Chapter 26

Orde:Microspermae.49.Burmanniaceae.Bloemdek meest vergroeidbladig, zelden boven het vruchtbeginsel met vrije bladeren; de 3 binnenste bloemdekslippen meest kleiner dan de buitenste of geheel verdwenen; meeldraden 6, of alleen de 3 van de binnenste krans aanwezig; vaak met sterk verbreed helmbindsel; vruchtbeginsel onderstandig met 3 wandstandige of hoekstandige zaadlijsten; doosvrucht met vele kleine zaden; kruiden of bladgroenlooze saprophyten; bloemen alleenstaand of in aarvormige bloeiwijzen.1a.Bloemen in een hoofdje aan het eind van den stengel; buis van het bloemdek 3-kantig of 3-vleugelig, vruchtbeginsel 3-hokkig; stengel van onderen met een roset van kleine smalle blaadjesBurmannia.1b.Bloemen in ijle trossen of in een vertakte bloeiwijze. Vruchtbeginsel éénhokkig22a.Bloeistengel naar boven in twee takken gespleten; elke tak de bloemen in een ijle tros dragend. Bloemdek aan de basis buikig opgezwollen, de mond nauwerDictyostegia.2b.Bloeistengel naar boven niet vertakt. Buis van de bloemkroon van binnen met 3 zakvormige instulpingen. Kroon naar den mond verwijdApteria.50.Orchidaceae.Bloemen met een bloemdek of met kelk en bloemkroon; typisch 3-tallig; bijna steeds tweeslachtig, zygomorf; van de meeldraden is alleen één van de 3 van de buitenste krans ontwikkeld òf minder vaak, de 2 zijdelingsche aan de binnenste krans; soms nog eenige als staminodiën aanwezig; één van de bloembladeren (lip) anders gevormd dan de beide andere; vruchtbeginsel onderstandig, aan den top met een verlenging (zuil) die de meeldraad en de stempel draagt; stuifmeelkorrels in groepen van 4 meest tot polliniën verbonden. Vrucht een doosvrucht met vele kleine zaden; overblijvende kruiden van zeer verschillende habitus, meest epiphyten.N. B. Men raadplege ook de gegevens op blz. 88.1a.Bloemen met 2 meeldraden. Kelkbladeren afstaand, het achterste vrij, de zijdelingsche onder den lip vereenigd; bloembladeren vrij, smaller dan de kelkbladeren, hangend. Lip zittend, schuitvormig. Landplanten met bebladerde stengel, met breede bladeren en een eindelingsche tros van lichtgele bloemen, lip met purperen vlekkenSelenipedilum.1b.Bloemen steeds met 1 meeldraad22a.Helmknop vast vergroeid met de bovenzijde van de zuil; niet afvallend na verwijdering van het stuifmeel; niet door een dunner steeltje met de zuil verbonden, rechtopstaand en van voren open. Landplanten met onderaardsche knollen, of vleezige wortels, met bebladerde stengels en eindelingsche trossen. Lip 3-deelig, met een lange spoorHabenaria.2b.Helmknopje niet vastgegroeid met de bovenkant van de zuil, doch er met een steeltje mee verbonden; helmknop liggend, bij het verwijderen van het stuifmeel gemakkelijk loslatend33a.De bloeiwijze staat aan het eind van den bebladerden stengel en sluit deze reeds enkele maanden na zijn ontstaan af, dus deze stengel kan alleen verder groeien door middel van zijtakken43b.De bloeiwijze staat nooit aan het eind van den stengel, doch de stengel krijgt korten tijd na zijn ontstaan in één of meer van de bladoksels bloemen of bloeiwijzen; de stengel groeit dan òf aan zijn top nog verder, of houdt van zelf met groeien op274a.Bladeren in den knop opgerold, zoodat de randen elkaar bedekken. Nooit een scherpe grens tusschen bladsteel en bladscheede en daardoor ook de bladeren nooit met een scherp begrensde breuk van de bladsteel afbrekend. Antheren meest niet afvallend maar blijvend, maar toch niet vast vergroeid met den top van de zuil; stuifmeelklompjes niet in harde wasachtige massa’s bij elkaar blijvend, maar meest in korrels uiteenvallend. Planten alle in den grond wortelend, of met lange klimmende stengels54b.Bladeren in den knop alleen langs de middennerf gevouwen, deranden niet over elkaar liggend. Planten bijna zonder uitzondering epiphytisch levend95a.Planten met lange, vertakte klimmende en bebladerde stengels, met korte luchtwortels. Bloem groot, meest wit of groenachtig.Vanilla.Banilla,Banirie.5b.Planten in den grond wortelend met een rechtopstaande stengel66a.Bloemen met een lange spoor. De bloembladeren met het achterste kelkblad opgericht en samen een soort van helm vormend. Stuifmeelklompjes in groepen van korrels uiteenvallend; helmknop openspringend. Stengels bebladerd; bladeren zachtharigPhysurus.6b.Bloemen niet met een spoor, hoogstens met een knobbel; indien er een spoor is, dan is deze met vruchtbeginsel vergroeid77a.Bloeitros veelbloemig, door draaiing van de as schijnt het dat de bloemen hetzij in een rechte lijn, hetzij in een spiraallijn langs de tros staan. Bloembladeren, kelkbladeren en lip een rechte hoek met het vruchtbeginsel makend en daardoor alle horizontaal naar buiten gericht. Bloemen vrij kleinSpiranthes.7b.Bloemen naar alle zijden van den tros gericht88a.Bladeren goed ontwikkeld in een wortelroset; stengel alleen met schubvormige bladeren bezet. Tros met veel bloemenStenorrhynchus.8b.Bladeren klein en smal, niet in wortelroset maar hoogstens 3 bladeren langs de bloeiende stengel verspreidPogonia.9a.De beide bloembladeren en vooral de lip zijn door grootte en kleur sterker of even sterk in het oog springend als de 3 kelkbladeren109b.De lip en de beide bloembladeren vallen belangrijk minder in het oog dan de 3 kelkbladeren; zuil verlengd in een voet, die met de lip geleed is2210a.Bladschijf en bladscheede geleidelijk in elkaar overgaand zonder geleding, bladeren alle aan de voet van den bloeistengel in een roset gezeten. Bloemen wit, nog niet 1 c.M. groot; zuil lang, zonder voet. Stuifmeelklompjes 4, zonder aanhangselenLiparis.10b.Bladschijf en bladscheede duidelijk van elkaar te scheiden; geleed en op die plaats later afbrekend1111a.Bladeren vrij breed, door talrijke evenwijdige nerven sterk geplooid,vrij dun. Bloemen tot 5 c.M. groot, rose tot paars, lip van binnen wat geel, alleen of in groepen aan het eind van den stengel zittendSobralia.11b.Bladeren glad, leerachtig, niet gerimpeld, een enkele maal dun, maar dan zeer smal als grasbladeren, soms ook vleezig1212a.Bloemen met een lange spoor aan den lip, vrij groot. Bloeiwijze een eindelingsche tros; stengel van onderen in een kleine knol verdikt, bladeren lang en smal, in twee rijen langs den stengelGaleandra.12b.Lip steeds ongespoord1313a.Lip niet grooter dan de beide bloembladeren en de kelk. Zuil in een voet verlengd, waarmee de lip eenigszins bewegelijk verbonden is. Zuil zeer kort en breed. Stuifmeelklompjes 4 of 2, met een kort steeltje, doch zonder staartje. Bloemen zeer klein, in eindelingsche trossenPolystachya.13b.Vooralde lip goed ontwikkeld en grooter dan de kelkbladeren. Stuifmeelklompjes 4, 6 of 8, zonder steeltje, doch met een staartje1414a.Zuil in een voet verlengd; soms is er schijnbaar een voet aanwezig, maar wordt deze door de zijdelingsche kelkbladeren gevormd (Tetragamestus)1514b.Zuil niet in een voet verlengd1915a.Lip geheel vrij1615b.Lip aan den basis met de zuil tot een bekertje vergroeid. Stengels met lange en dunne geledingen en lange bladeren, sommige geledingen vaak een weinig verdikt tot een lange smalle luchtknol. Nieuwe spruiten aan het eind van die luchtknollen. Bloemen in eindelingsche, weinig-bloemige korte trossen, met vele schubben omgevenHexisea.16a.Lange met bladeren bezette, verdikte stengels; onderste bladeren ten deele afgevallen. Tros eindelings, veelbloemig, bloemen geel tot groenOrleanesia.16b.Bloemen alleenstaand of in kleine groepjes aan het eind van de weinig verdikte geleding van den stengel naast de nieuwe stengel, zoodat de bloeiwijze schijnbaar zijdelings staat; soms ook zitten de bloemen in de oksels der bladeren1717a.Zuil zonder voet. Zijdelingsche kelkbladeren met een eenigszins hoekig verlengde basis, zoodat er schijnbaar een kin gevormd wordt; bloemen klein; lip wigvormig met lijsten op de plaatTetragamestus.17b.Zuil met een duidelijke voet; zijdelingsche kelkbladeren een normale, doch soms kleine kin vormend1818a.Zuil kort; stuifmeelklompjes zijdelings samengedrukt; bladeren 2-vele. Bloemen groenachtig met bruine streepen en vlekkenPonera.18b.Zuil lang, stuifmeelklompjes niet samengedrukt maar eirond tot bolvormig. Geledingen van den stengel verdikt met telkens 2 bladeren aan het eind. Bloemen violetScaphyglottis.19a.Stuifmeelklompjes 4, gelijk van vorm en grootte2019b. Stuifmeelklompjes 8, in 2 rijen, paarsgewijs boven elkaar, de onderste door een aanhangsel met de bovenste verbonden2120a.Stuifmeelklompjes niet zijdelings platgedrukt doch eirond; kleine planten met kleine vleezige, spitse bladeren, die in twee rijen aan een korte stengel zitten, welke in een trosje van kleine bloemen eindigt. Bebladerde stengels uit een kort, kruipend rhizoom te voorschijn komendLanium.20b.Stuifmeelklompjes platgedrukt. Nagel van den lip opgericht; soms weinig, vaak over een groot deel vergroeid met de zuil; schijf van de lip vrij, opstaand; plaat van den lip met lamellen of andere woekeringen, zonder hoornvormige aanhangselen; zuil meest lang en smal. Planten vaak met luchtwortels, soms ook met onverdikte bebladerde stengelsEpidendrum.21a.Stuifmeelklompjes ongelijk, de bovenste veel kleiner dan de onderste. Lip aan de basis met een smalle nagel, naar boven plotseling verbreed, aan den rand fijn ingesneden. Bladeren vleezig, bijna rond in doorsnede, aan één zijde gegroefd, lang en spits. Bloemen geel en wit, lip en petalen vlakBrassavola.21b.Stuifmeelklompjes gelijk van vorm en grootte. Basis van den lip naar boven geleidelijk in de plaat verbreed. Kelkbladeren en bloembladeren aan den rand sterk gegolfd. Luchtknollen aan den top met 2 vlakke bladerenSchomburgkia.22a.Bloeiwijzen met slechts één bloem. Bladeren zeer klein, vleezig. Achterste kelkblad vrij, de zijdelingsche min of meer aan de basis vergroeid. Bloembladeren smal, scherp toegespitst, aan den top een weinig verdikt. Stuifmeelklompjes 4Restrepia.22b.Meerdere bloemen aan den bloeistengel, of ten minste in groepen bij elkaar; 2 of 8 stuifmeelklompjes2323a.Stuifmeelklompjes 8. Stengels vrij lang, van onderen met eenige schubben bezet, van boven door een (schijnbaar eindelingsch) blad afgesloten. Bloemen aan het eind van den stengel bij de bladvoet in een groepje uit den stengel te voorschijn komend. Kelkbladeren bijna niet vergroeid: bloembladeren weinig kleiner dan de kelkbladeren; lip veel kleiner. Bloemen kleinOctomeria.23b.Stuifmeelklompjes 22424a.Alle kelkbladeren duidelijk met elkaar vergroeid2524b.Kelkbladeren niet vergroeid of tenminste het achterste kelkblad vrij2625a.Bloemen grooter dan 1 c.M. Kelkbladeren een duidelijke beker vormend; kelkslippen min of meer draadvormig verlengd, soms zeer lang. Planten met korte, 1-bladige stengels en weinig-bloemige bloeiwijzenMasdevallia.25b.Bloemen kleiner dan 1 c.M.; kelkbladeren wel vergroeid doch niet met de basis een beker vormend; slippen kort, nooit draadvormig verlengd. Stengels evenals de vorige met 1 goed ontwikkeld blad, bloeiwijze een lange tros met meest vele bloemenStelis.26a.Kelkbladeren niet uitgespreid, spits; bloembladeren smal, niet met elkaar of met den zuil vergroeid, zeer klein. Zuil min of meer verlengd, aan den basis een voet vormend; lip bewegelijk met de basis van den zuil verbonden. Habitus als de vorigePleurothallis.26b.Kelkbladeren uitgespreid. Bloembladeren klein en breed, de nagels met den zuil vergroeid; lip aan de basis van de zuil vastgegroeid, zuil zonder voet. Stengels vrij lang met één eirond blaadje aan den top, aan welks voet de veelbloemige bloeiwijze te voorschijn komtLepanthes.27a.Bladeren meest vrij dun, met vele en duidelijke evenwijdige nerven. Bladeren in den knop opgerold, dus met de randen over elkaar liggend2827b.Bladeren glad, leerachtig tot vleezig, alleen de middennerf duidelijk. Bladeren in den knop samengevouwen langs de middennerf, dus bladranden niet over elkaar liggend4028a.Internodiën gelijkmatig gezwollen of in het geheel niet gezwollen2928b.Een enkel internodium is sterk opgezwollen en vormt een luchtknol3229a.Lip groot, vliezig, met den voet van de zuil bewegelijk verbonden of er mee een spoor of zak vormend. Stuifmeelklompjes 2 of 4 met een kort steeltje, zonder staartje. Planten in den bodem groeiend. Bloemen tweeslachtig3029b.Lip groot, vleezig, niet bewegelijk met den voet van de zuil verbonden, doch er aan vastgegroeid. Stuifmeelklompjes 2 of 4, met een lange steel. Epiphyten. Bloemen bijna steeds eenslachtig3130a.Lip boven de basis kort versmald, tusschen de zijdelingsche kelkbladeren een stompe zak vormend. Helmknop met 2 aanhangsels.Bebladerde stengels kort, met weinig bladeren; bloeistengels naast den bebladerden stengel uit de onderaardsche knolvormig verdikte wortelstok te voorschijn komend, onbebladerd; bloemen in een enkelvoudige trosCyrtopera.30b.Lip aan den basis zonder uitholling of zak. Helmknop met slechts 1 aanhangsel of zonder aanhangsel. Habitus als de vorige, doch bloeiwijze meest meermalen vertaktCyrtopodium.31a.De ♂ bloemen hebben een vrij lange, dikke zuil, die rechtopstaat en aan de voorzijde twee lange draadvormige aanhangsels heeft; stuifmeelklompjes 4, langwerpigCatasetum.31b.De ♂ bloemen hebben een zeer lange, sterk naar voren gebogen zuil die aan de basis dun, naar boven verdikt is en geen draadvormige aanhangselen heeft. Stuifmeelklompjes 2, bijna bolrond of eirondCycnoches.32a.De bloeiwijze komt te voorschijn direct onder de luchtknol, d.w.z. uit de oksel van de bovenste der bladeren, die de luchtknol aan de basis bedekken. De nieuwe spruit staat daarentegen in den oksel van de onderste dier schubben. Knol met 1 of 2 bladeren aan den top. Bloeiwijzen onbebladerd, opgericht, met schubben bedekt, met weinige groote of vrij groote bloemen; kelkbladeren smal, afstaand, de zijdelingsche aan den korten zuilvoet bevestigd; de beide bloembladeren gelijk van vorm als de kelkbladeren. Lip onbewegelijk met de zuilvoet vergroeid, een zeer korte kin vormend, breed en vlak met een dwarse lijst. Zuil aan den top met twee stompe vleugeltjes. 4 stuifmeelklompjesMenadenium.32b.Bloeiwijze tevoorschijnkomend uit den oksel van de onderste der bladeren, die de basis van de knol omgeven, of uit de onderste schubben van de nog groeiende spruit (Batemania). Nieuwe spruit uit den oksel van de bovenste dier bladeren tevoorschijnkomend3333a.Lip vliezig, meest voorzien van overlangsche lijsten met den zuilvoet bewegelijk verbonden3433b.Lip vleezig, duidelijk geleed in verschillende achter elkaar liggende afdeelingen, waarvan de laatste bladachtig, de 2deen 1stevleezig zijn; de 1steafdeeling is dan met de voet van den zuil onbewegelijk verbonden3634a.Stuifmeelklompjes na het afvallen van de helmknop door 1 steeltje verbonden3534b.Stuifmeelklompjes aan twee steeltjes vastzittend. Kelk- en kroonbladeren vrijwel gelijk, de beide zijdelingsche kelkbladeren met den zuilvoet een groote spitse kin vormend, die het uiterlijk heeft van een spoor. Bloembladeren naar voren staand, met den zuilvoet vergroeid. Bloeiwijze met vele bloemen. 1 blad op de luchtknolBifrenaria.35a.Bloeiwijze met 1–3 bloemen, hangend. De zijdelingsche kelkbladeren vormen slechts een kleine kin. Lip rechtopstaand, op den sterk gebogen zuilvoet zittend, 3-lobbig, met knotsvormige aanhangselen aan den eindlob en smalle overlangsche platen op het midden. Steeltje der stuifmeelklompjes langPaphinia.35b.Bloeiwijze met vele bloemen, hangend. Zijdelingsche kelkbladeren geen kin vormend, doch met een smalle basis op de top van den zuilvoet zittend. Bloembladeren veel breeder dan kelkbladeren,met een breede basis aan de zuilvoet verbonden. Lip rechtopstaand 3-lobbig. De 4 stuifmeelklompjes hebben een kort 3-hoekig steeltje. Bloeiwijze te voorschijn komend uit de schubben, die de nog jonge en groeiende bladspruit omgevenBatemania.36a.Bloemen in lange, veelbloemige, hangende trossen. Door een buiging van bloemsteel en vruchtbeginsel is de horizontaal gerichte lip gelegen boven de schuin naar onderen gerichte zuil. Daardoor is ook het middelste kelkblad, dat met de zuil vergroeid is, naar beneden gericht. De zijdelingsche kelkbladeren zijn met breede basis aan de zuilvoet vergroeid. Bloembladen smal en klein, aan den zuil vastgegroeid. Lip met 2 dunne horentjes. Luchtknol met 1 of 2 bladerenGongora.36b.Stand van de bloem normaal, dus zuil naar boven, lip naar onderen gericht; doordat de bloemen hangen aan denietgebogen bloemsteelen is vaak de zuil naar beneden gericht, doch dan is ook de lip naar beneden gericht naar den top van den zuil toe3737a.Bloembladeren en kelkbladeren niet uitgespreid, alle naar elkaar toegebogen. Bloem daardoor halfbolvormig. Bloembladeren gelijk in vorm en grootte met het achterste kelkblad. Zuil kort, lip zeer vast met de zuil verbonden, met 2 vleugels aan de basis, die tegen den zuil aanliggen, in het midden smaller, aan den top weer verbreedPeristeria.37b.Kelkbladeren en bloembladeren afstaand, vaak zelfs teruggeslagen3838a.Zijdelingsche kelkbladeren zeer groot, veel grooter dan het middelste kelkblad en dan de bloembladeren, assymetrisch. Bloembladeren smal, naar beneden hangend. Lip (in den hangenden stand der bloem) eerst smal, schuin naar boven gericht, daarna in een convex, breed gedeelte overgaand vervolgens plotseling loodrecht naar beneden gebogen en daar tot een beker vervormd, waarin vloeistof zit. Knollen sterk gegroefd met 1 of 2 bladeren op den topCoryanthes.38b.Zijdelingsche kelkbladeren en bloembladeren onderling ± gelijk van vorm en grootte; middenlob van de lip niet bekervormig3939a.Bloembladeren en kelkbladeren vrij breed, teruggeslagen. Basis van de lip en voet van de zuil uitgehold, vast met de zuil verbonden. Geen vleugelvormige aanhangselen aan het middendeel van de lip. Eén blad op de luchtknol. Bloeiwijze met 1 of 2 bloemenStanhopea.Lady-slipper.39b.Bloembladeren en kelkbladeren smal, afstaand. Basis van de lip en voet van de zuil steelrond, niet uitgehold, tot aan de lip uitgebreid; 3-lobbig. Minstens 4 bloemen in een hangende trosKegelia.40a.De bebladerde spruiten hebben een begrensde groei; meestal sluiten ze korten tijd na hun ontstaan af met een luchtknol met eenige bladeren op hun top; de plant groeit dan verder door middel van een anders gevormde, meest kruipende en met schubben bedekte spruit4140b.De bebladerde spruiten hebben een onbegrensde groei en dragen de bloemen of bloeiwijzen in de oksels der bladeren5841a.Lip vliezig, bewegelijk met de voet van den zuil verbonden. Stuifmeelklompjes met steeltjes of staartje, maar nooit met beide tegelijk, of zonder beide4241b.Lip vliezig, vast met den voet van de zuil verbonden of direct op den zuil vastzittend of een spoor vormend. Stuifmeelklompjes 2, met een lange of breede steel4842a.Stuifmeelklompjes 4, zonder aanhangsel. Achterste kelkblad vrij, de zijdelingsche aan de voet van de zuil vastgegroeid, een weinig ontwikkelde kin vormend. Lip aan de basis versmald, klein, bewegelijk met den zuilvoet verbonden, 3-lobbig, de 2 zijlobben klein, opgericht, de middenlob groot. Zuil aan den top met 2 vleugels. Epiphyt met een kruipende wortelstok, die met schubben bedekt is; zijspruiten uit slechts 1 luchtknol bestaande, aan de basis met schubben, aan den top met 1 of 2 bladeren. Bloeiwijze naast de luchtknollen te voorschijn komend, soms ook uit het rhizoom zelf, onbebladerd, onvertakt, vaak naar den top verdikt.Bulbophyllum.42b.Planten met of zonder luchtknollen. Stuifmeelklompjes met een goed ontwikkeld steeltje4343a.Iedere spruit vormt uit een geleding een luchtknol, op welks top ongesteelde bladeren zitten, aan welks basis òf bladeren met scheeden, òf alleen schubben aanwezig zijn. De bloeiwijze komt uit een lagere bladoksel te voorschijn als de nieuwe bebladerde spruit. Lip meest met overlangsche verdikkingen4443b.Geen luchtknollen aanwezig. Bloeiwijze steeds éénbloemig, uit een hoogere bladoksel te voorschijn komend dan de nieuwe bladspruit. Lip meest met dwarse verdikkingen4744a.Kelkbladeren van onderen tot een driehoekige buis vergroeid, van boven vrij, afstaand. Bloembladeren veel kleiner dan de kelkbladeren. Lip van af de basis van de zuil opgericht, kleiner dan de kelkbladeren, naar boven afstaand duidelijk 3-lobbig met opgerichte zijlobben. Zuil vrij dun, ongevleugeld, zonder voet. Bladeren smal, een of twee op den top van de dicht op elkaar gedrongen luchtknollenTrigonidium.44b.Kelkbladeren geheel vrij van elkaar4545a.Lip goed bewegelijk. Zuil met een duidelijke voet aan de basis4645b.Lip weinig bewegelijk, soms een weinig met de basis van de zuil verbonden. Zuil zonder voet. Kelk- en bloembladeren naar elkaar gebogen. Lip 3-lobbig, de zijlobben opgericht, de middenlob teruggeslagen. Rhizoom lang kruipend, bloeiwijzen éénbloemig, in groepen in de oksels staand. Bloemen vrij kleinOrnithidium.46a.De stuifmeelklompjes zitten zonder of met een zeerkortsteeltje bijna direct op de kleefmassa; kelk- en kroonbladeren bijna gelijk van vorm, afstaand, de zijdelingsche kelkbladeren kinvormend. Lip 3-lobbig, de zijlobben opgericht. Bloeiwijzen steeds éénbloemig aan de basis van de luchtknol of in de oksels der bladeren van het rhizoom alleenstaandMaxillaria.46b.Bloemenvrijwelgelijk aan de vorige, maar stuifmeelklompjes met een platte en breede steel. De bebladerde spruiten zijn meest sterk vertakt, de luchtknollen staan vaak in de oksels van de bladeren dier spruit; bloemen steeds in de oksels dier bladerenCamaridium.47a.Kelk- en bloembladeren ongeveer gelijk, de zijdelingsche kelkbladeren met den zuilvoet vergroeid en een korte maar duidelijkekin vormend. Lip met een lange nagel, bewegelijk met de zuil verbonden, naar den top zeer sterk verdikt en vleezig over de geheele breedte, met overlangsche lijsten. Zuil zeer breed, bekervormig. Bladeren lang, in twee rijen en in 1 vlak staand. Bloem groot in een korte éénbloemig bloeiwijzeBollea.47b.Lip vast verbonden met de zuil, met een 5-ribbige basis, vervolgens overgaande in een vliezige plaat met kleine halfsikkelvormige zijlobben en een groote ruitvormige eindlob. Zuil kort, niet bekervormig. Bloemen vrij kleinChaubardia.48a.Helmknop rechtopstaand. Bloem zonder spoor of knobbel4948b.Helmknop horizontaal of vaker naar voren overhangend op de voorzijde van de zuil5049a.Kelk en kroonbladeren vrijwel gelijk, afstaand. Lip ongenageld één geheel vormend met de basis van de zuil, diep 3-lobbig, de zijlobben breed, opgericht, de zuil omvattend, de middenlob kort, afstaand. Zuil opgericht vrij dun, ongevleugeld, zonder voet, van voren gegroefd, stuifmeelklompjes 2, zonder aanhangsel. Luchtknollen lang en slank aan den top met één blad. Bloemen in hangende trossenMacradenia.49b.Kelk en bloembladeren vrijwel gelijk van grootte, de bloembladeren sterker gekleurd dan de kelkbladeren, de laatste rechtopstaand of afstaand. Lip met een duidelijke nagel, rechtopstaand, soms met 2 aartjes, verder pijlvormig met een zeer spitse punt. Zuil eenigszins gekromd, zonder voet. Stuifmeelklompjes 2 zonder aanhangsels. Kleine planten met éénbladige luchtknollen; bloemen klein, in trossenNotylia.50a.Bloemen met een duidelijke spoor of knobbel. Stuifmeelklompjes 25150b.Bloemen zonder spoor of knobbel5351a.De spoor is zeer lang en wordt zoowel door de lip gevormd als door de zijdelingsche kelkbladeren, die met elkaar vergroeid zijn. Achterste kelkblad vrij. Bloembladeren breeder. Lip ongedeeld, bijna rond of meer samengerold en de zuil omhullend, aan de basis met 2 lange sporen, die in de spoor van de kelkbladeren verborgen zitten en ermee vergroeid zijn. Bladeren in 1 vlak. Bloeiwijze met 1 of 2 vrij groote gele bloemenPlectrophora.51b.Geen lange spoor, doch alleen een knobbel aanwezig5252a.De zijdelingsche kelkbladeren bijna geheel vergroeid met elkaar; lip zeer kort met de basis van de zuil verbonden, opgericht met een zeer korte spoor die door de beide kelkbladeren bedekt wordt. Bloemen rood in eenzijdige, veelbloemige trossenRodriguezia.52b.De zijdelingsche kelkbladeren geheel vergroeid, aan de basis onder de lip een korte zak vormend. Lip duidelijk genageld, geheel zonder spoor of knobbel. Bloemen violet, in wijde pluimenJonopsis.Sapotille-orchidee.53a.Kelkbladeren niet vergroeid, smal, evenals de kroonbladeren. Nagel van de lip met de zuil vergroeid, verder afstaand, ongedeeld, breed eirond, aan den top plotselingtoegespitst, min of meer schelpvormig.Zuil half zoo lang als de lip. Bladen vleezig. smal, één op de luchtknol. Bloemen vuilwit met lichtroode teekening, in knikkende, 3–4-bloemige trossenTrichopilia.53b.Achterste kelkblad met de kroonbladeren aan de basis van dezuil vastgegroeid. Nagel van de lip tot aan de halve hoogte met de zuil vergroeid, vervolgens afstaand, 3-lobbig, lobben stomp, aan den rand een weinig gegolfd tot gekarteld, de middenlob aan den top wat ingesneden. Planten met groote, sterk platgedrukte luchtknollen met 2 bladeren op den top. Tros rechtopstaand met 2–3 welriekende bloemen. Kelkbladeren geelgroen met paarse strepen; bloembladeren geel, donker geaderd, lip wit, aan de basis geel, met purperen vlekjesAspasia.53c.Lip alleen met de basis van de zuil samenhangend, er niet mee tot een zekere hoogte vergroeid;afstaandof naar beneden geslagen5454a.Stuifmeelklompjes 4. Planten zonder luchtknollen5554b.Stuifmeelklompjes 2. Planten met of zonder luchtknollen5655a.Top van de zuil en helmknop met een lang draadvormig naar beneden gericht aanhangsel. Achterste kelkblad helmvormig gebogen. Lip min of meer 3-lobbig, de beide zijlobben dik en vleezig. Zuil kort en dik, van voren hol. Planten klein, zonder luchtknollen, stengel kort, bladeren in één vlak staand. Bloemen klein in een vrij lange trosOrnithocephalus.55b.Top van de zuil en helmknop niet met een dun verlengsel. Achterste kelkblad bijna vlak. Lip aan den top met 2 lange, dunne rechtopstaande zijlobben. Kleine planten, bladeren niet in één vlak staand. Tros veelbloemig, knikkendCryptarrhena.56a.Kelkbladeren en bloembladeren zeer lang en dun en spits. Lip ongedeeld, niet 3-lobbig, korter dan de kelkbladeren, zuil ongevleugeld. Planten vrij groot met luchtknollen, met 1 of 2 bladeren op den top. Bloemen in weinigbloemige trossenBrassia.56b.Kelk en kroonbladeren niet bijzonder lang, dun en spits. Zuil gevleugeld5757a.Planten zonder luchtknollen met lange stengels, waaraan de korte bladeren in twee rijen dakpansgewijs over elkaar liggen. Lip betrekkelijk groot met korte zijlobben en groote 3–5-lobbige eindlob. Zuil kort, gevleugeldLockhartia.57b.Planten met luchtknollen of indien er geen luchtknollen aanwezig zijn, dan zijn de stengels kort en staan de bladeren dicht, meest in één vlak, op elkaar. Lip zeer verschillend van vorm, meest groot, steeds direct van af de basis naar beneden geslagen met vele en verschillend gevormde wratten en lijsten. Zuil duidelijk gevleugeldOncidium.58a.Planten met lange meest kruipende of hangende bebladerde stengels. Bloemen alleenstaand in de oksels van de bladeren. Lip aan den voet van de zuil verbonden. Zuil opgericht, ongevleugeld. Stuifmeelklompjes 4, zonder aanhangselen. Bloemen ongespoord.Dichaea.58b.Planten met lange, bebladerde en met luchtwortels bezette stengels en dus bladeren in 2 rijen, of stengels bijna geheel ontbrekend en onbebladerd, en dan de plant alleen bestaande uit een groep van luchtwortels en enkele bloeiwijzen. Bloemen klein, gespoord, in trossenCampylocentrum.(Angraecum).Hulptabel bij het determineeren van Orchideeën, die zich door een enkel in het oog vallend kenmerk onderscheiden.I. Planten alleen bestaand uit een bos luchtwortels en eenige trosjes van kleine bloemen, dus geen stengel en bladeren aanwezig:Campylocentrum.II. Planten in den bodem groeiend zonder luchtwortels:Selenipedilum,Habenaria,Pogonia,Stenorrchynchus,Spiranthes,Physurus,Liparis,Cyrtopera,Cyrtopodium.III. Lange gelijkmatig bebladerde stengels zonder of met luchtwortels; geen luchtknollen aanwezig:Lockhartia,Dichaea,Campylocentrum,Orleanesia,Epidendrum(ten deele).IV. Lange, dunne luchtknollen, telkens met een paar bladeren op den top; de eene luchtknol boven op de andere zittend; bloemen in kleine groepen:Tetragamestus,Ponera,Scaphyglottis,Hexisea.V. Lange, klimmende, groene bebladerde stengels, met lange geledingen:Vanilla.VI. Epiphyten zonder luchtknol doch de bebladerde stengels kort, en daardoor de bladeren in rosetten of in één vlak gezeten:Jonopsis,Ornithocephalus,Cryptarrhena,Oncidium(ten deele),Bollea,Chaubardia.VII. Bebladerde stengels met slechts één blad aan den top, en met een bloeiwijze:Masdevallia,Stelis,Pleurothallis,Lepanthes,Restrepia,Octomeria.VIII. Luchtknollen met één blad op den top:Epidendrum(ten deele),Bifrenaria,Stanhopea,Menadenium(ten deele),Maxillaria,Camaridium,Ornithidium,Trigonidium,Macradenia,Notylia,Rodriguezia,Plectrophora,Trichopilia,Oncidium(ten deele).IX. Luchtknollen met twee bladeren op den top:Lanium(ten deele),Epidendrum(ten deele),Schomburgkia,Paphinia(ten deele),Batemania,Peristeria,Coryanthes,Gongora,Menadenium(ten deele),Bulbophyllum,Aspasia,Brassia,Oncidium(ten deele).X. Bloemen met een spoor of knobbel, hetzij aan de lip, hetzij aan de beide zijdelingsche kelkbladeren, of aan lip en kelkbladeren:Habenaria,Physurus,Liparis,Galeandra,Cyrtopera,Bifrenaria,Rodriguezia,Jonopsis,Plectrophora,Campylocentrum.XI. Kelkbladeren alle 3 met elkaar vergroeid, soms een buis of een beker vormend:Masdevallia,Stelis,Trigonidium.

