Chapter 38

Orde:Plantaginales.269.Plantaginaceae.Bloemen 4-tallig; tweeslachtig, of éénslachtig, regelmatig; kelkbladeren 4; bloemkroon 4-spletig; meeldraden 4 met de kroon vergroeid; vruchtbeginsel 1–4-hokkig met 1 tot weinige zaadknoppen; vrucht een met een deksel openspringende doosvrucht of een noot; meest kruiden, met verspreide, zelden tegenoverstaande bladeren; bloemen in aren.Bloemen in aren; kelk 4-deelig; bloemkroon met 4 slippen, klein, vliezig, bruinachtig. Meeldraden 4, met lange helmdraden; stijl lang; vrucht met een deksel openspringend; bladeren in een wortelrosetPlantago.Orde:Rubiales.270.Rubiaceae.Bloemen 4- of 5-, zelden meertallig met een onderstandig vruchtbeginsel dat meest evenveel, zelden minder hokjes heeft als bloemkroonslippen; tweeslachtig, zelden éénslachtig, regelmatig, zelden min of meer zygomorf; kelk meest open; bloemkroonslippen in de knop met de randen over elkaar liggend of tegen elkaar liggend of gedraaid; hokjes van het vruchtbeginsel met 1 tot talrijke zaadknoppen; stijl 1, met een meest onvertakte stempel; vrucht zeer verschillend; kruiden of houtige planten met kruisgewijs tegenoverstaande bladeren en steunbladeren, die soms zeer groot zijn.1a.Vruchtbeginsel met slechts 1 zaadknop in ieder hokje21b.Vruchtbeginsel met 2 tot meer zaadknoppen in ieder hokje212a.Bloemkroonslippen in den knop gedraaid of met de randen over elkaar liggend32b.Bloemkroonslippen in den knop met de randen tegen elkaar liggend53a.Bloemen in okselstandige één- of tweemaal vorksgewijs gedeelde bloeiwijzen, waarvan de takken aarvormig zijn en eenzijdig bloemen dragen. Kelk afvallend na de bloei. Bloemkroon met lange buis. Meeldraden in de bloemkroon ingesloten. Vruchtbeginsel 4–9-hokkigGuettarda.3b.Bloemen in okselstandige of eindstandige schermen of aren. Meeldraden buiten de buis uitstekend; vruchtbeginsel 2-hokkig44a.Bloemen in groepen in de bladoksels gezeten, 5- of meertalligCoffea.4b.Bloemen in een eindelingsche pluim of scherm, 4-talligIxora.Faja-lobbie.5a.Kleine kruiden of heesters met zeer kleine bloemen die in groepen in de bladoksels zitten of in kleine hoofdjes aan het eind van den stengel en rondom den stengel zitten. Bladeren steeds klein, (hoogstens eenige c.M.lang).Steunbladeren tot een scheede vergroeid, die aan den rand met lange tanden of haren bezet is. Vrucht een tweezadige doosvrucht of in 2 stukken uiteenvallend65b.Groote heesters of boomen met groote of vrij groote bladeren en groote bloemen. Vrucht 1-zadig, of indien zij meerzadig is, dan niet openspringend116a.Doosvrucht met een deksel openspringend76b.Doosvrucht 2-hokkig, met 2 kleppen openspringend of in 2 stukken uiteenvallend87a.Doosvrucht 3-hokkig. Kelkslippen 2, vrij of aan de basis vergroeid. Helmknoppen behaard. Bloemen in hoofdjes met vliezige schutbladeren stijf behaardPerama.7b.Doosvrucht 2-hokkig. Kelkslippen 4, ongelijk. Hoofdjes met droogvliezige bloemsteelblaadjes. Habitus als de vorigeMitracarpus.8a.Doosvrucht in 2 stukken uiteenvallend98b.Doosvrucht met kleppen openspringend109a.Stukken van de doosvrucht gesloten blijvend. Kelkslippen 2 of 4 aan de basis vergroeid. Bloemkroon trechtervormig, 4-lobbig. Bloemen in okselstandige schijnkransen. Bladeren smal, meest ruwDiodia.9b.Stukken van de doosvrucht aan de binnenzijde geopend. Kelkslippen 4, aan de basis hoog vergroeid. Overigens als de vorigeHemidiodia.10a.Een van de beide kleppen van de doosvrucht laat van het middenschot los, de andere blijft gesloten. Kelkslippen 4, aan de basis verbonden. Meeldraden beneden in de buis van de bloemkroon ingehechtSpermacoce.10b.Beide kleppen van de doosvrucht laten van het middenschot los en springen open. Kelkslippen 2 of 4, meer of minder met elkaar vergroeid. Meeldraden meest boven in de buis ingehecht. Habitus als DiodiaBorreria.11a.Vruchtbeginsel bovenstandig. Kelk 4–5-tandig of 4–5-lobbig. Bloemkroon stervormig, van binnen behaard. Meeldraden bovenin de buis vastgehecht. Stijl 2-deelig. Boomen en heesters met leerachtige bladeren, met zeer stijl opgerichte zijnerven. Bloemen dicht bij elkaar zittend, in groepenPagamea.11b.Vruchtbeginsel onderstandig1212a.Heesters met dorens. Bloemkroon en kelk 5-tallig, de bloemkroonbuis zeer lang, van buiten behaard met lange en spitse slippen. Bloemen in korte trossen; bladeren meest groepsgewijs bijeenzittend aan korte takkenAnisomeris.12b.Planten zonder dorens1313a.Bloeiwijzen dichtgedrongen, bloemen in hoofdjes, omgeven door talrijke groote of kleine schutbladeren1413b.Bloeiwijzen niet hoofdjes-vormig, zonder groote schutbladeren1514a.Kleine en teere, op den bodem kruipende kruiden met langgesteelde hart- of niervormige bladeren. Kelk kort, 4–7-tandig, blijvend. Bloemkroon buis- tot trechtervormig met behaarde mond. Meeldraden 4–7, in de buis ingehecht. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Zaden aan de buikzijde vlak, zonder groefGeophila.14b.Krachtige meest rechtopstaande heesterachtige kruiden of heesters. Bloemen als de vorige, doch vruchtbeginsel soms 3–4-hokkig. Bladeren niet hart- of niervormig. Zaden aan de buikzijde met een diepe groefUragoga.14c.Bloemen in dichte bolvormige hoofdjes, met de vruchtbeginsels vergroeid; elk vruchtbeginsel 4-hokkig. Kelk bekervormig, nauwelijks getand. Vrucht tot een vleezige verzamelvrucht vereenigd met meerdere pitten die soms in groepen van 4 bij elkaar zitten. Boomen of heesters met meest kruisgewijs tegenoverstaande bladerenMorinda.15a.Zaden in de vrucht met het worteltje naar boven gericht. Zaadknoppen boven in de hokjes van het vruchtbeginsel bevestigd, hangend. Kelk zeer kort, 4-tandig of 4-lobbig, blijvend. Bloemkroontrechtervormigof stervormig met korte buis, in de mond en van binnen op de slippen dicht behaard. Helmknoppen uit de buis uitstekend. Vruchtbeginsel 2-hokkig; stijl kort 2-spletig. Klimmende heesters met leerachtige bladeren. Bloemen klein, in pluimen met tegenoverstaande takkenMalanea.15b.Zaden met het worteltje naar beneden. Zaadknoppen onder in het vruchtbeginsel ingehecht, rechtopstaand1616a.Vruchtbeginsel 1-hokkig of 2-hokkig, maar dan is het tusschenschot zeer dun, in ieder geval veel dunner dan de wand van het vruchtbeginsel1716b.Vruchtbeginsel 2- (zelden meer-)hokkig; tusschenschot even dik als de wand van het vruchtbeginsel1817a.Tusschenschot dun, na den bloei verdwijnend. Zaad loodrecht in de vrucht staande met den kiem op den bodem. Kelk min of meer bekervormig, zonder lobben of kort 4-lobbig. Bloemkroon trechtervormig, van binnen kaal. Boomen of heestersCoussarea.17b.Tusschenschot geheel ontbrekend. Zaad in de vrucht liggend, van onderen uitgehold met zijdelingschen kiem. Overigens als de vorigeFaramea.18a.Zaad aan de buikzijde vlak, ongegroefd. Kelk kort-5-tandig. Bloemkroon trechtervormig, met vaak naar binnen gebogen ofmet een klein hoorntje voorziene slippen, van binnen behaard. Vruchtbeginsel 2-, zelden meerhokkig. Vrucht een 2–5-hokkige steenvrucht. Boomen of heestersMapouria.18b.Zaad aan de buikzijde met een groef1919a.Bloemkroon gekromd, buis- of trechtervormig, aan één zijde meest met een kleine knobbel. Kelk beker- of klokvormig, 5-lobbig of met gave zoom. Vrucht met 2 (soms 3–5) pitten. HeestersPalicourea.19b.Bloemkroonbuis recht2020a.Zaden aan de kanten ingerold en van binnen met een dwarse uitholling. Kelkbladeren 4–5, in verschillende hoogte vergroeid. Bloemkroonbuis meest kort, in de mond behaard, de slippen vaak aan den top naar binnen gebogen en met een hoorntje voorzien. Vrucht met 2 pitten. Heesters of boomenRudgea.20b.Zaden zonder plooien in het kiemwit. Kelk kort, meest 5-tandig. Bloemkroonbuis van zeer verschillende lengte. Vrucht met 2 (zelden 3–5) pitten. Boomen of heestersPsychotria.21a.Vrucht een doosvrucht2221b.Vrucht een bes2622a.Bloemen in bolvormige hoofdjes, aan het eind van lange steelen, te zamen tot een bloeiwijze vereenigd. Planten klimmend door middel van haken, die in de bladoksels staanUncaria.