Chapter 34

Orde:Opuntiales.210.Cactaceae.Bloemen tweeslachtig, regelmatig, soms wat zygomorf; met vaak lange buisvormige bloemas; kelk- en kroonbladeren talrijk, niet duidelijk van elkaar te onderscheiden; meeldraden talrijk; vruchtbeginsel onderstandig, met één stijl en 4–8 wandstandige zaadlijsten; vrucht een bes met vele zaden; meest vleezige planten, zelden met vlakke of cylindrische bladeren; in den regel met een vleezige stam met ribben en kussenvormige bladdragende spruiten; de bladeren zelf vroeg afvallend, of als dorens gevormd.1a.Planten epiphytisch levend21b.Planten in den bodem wortelend32a.Stammen en stengels dun, cylindervormig, vertakt. Bloemen kleinRhipsalis.2b.Bloeiende stengels plat. Bloemen groot met een lange buis, die met schubben bedekt isPhyllocactus.3a.Stam nagenoeg bolrond, geribd, met stekels bezet; aan den topmet eenhalfbolvormig of cylindervormige viltig-behaard hoofdje, waarop de bloemen staanMelocactus.3b.Stammen verlengd, kantig of geribdCereus.3c.Stammen vlak, met of zonder stekels. Meeldraden langer dan de bloemkroonNopalia.Nopari.Orde:Myrtiflorae.216.Lythraceae.Bloemen met kelk en bloemkroon of zonder bloemkroon, 3–16-, meest 4–6-tallig, tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemas schotelvormig tot buisvormig; kelk vaak met tusschenliggende schubjes; bloembladeren aan den rand van de holle as ingehecht; meeldraden dubbel zooveel of 1 tot vele; vruchtbeginsel 2–6-hokkig, zelden 1-hokkig met 2 tot vele zaadknoppen per hokje; kruiden of houtige planten met enkelvoudige meest tegenoverstaande bladeren; steunbladeren klein.1a.Bloemen 6-tallig, zijdelings-symmetrisch. Kelk buisvormig, aan de basis met een spoor of knobbel. Bloembladen meest 6; meeldraden meest 11, zelden minder. Bladeren tegenoverstaand. KruidenCuphea.1b.Bloemen 4–5-tallig; regelmatig22a.Bloemen meest 5-tallig. Bloembladeren genageld. Meeldraden 15–200. Bladeren niet tegenoverstaandLagerströmia.2b.Bloemen 4-tallig33a.Bloemen okselstandig, alleenstaand of 3 bij elkaar. Meeldraden 12–15 in één rij op den kelk ingehecht. Stengel 4-kantig of 4-vleugeligCrenea.3b.Bloemen in meerbloemige vertakte bloeiwijzen. Meeldraden 8, soms meerLawsonia.Reseda.218.Punicaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig of alleen vrouwelijk; regelmatig; bloemas een weinig bekervormig; kelk 5–7-tandig, bloembladeren 5–7, rood; meeldraden talrijk; vruchtbeginsel meerhokkig, onderstandig, geheel met de bloembodem vergroeid, met vele zaadknoppen; stijl 1; schijnvrucht meerzadig, min of meer besachtig; kleine boomen met kleine gaafrandige tegenoverstaande bladeren; bloemen groot, in de bladoksels. Eenig geslachtPunica.219.Lecythidaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, zelden zonder bloembladeren; tweeslachtig; bloemas bekervormig; kelkslippen meest 4–6, zelden 2–3; bloembladeren 4–6, zelden meer; meeldraden vele, in meerdere kransen; vaak ten deele steriel, aan de basis min of meer vergroeid; vruchtbeginsel met de bloemas vergroeid, onderstandig, 2–6-hokkig; met 1 tot vele zaadknoppen; stijlen vergroeid; vrucht vleezig of houtig; houtige planten met verspreide enkelvoudige bladeren zonder steunbladeren.1a.Buis van meeldraden overal even hoog; kelkbladeren 4–6; bloembladeren 6–8, groot. Vrucht een gladde of gevleugelde besGustavia.1b.Buis van meeldraden met een eenzijdig helmvormig aanhangsel22a.Alle meeldraden met helmknoppen. Kelk afvallend, evenals de kroon 6-bladig; vruchtbeginsel 6-hokkig. Stempel 6-stralig. Bloemen in trossen. Vrucht bolvormig met de kelkrest op ongeveer ⅓ van de top of ongeveer in het middenCouroupita.Bosch-kalebas.2b.Meeldraden van het helmvormige aanhangsel zonder helmknoppen of in iedere geval zonder stuifmeel33a.De helm is spiraalvormig opgerold en bestaat uit een ingerold stuk en een weer teruggerold gedeelte63b.De helm is niet spiraalvormig opgerold en niet dubbel44a.Kelk vergroeidbladig, later in 2 concave lobben openscheurend. Bloembladeren 6. Vruchtbeginsel 4-hokkig; de tusschenschotten verdwijnen bij het rijp worden van de zaden. Vrucht met een kleine deksel. Zaden groot, 3-hoekigBertholletia.4b.Kelk 6-bladig55a.Vrucht met een deksel openspringend, waaraan een deel van de middenzuil blijft vastzitten. Zaden met een lange en dikke steelLecythis.Kwatta-patoe.5b.Deksel van de vrucht aan de binnenzijde zonder rest van demiddenzuil der vrucht. Zaden zonder steel, op den bodem van de vrucht zittendEschweilera.Kwatta-patoe.6a.Helm der meeldraden van onderen aan het eind met staminodiën of uitwassen bezet. Vruchtbeginsel 3-hokkig; vrucht langCouratari.Injie-pipa.6b.Helm der meeldraden van onderen zonder staminodiën of uitwassen. Vruchtbeginsel 4- tot meerhokkigAllantoma.220.Rhizophoraceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, zelden zonder bloembladeren; meest tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren 3–16, meest 4–8; bloembladeren evenveel; meeldraden 8 tot vele; meest alle met stuifmeel; vruchtbeginsel 2–5-hokkig, zelden 3-, of 6-hokkig, onderstandig, met de bekervormige bloemas vereenigd; met meest 2 zaadknoppen in ieder hokje; vruchtbeginsel zelden 1-hokkig; vrucht 1–5-hokkig meest met 1 zaad in ieder hokje; boomen of heesters met tegenoverstaande bladeren met spoedig afvallende steunbladeren; zelden bladeren verspreid en zonder steunbladeren.1a.Bloeias kort-napvormig; kelkbladeren en bloembladeren 4. Meeldraden 8. Schijf onduidelijk gelobd. Stijl 2-lobbig. Vrucht éénzadig, aan den boom kiemend. Boomen met luchtwortelsRhizophora.1b.Bloeias klokvormig. Kelkbladeren 4 en bloembladeren 4–5, de laatste sterk ingesneden. Meeldraden 15–30; schijf 15–30-lobbig. Vrucht met spleten openspringend. Bladeren tegenoverstaandCassipourea.221.Combretaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon of zonder bloemkroon; tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig met klokvormige of buisvormige bloemas; kelkslippen 4–5; bloembladeren 4–5; meeldraden 4, 5, 8 of 10, zelden talrijk; stijl 1; vruchtbeginsel onderstandig, éénhokkig met 2–6 zaadknoppen; vrucht leerachtig of steenvruchtachtig vaak met 4–5 vleugels, 1-zadig; houtige planten met tegenoverstaande of verspreide bladeren, vaak klimmend; geen steunbladeren; bloemen in trossen.1a.Bloembladeren ontbrekend; bladeren afwisselend21b.Bloembladeren aanwezig52a.Kelk boven het vruchtbeginsel wijd uitgespreid, bijna schotelvormig, aan den rand een weinig gegolfd en nauwelijks gelobd, na den bloei blijvend. Meeldraden 10. Bloemen in verlengde aarvormige trossen, in denzelfde tros ♂ en tweeslachtige bloemen. Kleine boomen. Bladeren aan den top stompBucida.2b.Kelk na de bloei afvallend, klokvormig33a.Kelk nauwelijks getand of gelobd. Helmknoppen onbewegelijk aan de helmdraden vergroeid. Meeldraden 10. Bloemen in trossen, vaker in korte hoofdjesBuchenavia.3b.Kelk tot op de helft ingesneden. Helmknoppen bewegelijk44a.Bloemen in lange trossen. Bladeren vaak aan het einde der takken groepsgewijs bij elkaar zittend. Bloemen 4–5-tallig met 8 of 10 meeldradenTerminalia.4b.Bloemen in hoofdjes. Vruchten plat, elkaar dakpansgewijs bedekkend, daardoor te samen op een dennenkegel gelijkend. Kleine boompjesConocarpus.5a.Kelkbuis zeer lang, op een lange bloemsteel gelijkend. Stijl aan een zijde tegen de binnenkant van de buis vastgegroeid. Meeldraden in 2 rijen.Klimmende heesterQuisqualis.5b.Kelkbuis niet verlengd66a.Bloemen groot, in zeer lange bruinbehaarde trossen; de bloemen groepsgewijs zittend in de oksel van lange, spitse schutbladeren. Kelkbuis en meeldraden gebogenCacoucia.6b.Bloemen klein of groot, bloeistengel niet bezet met groote schutbladeren77a.Bloemen 5-tallig. Kelk bekervormig, klein, na de bloei blijvend. Vruchtbeginsel min of meer 5-kantig; de 2 bloemsteelblaadjes met het vruchtbeginsel vergroeid. Bloemen in ijle trossen. Kleine boom met leerachtige gesteelde bladeren met een afgeronden top. MangroveplantLaguncularia.7b.Bloemen zeer verschillend van grootte, 4- of 5-tallig. Kelk na den bloei afvallend. Vrucht 4- of 5-kantig of 4–5-vleugelig. Bladeren tegenoverstaand of afwisselendCombretum.222.Myrtaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren en kroonbladeren meest 4–5; meeldraden talrijk, soms in groepen; vruchtbeginsel met de bekervormige bloeias vergroeid, onderstandig; 2–5- tot veelhokkig met 1 tot vele zaadknoppen per hokje; stijlen vergroeid; vrucht zeer verschillend; vaak een bes; houtige planten met meest tegenoverstaande bladeren zonder steunbladeren met doorschijnende olieklieren.1a.Kelkbladeren in den knoptoestand vergroeid, later openscheurend21b.Kelkbladeren reeds in den knoptoestand vrij, dakpansgewijs over elkaar liggend42a.Bloembladeren grooter dan de kelk, 5 of 4, bloemen alleenstaand in de bladoksels; bladeren meest behaard. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig met vele zaadknoppen in ieder hokje, kiem in het zaad gekromd; de kiembladeren klein, het worteltje veel grooterPsidium.2b.Bloembladeren slechts weinig grooter of kleiner dan de kelk, soms geheel ontbrekend. Bloemen niet alleenstaand in de bladoksels; bladeren meest kaal33a.Kelk 4–5-spletig, bloembladeren 4–5, klein of ontbrekend. Vruchtbeginsel 2–3-hokkig met 2 zaadknoppen in elk hokje. Kiem in het zaad samengevouwen, vooral de kiembladeren sterk geplooid en gevouwen. Worteltje even lang als de kiembladerenMarlieria.3b.Kelk 4–6-spletig, bloembladeren 4–6 niet opvallend klein; vruchtbeginsel 2–4-hokkig met 4 tot vele zaadknoppen in elk hokje. Worteltje van de kiem veel kleiner dan de groote en dikke kiembladerenCalycorectes.4a.Bloemen met 4 kelkbladeren en 4 bloembladeren54b.Bloemen met 5 kelkbladeren en 5 bloembladeren85a.Bloemen grooter dan 1 c.M.; vruchtbeginsel naar den bloemsteel versmald en spits. Kelkbladeren kort en stomp. Bloembladeren rond, groot. Meeldraden zeer lang. Vrucht 2–3-hokkig met vele zaadknoppen in ieder hokje. Bloeiwijze weinigbloemig. Bladeren lang en smalJambosa.5b.Bloemen kleiner dan 1 c.M.66a.Vruchten met slechts 1 zaad; kiem spiraalsgewijs opgerold met zeer kleine kiembladeren. Vruchtbeginsel 2-hokkig met 1 of 2 zaadknoppen in elk hokje. Bloeiwijze veelbloemig, sterk vertaktPimenta.6b.Vruchten soms meerzadig; kiem niet spiraalsgewijs opgerold met groote kiembladeren en klein worteltje77a.Vruchtbeginsel 2–4-hokkig met 4 tot vele zaadknoppen in elk hokjeEugenia.7b.Vruchtbeginsel 2-hokkig met 2 zaadknoppen in elk hokjeMyrciaria.8a.Kelkbladeren opvallend groot, aan de basis versmald. Bloembladeren groot, rond. Stijl langer dan de meeldraden. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig. Bloemen in groepen of alleenstaand in de bladokselsCalycolpus.8b.Kelkbladeren klein evenals de bloembladeren99a.Boom met gladde stam; bladeren ongeveer 5 c.M. lang aan den top afgerond, naar de basis versmald hard-leerachtig met een eenigszins omgerolde rand. Bloemen in sterk vertakte bloeiwijzen. Vruchtbeginsel 2-hokkig met 6 zaadknoppen per hokjeAmomis.(Pimenta).Bayoom,Beerum.9b.Bladeren aan den top toegespitst, vruchtbeginsel 2–3-hokkig met 2 zaadknoppen in elk hokje. Bloeiwijzen meest behaard, okselstandigMyrcia.(Aulomyrcia).223.Melastomataceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, regelmatig, soms de meeldraden zygomorf; bloemas bekervormig, bloemen 3- tot veeltallig, meest 4–5-tallig; bloembladeren evenveel als kelkslippen; meeldraden meest dubbel zooveel als bloembladeren; helmknoppen met poriën openspringend; vruchtbeginsel boven- of onderstandig, min of meer met de bloemas vergroeid, meest meerhokkig; stijl 1; vrucht een doosvrucht, of een bes; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande bladeren zonder steunbladeren.1a.Boomen; bladeren zonder de karakteristieke nerven der familie, doch vinnervig, of zóó dik, dat alleen een middennerf zichtbaar is. Bloemen 4- of 5-tallig; kelk buisvormig of geheel zonder buis; steeds het vruchtbeginsel met den bodem van den kelk vergroeid en dus onderstandig. Helmknoppen zonder bijzondere verlengde aanhangselen. Bloemen meest geel. Vrucht een bes met eenige pittenMouriria.1b.Bladeren met een middennerf waaruit aan den voet of dicht boven de voet eenige zijnerven ontspringen, die evenwijdig met de bladrand naar den top van het blad loopen; deze nerven zijn onderling en met dehoofdnerfverbonden door vele evenwijdige zijnerven22a.Vrucht een met kleppen openspringende doosvrucht. Vruchtbeginsel en later ook de vrucht meest maar voor een klein deel of in het geheel niet met de kelkwand vergroeid en daardoor bijna geheel bovenstandig. Meeldraden meest in twee rijen, de eene rij uit grootere meeldraden bestaande dan de andere rij. Helmbindsel aan den voet van voren vaak met verschillende aanhangsels, soms ook van achteren met aanhangsels, zelden geheel zonder aanhangsels (Aciotis). Planten kruidachtig of kleine heesters32b.Vrucht een bes of leerachtig en onregelmatig openspringend. Vruchtbeginsel en later ook de vrucht bijna geheel met de kelkbuis vergroeid en daardoor bijna of geheel onderstandig. Meeldraden meest alle gelijk van grootte. Helmbindsel aan de voet bijna steeds zonder aanhangselen (uitzonderingen bij Miconia). Planten meest groote heesters of boomen133a.Slechts 4 meeldraden aanwezig, de 4 andere of geheel ontbrekend of zeer klein, bloem 4-tallig. Voet van de helmknoppen met 2 knobbels aan de voorzijde. Vruchtbeginsel 2-hokkig; doosvrucht met 2 kleppen openspringend. Bloeiwijze weinigbloemig of bloemen okselstandigSiphanthera.3b.Steeds tweemaal zooveel meeldraden als bloembladeren aanwezig44a.Bloemen 5-tallig met 5 groote en 5 kleine meeldraden; van de 5 groote meeldraden is er één veel grooter dan de 4 andere. Helmbindsel beneden de helmknop verlengd, gebogen, van voren met 2 tanden of knobbels. Doosvrucht met 3 kleppen openspringendRhynchanthera.4b.Niet een van de meeldraden veel grooter dan de andere55a.Bloemen 4-tallig65b.Bloemen 5-tallig106a.Planten niet houtig, met saprijke stengels, klein, op vochtige plaatsen voorkomend. Helmknoppen geheel zonder aanhangselen aan het helmbindsel; meeldraden aan elkaar gelijk, vruchtbeginsel kaal, 2-hokkigAciotis.6b.Helmbindsel met knobbels of langere aanhangsels. Stengel meest wat houtig77a.Kelkslippen driehoekig, spits en na den bloei blijvend; buis van buiten met korte stijve haren bezet; kelkslippen afwisselend met vertakte borstelharen. Helmbindsel min of meer onder de helmknop verlengd, met 2 knobbels of een verdikking aan de voorzijde. Vruchtbeginsel op den top borstelig behaard. Planten meest ruw behaardPterolepis.7b.Kelkslippen niet met borstels afwisselend88a.Helmknoppen van alle meeldraden gelijk van vorm en grootte, helmbindsel gebogen, aan het verbreede einde van voren met 2 lobben of 2 korte sporen of oortjes. Doosvrucht 2- of 4-kleppig (en -hokkig). Bloeiwijzen klein of bloemen alleenstaandComolia.8b.Helmknoppen van 4 der meeldraden verschillend in vorm en grootte van de 4 andere99a.Helmbindsel van alle helmknoppen van voren met 2 opgerichte lange draadvormige aanhangselen.Kelkbuis meest klierachtig behaard. Vruchtbeginsel 4-hokkig aan den top kaal of behaard. Bloemen in groote vertakte bloeiwijzenErnestia.9b.Helmbindsel van slechts 4 der meeldraden met 2 lange sporen, van de andere meeldraden met 2 knobbels; soms ook alle helmknoppen met knobbels. Kelkbuis halfbolvormig of klokvormig met spitse slippen. Vruchtbeginsel kaal 2, 3 of 4-hokkig. Kruiden of heestertjesAcisanthera.10a.Kelk aan de basis met 4, paarsgewijs tegenoverstaande blaadjes omgeven. Meeldraden ongeveer gelijk van vorm; helmbindsel met 2 knobbels van voren. Vruchtbeginsel en doosvrucht aan den top borstelig. Kleine heestersTibouchina.10b.Kelk niet door blaadjes ingehuld1111a.Planten zeer dicht behaard; zoowel stengel en bladeren als top van het vruchtbeginsel en kelk. Helmknoppen zeer ongelijk, 5 met lange sporen, de 5 andere met korte oortjes aan de voorzijde. Vruchtbeginsel 5-hokkig, min of meer met de kelk vergroeidDesmoscelis.11b.Planten niet dicht behaard; vruchtbeginsel op den top kaal1212a.Kelkbuis eirond met blijvende lange kelkslippen. Bloembladeren smal en spits. Meeldraden afwisselend langer en korter. Helmbindsel onder de helmknop verlengd met 2 korte opgerichte sporen voorzien. Vruchtbeginsel 3-hokkig bolvormig; vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht. Bloeiwijze sterk vertakt, losNepsera.12b.Kelkbuis half bolvormig of klokvormig. Bloembladeren rond of eirond, met stompe of afgeronde top. Meeldraden alle met 2 knobbels of oortjes aan het helmbindsel of 4 ervan met 2 lange sporen. Vruchtbeginsel 2–4-hokkigAcisanthera.13a.Bloeiwijze aan het eind van bebladerde takken staand1413b.Bloeiwijzen of alleenstaande bloemen in de bladoksels of uit het hout te voorschijn komend1514a.Bloembladeren spits en smal. Bloemen meest 5-tallig. Kelk vaak met 2 rijen van tanden. Helmbindsel weinig verlengd, zonder aanhangsels. Heesters of boompjes, meest behaardLeandra.14b.Bloembladeren breed en stomp. Bloemen meest 5-tallig. Kelkzoom met zeer korte slippen. Helmknoppen zeer verschillend, met of zonder aanhangselen aan het helmbindsel. Heesters, zelden boomenMiconia.15a.Bloembladeren stomp aan den top1615b.Bloembladeren spits aan den top. Kelk ruwharig tot borstelig, in den knop gesloten; met een dekseltje opengaand; helmknoppen recht en dik, zijdelings samengedrukt; helmbindsel niet verlengd, zonder aanhangselen; ruwharige heesters, bloemen alleenstaand of 3 bij elkaarMyriaspora.16a.Bladeren met blazen aan den voet. Bloemen 3-, 4- of 5-tallig. Helmbindsel niet verlengd. Bloeiwijzen klein of alleenstaande bloemen in de bladoksels. Kelkbuis niet gevleugeldMaieta.16b.Bladvoet zonder blazen1717a.Bloemen aan de bebladerde takken staand1817b.Bloemen beneden de bladeren uit het hout tevoorschijn komend1918a.Bloemen klein, onaanzienlijk; de kelklobben meest aan de buitenzijde voorzien van een lange tand; helmknoppen verlengd en priemvormig, met één opening openspringend; vruchtbeginsel bijna steeds behaard, 3–9-hokkig; kleine, zelden groote heesters of boompjesClidemia.18b.Bloemen groot. Kelkzoom zonder bijslippen; kelk in regelmatige slippen gedeeld of onregelmatig inscheurend. Helmknoppen kort en dik met 2 gaten aan den top openspringend. Vruchtbeginsel geheel met de kelkbuis vergroeid, 8–15-hokkig, kaal. Boomen of heesters, meest onbehaardBellucia.Mispel.19a.Kelkzoom onduidelijk getand. Helmknoppen kort en dik, vaak alle samenhangend. Bloembladeren dik en leerachtig. Vruchtbeginsel geheel met de kelk vergroeid. Bes met de kelkzoom aan den top. Bloemen in dichte trosvormige bloeiwijzen uit het hout tevoorschijn komend boven de lidteekens van de bladerenLoreya.Mispel.19b.Kelkzoom duidelijk getand of gelobd. Helmknoppen meest verlengd en dun. Helmbindsel niet onder de helmknop verlengd. Bloemen alleenstaand of in groepen, niet in trossen. Bes veelzadigHenriettea.Mispel.224.Oenotheraceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, meest tweeslachtig, en regelmatig, zelden zygomorf; bloemas buisvormig; kelkslippen 2–4; zelden 5–6, bloembladeren 2–4, zelden ontbrekend; meeldraden 4–8, zelden 1, 2, 6 of 12, soms ten deele staminodiaal; vruchtbeginsel met de bloemas vergroeid; onderstandig, meest 4-hokkig; met 1 tot vele zaadknoppen in ieder hokje; meest kruiden met tegenoverstaande of verspreide bladeren zonder steunbladen; bloemen okselstandig of in trossen.Bloemen met 4 (–6) kelkbladeren, 4 (–6) gele bloembladeren, 8–12 meeldraden. Vruchtbeginsel onderstandig; vrucht een doosvrucht. Moeras- of waterplantenJussieua.Orde:Umbelliflorae.228.Umbelliferae.Bloemen 5-tallig, met 5 meeldraden, en vaak onduidelijke kelk; meest tweeslachtig, regelmatig, soms zygomorf; vruchtbeginsel onderstandig, 2-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje; de 2 stijlen aan de basis tot een kussen aangezwollen; vrucht een splitvrucht, waarvan de deelvruchten aan een carpophoor blijven hangen; eenjarige of overblijvende kruiden met meest holle stengel en verspreide bladeren, die meestal meermalen gevind zijn en een groote bladscheede hebben; bloemen klein, meest in enkelvoudige of samengestelde schermen of in hoofdjes.1a.Bladeren lang, naar de voet versmald, aan den top afgerond. Stengel aan den top met een gedrongen (op een hoofdje gelijkend) schermEryngium.Sneki-wiwirie.1b.Bladeren gesteeld, rond.Bloemen in een klein schermHydrocotyle.1c.Bladeren gevind tot meervoudig gevind; scherm samengesteld, wijd uitstaand, bloemen wit; vruchten behaardPimpinella.Anijszaad.

