigheid uit onze spraakkunst weg te nemen. Wij schrijven uit dien hoofde:baaien,zaaien,breien,leien,gooien,hooien,buien,kruien,zaaier,hooier,kruier,bemoeiing,voltooiingenz., in overeenstemming metreeën,zeeën,tweeën,theeën,drieën,knieën,spieën, waarin evenzeer eene flauwejgehoord wordt. (Grondbeg.§ 92).23. De spellingverw,verwpot,verwenenz. is thans strijdig met de uitspraak, waarin dewdoorfenvvervangen is. Wij schrijven daaromverf,verfpot,verfwaren,verven,verver,ververij. (Grondbeg.§ 126).

22. Dej, welke de gebruikelijke spelling in woorden alsbaaijen,breijen,boeijen,buijenenz. invoegt, is geheel overtollig, nadeelig voor de uitspraak en strijdig met de regelmaat. Zij is overtollig, omdat de klank, dien zij moet voorstellen, vanzelf ontstaat en dus niet behoeft aangeduid te worden. Zij is nadeelig voor de uitspraak, omdat zij slechts aanleiding kan geven, dat men den bedoelden klank te sterk uitspreekt; b. v. inhooijer,leijen,strooijenten onrechte even sterk als in (een goed)hooijaar,leijonker,strooijonker. Zij strijdt met de analogie, omdat de spellingbaaijen,reijen,boeijen,luije,mooijeenz., om regelmatig te kunnen heeten, niet slechts eenejinbijjen,rijjen,pijjenenz., maar ookbaaij,reij,luij,mooijzou eischen, evenzeer als uitlooden,boegen,bloote,vroege, de spellinglood,boeg,bloot,vroegvolgt. Wij mochten dus niet aarzelen, door het weglaten der overtolligejde spelling der woorden, waarin tweeklanken opivoorkomen, in overeenstemming te brengen met den erkenden regel betreffende het spellen van de onverbogen vormen der verbuigbare woorden, en zoodoende eene nuttelooze onregelmatigheid uit onze spraakkunst weg te nemen. Wij schrijven uit dien hoofde:baaien,zaaien,breien,leien,gooien,hooien,buien,kruien,zaaier,hooier,kruier,bemoeiing,voltooiingenz., in overeenstemming metreeën,zeeën,tweeën,theeën,drieën,knieën,spieën, waarin evenzeer eene flauwejgehoord wordt. (Grondbeg.§ 92).

23. De spellingverw,verwpot,verwenenz. is thans strijdig met de uitspraak, waarin dewdoorfenvvervangen is. Wij schrijven daaromverf,verfpot,verfwaren,verven,verver,ververij. (Grondbeg.§ 126).

De vloeiende letterslenn.24. Reeds vanouds bestonden er een aantal samenstellingen metmiddel, alsmiddelpunt,middellinieenz. In den laatsten tijd is men begonnen ook metmiddensamen te stellen, en naastmiddeleeuwenenmiddelpuntookmiddeneeuwen,middenpuntenz. te schrijven. Daar nu de beteekenis vanmiddelenmiddenin al die woorden volkomen dezelfde is, en de eene vorm niet welluidender dan de andere klinkt, bestaat er geene reden om nu zus dan zoo te schrijven. Wij spellen daarom consequent:middeleeuwen,middelevenredig,middelpunt,Middelnederlandschenz., in overeenstemming metmiddeldeur,middellandsch,middellijf,middellijn,middelmaat,middelmatig,middelmuur,middelpad,middelschot,middelsoort,middelstandenz., waarin men nooitmiddenaantreft. (Grondbeg.§ 114).25. Het manl. achtervoegsel -ing(zieGesl.§ 54) wisselde oudtijds af met den uitgang -ig, die nog inhonigvoorkomt. De vormhoning, die in de spreektaal de gebruikelijkste is, heeft dus evenveel recht van bestaan alshonig. Daarom achten wij ons verplicht beide vormen, zoowelhoning,honingratenenz., alshonig,honigratenenz., te erkennen.26. De spelling der verkleinwoorden met eenen, als:boekjen,huisjen,kopjen,schoteltjen,boekjens,huisjens,kopjens,schoteltjens,stilletjens,zachtjens, is strijdig met de beschaafde uitspraak niet alleen, maar ook met de meeste dialecten. Wij schrijven daarom overeenkomstig de meest algemeene uitspraak:bankje,boekje,bloempje,huisje,kopje,stilletjes,warmpjes,zachtjes,zoetjesenz. zondern.Anders is het gelegen met de verkleinwoorden op -kenof -ke. Deze zijn verouderd en worden alleen nog in den kanselstijl en in sommige dialecten gebezigd, en dan meestal metnuitgesproken. Wij schrijven om die redenkindeken,jongsken,dochterkenenz., te meer daar de beschaafde uitspraak denvolstrekt eischt inallengskensenzachtkens. In gemeenzamen stijl evenwel, waar -kenstijf zou klinken, zien wij geen bezwaar inboekske,penningskeenz. (Grondbeg.§ 119).

24. Reeds vanouds bestonden er een aantal samenstellingen metmiddel, alsmiddelpunt,middellinieenz. In den laatsten tijd is men begonnen ook metmiddensamen te stellen, en naastmiddeleeuwenenmiddelpuntookmiddeneeuwen,middenpuntenz. te schrijven. Daar nu de beteekenis vanmiddelenmiddenin al die woorden volkomen dezelfde is, en de eene vorm niet welluidender dan de andere klinkt, bestaat er geene reden om nu zus dan zoo te schrijven. Wij spellen daarom consequent:middeleeuwen,middelevenredig,middelpunt,Middelnederlandschenz., in overeenstemming metmiddeldeur,middellandsch,middellijf,middellijn,middelmaat,middelmatig,middelmuur,middelpad,middelschot,middelsoort,middelstandenz., waarin men nooitmiddenaantreft. (Grondbeg.§ 114).

25. Het manl. achtervoegsel -ing(zieGesl.§ 54) wisselde oudtijds af met den uitgang -ig, die nog inhonigvoorkomt. De vormhoning, die in de spreektaal de gebruikelijkste is, heeft dus evenveel recht van bestaan alshonig. Daarom achten wij ons verplicht beide vormen, zoowelhoning,honingratenenz., alshonig,honigratenenz., te erkennen.

26. De spelling der verkleinwoorden met eenen, als:boekjen,huisjen,kopjen,schoteltjen,boekjens,huisjens,kopjens,schoteltjens,stilletjens,zachtjens, is strijdig met de beschaafde uitspraak niet alleen, maar ook met de meeste dialecten. Wij schrijven daarom overeenkomstig de meest algemeene uitspraak:bankje,boekje,bloempje,huisje,kopje,stilletjes,warmpjes,zachtjes,zoetjesenz. zondern.

Anders is het gelegen met de verkleinwoorden op -kenof -ke. Deze zijn verouderd en worden alleen nog in den kanselstijl en in sommige dialecten gebezigd, en dan meestal metnuitgesproken. Wij schrijven om die redenkindeken,jongsken,dochterkenenz., te meer daar de beschaafde uitspraak denvolstrekt eischt inallengskensenzachtkens. In gemeenzamen stijl evenwel, waar -kenstijf zou klinken, zien wij geen bezwaar inboekske,penningskeenz. (Grondbeg.§ 119).

De keellettersg, chenk.27. De geadspireerde keelklank, gevolgd door eenet, die tot dezelfde lettergreep behoort, wordt, zonder op de afleiding te letten, overeenkomstig de uitspraak, metchgeschreven, b. v. inacht,biecht,dracht,gewicht,gezicht,jacht,klacht,lucht,nacht,plecht,plechtig,plicht,recht,rechter,richten,slecht,tocht,vlucht,zuchtenz., en zoo ook ingeslachtenlicht, in alle beteekenissen, niettegenstaande een aantal der genoemde woorden van stammen metgzijn gevormd, alsdracht,jacht,klachtenz. vandragen,jagen,klagen.Daarentegen blijft degin de regelmatige vervoeging der werkwoorden, wier stam opgeindigt, en in de zelfst. nw. door achtervoeging van -tegevormd van bijvoegl. nw. opg; b. v. indraagt,jaagt,klaagt,pleegt,weegt,ligt(vanliggen),zoogt,zuigtenz., en inlaagte,leegte,droogte,hoogte,vroegte,ruigte,menigteenz., waarin detsteeds tot de volgende lettergreep te behoort.De onvolm. verledene tijden der onregelmatige werkw.brengen,mogenenplegenbehooren metchte worden gespeld:bracht,brachten,mocht,mochten,placht,plachten, en zoo ook het verl. deelw.gebracht; dewijl detdaarin in alle vormen blijft. Daarentegen behoort menbrengt,moogt,pleegtmetgte schrijven, omdat detniet wordt aangetroffen in de overige vormen van den tegenw. tijd:breng,brengen,mag,mogen,pleeg,plegen.Evenzoo is de spellingAagtenaagtappelregelmatig, dewijl detin deze verkorte vormen slechts toevallig op degvolgt, maar er in denonverminktenvormAgathadoor eeneavan gescheiden is.Het opvolgen dezer regels maakt een einde aan eene der lastigste onderscheidingen, die de gebruikelijke spelling met zich bracht, en aan de willekeur, die daarbij heerschte. Zoo schreef zij o. a.ligtenregtvoor, ofschoon die woorden niet in verband staan met eenig woord, waarin eenegvoorkomt.Daarentegen gaf zij aangeslacht,tucht,tuchtigendech, hoewel deze woorden metslagentoog,togensamenhangen. (Grondbeg.§ 94).28. Onzeghad oudtijds denzelfden klank als de Franschegingrand,garde, en was dus toen eene zachtek, gelijk zij thans eene zachtechkan genoemd worden. Wanneer zij als sluitletter door eenenwordt voorafgegaan, b. v. intang,ring, dan heeft zij nog een zweem van haar vroegeren klank behouden en gaat dientengevolge alsdan dikwijls over ink, b. v. inkoninklijkvankoning,aanvankelijkvanaanvangen,jonkheervanjongenz. Het is daarom strijdig met ons taaleigen, aan eene sluitendeg, door eenenvoorafgegaan, den klank eener zachtechte geven, en haar intang,tangen,ding,dingen, enz. zóó uit te spreken als inaangaan,ingetogen,ongelukkigenz. Daarom vervangen wijngdoornkin al die gevallen, waarin de spelling metngmeer bijzonder tot de verkeerde uitspraak aanleiding kan geven, namelijk inkoninkrijk,jonkheid,lankmoedig, en in de verkleinwoorden op -je, gevormd van woorden op -ing, wanneer deze lettergreep toonloos is, als inkoninkje,woninkje,rottinkje,kettinkjeenz.Wanneer -ingdoor eene toonlooze lettergreep wordt voorafgegaan en dus zelf den halven klemtoon heeft, gelijk b. v. inwandeling,teekening, dan wordt het verkleinwoord door aanhechting van -etjegevormd:wandelingetje,teekeningetjeenz., evenalstangetje,ringetje,tongetjeenz. (Grondbeg.§ 98).29. Sedert dechachter desin het midden en aan het einde der woorden stom geworden is, b. v. intusschen,menschen,disch,vischenz., heeft men haar ingelascht in sommige woorden, waar zij door de afleiding niet gevorderd wordt. In bijv. nw. alsgansch,heeschen andere is zulks eenigermate te rechtvaardigen (Grondbeg.§ 123), maar niet bijtorschen, waarin dechvolstrekt geen nut doet en met de afleiding strijdt. Wij spellen daaromtorsenzonderch.30. Ten behoeve der duidelijkheid blijven wij, evenals in de gebruikelijke spelling geschiedt,nog(daarenboven, tot nu toe) vannoch(ook niet) onderscheiden, ofschoon ook het eerstgenoemde woord volgens de afleiding eenechbehoorde te hebben. Innochtansechter, ofschoon uitnog dansamengesteld, geven wij de voorkeur aan dech, vermits wel deze scherpe keelletter, maar niet de zachteg, den overgang derdvandanin detvantansheeft kunnen veroorzaken, en het woord voor ons gevoel eene eenheid geworden is, waarbij aan de samenstellende deelen niet meer gedacht wordt, zoodat hier alleen de uitspraak behoort gevolgd te worden.31. De gebruikelijke spellingDingsdagberust op eene bedorven uitspraak, en maakt van den derden dag der week ten onrechte eendag der (rechts)gedingen. Daar de betere uitspraakDinsdagop vele plaatsen nog in gebruik is, hebben wij gemeend dezen minder verbasterden vorm te moeten verkiezen. Wij schrijven derhalveDinsdag, want het woord is eigenlijk Diesdag, d. i. aan den oorlogsgodDieofDiugewijd, met ingelaschten, gelijk inkinkhoestuitkiekhoest. (Grondbeg.§ 128).

27. De geadspireerde keelklank, gevolgd door eenet, die tot dezelfde lettergreep behoort, wordt, zonder op de afleiding te letten, overeenkomstig de uitspraak, metchgeschreven, b. v. inacht,biecht,dracht,gewicht,gezicht,jacht,klacht,lucht,nacht,plecht,plechtig,plicht,recht,rechter,richten,slecht,tocht,vlucht,zuchtenz., en zoo ook ingeslachtenlicht, in alle beteekenissen, niettegenstaande een aantal der genoemde woorden van stammen metgzijn gevormd, alsdracht,jacht,klachtenz. vandragen,jagen,klagen.

Daarentegen blijft degin de regelmatige vervoeging der werkwoorden, wier stam opgeindigt, en in de zelfst. nw. door achtervoeging van -tegevormd van bijvoegl. nw. opg; b. v. indraagt,jaagt,klaagt,pleegt,weegt,ligt(vanliggen),zoogt,zuigtenz., en inlaagte,leegte,droogte,hoogte,vroegte,ruigte,menigteenz., waarin detsteeds tot de volgende lettergreep te behoort.

De onvolm. verledene tijden der onregelmatige werkw.brengen,mogenenplegenbehooren metchte worden gespeld:bracht,brachten,mocht,mochten,placht,plachten, en zoo ook het verl. deelw.gebracht; dewijl detdaarin in alle vormen blijft. Daarentegen behoort menbrengt,moogt,pleegtmetgte schrijven, omdat detniet wordt aangetroffen in de overige vormen van den tegenw. tijd:breng,brengen,mag,mogen,pleeg,plegen.

Evenzoo is de spellingAagtenaagtappelregelmatig, dewijl detin deze verkorte vormen slechts toevallig op degvolgt, maar er in denonverminktenvormAgathadoor eeneavan gescheiden is.

Het opvolgen dezer regels maakt een einde aan eene der lastigste onderscheidingen, die de gebruikelijke spelling met zich bracht, en aan de willekeur, die daarbij heerschte. Zoo schreef zij o. a.ligtenregtvoor, ofschoon die woorden niet in verband staan met eenig woord, waarin eenegvoorkomt.Daarentegen gaf zij aangeslacht,tucht,tuchtigendech, hoewel deze woorden metslagentoog,togensamenhangen. (Grondbeg.§ 94).

28. Onzeghad oudtijds denzelfden klank als de Franschegingrand,garde, en was dus toen eene zachtek, gelijk zij thans eene zachtechkan genoemd worden. Wanneer zij als sluitletter door eenenwordt voorafgegaan, b. v. intang,ring, dan heeft zij nog een zweem van haar vroegeren klank behouden en gaat dientengevolge alsdan dikwijls over ink, b. v. inkoninklijkvankoning,aanvankelijkvanaanvangen,jonkheervanjongenz. Het is daarom strijdig met ons taaleigen, aan eene sluitendeg, door eenenvoorafgegaan, den klank eener zachtechte geven, en haar intang,tangen,ding,dingen, enz. zóó uit te spreken als inaangaan,ingetogen,ongelukkigenz. Daarom vervangen wijngdoornkin al die gevallen, waarin de spelling metngmeer bijzonder tot de verkeerde uitspraak aanleiding kan geven, namelijk inkoninkrijk,jonkheid,lankmoedig, en in de verkleinwoorden op -je, gevormd van woorden op -ing, wanneer deze lettergreep toonloos is, als inkoninkje,woninkje,rottinkje,kettinkjeenz.

Wanneer -ingdoor eene toonlooze lettergreep wordt voorafgegaan en dus zelf den halven klemtoon heeft, gelijk b. v. inwandeling,teekening, dan wordt het verkleinwoord door aanhechting van -etjegevormd:wandelingetje,teekeningetjeenz., evenalstangetje,ringetje,tongetjeenz. (Grondbeg.§ 98).

29. Sedert dechachter desin het midden en aan het einde der woorden stom geworden is, b. v. intusschen,menschen,disch,vischenz., heeft men haar ingelascht in sommige woorden, waar zij door de afleiding niet gevorderd wordt. In bijv. nw. alsgansch,heeschen andere is zulks eenigermate te rechtvaardigen (Grondbeg.§ 123), maar niet bijtorschen, waarin dechvolstrekt geen nut doet en met de afleiding strijdt. Wij spellen daaromtorsenzonderch.