(Ourouparia).22b.Bloemen niet in dergelijke hoofdjes. Planten niet met haken klimmend2323a.Kruidachtige klimplanten. Kelkslippen 4–8, blijvend, soms bladachtig. Bloemkroon meest vuurrood. Doosvrucht met 2 kleppen openspringend met talrijke gevleugelde zadenManettia.23b.Planten niet klimmend2424a.Bloemen zeer groot, meer dan 4 c.M. lang, 6-tallig; alleenstaand. Epiphyten met groote doosvruchten; zaden gevleugeldHillia.24b.Bloemen veel kleiner, hoogstens 1 c.M. groot, niet 6-tallig. Planten niet epiphytisch levend2525a.Kleine kruiden met kleine korte witte bloemen. Kelk 4-tandig blijvend. Bloemen gesteeld in groepen of kleine bloeiwijzen in de bladoksels. DoosvruchtOldenlandia.25b.Kruiden met een vrij lange buisvormige en 5-tallige bloemkroon. Kelk met 5 slippen. Bloemen vaak in dichte groepen staandSipanea.26a.Slippen van den bloemkroon met de randen tegen elkaar liggend2726b.Slippen van den bloemkroon met de randen over elkaar liggend3027a.Bloeiwijzen aan het eind van den stengel2827b.Bloeiwijzen in de bladoksels2928a.Bloeiwijzen een pluim, min of meer gedrongen. Kelk kort, blijvend. Bloemkroon buisvormig, soms zeer lang, met korte zoom, in de keel dicht behaard, 4–6-tallig. Bessen met 4–6 pitten. Heesters of boomen, met meest behaarde bladerenIsertia.28b.Bloeiwijze verlengd tot een losse aar. Kelk bekervormig. Bloemkroon trechter- of schotelvormig, van boven meest verwijd. Vruchtbeginsel 2–4-hokkig. Bes bolvormig met 2–4 meerzadige pitten, vaak maar weinig vleezigGonzalagunia.29a.Kleine kruipende kruiden. Kelkslippen 4 (zelden 5) bijna tot aan de basis vrij,blijvend. Bloemkroon trechtervormig, in den keelbehaard. Vruchtbeginsel 2-hokkig, stijl 2-spletig. Vrucht bolvormig. Bloemen dicht gedrongen aan het eind van de steelCoccocypselum.29b.Klimmende forsche kruiden met dichte beharing. Kelkslippen 4–5, nogal breed en groot. Vruchtbeginsel 3–5-hokkig; stijl 3–5-spletigSabicea.30a.Bloemkroon met een opvallend lange buis, van 5 tot 25 c.M.; bloemen tweeslachtig3130b.Bloemen klein, hoogstens 2 c.M. groot; bloemen meest éénslachtig3431a.Bloemknoppen scheef ten opzichte van de buis, daardoor de bloem een weinig zijdelings-symmetrisch. Kelk 5-tandig, van binnen met klieren. Helmknoppen buiten de buis uitstekend. Vruchten eirond met leerachtige schil, van binnen sappigPosoqueria.31b.Bloemen geheel regelmatig3232a.Bloemen alleenstaand en eindelingsch3332b.Bloemen in veelbloemige bijschermen. Kelk klein, bekervormig, 5-tandig, blijvend. Bloemkroonbuis zeer lang. Meeldraden weinig uit de buis uitstekend. Stijl even lang als de buisTocoyena.33a.Vruchtbeginsel 1-hokkig; kelkslippen meestal 5, spits en smal, aan den voet verbonden. Kroon 2–3 maal zoo groot als de kelk met 5–6, een weinig scheeve slippen. Meeldraden aan den mond van de buis ingehecht. Vrucht lang en dunGardenia.33b.Vruchtbeginsel 2-hokkig. Overigens als de vorige, doch de kroonslippen kleiner ten opzichte van de lengte van de buis en de vrucht eirondRandia.34a.Bloemen tweeslachtig3534b.Bloemen eenslachtig3735a.Bloeiwijze dicht bij den top der stengels maar toch duidelijk zijdelings staande; kelk bekervormig met zeer kleine tanden. Bloemkroon van buiten en van binnen behaard, leerachtig. Stijl lang, toegespitst. Vrucht eirond, van buiten leerachtig, van binnen sappigGenipa.Tapoeripa.35b.Bloeiwijze een tros of pluim, duidelijk eindstandig3636a.Kelk met zeer kleine tanden. Bloemkroon met groote, meest teruggeslagen slippen. Helmknoppen aan den voet verbreed. Vruchtbeginsel 5-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje. Stijl aan den top kort 5-lobbig. Vrucht met 5 eenzadige pitten. Bloemen in lange of korte trossenRetiniphyllum.36b.Kelk bekervormig 5-tandig. Bloemkroonslippen spits en smal. Vruchtbeginsel 2-hokkig; stijl aan den top 2-spletig. Vrucht met 10 ribben. Bloemen in een pluim, witBertiera.37a.Steunbladeren spits. Kelk met korte tanden. Bloemkroon van buiten slechts weinig behaard. Meeldraden in de buis ingesloten. Vruchtbeginsel 2–5-hokkig; stijl met 2–5 takken. Vrucht een besAlibertia.37b.Steunbladeren reeds vroeg afvallend zoodat er slechts een smalle rand overblijft3838a.Mannelijke en vrouwelijke bloemen in bijschermen.Bloemen 6- tot meertallig. Bloemkroonbuis van buiten dun behaard. Meeldraden in de ♀ bloem zonder stuifmeel, in de buis ingesloten. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Vrucht een eetbare besAmajoua.Marmeldoos.38b.Mannelijke bloemen in bijschermen, vrouwelijke alleenstaand of 2 aan 2. Bloemen als de vorige doch de buis van buiten met lange haren bedekt. Vrucht eetbaarDuroia,Bosch-marmeldoos.271.Caprifoliaceae.Bloemen meest 5-tallig, met vergroeide bloemkroon. Vruchtbeginsel onderstandig, 2–5-hokkig met 1 tot meer zaadknoppen in ieder hokje. Stijlen één of meer. Vrucht een bes of een steenvrucht. Bladeren meest tegenoverstaand.Boomen of heesters met vindeelige tot gevinde bladeren. Bloemen in enkelvoudige tot samengestelde schermen. Bloemkroon wit, stervormig. Vrucht een steenvruchtSambucus.Vlier.Orde:Campanulatae.275.Cucurbitaceae.Bloemen 5-tallig, zelden tweeslachtig, meest éénslachtig, regelmatig; bloemas bekervormig, kelk vergroeidbladig; bloembladeren 5; meeldraden 5, op de rand van de bloemas ingehecht, twee aan twee met elkaar verbonden of alle 5 tot één centrale groep vereenigd; vruchtbeginsel onderstandig, meest 3-hokkig, meest met 2 zaadlijsten in ieder hokje met vele zaadknoppen; stijl 1, met 3 takken; meest kruiden, die met ranken klimmen, met verspreide, enkelvoudige of gelobde bladeren.1a.Mannelijke bloemen voorhanden, of (in de 1-huizige soorten) ook ♀ bloemen21b.Alleen vrouwelijke bloemen en vruchten voorhanden (tweehuizige soorten)132a.Meeldraden 232b.Meeldraden 353a.Meeldraden in den mond van de kelkbuis ingehecht. Bloemen in trossen.Kelkbuis lang en dun met 5 kleine teruggeslagen tanden. Kroon 5-deelig. Rudiment van het vruchtbeginsel dun en draadvormigHelmontia.3b.Meeldraden op de wand van de kelkbuis ingehecht44a.Kelk groen, met eenkorte5-tandige zoom. Bloembladeren breed, vliezig, rond of eirond, rood, aan de basis sterk versmald. Bloemen in korte dichte trossen aan het eind van een lange steel. Rudiment van een vruchtbeginsel ontbrekendAnguria.4b.Kelk rood of oranje gekleurd met groote 5-deelige zoom. Bloembladeren klein, meest smal, bleekgeel, niet aan den basis plotseling versmald. Overigens als de vorigeGurania.5a.Helmknoppen recht of een weinig gebogen, niet gewonden. Planten eenhuizig. Bloemen in trossen of pluimen. Kelk klokvormig met 5 korte tanden; bloemkroon diep 5-deelig. Rudimentair vruchtbeginsel aanwezig; vrouwelijke bloemen alleenstaand, meest langgesteeld, met 3staminodiën. Vruchtbeginsel rond of langwerpig. Stijl aan den basis met een ringvormige schijf, met 3 stempels. Vrucht een kleine eironde of lange besMelothria.5b.Helmknoppen gewonden of saamgevouwen66a.Kroon stervormig tot dicht bij de basis (d. i. bij de kelkslippen) 5-deelig of 5-bladig76b.Kroon klokvormig, hoogstens tot aan het midden 5-lobbig127a.Helmdraden tot een zuil vergroeid, die van boven de 3 sterkgewonden helmknoppen draagt. Bloemen in trossen. Kelk met een klokvormige buis en 5 smalle tanden, kroon wit, diep 5-deelig. Vrouwelijke bloemen alleenstaand of 2 aan 2 met een langwerpig, sterk gestekeld vruchtbeginsel; stijl kort met knopvormige stempel. Vrucht gestekeld aan den top met 2 gaten openspringendEchinocystis.7b.Helmdraden niet tot een zuil vergroeid88a.Bladsteelen van boven met 2 klieren. Bloemen wit, steeds alleenstaand. Kelk klokvormig met 5 smalle en kleine slippen. Bloembladen 5, vrij. Meeldraden 3, in de kelkbuis ingehecht. Eén van de helmknoppen éénhokkig, de beide andere 2-hokkig. Vrouwelijke bloemen met een korte stijl en drie 2-lobbige stempels. Vrucht van buiten houtigLagenaria.Flesch-kalebas.8b.Bladsteelen zonder klier bij de bladvoet. Bloemen geel99a.Helmknoppen vrij, aan den top met een bladachtig aanhangsel. ♂ bloemen in trossen, zelden alleenstaand. Kroon 5-deelig. Helmdraden zeer kort. Vrouwelijke bloemen alleenstaand met 3 staminodiën. Stijl 1, kort met 3–5 stompe stempels. Vrucht zeer verschillend van vormCucumis.9b.Helmknoppen niet met een bladachtig aanhangsel aan den top1010a.Kelk van binnen met 2 of 3 langwerpige en gebogen schubben. Mannelijke bloemen alleenstaand met een lange bloemsteel, kelkslippen eirond tot lancetvormig; kroon een weinig onregelmatig. Vrouwelijke bloemen alleenstaand op een lange steel; vruchtbeginsel langwerpig gestekeld, vrucht met knobbelsMomordica.10b.Kelk van binnen zonder