Orde:Microspermae.49.Burmanniaceae.Bloemdek meest vergroeidbladig, zelden boven het vruchtbeginsel met vrije bladeren; de 3 binnenste bloemdekslippen meest kleiner dan de buitenste of geheel verdwenen; meeldraden 6, of alleen de 3 van de binnenste krans aanwezig; vaak met sterk verbreed helmbindsel; vruchtbeginsel onderstandig met 3 wandstandige of hoekstandige zaadlijsten; doosvrucht met vele kleine zaden; kruiden of bladgroenlooze saprophyten; bloemen alleenstaand of in aarvormige bloeiwijzen.1a.Bloemen in een hoofdje aan het eind van den stengel; buis van het bloemdek 3-kantig of 3-vleugelig, vruchtbeginsel 3-hokkig; stengel van onderen met een roset van kleine smalle blaadjesBurmannia.1b.Bloemen in ijle trossen of in een vertakte bloeiwijze. Vruchtbeginsel éénhokkig22a.Bloeistengel naar boven in twee takken gespleten; elke tak de bloemen in een ijle tros dragend. Bloemdek aan de basis buikig opgezwollen, de mond nauwerDictyostegia.2b.Bloeistengel naar boven niet vertakt. Buis van de bloemkroon van binnen met 3 zakvormige instulpingen. Kroon naar den mond verwijdApteria.50.Orchidaceae.Bloemen met een bloemdek of met kelk en bloemkroon; typisch 3-tallig; bijna steeds tweeslachtig, zygomorf; van de meeldraden is alleen één van de 3 van de buitenste krans ontwikkeld òf minder vaak, de 2 zijdelingsche aan de binnenste krans; soms nog eenige als staminodiën aanwezig; één van de bloembladeren (lip) anders gevormd dan de beide andere; vruchtbeginsel onderstandig, aan den top met een verlenging (zuil) die de meeldraad en de stempel draagt; stuifmeelkorrels in groepen van 4 meest tot polliniën verbonden. Vrucht een doosvrucht met vele kleine zaden; overblijvende kruiden van zeer verschillende habitus, meest epiphyten.N. B. Men raadplege ook de gegevens op blz. 88.1a.Bloemen met 2 meeldraden. Kelkbladeren afstaand, het achterste vrij, de zijdelingsche onder den lip vereenigd; bloembladeren vrij, smaller dan de kelkbladeren, hangend. Lip zittend, schuitvormig. Landplanten met bebladerde stengel, met breede bladeren en een eindelingsche tros van lichtgele bloemen, lip met purperen vlekkenSelenipedilum.1b.Bloemen steeds met 1 meeldraad22a.Helmknop vast vergroeid met de bovenzijde van de zuil; niet afvallend na verwijdering van het stuifmeel; niet door een dunner steeltje met de zuil verbonden, rechtopstaand en van voren open. Landplanten met onderaardsche knollen, of vleezige wortels, met bebladerde stengels en eindelingsche trossen. Lip 3-deelig, met een lange spoorHabenaria.2b.Helmknopje niet vastgegroeid met de bovenkant van de zuil, doch er met een steeltje mee verbonden; helmknop liggend, bij het verwijderen van het stuifmeel gemakkelijk loslatend33a.De bloeiwijze staat aan het eind van den bebladerden stengel en sluit deze reeds enkele maanden na zijn ontstaan af, dus deze stengel kan alleen verder groeien door middel van zijtakken43b.De bloeiwijze staat nooit aan het eind van den stengel, doch de stengel krijgt korten tijd na zijn ontstaan in één of meer van de bladoksels bloemen of bloeiwijzen; de stengel groeit dan òf aan zijn top nog verder, of houdt van zelf met groeien op274a.Bladeren in den knop opgerold, zoodat de randen elkaar bedekken. Nooit een scherpe grens tusschen bladsteel en bladscheede en daardoor ook de bladeren nooit met een scherp begrensde breuk van de bladsteel afbrekend. Antheren meest niet afvallend maar blijvend, maar toch niet vast vergroeid met den top van de zuil; stuifmeelklompjes niet in harde wasachtige massa’s bij elkaar blijvend, maar meest in korrels uiteenvallend. Planten alle in den grond wortelend, of met lange klimmende stengels54b.Bladeren in den knop alleen langs de middennerf gevouwen, deranden niet over elkaar liggend. Planten bijna zonder uitzondering epiphytisch levend95a.Planten met lange, vertakte klimmende en bebladerde stengels, met korte luchtwortels. Bloem groot, meest wit of groenachtig.Vanilla.Banilla,Banirie.5b.Planten in den grond wortelend met een rechtopstaande stengel66a.Bloemen met een lange spoor. De bloembladeren met het achterste kelkblad opgericht en samen een soort van helm vormend. Stuifmeelklompjes in groepen van korrels uiteenvallend; helmknop openspringend. Stengels bebladerd; bladeren zachtharigPhysurus.6b.Bloemen niet met een spoor, hoogstens met een knobbel; indien er een spoor is, dan is deze met vruchtbeginsel vergroeid77a.Bloeitros veelbloemig, door draaiing van de as schijnt het dat de bloemen hetzij in een rechte lijn, hetzij in een spiraallijn langs de tros staan. Bloembladeren, kelkbladeren en lip een rechte hoek met het vruchtbeginsel makend en daardoor alle horizontaal naar buiten gericht. Bloemen vrij kleinSpiranthes.7b.Bloemen naar alle zijden van den tros gericht88a.Bladeren goed ontwikkeld in een wortelroset; stengel alleen met schubvormige bladeren bezet. Tros met veel bloemenStenorrhynchus.8b.Bladeren klein en smal, niet in wortelroset maar hoogstens 3 bladeren langs de bloeiende stengel verspreidPogonia.9a.De beide bloembladeren en vooral de lip zijn door grootte en kleur sterker of even sterk in het oog springend als de 3 kelkbladeren109b.De lip en de beide bloembladeren vallen belangrijk minder in het oog dan de 3 kelkbladeren; zuil verlengd in een voet, die met de lip geleed is2210a.Bladschijf en bladscheede geleidelijk in elkaar overgaand zonder geleding, bladeren alle aan de voet van den bloeistengel in een roset gezeten. Bloemen wit, nog niet 1 c.M. groot; zuil lang, zonder voet. Stuifmeelklompjes 4, zonder aanhangselenLiparis.10b.Bladschijf en bladscheede duidelijk van elkaar te scheiden; geleed en op die plaats later afbrekend1111a.Bladeren vrij breed, door talrijke evenwijdige nerven sterk geplooid,vrij dun. Bloemen tot 5 c.M. groot, rose tot paars, lip van binnen wat geel, alleen of in groepen aan het eind van den stengel zittendSobralia.11b.Bladeren glad, leerachtig, niet gerimpeld, een enkele maal dun, maar dan zeer smal als grasbladeren, soms ook vleezig1212a.Bloemen met een lange spoor aan den lip, vrij groot. Bloeiwijze een eindelingsche tros; stengel van onderen in een kleine knol verdikt, bladeren lang en smal, in twee rijen langs den stengelGaleandra.12b.Lip steeds ongespoord1313a.Lip niet grooter dan de beide bloembladeren en de kelk. Zuil in een voet verlengd, waarmee de lip eenigszins bewegelijk verbonden is. Zuil zeer kort en breed. Stuifmeelklompjes 4 of 2, met een kort steeltje, doch zonder staartje. Bloemen zeer klein, in eindelingsche trossenPolystachya.13b.Vooralde lip goed ontwikkeld en grooter dan de kelkbladeren. Stuifmeelklompjes 4, 6 of 8, zonder steeltje, doch met een staartje1414a.Zuil in een voet verlengd; soms is er schijnbaar een voet aanwezig, maar wordt deze door de zijdelingsche kelkbladeren gevormd (Tetragamestus)1514b.Zuil niet in een voet verlengd1915a.Lip geheel vrij1615b.Lip aan den basis met de zuil tot een bekertje vergroeid. Stengels met lange en dunne geledingen en lange bladeren, sommige geledingen vaak een weinig verdikt tot een lange smalle luchtknol. Nieuwe spruiten aan het eind van die luchtknollen. Bloemen in eindelingsche, weinig-bloemige korte trossen, met vele schubben omgevenHexisea.16a.Lange met bladeren bezette, verdikte stengels; onderste bladeren ten deele afgevallen. Tros eindelings, veelbloemig, bloemen geel tot groenOrleanesia.16b.Bloemen alleenstaand of in kleine groepjes aan het eind van de weinig verdikte geleding van den stengel naast de nieuwe stengel, zoodat de bloeiwijze schijnbaar zijdelings staat; soms ook zitten de bloemen in de oksels der bladeren1717a.Zuil zonder voet. Zijdelingsche kelkbladeren met een eenigszins hoekig verlengde basis, zoodat er schijnbaar een kin gevormd wordt; bloemen klein; lip wigvormig met lijsten op de plaatTetragamestus.17b.Zuil met een duidelijke voet; zijdelingsche kelkbladeren een normale, doch soms kleine kin vormend1818a.Zuil kort; stuifmeelklompjes zijdelings samengedrukt; bladeren 2-vele. Bloemen groenachtig met bruine streepen en vlekkenPonera.18b.Zuil lang, stuifmeelklompjes niet samengedrukt maar eirond tot bolvormig. Geledingen van den stengel verdikt met telkens 2 bladeren aan het eind. Bloemen violetScaphyglottis.19a.Stuifmeelklompjes 4, gelijk van vorm en grootte2019b. Stuifmeelklompjes 8, in 2 rijen, paarsgewijs boven elkaar, de onderste door een aanhangsel met de bovenste verbonden2120a.Stuifmeelklompjes niet zijdelings platgedrukt doch eirond; kleine planten met kleine vleezige, spitse bladeren, die in twee rijen aan een korte stengel zitten, welke in een trosje van kleine bloemen eindigt. Bebladerde stengels uit een kort, kruipend rhizoom te voorschijn komendLanium.20b.Stuifmeelklompjes platgedrukt. Nagel van den lip opgericht; soms weinig, vaak over een groot deel vergroeid met de zuil; schijf van de lip vrij, opstaand; plaat van den lip met lamellen of andere woekeringen, zonder hoornvormige aanhangselen; zuil meest lang en smal. Planten vaak met luchtwortels, soms ook met onverdikte bebladerde stengelsEpidendrum.21a.Stuifmeelklompjes ongelijk, de bovenste veel kleiner dan de onderste. Lip aan de basis met een smalle nagel, naar boven plotseling verbreed, aan den rand fijn ingesneden. Bladeren vleezig, bijna rond in doorsnede, aan één zijde gegroefd, lang en spits. Bloemen geel en wit, lip en petalen vlakBrassavola.21b.Stuifmeelklompjes gelijk van vorm en grootte. Basis van den lip naar boven geleidelijk in de plaat verbreed. Kelkbladeren en bloembladeren aan den rand sterk gegolfd. Luchtknollen aan den top met 2 vlakke bladerenSchomburgkia.22a.Bloeiwijzen met slechts één bloem. Bladeren zeer klein, vleezig. Achterste kelkblad vrij, de zijdelingsche min of meer aan de basis vergroeid. Bloembladeren smal, scherp toegespitst, aan den top een weinig verdikt. Stuifmeelklompjes 4Restrepia.22b.Meerdere bloemen aan den bloeistengel, of ten minste in groepen bij elkaar; 2 of 8 stuifmeelklompjes2323a.Stuifmeelklompjes 8. Stengels vrij lang, van onderen met eenige schubben bezet, van boven door een (schijnbaar eindelingsch) blad afgesloten. Bloemen aan het eind van den stengel bij de bladvoet in een groepje uit den stengel te voorschijn komend. Kelkbladeren bijna niet vergroeid: bloembladeren weinig kleiner dan de kelkbladeren; lip veel kleiner. Bloemen kleinOctomeria.23b.Stuifmeelklompjes 22424a.Alle kelkbladeren duidelijk met elkaar vergroeid2524b.Kelkbladeren niet vergroeid of tenminste het achterste kelkblad vrij2625a.Bloemen grooter dan 1 c.M. Kelkbladeren een duidelijke beker vormend; kelkslippen min of meer draadvormig verlengd, soms zeer lang. Planten met korte, 1-bladige stengels en weinig-bloemige bloeiwijzenMasdevallia.25b.Bloemen kleiner dan 1 c.M.; kelkbladeren wel vergroeid doch niet met de basis een beker vormend; slippen kort, nooit draadvormig verlengd. Stengels evenals de vorige met 1 goed ontwikkeld blad, bloeiwijze een lange tros met meest vele bloemenStelis.26a.Kelkbladeren niet uitgespreid, spits; bloembladeren smal, niet met elkaar of met den zuil vergroeid, zeer klein. Zuil min of meer verlengd, aan den basis een voet vormend; lip bewegelijk met de basis van den zuil verbonden. Habitus als de vorigePleurothallis.26b.Kelkbladeren uitgespreid. Bloembladeren klein en breed, de nagels met den zuil vergroeid; lip aan de basis van de zuil vastgegroeid, zuil zonder voet. Stengels vrij lang met één eirond blaadje aan den top, aan welks voet de veelbloemige bloeiwijze te voorschijn komtLepanthes.27a.Bladeren meest vrij dun, met vele en duidelijke evenwijdige nerven. Bladeren in den knop opgerold, dus met de randen over elkaar liggend2827b.Bladeren glad, leerachtig tot vleezig, alleen de middennerf duidelijk. Bladeren in den knop samengevouwen langs de middennerf, dus bladranden niet over elkaar liggend4028a.Internodiën gelijkmatig gezwollen of in het geheel niet gezwollen2928b.Een enkel internodium is sterk opgezwollen en vormt een luchtknol3229a.Lip groot, vliezig, met den voet van de zuil bewegelijk verbonden of er mee een spoor of zak vormend. Stuifmeelklompjes 2 of 4 met een kort steeltje, zonder staartje. Planten in den bodem groeiend. Bloemen tweeslachtig3029b.Lip groot, vleezig, niet bewegelijk met den voet van de zuil verbonden, doch er aan vastgegroeid. Stuifmeelklompjes 2 of 4, met een lange steel. Epiphyten. Bloemen bijna steeds eenslachtig3130a.Lip boven de basis kort versmald, tusschen de zijdelingsche kelkbladeren een stompe zak vormend. Helmknop met 2 aanhangsels.Bebladerde stengels kort, met weinig bladeren; bloeistengels naast den bebladerden stengel uit de onderaardsche knolvormig verdikte wortelstok te voorschijn komend, onbebladerd; bloemen in een enkelvoudige trosCyrtopera.30b.Lip aan den basis zonder uitholling of zak. Helmknop met slechts 1 aanhangsel of zonder aanhangsel. Habitus als de vorige, doch bloeiwijze meest meermalen vertaktCyrtopodium.31a.De ♂ bloemen hebben een vrij lange, dikke zuil, die rechtopstaat en aan de voorzijde twee lange draadvormige aanhangsels heeft; stuifmeelklompjes 4, langwerpigCatasetum.31b.De ♂ bloemen hebben een zeer lange, sterk naar voren gebogen zuil die aan de basis dun, naar boven verdikt is en geen draadvormige aanhangselen heeft. Stuifmeelklompjes 2, bijna bolrond of eirondCycnoches.32a.De bloeiwijze komt te voorschijn direct onder de luchtknol, d.w.z. uit de oksel van de bovenste der bladeren, die de luchtknol aan de basis bedekken. De nieuwe spruit staat daarentegen in den oksel van de onderste dier schubben. Knol met 1 of 2 bladeren aan den top. Bloeiwijzen onbebladerd, opgericht, met schubben bedekt, met weinige groote of vrij groote bloemen; kelkbladeren smal, afstaand, de zijdelingsche aan den korten zuilvoet bevestigd; de beide bloembladeren gelijk van vorm als de kelkbladeren. Lip onbewegelijk met de zuilvoet vergroeid, een zeer korte kin vormend, breed en vlak met een dwarse lijst. Zuil aan den top met twee stompe vleugeltjes. 4 stuifmeelklompjesMenadenium.32b.Bloeiwijze tevoorschijnkomend uit den oksel van de onderste der bladeren, die de basis van de knol omgeven, of uit de onderste schubben van de nog groeiende spruit (Batemania). Nieuwe spruit uit den oksel van de bovenste dier bladeren tevoorschijnkomend3333a.Lip vliezig, meest voorzien van overlangsche lijsten met den zuilvoet bewegelijk verbonden3433b.Lip vleezig, duidelijk geleed in verschillende achter elkaar liggende afdeelingen, waarvan de laatste bladachtig, de 2deen 1stevleezig zijn; de 1steafdeeling is dan met de voet van den zuil onbewegelijk verbonden3634a.Stuifmeelklompjes na het afvallen van de helmknop door 1 steeltje verbonden3534b.Stuifmeelklompjes aan twee steeltjes vastzittend. Kelk- en kroonbladeren vrijwel gelijk, de beide zijdelingsche kelkbladeren met den zuilvoet een groote spitse kin vormend, die het uiterlijk heeft van een spoor. Bloembladeren naar voren staand, met den zuilvoet vergroeid. Bloeiwijze met vele bloemen. 1 blad op de luchtknolBifrenaria.35a.Bloeiwijze met 1–3 bloemen, hangend. De zijdelingsche kelkbladeren vormen slechts een kleine kin. Lip rechtopstaand, op den sterk gebogen zuilvoet zittend, 3-lobbig, met knotsvormige aanhangselen aan den eindlob en smalle overlangsche platen op het midden. Steeltje der stuifmeelklompjes langPaphinia.35b.Bloeiwijze met vele bloemen, hangend. Zijdelingsche kelkbladeren geen kin vormend, doch met een smalle basis op de top van den zuilvoet zittend. Bloembladeren veel breeder dan kelkbladeren,met een breede basis aan de zuilvoet verbonden. Lip rechtopstaand 3-lobbig. De 4 stuifmeelklompjes hebben een kort 3-hoekig steeltje. Bloeiwijze te voorschijn komend uit de schubben, die de nog jonge en groeiende bladspruit omgevenBatemania.36a.Bloemen in lange, veelbloemige, hangende trossen. Door een buiging van bloemsteel en vruchtbeginsel is de horizontaal gerichte lip gelegen boven de schuin naar onderen gerichte zuil. Daardoor is ook het middelste kelkblad, dat met de zuil vergroeid is, naar beneden gericht. De zijdelingsche kelkbladeren zijn met breede basis aan de zuilvoet vergroeid. Bloembladen smal en klein, aan den zuil vastgegroeid. Lip met 2 dunne horentjes. Luchtknol met 1 of 2 bladerenGongora.36b.Stand van de bloem normaal, dus zuil naar boven, lip naar onderen gericht; doordat de bloemen hangen aan denietgebogen bloemsteelen is vaak de zuil naar beneden gericht, doch dan is ook de lip naar beneden gericht naar den top van den zuil toe3737a.Bloembladeren en kelkbladeren niet uitgespreid, alle naar elkaar toegebogen. Bloem daardoor halfbolvormig. Bloembladeren gelijk in vorm en grootte met het achterste kelkblad. Zuil kort, lip zeer vast met de zuil verbonden, met 2 vleugels aan de basis, die tegen den zuil aanliggen, in het midden smaller, aan den top weer verbreedPeristeria.37b.Kelkbladeren en bloembladeren afstaand, vaak zelfs teruggeslagen3838a.Zijdelingsche kelkbladeren zeer groot, veel grooter dan het middelste kelkblad en dan de bloembladeren, assymetrisch. Bloembladeren smal, naar beneden hangend. Lip (in den hangenden stand der bloem) eerst smal, schuin naar boven gericht, daarna in een convex, breed gedeelte overgaand vervolgens plotseling loodrecht naar beneden gebogen en daar tot een beker vervormd, waarin vloeistof zit. Knollen sterk gegroefd met 1 of 2 bladeren op den topCoryanthes.38b.Zijdelingsche kelkbladeren en bloembladeren onderling ± gelijk van vorm en grootte; middenlob van de lip niet bekervormig3939a.Bloembladeren en kelkbladeren vrij breed, teruggeslagen. Basis van de lip en voet van de zuil uitgehold, vast met de zuil verbonden. Geen vleugelvormige aanhangselen aan het middendeel van de lip. Eén blad op de luchtknol. Bloeiwijze met 1 of 2 bloemenStanhopea.Lady-slipper.39b.Bloembladeren en kelkbladeren smal, afstaand. Basis van de lip en voet van de zuil steelrond, niet uitgehold, tot aan de lip uitgebreid; 3-lobbig. Minstens 4 bloemen in een hangende trosKegelia.40a.De bebladerde spruiten hebben een begrensde groei; meestal sluiten ze korten tijd na hun ontstaan af met een luchtknol met eenige bladeren op hun top; de plant groeit dan verder door middel van een anders gevormde, meest kruipende en met schubben bedekte spruit4140b.De bebladerde spruiten hebben een onbegrensde groei en dragen de bloemen of bloeiwijzen in de oksels der bladeren5841a.Lip vliezig, bewegelijk met de voet van den zuil verbonden. Stuifmeelklompjes met steeltjes of staartje, maar nooit met beide tegelijk, of zonder beide4241b.Lip vliezig, vast met den voet van de zuil verbonden of direct op den zuil vastzittend of een spoor vormend. Stuifmeelklompjes 2, met een lange of breede steel4842a.Stuifmeelklompjes 4, zonder aanhangsel. Achterste kelkblad vrij, de zijdelingsche aan de voet van de zuil vastgegroeid, een weinig ontwikkelde kin vormend. Lip aan de basis versmald, klein, bewegelijk met den zuilvoet verbonden, 3-lobbig, de 2 zijlobben klein, opgericht, de middenlob groot. Zuil aan den top met 2 vleugels. Epiphyt met een kruipende wortelstok, die met schubben bedekt is; zijspruiten uit slechts 1 luchtknol bestaande, aan de basis met schubben, aan den top met 1 of 2 bladeren. Bloeiwijze naast de luchtknollen te voorschijn komend, soms ook uit het rhizoom zelf, onbebladerd, onvertakt, vaak naar den top verdikt.Bulbophyllum.42b.Planten met of zonder luchtknollen. Stuifmeelklompjes met een goed ontwikkeld steeltje4343a.Iedere spruit vormt uit een geleding een luchtknol, op welks top ongesteelde bladeren zitten, aan welks basis òf bladeren met scheeden, òf alleen schubben aanwezig zijn. De bloeiwijze komt uit een lagere bladoksel te voorschijn als de nieuwe bebladerde spruit. Lip meest met overlangsche verdikkingen4443b.Geen luchtknollen aanwezig. Bloeiwijze steeds éénbloemig, uit een hoogere bladoksel te voorschijn komend dan de nieuwe bladspruit. Lip meest met dwarse verdikkingen4744a.Kelkbladeren van onderen tot een driehoekige buis vergroeid, van boven vrij, afstaand. Bloembladeren veel kleiner dan de kelkbladeren. Lip van af de basis van de zuil opgericht, kleiner dan de kelkbladeren, naar boven afstaand duidelijk 3-lobbig met opgerichte zijlobben. Zuil vrij dun, ongevleugeld, zonder voet. Bladeren smal, een of twee op den top van de dicht op elkaar gedrongen luchtknollenTrigonidium.44b.Kelkbladeren geheel vrij van elkaar4545a.Lip goed bewegelijk. Zuil met een duidelijke voet aan de basis4645b.Lip weinig bewegelijk, soms een weinig met de basis van de zuil verbonden. Zuil zonder voet. Kelk- en bloembladeren naar elkaar gebogen. Lip 3-lobbig, de zijlobben opgericht, de middenlob teruggeslagen. Rhizoom lang kruipend, bloeiwijzen éénbloemig, in groepen in de oksels staand. Bloemen vrij kleinOrnithidium.46a.De stuifmeelklompjes zitten zonder of met een zeerkortsteeltje bijna direct op de kleefmassa; kelk- en kroonbladeren bijna gelijk van vorm, afstaand, de zijdelingsche kelkbladeren kinvormend. Lip 3-lobbig, de zijlobben opgericht. Bloeiwijzen steeds éénbloemig aan de basis van de luchtknol of in de oksels der bladeren van het rhizoom alleenstaandMaxillaria.46b.Bloemenvrijwelgelijk aan de vorige, maar stuifmeelklompjes met een platte en breede steel. De bebladerde spruiten zijn meest sterk vertakt, de luchtknollen staan vaak in de oksels van de bladeren dier spruit; bloemen steeds in de oksels dier bladerenCamaridium.47a.Kelk- en bloembladeren ongeveer gelijk, de zijdelingsche kelkbladeren met den zuilvoet vergroeid en een korte maar duidelijkekin vormend. Lip met een lange nagel, bewegelijk met de zuil verbonden, naar den top zeer sterk verdikt en vleezig over de geheele breedte, met overlangsche lijsten. Zuil zeer breed, bekervormig. Bladeren lang, in twee rijen en in 1 vlak staand. Bloem groot in een korte éénbloemig bloeiwijzeBollea.47b.Lip vast verbonden met de zuil, met een 5-ribbige basis, vervolgens overgaande in een vliezige plaat met kleine halfsikkelvormige zijlobben en een groote ruitvormige eindlob. Zuil kort, niet bekervormig. Bloemen vrij kleinChaubardia.48a.Helmknop rechtopstaand. Bloem zonder spoor of knobbel4948b.Helmknop horizontaal of vaker naar voren overhangend op de voorzijde van de zuil5049a.Kelk en kroonbladeren vrijwel gelijk, afstaand. Lip ongenageld één geheel vormend met de basis van de zuil, diep 3-lobbig, de zijlobben breed, opgericht, de zuil omvattend, de middenlob kort, afstaand. Zuil opgericht vrij dun, ongevleugeld, zonder voet, van voren gegroefd, stuifmeelklompjes 2, zonder aanhangsel. Luchtknollen lang en slank aan den top met één blad. Bloemen in hangende trossenMacradenia.49b.Kelk en bloembladeren vrijwel gelijk van grootte, de bloembladeren sterker gekleurd dan de kelkbladeren, de laatste rechtopstaand of afstaand. Lip met een duidelijke nagel, rechtopstaand, soms met 2 aartjes, verder pijlvormig met een zeer spitse punt. Zuil eenigszins gekromd, zonder voet. Stuifmeelklompjes 2 zonder aanhangsels. Kleine planten met éénbladige luchtknollen; bloemen klein, in trossenNotylia.50a.Bloemen met een duidelijke spoor of knobbel. Stuifmeelklompjes 25150b.Bloemen zonder spoor of knobbel5351a.De spoor is zeer lang en wordt zoowel door de lip gevormd als door de zijdelingsche kelkbladeren, die met elkaar vergroeid zijn. Achterste kelkblad vrij. Bloembladeren breeder. Lip ongedeeld, bijna rond of meer samengerold en de zuil omhullend, aan de basis met 2 lange sporen, die in de spoor van de kelkbladeren verborgen zitten en ermee vergroeid zijn. Bladeren in 1 vlak. Bloeiwijze met 1 of 2 vrij groote gele bloemenPlectrophora.51b.Geen lange spoor, doch alleen een knobbel aanwezig5252a.De zijdelingsche kelkbladeren bijna geheel vergroeid met elkaar; lip zeer kort met de basis van de zuil verbonden, opgericht met een zeer korte spoor die door de beide kelkbladeren bedekt wordt. Bloemen rood in eenzijdige, veelbloemige trossenRodriguezia.52b.De zijdelingsche kelkbladeren geheel vergroeid, aan de basis onder de lip een korte zak vormend. Lip duidelijk genageld, geheel zonder spoor of knobbel. Bloemen violet, in wijde pluimenJonopsis.Sapotille-orchidee.53a.Kelkbladeren niet vergroeid, smal, evenals de kroonbladeren. Nagel van de lip met de zuil vergroeid, verder afstaand, ongedeeld, breed eirond, aan den top plotselingtoegespitst, min of meer schelpvormig.Zuil half zoo lang als de lip. Bladen vleezig. smal, één op de luchtknol. Bloemen vuilwit met lichtroode teekening, in knikkende, 3–4-bloemige trossenTrichopilia.53b.Achterste kelkblad met de kroonbladeren aan de basis van dezuil vastgegroeid. Nagel van de lip tot aan de halve hoogte met de zuil vergroeid, vervolgens afstaand, 3-lobbig, lobben stomp, aan den rand een weinig gegolfd tot gekarteld, de middenlob aan den top wat ingesneden. Planten met groote, sterk platgedrukte luchtknollen met 2 bladeren op den top. Tros rechtopstaand met 2–3 welriekende bloemen. Kelkbladeren geelgroen met paarse strepen; bloembladeren geel, donker geaderd, lip wit, aan de basis geel, met purperen vlekjesAspasia.53c.Lip alleen met de basis van de zuil samenhangend, er niet mee tot een zekere hoogte vergroeid;afstaandof naar beneden geslagen5454a.Stuifmeelklompjes 4. Planten zonder luchtknollen5554b.Stuifmeelklompjes 2. Planten met of zonder luchtknollen5655a.Top van de zuil en helmknop met een lang draadvormig naar beneden gericht aanhangsel. Achterste kelkblad helmvormig gebogen. Lip min of meer 3-lobbig, de beide zijlobben dik en vleezig. Zuil kort en dik, van voren hol. Planten klein, zonder luchtknollen, stengel kort, bladeren in één vlak staand. Bloemen klein in een vrij lange trosOrnithocephalus.55b.Top van de zuil en helmknop niet met een dun verlengsel. Achterste kelkblad bijna vlak. Lip aan den top met 2 lange, dunne rechtopstaande zijlobben. Kleine planten, bladeren niet in één vlak staand. Tros veelbloemig, knikkendCryptarrhena.56a.Kelkbladeren en bloembladeren zeer lang en dun en spits. Lip ongedeeld, niet 3-lobbig, korter dan de kelkbladeren, zuil ongevleugeld. Planten vrij groot met luchtknollen, met 1 of 2 bladeren op den top. Bloemen in weinigbloemige trossenBrassia.56b.Kelk en kroonbladeren niet bijzonder lang, dun en spits. Zuil gevleugeld5757a.Planten zonder luchtknollen met lange stengels, waaraan de korte bladeren in twee rijen dakpansgewijs over elkaar liggen. Lip betrekkelijk groot met korte zijlobben en groote 3–5-lobbige eindlob. Zuil kort, gevleugeldLockhartia.57b.Planten met luchtknollen of indien er geen luchtknollen aanwezig zijn, dan zijn de stengels kort en staan de bladeren dicht, meest in één vlak, op elkaar. Lip zeer verschillend van vorm, meest groot, steeds direct van af de basis naar beneden geslagen met vele en verschillend gevormde wratten en lijsten. Zuil duidelijk gevleugeldOncidium.58a.Planten met lange meest kruipende of hangende bebladerde stengels. Bloemen alleenstaand in de oksels van de bladeren. Lip aan den voet van de zuil verbonden. Zuil opgericht, ongevleugeld. Stuifmeelklompjes 4, zonder aanhangselen. Bloemen ongespoord.Dichaea.58b.Planten met lange, bebladerde en met luchtwortels bezette stengels en dus bladeren in 2 rijen, of stengels bijna geheel ontbrekend en onbebladerd, en dan de plant alleen bestaande uit een groep van luchtwortels en enkele bloeiwijzen. Bloemen klein, gespoord, in trossenCampylocentrum.(Angraecum).Hulptabel bij het determineeren van Orchideeën, die zich door een enkel in het oog vallend kenmerk onderscheiden.I. Planten alleen bestaand uit een bos luchtwortels en eenige trosjes van kleine bloemen, dus geen stengel en bladeren aanwezig:Campylocentrum.II. Planten in den bodem groeiend zonder luchtwortels:Selenipedilum,Habenaria,Pogonia,Stenorrchynchus,Spiranthes,Physurus,Liparis,Cyrtopera,Cyrtopodium.III. Lange gelijkmatig bebladerde stengels zonder of met luchtwortels; geen luchtknollen aanwezig:Lockhartia,Dichaea,Campylocentrum,Orleanesia,Epidendrum(ten deele).IV. Lange, dunne luchtknollen, telkens met een paar bladeren op den top; de eene luchtknol boven op de andere zittend; bloemen in kleine groepen:Tetragamestus,Ponera,Scaphyglottis,Hexisea.V. Lange, klimmende, groene bebladerde stengels, met lange geledingen:Vanilla.VI. Epiphyten zonder luchtknol doch de bebladerde stengels kort, en daardoor de bladeren in rosetten of in één vlak gezeten:Jonopsis,Ornithocephalus,Cryptarrhena,Oncidium(ten deele),Bollea,Chaubardia.VII. Bebladerde stengels met slechts één blad aan den top, en met een bloeiwijze:Masdevallia,Stelis,Pleurothallis,Lepanthes,Restrepia,Octomeria.VIII. Luchtknollen met één blad op den top:Epidendrum(ten deele),Bifrenaria,Stanhopea,Menadenium(ten deele),Maxillaria,Camaridium,Ornithidium,Trigonidium,Macradenia,Notylia,Rodriguezia,Plectrophora,Trichopilia,Oncidium(ten deele).IX. Luchtknollen met twee bladeren op den top:Lanium(ten deele),Epidendrum(ten deele),Schomburgkia,Paphinia(ten deele),Batemania,Peristeria,Coryanthes,Gongora,Menadenium(ten deele),Bulbophyllum,Aspasia,Brassia,Oncidium(ten deele).X. Bloemen met een spoor of knobbel, hetzij aan de lip, hetzij aan de beide zijdelingsche kelkbladeren, of aan lip en kelkbladeren:Habenaria,Physurus,Liparis,Galeandra,Cyrtopera,Bifrenaria,Rodriguezia,Jonopsis,Plectrophora,Campylocentrum.XI. Kelkbladeren alle 3 met elkaar vergroeid, soms een buis of een beker vormend:Masdevallia,Stelis,Trigonidium.

Orde:Microspermae.49.Burmanniaceae.Bloemdek meest vergroeidbladig, zelden boven het vruchtbeginsel met vrije bladeren; de 3 binnenste bloemdekslippen meest kleiner dan de buitenste of geheel verdwenen; meeldraden 6, of alleen de 3 van de binnenste krans aanwezig; vaak met sterk verbreed helmbindsel; vruchtbeginsel onderstandig met 3 wandstandige of hoekstandige zaadlijsten; doosvrucht met vele kleine zaden; kruiden of bladgroenlooze saprophyten; bloemen alleenstaand of in aarvormige bloeiwijzen.1a.Bloemen in een hoofdje aan het eind van den stengel; buis van het bloemdek 3-kantig of 3-vleugelig, vruchtbeginsel 3-hokkig; stengel van onderen met een roset van kleine smalle blaadjesBurmannia.1b.Bloemen in ijle trossen of in een vertakte bloeiwijze. Vruchtbeginsel éénhokkig22a.Bloeistengel naar boven in twee takken gespleten; elke tak de bloemen in een ijle tros dragend. Bloemdek aan de basis buikig opgezwollen, de mond nauwerDictyostegia.2b.Bloeistengel naar boven niet vertakt. Buis van de bloemkroon van binnen met 3 zakvormige instulpingen. Kroon naar den mond verwijdApteria.50.Orchidaceae.Bloemen met een bloemdek of met kelk en bloemkroon; typisch 3-tallig; bijna steeds tweeslachtig, zygomorf; van de meeldraden is alleen één van de 3 van de buitenste krans ontwikkeld òf minder vaak, de 2 zijdelingsche aan de binnenste krans; soms nog eenige als staminodiën aanwezig; één van de bloembladeren (lip) anders gevormd dan de beide andere; vruchtbeginsel onderstandig, aan den top met een verlenging (zuil) die de meeldraad en de stempel draagt; stuifmeelkorrels in groepen van 4 meest tot polliniën verbonden. Vrucht een doosvrucht met vele kleine zaden; overblijvende kruiden van zeer verschillende habitus, meest epiphyten.N. B. Men raadplege ook de gegevens op blz. 88.1a.Bloemen met 2 meeldraden. Kelkbladeren afstaand, het achterste vrij, de zijdelingsche onder den lip vereenigd; bloembladeren vrij, smaller dan de kelkbladeren, hangend. Lip zittend, schuitvormig. Landplanten met bebladerde stengel, met breede bladeren en een eindelingsche tros van lichtgele bloemen, lip met purperen vlekkenSelenipedilum.1b.Bloemen steeds met 1 meeldraad22a.Helmknop vast vergroeid met de bovenzijde van de zuil; niet afvallend na verwijdering van het stuifmeel; niet door een dunner steeltje met de zuil verbonden, rechtopstaand en van voren open. Landplanten met onderaardsche knollen, of vleezige wortels, met bebladerde stengels en eindelingsche trossen. Lip 3-deelig, met een lange spoorHabenaria.2b.Helmknopje niet vastgegroeid met de bovenkant van de zuil, doch er met een steeltje mee verbonden; helmknop liggend, bij het verwijderen van het stuifmeel gemakkelijk loslatend33a.De bloeiwijze staat aan het eind van den bebladerden stengel en sluit deze reeds enkele maanden na zijn ontstaan af, dus deze stengel kan alleen verder groeien door middel van zijtakken43b.De bloeiwijze staat nooit aan het eind van den stengel, doch de stengel krijgt korten tijd na zijn ontstaan in één of meer van de bladoksels bloemen of bloeiwijzen; de stengel groeit dan òf aan zijn top nog verder, of houdt van zelf met groeien op274a.Bladeren in den knop opgerold, zoodat de randen elkaar bedekken. Nooit een scherpe grens tusschen bladsteel en bladscheede en daardoor ook de bladeren nooit met een scherp begrensde breuk van de bladsteel afbrekend. Antheren meest niet afvallend maar blijvend, maar toch niet vast vergroeid met den top van de zuil; stuifmeelklompjes niet in harde wasachtige massa’s bij elkaar blijvend, maar meest in korrels uiteenvallend. Planten alle in den grond wortelend, of met lange klimmende stengels54b.Bladeren in den knop alleen langs de middennerf gevouwen, deranden niet over elkaar liggend. Planten bijna zonder uitzondering epiphytisch levend95a.Planten met lange, vertakte klimmende en bebladerde stengels, met korte luchtwortels. Bloem groot, meest wit of groenachtig.Vanilla.Banilla,Banirie.5b.Planten in den grond wortelend met een rechtopstaande stengel66a.Bloemen met een lange spoor. De bloembladeren met het achterste kelkblad opgericht en samen een soort van helm vormend. Stuifmeelklompjes in groepen van korrels uiteenvallend; helmknop openspringend. Stengels bebladerd; bladeren zachtharigPhysurus.6b.Bloemen niet met een spoor, hoogstens met een knobbel; indien er een spoor is, dan is deze met vruchtbeginsel vergroeid77a.Bloeitros veelbloemig, door draaiing van de as schijnt het dat de bloemen hetzij in een rechte lijn, hetzij in een spiraallijn langs de tros staan. Bloembladeren, kelkbladeren en lip een rechte hoek met het vruchtbeginsel makend en daardoor alle horizontaal naar buiten gericht. Bloemen vrij kleinSpiranthes.7b.Bloemen naar alle zijden van den tros gericht88a.Bladeren goed ontwikkeld in een wortelroset; stengel alleen met schubvormige bladeren bezet. Tros met veel bloemenStenorrhynchus.8b.Bladeren klein en smal, niet in wortelroset maar hoogstens 3 bladeren langs de bloeiende stengel verspreidPogonia.9a.De beide bloembladeren en vooral de lip zijn door grootte en kleur sterker of even sterk in het oog springend als de 3 kelkbladeren109b.De lip en de beide bloembladeren vallen belangrijk minder in het oog dan de 3 kelkbladeren; zuil verlengd in een voet, die met de lip geleed is2210a.Bladschijf en bladscheede geleidelijk in elkaar overgaand zonder geleding, bladeren alle aan de voet van den bloeistengel in een roset gezeten. Bloemen wit, nog niet 1 c.M. groot; zuil lang, zonder voet. Stuifmeelklompjes 4, zonder aanhangselenLiparis.10b.Bladschijf en bladscheede duidelijk van elkaar te scheiden; geleed en op die plaats later afbrekend1111a.Bladeren vrij breed, door talrijke evenwijdige nerven sterk geplooid,vrij dun. Bloemen tot 5 c.M. groot, rose tot paars, lip van binnen wat geel, alleen of in groepen aan het eind van den stengel zittendSobralia.11b.Bladeren glad, leerachtig, niet gerimpeld, een enkele maal dun, maar dan zeer smal als grasbladeren, soms ook vleezig1212a.Bloemen met een lange spoor aan den lip, vrij groot. Bloeiwijze een eindelingsche tros; stengel van onderen in een kleine knol verdikt, bladeren lang en smal, in twee rijen langs den stengelGaleandra.12b.Lip steeds ongespoord1313a.Lip niet grooter dan de beide bloembladeren en de kelk. Zuil in een voet verlengd, waarmee de lip eenigszins bewegelijk verbonden is. Zuil zeer kort en breed. Stuifmeelklompjes 4 of 2, met een kort steeltje, doch zonder staartje. Bloemen zeer klein, in eindelingsche trossenPolystachya.13b.Vooralde lip goed ontwikkeld en grooter dan de kelkbladeren. Stuifmeelklompjes 4, 6 of 8, zonder steeltje, doch met een staartje1414a.Zuil in een voet verlengd; soms is er schijnbaar een voet aanwezig, maar wordt deze door de zijdelingsche kelkbladeren gevormd (Tetragamestus)1514b.Zuil niet in een voet verlengd1915a.Lip geheel vrij1615b.Lip aan den basis met de zuil tot een bekertje vergroeid. Stengels met lange en dunne geledingen en lange bladeren, sommige geledingen vaak een weinig verdikt tot een lange smalle luchtknol. Nieuwe spruiten aan het eind van die luchtknollen. Bloemen in eindelingsche, weinig-bloemige korte trossen, met vele schubben omgevenHexisea.16a.Lange met bladeren bezette, verdikte stengels; onderste bladeren ten deele afgevallen. Tros eindelings, veelbloemig, bloemen geel tot groenOrleanesia.16b.Bloemen alleenstaand of in kleine groepjes aan het eind van de weinig verdikte geleding van den stengel naast de nieuwe stengel, zoodat de bloeiwijze schijnbaar zijdelings staat; soms ook zitten de bloemen in de oksels der bladeren1717a.Zuil zonder voet. Zijdelingsche kelkbladeren met een eenigszins hoekig verlengde basis, zoodat er schijnbaar een kin gevormd wordt; bloemen klein; lip wigvormig met lijsten op de plaatTetragamestus.17b.Zuil met een duidelijke voet; zijdelingsche kelkbladeren een normale, doch soms kleine kin vormend1818a.Zuil kort; stuifmeelklompjes zijdelings samengedrukt; bladeren 2-vele. Bloemen groenachtig met bruine streepen en vlekkenPonera.18b.Zuil lang, stuifmeelklompjes niet samengedrukt maar eirond tot bolvormig. Geledingen van den stengel verdikt met telkens 2 bladeren aan het eind. Bloemen violetScaphyglottis.19a.Stuifmeelklompjes 4, gelijk van vorm en grootte2019b. Stuifmeelklompjes 8, in 2 rijen, paarsgewijs boven elkaar, de onderste door een aanhangsel met de bovenste verbonden2120a.Stuifmeelklompjes niet zijdelings platgedrukt doch eirond; kleine planten met kleine vleezige, spitse bladeren, die in twee rijen aan een korte stengel zitten, welke in een trosje van kleine bloemen eindigt. Bebladerde stengels uit een kort, kruipend rhizoom te voorschijn komendLanium.20b.Stuifmeelklompjes platgedrukt. Nagel van den lip opgericht; soms weinig, vaak over een groot deel vergroeid met de zuil; schijf van de lip vrij, opstaand; plaat van den lip met lamellen of andere woekeringen, zonder hoornvormige aanhangselen; zuil meest lang en smal. Planten vaak met luchtwortels, soms ook met onverdikte bebladerde stengelsEpidendrum.21a.Stuifmeelklompjes ongelijk, de bovenste veel kleiner dan de onderste. Lip aan de basis met een smalle nagel, naar boven plotseling verbreed, aan den rand fijn ingesneden. Bladeren vleezig, bijna rond in doorsnede, aan één zijde gegroefd, lang en spits. Bloemen geel en wit, lip en petalen vlakBrassavola.21b.Stuifmeelklompjes gelijk van vorm en grootte. Basis van den lip naar boven geleidelijk in de plaat verbreed. Kelkbladeren en bloembladeren aan den rand sterk gegolfd. Luchtknollen aan den top met 2 vlakke bladerenSchomburgkia.22a.Bloeiwijzen met slechts één bloem. Bladeren zeer klein, vleezig. Achterste kelkblad vrij, de zijdelingsche min of meer aan de basis vergroeid. Bloembladeren smal, scherp toegespitst, aan den top een weinig verdikt. Stuifmeelklompjes 4Restrepia.22b.Meerdere bloemen aan den bloeistengel, of ten minste in groepen bij elkaar; 2 of 8 stuifmeelklompjes2323a.Stuifmeelklompjes 8. Stengels vrij lang, van onderen met eenige schubben bezet, van boven door een (schijnbaar eindelingsch) blad afgesloten. Bloemen aan het eind van den stengel bij de bladvoet in een groepje uit den stengel te voorschijn komend. Kelkbladeren bijna niet vergroeid: bloembladeren weinig kleiner dan de kelkbladeren; lip veel kleiner. Bloemen kleinOctomeria.23b.Stuifmeelklompjes 22424a.Alle kelkbladeren duidelijk met elkaar vergroeid2524b.Kelkbladeren niet vergroeid of tenminste het achterste kelkblad vrij2625a.Bloemen grooter dan 1 c.M. Kelkbladeren een duidelijke beker vormend; kelkslippen min of meer draadvormig verlengd, soms zeer lang. Planten met korte, 1-bladige stengels en weinig-bloemige bloeiwijzenMasdevallia.25b.Bloemen kleiner dan 1 c.M.; kelkbladeren wel vergroeid doch niet met de basis een beker vormend; slippen kort, nooit draadvormig verlengd. Stengels evenals de vorige met 1 goed ontwikkeld blad, bloeiwijze een lange tros met meest vele bloemenStelis.26a.Kelkbladeren niet uitgespreid, spits; bloembladeren smal, niet met elkaar of met den zuil vergroeid, zeer klein. Zuil min of meer verlengd, aan den basis een voet vormend; lip bewegelijk met de basis van den zuil verbonden. Habitus als de vorigePleurothallis.26b.Kelkbladeren uitgespreid. Bloembladeren klein en breed, de nagels met den zuil vergroeid; lip aan de basis van de zuil vastgegroeid, zuil zonder voet. Stengels vrij lang met één eirond blaadje aan den top, aan welks voet de veelbloemige bloeiwijze te voorschijn komtLepanthes.27a.Bladeren meest vrij dun, met vele en duidelijke evenwijdige nerven. Bladeren in den knop opgerold, dus met de randen over elkaar liggend2827b.Bladeren glad, leerachtig tot vleezig, alleen de middennerf duidelijk. Bladeren in den knop samengevouwen langs de middennerf, dus bladranden niet over elkaar liggend4028a.Internodiën gelijkmatig gezwollen of in het geheel niet gezwollen2928b.Een enkel internodium is sterk opgezwollen en vormt een luchtknol3229a.Lip groot, vliezig, met den voet van de zuil bewegelijk verbonden of er mee een spoor of zak vormend. Stuifmeelklompjes 2 of 4 met een kort steeltje, zonder staartje. Planten in den bodem groeiend. Bloemen tweeslachtig3029b.Lip groot, vleezig, niet bewegelijk met den voet van de zuil verbonden, doch er aan vastgegroeid. Stuifmeelklompjes 2 of 4, met een lange steel. Epiphyten. Bloemen bijna steeds eenslachtig3130a.Lip boven de basis kort versmald, tusschen de zijdelingsche kelkbladeren een stompe zak vormend. Helmknop met 2 aanhangsels.Bebladerde stengels kort, met weinig bladeren; bloeistengels naast den bebladerden stengel uit de onderaardsche knolvormig verdikte wortelstok te voorschijn komend, onbebladerd; bloemen in een enkelvoudige trosCyrtopera.30b.Lip aan den basis zonder uitholling of zak. Helmknop met slechts 1 aanhangsel of zonder aanhangsel. Habitus als de vorige, doch bloeiwijze meest meermalen vertaktCyrtopodium.31a.De ♂ bloemen hebben een vrij lange, dikke zuil, die rechtopstaat en aan de voorzijde twee lange draadvormige aanhangsels heeft; stuifmeelklompjes 4, langwerpigCatasetum.31b.De ♂ bloemen hebben een zeer lange, sterk naar voren gebogen zuil die aan de basis dun, naar boven verdikt is en geen draadvormige aanhangselen heeft. Stuifmeelklompjes 2, bijna bolrond of eirondCycnoches.32a.De bloeiwijze komt te voorschijn direct onder de luchtknol, d.w.z. uit de oksel van de bovenste der bladeren, die de luchtknol aan de basis bedekken. De nieuwe spruit staat daarentegen in den oksel van de onderste dier schubben. Knol met 1 of 2 bladeren aan den top. Bloeiwijzen onbebladerd, opgericht, met schubben bedekt, met weinige groote of vrij groote bloemen; kelkbladeren smal, afstaand, de zijdelingsche aan den korten zuilvoet bevestigd; de beide bloembladeren gelijk van vorm als de kelkbladeren. Lip onbewegelijk met de zuilvoet vergroeid, een zeer korte kin vormend, breed en vlak met een dwarse lijst. Zuil aan den top met twee stompe vleugeltjes. 4 stuifmeelklompjesMenadenium.32b.Bloeiwijze tevoorschijnkomend uit den oksel van de onderste der bladeren, die de basis van de knol omgeven, of uit de onderste schubben van de nog groeiende spruit (Batemania). Nieuwe spruit uit den oksel van de bovenste dier bladeren tevoorschijnkomend3333a.Lip vliezig, meest voorzien van overlangsche lijsten met den zuilvoet bewegelijk verbonden3433b.Lip vleezig, duidelijk geleed in verschillende achter elkaar liggende afdeelingen, waarvan de laatste bladachtig, de 2deen 1stevleezig zijn; de 1steafdeeling is dan met de voet van den zuil onbewegelijk verbonden3634a.Stuifmeelklompjes na het afvallen van de helmknop door 1 steeltje verbonden3534b.Stuifmeelklompjes aan twee steeltjes vastzittend. Kelk- en kroonbladeren vrijwel gelijk, de beide zijdelingsche kelkbladeren met den zuilvoet een groote spitse kin vormend, die het uiterlijk heeft van een spoor. Bloembladeren naar voren staand, met den zuilvoet vergroeid. Bloeiwijze met vele bloemen. 1 blad op de luchtknolBifrenaria.35a.Bloeiwijze met 1–3 bloemen, hangend. De zijdelingsche kelkbladeren vormen slechts een kleine kin. Lip rechtopstaand, op den sterk gebogen zuilvoet zittend, 3-lobbig, met knotsvormige aanhangselen aan den eindlob en smalle overlangsche platen op het midden. Steeltje der stuifmeelklompjes langPaphinia.35b.Bloeiwijze met vele bloemen, hangend. Zijdelingsche kelkbladeren geen kin vormend, doch met een smalle basis op de top van den zuilvoet zittend. Bloembladeren veel breeder dan kelkbladeren,met een breede basis aan de zuilvoet verbonden. Lip rechtopstaand 3-lobbig. De 4 stuifmeelklompjes hebben een kort 3-hoekig steeltje. Bloeiwijze te voorschijn komend uit de schubben, die de nog jonge en groeiende bladspruit omgevenBatemania.36a.Bloemen in lange, veelbloemige, hangende trossen. Door een buiging van bloemsteel en vruchtbeginsel is de horizontaal gerichte lip gelegen boven de schuin naar onderen gerichte zuil. Daardoor is ook het middelste kelkblad, dat met de zuil vergroeid is, naar beneden gericht. De zijdelingsche kelkbladeren zijn met breede basis aan de zuilvoet vergroeid. Bloembladen smal en klein, aan den zuil vastgegroeid. Lip met 2 dunne horentjes. Luchtknol met 1 of 2 bladerenGongora.36b.Stand van de bloem normaal, dus zuil naar boven, lip naar onderen gericht; doordat de bloemen hangen aan denietgebogen bloemsteelen is vaak de zuil naar beneden gericht, doch dan is ook de lip naar beneden gericht naar den top van den zuil toe3737a.Bloembladeren en kelkbladeren niet uitgespreid, alle naar elkaar toegebogen. Bloem daardoor halfbolvormig. Bloembladeren gelijk in vorm en grootte met het achterste kelkblad. Zuil kort, lip zeer vast met de zuil verbonden, met 2 vleugels aan de basis, die tegen den zuil aanliggen, in het midden smaller, aan den top weer verbreedPeristeria.37b.Kelkbladeren en bloembladeren afstaand, vaak zelfs teruggeslagen3838a.Zijdelingsche kelkbladeren zeer groot, veel grooter dan het middelste kelkblad en dan de bloembladeren, assymetrisch. Bloembladeren smal, naar beneden hangend. Lip (in den hangenden stand der bloem) eerst smal, schuin naar boven gericht, daarna in een convex, breed gedeelte overgaand vervolgens plotseling loodrecht naar beneden gebogen en daar tot een beker vervormd, waarin vloeistof zit. Knollen sterk gegroefd met 1 of 2 bladeren op den topCoryanthes.38b.Zijdelingsche kelkbladeren en bloembladeren onderling ± gelijk van vorm en grootte; middenlob van de lip niet bekervormig3939a.Bloembladeren en kelkbladeren vrij breed, teruggeslagen. Basis van de lip en voet van de zuil uitgehold, vast met de zuil verbonden. Geen vleugelvormige aanhangselen aan het middendeel van de lip. Eén blad op de luchtknol. Bloeiwijze met 1 of 2 bloemenStanhopea.Lady-slipper.39b.Bloembladeren en kelkbladeren smal, afstaand. Basis van de lip en voet van de zuil steelrond, niet uitgehold, tot aan de lip uitgebreid; 3-lobbig. Minstens 4 bloemen in een hangende trosKegelia.40a.De bebladerde spruiten hebben een begrensde groei; meestal sluiten ze korten tijd na hun ontstaan af met een luchtknol met eenige bladeren op hun top; de plant groeit dan verder door middel van een anders gevormde, meest kruipende en met schubben bedekte spruit4140b.De bebladerde spruiten hebben een onbegrensde groei en dragen de bloemen of bloeiwijzen in de oksels der bladeren5841a.Lip vliezig, bewegelijk met de voet van den zuil verbonden. Stuifmeelklompjes met steeltjes of staartje, maar nooit met beide tegelijk, of zonder beide4241b.Lip vliezig, vast met den voet van de zuil verbonden of direct op den zuil vastzittend of een spoor vormend. Stuifmeelklompjes 2, met een lange of breede steel4842a.Stuifmeelklompjes 4, zonder aanhangsel. Achterste kelkblad vrij, de zijdelingsche aan de voet van de zuil vastgegroeid, een weinig ontwikkelde kin vormend. Lip aan de basis versmald, klein, bewegelijk met den zuilvoet verbonden, 3-lobbig, de 2 zijlobben klein, opgericht, de middenlob groot. Zuil aan den top met 2 vleugels. Epiphyt met een kruipende wortelstok, die met schubben bedekt is; zijspruiten uit slechts 1 luchtknol bestaande, aan de basis met schubben, aan den top met 1 of 2 bladeren. Bloeiwijze naast de luchtknollen te voorschijn komend, soms ook uit het rhizoom zelf, onbebladerd, onvertakt, vaak naar den top verdikt.Bulbophyllum.42b.Planten met of zonder luchtknollen. Stuifmeelklompjes met een goed ontwikkeld steeltje4343a.Iedere spruit vormt uit een geleding een luchtknol, op welks top ongesteelde bladeren zitten, aan welks basis òf bladeren met scheeden, òf alleen schubben aanwezig zijn. De bloeiwijze komt uit een lagere bladoksel te voorschijn als de nieuwe bebladerde spruit. Lip meest met overlangsche verdikkingen4443b.Geen luchtknollen aanwezig. Bloeiwijze steeds éénbloemig, uit een hoogere bladoksel te voorschijn komend dan de nieuwe bladspruit. Lip meest met dwarse verdikkingen4744a.Kelkbladeren van onderen tot een driehoekige buis vergroeid, van boven vrij, afstaand. Bloembladeren veel kleiner dan de kelkbladeren. Lip van af de basis van de zuil opgericht, kleiner dan de kelkbladeren, naar boven afstaand duidelijk 3-lobbig met opgerichte zijlobben. Zuil vrij dun, ongevleugeld, zonder voet. Bladeren smal, een of twee op den top van de dicht op elkaar gedrongen luchtknollenTrigonidium.44b.Kelkbladeren geheel vrij van elkaar4545a.Lip goed bewegelijk. Zuil met een duidelijke voet aan de basis4645b.Lip weinig bewegelijk, soms een weinig met de basis van de zuil verbonden. Zuil zonder voet. Kelk- en bloembladeren naar elkaar gebogen. Lip 3-lobbig, de zijlobben opgericht, de middenlob teruggeslagen. Rhizoom lang kruipend, bloeiwijzen éénbloemig, in groepen in de oksels staand. Bloemen vrij kleinOrnithidium.46a.De stuifmeelklompjes zitten zonder of met een zeerkortsteeltje bijna direct op de kleefmassa; kelk- en kroonbladeren bijna gelijk van vorm, afstaand, de zijdelingsche kelkbladeren kinvormend. Lip 3-lobbig, de zijlobben opgericht. Bloeiwijzen steeds éénbloemig aan de basis van de luchtknol of in de oksels der bladeren van het rhizoom alleenstaandMaxillaria.46b.Bloemenvrijwelgelijk aan de vorige, maar stuifmeelklompjes met een platte en breede steel. De bebladerde spruiten zijn meest sterk vertakt, de luchtknollen staan vaak in de oksels van de bladeren dier spruit; bloemen steeds in de oksels dier bladerenCamaridium.47a.Kelk- en bloembladeren ongeveer gelijk, de zijdelingsche kelkbladeren met den zuilvoet vergroeid en een korte maar duidelijkekin vormend. Lip met een lange nagel, bewegelijk met de zuil verbonden, naar den top zeer sterk verdikt en vleezig over de geheele breedte, met overlangsche lijsten. Zuil zeer breed, bekervormig. Bladeren lang, in twee rijen en in 1 vlak staand. Bloem groot in een korte éénbloemig bloeiwijzeBollea.47b.Lip vast verbonden met de zuil, met een 5-ribbige basis, vervolgens overgaande in een vliezige plaat met kleine halfsikkelvormige zijlobben en een groote ruitvormige eindlob. Zuil kort, niet bekervormig. Bloemen vrij kleinChaubardia.48a.Helmknop rechtopstaand. Bloem zonder spoor of knobbel4948b.Helmknop horizontaal of vaker naar voren overhangend op de voorzijde van de zuil5049a.Kelk en kroonbladeren vrijwel gelijk, afstaand. Lip ongenageld één geheel vormend met de basis van de zuil, diep 3-lobbig, de zijlobben breed, opgericht, de zuil omvattend, de middenlob kort, afstaand. Zuil opgericht vrij dun, ongevleugeld, zonder voet, van voren gegroefd, stuifmeelklompjes 2, zonder aanhangsel. Luchtknollen lang en slank aan den top met één blad. Bloemen in hangende trossenMacradenia.49b.Kelk en bloembladeren vrijwel gelijk van grootte, de bloembladeren sterker gekleurd dan de kelkbladeren, de laatste rechtopstaand of afstaand. Lip met een duidelijke nagel, rechtopstaand, soms met 2 aartjes, verder pijlvormig met een zeer spitse punt. Zuil eenigszins gekromd, zonder voet. Stuifmeelklompjes 2 zonder aanhangsels. Kleine planten met éénbladige luchtknollen; bloemen klein, in trossenNotylia.50a.Bloemen met een duidelijke spoor of knobbel. Stuifmeelklompjes 25150b.Bloemen zonder spoor of knobbel5351a.De spoor is zeer lang en wordt zoowel door de lip gevormd als door de zijdelingsche kelkbladeren, die met elkaar vergroeid zijn. Achterste kelkblad vrij. Bloembladeren breeder. Lip ongedeeld, bijna rond of meer samengerold en de zuil omhullend, aan de basis met 2 lange sporen, die in de spoor van de kelkbladeren verborgen zitten en ermee vergroeid zijn. Bladeren in 1 vlak. Bloeiwijze met 1 of 2 vrij groote gele bloemenPlectrophora.51b.Geen lange spoor, doch alleen een knobbel aanwezig5252a.De zijdelingsche kelkbladeren bijna geheel vergroeid met elkaar; lip zeer kort met de basis van de zuil verbonden, opgericht met een zeer korte spoor die door de beide kelkbladeren bedekt wordt. Bloemen rood in eenzijdige, veelbloemige trossenRodriguezia.52b.De zijdelingsche kelkbladeren geheel vergroeid, aan de basis onder de lip een korte zak vormend. Lip duidelijk genageld, geheel zonder spoor of knobbel. Bloemen violet, in wijde pluimenJonopsis.Sapotille-orchidee.53a.Kelkbladeren niet vergroeid, smal, evenals de kroonbladeren. Nagel van de lip met de zuil vergroeid, verder afstaand, ongedeeld, breed eirond, aan den top plotselingtoegespitst, min of meer schelpvormig.Zuil half zoo lang als de lip. Bladen vleezig. smal, één op de luchtknol. Bloemen vuilwit met lichtroode teekening, in knikkende, 3–4-bloemige trossenTrichopilia.53b.Achterste kelkblad met de kroonbladeren aan de basis van dezuil vastgegroeid. Nagel van de lip tot aan de halve hoogte met de zuil vergroeid, vervolgens afstaand, 3-lobbig, lobben stomp, aan den rand een weinig gegolfd tot gekarteld, de middenlob aan den top wat ingesneden. Planten met groote, sterk platgedrukte luchtknollen met 2 bladeren op den top. Tros rechtopstaand met 2–3 welriekende bloemen. Kelkbladeren geelgroen met paarse strepen; bloembladeren geel, donker geaderd, lip wit, aan de basis geel, met purperen vlekjesAspasia.53c.Lip alleen met de basis van de zuil samenhangend, er niet mee tot een zekere hoogte vergroeid;afstaandof naar beneden geslagen5454a.Stuifmeelklompjes 4. Planten zonder luchtknollen5554b.Stuifmeelklompjes 2. Planten met of zonder luchtknollen5655a.Top van de zuil en helmknop met een lang draadvormig naar beneden gericht aanhangsel. Achterste kelkblad helmvormig gebogen. Lip min of meer 3-lobbig, de beide zijlobben dik en vleezig. Zuil kort en dik, van voren hol. Planten klein, zonder luchtknollen, stengel kort, bladeren in één vlak staand. Bloemen klein in een vrij lange trosOrnithocephalus.55b.Top van de zuil en helmknop niet met een dun verlengsel. Achterste kelkblad bijna vlak. Lip aan den top met 2 lange, dunne rechtopstaande zijlobben. Kleine planten, bladeren niet in één vlak staand. Tros veelbloemig, knikkendCryptarrhena.56a.Kelkbladeren en bloembladeren zeer lang en dun en spits. Lip ongedeeld, niet 3-lobbig, korter dan de kelkbladeren, zuil ongevleugeld. Planten vrij groot met luchtknollen, met 1 of 2 bladeren op den top. Bloemen in weinigbloemige trossenBrassia.56b.Kelk en kroonbladeren niet bijzonder lang, dun en spits. Zuil gevleugeld5757a.Planten zonder luchtknollen met lange stengels, waaraan de korte bladeren in twee rijen dakpansgewijs over elkaar liggen. Lip betrekkelijk groot met korte zijlobben en groote 3–5-lobbige eindlob. Zuil kort, gevleugeldLockhartia.57b.Planten met luchtknollen of indien er geen luchtknollen aanwezig zijn, dan zijn de stengels kort en staan de bladeren dicht, meest in één vlak, op elkaar. Lip zeer verschillend van vorm, meest groot, steeds direct van af de basis naar beneden geslagen met vele en verschillend gevormde wratten en lijsten. Zuil duidelijk gevleugeldOncidium.58a.Planten met lange meest kruipende of hangende bebladerde stengels. Bloemen alleenstaand in de oksels van de bladeren. Lip aan den voet van de zuil verbonden. Zuil opgericht, ongevleugeld. Stuifmeelklompjes 4, zonder aanhangselen. Bloemen ongespoord.Dichaea.58b.Planten met lange, bebladerde en met luchtwortels bezette stengels en dus bladeren in 2 rijen, of stengels bijna geheel ontbrekend en onbebladerd, en dan de plant alleen bestaande uit een groep van luchtwortels en enkele bloeiwijzen. Bloemen klein, gespoord, in trossenCampylocentrum.(Angraecum).Hulptabel bij het determineeren van Orchideeën, die zich door een enkel in het oog vallend kenmerk onderscheiden.I. Planten alleen bestaand uit een bos luchtwortels en eenige trosjes van kleine bloemen, dus geen stengel en bladeren aanwezig:Campylocentrum.II. Planten in den bodem groeiend zonder luchtwortels:Selenipedilum,Habenaria,Pogonia,Stenorrchynchus,Spiranthes,Physurus,Liparis,Cyrtopera,Cyrtopodium.III. Lange gelijkmatig bebladerde stengels zonder of met luchtwortels; geen luchtknollen aanwezig:Lockhartia,Dichaea,Campylocentrum,Orleanesia,Epidendrum(ten deele).IV. Lange, dunne luchtknollen, telkens met een paar bladeren op den top; de eene luchtknol boven op de andere zittend; bloemen in kleine groepen:Tetragamestus,Ponera,Scaphyglottis,Hexisea.V. Lange, klimmende, groene bebladerde stengels, met lange geledingen:Vanilla.VI. Epiphyten zonder luchtknol doch de bebladerde stengels kort, en daardoor de bladeren in rosetten of in één vlak gezeten:Jonopsis,Ornithocephalus,Cryptarrhena,Oncidium(ten deele),Bollea,Chaubardia.VII. Bebladerde stengels met slechts één blad aan den top, en met een bloeiwijze:Masdevallia,Stelis,Pleurothallis,Lepanthes,Restrepia,Octomeria.VIII. Luchtknollen met één blad op den top:Epidendrum(ten deele),Bifrenaria,Stanhopea,Menadenium(ten deele),Maxillaria,Camaridium,Ornithidium,Trigonidium,Macradenia,Notylia,Rodriguezia,Plectrophora,Trichopilia,Oncidium(ten deele).IX. Luchtknollen met twee bladeren op den top:Lanium(ten deele),Epidendrum(ten deele),Schomburgkia,Paphinia(ten deele),Batemania,Peristeria,Coryanthes,Gongora,Menadenium(ten deele),Bulbophyllum,Aspasia,Brassia,Oncidium(ten deele).X. Bloemen met een spoor of knobbel, hetzij aan de lip, hetzij aan de beide zijdelingsche kelkbladeren, of aan lip en kelkbladeren:Habenaria,Physurus,Liparis,Galeandra,Cyrtopera,Bifrenaria,Rodriguezia,Jonopsis,Plectrophora,Campylocentrum.XI. Kelkbladeren alle 3 met elkaar vergroeid, soms een buis of een beker vormend:Masdevallia,Stelis,Trigonidium.