30. Ten behoeve der duidelijkheid blijven wij, evenals in de gebruikelijke spelling geschiedt,nog(daarenboven, tot nu toe) vannoch(ook niet) onderscheiden, ofschoon ook het eerstgenoemde woord volgens de afleiding eenechbehoorde te hebben. Innochtansechter, ofschoon uitnog dansamengesteld, geven wij de voorkeur aan dech, vermits wel deze scherpe keelletter, maar niet de zachteg, den overgang derdvandanin detvantansheeft kunnen veroorzaken, en het woord voor ons gevoel eene eenheid geworden is, waarbij aan de samenstellende deelen niet meer gedacht wordt, zoodat hier alleen de uitspraak behoort gevolgd te worden.

31. De gebruikelijke spellingDingsdagberust op eene bedorven uitspraak, en maakt van den derden dag der week ten onrechte eendag der (rechts)gedingen. Daar de betere uitspraakDinsdagop vele plaatsen nog in gebruik is, hebben wij gemeend dezen minder verbasterden vorm te moeten verkiezen. Wij schrijven derhalveDinsdag, want het woord is eigenlijk Diesdag, d. i. aan den oorlogsgodDieofDiugewijd, met ingelaschten, gelijk inkinkhoestuitkiekhoest. (Grondbeg.§ 128).

De tonglettersdent.32. Wanneer desdoor eene tongletter wordt voorafgegaan, dan is deze de scherpet; uitgezonderd in den 2dennv. der woorden opd, en in de bijvoegl. nw. en bijwoorden, door aanhechting vanschensvan woorden opdgevormd; en eindelijk inloods(in de beide beteekenissen), ingidsensmidse. Ingevolge dezen regel, die op de uitspraak en de afleiding gegrond is, schrijven wij niet alleentrots,scherts,plaats,rotsenz. mett, maar ookgutsvangieten;knotsvanknotten;rits,ritsig, verwant metwrijten;gutsen, uit het ouderegussenvervormd, enritselenvan onzekere afleiding. Daarentegen metd:Gods,des kinds,des bloeds,goedsmoeds,steedschensteeds,gindschengindsvangind(er). (Grondbeg.§ 99).33. De woorden op -aardbestaan eigenlijk uit het bijv. nw.hard, gevoegd achter een bijv. of zelfst. nw. Zoo zijn b. v.bloodaard,grijsaard,gulzigaard, gevormd van de bijv. nw.blood,grijs,gulzig, enbankaardvan het znw.bank. Die woorden behooren dus met dedvanhardgeschreven te worden: en daar zij oorspronkelijk samenstellingen zijn, laat het gebruik te recht het grondwoord onveranderd en schrijftlafaard,grijsaard, nietlaffaard,grijzaard.Grijnzaardenveinzaardechter zijn tegen den regel van een werkwoord gevormd en uitgrijnzer,veinzerverbasterd. Zij kunnen dus niet als samenstellingen beschouwd worden, maar behooren den regel der afleidingen te volgen en (gelijkveinzer,lezerenz.) met dezgeschreven te worden. (Grondbeg.§ 100).34. De meervoudenrittenenbintenbewijzen, dat dedvanrijdenenbindenin de genoemde woorden tottis verscherpt, gelijk zulks ten aanzien van dedvanmedein het voorzetselmetsinds lang algemeen erkend is. De woordenrid,bindenmedmetdhebben dus feitelijk opgehouden te bestaan, en zijn doorrit,bintenmetvervangen. Het is derhalve regelmatig ookritmeester,gebintenenmetgezelte schrijven. (Grondbeg.§ 102).35. Dezelfde verscherping heeft dedondergaan voor het achtervoegsel -nisin de stammen der werkwoorden, die uitgaan opd, voorafgegaan door eenelofn. Ten onrechte heeft men inbeeldtenisenverbindteniseenedingevoegd, die aan eene afleiding met-tedoet denken. De ware spelling isbeeltenisenverbintenis, evenalsontstentenis, waarin men nooit eenedheeft geschreven, hoewel het op gelijke wijze afstamt vanontstanden, bijvorm vanontstaan(in den ouden zin vanontbreken). (Grondbeg.§ 102).36. Ofschoon de stofnaamkruit(poeder), wat den oorsprong betreft, hetzelfde woord is alskruid(gewas), is het echter thans door de geheel afwijkende beteekenis voor ons gevoel daarvan gescheiden. Reeds hierom is het wenschelijk, het onderscheid van beteekenis ook in de spelling te doen uitkomen. Daar komt bij, dat het woord in den zin vanpoedernu, zoo al niet tot de onverbuigbare, dan toch tot de onverbogen woorden behoort, aan welke de taal liefst de scherpe sluitletter pleegt toe te kennen. Het verkeert in hetzelfde geval alsschroot, dat ook eigenlijkschroodluidde (van ’t ww.schroden, snijden), en waarnevens nogschroodbeitelenschroodijzerbestaan. Wij schrijven daaromkruit(poeder),buskruit,rattenkruit, nevenskruid(gewas),kruiden,nieskruid,wormkruid. (Grondbeg.§ 127).37. De woorden op -leien -handezijn eigenlijk samenstellingen, waarin het eerste lid in den vrouwelijken 2dennv. staat. Regelmatig gevormd zijn derhalveallerlei,eenerlei,velerlei,menigerlei,twintigerleien -handeenz. Daarentegen hebben andere, alsvierderlei,vijfderlei,zesderleien -hande, eenedingelascht, die echter aan de beteekenis niets toedoet. Ten aanzien van twee woorden handelt het gebruik niet eenparig; men vindttweeërlei,drieërlei(-hande), entweederlei,driederlei(-hande) geschreven. Het is raadzaam, die onregelmatige vormen te verwerpen en aan de spraakkunstig juiste spellingtweeërleiendrieërlei(-hande) de voorkeur te geven. (Grondbeg.§ 93).38. De spellingKersdag,Kersfeest,Kersmisenz. maakt die woorden geheel onverstaanbaar. Het ongerijmde van die schrijfwijze komt vooral inkersboombelachelijk uit. De herstelling dertvan den naamKerst(Christus) doet den zin der woorden begrijpen, en verhindert althans aan eene verkeerde afleiding te denken. Wij schrijven daaromKerstdag, Kerstfeest,Kerstmis,kerstboomenz.—Daarentegen is er geene afdoende redenom inkermisenkerspeldekvankerkweder in te voegen. Sedert de kermissen in ons land niet meer met de feestdagen der kerkpatronen samenvallen, enspelde beteekenis vanrechtsgebiedverloren heeft, zou de spellingkerkmisenkerkspeldeze woorden vooral niet verstaanbaarder maken. Wij behouden daarom de gebruikelijke spellingkermis,kerspel.39. Reeds in de middeleeuwen onderging het woordliicteken(lijkteeken, d. i.blijkteeken) verbastering en ging over inlictekenenlitteken. Het veranderde tevens van beteekenis, en dit had eene miskenning van het geheele woord ten gevolge. Men vatte het op als teeken in het vleesch (lijk) en schreef daaromlikteeken, hetgeen niet verhinderde dat men voortginglitteekenuit te spreken. Daar nu de spellinglikteekenzoomin de afleiding als de beteekenis duidelijker maakt, schrijven wij overeenkomstig de uitspraak en het eeuwenoude gebruik:litteeken. (Grondbeg.§ 131).

32. Wanneer desdoor eene tongletter wordt voorafgegaan, dan is deze de scherpet; uitgezonderd in den 2dennv. der woorden opd, en in de bijvoegl. nw. en bijwoorden, door aanhechting vanschensvan woorden opdgevormd; en eindelijk inloods(in de beide beteekenissen), ingidsensmidse. Ingevolge dezen regel, die op de uitspraak en de afleiding gegrond is, schrijven wij niet alleentrots,scherts,plaats,rotsenz. mett, maar ookgutsvangieten;knotsvanknotten;rits,ritsig, verwant metwrijten;gutsen, uit het ouderegussenvervormd, enritselenvan onzekere afleiding. Daarentegen metd:Gods,des kinds,des bloeds,goedsmoeds,steedschensteeds,gindschengindsvangind(er). (Grondbeg.§ 99).

33. De woorden op -aardbestaan eigenlijk uit het bijv. nw.hard, gevoegd achter een bijv. of zelfst. nw. Zoo zijn b. v.bloodaard,grijsaard,gulzigaard, gevormd van de bijv. nw.blood,grijs,gulzig, enbankaardvan het znw.bank. Die woorden behooren dus met dedvanhardgeschreven te worden: en daar zij oorspronkelijk samenstellingen zijn, laat het gebruik te recht het grondwoord onveranderd en schrijftlafaard,grijsaard, nietlaffaard,grijzaard.Grijnzaardenveinzaardechter zijn tegen den regel van een werkwoord gevormd en uitgrijnzer,veinzerverbasterd. Zij kunnen dus niet als samenstellingen beschouwd worden, maar behooren den regel der afleidingen te volgen en (gelijkveinzer,lezerenz.) met dezgeschreven te worden. (Grondbeg.§ 100).

34. De meervoudenrittenenbintenbewijzen, dat dedvanrijdenenbindenin de genoemde woorden tottis verscherpt, gelijk zulks ten aanzien van dedvanmedein het voorzetselmetsinds lang algemeen erkend is. De woordenrid,bindenmedmetdhebben dus feitelijk opgehouden te bestaan, en zijn doorrit,bintenmetvervangen. Het is derhalve regelmatig ookritmeester,gebintenenmetgezelte schrijven. (Grondbeg.§ 102).

35. Dezelfde verscherping heeft dedondergaan voor het achtervoegsel -nisin de stammen der werkwoorden, die uitgaan opd, voorafgegaan door eenelofn. Ten onrechte heeft men inbeeldtenisenverbindteniseenedingevoegd, die aan eene afleiding met-tedoet denken. De ware spelling isbeeltenisenverbintenis, evenalsontstentenis, waarin men nooit eenedheeft geschreven, hoewel het op gelijke wijze afstamt vanontstanden, bijvorm vanontstaan(in den ouden zin vanontbreken). (Grondbeg.§ 102).

36. Ofschoon de stofnaamkruit(poeder), wat den oorsprong betreft, hetzelfde woord is alskruid(gewas), is het echter thans door de geheel afwijkende beteekenis voor ons gevoel daarvan gescheiden. Reeds hierom is het wenschelijk, het onderscheid van beteekenis ook in de spelling te doen uitkomen. Daar komt bij, dat het woord in den zin vanpoedernu, zoo al niet tot de onverbuigbare, dan toch tot de onverbogen woorden behoort, aan welke de taal liefst de scherpe sluitletter pleegt toe te kennen. Het verkeert in hetzelfde geval alsschroot, dat ook eigenlijkschroodluidde (van ’t ww.schroden, snijden), en waarnevens nogschroodbeitelenschroodijzerbestaan. Wij schrijven daaromkruit(poeder),buskruit,rattenkruit, nevenskruid(gewas),kruiden,nieskruid,wormkruid. (Grondbeg.§ 127).

37. De woorden op -leien -handezijn eigenlijk samenstellingen, waarin het eerste lid in den vrouwelijken 2dennv. staat. Regelmatig gevormd zijn derhalveallerlei,eenerlei,velerlei,menigerlei,twintigerleien -handeenz. Daarentegen hebben andere, alsvierderlei,vijfderlei,zesderleien -hande, eenedingelascht, die echter aan de beteekenis niets toedoet. Ten aanzien van twee woorden handelt het gebruik niet eenparig; men vindttweeërlei,drieërlei(-hande), entweederlei,driederlei(-hande) geschreven. Het is raadzaam, die onregelmatige vormen te verwerpen en aan de spraakkunstig juiste spellingtweeërleiendrieërlei(-hande) de voorkeur te geven. (Grondbeg.§ 93).

38. De spellingKersdag,Kersfeest,Kersmisenz. maakt die woorden geheel onverstaanbaar. Het ongerijmde van die schrijfwijze komt vooral inkersboombelachelijk uit. De herstelling dertvan den naamKerst(Christus) doet den zin der woorden begrijpen, en verhindert althans aan eene verkeerde afleiding te denken. Wij schrijven daaromKerstdag, Kerstfeest,Kerstmis,kerstboomenz.—Daarentegen is er geene afdoende redenom inkermisenkerspeldekvankerkweder in te voegen. Sedert de kermissen in ons land niet meer met de feestdagen der kerkpatronen samenvallen, enspelde beteekenis vanrechtsgebiedverloren heeft, zou de spellingkerkmisenkerkspeldeze woorden vooral niet verstaanbaarder maken. Wij behouden daarom de gebruikelijke spellingkermis,kerspel.

39. Reeds in de middeleeuwen onderging het woordliicteken(lijkteeken, d. i.blijkteeken) verbastering en ging over inlictekenenlitteken. Het veranderde tevens van beteekenis, en dit had eene miskenning van het geheele woord ten gevolge. Men vatte het op als teeken in het vleesch (lijk) en schreef daaromlikteeken, hetgeen niet verhinderde dat men voortginglitteekenuit te spreken. Daar nu de spellinglikteekenzoomin de afleiding als de beteekenis duidelijker maakt, schrijven wij overeenkomstig de uitspraak en het eeuwenoude gebruik:litteeken. (Grondbeg.§ 131).

De liplettersvenf.40. De gebruikelijke spellingdiefeggedoet denken aan eene samenstelling vandiefmet zeker onbekend woordegge. Deze uitgang echter is slechts een achtervoegsel; het woord is niet door samenstelling, maar door afleiding gevormd. Het moet derhalve ook op de wijze der afgeleide woorden gespeld worden, dat wil hier zeggen, defmoet invveranderen: dusdievegge, gelijk indieverij,lieverdenz. (Grondbeg.§ 107).41. De beschaafde uitspraak heeft devvanvonkin het afgeleidefonkelen, wanneer dit woord overdrachtelijk wordt opgevat, totfverscherpt, en zoodoende een nieuw woord doen ontstaan nevensvonkelen, vonken schieten, in de eigenlijke opvatting. Wij schrijven daarom in den oneigenlijken zinfonkelen, en dus ookfonkelnieuw. (Grondbeg.§ 111).

40. De gebruikelijke spellingdiefeggedoet denken aan eene samenstelling vandiefmet zeker onbekend woordegge. Deze uitgang echter is slechts een achtervoegsel; het woord is niet door samenstelling, maar door afleiding gevormd. Het moet derhalve ook op de wijze der afgeleide woorden gespeld worden, dat wil hier zeggen, defmoet invveranderen: dusdievegge, gelijk indieverij,lieverdenz. (Grondbeg.§ 107).

41. De beschaafde uitspraak heeft devvanvonkin het afgeleidefonkelen, wanneer dit woord overdrachtelijk wordt opgevat, totfverscherpt, en zoodoende een nieuw woord doen ontstaan nevensvonkelen, vonken schieten, in de eigenlijke opvatting. Wij schrijven daarom in den oneigenlijken zinfonkelen, en dus ookfonkelnieuw. (Grondbeg.§ 111).

De sisletterssenz.42. Uit de bijwoordelijke uitdrukkingte zamenontstond eerst het bijw.tsamen, en hieruit, door het wegvallen dert, nadat zij deztotsverscherpt had,samen. Dit is dus inderdaad in oorsprong een ander woord dan zamen, en de scherpe uitspraak, die nog altijd de heerschende is, steunt op een goeden grond. Wij schrijven daaromsamenmetsaan het begin van alle samenstellingen, en zoo ook, wanneer het woord alleen staat:samenkomen,samenwerken,samenspraak,samenhangenz.Te samenzou echter niet te verdedigen zijn, dewijl het niets anders kan beteekenen dante te zamen, met dubbel voorzetsel. Daarom schrijven wij:Zij zullen er te zamen(ofer samen)heengaan. Ook blijft dezin het midden der woorden, die door samenstelling of door aanhechting van een voorvoegsel vanzamengevormd zijn, als inopzamelen,inzamelen,verzameling. (Grondbeg.§ 108).43. De gebruikelijke spelling schrijft naar eisch der afleiding en uitspraakgeenszins, maar strijdig met beideallezins,anderzins,eenigzins,veelzins. Naar analogie van het geheel onberispelijkegeenszins, behoort men ookalleszins,anderszins,eenigszins,veelszinste schrijven: eene spelling, die aan alle eischen der spraakkunst beantwoordt. (Grondbeg.§ 125).44. Het schrijven vanwijsst,boosst,loosst, als overtreffende trappen vanwijs,boos,loos, zou met de Nederl. begrippen aangaande de spelling in strijd en iets ongehoords zijn. Daarmede vervalt dan ook de spellingwijsste,boosste,loosste, en, naar analogie hiervan, ookvalschst,verschstenz. Wij schrijven derhalve, in de gevallen waar dergelijke harde vormen niet tevermijden mochten zijn:wijst—wijste,loost—looste,malscht—malschteenz., overeenkomstig de gebruikelijke spelling vanFriesch(nietFriessch),trotsch(niettrotssch), vanFriesentrots, die zelve opseindigen.Het achtervoegsel -ster, dat vrouwelijke persoonsnamen vormt, maakt steeds eene afzonderlijke lettergreep uit, en verschilt dus daarin van -sen -sch. Het behoudt daarom zijnes, b. v. inziekenoppasster,mutsenwaschsterenz. (Grondbeg.§ 124).