Orde:Opuntiales.210.Cactaceae.Bloemen tweeslachtig, regelmatig, soms wat zygomorf; met vaak lange buisvormige bloemas; kelk- en kroonbladeren talrijk, niet duidelijk van elkaar te onderscheiden; meeldraden talrijk; vruchtbeginsel onderstandig, met één stijl en 4–8 wandstandige zaadlijsten; vrucht een bes met vele zaden; meest vleezige planten, zelden met vlakke of cylindrische bladeren; in den regel met een vleezige stam met ribben en kussenvormige bladdragende spruiten; de bladeren zelf vroeg afvallend, of als dorens gevormd.1a.Planten epiphytisch levend21b.Planten in den bodem wortelend32a.Stammen en stengels dun, cylindervormig, vertakt. Bloemen kleinRhipsalis.2b.Bloeiende stengels plat. Bloemen groot met een lange buis, die met schubben bedekt isPhyllocactus.3a.Stam nagenoeg bolrond, geribd, met stekels bezet; aan den topmet eenhalfbolvormig of cylindervormige viltig-behaard hoofdje, waarop de bloemen staanMelocactus.3b.Stammen verlengd, kantig of geribdCereus.3c.Stammen vlak, met of zonder stekels. Meeldraden langer dan de bloemkroonNopalia.Nopari.Orde:Myrtiflorae.216.Lythraceae.Bloemen met kelk en bloemkroon of zonder bloemkroon, 3–16-, meest 4–6-tallig, tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemas schotelvormig tot buisvormig; kelk vaak met tusschenliggende schubjes; bloembladeren aan den rand van de holle as ingehecht; meeldraden dubbel zooveel of 1 tot vele; vruchtbeginsel 2–6-hokkig, zelden 1-hokkig met 2 tot vele zaadknoppen per hokje; kruiden of houtige planten met enkelvoudige meest tegenoverstaande bladeren; steunbladeren klein.1a.Bloemen 6-tallig, zijdelings-symmetrisch. Kelk buisvormig, aan de basis met een spoor of knobbel. Bloembladen meest 6; meeldraden meest 11, zelden minder. Bladeren tegenoverstaand. KruidenCuphea.1b.Bloemen 4–5-tallig; regelmatig22a.Bloemen meest 5-tallig. Bloembladeren genageld. Meeldraden 15–200. Bladeren niet tegenoverstaandLagerströmia.2b.Bloemen 4-tallig33a.Bloemen okselstandig, alleenstaand of 3 bij elkaar. Meeldraden 12–15 in één rij op den kelk ingehecht. Stengel 4-kantig of 4-vleugeligCrenea.3b.Bloemen in meerbloemige vertakte bloeiwijzen. Meeldraden 8, soms meerLawsonia.Reseda.218.Punicaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig of alleen vrouwelijk; regelmatig; bloemas een weinig bekervormig; kelk 5–7-tandig, bloembladeren 5–7, rood; meeldraden talrijk; vruchtbeginsel meerhokkig, onderstandig, geheel met de bloembodem vergroeid, met vele zaadknoppen; stijl 1; schijnvrucht meerzadig, min of meer besachtig; kleine boomen met kleine gaafrandige tegenoverstaande bladeren; bloemen groot, in de bladoksels. Eenig geslachtPunica.219.Lecythidaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, zelden zonder bloembladeren; tweeslachtig; bloemas bekervormig; kelkslippen meest 4–6, zelden 2–3; bloembladeren 4–6, zelden meer; meeldraden vele, in meerdere kransen; vaak ten deele steriel, aan de basis min of meer vergroeid; vruchtbeginsel met de bloemas vergroeid, onderstandig, 2–6-hokkig; met 1 tot vele zaadknoppen; stijlen vergroeid; vrucht vleezig of houtig; houtige planten met verspreide enkelvoudige bladeren zonder steunbladeren.1a.Buis van meeldraden overal even hoog; kelkbladeren 4–6; bloembladeren 6–8, groot. Vrucht een gladde of gevleugelde besGustavia.1b.Buis van meeldraden met een eenzijdig helmvormig aanhangsel22a.Alle meeldraden met helmknoppen. Kelk afvallend, evenals de kroon 6-bladig; vruchtbeginsel 6-hokkig. Stempel 6-stralig. Bloemen in trossen. Vrucht bolvormig met de kelkrest op ongeveer ⅓ van de top of ongeveer in het middenCouroupita.Bosch-kalebas.2b.Meeldraden van het helmvormige aanhangsel zonder helmknoppen of in iedere geval zonder stuifmeel33a.De helm is spiraalvormig opgerold en bestaat uit een ingerold stuk en een weer teruggerold gedeelte63b.De helm is niet spiraalvormig opgerold en niet dubbel44a.Kelk vergroeidbladig, later in 2 concave lobben openscheurend. Bloembladeren 6. Vruchtbeginsel 4-hokkig; de tusschenschotten verdwijnen bij het rijp worden van de zaden. Vrucht met een kleine deksel. Zaden groot, 3-hoekigBertholletia.4b.Kelk 6-bladig55a.Vrucht met een deksel openspringend, waaraan een deel van de middenzuil blijft vastzitten. Zaden met een lange en dikke steelLecythis.Kwatta-patoe.5b.Deksel van de vrucht aan de binnenzijde zonder rest van demiddenzuil der vrucht. Zaden zonder steel, op den bodem van de vrucht zittendEschweilera.Kwatta-patoe.6a.Helm der meeldraden van onderen aan het eind met staminodiën of uitwassen bezet. Vruchtbeginsel 3-hokkig; vrucht langCouratari.Injie-pipa.6b.Helm der meeldraden van onderen zonder staminodiën of uitwassen. Vruchtbeginsel 4- tot meerhokkigAllantoma.220.Rhizophoraceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, zelden zonder bloembladeren; meest tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren 3–16, meest 4–8; bloembladeren evenveel; meeldraden 8 tot vele; meest alle met stuifmeel; vruchtbeginsel 2–5-hokkig, zelden 3-, of 6-hokkig, onderstandig, met de bekervormige bloemas vereenigd; met meest 2 zaadknoppen in ieder hokje; vruchtbeginsel zelden 1-hokkig; vrucht 1–5-hokkig meest met 1 zaad in ieder hokje; boomen of heesters met tegenoverstaande bladeren met spoedig afvallende steunbladeren; zelden bladeren verspreid en zonder steunbladeren.1a.Bloeias kort-napvormig; kelkbladeren en bloembladeren 4. Meeldraden 8. Schijf onduidelijk gelobd. Stijl 2-lobbig. Vrucht éénzadig, aan den boom kiemend. Boomen met luchtwortelsRhizophora.1b.Bloeias klokvormig. Kelkbladeren 4 en bloembladeren 4–5, de laatste sterk ingesneden. Meeldraden 15–30; schijf 15–30-lobbig. Vrucht met spleten openspringend. Bladeren tegenoverstaandCassipourea.221.Combretaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon of zonder bloemkroon; tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig met klokvormige of buisvormige bloemas; kelkslippen 4–5; bloembladeren 4–5; meeldraden 4, 5, 8 of 10, zelden talrijk; stijl 1; vruchtbeginsel onderstandig, éénhokkig met 2–6 zaadknoppen; vrucht leerachtig of steenvruchtachtig vaak met 4–5 vleugels, 1-zadig; houtige planten met tegenoverstaande of verspreide bladeren, vaak klimmend; geen steunbladeren; bloemen in trossen.1a.Bloembladeren ontbrekend; bladeren afwisselend21b.Bloembladeren aanwezig52a.Kelk boven het vruchtbeginsel wijd uitgespreid, bijna schotelvormig, aan den rand een weinig gegolfd en nauwelijks gelobd, na den bloei blijvend. Meeldraden 10. Bloemen in verlengde aarvormige trossen, in denzelfde tros ♂ en tweeslachtige bloemen. Kleine boomen. Bladeren aan den top stompBucida.2b.Kelk na de bloei afvallend, klokvormig33a.Kelk nauwelijks getand of gelobd. Helmknoppen onbewegelijk aan de helmdraden vergroeid. Meeldraden 10. Bloemen in trossen, vaker in korte hoofdjesBuchenavia.3b.Kelk tot op de helft ingesneden. Helmknoppen bewegelijk44a.Bloemen in lange trossen. Bladeren vaak aan het einde der takken groepsgewijs bij elkaar zittend. Bloemen 4–5-tallig met 8 of 10 meeldradenTerminalia.4b.Bloemen in hoofdjes. Vruchten plat, elkaar dakpansgewijs bedekkend, daardoor te samen op een dennenkegel gelijkend. Kleine boompjesConocarpus.5a.Kelkbuis zeer lang, op een lange bloemsteel gelijkend. Stijl aan een zijde tegen de binnenkant van de buis vastgegroeid. Meeldraden in 2 rijen.Klimmende heesterQuisqualis.5b.Kelkbuis niet verlengd66a.Bloemen groot, in zeer lange bruinbehaarde trossen; de bloemen groepsgewijs zittend in de oksel van lange, spitse schutbladeren. Kelkbuis en meeldraden gebogenCacoucia.6b.Bloemen klein of groot, bloeistengel niet bezet met groote schutbladeren77a.Bloemen 5-tallig. Kelk bekervormig, klein, na de bloei blijvend. Vruchtbeginsel min of meer 5-kantig; de 2 bloemsteelblaadjes met het vruchtbeginsel vergroeid. Bloemen in ijle trossen. Kleine boom met leerachtige gesteelde bladeren met een afgeronden top. MangroveplantLaguncularia.7b.Bloemen zeer verschillend van grootte, 4- of 5-tallig. Kelk na den bloei afvallend. Vrucht 4- of 5-kantig of 4–5-vleugelig. Bladeren tegenoverstaand of afwisselendCombretum.222.Myrtaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren en kroonbladeren meest 4–5; meeldraden talrijk, soms in groepen; vruchtbeginsel met de bekervormige bloeias vergroeid, onderstandig; 2–5- tot veelhokkig met 1 tot vele zaadknoppen per hokje; stijlen vergroeid; vrucht zeer verschillend; vaak een bes; houtige planten met meest tegenoverstaande bladeren zonder steunbladeren met doorschijnende olieklieren.1a.Kelkbladeren in den knoptoestand vergroeid, later openscheurend21b.Kelkbladeren reeds in den knoptoestand vrij, dakpansgewijs over elkaar liggend42a.Bloembladeren grooter dan de kelk, 5 of 4, bloemen alleenstaand in de bladoksels; bladeren meest behaard. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig met vele zaadknoppen in ieder hokje, kiem in het zaad gekromd; de kiembladeren klein, het worteltje veel grooterPsidium.2b.Bloembladeren slechts weinig grooter of kleiner dan de kelk, soms geheel ontbrekend. Bloemen niet alleenstaand in de bladoksels; bladeren meest kaal33a.Kelk 4–5-spletig, bloembladeren 4–5, klein of ontbrekend. Vruchtbeginsel 2–3-hokkig met 2 zaadknoppen in elk hokje. Kiem in het zaad samengevouwen, vooral de kiembladeren sterk geplooid en gevouwen. Worteltje even lang als de kiembladerenMarlieria.3b.Kelk 4–6-spletig, bloembladeren 4–6 niet opvallend klein; vruchtbeginsel 2–4-hokkig met 4 tot vele zaadknoppen in elk hokje. Worteltje van de kiem veel kleiner dan de groote en dikke kiembladerenCalycorectes.4a.Bloemen met 4 kelkbladeren en 4 bloembladeren54b.Bloemen met 5 kelkbladeren en 5 bloembladeren85a.Bloemen grooter dan 1 c.M.; vruchtbeginsel naar den bloemsteel versmald en spits. Kelkbladeren kort en stomp. Bloembladeren rond, groot. Meeldraden zeer lang. Vrucht 2–3-hokkig met vele zaadknoppen in ieder hokje. Bloeiwijze weinigbloemig. Bladeren lang en smalJambosa.5b.Bloemen kleiner dan 1 c.M.66a.Vruchten met slechts 1 zaad; kiem spiraalsgewijs opgerold met zeer kleine kiembladeren. Vruchtbeginsel 2-hokkig met 1 of 2 zaadknoppen in elk hokje. Bloeiwijze veelbloemig, sterk vertaktPimenta.6b.Vruchten soms meerzadig; kiem niet spiraalsgewijs opgerold met groote kiembladeren en klein worteltje77a.Vruchtbeginsel 2–4-hokkig met 4 tot vele zaadknoppen in elk hokjeEugenia.7b.Vruchtbeginsel 2-hokkig met 2 zaadknoppen in elk hokjeMyrciaria.8a.Kelkbladeren opvallend groot, aan de basis versmald. Bloembladeren groot, rond. Stijl langer dan de meeldraden. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig. Bloemen in groepen of alleenstaand in de bladokselsCalycolpus.8b.Kelkbladeren klein evenals de bloembladeren99a.Boom met gladde stam; bladeren ongeveer 5 c.M. lang aan den top afgerond, naar de basis versmald hard-leerachtig met een eenigszins omgerolde rand. Bloemen in sterk vertakte bloeiwijzen. Vruchtbeginsel 2-hokkig met 6 zaadknoppen per hokjeAmomis.(Pimenta).Bayoom,Beerum.9b.Bladeren aan den top toegespitst, vruchtbeginsel 2–3-hokkig met 2 zaadknoppen in elk hokje. Bloeiwijzen meest behaard, okselstandigMyrcia.(Aulomyrcia).223.Melastomataceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, regelmatig, soms de meeldraden zygomorf; bloemas bekervormig, bloemen 3- tot veeltallig, meest 4–5-tallig; bloembladeren evenveel als kelkslippen; meeldraden meest dubbel zooveel als bloembladeren; helmknoppen met poriën openspringend; vruchtbeginsel boven- of onderstandig, min of meer met de bloemas vergroeid, meest meerhokkig; stijl 1; vrucht een doosvrucht, of een bes; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande bladeren zonder steunbladeren.1a.Boomen; bladeren zonder de karakteristieke nerven der familie, doch vinnervig, of zóó dik, dat alleen een middennerf zichtbaar is. Bloemen 4- of 5-tallig; kelk buisvormig of geheel zonder buis; steeds het vruchtbeginsel met den bodem van den kelk vergroeid en dus onderstandig. Helmknoppen zonder bijzondere verlengde aanhangselen. Bloemen meest geel. Vrucht een bes met eenige pittenMouriria.1b.Bladeren met een middennerf waaruit aan den voet of dicht boven de voet eenige zijnerven ontspringen, die evenwijdig met de bladrand naar den top van het blad loopen; deze nerven zijn onderling en met dehoofdnerfverbonden door vele evenwijdige zijnerven22a.Vrucht een met kleppen openspringende doosvrucht. Vruchtbeginsel en later ook de vrucht meest maar voor een klein deel of in het geheel niet met de kelkwand vergroeid en daardoor bijna geheel bovenstandig. Meeldraden meest in twee rijen, de eene rij uit grootere meeldraden bestaande dan de andere rij. Helmbindsel aan den voet van voren vaak met verschillende aanhangsels, soms ook van achteren met aanhangsels, zelden geheel zonder aanhangsels (Aciotis). Planten kruidachtig of kleine heesters32b.Vrucht een bes of leerachtig en onregelmatig openspringend. Vruchtbeginsel en later ook de vrucht bijna geheel met de kelkbuis vergroeid en daardoor bijna of geheel onderstandig. Meeldraden meest alle gelijk van grootte. Helmbindsel aan de voet bijna steeds zonder aanhangselen (uitzonderingen bij Miconia). Planten meest groote heesters of boomen133a.Slechts 4 meeldraden aanwezig, de 4 andere of geheel ontbrekend of zeer klein, bloem 4-tallig. Voet van de helmknoppen met 2 knobbels aan de voorzijde. Vruchtbeginsel 2-hokkig; doosvrucht met 2 kleppen openspringend. Bloeiwijze weinigbloemig of bloemen okselstandigSiphanthera.3b.Steeds tweemaal zooveel meeldraden als bloembladeren aanwezig44a.Bloemen 5-tallig met 5 groote en 5 kleine meeldraden; van de 5 groote meeldraden is er één veel grooter dan de 4 andere. Helmbindsel beneden de helmknop verlengd, gebogen, van voren met 2 tanden of knobbels. Doosvrucht met 3 kleppen openspringendRhynchanthera.4b.Niet een van de meeldraden veel grooter dan de andere55a.Bloemen 4-tallig65b.Bloemen 5-tallig106a.Planten niet houtig, met saprijke stengels, klein, op vochtige plaatsen voorkomend. Helmknoppen geheel zonder aanhangselen aan het helmbindsel; meeldraden aan elkaar gelijk, vruchtbeginsel kaal, 2-hokkigAciotis.6b.Helmbindsel met knobbels of langere aanhangsels. Stengel meest wat houtig77a.Kelkslippen driehoekig, spits en na den bloei blijvend; buis van buiten met korte stijve haren bezet; kelkslippen afwisselend met vertakte borstelharen. Helmbindsel min of meer onder de helmknop verlengd, met 2 knobbels of een verdikking aan de voorzijde. Vruchtbeginsel op den top borstelig behaard. Planten meest ruw behaardPterolepis.7b.Kelkslippen niet met borstels afwisselend88a.Helmknoppen van alle meeldraden gelijk van vorm en grootte, helmbindsel gebogen, aan het verbreede einde van voren met 2 lobben of 2 korte sporen of oortjes. Doosvrucht 2- of 4-kleppig (en -hokkig). Bloeiwijzen klein of bloemen alleenstaandComolia.8b.Helmknoppen van 4 der meeldraden verschillend in vorm en grootte van de 4 andere99a.Helmbindsel van alle helmknoppen van voren met 2 opgerichte lange draadvormige aanhangselen.Kelkbuis meest klierachtig behaard. Vruchtbeginsel 4-hokkig aan den top kaal of behaard. Bloemen in groote vertakte bloeiwijzenErnestia.9b.Helmbindsel van slechts 4 der meeldraden met 2 lange sporen, van de andere meeldraden met 2 knobbels; soms ook alle helmknoppen met knobbels. Kelkbuis halfbolvormig of klokvormig met spitse slippen. Vruchtbeginsel kaal 2, 3 of 4-hokkig. Kruiden of heestertjesAcisanthera.10a.Kelk aan de basis met 4, paarsgewijs tegenoverstaande blaadjes omgeven. Meeldraden ongeveer gelijk van vorm; helmbindsel met 2 knobbels van voren. Vruchtbeginsel en doosvrucht aan den top borstelig. Kleine heestersTibouchina.10b.Kelk niet door blaadjes ingehuld1111a.Planten zeer dicht behaard; zoowel stengel en bladeren als top van het vruchtbeginsel en kelk. Helmknoppen zeer ongelijk, 5 met lange sporen, de 5 andere met korte oortjes aan de voorzijde. Vruchtbeginsel 5-hokkig, min of meer met de kelk vergroeidDesmoscelis.11b.Planten niet dicht behaard; vruchtbeginsel op den top kaal1212a.Kelkbuis eirond met blijvende lange kelkslippen. Bloembladeren smal en spits. Meeldraden afwisselend langer en korter. Helmbindsel onder de helmknop verlengd met 2 korte opgerichte sporen voorzien. Vruchtbeginsel 3-hokkig bolvormig; vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht. Bloeiwijze sterk vertakt, losNepsera.12b.Kelkbuis half bolvormig of klokvormig. Bloembladeren rond of eirond, met stompe of afgeronde top. Meeldraden alle met 2 knobbels of oortjes aan het helmbindsel of 4 ervan met 2 lange sporen. Vruchtbeginsel 2–4-hokkigAcisanthera.13a.Bloeiwijze aan het eind van bebladerde takken staand1413b.Bloeiwijzen of alleenstaande bloemen in de bladoksels of uit het hout te voorschijn komend1514a.Bloembladeren spits en smal. Bloemen meest 5-tallig. Kelk vaak met 2 rijen van tanden. Helmbindsel weinig verlengd, zonder aanhangsels. Heesters of boompjes, meest behaardLeandra.14b.Bloembladeren breed en stomp. Bloemen meest 5-tallig. Kelkzoom met zeer korte slippen. Helmknoppen zeer verschillend, met of zonder aanhangselen aan het helmbindsel. Heesters, zelden boomenMiconia.15a.Bloembladeren stomp aan den top1615b.Bloembladeren spits aan den top. Kelk ruwharig tot borstelig, in den knop gesloten; met een dekseltje opengaand; helmknoppen recht en dik, zijdelings samengedrukt; helmbindsel niet verlengd, zonder aanhangselen; ruwharige heesters, bloemen alleenstaand of 3 bij elkaarMyriaspora.16a.Bladeren met blazen aan den voet. Bloemen 3-, 4- of 5-tallig. Helmbindsel niet verlengd. Bloeiwijzen klein of alleenstaande bloemen in de bladoksels. Kelkbuis niet gevleugeldMaieta.16b.Bladvoet zonder blazen1717a.Bloemen aan de bebladerde takken staand1817b.Bloemen beneden de bladeren uit het hout tevoorschijn komend1918a.Bloemen klein, onaanzienlijk; de kelklobben meest aan de buitenzijde voorzien van een lange tand; helmknoppen verlengd en priemvormig, met één opening openspringend; vruchtbeginsel bijna steeds behaard, 3–9-hokkig; kleine, zelden groote heesters of boompjesClidemia.18b.Bloemen groot. Kelkzoom zonder bijslippen; kelk in regelmatige slippen gedeeld of onregelmatig inscheurend. Helmknoppen kort en dik met 2 gaten aan den top openspringend. Vruchtbeginsel geheel met de kelkbuis vergroeid, 8–15-hokkig, kaal. Boomen of heesters, meest onbehaardBellucia.Mispel.19a.Kelkzoom onduidelijk getand. Helmknoppen kort en dik, vaak alle samenhangend. Bloembladeren dik en leerachtig. Vruchtbeginsel geheel met de kelk vergroeid. Bes met de kelkzoom aan den top. Bloemen in dichte trosvormige bloeiwijzen uit het hout tevoorschijn komend boven de lidteekens van de bladerenLoreya.Mispel.19b.Kelkzoom duidelijk getand of gelobd. Helmknoppen meest verlengd en dun. Helmbindsel niet onder de helmknop verlengd. Bloemen alleenstaand of in groepen, niet in trossen. Bes veelzadigHenriettea.Mispel.224.Oenotheraceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, meest tweeslachtig, en regelmatig, zelden zygomorf; bloemas buisvormig; kelkslippen 2–4; zelden 5–6, bloembladeren 2–4, zelden ontbrekend; meeldraden 4–8, zelden 1, 2, 6 of 12, soms ten deele staminodiaal; vruchtbeginsel met de bloemas vergroeid; onderstandig, meest 4-hokkig; met 1 tot vele zaadknoppen in ieder hokje; meest kruiden met tegenoverstaande of verspreide bladeren zonder steunbladen; bloemen okselstandig of in trossen.Bloemen met 4 (–6) kelkbladeren, 4 (–6) gele bloembladeren, 8–12 meeldraden. Vruchtbeginsel onderstandig; vrucht een doosvrucht. Moeras- of waterplantenJussieua.Orde:Umbelliflorae.228.Umbelliferae.Bloemen 5-tallig, met 5 meeldraden, en vaak onduidelijke kelk; meest tweeslachtig, regelmatig, soms zygomorf; vruchtbeginsel onderstandig, 2-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje; de 2 stijlen aan de basis tot een kussen aangezwollen; vrucht een splitvrucht, waarvan de deelvruchten aan een carpophoor blijven hangen; eenjarige of overblijvende kruiden met meest holle stengel en verspreide bladeren, die meestal meermalen gevind zijn en een groote bladscheede hebben; bloemen klein, meest in enkelvoudige of samengestelde schermen of in hoofdjes.1a.Bladeren lang, naar de voet versmald, aan den top afgerond. Stengel aan den top met een gedrongen (op een hoofdje gelijkend) schermEryngium.Sneki-wiwirie.1b.Bladeren gesteeld, rond.Bloemen in een klein schermHydrocotyle.1c.Bladeren gevind tot meervoudig gevind; scherm samengesteld, wijd uitstaand, bloemen wit; vruchten behaardPimpinella.Anijszaad.

Orde:Opuntiales.210.Cactaceae.Bloemen tweeslachtig, regelmatig, soms wat zygomorf; met vaak lange buisvormige bloemas; kelk- en kroonbladeren talrijk, niet duidelijk van elkaar te onderscheiden; meeldraden talrijk; vruchtbeginsel onderstandig, met één stijl en 4–8 wandstandige zaadlijsten; vrucht een bes met vele zaden; meest vleezige planten, zelden met vlakke of cylindrische bladeren; in den regel met een vleezige stam met ribben en kussenvormige bladdragende spruiten; de bladeren zelf vroeg afvallend, of als dorens gevormd.1a.Planten epiphytisch levend21b.Planten in den bodem wortelend32a.Stammen en stengels dun, cylindervormig, vertakt. Bloemen kleinRhipsalis.2b.Bloeiende stengels plat. Bloemen groot met een lange buis, die met schubben bedekt isPhyllocactus.3a.Stam nagenoeg bolrond, geribd, met stekels bezet; aan den topmet eenhalfbolvormig of cylindervormige viltig-behaard hoofdje, waarop de bloemen staanMelocactus.3b.Stammen verlengd, kantig of geribdCereus.3c.Stammen vlak, met of zonder stekels. Meeldraden langer dan de bloemkroonNopalia.Nopari.Orde:Myrtiflorae.216.Lythraceae.Bloemen met kelk en bloemkroon of zonder bloemkroon, 3–16-, meest 4–6-tallig, tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemas schotelvormig tot buisvormig; kelk vaak met tusschenliggende schubjes; bloembladeren aan den rand van de holle as ingehecht; meeldraden dubbel zooveel of 1 tot vele; vruchtbeginsel 2–6-hokkig, zelden 1-hokkig met 2 tot vele zaadknoppen per hokje; kruiden of houtige planten met enkelvoudige meest tegenoverstaande bladeren; steunbladeren klein.1a.Bloemen 6-tallig, zijdelings-symmetrisch. Kelk buisvormig, aan de basis met een spoor of knobbel. Bloembladen meest 6; meeldraden meest 11, zelden minder. Bladeren tegenoverstaand. KruidenCuphea.1b.Bloemen 4–5-tallig; regelmatig22a.Bloemen meest 5-tallig. Bloembladeren genageld. Meeldraden 15–200. Bladeren niet tegenoverstaandLagerströmia.2b.Bloemen 4-tallig33a.Bloemen okselstandig, alleenstaand of 3 bij elkaar. Meeldraden 12–15 in één rij op den kelk ingehecht. Stengel 4-kantig of 4-vleugeligCrenea.3b.Bloemen in meerbloemige vertakte bloeiwijzen. Meeldraden 8, soms meerLawsonia.Reseda.218.Punicaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig of alleen vrouwelijk; regelmatig; bloemas een weinig bekervormig; kelk 5–7-tandig, bloembladeren 5–7, rood; meeldraden talrijk; vruchtbeginsel meerhokkig, onderstandig, geheel met de bloembodem vergroeid, met vele zaadknoppen; stijl 1; schijnvrucht meerzadig, min of meer besachtig; kleine boomen met kleine gaafrandige tegenoverstaande bladeren; bloemen groot, in de bladoksels. Eenig geslachtPunica.219.Lecythidaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, zelden zonder bloembladeren; tweeslachtig; bloemas bekervormig; kelkslippen meest 4–6, zelden 2–3; bloembladeren 4–6, zelden meer; meeldraden vele, in meerdere kransen; vaak ten deele steriel, aan de basis min of meer vergroeid; vruchtbeginsel met de bloemas vergroeid, onderstandig, 2–6-hokkig; met 1 tot vele zaadknoppen; stijlen vergroeid; vrucht vleezig of houtig; houtige planten met verspreide enkelvoudige bladeren zonder steunbladeren.1a.Buis van meeldraden overal even hoog; kelkbladeren 4–6; bloembladeren 6–8, groot. Vrucht een gladde of gevleugelde besGustavia.1b.Buis van meeldraden met een eenzijdig helmvormig aanhangsel22a.Alle meeldraden met helmknoppen. Kelk afvallend, evenals de kroon 6-bladig; vruchtbeginsel 6-hokkig. Stempel 6-stralig. Bloemen in trossen. Vrucht bolvormig met de kelkrest op ongeveer ⅓ van de top of ongeveer in het middenCouroupita.Bosch-kalebas.2b.Meeldraden van het helmvormige aanhangsel zonder helmknoppen of in iedere geval zonder stuifmeel33a.De helm is spiraalvormig opgerold en bestaat uit een ingerold stuk en een weer teruggerold gedeelte63b.De helm is niet spiraalvormig opgerold en niet dubbel44a.Kelk vergroeidbladig, later in 2 concave lobben openscheurend. Bloembladeren 6. Vruchtbeginsel 4-hokkig; de tusschenschotten verdwijnen bij het rijp worden van de zaden. Vrucht met een kleine deksel. Zaden groot, 3-hoekigBertholletia.4b.Kelk 6-bladig55a.Vrucht met een deksel openspringend, waaraan een deel van de middenzuil blijft vastzitten. Zaden met een lange en dikke steelLecythis.Kwatta-patoe.5b.Deksel van de vrucht aan de binnenzijde zonder rest van demiddenzuil der vrucht. Zaden zonder steel, op den bodem van de vrucht zittendEschweilera.Kwatta-patoe.6a.Helm der meeldraden van onderen aan het eind met staminodiën of uitwassen bezet. Vruchtbeginsel 3-hokkig; vrucht langCouratari.Injie-pipa.6b.Helm der meeldraden van onderen zonder staminodiën of uitwassen. Vruchtbeginsel 4- tot meerhokkigAllantoma.220.Rhizophoraceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, zelden zonder bloembladeren; meest tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren 3–16, meest 4–8; bloembladeren evenveel; meeldraden 8 tot vele; meest alle met stuifmeel; vruchtbeginsel 2–5-hokkig, zelden 3-, of 6-hokkig, onderstandig, met de bekervormige bloemas vereenigd; met meest 2 zaadknoppen in ieder hokje; vruchtbeginsel zelden 1-hokkig; vrucht 1–5-hokkig meest met 1 zaad in ieder hokje; boomen of heesters met tegenoverstaande bladeren met spoedig afvallende steunbladeren; zelden bladeren verspreid en zonder steunbladeren.1a.Bloeias kort-napvormig; kelkbladeren en bloembladeren 4. Meeldraden 8. Schijf onduidelijk gelobd. Stijl 2-lobbig. Vrucht éénzadig, aan den boom kiemend. Boomen met luchtwortelsRhizophora.1b.Bloeias klokvormig. Kelkbladeren 4 en bloembladeren 4–5, de laatste sterk ingesneden. Meeldraden 15–30; schijf 15–30-lobbig. Vrucht met spleten openspringend. Bladeren tegenoverstaandCassipourea.221.Combretaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon of zonder bloemkroon; tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig met klokvormige of buisvormige bloemas; kelkslippen 4–5; bloembladeren 4–5; meeldraden 4, 5, 8 of 10, zelden talrijk; stijl 1; vruchtbeginsel onderstandig, éénhokkig met 2–6 zaadknoppen; vrucht leerachtig of steenvruchtachtig vaak met 4–5 vleugels, 1-zadig; houtige planten met tegenoverstaande of verspreide bladeren, vaak klimmend; geen steunbladeren; bloemen in trossen.1a.Bloembladeren ontbrekend; bladeren afwisselend21b.Bloembladeren aanwezig52a.Kelk boven het vruchtbeginsel wijd uitgespreid, bijna schotelvormig, aan den rand een weinig gegolfd en nauwelijks gelobd, na den bloei blijvend. Meeldraden 10. Bloemen in verlengde aarvormige trossen, in denzelfde tros ♂ en tweeslachtige bloemen. Kleine boomen. Bladeren aan den top stompBucida.2b.Kelk na de bloei afvallend, klokvormig33a.Kelk nauwelijks getand of gelobd. Helmknoppen onbewegelijk aan de helmdraden vergroeid. Meeldraden 10. Bloemen in trossen, vaker in korte hoofdjesBuchenavia.3b.Kelk tot op de helft ingesneden. Helmknoppen bewegelijk44a.Bloemen in lange trossen. Bladeren vaak aan het einde der takken groepsgewijs bij elkaar zittend. Bloemen 4–5-tallig met 8 of 10 meeldradenTerminalia.4b.Bloemen in hoofdjes. Vruchten plat, elkaar dakpansgewijs bedekkend, daardoor te samen op een dennenkegel gelijkend. Kleine boompjesConocarpus.5a.Kelkbuis zeer lang, op een lange bloemsteel gelijkend. Stijl aan een zijde tegen de binnenkant van de buis vastgegroeid. Meeldraden in 2 rijen.Klimmende heesterQuisqualis.5b.Kelkbuis niet verlengd66a.Bloemen groot, in zeer lange bruinbehaarde trossen; de bloemen groepsgewijs zittend in de oksel van lange, spitse schutbladeren. Kelkbuis en meeldraden gebogenCacoucia.6b.Bloemen klein of groot, bloeistengel niet bezet met groote schutbladeren77a.Bloemen 5-tallig. Kelk bekervormig, klein, na de bloei blijvend. Vruchtbeginsel min of meer 5-kantig; de 2 bloemsteelblaadjes met het vruchtbeginsel vergroeid. Bloemen in ijle trossen. Kleine boom met leerachtige gesteelde bladeren met een afgeronden top. MangroveplantLaguncularia.7b.Bloemen zeer verschillend van grootte, 4- of 5-tallig. Kelk na den bloei afvallend. Vrucht 4- of 5-kantig of 4–5-vleugelig. Bladeren tegenoverstaand of afwisselendCombretum.222.Myrtaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren en kroonbladeren meest 4–5; meeldraden talrijk, soms in groepen; vruchtbeginsel met de bekervormige bloeias vergroeid, onderstandig; 2–5- tot veelhokkig met 1 tot vele zaadknoppen per hokje; stijlen vergroeid; vrucht zeer verschillend; vaak een bes; houtige planten met meest tegenoverstaande bladeren zonder steunbladeren met doorschijnende olieklieren.1a.Kelkbladeren in den knoptoestand vergroeid, later openscheurend21b.Kelkbladeren reeds in den knoptoestand vrij, dakpansgewijs over elkaar liggend42a.Bloembladeren grooter dan de kelk, 5 of 4, bloemen alleenstaand in de bladoksels; bladeren meest behaard. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig met vele zaadknoppen in ieder hokje, kiem in het zaad gekromd; de kiembladeren klein, het worteltje veel grooterPsidium.2b.Bloembladeren slechts weinig grooter of kleiner dan de kelk, soms geheel ontbrekend. Bloemen niet alleenstaand in de bladoksels; bladeren meest kaal33a.Kelk 4–5-spletig, bloembladeren 4–5, klein of ontbrekend. Vruchtbeginsel 2–3-hokkig met 2 zaadknoppen in elk hokje. Kiem in het zaad samengevouwen, vooral de kiembladeren sterk geplooid en gevouwen. Worteltje even lang als de kiembladerenMarlieria.3b.Kelk 4–6-spletig, bloembladeren 4–6 niet opvallend klein; vruchtbeginsel 2–4-hokkig met 4 tot vele zaadknoppen in elk hokje. Worteltje van de kiem veel kleiner dan de groote en dikke kiembladerenCalycorectes.4a.Bloemen met 4 kelkbladeren en 4 bloembladeren54b.Bloemen met 5 kelkbladeren en 5 bloembladeren85a.Bloemen grooter dan 1 c.M.; vruchtbeginsel naar den bloemsteel versmald en spits. Kelkbladeren kort en stomp. Bloembladeren rond, groot. Meeldraden zeer lang. Vrucht 2–3-hokkig met vele zaadknoppen in ieder hokje. Bloeiwijze weinigbloemig. Bladeren lang en smalJambosa.5b.Bloemen kleiner dan 1 c.M.66a.Vruchten met slechts 1 zaad; kiem spiraalsgewijs opgerold met zeer kleine kiembladeren. Vruchtbeginsel 2-hokkig met 1 of 2 zaadknoppen in elk hokje. Bloeiwijze veelbloemig, sterk vertaktPimenta.6b.Vruchten soms meerzadig; kiem niet spiraalsgewijs opgerold met groote kiembladeren en klein worteltje77a.Vruchtbeginsel 2–4-hokkig met 4 tot vele zaadknoppen in elk hokjeEugenia.7b.Vruchtbeginsel 2-hokkig met 2 zaadknoppen in elk hokjeMyrciaria.8a.Kelkbladeren opvallend groot, aan de basis versmald. Bloembladeren groot, rond. Stijl langer dan de meeldraden. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig. Bloemen in groepen of alleenstaand in de bladokselsCalycolpus.8b.Kelkbladeren klein evenals de bloembladeren99a.Boom met gladde stam; bladeren ongeveer 5 c.M. lang aan den top afgerond, naar de basis versmald hard-leerachtig met een eenigszins omgerolde rand. Bloemen in sterk vertakte bloeiwijzen. Vruchtbeginsel 2-hokkig met 6 zaadknoppen per hokjeAmomis.(Pimenta).Bayoom,Beerum.9b.Bladeren aan den top toegespitst, vruchtbeginsel 2–3-hokkig met 2 zaadknoppen in elk hokje. Bloeiwijzen meest behaard, okselstandigMyrcia.(Aulomyrcia).223.Melastomataceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, regelmatig, soms de meeldraden zygomorf; bloemas bekervormig, bloemen 3- tot veeltallig, meest 4–5-tallig; bloembladeren evenveel als kelkslippen; meeldraden meest dubbel zooveel als bloembladeren; helmknoppen met poriën openspringend; vruchtbeginsel boven- of onderstandig, min of meer met de bloemas vergroeid, meest meerhokkig; stijl 1; vrucht een doosvrucht, of een bes; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande bladeren zonder steunbladeren.1a.Boomen; bladeren zonder de karakteristieke nerven der familie, doch vinnervig, of zóó dik, dat alleen een middennerf zichtbaar is. Bloemen 4- of 5-tallig; kelk buisvormig of geheel zonder buis; steeds het vruchtbeginsel met den bodem van den kelk vergroeid en dus onderstandig. Helmknoppen zonder bijzondere verlengde aanhangselen. Bloemen meest geel. Vrucht een bes met eenige pittenMouriria.1b.Bladeren met een middennerf waaruit aan den voet of dicht boven de voet eenige zijnerven ontspringen, die evenwijdig met de bladrand naar den top van het blad loopen; deze nerven zijn onderling en met dehoofdnerfverbonden door vele evenwijdige zijnerven22a.Vrucht een met kleppen openspringende doosvrucht. Vruchtbeginsel en later ook de vrucht meest maar voor een klein deel of in het geheel niet met de kelkwand vergroeid en daardoor bijna geheel bovenstandig. Meeldraden meest in twee rijen, de eene rij uit grootere meeldraden bestaande dan de andere rij. Helmbindsel aan den voet van voren vaak met verschillende aanhangsels, soms ook van achteren met aanhangsels, zelden geheel zonder aanhangsels (Aciotis). Planten kruidachtig of kleine heesters32b.Vrucht een bes of leerachtig en onregelmatig openspringend. Vruchtbeginsel en later ook de vrucht bijna geheel met de kelkbuis vergroeid en daardoor bijna of geheel onderstandig. Meeldraden meest alle gelijk van grootte. Helmbindsel aan de voet bijna steeds zonder aanhangselen (uitzonderingen bij Miconia). Planten meest groote heesters of boomen133a.Slechts 4 meeldraden aanwezig, de 4 andere of geheel ontbrekend of zeer klein, bloem 4-tallig. Voet van de helmknoppen met 2 knobbels aan de voorzijde. Vruchtbeginsel 2-hokkig; doosvrucht met 2 kleppen openspringend. Bloeiwijze weinigbloemig of bloemen okselstandigSiphanthera.3b.Steeds tweemaal zooveel meeldraden als bloembladeren aanwezig44a.Bloemen 5-tallig met 5 groote en 5 kleine meeldraden; van de 5 groote meeldraden is er één veel grooter dan de 4 andere. Helmbindsel beneden de helmknop verlengd, gebogen, van voren met 2 tanden of knobbels. Doosvrucht met 3 kleppen openspringendRhynchanthera.4b.Niet een van de meeldraden veel grooter dan de andere55a.Bloemen 4-tallig65b.Bloemen 5-tallig106a.Planten niet houtig, met saprijke stengels, klein, op vochtige plaatsen voorkomend. Helmknoppen geheel zonder aanhangselen aan het helmbindsel; meeldraden aan elkaar gelijk, vruchtbeginsel kaal, 2-hokkigAciotis.6b.Helmbindsel met knobbels of langere aanhangsels. Stengel meest wat houtig77a.Kelkslippen driehoekig, spits en na den bloei blijvend; buis van buiten met korte stijve haren bezet; kelkslippen afwisselend met vertakte borstelharen. Helmbindsel min of meer onder de helmknop verlengd, met 2 knobbels of een verdikking aan de voorzijde. Vruchtbeginsel op den top borstelig behaard. Planten meest ruw behaardPterolepis.7b.Kelkslippen niet met borstels afwisselend88a.Helmknoppen van alle meeldraden gelijk van vorm en grootte, helmbindsel gebogen, aan het verbreede einde van voren met 2 lobben of 2 korte sporen of oortjes. Doosvrucht 2- of 4-kleppig (en -hokkig). Bloeiwijzen klein of bloemen alleenstaandComolia.8b.Helmknoppen van 4 der meeldraden verschillend in vorm en grootte van de 4 andere99a.Helmbindsel van alle helmknoppen van voren met 2 opgerichte lange draadvormige aanhangselen.Kelkbuis meest klierachtig behaard. Vruchtbeginsel 4-hokkig aan den top kaal of behaard. Bloemen in groote vertakte bloeiwijzenErnestia.9b.Helmbindsel van slechts 4 der meeldraden met 2 lange sporen, van de andere meeldraden met 2 knobbels; soms ook alle helmknoppen met knobbels. Kelkbuis halfbolvormig of klokvormig met spitse slippen. Vruchtbeginsel kaal 2, 3 of 4-hokkig. Kruiden of heestertjesAcisanthera.10a.Kelk aan de basis met 4, paarsgewijs tegenoverstaande blaadjes omgeven. Meeldraden ongeveer gelijk van vorm; helmbindsel met 2 knobbels van voren. Vruchtbeginsel en doosvrucht aan den top borstelig. Kleine heestersTibouchina.10b.Kelk niet door blaadjes ingehuld1111a.Planten zeer dicht behaard; zoowel stengel en bladeren als top van het vruchtbeginsel en kelk. Helmknoppen zeer ongelijk, 5 met lange sporen, de 5 andere met korte oortjes aan de voorzijde. Vruchtbeginsel 5-hokkig, min of meer met de kelk vergroeidDesmoscelis.11b.Planten niet dicht behaard; vruchtbeginsel op den top kaal1212a.Kelkbuis eirond met blijvende lange kelkslippen. Bloembladeren smal en spits. Meeldraden afwisselend langer en korter. Helmbindsel onder de helmknop verlengd met 2 korte opgerichte sporen voorzien. Vruchtbeginsel 3-hokkig bolvormig; vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht. Bloeiwijze sterk vertakt, losNepsera.12b.Kelkbuis half bolvormig of klokvormig. Bloembladeren rond of eirond, met stompe of afgeronde top. Meeldraden alle met 2 knobbels of oortjes aan het helmbindsel of 4 ervan met 2 lange sporen. Vruchtbeginsel 2–4-hokkigAcisanthera.13a.Bloeiwijze aan het eind van bebladerde takken staand1413b.Bloeiwijzen of alleenstaande bloemen in de bladoksels of uit het hout te voorschijn komend1514a.Bloembladeren spits en smal. Bloemen meest 5-tallig. Kelk vaak met 2 rijen van tanden. Helmbindsel weinig verlengd, zonder aanhangsels. Heesters of boompjes, meest behaardLeandra.14b.Bloembladeren breed en stomp. Bloemen meest 5-tallig. Kelkzoom met zeer korte slippen. Helmknoppen zeer verschillend, met of zonder aanhangselen aan het helmbindsel. Heesters, zelden boomenMiconia.15a.Bloembladeren stomp aan den top1615b.Bloembladeren spits aan den top. Kelk ruwharig tot borstelig, in den knop gesloten; met een dekseltje opengaand; helmknoppen recht en dik, zijdelings samengedrukt; helmbindsel niet verlengd, zonder aanhangselen; ruwharige heesters, bloemen alleenstaand of 3 bij elkaarMyriaspora.16a.Bladeren met blazen aan den voet. Bloemen 3-, 4- of 5-tallig. Helmbindsel niet verlengd. Bloeiwijzen klein of alleenstaande bloemen in de bladoksels. Kelkbuis niet gevleugeldMaieta.16b.Bladvoet zonder blazen1717a.Bloemen aan de bebladerde takken staand1817b.Bloemen beneden de bladeren uit het hout tevoorschijn komend1918a.Bloemen klein, onaanzienlijk; de kelklobben meest aan de buitenzijde voorzien van een lange tand; helmknoppen verlengd en priemvormig, met één opening openspringend; vruchtbeginsel bijna steeds behaard, 3–9-hokkig; kleine, zelden groote heesters of boompjesClidemia.18b.Bloemen groot. Kelkzoom zonder bijslippen; kelk in regelmatige slippen gedeeld of onregelmatig inscheurend. Helmknoppen kort en dik met 2 gaten aan den top openspringend. Vruchtbeginsel geheel met de kelkbuis vergroeid, 8–15-hokkig, kaal. Boomen of heesters, meest onbehaardBellucia.Mispel.19a.Kelkzoom onduidelijk getand. Helmknoppen kort en dik, vaak alle samenhangend. Bloembladeren dik en leerachtig. Vruchtbeginsel geheel met de kelk vergroeid. Bes met de kelkzoom aan den top. Bloemen in dichte trosvormige bloeiwijzen uit het hout tevoorschijn komend boven de lidteekens van de bladerenLoreya.Mispel.19b.Kelkzoom duidelijk getand of gelobd. Helmknoppen meest verlengd en dun. Helmbindsel niet onder de helmknop verlengd. Bloemen alleenstaand of in groepen, niet in trossen. Bes veelzadigHenriettea.Mispel.224.Oenotheraceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, meest tweeslachtig, en regelmatig, zelden zygomorf; bloemas buisvormig; kelkslippen 2–4; zelden 5–6, bloembladeren 2–4, zelden ontbrekend; meeldraden 4–8, zelden 1, 2, 6 of 12, soms ten deele staminodiaal; vruchtbeginsel met de bloemas vergroeid; onderstandig, meest 4-hokkig; met 1 tot vele zaadknoppen in ieder hokje; meest kruiden met tegenoverstaande of verspreide bladeren zonder steunbladen; bloemen okselstandig of in trossen.Bloemen met 4 (–6) kelkbladeren, 4 (–6) gele bloembladeren, 8–12 meeldraden. Vruchtbeginsel onderstandig; vrucht een doosvrucht. Moeras- of waterplantenJussieua.Orde:Umbelliflorae.228.Umbelliferae.Bloemen 5-tallig, met 5 meeldraden, en vaak onduidelijke kelk; meest tweeslachtig, regelmatig, soms zygomorf; vruchtbeginsel onderstandig, 2-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje; de 2 stijlen aan de basis tot een kussen aangezwollen; vrucht een splitvrucht, waarvan de deelvruchten aan een carpophoor blijven hangen; eenjarige of overblijvende kruiden met meest holle stengel en verspreide bladeren, die meestal meermalen gevind zijn en een groote bladscheede hebben; bloemen klein, meest in enkelvoudige of samengestelde schermen of in hoofdjes.1a.Bladeren lang, naar de voet versmald, aan den top afgerond. Stengel aan den top met een gedrongen (op een hoofdje gelijkend) schermEryngium.Sneki-wiwirie.1b.Bladeren gesteeld, rond.Bloemen in een klein schermHydrocotyle.1c.Bladeren gevind tot meervoudig gevind; scherm samengesteld, wijd uitstaand, bloemen wit; vruchten behaardPimpinella.Anijszaad.