Orde:Microspermae.49.Burmanniaceae.Bloemdek meest vergroeidbladig, zelden boven het vruchtbeginsel met vrije bladeren; de 3 binnenste bloemdekslippen meest kleiner dan de buitenste of geheel verdwenen; meeldraden 6, of alleen de 3 van de binnenste krans aanwezig; vaak met sterk verbreed helmbindsel; vruchtbeginsel onderstandig met 3 wandstandige of hoekstandige zaadlijsten; doosvrucht met vele kleine zaden; kruiden of bladgroenlooze saprophyten; bloemen alleenstaand of in aarvormige bloeiwijzen.1a.Bloemen in een hoofdje aan het eind van den stengel; buis van het bloemdek 3-kantig of 3-vleugelig, vruchtbeginsel 3-hokkig; stengel van onderen met een roset van kleine smalle blaadjesBurmannia.1b.Bloemen in ijle trossen of in een vertakte bloeiwijze. Vruchtbeginsel éénhokkig22a.Bloeistengel naar boven in twee takken gespleten; elke tak de bloemen in een ijle tros dragend. Bloemdek aan de basis buikig opgezwollen, de mond nauwerDictyostegia.2b.Bloeistengel naar boven niet vertakt. Buis van de bloemkroon van binnen met 3 zakvormige instulpingen. Kroon naar den mond verwijdApteria.50.Orchidaceae.Bloemen met een bloemdek of met kelk en bloemkroon; typisch 3-tallig; bijna steeds tweeslachtig, zygomorf; van de meeldraden is alleen één van de 3 van de buitenste krans ontwikkeld òf minder vaak, de 2 zijdelingsche aan de binnenste krans; soms nog eenige als staminodiën aanwezig; één van de bloembladeren (lip) anders gevormd dan de beide andere; vruchtbeginsel onderstandig, aan den top met een verlenging (zuil) die de meeldraad en de stempel draagt; stuifmeelkorrels in groepen van 4 meest tot polliniën verbonden. Vrucht een doosvrucht met vele kleine zaden; overblijvende kruiden van zeer verschillende habitus, meest epiphyten.N. B. Men raadplege ook de gegevens op blz. 88.1a.Bloemen met 2 meeldraden. Kelkbladeren afstaand, het achterste vrij, de zijdelingsche onder den lip vereenigd; bloembladeren vrij, smaller dan de kelkbladeren, hangend. Lip zittend, schuitvormig. Landplanten met bebladerde stengel, met breede bladeren en een eindelingsche tros van lichtgele bloemen, lip met purperen vlekkenSelenipedilum.1b.Bloemen steeds met 1 meeldraad22a.Helmknop vast vergroeid met de bovenzijde van de zuil; niet afvallend na verwijdering van het stuifmeel; niet door een dunner steeltje met de zuil verbonden, rechtopstaand en van voren open. Landplanten met onderaardsche knollen, of vleezige wortels, met bebladerde stengels en eindelingsche trossen. Lip 3-deelig, met een lange spoorHabenaria.2b.Helmknopje niet vastgegroeid met de bovenkant van de zuil, doch er met een steeltje mee verbonden; helmknop liggend, bij het verwijderen van het stuifmeel gemakkelijk loslatend33a.De bloeiwijze staat aan het eind van den bebladerden stengel en sluit deze reeds enkele maanden na zijn ontstaan af, dus deze stengel kan alleen verder groeien door middel van zijtakken43b.De bloeiwijze staat nooit aan het eind van den stengel, doch de stengel krijgt korten tijd na zijn ontstaan in één of meer van de bladoksels bloemen of bloeiwijzen; de stengel groeit dan òf aan zijn top nog verder, of houdt van zelf met groeien op274a.Bladeren in den knop opgerold, zoodat de randen elkaar bedekken. Nooit een scherpe grens tusschen bladsteel en bladscheede en daardoor ook de bladeren nooit met een scherp begrensde breuk van de bladsteel afbrekend. Antheren meest niet afvallend maar blijvend, maar toch niet vast vergroeid met den top van de zuil; stuifmeelklompjes niet in harde wasachtige massa’s bij elkaar blijvend, maar meest in korrels uiteenvallend. Planten alle in den grond wortelend, of met lange klimmende stengels54b.Bladeren in den knop alleen langs de middennerf gevouwen, deranden niet over elkaar liggend. Planten bijna zonder uitzondering epiphytisch levend95a.Planten met lange, vertakte klimmende en bebladerde stengels, met korte luchtwortels. Bloem groot, meest wit of groenachtig.Vanilla.Banilla,Banirie.5b.Planten in den grond wortelend met een rechtopstaande stengel66a.Bloemen met een lange spoor. De bloembladeren met het achterste kelkblad opgericht en samen een soort van helm vormend. Stuifmeelklompjes in groepen van korrels uiteenvallend; helmknop openspringend. Stengels bebladerd; bladeren zachtharigPhysurus.6b.Bloemen niet met een spoor, hoogstens met een knobbel; indien er een spoor is, dan is deze met vruchtbeginsel vergroeid77a.Bloeitros veelbloemig, door draaiing van de as schijnt het dat de bloemen hetzij in een rechte lijn, hetzij in een spiraallijn langs de tros staan. Bloembladeren, kelkbladeren en lip een rechte hoek met het vruchtbeginsel makend en daardoor alle horizontaal naar buiten gericht. Bloemen vrij kleinSpiranthes.7b.Bloemen naar alle zijden van den tros gericht88a.Bladeren goed ontwikkeld in een wortelroset; stengel alleen met schubvormige bladeren bezet. Tros met veel bloemenStenorrhynchus.8b.Bladeren klein en smal, niet in wortelroset maar hoogstens 3 bladeren langs de bloeiende stengel verspreidPogonia.9a.De beide bloembladeren en vooral de lip zijn door grootte en kleur sterker of even sterk in het oog springend als de 3 kelkbladeren109b.De lip en de beide bloembladeren vallen belangrijk minder in het oog dan de 3 kelkbladeren; zuil verlengd in een voet, die met de lip geleed is2210a.Bladschijf en bladscheede geleidelijk in elkaar overgaand zonder geleding, bladeren alle aan de voet van den bloeistengel in een roset gezeten. Bloemen wit, nog niet 1 c.M. groot; zuil lang, zonder voet. Stuifmeelklompjes 4, zonder aanhangselenLiparis.10b.Bladschijf en bladscheede duidelijk van elkaar te scheiden; geleed en op die plaats later afbrekend1111a.Bladeren vrij breed, door talrijke evenwijdige nerven sterk geplooid,vrij dun. Bloemen tot 5 c.M. groot, rose tot paars, lip van binnen wat geel, alleen of in groepen aan het eind van den stengel zittendSobralia.11b.Bladeren glad, leerachtig, niet gerimpeld, een enkele maal dun, maar dan zeer smal als grasbladeren, soms ook vleezig1212a.Bloemen met een lange spoor aan den lip, vrij groot. Bloeiwijze een eindelingsche tros; stengel van onderen in een kleine knol verdikt, bladeren lang en smal, in twee rijen langs den stengelGaleandra.12b.Lip steeds ongespoord1313a.Lip niet grooter dan de beide bloembladeren en de kelk. Zuil in een voet verlengd, waarmee de lip eenigszins bewegelijk verbonden is. Zuil zeer kort en breed. Stuifmeelklompjes 4 of 2, met een kort steeltje, doch zonder staartje. Bloemen zeer klein, in eindelingsche trossenPolystachya.13b.Vooralde lip goed ontwikkeld en grooter dan de kelkbladeren. Stuifmeelklompjes 4, 6 of 8, zonder steeltje, doch met een staartje1414a.Zuil in een voet verlengd; soms is er schijnbaar een voet aanwezig, maar wordt deze door de zijdelingsche kelkbladeren gevormd (Tetragamestus)1514b.Zuil niet in een voet verlengd1915a.Lip geheel vrij1615b.Lip aan den basis met de zuil tot een bekertje vergroeid. Stengels met lange en dunne geledingen en lange bladeren, sommige geledingen vaak een weinig verdikt tot een lange smalle luchtknol. Nieuwe spruiten aan het eind van die luchtknollen. Bloemen in eindelingsche, weinig-bloemige korte trossen, met vele schubben omgevenHexisea.16a.Lange met bladeren bezette, verdikte stengels; onderste bladeren ten deele afgevallen. Tros eindelings, veelbloemig, bloemen geel tot groenOrleanesia.16b.Bloemen alleenstaand of in kleine groepjes aan het eind van de weinig verdikte geleding van den stengel naast de nieuwe stengel, zoodat de bloeiwijze schijnbaar zijdelings staat; soms ook zitten de bloemen in de oksels der bladeren1717a.Zuil zonder voet. Zijdelingsche kelkbladeren met een eenigszins hoekig verlengde basis, zoodat er schijnbaar een kin gevormd wordt; bloemen klein; lip wigvormig met lijsten op de plaatTetragamestus.17b.Zuil met een duidelijke voet; zijdelingsche kelkbladeren een normale, doch soms kleine kin vormend1818a.Zuil kort; stuifmeelklompjes zijdelings samengedrukt; bladeren 2-vele. Bloemen groenachtig met bruine streepen en vlekkenPonera.18b.Zuil lang, stuifmeelklompjes niet samengedrukt maar eirond tot bolvormig. Geledingen van den stengel verdikt met telkens 2 bladeren aan het eind. Bloemen violetScaphyglottis.19a.Stuifmeelklompjes 4, gelijk van vorm en grootte2019b. Stuifmeelklompjes 8, in 2 rijen, paarsgewijs boven elkaar, de onderste door een aanhangsel met de bovenste verbonden2120a.Stuifmeelklompjes niet zijdelings platgedrukt doch eirond; kleine planten met kleine vleezige, spitse bladeren, die in twee rijen aan een korte stengel zitten, welke in een trosje van kleine bloemen eindigt. Bebladerde stengels uit een kort, kruipend rhizoom te voorschijn komendLanium.20b.Stuifmeelklompjes platgedrukt. Nagel van den lip opgericht; soms weinig, vaak over een groot deel vergroeid met de zuil; schijf van de lip vrij, opstaand; plaat van den lip met lamellen of andere woekeringen, zonder hoornvormige aanhangselen; zuil meest lang en smal. Planten vaak met luchtwortels, soms ook met onverdikte bebladerde stengelsEpidendrum.21a.Stuifmeelklompjes ongelijk, de bovenste veel kleiner dan de onderste. Lip aan de basis met een smalle nagel, naar boven plotseling verbreed, aan den rand fijn ingesneden. Bladeren vleezig, bijna rond in doorsnede, aan één zijde gegroefd, lang en spits. Bloemen geel en wit, lip en petalen vlakBrassavola.21b.Stuifmeelklompjes gelijk van vorm en grootte. Basis van den lip naar boven geleidelijk in de plaat verbreed. Kelkbladeren en bloembladeren aan den rand sterk gegolfd. Luchtknollen aan den top met 2 vlakke bladerenSchomburgkia.22a.Bloeiwijzen met slechts één bloem. Bladeren zeer klein, vleezig. Achterste kelkblad vrij, de zijdelingsche min of meer aan de basis vergroeid. Bloembladeren smal, scherp toegespitst, aan den top een weinig verdikt. Stuifmeelklompjes 4Restrepia.22b.Meerdere bloemen aan den bloeistengel, of ten minste in groepen bij elkaar; 2 of 8 stuifmeelklompjes2323a.Stuifmeelklompjes 8. Stengels vrij lang, van onderen met eenige schubben bezet, van boven door een (schijnbaar eindelingsch) blad afgesloten. Bloemen aan het eind van den stengel bij de bladvoet in een groepje uit den stengel te voorschijn komend. Kelkbladeren bijna niet vergroeid: bloembladeren weinig kleiner dan de kelkbladeren; lip veel kleiner. Bloemen kleinOctomeria.23b.Stuifmeelklompjes 22424a.Alle kelkbladeren duidelijk met elkaar vergroeid2524b.Kelkbladeren niet vergroeid of tenminste het achterste kelkblad vrij2625a.Bloemen grooter dan 1 c.M. Kelkbladeren een duidelijke beker vormend; kelkslippen min of meer draadvormig verlengd, soms zeer lang. Planten met korte, 1-bladige stengels en weinig-bloemige bloeiwijzenMasdevallia.25b.Bloemen kleiner dan 1 c.M.; kelkbladeren wel vergroeid doch niet met de basis een beker vormend; slippen kort, nooit draadvormig verlengd. Stengels evenals de vorige met 1 goed ontwikkeld blad, bloeiwijze een lange tros met meest vele bloemenStelis.26a.Kelkbladeren niet uitgespreid, spits; bloembladeren smal, niet met elkaar of met den zuil vergroeid, zeer klein. Zuil min of meer verlengd, aan den basis een voet vormend; lip bewegelijk met de basis van den zuil verbonden. Habitus als de vorigePleurothallis.26b.Kelkbladeren uitgespreid. Bloembladeren klein en breed, de nagels met den zuil vergroeid; lip aan de basis van de zuil vastgegroeid, zuil zonder voet. Stengels vrij lang met één eirond blaadje aan den top, aan welks voet de veelbloemige bloeiwijze te voorschijn komtLepanthes.27a.Bladeren meest vrij dun, met vele en duidelijke evenwijdige nerven. Bladeren in den knop opgerold, dus met de randen over elkaar liggend2827b.Bladeren glad, leerachtig tot vleezig, alleen de middennerf duidelijk. Bladeren in den knop samengevouwen langs de middennerf, dus bladranden niet over elkaar liggend4028a.Internodiën gelijkmatig gezwollen of in het geheel niet gezwollen2928b.Een enkel internodium is sterk opgezwollen en vormt een luchtknol3229a.Lip groot, vliezig, met den voet van de zuil bewegelijk verbonden of er mee een spoor of zak vormend. Stuifmeelklompjes 2 of 4 met een kort steeltje, zonder staartje. Planten in den bodem groeiend. Bloemen tweeslachtig3029b.Lip groot, vleezig, niet bewegelijk met den voet van de zuil verbonden, doch er aan vastgegroeid. Stuifmeelklompjes 2 of 4, met een lange steel. Epiphyten. Bloemen bijna steeds eenslachtig3130a.Lip boven de basis kort versmald, tusschen de zijdelingsche kelkbladeren een stompe zak vormend. Helmknop met 2 aanhangsels.Bebladerde stengels kort, met weinig bladeren; bloeistengels naast den bebladerden stengel uit de onderaardsche knolvormig verdikte wortelstok te voorschijn komend, onbebladerd; bloemen in een enkelvoudige trosCyrtopera.30b.Lip aan den basis zonder uitholling of zak. Helmknop met slechts 1 aanhangsel of zonder aanhangsel. Habitus als de vorige, doch bloeiwijze meest meermalen vertaktCyrtopodium.31a.De ♂ bloemen hebben een vrij lange, dikke zuil, die rechtopstaat en aan de voorzijde twee lange draadvormige aanhangsels heeft; stuifmeelklompjes 4, langwerpigCatasetum.31b.De ♂ bloemen hebben een zeer lange, sterk naar voren gebogen zuil die aan de basis dun, naar boven verdikt is en geen draadvormige aanhangselen heeft. Stuifmeelklompjes 2, bijna bolrond of eirondCycnoches.32a.De bloeiwijze komt te voorschijn direct onder de luchtknol, d.w.z. uit de oksel van de bovenste der bladeren, die de luchtknol aan de basis bedekken. De nieuwe spruit staat daarentegen in den oksel van de onderste dier schubben. Knol met 1 of 2 bladeren aan den top. Bloeiwijzen onbebladerd, opgericht, met schubben bedekt, met weinige groote of vrij groote bloemen; kelkbladeren smal, afstaand, de zijdelingsche aan den korten zuilvoet bevestigd; de beide bloembladeren gelijk van vorm als de kelkbladeren. Lip onbewegelijk met de zuilvoet vergroeid, een zeer korte kin vormend, breed en vlak met een dwarse lijst. Zuil aan den top met twee stompe vleugeltjes. 4 stuifmeelklompjesMenadenium.32b.Bloeiwijze tevoorschijnkomend uit den oksel van de onderste der bladeren, die de basis van de knol omgeven, of uit de onderste schubben van de nog groeiende spruit (Batemania). Nieuwe spruit uit den oksel van de bovenste dier bladeren tevoorschijnkomend3333a.Lip vliezig, meest voorzien van overlangsche lijsten met den zuilvoet bewegelijk verbonden3433b.Lip vleezig, duidelijk geleed in verschillende achter elkaar liggende afdeelingen, waarvan de laatste bladachtig, de 2deen 1stevleezig zijn; de 1steafdeeling is dan met de voet van den zuil onbewegelijk verbonden3634a.Stuifmeelklompjes na het afvallen van de helmknop door 1 steeltje verbonden3534b.Stuifmeelklompjes aan twee steeltjes vastzittend. Kelk- en kroonbladeren vrijwel gelijk, de beide zijdelingsche kelkbladeren met den zuilvoet een groote spitse kin vormend, die het uiterlijk heeft van een spoor. Bloembladeren naar voren staand, met den zuilvoet vergroeid. Bloeiwijze met vele bloemen. 1 blad op de luchtknolBifrenaria.35a.Bloeiwijze met 1–3 bloemen, hangend. De zijdelingsche kelkbladeren vormen slechts een kleine kin. Lip rechtopstaand, op den sterk gebogen zuilvoet zittend, 3-lobbig, met knotsvormige aanhangselen aan den eindlob en smalle overlangsche platen op het midden. Steeltje der stuifmeelklompjes langPaphinia.35b.Bloeiwijze met vele bloemen, hangend. Zijdelingsche kelkbladeren geen kin vormend, doch met een smalle basis op de top van den zuilvoet zittend. Bloembladeren veel breeder dan kelkbladeren,met een breede basis aan de zuilvoet verbonden. Lip rechtopstaand 3-lobbig. De 4 stuifmeelklompjes hebben een kort 3-hoekig steeltje. Bloeiwijze te voorschijn komend uit de schubben, die de nog jonge en groeiende bladspruit omgevenBatemania.36a.Bloemen in lange, veelbloemige, hangende trossen. Door een buiging van bloemsteel en vruchtbeginsel is de horizontaal gerichte lip gelegen boven de schuin naar onderen gerichte zuil. Daardoor is ook het middelste kelkblad, dat met de zuil vergroeid is, naar beneden gericht. De zijdelingsche kelkbladeren zijn met breede basis aan de zuilvoet vergroeid. Bloembladen smal en klein, aan den zuil vastgegroeid. Lip met 2 dunne horentjes. Luchtknol met 1 of 2 bladerenGongora.36b.Stand van de bloem normaal, dus zuil naar boven, lip naar onderen gericht; doordat de bloemen hangen aan denietgebogen bloemsteelen is vaak de zuil naar beneden gericht, doch dan is ook de lip naar beneden gericht naar den top van den zuil toe3737a.Bloembladeren en kelkbladeren niet uitgespreid, alle naar elkaar toegebogen. Bloem daardoor halfbolvormig. Bloembladeren gelijk in vorm en grootte met het achterste kelkblad. Zuil kort, lip zeer vast met de zuil verbonden, met 2 vleugels aan de basis, die tegen den zuil aanliggen, in het midden smaller, aan den top weer verbreedPeristeria.37b.Kelkbladeren en bloembladeren afstaand, vaak zelfs teruggeslagen3838a.Zijdelingsche kelkbladeren zeer groot, veel grooter dan het middelste kelkblad en dan de bloembladeren, assymetrisch. Bloembladeren smal, naar beneden hangend. Lip (in den hangenden stand der bloem) eerst smal, schuin naar boven gericht, daarna in een convex, breed gedeelte overgaand vervolgens plotseling loodrecht naar beneden gebogen en daar tot een beker vervormd, waarin vloeistof zit. Knollen sterk gegroefd met 1 of 2 bladeren op den topCoryanthes.38b.Zijdelingsche kelkbladeren en bloembladeren onderling ± gelijk van vorm en grootte; middenlob van de lip niet bekervormig3939a.Bloembladeren en kelkbladeren vrij breed, teruggeslagen. Basis van de lip en voet van de zuil uitgehold, vast met de zuil verbonden. Geen vleugelvormige aanhangselen aan het middendeel van de lip. Eén blad op de luchtknol. Bloeiwijze met 1 of 2 bloemenStanhopea.Lady-slipper.39b.Bloembladeren en kelkbladeren smal, afstaand. Basis van de lip en voet van de zuil steelrond, niet uitgehold, tot aan de lip uitgebreid; 3-lobbig. Minstens 4 bloemen in een hangende trosKegelia.40a.De bebladerde spruiten hebben een begrensde groei; meestal sluiten ze korten tijd na hun ontstaan af met een luchtknol met eenige bladeren op hun top; de plant groeit dan verder door middel van een anders gevormde, meest kruipende en met schubben bedekte spruit4140b.De bebladerde spruiten hebben een onbegrensde groei en dragen de bloemen of bloeiwijzen in de oksels der bladeren5841a.Lip vliezig, bewegelijk met de voet van den zuil verbonden. Stuifmeelklompjes met steeltjes of staartje, maar nooit met beide tegelijk, of zonder beide4241b.Lip vliezig, vast met den voet van de zuil verbonden of direct op den zuil vastzittend of een spoor vormend. Stuifmeelklompjes 2, met een lange of breede steel4842a.Stuifmeelklompjes 4, zonder aanhangsel. Achterste kelkblad vrij, de zijdelingsche aan de voet van de zuil vastgegroeid, een weinig ontwikkelde kin vormend. Lip aan de basis versmald, klein, bewegelijk met den zuilvoet verbonden, 3-lobbig, de 2 zijlobben klein, opgericht, de middenlob groot. Zuil aan den top met 2 vleugels. Epiphyt met een kruipende wortelstok, die met schubben bedekt is; zijspruiten uit slechts 1 luchtknol bestaande, aan de basis met schubben, aan den top met 1 of 2 bladeren. Bloeiwijze naast de luchtknollen te voorschijn komend, soms ook uit het rhizoom zelf, onbebladerd, onvertakt, vaak naar den top verdikt.Bulbophyllum.42b.Planten met of zonder luchtknollen. Stuifmeelklompjes met een goed ontwikkeld steeltje4343a.Iedere spruit vormt uit een geleding een luchtknol, op welks top ongesteelde bladeren zitten, aan welks basis òf bladeren met scheeden, òf alleen schubben aanwezig zijn. De bloeiwijze komt uit een lagere bladoksel te voorschijn als de nieuwe bebladerde spruit. Lip meest met overlangsche verdikkingen4443b.Geen luchtknollen aanwezig. Bloeiwijze steeds éénbloemig, uit een hoogere bladoksel te voorschijn komend dan de nieuwe bladspruit. Lip meest met dwarse verdikkingen4744a.Kelkbladeren van onderen tot een driehoekige buis vergroeid, van boven vrij, afstaand. Bloembladeren veel kleiner dan de kelkbladeren. Lip van af de basis van de zuil opgericht, kleiner dan de kelkbladeren, naar boven afstaand duidelijk 3-lobbig met opgerichte zijlobben. Zuil vrij dun, ongevleugeld, zonder voet. Bladeren smal, een of twee op den top van de dicht op elkaar gedrongen luchtknollenTrigonidium.44b.Kelkbladeren geheel vrij van elkaar4545a.Lip goed bewegelijk. Zuil met een duidelijke voet aan de basis4645b.Lip weinig bewegelijk, soms een weinig met de basis van de zuil verbonden. Zuil zonder voet. Kelk- en bloembladeren naar elkaar gebogen. Lip 3-lobbig, de zijlobben opgericht, de middenlob teruggeslagen. Rhizoom lang kruipend, bloeiwijzen éénbloemig, in groepen in de oksels staand. Bloemen vrij kleinOrnithidium.46a.De stuifmeelklompjes zitten zonder of met een zeerkortsteeltje bijna direct op de kleefmassa; kelk- en kroonbladeren bijna gelijk van vorm, afstaand, de zijdelingsche kelkbladeren kinvormend. Lip 3-lobbig, de zijlobben opgericht. Bloeiwijzen steeds éénbloemig aan de basis van de luchtknol of in de oksels der bladeren van het rhizoom alleenstaandMaxillaria.46b.Bloemenvrijwelgelijk aan de vorige, maar stuifmeelklompjes met een platte en breede steel. De bebladerde spruiten zijn meest sterk vertakt, de luchtknollen staan vaak in de oksels van de bladeren dier spruit; bloemen steeds in de oksels dier bladerenCamaridium.47a.Kelk- en bloembladeren ongeveer gelijk, de zijdelingsche kelkbladeren met den zuilvoet vergroeid en een korte maar duidelijkekin vormend. Lip met een lange nagel, bewegelijk met de zuil verbonden, naar den top zeer sterk verdikt en vleezig over de geheele breedte, met overlangsche lijsten. Zuil zeer breed, bekervormig. Bladeren lang, in twee rijen en in 1 vlak staand. Bloem groot in een korte éénbloemig bloeiwijzeBollea.47b.Lip vast verbonden met de zuil, met een 5-ribbige basis, vervolgens overgaande in een vliezige plaat met kleine halfsikkelvormige zijlobben en een groote ruitvormige eindlob. Zuil kort, niet bekervormig. Bloemen vrij kleinChaubardia.48a.Helmknop rechtopstaand. Bloem zonder spoor of knobbel4948b.Helmknop horizontaal of vaker naar voren overhangend op de voorzijde van de zuil5049a.Kelk en kroonbladeren vrijwel gelijk, afstaand. Lip ongenageld één geheel vormend met de basis van de zuil, diep 3-lobbig, de zijlobben breed, opgericht, de zuil omvattend, de middenlob kort, afstaand. Zuil opgericht vrij dun, ongevleugeld, zonder voet, van voren gegroefd, stuifmeelklompjes 2, zonder aanhangsel. Luchtknollen lang en slank aan den top met één blad. Bloemen in hangende trossenMacradenia.49b.Kelk en bloembladeren vrijwel gelijk van grootte, de bloembladeren sterker gekleurd dan de kelkbladeren, de laatste rechtopstaand of afstaand. Lip met een duidelijke nagel, rechtopstaand, soms met 2 aartjes, verder pijlvormig met een zeer spitse punt. Zuil eenigszins gekromd, zonder voet. Stuifmeelklompjes 2 zonder aanhangsels. Kleine planten met éénbladige luchtknollen; bloemen klein, in trossenNotylia.50a.Bloemen met een duidelijke spoor of knobbel. Stuifmeelklompjes 25150b.Bloemen zonder spoor of knobbel5351a.De spoor is zeer lang en wordt zoowel door de lip gevormd als door de zijdelingsche kelkbladeren, die met elkaar vergroeid zijn. Achterste kelkblad vrij. Bloembladeren breeder. Lip ongedeeld, bijna rond of meer samengerold en de zuil omhullend, aan de basis met 2 lange sporen, die in de spoor van de kelkbladeren verborgen zitten en ermee vergroeid zijn. Bladeren in 1 vlak. Bloeiwijze met 1 of 2 vrij groote gele bloemenPlectrophora.51b.Geen lange spoor, doch alleen een knobbel aanwezig5252a.De zijdelingsche kelkbladeren bijna geheel vergroeid met elkaar; lip zeer kort met de basis van de zuil verbonden, opgericht met een zeer korte spoor die door de beide kelkbladeren bedekt wordt. Bloemen rood in eenzijdige, veelbloemige trossenRodriguezia.52b.De zijdelingsche kelkbladeren geheel vergroeid, aan de basis onder de lip een korte zak vormend. Lip duidelijk genageld, geheel zonder spoor of knobbel. Bloemen violet, in wijde pluimenJonopsis.Sapotille-orchidee.53a.Kelkbladeren niet vergroeid, smal, evenals de kroonbladeren. Nagel van de lip met de zuil vergroeid, verder afstaand, ongedeeld, breed eirond, aan den top plotselingtoegespitst, min of meer schelpvormig.Zuil half zoo lang als de lip. Bladen vleezig. smal, één op de luchtknol. Bloemen vuilwit met lichtroode teekening, in knikkende, 3–4-bloemige trossenTrichopilia.53b.Achterste kelkblad met de kroonbladeren aan de basis van dezuil vastgegroeid. Nagel van de lip tot aan de halve hoogte met de zuil vergroeid, vervolgens afstaand, 3-lobbig, lobben stomp, aan den rand een weinig gegolfd tot gekarteld, de middenlob aan den top wat ingesneden. Planten met groote, sterk platgedrukte luchtknollen met 2 bladeren op den top. Tros rechtopstaand met 2–3 welriekende bloemen. Kelkbladeren geelgroen met paarse strepen; bloembladeren geel, donker geaderd, lip wit, aan de basis geel, met purperen vlekjesAspasia.53c.Lip alleen met de basis van de zuil samenhangend, er niet mee tot een zekere hoogte vergroeid;afstaandof naar beneden geslagen5454a.Stuifmeelklompjes 4. Planten zonder luchtknollen5554b.Stuifmeelklompjes 2. Planten met of zonder luchtknollen5655a.Top van de zuil en helmknop met een lang draadvormig naar beneden gericht aanhangsel. Achterste kelkblad helmvormig gebogen. Lip min of meer 3-lobbig, de beide zijlobben dik en vleezig. Zuil kort en dik, van voren hol. Planten klein, zonder luchtknollen, stengel kort, bladeren in één vlak staand. Bloemen klein in een vrij lange trosOrnithocephalus.55b.Top van de zuil en helmknop niet met een dun verlengsel. Achterste kelkblad bijna vlak. Lip aan den top met 2 lange, dunne rechtopstaande zijlobben. Kleine planten, bladeren niet in één vlak staand. Tros veelbloemig, knikkendCryptarrhena.56a.Kelkbladeren en bloembladeren zeer lang en dun en spits. Lip ongedeeld, niet 3-lobbig, korter dan de kelkbladeren, zuil ongevleugeld. Planten vrij groot met luchtknollen, met 1 of 2 bladeren op den top. Bloemen in weinigbloemige trossenBrassia.56b.Kelk en kroonbladeren niet bijzonder lang, dun en spits. Zuil gevleugeld5757a.Planten zonder luchtknollen met lange stengels, waaraan de korte bladeren in twee rijen dakpansgewijs over elkaar liggen. Lip betrekkelijk groot met korte zijlobben en groote 3–5-lobbige eindlob. Zuil kort, gevleugeldLockhartia.57b.Planten met luchtknollen of indien er geen luchtknollen aanwezig zijn, dan zijn de stengels kort en staan de bladeren dicht, meest in één vlak, op elkaar. Lip zeer verschillend van vorm, meest groot, steeds direct van af de basis naar beneden geslagen met vele en verschillend gevormde wratten en lijsten. Zuil duidelijk gevleugeldOncidium.58a.Planten met lange meest kruipende of hangende bebladerde stengels. Bloemen alleenstaand in de oksels van de bladeren. Lip aan den voet van de zuil verbonden. Zuil opgericht, ongevleugeld. Stuifmeelklompjes 4, zonder aanhangselen. Bloemen ongespoord.Dichaea.58b.Planten met lange, bebladerde en met luchtwortels bezette stengels en dus bladeren in 2 rijen, of stengels bijna geheel ontbrekend en onbebladerd, en dan de plant alleen bestaande uit een groep van luchtwortels en enkele bloeiwijzen. Bloemen klein, gespoord, in trossenCampylocentrum.(Angraecum).Hulptabel bij het determineeren van Orchideeën, die zich door een enkel in het oog vallend kenmerk onderscheiden.I. Planten alleen bestaand uit een bos luchtwortels en eenige trosjes van kleine bloemen, dus geen stengel en bladeren aanwezig:Campylocentrum.II. Planten in den bodem groeiend zonder luchtwortels:Selenipedilum,Habenaria,Pogonia,Stenorrchynchus,Spiranthes,Physurus,Liparis,Cyrtopera,Cyrtopodium.III. Lange gelijkmatig bebladerde stengels zonder of met luchtwortels; geen luchtknollen aanwezig:Lockhartia,Dichaea,Campylocentrum,Orleanesia,Epidendrum(ten deele).IV. Lange, dunne luchtknollen, telkens met een paar bladeren op den top; de eene luchtknol boven op de andere zittend; bloemen in kleine groepen:Tetragamestus,Ponera,Scaphyglottis,Hexisea.V. Lange, klimmende, groene bebladerde stengels, met lange geledingen:Vanilla.VI. Epiphyten zonder luchtknol doch de bebladerde stengels kort, en daardoor de bladeren in rosetten of in één vlak gezeten:Jonopsis,Ornithocephalus,Cryptarrhena,Oncidium(ten deele),Bollea,Chaubardia.VII. Bebladerde stengels met slechts één blad aan den top, en met een bloeiwijze:Masdevallia,Stelis,Pleurothallis,Lepanthes,Restrepia,Octomeria.VIII. Luchtknollen met één blad op den top:Epidendrum(ten deele),Bifrenaria,Stanhopea,Menadenium(ten deele),Maxillaria,Camaridium,Ornithidium,Trigonidium,Macradenia,Notylia,Rodriguezia,Plectrophora,Trichopilia,Oncidium(ten deele).IX. Luchtknollen met twee bladeren op den top:Lanium(ten deele),Epidendrum(ten deele),Schomburgkia,Paphinia(ten deele),Batemania,Peristeria,Coryanthes,Gongora,Menadenium(ten deele),Bulbophyllum,Aspasia,Brassia,Oncidium(ten deele).X. Bloemen met een spoor of knobbel, hetzij aan de lip, hetzij aan de beide zijdelingsche kelkbladeren, of aan lip en kelkbladeren:Habenaria,Physurus,Liparis,Galeandra,Cyrtopera,Bifrenaria,Rodriguezia,Jonopsis,Plectrophora,Campylocentrum.XI. Kelkbladeren alle 3 met elkaar vergroeid, soms een buis of een beker vormend:Masdevallia,Stelis,Trigonidium.