42. Uit de bijwoordelijke uitdrukkingte zamenontstond eerst het bijw.tsamen, en hieruit, door het wegvallen dert, nadat zij deztotsverscherpt had,samen. Dit is dus inderdaad in oorsprong een ander woord dan zamen, en de scherpe uitspraak, die nog altijd de heerschende is, steunt op een goeden grond. Wij schrijven daaromsamenmetsaan het begin van alle samenstellingen, en zoo ook, wanneer het woord alleen staat:samenkomen,samenwerken,samenspraak,samenhangenz.Te samenzou echter niet te verdedigen zijn, dewijl het niets anders kan beteekenen dante te zamen, met dubbel voorzetsel. Daarom schrijven wij:Zij zullen er te zamen(ofer samen)heengaan. Ook blijft dezin het midden der woorden, die door samenstelling of door aanhechting van een voorvoegsel vanzamengevormd zijn, als inopzamelen,inzamelen,verzameling. (Grondbeg.§ 108).

43. De gebruikelijke spelling schrijft naar eisch der afleiding en uitspraakgeenszins, maar strijdig met beideallezins,anderzins,eenigzins,veelzins. Naar analogie van het geheel onberispelijkegeenszins, behoort men ookalleszins,anderszins,eenigszins,veelszinste schrijven: eene spelling, die aan alle eischen der spraakkunst beantwoordt. (Grondbeg.§ 125).

44. Het schrijven vanwijsst,boosst,loosst, als overtreffende trappen vanwijs,boos,loos, zou met de Nederl. begrippen aangaande de spelling in strijd en iets ongehoords zijn. Daarmede vervalt dan ook de spellingwijsste,boosste,loosste, en, naar analogie hiervan, ookvalschst,verschstenz. Wij schrijven derhalve, in de gevallen waar dergelijke harde vormen niet tevermijden mochten zijn:wijst—wijste,loost—looste,malscht—malschteenz., overeenkomstig de gebruikelijke spelling vanFriesch(nietFriessch),trotsch(niettrotssch), vanFriesentrots, die zelve opseindigen.

Het achtervoegsel -ster, dat vrouwelijke persoonsnamen vormt, maakt steeds eene afzonderlijke lettergreep uit, en verschilt dus daarin van -sen -sch. Het behoudt daarom zijnes, b. v. inziekenoppasster,mutsenwaschsterenz. (Grondbeg.§ 124).

De samenstellingen.45.Samengestelde woordenzijn verbindingen van woorden, die tot één geheel vereenigd zijn met het doel om een nieuw begrip uit te drukken, verschillende van de som der begrippen, die door de afzonderlijke deelen aangeduid worden. Zoo beteekenen b. v.grootschriftenkleinkindiets anders dangroot schriftenklein kind.46. Alle samenstellingen bestaan uit twee deelen,ledengenoemd, die echter zelve samenstellingen kunnen zijn; b. v.huis-knecht,op-stellen,horloge-maker,werk-tuig,horlogemakers-werktuig.47. De deelen der samengestelde woorden worden aaneen geschreven of door een koppelteeken verbonden, soms met verandering van den vorm van het eerste lid. Hieruit volgt, dat de spelling in de eerste plaats de middelen aan de hand moet geven om te onderkennen, welke opeenvolgingen van woorden samenstellingen zijn en dus óf aaneen geschreven óf door koppelteekens verbonden moeten worden. Vervolgens moet zij ook den aard der veranderingen van het eerste lid doen kennen, voor zooverre deze niet duidelijk uit de uitspraak blijken.Regels voor het onderkennen der samenstellingen.(Grondbeg. § 134–153).48. Samengestelde woorden—en dus aaneen te schrijven—zijn alle opeenvolgingen van woorden, die los staande óf geene óf een verkeerden zin zouden opleveren.I. Tot de eerste soort behooren alle opeenvolgingen van woorden, die, wanneer zij vaneen geschreven werden, geen verstaanbaren zin zouden opleveren, tenzij men door verandering van den vorm der deelen, door omzetting of invoeging van andere woorden, den zin nader aanduidde; b. v.ijzerdraad,ijzeren draad;tweehonderd, tweemaal honderd;godmensch, goddelijk mensen;zeshoek, figuur met zes hoeken;badkuip, kuip om te baden, enz.Bijzondere soorten der hier bedoelde woorden zijn:1. De uitdrukkingen, door middel van een achtervoegsel van op zich zelve staande woorden gevormd; t. w.:a.Vele zelfst. nw. op -er, -steren -ing, alshouthakker, vanhout hakken;droogscheerder, vandroog scheren;invrijheidstelling,tekortkoming, vanin vrijheid stellen,te kort komen.b.Vele bijvoegl. nw. op -igen -sch, alsvierhoekig, vanvier hoeken;alledaagsch, vanalle dagen, enz.c.Alle bijwoordelijke uitdrukkingen met de zoogenaamde bijwoordelijkes, alsveeltijds,buitendijks,terloops.2. Die zelfst. nw., wier eerste lid een bijvoegl. nw. is, dat in de redegeene naamvalsveranderingen ondergaat, maar steeds denzelfden vorm behoudt; b. v.grootmeester,oudoom,kleinzoonenz. Men zegt:des grootmeesters,uwen oudoom,zijne kleinzoons, nietdes grooten meesters,uwen ouden oom,zijne kleine zoons, dan met verandering der beteekenissen.3. De uitdrukkingen, waarin woorden voorkomen met spraakkunstige vormen, die buiten zulke samenstellingen niet meer in gebruik zijn. Hiertoe behooren:a.De uitdrukkingen met het eerste lid in den sterken manl. of onz. 2dennv., alsgoedsmoeds,blootshoofdsenz., dewijl men niet meer zegt:des goeds moeds,des bloots hoofdsenz.b.De uitdrukkingen, bestaande uit een bijv. nw. in den sterken 2dennv. op -er, met een zelfst. nw., in oneigenlijken zin genomen; alsallerwegen,langzamerhand,toevalligerwijzeenz.c.De uitdrukkingen, bestaande uit een voorzetsel, gevolgd van een 2dennv.; alsbinnensmonds,buitenshuisenz.d.De uitdrukkingen, waarin het verbogen lidwoorddein teris veranderd; alsmetterdaad,mettertijdenz.e.De uitdrukkingen, beginnende metdèr,dèsenwès, verouderde 2denvll. vandieenwie; alsderhalve,desgelijks,deskundige,weshalveenz.II. Tot de tweede soort behooren alle opeenvolgingen van twee woorden, in welke een van beide of beide hunne gewone beteekenis hebben afgelegd, zoodat de zin der vereenigde begrippen een andere is dan die, welken de bloote som der beide begrippen zou medebrengen.Als zoodanig worden aaneen geschreven:1. De werkwoorden met de voorzetselsaan,achter,bij,door,om,onder,op,over,tegen,uitenvoor, welke voorzetsels alsdan in bijwoorden zijn overgegaan, en die met de bijwoordenaf,medeentoe, als:aanbinden,doorsteken,uithalen,afgaan,medeloopen,toestemmenenz.2. De werkwoorden, verbonden met een zelfst. of bijv. naamw., óf met een bijwoord van wijze, wanneer de beteekenis dier woorden of die van het werkw. zelf is gewijzigd; b. v.gadeslaan,rechtspreken,gevangennemen,goeddoen,vrijlaten,voortgaan,aaneenbinden,ondereenmengenenz.Wanneer het eerste woord eene bepaling bij zich nemen of in een der trappen van vergelijking staan kan, is zulks een bewijs, dat er geene samenstelling plaats heeft. Zoo zijn b. v.staat makenenfraai schrijvengeene samenstellingen, omdat men kan zeggengeen staat op iets maken,fraaier schrijvenenz.3. De bijvoegl. naamw., vergezeld van de bijw.wel,volenal, wanneer deze woorden den zin hebben vanzeer, alswelbespraakt,volzalig,aloudenz.; alsmede de titels, beginnende metedel,hoog,welenzeer, alsEdelgeboren,Hooggeleerd,Weledel,Zeergeleerdenz.4. De benamingen van kleuren, uit twee bijvoegl. nw. bestaande, alshooggeel,lichtblauw,donkerbruin,zwartbontenz.5. De voornaamw.degene,diegene,hetwelk,dezulkeendezelfde.6. De bijwoordelijke uitdrukkingen, bestaande uit twee bijwoorden, alsveeleer,zoozeer,zoolang,evengoedenz. (verschillende vanveel eerofeerder,zoo zeer,zoo lang,even goed); of uit een bijwoord en een voorzetsel, dat bijwoord geworden is, alskortom,voluitenz.7. De bijwoordenhier,daarenwaar, gevolgd door een voorzetsel, dat echter in deze verbinding als bijwoord moet opgevat worden. Zoo b. v.hierdoor,daaruit,waaronderenz.8. De bijwoordelijke uitdrukkingen, bestaande uit een voorzetsel gevolgd van een zelfst. of bijvoegl. nw., een bijwoord of een voornaamw., wanneer er wijziging van beteekenis plaats heeft; b. v.achterwege,overeind,overlang,voorzeker,voorgoed,vanhier,vandaar,overal,ondereenenz., verschillende vanvoor zeker,voor goed,van hier,van daar.9. De bijwoordenterstond,terugenternauwernood.10. De voorzetselstegenover,rondom,niettegenstaandeeningevolge.Andere uitdrukkingen, die de waarde van een voorzetsel hebben, alsuit hoofde,in geval,door toedoen,met betrekkingenz., blijven gescheiden, omdat het tweede lid, dat altijd een zelfst. nw. is, steeds zelf eene bepaling vereischt; alsuit hoofde van,in geval van,met betrekking totenz.11. Alle uitdrukkingen met de waarde van een voegwoord, waarin de beteekenis van ieder deel niet duidelijk uitkomt; b. v.alhoewel,zoodat,doordien,dientengevolgeenz.12. De tusschenwerpselshelaaseneilieve.Het gebruik van het koppelteeken.(Grondbeg. § 154–158).49. Wanneer het werkelijk aaneen schrijven van de deelen eener samenstelling een woord zou opleveren van een te vreemd voorkomen, of dat wegens zijne lengte moeilijk zou te overzien zijn, dan worden de deelen door een koppelteeken vereenigd.50. Het koppelteeken wordt derhalve gebezigd:1. In woorden, waarin eigennamen of van eigennamen gevormde bijv. nw. voorkomen; als inCayenne-peper,Manilla-sigaren,Portorico-tabak,Zuidzee-traan,Schakel-lijmenz.,Berlijnsch-blauw,Friesch-groen enz.,Engelsch-Russisch,Indo-Germaanschenz. Niet echter, wanneer de eigennaam in de uitspraak onherkenbaar misvormd of wel geheel vergeten is, als inportwijn,kwassiehout,spijkerbalsemenz.2. In titels, bestaande:a. Uit twee bastaardwoorden, alsadjunct-commies,minister-resident,luitenant-kolonelenz.b. Uit een Nederl. woord en een bastaardwoord, die beide reeds op zich zelve titels zijn, of waarvan het achterste een bijv. nw. is; alsgrootmeester-nationaal,kapitein-geweldiger,Staten-Generaal,raad-pensionarisenz.3. In geographische namen, bestaande uit een eigennaam en een bijv. nw. of bijwoord; alsGroot-Britannië,Nieuw-Holland,Noord-Brabant,West-Friesland,Beneden-Egypteenz.Bijvoegl. naamw. echter, van woorden als de hier bedoelde gevormd, worden (volgens § 48, I, 1,b) zonder koppelteeken aaneen geschreven; b. v.Noordhollandsch,Oostfrieschenz.4. In samenstellingen, waarin het eerste lid—hetzij een bijv. nw., hetzij een voornaamwoord, lidwoord of telwoord—alleen betrekking heeft op het eerste gedeelte der volgende samenstelling, en niet op dit woord in zijn geheel; alsbolvormige-driehoeksmeting,dolle-hondsbeet,klein-kinderschooltje,oude-mannenhuis,ijzeren-spoorweg,Sint-Jansdag,St.-Catharinagasthuis,Lieve-Vrouwenkerk,Mijns-Heerenland,’s-Gravenhage,’s-Hertogenbosch,de Vier-Heerenlandenenz.De verbindingsklanken tusschen de leden der samenstellingen.(Grondbeg. § 161–213).51. In de meeste samenstellingen blijft het eerste lid onverminkt; maar niet zelden neemt het een toevoegsel aan, hetwelkverbindingsklankofverbindingslettergenoemd wordt.52. Verminkingen hebben plaats:a.Bij de woorden op eene toonloozee, welke dieeook buiten de samenstelling kunnen missen; b. v. inaardbewoner,eindbesluitenz.b.Bij de woorden, die in het mv. op -erenof -ersuitgaan. Deze werpen in de samenstelling -enof -saf, als:kalvermarkt,raderwerkenz., nietkalversmarkt,raderenwerk.c.Bij werkwoorden, wier eerste lid eene zoogenaamde onbepaalde wijs is. Deze werpen denweg, b. v. inspelevaren, voorspelen varen.d.Bij de stammen opd, voorafgegaan door een helderen klinker of tweeklank, waarin eeneiofuvoorkomt, t. w.ij,ei,ui,ieenou. Deze werpen, althans in dagelijksche woorden, de d af, als inrijkunst,leiboom,luiklok,verspiejacht,houpaardje, vanrijd(en),leid(en),luid(en),verspied(en) enhoud(en).53. Deverbindingsklankenzijn -e-, -n-, -el-, -en-, -er- en -s-. In de meeste gevallen leert de uitspraak, wanneer in een woord verbindingsklanken voorkomen, en welke het zijn. Slechts in twee gevallen kan er onzekerheid bestaan, namelijk ten aanzien eenernachter eene toonloozee, b. v. inpaardemarktofpaardenmarkt; en ten aanzien eeners, wanneer het tweede lid metsofzbegint, b. v. indorpschoolofdorpsschool,varkenziekteofvarkensziekte. De spelling heeft regels te geven voor het gebruik der verbindings-nen der verbindings-s, vermits denachter de toonloozeeveelal zeer onduidelijk uitgesproken of wel geheel onderdrukt wordt, en eenesin eene volgendesofzwegsmelt.Regels voor het gebruik der verbindings-n.54. Wanneer het tweede lid eener samenstelling met een klinker of eenehaanvangt, voegt men ter vermijding van de gaping (hiatus) eenenachter de toonloozee; b. v. ingalgenaas,ganzenei,brillenhuisje,vossenholenz.Uitgezonderd zijn de samenstellingen met het onverbuigbaremede, en met die zelfst. nw., welke, gelijk bede, bode, vrede, op eene toonloozeeeindigen, die niet onderdrukt kan worden; b. v.medearbeider,bedehuis,bodeambt,vredehandelenz. Hiertoe behoort ookminnehandel, van het oudeminne, dat thansminluidt, maar in samenstellingen den ouden vorm behoudt, alsminnebrief,minnedichtenz.55. In woorden als’s-Gravendeel,’s-Gravenhage,’s-Gravenland,’s-Heerenberg,’s-Hertogenbosch,Mijns-Heerenland,Prinsenhage, behoort eenenals teeken van den 2dennv.56. Wanneer het eerste lidnoodwendigde voorstelling van een meervoud medebrengt, dan wordt achter eene toonloozeeeenengevoegd als teeken van het meervoud; b. v. inboekenkast,brievenbesteller,brillenslijper,dievenbende,hoedenmaker,kaarsenmakerij,stoelendraaierenz.57. Wanneer het eerste lidnoodwendigeen enkelvoud voorstelt, schrijft men het woord zondern, behalve in die gevallen, waarin deze letter, volgens § 54, ter vermijding van den hiatus gevorderd wordt. Zoo b. v.brilleglas,bruggegeld,eendevleugel,galgebrok,mollevel,paardevijg,speldeknopenz.Tot deze soort van woorden behooren mede de samenstellingen op -boom, wier eerste lid ook op zich zelf als de benaming van den boom gebezigd wordt: b. v.berkeboom,beukeboom,eikeboomenz.Ingalgenaas,eendenei,duivenoog,brillenhuisje,bruggenhoofdenz., kan den, wegens de volgende klinkers ofh’sniet gemist worden, ofschoon het eerste lid enkelvoudig is. Evenmin dus ook inberkenhout,eikenhoutenz.58. In woorden, het dagelijksch leven betreffende, wordt geeneningevoegd, wanneer de beteekenis de gedachte aan een enkelvoud maar eenigszins toelaat; dus niet inflesschebakje,hondeketting,pennemes,pijpedop,hoededoosenz.—Wanneer echter het enkelvoud geheel tegen de natuurlijke opvatting aandruischt, is ook in zulke woorden de meervoudsvorm metnonvermijdelijk, b. v. inflesschenrek,hondenkoopman,pennenkoker,speldenkussen,speldenwerk,takkenbosenz.59. Woorden, wier eerste lid een persoonsnaam is, die zekeren stand in de maatschappij uitdrukt, en het mv. uitsluitend met -envormt, alsboer(boeren),heer,slaaf,vrouwenz., eischen den meervoudsvorm opn; b. v.boerendochter,heerenknecht,slavendienst,vorstentelg,vrouwenkleedenz.60. Woorden, wier eerste lid een manlijke diernaam is, die geene samenstellingen metsvormt, nemen eenenals teeken van het meerv. aan, wanneer zijgewoonlijkgebezigd worden in eene beteekenis, waarbij men aan het geheele geslacht denkt; b. v.apengezicht,berenjong,drakenbloed,hazenlip,leeuwenwelpenz.61. De samengestelde namen van planten, wier eerste lid een diernaam is, zijn in twee soorten te onderscheiden. Zij zijn óf namen van lichaamsdeelen, alsganzetong; óf zij geven te kennen, dat de plant tot de diersoort in eenige betrekking staat, als slangenwortel. In het eerste geval staat de diernaam in het enkelvoud, b. v. inkattestaart,slangekop; in het laatste in het meervoud, b. v. inkattendoorn,slangenkruid.62. De samengestelde namen op -boom, wier eerste lid de vrucht aanduidt die de boom oplevert, of de bloem die hij voortbrengt, hebben het eerste lid in den enkelvoudsvorm; b. v.kerseboom,kastanjeboom,rozeboom,seringeboomenz.63. De woorden, wier eerste lidstellignu eens op een enkel- dan op een meervoud ziet, hebben twee vormen, den eenen zonder, den anderen met den, naar gelang der omstandigheden; b. v.ossevleeschenossenvleesch,gemzelederengemzenleder,paardestalenpaardenstal. In twijfelachtige gevallen kiest men dien vorm, die het meest te pas komt; b. v.ossevleesch, maarpaardenstal.64. Wanneer eene samenstelling in haar geheel een zelfst. nw. is, dat uit een bijvoeglijk woord en een zelfst. nw. bestaat, alshoogepriester,zoutevisch,roodekool,eenhoorn, dan wordt het bijvoegl. woord gedacht in den 1stennv. te staan en blijft den vorm van dien nv. onveranderlijk behouden. Zoo zegt men b. v. niet alleende hoogepriester,de eenhoorn, maar ookdes hoogepriesters,den eenhoornenz.65. Wanneer het laatste lid eener samenstelling een zelfst. nw., maar het geheele woord een bij- of voegwoord is, dan staat de geheele uitdrukking in den 2denof in den 4dennv., en heeft het eerste lid den vorm, dien geslacht en naamval vereischen. Zoo b. v.grootendeels(2denv. onz.),dewijl(4denv. vrouwel.).Regels voor het gebruik der verbindings-s.66. De verbindings-swordt als teeken van den 2dennv. niet alleen gevoegd achter manl. en onz. woorden, b. v. inbakkersnering,dorpsherberg, maar ook achter vrouwelijke, als instadsbestuur,zielsverdriet,vriendschapsbetoon. In woorden, wier tweede lid metsofzbegint, wordt zij ingelascht, wanneer ook de overige samenstellingen, waarin het eerste lid voorkomt, ontwijfelbaar eeneshebben. Zoo leeren b. v.krijgsmansdeugd,krijgsmanseed,krijgsmanseer,dorpsherberg,dorpshuis,dorpsleeraar,stadsmuur,stadswal,waarheidsliefdeenz., dat men ook eenesheeft te voegen inkrijgsmansstand,dorpsschool,stadszegel,waarheidszuchtenz.67. De woorden, wier eerste lid op -iereindigt en de beteekenis van een meerv. heeft, of een geheelen stand vertegenwoordigt, lasschen desin als teeken van het meervoud; b. v.officierssabel,onderofficiersstrepenenz.