Orde:Opuntiales.210.Cactaceae.Bloemen tweeslachtig, regelmatig, soms wat zygomorf; met vaak lange buisvormige bloemas; kelk- en kroonbladeren talrijk, niet duidelijk van elkaar te onderscheiden; meeldraden talrijk; vruchtbeginsel onderstandig, met één stijl en 4–8 wandstandige zaadlijsten; vrucht een bes met vele zaden; meest vleezige planten, zelden met vlakke of cylindrische bladeren; in den regel met een vleezige stam met ribben en kussenvormige bladdragende spruiten; de bladeren zelf vroeg afvallend, of als dorens gevormd.1a.Planten epiphytisch levend21b.Planten in den bodem wortelend32a.Stammen en stengels dun, cylindervormig, vertakt. Bloemen kleinRhipsalis.2b.Bloeiende stengels plat. Bloemen groot met een lange buis, die met schubben bedekt isPhyllocactus.3a.Stam nagenoeg bolrond, geribd, met stekels bezet; aan den topmet eenhalfbolvormig of cylindervormige viltig-behaard hoofdje, waarop de bloemen staanMelocactus.3b.Stammen verlengd, kantig of geribdCereus.3c.Stammen vlak, met of zonder stekels. Meeldraden langer dan de bloemkroonNopalia.Nopari.Orde:Myrtiflorae.216.Lythraceae.Bloemen met kelk en bloemkroon of zonder bloemkroon, 3–16-, meest 4–6-tallig, tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemas schotelvormig tot buisvormig; kelk vaak met tusschenliggende schubjes; bloembladeren aan den rand van de holle as ingehecht; meeldraden dubbel zooveel of 1 tot vele; vruchtbeginsel 2–6-hokkig, zelden 1-hokkig met 2 tot vele zaadknoppen per hokje; kruiden of houtige planten met enkelvoudige meest tegenoverstaande bladeren; steunbladeren klein.1a.Bloemen 6-tallig, zijdelings-symmetrisch. Kelk buisvormig, aan de basis met een spoor of knobbel. Bloembladen meest 6; meeldraden meest 11, zelden minder. Bladeren tegenoverstaand. KruidenCuphea.1b.Bloemen 4–5-tallig; regelmatig22a.Bloemen meest 5-tallig. Bloembladeren genageld. Meeldraden 15–200. Bladeren niet tegenoverstaandLagerströmia.2b.Bloemen 4-tallig33a.Bloemen okselstandig, alleenstaand of 3 bij elkaar. Meeldraden 12–15 in één rij op den kelk ingehecht. Stengel 4-kantig of 4-vleugeligCrenea.3b.Bloemen in meerbloemige vertakte bloeiwijzen. Meeldraden 8, soms meerLawsonia.Reseda.218.Punicaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig of alleen vrouwelijk; regelmatig; bloemas een weinig bekervormig; kelk 5–7-tandig, bloembladeren 5–7, rood; meeldraden talrijk; vruchtbeginsel meerhokkig, onderstandig, geheel met de bloembodem vergroeid, met vele zaadknoppen; stijl 1; schijnvrucht meerzadig, min of meer besachtig; kleine boomen met kleine gaafrandige tegenoverstaande bladeren; bloemen groot, in de bladoksels. Eenig geslachtPunica.219.Lecythidaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, zelden zonder bloembladeren; tweeslachtig; bloemas bekervormig; kelkslippen meest 4–6, zelden 2–3; bloembladeren 4–6, zelden meer; meeldraden vele, in meerdere kransen; vaak ten deele steriel, aan de basis min of meer vergroeid; vruchtbeginsel met de bloemas vergroeid, onderstandig, 2–6-hokkig; met 1 tot vele zaadknoppen; stijlen vergroeid; vrucht vleezig of houtig; houtige planten met verspreide enkelvoudige bladeren zonder steunbladeren.1a.Buis van meeldraden overal even hoog; kelkbladeren 4–6; bloembladeren 6–8, groot. Vrucht een gladde of gevleugelde besGustavia.1b.Buis van meeldraden met een eenzijdig helmvormig aanhangsel22a.Alle meeldraden met helmknoppen. Kelk afvallend, evenals de kroon 6-bladig; vruchtbeginsel 6-hokkig. Stempel 6-stralig. Bloemen in trossen. Vrucht bolvormig met de kelkrest op ongeveer ⅓ van de top of ongeveer in het middenCouroupita.Bosch-kalebas.2b.Meeldraden van het helmvormige aanhangsel zonder helmknoppen of in iedere geval zonder stuifmeel33a.De helm is spiraalvormig opgerold en bestaat uit een ingerold stuk en een weer teruggerold gedeelte63b.De helm is niet spiraalvormig opgerold en niet dubbel44a.Kelk vergroeidbladig, later in 2 concave lobben openscheurend. Bloembladeren 6. Vruchtbeginsel 4-hokkig; de tusschenschotten verdwijnen bij het rijp worden van de zaden. Vrucht met een kleine deksel. Zaden groot, 3-hoekigBertholletia.4b.Kelk 6-bladig55a.Vrucht met een deksel openspringend, waaraan een deel van de middenzuil blijft vastzitten. Zaden met een lange en dikke steelLecythis.Kwatta-patoe.5b.Deksel van de vrucht aan de binnenzijde zonder rest van demiddenzuil der vrucht. Zaden zonder steel, op den bodem van de vrucht zittendEschweilera.Kwatta-patoe.6a.Helm der meeldraden van onderen aan het eind met staminodiën of uitwassen bezet. Vruchtbeginsel 3-hokkig; vrucht langCouratari.Injie-pipa.6b.Helm der meeldraden van onderen zonder staminodiën of uitwassen. Vruchtbeginsel 4- tot meerhokkigAllantoma.220.Rhizophoraceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, zelden zonder bloembladeren; meest tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren 3–16, meest 4–8; bloembladeren evenveel; meeldraden 8 tot vele; meest alle met stuifmeel; vruchtbeginsel 2–5-hokkig, zelden 3-, of 6-hokkig, onderstandig, met de bekervormige bloemas vereenigd; met meest 2 zaadknoppen in ieder hokje; vruchtbeginsel zelden 1-hokkig; vrucht 1–5-hokkig meest met 1 zaad in ieder hokje; boomen of heesters met tegenoverstaande bladeren met spoedig afvallende steunbladeren; zelden bladeren verspreid en zonder steunbladeren.1a.Bloeias kort-napvormig; kelkbladeren en bloembladeren 4. Meeldraden 8. Schijf onduidelijk gelobd. Stijl 2-lobbig. Vrucht éénzadig, aan den boom kiemend. Boomen met luchtwortelsRhizophora.1b.Bloeias klokvormig. Kelkbladeren 4 en bloembladeren 4–5, de laatste sterk ingesneden. Meeldraden 15–30; schijf 15–30-lobbig. Vrucht met spleten openspringend. Bladeren tegenoverstaandCassipourea.221.Combretaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon of zonder bloemkroon; tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig met klokvormige of buisvormige bloemas; kelkslippen 4–5; bloembladeren 4–5; meeldraden 4, 5, 8 of 10, zelden talrijk; stijl 1; vruchtbeginsel onderstandig, éénhokkig met 2–6 zaadknoppen; vrucht leerachtig of steenvruchtachtig vaak met 4–5 vleugels, 1-zadig; houtige planten met tegenoverstaande of verspreide bladeren, vaak klimmend; geen steunbladeren; bloemen in trossen.1a.Bloembladeren ontbrekend; bladeren afwisselend21b.Bloembladeren aanwezig52a.Kelk boven het vruchtbeginsel wijd uitgespreid, bijna schotelvormig, aan den rand een weinig gegolfd en nauwelijks gelobd, na den bloei blijvend. Meeldraden 10. Bloemen in verlengde aarvormige trossen, in denzelfde tros ♂ en tweeslachtige bloemen. Kleine boomen. Bladeren aan den top stompBucida.2b.Kelk na de bloei afvallend, klokvormig33a.Kelk nauwelijks getand of gelobd. Helmknoppen onbewegelijk aan de helmdraden vergroeid. Meeldraden 10. Bloemen in trossen, vaker in korte hoofdjesBuchenavia.3b.Kelk tot op de helft ingesneden. Helmknoppen bewegelijk44a.Bloemen in lange trossen. Bladeren vaak aan het einde der takken groepsgewijs bij elkaar zittend. Bloemen 4–5-tallig met 8 of 10 meeldradenTerminalia.4b.Bloemen in hoofdjes. Vruchten plat, elkaar dakpansgewijs bedekkend, daardoor te samen op een dennenkegel gelijkend. Kleine boompjesConocarpus.5a.Kelkbuis zeer lang, op een lange bloemsteel gelijkend. Stijl aan een zijde tegen de binnenkant van de buis vastgegroeid. Meeldraden in 2 rijen.Klimmende heesterQuisqualis.5b.Kelkbuis niet verlengd66a.Bloemen groot, in zeer lange bruinbehaarde trossen; de bloemen groepsgewijs zittend in de oksel van lange, spitse schutbladeren. Kelkbuis en meeldraden gebogenCacoucia.6b.Bloemen klein of groot, bloeistengel niet bezet met groote schutbladeren77a.Bloemen 5-tallig. Kelk bekervormig, klein, na de bloei blijvend. Vruchtbeginsel min of meer 5-kantig; de 2 bloemsteelblaadjes met het vruchtbeginsel vergroeid. Bloemen in ijle trossen. Kleine boom met leerachtige gesteelde bladeren met een afgeronden top. MangroveplantLaguncularia.7b.Bloemen zeer verschillend van grootte, 4- of 5-tallig. Kelk na den bloei afvallend. Vrucht 4- of 5-kantig of 4–5-vleugelig. Bladeren tegenoverstaand of afwisselendCombretum.222.Myrtaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren en kroonbladeren meest 4–5; meeldraden talrijk, soms in groepen; vruchtbeginsel met de bekervormige bloeias vergroeid, onderstandig; 2–5- tot veelhokkig met 1 tot vele zaadknoppen per hokje; stijlen vergroeid; vrucht zeer verschillend; vaak een bes; houtige planten met meest tegenoverstaande bladeren zonder steunbladeren met doorschijnende olieklieren.1a.Kelkbladeren in den knoptoestand vergroeid, later openscheurend21b.Kelkbladeren reeds in den knoptoestand vrij, dakpansgewijs over elkaar liggend42a.Bloembladeren grooter dan de kelk, 5 of 4, bloemen alleenstaand in de bladoksels; bladeren meest behaard. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig met vele zaadknoppen in ieder hokje, kiem in het zaad gekromd; de kiembladeren klein, het worteltje veel grooterPsidium.2b.Bloembladeren slechts weinig grooter of kleiner dan de kelk, soms geheel ontbrekend. Bloemen niet alleenstaand in de bladoksels; bladeren meest kaal33a.Kelk 4–5-spletig, bloembladeren 4–5, klein of ontbrekend. Vruchtbeginsel 2–3-hokkig met 2 zaadknoppen in elk hokje. Kiem in het zaad samengevouwen, vooral de kiembladeren sterk geplooid en gevouwen. Worteltje even lang als de kiembladerenMarlieria.3b.Kelk 4–6-spletig, bloembladeren 4–6 niet opvallend klein; vruchtbeginsel 2–4-hokkig met 4 tot vele zaadknoppen in elk hokje. Worteltje van de kiem veel kleiner dan de groote en dikke kiembladerenCalycorectes.4a.Bloemen met 4 kelkbladeren en 4 bloembladeren54b.Bloemen met 5 kelkbladeren en 5 bloembladeren85a.Bloemen grooter dan 1 c.M.; vruchtbeginsel naar den bloemsteel versmald en spits. Kelkbladeren kort en stomp. Bloembladeren rond, groot. Meeldraden zeer lang. Vrucht 2–3-hokkig met vele zaadknoppen in ieder hokje. Bloeiwijze weinigbloemig. Bladeren lang en smalJambosa.5b.Bloemen kleiner dan 1 c.M.66a.Vruchten met slechts 1 zaad; kiem spiraalsgewijs opgerold met zeer kleine kiembladeren. Vruchtbeginsel 2-hokkig met 1 of 2 zaadknoppen in elk hokje. Bloeiwijze veelbloemig, sterk vertaktPimenta.6b.Vruchten soms meerzadig; kiem niet spiraalsgewijs opgerold met groote kiembladeren en klein worteltje77a.Vruchtbeginsel 2–4-hokkig met 4 tot vele zaadknoppen in elk hokjeEugenia.7b.Vruchtbeginsel 2-hokkig met 2 zaadknoppen in elk hokjeMyrciaria.8a.Kelkbladeren opvallend groot, aan de basis versmald. Bloembladeren groot, rond. Stijl langer dan de meeldraden. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig. Bloemen in groepen of alleenstaand in de bladokselsCalycolpus.8b.Kelkbladeren klein evenals de bloembladeren99a.Boom met gladde stam; bladeren ongeveer 5 c.M. lang aan den top afgerond, naar de basis versmald hard-leerachtig met een eenigszins omgerolde rand. Bloemen in sterk vertakte bloeiwijzen. Vruchtbeginsel 2-hokkig met 6 zaadknoppen per hokjeAmomis.(Pimenta).Bayoom,Beerum.9b.Bladeren aan den top toegespitst, vruchtbeginsel 2–3-hokkig met 2 zaadknoppen in elk hokje. Bloeiwijzen meest behaard, okselstandigMyrcia.(Aulomyrcia).223.Melastomataceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, regelmatig, soms de meeldraden zygomorf; bloemas bekervormig, bloemen 3- tot veeltallig, meest 4–5-tallig; bloembladeren evenveel als kelkslippen; meeldraden meest dubbel zooveel als bloembladeren; helmknoppen met poriën openspringend; vruchtbeginsel boven- of onderstandig, min of meer met de bloemas vergroeid, meest meerhokkig; stijl 1; vrucht een doosvrucht, of een bes; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande bladeren zonder steunbladeren.1a.Boomen; bladeren zonder de karakteristieke nerven der familie, doch vinnervig, of zóó dik, dat alleen een middennerf zichtbaar is. Bloemen 4- of 5-tallig; kelk buisvormig of geheel zonder buis; steeds het vruchtbeginsel met den bodem van den kelk vergroeid en dus onderstandig. Helmknoppen zonder bijzondere verlengde aanhangselen. Bloemen meest geel. Vrucht een bes met eenige pittenMouriria.1b.Bladeren met een middennerf waaruit aan den voet of dicht boven de voet eenige zijnerven ontspringen, die evenwijdig met de bladrand naar den top van het blad loopen; deze nerven zijn onderling en met dehoofdnerfverbonden door vele evenwijdige zijnerven22a.Vrucht een met kleppen openspringende doosvrucht. Vruchtbeginsel en later ook de vrucht meest maar voor een klein deel of in het geheel niet met de kelkwand vergroeid en daardoor bijna geheel bovenstandig. Meeldraden meest in twee rijen, de eene rij uit grootere meeldraden bestaande dan de andere rij. Helmbindsel aan den voet van voren vaak met verschillende aanhangsels, soms ook van achteren met aanhangsels, zelden geheel zonder aanhangsels (Aciotis). Planten kruidachtig of kleine heesters32b.Vrucht een bes of leerachtig en onregelmatig openspringend. Vruchtbeginsel en later ook de vrucht bijna geheel met de kelkbuis vergroeid en daardoor bijna of geheel onderstandig. Meeldraden meest alle gelijk van grootte. Helmbindsel aan de voet bijna steeds zonder aanhangselen (uitzonderingen bij Miconia). Planten meest groote heesters of boomen133a.Slechts 4 meeldraden aanwezig, de 4 andere of geheel ontbrekend of zeer klein, bloem 4-tallig. Voet van de helmknoppen met 2 knobbels aan de voorzijde. Vruchtbeginsel 2-hokkig; doosvrucht met 2 kleppen openspringend. Bloeiwijze weinigbloemig of bloemen okselstandigSiphanthera.3b.Steeds tweemaal zooveel meeldraden als bloembladeren aanwezig44a.Bloemen 5-tallig met 5 groote en 5 kleine meeldraden; van de 5 groote meeldraden is er één veel grooter dan de 4 andere. Helmbindsel beneden de helmknop verlengd, gebogen, van voren met 2 tanden of knobbels. Doosvrucht met 3 kleppen openspringendRhynchanthera.4b.Niet een van de meeldraden veel grooter dan de andere55a.Bloemen 4-tallig65b.Bloemen 5-tallig106a.Planten niet houtig, met saprijke stengels, klein, op vochtige plaatsen voorkomend. Helmknoppen geheel zonder aanhangselen aan het helmbindsel; meeldraden aan elkaar gelijk, vruchtbeginsel kaal, 2-hokkigAciotis.6b.Helmbindsel met knobbels of langere aanhangsels. Stengel meest wat houtig77a.Kelkslippen driehoekig, spits en na den bloei blijvend; buis van buiten met korte stijve haren bezet; kelkslippen afwisselend met vertakte borstelharen. Helmbindsel min of meer onder de helmknop verlengd, met 2 knobbels of een verdikking aan de voorzijde. Vruchtbeginsel op den top borstelig behaard. Planten meest ruw behaardPterolepis.7b.Kelkslippen niet met borstels afwisselend88a.Helmknoppen van alle meeldraden gelijk van vorm en grootte, helmbindsel gebogen, aan het verbreede einde van voren met 2 lobben of 2 korte sporen of oortjes. Doosvrucht 2- of 4-kleppig (en -hokkig). Bloeiwijzen klein of bloemen alleenstaandComolia.8b.Helmknoppen van 4 der meeldraden verschillend in vorm en grootte van de 4 andere99a.Helmbindsel van alle helmknoppen van voren met 2 opgerichte lange draadvormige aanhangselen.Kelkbuis meest klierachtig behaard. Vruchtbeginsel 4-hokkig aan den top kaal of behaard. Bloemen in groote vertakte bloeiwijzenErnestia.9b.Helmbindsel van slechts 4 der meeldraden met 2 lange sporen, van de andere meeldraden met 2 knobbels; soms ook alle helmknoppen met knobbels. Kelkbuis halfbolvormig of klokvormig met spitse slippen. Vruchtbeginsel kaal 2, 3 of 4-hokkig. Kruiden of heestertjesAcisanthera.10a.Kelk aan de basis met 4, paarsgewijs tegenoverstaande blaadjes omgeven. Meeldraden ongeveer gelijk van vorm; helmbindsel met 2 knobbels van voren. Vruchtbeginsel en doosvrucht aan den top borstelig. Kleine heestersTibouchina.10b.Kelk niet door blaadjes ingehuld1111a.Planten zeer dicht behaard; zoowel stengel en bladeren als top van het vruchtbeginsel en kelk. Helmknoppen zeer ongelijk, 5 met lange sporen, de 5 andere met korte oortjes aan de voorzijde. Vruchtbeginsel 5-hokkig, min of meer met de kelk vergroeidDesmoscelis.11b.Planten niet dicht behaard; vruchtbeginsel op den top kaal1212a.Kelkbuis eirond met blijvende lange kelkslippen. Bloembladeren smal en spits. Meeldraden afwisselend langer en korter. Helmbindsel onder de helmknop verlengd met 2 korte opgerichte sporen voorzien. Vruchtbeginsel 3-hokkig bolvormig; vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht. Bloeiwijze sterk vertakt, losNepsera.12b.Kelkbuis half bolvormig of klokvormig. Bloembladeren rond of eirond, met stompe of afgeronde top. Meeldraden alle met 2 knobbels of oortjes aan het helmbindsel of 4 ervan met 2 lange sporen. Vruchtbeginsel 2–4-hokkigAcisanthera.13a.Bloeiwijze aan het eind van bebladerde takken staand1413b.Bloeiwijzen of alleenstaande bloemen in de bladoksels of uit het hout te voorschijn komend1514a.Bloembladeren spits en smal. Bloemen meest 5-tallig. Kelk vaak met 2 rijen van tanden. Helmbindsel weinig verlengd, zonder aanhangsels. Heesters of boompjes, meest behaardLeandra.14b.Bloembladeren breed en stomp. Bloemen meest 5-tallig. Kelkzoom met zeer korte slippen. Helmknoppen zeer verschillend, met of zonder aanhangselen aan het helmbindsel. Heesters, zelden boomenMiconia.15a.Bloembladeren stomp aan den top1615b.Bloembladeren spits aan den top. Kelk ruwharig tot borstelig, in den knop gesloten; met een dekseltje opengaand; helmknoppen recht en dik, zijdelings samengedrukt; helmbindsel niet verlengd, zonder aanhangselen; ruwharige heesters, bloemen alleenstaand of 3 bij elkaarMyriaspora.16a.Bladeren met blazen aan den voet. Bloemen 3-, 4- of 5-tallig. Helmbindsel niet verlengd. Bloeiwijzen klein of alleenstaande bloemen in de bladoksels. Kelkbuis niet gevleugeldMaieta.16b.Bladvoet zonder blazen1717a.Bloemen aan de bebladerde takken staand1817b.Bloemen beneden de bladeren uit het hout tevoorschijn komend1918a.Bloemen klein, onaanzienlijk; de kelklobben meest aan de buitenzijde voorzien van een lange tand; helmknoppen verlengd en priemvormig, met één opening openspringend; vruchtbeginsel bijna steeds behaard, 3–9-hokkig; kleine, zelden groote heesters of boompjesClidemia.18b.Bloemen groot. Kelkzoom zonder bijslippen; kelk in regelmatige slippen gedeeld of onregelmatig inscheurend. Helmknoppen kort en dik met 2 gaten aan den top openspringend. Vruchtbeginsel geheel met de kelkbuis vergroeid, 8–15-hokkig, kaal. Boomen of heesters, meest onbehaardBellucia.Mispel.19a.Kelkzoom onduidelijk getand. Helmknoppen kort en dik, vaak alle samenhangend. Bloembladeren dik en leerachtig. Vruchtbeginsel geheel met de kelk vergroeid. Bes met de kelkzoom aan den top. Bloemen in dichte trosvormige bloeiwijzen uit het hout tevoorschijn komend boven de lidteekens van de bladerenLoreya.Mispel.19b.Kelkzoom duidelijk getand of gelobd. Helmknoppen meest verlengd en dun. Helmbindsel niet onder de helmknop verlengd. Bloemen alleenstaand of in groepen, niet in trossen. Bes veelzadigHenriettea.Mispel.224.Oenotheraceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, meest tweeslachtig, en regelmatig, zelden zygomorf; bloemas buisvormig; kelkslippen 2–4; zelden 5–6, bloembladeren 2–4, zelden ontbrekend; meeldraden 4–8, zelden 1, 2, 6 of 12, soms ten deele staminodiaal; vruchtbeginsel met de bloemas vergroeid; onderstandig, meest 4-hokkig; met 1 tot vele zaadknoppen in ieder hokje; meest kruiden met tegenoverstaande of verspreide bladeren zonder steunbladen; bloemen okselstandig of in trossen.Bloemen met 4 (–6) kelkbladeren, 4 (–6) gele bloembladeren, 8–12 meeldraden. Vruchtbeginsel onderstandig; vrucht een doosvrucht. Moeras- of waterplantenJussieua.Orde:Umbelliflorae.228.Umbelliferae.Bloemen 5-tallig, met 5 meeldraden, en vaak onduidelijke kelk; meest tweeslachtig, regelmatig, soms zygomorf; vruchtbeginsel onderstandig, 2-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje; de 2 stijlen aan de basis tot een kussen aangezwollen; vrucht een splitvrucht, waarvan de deelvruchten aan een carpophoor blijven hangen; eenjarige of overblijvende kruiden met meest holle stengel en verspreide bladeren, die meestal meermalen gevind zijn en een groote bladscheede hebben; bloemen klein, meest in enkelvoudige of samengestelde schermen of in hoofdjes.1a.Bladeren lang, naar de voet versmald, aan den top afgerond. Stengel aan den top met een gedrongen (op een hoofdje gelijkend) schermEryngium.Sneki-wiwirie.1b.Bladeren gesteeld, rond.Bloemen in een klein schermHydrocotyle.1c.Bladeren gevind tot meervoudig gevind; scherm samengesteld, wijd uitstaand, bloemen wit; vruchten behaardPimpinella.Anijszaad.