Orde:Microspermae.49.Burmanniaceae.Bloemdek meest vergroeidbladig, zelden boven het vruchtbeginsel met vrije bladeren; de 3 binnenste bloemdekslippen meest kleiner dan de buitenste of geheel verdwenen; meeldraden 6, of alleen de 3 van de binnenste krans aanwezig; vaak met sterk verbreed helmbindsel; vruchtbeginsel onderstandig met 3 wandstandige of hoekstandige zaadlijsten; doosvrucht met vele kleine zaden; kruiden of bladgroenlooze saprophyten; bloemen alleenstaand of in aarvormige bloeiwijzen.1a.Bloemen in een hoofdje aan het eind van den stengel; buis van het bloemdek 3-kantig of 3-vleugelig, vruchtbeginsel 3-hokkig; stengel van onderen met een roset van kleine smalle blaadjesBurmannia.1b.Bloemen in ijle trossen of in een vertakte bloeiwijze. Vruchtbeginsel éénhokkig22a.Bloeistengel naar boven in twee takken gespleten; elke tak de bloemen in een ijle tros dragend. Bloemdek aan de basis buikig opgezwollen, de mond nauwerDictyostegia.2b.Bloeistengel naar boven niet vertakt. Buis van de bloemkroon van binnen met 3 zakvormige instulpingen. Kroon naar den mond verwijdApteria.50.Orchidaceae.Bloemen met een bloemdek of met kelk en bloemkroon; typisch 3-tallig; bijna steeds tweeslachtig, zygomorf; van de meeldraden is alleen één van de 3 van de buitenste krans ontwikkeld òf minder vaak, de 2 zijdelingsche aan de binnenste krans; soms nog eenige als staminodiën aanwezig; één van de bloembladeren (lip) anders gevormd dan de beide andere; vruchtbeginsel onderstandig, aan den top met een verlenging (zuil) die de meeldraad en de stempel draagt; stuifmeelkorrels in groepen van 4 meest tot polliniën verbonden. Vrucht een doosvrucht met vele kleine zaden; overblijvende kruiden van zeer verschillende habitus, meest epiphyten.N. B. Men raadplege ook de gegevens op blz. 88.1a.Bloemen met 2 meeldraden. Kelkbladeren afstaand, het achterste vrij, de zijdelingsche onder den lip vereenigd; bloembladeren vrij, smaller dan de kelkbladeren, hangend. Lip zittend, schuitvormig. Landplanten met bebladerde stengel, met breede bladeren en een eindelingsche tros van lichtgele bloemen, lip met purperen vlekkenSelenipedilum.1b.Bloemen steeds met 1 meeldraad22a.Helmknop vast vergroeid met de bovenzijde van de zuil; niet afvallend na verwijdering van het stuifmeel; niet door een dunner steeltje met de zuil verbonden, rechtopstaand en van voren open. Landplanten met onderaardsche knollen, of vleezige wortels, met bebladerde stengels en eindelingsche trossen. Lip 3-deelig, met een lange spoorHabenaria.2b.Helmknopje niet vastgegroeid met de bovenkant van de zuil, doch er met een steeltje mee verbonden; helmknop liggend, bij het verwijderen van het stuifmeel gemakkelijk loslatend33a.De bloeiwijze staat aan het eind van den bebladerden stengel en sluit deze reeds enkele maanden na zijn ontstaan af, dus deze stengel kan alleen verder groeien door middel van zijtakken43b.De bloeiwijze staat nooit aan het eind van den stengel, doch de stengel krijgt korten tijd na zijn ontstaan in één of meer van de bladoksels bloemen of bloeiwijzen; de stengel groeit dan òf aan zijn top nog verder, of houdt van zelf met groeien op274a.Bladeren in den knop opgerold, zoodat de randen elkaar bedekken. Nooit een scherpe grens tusschen bladsteel en bladscheede en daardoor ook de bladeren nooit met een scherp begrensde breuk van de bladsteel afbrekend. Antheren meest niet afvallend maar blijvend, maar toch niet vast vergroeid met den top van de zuil; stuifmeelklompjes niet in harde wasachtige massa’s bij elkaar blijvend, maar meest in korrels uiteenvallend. Planten alle in den grond wortelend, of met lange klimmende stengels54b.Bladeren in den knop alleen langs de middennerf gevouwen, deranden niet over elkaar liggend. Planten bijna zonder uitzondering epiphytisch levend95a.Planten met lange, vertakte klimmende en bebladerde stengels, met korte luchtwortels. Bloem groot, meest wit of groenachtig.Vanilla.Banilla,Banirie.5b.Planten in den grond wortelend met een rechtopstaande stengel66a.Bloemen met een lange spoor. De bloembladeren met het achterste kelkblad opgericht en samen een soort van helm vormend. Stuifmeelklompjes in groepen van korrels uiteenvallend; helmknop openspringend. Stengels bebladerd; bladeren zachtharigPhysurus.6b.Bloemen niet met een spoor, hoogstens met een knobbel; indien er een spoor is, dan is deze met vruchtbeginsel vergroeid77a.Bloeitros veelbloemig, door draaiing van de as schijnt het dat de bloemen hetzij in een rechte lijn, hetzij in een spiraallijn langs de tros staan. Bloembladeren, kelkbladeren en lip een rechte hoek met het vruchtbeginsel makend en daardoor alle horizontaal naar buiten gericht. Bloemen vrij kleinSpiranthes.7b.Bloemen naar alle zijden van den tros gericht88a.Bladeren goed ontwikkeld in een wortelroset; stengel alleen met schubvormige bladeren bezet. Tros met veel bloemenStenorrhynchus.8b.Bladeren klein en smal, niet in wortelroset maar hoogstens 3 bladeren langs de bloeiende stengel verspreidPogonia.9a.De beide bloembladeren en vooral de lip zijn door grootte en kleur sterker of even sterk in het oog springend als de 3 kelkbladeren109b.De lip en de beide bloembladeren vallen belangrijk minder in het oog dan de 3 kelkbladeren; zuil verlengd in een voet, die met de lip geleed is2210a.Bladschijf en bladscheede geleidelijk in elkaar overgaand zonder geleding, bladeren alle aan de voet van den bloeistengel in een roset gezeten. Bloemen wit, nog niet 1 c.M. groot; zuil lang, zonder voet. Stuifmeelklompjes 4, zonder aanhangselenLiparis.10b.Bladschijf en bladscheede duidelijk van elkaar te scheiden; geleed en op die plaats later afbrekend1111a.Bladeren vrij breed, door talrijke evenwijdige nerven sterk geplooid,vrij dun. Bloemen tot 5 c.M. groot, rose tot paars, lip van binnen wat geel, alleen of in groepen aan het eind van den stengel zittendSobralia.11b.Bladeren glad, leerachtig, niet gerimpeld, een enkele maal dun, maar dan zeer smal als grasbladeren, soms ook vleezig1212a.Bloemen met een lange spoor aan den lip, vrij groot. Bloeiwijze een eindelingsche tros; stengel van onderen in een kleine knol verdikt, bladeren lang en smal, in twee rijen langs den stengelGaleandra.12b.Lip steeds ongespoord1313a.Lip niet grooter dan de beide bloembladeren en de kelk. Zuil in een voet verlengd, waarmee de lip eenigszins bewegelijk verbonden is. Zuil zeer kort en breed. Stuifmeelklompjes 4 of 2, met een kort steeltje, doch zonder staartje. Bloemen zeer klein, in eindelingsche trossenPolystachya.13b.Vooralde lip goed ontwikkeld en grooter dan de kelkbladeren. Stuifmeelklompjes 4, 6 of 8, zonder steeltje, doch met een staartje1414a.Zuil in een voet verlengd; soms is er schijnbaar een voet aanwezig, maar wordt deze door de zijdelingsche kelkbladeren gevormd (Tetragamestus)1514b.Zuil niet in een voet verlengd1915a.Lip geheel vrij1615b.Lip aan den basis met de zuil tot een bekertje vergroeid. Stengels met lange en dunne geledingen en lange bladeren, sommige geledingen vaak een weinig verdikt tot een lange smalle luchtknol. Nieuwe spruiten aan het eind van die luchtknollen. Bloemen in eindelingsche, weinig-bloemige korte trossen, met vele schubben omgevenHexisea.16a.Lange met bladeren bezette, verdikte stengels; onderste bladeren ten deele afgevallen. Tros eindelings, veelbloemig, bloemen geel tot groenOrleanesia.16b.Bloemen alleenstaand of in kleine groepjes aan het eind van de weinig verdikte geleding van den stengel naast de nieuwe stengel, zoodat de bloeiwijze schijnbaar zijdelings staat; soms ook zitten de bloemen in de oksels der bladeren1717a.Zuil zonder voet. Zijdelingsche kelkbladeren met een eenigszins hoekig verlengde basis, zoodat er schijnbaar een kin gevormd wordt; bloemen klein; lip wigvormig met lijsten op de plaatTetragamestus.17b.Zuil met een duidelijke voet; zijdelingsche kelkbladeren een normale, doch soms kleine kin vormend1818a.Zuil kort; stuifmeelklompjes zijdelings samengedrukt; bladeren 2-vele. Bloemen groenachtig met bruine streepen en vlekkenPonera.18b.Zuil lang, stuifmeelklompjes niet samengedrukt maar eirond tot bolvormig. Geledingen van den stengel verdikt met telkens 2 bladeren aan het eind. Bloemen violetScaphyglottis.19a.Stuifmeelklompjes 4, gelijk van vorm en grootte2019b. Stuifmeelklompjes 8, in 2 rijen, paarsgewijs boven elkaar, de onderste door een aanhangsel met de bovenste verbonden2120a.Stuifmeelklompjes niet zijdelings platgedrukt doch eirond; kleine planten met kleine vleezige, spitse bladeren, die in twee rijen aan een korte stengel zitten, welke in een trosje van kleine bloemen eindigt. Bebladerde stengels uit een kort, kruipend rhizoom te voorschijn komendLanium.20b.Stuifmeelklompjes platgedrukt. Nagel van den lip opgericht; soms weinig, vaak over een groot deel vergroeid met de zuil; schijf van de lip vrij, opstaand; plaat van den lip met lamellen of andere woekeringen, zonder hoornvormige aanhangselen; zuil meest lang en smal. Planten vaak met luchtwortels, soms ook met onverdikte bebladerde stengelsEpidendrum.21a.Stuifmeelklompjes ongelijk, de bovenste veel kleiner dan de onderste. Lip aan de basis met een smalle nagel, naar boven plotseling verbreed, aan den rand fijn ingesneden. Bladeren vleezig, bijna rond in doorsnede, aan één zijde gegroefd, lang en spits. Bloemen geel en wit, lip en petalen vlakBrassavola.21b.Stuifmeelklompjes gelijk van vorm en grootte. Basis van den lip naar boven geleidelijk in de plaat verbreed. Kelkbladeren en bloembladeren aan den rand sterk gegolfd. Luchtknollen aan den top met 2 vlakke bladerenSchomburgkia.22a.Bloeiwijzen met slechts één bloem. Bladeren zeer klein, vleezig. Achterste kelkblad vrij, de zijdelingsche min of meer aan de basis vergroeid. Bloembladeren smal, scherp toegespitst, aan den top een weinig verdikt. Stuifmeelklompjes 4Restrepia.22b.Meerdere bloemen aan den bloeistengel, of ten minste in groepen bij elkaar; 2 of 8 stuifmeelklompjes2323a.Stuifmeelklompjes 8. Stengels vrij lang, van onderen met eenige schubben bezet, van boven door een (schijnbaar eindelingsch) blad afgesloten. Bloemen aan het eind van den stengel bij de bladvoet in een groepje uit den stengel te voorschijn komend. Kelkbladeren bijna niet vergroeid: bloembladeren weinig kleiner dan de kelkbladeren; lip veel kleiner. Bloemen kleinOctomeria.23b.Stuifmeelklompjes 22424a.Alle kelkbladeren duidelijk met elkaar vergroeid2524b.Kelkbladeren niet vergroeid of tenminste het achterste kelkblad vrij2625a.Bloemen grooter dan 1 c.M. Kelkbladeren een duidelijke beker vormend; kelkslippen min of meer draadvormig verlengd, soms zeer lang. Planten met korte, 1-bladige stengels en weinig-bloemige bloeiwijzenMasdevallia.25b.Bloemen kleiner dan 1 c.M.; kelkbladeren wel vergroeid doch niet met de basis een beker vormend; slippen kort, nooit draadvormig verlengd. Stengels evenals de vorige met 1 goed ontwikkeld blad, bloeiwijze een lange tros met meest vele bloemenStelis.26a.Kelkbladeren niet uitgespreid, spits; bloembladeren smal, niet met elkaar of met den zuil vergroeid, zeer klein. Zuil min of meer verlengd, aan den basis een voet vormend; lip bewegelijk met de basis van den zuil verbonden. Habitus als de vorigePleurothallis.26b.Kelkbladeren uitgespreid. Bloembladeren klein en breed, de nagels met den zuil vergroeid; lip aan de basis van de zuil vastgegroeid, zuil zonder voet. Stengels vrij lang met één eirond blaadje aan den top, aan welks voet de veelbloemige bloeiwijze te voorschijn komtLepanthes.27a.Bladeren meest vrij dun, met vele en duidelijke evenwijdige nerven. Bladeren in den knop opgerold, dus met de randen over elkaar liggend2827b.Bladeren glad, leerachtig tot vleezig, alleen de middennerf duidelijk. Bladeren in den knop samengevouwen langs de middennerf, dus bladranden niet over elkaar liggend4028a.Internodiën gelijkmatig gezwollen of in het geheel niet gezwollen2928b.Een enkel internodium is sterk opgezwollen en vormt een luchtknol3229a.Lip groot, vliezig, met den voet van de zuil bewegelijk verbonden of er mee een spoor of zak vormend. Stuifmeelklompjes 2 of 4 met een kort steeltje, zonder staartje. Planten in den bodem groeiend. Bloemen tweeslachtig3029b.Lip groot, vleezig, niet bewegelijk met den voet van de zuil verbonden, doch er aan vastgegroeid. Stuifmeelklompjes 2 of 4, met een lange steel. Epiphyten. Bloemen bijna steeds eenslachtig3130a.Lip boven de basis kort versmald, tusschen de zijdelingsche kelkbladeren een stompe zak vormend. Helmknop met 2 aanhangsels.Bebladerde stengels kort, met weinig bladeren; bloeistengels naast den bebladerden stengel uit de onderaardsche knolvormig verdikte wortelstok te voorschijn komend, onbebladerd; bloemen in een enkelvoudige trosCyrtopera.30b.Lip aan den basis zonder uitholling of zak. Helmknop met slechts 1 aanhangsel of zonder aanhangsel. Habitus als de vorige, doch bloeiwijze meest meermalen vertaktCyrtopodium.31a.De ♂ bloemen hebben een vrij lange, dikke zuil, die rechtopstaat en aan de voorzijde twee lange draadvormige aanhangsels heeft; stuifmeelklompjes 4, langwerpigCatasetum.31b.De ♂ bloemen hebben een zeer lange, sterk naar voren gebogen zuil die aan de basis dun, naar boven verdikt is en geen draadvormige aanhangselen heeft. Stuifmeelklompjes 2, bijna bolrond of eirondCycnoches.32a.De bloeiwijze komt te voorschijn direct onder de luchtknol, d.w.z. uit de oksel van de bovenste der bladeren, die de luchtknol aan de basis bedekken. De nieuwe spruit staat daarentegen in den oksel van de onderste dier schubben. Knol met 1 of 2 bladeren aan den top. Bloeiwijzen onbebladerd, opgericht, met schubben bedekt, met weinige groote of vrij groote bloemen; kelkbladeren smal, afstaand, de zijdelingsche aan den korten zuilvoet bevestigd; de beide bloembladeren gelijk van vorm als de kelkbladeren. Lip onbewegelijk met de zuilvoet vergroeid, een zeer korte kin vormend, breed en vlak met een dwarse lijst. Zuil aan den top met twee stompe vleugeltjes. 4 stuifmeelklompjesMenadenium.32b.Bloeiwijze tevoorschijnkomend uit den oksel van de onderste der bladeren, die de basis van de knol omgeven, of uit de onderste schubben van de nog groeiende spruit (Batemania). Nieuwe spruit uit den oksel van de bovenste dier bladeren tevoorschijnkomend3333a.Lip vliezig, meest voorzien van overlangsche lijsten met den zuilvoet bewegelijk verbonden3433b.Lip vleezig, duidelijk geleed in verschillende achter elkaar liggende afdeelingen, waarvan de laatste bladachtig, de 2deen 1stevleezig zijn; de 1steafdeeling is dan met de voet van den zuil onbewegelijk verbonden3634a.Stuifmeelklompjes na het afvallen van de helmknop door 1 steeltje verbonden3534b.Stuifmeelklompjes aan twee steeltjes vastzittend. Kelk- en kroonbladeren vrijwel gelijk, de beide zijdelingsche kelkbladeren met den zuilvoet een groote spitse kin vormend, die het uiterlijk heeft van een spoor. Bloembladeren naar voren staand, met den zuilvoet vergroeid. Bloeiwijze met vele bloemen. 1 blad op de luchtknolBifrenaria.35a.Bloeiwijze met 1–3 bloemen, hangend. De zijdelingsche kelkbladeren vormen slechts een kleine kin. Lip rechtopstaand, op den sterk gebogen zuilvoet zittend, 3-lobbig, met knotsvormige aanhangselen aan den eindlob en smalle overlangsche platen op het midden. Steeltje der stuifmeelklompjes langPaphinia.35b.Bloeiwijze met vele bloemen, hangend. Zijdelingsche kelkbladeren geen kin vormend, doch met een smalle basis op de top van den zuilvoet zittend. Bloembladeren veel breeder dan kelkbladeren,met een breede basis aan de zuilvoet verbonden. Lip rechtopstaand 3-lobbig. De 4 stuifmeelklompjes hebben een kort 3-hoekig steeltje. Bloeiwijze te voorschijn komend uit de schubben, die de nog jonge en groeiende bladspruit omgevenBatemania.36a.Bloemen in lange, veelbloemige, hangende trossen. Door een buiging van bloemsteel en vruchtbeginsel is de horizontaal gerichte lip gelegen boven de schuin naar onderen gerichte zuil. Daardoor is ook het middelste kelkblad, dat met de zuil vergroeid is, naar beneden gericht. De zijdelingsche kelkbladeren zijn met breede basis aan de zuilvoet vergroeid. Bloembladen smal en klein, aan den zuil vastgegroeid. Lip met 2 dunne horentjes. Luchtknol met 1 of 2 bladerenGongora.36b.Stand van de bloem normaal, dus zuil naar boven, lip naar onderen gericht; doordat de bloemen hangen aan denietgebogen bloemsteelen is vaak de zuil naar beneden gericht, doch dan is ook de lip naar beneden gericht naar den top van den zuil toe3737a.Bloembladeren en kelkbladeren niet uitgespreid, alle naar elkaar toegebogen. Bloem daardoor halfbolvormig. Bloembladeren gelijk in vorm en grootte met het achterste kelkblad. Zuil kort, lip zeer vast met de zuil verbonden, met 2 vleugels aan de basis, die tegen den zuil aanliggen, in het midden smaller, aan den top weer verbreedPeristeria.37b.Kelkbladeren en bloembladeren afstaand, vaak zelfs teruggeslagen3838a.Zijdelingsche kelkbladeren zeer groot, veel grooter dan het middelste kelkblad en dan de bloembladeren, assymetrisch. Bloembladeren smal, naar beneden hangend. Lip (in den hangenden stand der bloem) eerst smal, schuin naar boven gericht, daarna in een convex, breed gedeelte overgaand vervolgens plotseling loodrecht naar beneden gebogen en daar tot een beker vervormd, waarin vloeistof zit. Knollen sterk gegroefd met 1 of 2 bladeren op den topCoryanthes.38b.Zijdelingsche kelkbladeren en bloembladeren onderling ± gelijk van vorm en grootte; middenlob van de lip niet bekervormig3939a.Bloembladeren en kelkbladeren vrij breed, teruggeslagen. Basis van de lip en voet van de zuil uitgehold, vast met de zuil verbonden. Geen vleugelvormige aanhangselen aan het middendeel van de lip. Eén blad op de luchtknol. Bloeiwijze met 1 of 2 bloemenStanhopea.Lady-slipper.39b.Bloembladeren en kelkbladeren smal, afstaand. Basis van de lip en voet van de zuil steelrond, niet uitgehold, tot aan de lip uitgebreid; 3-lobbig. Minstens 4 bloemen in een hangende trosKegelia.40a.De bebladerde spruiten hebben een begrensde groei; meestal sluiten ze korten tijd na hun ontstaan af met een luchtknol met eenige bladeren op hun top; de plant groeit dan verder door middel van een anders gevormde, meest kruipende en met schubben bedekte spruit4140b.De bebladerde spruiten hebben een onbegrensde groei en dragen de bloemen of bloeiwijzen in de oksels der bladeren5841a.Lip vliezig, bewegelijk met de voet van den zuil verbonden. Stuifmeelklompjes met steeltjes of staartje, maar nooit met beide tegelijk, of zonder beide4241b.Lip vliezig, vast met den voet van de zuil verbonden of direct op den zuil vastzittend of een spoor vormend. Stuifmeelklompjes 2, met een lange of breede steel4842a.Stuifmeelklompjes 4, zonder aanhangsel. Achterste kelkblad vrij, de zijdelingsche aan de voet van de zuil vastgegroeid, een weinig ontwikkelde kin vormend. Lip aan de basis versmald, klein, bewegelijk met den zuilvoet verbonden, 3-lobbig, de 2 zijlobben klein, opgericht, de middenlob groot. Zuil aan den top met 2 vleugels. Epiphyt met een kruipende wortelstok, die met schubben bedekt is; zijspruiten uit slechts 1 luchtknol bestaande, aan de basis met schubben, aan den top met 1 of 2 bladeren. Bloeiwijze naast de luchtknollen te voorschijn komend, soms ook uit het rhizoom zelf, onbebladerd, onvertakt, vaak naar den top verdikt.Bulbophyllum.42b.Planten met of zonder luchtknollen. Stuifmeelklompjes met een goed ontwikkeld steeltje4343a.Iedere spruit vormt uit een geleding een luchtknol, op welks top ongesteelde bladeren zitten, aan welks basis òf bladeren met scheeden, òf alleen schubben aanwezig zijn. De bloeiwijze komt uit een lagere bladoksel te voorschijn als de nieuwe bebladerde spruit. Lip meest met overlangsche verdikkingen4443b.Geen luchtknollen aanwezig. Bloeiwijze steeds éénbloemig, uit een hoogere bladoksel te voorschijn komend dan de nieuwe bladspruit. Lip meest met dwarse verdikkingen4744a.Kelkbladeren van onderen tot een driehoekige buis vergroeid, van boven vrij, afstaand. Bloembladeren veel kleiner dan de kelkbladeren. Lip van af de basis van de zuil opgericht, kleiner dan de kelkbladeren, naar boven afstaand duidelijk 3-lobbig met opgerichte zijlobben. Zuil vrij dun, ongevleugeld, zonder voet. Bladeren smal, een of twee op den top van de dicht op elkaar gedrongen luchtknollenTrigonidium.44b.Kelkbladeren geheel vrij van elkaar4545a.Lip goed bewegelijk. Zuil met een duidelijke voet aan de basis4645b.Lip weinig bewegelijk, soms een weinig met de basis van de zuil verbonden. Zuil zonder voet. Kelk- en bloembladeren naar elkaar gebogen. Lip 3-lobbig, de zijlobben opgericht, de middenlob teruggeslagen. Rhizoom lang kruipend, bloeiwijzen éénbloemig, in groepen in de oksels staand. Bloemen vrij kleinOrnithidium.46a.De stuifmeelklompjes zitten zonder of met een zeerkortsteeltje bijna direct op de kleefmassa; kelk- en kroonbladeren bijna gelijk van vorm, afstaand, de zijdelingsche kelkbladeren kinvormend. Lip 3-lobbig, de zijlobben opgericht. Bloeiwijzen steeds éénbloemig aan de basis van de luchtknol of in de oksels der bladeren van het rhizoom alleenstaandMaxillaria.46b.Bloemenvrijwelgelijk aan de vorige, maar stuifmeelklompjes met een platte en breede steel. De bebladerde spruiten zijn meest sterk vertakt, de luchtknollen staan vaak in de oksels van de bladeren dier spruit; bloemen steeds in de oksels dier bladerenCamaridium.47a.Kelk- en bloembladeren ongeveer gelijk, de zijdelingsche kelkbladeren met den zuilvoet vergroeid en een korte maar duidelijkekin vormend. Lip met een lange nagel, bewegelijk met de zuil verbonden, naar den top zeer sterk verdikt en vleezig over de geheele breedte, met overlangsche lijsten. Zuil zeer breed, bekervormig. Bladeren lang, in twee rijen en in 1 vlak staand. Bloem groot in een korte éénbloemig bloeiwijzeBollea.47b.Lip vast verbonden met de zuil, met een 5-ribbige basis, vervolgens overgaande in een vliezige plaat met kleine halfsikkelvormige zijlobben en een groote ruitvormige eindlob. Zuil kort, niet bekervormig. Bloemen vrij kleinChaubardia.48a.Helmknop rechtopstaand. Bloem zonder spoor of knobbel4948b.Helmknop horizontaal of vaker naar voren overhangend op de voorzijde van de zuil5049a.Kelk en kroonbladeren vrijwel gelijk, afstaand. Lip ongenageld één geheel vormend met de basis van de zuil, diep 3-lobbig, de zijlobben breed, opgericht, de zuil omvattend, de middenlob kort, afstaand. Zuil opgericht vrij dun, ongevleugeld, zonder voet, van voren gegroefd, stuifmeelklompjes 2, zonder aanhangsel. Luchtknollen lang en slank aan den top met één blad. Bloemen in hangende trossenMacradenia.49b.Kelk en bloembladeren vrijwel gelijk van grootte, de bloembladeren sterker gekleurd dan de kelkbladeren, de laatste rechtopstaand of afstaand. Lip met een duidelijke nagel, rechtopstaand, soms met 2 aartjes, verder pijlvormig met een zeer spitse punt. Zuil eenigszins gekromd, zonder voet. Stuifmeelklompjes 2 zonder aanhangsels. Kleine planten met éénbladige luchtknollen; bloemen klein, in trossenNotylia.50a.Bloemen met een duidelijke spoor of knobbel. Stuifmeelklompjes 25150b.Bloemen zonder spoor of knobbel5351a.De spoor is zeer lang en wordt zoowel door de lip gevormd als door de zijdelingsche kelkbladeren, die met elkaar vergroeid zijn. Achterste kelkblad vrij. Bloembladeren breeder. Lip ongedeeld, bijna rond of meer samengerold en de zuil omhullend, aan de basis met 2 lange sporen, die in de spoor van de kelkbladeren verborgen zitten en ermee vergroeid zijn. Bladeren in 1 vlak. Bloeiwijze met 1 of 2 vrij groote gele bloemenPlectrophora.51b.Geen lange spoor, doch alleen een knobbel aanwezig5252a.De zijdelingsche kelkbladeren bijna geheel vergroeid met elkaar; lip zeer kort met de basis van de zuil verbonden, opgericht met een zeer korte spoor die door de beide kelkbladeren bedekt wordt. Bloemen rood in eenzijdige, veelbloemige trossenRodriguezia.52b.De zijdelingsche kelkbladeren geheel vergroeid, aan de basis onder de lip een korte zak vormend. Lip duidelijk genageld, geheel zonder spoor of knobbel. Bloemen violet, in wijde pluimenJonopsis.Sapotille-orchidee.53a.Kelkbladeren niet vergroeid, smal, evenals de kroonbladeren. Nagel van de lip met de zuil vergroeid, verder afstaand, ongedeeld, breed eirond, aan den top plotselingtoegespitst, min of meer schelpvormig.Zuil half zoo lang als de lip. Bladen vleezig. smal, één op de luchtknol. Bloemen vuilwit met lichtroode teekening, in knikkende, 3–4-bloemige trossenTrichopilia.53b.Achterste kelkblad met de kroonbladeren aan de basis van dezuil vastgegroeid. Nagel van de lip tot aan de halve hoogte met de zuil vergroeid, vervolgens afstaand, 3-lobbig, lobben stomp, aan den rand een weinig gegolfd tot gekarteld, de middenlob aan den top wat ingesneden. Planten met groote, sterk platgedrukte luchtknollen met 2 bladeren op den top. Tros rechtopstaand met 2–3 welriekende bloemen. Kelkbladeren geelgroen met paarse strepen; bloembladeren geel, donker geaderd, lip wit, aan de basis geel, met purperen vlekjesAspasia.53c.Lip alleen met de basis van de zuil samenhangend, er niet mee tot een zekere hoogte vergroeid;afstaandof naar beneden geslagen5454a.Stuifmeelklompjes 4. Planten zonder luchtknollen5554b.Stuifmeelklompjes 2. Planten met of zonder luchtknollen5655a.Top van de zuil en helmknop met een lang draadvormig naar beneden gericht aanhangsel. Achterste kelkblad helmvormig gebogen. Lip min of meer 3-lobbig, de beide zijlobben dik en vleezig. Zuil kort en dik, van voren hol. Planten klein, zonder luchtknollen, stengel kort, bladeren in één vlak staand. Bloemen klein in een vrij lange trosOrnithocephalus.55b.Top van de zuil en helmknop niet met een dun verlengsel. Achterste kelkblad bijna vlak. Lip aan den top met 2 lange, dunne rechtopstaande zijlobben. Kleine planten, bladeren niet in één vlak staand. Tros veelbloemig, knikkendCryptarrhena.56a.Kelkbladeren en bloembladeren zeer lang en dun en spits. Lip ongedeeld, niet 3-lobbig, korter dan de kelkbladeren, zuil ongevleugeld. Planten vrij groot met luchtknollen, met 1 of 2 bladeren op den top. Bloemen in weinigbloemige trossenBrassia.56b.Kelk en kroonbladeren niet bijzonder lang, dun en spits. Zuil gevleugeld5757a.Planten zonder luchtknollen met lange stengels, waaraan de korte bladeren in twee rijen dakpansgewijs over elkaar liggen. Lip betrekkelijk groot met korte zijlobben en groote 3–5-lobbige eindlob. Zuil kort, gevleugeldLockhartia.57b.Planten met luchtknollen of indien er geen luchtknollen aanwezig zijn, dan zijn de stengels kort en staan de bladeren dicht, meest in één vlak, op elkaar. Lip zeer verschillend van vorm, meest groot, steeds direct van af de basis naar beneden geslagen met vele en verschillend gevormde wratten en lijsten. Zuil duidelijk gevleugeldOncidium.58a.Planten met lange meest kruipende of hangende bebladerde stengels. Bloemen alleenstaand in de oksels van de bladeren. Lip aan den voet van de zuil verbonden. Zuil opgericht, ongevleugeld. Stuifmeelklompjes 4, zonder aanhangselen. Bloemen ongespoord.Dichaea.58b.Planten met lange, bebladerde en met luchtwortels bezette stengels en dus bladeren in 2 rijen, of stengels bijna geheel ontbrekend en onbebladerd, en dan de plant alleen bestaande uit een groep van luchtwortels en enkele bloeiwijzen. Bloemen klein, gespoord, in trossenCampylocentrum.(Angraecum).Hulptabel bij het determineeren van Orchideeën, die zich door een enkel in het oog vallend kenmerk onderscheiden.I. Planten alleen bestaand uit een bos luchtwortels en eenige trosjes van kleine bloemen, dus geen stengel en bladeren aanwezig:Campylocentrum.II. Planten in den bodem groeiend zonder luchtwortels:Selenipedilum,Habenaria,Pogonia,Stenorrchynchus,Spiranthes,Physurus,Liparis,Cyrtopera,Cyrtopodium.III. Lange gelijkmatig bebladerde stengels zonder of met luchtwortels; geen luchtknollen aanwezig:Lockhartia,Dichaea,Campylocentrum,Orleanesia,Epidendrum(ten deele).IV. Lange, dunne luchtknollen, telkens met een paar bladeren op den top; de eene luchtknol boven op de andere zittend; bloemen in kleine groepen:Tetragamestus,Ponera,Scaphyglottis,Hexisea.V. Lange, klimmende, groene bebladerde stengels, met lange geledingen:Vanilla.VI. Epiphyten zonder luchtknol doch de bebladerde stengels kort, en daardoor de bladeren in rosetten of in één vlak gezeten:Jonopsis,Ornithocephalus,Cryptarrhena,Oncidium(ten deele),Bollea,Chaubardia.VII. Bebladerde stengels met slechts één blad aan den top, en met een bloeiwijze:Masdevallia,Stelis,Pleurothallis,Lepanthes,Restrepia,Octomeria.VIII. Luchtknollen met één blad op den top:Epidendrum(ten deele),Bifrenaria,Stanhopea,Menadenium(ten deele),Maxillaria,Camaridium,Ornithidium,Trigonidium,Macradenia,Notylia,Rodriguezia,Plectrophora,Trichopilia,Oncidium(ten deele).IX. Luchtknollen met twee bladeren op den top:Lanium(ten deele),Epidendrum(ten deele),Schomburgkia,Paphinia(ten deele),Batemania,Peristeria,Coryanthes,Gongora,Menadenium(ten deele),Bulbophyllum,Aspasia,Brassia,Oncidium(ten deele).X. Bloemen met een spoor of knobbel, hetzij aan de lip, hetzij aan de beide zijdelingsche kelkbladeren, of aan lip en kelkbladeren:Habenaria,Physurus,Liparis,Galeandra,Cyrtopera,Bifrenaria,Rodriguezia,Jonopsis,Plectrophora,Campylocentrum.XI. Kelkbladeren alle 3 met elkaar vergroeid, soms een buis of een beker vormend:Masdevallia,Stelis,Trigonidium.