45.Samengestelde woordenzijn verbindingen van woorden, die tot één geheel vereenigd zijn met het doel om een nieuw begrip uit te drukken, verschillende van de som der begrippen, die door de afzonderlijke deelen aangeduid worden. Zoo beteekenen b. v.grootschriftenkleinkindiets anders dangroot schriftenklein kind.

46. Alle samenstellingen bestaan uit twee deelen,ledengenoemd, die echter zelve samenstellingen kunnen zijn; b. v.huis-knecht,op-stellen,horloge-maker,werk-tuig,horlogemakers-werktuig.

47. De deelen der samengestelde woorden worden aaneen geschreven of door een koppelteeken verbonden, soms met verandering van den vorm van het eerste lid. Hieruit volgt, dat de spelling in de eerste plaats de middelen aan de hand moet geven om te onderkennen, welke opeenvolgingen van woorden samenstellingen zijn en dus óf aaneen geschreven óf door koppelteekens verbonden moeten worden. Vervolgens moet zij ook den aard der veranderingen van het eerste lid doen kennen, voor zooverre deze niet duidelijk uit de uitspraak blijken.

Regels voor het onderkennen der samenstellingen.(Grondbeg. § 134–153).48. Samengestelde woorden—en dus aaneen te schrijven—zijn alle opeenvolgingen van woorden, die los staande óf geene óf een verkeerden zin zouden opleveren.I. Tot de eerste soort behooren alle opeenvolgingen van woorden, die, wanneer zij vaneen geschreven werden, geen verstaanbaren zin zouden opleveren, tenzij men door verandering van den vorm der deelen, door omzetting of invoeging van andere woorden, den zin nader aanduidde; b. v.ijzerdraad,ijzeren draad;tweehonderd, tweemaal honderd;godmensch, goddelijk mensen;zeshoek, figuur met zes hoeken;badkuip, kuip om te baden, enz.Bijzondere soorten der hier bedoelde woorden zijn:1. De uitdrukkingen, door middel van een achtervoegsel van op zich zelve staande woorden gevormd; t. w.:a.Vele zelfst. nw. op -er, -steren -ing, alshouthakker, vanhout hakken;droogscheerder, vandroog scheren;invrijheidstelling,tekortkoming, vanin vrijheid stellen,te kort komen.b.Vele bijvoegl. nw. op -igen -sch, alsvierhoekig, vanvier hoeken;alledaagsch, vanalle dagen, enz.c.Alle bijwoordelijke uitdrukkingen met de zoogenaamde bijwoordelijkes, alsveeltijds,buitendijks,terloops.2. Die zelfst. nw., wier eerste lid een bijvoegl. nw. is, dat in de redegeene naamvalsveranderingen ondergaat, maar steeds denzelfden vorm behoudt; b. v.grootmeester,oudoom,kleinzoonenz. Men zegt:des grootmeesters,uwen oudoom,zijne kleinzoons, nietdes grooten meesters,uwen ouden oom,zijne kleine zoons, dan met verandering der beteekenissen.3. De uitdrukkingen, waarin woorden voorkomen met spraakkunstige vormen, die buiten zulke samenstellingen niet meer in gebruik zijn. Hiertoe behooren:a.De uitdrukkingen met het eerste lid in den sterken manl. of onz. 2dennv., alsgoedsmoeds,blootshoofdsenz., dewijl men niet meer zegt:des goeds moeds,des bloots hoofdsenz.b.De uitdrukkingen, bestaande uit een bijv. nw. in den sterken 2dennv. op -er, met een zelfst. nw., in oneigenlijken zin genomen; alsallerwegen,langzamerhand,toevalligerwijzeenz.c.De uitdrukkingen, bestaande uit een voorzetsel, gevolgd van een 2dennv.; alsbinnensmonds,buitenshuisenz.d.De uitdrukkingen, waarin het verbogen lidwoorddein teris veranderd; alsmetterdaad,mettertijdenz.e.De uitdrukkingen, beginnende metdèr,dèsenwès, verouderde 2denvll. vandieenwie; alsderhalve,desgelijks,deskundige,weshalveenz.II. Tot de tweede soort behooren alle opeenvolgingen van twee woorden, in welke een van beide of beide hunne gewone beteekenis hebben afgelegd, zoodat de zin der vereenigde begrippen een andere is dan die, welken de bloote som der beide begrippen zou medebrengen.Als zoodanig worden aaneen geschreven:1. De werkwoorden met de voorzetselsaan,achter,bij,door,om,onder,op,over,tegen,uitenvoor, welke voorzetsels alsdan in bijwoorden zijn overgegaan, en die met de bijwoordenaf,medeentoe, als:aanbinden,doorsteken,uithalen,afgaan,medeloopen,toestemmenenz.2. De werkwoorden, verbonden met een zelfst. of bijv. naamw., óf met een bijwoord van wijze, wanneer de beteekenis dier woorden of die van het werkw. zelf is gewijzigd; b. v.gadeslaan,rechtspreken,gevangennemen,goeddoen,vrijlaten,voortgaan,aaneenbinden,ondereenmengenenz.Wanneer het eerste woord eene bepaling bij zich nemen of in een der trappen van vergelijking staan kan, is zulks een bewijs, dat er geene samenstelling plaats heeft. Zoo zijn b. v.staat makenenfraai schrijvengeene samenstellingen, omdat men kan zeggengeen staat op iets maken,fraaier schrijvenenz.3. De bijvoegl. naamw., vergezeld van de bijw.wel,volenal, wanneer deze woorden den zin hebben vanzeer, alswelbespraakt,volzalig,aloudenz.; alsmede de titels, beginnende metedel,hoog,welenzeer, alsEdelgeboren,Hooggeleerd,Weledel,Zeergeleerdenz.4. De benamingen van kleuren, uit twee bijvoegl. nw. bestaande, alshooggeel,lichtblauw,donkerbruin,zwartbontenz.5. De voornaamw.degene,diegene,hetwelk,dezulkeendezelfde.6. De bijwoordelijke uitdrukkingen, bestaande uit twee bijwoorden, alsveeleer,zoozeer,zoolang,evengoedenz. (verschillende vanveel eerofeerder,zoo zeer,zoo lang,even goed); of uit een bijwoord en een voorzetsel, dat bijwoord geworden is, alskortom,voluitenz.7. De bijwoordenhier,daarenwaar, gevolgd door een voorzetsel, dat echter in deze verbinding als bijwoord moet opgevat worden. Zoo b. v.hierdoor,daaruit,waaronderenz.8. De bijwoordelijke uitdrukkingen, bestaande uit een voorzetsel gevolgd van een zelfst. of bijvoegl. nw., een bijwoord of een voornaamw., wanneer er wijziging van beteekenis plaats heeft; b. v.achterwege,overeind,overlang,voorzeker,voorgoed,vanhier,vandaar,overal,ondereenenz., verschillende vanvoor zeker,voor goed,van hier,van daar.9. De bijwoordenterstond,terugenternauwernood.10. De voorzetselstegenover,rondom,niettegenstaandeeningevolge.Andere uitdrukkingen, die de waarde van een voorzetsel hebben, alsuit hoofde,in geval,door toedoen,met betrekkingenz., blijven gescheiden, omdat het tweede lid, dat altijd een zelfst. nw. is, steeds zelf eene bepaling vereischt; alsuit hoofde van,in geval van,met betrekking totenz.11. Alle uitdrukkingen met de waarde van een voegwoord, waarin de beteekenis van ieder deel niet duidelijk uitkomt; b. v.alhoewel,zoodat,doordien,dientengevolgeenz.12. De tusschenwerpselshelaaseneilieve.

48. Samengestelde woorden—en dus aaneen te schrijven—zijn alle opeenvolgingen van woorden, die los staande óf geene óf een verkeerden zin zouden opleveren.

I. Tot de eerste soort behooren alle opeenvolgingen van woorden, die, wanneer zij vaneen geschreven werden, geen verstaanbaren zin zouden opleveren, tenzij men door verandering van den vorm der deelen, door omzetting of invoeging van andere woorden, den zin nader aanduidde; b. v.ijzerdraad,ijzeren draad;tweehonderd, tweemaal honderd;godmensch, goddelijk mensen;zeshoek, figuur met zes hoeken;badkuip, kuip om te baden, enz.

Bijzondere soorten der hier bedoelde woorden zijn:

1. De uitdrukkingen, door middel van een achtervoegsel van op zich zelve staande woorden gevormd; t. w.:

a.Vele zelfst. nw. op -er, -steren -ing, alshouthakker, vanhout hakken;droogscheerder, vandroog scheren;invrijheidstelling,tekortkoming, vanin vrijheid stellen,te kort komen.

b.Vele bijvoegl. nw. op -igen -sch, alsvierhoekig, vanvier hoeken;alledaagsch, vanalle dagen, enz.

c.Alle bijwoordelijke uitdrukkingen met de zoogenaamde bijwoordelijkes, alsveeltijds,buitendijks,terloops.

2. Die zelfst. nw., wier eerste lid een bijvoegl. nw. is, dat in de redegeene naamvalsveranderingen ondergaat, maar steeds denzelfden vorm behoudt; b. v.grootmeester,oudoom,kleinzoonenz. Men zegt:des grootmeesters,uwen oudoom,zijne kleinzoons, nietdes grooten meesters,uwen ouden oom,zijne kleine zoons, dan met verandering der beteekenissen.

3. De uitdrukkingen, waarin woorden voorkomen met spraakkunstige vormen, die buiten zulke samenstellingen niet meer in gebruik zijn. Hiertoe behooren:

a.De uitdrukkingen met het eerste lid in den sterken manl. of onz. 2dennv., alsgoedsmoeds,blootshoofdsenz., dewijl men niet meer zegt:des goeds moeds,des bloots hoofdsenz.

b.De uitdrukkingen, bestaande uit een bijv. nw. in den sterken 2dennv. op -er, met een zelfst. nw., in oneigenlijken zin genomen; alsallerwegen,langzamerhand,toevalligerwijzeenz.

c.De uitdrukkingen, bestaande uit een voorzetsel, gevolgd van een 2dennv.; alsbinnensmonds,buitenshuisenz.

d.De uitdrukkingen, waarin het verbogen lidwoorddein teris veranderd; alsmetterdaad,mettertijdenz.

e.De uitdrukkingen, beginnende metdèr,dèsenwès, verouderde 2denvll. vandieenwie; alsderhalve,desgelijks,deskundige,weshalveenz.

II. Tot de tweede soort behooren alle opeenvolgingen van twee woorden, in welke een van beide of beide hunne gewone beteekenis hebben afgelegd, zoodat de zin der vereenigde begrippen een andere is dan die, welken de bloote som der beide begrippen zou medebrengen.

Als zoodanig worden aaneen geschreven:

1. De werkwoorden met de voorzetselsaan,achter,bij,door,om,onder,op,over,tegen,uitenvoor, welke voorzetsels alsdan in bijwoorden zijn overgegaan, en die met de bijwoordenaf,medeentoe, als:aanbinden,doorsteken,uithalen,afgaan,medeloopen,toestemmenenz.

2. De werkwoorden, verbonden met een zelfst. of bijv. naamw., óf met een bijwoord van wijze, wanneer de beteekenis dier woorden of die van het werkw. zelf is gewijzigd; b. v.gadeslaan,rechtspreken,gevangennemen,goeddoen,vrijlaten,voortgaan,aaneenbinden,ondereenmengenenz.

Wanneer het eerste woord eene bepaling bij zich nemen of in een der trappen van vergelijking staan kan, is zulks een bewijs, dat er geene samenstelling plaats heeft. Zoo zijn b. v.staat makenenfraai schrijvengeene samenstellingen, omdat men kan zeggengeen staat op iets maken,fraaier schrijvenenz.

3. De bijvoegl. naamw., vergezeld van de bijw.wel,volenal, wanneer deze woorden den zin hebben vanzeer, alswelbespraakt,volzalig,aloudenz.; alsmede de titels, beginnende metedel,hoog,welenzeer, alsEdelgeboren,Hooggeleerd,Weledel,Zeergeleerdenz.

4. De benamingen van kleuren, uit twee bijvoegl. nw. bestaande, alshooggeel,lichtblauw,donkerbruin,zwartbontenz.

5. De voornaamw.degene,diegene,hetwelk,dezulkeendezelfde.

6. De bijwoordelijke uitdrukkingen, bestaande uit twee bijwoorden, alsveeleer,zoozeer,zoolang,evengoedenz. (verschillende vanveel eerofeerder,zoo zeer,zoo lang,even goed); of uit een bijwoord en een voorzetsel, dat bijwoord geworden is, alskortom,voluitenz.

7. De bijwoordenhier,daarenwaar, gevolgd door een voorzetsel, dat echter in deze verbinding als bijwoord moet opgevat worden. Zoo b. v.hierdoor,daaruit,waaronderenz.

8. De bijwoordelijke uitdrukkingen, bestaande uit een voorzetsel gevolgd van een zelfst. of bijvoegl. nw., een bijwoord of een voornaamw., wanneer er wijziging van beteekenis plaats heeft; b. v.achterwege,overeind,overlang,voorzeker,voorgoed,vanhier,vandaar,overal,ondereenenz., verschillende vanvoor zeker,voor goed,van hier,van daar.

9. De bijwoordenterstond,terugenternauwernood.

10. De voorzetselstegenover,rondom,niettegenstaandeeningevolge.

Andere uitdrukkingen, die de waarde van een voorzetsel hebben, alsuit hoofde,in geval,door toedoen,met betrekkingenz., blijven gescheiden, omdat het tweede lid, dat altijd een zelfst. nw. is, steeds zelf eene bepaling vereischt; alsuit hoofde van,in geval van,met betrekking totenz.

11. Alle uitdrukkingen met de waarde van een voegwoord, waarin de beteekenis van ieder deel niet duidelijk uitkomt; b. v.alhoewel,zoodat,doordien,dientengevolgeenz.