schubben1111a.Mannelijke bloemen in trossen. Bloembladeren 5, vrij, eirond of een weinig hartvormig. Meeldraden 3, soms 4 of 5, onder in de kelkbuis ingehecht. Vrouwelijke bloemen alleenstaand met 3 (soms 4 of 5) staminodiën. Vruchtbeginsel lang en gegroefd of cylindrisch. Stijl met drie 2-lobbige stempels. Vrucht bij rijpheid droog, van binnen vezelig, met een deksel openspringendLuffa.11b.Mannelijke bloemen alleenstaand, zelden groepsgewijs bij elkaar, kortgesteeld. Kelkbuis wijd-klokvormig met 5 smalle slippen. Kroon diep 5-deelig met stompe slippen. Vrouwelijke bloemen kortgesteeld met 3 korte staminodiën. Stijl met drie kort-2-lobbige stempels. Vrucht sappig, niet openspringendCitrullus.Watermeloen.12a.Bloemen geel of oranje, de mannelijke alleenzittend of in groepen. Kelk klokvormig met 5 (4–7) lobben. Bloemkroon tot aan het midden 5- (4–7-) lobbig met teruggeslagen slippen. Helmdraden onder in de kelkbuis ingehecht; helmknoppen samengekleefd. Vrouwelijke bloemen alleenstaand kortgesteeld met 3 korte staminodiën; stijl kort met 3–5 tweelobbige of 2-spletige stempels. Vrucht vleezig of vezelig niet openspringend, vele zadenCucurbita.12b.Bloemen wit of groenachtig; de mannelijke alleenstaand of in trossen of groepen. Helmdraden in de kelkbuis ingehecht, de helmknoppen maar weinig saamgekleefd. Vrouwelijke bloemen alleenstaand of in groepen; staminodiën 3, zeer klein, draadvormig. Stijl 3-spletig; schijf ringvormig. Vrucht rond of eirond niet openspringend met 6–12 zadenCayaponia.13a.♀ bloemen alleenstaand of 2 of 3 bij elkaar. Kelkbuis lang, groen met 5 tanden. Bloembladeren grooter dan de kelktanden, meestvuurrood of oranjerood. Staminodiën 2. Vruchtbeginsel langwerpig. Stijl draadvormig, 2-spletig; stempels 2, 2-lobbigAnguria.13b.♀ bloemen alleenstaand, in groepen of dicht gedrongen aan het eind van een lange steel. Kelk rood of oranje gekleurd, met vrij groote slippen. Bloembladeren bleekgeel, kleiner dan de kelkslippen. Staminodiën ontbrekend; overigens als de vorigeGurania.N. B. Van Helmontia, die ook 2-huizig is, zijn tot nu toe geen vrouwelijke bloemen bekend.276.Campanulaceae.Bloemen meest 5-tallig, zelden 6–10- of 3–4-tallig, meest tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemkroon meest vergroeidbladig; meeldraden meest 5 met vergroeide helmknoppen; vruchtbeginsel onderstandig, 2–5-hokkig met vele zaadknoppen; stijl 1; vrucht een doosvrucht, zelden een bes; kruiden, zelden houtige planten meest met verspreide bladeren en vrij groote bloemen; melksap soms aanwezig.Kruiden met okselstandige bloemen; vruchtbeginsel onderstandig; kelkslippen smal; bloemkroon een gekromde buis met zijdelings-symmetrische zoom; meeldraden 5, met de helmknoppen om den stijl vergroeid; helmdraden van onderen met de bloemkroon in een buis vergroeid. Vrucht een besCentropogon.280.Compositae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig of zygomorf; kelkbladeren zelden duidelijk ontwikkeld, meest in de plaats ervan haren of schubben, die een z.g. haarpluis vormen; bloemkroon vergroeidbladig, regelmatig of zygomorf, 2-lippig of lintvormig; meeldraden in de bloemkroonbuis vastgehecht; de helmdraden meest vrij, de helmknoppen samenhangend; vruchtbeginsel onderstandig, 1-hokkig met 1 zaadknop en 1 stijl met een zeer verschillend gevormde stempel; vrucht niet openspringend; kruiden of heesters, zelden boomen met verspreide, of tegenoverstaande bladeren, en met bloemen, die in hoofdjes of verkorte aren staan; de hoofdjes met een omwindsel van schutbladeren omgeven; melksap vaak aanwezig.1a.Bloemkroon van alle bloemen buisvormig, soms ongelijk van vorm (lange en korte buizen)21b.Bloemkroon van de middelste bloemen van het hoofdje buisvormig, van de randbloemen lintvormig, soms zeer klein en weinig opvallend212a.Vruchtpluis aanwezig, soms reeds aan de vrucht afgevallen, maar dan onder de bloem zichtbaar (Pacourina, Elephanthopus) soms zeer klein, bekervormig, of slechts uit weinig (tot 2) stekels bestaande32b.Vruchtpluis geheel afwezig173a.Hoofdjes samengesteld d. w. z. meerdere weinigbloemige hoofdjes, ieder met een eigen omwindsel, zijn vereenigd tot een groep van hoofdjes, die een gemeenschappelijk omwindsel hebben en op een gemeenschappelijke bloembodem staan43b.Hoofdjes niet samengesteld; indien er meerdere hoofdjes bij elkaar zitten, dan hebben ze geen gemeenschappelijk omwindsel en staan ze niet op een gemeenschappelijke bloembodem54a.Bladeren van onderen wit-viltig. Hoofdjes 1-bloemig, elk hoofdje in de oksel van 1 schutblad en omgeven door een 2-bladig omwindsel.Bloemkroon kort 4- (zelden 3-) spletig, wit. Vele hoofdjes vereenigd tot een okselstandige groep. Vruchtpluis bestaande uit een veeltandig kroontjeRolandra.4b.Bladeren van onderen niet wit-viltig. Hoofdjes 2–5-bloemig met een 8-bladig omwindsel in twee kransen. Hoofdjes vereenigd tot groepen, die weer in aren of trossen staanElephantopus.5a.Vruchtpluis uit talrijke haren of schubben bestaand65b.Vruchtpluis uit 2, 3 of 4 stekels bestaand166a.Hoofdjes klein, 4-bloemig, met een 4-bladig omwindsel, tot samengestelde trossen of aren vereenigd. Vruchtpluis uit 30–60 stekels bestaande in 1 rij. Bloemen wit; helmknoppen met een aanhangsel aan de basis. Bloembodem naakt, klein. Vrucht met 5 ribben. Meest windende heesters of kruidenMikania.6b.Hoofdjes met meer dan 4 bloemen en meer dan 4 omwindselbladeren77a.Hoofdjes tot 2½ c.M. breed, alleen aan den stengel zittend ten deele tegenover de bladeren met bolvormig omhulsel.Vruchten tot 1½ c.M. lang, met 10 ribben en zeer gemakkelijk afvallend haarpluis. Kruidachtige plant met groote bladerenPacourina.7b.Hoofdjes veel kleiner88a.Bloembodem met schubben98b.Bloembodem zonder schubben109a.Haarpluis klein, min of meer bekervormig vergroeid. Omwindsel 5-bladig. Vrucht slechts weinig hoekig. Hoofdjes met 6–12 bloemen; kruiden met tegenoverstaande bladerenEleutheranthera.9b.Haarpluis goed ontwikkeld, in 1–2 rijen. Omwindsel meerbladig, uit 3–4 rijen van dakpansgewijs over elkaar liggende blaadjes bestaande. Plant ruwharig met afwisselende bladerenNeurolaena.10a.Vruchtpluis uit 5–15 schubben bestaand. Hoofdjes veelbloemig. Omwindselbladeren alle ongeveer even groot, in vele rijen. Vrucht 5-hoekig. Bloemen rose-witAgeratum.10b.Vruchtpluis uit haren of stekels bestaand1111a.Omwindsel uit 5 (–8) groote smalle bladeren bestaand. Vruchtpluis stekelig met vele stekels in 1 of 2 rijen. Vrucht met talrijke ribben. Bladeren afwisselendPorophyllum.11b.Omwindsel uit meerdere blaadjes bestaande of soms uit weinig blaadjes bestaand, maar dan vruchtpluis zachtharig1212a.Vruchtpluis in meerdere rijen, verschillend van vorm; de buitenste rij korter dan de binnenste, meest borstelig; omwindselbladeren in meerdere rijen1312b.Vruchtpluis in 1 rij van gelijke haren of dicht zachtharig1413a.Helmknoppen aan den voet stomp; bloemen 20–80 per hoofdjeVernonia.13b.Helmknoppen met een aanhangsel aan den voet; bloemen 3–10 per hoofdjePiptocarpha.14a.Omwindselbladeren in meerdere rijen, verschillend van grootte3114b.Omwindselbladeren in één krans, soms met een krans van kleine blaadjes aan den voet. Vruchtpluis zachtharig. Bladeren afwisselend1515a.Hoofdjes met vrouwelijke lange buisvormige randbloemen en andersgevormde, doch ook buisvormige tweeslachtige schijfbloemen. Omwindsel uit smalle bladeren bestaand met kleine schubben aan den voetErechthites.15b.Alle bloemen gelijk van vorm en tweeslachtig; omwindsel zonder buitenschubjesEmilia.16a.Bloembodem kegelvormig of cylindervormig met gewelfde schubben. Hoofdjes langgesteeld met een kort omwindsel in 1 of 2 rijen. Vruchtpluis uit 2 stekels bestaande. Vrucht vlak. Kruiden met tegenoverstaande bladerenSpilanthes.16b.Bloembodem vlak, met schubben. Omwindsel uit 2 ongelijke rijen van blaadjes bestaande. Vruchtpluis 2–4 borstels die met kleine weerhaken bezet zijn. Vrucht min of meer 4-kantig. Kruiden met tegenoverstaande getande of gedeelde bladerenBidens.17a.Bladeren verspreid1817b.Bladeren tegenoverstaand1918a.Bladeren ingesneden. Bloemen in tot pluimen samengestelde trossen. Hoofdjes in 2 vormen op dezelfde plant; de vrouwelijke éénbloemig met één bloem zonder bloemkroon en een vergroeidbladig omwindsel dat de vrucht insluit en op de rugzijde 