Orde:Microspermae.49.Burmanniaceae.Bloemdek meest vergroeidbladig, zelden boven het vruchtbeginsel met vrije bladeren; de 3 binnenste bloemdekslippen meest kleiner dan de buitenste of geheel verdwenen; meeldraden 6, of alleen de 3 van de binnenste krans aanwezig; vaak met sterk verbreed helmbindsel; vruchtbeginsel onderstandig met 3 wandstandige of hoekstandige zaadlijsten; doosvrucht met vele kleine zaden; kruiden of bladgroenlooze saprophyten; bloemen alleenstaand of in aarvormige bloeiwijzen.1a.Bloemen in een hoofdje aan het eind van den stengel; buis van het bloemdek 3-kantig of 3-vleugelig, vruchtbeginsel 3-hokkig; stengel van onderen met een roset van kleine smalle blaadjesBurmannia.1b.Bloemen in ijle trossen of in een vertakte bloeiwijze. Vruchtbeginsel éénhokkig22a.Bloeistengel naar boven in twee takken gespleten; elke tak de bloemen in een ijle tros dragend. Bloemdek aan de basis buikig opgezwollen, de mond nauwerDictyostegia.2b.Bloeistengel naar boven niet vertakt. Buis van de bloemkroon van binnen met 3 zakvormige instulpingen. Kroon naar den mond verwijdApteria.50.Orchidaceae.Bloemen met een bloemdek of met kelk en bloemkroon; typisch 3-tallig; bijna steeds tweeslachtig, zygomorf; van de meeldraden is alleen één van de 3 van de buitenste krans ontwikkeld òf minder vaak, de 2 zijdelingsche aan de binnenste krans; soms nog eenige als staminodiën aanwezig; één van de bloembladeren (lip) anders gevormd dan de beide andere; vruchtbeginsel onderstandig, aan den top met een verlenging (zuil) die de meeldraad en de stempel draagt; stuifmeelkorrels in groepen van 4 meest tot polliniën verbonden. Vrucht een doosvrucht met vele kleine zaden; overblijvende kruiden van zeer verschillende habitus, meest epiphyten.N. B. Men raadplege ook de gegevens op blz. 88.1a.Bloemen met 2 meeldraden. Kelkbladeren afstaand, het achterste vrij, de zijdelingsche onder den lip vereenigd; bloembladeren vrij, smaller dan de kelkbladeren, hangend. Lip zittend, schuitvormig. Landplanten met bebladerde stengel, met breede bladeren en een eindelingsche tros van lichtgele bloemen, lip met purperen vlekkenSelenipedilum.1b.Bloemen steeds met 1 meeldraad22a.Helmknop vast vergroeid met de bovenzijde van de zuil; niet afvallend na verwijdering van het stuifmeel; niet door een dunner steeltje met de zuil verbonden, rechtopstaand en van voren open. Landplanten met onderaardsche knollen, of vleezige wortels, met bebladerde stengels en eindelingsche trossen. Lip 3-deelig, met een lange spoorHabenaria.2b.Helmknopje niet vastgegroeid met de bovenkant van de zuil, doch er met een steeltje mee verbonden; helmknop liggend, bij het verwijderen van het stuifmeel gemakkelijk loslatend33a.De bloeiwijze staat aan het eind van den bebladerden stengel en sluit deze reeds enkele maanden na zijn ontstaan af, dus deze stengel kan alleen verder groeien door middel van zijtakken43b.De bloeiwijze staat nooit aan het eind van den stengel, doch de stengel krijgt korten tijd na zijn ontstaan in één of meer van de bladoksels bloemen of bloeiwijzen; de stengel groeit dan òf aan zijn top nog verder, of houdt van zelf met groeien op274a.Bladeren in den knop opgerold, zoodat de randen elkaar bedekken. Nooit een scherpe grens tusschen bladsteel en bladscheede en daardoor ook de bladeren nooit met een scherp begrensde breuk van de bladsteel afbrekend. Antheren meest niet afvallend maar blijvend, maar toch niet vast vergroeid met den top van de zuil; stuifmeelklompjes niet in harde wasachtige massa’s bij elkaar blijvend, maar meest in korrels uiteenvallend. Planten alle in den grond wortelend, of met lange klimmende stengels54b.Bladeren in den knop alleen langs de middennerf gevouwen, deranden niet over elkaar liggend. Planten bijna zonder uitzondering epiphytisch levend95a.Planten met lange, vertakte klimmende en bebladerde stengels, met korte luchtwortels. Bloem groot, meest wit of groenachtig.Vanilla.Banilla,Banirie.5b.Planten in den grond wortelend met een rechtopstaande stengel66a.Bloemen met een lange spoor. De bloembladeren met het achterste kelkblad opgericht en samen een soort van helm vormend. Stuifmeelklompjes in groepen van korrels uiteenvallend; helmknop openspringend. Stengels bebladerd; bladeren zachtharigPhysurus.6b.Bloemen niet met een spoor, hoogstens met een knobbel; indien er een spoor is, dan is deze met vruchtbeginsel vergroeid77a.Bloeitros veelbloemig, door draaiing van de as schijnt het dat de bloemen hetzij in een rechte lijn, hetzij in een spiraallijn langs de tros staan. Bloembladeren, kelkbladeren en lip een rechte hoek met het vruchtbeginsel makend en daardoor alle horizontaal naar buiten gericht. Bloemen vrij kleinSpiranthes.7b.Bloemen naar alle zijden van den tros gericht88a.Bladeren goed ontwikkeld in een wortelroset; stengel alleen met schubvormige bladeren bezet. Tros met veel bloemenStenorrhynchus.8b.Bladeren klein en smal, niet in wortelroset maar hoogstens 3 bladeren langs de bloeiende stengel verspreidPogonia.9a.De beide bloembladeren en vooral de lip zijn door grootte en kleur sterker of even sterk in het oog springend als de 3 kelkbladeren109b.De lip en de beide bloembladeren vallen belangrijk minder in het oog dan de 3 kelkbladeren; zuil verlengd in een voet, die met de lip geleed is2210a.Bladschijf en bladscheede geleidelijk in elkaar overgaand zonder geleding, bladeren alle aan de voet van den bloeistengel in een roset gezeten. Bloemen wit, nog niet 1 c.M. groot; zuil lang, zonder voet. Stuifmeelklompjes 4, zonder aanhangselenLiparis.10b.Bladschijf en bladscheede duidelijk van elkaar te scheiden; geleed en op die plaats later afbrekend1111a.Bladeren vrij breed, door talrijke evenwijdige nerven sterk geplooid,vrij dun. Bloemen tot 5 c.M. groot, rose tot paars, lip van binnen wat geel, alleen of in groepen aan het eind van den stengel zittendSobralia.11b.Bladeren glad, leerachtig, niet gerimpeld, een enkele maal dun, maar dan zeer smal als grasbladeren, soms ook vleezig1212a.Bloemen met een lange spoor aan den lip, vrij groot. Bloeiwijze een eindelingsche tros; stengel van onderen in een kleine knol verdikt, bladeren lang en smal, in twee rijen langs den stengelGaleandra.12b.Lip steeds ongespoord1313a.Lip niet grooter dan de beide bloembladeren en de kelk. Zuil in een voet verlengd, waarmee de lip eenigszins bewegelijk verbonden is. Zuil zeer kort en breed. Stuifmeelklompjes 4 of 2, met een kort steeltje, doch zonder staartje. Bloemen zeer klein, in eindelingsche trossenPolystachya.13b.Vooralde lip goed ontwikkeld en grooter dan de kelkbladeren. Stuifmeelklompjes 4, 6 of 8, zonder steeltje, doch met een staartje1414a.Zuil in een voet verlengd; soms is er schijnbaar een voet aanwezig, maar wordt deze door de zijdelingsche kelkbladeren gevormd (Tetragamestus)1514b.Zuil niet in een voet verlengd1915a.Lip geheel vrij1615b.Lip aan den basis met de zuil tot een bekertje vergroeid. Stengels met lange en dunne geledingen en lange bladeren, sommige geledingen vaak een weinig verdikt tot een lange smalle luchtknol. Nieuwe spruiten aan het eind van die luchtknollen. Bloemen in eindelingsche, weinig-bloemige korte trossen, met vele schubben omgevenHexisea.16a.Lange met bladeren bezette, verdikte stengels; onderste bladeren ten deele afgevallen. Tros eindelings, veelbloemig, bloemen geel tot groenOrleanesia.16b.Bloemen alleenstaand of in kleine groepjes aan het eind van de weinig verdikte geleding van den stengel naast de nieuwe stengel, zoodat de bloeiwijze schijnbaar zijdelings staat; soms ook zitten de bloemen in de oksels der bladeren1717a.Zuil zonder voet. Zijdelingsche kelkbladeren met een eenigszins hoekig verlengde basis, zoodat er schijnbaar een kin gevormd wordt; bloemen klein; lip wigvormig met lijsten op de plaatTetragamestus.17b.Zuil met een duidelijke voet; zijdelingsche kelkbladeren een normale, doch soms kleine kin vormend1818a.Zuil kort; stuifmeelklompjes zijdelings samengedrukt; bladeren 2-vele. Bloemen groenachtig met bruine streepen en vlekkenPonera.18b.Zuil lang, stuifmeelklompjes niet samengedrukt maar eirond tot bolvormig. Geledingen van den stengel verdikt met telkens 2 bladeren aan het eind. Bloemen violetScaphyglottis.19a.Stuifmeelklompjes 4, gelijk van vorm en grootte2019b. Stuifmeelklompjes 8, in 2 rijen, paarsgewijs boven elkaar, de onderste door een aanhangsel met de bovenste verbonden2120a.Stuifmeelklompjes niet zijdelings platgedrukt doch eirond; kleine planten met kleine vleezige, spitse bladeren, die in twee rijen aan een korte stengel zitten, welke in een trosje van kleine bloemen eindigt. Bebladerde stengels uit een kort, kruipend rhizoom te voorschijn komendLanium.20b.Stuifmeelklompjes platgedrukt. Nagel van den lip opgericht; soms weinig, vaak over een groot deel vergroeid met de zuil; schijf van de lip vrij, opstaand; plaat van den lip met lamellen of andere woekeringen, zonder hoornvormige aanhangselen; zuil meest lang en smal. Planten vaak met luchtwortels, soms ook met onverdikte bebladerde stengelsEpidendrum.21a.Stuifmeelklompjes ongelijk, de bovenste veel kleiner dan de onderste. Lip aan de basis met een smalle nagel, naar boven plotseling verbreed, aan den rand fijn ingesneden. Bladeren vleezig, bijna rond in doorsnede, aan één zijde gegroefd, lang en spits. Bloemen geel en wit, lip en petalen vlakBrassavola.21b.Stuifmeelklompjes gelijk van vorm en grootte. Basis van den lip naar boven geleidelijk in de plaat verbreed. Kelkbladeren en bloembladeren aan den rand sterk gegolfd. Luchtknollen aan den top met 2 vlakke bladerenSchomburgkia.22a.Bloeiwijzen met slechts één bloem. Bladeren zeer klein, vleezig. Achterste kelkblad vrij, de zijdelingsche min of meer aan de basis vergroeid. Bloembladeren smal, scherp toegespitst, aan den top een weinig verdikt. Stuifmeelklompjes 4Restrepia.22b.Meerdere bloemen aan den bloeistengel, of ten minste in groepen bij elkaar; 2 of 8 stuifmeelklompjes2323a.Stuifmeelklompjes 8. Stengels vrij lang, van onderen met eenige schubben bezet, van boven door een (schijnbaar eindelingsch) blad afgesloten. Bloemen aan het eind van den stengel bij de bladvoet in een groepje uit den stengel te voorschijn komend. Kelkbladeren bijna niet vergroeid: bloembladeren weinig kleiner dan de kelkbladeren; lip veel kleiner. Bloemen kleinOctomeria.23b.Stuifmeelklompjes 22424a.Alle kelkbladeren duidelijk met elkaar vergroeid2524b.Kelkbladeren niet vergroeid of tenminste het achterste kelkblad vrij2625a.Bloemen grooter dan 1 c.M. Kelkbladeren een duidelijke beker vormend; kelkslippen min of meer draadvormig verlengd, soms zeer lang. Planten met korte, 1-bladige stengels en weinig-bloemige bloeiwijzenMasdevallia.25b.Bloemen kleiner dan 1 c.M.; kelkbladeren wel vergroeid doch niet met de basis een beker vormend; slippen kort, nooit draadvormig verlengd. Stengels evenals de vorige met 1 goed ontwikkeld blad, bloeiwijze een lange tros met meest vele bloemenStelis.26a.Kelkbladeren niet uitgespreid, spits; bloembladeren smal, niet met elkaar of met den zuil vergroeid, zeer klein. Zuil min of meer verlengd, aan den basis een voet vormend; lip bewegelijk met de basis van den zuil verbonden. Habitus als de vorigePleurothallis.26b.Kelkbladeren uitgespreid. Bloembladeren klein en breed, de nagels met den zuil vergroeid; lip aan de basis van de zuil vastgegroeid, zuil zonder voet. Stengels vrij lang met één eirond blaadje aan den top, aan welks voet de veelbloemige bloeiwijze te voorschijn komtLepanthes.27a.Bladeren meest vrij dun, met vele en duidelijke evenwijdige nerven. Bladeren in den knop opgerold, dus met de randen over elkaar liggend2827b.Bladeren glad, leerachtig tot vleezig, alleen de middennerf duidelijk. Bladeren in den knop samengevouwen langs de middennerf, dus bladranden niet over elkaar liggend4028a.Internodiën gelijkmatig gezwollen of in het geheel niet gezwollen2928b.Een enkel internodium is sterk opgezwollen en vormt een luchtknol3229a.Lip groot, vliezig, met den voet van de zuil bewegelijk verbonden of er mee een spoor of zak vormend. Stuifmeelklompjes 2 of 4 met een kort steeltje, zonder staartje. Planten in den bodem groeiend. Bloemen tweeslachtig3029b.Lip groot, vleezig, niet bewegelijk met den voet van de zuil verbonden, doch er aan vastgegroeid. Stuifmeelklompjes 2 of 4, met een lange steel. Epiphyten. Bloemen bijna steeds eenslachtig3130a.Lip boven de basis kort versmald, tusschen de zijdelingsche kelkbladeren een stompe zak vormend. Helmknop met 2 aanhangsels.Bebladerde stengels kort, met weinig bladeren; bloeistengels naast den bebladerden stengel uit de onderaardsche knolvormig verdikte wortelstok te voorschijn komend, onbebladerd; bloemen in een enkelvoudige trosCyrtopera.30b.Lip aan den basis zonder uitholling of zak. Helmknop met slechts 1 aanhangsel of zonder aanhangsel. Habitus als de vorige, doch bloeiwijze meest meermalen vertaktCyrtopodium.31a.De ♂ bloemen hebben een vrij lange, dikke zuil, die rechtopstaat en aan de voorzijde twee lange draadvormige aanhangsels heeft; stuifmeelklompjes 4, langwerpigCatasetum.31b.De ♂ bloemen hebben een zeer lange, sterk naar voren gebogen zuil die aan de basis dun, naar boven verdikt is en geen draadvormige aanhangselen heeft. Stuifmeelklompjes 2, bijna bolrond of eirondCycnoches.32a.De bloeiwijze komt te voorschijn direct onder de luchtknol, d.w.z. uit de oksel van de bovenste der bladeren, die de luchtknol aan de basis bedekken. De nieuwe spruit staat daarentegen in den oksel van de onderste dier schubben. Knol met 1 of 2 bladeren aan den top. Bloeiwijzen onbebladerd, opgericht, met schubben bedekt, met weinige groote of vrij groote bloemen; kelkbladeren smal, afstaand, de zijdelingsche aan den korten zuilvoet bevestigd; de beide bloembladeren gelijk van vorm als de kelkbladeren. Lip onbewegelijk met de zuilvoet vergroeid, een zeer korte kin vormend, breed en vlak met een dwarse lijst. Zuil aan den top met twee stompe vleugeltjes. 4 stuifmeelklompjesMenadenium.32b.Bloeiwijze tevoorschijnkomend uit den oksel van de onderste der bladeren, die de basis van de knol omgeven, of uit de onderste schubben van de nog groeiende spruit (Batemania). Nieuwe spruit uit den oksel van de bovenste dier bladeren tevoorschijnkomend3333a.Lip vliezig, meest voorzien van overlangsche lijsten met den zuilvoet bewegelijk verbonden3433b.Lip vleezig, duidelijk geleed in verschillende achter elkaar liggende afdeelingen, waarvan de laatste bladachtig, de 2deen 1stevleezig zijn; de 1steafdeeling is dan met de voet van den zuil onbewegelijk verbonden3634a.Stuifmeelklompjes na het afvallen van de helmknop door 1 steeltje verbonden3534b.Stuifmeelklompjes aan twee steeltjes vastzittend. Kelk- en kroonbladeren vrijwel gelijk, de beide zijdelingsche kelkbladeren met den zuilvoet een groote spitse kin vormend, die het uiterlijk heeft van een spoor. Bloembladeren naar voren staand, met den zuilvoet vergroeid. Bloeiwijze met vele bloemen. 1 blad op de luchtknolBifrenaria.35a.Bloeiwijze met 1–3 bloemen, hangend. De zijdelingsche kelkbladeren vormen slechts een kleine kin. Lip rechtopstaand, op den sterk gebogen zuilvoet zittend, 3-lobbig, met knotsvormige aanhangselen aan den eindlob en smalle overlangsche platen op het midden. Steeltje der stuifmeelklompjes langPaphinia.35b.Bloeiwijze met vele bloemen, hangend. Zijdelingsche kelkbladeren geen kin vormend, doch met een smalle basis op de top van den zuilvoet zittend. Bloembladeren veel breeder dan kelkbladeren,met een breede basis aan de zuilvoet verbonden. Lip rechtopstaand 3-lobbig. De 4 stuifmeelklompjes hebben een kort 3-hoekig steeltje. Bloeiwijze te voorschijn komend uit de schubben, die de nog jonge en groeiende bladspruit omgevenBatemania.36a.Bloemen in lange, veelbloemige, hangende trossen. Door een buiging van bloemsteel en vruchtbeginsel is de horizontaal gerichte lip gelegen boven de schuin naar onderen gerichte zuil. Daardoor is ook het middelste kelkblad, dat met de zuil vergroeid is, naar beneden gericht. De zijdelingsche kelkbladeren zijn met breede basis aan de zuilvoet vergroeid. Bloembladen smal en klein, aan den zuil vastgegroeid. Lip met 2 dunne horentjes. Luchtknol met 1 of 2 bladerenGongora.36b.Stand van de bloem normaal, dus zuil naar boven, lip naar onderen gericht; doordat de bloemen hangen aan denietgebogen bloemsteelen is vaak de zuil naar beneden gericht, doch dan is ook de lip naar beneden gericht naar den top van den zuil toe3737a.Bloembladeren en kelkbladeren niet uitgespreid, alle naar elkaar toegebogen. Bloem daardoor halfbolvormig. Bloembladeren gelijk in vorm en grootte met het achterste kelkblad. Zuil kort, lip zeer vast met de zuil verbonden, met 2 vleugels aan de basis, die tegen den zuil aanliggen, in het midden smaller, aan den top weer verbreedPeristeria.37b.Kelkbladeren en bloembladeren afstaand, vaak zelfs teruggeslagen3838a.Zijdelingsche kelkbladeren zeer groot, veel grooter dan het middelste kelkblad en dan de bloembladeren, assymetrisch. Bloembladeren smal, naar beneden hangend. Lip (in den hangenden stand der bloem) eerst smal, schuin naar boven gericht, daarna in een convex, breed gedeelte overgaand vervolgens plotseling loodrecht naar beneden gebogen en daar tot een beker vervormd, waarin vloeistof zit. Knollen sterk gegroefd met 1 of 2 bladeren op den topCoryanthes.38b.Zijdelingsche kelkbladeren en bloembladeren onderling ± gelijk van vorm en grootte; middenlob van de lip niet bekervormig3939a.Bloembladeren en kelkbladeren vrij breed, teruggeslagen. Basis van de lip en voet van de zuil uitgehold, vast met de zuil verbonden. Geen vleugelvormige aanhangselen aan het middendeel van de lip. Eén blad op de luchtknol. Bloeiwijze met 1 of 2 bloemenStanhopea.Lady-slipper.39b.Bloembladeren en kelkbladeren smal, afstaand. Basis van de lip en voet van de zuil steelrond, niet uitgehold, tot aan de lip uitgebreid; 3-lobbig. Minstens 4 bloemen in een hangende trosKegelia.40a.De bebladerde spruiten hebben een begrensde groei; meestal sluiten ze korten tijd na hun ontstaan af met een luchtknol met eenige bladeren op hun top; de plant groeit dan verder door middel van een anders gevormde, meest kruipende en met schubben bedekte spruit4140b.De bebladerde spruiten hebben een onbegrensde groei en dragen de bloemen of bloeiwijzen in de oksels der bladeren5841a.Lip vliezig, bewegelijk met de voet van den zuil verbonden. Stuifmeelklompjes met steeltjes of staartje, maar nooit met beide tegelijk, of zonder beide4241b.Lip vliezig, vast met den voet van de zuil verbonden of direct op den zuil vastzittend of een spoor vormend. Stuifmeelklompjes 2, met een lange of breede steel4842a.Stuifmeelklompjes 4, zonder aanhangsel. Achterste kelkblad vrij, de zijdelingsche aan de voet van de zuil vastgegroeid, een weinig ontwikkelde kin vormend. Lip aan de basis versmald, klein, bewegelijk met den zuilvoet verbonden, 3-lobbig, de 2 zijlobben klein, opgericht, de middenlob groot. Zuil aan den top met 2 vleugels. Epiphyt met een kruipende wortelstok, die met schubben bedekt is; zijspruiten uit slechts 1 luchtknol bestaande, aan de basis met schubben, aan den top met 1 of 2 bladeren. Bloeiwijze naast de luchtknollen te voorschijn komend, soms ook uit het rhizoom zelf, onbebladerd, onvertakt, vaak naar den top verdikt.Bulbophyllum.42b.Planten met of zonder luchtknollen. Stuifmeelklompjes met een goed ontwikkeld steeltje4343a.Iedere spruit vormt uit een geleding een luchtknol, op welks top ongesteelde bladeren zitten, aan welks basis òf bladeren met scheeden, òf alleen schubben aanwezig zijn. De bloeiwijze komt uit een lagere bladoksel te voorschijn als de nieuwe bebladerde spruit. Lip meest met overlangsche verdikkingen4443b.Geen luchtknollen aanwezig. Bloeiwijze steeds éénbloemig, uit een hoogere bladoksel te voorschijn komend dan de nieuwe bladspruit. Lip meest met dwarse verdikkingen4744a.Kelkbladeren van onderen tot een driehoekige buis vergroeid, van boven vrij, afstaand. Bloembladeren veel kleiner dan de kelkbladeren. Lip van af de basis van de zuil opgericht, kleiner dan de kelkbladeren, naar boven afstaand duidelijk 3-lobbig met opgerichte zijlobben. Zuil vrij dun, ongevleugeld, zonder voet. Bladeren smal, een of twee op den top van de dicht op elkaar gedrongen luchtknollenTrigonidium.44b.Kelkbladeren geheel vrij van elkaar4545a.Lip goed bewegelijk. Zuil met een duidelijke voet aan de basis4645b.Lip weinig bewegelijk, soms een weinig met de basis van de zuil verbonden. Zuil zonder voet. Kelk- en bloembladeren naar elkaar gebogen. Lip 3-lobbig, de zijlobben opgericht, de middenlob teruggeslagen. Rhizoom lang kruipend, bloeiwijzen éénbloemig, in groepen in de oksels staand. Bloemen vrij kleinOrnithidium.46a.De stuifmeelklompjes zitten zonder of met een zeerkortsteeltje bijna direct op de kleefmassa; kelk- en kroonbladeren bijna gelijk van vorm, afstaand, de zijdelingsche kelkbladeren kinvormend. Lip 3-lobbig, de zijlobben opgericht. Bloeiwijzen steeds éénbloemig aan de basis van de luchtknol of in de oksels der bladeren van het rhizoom alleenstaandMaxillaria.46b.Bloemenvrijwelgelijk aan de vorige, maar stuifmeelklompjes met een platte en breede steel. De bebladerde spruiten zijn meest sterk vertakt, de luchtknollen staan vaak in de oksels van de bladeren dier spruit; bloemen steeds in de oksels dier bladerenCamaridium.47a.Kelk- en bloembladeren ongeveer gelijk, de zijdelingsche kelkbladeren met den zuilvoet vergroeid en een korte maar duidelijkekin vormend. Lip met een lange nagel, bewegelijk met de zuil verbonden, naar den top zeer sterk verdikt en vleezig over de geheele breedte, met overlangsche lijsten. Zuil zeer breed, bekervormig. Bladeren lang, in twee rijen en in 1 vlak staand. Bloem groot in een korte éénbloemig bloeiwijzeBollea.47b.Lip vast verbonden met de zuil, met een 5-ribbige basis, vervolgens overgaande in een vliezige plaat met kleine halfsikkelvormige zijlobben en een groote ruitvormige eindlob. Zuil kort, niet bekervormig. Bloemen vrij kleinChaubardia.48a.Helmknop rechtopstaand. Bloem zonder spoor of knobbel4948b.Helmknop horizontaal of vaker naar voren overhangend op de voorzijde van de zuil5049a.Kelk en kroonbladeren vrijwel gelijk, afstaand. Lip ongenageld één geheel vormend met de basis van de zuil, diep 3-lobbig, de zijlobben breed, opgericht, de zuil omvattend, de middenlob kort, afstaand. Zuil opgericht vrij dun, ongevleugeld, zonder voet, van voren gegroefd, stuifmeelklompjes 2, zonder aanhangsel. Luchtknollen lang en slank aan den top met één blad. Bloemen in hangende trossenMacradenia.49b.Kelk en bloembladeren vrijwel gelijk van grootte, de bloembladeren sterker gekleurd dan de kelkbladeren, de laatste rechtopstaand of afstaand. Lip met een duidelijke nagel, rechtopstaand, soms met 2 aartjes, verder pijlvormig met een zeer spitse punt. Zuil eenigszins gekromd, zonder voet. Stuifmeelklompjes 2 zonder aanhangsels. Kleine planten met éénbladige luchtknollen; bloemen klein, in trossenNotylia.50a.Bloemen met een duidelijke spoor of knobbel. Stuifmeelklompjes 25150b.Bloemen zonder spoor of knobbel5351a.De spoor is zeer lang en wordt zoowel door de lip gevormd als door de zijdelingsche kelkbladeren, die met elkaar vergroeid zijn. Achterste kelkblad vrij. Bloembladeren breeder. Lip ongedeeld, bijna rond of meer samengerold en de zuil omhullend, aan de basis met 2 lange sporen, die in de spoor van de kelkbladeren verborgen zitten en ermee vergroeid zijn. Bladeren in 1 vlak. Bloeiwijze met 1 of 2 vrij groote gele bloemenPlectrophora.51b.Geen lange spoor, doch alleen een knobbel aanwezig5252a.De zijdelingsche kelkbladeren bijna geheel vergroeid met elkaar; lip zeer kort met de basis van de zuil verbonden, opgericht met een zeer korte spoor die door de beide kelkbladeren bedekt wordt. Bloemen rood in eenzijdige, veelbloemige trossenRodriguezia.52b.De zijdelingsche kelkbladeren geheel vergroeid, aan de basis onder de lip een korte zak vormend. Lip duidelijk genageld, geheel zonder spoor of knobbel. Bloemen violet, in wijde pluimenJonopsis.Sapotille-orchidee.53a.Kelkbladeren niet vergroeid, smal, evenals de kroonbladeren. Nagel van de lip met de zuil vergroeid, verder afstaand, ongedeeld, breed eirond, aan den top plotselingtoegespitst, min of meer schelpvormig.Zuil half zoo lang als de lip. Bladen vleezig. smal, één op de luchtknol. Bloemen vuilwit met lichtroode teekening, in knikkende, 3–4-bloemige trossenTrichopilia.53b.Achterste kelkblad met de kroonbladeren aan de basis van dezuil vastgegroeid. Nagel van de lip tot aan de halve hoogte met de zuil vergroeid, vervolgens afstaand, 3-lobbig, lobben stomp, aan den rand een weinig gegolfd tot gekarteld, de middenlob aan den top wat ingesneden. Planten met groote, sterk platgedrukte luchtknollen met 2 bladeren op den top. Tros rechtopstaand met 2–3 welriekende bloemen. Kelkbladeren geelgroen met paarse strepen; bloembladeren geel, donker geaderd, lip wit, aan de basis geel, met purperen vlekjesAspasia.53c.Lip alleen met de basis van de zuil samenhangend, er niet mee tot een zekere hoogte vergroeid;afstaandof naar beneden geslagen5454a.Stuifmeelklompjes 4. Planten zonder luchtknollen5554b.Stuifmeelklompjes 2. Planten met of zonder luchtknollen5655a.Top van de zuil en helmknop met een lang draadvormig naar beneden gericht aanhangsel. Achterste kelkblad helmvormig gebogen. Lip min of meer 3-lobbig, de beide zijlobben dik en vleezig. Zuil kort en dik, van voren hol. Planten klein, zonder luchtknollen, stengel kort, bladeren in één vlak staand. Bloemen klein in een vrij lange trosOrnithocephalus.55b.Top van de zuil en helmknop niet met een dun verlengsel. Achterste kelkblad bijna vlak. Lip aan den top met 2 lange, dunne rechtopstaande zijlobben. Kleine planten, bladeren niet in één vlak staand. Tros veelbloemig, knikkendCryptarrhena.56a.Kelkbladeren en bloembladeren zeer lang en dun en spits. Lip ongedeeld, niet 3-lobbig, korter dan de kelkbladeren, zuil ongevleugeld. Planten vrij groot met luchtknollen, met 1 of 2 bladeren op den top. Bloemen in weinigbloemige trossenBrassia.56b.Kelk en kroonbladeren niet bijzonder lang, dun en spits. Zuil gevleugeld5757a.Planten zonder luchtknollen met lange stengels, waaraan de korte bladeren in twee rijen dakpansgewijs over elkaar liggen. Lip betrekkelijk groot met korte zijlobben en groote 3–5-lobbige eindlob. Zuil kort, gevleugeldLockhartia.57b.Planten met luchtknollen of indien er geen luchtknollen aanwezig zijn, dan zijn de stengels kort en staan de bladeren dicht, meest in één vlak, op elkaar. Lip zeer verschillend van vorm, meest groot, steeds direct van af de basis naar beneden geslagen met vele en verschillend gevormde wratten en lijsten. Zuil duidelijk gevleugeldOncidium.58a.Planten met lange meest kruipende of hangende bebladerde stengels. Bloemen alleenstaand in de oksels van de bladeren. Lip aan den voet van de zuil verbonden. Zuil opgericht, ongevleugeld. Stuifmeelklompjes 4, zonder aanhangselen. Bloemen ongespoord.Dichaea.58b.Planten met lange, bebladerde en met luchtwortels bezette stengels en dus bladeren in 2 rijen, of stengels bijna geheel ontbrekend en onbebladerd, en dan de plant alleen bestaande uit een groep van luchtwortels en enkele bloeiwijzen. Bloemen klein, gespoord, in trossenCampylocentrum.(Angraecum).Hulptabel bij het determineeren van Orchideeën, die zich door een enkel in het oog vallend kenmerk onderscheiden.I. Planten alleen bestaand uit een bos luchtwortels en eenige trosjes van kleine bloemen, dus geen stengel en bladeren aanwezig:Campylocentrum.II. Planten in den bodem groeiend zonder luchtwortels:Selenipedilum,Habenaria,Pogonia,Stenorrchynchus,Spiranthes,Physurus,Liparis,Cyrtopera,Cyrtopodium.III. Lange gelijkmatig bebladerde stengels zonder of met luchtwortels; geen luchtknollen aanwezig:Lockhartia,Dichaea,Campylocentrum,Orleanesia,Epidendrum(ten deele).IV. Lange, dunne luchtknollen, telkens met een paar bladeren op den top; de eene luchtknol boven op de andere zittend; bloemen in kleine groepen:Tetragamestus,Ponera,Scaphyglottis,Hexisea.V. Lange, klimmende, groene bebladerde stengels, met lange geledingen:Vanilla.VI. Epiphyten zonder luchtknol doch de bebladerde stengels kort, en daardoor de bladeren in rosetten of in één vlak gezeten:Jonopsis,Ornithocephalus,Cryptarrhena,Oncidium(ten deele),Bollea,Chaubardia.VII. Bebladerde stengels met slechts één blad aan den top, en met een bloeiwijze:Masdevallia,Stelis,Pleurothallis,Lepanthes,Restrepia,Octomeria.VIII. Luchtknollen met één blad op den top:Epidendrum(ten deele),Bifrenaria,Stanhopea,Menadenium(ten deele),Maxillaria,Camaridium,Ornithidium,Trigonidium,Macradenia,Notylia,Rodriguezia,Plectrophora,Trichopilia,Oncidium(ten deele).IX. Luchtknollen met twee bladeren op den top:Lanium(ten deele),Epidendrum(ten deele),Schomburgkia,Paphinia(ten deele),Batemania,Peristeria,Coryanthes,Gongora,Menadenium(ten deele),Bulbophyllum,Aspasia,Brassia,Oncidium(ten deele).X. Bloemen met een spoor of knobbel, hetzij aan de lip, hetzij aan de beide zijdelingsche kelkbladeren, of aan lip en kelkbladeren:Habenaria,Physurus,Liparis,Galeandra,Cyrtopera,Bifrenaria,Rodriguezia,Jonopsis,Plectrophora,Campylocentrum.XI. Kelkbladeren alle 3 met elkaar vergroeid, soms een buis of een beker vormend:Masdevallia,Stelis,Trigonidium.