12. De tusschenwerpselshelaaseneilieve.

Het gebruik van het koppelteeken.(Grondbeg. § 154–158).49. Wanneer het werkelijk aaneen schrijven van de deelen eener samenstelling een woord zou opleveren van een te vreemd voorkomen, of dat wegens zijne lengte moeilijk zou te overzien zijn, dan worden de deelen door een koppelteeken vereenigd.50. Het koppelteeken wordt derhalve gebezigd:1. In woorden, waarin eigennamen of van eigennamen gevormde bijv. nw. voorkomen; als inCayenne-peper,Manilla-sigaren,Portorico-tabak,Zuidzee-traan,Schakel-lijmenz.,Berlijnsch-blauw,Friesch-groen enz.,Engelsch-Russisch,Indo-Germaanschenz. Niet echter, wanneer de eigennaam in de uitspraak onherkenbaar misvormd of wel geheel vergeten is, als inportwijn,kwassiehout,spijkerbalsemenz.2. In titels, bestaande:a. Uit twee bastaardwoorden, alsadjunct-commies,minister-resident,luitenant-kolonelenz.b. Uit een Nederl. woord en een bastaardwoord, die beide reeds op zich zelve titels zijn, of waarvan het achterste een bijv. nw. is; alsgrootmeester-nationaal,kapitein-geweldiger,Staten-Generaal,raad-pensionarisenz.3. In geographische namen, bestaande uit een eigennaam en een bijv. nw. of bijwoord; alsGroot-Britannië,Nieuw-Holland,Noord-Brabant,West-Friesland,Beneden-Egypteenz.Bijvoegl. naamw. echter, van woorden als de hier bedoelde gevormd, worden (volgens § 48, I, 1,b) zonder koppelteeken aaneen geschreven; b. v.Noordhollandsch,Oostfrieschenz.4. In samenstellingen, waarin het eerste lid—hetzij een bijv. nw., hetzij een voornaamwoord, lidwoord of telwoord—alleen betrekking heeft op het eerste gedeelte der volgende samenstelling, en niet op dit woord in zijn geheel; alsbolvormige-driehoeksmeting,dolle-hondsbeet,klein-kinderschooltje,oude-mannenhuis,ijzeren-spoorweg,Sint-Jansdag,St.-Catharinagasthuis,Lieve-Vrouwenkerk,Mijns-Heerenland,’s-Gravenhage,’s-Hertogenbosch,de Vier-Heerenlandenenz.

49. Wanneer het werkelijk aaneen schrijven van de deelen eener samenstelling een woord zou opleveren van een te vreemd voorkomen, of dat wegens zijne lengte moeilijk zou te overzien zijn, dan worden de deelen door een koppelteeken vereenigd.

50. Het koppelteeken wordt derhalve gebezigd:

1. In woorden, waarin eigennamen of van eigennamen gevormde bijv. nw. voorkomen; als inCayenne-peper,Manilla-sigaren,Portorico-tabak,Zuidzee-traan,Schakel-lijmenz.,Berlijnsch-blauw,Friesch-groen enz.,Engelsch-Russisch,Indo-Germaanschenz. Niet echter, wanneer de eigennaam in de uitspraak onherkenbaar misvormd of wel geheel vergeten is, als inportwijn,kwassiehout,spijkerbalsemenz.

2. In titels, bestaande:

a. Uit twee bastaardwoorden, alsadjunct-commies,minister-resident,luitenant-kolonelenz.

b. Uit een Nederl. woord en een bastaardwoord, die beide reeds op zich zelve titels zijn, of waarvan het achterste een bijv. nw. is; alsgrootmeester-nationaal,kapitein-geweldiger,Staten-Generaal,raad-pensionarisenz.

3. In geographische namen, bestaande uit een eigennaam en een bijv. nw. of bijwoord; alsGroot-Britannië,Nieuw-Holland,Noord-Brabant,West-Friesland,Beneden-Egypteenz.

Bijvoegl. naamw. echter, van woorden als de hier bedoelde gevormd, worden (volgens § 48, I, 1,b) zonder koppelteeken aaneen geschreven; b. v.Noordhollandsch,Oostfrieschenz.

4. In samenstellingen, waarin het eerste lid—hetzij een bijv. nw., hetzij een voornaamwoord, lidwoord of telwoord—alleen betrekking heeft op het eerste gedeelte der volgende samenstelling, en niet op dit woord in zijn geheel; alsbolvormige-driehoeksmeting,dolle-hondsbeet,klein-kinderschooltje,oude-mannenhuis,ijzeren-spoorweg,Sint-Jansdag,St.-Catharinagasthuis,Lieve-Vrouwenkerk,Mijns-Heerenland,’s-Gravenhage,’s-Hertogenbosch,de Vier-Heerenlandenenz.

De verbindingsklanken tusschen de leden der samenstellingen.(Grondbeg. § 161–213).51. In de meeste samenstellingen blijft het eerste lid onverminkt; maar niet zelden neemt het een toevoegsel aan, hetwelkverbindingsklankofverbindingslettergenoemd wordt.52. Verminkingen hebben plaats:a.Bij de woorden op eene toonloozee, welke dieeook buiten de samenstelling kunnen missen; b. v. inaardbewoner,eindbesluitenz.b.Bij de woorden, die in het mv. op -erenof -ersuitgaan. Deze werpen in de samenstelling -enof -saf, als:kalvermarkt,raderwerkenz., nietkalversmarkt,raderenwerk.c.Bij werkwoorden, wier eerste lid eene zoogenaamde onbepaalde wijs is. Deze werpen denweg, b. v. inspelevaren, voorspelen varen.d.Bij de stammen opd, voorafgegaan door een helderen klinker of tweeklank, waarin eeneiofuvoorkomt, t. w.ij,ei,ui,ieenou. Deze werpen, althans in dagelijksche woorden, de d af, als inrijkunst,leiboom,luiklok,verspiejacht,houpaardje, vanrijd(en),leid(en),luid(en),verspied(en) enhoud(en).53. Deverbindingsklankenzijn -e-, -n-, -el-, -en-, -er- en -s-. In de meeste gevallen leert de uitspraak, wanneer in een woord verbindingsklanken voorkomen, en welke het zijn. Slechts in twee gevallen kan er onzekerheid bestaan, namelijk ten aanzien eenernachter eene toonloozee, b. v. inpaardemarktofpaardenmarkt; en ten aanzien eeners, wanneer het tweede lid metsofzbegint, b. v. indorpschoolofdorpsschool,varkenziekteofvarkensziekte. De spelling heeft regels te geven voor het gebruik der verbindings-nen der verbindings-s, vermits denachter de toonloozeeveelal zeer onduidelijk uitgesproken of wel geheel onderdrukt wordt, en eenesin eene volgendesofzwegsmelt.

51. In de meeste samenstellingen blijft het eerste lid onverminkt; maar niet zelden neemt het een toevoegsel aan, hetwelkverbindingsklankofverbindingslettergenoemd wordt.

52. Verminkingen hebben plaats:

a.Bij de woorden op eene toonloozee, welke dieeook buiten de samenstelling kunnen missen; b. v. inaardbewoner,eindbesluitenz.

b.Bij de woorden, die in het mv. op -erenof -ersuitgaan. Deze werpen in de samenstelling -enof -saf, als:kalvermarkt,raderwerkenz., nietkalversmarkt,raderenwerk.

c.Bij werkwoorden, wier eerste lid eene zoogenaamde onbepaalde wijs is. Deze werpen denweg, b. v. inspelevaren, voorspelen varen.

d.Bij de stammen opd, voorafgegaan door een helderen klinker of tweeklank, waarin eeneiofuvoorkomt, t. w.ij,ei,ui,ieenou. Deze werpen, althans in dagelijksche woorden, de d af, als inrijkunst,leiboom,luiklok,verspiejacht,houpaardje, vanrijd(en),leid(en),luid(en),verspied(en) enhoud(en).

53. Deverbindingsklankenzijn -e-, -n-, -el-, -en-, -er- en -s-. In de meeste gevallen leert de uitspraak, wanneer in een woord verbindingsklanken voorkomen, en welke het zijn. Slechts in twee gevallen kan er onzekerheid bestaan, namelijk ten aanzien eenernachter eene toonloozee, b. v. inpaardemarktofpaardenmarkt; en ten aanzien eeners, wanneer het tweede lid metsofzbegint, b. v. indorpschoolofdorpsschool,varkenziekteofvarkensziekte. De spelling heeft regels te geven voor het gebruik der verbindings-nen der verbindings-s, vermits denachter de toonloozeeveelal zeer onduidelijk uitgesproken of wel geheel onderdrukt wordt, en eenesin eene volgendesofzwegsmelt.

Regels voor het gebruik der verbindings-n.54. Wanneer het tweede lid eener samenstelling met een klinker of eenehaanvangt, voegt men ter vermijding van de gaping (hiatus) eenenachter de toonloozee; b. v. ingalgenaas,ganzenei,brillenhuisje,vossenholenz.Uitgezonderd zijn de samenstellingen met het onverbuigbaremede, en met die zelfst. nw., welke, gelijk bede, bode, vrede, op eene toonloozeeeindigen, die niet onderdrukt kan worden; b. v.medearbeider,bedehuis,bodeambt,vredehandelenz. Hiertoe behoort ookminnehandel, van het oudeminne, dat thansminluidt, maar in samenstellingen den ouden vorm behoudt, alsminnebrief,minnedichtenz.55. In woorden als’s-Gravendeel,’s-Gravenhage,’s-Gravenland,’s-Heerenberg,’s-Hertogenbosch,Mijns-Heerenland,Prinsenhage, behoort eenenals teeken van den 2dennv.56. Wanneer het eerste lidnoodwendigde voorstelling van een meervoud medebrengt, dan wordt achter eene toonloozeeeenengevoegd als teeken van het meervoud; b. v. inboekenkast,brievenbesteller,brillenslijper,dievenbende,hoedenmaker,kaarsenmakerij,stoelendraaierenz.57. Wanneer het eerste lidnoodwendigeen enkelvoud voorstelt, schrijft men het woord zondern, behalve in die gevallen, waarin deze letter, volgens § 54, ter vermijding van den hiatus gevorderd wordt. Zoo b. v.brilleglas,bruggegeld,eendevleugel,galgebrok,mollevel,paardevijg,speldeknopenz.Tot deze soort van woorden behooren mede de samenstellingen op -boom, wier eerste lid ook op zich zelf als de benaming van den boom gebezigd wordt: b. v.berkeboom,beukeboom,eikeboomenz.Ingalgenaas,eendenei,duivenoog,brillenhuisje,bruggenhoofdenz., kan den, wegens de volgende klinkers ofh’sniet gemist worden, ofschoon het eerste lid enkelvoudig is. Evenmin dus ook inberkenhout,eikenhoutenz.58. In woorden, het dagelijksch leven betreffende, wordt geeneningevoegd, wanneer de beteekenis de gedachte aan een enkelvoud maar eenigszins toelaat; dus niet inflesschebakje,hondeketting,pennemes,pijpedop,hoededoosenz.—Wanneer echter het enkelvoud geheel tegen de natuurlijke opvatting aandruischt, is ook in zulke woorden de meervoudsvorm metnonvermijdelijk, b. v. inflesschenrek,hondenkoopman,pennenkoker,speldenkussen,speldenwerk,takkenbosenz.59. Woorden, wier eerste lid een persoonsnaam is, die zekeren stand in de maatschappij uitdrukt, en het mv. uitsluitend met -envormt, alsboer(boeren),heer,slaaf,vrouwenz., eischen den meervoudsvorm opn; b. v.boerendochter,heerenknecht,slavendienst,vorstentelg,vrouwenkleedenz.60. Woorden, wier eerste lid een manlijke diernaam is, die geene samenstellingen metsvormt, nemen eenenals teeken van het meerv. aan, wanneer zijgewoonlijkgebezigd worden in eene beteekenis, waarbij men aan het geheele geslacht denkt; b. v.apengezicht,berenjong,drakenbloed,hazenlip,leeuwenwelpenz.61. De samengestelde namen van planten, wier eerste lid een diernaam is, zijn in twee soorten te onderscheiden. Zij zijn óf namen van lichaamsdeelen, alsganzetong; óf zij geven te kennen, dat de plant tot de diersoort in eenige betrekking staat, als slangenwortel. In het eerste geval staat de diernaam in het enkelvoud, b. v. inkattestaart,slangekop; in het laatste in het meervoud, b. v. inkattendoorn,slangenkruid.62. De samengestelde namen op -boom, wier eerste lid de vrucht aanduidt die de boom oplevert, of de bloem die hij voortbrengt, hebben het eerste lid in den enkelvoudsvorm; b. v.kerseboom,kastanjeboom,rozeboom,seringeboomenz.63. De woorden, wier eerste lidstellignu eens op een enkel- dan op een meervoud ziet, hebben twee vormen, den eenen zonder, den anderen met den, naar gelang der omstandigheden; b. v.ossevleeschenossenvleesch,gemzelederengemzenleder,paardestalenpaardenstal. In twijfelachtige gevallen kiest men dien vorm, die het meest te pas komt; b. v.ossevleesch, maarpaardenstal.64. Wanneer eene samenstelling in haar geheel een zelfst. nw. is, dat uit een bijvoeglijk woord en een zelfst. nw. bestaat, alshoogepriester,zoutevisch,roodekool,eenhoorn, dan wordt het bijvoegl. woord gedacht in den 1stennv. te staan en blijft den vorm van dien nv. onveranderlijk behouden. Zoo zegt men b. v. niet alleende hoogepriester,de eenhoorn, maar ookdes hoogepriesters,den eenhoornenz.65. Wanneer het laatste lid eener samenstelling een zelfst. nw., maar het geheele woord een bij- of voegwoord is, dan staat de geheele uitdrukking in den 2denof in den 4dennv., en heeft het eerste lid den vorm, dien geslacht en naamval vereischen. Zoo b. v.grootendeels(2denv. onz.),dewijl(4denv. vrouwel.).

54. Wanneer het tweede lid eener samenstelling met een klinker of eenehaanvangt, voegt men ter vermijding van de gaping (hiatus) eenenachter de toonloozee; b. v. ingalgenaas,ganzenei,brillenhuisje,vossenholenz.

Uitgezonderd zijn de samenstellingen met het onverbuigbaremede, en met die zelfst. nw., welke, gelijk bede, bode, vrede, op eene toonloozeeeindigen, die niet onderdrukt kan worden; b. v.medearbeider,bedehuis,bodeambt,vredehandelenz. Hiertoe behoort ookminnehandel, van het oudeminne, dat thansminluidt, maar in samenstellingen den ouden vorm behoudt, alsminnebrief,minnedichtenz.

55. In woorden als’s-Gravendeel,’s-Gravenhage,’s-Gravenland,’s-Heerenberg,’s-Hertogenbosch,Mijns-Heerenland,Prinsenhage, behoort eenenals teeken van den 2dennv.

56. Wanneer het eerste lidnoodwendigde voorstelling van een meervoud medebrengt, dan wordt achter eene toonloozeeeenengevoegd als teeken van het meervoud; b. v. inboekenkast,brievenbesteller,brillenslijper,dievenbende,hoedenmaker,kaarsenmakerij,stoelendraaierenz.

57. Wanneer het eerste lidnoodwendigeen enkelvoud voorstelt, schrijft men het woord zondern, behalve in die gevallen, waarin deze letter, volgens § 54, ter vermijding van den hiatus gevorderd wordt. Zoo b. v.brilleglas,bruggegeld,eendevleugel,galgebrok,mollevel,paardevijg,speldeknopenz.

Tot deze soort van woorden behooren mede de samenstellingen op -boom, wier eerste lid ook op zich zelf als de benaming van den boom gebezigd wordt: b. v.berkeboom,beukeboom,eikeboomenz.

Ingalgenaas,eendenei,duivenoog,brillenhuisje,bruggenhoofdenz., kan den, wegens de volgende klinkers ofh’sniet gemist worden, ofschoon het eerste lid enkelvoudig is. Evenmin dus ook inberkenhout,eikenhoutenz.

58. In woorden, het dagelijksch leven betreffende, wordt geeneningevoegd, wanneer de beteekenis de gedachte aan een enkelvoud maar eenigszins toelaat; dus niet inflesschebakje,hondeketting,pennemes,pijpedop,hoededoosenz.—Wanneer echter het enkelvoud geheel tegen de natuurlijke opvatting aandruischt, is ook in zulke woorden de meervoudsvorm metnonvermijdelijk, b. v. inflesschenrek,hondenkoopman,pennenkoker,speldenkussen,speldenwerk,takkenbosenz.

59. Woorden, wier eerste lid een persoonsnaam is, die zekeren stand in de maatschappij uitdrukt, en het mv. uitsluitend met -envormt, alsboer(boeren),heer,slaaf,vrouwenz., eischen den meervoudsvorm opn; b. v.boerendochter,heerenknecht,slavendienst,vorstentelg,vrouwenkleedenz.

60. Woorden, wier eerste lid een manlijke diernaam is, die geene samenstellingen metsvormt, nemen eenenals teeken van het meerv. aan, wanneer zijgewoonlijkgebezigd worden in eene beteekenis, waarbij men aan het geheele geslacht denkt; b. v.apengezicht,berenjong,drakenbloed,hazenlip,leeuwenwelpenz.