4–8 knobbels heeft; het mannelijke hoofdje veelbloemig, nooit vruchtdragend met een platte bloembodem; bloemen witAmbrosia.18b.Hoofdjes in groepen van 2–6 in de bladoksels zittend. Bladeren niet ingesneden. Hoofdjes 20–30-bloemig, alle bloemen gelijk van vorm, wit tot rood. Bloemkroon 3–4-deelig. Bloembodem zonder schubben. Omwindsel in meerdere rijen. Vrucht 3–4 hoekig, aan den top diep komvormigSparganophorus.19a.12–20 hoofdjes tot groepen vereenigd; elk hoofdje bestaande uit één vrouwelijke fertiele bloem met 4 tweeslachtige, steriele eromheen; de 5 bloemen omgeven door een 4-bladig omwindsel, waarvan de blaadjes paarsgewijs tegenover elkaar staan. Vrucht plat. Bloemen wit of roodachtigRiencourtia.19b.Hoofdjes niet tot groepen vereenigd2020a.Bloembodem vlak, zonder schubben. Bladeren breed. Hoofdjes in pluimen vereenigd. Bloemen wit, omwindsel klokvormig met weinig blaadjes. Hoofdjes veelbloemig, de buitenste rijen van vrouwelijke bloemen fertiel; de binnenste tweeslachtige bloemen sterielClibadium.Koenamie.20b.Bloembodem sterk convex tot kegelvormig met talrijke schubben. Bladeren smal. Hoofdjes kortgesteeld, weinige bijeen. Bloemen wit. Omwindselblaadjes weinig talrijk. Hoofdjes 20–30-bloemig; weinige van de buitenste bloemen fertiel, de rest sterielIchthyothere.Koenamie.21a.Vruchtpluis aanwezig, soms in den vorm van weinige, spoedig afvallende stekels of schubben2221b.Vruchtpluis geheel ontbrekend2922a.Vruchtpluis bestaande uit 2, 3 of 4 stekels2322b.Vruchtpluis uit haren, of schubben, of vele kleine stekeltjes bestaande2623a.Bladeren verspreid. Hoofdjes veelbloemig, die van de buitenste 1 of 2 rijen vrouwelijk en lintvormig, meest geel, de overige buisvormig; bloembodem met strooschubben. Omwindselblaadjes in 2–3 rijen. Vrucht plat en gevleugeld, met 2 stekelsVerbesina.23b.Bladeren tegenoverstaand2424a.Hoofdjes in de bladoksels zittend of bijna zittend, weinigbloemig,alle bloemen fertiel, de buitenste rij met lintvormige kroon, de binnenste rij met buisvormige kroon. Vruchten aan de lintbloemen plat en gevleugeld met lancetvormige schubben; die van de buisbloemen 3-hoekig met 2–3 stekels. Bloemen bleekgeelSynedrella.24b.Hoofdjes gesteeld, veelbloemig2525a.Bloembodem kegelvormig.Alle bloemen fertiel, die van de buitenste rij lintvormig, de binnenste buisvormig, geel of wit; vruchten van de lintbloemen meest 3-hoekig, die van de buisbloemen plat, met 2 spoedig afvallende stekels. Bladeren enkelvoudigSpilanthes.25b.Bloembodem vlak. Alle bloemen fertiel; de vruchten gelijk van vorm, een weinig vierkant met 2 tot 4 blijvende stekels aan den top, die met weerhakenbezetzijn. Bladeren meest samengesteld. Bloemen geelBidens.26a.Vruchtpluis uit lange haren bestaand, hoofdjes met vele bloemen, alle vruchtbaar, de buitenste klein, lintvormig, de binnenste buisvormig. Omwindselblaadjes in weinig rijen. Hoofdjes gesteeld, in trossen of pluimenErigeron.26b.Vruchtpluis bestaande uit kleine stekeltjes of uit schubben of uit een krans van vergroeide korte haartjes, die kleiner zijn dan de vrucht2727a.Bloemen geel; hoofdjes 6–12-bloemig, kortgesteeld, de lintbloemen onvruchtbaar, de buisbloemen fertiel. Omwindsel uit 5 blaadjes bestaand. Bloembodem met samengevouwen strooschubben. Kruidachtige plant met tegenoverstaande gesteelde bladeren. Vruchtpluis klein, eenigszins bekervormig vergroeidEleutheranthera.27b.Bloemen geel of oranje; hoofdjes veelbloemig, langgesteeld; omwindsel uit meerdere sterk vergroeide blaadjes bestaande. Planten met tegenoverstaande vindeelige bladeren. Vruchtpluis bestaande uit 5–6 ongelijke schubbenTagetes.Afrikanen.27c.Bloemen wit, hoofdjes gesteeld, veelbloemig2828a.Bladeren afwisselend dubbelvindeelig. Alleen de 5 buitenste bloemen lintvormig, fertiel met platte vruchtjes, die aan den top 3–4 kleine eironde schubjes dragen. Middelste bloemen buisvormigParthenium.28b.Bladeren tegenoverstaand niet ingesneden. Alle bloemen fertiel, de buitenste lint-, de binnenste buisvormig. Vruchten van de buitenste bloemen 3-hoekig, van de binnenste plat, aan den top met een korte kroon van stekeltjes. Bloembodem eenigszins bol met kleine afvallende schubben. Omwindselbladeren klokvormig in 2 rijenEclipta.Loso-wiwirie;Louisa-wiwirie.29a.Hoofdjes weinigbloemig; omwindselblaadjes in 2 rijen, die van de buitenste rij bladachtig, de binnenste rij gestekeld aan de buitenkant, de vruchtjes der lintbloemen geheel omsluitend, waardoor de vruchten gestekeld schijnen. De binnenste bloemen buisvormig,steriel. Vertakte kruiden met tegenoverstaande getande bladerenAcanthospermum.29b.Hoofdjes veelbloemig; omwindselblaadjes zonder stekels3030a.Hoofdjes klein, kortgesteeld of zittend. Omwindselblaadjes in 2 rijen, de buitenste rij bladachtig, de binnenste rij met de vruchtjes vergroeid. Lintbloemen alleen fertiel, de buisbloemen steriel. Vruchtjes eirond. Plant naar kamfer riekendMelampodium.Kamferbladeren.30b.Hoofdjes vrij groot, geel, gesteeld, de lintbloemen ongeslachtelijk, steriel, de buisbloemen fertiel met zwarte hoekige en kale vruchtjes. Bloembodem met strooschubben. Omwindsel uit 2 rijen van korte blaadjes bestaande. Groote rechtopstaande planten met ruwe bladerenWulffia.31a.Alle bloemen in hetzelfde hoofdje gelijk van vorm3231b.De buitenste bloemen in het hoofdje zeer dun, bijna draadvormig, vrouwelijk, de binnenste uit een wijdere buis bestaande, tweeslachtig; alle of bijna alle fertiel. Omwindsel klokvormig, met zeer smalle blaadjes, de buitenste geleidelijk korter wordend. Hoofdjes niet talrijk, in een bijschermConyza.32a.Planten geheel tweehuizig, d. w. z. de eene plant heeft alleen hoofdjes met zeer dunne, bijna draadvormige, vrouwelijke buisbloemen, de andere plant alleen hoofdjes met mannelijke bloemen, waarvan de bloemkroon een wijdere buis is. Vruchten met 10 ribben. Planten met verspreide bladerenBaccharis.32b.Alle bloemen tweeslachtig en fertiel. Vruchtpluis langer dan de vrucht, in 1 rij staande. Omwindselbladeren in meerdere rijen, verschillend van vorm. Vrucht 5-hoekig.Hoofdjes 5–100-bloemig. Bladeren, vooral de onderste, bijna steeds tegenoverstaandEupatorium.

Orde:Plantaginales.269.Plantaginaceae.Bloemen 4-tallig; tweeslachtig, of éénslachtig, regelmatig; kelkbladeren 4; bloemkroon 4-spletig; meeldraden 4 met de kroon vergroeid; vruchtbeginsel 1–4-hokkig met 1 tot weinige zaadknoppen; vrucht een met een deksel openspringende doosvrucht of een noot; meest kruiden, met verspreide, zelden tegenoverstaande bladeren; bloemen in aren.Bloemen in aren; kelk 4-deelig; bloemkroon met 4 slippen, klein, vliezig, bruinachtig. Meeldraden 4, met lange helmdraden; stijl lang; vrucht met een deksel openspringend; bladeren in een wortelrosetPlantago.Orde:Rubiales.270.Rubiaceae.Bloemen 4- of 5-, zelden meertallig met een onderstandig vruchtbeginsel dat meest evenveel, zelden minder hokjes heeft als bloemkroonslippen; tweeslachtig, zelden éénslachtig, regelmatig, zelden min of meer zygomorf; kelk meest open; bloemkroonslippen in de knop met de randen over elkaar liggend of tegen elkaar liggend of gedraaid; hokjes van het vruchtbeginsel met 1 tot talrijke zaadknoppen; stijl 1, met een meest onvertakte stempel; vrucht zeer verschillend; kruiden of houtige planten met kruisgewijs tegenoverstaande bladeren en steunbladeren, die soms zeer groot zijn.1a.Vruchtbeginsel met slechts 1 zaadknop in ieder hokje21b.Vruchtbeginsel met 2 tot meer zaadknoppen in ieder hokje212a.Bloemkroonslippen in den knop gedraaid of met de randen over elkaar liggend32b.Bloemkroonslippen in den knop met de randen tegen elkaar liggend53a.Bloemen in okselstandige één- of tweemaal vorksgewijs gedeelde bloeiwijzen, waarvan de takken aarvormig zijn en eenzijdig bloemen dragen. Kelk afvallend na de bloei. Bloemkroon met lange buis. Meeldraden in de bloemkroon ingesloten. Vruchtbeginsel 4–9-hokkigGuettarda.3b.Bloemen in okselstandige of eindstandige schermen of aren. Meeldraden buiten de buis uitstekend; vruchtbeginsel 2-hokkig44a.Bloemen in groepen in de bladoksels gezeten, 5- of meertalligCoffea.4b.Bloemen in een eindelingsche pluim of scherm, 4-talligIxora.Faja-lobbie.5a.Kleine kruiden of heesters met zeer kleine bloemen die in groepen in de bladoksels zitten of in kleine hoofdjes aan het