Orde:Microspermae.49.Burmanniaceae.Bloemdek meest vergroeidbladig, zelden boven het vruchtbeginsel met vrije bladeren; de 3 binnenste bloemdekslippen meest kleiner dan de buitenste of geheel verdwenen; meeldraden 6, of alleen de 3 van de binnenste krans aanwezig; vaak met sterk verbreed helmbindsel; vruchtbeginsel onderstandig met 3 wandstandige of hoekstandige zaadlijsten; doosvrucht met vele kleine zaden; kruiden of bladgroenlooze saprophyten; bloemen alleenstaand of in aarvormige bloeiwijzen.1a.Bloemen in een hoofdje aan het eind van den stengel; buis van het bloemdek 3-kantig of 3-vleugelig, vruchtbeginsel 3-hokkig; stengel van onderen met een roset van kleine smalle blaadjesBurmannia.1b.Bloemen in ijle trossen of in een vertakte bloeiwijze. Vruchtbeginsel éénhokkig22a.Bloeistengel naar boven in twee takken gespleten; elke tak de bloemen in een ijle tros dragend. Bloemdek aan de basis buikig opgezwollen, de mond nauwerDictyostegia.2b.Bloeistengel naar boven niet vertakt. Buis van de bloemkroon van binnen met 3 zakvormige instulpingen. Kroon naar den mond verwijdApteria.50.Orchidaceae.Bloemen met een bloemdek of met kelk en bloemkroon; typisch 3-tallig; bijna steeds tweeslachtig, zygomorf; van de meeldraden is alleen één van de 3 van de buitenste krans ontwikkeld òf minder vaak, de 2 zijdelingsche aan de binnenste krans; soms nog eenige als staminodiën aanwezig; één van de bloembladeren (lip) anders gevormd dan de beide andere; vruchtbeginsel onderstandig, aan den top met een verlenging (zuil) die de meeldraad en de stempel draagt; stuifmeelkorrels in groepen van 4 meest tot polliniën verbonden. Vrucht een doosvrucht met vele kleine zaden; overblijvende kruiden van zeer verschillende habitus, meest epiphyten.N. B. Men raadplege ook de gegevens op blz. 88.1a.Bloemen met 2 meeldraden. Kelkbladeren afstaand, het achterste vrij, de zijdelingsche onder den lip vereenigd; bloembladeren vrij, smaller dan de kelkbladeren, hangend. Lip zittend, schuitvormig. Landplanten met bebladerde stengel, met breede bladeren en een eindelingsche tros van lichtgele bloemen, lip met purperen vlekkenSelenipedilum.1b.Bloemen steeds met 1 meeldraad22a.Helmknop vast vergroeid met de bovenzijde van de zuil; niet afvallend na verwijdering van het stuifmeel; niet door een dunner steeltje met de zuil verbonden, rechtopstaand en van voren open. Landplanten met onderaardsche knollen, of vleezige wortels, met bebladerde stengels en eindelingsche trossen. Lip 3-deelig, met een lange spoorHabenaria.2b.Helmknopje niet vastgegroeid met de bovenkant van de zuil, doch er met een steeltje mee verbonden; helmknop liggend, bij het verwijderen van het stuifmeel gemakkelijk loslatend33a.De bloeiwijze staat aan het eind van den bebladerden stengel en sluit deze reeds enkele maanden na zijn ontstaan af, dus deze stengel kan alleen verder groeien door middel van zijtakken43b.De bloeiwijze staat nooit aan het eind van den stengel, doch de stengel krijgt korten tijd na zijn ontstaan in één of meer van de bladoksels bloemen of bloeiwijzen; de stengel groeit dan òf aan zijn top nog verder, of houdt van zelf met groeien op274a.Bladeren in den knop opgerold, zoodat de randen elkaar bedekken. Nooit een scherpe grens tusschen bladsteel en bladscheede en daardoor ook de bladeren nooit met een scherp begrensde breuk van de bladsteel afbrekend. Antheren meest niet afvallend maar blijvend, maar toch niet vast vergroeid met den top van de zuil; stuifmeelklompjes niet in harde wasachtige massa’s bij elkaar blijvend, maar meest in korrels uiteenvallend. Planten alle in den grond wortelend, of met lange klimmende stengels54b.Bladeren in den knop alleen langs de middennerf gevouwen, deranden niet over elkaar liggend. Planten bijna zonder uitzondering epiphytisch levend95a.Planten met lange, vertakte klimmende en bebladerde stengels, met korte luchtwortels. Bloem groot, meest wit of groenachtig.Vanilla.Banilla,Banirie.5b.Planten in den grond wortelend met een rechtopstaande stengel66a.Bloemen met een lange spoor. De bloembladeren met het achterste kelkblad opgericht en samen een soort van helm vormend. Stuifmeelklompjes in groepen van korrels uiteenvallend; helmknop openspringend. Stengels bebladerd; bladeren zachtharigPhysurus.6b.Bloemen niet met een spoor, hoogstens met een knobbel; indien er een spoor is, dan is deze met vruchtbeginsel vergroeid77a.Bloeitros veelbloemig, door draaiing van de as schijnt het dat de bloemen hetzij in een rechte lijn, hetzij in een spiraallijn langs de tros staan. Bloembladeren, kelkbladeren en lip een rechte hoek met het vruchtbeginsel makend en daardoor alle horizontaal naar buiten gericht. Bloemen vrij kleinSpiranthes.7b.Bloemen naar alle zijden van den tros gericht88a.Bladeren goed ontwikkeld in een wortelroset; stengel alleen met schubvormige bladeren bezet. Tros met veel bloemenStenorrhynchus.8b.Bladeren klein en smal, niet in wortelroset maar hoogstens 3 bladeren langs de bloeiende stengel verspreidPogonia.9a.De beide bloembladeren en vooral de lip zijn door grootte en kleur sterker of even sterk in het oog springend als de 3 kelkbladeren109b.De lip en de beide bloembladeren vallen belangrijk minder in het oog dan de 3 kelkbladeren; zuil verlengd in een voet, die met de lip geleed is2210a.Bladschijf en bladscheede geleidelijk in elkaar overgaand zonder geleding, bladeren alle aan de voet van den bloeistengel in een roset gezeten. Bloemen wit, nog niet 1 c.M. groot; zuil lang, zonder voet. Stuifmeelklompjes 4, zonder aanhangselenLiparis.10b.Bladschijf en bladscheede duidelijk van elkaar te scheiden; geleed en op die plaats later afbrekend1111a.Bladeren vrij breed, door talrijke evenwijdige nerven sterk geplooid,vrij dun. Bloemen tot 5 c.M. groot, rose tot paars, lip van binnen wat geel, alleen of in groepen aan het eind van den stengel zittendSobralia.11b.Bladeren glad, leerachtig, niet gerimpeld, een enkele maal dun, maar dan zeer smal als grasbladeren, soms ook vleezig1212a.Bloemen met een lange spoor aan den lip, vrij groot. Bloeiwijze een eindelingsche tros; stengel van onderen in een kleine knol verdikt, bladeren lang en smal, in twee rijen langs den stengelGaleandra.12b.Lip steeds ongespoord1313a.Lip niet grooter dan de beide bloembladeren en de kelk. Zuil in een voet verlengd, waarmee de lip eenigszins bewegelijk verbonden is. Zuil zeer kort en breed. Stuifmeelklompjes 4 of 2, met een kort steeltje, doch zonder staartje. Bloemen zeer klein, in eindelingsche trossenPolystachya.13b.Vooralde lip goed ontwikkeld en grooter dan de kelkbladeren. Stuifmeelklompjes 4, 6 of 8, zonder steeltje, doch met een staartje1414a.Zuil in een voet verlengd; soms is er schijnbaar een voet aanwezig, maar wordt deze door de zijdelingsche kelkbladeren gevormd (Tetragamestus)1514b.Zuil niet in een voet verlengd1915a.Lip geheel vrij1615b.Lip aan den basis met de zuil tot een bekertje vergroeid. Stengels met lange en dunne geledingen en lange bladeren, sommige geledingen vaak een weinig verdikt tot een lange smalle luchtknol. Nieuwe spruiten aan het eind van die luchtknollen. Bloemen in eindelingsche, weinig-bloemige korte trossen, met vele schubben omgevenHexisea.16a.Lange met bladeren bezette, verdikte stengels; onderste bladeren ten deele afgevallen. Tros eindelings, veelbloemig, bloemen geel tot groenOrleanesia.16b.Bloemen alleenstaand of in kleine groepjes aan het eind van de weinig verdikte geleding van den stengel naast de nieuwe stengel, zoodat de bloeiwijze schijnbaar zijdelings staat; soms ook zitten de bloemen in de oksels der bladeren1717a.Zuil zonder voet. Zijdelingsche kelkbladeren met een eenigszins hoekig verlengde basis, zoodat er schijnbaar een kin gevormd wordt; bloemen klein; lip wigvormig met lijsten op de plaatTetragamestus.17b.Zuil met een duidelijke voet; zijdelingsche kelkbladeren een normale, doch soms kleine kin vormend1818a.Zuil kort; stuifmeelklompjes zijdelings samengedrukt; bladeren 2-vele. Bloemen groenachtig met bruine streepen en vlekkenPonera.18b.Zuil lang, stuifmeelklompjes niet samengedrukt maar eirond tot bolvormig. Geledingen van den stengel verdikt met telkens 2 bladeren aan het eind. Bloemen violetScaphyglottis.19a.Stuifmeelklompjes 4, gelijk van vorm en grootte2019b. Stuifmeelklompjes 8, in 2 rijen, paarsgewijs boven elkaar, de onderste door een aanhangsel met de bovenste verbonden2120a.Stuifmeelklompjes niet zijdelings platgedrukt doch eirond; kleine planten met kleine vleezige, spitse bladeren, die in twee rijen aan een korte stengel zitten, welke in een trosje van kleine bloemen eindigt. Bebladerde stengels uit een kort, kruipend rhizoom te voorschijn komendLanium.20b.Stuifmeelklompjes platgedrukt. Nagel van den lip opgericht; soms weinig, vaak over een groot deel vergroeid met de zuil; schijf van de lip vrij, opstaand; plaat van den lip met lamellen of andere woekeringen, zonder hoornvormige aanhangselen; zuil meest lang en smal. Planten vaak met luchtwortels, soms ook met onverdikte bebladerde stengelsEpidendrum.21a.Stuifmeelklompjes ongelijk, de bovenste veel kleiner dan de onderste. Lip aan de basis met een smalle nagel, naar boven plotseling verbreed, aan den rand fijn ingesneden. Bladeren vleezig, bijna rond in doorsnede, aan één zijde gegroefd, lang en spits. Bloemen geel en wit, lip en petalen vlakBrassavola.21b.Stuifmeelklompjes gelijk van vorm en grootte. Basis van den lip naar boven geleidelijk in de plaat verbreed. Kelkbladeren en bloembladeren aan den rand sterk gegolfd. Luchtknollen aan den top met 2 vlakke bladerenSchomburgkia.22a.Bloeiwijzen met slechts één bloem. Bladeren zeer klein, vleezig. Achterste kelkblad vrij, de zijdelingsche min of meer aan de basis vergroeid. Bloembladeren smal, scherp toegespitst, aan den top een weinig verdikt. Stuifmeelklompjes 4Restrepia.22b.Meerdere bloemen aan den bloeistengel, of ten minste in groepen bij elkaar; 2 of 8 stuifmeelklompjes2323a.Stuifmeelklompjes 8. Stengels vrij lang, van onderen met eenige schubben bezet, van boven door een (schijnbaar eindelingsch) blad afgesloten. Bloemen aan het eind van den stengel bij de bladvoet in een groepje uit den stengel te voorschijn komend. Kelkbladeren bijna niet vergroeid: bloembladeren weinig kleiner dan de kelkbladeren; lip veel kleiner. Bloemen kleinOctomeria.23b.Stuifmeelklompjes 22424a.Alle kelkbladeren duidelijk met elkaar vergroeid2524b.Kelkbladeren niet vergroeid of tenminste het achterste kelkblad vrij2625a.Bloemen grooter dan 1 c.M. Kelkbladeren een duidelijke beker vormend; kelkslippen min of meer draadvormig verlengd, soms zeer lang. Planten met korte, 1-bladige stengels en weinig-bloemige bloeiwijzenMasdevallia.25b.Bloemen kleiner dan 1 c.M.; kelkbladeren wel vergroeid doch niet met de basis een beker vormend; slippen kort, nooit draadvormig verlengd. Stengels evenals de vorige met 1 goed ontwikkeld blad, bloeiwijze een lange tros met meest vele bloemenStelis.26a.Kelkbladeren niet uitgespreid, spits; bloembladeren smal, niet met elkaar of met den zuil vergroeid, zeer klein. Zuil min of meer verlengd, aan den basis een voet vormend; lip bewegelijk met de basis van den zuil verbonden. Habitus als de vorigePleurothallis.26b.Kelkbladeren uitgespreid. Bloembladeren klein en breed, de nagels met den zuil vergroeid; lip aan de basis van de zuil vastgegroeid, zuil zonder voet. Stengels vrij lang met één eirond blaadje aan den top, aan welks voet de veelbloemige bloeiwijze te voorschijn komtLepanthes.27a.Bladeren meest vrij dun, met vele en duidelijke evenwijdige nerven. Bladeren in den knop opgerold, dus met de randen over elkaar liggend2827b.Bladeren glad, leerachtig tot vleezig, alleen de middennerf duidelijk. Bladeren in den knop samengevouwen langs de middennerf, dus bladranden niet over elkaar liggend4028a.Internodiën gelijkmatig gezwollen of in het geheel niet gezwollen2928b.Een enkel internodium is sterk opgezwollen en vormt een luchtknol3229a.Lip groot, vliezig, met den voet van de zuil bewegelijk verbonden of er mee een spoor of zak vormend. Stuifmeelklompjes 2 of 4 met een kort steeltje, zonder staartje. Planten in den bodem groeiend. Bloemen tweeslachtig3029b.Lip groot, vleezig, niet bewegelijk met den voet van de zuil verbonden, doch er aan vastgegroeid. Stuifmeelklompjes 2 of 4, met een lange steel. Epiphyten. Bloemen bijna steeds eenslachtig3130a.Lip boven de basis kort versmald, tusschen de zijdelingsche kelkbladeren een stompe zak vormend. Helmknop met 2 aanhangsels.Bebladerde stengels kort, met weinig bladeren; bloeistengels naast den bebladerden stengel uit de onderaardsche knolvormig verdikte wortelstok te voorschijn komend, onbebladerd; bloemen in een enkelvoudige trosCyrtopera.30b.Lip aan den basis zonder uitholling of zak. Helmknop met slechts 1 aanhangsel of zonder aanhangsel. Habitus als de vorige, doch bloeiwijze meest meermalen vertaktCyrtopodium.31a.De ♂ bloemen hebben een vrij lange, dikke zuil, die rechtopstaat en aan de voorzijde twee lange draadvormige aanhangsels heeft; stuifmeelklompjes 4, langwerpigCatasetum.31b.De ♂ bloemen hebben een zeer lange, sterk naar voren gebogen zuil die aan de basis dun, naar boven verdikt is en geen draadvormige aanhangselen heeft. Stuifmeelklompjes 2, bijna bolrond of eirondCycnoches.32a.De bloeiwijze komt te voorschijn direct onder de luchtknol, d.w.z. uit de oksel van de bovenste der bladeren, die de luchtknol aan de basis bedekken. De nieuwe spruit staat daarentegen in den oksel van de onderste dier schubben. Knol met 1 of 2 bladeren aan den top. Bloeiwijzen onbebladerd, opgericht, met schubben bedekt, met weinige groote of vrij groote bloemen; kelkbladeren smal, afstaand, de zijdelingsche aan den korten zuilvoet bevestigd; de beide bloembladeren gelijk van vorm als de kelkbladeren. Lip onbewegelijk met de zuilvoet vergroeid, een zeer korte kin vormend, breed en vlak met een dwarse lijst. Zuil aan den top met twee stompe vleugeltjes. 4 stuifmeelklompjesMenadenium.32b.Bloeiwijze tevoorschijnkomend uit den oksel van de onderste der bladeren, die de basis van de knol omgeven, of uit de onderste schubben van de nog groeiende spruit (Batemania). Nieuwe spruit uit den oksel van de bovenste dier bladeren tevoorschijnkomend3333a.Lip vliezig, meest voorzien van overlangsche lijsten met den zuilvoet bewegelijk verbonden3433b.Lip vleezig, duidelijk geleed in verschillende achter elkaar liggende afdeelingen, waarvan de laatste bladachtig, de 2deen 1stevleezig zijn; de 1steafdeeling is dan met de voet van den zuil onbewegelijk verbonden3634a.Stuifmeelklompjes na het afvallen van de helmknop door 1 steeltje verbonden3534b.Stuifmeelklompjes aan twee steeltjes vastzittend. Kelk- en kroonbladeren vrijwel gelijk, de beide zijdelingsche kelkbladeren met den zuilvoet een groote spitse kin vormend, die het uiterlijk heeft van een spoor. Bloembladeren naar voren staand, met den zuilvoet vergroeid. Bloeiwijze met vele bloemen. 1 blad op de luchtknolBifrenaria.35a.Bloeiwijze met 1–3 bloemen, hangend. De zijdelingsche kelkbladeren vormen slechts een kleine kin. Lip rechtopstaand, op den sterk gebogen zuilvoet zittend, 3-lobbig, met knotsvormige aanhangselen aan den eindlob en smalle overlangsche platen op het midden. Steeltje der stuifmeelklompjes langPaphinia.35b.Bloeiwijze met vele bloemen, hangend. Zijdelingsche kelkbladeren geen kin vormend, doch met een smalle basis op de top van den zuilvoet zittend. Bloembladeren veel breeder dan kelkbladeren,met een breede basis aan de zuilvoet verbonden. Lip rechtopstaand 3-lobbig. De 4 stuifmeelklompjes hebben een kort 3-hoekig steeltje. Bloeiwijze te voorschijn komend uit de schubben, die de nog jonge en groeiende bladspruit omgevenBatemania.36a.Bloemen in lange, veelbloemige, hangende trossen. Door een buiging van bloemsteel en vruchtbeginsel is de horizontaal gerichte lip gelegen boven de schuin naar onderen gerichte zuil. Daardoor is ook het middelste kelkblad, dat met de zuil vergroeid is, naar beneden gericht. De zijdelingsche kelkbladeren zijn met breede basis aan de zuilvoet vergroeid. Bloembladen smal en klein, aan den zuil vastgegroeid. Lip met 2 dunne horentjes. Luchtknol met 1 of 2 bladerenGongora.36b.Stand van de bloem normaal, dus zuil naar boven, lip naar onderen gericht; doordat de bloemen hangen aan denietgebogen bloemsteelen is vaak de zuil naar beneden gericht, doch dan is ook de lip naar beneden gericht naar den top van den zuil toe3737a.Bloembladeren en kelkbladeren niet uitgespreid, alle naar elkaar toegebogen. Bloem daardoor halfbolvormig. Bloembladeren gelijk in vorm en grootte met het achterste kelkblad. Zuil kort, lip zeer vast met de zuil verbonden, met 2 vleugels aan de basis, die tegen den zuil aanliggen, in het midden smaller, aan den top weer verbreedPeristeria.37b.Kelkbladeren en bloembladeren afstaand, vaak zelfs teruggeslagen3838a.Zijdelingsche kelkbladeren zeer groot, veel grooter dan het middelste kelkblad en dan de bloembladeren, assymetrisch. Bloembladeren smal, naar beneden hangend. Lip (in den hangenden stand der bloem) eerst smal, schuin naar boven gericht, daarna in een convex, breed gedeelte overgaand vervolgens plotseling loodrecht naar beneden gebogen en daar tot een beker vervormd, waarin vloeistof zit. Knollen sterk gegroefd met 1 of 2 bladeren op den topCoryanthes.38b.Zijdelingsche kelkbladeren en bloembladeren onderling ± gelijk van vorm en grootte; middenlob van de lip niet bekervormig3939a.Bloembladeren en kelkbladeren vrij breed, teruggeslagen. Basis van de lip en voet van de zuil uitgehold, vast met de zuil verbonden. Geen vleugelvormige aanhangselen aan het middendeel van de lip. Eén blad op de luchtknol. Bloeiwijze met 1 of 2 bloemenStanhopea.Lady-slipper.39b.Bloembladeren en kelkbladeren smal, afstaand. Basis van de lip en voet van de zuil steelrond, niet uitgehold, tot aan de lip uitgebreid; 3-lobbig. Minstens 4 bloemen in een hangende trosKegelia.40a.De bebladerde spruiten hebben een begrensde groei; meestal sluiten ze korten tijd na hun ontstaan af met een luchtknol met eenige bladeren op hun top; de plant groeit dan verder door middel van een anders gevormde, meest kruipende en met schubben bedekte spruit4140b.De bebladerde spruiten hebben een onbegrensde groei en dragen de bloemen of bloeiwijzen in de oksels der bladeren5841a.Lip vliezig, bewegelijk met de voet van den zuil verbonden. Stuifmeelklompjes met steeltjes of staartje, maar nooit met beide tegelijk, of zonder beide4241b.Lip vliezig, vast met den voet van de zuil verbonden of direct op den zuil vastzittend of een spoor vormend. Stuifmeelklompjes 2, met een lange of breede steel4842a.Stuifmeelklompjes 4, zonder aanhangsel. Achterste kelkblad vrij, de zijdelingsche aan de voet van de zuil vastgegroeid, een weinig ontwikkelde kin vormend. Lip aan de basis versmald, klein, bewegelijk met den zuilvoet verbonden, 3-lobbig, de 2 zijlobben klein, opgericht, de middenlob groot. Zuil aan den top met 2 vleugels. Epiphyt met een kruipende wortelstok, die met schubben bedekt is; zijspruiten uit slechts 1 luchtknol bestaande, aan de basis met schubben, aan den top met 1 of 2 bladeren. Bloeiwijze naast de luchtknollen te voorschijn komend, soms ook uit het rhizoom zelf, onbebladerd, onvertakt, vaak naar den top verdikt.Bulbophyllum.42b.Planten met of zonder luchtknollen. Stuifmeelklompjes met een goed ontwikkeld steeltje4343a.Iedere spruit vormt uit een geleding een luchtknol, op welks top ongesteelde bladeren zitten, aan welks basis òf bladeren met scheeden, òf alleen schubben aanwezig zijn. De bloeiwijze komt uit een lagere bladoksel te voorschijn als de nieuwe bebladerde spruit. Lip meest met overlangsche verdikkingen4443b.Geen luchtknollen aanwezig. Bloeiwijze steeds éénbloemig, uit een hoogere bladoksel te voorschijn komend dan de nieuwe bladspruit. Lip meest met dwarse verdikkingen4744a.Kelkbladeren van onderen tot een driehoekige buis vergroeid, van boven vrij, afstaand. Bloembladeren veel kleiner dan de kelkbladeren. Lip van af de basis van de zuil opgericht, kleiner dan de kelkbladeren, naar boven afstaand duidelijk 3-lobbig met opgerichte zijlobben. Zuil vrij dun, ongevleugeld, zonder voet. Bladeren smal, een of twee op den top van de dicht op elkaar gedrongen luchtknollenTrigonidium.44b.Kelkbladeren geheel vrij van elkaar4545a.Lip goed bewegelijk. Zuil met een duidelijke voet aan de basis4645b.Lip weinig bewegelijk, soms een weinig met de basis van de zuil verbonden. Zuil zonder voet. Kelk- en bloembladeren naar elkaar gebogen. Lip 3-lobbig, de zijlobben opgericht, de middenlob teruggeslagen. Rhizoom lang kruipend, bloeiwijzen éénbloemig, in groepen in de oksels staand. Bloemen vrij kleinOrnithidium.46a.De stuifmeelklompjes zitten zonder of met een zeerkortsteeltje bijna direct op de kleefmassa; kelk- en kroonbladeren bijna gelijk van vorm, afstaand, de zijdelingsche kelkbladeren kinvormend. Lip 3-lobbig, de zijlobben opgericht. Bloeiwijzen steeds éénbloemig aan de basis van de luchtknol of in de oksels der bladeren van het rhizoom alleenstaandMaxillaria.46b.Bloemenvrijwelgelijk aan de vorige, maar stuifmeelklompjes met een platte en breede steel. De bebladerde spruiten zijn meest sterk vertakt, de luchtknollen staan vaak in de oksels van de bladeren dier spruit; bloemen steeds in de oksels dier bladerenCamaridium.47a.Kelk- en bloembladeren ongeveer gelijk, de zijdelingsche kelkbladeren met den zuilvoet vergroeid en een korte maar duidelijkekin vormend. Lip met een lange nagel, bewegelijk met de zuil verbonden, naar den top zeer sterk verdikt en vleezig over de geheele breedte, met overlangsche lijsten. Zuil zeer breed, bekervormig. Bladeren lang, in twee rijen en in 1 vlak staand. Bloem groot in een korte éénbloemig bloeiwijzeBollea.47b.Lip vast verbonden met de zuil, met een 5-ribbige basis, vervolgens overgaande in een vliezige plaat met kleine halfsikkelvormige zijlobben en een groote ruitvormige eindlob. Zuil kort, niet bekervormig. Bloemen vrij kleinChaubardia.48a.Helmknop rechtopstaand. Bloem zonder spoor of knobbel4948b.Helmknop horizontaal of vaker naar voren overhangend op de voorzijde van de zuil5049a.Kelk en kroonbladeren vrijwel gelijk, afstaand. Lip ongenageld één geheel vormend met de basis van de zuil, diep 3-lobbig, de zijlobben breed, opgericht, de zuil omvattend, de middenlob kort, afstaand. Zuil opgericht vrij dun, ongevleugeld, zonder voet, van voren gegroefd, stuifmeelklompjes 2, zonder aanhangsel. Luchtknollen lang en slank aan den top met één blad. Bloemen in hangende trossenMacradenia.49b.Kelk en bloembladeren vrijwel gelijk van grootte, de bloembladeren sterker gekleurd dan de kelkbladeren, de laatste rechtopstaand of afstaand. Lip met een duidelijke nagel, rechtopstaand, soms met 2 aartjes, verder pijlvormig met een zeer spitse punt. Zuil eenigszins gekromd, zonder voet. Stuifmeelklompjes 2 zonder aanhangsels. Kleine planten met éénbladige luchtknollen; bloemen klein, in trossenNotylia.50a.Bloemen met een duidelijke spoor of knobbel. Stuifmeelklompjes 25150b.Bloemen zonder spoor of knobbel5351a.De spoor is zeer lang en wordt zoowel door de lip gevormd als door de zijdelingsche kelkbladeren, die met elkaar vergroeid zijn. Achterste kelkblad vrij. Bloembladeren breeder. Lip ongedeeld, bijna rond of meer samengerold en de zuil omhullend, aan de basis met 2 lange sporen, die in de spoor van de kelkbladeren verborgen zitten en ermee vergroeid zijn. Bladeren in 1 vlak. Bloeiwijze met 1 of 2 vrij groote gele bloemenPlectrophora.51b.Geen lange spoor, doch alleen een knobbel aanwezig5252a.De zijdelingsche kelkbladeren bijna geheel vergroeid met elkaar; lip zeer kort met de basis van de zuil verbonden, opgericht met een zeer korte spoor die door de beide kelkbladeren bedekt wordt. Bloemen rood in eenzijdige, veelbloemige trossenRodriguezia.52b.De zijdelingsche kelkbladeren geheel vergroeid, aan de basis onder de lip een korte zak vormend. Lip duidelijk genageld, geheel zonder spoor of knobbel. Bloemen violet, in wijde pluimenJonopsis.Sapotille-orchidee.53a.Kelkbladeren niet vergroeid, smal, evenals de kroonbladeren. Nagel van de lip met de zuil vergroeid, verder afstaand, ongedeeld, breed eirond, aan den top plotselingtoegespitst, min of meer schelpvormig.Zuil half zoo lang als de lip. Bladen vleezig. smal, één op de luchtknol. Bloemen vuilwit met lichtroode teekening, in knikkende, 3–4-bloemige trossenTrichopilia.53b.Achterste kelkblad met de kroonbladeren aan de basis van dezuil vastgegroeid. Nagel van de lip tot aan de halve hoogte met de zuil vergroeid, vervolgens afstaand, 3-lobbig, lobben stomp, aan den rand een weinig gegolfd tot gekarteld, de middenlob aan den top wat ingesneden. Planten met groote, sterk platgedrukte luchtknollen met 2 bladeren op den top. Tros rechtopstaand met 2–3 welriekende bloemen. Kelkbladeren geelgroen met paarse strepen; bloembladeren geel, donker geaderd, lip wit, aan de basis geel, met purperen vlekjesAspasia.53c.Lip alleen met de basis van de zuil samenhangend, er niet mee tot een zekere hoogte vergroeid;afstaandof naar beneden geslagen5454a.Stuifmeelklompjes 4. Planten zonder luchtknollen5554b.Stuifmeelklompjes 2. Planten met of zonder luchtknollen5655a.Top van de zuil en helmknop met een lang draadvormig naar beneden gericht aanhangsel. Achterste kelkblad helmvormig gebogen. Lip min of meer 3-lobbig, de beide zijlobben dik en vleezig. Zuil kort en dik, van voren hol. Planten klein, zonder luchtknollen, stengel kort, bladeren in één vlak staand. Bloemen klein in een vrij lange trosOrnithocephalus.55b.Top van de zuil en helmknop niet met een dun verlengsel. Achterste kelkblad bijna vlak. Lip aan den top met 2 lange, dunne rechtopstaande zijlobben. Kleine planten, bladeren niet in één vlak staand. Tros veelbloemig, knikkendCryptarrhena.56a.Kelkbladeren en bloembladeren zeer lang en dun en spits. Lip ongedeeld, niet 3-lobbig, korter dan de kelkbladeren, zuil ongevleugeld. Planten vrij groot met luchtknollen, met 1 of 2 bladeren op den top. Bloemen in weinigbloemige trossenBrassia.56b.Kelk en kroonbladeren niet bijzonder lang, dun en spits. Zuil gevleugeld5757a.Planten zonder luchtknollen met lange stengels, waaraan de korte bladeren in twee rijen dakpansgewijs over elkaar liggen. Lip betrekkelijk groot met korte zijlobben en groote 3–5-lobbige eindlob. Zuil kort, gevleugeldLockhartia.57b.Planten met luchtknollen of indien er geen luchtknollen aanwezig zijn, dan zijn de stengels kort en staan de bladeren dicht, meest in één vlak, op elkaar. Lip zeer verschillend van vorm, meest groot, steeds direct van af de basis naar beneden geslagen met vele en verschillend gevormde wratten en lijsten. Zuil duidelijk gevleugeldOncidium.58a.Planten met lange meest kruipende of hangende bebladerde stengels. Bloemen alleenstaand in de oksels van de bladeren. Lip aan den voet van de zuil verbonden. Zuil opgericht, ongevleugeld. Stuifmeelklompjes 4, zonder aanhangselen. Bloemen ongespoord.Dichaea.58b.Planten met lange, bebladerde en met luchtwortels bezette stengels en dus bladeren in 2 rijen, of stengels bijna geheel ontbrekend en onbebladerd, en dan de plant alleen bestaande uit een groep van luchtwortels en enkele bloeiwijzen. Bloemen klein, gespoord, in trossenCampylocentrum.(Angraecum).Hulptabel bij het determineeren van Orchideeën, die zich door een enkel in het oog vallend kenmerk onderscheiden.I. Planten alleen bestaand uit een bos luchtwortels en eenige trosjes van kleine bloemen, dus geen stengel en bladeren aanwezig:Campylocentrum.II. Planten in den bodem groeiend zonder luchtwortels:Selenipedilum,Habenaria,Pogonia,Stenorrchynchus,Spiranthes,Physurus,Liparis,Cyrtopera,Cyrtopodium.III. Lange gelijkmatig bebladerde stengels zonder of met luchtwortels; geen luchtknollen aanwezig:Lockhartia,Dichaea,Campylocentrum,Orleanesia,Epidendrum(ten deele).IV. Lange, dunne luchtknollen, telkens met een paar bladeren op den top; de eene luchtknol boven op de andere zittend; bloemen in kleine groepen:Tetragamestus,Ponera,Scaphyglottis,Hexisea.V. Lange, klimmende, groene bebladerde stengels, met lange geledingen:Vanilla.VI. Epiphyten zonder luchtknol doch de bebladerde stengels kort, en daardoor de bladeren in rosetten of in één vlak gezeten:Jonopsis,Ornithocephalus,Cryptarrhena,Oncidium(ten deele),Bollea,Chaubardia.VII. Bebladerde stengels met slechts één blad aan den top, en met een bloeiwijze:Masdevallia,Stelis,Pleurothallis,Lepanthes,Restrepia,Octomeria.VIII. Luchtknollen met één blad op den top:Epidendrum(ten deele),Bifrenaria,Stanhopea,Menadenium(ten deele),Maxillaria,Camaridium,Ornithidium,Trigonidium,Macradenia,Notylia,Rodriguezia,Plectrophora,Trichopilia,Oncidium(ten deele).IX. Luchtknollen met twee bladeren op den top:Lanium(ten deele),Epidendrum(ten deele),Schomburgkia,Paphinia(ten deele),Batemania,Peristeria,Coryanthes,Gongora,Menadenium(ten deele),Bulbophyllum,Aspasia,Brassia,Oncidium(ten deele).X. Bloemen met een spoor of knobbel, hetzij aan de lip, hetzij aan de beide zijdelingsche kelkbladeren, of aan lip en kelkbladeren:Habenaria,Physurus,Liparis,Galeandra,Cyrtopera,Bifrenaria,Rodriguezia,Jonopsis,Plectrophora,Campylocentrum.XI. Kelkbladeren alle 3 met elkaar vergroeid, soms een buis of een beker vormend:Masdevallia,Stelis,Trigonidium.

49.Burmanniaceae.Bloemdek meest vergroeidbladig, zelden boven het vruchtbeginsel met vrije bladeren; de 3 binnenste bloemdekslippen meest kleiner dan de buitenste of geheel verdwenen; meeldraden 6, of alleen de 3 van de binnenste krans aanwezig; vaak met sterk verbreed helmbindsel; vruchtbeginsel onderstandig met 3 wandstandige of hoekstandige zaadlijsten; doosvrucht met vele kleine zaden; kruiden of bladgroenlooze saprophyten; bloemen alleenstaand of in aarvormige bloeiwijzen.1a.Bloemen in een hoofdje aan het eind van den stengel; buis van het bloemdek 3-kantig of 3-vleugelig, vruchtbeginsel 3-hokkig; stengel van onderen met een roset van kleine smalle blaadjesBurmannia.1b.Bloemen in ijle trossen of in een vertakte bloeiwijze. Vruchtbeginsel éénhokkig22a.Bloeistengel naar boven in twee takken gespleten; elke tak de bloemen in een ijle tros dragend. Bloemdek aan de basis buikig opgezwollen, de mond nauwerDictyostegia.2b.Bloeistengel naar boven niet vertakt. Buis van de bloemkroon van binnen met 3 zakvormige instulpingen. Kroon naar den mond verwijdApteria.

49.Burmanniaceae.

Bloemdek meest vergroeidbladig, zelden boven het vruchtbeginsel met vrije bladeren; de 3 binnenste bloemdekslippen meest kleiner dan de buitenste of geheel verdwenen; meeldraden 6, of alleen de 3 van de binnenste krans aanwezig; vaak met sterk verbreed helmbindsel; vruchtbeginsel onderstandig met 3 wandstandige of hoekstandige zaadlijsten; doosvrucht met vele kleine zaden; kruiden of bladgroenlooze saprophyten; bloemen alleenstaand of in aarvormige bloeiwijzen.1a.Bloemen in een hoofdje aan het eind van den stengel; buis van het bloemdek 3-kantig of 3-vleugelig, vruchtbeginsel 3-hokkig; stengel van onderen met een roset van kleine smalle blaadjesBurmannia.1b.Bloemen in ijle trossen of in een vertakte bloeiwijze. Vruchtbeginsel éénhokkig22a.Bloeistengel naar boven in twee takken gespleten; elke tak de bloemen in een ijle tros dragend. Bloemdek aan de basis buikig opgezwollen, de mond nauwerDictyostegia.2b.Bloeistengel naar boven niet vertakt. Buis van de bloemkroon van binnen met 3 zakvormige instulpingen. Kroon naar den mond verwijdApteria.

Bloemdek meest vergroeidbladig, zelden boven het vruchtbeginsel met vrije bladeren; de 3 binnenste bloemdekslippen meest kleiner dan de buitenste of geheel verdwenen; meeldraden 6, of alleen de 3 van de binnenste krans aanwezig; vaak met sterk verbreed helmbindsel; vruchtbeginsel onderstandig met 3 wandstandige of hoekstandige zaadlijsten; doosvrucht met vele kleine zaden; kruiden of bladgroenlooze saprophyten; bloemen alleenstaand of in aarvormige bloeiwijzen.

1a.Bloemen in een hoofdje aan het eind van den stengel; buis van het bloemdek 3-kantig of 3-vleugelig, vruchtbeginsel 3-hokkig; stengel van onderen met een roset van kleine smalle blaadjesBurmannia.

1b.Bloemen in ijle trossen of in een vertakte bloeiwijze. Vruchtbeginsel éénhokkig2

2a.Bloeistengel naar boven in twee takken gespleten; elke tak de bloemen in een ijle tros dragend. Bloemdek aan de basis buikig opgezwollen, de mond nauwerDictyostegia.

2b.Bloeistengel naar boven niet vertakt. Buis van de bloemkroon van binnen met 3 zakvormige instulpingen. Kroon naar den mond verwijdApteria.