61. De samengestelde namen van planten, wier eerste lid een diernaam is, zijn in twee soorten te onderscheiden. Zij zijn óf namen van lichaamsdeelen, alsganzetong; óf zij geven te kennen, dat de plant tot de diersoort in eenige betrekking staat, als slangenwortel. In het eerste geval staat de diernaam in het enkelvoud, b. v. inkattestaart,slangekop; in het laatste in het meervoud, b. v. inkattendoorn,slangenkruid.

62. De samengestelde namen op -boom, wier eerste lid de vrucht aanduidt die de boom oplevert, of de bloem die hij voortbrengt, hebben het eerste lid in den enkelvoudsvorm; b. v.kerseboom,kastanjeboom,rozeboom,seringeboomenz.

63. De woorden, wier eerste lidstellignu eens op een enkel- dan op een meervoud ziet, hebben twee vormen, den eenen zonder, den anderen met den, naar gelang der omstandigheden; b. v.ossevleeschenossenvleesch,gemzelederengemzenleder,paardestalenpaardenstal. In twijfelachtige gevallen kiest men dien vorm, die het meest te pas komt; b. v.ossevleesch, maarpaardenstal.

64. Wanneer eene samenstelling in haar geheel een zelfst. nw. is, dat uit een bijvoeglijk woord en een zelfst. nw. bestaat, alshoogepriester,zoutevisch,roodekool,eenhoorn, dan wordt het bijvoegl. woord gedacht in den 1stennv. te staan en blijft den vorm van dien nv. onveranderlijk behouden. Zoo zegt men b. v. niet alleende hoogepriester,de eenhoorn, maar ookdes hoogepriesters,den eenhoornenz.

65. Wanneer het laatste lid eener samenstelling een zelfst. nw., maar het geheele woord een bij- of voegwoord is, dan staat de geheele uitdrukking in den 2denof in den 4dennv., en heeft het eerste lid den vorm, dien geslacht en naamval vereischen. Zoo b. v.grootendeels(2denv. onz.),dewijl(4denv. vrouwel.).

Regels voor het gebruik der verbindings-s.66. De verbindings-swordt als teeken van den 2dennv. niet alleen gevoegd achter manl. en onz. woorden, b. v. inbakkersnering,dorpsherberg, maar ook achter vrouwelijke, als instadsbestuur,zielsverdriet,vriendschapsbetoon. In woorden, wier tweede lid metsofzbegint, wordt zij ingelascht, wanneer ook de overige samenstellingen, waarin het eerste lid voorkomt, ontwijfelbaar eeneshebben. Zoo leeren b. v.krijgsmansdeugd,krijgsmanseed,krijgsmanseer,dorpsherberg,dorpshuis,dorpsleeraar,stadsmuur,stadswal,waarheidsliefdeenz., dat men ook eenesheeft te voegen inkrijgsmansstand,dorpsschool,stadszegel,waarheidszuchtenz.67. De woorden, wier eerste lid op -iereindigt en de beteekenis van een meerv. heeft, of een geheelen stand vertegenwoordigt, lasschen desin als teeken van het meervoud; b. v.officierssabel,onderofficiersstrepenenz.

66. De verbindings-swordt als teeken van den 2dennv. niet alleen gevoegd achter manl. en onz. woorden, b. v. inbakkersnering,dorpsherberg, maar ook achter vrouwelijke, als instadsbestuur,zielsverdriet,vriendschapsbetoon. In woorden, wier tweede lid metsofzbegint, wordt zij ingelascht, wanneer ook de overige samenstellingen, waarin het eerste lid voorkomt, ontwijfelbaar eeneshebben. Zoo leeren b. v.krijgsmansdeugd,krijgsmanseed,krijgsmanseer,dorpsherberg,dorpshuis,dorpsleeraar,stadsmuur,stadswal,waarheidsliefdeenz., dat men ook eenesheeft te voegen inkrijgsmansstand,dorpsschool,stadszegel,waarheidszuchtenz.

67. De woorden, wier eerste lid op -iereindigt en de beteekenis van een meerv. heeft, of een geheelen stand vertegenwoordigt, lasschen desin als teeken van het meervoud; b. v.officierssabel,onderofficiersstrepenenz.

De bastaardwoorden.(Grondbeg.§ 214–256).68. De vreemde woorden, die bij ons in gebruik zijn, moeten tot drie klassen gebracht worden. De eerste klasse bestaat uit dezulke, die hun vreemden vorm geheel hebben afgelegd en, in klemtoon zoowel als in klank, aan echt Nederlandsche gelijk zijn geworden; b. v.ark,beest,bijbel,keten,bisschop,luipaardenz.—De tweede bestaat uit woorden, waaraan niets veranderd is, zoodat zij door ons juist of nagenoeg zoo als in de vreemde taal worden uitgesproken; b. v.facto,incognito,cadeau,souspiedenz.—De derde omvat die woorden, welke in de uitspraak wijzigingen hebben ondergaan, die niet voldoende waren om hun het uitheemsch voorkomen geheel te benemen; b. v.advocaat,officier,president,resolutie,sigaarenz., die ieder op het gehoor af als vreemdelingen herkent. De zoodanige behooren als ’t ware tot twee talen en heeten daarombastaardwoorden.69. De wijzigingen, waardoor vreemde woorden in bastaardwoorden overgegaan zijn, bepalen zich doorgaans tot de uitgangen. Deze zijn óf geheel aan Nederl. uitgangen gelijk geworden, b. v. inarti-kel(arti-culus), óf zij hebben nog altijd een vreemd karakter behouden, maar worden, overeenkomstig de gewijzigde uitspraak, volgens de Nederl. spelregels geschreven; b. v.majesteit(majestat-is). Door zulke gedeeltelijke veranderingen aan het einde der woorden zijn de zoogenaamdebastaarduitgangenontstaan, als -age, -aat, -eeren, -ier, -ij, -ijnenz.70. De uitgang -agewerd, overeenkomstig de vroegere uitspraakaadzje, in de gebruikelijke spelling metdj(-aadje) geschreven. Nu deze spelling niet meer aan de uitspraak beantwoordt, hebben wij ons verplicht gerekend dedjte vervangen door deg, en zoodoende de woorden alsbagage,kijvage,pelgrimage,slijtage,stoffageenz. in overeenstemming te brengen met de gewone spelling vanmanege,logement,gelei,genie,horlogeenz.71. De woorden der eerste klasse worden geheel op Nederl. wijze geschreven; alsgroep,troep,kleur,klooster,koor,sier,singel,troonenz. Uitgezonderd zijn:cedel(ceêl),ceder,cel,cent,cijfer,cijnsencirkel, die men steeds metcheeft geschreven, en die metsgespeld niet terstond zouden herkend worden.Cel,centencirkelblijven hunne vreemde herkomst verraden door de onnederlandsch klinkende afleidsels cellulair,centesimaal,circulaire,circulatie;—cijferdoor zijnef, die invhad moeten overgaan om aan het woord geheel het voorkomen der Nederl. woordendrijver,ijver,kijverenz. te geven.72. De woorden der tweede klasse behouden hunne oorspronkelijke spelling; b. v.bougie,cadeau,catalogus,museum,savoir-vivre,vaudevilleenz. Wanneer zij in de verbuiging een Nederl. uitgang aannemen, alscadeau’s(cadeaux),catalogen(catalogi),museën(nevensmusea) enz., dan behooren zulke vormen tot de bastaardwoorden.73. De woorden der derde klasse, debastaardwoorden, moeten wederom in twee soorten onderscheiden worden. De eerste omvat die woorden,welke alleen in gebruik zijn bij hen, die de vreemde talen kennen; de tweede de dagelijksche woorden, bij lieden van allerlei stand in zwang.74. Tot de eerste soort behooren de benamingen der voorwerpen van weelde, de uitdrukkingen van begrippen, alleen onder meer beschaafden gangbaar, en bepaaldelijk de termen, uitsluitend gebruikelijk in wetenschappen of in kunsten en beroepen, die eene wetenschappelijke opleiding vereischen; alsdejeuneeren,disputeeren,receptie,candelaber,lorgnet,categorie,syllogisme,scrupel,lancet,tachygraafenz.75. Ten aanzien der woorden dezer klasse hebben wij ons den volgenden regel gesteld:Bastaardwoorden, ontleend uit talen die hetzelfde letterschrift bezigen als het Nederlandsch, worden op de oorspronkelijke wijze geschreven, voor zooverre hunne uitspraak onveranderd gebleven is. Waar deze is gewijzigd en de oorspronkelijke spelling tot eene ongewone uitspraak aanleiding zou geven, wordt de spelling zooveel noodig op Nederl. wijze veranderd. Zoo wordt b. v.executiobij onsexecutie,decanus—decaan,république—republiek,souverain—souvereinenz.76. Woorden, ontleend uit het Grieksch, dat een ander letterschrift heeft dan onze taal, worden op Latijnsche wijze uitgesproken, en daarom door ons, volgens oud gebruik, op Latijnsche wijze geschreven, met inachtneming evenwel van den regel, in de vorige § gesteld. Wij spellen derhalve:logica,physica,hypotenusa; doch, met verandering der uitgangen:synode(synodus),categorie(categoria),geographie(geographia) enz.77. De tweede soort bestaat uit de namen van zaken, voorkomende in allerlei beroepen en ambachten, en uitdrukkingen van denkbeelden, aan alle standen eigen; b. v.penseel,vermiljoen,stukadoor,karkas,karakter,kapitaal,kastelein,kwartierenz.78. Op de woorden dezer soort—die meest in de uitspraak eene veel sterkere verandering hebben ondergaan—is de vorige regel niet meer toepasselijk; het gebruik schrijft ze, zooveel doenlijk, op Nederlandsche wijze, b. v.komfoort(schoenmakersterm, fr.contrefort),penseel(penicillum),travalje(hoefstal, fr.travail),biljart(billard),biljet(billet),kapittel(capitulum),kasteel(castellum),sigaar(cigarro),sjees(chaise) enz.79. Niet alle tot deze soort behoorende woorden echter kunnen op Nederlandsche wijze gespeld worden; b. v. niethorloge,diligence,machine. De spellingenhorlozjeofhorloozje,dilizjanse,masjineofmaasjinezouden al te wanstaltig zijn en toch de juiste uitspraak niet voorstellen. In zulke woorden moet de vreemde spelling—en wel geheel en al—behouden worden:diligence,machine,chocoladeenz., nietdiligense,machiene,chokolade, welke noodelooze vermenging van tweeërlei orthographie tegen den goeden smaak zou aandruischen.80. Tot deze soort moeten twee bepaalde klassen van woorden gebracht worden, namelijk:a.Die vreemde woorden, welke ten onzent eene beteekenis hebben aangenomen, die hun in de vreemde taal niet eigen was. Dezulke behooren op Nederl. wijze geschreven te worden, ofschoon zij; in de oorspronkelijke beteekenis gebezigd wordende, de vreemde spelling geheel of gedeeltelijk behouden. Hiertoe zijn te brengen:dokterin den zin van geneeskundige, nevens doctor als titel;komedie(schouwburg) nevenscomedie(blijspel);kommies(beambte bij de belastingen, fr.douanier), nevenscommies(ambtenaar aan een ministerie of bij de posterijen, fr.commis);lokaal(vertrek, zaal) nevens het bijv. nw.locaal(plaatselijk) enz.b.De vreemde woorden, bij de dichters in gebruik, b. v.nimf,porfier,saffier,zéfirofzefíerenz. De poëzie, uit haren aard afkeerig van vreemdewoorden en vormen, heeft de genoemde en dergelijke vreemdelingen, ofschoon zij tot eene hoogere klasse van denkbeelden behooren, sinds lang in Nederlandsch gewaad populair gemaakt.81. Behalve de vreemde woorden, in de vorige § onderabedoeld, zijn er nog andere van Latijnschen of Griekschen oorsprong, die op tweeërlei wijze geschreven worden; t. w. dezulke, die onder twee vormen tot ons zijn gekomen, de eene rechtstreeks uit het Latijn of Grieksch, de andere middellijk, door tusschenkomst van het Fransch. De Latijnsche of Grieksche vorm is dan de meer wetenschappelijke of deftige, de Fransche de gewone en dagelijksche. Hiertoe behooren b. v.praesens(tegenwoordige tijd) enpresent(tegenwoordig),subject(onderwerp) ensujet(in de uitdrukkingeen gemeen sujet),familie(Lat. familia) en het gemeenzamefamielje(Fr.famille),dioeceseendiocese,nummerennommer,oeconomieeneconomie,praeparatenenpreparatieven,fundamentenfondement,secundeenseconde.82. De door ons aangenomen regels voor het schrijven der vreemde en bastaardwoorden zijn geheel in overeenstemming met de heerschende richting in ons spellingstelsel, waarin zich overal het streven openbaart om de uitspraak juist voor te stellen en de afleiding te doen uitkomen, voor zooverre deze het recht verstand der woorden kan bevorderen. Beide, de uitspraak en de afleiding der vreemde woorden, kunnen natuurlijk slechts door de oorspronkelijke spelling in het licht worden gesteld; doch, waar de uitspraak te zeer gewijzigd is en de kennis der etymologie geen nut kan doen, zou de oorspronkelijke spelling veeleer nadeelig werken, en is dus het volgen der Nederl. regels het rationeelst. Ook het erkennen van twee vormen nevens elkander is eene eigenschap van het Nederlandsch, dat een groot aantal woorden bezit, die twee, sommige zelfs drie vormen hebben, welke òf in gewijzigde beteekenissen òf in verschillende stijlsoorten gebruikelijk zijn. Men denke hier aanhet koord, met zorg vervaardigd touw,de koordder koordedansers, ende koordein de meetkunst; aanhet uurende ure, aande zielende ziele, aankleedenenkleederen, aanvolkenenvolkerenenz.83. De hier voorgedragene spelling is bovendien voor hen, die zich het meest van vreemde en bastaardwoorden bedienen, namelijk voor allen, die de vreemde talen kennen, buiten tegenspraak de gemakkelijkste, vermits zij hen niet noodzaakt zich nog eene derde, afzonderlijke spelling eigen te maken, die zoowel van de vreemde als van de Nederlandsche verschilt. De eenige moeilijkheid, die zij ook voor dezulken heeft, is te bepalen of een bastaardwoord tot de eerste, dan wel tot de tweede soort gebracht moet worden. Intusschen is die zwarigheid niet zoo groot, als zij schijnt. Het aantal woorden, waarbij men werkelijk in twijfel kan staan, is betrekkelijk gering; en de vraag, die zich bij elk dier woorden voordoet, betreft niet nu deze, dan eene andere bijzonderheid, maar luidt onveranderlijk:is het woord in gebruik bij het algemeen, of slechts in bepaalde kringen?Heeft men die vraag beantwoord, dan is de spelling door de regels in§ 75–80gegeven. In de weinige werkelijk twijfelachtige gevallen, waarin het antwoord van den tact des schrijvers afhangt, zal de beslissing niet bij ieder dezelfde zijn: de een zal een woord volgens den regel in§ 75, de ander volgens den regel in§ 78behandelen, hetgeen dan twee verschillende spellingen van hetzelfde woord ten gevolge heeft. Doch niemand kan hierin eene groote ramp zien, wanneer men bedenkt, dat geene der beide schrijfwijzen, zoo slechts de regels goed zijn toegepast, eene taalfout heeten of tot andere verkeerdheden leiden kan.84. Een ander bezwaar, namelijk dat niet allen, die zich van woordender eerste soort bedienen, de oorspronkelijke talen (meestal het Fransch, Latijn of Grieksch) verstaan, zoodat er steeds zullen gevonden worden die tot een woordenboek hunne toevlucht moeten nemen, drukt evenzeer op het stelsel dergenen, die de vreemde woorden meer op Nederl. wijze willen gespeld hebben, en b. v.fyzika,kritikus,katheder,kataloogenz. schrijven. Ook dezen moeten evengoed de vreemde talen kennen of eene woordenlijst raadplegen om te weten, dat—volgens hun stelsel—fyzikaeeney, maarkritikusgewonei’s, datkathedereeneth, maarkataloogeenethebben moet.85. Is het bedoelde stelsel1Zie vooral M. (J. A. Alberdingk Thijm),Over de Spelling van de Bastaartwoorden. Amsterd.1843.niet in staat om de moeilijkheid weg te ruimen, voor welker opheffing het juist opzettelijk is uitgedacht, het bezwaar in§ 83vermeld is daarin veel grooter dan bij het onze. Dat stelsel toch past zijne regels niet slechts toe op bastaardwoorden, maar ook op geheel ongewijzigd overgenomen vreemde woorden, wier klank door de Nederl. spelling meer of minder juist kan voorgesteld worden. Men gaat daarbij echter geheel inconsequent te werk en laat sommige, waarop de regels streng genomen zeer wel toepasselijk zouden zijn, geheel onveranderd, zonder eene grens te kunnen aanduiden, waar de vreemde spelling ophouden en de Nederlandsche beginnen moet. Zoo schrijft menbotanikus,kritikus,logika,kreion,portefeulië,kompanion, maar, geheel op Fransche wijze:bouillon,bouilli,eau de Cologne,entrepot,coup d’état,bordeaux(wijn), terwijl het stelsel volstrektodekolonje,antrepo,koedetaofkoedeeta,bordoeischt: spellingen, die de uitspraak zeker niet minder juist zouden voorstellen dankonsinië,sinialement,viniët,broeliëeren,akkeuliëeren, gelijk sommigen willen, die vanconsigne,signalement,vignet,brouilleeren,accueilleeren. Er is voor dergelijke uitzonderingen geene andere reden te bedenken, dan dat de aangevoerde en meer zulke woorden, op Nederl. wijze geschreven, een al te gedrochtelijk voorkomen zouden hebben. Wij hebben gemeend een stelsel niet te mogen aannemen, dat voor zijne eigene toepassing terugdeinst en daarmede zich zelf veroordeelt, en dat, consequent gevolgd, tot spellingen alssoepjee(souspied),swarree(soirée),koeduilj(coup d’oeil) enz. brengt, gelijk het reeds het niet zeer fraai klinkendeekwipaadjeheeft doen ontstaan.86. Daar men—en onzes inziens te recht—alle noodelooze inconsequentiën veroordeelt, en prijs stelt op regelmaat in alles, wat—gelijk de spelling eener taal—op den naam vanstelselaanspraak moet kunnen maken, mogen wij geene vormen goedkeuren alsfyzika(physica), waarin de Nederl.fenzplaats nemen naast de Gr.y, of alskatalogus(catalogus), waar de Lat. uitgangusin strijd is met de Gr. of Nederl.k. Schrijfwijzen, die twee of drie verschillende spellingen, zonder noodzaak en zonder eenig nut, op de willekeurigste wijze vermengen, kunnen niet ordelijk en regelmatig heeten. Wij behouden daarom niet slechts de Gr.theny, maar ook dec,senph, waar de Latijnsch-Grieksche spelling die letterteekens medebrengt. Dat dephaanleiding kan geven tot eene verkeerde uitspraak bij minkundigen, geeft dezen het recht niet om te eischen dat de geheele natie te hunnen gerieve inconsequent zal handelen. Een onkundige mogebedelenoflegerenuitspreken alsof erbedeelenenlegeerengeschreven stond, ofbévingenmetbevìngenverwarren; maar die mogelijke vergissing van lieden, wier kennis zoo gebrekkig is, kan voor de taal geene reden zijn om haar spellingstelsel te veranderen, dat zij eenmaal op goede gronden heeft aangenomen.