eind van den stengel en rondom den stengel zitten. Bladeren steeds klein, (hoogstens eenige c.M.lang).Steunbladeren tot een scheede vergroeid, die aan den rand met lange tanden of haren bezet is. Vrucht een tweezadige doosvrucht of in 2 stukken uiteenvallend65b.Groote heesters of boomen met groote of vrij groote bladeren en groote bloemen. Vrucht 1-zadig, of indien zij meerzadig is, dan niet openspringend116a.Doosvrucht met een deksel openspringend76b.Doosvrucht 2-hokkig, met 2 kleppen openspringend of in 2 stukken uiteenvallend87a.Doosvrucht 3-hokkig. Kelkslippen 2, vrij of aan de basis vergroeid. Helmknoppen behaard. Bloemen in hoofdjes met vliezige schutbladeren stijf behaardPerama.7b.Doosvrucht 2-hokkig. Kelkslippen 4, ongelijk. Hoofdjes met droogvliezige bloemsteelblaadjes. Habitus als de vorigeMitracarpus.8a.Doosvrucht in 2 stukken uiteenvallend98b.Doosvrucht met kleppen openspringend109a.Stukken van de doosvrucht gesloten blijvend. Kelkslippen 2 of 4 aan de basis vergroeid. Bloemkroon trechtervormig, 4-lobbig. Bloemen in okselstandige schijnkransen. Bladeren smal, meest ruwDiodia.9b.Stukken van de doosvrucht aan de binnenzijde geopend. Kelkslippen 4, aan de basis hoog vergroeid. Overigens als de vorigeHemidiodia.10a.Een van de beide kleppen van de doosvrucht laat van het middenschot los, de andere blijft gesloten. Kelkslippen 4, aan de basis verbonden. Meeldraden beneden in de buis van de bloemkroon ingehechtSpermacoce.10b.Beide kleppen van de doosvrucht laten van het middenschot los en springen open. Kelkslippen 2 of 4, meer of minder met elkaar vergroeid. Meeldraden meest boven in de buis ingehecht. Habitus als DiodiaBorreria.11a.Vruchtbeginsel bovenstandig. Kelk 4–5-tandig of 4–5-lobbig. Bloemkroon stervormig, van binnen behaard. Meeldraden bovenin de buis vastgehecht. Stijl 2-deelig. Boomen en heesters met leerachtige bladeren, met zeer stijl opgerichte zijnerven. Bloemen dicht bij elkaar zittend, in groepenPagamea.11b.Vruchtbeginsel onderstandig1212a.Heesters met dorens. Bloemkroon en kelk 5-tallig, de bloemkroonbuis zeer lang, van buiten behaard met lange en spitse slippen. Bloemen in korte trossen; bladeren meest groepsgewijs bijeenzittend aan korte takkenAnisomeris.12b.Planten zonder dorens1313a.Bloeiwijzen dichtgedrongen, bloemen in hoofdjes, omgeven door talrijke groote of kleine schutbladeren1413b.Bloeiwijzen niet hoofdjes-vormig, zonder groote schutbladeren1514a.Kleine en teere, op den bodem kruipende kruiden met langgesteelde hart- of niervormige bladeren. Kelk kort, 4–7-tandig, blijvend. Bloemkroon buis- tot trechtervormig met behaarde mond. Meeldraden 4–7, in de buis ingehecht. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Zaden aan de buikzijde vlak, zonder groefGeophila.14b.Krachtige meest rechtopstaande heesterachtige kruiden of heesters. Bloemen als de vorige, doch vruchtbeginsel soms 3–4-hokkig. Bladeren niet hart- of niervormig. Zaden aan de buikzijde met een diepe groefUragoga.14c.Bloemen in dichte bolvormige hoofdjes, met de vruchtbeginsels vergroeid; elk vruchtbeginsel 4-hokkig. Kelk bekervormig, nauwelijks getand. Vrucht tot een vleezige verzamelvrucht vereenigd met meerdere pitten die soms in groepen van 4 bij elkaar zitten. Boomen of heesters met meest kruisgewijs tegenoverstaande bladerenMorinda.15a.Zaden in de vrucht met het worteltje naar boven gericht. Zaadknoppen boven in de hokjes van het vruchtbeginsel bevestigd, hangend. Kelk zeer kort, 4-tandig of 4-lobbig, blijvend. Bloemkroontrechtervormigof stervormig met korte buis, in de mond en van binnen op de slippen dicht behaard. Helmknoppen uit de buis uitstekend. Vruchtbeginsel 2-hokkig; stijl kort 2-spletig. Klimmende heesters met leerachtige bladeren. Bloemen klein, in pluimen met tegenoverstaande takkenMalanea.15b.Zaden met het worteltje naar beneden. Zaadknoppen onder in het vruchtbeginsel ingehecht, rechtopstaand1616a.Vruchtbeginsel 1-hokkig of 2-hokkig, maar dan is het tusschenschot zeer dun, in ieder geval veel dunner dan de wand van het vruchtbeginsel1716b.Vruchtbeginsel 2- (zelden meer-)hokkig; tusschenschot even dik als de wand van het vruchtbeginsel1817a.Tusschenschot dun, na den bloei verdwijnend. Zaad loodrecht in de vrucht staande met den kiem op den bodem. Kelk min of meer bekervormig, zonder lobben of kort 4-lobbig. Bloemkroon trechtervormig, van binnen kaal. Boomen of heestersCoussarea.17b.Tusschenschot geheel ontbrekend. Zaad in de vrucht liggend, van onderen uitgehold met zijdelingschen kiem. Overigens als de vorigeFaramea.18a.Zaad aan de buikzijde vlak, ongegroefd. Kelk kort-5-tandig. Bloemkroon trechtervormig, met vaak naar binnen gebogen ofmet een klein hoorntje voorziene slippen, van binnen behaard. Vruchtbeginsel 2-, zelden meerhokkig. Vrucht een 2–5-hokkige steenvrucht. Boomen of heestersMapouria.18b.Zaad aan de buikzijde met een groef1919a.Bloemkroon gekromd, buis- of trechtervormig, aan één zijde meest met een kleine knobbel. Kelk beker- of klokvormig, 5-lobbig of met gave zoom. Vrucht met 2 (soms 3–5) pitten. HeestersPalicourea.19b.Bloemkroonbuis recht2020a.Zaden aan de kanten ingerold en van binnen met een dwarse uitholling. Kelkbladeren 4–5, in verschillende hoogte vergroeid. Bloemkroonbuis meest kort, in de mond behaard, de slippen vaak aan den top naar binnen gebogen en met een hoorntje voorzien. Vrucht met 2 pitten. Heesters of boomenRudgea.20b.Zaden zonder plooien in het kiemwit. Kelk kort, meest 5-tandig. Bloemkroonbuis van zeer verschillende lengte. Vrucht met 2 (zelden 3–5) pitten. Boomen of heestersPsychotria.21a.Vrucht een doosvrucht2221b.Vrucht een bes2622a.Bloemen in bolvormige hoofdjes, aan het eind van lange steelen, te zamen tot een bloeiwijze vereenigd. Planten klimmend door middel van haken, die in de bladoksels staanUncaria.(Ourouparia).22b.Bloemen niet in dergelijke hoofdjes. Planten niet met haken klimmend2323a.Kruidachtige klimplanten. Kelkslippen 4–8, blijvend, soms bladachtig. Bloemkroon meest vuurrood. Doosvrucht met 2 kleppen openspringend met talrijke gevleugelde zadenManettia.23b.Planten niet klimmend2424a.Bloemen zeer groot, meer dan 4 c.M. lang, 6-tallig; alleenstaand. Epiphyten met groote doosvruchten; zaden gevleugeldHillia.24b.Bloemen veel kleiner, hoogstens 1 c.M. groot, niet 6-tallig. Planten niet epiphytisch levend2525a.Kleine kruiden met kleine korte witte bloemen. Kelk 4-tandig blijvend. Bloemen gesteeld in groepen of kleine bloeiwijzen in de bladoksels. DoosvruchtOldenlandia.25b.Kruiden met een vrij lange buisvormige en 5-tallige bloemkroon. Kelk met 5 slippen. Bloemen vaak in dichte groepen staandSipanea.26a.Slippen van den bloemkroon met de randen tegen elkaar liggend2726b.Slippen van den bloemkroon met de randen over elkaar liggend3027a.Bloeiwijzen aan het eind van den stengel2827b.Bloeiwijzen in de bladoksels2928a.Bloeiwijzen een pluim, min of meer gedrongen. Kelk kort, blijvend. Bloemkroon buisvormig, soms zeer lang, met korte zoom, in de keel dicht behaard, 4–6-tallig. Bessen met 4–6 pitten. Heesters of boomen, met meest behaarde bladerenIsertia.28b.Bloeiwijze verlengd tot een losse aar. Kelk bekervormig. Bloemkroon trechter- of schotelvormig, van boven meest verwijd. Vruchtbeginsel 2–4-hokkig. Bes bolvormig met 2–4 meerzadige pitten, vaak maar weinig vleezigGonzalagunia.29a.Kleine kruipende kruiden. Kelkslippen 4 (zelden 5) bijna tot aan de basis vrij,blijvend. Bloemkroon trechtervormig, in den keelbehaard. Vruchtbeginsel 2-hokkig, stijl 2-spletig. Vrucht bolvormig. Bloemen dicht gedrongen aan het eind van de steelCoccocypselum.29b.Klimmende forsche kruiden met dichte beharing. Kelkslippen 4–5, nogal breed en groot. Vruchtbeginsel 3–5-hokkig; stijl 3–5-spletigSabicea.30a.Bloemkroon met een opvallend lange buis, van 5 tot 25 c.M.; bloemen tweeslachtig3130b.Bloemen klein, hoogstens 2 c.M. groot; bloemen meest éénslachtig3431a.Bloemknoppen scheef ten opzichte van de buis, daardoor de bloem een weinig zijdelings-symmetrisch. Kelk 5-tandig, van binnen met klieren. Helmknoppen buiten de buis uitstekend. Vruchten eirond met leerachtige schil, van binnen sappigPosoqueria.31b.Bloemen geheel regelmatig3232a.Bloemen alleenstaand en eindelingsch3332b.Bloemen in veelbloemige bijschermen. Kelk