Orde:Opuntiales.210.Cactaceae.Bloemen tweeslachtig, regelmatig, soms wat zygomorf; met vaak lange buisvormige bloemas; kelk- en kroonbladeren talrijk, niet duidelijk van elkaar te onderscheiden; meeldraden talrijk; vruchtbeginsel onderstandig, met één stijl en 4–8 wandstandige zaadlijsten; vrucht een bes met vele zaden; meest vleezige planten, zelden met vlakke of cylindrische bladeren; in den regel met een vleezige stam met ribben en kussenvormige bladdragende spruiten; de bladeren zelf vroeg afvallend, of als dorens gevormd.1a.Planten epiphytisch levend21b.Planten in den bodem wortelend32a.Stammen en stengels dun, cylindervormig, vertakt. Bloemen kleinRhipsalis.2b.Bloeiende stengels plat. Bloemen groot met een lange buis, die met schubben bedekt isPhyllocactus.3a.Stam nagenoeg bolrond, geribd, met stekels bezet; aan den topmet eenhalfbolvormig of cylindervormige viltig-behaard hoofdje, waarop de bloemen staanMelocactus.3b.Stammen verlengd, kantig of geribdCereus.3c.Stammen vlak, met of zonder stekels. Meeldraden langer dan de bloemkroonNopalia.Nopari.Orde:Myrtiflorae.216.Lythraceae.Bloemen met kelk en bloemkroon of zonder bloemkroon, 3–16-, meest 4–6-tallig, tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemas schotelvormig tot buisvormig; kelk vaak met tusschenliggende schubjes; bloembladeren aan den rand van de holle as ingehecht; meeldraden dubbel zooveel of 1 tot vele; vruchtbeginsel 2–6-hokkig, zelden 1-hokkig met 2 tot vele zaadknoppen per hokje; kruiden of houtige planten met enkelvoudige meest tegenoverstaande bladeren; steunbladeren klein.1a.Bloemen 6-tallig, zijdelings-symmetrisch. Kelk buisvormig, aan de basis met een spoor of knobbel. Bloembladen meest 6; meeldraden meest 11, zelden minder. Bladeren tegenoverstaand. KruidenCuphea.1b.Bloemen 4–5-tallig; regelmatig22a.Bloemen meest 5-tallig. Bloembladeren genageld. Meeldraden 15–200. Bladeren niet tegenoverstaandLagerströmia.2b.Bloemen 4-tallig33a.Bloemen okselstandig, alleenstaand of 3 bij elkaar. Meeldraden 12–15 in één rij op den kelk ingehecht. Stengel 4-kantig of 4-vleugeligCrenea.3b.Bloemen in meerbloemige vertakte bloeiwijzen. Meeldraden 8, soms meerLawsonia.Reseda.218.Punicaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig of alleen vrouwelijk; regelmatig; bloemas een weinig bekervormig; kelk 5–7-tandig, bloembladeren 5–7, rood; meeldraden talrijk; vruchtbeginsel meerhokkig, onderstandig, geheel met de bloembodem vergroeid, met vele zaadknoppen; stijl 1; schijnvrucht meerzadig, min of meer besachtig; kleine boomen met kleine gaafrandige tegenoverstaande bladeren; bloemen groot, in de bladoksels. Eenig geslachtPunica.219.Lecythidaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, zelden zonder bloembladeren; tweeslachtig; bloemas bekervormig; kelkslippen meest 4–6, zelden 2–3; bloembladeren 4–6, zelden meer; meeldraden vele, in meerdere kransen; vaak ten deele steriel, aan de basis min of meer vergroeid; vruchtbeginsel met de bloemas vergroeid, onderstandig, 2–6-hokkig; met 1 tot vele zaadknoppen; stijlen vergroeid; vrucht vleezig of houtig; houtige planten met verspreide enkelvoudige bladeren zonder steunbladeren.1a.Buis van meeldraden overal even hoog; kelkbladeren 4–6; bloembladeren 6–8, groot. Vrucht een gladde of gevleugelde besGustavia.1b.Buis van meeldraden met een eenzijdig helmvormig aanhangsel22a.Alle meeldraden met helmknoppen. Kelk afvallend, evenals de kroon 6-bladig; vruchtbeginsel 6-hokkig. Stempel 6-stralig. Bloemen in trossen. Vrucht bolvormig met de kelkrest op ongeveer ⅓ van de top of ongeveer in het middenCouroupita.Bosch-kalebas.2b.Meeldraden van het helmvormige aanhangsel zonder helmknoppen of in iedere geval zonder stuifmeel33a.De helm is spiraalvormig opgerold en bestaat uit een ingerold stuk en een weer teruggerold gedeelte63b.De helm is niet spiraalvormig opgerold en niet dubbel44a.Kelk vergroeidbladig, later in 2 concave lobben openscheurend. Bloembladeren 6. Vruchtbeginsel 4-hokkig; de tusschenschotten verdwijnen bij het rijp worden van de zaden. Vrucht met een kleine deksel. Zaden groot, 3-hoekigBertholletia.4b.Kelk 6-bladig55a.Vrucht met een deksel openspringend, waaraan een deel van de middenzuil blijft vastzitten. Zaden met een lange en dikke steelLecythis.Kwatta-patoe.5b.Deksel van de vrucht aan de binnenzijde zonder rest van demiddenzuil der vrucht. Zaden zonder steel, op den bodem van de vrucht zittendEschweilera.Kwatta-patoe.6a.Helm der meeldraden van onderen aan het eind met staminodiën of uitwassen bezet. Vruchtbeginsel 3-hokkig; vrucht langCouratari.Injie-pipa.6b.Helm der meeldraden van onderen zonder staminodiën of uitwassen. Vruchtbeginsel 4- tot meerhokkigAllantoma.220.Rhizophoraceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, zelden zonder bloembladeren; meest tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren 3–16, meest 4–8; bloembladeren evenveel; meeldraden 8 tot vele; meest alle met stuifmeel; vruchtbeginsel 2–5-hokkig, zelden 3-, of 6-hokkig, onderstandig, met de bekervormige bloemas vereenigd; met meest 2 zaadknoppen in ieder hokje; vruchtbeginsel zelden 1-hokkig; vrucht 1–5-hokkig meest met 1 zaad in ieder hokje; boomen of heesters met tegenoverstaande bladeren met spoedig afvallende steunbladeren; zelden bladeren verspreid en zonder steunbladeren.1a.Bloeias kort-napvormig; kelkbladeren en bloembladeren 4. Meeldraden 8. Schijf onduidelijk gelobd. Stijl 2-lobbig. Vrucht éénzadig, aan den boom kiemend. Boomen met luchtwortelsRhizophora.1b.Bloeias klokvormig. Kelkbladeren 4 en bloembladeren 4–5, de laatste sterk ingesneden. Meeldraden 15–30; schijf 15–30-lobbig. Vrucht met spleten openspringend. Bladeren tegenoverstaandCassipourea.221.Combretaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon of zonder bloemkroon; tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig met klokvormige of buisvormige bloemas; kelkslippen 4–5; bloembladeren 4–5; meeldraden 4, 5, 8 of 10, zelden talrijk; stijl 1; vruchtbeginsel onderstandig, éénhokkig met 2–6 zaadknoppen; vrucht leerachtig of steenvruchtachtig vaak met 4–5 vleugels, 1-zadig; houtige planten met tegenoverstaande of verspreide bladeren, vaak klimmend; geen steunbladeren; bloemen in trossen.1a.Bloembladeren ontbrekend; bladeren afwisselend21b.Bloembladeren aanwezig52a.Kelk boven het vruchtbeginsel wijd uitgespreid, bijna schotelvormig, aan den rand een weinig gegolfd en nauwelijks gelobd, na den bloei blijvend. Meeldraden 10. Bloemen in verlengde aarvormige trossen, in denzelfde tros ♂ en tweeslachtige bloemen. Kleine boomen. Bladeren aan den top stompBucida.2b.Kelk na de bloei afvallend, klokvormig33a.Kelk nauwelijks getand of gelobd. Helmknoppen onbewegelijk aan de helmdraden vergroeid. Meeldraden 10. Bloemen in trossen, vaker in korte hoofdjesBuchenavia.3b.Kelk tot op de helft ingesneden. Helmknoppen bewegelijk44a.Bloemen in lange trossen. Bladeren vaak aan het einde der takken groepsgewijs bij elkaar zittend. Bloemen 4–5-tallig met 8 of 10 meeldradenTerminalia.4b.Bloemen in hoofdjes. Vruchten plat, elkaar dakpansgewijs bedekkend, daardoor te samen op een dennenkegel gelijkend. Kleine boompjesConocarpus.5a.Kelkbuis zeer lang, op een lange bloemsteel gelijkend. Stijl aan een zijde tegen de binnenkant van de buis vastgegroeid. Meeldraden in 2 rijen.Klimmende heesterQuisqualis.5b.Kelkbuis niet verlengd66a.Bloemen groot, in zeer lange bruinbehaarde trossen; de bloemen groepsgewijs zittend in de oksel van lange, spitse schutbladeren. Kelkbuis en meeldraden gebogenCacoucia.6b.Bloemen klein of groot, bloeistengel niet bezet met groote schutbladeren77a.Bloemen 5-tallig. Kelk bekervormig, klein, na de bloei blijvend. Vruchtbeginsel min of meer 5-kantig; de 2 bloemsteelblaadjes met het vruchtbeginsel vergroeid. Bloemen in ijle trossen. Kleine boom met leerachtige gesteelde bladeren met een afgeronden top. MangroveplantLaguncularia.7b.Bloemen zeer verschillend van grootte, 4- of 5-tallig. Kelk na den bloei afvallend. Vrucht 4- of 5-kantig of 4–5-vleugelig. Bladeren tegenoverstaand of afwisselendCombretum.222.Myrtaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren en kroonbladeren meest 4–5; meeldraden talrijk, soms in groepen; vruchtbeginsel met de bekervormige bloeias vergroeid, onderstandig; 2–5- tot veelhokkig met 1 tot vele zaadknoppen per hokje; stijlen vergroeid; vrucht zeer verschillend; vaak een bes; houtige planten met meest tegenoverstaande bladeren zonder steunbladeren met doorschijnende olieklieren.1a.Kelkbladeren in den knoptoestand vergroeid, later openscheurend21b.Kelkbladeren reeds in den knoptoestand vrij, dakpansgewijs over elkaar liggend42a.Bloembladeren grooter dan de kelk, 5 of 4, bloemen alleenstaand in de bladoksels; bladeren meest behaard. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig met vele zaadknoppen in ieder hokje, kiem in het zaad gekromd; de kiembladeren klein, het worteltje veel grooterPsidium.2b.Bloembladeren slechts weinig grooter of kleiner dan de kelk, soms geheel ontbrekend. Bloemen niet alleenstaand in de bladoksels; bladeren meest kaal33a.Kelk 4–5-spletig, bloembladeren 4–5, klein of ontbrekend. Vruchtbeginsel 2–3-hokkig met 2 zaadknoppen in elk hokje. Kiem in het zaad samengevouwen, vooral de kiembladeren sterk geplooid en gevouwen. Worteltje even lang als de kiembladerenMarlieria.3b.Kelk 4–6-spletig, bloembladeren 4–6 niet opvallend klein; vruchtbeginsel 2–4-hokkig met 4 tot vele zaadknoppen in elk hokje. Worteltje van de kiem veel kleiner dan de groote en dikke kiembladerenCalycorectes.4a.Bloemen met 4 kelkbladeren en 4 bloembladeren54b.Bloemen met 5 kelkbladeren en 5 bloembladeren85a.Bloemen grooter dan 1 c.M.; vruchtbeginsel naar den bloemsteel versmald en spits. Kelkbladeren kort en stomp. Bloembladeren rond, groot. Meeldraden zeer lang. Vrucht 2–3-hokkig met vele zaadknoppen in ieder hokje. Bloeiwijze weinigbloemig. Bladeren lang en smalJambosa.5b.Bloemen kleiner dan 1 c.M.66a.Vruchten met slechts 1 zaad; kiem spiraalsgewijs opgerold met zeer kleine kiembladeren. Vruchtbeginsel 2-hokkig met 1 of 2 zaadknoppen in elk hokje. Bloeiwijze veelbloemig, sterk vertaktPimenta.6b.Vruchten soms meerzadig; kiem niet spiraalsgewijs opgerold met groote kiembladeren en klein worteltje77a.Vruchtbeginsel 2–4-hokkig met 4 tot vele zaadknoppen in elk hokjeEugenia.7b.Vruchtbeginsel 2-hokkig met 2 zaadknoppen in elk hokjeMyrciaria.8a.Kelkbladeren opvallend groot, aan de basis versmald. Bloembladeren groot, rond. Stijl langer dan de meeldraden. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig. Bloemen in groepen of alleenstaand in de bladokselsCalycolpus.8b.Kelkbladeren klein evenals de bloembladeren99a.Boom met gladde stam; bladeren ongeveer 5 c.M. lang aan den top afgerond, naar de basis versmald hard-leerachtig met een eenigszins omgerolde rand. Bloemen in sterk vertakte bloeiwijzen. Vruchtbeginsel 2-hokkig met 6 zaadknoppen per hokjeAmomis.(Pimenta).Bayoom,Beerum.9b.Bladeren aan den top toegespitst, vruchtbeginsel 2–3-hokkig met 2 zaadknoppen in elk hokje. Bloeiwijzen meest behaard, okselstandigMyrcia.(Aulomyrcia).223.Melastomataceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, regelmatig, soms de meeldraden zygomorf; bloemas bekervormig, bloemen 3- tot veeltallig, meest 4–5-tallig; bloembladeren evenveel als kelkslippen; meeldraden meest dubbel zooveel als bloembladeren; helmknoppen met poriën openspringend; vruchtbeginsel boven- of onderstandig, min of meer met de bloemas vergroeid, meest meerhokkig; stijl 1; vrucht een doosvrucht, of een bes; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande bladeren zonder steunbladeren.1a.Boomen; bladeren zonder de karakteristieke nerven der familie, doch vinnervig, of zóó dik, dat alleen een middennerf zichtbaar is. Bloemen 4- of 5-tallig; kelk buisvormig of geheel zonder buis; steeds het vruchtbeginsel met den bodem van den kelk vergroeid en dus onderstandig. Helmknoppen zonder bijzondere verlengde aanhangselen. Bloemen meest geel. Vrucht een bes met eenige pittenMouriria.1b.Bladeren met een middennerf waaruit aan den voet of dicht boven de voet eenige zijnerven ontspringen, die evenwijdig met de bladrand naar den top van het blad loopen; deze nerven zijn onderling en met dehoofdnerfverbonden door vele evenwijdige zijnerven22a.Vrucht een met kleppen openspringende doosvrucht. Vruchtbeginsel en later ook de vrucht meest maar voor een klein deel of in het geheel niet met de kelkwand vergroeid en daardoor bijna geheel bovenstandig. Meeldraden meest in twee rijen, de eene rij uit grootere meeldraden bestaande dan de andere rij. Helmbindsel aan den voet van voren vaak met verschillende aanhangsels, soms ook van achteren met aanhangsels, zelden geheel zonder aanhangsels (Aciotis). Planten kruidachtig of kleine heesters32b.Vrucht een bes of leerachtig en onregelmatig openspringend. Vruchtbeginsel en later ook de vrucht bijna geheel met de kelkbuis vergroeid en daardoor bijna of geheel onderstandig. Meeldraden meest alle gelijk van grootte. Helmbindsel aan de voet bijna steeds zonder aanhangselen (uitzonderingen bij Miconia). Planten meest groote heesters of boomen133a.Slechts 4 meeldraden aanwezig, de 4 andere of geheel ontbrekend of zeer klein, bloem 4-tallig. Voet van de helmknoppen met 2 knobbels aan de voorzijde. Vruchtbeginsel 2-hokkig; doosvrucht met 2 kleppen openspringend. Bloeiwijze weinigbloemig of bloemen okselstandigSiphanthera.3b.Steeds tweemaal zooveel meeldraden als bloembladeren aanwezig44a.Bloemen 5-tallig met 5 groote en 5 kleine meeldraden; van de 5 groote meeldraden is er één veel grooter dan de 4 andere. Helmbindsel beneden de helmknop verlengd, gebogen, van voren met 2 tanden of knobbels. Doosvrucht met 3 kleppen openspringendRhynchanthera.4b.Niet een van de meeldraden veel grooter dan de andere55a.Bloemen 4-tallig65b.Bloemen 5-tallig106a.Planten niet houtig, met saprijke stengels, klein, op vochtige plaatsen voorkomend. Helmknoppen geheel zonder aanhangselen aan het helmbindsel; meeldraden aan elkaar gelijk, vruchtbeginsel kaal, 2-hokkigAciotis.6b.Helmbindsel met knobbels of langere aanhangsels. Stengel meest wat houtig77a.Kelkslippen driehoekig, spits en na den bloei blijvend; buis van buiten met korte stijve haren bezet; kelkslippen afwisselend met vertakte borstelharen. Helmbindsel min of meer onder de helmknop verlengd, met 2 knobbels of een verdikking aan de voorzijde. Vruchtbeginsel op den top borstelig behaard. Planten meest ruw behaardPterolepis.7b.Kelkslippen niet met borstels afwisselend88a.Helmknoppen van alle meeldraden gelijk van vorm en grootte, helmbindsel gebogen, aan het verbreede einde van voren met 2 lobben of 2 korte sporen of oortjes. Doosvrucht 2- of 4-kleppig (en -hokkig). Bloeiwijzen klein of bloemen alleenstaandComolia.8b.Helmknoppen van 4 der meeldraden verschillend in vorm en grootte van de 4 andere99a.Helmbindsel van alle helmknoppen van voren met 2 opgerichte lange draadvormige aanhangselen.Kelkbuis meest klierachtig behaard. Vruchtbeginsel 4-hokkig aan den top kaal of behaard. Bloemen in groote vertakte bloeiwijzenErnestia.9b.Helmbindsel van slechts 4 der meeldraden met 2 lange sporen, van de andere meeldraden met 2 knobbels; soms ook alle helmknoppen met knobbels. Kelkbuis halfbolvormig of klokvormig met spitse slippen. Vruchtbeginsel kaal 2, 3 of 4-hokkig. Kruiden of heestertjesAcisanthera.10a.Kelk aan de basis met 4, paarsgewijs tegenoverstaande blaadjes omgeven. Meeldraden ongeveer gelijk van vorm; helmbindsel met 2 knobbels van voren. Vruchtbeginsel en doosvrucht aan den top borstelig. Kleine heestersTibouchina.10b.Kelk niet door blaadjes ingehuld1111a.Planten zeer dicht behaard; zoowel stengel en bladeren als top van het vruchtbeginsel en kelk. Helmknoppen zeer ongelijk, 5 met lange sporen, de 5 andere met korte oortjes aan de voorzijde. Vruchtbeginsel 5-hokkig, min of meer met de kelk vergroeidDesmoscelis.11b.Planten niet dicht behaard; vruchtbeginsel op den top kaal1212a.Kelkbuis eirond met blijvende lange kelkslippen. Bloembladeren smal en spits. Meeldraden afwisselend langer en korter. Helmbindsel onder de helmknop verlengd met 2 korte opgerichte sporen voorzien. Vruchtbeginsel 3-hokkig bolvormig; vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht. Bloeiwijze sterk vertakt, losNepsera.12b.Kelkbuis half bolvormig of klokvormig. Bloembladeren rond of eirond, met stompe of afgeronde top. Meeldraden alle met 2 knobbels of oortjes aan het helmbindsel of 4 ervan met 2 lange sporen. Vruchtbeginsel 2–4-hokkigAcisanthera.13a.Bloeiwijze aan het eind van bebladerde takken staand1413b.Bloeiwijzen of alleenstaande bloemen in de bladoksels of uit het hout te voorschijn komend1514a.Bloembladeren spits en smal. Bloemen meest 5-tallig. Kelk vaak met 2 rijen van tanden. Helmbindsel weinig verlengd, zonder aanhangsels. Heesters of boompjes, meest behaardLeandra.14b.Bloembladeren breed en stomp. Bloemen meest 5-tallig. Kelkzoom met zeer korte slippen. Helmknoppen zeer verschillend, met of zonder aanhangselen aan het helmbindsel. Heesters, zelden boomenMiconia.15a.Bloembladeren stomp aan den top1615b.Bloembladeren spits aan den top. Kelk ruwharig tot borstelig, in den knop gesloten; met een dekseltje opengaand; helmknoppen recht en dik, zijdelings samengedrukt; helmbindsel niet verlengd, zonder aanhangselen; ruwharige heesters, bloemen alleenstaand of 3 bij elkaarMyriaspora.16a.Bladeren met blazen aan den voet. Bloemen 3-, 4- of 5-tallig. Helmbindsel niet verlengd. Bloeiwijzen klein of alleenstaande bloemen in de bladoksels. Kelkbuis niet gevleugeldMaieta.16b.Bladvoet zonder blazen1717a.Bloemen aan de bebladerde takken staand1817b.Bloemen beneden de bladeren uit het hout tevoorschijn komend1918a.Bloemen klein, onaanzienlijk; de kelklobben meest aan de buitenzijde voorzien van een lange tand; helmknoppen verlengd en priemvormig, met één opening openspringend; vruchtbeginsel bijna steeds behaard, 3–9-hokkig; kleine, zelden groote heesters of boompjesClidemia.18b.Bloemen groot. Kelkzoom zonder bijslippen; kelk in regelmatige slippen gedeeld of onregelmatig inscheurend. Helmknoppen kort en dik met 2 gaten aan den top openspringend. Vruchtbeginsel geheel met de kelkbuis vergroeid, 8–15-hokkig, kaal. Boomen of heesters, meest onbehaardBellucia.Mispel.19a.Kelkzoom onduidelijk getand. Helmknoppen kort en dik, vaak alle samenhangend. Bloembladeren dik en leerachtig. Vruchtbeginsel geheel met de kelk vergroeid. Bes met de kelkzoom aan den top. Bloemen in dichte trosvormige bloeiwijzen uit het hout tevoorschijn komend boven de lidteekens van de bladerenLoreya.Mispel.19b.Kelkzoom duidelijk getand of gelobd. Helmknoppen meest verlengd en dun. Helmbindsel niet onder de helmknop verlengd. Bloemen alleenstaand of in groepen, niet in trossen. Bes veelzadigHenriettea.Mispel.224.Oenotheraceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, meest tweeslachtig, en regelmatig, zelden zygomorf; bloemas buisvormig; kelkslippen 2–4; zelden 5–6, bloembladeren 2–4, zelden ontbrekend; meeldraden 4–8, zelden 1, 2, 6 of 12, soms ten deele staminodiaal; vruchtbeginsel met de bloemas vergroeid; onderstandig, meest 4-hokkig; met 1 tot vele zaadknoppen in ieder hokje; meest kruiden met tegenoverstaande of verspreide bladeren zonder steunbladen; bloemen okselstandig of in trossen.Bloemen met 4 (–6) kelkbladeren, 4 (–6) gele bloembladeren, 8–12 meeldraden. Vruchtbeginsel onderstandig; vrucht een doosvrucht. Moeras- of waterplantenJussieua.Orde:Umbelliflorae.228.Umbelliferae.Bloemen 5-tallig, met 5 meeldraden, en vaak onduidelijke kelk; meest tweeslachtig, regelmatig, soms zygomorf; vruchtbeginsel onderstandig, 2-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje; de 2 stijlen aan de basis tot een kussen aangezwollen; vrucht een splitvrucht, waarvan de deelvruchten aan een carpophoor blijven hangen; eenjarige of overblijvende kruiden met meest holle stengel en verspreide bladeren, die meestal meermalen gevind zijn en een groote bladscheede hebben; bloemen klein, meest in enkelvoudige of samengestelde schermen of in hoofdjes.1a.Bladeren lang, naar de voet versmald, aan den top afgerond. Stengel aan den top met een gedrongen (op een hoofdje gelijkend) schermEryngium.Sneki-wiwirie.1b.Bladeren gesteeld, rond.Bloemen in een klein schermHydrocotyle.1c.Bladeren gevind tot meervoudig gevind; scherm samengesteld, wijd uitstaand, bloemen wit; vruchten behaardPimpinella.Anijszaad.