68. De vreemde woorden, die bij ons in gebruik zijn, moeten tot drie klassen gebracht worden. De eerste klasse bestaat uit dezulke, die hun vreemden vorm geheel hebben afgelegd en, in klemtoon zoowel als in klank, aan echt Nederlandsche gelijk zijn geworden; b. v.ark,beest,bijbel,keten,bisschop,luipaardenz.—De tweede bestaat uit woorden, waaraan niets veranderd is, zoodat zij door ons juist of nagenoeg zoo als in de vreemde taal worden uitgesproken; b. v.facto,incognito,cadeau,souspiedenz.—De derde omvat die woorden, welke in de uitspraak wijzigingen hebben ondergaan, die niet voldoende waren om hun het uitheemsch voorkomen geheel te benemen; b. v.advocaat,officier,president,resolutie,sigaarenz., die ieder op het gehoor af als vreemdelingen herkent. De zoodanige behooren als ’t ware tot twee talen en heeten daarombastaardwoorden.

69. De wijzigingen, waardoor vreemde woorden in bastaardwoorden overgegaan zijn, bepalen zich doorgaans tot de uitgangen. Deze zijn óf geheel aan Nederl. uitgangen gelijk geworden, b. v. inarti-kel(arti-culus), óf zij hebben nog altijd een vreemd karakter behouden, maar worden, overeenkomstig de gewijzigde uitspraak, volgens de Nederl. spelregels geschreven; b. v.majesteit(majestat-is). Door zulke gedeeltelijke veranderingen aan het einde der woorden zijn de zoogenaamdebastaarduitgangenontstaan, als -age, -aat, -eeren, -ier, -ij, -ijnenz.

70. De uitgang -agewerd, overeenkomstig de vroegere uitspraakaadzje, in de gebruikelijke spelling metdj(-aadje) geschreven. Nu deze spelling niet meer aan de uitspraak beantwoordt, hebben wij ons verplicht gerekend dedjte vervangen door deg, en zoodoende de woorden alsbagage,kijvage,pelgrimage,slijtage,stoffageenz. in overeenstemming te brengen met de gewone spelling vanmanege,logement,gelei,genie,horlogeenz.

71. De woorden der eerste klasse worden geheel op Nederl. wijze geschreven; alsgroep,troep,kleur,klooster,koor,sier,singel,troonenz. Uitgezonderd zijn:cedel(ceêl),ceder,cel,cent,cijfer,cijnsencirkel, die men steeds metcheeft geschreven, en die metsgespeld niet terstond zouden herkend worden.

Cel,centencirkelblijven hunne vreemde herkomst verraden door de onnederlandsch klinkende afleidsels cellulair,centesimaal,circulaire,circulatie;—cijferdoor zijnef, die invhad moeten overgaan om aan het woord geheel het voorkomen der Nederl. woordendrijver,ijver,kijverenz. te geven.

72. De woorden der tweede klasse behouden hunne oorspronkelijke spelling; b. v.bougie,cadeau,catalogus,museum,savoir-vivre,vaudevilleenz. Wanneer zij in de verbuiging een Nederl. uitgang aannemen, alscadeau’s(cadeaux),catalogen(catalogi),museën(nevensmusea) enz., dan behooren zulke vormen tot de bastaardwoorden.

73. De woorden der derde klasse, debastaardwoorden, moeten wederom in twee soorten onderscheiden worden. De eerste omvat die woorden,welke alleen in gebruik zijn bij hen, die de vreemde talen kennen; de tweede de dagelijksche woorden, bij lieden van allerlei stand in zwang.

74. Tot de eerste soort behooren de benamingen der voorwerpen van weelde, de uitdrukkingen van begrippen, alleen onder meer beschaafden gangbaar, en bepaaldelijk de termen, uitsluitend gebruikelijk in wetenschappen of in kunsten en beroepen, die eene wetenschappelijke opleiding vereischen; alsdejeuneeren,disputeeren,receptie,candelaber,lorgnet,categorie,syllogisme,scrupel,lancet,tachygraafenz.

75. Ten aanzien der woorden dezer klasse hebben wij ons den volgenden regel gesteld:

Bastaardwoorden, ontleend uit talen die hetzelfde letterschrift bezigen als het Nederlandsch, worden op de oorspronkelijke wijze geschreven, voor zooverre hunne uitspraak onveranderd gebleven is. Waar deze is gewijzigd en de oorspronkelijke spelling tot eene ongewone uitspraak aanleiding zou geven, wordt de spelling zooveel noodig op Nederl. wijze veranderd. Zoo wordt b. v.executiobij onsexecutie,decanus—decaan,république—republiek,souverain—souvereinenz.

76. Woorden, ontleend uit het Grieksch, dat een ander letterschrift heeft dan onze taal, worden op Latijnsche wijze uitgesproken, en daarom door ons, volgens oud gebruik, op Latijnsche wijze geschreven, met inachtneming evenwel van den regel, in de vorige § gesteld. Wij spellen derhalve:logica,physica,hypotenusa; doch, met verandering der uitgangen:synode(synodus),categorie(categoria),geographie(geographia) enz.

77. De tweede soort bestaat uit de namen van zaken, voorkomende in allerlei beroepen en ambachten, en uitdrukkingen van denkbeelden, aan alle standen eigen; b. v.penseel,vermiljoen,stukadoor,karkas,karakter,kapitaal,kastelein,kwartierenz.

78. Op de woorden dezer soort—die meest in de uitspraak eene veel sterkere verandering hebben ondergaan—is de vorige regel niet meer toepasselijk; het gebruik schrijft ze, zooveel doenlijk, op Nederlandsche wijze, b. v.komfoort(schoenmakersterm, fr.contrefort),penseel(penicillum),travalje(hoefstal, fr.travail),biljart(billard),biljet(billet),kapittel(capitulum),kasteel(castellum),sigaar(cigarro),sjees(chaise) enz.

79. Niet alle tot deze soort behoorende woorden echter kunnen op Nederlandsche wijze gespeld worden; b. v. niethorloge,diligence,machine. De spellingenhorlozjeofhorloozje,dilizjanse,masjineofmaasjinezouden al te wanstaltig zijn en toch de juiste uitspraak niet voorstellen. In zulke woorden moet de vreemde spelling—en wel geheel en al—behouden worden:diligence,machine,chocoladeenz., nietdiligense,machiene,chokolade, welke noodelooze vermenging van tweeërlei orthographie tegen den goeden smaak zou aandruischen.

80. Tot deze soort moeten twee bepaalde klassen van woorden gebracht worden, namelijk:

a.Die vreemde woorden, welke ten onzent eene beteekenis hebben aangenomen, die hun in de vreemde taal niet eigen was. Dezulke behooren op Nederl. wijze geschreven te worden, ofschoon zij; in de oorspronkelijke beteekenis gebezigd wordende, de vreemde spelling geheel of gedeeltelijk behouden. Hiertoe zijn te brengen:dokterin den zin van geneeskundige, nevens doctor als titel;komedie(schouwburg) nevenscomedie(blijspel);kommies(beambte bij de belastingen, fr.douanier), nevenscommies(ambtenaar aan een ministerie of bij de posterijen, fr.commis);lokaal(vertrek, zaal) nevens het bijv. nw.locaal(plaatselijk) enz.

b.De vreemde woorden, bij de dichters in gebruik, b. v.nimf,porfier,saffier,zéfirofzefíerenz. De poëzie, uit haren aard afkeerig van vreemdewoorden en vormen, heeft de genoemde en dergelijke vreemdelingen, ofschoon zij tot eene hoogere klasse van denkbeelden behooren, sinds lang in Nederlandsch gewaad populair gemaakt.

81. Behalve de vreemde woorden, in de vorige § onderabedoeld, zijn er nog andere van Latijnschen of Griekschen oorsprong, die op tweeërlei wijze geschreven worden; t. w. dezulke, die onder twee vormen tot ons zijn gekomen, de eene rechtstreeks uit het Latijn of Grieksch, de andere middellijk, door tusschenkomst van het Fransch. De Latijnsche of Grieksche vorm is dan de meer wetenschappelijke of deftige, de Fransche de gewone en dagelijksche. Hiertoe behooren b. v.praesens(tegenwoordige tijd) enpresent(tegenwoordig),subject(onderwerp) ensujet(in de uitdrukkingeen gemeen sujet),familie(Lat. familia) en het gemeenzamefamielje(Fr.famille),dioeceseendiocese,nummerennommer,oeconomieeneconomie,praeparatenenpreparatieven,fundamentenfondement,secundeenseconde.

82. De door ons aangenomen regels voor het schrijven der vreemde en bastaardwoorden zijn geheel in overeenstemming met de heerschende richting in ons spellingstelsel, waarin zich overal het streven openbaart om de uitspraak juist voor te stellen en de afleiding te doen uitkomen, voor zooverre deze het recht verstand der woorden kan bevorderen. Beide, de uitspraak en de afleiding der vreemde woorden, kunnen natuurlijk slechts door de oorspronkelijke spelling in het licht worden gesteld; doch, waar de uitspraak te zeer gewijzigd is en de kennis der etymologie geen nut kan doen, zou de oorspronkelijke spelling veeleer nadeelig werken, en is dus het volgen der Nederl. regels het rationeelst. Ook het erkennen van twee vormen nevens elkander is eene eigenschap van het Nederlandsch, dat een groot aantal woorden bezit, die twee, sommige zelfs drie vormen hebben, welke òf in gewijzigde beteekenissen òf in verschillende stijlsoorten gebruikelijk zijn. Men denke hier aanhet koord, met zorg vervaardigd touw,de koordder koordedansers, ende koordein de meetkunst; aanhet uurende ure, aande zielende ziele, aankleedenenkleederen, aanvolkenenvolkerenenz.

83. De hier voorgedragene spelling is bovendien voor hen, die zich het meest van vreemde en bastaardwoorden bedienen, namelijk voor allen, die de vreemde talen kennen, buiten tegenspraak de gemakkelijkste, vermits zij hen niet noodzaakt zich nog eene derde, afzonderlijke spelling eigen te maken, die zoowel van de vreemde als van de Nederlandsche verschilt. De eenige moeilijkheid, die zij ook voor dezulken heeft, is te bepalen of een bastaardwoord tot de eerste, dan wel tot de tweede soort gebracht moet worden. Intusschen is die zwarigheid niet zoo groot, als zij schijnt. Het aantal woorden, waarbij men werkelijk in twijfel kan staan, is betrekkelijk gering; en de vraag, die zich bij elk dier woorden voordoet, betreft niet nu deze, dan eene andere bijzonderheid, maar luidt onveranderlijk:is het woord in gebruik bij het algemeen, of slechts in bepaalde kringen?Heeft men die vraag beantwoord, dan is de spelling door de regels in§ 75–80gegeven. In de weinige werkelijk twijfelachtige gevallen, waarin het antwoord van den tact des schrijvers afhangt, zal de beslissing niet bij ieder dezelfde zijn: de een zal een woord volgens den regel in§ 75, de ander volgens den regel in§ 78behandelen, hetgeen dan twee verschillende spellingen van hetzelfde woord ten gevolge heeft. Doch niemand kan hierin eene groote ramp zien, wanneer men bedenkt, dat geene der beide schrijfwijzen, zoo slechts de regels goed zijn toegepast, eene taalfout heeten of tot andere verkeerdheden leiden kan.

84. Een ander bezwaar, namelijk dat niet allen, die zich van woordender eerste soort bedienen, de oorspronkelijke talen (meestal het Fransch, Latijn of Grieksch) verstaan, zoodat er steeds zullen gevonden worden die tot een woordenboek hunne toevlucht moeten nemen, drukt evenzeer op het stelsel dergenen, die de vreemde woorden meer op Nederl. wijze willen gespeld hebben, en b. v.fyzika,kritikus,katheder,kataloogenz. schrijven. Ook dezen moeten evengoed de vreemde talen kennen of eene woordenlijst raadplegen om te weten, dat—volgens hun stelsel—fyzikaeeney, maarkritikusgewonei’s, datkathedereeneth, maarkataloogeenethebben moet.

85. Is het bedoelde stelsel1Zie vooral M. (J. A. Alberdingk Thijm),Over de Spelling van de Bastaartwoorden. Amsterd.1843.niet in staat om de moeilijkheid weg te ruimen, voor welker opheffing het juist opzettelijk is uitgedacht, het bezwaar in§ 83vermeld is daarin veel grooter dan bij het onze. Dat stelsel toch past zijne regels niet slechts toe op bastaardwoorden, maar ook op geheel ongewijzigd overgenomen vreemde woorden, wier klank door de Nederl. spelling meer of minder juist kan voorgesteld worden. Men gaat daarbij echter geheel inconsequent te werk en laat sommige, waarop de regels streng genomen zeer wel toepasselijk zouden zijn, geheel onveranderd, zonder eene grens te kunnen aanduiden, waar de vreemde spelling ophouden en de Nederlandsche beginnen moet. Zoo schrijft menbotanikus,kritikus,logika,kreion,portefeulië,kompanion, maar, geheel op Fransche wijze:bouillon,bouilli,eau de Cologne,entrepot,coup d’état,bordeaux(wijn), terwijl het stelsel volstrektodekolonje,antrepo,koedetaofkoedeeta,bordoeischt: spellingen, die de uitspraak zeker niet minder juist zouden voorstellen dankonsinië,sinialement,viniët,broeliëeren,akkeuliëeren, gelijk sommigen willen, die vanconsigne,signalement,vignet,brouilleeren,accueilleeren. Er is voor dergelijke uitzonderingen geene andere reden te bedenken, dan dat de aangevoerde en meer zulke woorden, op Nederl. wijze geschreven, een al te gedrochtelijk voorkomen zouden hebben. Wij hebben gemeend een stelsel niet te mogen aannemen, dat voor zijne eigene toepassing terugdeinst en daarmede zich zelf veroordeelt, en dat, consequent gevolgd, tot spellingen alssoepjee(souspied),swarree(soirée),koeduilj(coup d’oeil) enz. brengt, gelijk het reeds het niet zeer fraai klinkendeekwipaadjeheeft doen ontstaan.

86. Daar men—en onzes inziens te recht—alle noodelooze inconsequentiën veroordeelt, en prijs stelt op regelmaat in alles, wat—gelijk de spelling eener taal—op den naam vanstelselaanspraak moet kunnen maken, mogen wij geene vormen goedkeuren alsfyzika(physica), waarin de Nederl.fenzplaats nemen naast de Gr.y, of alskatalogus(catalogus), waar de Lat. uitgangusin strijd is met de Gr. of Nederl.k. Schrijfwijzen, die twee of drie verschillende spellingen, zonder noodzaak en zonder eenig nut, op de willekeurigste wijze vermengen, kunnen niet ordelijk en regelmatig heeten. Wij behouden daarom niet slechts de Gr.theny, maar ook dec,senph, waar de Latijnsch-Grieksche spelling die letterteekens medebrengt. Dat dephaanleiding kan geven tot eene verkeerde uitspraak bij minkundigen, geeft dezen het recht niet om te eischen dat de geheele natie te hunnen gerieve inconsequent zal handelen. Een onkundige mogebedelenoflegerenuitspreken alsof erbedeelenenlegeerengeschreven stond, ofbévingenmetbevìngenverwarren; maar die mogelijke vergissing van lieden, wier kennis zoo gebrekkig is, kan voor de taal geene reden zijn om haar spellingstelsel te veranderen, dat zij eenmaal op goede gronden heeft aangenomen.