klein, bekervormig, 5-tandig, blijvend. Bloemkroonbuis zeer lang. Meeldraden weinig uit de buis uitstekend. Stijl even lang als de buisTocoyena.33a.Vruchtbeginsel 1-hokkig; kelkslippen meestal 5, spits en smal, aan den voet verbonden. Kroon 2–3 maal zoo groot als de kelk met 5–6, een weinig scheeve slippen. Meeldraden aan den mond van de buis ingehecht. Vrucht lang en dunGardenia.33b.Vruchtbeginsel 2-hokkig. Overigens als de vorige, doch de kroonslippen kleiner ten opzichte van de lengte van de buis en de vrucht eirondRandia.34a.Bloemen tweeslachtig3534b.Bloemen eenslachtig3735a.Bloeiwijze dicht bij den top der stengels maar toch duidelijk zijdelings staande; kelk bekervormig met zeer kleine tanden. Bloemkroon van buiten en van binnen behaard, leerachtig. Stijl lang, toegespitst. Vrucht eirond, van buiten leerachtig, van binnen sappigGenipa.Tapoeripa.35b.Bloeiwijze een tros of pluim, duidelijk eindstandig3636a.Kelk met zeer kleine tanden. Bloemkroon met groote, meest teruggeslagen slippen. Helmknoppen aan den voet verbreed. Vruchtbeginsel 5-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje. Stijl aan den top kort 5-lobbig. Vrucht met 5 eenzadige pitten. Bloemen in lange of korte trossenRetiniphyllum.36b.Kelk bekervormig 5-tandig. Bloemkroonslippen spits en smal. Vruchtbeginsel 2-hokkig; stijl aan den top 2-spletig. Vrucht met 10 ribben. Bloemen in een pluim, witBertiera.37a.Steunbladeren spits. Kelk met korte tanden. Bloemkroon van buiten slechts weinig behaard. Meeldraden in de buis ingesloten. Vruchtbeginsel 2–5-hokkig; stijl met 2–5 takken. Vrucht een besAlibertia.37b.Steunbladeren reeds vroeg afvallend zoodat er slechts een smalle rand overblijft3838a.Mannelijke en vrouwelijke bloemen in bijschermen.Bloemen 6- tot meertallig. Bloemkroonbuis van buiten dun behaard. Meeldraden in de ♀ bloem zonder stuifmeel, in de buis ingesloten. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Vrucht een eetbare besAmajoua.Marmeldoos.38b.Mannelijke bloemen in bijschermen, vrouwelijke alleenstaand of 2 aan 2. Bloemen als de vorige doch de buis van buiten met lange haren bedekt. Vrucht eetbaarDuroia,Bosch-marmeldoos.271.Caprifoliaceae.Bloemen meest 5-tallig, met vergroeide bloemkroon. Vruchtbeginsel onderstandig, 2–5-hokkig met 1 tot meer zaadknoppen in ieder hokje. Stijlen één of meer. Vrucht een bes of een steenvrucht. Bladeren meest tegenoverstaand.Boomen of heesters met vindeelige tot gevinde bladeren. Bloemen in enkelvoudige tot samengestelde schermen. Bloemkroon wit, stervormig. Vrucht een steenvruchtSambucus.Vlier.Orde:Campanulatae.275.Cucurbitaceae.Bloemen 5-tallig, zelden tweeslachtig, meest éénslachtig, regelmatig; bloemas bekervormig, kelk vergroeidbladig; bloembladeren 5; meeldraden 5, op de rand van de bloemas ingehecht, twee aan twee met elkaar verbonden of alle 5 tot één centrale groep vereenigd; vruchtbeginsel onderstandig, meest 3-hokkig, meest met 2 zaadlijsten in ieder hokje met vele zaadknoppen; stijl 1, met 3 takken; meest kruiden, die met ranken klimmen, met verspreide, enkelvoudige of gelobde bladeren.1a.Mannelijke bloemen voorhanden, of (in de 1-huizige soorten) ook ♀ bloemen21b.Alleen vrouwelijke bloemen en vruchten voorhanden (tweehuizige soorten)132a.Meeldraden 232b.Meeldraden 353a.Meeldraden in den mond van de kelkbuis ingehecht. Bloemen in trossen.Kelkbuis lang en dun met 5 kleine teruggeslagen tanden. Kroon 5-deelig. Rudiment van het vruchtbeginsel dun en draadvormigHelmontia.3b.Meeldraden op de wand van de kelkbuis ingehecht44a.Kelk groen, met eenkorte5-tandige zoom. Bloembladeren breed, vliezig, rond of eirond, rood, aan de basis sterk versmald. Bloemen in korte dichte trossen aan het eind van een lange steel. Rudiment van een vruchtbeginsel ontbrekendAnguria.4b.Kelk rood of oranje gekleurd met groote 5-deelige zoom. Bloembladeren klein, meest smal, bleekgeel, niet aan den basis plotseling versmald. Overigens als de vorigeGurania.5a.Helmknoppen recht of een weinig gebogen, niet gewonden. Planten eenhuizig. Bloemen in trossen of pluimen. Kelk klokvormig met 5 korte tanden; bloemkroon diep 5-deelig. Rudimentair vruchtbeginsel aanwezig; vrouwelijke bloemen alleenstaand, meest langgesteeld, met 3staminodiën. Vruchtbeginsel rond of langwerpig. Stijl aan den basis met een ringvormige schijf, met 3 stempels. Vrucht een kleine eironde of lange besMelothria.5b.Helmknoppen gewonden of saamgevouwen66a.Kroon stervormig tot dicht bij de basis (d. i. bij de kelkslippen) 5-deelig of 5-bladig76b.Kroon klokvormig, hoogstens tot aan het midden 5-lobbig127a.Helmdraden tot een zuil vergroeid, die van boven de 3 sterkgewonden helmknoppen draagt. Bloemen in trossen. Kelk met een klokvormige buis en 5 smalle tanden, kroon wit, diep 5-deelig. Vrouwelijke bloemen alleenstaand of 2 aan 2 met een langwerpig, sterk gestekeld vruchtbeginsel; stijl kort met knopvormige stempel. Vrucht gestekeld aan den top met 2 gaten openspringendEchinocystis.7b.Helmdraden niet tot een zuil vergroeid88a.Bladsteelen van boven met 2 klieren. Bloemen wit, steeds alleenstaand. Kelk klokvormig met 5 smalle en kleine slippen. Bloembladen 5, vrij. Meeldraden 3, in de kelkbuis ingehecht. Eén van de helmknoppen éénhokkig, de beide andere 2-hokkig. Vrouwelijke bloemen met een korte stijl en drie 2-lobbige stempels. Vrucht van buiten houtigLagenaria.Flesch-kalebas.8b.Bladsteelen zonder klier bij de bladvoet. Bloemen geel99a.Helmknoppen vrij, aan den top met een bladachtig aanhangsel. ♂ bloemen in trossen, zelden alleenstaand. Kroon 5-deelig. Helmdraden zeer kort. Vrouwelijke bloemen alleenstaand met 3 staminodiën. Stijl 1, kort met 3–5 stompe stempels. Vrucht zeer verschillend van vormCucumis.9b.Helmknoppen niet met een bladachtig aanhangsel aan den top1010a.Kelk van binnen met 2 of 3 langwerpige en gebogen schubben. Mannelijke bloemen alleenstaand met een lange bloemsteel, kelkslippen eirond tot lancetvormig; kroon een weinig onregelmatig. Vrouwelijke bloemen alleenstaand op een lange steel; vruchtbeginsel langwerpig gestekeld, vrucht met knobbelsMomordica.10b.Kelk van binnen zonder schubben1111a.Mannelijke bloemen in trossen. Bloembladeren 5, vrij, eirond of een weinig hartvormig. Meeldraden 3, soms 4 of 5, onder in de kelkbuis ingehecht. Vrouwelijke bloemen alleenstaand met 3 (soms 4 of 5) staminodiën. Vruchtbeginsel lang en gegroefd of cylindrisch. Stijl met drie 2-lobbige stempels. Vrucht bij rijpheid droog, van binnen vezelig, met een deksel openspringendLuffa.11b.Mannelijke bloemen alleenstaand, zelden groepsgewijs bij elkaar, kortgesteeld. Kelkbuis wijd-klokvormig met 5 smalle slippen. Kroon diep 5-deelig met stompe slippen. Vrouwelijke bloemen kortgesteeld met 3 korte staminodiën. Stijl met drie kort-2-lobbige stempels. Vrucht sappig, niet openspringendCitrullus.Watermeloen.12a.Bloemen geel of oranje, de mannelijke alleenzittend of in groepen. Kelk klokvormig met 5 (4–7) lobben. Bloemkroon tot aan het midden 5- (4–7-) lobbig met teruggeslagen slippen. Helmdraden onder in de kelkbuis ingehecht; helmknoppen samengekleefd. Vrouwelijke bloemen alleenstaand kortgesteeld met 3 korte staminodiën; stijl kort met 3–5 tweelobbige of 2-spletige stempels. Vrucht vleezig of vezelig niet openspringend, vele zadenCucurbita.12b.Bloemen wit of groenachtig; de mannelijke alleenstaand of in trossen of groepen. Helmdraden in de kelkbuis ingehecht, de helmknoppen maar weinig saamgekleefd. Vrouwelijke bloemen alleenstaand of in groepen; staminodiën 3, zeer klein, draadvormig. Stijl 3-spletig; schijf ringvormig. Vrucht rond of eirond niet openspringend met 6–12 zadenCayaponia.13a.♀ bloemen alleenstaand of 2 of 3 bij elkaar. Kelkbuis lang, groen met 5 tanden. Bloembladeren grooter dan de kelktanden, meestvuurrood of oranjerood. Staminodiën 2. Vruchtbeginsel langwerpig. Stijl draadvormig, 2-spletig; stempels 2, 2-lobbigAnguria.13b.