50.Orchidaceae.Bloemen met een bloemdek of met kelk en bloemkroon; typisch 3-tallig; bijna steeds tweeslachtig, zygomorf; van de meeldraden is alleen één van de 3 van de buitenste krans ontwikkeld òf minder vaak, de 2 zijdelingsche aan de binnenste krans; soms nog eenige als staminodiën aanwezig; één van de bloembladeren (lip) anders gevormd dan de beide andere; vruchtbeginsel onderstandig, aan den top met een verlenging (zuil) die de meeldraad en de stempel draagt; stuifmeelkorrels in groepen van 4 meest tot polliniën verbonden. Vrucht een doosvrucht met vele kleine zaden; overblijvende kruiden van zeer verschillende habitus, meest epiphyten.N. B. Men raadplege ook de gegevens op blz. 88.1a.Bloemen met 2 meeldraden. Kelkbladeren afstaand, het achterste vrij, de zijdelingsche onder den lip vereenigd; bloembladeren vrij, smaller dan de kelkbladeren, hangend. Lip zittend, schuitvormig. Landplanten met bebladerde stengel, met breede bladeren en een eindelingsche tros van lichtgele bloemen, lip met purperen vlekkenSelenipedilum.1b.Bloemen steeds met 1 meeldraad22a.Helmknop vast vergroeid met de bovenzijde van de zuil; niet afvallend na verwijdering van het stuifmeel; niet door een dunner steeltje met de zuil verbonden, rechtopstaand en van voren open. Landplanten met onderaardsche knollen, of vleezige wortels, met bebladerde stengels en eindelingsche trossen. Lip 3-deelig, met een lange spoorHabenaria.2b.Helmknopje niet vastgegroeid met de bovenkant van de zuil, doch er met een steeltje mee verbonden; helmknop liggend, bij het verwijderen van het stuifmeel gemakkelijk loslatend33a.De bloeiwijze staat aan het eind van den bebladerden stengel en sluit deze reeds enkele maanden na zijn ontstaan af, dus deze stengel kan alleen verder groeien door middel van zijtakken43b.De bloeiwijze staat nooit aan het eind van den stengel, doch de stengel krijgt korten tijd na zijn ontstaan in één of meer van de bladoksels bloemen of bloeiwijzen; de stengel groeit dan òf aan zijn top nog verder, of houdt van zelf met groeien op274a.Bladeren in den knop opgerold, zoodat de randen elkaar bedekken. Nooit een scherpe grens tusschen bladsteel en bladscheede en daardoor ook de bladeren nooit met een scherp begrensde breuk van de bladsteel afbrekend. Antheren meest niet afvallend maar blijvend, maar toch niet vast vergroeid met den top van de zuil; stuifmeelklompjes niet in harde wasachtige massa’s bij elkaar blijvend, maar meest in korrels uiteenvallend. Planten alle in den grond wortelend, of met lange klimmende stengels54b.Bladeren in den knop alleen langs de middennerf gevouwen, deranden niet over elkaar liggend. Planten bijna zonder uitzondering epiphytisch levend95a.Planten met lange, vertakte klimmende en bebladerde stengels, met korte luchtwortels. Bloem groot, meest wit of groenachtig.Vanilla.Banilla,Banirie.5b.Planten in den grond wortelend met een rechtopstaande stengel66a.Bloemen met een lange spoor. De bloembladeren met het achterste kelkblad opgericht en samen een soort van helm vormend. Stuifmeelklompjes in groepen van korrels uiteenvallend; helmknop openspringend. Stengels bebladerd; bladeren zachtharigPhysurus.6b.Bloemen niet met een spoor, hoogstens met een knobbel; indien er een spoor is, dan is deze met vruchtbeginsel vergroeid77a.Bloeitros veelbloemig, door draaiing van de as schijnt het dat de bloemen hetzij in een rechte lijn, hetzij in een spiraallijn langs de tros staan. Bloembladeren, kelkbladeren en lip een rechte hoek met het vruchtbeginsel makend en daardoor alle horizontaal naar buiten gericht. Bloemen vrij kleinSpiranthes.7b.Bloemen naar alle zijden van den tros gericht88a.Bladeren goed ontwikkeld in een wortelroset; stengel alleen met schubvormige bladeren bezet. Tros met veel bloemenStenorrhynchus.8b.Bladeren klein en smal, niet in wortelroset maar hoogstens 3 bladeren langs de bloeiende stengel verspreidPogonia.9a.De beide bloembladeren en vooral de lip zijn door grootte en kleur sterker of even sterk in het oog springend als de 3 kelkbladeren109b.De lip en de beide bloembladeren vallen belangrijk minder in het oog dan de 3 kelkbladeren; zuil verlengd in een voet, die met de lip geleed is2210a.Bladschijf en bladscheede geleidelijk in elkaar overgaand zonder geleding, bladeren alle aan de voet van den bloeistengel in een roset gezeten. Bloemen wit, nog niet 1 c.M. groot; zuil lang, zonder voet. Stuifmeelklompjes 4, zonder aanhangselenLiparis.10b.Bladschijf en bladscheede duidelijk van elkaar te scheiden; geleed en op die plaats later afbrekend1111a.Bladeren vrij breed, door talrijke evenwijdige nerven sterk geplooid,vrij dun. Bloemen tot 5 c.M. groot, rose tot paars, lip van binnen wat geel, alleen of in groepen aan het eind van den stengel zittendSobralia.11b.Bladeren glad, leerachtig, niet gerimpeld, een enkele maal dun, maar dan zeer smal als grasbladeren, soms ook vleezig1212a.Bloemen met een lange spoor aan den lip, vrij groot. Bloeiwijze een eindelingsche tros; stengel van onderen in een kleine knol verdikt, bladeren lang en smal, in twee rijen langs den stengelGaleandra.12b.Lip steeds ongespoord1313a.Lip niet grooter dan de beide bloembladeren en de kelk. Zuil in een voet verlengd, waarmee de lip eenigszins bewegelijk verbonden is. Zuil zeer kort en breed. Stuifmeelklompjes 4 of 2, met een kort steeltje, doch zonder staartje. Bloemen zeer klein, in eindelingsche trossenPolystachya.13b.Vooralde lip goed ontwikkeld en grooter dan de kelkbladeren. Stuifmeelklompjes 4, 6 of 8, zonder steeltje, doch met een staartje1414a.Zuil in een voet verlengd; soms is er schijnbaar een voet aanwezig, maar wordt deze door de zijdelingsche kelkbladeren gevormd (Tetragamestus)1514b.Zuil niet in een voet verlengd1915a.Lip geheel vrij1615b.Lip aan den basis met de zuil tot een bekertje vergroeid. Stengels met lange en dunne geledingen en lange bladeren, sommige geledingen vaak een weinig verdikt tot een lange smalle luchtknol. Nieuwe spruiten aan het eind van die luchtknollen. Bloemen in eindelingsche, weinig-bloemige korte trossen, met vele schubben omgevenHexisea.16a.Lange met bladeren bezette, verdikte stengels; onderste bladeren ten deele afgevallen. Tros eindelings, veelbloemig, bloemen geel tot groenOrleanesia.16b.Bloemen alleenstaand of in kleine groepjes aan het eind van de weinig verdikte geleding van den stengel naast de nieuwe stengel, zoodat de bloeiwijze schijnbaar zijdelings staat; soms ook zitten de bloemen in de oksels der bladeren1717a.Zuil zonder voet. Zijdelingsche kelkbladeren met een eenigszins hoekig verlengde basis, zoodat er schijnbaar een kin gevormd wordt; bloemen klein; lip wigvormig met lijsten op de plaatTetragamestus.17b.Zuil met een duidelijke voet; zijdelingsche kelkbladeren een normale, doch soms kleine kin vormend1818a.Zuil kort; stuifmeelklompjes zijdelings samengedrukt; bladeren 2-vele. Bloemen groenachtig met bruine streepen en vlekkenPonera.18b.Zuil lang, stuifmeelklompjes niet samengedrukt maar eirond tot bolvormig. Geledingen van den stengel verdikt met telkens 2 bladeren aan het eind. Bloemen violetScaphyglottis.19a.Stuifmeelklompjes 4, gelijk van vorm en grootte2019b. Stuifmeelklompjes 8, in 2 rijen, paarsgewijs boven elkaar, de onderste door een aanhangsel met de bovenste verbonden2120a.Stuifmeelklompjes niet zijdelings platgedrukt doch eirond; kleine planten met kleine vleezige, spitse bladeren, die in twee rijen aan een korte stengel zitten, welke in een trosje van kleine bloemen eindigt. Bebladerde stengels uit een kort, kruipend rhizoom te voorschijn komendLanium.20b.Stuifmeelklompjes platgedrukt. Nagel van den lip opgericht; soms weinig, vaak over een groot deel vergroeid met de zuil; schijf van de lip vrij, opstaand; plaat van den lip met lamellen of andere woekeringen, zonder hoornvormige aanhangselen; zuil meest lang en smal. Planten vaak met luchtwortels, soms ook met onverdikte bebladerde stengelsEpidendrum.21a.Stuifmeelklompjes ongelijk, de bovenste veel kleiner dan de onderste. Lip aan de basis met een smalle nagel, naar boven plotseling verbreed, aan den rand fijn ingesneden. Bladeren vleezig, bijna rond in doorsnede, aan één zijde gegroefd, lang en spits. Bloemen geel en wit, lip en petalen vlakBrassavola.21b.Stuifmeelklompjes gelijk van vorm en grootte. Basis van den lip naar boven geleidelijk in de plaat verbreed. Kelkbladeren en bloembladeren aan den rand sterk gegolfd. Luchtknollen aan den top met 2 vlakke bladerenSchomburgkia.22a.Bloeiwijzen met slechts één bloem. Bladeren zeer klein, vleezig. Achterste kelkblad vrij, de zijdelingsche min of meer aan de basis vergroeid. Bloembladeren smal, scherp toegespitst, aan den top een weinig verdikt. Stuifmeelklompjes 4Restrepia.22b.Meerdere bloemen aan den bloeistengel, of ten minste in groepen bij elkaar; 2 of 8 stuifmeelklompjes2323a.Stuifmeelklompjes 8. Stengels vrij lang, van onderen met eenige schubben bezet, van boven door een (schijnbaar eindelingsch) blad afgesloten. Bloemen aan het eind van den stengel bij de bladvoet in een groepje uit den stengel te voorschijn komend. Kelkbladeren bijna niet vergroeid: bloembladeren weinig kleiner dan de kelkbladeren; lip veel kleiner. Bloemen kleinOctomeria.23b.Stuifmeelklompjes 22424a.Alle kelkbladeren duidelijk met elkaar vergroeid2524b.Kelkbladeren niet vergroeid of tenminste het achterste kelkblad vrij2625a.Bloemen grooter dan 1 c.M. Kelkbladeren een duidelijke beker vormend; kelkslippen min of meer draadvormig verlengd, soms zeer lang. Planten met korte, 1-bladige stengels en weinig-bloemige bloeiwijzenMasdevallia.25b.Bloemen kleiner dan 1 c.M.; kelkbladeren wel vergroeid doch niet met de basis een beker vormend; slippen kort, nooit draadvormig verlengd. Stengels evenals de vorige met 1 goed ontwikkeld blad, bloeiwijze een lange tros met meest vele bloemenStelis.26a.Kelkbladeren niet uitgespreid, spits; bloembladeren smal, niet met elkaar of met den zuil vergroeid, zeer klein. Zuil min of meer verlengd, aan den basis een voet vormend; lip bewegelijk met de basis van den zuil verbonden. Habitus als de vorigePleurothallis.26b.Kelkbladeren uitgespreid. Bloembladeren klein en breed, de nagels met den zuil vergroeid; lip aan de basis van de zuil vastgegroeid, zuil zonder voet. Stengels vrij lang met één eirond blaadje aan den top, aan welks voet de veelbloemige bloeiwijze te voorschijn komtLepanthes.27a.Bladeren meest vrij dun, met vele en duidelijke evenwijdige nerven. Bladeren in den knop opgerold, dus met de randen over elkaar liggend2827b.Bladeren glad, leerachtig tot vleezig, alleen de middennerf duidelijk. Bladeren in den knop samengevouwen langs de middennerf, dus bladranden niet over elkaar liggend4028a.Internodiën gelijkmatig gezwollen of in het geheel niet gezwollen2928b.Een enkel internodium is sterk opgezwollen en vormt een luchtknol3229a.Lip groot, vliezig, met den voet van de zuil bewegelijk verbonden of er mee een spoor of zak vormend. Stuifmeelklompjes 2 of 4 met een kort steeltje, zonder staartje. Planten in den bodem groeiend. Bloemen tweeslachtig3029b.Lip groot, vleezig, niet bewegelijk met den voet van de zuil verbonden, doch er aan vastgegroeid. Stuifmeelklompjes 2 of 4, met een lange steel. Epiphyten. Bloemen bijna steeds eenslachtig3130a.Lip boven de basis kort versmald, tusschen de zijdelingsche kelkbladeren een stompe zak vormend. Helmknop met 2 aanhangsels.Bebladerde stengels kort, met weinig bladeren; bloeistengels naast den bebladerden stengel uit de onderaardsche knolvormig verdikte wortelstok te voorschijn komend, onbebladerd; bloemen in een enkelvoudige trosCyrtopera.30b.Lip aan den basis zonder uitholling of zak. Helmknop met slechts 1 aanhangsel of zonder aanhangsel. Habitus als de vorige, doch bloeiwijze meest meermalen vertaktCyrtopodium.31a.De ♂ bloemen hebben een vrij lange, dikke zuil, die rechtopstaat en aan de voorzijde twee lange draadvormige aanhangsels heeft; stuifmeelklompjes 4, langwerpigCatasetum.31b.De ♂ bloemen hebben een zeer lange, sterk naar voren gebogen zuil die aan de basis dun, naar boven verdikt is en geen draadvormige aanhangselen heeft. Stuifmeelklompjes 2, bijna bolrond of eirondCycnoches.32a.De bloeiwijze komt te voorschijn direct onder de luchtknol, d.w.z. uit de oksel van de bovenste der bladeren, die de luchtknol aan de basis bedekken. De nieuwe spruit staat daarentegen in den oksel van de onderste dier schubben. Knol met 1 of 2 bladeren aan den top. Bloeiwijzen onbebladerd, opgericht, met schubben bedekt, met weinige groote of vrij groote bloemen; kelkbladeren smal, afstaand, de zijdelingsche aan den korten zuilvoet bevestigd; de beide bloembladeren gelijk van vorm als de kelkbladeren. Lip onbewegelijk met de zuilvoet vergroeid, een zeer korte kin vormend, breed en vlak met een dwarse lijst. Zuil aan den top met twee stompe vleugeltjes. 4 stuifmeelklompjesMenadenium.32b.Bloeiwijze tevoorschijnkomend uit den oksel van de onderste der bladeren, die de basis van de knol omgeven, of uit de onderste schubben van de nog groeiende spruit (Batemania). Nieuwe spruit uit den oksel van de bovenste dier bladeren tevoorschijnkomend3333a.Lip vliezig, meest voorzien van overlangsche lijsten met den zuilvoet bewegelijk verbonden3433b.Lip vleezig, duidelijk geleed in verschillende achter elkaar liggende afdeelingen, waarvan de laatste bladachtig, de 2deen 1stevleezig zijn; de 1steafdeeling is dan met de voet van den zuil onbewegelijk verbonden3634a.Stuifmeelklompjes na het afvallen van de helmknop door 1 steeltje verbonden3534b.Stuifmeelklompjes aan twee steeltjes vastzittend. Kelk- en kroonbladeren vrijwel gelijk, de beide zijdelingsche kelkbladeren met den zuilvoet een groote spitse kin vormend, die het uiterlijk heeft van een spoor. Bloembladeren naar voren staand, met den zuilvoet vergroeid. Bloeiwijze met vele bloemen. 1 blad op de luchtknolBifrenaria.35a.Bloeiwijze met 1–3 bloemen, hangend. De zijdelingsche kelkbladeren vormen slechts een kleine kin. Lip rechtopstaand, op den sterk gebogen zuilvoet zittend, 3-lobbig, met knotsvormige aanhangselen aan den eindlob en smalle overlangsche platen op het midden. Steeltje der stuifmeelklompjes langPaphinia.35b.Bloeiwijze met vele bloemen, hangend. Zijdelingsche kelkbladeren geen kin vormend, doch met een smalle basis op de top van den zuilvoet zittend. Bloembladeren veel breeder dan kelkbladeren,met een breede basis aan de zuilvoet verbonden. Lip rechtopstaand 3-lobbig. De 4 stuifmeelklompjes hebben een kort 3-hoekig steeltje. Bloeiwijze te voorschijn komend uit de schubben, die de nog jonge en groeiende bladspruit omgevenBatemania.36a.Bloemen in lange, veelbloemige, hangende trossen. Door een buiging van bloemsteel en vruchtbeginsel is de horizontaal gerichte lip gelegen boven de schuin naar onderen gerichte zuil. Daardoor is ook het middelste kelkblad, dat met de zuil vergroeid is, naar beneden gericht. De zijdelingsche kelkbladeren zijn met breede basis aan de zuilvoet vergroeid. Bloembladen smal en klein, aan den zuil vastgegroeid. Lip met 2 dunne horentjes. Luchtknol met 1 of 2 bladerenGongora.36b.Stand van de bloem normaal, dus zuil naar boven, lip naar onderen gericht; doordat de bloemen hangen aan denietgebogen bloemsteelen is vaak de zuil naar beneden gericht, doch dan is ook de lip naar beneden gericht naar den top van den zuil toe3737a.Bloembladeren en kelkbladeren niet uitgespreid, alle naar elkaar toegebogen. Bloem daardoor halfbolvormig. Bloembladeren gelijk in vorm en grootte met het achterste kelkblad. Zuil kort, lip zeer vast met de zuil verbonden, met 2 vleugels aan de basis, die tegen den zuil aanliggen, in het midden smaller, aan den top weer verbreedPeristeria.37b.Kelkbladeren en bloembladeren afstaand, vaak zelfs teruggeslagen3838a.Zijdelingsche kelkbladeren zeer groot, veel grooter dan het middelste kelkblad en dan de bloembladeren, assymetrisch. Bloembladeren smal, naar beneden hangend. Lip (in den hangenden stand der bloem) eerst smal, schuin naar boven gericht, daarna in een convex, breed gedeelte overgaand vervolgens plotseling loodrecht naar beneden gebogen en daar tot een beker vervormd, waarin vloeistof zit. Knollen sterk gegroefd met 1 of 2 bladeren op den topCoryanthes.38b.Zijdelingsche kelkbladeren en bloembladeren onderling ± gelijk van vorm en grootte; middenlob van de lip niet bekervormig3939a.Bloembladeren en kelkbladeren vrij breed, teruggeslagen. Basis van de lip en voet van de zuil uitgehold, vast met de zuil verbonden. Geen vleugelvormige aanhangselen aan het middendeel van de lip. Eén blad op de luchtknol. Bloeiwijze met 1 of 2 bloemenStanhopea.Lady-slipper.39b.Bloembladeren en kelkbladeren smal, afstaand. Basis van de lip en voet van de zuil steelrond, niet uitgehold, tot aan de lip uitgebreid; 3-lobbig. Minstens 4 bloemen in een hangende trosKegelia.40a.De bebladerde spruiten hebben een begrensde groei; meestal sluiten ze korten tijd na hun ontstaan af met een luchtknol met eenige bladeren op hun top; de plant groeit dan verder door middel van een anders gevormde, meest kruipende en met schubben bedekte spruit4140b.De bebladerde spruiten hebben een onbegrensde groei en dragen de bloemen of bloeiwijzen in de oksels der bladeren5841a.Lip vliezig, bewegelijk met de voet van den zuil verbonden. Stuifmeelklompjes met steeltjes of staartje, maar nooit met beide tegelijk, of zonder beide4241b.Lip vliezig, vast met den voet van de zuil verbonden of direct op den zuil vastzittend of een spoor vormend. Stuifmeelklompjes 2, met een lange of breede steel4842a.Stuifmeelklompjes 4, zonder aanhangsel. Achterste kelkblad vrij, de zijdelingsche aan de voet van de zuil vastgegroeid, een weinig ontwikkelde kin vormend. Lip aan de basis versmald, klein, bewegelijk met den zuilvoet verbonden, 3-lobbig, de 2 zijlobben klein, opgericht, de middenlob groot. Zuil aan den top met 2 vleugels. Epiphyt met een kruipende wortelstok, die met schubben bedekt is; zijspruiten uit slechts 1 luchtknol bestaande, aan de basis met schubben, aan den top met 1 of 2 bladeren. Bloeiwijze naast de luchtknollen te voorschijn komend, soms ook uit het rhizoom zelf, onbebladerd, onvertakt, vaak naar den top verdikt.Bulbophyllum.42b.Planten met of zonder luchtknollen. Stuifmeelklompjes met een goed ontwikkeld steeltje4343a.Iedere spruit vormt uit een geleding een luchtknol, op welks top ongesteelde bladeren zitten, aan welks basis òf bladeren met scheeden, òf alleen schubben aanwezig zijn. De bloeiwijze komt uit een lagere bladoksel te voorschijn als de nieuwe bebladerde spruit. Lip meest met overlangsche verdikkingen4443b.Geen luchtknollen aanwezig. Bloeiwijze steeds éénbloemig, uit een hoogere bladoksel te voorschijn komend dan de nieuwe bladspruit. Lip meest met dwarse verdikkingen4744a.Kelkbladeren van onderen tot een driehoekige buis vergroeid, van boven vrij, afstaand. Bloembladeren veel kleiner dan de kelkbladeren. Lip van af de basis van de zuil opgericht, kleiner dan de kelkbladeren, naar boven afstaand duidelijk 3-lobbig met opgerichte zijlobben. Zuil vrij dun, ongevleugeld, zonder voet. Bladeren smal, een of twee op den top van de dicht op elkaar gedrongen luchtknollenTrigonidium.44b.Kelkbladeren geheel vrij van elkaar4545a.Lip goed bewegelijk. Zuil met een duidelijke voet aan de basis4645b.Lip weinig bewegelijk, soms een weinig met de basis van de zuil verbonden. Zuil zonder voet. Kelk- en bloembladeren naar elkaar gebogen. Lip 3-lobbig, de zijlobben opgericht, de middenlob teruggeslagen. Rhizoom lang kruipend, bloeiwijzen éénbloemig, in groepen in de oksels staand. Bloemen vrij kleinOrnithidium.46a.De stuifmeelklompjes zitten zonder of met een zeerkortsteeltje bijna direct op de kleefmassa; kelk- en kroonbladeren bijna gelijk van vorm, afstaand, de zijdelingsche kelkbladeren kinvormend. Lip 3-lobbig, de zijlobben opgericht. Bloeiwijzen steeds éénbloemig aan de basis van de luchtknol of in de oksels der bladeren van het rhizoom alleenstaandMaxillaria.46b.Bloemenvrijwelgelijk aan de vorige, maar stuifmeelklompjes met een platte en breede steel. De bebladerde spruiten zijn meest sterk vertakt, de luchtknollen staan vaak in de oksels van de bladeren dier spruit; bloemen steeds in de oksels dier bladerenCamaridium.47a.Kelk- en bloembladeren ongeveer gelijk, de zijdelingsche kelkbladeren met den zuilvoet vergroeid en een korte maar duidelijkekin vormend. Lip met een lange nagel, bewegelijk met de zuil verbonden, naar den top zeer sterk verdikt en vleezig over de geheele breedte, met overlangsche lijsten. Zuil zeer breed, bekervormig. Bladeren lang, in twee rijen en in 1 vlak staand. Bloem groot in een korte éénbloemig bloeiwijzeBollea.47b.Lip vast verbonden met de zuil, met een 5-ribbige basis, vervolgens overgaande in een vliezige plaat met kleine halfsikkelvormige zijlobben en een groote ruitvormige eindlob. Zuil kort, niet bekervormig. Bloemen vrij kleinChaubardia.48a.Helmknop rechtopstaand. Bloem zonder spoor of knobbel4948b.Helmknop horizontaal of vaker naar voren overhangend op de voorzijde van de zuil5049a.Kelk en kroonbladeren vrijwel gelijk, afstaand. Lip ongenageld één geheel vormend met de basis van de zuil, diep 3-lobbig, de zijlobben breed, opgericht, de zuil omvattend, de middenlob kort, afstaand. Zuil opgericht vrij dun, ongevleugeld, zonder voet, van voren gegroefd, stuifmeelklompjes 2, zonder aanhangsel. Luchtknollen lang en slank aan den top met één blad. Bloemen in hangende trossenMacradenia.49b.Kelk en bloembladeren vrijwel gelijk van grootte, de bloembladeren sterker gekleurd dan de kelkbladeren, de laatste rechtopstaand of afstaand. Lip met een duidelijke nagel, rechtopstaand, soms met 2 aartjes, verder pijlvormig met een zeer spitse punt. Zuil eenigszins gekromd, zonder voet. Stuifmeelklompjes 2 zonder aanhangsels. Kleine planten met éénbladige luchtknollen; bloemen klein, in trossenNotylia.50a.Bloemen met een duidelijke spoor of knobbel. Stuifmeelklompjes 25150b.Bloemen zonder spoor of knobbel5351a.De spoor is zeer lang en wordt zoowel door de lip gevormd als door de zijdelingsche kelkbladeren, die met elkaar vergroeid zijn. Achterste kelkblad vrij. Bloembladeren breeder. Lip ongedeeld, bijna rond of meer samengerold en de zuil omhullend, aan de basis met 2 lange sporen, die in de spoor van de kelkbladeren verborgen zitten en ermee vergroeid zijn. Bladeren in 1 vlak. Bloeiwijze met 1 of 2 vrij groote gele bloemenPlectrophora.51b.Geen lange spoor, doch alleen een knobbel aanwezig5252a.De zijdelingsche kelkbladeren bijna geheel vergroeid met elkaar; lip zeer kort met de basis van de zuil verbonden, opgericht met een zeer korte spoor die door de beide kelkbladeren bedekt wordt. Bloemen rood in eenzijdige, veelbloemige trossenRodriguezia.52b.De zijdelingsche kelkbladeren geheel vergroeid, aan de basis onder de lip een korte zak vormend. Lip duidelijk genageld, geheel zonder spoor of knobbel. Bloemen violet, in wijde pluimenJonopsis.Sapotille-orchidee.53a.Kelkbladeren niet vergroeid, smal, evenals de kroonbladeren. Nagel van de lip met de zuil vergroeid, verder afstaand, ongedeeld, breed eirond, aan den top plotselingtoegespitst, min of meer schelpvormig.Zuil half zoo lang als de lip. Bladen vleezig. smal, één op de luchtknol. Bloemen vuilwit met lichtroode teekening, in knikkende, 3–4-bloemige trossenTrichopilia.53b.Achterste kelkblad met de kroonbladeren aan de basis van dezuil vastgegroeid. Nagel van de lip tot aan de halve hoogte met de zuil vergroeid, vervolgens afstaand, 3-lobbig, lobben stomp, aan den rand een weinig gegolfd tot gekarteld, de middenlob aan den top wat ingesneden. Planten met groote, sterk platgedrukte luchtknollen met 2 bladeren op den top. Tros rechtopstaand met 2–3 welriekende bloemen. Kelkbladeren geelgroen met paarse strepen; bloembladeren geel, donker geaderd, lip wit, aan de basis geel, met purperen vlekjesAspasia.53c.Lip alleen met de basis van de zuil samenhangend, er niet mee tot een zekere hoogte vergroeid;afstaandof naar beneden geslagen5454a.Stuifmeelklompjes 4. Planten zonder luchtknollen5554b.Stuifmeelklompjes 2. Planten met of zonder luchtknollen5655a.Top van de zuil en helmknop met een lang draadvormig naar beneden gericht aanhangsel. Achterste kelkblad helmvormig gebogen. Lip min of meer 3-lobbig, de beide zijlobben dik en vleezig. Zuil kort en dik, van voren hol. Planten klein, zonder luchtknollen, stengel kort, bladeren in één vlak staand. Bloemen klein in een vrij lange trosOrnithocephalus.55b.Top van de zuil en helmknop niet met een dun verlengsel. Achterste kelkblad bijna vlak. Lip aan den top met 2 lange, dunne rechtopstaande zijlobben. Kleine planten, bladeren niet in één vlak staand. Tros veelbloemig, knikkendCryptarrhena.56a.Kelkbladeren en bloembladeren zeer lang en dun en spits. Lip ongedeeld, niet 3-lobbig, korter dan de kelkbladeren, zuil ongevleugeld. Planten vrij groot met luchtknollen, met 1 of 2 bladeren op den top. Bloemen in weinigbloemige trossenBrassia.56b.Kelk en kroonbladeren niet bijzonder lang, dun en spits. Zuil gevleugeld5757a.Planten zonder luchtknollen met lange stengels, waaraan de korte bladeren in twee rijen dakpansgewijs over elkaar liggen. Lip betrekkelijk groot met korte zijlobben en groote 3–5-lobbige eindlob. Zuil kort, gevleugeldLockhartia.57b.Planten met luchtknollen of indien er geen luchtknollen aanwezig zijn, dan zijn de stengels kort en staan de bladeren dicht, meest in één vlak, op elkaar. Lip zeer verschillend van vorm, meest groot, steeds direct van af de basis naar beneden geslagen met vele en verschillend gevormde wratten en lijsten. Zuil duidelijk gevleugeldOncidium.58a.Planten met lange meest kruipende of hangende bebladerde stengels. Bloemen alleenstaand in de oksels van de bladeren. Lip aan den voet van de zuil verbonden. Zuil opgericht, ongevleugeld. Stuifmeelklompjes 4, zonder aanhangselen. Bloemen ongespoord.Dichaea.58b.Planten met lange, bebladerde en met luchtwortels bezette stengels en dus bladeren in 2 rijen, of stengels bijna geheel ontbrekend en onbebladerd, en dan de plant alleen bestaande uit een groep van luchtwortels en enkele bloeiwijzen. Bloemen klein, gespoord, in trossenCampylocentrum.(Angraecum).

50.Orchidaceae.

Bloemen met een bloemdek of met kelk en bloemkroon; typisch 3-tallig; bijna steeds tweeslachtig, zygomorf; van de meeldraden is alleen één van de 3 van de buitenste krans ontwikkeld òf minder vaak, de 2 zijdelingsche aan de binnenste krans; soms nog eenige als staminodiën aanwezig; één van de bloembladeren (lip) anders gevormd dan de beide andere; vruchtbeginsel onderstandig, aan den top met een verlenging (zuil) die de meeldraad en de stempel draagt; stuifmeelkorrels in groepen van 4 meest tot polliniën verbonden. Vrucht een doosvrucht met vele kleine zaden; overblijvende kruiden van zeer verschillende habitus, meest epiphyten.N. B. Men raadplege ook de gegevens op blz. 88.1a.Bloemen met 2 meeldraden. Kelkbladeren afstaand, het achterste vrij, de zijdelingsche onder den lip vereenigd; bloembladeren vrij, smaller dan de kelkbladeren, hangend. Lip zittend, schuitvormig. Landplanten met bebladerde stengel, met breede bladeren en een eindelingsche tros van lichtgele bloemen, lip met purperen vlekkenSelenipedilum.1b.Bloemen steeds met 1 meeldraad22a.Helmknop vast vergroeid met de bovenzijde van de zuil; niet afvallend na verwijdering van het stuifmeel; niet door een dunner steeltje met de zuil verbonden, rechtopstaand en van voren open. Landplanten met onderaardsche knollen, of vleezige wortels, met bebladerde stengels en eindelingsche trossen. Lip 3-deelig, met een lange spoorHabenaria.2b.Helmknopje niet vastgegroeid met de bovenkant van de zuil, doch er met een steeltje mee verbonden; helmknop liggend, bij het verwijderen van het stuifmeel gemakkelijk loslatend33a.De bloeiwijze staat aan het eind van den bebladerden stengel en sluit deze reeds enkele maanden na zijn ontstaan af, dus deze stengel kan alleen verder groeien door middel van zijtakken43b.De bloeiwijze staat nooit aan het eind van den stengel, doch de stengel krijgt korten tijd na zijn ontstaan in één of meer van de bladoksels bloemen of bloeiwijzen; de stengel groeit dan òf aan zijn top nog verder, of houdt van zelf met groeien op274a.Bladeren in den knop opgerold, zoodat de randen elkaar bedekken. Nooit een scherpe grens tusschen bladsteel en bladscheede en daardoor ook de bladeren nooit met een scherp begrensde breuk van de bladsteel afbrekend. Antheren meest niet afvallend maar blijvend, maar toch niet vast vergroeid met den top van de zuil; stuifmeelklompjes niet in harde wasachtige massa’s bij elkaar blijvend, maar meest in korrels uiteenvallend. Planten alle in den grond wortelend, of met lange klimmende stengels54b.Bladeren in den knop alleen langs de middennerf gevouwen, deranden niet over elkaar liggend. Planten bijna zonder uitzondering epiphytisch levend95a.Planten met lange, vertakte klimmende en bebladerde stengels, met korte luchtwortels. Bloem groot, meest wit of groenachtig.Vanilla.Banilla,Banirie.5b.Planten in den grond wortelend met een rechtopstaande stengel66a.Bloemen met een lange spoor. De bloembladeren met het achterste kelkblad opgericht en samen een soort van helm vormend. Stuifmeelklompjes in groepen van korrels uiteenvallend; helmknop openspringend. Stengels bebladerd; bladeren zachtharigPhysurus.6b.Bloemen niet met een spoor, hoogstens met een knobbel; indien er een spoor is, dan is deze met vruchtbeginsel vergroeid77a.Bloeitros veelbloemig, door draaiing van de as schijnt het dat de bloemen hetzij in een rechte lijn, hetzij in een spiraallijn langs de tros staan. Bloembladeren, kelkbladeren en lip een rechte hoek met het vruchtbeginsel makend en daardoor alle horizontaal naar buiten gericht. Bloemen vrij kleinSpiranthes.7b.Bloemen naar alle zijden van den tros gericht88a.Bladeren goed ontwikkeld in een wortelroset; stengel alleen met schubvormige bladeren bezet. Tros met veel bloemenStenorrhynchus.8b.Bladeren klein en smal, niet in wortelroset maar hoogstens 3 bladeren langs de bloeiende stengel verspreidPogonia.9a.De beide bloembladeren en vooral de lip zijn door grootte en kleur sterker of even sterk in het oog springend als de 3 kelkbladeren109b.De lip en de beide bloembladeren vallen belangrijk minder in het oog dan de 3 kelkbladeren; zuil verlengd in een voet, die met de lip geleed is2210a.Bladschijf en bladscheede geleidelijk in elkaar overgaand zonder geleding, bladeren alle aan de voet van den bloeistengel in een roset gezeten. Bloemen wit, nog niet 1 c.M. groot; zuil lang, zonder voet. Stuifmeelklompjes 4, zonder aanhangselenLiparis.10b.Bladschijf en bladscheede duidelijk van elkaar te scheiden; geleed en op die plaats later afbrekend1111a.Bladeren vrij breed, door talrijke evenwijdige nerven sterk geplooid,vrij dun. Bloemen tot 5 c.M. groot, rose tot paars, lip van binnen wat geel, alleen of in groepen aan het eind van den stengel zittendSobralia.11b.Bladeren glad, leerachtig, niet gerimpeld, een enkele maal dun, maar dan zeer smal als grasbladeren, soms ook vleezig1212a.Bloemen met een lange spoor aan den lip, vrij groot. Bloeiwijze een eindelingsche tros; stengel van onderen in een kleine knol verdikt, bladeren lang en smal, in twee rijen langs den stengelGaleandra.12b.Lip steeds ongespoord1313a.Lip niet grooter dan de beide bloembladeren en de kelk. Zuil in een voet verlengd, waarmee de lip eenigszins bewegelijk verbonden is. Zuil zeer kort en breed. Stuifmeelklompjes 4 of 2, met een kort steeltje, doch zonder staartje. Bloemen zeer klein, in eindelingsche trossenPolystachya.13b.Vooralde lip goed ontwikkeld en grooter dan de kelkbladeren. Stuifmeelklompjes 4, 6 of 8, zonder steeltje, doch met een staartje1414a.Zuil in een voet verlengd; soms is er schijnbaar een voet aanwezig, maar wordt deze door de zijdelingsche kelkbladeren gevormd (Tetragamestus)1514b.Zuil niet in een voet verlengd1915a.Lip geheel vrij1615b.Lip aan den basis met de zuil tot een bekertje vergroeid. Stengels met lange en dunne geledingen en lange bladeren, sommige geledingen vaak een weinig verdikt tot een lange smalle luchtknol. Nieuwe spruiten aan het eind van die luchtknollen. Bloemen in eindelingsche, weinig-bloemige korte trossen, met vele schubben omgevenHexisea.16a.Lange met bladeren bezette, verdikte stengels; onderste bladeren ten deele afgevallen. Tros eindelings, veelbloemig, bloemen geel tot groenOrleanesia.16b.Bloemen alleenstaand of in kleine groepjes aan het eind van de weinig verdikte geleding van den stengel naast de nieuwe stengel, zoodat de bloeiwijze schijnbaar zijdelings staat; soms ook zitten de bloemen in de oksels der bladeren1717a.Zuil zonder voet. Zijdelingsche kelkbladeren met een eenigszins hoekig verlengde basis, zoodat er schijnbaar een kin gevormd wordt; bloemen klein; lip wigvormig met lijsten op de plaatTetragamestus.17b.Zuil met een duidelijke voet; zijdelingsche kelkbladeren een normale, doch soms kleine kin vormend1818a.Zuil kort; stuifmeelklompjes zijdelings samengedrukt; bladeren 2-vele. Bloemen groenachtig met bruine streepen en vlekkenPonera.18b.Zuil lang, stuifmeelklompjes niet samengedrukt maar eirond tot bolvormig. Geledingen van den stengel verdikt met telkens 2 bladeren aan het eind. Bloemen violetScaphyglottis.19a.Stuifmeelklompjes 4, gelijk van vorm en grootte2019b. Stuifmeelklompjes 8, in 2 rijen, paarsgewijs boven elkaar, de onderste door een aanhangsel met de bovenste verbonden2120a.Stuifmeelklompjes niet zijdelings platgedrukt doch eirond; kleine planten met kleine vleezige, spitse bladeren, die in twee rijen aan een korte stengel zitten, welke in een trosje van kleine bloemen eindigt. Bebladerde stengels uit een kort, kruipend rhizoom te voorschijn komendLanium.20b.Stuifmeelklompjes platgedrukt. Nagel van den lip opgericht; soms weinig, vaak over een groot deel vergroeid met de zuil; schijf van de lip vrij, opstaand; plaat van den lip met lamellen of andere woekeringen, zonder hoornvormige aanhangselen; zuil meest lang en smal. Planten vaak met luchtwortels, soms ook met onverdikte bebladerde stengelsEpidendrum.21a.Stuifmeelklompjes ongelijk, de bovenste veel kleiner dan de onderste. Lip aan de basis met een smalle nagel, naar boven plotseling verbreed, aan den rand fijn ingesneden. Bladeren vleezig, bijna rond in doorsnede, aan één zijde gegroefd, lang en spits. Bloemen geel en wit, lip en petalen vlakBrassavola.21b.Stuifmeelklompjes gelijk van vorm en grootte. Basis van den lip naar boven geleidelijk in de plaat verbreed. Kelkbladeren en bloembladeren aan den rand sterk gegolfd. Luchtknollen aan den top met 2 vlakke bladerenSchomburgkia.22a.Bloeiwijzen met slechts één bloem. Bladeren zeer klein, vleezig. Achterste kelkblad vrij, de zijdelingsche min of meer aan de basis vergroeid. Bloembladeren smal, scherp toegespitst, aan den top een weinig verdikt. Stuifmeelklompjes 4Restrepia.22b.Meerdere bloemen aan den bloeistengel, of ten minste in groepen bij elkaar; 2 of 8 stuifmeelklompjes2323a.Stuifmeelklompjes 8. Stengels vrij lang, van onderen met eenige schubben bezet, van boven door een (schijnbaar eindelingsch) blad afgesloten. Bloemen aan het eind van den stengel bij de bladvoet in een groepje uit den stengel te voorschijn komend. Kelkbladeren bijna niet vergroeid: bloembladeren weinig kleiner dan de kelkbladeren; lip veel kleiner. Bloemen kleinOctomeria.23b.Stuifmeelklompjes 22424a.Alle kelkbladeren duidelijk met elkaar vergroeid2524b.Kelkbladeren niet vergroeid of tenminste het achterste kelkblad vrij2625a.Bloemen grooter dan 1 c.M. Kelkbladeren een duidelijke beker vormend; kelkslippen min of meer draadvormig verlengd, soms zeer lang. Planten met korte, 1-bladige stengels en weinig-bloemige bloeiwijzenMasdevallia.25b.Bloemen kleiner dan 1 c.M.; kelkbladeren wel vergroeid doch niet met de basis een beker vormend; slippen kort, nooit draadvormig verlengd. Stengels evenals de vorige met 1 goed ontwikkeld blad, bloeiwijze een lange tros met meest vele bloemenStelis.26a.Kelkbladeren niet uitgespreid, spits; bloembladeren smal, niet met elkaar of met den zuil vergroeid, zeer klein. Zuil min of meer verlengd, aan den basis een voet vormend; lip bewegelijk met de basis van den zuil verbonden. Habitus als de vorigePleurothallis.26b.Kelkbladeren uitgespreid. Bloembladeren klein en breed, de nagels met den zuil vergroeid; lip aan de basis van de zuil vastgegroeid, zuil zonder voet. Stengels vrij lang met één eirond blaadje aan den top, aan welks voet de veelbloemige bloeiwijze te voorschijn komtLepanthes.27a.Bladeren meest vrij dun, met vele en duidelijke evenwijdige nerven. Bladeren in den knop opgerold, dus met de randen over elkaar liggend2827b.Bladeren glad, leerachtig tot vleezig, alleen de middennerf duidelijk. Bladeren in den knop samengevouwen langs de middennerf, dus bladranden niet over elkaar liggend4028a.Internodiën gelijkmatig gezwollen of in het geheel niet gezwollen2928b.Een enkel internodium is sterk opgezwollen en vormt een luchtknol3229a.Lip groot, vliezig, met den voet van de zuil bewegelijk verbonden of er mee een spoor of zak vormend. Stuifmeelklompjes 2 of 4 met een kort steeltje, zonder staartje. Planten in den bodem groeiend. Bloemen tweeslachtig3029b.Lip groot, vleezig, niet bewegelijk met den voet van de zuil verbonden, doch er aan vastgegroeid. Stuifmeelklompjes 2 of 4, met een lange steel. Epiphyten. Bloemen bijna steeds eenslachtig3130a.Lip boven de basis kort versmald, tusschen de zijdelingsche kelkbladeren een stompe zak vormend. Helmknop met 2 aanhangsels.Bebladerde stengels kort, met weinig bladeren; bloeistengels naast den bebladerden stengel uit de onderaardsche knolvormig verdikte wortelstok te voorschijn komend, onbebladerd; bloemen in een enkelvoudige trosCyrtopera.30b.Lip aan den basis zonder uitholling of zak. Helmknop met slechts 1 aanhangsel of zonder aanhangsel. Habitus als de vorige, doch bloeiwijze meest meermalen vertaktCyrtopodium.31a.De ♂ bloemen hebben een vrij lange, dikke zuil, die rechtopstaat en aan de voorzijde twee lange draadvormige aanhangsels heeft; stuifmeelklompjes 4, langwerpigCatasetum.31b.De ♂ bloemen hebben een zeer lange, sterk naar voren gebogen zuil die aan de basis dun, naar boven verdikt is en geen draadvormige aanhangselen heeft. Stuifmeelklompjes 2, bijna bolrond of eirondCycnoches.32a.De bloeiwijze komt te voorschijn direct onder de luchtknol, d.w.z. uit de oksel van de bovenste der bladeren, die de luchtknol aan de basis bedekken. De nieuwe spruit staat daarentegen in den oksel van de onderste dier schubben. Knol met 1 of 2 bladeren aan den top. Bloeiwijzen onbebladerd, opgericht, met schubben bedekt, met weinige groote of vrij groote bloemen; kelkbladeren smal, afstaand, de zijdelingsche aan den korten zuilvoet bevestigd; de beide bloembladeren gelijk van vorm als de kelkbladeren. Lip onbewegelijk met de zuilvoet vergroeid, een zeer korte kin vormend, breed en vlak met een dwarse lijst. Zuil aan den top met twee stompe vleugeltjes. 4 stuifmeelklompjesMenadenium.32b.Bloeiwijze tevoorschijnkomend uit den oksel van de onderste der bladeren, die de basis van de knol omgeven, of uit de onderste schubben van de nog groeiende spruit (Batemania). Nieuwe spruit uit den oksel van de bovenste dier bladeren tevoorschijnkomend3333a.Lip vliezig, meest voorzien van overlangsche lijsten met den zuilvoet bewegelijk verbonden3433b.Lip vleezig, duidelijk geleed in verschillende achter elkaar liggende afdeelingen, waarvan de laatste bladachtig, de 2deen 1stevleezig zijn; de 1steafdeeling is dan met de voet van den zuil onbewegelijk verbonden3634a.Stuifmeelklompjes na het afvallen van de helmknop door 1 steeltje verbonden3534b.Stuifmeelklompjes aan twee steeltjes vastzittend. Kelk- en kroonbladeren vrijwel gelijk, de beide zijdelingsche kelkbladeren met den zuilvoet een groote spitse kin vormend, die het uiterlijk heeft van een spoor. Bloembladeren naar voren staand, met den zuilvoet vergroeid. Bloeiwijze met vele bloemen. 1 blad op de luchtknolBifrenaria.35a.Bloeiwijze met 1–3 bloemen, hangend. De zijdelingsche kelkbladeren vormen slechts een kleine kin. Lip rechtopstaand, op den sterk gebogen zuilvoet zittend, 3-lobbig, met knotsvormige aanhangselen aan den eindlob en smalle overlangsche platen op het midden. Steeltje der stuifmeelklompjes langPaphinia.35b.Bloeiwijze met vele bloemen, hangend. Zijdelingsche kelkbladeren geen kin vormend, doch met een smalle basis op de top van den zuilvoet zittend. Bloembladeren veel breeder dan kelkbladeren,met een breede basis aan de zuilvoet verbonden. Lip rechtopstaand 3-lobbig. De 4 stuifmeelklompjes hebben een kort 3-hoekig steeltje. Bloeiwijze te voorschijn komend uit de schubben, die de nog jonge en groeiende bladspruit omgevenBatemania.36a.Bloemen in lange, veelbloemige, hangende trossen. Door een buiging van bloemsteel en vruchtbeginsel is de horizontaal gerichte lip gelegen boven de schuin naar onderen gerichte zuil. Daardoor is ook het middelste kelkblad, dat met de zuil vergroeid is, naar beneden gericht. De zijdelingsche kelkbladeren zijn met breede basis aan de zuilvoet vergroeid. Bloembladen smal en klein, aan den zuil vastgegroeid. Lip met 2 dunne horentjes. Luchtknol met 1 of 2 bladerenGongora.36b.Stand van de bloem normaal, dus zuil naar boven, lip naar onderen gericht; doordat de bloemen hangen aan denietgebogen bloemsteelen is vaak de zuil naar beneden gericht, doch dan is ook de lip naar beneden gericht naar den top van den zuil toe3737a.Bloembladeren en kelkbladeren niet uitgespreid, alle naar elkaar toegebogen. Bloem daardoor halfbolvormig. Bloembladeren gelijk in vorm en grootte met het achterste kelkblad. Zuil kort, lip zeer vast met de zuil verbonden, met 2 vleugels aan de basis, die tegen den zuil aanliggen, in het midden smaller, aan den top weer verbreedPeristeria.37b.Kelkbladeren en bloembladeren afstaand, vaak zelfs teruggeslagen3838a.Zijdelingsche kelkbladeren zeer groot, veel grooter dan het middelste kelkblad en dan de bloembladeren, assymetrisch. Bloembladeren smal, naar beneden hangend. Lip (in den hangenden stand der bloem) eerst smal, schuin naar boven gericht, daarna in een convex, breed gedeelte overgaand vervolgens plotseling loodrecht naar beneden gebogen en daar tot een beker vervormd, waarin vloeistof zit. Knollen sterk gegroefd met 1 of 2 bladeren op den topCoryanthes.38b.Zijdelingsche kelkbladeren en bloembladeren onderling ± gelijk van vorm en grootte; middenlob van de lip niet bekervormig3939a.Bloembladeren en kelkbladeren vrij breed, teruggeslagen. Basis van de lip en voet van de zuil uitgehold, vast met de zuil verbonden. Geen vleugelvormige aanhangselen aan het middendeel van de lip. Eén blad op de luchtknol. Bloeiwijze met 1 of 2 bloemenStanhopea.Lady-slipper.39b.Bloembladeren en kelkbladeren smal, afstaand. Basis van de lip en voet van de zuil steelrond, niet uitgehold, tot aan de lip uitgebreid; 3-lobbig. Minstens 4 bloemen in een hangende trosKegelia.40a.De bebladerde spruiten hebben een begrensde groei; meestal sluiten ze korten tijd na hun ontstaan af met een luchtknol met eenige bladeren op hun top; de plant groeit dan verder door middel van een anders gevormde, meest kruipende en met schubben bedekte spruit4140b.De bebladerde spruiten hebben een onbegrensde groei en dragen de bloemen of bloeiwijzen in de oksels der bladeren5841a.Lip vliezig, bewegelijk met de voet van den zuil verbonden. Stuifmeelklompjes met steeltjes of staartje, maar nooit met beide tegelijk, of zonder beide4241b.Lip vliezig, vast met den voet van de zuil verbonden of direct op den zuil vastzittend of een spoor vormend. Stuifmeelklompjes 2, met een lange of breede steel4842a.Stuifmeelklompjes 4, zonder aanhangsel. Achterste kelkblad vrij, de zijdelingsche aan de voet van de zuil vastgegroeid, een weinig ontwikkelde kin vormend. Lip aan de basis versmald, klein, bewegelijk met den zuilvoet verbonden, 3-lobbig, de 2 zijlobben klein, opgericht, de middenlob groot. Zuil aan den top met 2 vleugels. Epiphyt met een kruipende wortelstok, die met schubben bedekt is; zijspruiten uit slechts 1 luchtknol bestaande, aan de basis met schubben, aan den top met 1 of 2 bladeren. Bloeiwijze naast de luchtknollen te voorschijn komend, soms ook uit het rhizoom zelf, onbebladerd, onvertakt, vaak naar den top verdikt.Bulbophyllum.42b.Planten met of zonder luchtknollen. Stuifmeelklompjes met een goed ontwikkeld steeltje4343a.Iedere spruit vormt uit een geleding een luchtknol, op welks top ongesteelde bladeren zitten, aan welks basis òf bladeren met scheeden, òf alleen schubben aanwezig zijn. De bloeiwijze komt uit een lagere bladoksel te voorschijn als de nieuwe bebladerde spruit. Lip meest met overlangsche verdikkingen4443b.Geen luchtknollen aanwezig. Bloeiwijze steeds éénbloemig, uit een hoogere bladoksel te voorschijn komend dan de nieuwe bladspruit. Lip meest met dwarse verdikkingen4744a.Kelkbladeren van onderen tot een driehoekige buis vergroeid, van boven vrij, afstaand. Bloembladeren veel kleiner dan de kelkbladeren. Lip van af de basis van de zuil opgericht, kleiner dan de kelkbladeren, naar boven afstaand duidelijk 3-lobbig met opgerichte zijlobben. Zuil vrij dun, ongevleugeld, zonder voet. Bladeren smal, een of twee op den top van de dicht op elkaar gedrongen luchtknollenTrigonidium.44b.Kelkbladeren geheel vrij van elkaar4545a.Lip goed bewegelijk. Zuil met een duidelijke voet aan de basis4645b.Lip weinig bewegelijk, soms een weinig met de basis van de zuil verbonden. Zuil zonder voet. Kelk- en bloembladeren naar elkaar gebogen. Lip 3-lobbig, de zijlobben opgericht, de middenlob teruggeslagen. Rhizoom lang kruipend, bloeiwijzen éénbloemig, in groepen in de oksels staand. Bloemen vrij kleinOrnithidium.46a.De stuifmeelklompjes zitten zonder of met een zeerkortsteeltje bijna direct op de kleefmassa; kelk- en kroonbladeren bijna gelijk van vorm, afstaand, de zijdelingsche kelkbladeren kinvormend. Lip 3-lobbig, de zijlobben opgericht. Bloeiwijzen steeds éénbloemig aan de basis van de luchtknol of in de oksels der bladeren van het rhizoom alleenstaandMaxillaria.46b.Bloemenvrijwelgelijk aan de vorige, maar stuifmeelklompjes met een platte en breede steel. De bebladerde spruiten zijn meest sterk vertakt, de luchtknollen staan vaak in de oksels van de bladeren dier spruit; bloemen steeds in de oksels dier bladerenCamaridium.47a.Kelk- en bloembladeren ongeveer gelijk, de zijdelingsche kelkbladeren met den zuilvoet vergroeid en een korte maar duidelijkekin vormend. Lip met een lange nagel, bewegelijk met de zuil verbonden, naar den top zeer sterk verdikt en vleezig over de geheele breedte, met overlangsche lijsten. Zuil zeer breed, bekervormig. Bladeren lang, in twee rijen en in 1 vlak staand. Bloem groot in een korte éénbloemig bloeiwijzeBollea.47b.Lip vast verbonden met de zuil, met een 5-ribbige basis, vervolgens overgaande in een vliezige plaat met kleine halfsikkelvormige zijlobben en een groote ruitvormige eindlob. Zuil kort, niet bekervormig. Bloemen vrij kleinChaubardia.48a.Helmknop rechtopstaand. Bloem zonder spoor of knobbel4948b.Helmknop horizontaal of vaker naar voren overhangend op de voorzijde van de zuil5049a.Kelk en kroonbladeren vrijwel gelijk, afstaand. Lip ongenageld één geheel vormend met de basis van de zuil, diep 3-lobbig, de zijlobben breed, opgericht, de zuil omvattend, de middenlob kort, afstaand. Zuil opgericht vrij dun, ongevleugeld, zonder voet, van voren gegroefd, stuifmeelklompjes 2, zonder aanhangsel. Luchtknollen lang en slank aan den top met één blad. Bloemen in hangende trossenMacradenia.49b.Kelk en bloembladeren vrijwel gelijk van grootte, de bloembladeren sterker gekleurd dan de kelkbladeren, de laatste rechtopstaand of afstaand. Lip met een duidelijke nagel, rechtopstaand, soms met 2 aartjes, verder pijlvormig met een zeer spitse punt. Zuil eenigszins gekromd, zonder voet. Stuifmeelklompjes 2 zonder aanhangsels. Kleine planten met éénbladige luchtknollen; bloemen klein, in trossenNotylia.50a.Bloemen met een duidelijke spoor of knobbel. Stuifmeelklompjes 25150b.Bloemen zonder spoor of knobbel5351a.De spoor is zeer lang en wordt zoowel door de lip gevormd als door de zijdelingsche kelkbladeren, die met elkaar vergroeid zijn. Achterste kelkblad vrij. Bloembladeren breeder. Lip ongedeeld, bijna rond of meer samengerold en de zuil omhullend, aan de basis met 2 lange sporen, die in de spoor van de kelkbladeren verborgen zitten en ermee vergroeid zijn. Bladeren in 1 vlak. Bloeiwijze met 1 of 2 vrij groote gele bloemenPlectrophora.51b.Geen lange spoor, doch alleen een knobbel aanwezig5252a.De zijdelingsche kelkbladeren bijna geheel vergroeid met elkaar; lip zeer kort met de basis van de zuil verbonden, opgericht met een zeer korte spoor die door de beide kelkbladeren bedekt wordt. Bloemen rood in eenzijdige, veelbloemige trossenRodriguezia.52b.De zijdelingsche kelkbladeren geheel vergroeid, aan de basis onder de lip een korte zak vormend. Lip duidelijk genageld, geheel zonder spoor of knobbel. Bloemen violet, in wijde pluimenJonopsis.Sapotille-orchidee.53a.Kelkbladeren niet vergroeid, smal, evenals de kroonbladeren. Nagel van de lip met de zuil vergroeid, verder afstaand, ongedeeld, breed eirond, aan den top plotselingtoegespitst, min of meer schelpvormig.Zuil half zoo lang als de lip. Bladen vleezig. smal, één op de luchtknol. Bloemen vuilwit met lichtroode teekening, in knikkende, 3–4-bloemige trossenTrichopilia.53b.Achterste kelkblad met de kroonbladeren aan de basis van dezuil vastgegroeid. Nagel van de lip tot aan de halve hoogte met de zuil vergroeid, vervolgens afstaand, 3-lobbig, lobben stomp, aan den rand een weinig gegolfd tot gekarteld, de middenlob aan den top wat ingesneden. Planten met groote, sterk platgedrukte luchtknollen met 2 bladeren op den top. Tros rechtopstaand met 2–3 welriekende bloemen. Kelkbladeren geelgroen met paarse strepen; bloembladeren geel, donker geaderd, lip wit, aan de basis geel, met purperen vlekjesAspasia.53c.Lip alleen met de basis van de zuil samenhangend, er niet mee tot een zekere hoogte vergroeid;afstaandof naar beneden geslagen5454a.Stuifmeelklompjes 4. Planten zonder luchtknollen5554b.Stuifmeelklompjes 2. Planten met of zonder luchtknollen5655a.Top van de zuil en helmknop met een lang draadvormig naar beneden gericht aanhangsel. Achterste kelkblad helmvormig gebogen. Lip min of meer 3-lobbig, de beide zijlobben dik en vleezig. Zuil kort en dik, van voren hol. Planten klein, zonder luchtknollen, stengel kort, bladeren in één vlak staand. Bloemen klein in een vrij lange trosOrnithocephalus.55b.Top van de zuil en helmknop niet met een dun verlengsel. Achterste kelkblad bijna vlak. Lip aan den top met 2 lange, dunne rechtopstaande zijlobben. Kleine planten, bladeren niet in één vlak staand. Tros veelbloemig, knikkendCryptarrhena.56a.Kelkbladeren en bloembladeren zeer lang en dun en spits. Lip ongedeeld, niet 3-lobbig, korter dan de kelkbladeren, zuil ongevleugeld. Planten vrij groot met luchtknollen, met 1 of 2 bladeren op den top. Bloemen in weinigbloemige trossenBrassia.56b.Kelk en kroonbladeren niet bijzonder lang, dun en spits. Zuil gevleugeld5757a.Planten zonder luchtknollen met lange stengels, waaraan de korte bladeren in twee rijen dakpansgewijs over elkaar liggen. Lip betrekkelijk groot met korte zijlobben en groote 3–5-lobbige eindlob. Zuil kort, gevleugeldLockhartia.57b.Planten met luchtknollen of indien er geen luchtknollen aanwezig zijn, dan zijn de stengels kort en staan de bladeren dicht, meest in één vlak, op elkaar. Lip zeer verschillend van vorm, meest groot, steeds direct van af de basis naar beneden geslagen met vele en verschillend gevormde wratten en lijsten. Zuil duidelijk gevleugeldOncidium.58a.Planten met lange meest kruipende of hangende bebladerde stengels. Bloemen alleenstaand in de oksels van de bladeren. Lip aan den voet van de zuil verbonden. Zuil opgericht, ongevleugeld. Stuifmeelklompjes 4, zonder aanhangselen. Bloemen ongespoord.Dichaea.58b.Planten met lange, bebladerde en met luchtwortels bezette stengels en dus bladeren in 2 rijen, of stengels bijna geheel ontbrekend en onbebladerd, en dan de plant alleen bestaande uit een groep van luchtwortels en enkele bloeiwijzen. Bloemen klein, gespoord, in trossenCampylocentrum.(Angraecum).