Orde:Opuntiales.210.Cactaceae.Bloemen tweeslachtig, regelmatig, soms wat zygomorf; met vaak lange buisvormige bloemas; kelk- en kroonbladeren talrijk, niet duidelijk van elkaar te onderscheiden; meeldraden talrijk; vruchtbeginsel onderstandig, met één stijl en 4–8 wandstandige zaadlijsten; vrucht een bes met vele zaden; meest vleezige planten, zelden met vlakke of cylindrische bladeren; in den regel met een vleezige stam met ribben en kussenvormige bladdragende spruiten; de bladeren zelf vroeg afvallend, of als dorens gevormd.1a.Planten epiphytisch levend21b.Planten in den bodem wortelend32a.Stammen en stengels dun, cylindervormig, vertakt. Bloemen kleinRhipsalis.2b.Bloeiende stengels plat. Bloemen groot met een lange buis, die met schubben bedekt isPhyllocactus.3a.Stam nagenoeg bolrond, geribd, met stekels bezet; aan den topmet eenhalfbolvormig of cylindervormige viltig-behaard hoofdje, waarop de bloemen staanMelocactus.3b.Stammen verlengd, kantig of geribdCereus.3c.Stammen vlak, met of zonder stekels. Meeldraden langer dan de bloemkroonNopalia.Nopari.

Orde:Opuntiales.210.Cactaceae.Bloemen tweeslachtig, regelmatig, soms wat zygomorf; met vaak lange buisvormige bloemas; kelk- en kroonbladeren talrijk, niet duidelijk van elkaar te onderscheiden; meeldraden talrijk; vruchtbeginsel onderstandig, met één stijl en 4–8 wandstandige zaadlijsten; vrucht een bes met vele zaden; meest vleezige planten, zelden met vlakke of cylindrische bladeren; in den regel met een vleezige stam met ribben en kussenvormige bladdragende spruiten; de bladeren zelf vroeg afvallend, of als dorens gevormd.1a.Planten epiphytisch levend21b.Planten in den bodem wortelend32a.Stammen en stengels dun, cylindervormig, vertakt. Bloemen kleinRhipsalis.2b.Bloeiende stengels plat. Bloemen groot met een lange buis, die met schubben bedekt isPhyllocactus.3a.Stam nagenoeg bolrond, geribd, met stekels bezet; aan den topmet eenhalfbolvormig of cylindervormige viltig-behaard hoofdje, waarop de bloemen staanMelocactus.3b.Stammen verlengd, kantig of geribdCereus.3c.Stammen vlak, met of zonder stekels. Meeldraden langer dan de bloemkroonNopalia.Nopari.

210.Cactaceae.Bloemen tweeslachtig, regelmatig, soms wat zygomorf; met vaak lange buisvormige bloemas; kelk- en kroonbladeren talrijk, niet duidelijk van elkaar te onderscheiden; meeldraden talrijk; vruchtbeginsel onderstandig, met één stijl en 4–8 wandstandige zaadlijsten; vrucht een bes met vele zaden; meest vleezige planten, zelden met vlakke of cylindrische bladeren; in den regel met een vleezige stam met ribben en kussenvormige bladdragende spruiten; de bladeren zelf vroeg afvallend, of als dorens gevormd.1a.Planten epiphytisch levend21b.Planten in den bodem wortelend32a.Stammen en stengels dun, cylindervormig, vertakt. Bloemen kleinRhipsalis.2b.Bloeiende stengels plat. Bloemen groot met een lange buis, die met schubben bedekt isPhyllocactus.3a.Stam nagenoeg bolrond, geribd, met stekels bezet; aan den topmet eenhalfbolvormig of cylindervormige viltig-behaard hoofdje, waarop de bloemen staanMelocactus.3b.Stammen verlengd, kantig of geribdCereus.3c.Stammen vlak, met of zonder stekels. Meeldraden langer dan de bloemkroonNopalia.Nopari.

210.Cactaceae.

Bloemen tweeslachtig, regelmatig, soms wat zygomorf; met vaak lange buisvormige bloemas; kelk- en kroonbladeren talrijk, niet duidelijk van elkaar te onderscheiden; meeldraden talrijk; vruchtbeginsel onderstandig, met één stijl en 4–8 wandstandige zaadlijsten; vrucht een bes met vele zaden; meest vleezige planten, zelden met vlakke of cylindrische bladeren; in den regel met een vleezige stam met ribben en kussenvormige bladdragende spruiten; de bladeren zelf vroeg afvallend, of als dorens gevormd.1a.Planten epiphytisch levend21b.Planten in den bodem wortelend32a.Stammen en stengels dun, cylindervormig, vertakt. Bloemen kleinRhipsalis.2b.Bloeiende stengels plat. Bloemen groot met een lange buis, die met schubben bedekt isPhyllocactus.3a.Stam nagenoeg bolrond, geribd, met stekels bezet; aan den topmet eenhalfbolvormig of cylindervormige viltig-behaard hoofdje, waarop de bloemen staanMelocactus.3b.Stammen verlengd, kantig of geribdCereus.3c.Stammen vlak, met of zonder stekels. Meeldraden langer dan de bloemkroonNopalia.Nopari.

Bloemen tweeslachtig, regelmatig, soms wat zygomorf; met vaak lange buisvormige bloemas; kelk- en kroonbladeren talrijk, niet duidelijk van elkaar te onderscheiden; meeldraden talrijk; vruchtbeginsel onderstandig, met één stijl en 4–8 wandstandige zaadlijsten; vrucht een bes met vele zaden; meest vleezige planten, zelden met vlakke of cylindrische bladeren; in den regel met een vleezige stam met ribben en kussenvormige bladdragende spruiten; de bladeren zelf vroeg afvallend, of als dorens gevormd.

1a.Planten epiphytisch levend2

1b.Planten in den bodem wortelend3

2a.Stammen en stengels dun, cylindervormig, vertakt. Bloemen kleinRhipsalis.

2b.Bloeiende stengels plat. Bloemen groot met een lange buis, die met schubben bedekt isPhyllocactus.

3a.Stam nagenoeg bolrond, geribd, met stekels bezet; aan den topmet eenhalfbolvormig of cylindervormige viltig-behaard hoofdje, waarop de bloemen staanMelocactus.

3b.Stammen verlengd, kantig of geribdCereus.

3c.Stammen vlak, met of zonder stekels. Meeldraden langer dan de bloemkroonNopalia.Nopari.

Orde:Myrtiflorae.216.Lythraceae.Bloemen met kelk en bloemkroon of zonder bloemkroon, 3–16-, meest 4–6-tallig, tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemas schotelvormig tot buisvormig; kelk vaak met tusschenliggende schubjes; bloembladeren aan den rand van de holle as ingehecht; meeldraden dubbel zooveel of 1 tot vele; vruchtbeginsel 2–6-hokkig, zelden 1-hokkig met 2 tot vele zaadknoppen per hokje; kruiden of houtige planten met enkelvoudige meest tegenoverstaande bladeren; steunbladeren klein.1a.Bloemen 6-tallig, zijdelings-symmetrisch. Kelk buisvormig, aan de basis met een spoor of knobbel. Bloembladen meest 6; meeldraden meest 11, zelden minder. Bladeren tegenoverstaand. KruidenCuphea.1b.Bloemen 4–5-tallig; regelmatig22a.Bloemen meest 5-tallig. Bloembladeren genageld. Meeldraden 15–200. Bladeren niet tegenoverstaandLagerströmia.2b.Bloemen 4-tallig33a.Bloemen okselstandig, alleenstaand of 3 bij elkaar. Meeldraden 12–15 in één rij op den kelk ingehecht. Stengel 4-kantig of 4-vleugeligCrenea.3b.Bloemen in meerbloemige vertakte bloeiwijzen. Meeldraden 8, soms meerLawsonia.Reseda.218.Punicaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig of alleen vrouwelijk; regelmatig; bloemas een weinig bekervormig; kelk 5–7-tandig, bloembladeren 5–7, rood; meeldraden talrijk; vruchtbeginsel meerhokkig, onderstandig, geheel met de bloembodem vergroeid, met vele zaadknoppen; stijl 1; schijnvrucht meerzadig, min of meer besachtig; kleine boomen met kleine gaafrandige tegenoverstaande bladeren; bloemen groot, in de bladoksels. Eenig geslachtPunica.219.Lecythidaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, zelden zonder bloembladeren; tweeslachtig; bloemas bekervormig; kelkslippen meest 4–6, zelden 2–3; bloembladeren 4–6, zelden meer; meeldraden vele, in meerdere kransen; vaak ten deele steriel, aan de basis min of meer vergroeid; vruchtbeginsel met de bloemas vergroeid, onderstandig, 2–6-hokkig; met 1 tot vele zaadknoppen; stijlen vergroeid; vrucht vleezig of houtig; houtige planten met verspreide enkelvoudige bladeren zonder steunbladeren.1a.Buis van meeldraden overal even hoog; kelkbladeren 4–6; bloembladeren 6–8, groot. Vrucht een gladde of gevleugelde besGustavia.1b.Buis van meeldraden met een eenzijdig helmvormig aanhangsel22a.Alle meeldraden met helmknoppen. Kelk afvallend, evenals de kroon 6-bladig; vruchtbeginsel 6-hokkig. Stempel 6-stralig. Bloemen in trossen. Vrucht bolvormig met de kelkrest op ongeveer ⅓ van de top of ongeveer in het middenCouroupita.Bosch-kalebas.2b.Meeldraden van het helmvormige aanhangsel zonder helmknoppen of in iedere geval zonder stuifmeel33a.De helm is spiraalvormig opgerold en bestaat uit een ingerold stuk en een weer teruggerold gedeelte63b.De helm is niet spiraalvormig opgerold en niet dubbel44a.Kelk vergroeidbladig, later in 2 concave lobben openscheurend. Bloembladeren 6. Vruchtbeginsel 4-hokkig; de tusschenschotten verdwijnen bij het rijp worden van de zaden. Vrucht met een kleine deksel. Zaden groot, 3-hoekigBertholletia.4b.Kelk 6-bladig55a.Vrucht met een deksel openspringend, waaraan een deel van de middenzuil blijft vastzitten. Zaden met een lange en dikke steelLecythis.Kwatta-patoe.5b.Deksel van de vrucht aan de binnenzijde zonder rest van demiddenzuil der vrucht. Zaden zonder steel, op den bodem van de vrucht zittendEschweilera.Kwatta-patoe.6a.Helm der meeldraden van onderen aan het eind met staminodiën of uitwassen bezet. Vruchtbeginsel 3-hokkig; vrucht langCouratari.Injie-pipa.6b.Helm der meeldraden van onderen zonder staminodiën of uitwassen. Vruchtbeginsel 4- tot meerhokkigAllantoma.220.Rhizophoraceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, zelden zonder bloembladeren; meest tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren 3–16, meest 4–8; bloembladeren evenveel; meeldraden 8 tot vele; meest alle met stuifmeel; vruchtbeginsel 2–5-hokkig, zelden 3-, of 6-hokkig, onderstandig, met de bekervormige bloemas vereenigd; met meest 2 zaadknoppen in ieder hokje; vruchtbeginsel zelden 1-hokkig; vrucht 1–5-hokkig meest met 1 zaad in ieder hokje; boomen of heesters met tegenoverstaande bladeren met spoedig afvallende steunbladeren; zelden bladeren verspreid en zonder steunbladeren.1a.Bloeias kort-napvormig; kelkbladeren en bloembladeren 4. Meeldraden 8. Schijf onduidelijk gelobd. Stijl 2-lobbig. Vrucht éénzadig, aan den boom kiemend. Boomen met luchtwortelsRhizophora.1b.Bloeias klokvormig. Kelkbladeren 4 en bloembladeren 4–5, de laatste sterk ingesneden. Meeldraden 15–30; schijf 15–30-lobbig. Vrucht met spleten openspringend. Bladeren tegenoverstaandCassipourea.221.Combretaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon of zonder bloemkroon; tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig met klokvormige of buisvormige bloemas; kelkslippen 4–5; bloembladeren 4–5; meeldraden 4, 5, 8 of 10, zelden talrijk; stijl 1; vruchtbeginsel onderstandig, éénhokkig met 2–6 zaadknoppen; vrucht leerachtig of steenvruchtachtig vaak met 4–5 vleugels, 1-zadig; houtige planten met tegenoverstaande of verspreide bladeren, vaak klimmend; geen steunbladeren; bloemen in trossen.1a.Bloembladeren ontbrekend; bladeren afwisselend21b.Bloembladeren aanwezig52a.Kelk boven het vruchtbeginsel wijd uitgespreid, bijna schotelvormig, aan den rand een weinig gegolfd en nauwelijks gelobd, na den bloei blijvend. Meeldraden 10. Bloemen in verlengde aarvormige trossen, in denzelfde tros ♂ en tweeslachtige bloemen. Kleine boomen. Bladeren aan den top stompBucida.2b.Kelk na de bloei afvallend, klokvormig33a.Kelk nauwelijks getand of gelobd. Helmknoppen onbewegelijk aan de helmdraden vergroeid. Meeldraden 10. Bloemen in trossen, vaker in korte hoofdjesBuchenavia.3b.Kelk tot op de helft ingesneden. Helmknoppen bewegelijk44a.Bloemen in lange trossen. Bladeren vaak aan het einde der takken groepsgewijs bij elkaar zittend. Bloemen 4–5-tallig met 8 of 10 meeldradenTerminalia.4b.Bloemen in hoofdjes. Vruchten plat, elkaar dakpansgewijs bedekkend, daardoor te samen op een dennenkegel gelijkend. Kleine boompjesConocarpus.5a.Kelkbuis zeer lang, op een lange bloemsteel gelijkend. Stijl aan een zijde tegen de binnenkant van de buis vastgegroeid. Meeldraden in 2 rijen.Klimmende heesterQuisqualis.5b.Kelkbuis niet verlengd66a.Bloemen groot, in zeer lange bruinbehaarde trossen; de bloemen groepsgewijs zittend in de oksel van lange, spitse schutbladeren. Kelkbuis en meeldraden gebogenCacoucia.6b.Bloemen klein of groot, bloeistengel niet bezet met groote schutbladeren77a.Bloemen 5-tallig. Kelk bekervormig, klein, na de bloei blijvend. Vruchtbeginsel min of meer 5-kantig; de 2 bloemsteelblaadjes met het vruchtbeginsel vergroeid. Bloemen in ijle trossen. Kleine boom met leerachtige gesteelde bladeren met een afgeronden top. MangroveplantLaguncularia.7b.Bloemen zeer verschillend van grootte, 4- of 5-tallig. Kelk na den bloei afvallend. Vrucht 4- of 5-kantig of 4–5-vleugelig. Bladeren tegenoverstaand of afwisselendCombretum.222.Myrtaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren en kroonbladeren meest 4–5; meeldraden talrijk, soms in groepen; vruchtbeginsel met de bekervormige bloeias vergroeid, onderstandig; 2–5- tot veelhokkig met 1 tot vele zaadknoppen per hokje; stijlen vergroeid; vrucht zeer verschillend; vaak een bes; houtige planten met meest tegenoverstaande bladeren zonder steunbladeren met doorschijnende olieklieren.1a.Kelkbladeren in den knoptoestand vergroeid, later openscheurend21b.Kelkbladeren reeds in den knoptoestand vrij, dakpansgewijs over elkaar liggend42a.Bloembladeren grooter dan de kelk, 5 of 4, bloemen alleenstaand in de bladoksels; bladeren meest behaard. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig met vele zaadknoppen in ieder hokje, kiem in het zaad gekromd; de kiembladeren klein, het worteltje veel grooterPsidium.2b.Bloembladeren slechts weinig grooter of kleiner dan de kelk, soms geheel ontbrekend. Bloemen niet alleenstaand in de bladoksels; bladeren meest kaal33a.Kelk 4–5-spletig, bloembladeren 4–5, klein of ontbrekend. Vruchtbeginsel 2–3-hokkig met 2 zaadknoppen in elk hokje. Kiem in het zaad samengevouwen, vooral de kiembladeren sterk geplooid en gevouwen. Worteltje even lang als de kiembladerenMarlieria.3b.Kelk 4–6-spletig, bloembladeren 4–6 niet opvallend klein; vruchtbeginsel 2–4-hokkig met 4 tot vele zaadknoppen in elk hokje. Worteltje van de kiem veel kleiner dan de groote en dikke kiembladerenCalycorectes.4a.Bloemen met 4 kelkbladeren en 4 bloembladeren54b.Bloemen met 5 kelkbladeren en 5 bloembladeren85a.Bloemen grooter dan 1 c.M.; vruchtbeginsel naar den bloemsteel versmald en spits. Kelkbladeren kort en stomp. Bloembladeren rond, groot. Meeldraden zeer lang. Vrucht 2–3-hokkig met vele zaadknoppen in ieder hokje. Bloeiwijze weinigbloemig. Bladeren lang en smalJambosa.5b.Bloemen kleiner dan 1 c.M.66a.Vruchten met slechts 1 zaad; kiem spiraalsgewijs opgerold met zeer kleine kiembladeren. Vruchtbeginsel 2-hokkig met 1 of 2 zaadknoppen in elk hokje. Bloeiwijze veelbloemig, sterk vertaktPimenta.6b.Vruchten soms meerzadig; kiem niet spiraalsgewijs opgerold met groote kiembladeren en klein worteltje77a.Vruchtbeginsel 2–4-hokkig met 4 tot vele zaadknoppen in elk hokjeEugenia.7b.Vruchtbeginsel 2-hokkig met 2 zaadknoppen in elk hokjeMyrciaria.8a.Kelkbladeren opvallend groot, aan de basis versmald. Bloembladeren groot, rond. Stijl langer dan de meeldraden. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig. Bloemen in groepen of alleenstaand in de bladokselsCalycolpus.8b.Kelkbladeren klein evenals de bloembladeren99a.Boom met gladde stam; bladeren ongeveer 5 c.M. lang aan den top afgerond, naar de basis versmald hard-leerachtig met een eenigszins omgerolde rand. Bloemen in sterk vertakte bloeiwijzen. Vruchtbeginsel 2-hokkig met 6 zaadknoppen per hokjeAmomis.(Pimenta).Bayoom,Beerum.9b.Bladeren aan den top toegespitst, vruchtbeginsel 2–3-hokkig met 2 zaadknoppen in elk hokje. Bloeiwijzen meest behaard, okselstandigMyrcia.(Aulomyrcia).223.Melastomataceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, regelmatig, soms de meeldraden zygomorf; bloemas bekervormig, bloemen 3- tot veeltallig, meest 4–5-tallig; bloembladeren evenveel als kelkslippen; meeldraden meest dubbel zooveel als bloembladeren; helmknoppen met poriën openspringend; vruchtbeginsel boven- of onderstandig, min of meer met de bloemas vergroeid, meest meerhokkig; stijl 1; vrucht een doosvrucht, of een bes; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande bladeren zonder steunbladeren.1a.Boomen; bladeren zonder de karakteristieke nerven der familie, doch vinnervig, of zóó dik, dat alleen een middennerf zichtbaar is. Bloemen 4- of 5-tallig; kelk buisvormig of geheel zonder buis; steeds het vruchtbeginsel met den bodem van den kelk vergroeid en dus onderstandig. Helmknoppen zonder bijzondere verlengde aanhangselen. Bloemen meest geel. Vrucht een bes met eenige pittenMouriria.1b.Bladeren met een middennerf waaruit aan den voet of dicht boven de voet eenige zijnerven ontspringen, die evenwijdig met de bladrand naar den top van het blad loopen; deze nerven zijn onderling en met dehoofdnerfverbonden door vele evenwijdige zijnerven22a.Vrucht een met kleppen openspringende doosvrucht. Vruchtbeginsel en later ook de vrucht meest maar voor een klein deel of in het geheel niet met de kelkwand vergroeid en daardoor bijna geheel bovenstandig. Meeldraden meest in twee rijen, de eene rij uit grootere meeldraden bestaande dan de andere rij. Helmbindsel aan den voet van voren vaak met verschillende aanhangsels, soms ook van achteren met aanhangsels, zelden geheel zonder aanhangsels (Aciotis). Planten kruidachtig of kleine heesters32b.Vrucht een bes of leerachtig en onregelmatig openspringend. Vruchtbeginsel en later ook de vrucht bijna geheel met de kelkbuis vergroeid en daardoor bijna of geheel onderstandig. Meeldraden meest alle gelijk van grootte. Helmbindsel aan de voet bijna steeds zonder aanhangselen (uitzonderingen bij Miconia). Planten meest groote heesters of boomen133a.Slechts 4 meeldraden aanwezig, de 4 andere of geheel ontbrekend of zeer klein, bloem 4-tallig. Voet van de helmknoppen met 2 knobbels aan de voorzijde. Vruchtbeginsel 2-hokkig; doosvrucht met 2 kleppen openspringend. Bloeiwijze weinigbloemig of bloemen okselstandigSiphanthera.3b.Steeds tweemaal zooveel meeldraden als bloembladeren aanwezig44a.Bloemen 5-tallig met 5 groote en 5 kleine meeldraden; van de 5 groote meeldraden is er één veel grooter dan de 4 andere. Helmbindsel beneden de helmknop verlengd, gebogen, van voren met 2 tanden of knobbels. Doosvrucht met 3 kleppen openspringendRhynchanthera.4b.Niet een van de meeldraden veel grooter dan de andere55a.Bloemen 4-tallig65b.Bloemen 5-tallig106a.Planten niet houtig, met saprijke stengels, klein, op vochtige plaatsen voorkomend. Helmknoppen geheel zonder aanhangselen aan het helmbindsel; meeldraden aan elkaar gelijk, vruchtbeginsel kaal, 2-hokkigAciotis.6b.Helmbindsel met knobbels of langere aanhangsels. Stengel meest wat houtig77a.Kelkslippen driehoekig, spits en na den bloei blijvend; buis van buiten met korte stijve haren bezet; kelkslippen afwisselend met vertakte borstelharen. Helmbindsel min of meer onder de helmknop verlengd, met 2 knobbels of een verdikking aan de voorzijde. Vruchtbeginsel op den top borstelig behaard. Planten meest ruw behaardPterolepis.7b.Kelkslippen niet met borstels afwisselend88a.Helmknoppen van alle meeldraden gelijk van vorm en grootte, helmbindsel gebogen, aan het verbreede einde van voren met 2 lobben of 2 korte sporen of oortjes. Doosvrucht 2- of 4-kleppig (en -hokkig). Bloeiwijzen klein of bloemen alleenstaandComolia.8b.Helmknoppen van 4 der meeldraden verschillend in vorm en grootte van de 4 andere99a.Helmbindsel van alle helmknoppen van voren met 2 opgerichte lange draadvormige aanhangselen.Kelkbuis meest klierachtig behaard. Vruchtbeginsel 4-hokkig aan den top kaal of behaard. Bloemen in groote vertakte bloeiwijzenErnestia.9b.Helmbindsel van slechts 4 der meeldraden met 2 lange sporen, van de andere meeldraden met 2 knobbels; soms ook alle helmknoppen met knobbels. Kelkbuis halfbolvormig of klokvormig met spitse slippen. Vruchtbeginsel kaal 2, 3 of 4-hokkig. Kruiden of heestertjesAcisanthera.10a.Kelk aan de basis met 4, paarsgewijs tegenoverstaande blaadjes omgeven. Meeldraden ongeveer gelijk van vorm; helmbindsel met 2 knobbels van voren. Vruchtbeginsel en doosvrucht aan den top borstelig. Kleine heestersTibouchina.10b.Kelk niet door blaadjes ingehuld1111a.Planten zeer dicht behaard; zoowel stengel en bladeren als top van het vruchtbeginsel en kelk. Helmknoppen zeer ongelijk, 5 met lange sporen, de 5 andere met korte oortjes aan de voorzijde. Vruchtbeginsel 5-hokkig, min of meer met de kelk vergroeidDesmoscelis.11b.Planten niet dicht behaard; vruchtbeginsel op den top kaal1212a.Kelkbuis eirond met blijvende lange kelkslippen. Bloembladeren smal en spits. Meeldraden afwisselend langer en korter. Helmbindsel onder de helmknop verlengd met 2 korte opgerichte sporen voorzien. Vruchtbeginsel 3-hokkig bolvormig; vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht. Bloeiwijze sterk vertakt, losNepsera.12b.Kelkbuis half bolvormig of klokvormig. Bloembladeren rond of eirond, met stompe of afgeronde top. Meeldraden alle met 2 knobbels of oortjes aan het helmbindsel of 4 ervan met 2 lange sporen. Vruchtbeginsel 2–4-hokkigAcisanthera.13a.Bloeiwijze aan het eind van bebladerde takken staand1413b.Bloeiwijzen of alleenstaande bloemen in de bladoksels of uit het hout te voorschijn komend1514a.Bloembladeren spits en smal. Bloemen meest 5-tallig. Kelk vaak met 2 rijen van tanden. Helmbindsel weinig verlengd, zonder aanhangsels. Heesters of boompjes, meest behaardLeandra.14b.Bloembladeren breed en stomp. Bloemen meest 5-tallig. Kelkzoom met zeer korte slippen. Helmknoppen zeer verschillend, met of zonder aanhangselen aan het helmbindsel. Heesters, zelden boomenMiconia.15a.Bloembladeren stomp aan den top1615b.Bloembladeren spits aan den top. Kelk ruwharig tot borstelig, in den knop gesloten; met een dekseltje opengaand; helmknoppen recht en dik, zijdelings samengedrukt; helmbindsel niet verlengd, zonder aanhangselen; ruwharige heesters, bloemen alleenstaand of 3 bij elkaarMyriaspora.16a.Bladeren met blazen aan den voet. Bloemen 3-, 4- of 5-tallig. Helmbindsel niet verlengd. Bloeiwijzen klein of alleenstaande bloemen in de bladoksels. Kelkbuis niet gevleugeldMaieta.16b.Bladvoet zonder blazen1717a.Bloemen aan de bebladerde takken staand1817b.Bloemen beneden de bladeren uit het hout tevoorschijn komend1918a.Bloemen klein, onaanzienlijk; de kelklobben meest aan de buitenzijde voorzien van een lange tand; helmknoppen verlengd en priemvormig, met één opening openspringend; vruchtbeginsel bijna steeds behaard, 3–9-hokkig; kleine, zelden groote heesters of boompjesClidemia.18b.Bloemen groot. Kelkzoom zonder bijslippen; kelk in regelmatige slippen gedeeld of onregelmatig inscheurend. Helmknoppen kort en dik met 2 gaten aan den top openspringend. Vruchtbeginsel geheel met de kelkbuis vergroeid, 8–15-hokkig, kaal. Boomen of heesters, meest onbehaardBellucia.Mispel.19a.Kelkzoom onduidelijk getand. Helmknoppen kort en dik, vaak alle samenhangend. Bloembladeren dik en leerachtig. Vruchtbeginsel geheel met de kelk vergroeid. Bes met de kelkzoom aan den top. Bloemen in dichte trosvormige bloeiwijzen uit het hout tevoorschijn komend boven de lidteekens van de bladerenLoreya.Mispel.19b.Kelkzoom duidelijk getand of gelobd. Helmknoppen meest verlengd en dun. Helmbindsel niet onder de helmknop verlengd. Bloemen alleenstaand of in groepen, niet in trossen. Bes veelzadigHenriettea.Mispel.224.Oenotheraceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, meest tweeslachtig, en regelmatig, zelden zygomorf; bloemas buisvormig; kelkslippen 2–4; zelden 5–6, bloembladeren 2–4, zelden ontbrekend; meeldraden 4–8, zelden 1, 2, 6 of 12, soms ten deele staminodiaal; vruchtbeginsel met de bloemas vergroeid; onderstandig, meest 4-hokkig; met 1 tot vele zaadknoppen in ieder hokje; meest kruiden met tegenoverstaande of verspreide bladeren zonder steunbladen; bloemen okselstandig of in trossen.Bloemen met 4 (–6) kelkbladeren, 4 (–6) gele bloembladeren, 8–12 meeldraden. Vruchtbeginsel onderstandig; vrucht een doosvrucht. Moeras- of waterplantenJussieua.