♀ bloemen alleenstaand, in groepen of dicht gedrongen aan het eind van een lange steel. Kelk rood of oranje gekleurd, met vrij groote slippen. Bloembladeren bleekgeel, kleiner dan de kelkslippen. Staminodiën ontbrekend; overigens als de vorigeGurania.N. B. Van Helmontia, die ook 2-huizig is, zijn tot nu toe geen vrouwelijke bloemen bekend.276.Campanulaceae.Bloemen meest 5-tallig, zelden 6–10- of 3–4-tallig, meest tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemkroon meest vergroeidbladig; meeldraden meest 5 met vergroeide helmknoppen; vruchtbeginsel onderstandig, 2–5-hokkig met vele zaadknoppen; stijl 1; vrucht een doosvrucht, zelden een bes; kruiden, zelden houtige planten meest met verspreide bladeren en vrij groote bloemen; melksap soms aanwezig.Kruiden met okselstandige bloemen; vruchtbeginsel onderstandig; kelkslippen smal; bloemkroon een gekromde buis met zijdelings-symmetrische zoom; meeldraden 5, met de helmknoppen om den stijl vergroeid; helmdraden van onderen met de bloemkroon in een buis vergroeid. Vrucht een besCentropogon.280.Compositae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig of zygomorf; kelkbladeren zelden duidelijk ontwikkeld, meest in de plaats ervan haren of schubben, die een z.g. haarpluis vormen; bloemkroon vergroeidbladig, regelmatig of zygomorf, 2-lippig of lintvormig; meeldraden in de bloemkroonbuis vastgehecht; de helmdraden meest vrij, de helmknoppen samenhangend; vruchtbeginsel onderstandig, 1-hokkig met 1 zaadknop en 1 stijl met een zeer verschillend gevormde stempel; vrucht niet openspringend; kruiden of heesters, zelden boomen met verspreide, of tegenoverstaande bladeren, en met bloemen, die in hoofdjes of verkorte aren staan; de hoofdjes met een omwindsel van schutbladeren omgeven; melksap vaak aanwezig.1a.Bloemkroon van alle bloemen buisvormig, soms ongelijk van vorm (lange en korte buizen)21b.Bloemkroon van de middelste bloemen van het hoofdje buisvormig, van de randbloemen lintvormig, soms zeer klein en weinig opvallend212a.Vruchtpluis aanwezig, soms reeds aan de vrucht afgevallen, maar dan onder de bloem zichtbaar (Pacourina, Elephanthopus) soms zeer klein, bekervormig, of slechts uit weinig (tot 2) stekels bestaande32b.Vruchtpluis geheel afwezig173a.Hoofdjes samengesteld d. w. z. meerdere weinigbloemige hoofdjes, ieder met een eigen omwindsel, zijn vereenigd tot een groep van hoofdjes, die een gemeenschappelijk omwindsel hebben en op een gemeenschappelijke bloembodem staan43b.Hoofdjes niet samengesteld; indien er meerdere hoofdjes bij elkaar zitten, dan hebben ze geen gemeenschappelijk omwindsel en staan ze niet op een gemeenschappelijke bloembodem54a.Bladeren van onderen wit-viltig. Hoofdjes 1-bloemig, elk hoofdje in de oksel van 1 schutblad en omgeven door een 2-bladig omwindsel.Bloemkroon kort 4- (zelden 3-) spletig, wit. Vele hoofdjes vereenigd tot een okselstandige groep. Vruchtpluis bestaande uit een veeltandig kroontjeRolandra.4b.Bladeren van onderen niet wit-viltig. Hoofdjes 2–5-bloemig met een 8-bladig omwindsel in twee kransen. Hoofdjes vereenigd tot groepen, die weer in aren of trossen staanElephantopus.5a.Vruchtpluis uit talrijke haren of schubben bestaand65b.Vruchtpluis uit 2, 3 of 4 stekels bestaand166a.Hoofdjes klein, 4-bloemig, met een 4-bladig omwindsel, tot samengestelde trossen of aren vereenigd. Vruchtpluis uit 30–60 stekels bestaande in 1 rij. Bloemen wit; helmknoppen met een aanhangsel aan de basis. Bloembodem naakt, klein. Vrucht met 5 ribben. Meest windende heesters of kruidenMikania.6b.Hoofdjes met meer dan 4 bloemen en meer dan 4 omwindselbladeren77a.Hoofdjes tot 2½ c.M. breed, alleen aan den stengel zittend ten deele tegenover de bladeren met bolvormig omhulsel.Vruchten tot 1½ c.M. lang, met 10 ribben en zeer gemakkelijk afvallend haarpluis. Kruidachtige plant met groote bladerenPacourina.7b.Hoofdjes veel kleiner88a.Bloembodem met schubben98b.Bloembodem zonder schubben109a.Haarpluis klein, min of meer bekervormig vergroeid. Omwindsel 5-bladig. Vrucht slechts weinig hoekig. Hoofdjes met 6–12 bloemen; kruiden met tegenoverstaande bladerenEleutheranthera.9b.Haarpluis goed ontwikkeld, in 1–2 rijen. Omwindsel meerbladig, uit 3–4 rijen van dakpansgewijs over elkaar liggende blaadjes bestaande. Plant ruwharig met afwisselende bladerenNeurolaena.10a.Vruchtpluis uit 5–15 schubben bestaand. Hoofdjes veelbloemig. Omwindselbladeren alle ongeveer even groot, in vele rijen. Vrucht 5-hoekig. Bloemen rose-witAgeratum.10b.Vruchtpluis uit haren of stekels bestaand1111a.Omwindsel uit 5 (–8) groote smalle bladeren bestaand. Vruchtpluis stekelig met vele stekels in 1 of 2 rijen. Vrucht met talrijke ribben. Bladeren afwisselendPorophyllum.11b.Omwindsel uit meerdere blaadjes bestaande of soms uit weinig blaadjes bestaand, maar dan vruchtpluis zachtharig1212a.Vruchtpluis in meerdere rijen, verschillend van vorm; de buitenste rij korter dan de binnenste, meest borstelig; omwindselbladeren in meerdere rijen1312b.Vruchtpluis in 1 rij van gelijke haren of dicht zachtharig1413a.Helmknoppen aan den voet stomp; bloemen 20–80 per hoofdjeVernonia.13b.Helmknoppen met een aanhangsel aan den voet; bloemen 3–10 per hoofdjePiptocarpha.14a.Omwindselbladeren in meerdere rijen, verschillend van grootte3114b.Omwindselbladeren in één krans, soms met een krans van kleine blaadjes aan den voet. Vruchtpluis zachtharig. Bladeren afwisselend1515a.Hoofdjes met vrouwelijke lange buisvormige randbloemen en andersgevormde, doch ook buisvormige tweeslachtige schijfbloemen. Omwindsel uit smalle bladeren bestaand met kleine schubben aan den voetErechthites.15b.Alle bloemen gelijk van vorm en tweeslachtig; omwindsel zonder buitenschubjesEmilia.16a.Bloembodem kegelvormig of cylindervormig met gewelfde schubben. Hoofdjes langgesteeld met een kort omwindsel in 1 of 2 rijen. Vruchtpluis uit 2 stekels bestaande. Vrucht vlak. Kruiden met tegenoverstaande bladerenSpilanthes.16b.Bloembodem vlak, met schubben. Omwindsel uit 2 ongelijke rijen van blaadjes bestaande. Vruchtpluis 2–4 borstels die met kleine weerhaken bezet zijn. Vrucht min of meer 4-kantig. Kruiden met tegenoverstaande getande of gedeelde bladerenBidens.17a.Bladeren verspreid1817b.Bladeren tegenoverstaand1918a.Bladeren ingesneden. Bloemen in tot pluimen samengestelde trossen. Hoofdjes in 2 vormen op dezelfde plant; de vrouwelijke éénbloemig met één bloem zonder bloemkroon en een vergroeidbladig omwindsel dat de vrucht insluit en op de rugzijde 4–8 knobbels heeft; het mannelijke hoofdje veelbloemig, nooit vruchtdragend met een platte bloembodem; bloemen witAmbrosia.18b.Hoofdjes in groepen van 2–6 in de bladoksels zittend. Bladeren niet ingesneden. Hoofdjes 20–30-bloemig, alle bloemen gelijk van vorm, wit tot rood. Bloemkroon 3–4-deelig. Bloembodem zonder schubben. Omwindsel in meerdere rijen. Vrucht 3–4 hoekig, aan den top diep komvormigSparganophorus.19a.12–20 hoofdjes tot groepen vereenigd; elk hoofdje bestaande uit één vrouwelijke fertiele bloem met 4 tweeslachtige, steriele eromheen; de 5 bloemen omgeven door een 4-bladig omwindsel, waarvan de blaadjes paarsgewijs tegenover elkaar staan. Vrucht plat. Bloemen wit of roodachtigRiencourtia.19b.Hoofdjes niet tot groepen vereenigd2020a.Bloembodem vlak, zonder schubben. Bladeren breed. Hoofdjes in pluimen vereenigd. Bloemen wit, omwindsel klokvormig met weinig blaadjes. Hoofdjes veelbloemig, de buitenste rijen van vrouwelijke bloemen fertiel; de binnenste tweeslachtige bloemen sterielClibadium.Koenamie.20b.Bloembodem sterk convex tot kegelvormig met talrijke schubben. Bladeren smal. Hoofdjes kortgesteeld, weinige bijeen. Bloemen wit. Omwindselblaadjes weinig talrijk. Hoofdjes 20–30-bloemig; weinige van de buitenste bloemen fertiel, de rest sterielIchthyothere.Koenamie.21a.Vruchtpluis aanwezig, soms in den vorm van weinige, spoedig afvallende stekels of schubben2221b.Vruchtpluis geheel ontbrekend2922a.Vruchtpluis bestaande uit 2, 3 of 4 stekels2322b.Vruchtpluis uit haren, of schubben, of vele kleine stekeltjes bestaande2623a.Bladeren verspreid. Hoofdjes veelbloemig, die van de buitenste 1 of 2 rijen vrouwelijk en lintvormig, meest geel, de overige buisvormig; bloembodem met strooschubben. Omwindselblaadjes in 2–3 rijen. Vrucht plat en gevleugeld, met 2 stekelsVerbesina.23b.Bladeren tegenoverstaand2424a.Hoofdjes in de bladoksels zittend of bijna zittend, weinigbloemig,alle bloemen fertiel, de buitenste rij met lintvormige kroon, de binnenste rij met buisvormige kroon. Vruchten aan de lintbloemen plat en gevleugeld met lancetvormige schubben; die van de buisbloemen 3-hoekig met 2–3 