Het verdeelen der woorden in lettergrepen.(Grondbeg.§ 257–270).87. De spelling heeft ook het antwoord te geven op de vraag, tot welke lettergreep bij het afbreken van een woord de tusschenletters moetengerekendworden, tot de voorgaande of tot de volgende. Te dien aanzien hebben wij de volgende regels aangenomen:1. In samengestelde woorden blijft iedere letter in het woord, waartoe zij behoort; men breekt derhalve dus af:kwab-aal,eer-ambt,mein-eedig,door-een,elk-anderenz.Woorden met voorvoegsels, alsbe-,ge-,her- enz., en die met de achtervoegsels -aarden -achtig, welke eigenlijk samenstellingen zijn, worden als samengestelde woorden behandeld. Men breekt dus af:be-kleeden,her-overen,blauw-achtig,wreed-aardenz., met uitzondering vangrijn-zaardenvein-zaard: vergel. § 33.2. Bij afgeleide woorden met achtervoegsels, die met éénen of meer medeklinkers beginnen, wordt het geheele achtervoegsel afgescheiden; b. v.lief-de,hoog-ste,gedwee-ste,mee-ste,bak-ster,vlee-schelijkenz. Ter wille van de uitspraak moetennaas-teenbes-teworden uitgezonderd.Ook detenp, die in de verkleinwoorden voor den uitgang -jegevoegd worden, en evenzoo desvoor -kenof -ke, behooren bij deze achtervoegsels te blijven. Men breekt derhalve dus af:stoel-tje,boon-tje,boom-pje,penning-ske,jong-skeenz.3. In gevallen, die niet tot een der behandelde te brengen zijn, gaat men naar de volgende voorschriften te werk:a.Eene alleenstaande tusschenletter behoort tot de volgende lettergreep; b. v. indee-len,ne-men,la-chen,li-chaam.b.Van twee tusschenletters behoort de eerste tot de voorgaande, de tweede tot de volgende lettergreep; b. v. inber-gen,lan-den,gan-zenenz., en zoo ook bijnginlan-ger,bren-gen,zin-gen.c.Van drie en vier tusschenletters behooren er zooveel tot de volgende lettergreep, als zich gezamenlijk aan het begin van een woord gemakkelijk laten uitspreken. Men breke volgens dezen regel dus af:vor-sten,kor-stig,ven-sterenz.; maaramb-ten,erw-ten,art-sen,koort-senenz.d.In vreemde woorden en eigennamen gaat men naar de uitspraak te werk, b. v. inle-proos,A-driaanenz.

87. De spelling heeft ook het antwoord te geven op de vraag, tot welke lettergreep bij het afbreken van een woord de tusschenletters moetengerekendworden, tot de voorgaande of tot de volgende. Te dien aanzien hebben wij de volgende regels aangenomen:

1. In samengestelde woorden blijft iedere letter in het woord, waartoe zij behoort; men breekt derhalve dus af:kwab-aal,eer-ambt,mein-eedig,door-een,elk-anderenz.

Woorden met voorvoegsels, alsbe-,ge-,her- enz., en die met de achtervoegsels -aarden -achtig, welke eigenlijk samenstellingen zijn, worden als samengestelde woorden behandeld. Men breekt dus af:be-kleeden,her-overen,blauw-achtig,wreed-aardenz., met uitzondering vangrijn-zaardenvein-zaard: vergel. § 33.

2. Bij afgeleide woorden met achtervoegsels, die met éénen of meer medeklinkers beginnen, wordt het geheele achtervoegsel afgescheiden; b. v.lief-de,hoog-ste,gedwee-ste,mee-ste,bak-ster,vlee-schelijkenz. Ter wille van de uitspraak moetennaas-teenbes-teworden uitgezonderd.

Ook detenp, die in de verkleinwoorden voor den uitgang -jegevoegd worden, en evenzoo desvoor -kenof -ke, behooren bij deze achtervoegsels te blijven. Men breekt derhalve dus af:stoel-tje,boon-tje,boom-pje,penning-ske,jong-skeenz.

3. In gevallen, die niet tot een der behandelde te brengen zijn, gaat men naar de volgende voorschriften te werk:

a.Eene alleenstaande tusschenletter behoort tot de volgende lettergreep; b. v. indee-len,ne-men,la-chen,li-chaam.

b.Van twee tusschenletters behoort de eerste tot de voorgaande, de tweede tot de volgende lettergreep; b. v. inber-gen,lan-den,gan-zenenz., en zoo ook bijnginlan-ger,bren-gen,zin-gen.

c.Van drie en vier tusschenletters behooren er zooveel tot de volgende lettergreep, als zich gezamenlijk aan het begin van een woord gemakkelijk laten uitspreken. Men breke volgens dezen regel dus af:vor-sten,kor-stig,ven-sterenz.; maaramb-ten,erw-ten,art-sen,koort-senenz.

d.In vreemde woorden en eigennamen gaat men naar de uitspraak te werk, b. v. inle-proos,A-driaanenz.

Het gebruik der hoofdletters.88. De hoofdletters of kapitale letters dienen om een woord van andere te onderscheiden en den lezer te waarschuwen, dat het tot eene bijzondere soort behoort. Zij worden daarom gebezigd om een woord te kenmerken als een eigennaam of daarmede gelijkstaande, of als het eerste eener reeks van woorden, die òf niet òf minder nauw met het voorafgaande samenhangen. Hieruit vloeien de volgende bijzondere regels voort:89. Men schrijft met hoofdletters:1. Het eerste woord van elken volzin en, in poëzie, van elken dichtregel.2. Alle eigennamen van personen, alsAlbert,Arend,Rubens,Wolfenz.Wanneer zij uit de vereeniging van twee woorden bestaan, dan wordt ieder hoofddeel met eene kapitale letter geschreven; b. v.Jan Steen,De Witt,Ter Horst,Van Erpenz.Bij namen, die uit drie deelen bestaan, van welke het eerste een voorzetselen het tweede een lidwoord is, behoudt het middelste de kleine letter, alsVan den Berg,Van der Horst,Van de Wall,Op den Heuvelenz.Ook de bijv. nw., als toenamen achter eigennamen gevoegd, hebben eene hoofdletter; b. v.Alexander de Groote,Karel de Vijfde.3. Alle geographische eigennamen, alsItalië,Alkmaar,de Rijn,de Vesuviusenz. Zijn zij samengesteld, dan krijgt ook bij deze ieder hoofddeel eene kapitale letter; alsNieuw-Holland,Noord-Brabant,de Middellandsche Zee,de Kust van Guineaenz.4. De namen van maanden en van week- en feestdagen, alsJanuari,Maandag,Kerstmis,Paschen,Allerheiligen,St.-Pieterenz.5. De gemeene zelfstandige naamwoorden die als eigene gebezigd worden. Dit heeft plaats:a.Met persoonsnamen, wanneer zonder nadere aanduiding alleen uit de omstandigheden moet blijken, welke persoon bepaaldelijk bedoeld wordt; b. v. in uitdrukkingen als:de Koning(namelijk der Nederlanden);de Burgemeester(der plaats, waar de schrijver zich bevindt), enz.Dit is natuurlijk ook van toepassing op bijvoegl. woorden, die als zelfst. nw. gebezigd worden, en in hetzelfde geval verkeeren; b. v.de Booze,de overzetting der Zeventigen.b.Met benamingen van zaken, wanneer zij iets aanduiden, dat in de rhetorischeapostropheaangesproken en dus als een persoon voorgesteld wordt; b. v. in uitdrukkingen als:U roep ik geenszins aan, Verbeelding! Gij, strenge Waarheid, gij alleen spoort me aan tot zingen.6. Ieder hoofdwoord in titels, als:de Heer A,Mijnheer,Mevrouw,Mijne Heeren,Dames,Weledelgestrenge Heer,de Staten-Generaal,de Hooge Raad,het Hof van Cassatieenz.7. De bijv. nw. van eigennamen afgeleid, alsAmsterdamsch,Groningsch,Engelsch,Russischenz.; evenzoo wanneer zulke woorden, als zelfst. nw. gebezigd, eene taal of een tongval beteekenen:het Engelsch,het Groningsch.Het sedert eenigen tijd—in navolging van andere talen—opkomende gebruik om bijv. nw. alsEngelsch,Fransch,Duitschenz. met kleine letter te schrijven, is volstrekt niet aan te bevelen. Het doel der kapitale letter is den lezer te waarschuwen, dat het woord niet een gewoon naamwoord, maar een eigennaam is, en daardoor alle mogelijke verwarring te voorkomen. Die aanwijzing is bij de bijv. nw. even noodzakelijk als bij de eigennamen zelve.8. Die woorden, die in bijzondere gevallen, door den smaak en het oordeel van den schrijver te bepalen, eene opzettelijke aanwijzing vereischen of van het overige onderscheiden moeten worden, als b. v.Hij,Hem,Zijn, van God gezegd;de Almacht;de Hemel;de Kroon;de Regeering;het Ik;in ’t Voorleden ligt het Heden, enz.

88. De hoofdletters of kapitale letters dienen om een woord van andere te onderscheiden en den lezer te waarschuwen, dat het tot eene bijzondere soort behoort. Zij worden daarom gebezigd om een woord te kenmerken als een eigennaam of daarmede gelijkstaande, of als het eerste eener reeks van woorden, die òf niet òf minder nauw met het voorafgaande samenhangen. Hieruit vloeien de volgende bijzondere regels voort:

89. Men schrijft met hoofdletters:

1. Het eerste woord van elken volzin en, in poëzie, van elken dichtregel.

2. Alle eigennamen van personen, alsAlbert,Arend,Rubens,Wolfenz.

Wanneer zij uit de vereeniging van twee woorden bestaan, dan wordt ieder hoofddeel met eene kapitale letter geschreven; b. v.Jan Steen,De Witt,Ter Horst,Van Erpenz.

Bij namen, die uit drie deelen bestaan, van welke het eerste een voorzetselen het tweede een lidwoord is, behoudt het middelste de kleine letter, alsVan den Berg,Van der Horst,Van de Wall,Op den Heuvelenz.

Ook de bijv. nw., als toenamen achter eigennamen gevoegd, hebben eene hoofdletter; b. v.Alexander de Groote,Karel de Vijfde.

3. Alle geographische eigennamen, alsItalië,Alkmaar,de Rijn,de Vesuviusenz. Zijn zij samengesteld, dan krijgt ook bij deze ieder hoofddeel eene kapitale letter; alsNieuw-Holland,Noord-Brabant,de Middellandsche Zee,de Kust van Guineaenz.

4. De namen van maanden en van week- en feestdagen, alsJanuari,Maandag,Kerstmis,Paschen,Allerheiligen,St.-Pieterenz.

5. De gemeene zelfstandige naamwoorden die als eigene gebezigd worden. Dit heeft plaats:

a.Met persoonsnamen, wanneer zonder nadere aanduiding alleen uit de omstandigheden moet blijken, welke persoon bepaaldelijk bedoeld wordt; b. v. in uitdrukkingen als:de Koning(namelijk der Nederlanden);de Burgemeester(der plaats, waar de schrijver zich bevindt), enz.

Dit is natuurlijk ook van toepassing op bijvoegl. woorden, die als zelfst. nw. gebezigd worden, en in hetzelfde geval verkeeren; b. v.de Booze,de overzetting der Zeventigen.

b.Met benamingen van zaken, wanneer zij iets aanduiden, dat in de rhetorischeapostropheaangesproken en dus als een persoon voorgesteld wordt; b. v. in uitdrukkingen als:U roep ik geenszins aan, Verbeelding! Gij, strenge Waarheid, gij alleen spoort me aan tot zingen.

6. Ieder hoofdwoord in titels, als:de Heer A,Mijnheer,Mevrouw,Mijne Heeren,Dames,Weledelgestrenge Heer,de Staten-Generaal,de Hooge Raad,het Hof van Cassatieenz.

7. De bijv. nw. van eigennamen afgeleid, alsAmsterdamsch,Groningsch,Engelsch,Russischenz.; evenzoo wanneer zulke woorden, als zelfst. nw. gebezigd, eene taal of een tongval beteekenen:het Engelsch,het Groningsch.

Het sedert eenigen tijd—in navolging van andere talen—opkomende gebruik om bijv. nw. alsEngelsch,Fransch,Duitschenz. met kleine letter te schrijven, is volstrekt niet aan te bevelen. Het doel der kapitale letter is den lezer te waarschuwen, dat het woord niet een gewoon naamwoord, maar een eigennaam is, en daardoor alle mogelijke verwarring te voorkomen. Die aanwijzing is bij de bijv. nw. even noodzakelijk als bij de eigennamen zelve.

8. Die woorden, die in bijzondere gevallen, door den smaak en het oordeel van den schrijver te bepalen, eene opzettelijke aanwijzing vereischen of van het overige onderscheiden moeten worden, als b. v.Hij,Hem,Zijn, van God gezegd;de Almacht;de Hemel;de Kroon;de Regeering;het Ik;in ’t Voorleden ligt het Heden, enz.

Het gebruik van het samentrekkingsteeken.90. Het samentrekkingsteeken (^) dient om aan te duiden, dat eene lettergreep, ten gevolge van de uitlating eenerdtusschen twee klinkers, door de samensmelting van twee lettergrepen ontstaan is; als indaân,gebeên,gebiên,geboôn,spoên,reên, uitdaden,gebeden,gebieden,geboden,spoeden,redenen. De woorden, waarbij zulk eene samentrekking heeft plaats gehad, zijn vrij talrijk, en—althans voor het groote publiek—niet altijd gemakkelijk te herkennen. Zoo zal niet iedereen gevoelen, dat de woordengraag,kwee,kweelen,kiel(kleedingstuk),door(van een ei), samentrekkingen zijn vangradig,kwede,kwedelen,kedelofkidelendoder.Zelfs wanneer het woord nog onveranderd in gebruik is, kan de samentrekking licht onopgemerkt blijven; als bijweerlichtenuitwederlichten(hd.wetterleuchten), bijbuilen(bakkerw.) vanbuidel, en andere. Daar derhalve het aanduiden vanallesamentrekkingen zeer lastig zou wezen en in de meeste gevallen volstrekt geen nut zou hebben, bezigen wij het samentrekkingsteeken alleen dan, wanneer de ineensmelting van twee lettergrepen, die in den gewonen stijl niet samengetrokken worden, opzettelijk, met bewustheid, plaats heeft ten behoeve van maat, rijm of welluidendheid, als b. v.daân,leên,liên,doôn,voên,verneêrenen dergelijke ongewone vormen, bij welke de opzettelijke aanduiding der samentrekking voor de duidelijkheid wenschelijk is. Bij samentrekkingen echter alslavoorlade,meevoormede,sleevoorslede,leervoorleder,neervoorneder,veervoorveder,weervoorwederenz., die in het dagelijksch leven werkelijk zóó worden uitgesproken, achten wij het teeken geheel overtollig.

90. Het samentrekkingsteeken (^) dient om aan te duiden, dat eene lettergreep, ten gevolge van de uitlating eenerdtusschen twee klinkers, door de samensmelting van twee lettergrepen ontstaan is; als indaân,gebeên,gebiên,geboôn,spoên,reên, uitdaden,gebeden,gebieden,geboden,spoeden,redenen. De woorden, waarbij zulk eene samentrekking heeft plaats gehad, zijn vrij talrijk, en—althans voor het groote publiek—niet altijd gemakkelijk te herkennen. Zoo zal niet iedereen gevoelen, dat de woordengraag,kwee,kweelen,kiel(kleedingstuk),door(van een ei), samentrekkingen zijn vangradig,kwede,kwedelen,kedelofkidelendoder.Zelfs wanneer het woord nog onveranderd in gebruik is, kan de samentrekking licht onopgemerkt blijven; als bijweerlichtenuitwederlichten(hd.wetterleuchten), bijbuilen(bakkerw.) vanbuidel, en andere. Daar derhalve het aanduiden vanallesamentrekkingen zeer lastig zou wezen en in de meeste gevallen volstrekt geen nut zou hebben, bezigen wij het samentrekkingsteeken alleen dan, wanneer de ineensmelting van twee lettergrepen, die in den gewonen stijl niet samengetrokken worden, opzettelijk, met bewustheid, plaats heeft ten behoeve van maat, rijm of welluidendheid, als b. v.daân,leên,liên,doôn,voên,verneêrenen dergelijke ongewone vormen, bij welke de opzettelijke aanduiding der samentrekking voor de duidelijkheid wenschelijk is. Bij samentrekkingen echter alslavoorlade,meevoormede,sleevoorslede,leervoorleder,neervoorneder,veervoorveder,weervoorwederenz., die in het dagelijksch leven werkelijk zóó worden uitgesproken, achten wij het teeken geheel overtollig.

1Zie vooral M. (J. A. Alberdingk Thijm),Over de Spelling van de Bastaartwoorden. Amsterd.1843.

1Zie vooral M. (J. A. Alberdingk Thijm),Over de Spelling van de Bastaartwoorden. Amsterd.1843.


Back to IndexNext