Orde:Myrtiflorae.216.Lythraceae.Bloemen met kelk en bloemkroon of zonder bloemkroon, 3–16-, meest 4–6-tallig, tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemas schotelvormig tot buisvormig; kelk vaak met tusschenliggende schubjes; bloembladeren aan den rand van de holle as ingehecht; meeldraden dubbel zooveel of 1 tot vele; vruchtbeginsel 2–6-hokkig, zelden 1-hokkig met 2 tot vele zaadknoppen per hokje; kruiden of houtige planten met enkelvoudige meest tegenoverstaande bladeren; steunbladeren klein.1a.Bloemen 6-tallig, zijdelings-symmetrisch. Kelk buisvormig, aan de basis met een spoor of knobbel. Bloembladen meest 6; meeldraden meest 11, zelden minder. Bladeren tegenoverstaand. KruidenCuphea.1b.Bloemen 4–5-tallig; regelmatig22a.Bloemen meest 5-tallig. Bloembladeren genageld. Meeldraden 15–200. Bladeren niet tegenoverstaandLagerströmia.2b.Bloemen 4-tallig33a.Bloemen okselstandig, alleenstaand of 3 bij elkaar. Meeldraden 12–15 in één rij op den kelk ingehecht. Stengel 4-kantig of 4-vleugeligCrenea.3b.Bloemen in meerbloemige vertakte bloeiwijzen. Meeldraden 8, soms meerLawsonia.Reseda.218.Punicaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig of alleen vrouwelijk; regelmatig; bloemas een weinig bekervormig; kelk 5–7-tandig, bloembladeren 5–7, rood; meeldraden talrijk; vruchtbeginsel meerhokkig, onderstandig, geheel met de bloembodem vergroeid, met vele zaadknoppen; stijl 1; schijnvrucht meerzadig, min of meer besachtig; kleine boomen met kleine gaafrandige tegenoverstaande bladeren; bloemen groot, in de bladoksels. Eenig geslachtPunica.219.Lecythidaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, zelden zonder bloembladeren; tweeslachtig; bloemas bekervormig; kelkslippen meest 4–6, zelden 2–3; bloembladeren 4–6, zelden meer; meeldraden vele, in meerdere kransen; vaak ten deele steriel, aan de basis min of meer vergroeid; vruchtbeginsel met de bloemas vergroeid, onderstandig, 2–6-hokkig; met 1 tot vele zaadknoppen; stijlen vergroeid; vrucht vleezig of houtig; houtige planten met verspreide enkelvoudige bladeren zonder steunbladeren.1a.Buis van meeldraden overal even hoog; kelkbladeren 4–6; bloembladeren 6–8, groot. Vrucht een gladde of gevleugelde besGustavia.1b.Buis van meeldraden met een eenzijdig helmvormig aanhangsel22a.Alle meeldraden met helmknoppen. Kelk afvallend, evenals de kroon 6-bladig; vruchtbeginsel 6-hokkig. Stempel 6-stralig. Bloemen in trossen. Vrucht bolvormig met de kelkrest op ongeveer ⅓ van de top of ongeveer in het middenCouroupita.Bosch-kalebas.2b.Meeldraden van het helmvormige aanhangsel zonder helmknoppen of in iedere geval zonder stuifmeel33a.De helm is spiraalvormig opgerold en bestaat uit een ingerold stuk en een weer teruggerold gedeelte63b.De helm is niet spiraalvormig opgerold en niet dubbel44a.Kelk vergroeidbladig, later in 2 concave lobben openscheurend. Bloembladeren 6. Vruchtbeginsel 4-hokkig; de tusschenschotten verdwijnen bij het rijp worden van de zaden. Vrucht met een kleine deksel. Zaden groot, 3-hoekigBertholletia.4b.Kelk 6-bladig55a.Vrucht met een deksel openspringend, waaraan een deel van de middenzuil blijft vastzitten. Zaden met een lange en dikke steelLecythis.Kwatta-patoe.5b.Deksel van de vrucht aan de binnenzijde zonder rest van demiddenzuil der vrucht. Zaden zonder steel, op den bodem van de vrucht zittendEschweilera.Kwatta-patoe.6a.Helm der meeldraden van onderen aan het eind met staminodiën of uitwassen bezet. Vruchtbeginsel 3-hokkig; vrucht langCouratari.Injie-pipa.6b.Helm der meeldraden van onderen zonder staminodiën of uitwassen. Vruchtbeginsel 4- tot meerhokkigAllantoma.220.Rhizophoraceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, zelden zonder bloembladeren; meest tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren 3–16, meest 4–8; bloembladeren evenveel; meeldraden 8 tot vele; meest alle met stuifmeel; vruchtbeginsel 2–5-hokkig, zelden 3-, of 6-hokkig, onderstandig, met de bekervormige bloemas vereenigd; met meest 2 zaadknoppen in ieder hokje; vruchtbeginsel zelden 1-hokkig; vrucht 1–5-hokkig meest met 1 zaad in ieder hokje; boomen of heesters met tegenoverstaande bladeren met spoedig afvallende steunbladeren; zelden bladeren verspreid en zonder steunbladeren.1a.Bloeias kort-napvormig; kelkbladeren en bloembladeren 4. Meeldraden 8. Schijf onduidelijk gelobd. Stijl 2-lobbig. Vrucht éénzadig, aan den boom kiemend. Boomen met luchtwortelsRhizophora.1b.Bloeias klokvormig. Kelkbladeren 4 en bloembladeren 4–5, de laatste sterk ingesneden. Meeldraden 15–30; schijf 15–30-lobbig. Vrucht met spleten openspringend. Bladeren tegenoverstaandCassipourea.221.Combretaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon of zonder bloemkroon; tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig met klokvormige of buisvormige bloemas; kelkslippen 4–5; bloembladeren 4–5; meeldraden 4, 5, 8 of 10, zelden talrijk; stijl 1; vruchtbeginsel onderstandig, éénhokkig met 2–6 zaadknoppen; vrucht leerachtig of steenvruchtachtig vaak met 4–5 vleugels, 1-zadig; houtige planten met tegenoverstaande of verspreide bladeren, vaak klimmend; geen steunbladeren; bloemen in trossen.1a.Bloembladeren ontbrekend; bladeren afwisselend21b.Bloembladeren aanwezig52a.Kelk boven het vruchtbeginsel wijd uitgespreid, bijna schotelvormig, aan den rand een weinig gegolfd en nauwelijks gelobd, na den bloei blijvend. Meeldraden 10. Bloemen in verlengde aarvormige trossen, in denzelfde tros ♂ en tweeslachtige bloemen. Kleine boomen. Bladeren aan den top stompBucida.2b.Kelk na de bloei afvallend, klokvormig33a.Kelk nauwelijks getand of gelobd. Helmknoppen onbewegelijk aan de helmdraden vergroeid. Meeldraden 10. Bloemen in trossen, vaker in korte hoofdjesBuchenavia.3b.Kelk tot op de helft ingesneden. Helmknoppen bewegelijk44a.Bloemen in lange trossen. Bladeren vaak aan het einde der takken groepsgewijs bij elkaar zittend. Bloemen 4–5-tallig met 8 of 10 meeldradenTerminalia.4b.Bloemen in hoofdjes. Vruchten plat, elkaar dakpansgewijs bedekkend, daardoor te samen op een dennenkegel gelijkend. Kleine boompjesConocarpus.5a.Kelkbuis zeer lang, op een lange bloemsteel gelijkend. Stijl aan een zijde tegen de binnenkant van de buis vastgegroeid. Meeldraden in 2 rijen.Klimmende heesterQuisqualis.5b.Kelkbuis niet verlengd66a.Bloemen groot, in zeer lange bruinbehaarde trossen; de bloemen groepsgewijs zittend in de oksel van lange, spitse schutbladeren. Kelkbuis en meeldraden gebogenCacoucia.6b.Bloemen klein of groot, bloeistengel niet bezet met groote schutbladeren77a.Bloemen 5-tallig. Kelk bekervormig, klein, na de bloei blijvend. Vruchtbeginsel min of meer 5-kantig; de 2 bloemsteelblaadjes met het vruchtbeginsel vergroeid. Bloemen in ijle trossen. Kleine boom met leerachtige gesteelde bladeren met een afgeronden top. MangroveplantLaguncularia.7b.Bloemen zeer verschillend van grootte, 4- of 5-tallig. Kelk na den bloei afvallend. Vrucht 4- of 5-kantig of 4–5-vleugelig. Bladeren tegenoverstaand of afwisselendCombretum.222.Myrtaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren en kroonbladeren meest 4–5; meeldraden talrijk, soms in groepen; vruchtbeginsel met de bekervormige bloeias vergroeid, onderstandig; 2–5- tot veelhokkig met 1 tot vele zaadknoppen per hokje; stijlen vergroeid; vrucht zeer verschillend; vaak een bes; houtige planten met meest tegenoverstaande bladeren zonder steunbladeren met doorschijnende olieklieren.1a.Kelkbladeren in den knoptoestand vergroeid, later openscheurend21b.Kelkbladeren reeds in den knoptoestand vrij, dakpansgewijs over elkaar liggend42a.Bloembladeren grooter dan de kelk, 5 of 4, bloemen alleenstaand in de bladoksels; bladeren meest behaard. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig met vele zaadknoppen in ieder hokje, kiem in het zaad gekromd; de kiembladeren klein, het worteltje veel grooterPsidium.2b.Bloembladeren slechts weinig grooter of kleiner dan de kelk, soms geheel ontbrekend. Bloemen niet alleenstaand in de bladoksels; bladeren meest kaal33a.Kelk 4–5-spletig, bloembladeren 4–5, klein of ontbrekend. Vruchtbeginsel 2–3-hokkig met 2 zaadknoppen in elk hokje. Kiem in het zaad samengevouwen, vooral de kiembladeren sterk geplooid en gevouwen. Worteltje even lang als de kiembladerenMarlieria.3b.Kelk 4–6-spletig, bloembladeren 4–6 niet opvallend klein; vruchtbeginsel 2–4-hokkig met 4 tot vele zaadknoppen in elk hokje. Worteltje van de kiem veel kleiner dan de groote en dikke kiembladerenCalycorectes.4a.Bloemen met 4 kelkbladeren en 4 bloembladeren54b.Bloemen met 5 kelkbladeren en 5 bloembladeren85a.Bloemen grooter dan 1 c.M.; vruchtbeginsel naar den bloemsteel versmald en spits. Kelkbladeren kort en stomp. Bloembladeren rond, groot. Meeldraden zeer lang. Vrucht 2–3-hokkig met vele zaadknoppen in ieder hokje. Bloeiwijze weinigbloemig. Bladeren lang en smalJambosa.5b.Bloemen kleiner dan 1 c.M.66a.Vruchten met slechts 1 zaad; kiem spiraalsgewijs opgerold met zeer kleine kiembladeren. Vruchtbeginsel 2-hokkig met 1 of 2 zaadknoppen in elk hokje. Bloeiwijze veelbloemig, sterk vertaktPimenta.6b.Vruchten soms meerzadig; kiem niet spiraalsgewijs opgerold met groote kiembladeren en klein worteltje77a.Vruchtbeginsel 2–4-hokkig met 4 tot vele zaadknoppen in elk hokjeEugenia.7b.Vruchtbeginsel 2-hokkig met 2 zaadknoppen in elk hokjeMyrciaria.8a.Kelkbladeren opvallend groot, aan de basis versmald. Bloembladeren groot, rond. Stijl langer dan de meeldraden. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig. Bloemen in groepen of alleenstaand in de bladokselsCalycolpus.8b.Kelkbladeren klein evenals de bloembladeren99a.Boom met gladde stam; bladeren ongeveer 5 c.M. lang aan den top afgerond, naar de basis versmald hard-leerachtig met een eenigszins omgerolde rand. Bloemen in sterk vertakte bloeiwijzen. Vruchtbeginsel 2-hokkig met 6 zaadknoppen per hokjeAmomis.(Pimenta).Bayoom,Beerum.9b.Bladeren aan den top toegespitst, vruchtbeginsel 2–3-hokkig met 2 zaadknoppen in elk hokje. Bloeiwijzen meest behaard, okselstandigMyrcia.(Aulomyrcia).223.Melastomataceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, regelmatig, soms de meeldraden zygomorf; bloemas bekervormig, bloemen 3- tot veeltallig, meest 4–5-tallig; bloembladeren evenveel als kelkslippen; meeldraden meest dubbel zooveel als bloembladeren; helmknoppen met poriën openspringend; vruchtbeginsel boven- of onderstandig, min of meer met de bloemas vergroeid, meest meerhokkig; stijl 1; vrucht een doosvrucht, of een bes; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande bladeren zonder steunbladeren.1a.Boomen; bladeren zonder de karakteristieke nerven der familie, doch vinnervig, of zóó dik, dat alleen een middennerf zichtbaar is. Bloemen 4- of 5-tallig; kelk buisvormig of geheel zonder buis; steeds het vruchtbeginsel met den bodem van den kelk vergroeid en dus onderstandig. Helmknoppen zonder bijzondere verlengde aanhangselen. Bloemen meest geel. Vrucht een bes met eenige pittenMouriria.1b.Bladeren met een middennerf waaruit aan den voet of dicht boven de voet eenige zijnerven ontspringen, die evenwijdig met de bladrand naar den top van het blad loopen; deze nerven zijn onderling en met dehoofdnerfverbonden door vele evenwijdige zijnerven22a.Vrucht een met kleppen openspringende doosvrucht. Vruchtbeginsel en later ook de vrucht meest maar voor een klein deel of in het geheel niet met de kelkwand vergroeid en daardoor bijna geheel bovenstandig. Meeldraden meest in twee rijen, de eene rij uit grootere meeldraden bestaande dan de andere rij. Helmbindsel aan den voet van voren vaak met verschillende aanhangsels, soms ook van achteren met aanhangsels, zelden geheel zonder aanhangsels (Aciotis). Planten kruidachtig of kleine heesters32b.Vrucht een bes of leerachtig en onregelmatig openspringend. Vruchtbeginsel en later ook de vrucht bijna geheel met de kelkbuis vergroeid en daardoor bijna of geheel onderstandig. Meeldraden meest alle gelijk van grootte. Helmbindsel aan de voet bijna steeds zonder aanhangselen (uitzonderingen bij Miconia). Planten meest groote heesters of boomen133a.Slechts 4 meeldraden aanwezig, de 4 andere of geheel ontbrekend of zeer klein, bloem 4-tallig. Voet van de helmknoppen met 2 knobbels aan de voorzijde. Vruchtbeginsel 2-hokkig; doosvrucht met 2 kleppen openspringend. Bloeiwijze weinigbloemig of bloemen okselstandigSiphanthera.3b.Steeds tweemaal zooveel meeldraden als bloembladeren aanwezig44a.Bloemen 5-tallig met 5 groote en 5 kleine meeldraden; van de 5 groote meeldraden is er één veel grooter dan de 4 andere. Helmbindsel beneden de helmknop verlengd, gebogen, van voren met 2 tanden of knobbels. Doosvrucht met 3 kleppen openspringendRhynchanthera.4b.Niet een van de meeldraden veel grooter dan de andere55a.Bloemen 4-tallig65b.Bloemen 5-tallig106a.Planten niet houtig, met saprijke stengels, klein, op vochtige plaatsen voorkomend. Helmknoppen geheel zonder aanhangselen aan het helmbindsel; meeldraden aan elkaar gelijk, vruchtbeginsel kaal, 2-hokkigAciotis.6b.Helmbindsel met knobbels of langere aanhangsels. Stengel meest wat houtig77a.Kelkslippen driehoekig, spits en na den bloei blijvend; buis van buiten met korte stijve haren bezet; kelkslippen afwisselend met vertakte borstelharen. Helmbindsel min of meer onder de helmknop verlengd, met 2 knobbels of een verdikking aan de voorzijde. Vruchtbeginsel op den top borstelig behaard. Planten meest ruw behaardPterolepis.7b.Kelkslippen niet met borstels afwisselend88a.Helmknoppen van alle meeldraden gelijk van vorm en grootte, helmbindsel gebogen, aan het verbreede einde van voren met 2 lobben of 2 korte sporen of oortjes. Doosvrucht 2- of 4-kleppig (en -hokkig). Bloeiwijzen klein of bloemen alleenstaandComolia.8b.Helmknoppen van 4 der meeldraden verschillend in vorm en grootte van de 4 andere99a.Helmbindsel van alle helmknoppen van voren met 2 opgerichte lange draadvormige aanhangselen.Kelkbuis meest klierachtig behaard. Vruchtbeginsel 4-hokkig aan den top kaal of behaard. Bloemen in groote vertakte bloeiwijzenErnestia.9b.Helmbindsel van slechts 4 der meeldraden met 2 lange sporen, van de andere meeldraden met 2 knobbels; soms ook alle helmknoppen met knobbels. Kelkbuis halfbolvormig of klokvormig met spitse slippen. Vruchtbeginsel kaal 2, 3 of 4-hokkig. Kruiden of heestertjesAcisanthera.10a.Kelk aan de basis met 4, paarsgewijs tegenoverstaande blaadjes omgeven. Meeldraden ongeveer gelijk van vorm; helmbindsel met 2 knobbels van voren. Vruchtbeginsel en doosvrucht aan den top borstelig. Kleine heestersTibouchina.10b.Kelk niet door blaadjes ingehuld1111a.Planten zeer dicht behaard; zoowel stengel en bladeren als top van het vruchtbeginsel en kelk. Helmknoppen zeer ongelijk, 5 met lange sporen, de 5 andere met korte oortjes aan de voorzijde. Vruchtbeginsel 5-hokkig, min of meer met de kelk vergroeidDesmoscelis.11b.Planten niet dicht behaard; vruchtbeginsel op den top kaal1212a.Kelkbuis eirond met blijvende lange kelkslippen. Bloembladeren smal en spits. Meeldraden afwisselend langer en korter. Helmbindsel onder de helmknop verlengd met 2 korte opgerichte sporen voorzien. Vruchtbeginsel 3-hokkig bolvormig; vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht. Bloeiwijze sterk vertakt, losNepsera.12b.Kelkbuis half bolvormig of klokvormig. Bloembladeren rond of eirond, met stompe of afgeronde top. Meeldraden alle met 2 knobbels of oortjes aan het helmbindsel of 4 ervan met 2 lange sporen. Vruchtbeginsel 2–4-hokkigAcisanthera.13a.Bloeiwijze aan het eind van bebladerde takken staand1413b.Bloeiwijzen of alleenstaande bloemen in de bladoksels of uit het hout te voorschijn komend1514a.Bloembladeren spits en smal. Bloemen meest 5-tallig. Kelk vaak met 2 rijen van tanden. Helmbindsel weinig verlengd, zonder aanhangsels. Heesters of boompjes, meest behaardLeandra.14b.Bloembladeren breed en stomp. Bloemen meest 5-tallig. Kelkzoom met zeer korte slippen. Helmknoppen zeer verschillend, met of zonder aanhangselen aan het helmbindsel. Heesters, zelden boomenMiconia.15a.Bloembladeren stomp aan den top1615b.Bloembladeren spits aan den top. Kelk ruwharig tot borstelig, in den knop gesloten; met een dekseltje opengaand; helmknoppen recht en dik, zijdelings samengedrukt; helmbindsel niet verlengd, zonder aanhangselen; ruwharige heesters, bloemen alleenstaand of 3 bij elkaarMyriaspora.16a.Bladeren met blazen aan den voet. Bloemen 3-, 4- of 5-tallig. Helmbindsel niet verlengd. Bloeiwijzen klein of alleenstaande bloemen in de bladoksels. Kelkbuis niet gevleugeldMaieta.16b.Bladvoet zonder blazen1717a.Bloemen aan de bebladerde takken staand1817b.Bloemen beneden de bladeren uit het hout tevoorschijn komend1918a.Bloemen klein, onaanzienlijk; de kelklobben meest aan de buitenzijde voorzien van een lange tand; helmknoppen verlengd en priemvormig, met één opening openspringend; vruchtbeginsel bijna steeds behaard, 3–9-hokkig; kleine, zelden groote heesters of boompjesClidemia.18b.Bloemen groot. Kelkzoom zonder bijslippen; kelk in regelmatige slippen gedeeld of onregelmatig inscheurend. Helmknoppen kort en dik met 2 gaten aan den top openspringend. Vruchtbeginsel geheel met de kelkbuis vergroeid, 8–15-hokkig, kaal. Boomen of heesters, meest onbehaardBellucia.Mispel.19a.Kelkzoom onduidelijk getand. Helmknoppen kort en dik, vaak alle samenhangend. Bloembladeren dik en leerachtig. Vruchtbeginsel geheel met de kelk vergroeid. Bes met de kelkzoom aan den top. Bloemen in dichte trosvormige bloeiwijzen uit het hout tevoorschijn komend boven de lidteekens van de bladerenLoreya.Mispel.19b.Kelkzoom duidelijk getand of gelobd. Helmknoppen meest verlengd en dun. Helmbindsel niet onder de helmknop verlengd. Bloemen alleenstaand of in groepen, niet in trossen. Bes veelzadigHenriettea.Mispel.224.Oenotheraceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, meest tweeslachtig, en regelmatig, zelden zygomorf; bloemas buisvormig; kelkslippen 2–4; zelden 5–6, bloembladeren 2–4, zelden ontbrekend; meeldraden 4–8, zelden 1, 2, 6 of 12, soms ten deele staminodiaal; vruchtbeginsel met de bloemas vergroeid; onderstandig, meest 4-hokkig; met 1 tot vele zaadknoppen in ieder hokje; meest kruiden met tegenoverstaande of verspreide bladeren zonder steunbladen; bloemen okselstandig of in trossen.Bloemen met 4 (–6) kelkbladeren, 4 (–6) gele bloembladeren, 8–12 meeldraden. Vruchtbeginsel onderstandig; vrucht een doosvrucht. Moeras- of waterplantenJussieua.

216.Lythraceae.Bloemen met kelk en bloemkroon of zonder bloemkroon, 3–16-, meest 4–6-tallig, tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemas schotelvormig tot buisvormig; kelk vaak met tusschenliggende schubjes; bloembladeren aan den rand van de holle as ingehecht; meeldraden dubbel zooveel of 1 tot vele; vruchtbeginsel 2–6-hokkig, zelden 1-hokkig met 2 tot vele zaadknoppen per hokje; kruiden of houtige planten met enkelvoudige meest tegenoverstaande bladeren; steunbladeren klein.1a.Bloemen 6-tallig, zijdelings-symmetrisch. Kelk buisvormig, aan de basis met een spoor of knobbel. Bloembladen meest 6; meeldraden meest 11, zelden minder. Bladeren tegenoverstaand. KruidenCuphea.1b.Bloemen 4–5-tallig; regelmatig22a.Bloemen meest 5-tallig. Bloembladeren genageld. Meeldraden 15–200. Bladeren niet tegenoverstaandLagerströmia.2b.Bloemen 4-tallig33a.Bloemen okselstandig, alleenstaand of 3 bij elkaar. Meeldraden 12–15 in één rij op den kelk ingehecht. Stengel 4-kantig of 4-vleugeligCrenea.3b.Bloemen in meerbloemige vertakte bloeiwijzen. Meeldraden 8, soms meerLawsonia.Reseda.

216.Lythraceae.

Bloemen met kelk en bloemkroon of zonder bloemkroon, 3–16-, meest 4–6-tallig, tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemas schotelvormig tot buisvormig; kelk vaak met tusschenliggende schubjes; bloembladeren aan den rand van de holle as ingehecht; meeldraden dubbel zooveel of 1 tot vele; vruchtbeginsel 2–6-hokkig, zelden 1-hokkig met 2 tot vele zaadknoppen per hokje; kruiden of houtige planten met enkelvoudige meest tegenoverstaande bladeren; steunbladeren klein.1a.Bloemen 6-tallig, zijdelings-symmetrisch. Kelk buisvormig, aan de basis met een spoor of knobbel. Bloembladen meest 6; meeldraden meest 11, zelden minder. Bladeren tegenoverstaand. KruidenCuphea.1b.Bloemen 4–5-tallig; regelmatig22a.Bloemen meest 5-tallig. Bloembladeren genageld. Meeldraden 15–200. Bladeren niet tegenoverstaandLagerströmia.2b.Bloemen 4-tallig33a.Bloemen okselstandig, alleenstaand of 3 bij elkaar. Meeldraden 12–15 in één rij op den kelk ingehecht. Stengel 4-kantig of 4-vleugeligCrenea.3b.Bloemen in meerbloemige vertakte bloeiwijzen. Meeldraden 8, soms meerLawsonia.Reseda.

Bloemen met kelk en bloemkroon of zonder bloemkroon, 3–16-, meest 4–6-tallig, tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemas schotelvormig tot buisvormig; kelk vaak met tusschenliggende schubjes; bloembladeren aan den rand van de holle as ingehecht; meeldraden dubbel zooveel of 1 tot vele; vruchtbeginsel 2–6-hokkig, zelden 1-hokkig met 2 tot vele zaadknoppen per hokje; kruiden of houtige planten met enkelvoudige meest tegenoverstaande bladeren; steunbladeren klein.

1a.Bloemen 6-tallig, zijdelings-symmetrisch. Kelk buisvormig, aan de basis met een spoor of knobbel. Bloembladen meest 6; meeldraden meest 11, zelden minder. Bladeren tegenoverstaand. KruidenCuphea.

1b.Bloemen 4–5-tallig; regelmatig2

2a.Bloemen meest 5-tallig. Bloembladeren genageld. Meeldraden 15–200. Bladeren niet tegenoverstaandLagerströmia.

2b.Bloemen 4-tallig3

3a.Bloemen okselstandig, alleenstaand of 3 bij elkaar. Meeldraden 12–15 in één rij op den kelk ingehecht. Stengel 4-kantig of 4-vleugeligCrenea.

3b.Bloemen in meerbloemige vertakte bloeiwijzen. Meeldraden 8, soms meerLawsonia.Reseda.

218.Punicaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig of alleen vrouwelijk; regelmatig; bloemas een weinig bekervormig; kelk 5–7-tandig, bloembladeren 5–7, rood; meeldraden talrijk; vruchtbeginsel meerhokkig, onderstandig, geheel met de bloembodem vergroeid, met vele zaadknoppen; stijl 1; schijnvrucht meerzadig, min of meer besachtig; kleine boomen met kleine gaafrandige tegenoverstaande bladeren; bloemen groot, in de bladoksels. Eenig geslachtPunica.

218.Punicaceae.

Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig of alleen vrouwelijk; regelmatig; bloemas een weinig bekervormig; kelk 5–7-tandig, bloembladeren 5–7, rood; meeldraden talrijk; vruchtbeginsel meerhokkig, onderstandig, geheel met de bloembodem vergroeid, met vele zaadknoppen; stijl 1; schijnvrucht meerzadig, min of meer besachtig; kleine boomen met kleine gaafrandige tegenoverstaande bladeren; bloemen groot, in de bladoksels. Eenig geslachtPunica.

Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig of alleen vrouwelijk; regelmatig; bloemas een weinig bekervormig; kelk 5–7-tandig, bloembladeren 5–7, rood; meeldraden talrijk; vruchtbeginsel meerhokkig, onderstandig, geheel met de bloembodem vergroeid, met vele zaadknoppen; stijl 1; schijnvrucht meerzadig, min of meer besachtig; kleine boomen met kleine gaafrandige tegenoverstaande bladeren; bloemen groot, in de bladoksels. Eenig geslachtPunica.

219.Lecythidaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, zelden zonder bloembladeren; tweeslachtig; bloemas bekervormig; kelkslippen meest 4–6, zelden 2–3; bloembladeren 4–6, zelden meer; meeldraden vele, in meerdere kransen; vaak ten deele steriel, aan de basis min of meer vergroeid; vruchtbeginsel met de bloemas vergroeid, onderstandig, 2–6-hokkig; met 1 tot vele zaadknoppen; stijlen vergroeid; vrucht vleezig of houtig; houtige planten met verspreide enkelvoudige bladeren zonder steunbladeren.1a.Buis van meeldraden overal even hoog; kelkbladeren 4–6; bloembladeren 6–8, groot. Vrucht een gladde of gevleugelde besGustavia.1b.Buis van meeldraden met een eenzijdig helmvormig aanhangsel22a.Alle meeldraden met helmknoppen. Kelk afvallend, evenals de kroon 6-bladig; vruchtbeginsel 6-hokkig. Stempel 6-stralig. Bloemen in trossen. Vrucht bolvormig met de kelkrest op ongeveer ⅓ van de top of ongeveer in het middenCouroupita.Bosch-kalebas.2b.Meeldraden van het helmvormige aanhangsel zonder helmknoppen of in iedere geval zonder stuifmeel33a.De helm is spiraalvormig opgerold en bestaat uit een ingerold stuk en een weer teruggerold gedeelte63b.De helm is niet spiraalvormig opgerold en niet dubbel44a.Kelk vergroeidbladig, later in 2 concave lobben openscheurend. Bloembladeren 6. Vruchtbeginsel 4-hokkig; de tusschenschotten verdwijnen bij het rijp worden van de zaden. Vrucht met een kleine deksel. Zaden groot, 3-hoekigBertholletia.4b.Kelk 6-bladig55a.Vrucht met een deksel openspringend, waaraan een deel van de middenzuil blijft vastzitten. Zaden met een lange en dikke steelLecythis.Kwatta-patoe.5b.Deksel van de vrucht aan de binnenzijde zonder rest van demiddenzuil der vrucht. Zaden zonder steel, op den bodem van de vrucht zittendEschweilera.Kwatta-patoe.6a.Helm der meeldraden van onderen aan het eind met staminodiën of uitwassen bezet. Vruchtbeginsel 3-hokkig; vrucht langCouratari.Injie-pipa.6b.Helm der meeldraden van onderen zonder staminodiën of uitwassen. Vruchtbeginsel 4- tot meerhokkigAllantoma.

219.Lecythidaceae.

Bloemen met kelk en bloemkroon, zelden zonder bloembladeren; tweeslachtig; bloemas bekervormig; kelkslippen meest 4–6, zelden 2–3; bloembladeren 4–6, zelden meer; meeldraden vele, in meerdere kransen; vaak ten deele steriel, aan de basis min of meer vergroeid; vruchtbeginsel met de bloemas vergroeid, onderstandig, 2–6-hokkig; met 1 tot vele zaadknoppen; stijlen vergroeid; vrucht vleezig of houtig; houtige planten met verspreide enkelvoudige bladeren zonder steunbladeren.1a.Buis van meeldraden overal even hoog; kelkbladeren 4–6; bloembladeren 6–8, groot. Vrucht een gladde of gevleugelde besGustavia.1b.Buis van meeldraden met een eenzijdig helmvormig aanhangsel22a.Alle meeldraden met helmknoppen. Kelk afvallend, evenals de kroon 6-bladig; vruchtbeginsel 6-hokkig. Stempel 6-stralig. Bloemen in trossen. Vrucht bolvormig met de kelkrest op ongeveer ⅓ van de top of ongeveer in het middenCouroupita.Bosch-kalebas.2b.Meeldraden van het helmvormige aanhangsel zonder helmknoppen of in iedere geval zonder stuifmeel33a.De helm is spiraalvormig opgerold en bestaat uit een ingerold stuk en een weer teruggerold gedeelte63b.De helm is niet spiraalvormig opgerold en niet dubbel44a.Kelk vergroeidbladig, later in 2 concave lobben openscheurend. Bloembladeren 6. Vruchtbeginsel 4-hokkig; de tusschenschotten verdwijnen bij het rijp worden van de zaden. Vrucht met een kleine deksel. Zaden groot, 3-hoekigBertholletia.4b.Kelk 6-bladig55a.Vrucht met een deksel openspringend, waaraan een deel van de middenzuil blijft vastzitten. Zaden met een lange en dikke steelLecythis.Kwatta-patoe.5b.Deksel van de vrucht aan de binnenzijde zonder rest van demiddenzuil der vrucht. Zaden zonder steel, op den bodem van de vrucht zittendEschweilera.Kwatta-patoe.6a.Helm der meeldraden van onderen aan het eind met staminodiën of uitwassen bezet. Vruchtbeginsel 3-hokkig; vrucht langCouratari.Injie-pipa.6b.Helm der meeldraden van onderen zonder staminodiën of uitwassen. Vruchtbeginsel 4- tot meerhokkigAllantoma.