Bloemen met een bloemdek of met kelk en bloemkroon; typisch 3-tallig; bijna steeds tweeslachtig, zygomorf; van de meeldraden is alleen één van de 3 van de buitenste krans ontwikkeld òf minder vaak, de 2 zijdelingsche aan de binnenste krans; soms nog eenige als staminodiën aanwezig; één van de bloembladeren (lip) anders gevormd dan de beide andere; vruchtbeginsel onderstandig, aan den top met een verlenging (zuil) die de meeldraad en de stempel draagt; stuifmeelkorrels in groepen van 4 meest tot polliniën verbonden. Vrucht een doosvrucht met vele kleine zaden; overblijvende kruiden van zeer verschillende habitus, meest epiphyten.

N. B. Men raadplege ook de gegevens op blz. 88.

1a.Bloemen met 2 meeldraden. Kelkbladeren afstaand, het achterste vrij, de zijdelingsche onder den lip vereenigd; bloembladeren vrij, smaller dan de kelkbladeren, hangend. Lip zittend, schuitvormig. Landplanten met bebladerde stengel, met breede bladeren en een eindelingsche tros van lichtgele bloemen, lip met purperen vlekkenSelenipedilum.

1b.Bloemen steeds met 1 meeldraad2

2a.Helmknop vast vergroeid met de bovenzijde van de zuil; niet afvallend na verwijdering van het stuifmeel; niet door een dunner steeltje met de zuil verbonden, rechtopstaand en van voren open. Landplanten met onderaardsche knollen, of vleezige wortels, met bebladerde stengels en eindelingsche trossen. Lip 3-deelig, met een lange spoorHabenaria.

2b.Helmknopje niet vastgegroeid met de bovenkant van de zuil, doch er met een steeltje mee verbonden; helmknop liggend, bij het verwijderen van het stuifmeel gemakkelijk loslatend3

3a.De bloeiwijze staat aan het eind van den bebladerden stengel en sluit deze reeds enkele maanden na zijn ontstaan af, dus deze stengel kan alleen verder groeien door middel van zijtakken4

3b.De bloeiwijze staat nooit aan het eind van den stengel, doch de stengel krijgt korten tijd na zijn ontstaan in één of meer van de bladoksels bloemen of bloeiwijzen; de stengel groeit dan òf aan zijn top nog verder, of houdt van zelf met groeien op27

4a.Bladeren in den knop opgerold, zoodat de randen elkaar bedekken. Nooit een scherpe grens tusschen bladsteel en bladscheede en daardoor ook de bladeren nooit met een scherp begrensde breuk van de bladsteel afbrekend. Antheren meest niet afvallend maar blijvend, maar toch niet vast vergroeid met den top van de zuil; stuifmeelklompjes niet in harde wasachtige massa’s bij elkaar blijvend, maar meest in korrels uiteenvallend. Planten alle in den grond wortelend, of met lange klimmende stengels5

4b.Bladeren in den knop alleen langs de middennerf gevouwen, deranden niet over elkaar liggend. Planten bijna zonder uitzondering epiphytisch levend9

5a.Planten met lange, vertakte klimmende en bebladerde stengels, met korte luchtwortels. Bloem groot, meest wit of groenachtig.Vanilla.Banilla,Banirie.

5b.Planten in den grond wortelend met een rechtopstaande stengel6

6a.Bloemen met een lange spoor. De bloembladeren met het achterste kelkblad opgericht en samen een soort van helm vormend. Stuifmeelklompjes in groepen van korrels uiteenvallend; helmknop openspringend. Stengels bebladerd; bladeren zachtharigPhysurus.

6b.Bloemen niet met een spoor, hoogstens met een knobbel; indien er een spoor is, dan is deze met vruchtbeginsel vergroeid7

7a.Bloeitros veelbloemig, door draaiing van de as schijnt het dat de bloemen hetzij in een rechte lijn, hetzij in een spiraallijn langs de tros staan. Bloembladeren, kelkbladeren en lip een rechte hoek met het vruchtbeginsel makend en daardoor alle horizontaal naar buiten gericht. Bloemen vrij kleinSpiranthes.

7b.Bloemen naar alle zijden van den tros gericht8

8a.Bladeren goed ontwikkeld in een wortelroset; stengel alleen met schubvormige bladeren bezet. Tros met veel bloemenStenorrhynchus.

8b.Bladeren klein en smal, niet in wortelroset maar hoogstens 3 bladeren langs de bloeiende stengel verspreidPogonia.

9a.De beide bloembladeren en vooral de lip zijn door grootte en kleur sterker of even sterk in het oog springend als de 3 kelkbladeren10

9b.De lip en de beide bloembladeren vallen belangrijk minder in het oog dan de 3 kelkbladeren; zuil verlengd in een voet, die met de lip geleed is22

10a.Bladschijf en bladscheede geleidelijk in elkaar overgaand zonder geleding, bladeren alle aan de voet van den bloeistengel in een roset gezeten. Bloemen wit, nog niet 1 c.M. groot; zuil lang, zonder voet. Stuifmeelklompjes 4, zonder aanhangselenLiparis.

10b.Bladschijf en bladscheede duidelijk van elkaar te scheiden; geleed en op die plaats later afbrekend11

11a.Bladeren vrij breed, door talrijke evenwijdige nerven sterk geplooid,vrij dun. Bloemen tot 5 c.M. groot, rose tot paars, lip van binnen wat geel, alleen of in groepen aan het eind van den stengel zittendSobralia.

11b.Bladeren glad, leerachtig, niet gerimpeld, een enkele maal dun, maar dan zeer smal als grasbladeren, soms ook vleezig12

12a.Bloemen met een lange spoor aan den lip, vrij groot. Bloeiwijze een eindelingsche tros; stengel van onderen in een kleine knol verdikt, bladeren lang en smal, in twee rijen langs den stengelGaleandra.

12b.Lip steeds ongespoord13

13a.Lip niet grooter dan de beide bloembladeren en de kelk. Zuil in een voet verlengd, waarmee de lip eenigszins bewegelijk verbonden is. Zuil zeer kort en breed. Stuifmeelklompjes 4 of 2, met een kort steeltje, doch zonder staartje. Bloemen zeer klein, in eindelingsche trossenPolystachya.

13b.Vooralde lip goed ontwikkeld en grooter dan de kelkbladeren. Stuifmeelklompjes 4, 6 of 8, zonder steeltje, doch met een staartje14

14a.Zuil in een voet verlengd; soms is er schijnbaar een voet aanwezig, maar wordt deze door de zijdelingsche kelkbladeren gevormd (Tetragamestus)15

14b.Zuil niet in een voet verlengd19

15a.Lip geheel vrij16

15b.Lip aan den basis met de zuil tot een bekertje vergroeid. Stengels met lange en dunne geledingen en lange bladeren, sommige geledingen vaak een weinig verdikt tot een lange smalle luchtknol. Nieuwe spruiten aan het eind van die luchtknollen. Bloemen in eindelingsche, weinig-bloemige korte trossen, met vele schubben omgevenHexisea.

16a.Lange met bladeren bezette, verdikte stengels; onderste bladeren ten deele afgevallen. Tros eindelings, veelbloemig, bloemen geel tot groenOrleanesia.

16b.Bloemen alleenstaand of in kleine groepjes aan het eind van de weinig verdikte geleding van den stengel naast de nieuwe stengel, zoodat de bloeiwijze schijnbaar zijdelings staat; soms ook zitten de bloemen in de oksels der bladeren17

17a.Zuil zonder voet. Zijdelingsche kelkbladeren met een eenigszins hoekig verlengde basis, zoodat er schijnbaar een kin gevormd wordt; bloemen klein; lip wigvormig met lijsten op de plaatTetragamestus.

17b.Zuil met een duidelijke voet; zijdelingsche kelkbladeren een normale, doch soms kleine kin vormend18

18a.Zuil kort; stuifmeelklompjes zijdelings samengedrukt; bladeren 2-vele. Bloemen groenachtig met bruine streepen en vlekkenPonera.

18b.Zuil lang, stuifmeelklompjes niet samengedrukt maar eirond tot bolvormig. Geledingen van den stengel verdikt met telkens 2 bladeren aan het eind. Bloemen violetScaphyglottis.

19a.Stuifmeelklompjes 4, gelijk van vorm en grootte20

19b. Stuifmeelklompjes 8, in 2 rijen, paarsgewijs boven elkaar, de onderste door een aanhangsel met de bovenste verbonden21

20a.Stuifmeelklompjes niet zijdelings platgedrukt doch eirond; kleine planten met kleine vleezige, spitse bladeren, die in twee rijen aan een korte stengel zitten, welke in een trosje van kleine bloemen eindigt. Bebladerde stengels uit een kort, kruipend rhizoom te voorschijn komendLanium.

20b.Stuifmeelklompjes platgedrukt. Nagel van den lip opgericht; soms weinig, vaak over een groot deel vergroeid met de zuil; schijf van de lip vrij, opstaand; plaat van den lip met lamellen of andere woekeringen, zonder hoornvormige aanhangselen; zuil meest lang en smal. Planten vaak met luchtwortels, soms ook met onverdikte bebladerde stengelsEpidendrum.

21a.Stuifmeelklompjes ongelijk, de bovenste veel kleiner dan de onderste. Lip aan de basis met een smalle nagel, naar boven plotseling verbreed, aan den rand fijn ingesneden. Bladeren vleezig, bijna rond in doorsnede, aan één zijde gegroefd, lang en spits. Bloemen geel en wit, lip en petalen vlakBrassavola.

21b.Stuifmeelklompjes gelijk van vorm en grootte. Basis van den lip naar boven geleidelijk in de plaat verbreed. Kelkbladeren en bloembladeren aan den rand sterk gegolfd. Luchtknollen aan den top met 2 vlakke bladerenSchomburgkia.

22a.Bloeiwijzen met slechts één bloem. Bladeren zeer klein, vleezig. Achterste kelkblad vrij, de zijdelingsche min of meer aan de basis vergroeid. Bloembladeren smal, scherp toegespitst, aan den top een weinig verdikt. Stuifmeelklompjes 4Restrepia.

22b.Meerdere bloemen aan den bloeistengel, of ten minste in groepen bij elkaar; 2 of 8 stuifmeelklompjes23

23a.Stuifmeelklompjes 8. Stengels vrij lang, van onderen met eenige schubben bezet, van boven door een (schijnbaar eindelingsch) blad afgesloten. Bloemen aan het eind van den stengel bij de bladvoet in een groepje uit den stengel te voorschijn komend. Kelkbladeren bijna niet vergroeid: bloembladeren weinig kleiner dan de kelkbladeren; lip veel kleiner. Bloemen kleinOctomeria.

23b.Stuifmeelklompjes 224

24a.Alle kelkbladeren duidelijk met elkaar vergroeid25

24b.Kelkbladeren niet vergroeid of tenminste het achterste kelkblad vrij26

25a.Bloemen grooter dan 1 c.M. Kelkbladeren een duidelijke beker vormend; kelkslippen min of meer draadvormig verlengd, soms zeer lang. Planten met korte, 1-bladige stengels en weinig-bloemige bloeiwijzenMasdevallia.

25b.Bloemen kleiner dan 1 c.M.; kelkbladeren wel vergroeid doch niet met de basis een beker vormend; slippen kort, nooit draadvormig verlengd. Stengels evenals de vorige met 1 goed ontwikkeld blad, bloeiwijze een lange tros met meest vele bloemenStelis.

26a.Kelkbladeren niet uitgespreid, spits; bloembladeren smal, niet met elkaar of met den zuil vergroeid, zeer klein. Zuil min of meer verlengd, aan den basis een voet vormend; lip bewegelijk met de basis van den zuil verbonden. Habitus als de vorigePleurothallis.

26b.Kelkbladeren uitgespreid. Bloembladeren klein en breed, de nagels met den zuil vergroeid; lip aan de basis van de zuil vastgegroeid, zuil zonder voet. Stengels vrij lang met één eirond blaadje aan den top, aan welks voet de veelbloemige bloeiwijze te voorschijn komtLepanthes.

27a.Bladeren meest vrij dun, met vele en duidelijke evenwijdige nerven. Bladeren in den knop opgerold, dus met de randen over elkaar liggend28

27b.Bladeren glad, leerachtig tot vleezig, alleen de middennerf duidelijk. Bladeren in den knop samengevouwen langs de middennerf, dus bladranden niet over elkaar liggend40

28a.Internodiën gelijkmatig gezwollen of in het geheel niet gezwollen29

28b.Een enkel internodium is sterk opgezwollen en vormt een luchtknol32

29a.Lip groot, vliezig, met den voet van de zuil bewegelijk verbonden of er mee een spoor of zak vormend. Stuifmeelklompjes 2 of 4 met een kort steeltje, zonder staartje. Planten in den bodem groeiend. Bloemen tweeslachtig30

29b.Lip groot, vleezig, niet bewegelijk met den voet van de zuil verbonden, doch er aan vastgegroeid. Stuifmeelklompjes 2 of 4, met een lange steel. Epiphyten. Bloemen bijna steeds eenslachtig31

30a.Lip boven de basis kort versmald, tusschen de zijdelingsche kelkbladeren een stompe zak vormend. Helmknop met 2 aanhangsels.Bebladerde stengels kort, met weinig bladeren; bloeistengels naast den bebladerden stengel uit de onderaardsche knolvormig verdikte wortelstok te voorschijn komend, onbebladerd; bloemen in een enkelvoudige trosCyrtopera.

30b.Lip aan den basis zonder uitholling of zak. Helmknop met slechts 1 aanhangsel of zonder aanhangsel. Habitus als de vorige, doch bloeiwijze meest meermalen vertaktCyrtopodium.

31a.De ♂ bloemen hebben een vrij lange, dikke zuil, die rechtopstaat en aan de voorzijde twee lange draadvormige aanhangsels heeft; stuifmeelklompjes 4, langwerpigCatasetum.

31b.De ♂ bloemen hebben een zeer lange, sterk naar voren gebogen zuil die aan de basis dun, naar boven verdikt is en geen draadvormige aanhangselen heeft. Stuifmeelklompjes 2, bijna bolrond of eirondCycnoches.

32a.De bloeiwijze komt te voorschijn direct onder de luchtknol, d.w.z. uit de oksel van de bovenste der bladeren, die de luchtknol aan de basis bedekken. De nieuwe spruit staat daarentegen in den oksel van de onderste dier schubben. Knol met 1 of 2 bladeren aan den top. Bloeiwijzen onbebladerd, opgericht, met schubben bedekt, met weinige groote of vrij groote bloemen; kelkbladeren smal, afstaand, de zijdelingsche aan den korten zuilvoet bevestigd; de beide bloembladeren gelijk van vorm als de kelkbladeren. Lip onbewegelijk met de zuilvoet vergroeid, een zeer korte kin vormend, breed en vlak met een dwarse lijst. Zuil aan den top met twee stompe vleugeltjes. 4 stuifmeelklompjesMenadenium.

32b.Bloeiwijze tevoorschijnkomend uit den oksel van de onderste der bladeren, die de basis van de knol omgeven, of uit de onderste schubben van de nog groeiende spruit (Batemania). Nieuwe spruit uit den oksel van de bovenste dier bladeren tevoorschijnkomend33

33a.Lip vliezig, meest voorzien van overlangsche lijsten met den zuilvoet bewegelijk verbonden34

33b.Lip vleezig, duidelijk geleed in verschillende achter elkaar liggende afdeelingen, waarvan de laatste bladachtig, de 2deen 1stevleezig zijn; de 1steafdeeling is dan met de voet van den zuil onbewegelijk verbonden36

34a.Stuifmeelklompjes na het afvallen van de helmknop door 1 steeltje verbonden35

34b.Stuifmeelklompjes aan twee steeltjes vastzittend. Kelk- en kroonbladeren vrijwel gelijk, de beide zijdelingsche kelkbladeren met den zuilvoet een groote spitse kin vormend, die het uiterlijk heeft van een spoor. Bloembladeren naar voren staand, met den zuilvoet vergroeid. Bloeiwijze met vele bloemen. 1 blad op de luchtknolBifrenaria.

35a.Bloeiwijze met 1–3 bloemen, hangend. De zijdelingsche kelkbladeren vormen slechts een kleine kin. Lip rechtopstaand, op den sterk gebogen zuilvoet zittend, 3-lobbig, met knotsvormige aanhangselen aan den eindlob en smalle overlangsche platen op het midden. Steeltje der stuifmeelklompjes langPaphinia.

35b.Bloeiwijze met vele bloemen, hangend. Zijdelingsche kelkbladeren geen kin vormend, doch met een smalle basis op de top van den zuilvoet zittend. Bloembladeren veel breeder dan kelkbladeren,met een breede basis aan de zuilvoet verbonden. Lip rechtopstaand 3-lobbig. De 4 stuifmeelklompjes hebben een kort 3-hoekig steeltje. Bloeiwijze te voorschijn komend uit de schubben, die de nog jonge en groeiende bladspruit omgevenBatemania.

36a.Bloemen in lange, veelbloemige, hangende trossen. Door een buiging van bloemsteel en vruchtbeginsel is de horizontaal gerichte lip gelegen boven de schuin naar onderen gerichte zuil. Daardoor is ook het middelste kelkblad, dat met de zuil vergroeid is, naar beneden gericht. De zijdelingsche kelkbladeren zijn met breede basis aan de zuilvoet vergroeid. Bloembladen smal en klein, aan den zuil vastgegroeid. Lip met 2 dunne horentjes. Luchtknol met 1 of 2 bladerenGongora.

36b.Stand van de bloem normaal, dus zuil naar boven, lip naar onderen gericht; doordat de bloemen hangen aan denietgebogen bloemsteelen is vaak de zuil naar beneden gericht, doch dan is ook de lip naar beneden gericht naar den top van den zuil toe37

37a.Bloembladeren en kelkbladeren niet uitgespreid, alle naar elkaar toegebogen. Bloem daardoor halfbolvormig. Bloembladeren gelijk in vorm en grootte met het achterste kelkblad. Zuil kort, lip zeer vast met de zuil verbonden, met 2 vleugels aan de basis, die tegen den zuil aanliggen, in het midden smaller, aan den top weer verbreedPeristeria.

37b.Kelkbladeren en bloembladeren afstaand, vaak zelfs teruggeslagen38

38a.Zijdelingsche kelkbladeren zeer groot, veel grooter dan het middelste kelkblad en dan de bloembladeren, assymetrisch. Bloembladeren smal, naar beneden hangend. Lip (in den hangenden stand der bloem) eerst smal, schuin naar boven gericht, daarna in een convex, breed gedeelte overgaand vervolgens plotseling loodrecht naar beneden gebogen en daar tot een beker vervormd, waarin vloeistof zit. Knollen sterk gegroefd met 1 of 2 bladeren op den topCoryanthes.

38b.Zijdelingsche kelkbladeren en bloembladeren onderling ± gelijk van vorm en grootte; middenlob van de lip niet bekervormig39

39a.Bloembladeren en kelkbladeren vrij breed, teruggeslagen. Basis van de lip en voet van de zuil uitgehold, vast met de zuil verbonden. Geen vleugelvormige aanhangselen aan het middendeel van de lip. Eén blad op de luchtknol. Bloeiwijze met 1 of 2 bloemenStanhopea.Lady-slipper.

39b.Bloembladeren en kelkbladeren smal, afstaand. Basis van de lip en voet van de zuil steelrond, niet uitgehold, tot aan de lip uitgebreid; 3-lobbig. Minstens 4 bloemen in een hangende trosKegelia.

40a.De bebladerde spruiten hebben een begrensde groei; meestal sluiten ze korten tijd na hun ontstaan af met een luchtknol met eenige bladeren op hun top; de plant groeit dan verder door middel van een anders gevormde, meest kruipende en met schubben bedekte spruit41

40b.De bebladerde spruiten hebben een onbegrensde groei en dragen de bloemen of bloeiwijzen in de oksels der bladeren58

41a.Lip vliezig, bewegelijk met de voet van den zuil verbonden. Stuifmeelklompjes met steeltjes of staartje, maar nooit met beide tegelijk, of zonder beide42

41b.Lip vliezig, vast met den voet van de zuil verbonden of direct op den zuil vastzittend of een spoor vormend. Stuifmeelklompjes 2, met een lange of breede steel48

42a.Stuifmeelklompjes 4, zonder aanhangsel. Achterste kelkblad vrij, de zijdelingsche aan de voet van de zuil vastgegroeid, een weinig ontwikkelde kin vormend. Lip aan de basis versmald, klein, bewegelijk met den zuilvoet verbonden, 3-lobbig, de 2 zijlobben klein, opgericht, de middenlob groot. Zuil aan den top met 2 vleugels. Epiphyt met een kruipende wortelstok, die met schubben bedekt is; zijspruiten uit slechts 1 luchtknol bestaande, aan de basis met schubben, aan den top met 1 of 2 bladeren. Bloeiwijze naast de luchtknollen te voorschijn komend, soms ook uit het rhizoom zelf, onbebladerd, onvertakt, vaak naar den top verdikt.Bulbophyllum.

42b.Planten met of zonder luchtknollen. Stuifmeelklompjes met een goed ontwikkeld steeltje43

43a.Iedere spruit vormt uit een geleding een luchtknol, op welks top ongesteelde bladeren zitten, aan welks basis òf bladeren met scheeden, òf alleen schubben aanwezig zijn. De bloeiwijze komt uit een lagere bladoksel te voorschijn als de nieuwe bebladerde spruit. Lip meest met overlangsche verdikkingen44

43b.Geen luchtknollen aanwezig. Bloeiwijze steeds éénbloemig, uit een hoogere bladoksel te voorschijn komend dan de nieuwe bladspruit. Lip meest met dwarse verdikkingen47

44a.Kelkbladeren van onderen tot een driehoekige buis vergroeid, van boven vrij, afstaand. Bloembladeren veel kleiner dan de kelkbladeren. Lip van af de basis van de zuil opgericht, kleiner dan de kelkbladeren, naar boven afstaand duidelijk 3-lobbig met opgerichte zijlobben. Zuil vrij dun, ongevleugeld, zonder voet. Bladeren smal, een of twee op den top van de dicht op elkaar gedrongen luchtknollenTrigonidium.

44b.Kelkbladeren geheel vrij van elkaar45

45a.Lip goed bewegelijk. Zuil met een duidelijke voet aan de basis46

45b.Lip weinig bewegelijk, soms een weinig met de basis van de zuil verbonden. Zuil zonder voet. Kelk- en bloembladeren naar elkaar gebogen. Lip 3-lobbig, de zijlobben opgericht, de middenlob teruggeslagen. Rhizoom lang kruipend, bloeiwijzen éénbloemig, in groepen in de oksels staand. Bloemen vrij kleinOrnithidium.

46a.De stuifmeelklompjes zitten zonder of met een zeerkortsteeltje bijna direct op de kleefmassa; kelk- en kroonbladeren bijna gelijk van vorm, afstaand, de zijdelingsche kelkbladeren kinvormend. Lip 3-lobbig, de zijlobben opgericht. Bloeiwijzen steeds éénbloemig aan de basis van de luchtknol of in de oksels der bladeren van het rhizoom alleenstaandMaxillaria.

46b.Bloemenvrijwelgelijk aan de vorige, maar stuifmeelklompjes met een platte en breede steel. De bebladerde spruiten zijn meest sterk vertakt, de luchtknollen staan vaak in de oksels van de bladeren dier spruit; bloemen steeds in de oksels dier bladerenCamaridium.

47a.Kelk- en bloembladeren ongeveer gelijk, de zijdelingsche kelkbladeren met den zuilvoet vergroeid en een korte maar duidelijkekin vormend. Lip met een lange nagel, bewegelijk met de zuil verbonden, naar den top zeer sterk verdikt en vleezig over de geheele breedte, met overlangsche lijsten. Zuil zeer breed, bekervormig. Bladeren lang, in twee rijen en in 1 vlak staand. Bloem groot in een korte éénbloemig bloeiwijzeBollea.

47b.Lip vast verbonden met de zuil, met een 5-ribbige basis, vervolgens overgaande in een vliezige plaat met kleine halfsikkelvormige zijlobben en een groote ruitvormige eindlob. Zuil kort, niet bekervormig. Bloemen vrij kleinChaubardia.

48a.Helmknop rechtopstaand. Bloem zonder spoor of knobbel49

48b.Helmknop horizontaal of vaker naar voren overhangend op de voorzijde van de zuil50

49a.Kelk en kroonbladeren vrijwel gelijk, afstaand. Lip ongenageld één geheel vormend met de basis van de zuil, diep 3-lobbig, de zijlobben breed, opgericht, de zuil omvattend, de middenlob kort, afstaand. Zuil opgericht vrij dun, ongevleugeld, zonder voet, van voren gegroefd, stuifmeelklompjes 2, zonder aanhangsel. Luchtknollen lang en slank aan den top met één blad. Bloemen in hangende trossenMacradenia.

49b.Kelk en bloembladeren vrijwel gelijk van grootte, de bloembladeren sterker gekleurd dan de kelkbladeren, de laatste rechtopstaand of afstaand. Lip met een duidelijke nagel, rechtopstaand, soms met 2 aartjes, verder pijlvormig met een zeer spitse punt. Zuil eenigszins gekromd, zonder voet. Stuifmeelklompjes 2 zonder aanhangsels. Kleine planten met éénbladige luchtknollen; bloemen klein, in trossenNotylia.

50a.Bloemen met een duidelijke spoor of knobbel. Stuifmeelklompjes 251

50b.Bloemen zonder spoor of knobbel53

51a.De spoor is zeer lang en wordt zoowel door de lip gevormd als door de zijdelingsche kelkbladeren, die met elkaar vergroeid zijn. Achterste kelkblad vrij. Bloembladeren breeder. Lip ongedeeld, bijna rond of meer samengerold en de zuil omhullend, aan de basis met 2 lange sporen, die in de spoor van de kelkbladeren verborgen zitten en ermee vergroeid zijn. Bladeren in 1 vlak. Bloeiwijze met 1 of 2 vrij groote gele bloemenPlectrophora.

51b.Geen lange spoor, doch alleen een knobbel aanwezig52

52a.De zijdelingsche kelkbladeren bijna geheel vergroeid met elkaar; lip zeer kort met de basis van de zuil verbonden, opgericht met een zeer korte spoor die door de beide kelkbladeren bedekt wordt. Bloemen rood in eenzijdige, veelbloemige trossenRodriguezia.

52b.De zijdelingsche kelkbladeren geheel vergroeid, aan de basis onder de lip een korte zak vormend. Lip duidelijk genageld, geheel zonder spoor of knobbel. Bloemen violet, in wijde pluimenJonopsis.Sapotille-orchidee.

53a.Kelkbladeren niet vergroeid, smal, evenals de kroonbladeren. Nagel van de lip met de zuil vergroeid, verder afstaand, ongedeeld, breed eirond, aan den top plotselingtoegespitst, min of meer schelpvormig.Zuil half zoo lang als de lip. Bladen vleezig. smal, één op de luchtknol. Bloemen vuilwit met lichtroode teekening, in knikkende, 3–4-bloemige trossenTrichopilia.

53b.Achterste kelkblad met de kroonbladeren aan de basis van dezuil vastgegroeid. Nagel van de lip tot aan de halve hoogte met de zuil vergroeid, vervolgens afstaand, 3-lobbig, lobben stomp, aan den rand een weinig gegolfd tot gekarteld, de middenlob aan den top wat ingesneden. Planten met groote, sterk platgedrukte luchtknollen met 2 bladeren op den top. Tros rechtopstaand met 2–3 welriekende bloemen. Kelkbladeren geelgroen met paarse strepen; bloembladeren geel, donker geaderd, lip wit, aan de basis geel, met purperen vlekjesAspasia.

53c.Lip alleen met de basis van de zuil samenhangend, er niet mee tot een zekere hoogte vergroeid;afstaandof naar beneden geslagen54

54a.Stuifmeelklompjes 4. Planten zonder luchtknollen55

54b.Stuifmeelklompjes 2. Planten met of zonder luchtknollen56

55a.Top van de zuil en helmknop met een lang draadvormig naar beneden gericht aanhangsel. Achterste kelkblad helmvormig gebogen. Lip min of meer 3-lobbig, de beide zijlobben dik en vleezig. Zuil kort en dik, van voren hol. Planten klein, zonder luchtknollen, stengel kort, bladeren in één vlak staand. Bloemen klein in een vrij lange trosOrnithocephalus.

55b.Top van de zuil en helmknop niet met een dun verlengsel. Achterste kelkblad bijna vlak. Lip aan den top met 2 lange, dunne rechtopstaande zijlobben. Kleine planten, bladeren niet in één vlak staand. Tros veelbloemig, knikkendCryptarrhena.

56a.Kelkbladeren en bloembladeren zeer lang en dun en spits. Lip ongedeeld, niet 3-lobbig, korter dan de kelkbladeren, zuil ongevleugeld. Planten vrij groot met luchtknollen, met 1 of 2 bladeren op den top. Bloemen in weinigbloemige trossenBrassia.

56b.Kelk en kroonbladeren niet bijzonder lang, dun en spits. Zuil gevleugeld57

57a.Planten zonder luchtknollen met lange stengels, waaraan de korte bladeren in twee rijen dakpansgewijs over elkaar liggen. Lip betrekkelijk groot met korte zijlobben en groote 3–5-lobbige eindlob. Zuil kort, gevleugeldLockhartia.

57b.Planten met luchtknollen of indien er geen luchtknollen aanwezig zijn, dan zijn de stengels kort en staan de bladeren dicht, meest in één vlak, op elkaar. Lip zeer verschillend van vorm, meest groot, steeds direct van af de basis naar beneden geslagen met vele en verschillend gevormde wratten en lijsten. Zuil duidelijk gevleugeldOncidium.

58a.Planten met lange meest kruipende of hangende bebladerde stengels. Bloemen alleenstaand in de oksels van de bladeren. Lip aan den voet van de zuil verbonden. Zuil opgericht, ongevleugeld. Stuifmeelklompjes 4, zonder aanhangselen. Bloemen ongespoord.Dichaea.

58b.Planten met lange, bebladerde en met luchtwortels bezette stengels en dus bladeren in 2 rijen, of stengels bijna geheel ontbrekend en onbebladerd, en dan de plant alleen bestaande uit een groep van luchtwortels en enkele bloeiwijzen. Bloemen klein, gespoord, in trossenCampylocentrum.(Angraecum).

Hulptabel bij het determineeren van Orchideeën, die zich door een enkel in het oog vallend kenmerk onderscheiden.I. Planten alleen bestaand uit een bos luchtwortels en eenige trosjes van kleine bloemen, dus geen stengel en bladeren aanwezig:Campylocentrum.II. Planten in den bodem groeiend zonder luchtwortels:Selenipedilum,Habenaria,Pogonia,Stenorrchynchus,Spiranthes,Physurus,Liparis,Cyrtopera,Cyrtopodium.III. Lange gelijkmatig bebladerde stengels zonder of met luchtwortels; geen luchtknollen aanwezig:Lockhartia,Dichaea,Campylocentrum,Orleanesia,Epidendrum(ten deele).IV. Lange, dunne luchtknollen, telkens met een paar bladeren op den top; de eene luchtknol boven op de andere zittend; bloemen in kleine groepen:Tetragamestus,Ponera,Scaphyglottis,Hexisea.V. Lange, klimmende, groene bebladerde stengels, met lange geledingen:Vanilla.VI. Epiphyten zonder luchtknol doch de bebladerde stengels kort, en daardoor de bladeren in rosetten of in één vlak gezeten:Jonopsis,Ornithocephalus,Cryptarrhena,Oncidium(ten deele),Bollea,Chaubardia.VII. Bebladerde stengels met slechts één blad aan den top, en met een bloeiwijze:Masdevallia,Stelis,Pleurothallis,Lepanthes,Restrepia,Octomeria.VIII. Luchtknollen met één blad op den top:Epidendrum(ten deele),Bifrenaria,Stanhopea,Menadenium(ten deele),Maxillaria,Camaridium,Ornithidium,Trigonidium,Macradenia,Notylia,Rodriguezia,Plectrophora,Trichopilia,Oncidium(ten deele).IX. Luchtknollen met twee bladeren op den top:Lanium(ten deele),Epidendrum(ten deele),Schomburgkia,Paphinia(ten deele),Batemania,Peristeria,Coryanthes,Gongora,Menadenium(ten deele),Bulbophyllum,Aspasia,Brassia,Oncidium(ten deele).X. Bloemen met een spoor of knobbel, hetzij aan de lip, hetzij aan de beide zijdelingsche kelkbladeren, of aan lip en kelkbladeren:Habenaria,Physurus,Liparis,Galeandra,Cyrtopera,Bifrenaria,Rodriguezia,Jonopsis,Plectrophora,Campylocentrum.XI. Kelkbladeren alle 3 met elkaar vergroeid, soms een buis of een beker vormend:Masdevallia,Stelis,Trigonidium.

Hulptabel bij het determineeren van Orchideeën, die zich door een enkel in het oog vallend kenmerk onderscheiden.

I. Planten alleen bestaand uit een bos luchtwortels en eenige trosjes van kleine bloemen, dus geen stengel en bladeren aanwezig:Campylocentrum.II. Planten in den bodem groeiend zonder luchtwortels:Selenipedilum,Habenaria,Pogonia,Stenorrchynchus,Spiranthes,Physurus,Liparis,Cyrtopera,Cyrtopodium.III. Lange gelijkmatig bebladerde stengels zonder of met luchtwortels; geen luchtknollen aanwezig:Lockhartia,Dichaea,Campylocentrum,Orleanesia,Epidendrum(ten deele).IV. Lange, dunne luchtknollen, telkens met een paar bladeren op den top; de eene luchtknol boven op de andere zittend; bloemen in kleine groepen:Tetragamestus,Ponera,Scaphyglottis,Hexisea.V. Lange, klimmende, groene bebladerde stengels, met lange geledingen:Vanilla.VI. Epiphyten zonder luchtknol doch de bebladerde stengels kort, en daardoor de bladeren in rosetten of in één vlak gezeten:Jonopsis,Ornithocephalus,Cryptarrhena,Oncidium(ten deele),Bollea,Chaubardia.VII. Bebladerde stengels met slechts één blad aan den top, en met een bloeiwijze:Masdevallia,Stelis,Pleurothallis,Lepanthes,Restrepia,Octomeria.VIII. Luchtknollen met één blad op den top:Epidendrum(ten deele),Bifrenaria,Stanhopea,Menadenium(ten deele),Maxillaria,Camaridium,Ornithidium,Trigonidium,Macradenia,Notylia,Rodriguezia,Plectrophora,Trichopilia,Oncidium(ten deele).IX. Luchtknollen met twee bladeren op den top:Lanium(ten deele),Epidendrum(ten deele),Schomburgkia,Paphinia(ten deele),Batemania,Peristeria,Coryanthes,Gongora,Menadenium(ten deele),Bulbophyllum,Aspasia,Brassia,Oncidium(ten deele).X. Bloemen met een spoor of knobbel, hetzij aan de lip, hetzij aan de beide zijdelingsche kelkbladeren, of aan lip en kelkbladeren:Habenaria,Physurus,Liparis,Galeandra,Cyrtopera,Bifrenaria,Rodriguezia,Jonopsis,Plectrophora,Campylocentrum.XI. Kelkbladeren alle 3 met elkaar vergroeid, soms een buis of een beker vormend:Masdevallia,Stelis,Trigonidium.

I. Planten alleen bestaand uit een bos luchtwortels en eenige trosjes van kleine bloemen, dus geen stengel en bladeren aanwezig:

Campylocentrum.

II. Planten in den bodem groeiend zonder luchtwortels:

Selenipedilum,Habenaria,Pogonia,Stenorrchynchus,Spiranthes,Physurus,Liparis,Cyrtopera,Cyrtopodium.

III. Lange gelijkmatig bebladerde stengels zonder of met luchtwortels; geen luchtknollen aanwezig:

Lockhartia,Dichaea,Campylocentrum,Orleanesia,Epidendrum(ten deele).

IV. Lange, dunne luchtknollen, telkens met een paar bladeren op den top; de eene luchtknol boven op de andere zittend; bloemen in kleine groepen:

Tetragamestus,Ponera,Scaphyglottis,Hexisea.

V. Lange, klimmende, groene bebladerde stengels, met lange geledingen:

Vanilla.

VI. Epiphyten zonder luchtknol doch de bebladerde stengels kort, en daardoor de bladeren in rosetten of in één vlak gezeten:

Jonopsis,Ornithocephalus,Cryptarrhena,Oncidium(ten deele),Bollea,Chaubardia.

VII. Bebladerde stengels met slechts één blad aan den top, en met een bloeiwijze:

Masdevallia,Stelis,Pleurothallis,Lepanthes,Restrepia,Octomeria.

VIII. Luchtknollen met één blad op den top:

Epidendrum(ten deele),Bifrenaria,Stanhopea,Menadenium(ten deele),Maxillaria,Camaridium,Ornithidium,Trigonidium,Macradenia,Notylia,Rodriguezia,Plectrophora,Trichopilia,Oncidium(ten deele).

IX. Luchtknollen met twee bladeren op den top:

Lanium(ten deele),Epidendrum(ten deele),Schomburgkia,Paphinia(ten deele),Batemania,Peristeria,Coryanthes,Gongora,Menadenium(ten deele),Bulbophyllum,Aspasia,Brassia,Oncidium(ten deele).

X. Bloemen met een spoor of knobbel, hetzij aan de lip, hetzij aan de beide zijdelingsche kelkbladeren, of aan lip en kelkbladeren:

Habenaria,Physurus,Liparis,Galeandra,Cyrtopera,Bifrenaria,Rodriguezia,Jonopsis,Plectrophora,Campylocentrum.

XI. Kelkbladeren alle 3 met elkaar vergroeid, soms een buis of een beker vormend:

Masdevallia,Stelis,Trigonidium.


Back to IndexNext