Bloemen met kelk en bloemkroon, zelden zonder bloembladeren; tweeslachtig; bloemas bekervormig; kelkslippen meest 4–6, zelden 2–3; bloembladeren 4–6, zelden meer; meeldraden vele, in meerdere kransen; vaak ten deele steriel, aan de basis min of meer vergroeid; vruchtbeginsel met de bloemas vergroeid, onderstandig, 2–6-hokkig; met 1 tot vele zaadknoppen; stijlen vergroeid; vrucht vleezig of houtig; houtige planten met verspreide enkelvoudige bladeren zonder steunbladeren.

1a.Buis van meeldraden overal even hoog; kelkbladeren 4–6; bloembladeren 6–8, groot. Vrucht een gladde of gevleugelde besGustavia.

1b.Buis van meeldraden met een eenzijdig helmvormig aanhangsel2

2a.Alle meeldraden met helmknoppen. Kelk afvallend, evenals de kroon 6-bladig; vruchtbeginsel 6-hokkig. Stempel 6-stralig. Bloemen in trossen. Vrucht bolvormig met de kelkrest op ongeveer ⅓ van de top of ongeveer in het middenCouroupita.Bosch-kalebas.

2b.Meeldraden van het helmvormige aanhangsel zonder helmknoppen of in iedere geval zonder stuifmeel3

3a.De helm is spiraalvormig opgerold en bestaat uit een ingerold stuk en een weer teruggerold gedeelte6

3b.De helm is niet spiraalvormig opgerold en niet dubbel4

4a.Kelk vergroeidbladig, later in 2 concave lobben openscheurend. Bloembladeren 6. Vruchtbeginsel 4-hokkig; de tusschenschotten verdwijnen bij het rijp worden van de zaden. Vrucht met een kleine deksel. Zaden groot, 3-hoekigBertholletia.

4b.Kelk 6-bladig5

5a.Vrucht met een deksel openspringend, waaraan een deel van de middenzuil blijft vastzitten. Zaden met een lange en dikke steelLecythis.Kwatta-patoe.

5b.Deksel van de vrucht aan de binnenzijde zonder rest van demiddenzuil der vrucht. Zaden zonder steel, op den bodem van de vrucht zittendEschweilera.Kwatta-patoe.

6a.Helm der meeldraden van onderen aan het eind met staminodiën of uitwassen bezet. Vruchtbeginsel 3-hokkig; vrucht langCouratari.Injie-pipa.

6b.Helm der meeldraden van onderen zonder staminodiën of uitwassen. Vruchtbeginsel 4- tot meerhokkigAllantoma.

220.Rhizophoraceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, zelden zonder bloembladeren; meest tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren 3–16, meest 4–8; bloembladeren evenveel; meeldraden 8 tot vele; meest alle met stuifmeel; vruchtbeginsel 2–5-hokkig, zelden 3-, of 6-hokkig, onderstandig, met de bekervormige bloemas vereenigd; met meest 2 zaadknoppen in ieder hokje; vruchtbeginsel zelden 1-hokkig; vrucht 1–5-hokkig meest met 1 zaad in ieder hokje; boomen of heesters met tegenoverstaande bladeren met spoedig afvallende steunbladeren; zelden bladeren verspreid en zonder steunbladeren.1a.Bloeias kort-napvormig; kelkbladeren en bloembladeren 4. Meeldraden 8. Schijf onduidelijk gelobd. Stijl 2-lobbig. Vrucht éénzadig, aan den boom kiemend. Boomen met luchtwortelsRhizophora.1b.Bloeias klokvormig. Kelkbladeren 4 en bloembladeren 4–5, de laatste sterk ingesneden. Meeldraden 15–30; schijf 15–30-lobbig. Vrucht met spleten openspringend. Bladeren tegenoverstaandCassipourea.

220.Rhizophoraceae.

Bloemen met kelk en bloemkroon, zelden zonder bloembladeren; meest tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren 3–16, meest 4–8; bloembladeren evenveel; meeldraden 8 tot vele; meest alle met stuifmeel; vruchtbeginsel 2–5-hokkig, zelden 3-, of 6-hokkig, onderstandig, met de bekervormige bloemas vereenigd; met meest 2 zaadknoppen in ieder hokje; vruchtbeginsel zelden 1-hokkig; vrucht 1–5-hokkig meest met 1 zaad in ieder hokje; boomen of heesters met tegenoverstaande bladeren met spoedig afvallende steunbladeren; zelden bladeren verspreid en zonder steunbladeren.1a.Bloeias kort-napvormig; kelkbladeren en bloembladeren 4. Meeldraden 8. Schijf onduidelijk gelobd. Stijl 2-lobbig. Vrucht éénzadig, aan den boom kiemend. Boomen met luchtwortelsRhizophora.1b.Bloeias klokvormig. Kelkbladeren 4 en bloembladeren 4–5, de laatste sterk ingesneden. Meeldraden 15–30; schijf 15–30-lobbig. Vrucht met spleten openspringend. Bladeren tegenoverstaandCassipourea.

Bloemen met kelk en bloemkroon, zelden zonder bloembladeren; meest tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren 3–16, meest 4–8; bloembladeren evenveel; meeldraden 8 tot vele; meest alle met stuifmeel; vruchtbeginsel 2–5-hokkig, zelden 3-, of 6-hokkig, onderstandig, met de bekervormige bloemas vereenigd; met meest 2 zaadknoppen in ieder hokje; vruchtbeginsel zelden 1-hokkig; vrucht 1–5-hokkig meest met 1 zaad in ieder hokje; boomen of heesters met tegenoverstaande bladeren met spoedig afvallende steunbladeren; zelden bladeren verspreid en zonder steunbladeren.

1a.Bloeias kort-napvormig; kelkbladeren en bloembladeren 4. Meeldraden 8. Schijf onduidelijk gelobd. Stijl 2-lobbig. Vrucht éénzadig, aan den boom kiemend. Boomen met luchtwortelsRhizophora.

1b.Bloeias klokvormig. Kelkbladeren 4 en bloembladeren 4–5, de laatste sterk ingesneden. Meeldraden 15–30; schijf 15–30-lobbig. Vrucht met spleten openspringend. Bladeren tegenoverstaandCassipourea.

221.Combretaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon of zonder bloemkroon; tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig met klokvormige of buisvormige bloemas; kelkslippen 4–5; bloembladeren 4–5; meeldraden 4, 5, 8 of 10, zelden talrijk; stijl 1; vruchtbeginsel onderstandig, éénhokkig met 2–6 zaadknoppen; vrucht leerachtig of steenvruchtachtig vaak met 4–5 vleugels, 1-zadig; houtige planten met tegenoverstaande of verspreide bladeren, vaak klimmend; geen steunbladeren; bloemen in trossen.1a.Bloembladeren ontbrekend; bladeren afwisselend21b.Bloembladeren aanwezig52a.Kelk boven het vruchtbeginsel wijd uitgespreid, bijna schotelvormig, aan den rand een weinig gegolfd en nauwelijks gelobd, na den bloei blijvend. Meeldraden 10. Bloemen in verlengde aarvormige trossen, in denzelfde tros ♂ en tweeslachtige bloemen. Kleine boomen. Bladeren aan den top stompBucida.2b.Kelk na de bloei afvallend, klokvormig33a.Kelk nauwelijks getand of gelobd. Helmknoppen onbewegelijk aan de helmdraden vergroeid. Meeldraden 10. Bloemen in trossen, vaker in korte hoofdjesBuchenavia.3b.Kelk tot op de helft ingesneden. Helmknoppen bewegelijk44a.Bloemen in lange trossen. Bladeren vaak aan het einde der takken groepsgewijs bij elkaar zittend. Bloemen 4–5-tallig met 8 of 10 meeldradenTerminalia.4b.Bloemen in hoofdjes. Vruchten plat, elkaar dakpansgewijs bedekkend, daardoor te samen op een dennenkegel gelijkend. Kleine boompjesConocarpus.5a.Kelkbuis zeer lang, op een lange bloemsteel gelijkend. Stijl aan een zijde tegen de binnenkant van de buis vastgegroeid. Meeldraden in 2 rijen.Klimmende heesterQuisqualis.5b.Kelkbuis niet verlengd66a.Bloemen groot, in zeer lange bruinbehaarde trossen; de bloemen groepsgewijs zittend in de oksel van lange, spitse schutbladeren. Kelkbuis en meeldraden gebogenCacoucia.6b.Bloemen klein of groot, bloeistengel niet bezet met groote schutbladeren77a.Bloemen 5-tallig. Kelk bekervormig, klein, na de bloei blijvend. Vruchtbeginsel min of meer 5-kantig; de 2 bloemsteelblaadjes met het vruchtbeginsel vergroeid. Bloemen in ijle trossen. Kleine boom met leerachtige gesteelde bladeren met een afgeronden top. MangroveplantLaguncularia.7b.Bloemen zeer verschillend van grootte, 4- of 5-tallig. Kelk na den bloei afvallend. Vrucht 4- of 5-kantig of 4–5-vleugelig. Bladeren tegenoverstaand of afwisselendCombretum.

221.Combretaceae.

Bloemen met kelk en bloemkroon of zonder bloemkroon; tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig met klokvormige of buisvormige bloemas; kelkslippen 4–5; bloembladeren 4–5; meeldraden 4, 5, 8 of 10, zelden talrijk; stijl 1; vruchtbeginsel onderstandig, éénhokkig met 2–6 zaadknoppen; vrucht leerachtig of steenvruchtachtig vaak met 4–5 vleugels, 1-zadig; houtige planten met tegenoverstaande of verspreide bladeren, vaak klimmend; geen steunbladeren; bloemen in trossen.1a.Bloembladeren ontbrekend; bladeren afwisselend21b.Bloembladeren aanwezig52a.Kelk boven het vruchtbeginsel wijd uitgespreid, bijna schotelvormig, aan den rand een weinig gegolfd en nauwelijks gelobd, na den bloei blijvend. Meeldraden 10. Bloemen in verlengde aarvormige trossen, in denzelfde tros ♂ en tweeslachtige bloemen. Kleine boomen. Bladeren aan den top stompBucida.2b.Kelk na de bloei afvallend, klokvormig33a.Kelk nauwelijks getand of gelobd. Helmknoppen onbewegelijk aan de helmdraden vergroeid. Meeldraden 10. Bloemen in trossen, vaker in korte hoofdjesBuchenavia.3b.Kelk tot op de helft ingesneden. Helmknoppen bewegelijk44a.Bloemen in lange trossen. Bladeren vaak aan het einde der takken groepsgewijs bij elkaar zittend. Bloemen 4–5-tallig met 8 of 10 meeldradenTerminalia.4b.Bloemen in hoofdjes. Vruchten plat, elkaar dakpansgewijs bedekkend, daardoor te samen op een dennenkegel gelijkend. Kleine boompjesConocarpus.5a.Kelkbuis zeer lang, op een lange bloemsteel gelijkend. Stijl aan een zijde tegen de binnenkant van de buis vastgegroeid. Meeldraden in 2 rijen.Klimmende heesterQuisqualis.5b.Kelkbuis niet verlengd66a.Bloemen groot, in zeer lange bruinbehaarde trossen; de bloemen groepsgewijs zittend in de oksel van lange, spitse schutbladeren. Kelkbuis en meeldraden gebogenCacoucia.6b.Bloemen klein of groot, bloeistengel niet bezet met groote schutbladeren77a.Bloemen 5-tallig. Kelk bekervormig, klein, na de bloei blijvend. Vruchtbeginsel min of meer 5-kantig; de 2 bloemsteelblaadjes met het vruchtbeginsel vergroeid. Bloemen in ijle trossen. Kleine boom met leerachtige gesteelde bladeren met een afgeronden top. MangroveplantLaguncularia.7b.Bloemen zeer verschillend van grootte, 4- of 5-tallig. Kelk na den bloei afvallend. Vrucht 4- of 5-kantig of 4–5-vleugelig. Bladeren tegenoverstaand of afwisselendCombretum.

Bloemen met kelk en bloemkroon of zonder bloemkroon; tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig met klokvormige of buisvormige bloemas; kelkslippen 4–5; bloembladeren 4–5; meeldraden 4, 5, 8 of 10, zelden talrijk; stijl 1; vruchtbeginsel onderstandig, éénhokkig met 2–6 zaadknoppen; vrucht leerachtig of steenvruchtachtig vaak met 4–5 vleugels, 1-zadig; houtige planten met tegenoverstaande of verspreide bladeren, vaak klimmend; geen steunbladeren; bloemen in trossen.

1a.Bloembladeren ontbrekend; bladeren afwisselend2

1b.Bloembladeren aanwezig5

2a.Kelk boven het vruchtbeginsel wijd uitgespreid, bijna schotelvormig, aan den rand een weinig gegolfd en nauwelijks gelobd, na den bloei blijvend. Meeldraden 10. Bloemen in verlengde aarvormige trossen, in denzelfde tros ♂ en tweeslachtige bloemen. Kleine boomen. Bladeren aan den top stompBucida.

2b.Kelk na de bloei afvallend, klokvormig3

3a.Kelk nauwelijks getand of gelobd. Helmknoppen onbewegelijk aan de helmdraden vergroeid. Meeldraden 10. Bloemen in trossen, vaker in korte hoofdjesBuchenavia.

3b.Kelk tot op de helft ingesneden. Helmknoppen bewegelijk4

4a.Bloemen in lange trossen. Bladeren vaak aan het einde der takken groepsgewijs bij elkaar zittend. Bloemen 4–5-tallig met 8 of 10 meeldradenTerminalia.

4b.Bloemen in hoofdjes. Vruchten plat, elkaar dakpansgewijs bedekkend, daardoor te samen op een dennenkegel gelijkend. Kleine boompjesConocarpus.

5a.Kelkbuis zeer lang, op een lange bloemsteel gelijkend. Stijl aan een zijde tegen de binnenkant van de buis vastgegroeid. Meeldraden in 2 rijen.Klimmende heesterQuisqualis.

5b.Kelkbuis niet verlengd6

6a.Bloemen groot, in zeer lange bruinbehaarde trossen; de bloemen groepsgewijs zittend in de oksel van lange, spitse schutbladeren. Kelkbuis en meeldraden gebogenCacoucia.

6b.Bloemen klein of groot, bloeistengel niet bezet met groote schutbladeren7

7a.Bloemen 5-tallig. Kelk bekervormig, klein, na de bloei blijvend. Vruchtbeginsel min of meer 5-kantig; de 2 bloemsteelblaadjes met het vruchtbeginsel vergroeid. Bloemen in ijle trossen. Kleine boom met leerachtige gesteelde bladeren met een afgeronden top. MangroveplantLaguncularia.

7b.Bloemen zeer verschillend van grootte, 4- of 5-tallig. Kelk na den bloei afvallend. Vrucht 4- of 5-kantig of 4–5-vleugelig. Bladeren tegenoverstaand of afwisselendCombretum.

222.Myrtaceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren en kroonbladeren meest 4–5; meeldraden talrijk, soms in groepen; vruchtbeginsel met de bekervormige bloeias vergroeid, onderstandig; 2–5- tot veelhokkig met 1 tot vele zaadknoppen per hokje; stijlen vergroeid; vrucht zeer verschillend; vaak een bes; houtige planten met meest tegenoverstaande bladeren zonder steunbladeren met doorschijnende olieklieren.1a.Kelkbladeren in den knoptoestand vergroeid, later openscheurend21b.Kelkbladeren reeds in den knoptoestand vrij, dakpansgewijs over elkaar liggend42a.Bloembladeren grooter dan de kelk, 5 of 4, bloemen alleenstaand in de bladoksels; bladeren meest behaard. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig met vele zaadknoppen in ieder hokje, kiem in het zaad gekromd; de kiembladeren klein, het worteltje veel grooterPsidium.2b.Bloembladeren slechts weinig grooter of kleiner dan de kelk, soms geheel ontbrekend. Bloemen niet alleenstaand in de bladoksels; bladeren meest kaal33a.Kelk 4–5-spletig, bloembladeren 4–5, klein of ontbrekend. Vruchtbeginsel 2–3-hokkig met 2 zaadknoppen in elk hokje. Kiem in het zaad samengevouwen, vooral de kiembladeren sterk geplooid en gevouwen. Worteltje even lang als de kiembladerenMarlieria.3b.Kelk 4–6-spletig, bloembladeren 4–6 niet opvallend klein; vruchtbeginsel 2–4-hokkig met 4 tot vele zaadknoppen in elk hokje. Worteltje van de kiem veel kleiner dan de groote en dikke kiembladerenCalycorectes.4a.Bloemen met 4 kelkbladeren en 4 bloembladeren54b.Bloemen met 5 kelkbladeren en 5 bloembladeren85a.Bloemen grooter dan 1 c.M.; vruchtbeginsel naar den bloemsteel versmald en spits. Kelkbladeren kort en stomp. Bloembladeren rond, groot. Meeldraden zeer lang. Vrucht 2–3-hokkig met vele zaadknoppen in ieder hokje. Bloeiwijze weinigbloemig. Bladeren lang en smalJambosa.5b.Bloemen kleiner dan 1 c.M.66a.Vruchten met slechts 1 zaad; kiem spiraalsgewijs opgerold met zeer kleine kiembladeren. Vruchtbeginsel 2-hokkig met 1 of 2 zaadknoppen in elk hokje. Bloeiwijze veelbloemig, sterk vertaktPimenta.6b.Vruchten soms meerzadig; kiem niet spiraalsgewijs opgerold met groote kiembladeren en klein worteltje77a.Vruchtbeginsel 2–4-hokkig met 4 tot vele zaadknoppen in elk hokjeEugenia.7b.Vruchtbeginsel 2-hokkig met 2 zaadknoppen in elk hokjeMyrciaria.8a.Kelkbladeren opvallend groot, aan de basis versmald. Bloembladeren groot, rond. Stijl langer dan de meeldraden. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig. Bloemen in groepen of alleenstaand in de bladokselsCalycolpus.8b.Kelkbladeren klein evenals de bloembladeren99a.Boom met gladde stam; bladeren ongeveer 5 c.M. lang aan den top afgerond, naar de basis versmald hard-leerachtig met een eenigszins omgerolde rand. Bloemen in sterk vertakte bloeiwijzen. Vruchtbeginsel 2-hokkig met 6 zaadknoppen per hokjeAmomis.(Pimenta).Bayoom,Beerum.9b.Bladeren aan den top toegespitst, vruchtbeginsel 2–3-hokkig met 2 zaadknoppen in elk hokje. Bloeiwijzen meest behaard, okselstandigMyrcia.(Aulomyrcia).

222.Myrtaceae.

Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren en kroonbladeren meest 4–5; meeldraden talrijk, soms in groepen; vruchtbeginsel met de bekervormige bloeias vergroeid, onderstandig; 2–5- tot veelhokkig met 1 tot vele zaadknoppen per hokje; stijlen vergroeid; vrucht zeer verschillend; vaak een bes; houtige planten met meest tegenoverstaande bladeren zonder steunbladeren met doorschijnende olieklieren.1a.Kelkbladeren in den knoptoestand vergroeid, later openscheurend21b.Kelkbladeren reeds in den knoptoestand vrij, dakpansgewijs over elkaar liggend42a.Bloembladeren grooter dan de kelk, 5 of 4, bloemen alleenstaand in de bladoksels; bladeren meest behaard. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig met vele zaadknoppen in ieder hokje, kiem in het zaad gekromd; de kiembladeren klein, het worteltje veel grooterPsidium.2b.Bloembladeren slechts weinig grooter of kleiner dan de kelk, soms geheel ontbrekend. Bloemen niet alleenstaand in de bladoksels; bladeren meest kaal33a.Kelk 4–5-spletig, bloembladeren 4–5, klein of ontbrekend. Vruchtbeginsel 2–3-hokkig met 2 zaadknoppen in elk hokje. Kiem in het zaad samengevouwen, vooral de kiembladeren sterk geplooid en gevouwen. Worteltje even lang als de kiembladerenMarlieria.3b.Kelk 4–6-spletig, bloembladeren 4–6 niet opvallend klein; vruchtbeginsel 2–4-hokkig met 4 tot vele zaadknoppen in elk hokje. Worteltje van de kiem veel kleiner dan de groote en dikke kiembladerenCalycorectes.4a.Bloemen met 4 kelkbladeren en 4 bloembladeren54b.Bloemen met 5 kelkbladeren en 5 bloembladeren85a.Bloemen grooter dan 1 c.M.; vruchtbeginsel naar den bloemsteel versmald en spits. Kelkbladeren kort en stomp. Bloembladeren rond, groot. Meeldraden zeer lang. Vrucht 2–3-hokkig met vele zaadknoppen in ieder hokje. Bloeiwijze weinigbloemig. Bladeren lang en smalJambosa.5b.Bloemen kleiner dan 1 c.M.66a.Vruchten met slechts 1 zaad; kiem spiraalsgewijs opgerold met zeer kleine kiembladeren. Vruchtbeginsel 2-hokkig met 1 of 2 zaadknoppen in elk hokje. Bloeiwijze veelbloemig, sterk vertaktPimenta.6b.Vruchten soms meerzadig; kiem niet spiraalsgewijs opgerold met groote kiembladeren en klein worteltje77a.Vruchtbeginsel 2–4-hokkig met 4 tot vele zaadknoppen in elk hokjeEugenia.7b.Vruchtbeginsel 2-hokkig met 2 zaadknoppen in elk hokjeMyrciaria.8a.Kelkbladeren opvallend groot, aan de basis versmald. Bloembladeren groot, rond. Stijl langer dan de meeldraden. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig. Bloemen in groepen of alleenstaand in de bladokselsCalycolpus.8b.Kelkbladeren klein evenals de bloembladeren99a.Boom met gladde stam; bladeren ongeveer 5 c.M. lang aan den top afgerond, naar de basis versmald hard-leerachtig met een eenigszins omgerolde rand. Bloemen in sterk vertakte bloeiwijzen. Vruchtbeginsel 2-hokkig met 6 zaadknoppen per hokjeAmomis.(Pimenta).Bayoom,Beerum.9b.Bladeren aan den top toegespitst, vruchtbeginsel 2–3-hokkig met 2 zaadknoppen in elk hokje. Bloeiwijzen meest behaard, okselstandigMyrcia.(Aulomyrcia).

Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren en kroonbladeren meest 4–5; meeldraden talrijk, soms in groepen; vruchtbeginsel met de bekervormige bloeias vergroeid, onderstandig; 2–5- tot veelhokkig met 1 tot vele zaadknoppen per hokje; stijlen vergroeid; vrucht zeer verschillend; vaak een bes; houtige planten met meest tegenoverstaande bladeren zonder steunbladeren met doorschijnende olieklieren.

1a.Kelkbladeren in den knoptoestand vergroeid, later openscheurend2

1b.Kelkbladeren reeds in den knoptoestand vrij, dakpansgewijs over elkaar liggend4

2a.Bloembladeren grooter dan de kelk, 5 of 4, bloemen alleenstaand in de bladoksels; bladeren meest behaard. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig met vele zaadknoppen in ieder hokje, kiem in het zaad gekromd; de kiembladeren klein, het worteltje veel grooterPsidium.

2b.Bloembladeren slechts weinig grooter of kleiner dan de kelk, soms geheel ontbrekend. Bloemen niet alleenstaand in de bladoksels; bladeren meest kaal3

3a.Kelk 4–5-spletig, bloembladeren 4–5, klein of ontbrekend. Vruchtbeginsel 2–3-hokkig met 2 zaadknoppen in elk hokje. Kiem in het zaad samengevouwen, vooral de kiembladeren sterk geplooid en gevouwen. Worteltje even lang als de kiembladerenMarlieria.

3b.Kelk 4–6-spletig, bloembladeren 4–6 niet opvallend klein; vruchtbeginsel 2–4-hokkig met 4 tot vele zaadknoppen in elk hokje. Worteltje van de kiem veel kleiner dan de groote en dikke kiembladerenCalycorectes.

4a.Bloemen met 4 kelkbladeren en 4 bloembladeren5

4b.Bloemen met 5 kelkbladeren en 5 bloembladeren8

5a.Bloemen grooter dan 1 c.M.; vruchtbeginsel naar den bloemsteel versmald en spits. Kelkbladeren kort en stomp. Bloembladeren rond, groot. Meeldraden zeer lang. Vrucht 2–3-hokkig met vele zaadknoppen in ieder hokje. Bloeiwijze weinigbloemig. Bladeren lang en smalJambosa.

5b.Bloemen kleiner dan 1 c.M.6

6a.Vruchten met slechts 1 zaad; kiem spiraalsgewijs opgerold met zeer kleine kiembladeren. Vruchtbeginsel 2-hokkig met 1 of 2 zaadknoppen in elk hokje. Bloeiwijze veelbloemig, sterk vertaktPimenta.

6b.Vruchten soms meerzadig; kiem niet spiraalsgewijs opgerold met groote kiembladeren en klein worteltje7

7a.Vruchtbeginsel 2–4-hokkig met 4 tot vele zaadknoppen in elk hokjeEugenia.

7b.Vruchtbeginsel 2-hokkig met 2 zaadknoppen in elk hokjeMyrciaria.

8a.Kelkbladeren opvallend groot, aan de basis versmald. Bloembladeren groot, rond. Stijl langer dan de meeldraden. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig. Bloemen in groepen of alleenstaand in de bladokselsCalycolpus.

8b.Kelkbladeren klein evenals de bloembladeren9

9a.Boom met gladde stam; bladeren ongeveer 5 c.M. lang aan den top afgerond, naar de basis versmald hard-leerachtig met een eenigszins omgerolde rand. Bloemen in sterk vertakte bloeiwijzen. Vruchtbeginsel 2-hokkig met 6 zaadknoppen per hokjeAmomis.(Pimenta).Bayoom,Beerum.

9b.Bladeren aan den top toegespitst, vruchtbeginsel 2–3-hokkig met 2 zaadknoppen in elk hokje. Bloeiwijzen meest behaard, okselstandigMyrcia.(Aulomyrcia).

223.Melastomataceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, regelmatig, soms de meeldraden zygomorf; bloemas bekervormig, bloemen 3- tot veeltallig, meest 4–5-tallig; bloembladeren evenveel als kelkslippen; meeldraden meest dubbel zooveel als bloembladeren; helmknoppen met poriën openspringend; vruchtbeginsel boven- of onderstandig, min of meer met de bloemas vergroeid, meest meerhokkig; stijl 1; vrucht een doosvrucht, of een bes; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande bladeren zonder steunbladeren.1a.Boomen; bladeren zonder de karakteristieke nerven der familie, doch vinnervig, of zóó dik, dat alleen een middennerf zichtbaar is. Bloemen 4- of 5-tallig; kelk buisvormig of geheel zonder buis; steeds het vruchtbeginsel met den bodem van den kelk vergroeid en dus onderstandig. Helmknoppen zonder bijzondere verlengde aanhangselen. Bloemen meest geel. Vrucht een bes met eenige pittenMouriria.1b.Bladeren met een middennerf waaruit aan den voet of dicht boven de voet eenige zijnerven ontspringen, die evenwijdig met de bladrand naar den top van het blad loopen; deze nerven zijn onderling en met dehoofdnerfverbonden door vele evenwijdige zijnerven22a.Vrucht een met kleppen openspringende doosvrucht. Vruchtbeginsel en later ook de vrucht meest maar voor een klein deel of in het geheel niet met de kelkwand vergroeid en daardoor bijna geheel bovenstandig. Meeldraden meest in twee rijen, de eene rij uit grootere meeldraden bestaande dan de andere rij. Helmbindsel aan den voet van voren vaak met verschillende aanhangsels, soms ook van achteren met aanhangsels, zelden geheel zonder aanhangsels (Aciotis). Planten kruidachtig of kleine heesters32b.Vrucht een bes of leerachtig en onregelmatig openspringend. Vruchtbeginsel en later ook de vrucht bijna geheel met de kelkbuis vergroeid en daardoor bijna of geheel onderstandig. Meeldraden meest alle gelijk van grootte. Helmbindsel aan de voet bijna steeds zonder aanhangselen (uitzonderingen bij Miconia). Planten meest groote heesters of boomen133a.Slechts 4 meeldraden aanwezig, de 4 andere of geheel ontbrekend of zeer klein, bloem 4-tallig. Voet van de helmknoppen met 2 knobbels aan de voorzijde. Vruchtbeginsel 2-hokkig; doosvrucht met 2 kleppen openspringend. Bloeiwijze weinigbloemig of bloemen okselstandigSiphanthera.3b.Steeds tweemaal zooveel meeldraden als bloembladeren aanwezig44a.Bloemen 5-tallig met 5 groote en 5 kleine meeldraden; van de 5 groote meeldraden is er één veel grooter dan de 4 andere. Helmbindsel beneden de helmknop verlengd, gebogen, van voren met 2 tanden of knobbels. Doosvrucht met 3 kleppen openspringendRhynchanthera.4b.Niet een van de meeldraden veel grooter dan de andere55a.Bloemen 4-tallig65b.Bloemen 5-tallig106a.Planten niet houtig, met saprijke stengels, klein, op vochtige plaatsen voorkomend. Helmknoppen geheel zonder aanhangselen aan het helmbindsel; meeldraden aan elkaar gelijk, vruchtbeginsel kaal, 2-hokkigAciotis.6b.Helmbindsel met knobbels of langere aanhangsels. Stengel meest wat houtig77a.Kelkslippen driehoekig, spits en na den bloei blijvend; buis van buiten met korte stijve haren bezet; kelkslippen afwisselend met vertakte borstelharen. Helmbindsel min of meer onder de helmknop verlengd, met 2 knobbels of een verdikking aan de voorzijde. Vruchtbeginsel op den top borstelig behaard. Planten meest ruw behaardPterolepis.7b.Kelkslippen niet met borstels afwisselend88a.Helmknoppen van alle meeldraden gelijk van vorm en grootte, helmbindsel gebogen, aan het verbreede einde van voren met 2 lobben of 2 korte sporen of oortjes. Doosvrucht 2- of 4-kleppig (en -hokkig). Bloeiwijzen klein of bloemen alleenstaandComolia.8b.Helmknoppen van 4 der meeldraden verschillend in vorm en grootte van de 4 andere99a.Helmbindsel van alle helmknoppen van voren met 2 opgerichte lange draadvormige aanhangselen.Kelkbuis meest klierachtig behaard. Vruchtbeginsel 4-hokkig aan den top kaal of behaard. Bloemen in groote vertakte bloeiwijzenErnestia.9b.Helmbindsel van slechts 4 der meeldraden met 2 lange sporen, van de andere meeldraden met 2 knobbels; soms ook alle helmknoppen met knobbels. Kelkbuis halfbolvormig of klokvormig met spitse slippen. Vruchtbeginsel kaal 2, 3 of 4-hokkig. Kruiden of heestertjesAcisanthera.10a.Kelk aan de basis met 4, paarsgewijs tegenoverstaande blaadjes omgeven. Meeldraden ongeveer gelijk van vorm; helmbindsel met 2 knobbels van voren. Vruchtbeginsel en doosvrucht aan den top borstelig. Kleine heestersTibouchina.10b.Kelk niet door blaadjes ingehuld1111a.Planten zeer dicht behaard; zoowel stengel en bladeren als top van het vruchtbeginsel en kelk. Helmknoppen zeer ongelijk, 5 met lange sporen, de 5 andere met korte oortjes aan de voorzijde. Vruchtbeginsel 5-hokkig, min of meer met de kelk vergroeidDesmoscelis.11b.Planten niet dicht behaard; vruchtbeginsel op den top kaal1212a.Kelkbuis eirond met blijvende lange kelkslippen. Bloembladeren smal en spits. Meeldraden afwisselend langer en korter. Helmbindsel onder de helmknop verlengd met 2 korte opgerichte sporen voorzien. Vruchtbeginsel 3-hokkig bolvormig; vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht. Bloeiwijze sterk vertakt, losNepsera.12b.Kelkbuis half bolvormig of klokvormig. Bloembladeren rond of eirond, met stompe of afgeronde top. Meeldraden alle met 2 knobbels of oortjes aan het helmbindsel of 4 ervan met 2 lange sporen. Vruchtbeginsel 2–4-hokkigAcisanthera.13a.Bloeiwijze aan het eind van bebladerde takken staand1413b.Bloeiwijzen of alleenstaande bloemen in de bladoksels of uit het hout te voorschijn komend1514a.Bloembladeren spits en smal. Bloemen meest 5-tallig. Kelk vaak met 2 rijen van tanden. Helmbindsel weinig verlengd, zonder aanhangsels. Heesters of boompjes, meest behaardLeandra.14b.Bloembladeren breed en stomp. Bloemen meest 5-tallig. Kelkzoom met zeer korte slippen. Helmknoppen zeer verschillend, met of zonder aanhangselen aan het helmbindsel. Heesters, zelden boomenMiconia.15a.Bloembladeren stomp aan den top1615b.Bloembladeren spits aan den top. Kelk ruwharig tot borstelig, in den knop gesloten; met een dekseltje opengaand; helmknoppen recht en dik, zijdelings samengedrukt; helmbindsel niet verlengd, zonder aanhangselen; ruwharige heesters, bloemen alleenstaand of 3 bij elkaarMyriaspora.16a.Bladeren met blazen aan den voet. Bloemen 3-, 4- of 5-tallig. Helmbindsel niet verlengd. Bloeiwijzen klein of alleenstaande bloemen in de bladoksels. Kelkbuis niet gevleugeldMaieta.16b.Bladvoet zonder blazen1717a.Bloemen aan de bebladerde takken staand1817b.Bloemen beneden de bladeren uit het hout tevoorschijn komend1918a.Bloemen klein, onaanzienlijk; de kelklobben meest aan de buitenzijde voorzien van een lange tand; helmknoppen verlengd en priemvormig, met één opening openspringend; vruchtbeginsel bijna steeds behaard, 3–9-hokkig; kleine, zelden groote heesters of boompjesClidemia.18b.Bloemen groot. Kelkzoom zonder bijslippen; kelk in regelmatige slippen gedeeld of onregelmatig inscheurend. Helmknoppen kort en dik met 2 gaten aan den top openspringend. Vruchtbeginsel geheel met de kelkbuis vergroeid, 8–15-hokkig, kaal. Boomen of heesters, meest onbehaardBellucia.Mispel.19a.Kelkzoom onduidelijk getand. Helmknoppen kort en dik, vaak alle samenhangend. Bloembladeren dik en leerachtig. Vruchtbeginsel geheel met de kelk vergroeid. Bes met de kelkzoom aan den top. Bloemen in dichte trosvormige bloeiwijzen uit het hout tevoorschijn komend boven de lidteekens van de bladerenLoreya.Mispel.19b.Kelkzoom duidelijk getand of gelobd. Helmknoppen meest verlengd en dun. Helmbindsel niet onder de helmknop verlengd. Bloemen alleenstaand of in groepen, niet in trossen. Bes veelzadigHenriettea.Mispel.

223.Melastomataceae.

Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, regelmatig, soms de meeldraden zygomorf; bloemas bekervormig, bloemen 3- tot veeltallig, meest 4–5-tallig; bloembladeren evenveel als kelkslippen; meeldraden meest dubbel zooveel als bloembladeren; helmknoppen met poriën openspringend; vruchtbeginsel boven- of onderstandig, min of meer met de bloemas vergroeid, meest meerhokkig; stijl 1; vrucht een doosvrucht, of een bes; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande bladeren zonder steunbladeren.1a.Boomen; bladeren zonder de karakteristieke nerven der familie, doch vinnervig, of zóó dik, dat alleen een middennerf zichtbaar is. Bloemen 4- of 5-tallig; kelk buisvormig of geheel zonder buis; steeds het vruchtbeginsel met den bodem van den kelk vergroeid en dus onderstandig. Helmknoppen zonder bijzondere verlengde aanhangselen. Bloemen meest geel. Vrucht een bes met eenige pittenMouriria.1b.Bladeren met een middennerf waaruit aan den voet of dicht boven de voet eenige zijnerven ontspringen, die evenwijdig met de bladrand naar den top van het blad loopen; deze nerven zijn onderling en met dehoofdnerfverbonden door vele evenwijdige zijnerven22a.Vrucht een met kleppen openspringende doosvrucht. Vruchtbeginsel en later ook de vrucht meest maar voor een klein deel of in het geheel niet met de kelkwand vergroeid en daardoor bijna geheel bovenstandig. Meeldraden meest in twee rijen, de eene rij uit grootere meeldraden bestaande dan de andere rij. Helmbindsel aan den voet van voren vaak met verschillende aanhangsels, soms ook van achteren met aanhangsels, zelden geheel zonder aanhangsels (Aciotis). Planten kruidachtig of kleine heesters32b.Vrucht een bes of leerachtig en onregelmatig openspringend. Vruchtbeginsel en later ook de vrucht bijna geheel met de kelkbuis vergroeid en daardoor bijna of geheel onderstandig. Meeldraden meest alle gelijk van grootte. Helmbindsel aan de voet bijna steeds zonder aanhangselen (uitzonderingen bij Miconia). Planten meest groote heesters of boomen133a.Slechts 4 meeldraden aanwezig, de 4 andere of geheel ontbrekend of zeer klein, bloem 4-tallig. Voet van de helmknoppen met 2 knobbels aan de voorzijde. Vruchtbeginsel 2-hokkig; doosvrucht met 2 kleppen openspringend. Bloeiwijze weinigbloemig of bloemen okselstandigSiphanthera.3b.Steeds tweemaal zooveel meeldraden als bloembladeren aanwezig44a.Bloemen 5-tallig met 5 groote en 5 kleine meeldraden; van de 5 groote meeldraden is er één veel grooter dan de 4 andere. Helmbindsel beneden de helmknop verlengd, gebogen, van voren met 2 tanden of knobbels. Doosvrucht met 3 kleppen openspringendRhynchanthera.4b.Niet een van de meeldraden veel grooter dan de andere55a.Bloemen 4-tallig65b.Bloemen 5-tallig106a.Planten niet houtig, met saprijke stengels, klein, op vochtige plaatsen voorkomend. Helmknoppen geheel zonder aanhangselen aan het helmbindsel; meeldraden aan elkaar gelijk, vruchtbeginsel kaal, 2-hokkigAciotis.6b.Helmbindsel met knobbels of langere aanhangsels. Stengel meest wat houtig77a.Kelkslippen driehoekig, spits en na den bloei blijvend; buis van buiten met korte stijve haren bezet; kelkslippen afwisselend met vertakte borstelharen. Helmbindsel min of meer onder de helmknop verlengd, met 2 knobbels of een verdikking aan de voorzijde. Vruchtbeginsel op den top borstelig behaard. Planten meest ruw behaardPterolepis.7b.Kelkslippen niet met borstels afwisselend88a.Helmknoppen van alle meeldraden gelijk van vorm en grootte, helmbindsel gebogen, aan het verbreede einde van voren met 2 lobben of 2 korte sporen of oortjes. Doosvrucht 2- of 4-kleppig (en -hokkig). Bloeiwijzen klein of bloemen alleenstaandComolia.8b.Helmknoppen van 4 der meeldraden verschillend in vorm en grootte van de 4 andere99a.Helmbindsel van alle helmknoppen van voren met 2 opgerichte lange draadvormige aanhangselen.Kelkbuis meest klierachtig behaard. Vruchtbeginsel 4-hokkig aan den top kaal of behaard. Bloemen in groote vertakte bloeiwijzenErnestia.9b.Helmbindsel van slechts 4 der meeldraden met 2 lange sporen, van de andere meeldraden met 2 knobbels; soms ook alle helmknoppen met knobbels. Kelkbuis halfbolvormig of klokvormig met spitse slippen. Vruchtbeginsel kaal 2, 3 of 4-hokkig. Kruiden of heestertjesAcisanthera.10a.Kelk aan de basis met 4, paarsgewijs tegenoverstaande blaadjes omgeven. Meeldraden ongeveer gelijk van vorm; helmbindsel met 2 knobbels van voren. Vruchtbeginsel en doosvrucht aan den top borstelig. Kleine heestersTibouchina.10b.Kelk niet door blaadjes ingehuld1111a.Planten zeer dicht behaard; zoowel stengel en bladeren als top van het vruchtbeginsel en kelk. Helmknoppen zeer ongelijk, 5 met lange sporen, de 5 andere met korte oortjes aan de voorzijde. Vruchtbeginsel 5-hokkig, min of meer met de kelk vergroeidDesmoscelis.11b.Planten niet dicht behaard; vruchtbeginsel op den top kaal1212a.Kelkbuis eirond met blijvende lange kelkslippen. Bloembladeren smal en spits. Meeldraden afwisselend langer en korter. Helmbindsel onder de helmknop verlengd met 2 korte opgerichte sporen voorzien. Vruchtbeginsel 3-hokkig bolvormig; vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht. Bloeiwijze sterk vertakt, losNepsera.12b.Kelkbuis half bolvormig of klokvormig. Bloembladeren rond of eirond, met stompe of afgeronde top. Meeldraden alle met 2 knobbels of oortjes aan het helmbindsel of 4 ervan met 2 lange sporen. Vruchtbeginsel 2–4-hokkigAcisanthera.13a.Bloeiwijze aan het eind van bebladerde takken staand1413b.Bloeiwijzen of alleenstaande bloemen in de bladoksels of uit het hout te voorschijn komend1514a.Bloembladeren spits en smal. Bloemen meest 5-tallig. Kelk vaak met 2 rijen van tanden. Helmbindsel weinig verlengd, zonder aanhangsels. Heesters of boompjes, meest behaardLeandra.14b.Bloembladeren breed en stomp. Bloemen meest 5-tallig. Kelkzoom met zeer korte slippen. Helmknoppen zeer verschillend, met of zonder aanhangselen aan het helmbindsel. Heesters, zelden boomenMiconia.15a.Bloembladeren stomp aan den top1615b.Bloembladeren spits aan den top. Kelk ruwharig tot borstelig, in den knop gesloten; met een dekseltje opengaand; helmknoppen recht en dik, zijdelings samengedrukt; helmbindsel niet verlengd, zonder aanhangselen; ruwharige heesters, bloemen alleenstaand of 3 bij elkaarMyriaspora.16a.Bladeren met blazen aan den voet. Bloemen 3-, 4- of 5-tallig. Helmbindsel niet verlengd. Bloeiwijzen klein of alleenstaande bloemen in de bladoksels. Kelkbuis niet gevleugeldMaieta.16b.Bladvoet zonder blazen1717a.Bloemen aan de bebladerde takken staand1817b.Bloemen beneden de bladeren uit het hout tevoorschijn komend1918a.Bloemen klein, onaanzienlijk; de kelklobben meest aan de buitenzijde voorzien van een lange tand; helmknoppen verlengd en priemvormig, met één opening openspringend; vruchtbeginsel bijna steeds behaard, 3–9-hokkig; kleine, zelden groote heesters of boompjesClidemia.18b.Bloemen groot. Kelkzoom zonder bijslippen; kelk in regelmatige slippen gedeeld of onregelmatig inscheurend. Helmknoppen kort en dik met 2 gaten aan den top openspringend. Vruchtbeginsel geheel met de kelkbuis vergroeid, 8–15-hokkig, kaal. Boomen of heesters, meest onbehaardBellucia.Mispel.19a.Kelkzoom onduidelijk getand. Helmknoppen kort en dik, vaak alle samenhangend. Bloembladeren dik en leerachtig. Vruchtbeginsel geheel met de kelk vergroeid. Bes met de kelkzoom aan den top. Bloemen in dichte trosvormige bloeiwijzen uit het hout tevoorschijn komend boven de lidteekens van de bladerenLoreya.Mispel.19b.Kelkzoom duidelijk getand of gelobd. Helmknoppen meest verlengd en dun. Helmbindsel niet onder de helmknop verlengd. Bloemen alleenstaand of in groepen, niet in trossen. Bes veelzadigHenriettea.Mispel.

Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, regelmatig, soms de meeldraden zygomorf; bloemas bekervormig, bloemen 3- tot veeltallig, meest 4–5-tallig; bloembladeren evenveel als kelkslippen; meeldraden meest dubbel zooveel als bloembladeren; helmknoppen met poriën openspringend; vruchtbeginsel boven- of onderstandig, min of meer met de bloemas vergroeid, meest meerhokkig; stijl 1; vrucht een doosvrucht, of een bes; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande bladeren zonder steunbladeren.

1a.Boomen; bladeren zonder de karakteristieke nerven der familie, doch vinnervig, of zóó dik, dat alleen een middennerf zichtbaar is. Bloemen 4- of 5-tallig; kelk buisvormig of geheel zonder buis; steeds het vruchtbeginsel met den bodem van den kelk vergroeid en dus onderstandig. Helmknoppen zonder bijzondere verlengde aanhangselen. Bloemen meest geel. Vrucht een bes met eenige pittenMouriria.

1b.Bladeren met een middennerf waaruit aan den voet of dicht boven de voet eenige zijnerven ontspringen, die evenwijdig met de bladrand naar den top van het blad loopen; deze nerven zijn onderling en met dehoofdnerfverbonden door vele evenwijdige zijnerven2

2a.Vrucht een met kleppen openspringende doosvrucht. Vruchtbeginsel en later ook de vrucht meest maar voor een klein deel of in het geheel niet met de kelkwand vergroeid en daardoor bijna geheel bovenstandig. Meeldraden meest in twee rijen, de eene rij uit grootere meeldraden bestaande dan de andere rij. Helmbindsel aan den voet van voren vaak met verschillende aanhangsels, soms ook van achteren met aanhangsels, zelden geheel zonder aanhangsels (Aciotis). Planten kruidachtig of kleine heesters3

2b.Vrucht een bes of leerachtig en onregelmatig openspringend. Vruchtbeginsel en later ook de vrucht bijna geheel met de kelkbuis vergroeid en daardoor bijna of geheel onderstandig. Meeldraden meest alle gelijk van grootte. Helmbindsel aan de voet bijna steeds zonder aanhangselen (uitzonderingen bij Miconia). Planten meest groote heesters of boomen13

3a.Slechts 4 meeldraden aanwezig, de 4 andere of geheel ontbrekend of zeer klein, bloem 4-tallig. Voet van de helmknoppen met 2 knobbels aan de voorzijde. Vruchtbeginsel 2-hokkig; doosvrucht met 2 kleppen openspringend. Bloeiwijze weinigbloemig of bloemen okselstandigSiphanthera.

3b.Steeds tweemaal zooveel meeldraden als bloembladeren aanwezig4

4a.Bloemen 5-tallig met 5 groote en 5 kleine meeldraden; van de 5 groote meeldraden is er één veel grooter dan de 4 andere. Helmbindsel beneden de helmknop verlengd, gebogen, van voren met 2 tanden of knobbels. Doosvrucht met 3 kleppen openspringendRhynchanthera.

4b.Niet een van de meeldraden veel grooter dan de andere5

5a.Bloemen 4-tallig6

5b.Bloemen 5-tallig10

6a.Planten niet houtig, met saprijke stengels, klein, op vochtige plaatsen voorkomend. Helmknoppen geheel zonder aanhangselen aan het helmbindsel; meeldraden aan elkaar gelijk, vruchtbeginsel kaal, 2-hokkigAciotis.

6b.Helmbindsel met knobbels of langere aanhangsels. Stengel meest wat houtig7

7a.Kelkslippen driehoekig, spits en na den bloei blijvend; buis van buiten met korte stijve haren bezet; kelkslippen afwisselend met vertakte borstelharen. Helmbindsel min of meer onder de helmknop verlengd, met 2 knobbels of een verdikking aan de voorzijde. Vruchtbeginsel op den top borstelig behaard. Planten meest ruw behaardPterolepis.

7b.Kelkslippen niet met borstels afwisselend8

8a.Helmknoppen van alle meeldraden gelijk van vorm en grootte, helmbindsel gebogen, aan het verbreede einde van voren met 2 lobben of 2 korte sporen of oortjes. Doosvrucht 2- of 4-kleppig (en -hokkig). Bloeiwijzen klein of bloemen alleenstaandComolia.

8b.Helmknoppen van 4 der meeldraden verschillend in vorm en grootte van de 4 andere9

9a.Helmbindsel van alle helmknoppen van voren met 2 opgerichte lange draadvormige aanhangselen.Kelkbuis meest klierachtig behaard. Vruchtbeginsel 4-hokkig aan den top kaal of behaard. Bloemen in groote vertakte bloeiwijzenErnestia.

9b.Helmbindsel van slechts 4 der meeldraden met 2 lange sporen, van de andere meeldraden met 2 knobbels; soms ook alle helmknoppen met knobbels. Kelkbuis halfbolvormig of klokvormig met spitse slippen. Vruchtbeginsel kaal 2, 3 of 4-hokkig. Kruiden of heestertjesAcisanthera.

10a.Kelk aan de basis met 4, paarsgewijs tegenoverstaande blaadjes omgeven. Meeldraden ongeveer gelijk van vorm; helmbindsel met 2 knobbels van voren. Vruchtbeginsel en doosvrucht aan den top borstelig. Kleine heestersTibouchina.

10b.Kelk niet door blaadjes ingehuld11

11a.Planten zeer dicht behaard; zoowel stengel en bladeren als top van het vruchtbeginsel en kelk. Helmknoppen zeer ongelijk, 5 met lange sporen, de 5 andere met korte oortjes aan de voorzijde. Vruchtbeginsel 5-hokkig, min of meer met de kelk vergroeidDesmoscelis.

11b.Planten niet dicht behaard; vruchtbeginsel op den top kaal12

12a.Kelkbuis eirond met blijvende lange kelkslippen. Bloembladeren smal en spits. Meeldraden afwisselend langer en korter. Helmbindsel onder de helmknop verlengd met 2 korte opgerichte sporen voorzien. Vruchtbeginsel 3-hokkig bolvormig; vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht. Bloeiwijze sterk vertakt, losNepsera.

12b.Kelkbuis half bolvormig of klokvormig. Bloembladeren rond of eirond, met stompe of afgeronde top. Meeldraden alle met 2 knobbels of oortjes aan het helmbindsel of 4 ervan met 2 lange sporen. Vruchtbeginsel 2–4-hokkigAcisanthera.

13a.Bloeiwijze aan het eind van bebladerde takken staand14

13b.Bloeiwijzen of alleenstaande bloemen in de bladoksels of uit het hout te voorschijn komend15

14a.Bloembladeren spits en smal. Bloemen meest 5-tallig. Kelk vaak met 2 rijen van tanden. Helmbindsel weinig verlengd, zonder aanhangsels. Heesters of boompjes, meest behaardLeandra.

14b.Bloembladeren breed en stomp. Bloemen meest 5-tallig. Kelkzoom met zeer korte slippen. Helmknoppen zeer verschillend, met of zonder aanhangselen aan het helmbindsel. Heesters, zelden boomenMiconia.

15a.Bloembladeren stomp aan den top16

15b.Bloembladeren spits aan den top. Kelk ruwharig tot borstelig, in den knop gesloten; met een dekseltje opengaand; helmknoppen recht en dik, zijdelings samengedrukt; helmbindsel niet verlengd, zonder aanhangselen; ruwharige heesters, bloemen alleenstaand of 3 bij elkaarMyriaspora.

16a.Bladeren met blazen aan den voet. Bloemen 3-, 4- of 5-tallig. Helmbindsel niet verlengd. Bloeiwijzen klein of alleenstaande bloemen in de bladoksels. Kelkbuis niet gevleugeldMaieta.

16b.Bladvoet zonder blazen17

17a.Bloemen aan de bebladerde takken staand18

17b.Bloemen beneden de bladeren uit het hout tevoorschijn komend19

18a.Bloemen klein, onaanzienlijk; de kelklobben meest aan de buitenzijde voorzien van een lange tand; helmknoppen verlengd en priemvormig, met één opening openspringend; vruchtbeginsel bijna steeds behaard, 3–9-hokkig; kleine, zelden groote heesters of boompjesClidemia.

18b.Bloemen groot. Kelkzoom zonder bijslippen; kelk in regelmatige slippen gedeeld of onregelmatig inscheurend. Helmknoppen kort en dik met 2 gaten aan den top openspringend. Vruchtbeginsel geheel met de kelkbuis vergroeid, 8–15-hokkig, kaal. Boomen of heesters, meest onbehaardBellucia.Mispel.

19a.Kelkzoom onduidelijk getand. Helmknoppen kort en dik, vaak alle samenhangend. Bloembladeren dik en leerachtig. Vruchtbeginsel geheel met de kelk vergroeid. Bes met de kelkzoom aan den top. Bloemen in dichte trosvormige bloeiwijzen uit het hout tevoorschijn komend boven de lidteekens van de bladerenLoreya.Mispel.

19b.Kelkzoom duidelijk getand of gelobd. Helmknoppen meest verlengd en dun. Helmbindsel niet onder de helmknop verlengd. Bloemen alleenstaand of in groepen, niet in trossen. Bes veelzadigHenriettea.Mispel.

224.Oenotheraceae.Bloemen met kelk en bloemkroon, meest tweeslachtig, en regelmatig, zelden zygomorf; bloemas buisvormig; kelkslippen 2–4; zelden 5–6, bloembladeren 2–4, zelden ontbrekend; meeldraden 4–8, zelden 1, 2, 6 of 12, soms ten deele staminodiaal; vruchtbeginsel met de bloemas vergroeid; onderstandig, meest 4-hokkig; met 1 tot vele zaadknoppen in ieder hokje; meest kruiden met tegenoverstaande of verspreide bladeren zonder steunbladen; bloemen okselstandig of in trossen.Bloemen met 4 (–6) kelkbladeren, 4 (–6) gele bloembladeren, 8–12 meeldraden. Vruchtbeginsel onderstandig; vrucht een doosvrucht. Moeras- of waterplantenJussieua.

224.Oenotheraceae.

Bloemen met kelk en bloemkroon, meest tweeslachtig, en regelmatig, zelden zygomorf; bloemas buisvormig; kelkslippen 2–4; zelden 5–6, bloembladeren 2–4, zelden ontbrekend; meeldraden 4–8, zelden 1, 2, 6 of 12, soms ten deele staminodiaal; vruchtbeginsel met de bloemas vergroeid; onderstandig, meest 4-hokkig; met 1 tot vele zaadknoppen in ieder hokje; meest kruiden met tegenoverstaande of verspreide bladeren zonder steunbladen; bloemen okselstandig of in trossen.Bloemen met 4 (–6) kelkbladeren, 4 (–6) gele bloembladeren, 8–12 meeldraden. Vruchtbeginsel onderstandig; vrucht een doosvrucht. Moeras- of waterplantenJussieua.

Bloemen met kelk en bloemkroon, meest tweeslachtig, en regelmatig, zelden zygomorf; bloemas buisvormig; kelkslippen 2–4; zelden 5–6, bloembladeren 2–4, zelden ontbrekend; meeldraden 4–8, zelden 1, 2, 6 of 12, soms ten deele staminodiaal; vruchtbeginsel met de bloemas vergroeid; onderstandig, meest 4-hokkig; met 1 tot vele zaadknoppen in ieder hokje; meest kruiden met tegenoverstaande of verspreide bladeren zonder steunbladen; bloemen okselstandig of in trossen.

Bloemen met 4 (–6) kelkbladeren, 4 (–6) gele bloembladeren, 8–12 meeldraden. Vruchtbeginsel onderstandig; vrucht een doosvrucht. Moeras- of waterplantenJussieua.

Orde:Umbelliflorae.228.Umbelliferae.Bloemen 5-tallig, met 5 meeldraden, en vaak onduidelijke kelk; meest tweeslachtig, regelmatig, soms zygomorf; vruchtbeginsel onderstandig, 2-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje; de 2 stijlen aan de basis tot een kussen aangezwollen; vrucht een splitvrucht, waarvan de deelvruchten aan een carpophoor blijven hangen; eenjarige of overblijvende kruiden met meest holle stengel en verspreide bladeren, die meestal meermalen gevind zijn en een groote bladscheede hebben; bloemen klein, meest in enkelvoudige of samengestelde schermen of in hoofdjes.1a.Bladeren lang, naar de voet versmald, aan den top afgerond. Stengel aan den top met een gedrongen (op een hoofdje gelijkend) schermEryngium.Sneki-wiwirie.1b.Bladeren gesteeld, rond.Bloemen in een klein schermHydrocotyle.1c.Bladeren gevind tot meervoudig gevind; scherm samengesteld, wijd uitstaand, bloemen wit; vruchten behaardPimpinella.Anijszaad.

Orde:Umbelliflorae.228.Umbelliferae.Bloemen 5-tallig, met 5 meeldraden, en vaak onduidelijke kelk; meest tweeslachtig, regelmatig, soms zygomorf; vruchtbeginsel onderstandig, 2-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje; de 2 stijlen aan de basis tot een kussen aangezwollen; vrucht een splitvrucht, waarvan de deelvruchten aan een carpophoor blijven hangen; eenjarige of overblijvende kruiden met meest holle stengel en verspreide bladeren, die meestal meermalen gevind zijn en een groote bladscheede hebben; bloemen klein, meest in enkelvoudige of samengestelde schermen of in hoofdjes.1a.Bladeren lang, naar de voet versmald, aan den top afgerond. Stengel aan den top met een gedrongen (op een hoofdje gelijkend) schermEryngium.Sneki-wiwirie.1b.Bladeren gesteeld, rond.Bloemen in een klein schermHydrocotyle.1c.Bladeren gevind tot meervoudig gevind; scherm samengesteld, wijd uitstaand, bloemen wit; vruchten behaardPimpinella.Anijszaad.

228.Umbelliferae.Bloemen 5-tallig, met 5 meeldraden, en vaak onduidelijke kelk; meest tweeslachtig, regelmatig, soms zygomorf; vruchtbeginsel onderstandig, 2-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje; de 2 stijlen aan de basis tot een kussen aangezwollen; vrucht een splitvrucht, waarvan de deelvruchten aan een carpophoor blijven hangen; eenjarige of overblijvende kruiden met meest holle stengel en verspreide bladeren, die meestal meermalen gevind zijn en een groote bladscheede hebben; bloemen klein, meest in enkelvoudige of samengestelde schermen of in hoofdjes.1a.Bladeren lang, naar de voet versmald, aan den top afgerond. Stengel aan den top met een gedrongen (op een hoofdje gelijkend) schermEryngium.Sneki-wiwirie.1b.Bladeren gesteeld, rond.Bloemen in een klein schermHydrocotyle.1c.Bladeren gevind tot meervoudig gevind; scherm samengesteld, wijd uitstaand, bloemen wit; vruchten behaardPimpinella.Anijszaad.

228.Umbelliferae.

Bloemen 5-tallig, met 5 meeldraden, en vaak onduidelijke kelk; meest tweeslachtig, regelmatig, soms zygomorf; vruchtbeginsel onderstandig, 2-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje; de 2 stijlen aan de basis tot een kussen aangezwollen; vrucht een splitvrucht, waarvan de deelvruchten aan een carpophoor blijven hangen; eenjarige of overblijvende kruiden met meest holle stengel en verspreide bladeren, die meestal meermalen gevind zijn en een groote bladscheede hebben; bloemen klein, meest in enkelvoudige of samengestelde schermen of in hoofdjes.1a.Bladeren lang, naar de voet versmald, aan den top afgerond. Stengel aan den top met een gedrongen (op een hoofdje gelijkend) schermEryngium.Sneki-wiwirie.1b.Bladeren gesteeld, rond.Bloemen in een klein schermHydrocotyle.1c.Bladeren gevind tot meervoudig gevind; scherm samengesteld, wijd uitstaand, bloemen wit; vruchten behaardPimpinella.Anijszaad.

Bloemen 5-tallig, met 5 meeldraden, en vaak onduidelijke kelk; meest tweeslachtig, regelmatig, soms zygomorf; vruchtbeginsel onderstandig, 2-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje; de 2 stijlen aan de basis tot een kussen aangezwollen; vrucht een splitvrucht, waarvan de deelvruchten aan een carpophoor blijven hangen; eenjarige of overblijvende kruiden met meest holle stengel en verspreide bladeren, die meestal meermalen gevind zijn en een groote bladscheede hebben; bloemen klein, meest in enkelvoudige of samengestelde schermen of in hoofdjes.

1a.Bladeren lang, naar de voet versmald, aan den top afgerond. Stengel aan den top met een gedrongen (op een hoofdje gelijkend) schermEryngium.Sneki-wiwirie.

1b.Bladeren gesteeld, rond.Bloemen in een klein schermHydrocotyle.

1c.Bladeren gevind tot meervoudig gevind; scherm samengesteld, wijd uitstaand, bloemen wit; vruchten behaardPimpinella.Anijszaad.


Back to IndexNext