stekels. Bloemen bleekgeelSynedrella.24b.Hoofdjes gesteeld, veelbloemig2525a.Bloembodem kegelvormig.Alle bloemen fertiel, die van de buitenste rij lintvormig, de binnenste buisvormig, geel of wit; vruchten van de lintbloemen meest 3-hoekig, die van de buisbloemen plat, met 2 spoedig afvallende stekels. Bladeren enkelvoudigSpilanthes.25b.Bloembodem vlak. Alle bloemen fertiel; de vruchten gelijk van vorm, een weinig vierkant met 2 tot 4 blijvende stekels aan den top, die met weerhakenbezetzijn. Bladeren meest samengesteld. Bloemen geelBidens.26a.Vruchtpluis uit lange haren bestaand, hoofdjes met vele bloemen, alle vruchtbaar, de buitenste klein, lintvormig, de binnenste buisvormig. Omwindselblaadjes in weinig rijen. Hoofdjes gesteeld, in trossen of pluimenErigeron.26b.Vruchtpluis bestaande uit kleine stekeltjes of uit schubben of uit een krans van vergroeide korte haartjes, die kleiner zijn dan de vrucht2727a.Bloemen geel; hoofdjes 6–12-bloemig, kortgesteeld, de lintbloemen onvruchtbaar, de buisbloemen fertiel. Omwindsel uit 5 blaadjes bestaand. Bloembodem met samengevouwen strooschubben. Kruidachtige plant met tegenoverstaande gesteelde bladeren. Vruchtpluis klein, eenigszins bekervormig vergroeidEleutheranthera.27b.Bloemen geel of oranje; hoofdjes veelbloemig, langgesteeld; omwindsel uit meerdere sterk vergroeide blaadjes bestaande. Planten met tegenoverstaande vindeelige bladeren. Vruchtpluis bestaande uit 5–6 ongelijke schubbenTagetes.Afrikanen.27c.Bloemen wit, hoofdjes gesteeld, veelbloemig2828a.Bladeren afwisselend dubbelvindeelig. Alleen de 5 buitenste bloemen lintvormig, fertiel met platte vruchtjes, die aan den top 3–4 kleine eironde schubjes dragen. Middelste bloemen buisvormigParthenium.28b.Bladeren tegenoverstaand niet ingesneden. Alle bloemen fertiel, de buitenste lint-, de binnenste buisvormig. Vruchten van de buitenste bloemen 3-hoekig, van de binnenste plat, aan den top met een korte kroon van stekeltjes. Bloembodem eenigszins bol met kleine afvallende schubben. Omwindselbladeren klokvormig in 2 rijenEclipta.Loso-wiwirie;Louisa-wiwirie.29a.Hoofdjes weinigbloemig; omwindselblaadjes in 2 rijen, die van de buitenste rij bladachtig, de binnenste rij gestekeld aan de buitenkant, de vruchtjes der lintbloemen geheel omsluitend, waardoor de vruchten gestekeld schijnen. De binnenste bloemen buisvormig,steriel. Vertakte kruiden met tegenoverstaande getande bladerenAcanthospermum.29b.Hoofdjes veelbloemig; omwindselblaadjes zonder stekels3030a.Hoofdjes klein, kortgesteeld of zittend. Omwindselblaadjes in 2 rijen, de buitenste rij bladachtig, de binnenste rij met de vruchtjes vergroeid. Lintbloemen alleen fertiel, de buisbloemen steriel. Vruchtjes eirond. Plant naar kamfer riekendMelampodium.Kamferbladeren.30b.Hoofdjes vrij groot, geel, gesteeld, de lintbloemen ongeslachtelijk, steriel, de buisbloemen fertiel met zwarte hoekige en kale vruchtjes. Bloembodem met strooschubben. Omwindsel uit 2 rijen van korte blaadjes bestaande. Groote rechtopstaande planten met ruwe bladerenWulffia.31a.Alle bloemen in hetzelfde hoofdje gelijk van vorm3231b.De buitenste bloemen in het hoofdje zeer dun, bijna draadvormig, vrouwelijk, de binnenste uit een wijdere buis bestaande, tweeslachtig; alle of bijna alle fertiel. Omwindsel klokvormig, met zeer smalle blaadjes, de buitenste geleidelijk korter wordend. Hoofdjes niet talrijk, in een bijschermConyza.32a.Planten geheel tweehuizig, d. w. z. de eene plant heeft alleen hoofdjes met zeer dunne, bijna draadvormige, vrouwelijke buisbloemen, de andere plant alleen hoofdjes met mannelijke bloemen, waarvan de bloemkroon een wijdere buis is. Vruchten met 10 ribben. Planten met verspreide bladerenBaccharis.32b.Alle bloemen tweeslachtig en fertiel. Vruchtpluis langer dan de vrucht, in 1 rij staande. Omwindselbladeren in meerdere rijen, verschillend van vorm. Vrucht 5-hoekig.Hoofdjes 5–100-bloemig. Bladeren, vooral de onderste, bijna steeds tegenoverstaandEupatorium.

Orde:Plantaginales.269.Plantaginaceae.Bloemen 4-tallig; tweeslachtig, of éénslachtig, regelmatig; kelkbladeren 4; bloemkroon 4-spletig; meeldraden 4 met de kroon vergroeid; vruchtbeginsel 1–4-hokkig met 1 tot weinige zaadknoppen; vrucht een met een deksel openspringende doosvrucht of een noot; meest kruiden, met verspreide, zelden tegenoverstaande bladeren; bloemen in aren.Bloemen in aren; kelk 4-deelig; bloemkroon met 4 slippen, klein, vliezig, bruinachtig. Meeldraden 4, met lange helmdraden; stijl lang; vrucht met een deksel openspringend; bladeren in een wortelrosetPlantago.Orde:Rubiales.270.Rubiaceae.Bloemen 4- of 5-, zelden meertallig met een onderstandig vruchtbeginsel dat meest evenveel, zelden minder hokjes heeft als bloemkroonslippen; tweeslachtig, zelden éénslachtig, regelmatig, zelden min of meer zygomorf; kelk meest open; bloemkroonslippen in de knop met de randen over elkaar liggend of tegen elkaar liggend of gedraaid; hokjes van het vruchtbeginsel met 1 tot talrijke zaadknoppen; stijl 1, met een meest onvertakte stempel; vrucht zeer verschillend; kruiden of houtige planten met kruisgewijs tegenoverstaande bladeren en steunbladeren, die soms zeer groot zijn.1a.Vruchtbeginsel met slechts 1 zaadknop in ieder hokje21b.Vruchtbeginsel met 2 tot meer zaadknoppen in ieder hokje212a.Bloemkroonslippen in den knop gedraaid of met de randen over elkaar liggend32b.Bloemkroonslippen in den knop met de randen tegen elkaar liggend53a.Bloemen in okselstandige één- of tweemaal vorksgewijs gedeelde bloeiwijzen, waarvan de takken aarvormig zijn en eenzijdig bloemen dragen. Kelk afvallend na de bloei. Bloemkroon met lange buis. Meeldraden in de bloemkroon ingesloten. Vruchtbeginsel 4–9-hokkigGuettarda.3b.Bloemen in okselstandige of eindstandige schermen of aren. Meeldraden buiten de buis uitstekend; vruchtbeginsel 2-hokkig44a.Bloemen in groepen in de bladoksels gezeten, 5- of meertalligCoffea.4b.Bloemen in een eindelingsche pluim of scherm, 4-talligIxora.Faja-lobbie.5a.Kleine kruiden of heesters met zeer kleine bloemen die in groepen in de bladoksels zitten of in kleine hoofdjes aan het eind van den stengel en rondom den stengel zitten. Bladeren steeds klein, (hoogstens eenige c.M.lang).Steunbladeren tot een scheede vergroeid, die aan den rand met lange tanden of haren bezet is. Vrucht een tweezadige doosvrucht of in 2 stukken uiteenvallend65b.Groote heesters of boomen met groote of vrij groote bladeren en groote bloemen. Vrucht 1-zadig, of indien zij meerzadig is, dan niet openspringend116a.Doosvrucht met een deksel openspringend76b.Doosvrucht 2-hokkig, met 2 kleppen openspringend of in 2 stukken uiteenvallend87a.Doosvrucht 3-hokkig. Kelkslippen 2, vrij of aan de basis vergroeid. Helmknoppen behaard. Bloemen in hoofdjes met vliezige schutbladeren stijf behaardPerama.7b.Doosvrucht 2-hokkig. Kelkslippen 4, ongelijk. Hoofdjes met droogvliezige bloemsteelblaadjes. Habitus als de vorigeMitracarpus.8a.Doosvrucht in 2 stukken uiteenvallend98b.Doosvrucht met kleppen openspringend109a.Stukken van de doosvrucht gesloten blijvend. Kelkslippen 2 of 4 aan de basis vergroeid. Bloemkroon trechtervormig, 4-lobbig. Bloemen in okselstandige schijnkransen. Bladeren smal, meest ruwDiodia.9b.Stukken van de doosvrucht aan de binnenzijde geopend. Kelkslippen 4, aan de basis hoog vergroeid. Overigens als de vorigeHemidiodia.10a.Een van de beide kleppen van de doosvrucht laat van het middenschot los, de andere blijft gesloten. Kelkslippen 4, aan de basis verbonden. Meeldraden beneden in de buis van de bloemkroon ingehechtSpermacoce.10b.Beide kleppen van de doosvrucht laten van het middenschot los en springen open. Kelkslippen 2 of 4, meer of minder met elkaar vergroeid. Meeldraden meest boven in de buis ingehecht. Habitus als DiodiaBorreria.11a.Vruchtbeginsel bovenstandig. Kelk 4–5-tandig of 4–5-lobbig. Bloemkroon stervormig, van binnen behaard. Meeldraden bovenin de buis vastgehecht. Stijl 2-deelig. Boomen en heesters met leerachtige bladeren, met zeer stijl opgerichte zijnerven. Bloemen dicht bij elkaar zittend, in groepenPagamea.11b.Vruchtbeginsel onderstandig1212a.Heesters met dorens. Bloemkroon en kelk 5-tallig, de bloemkroonbuis zeer lang, van buiten behaard met lange en spitse slippen. Bloemen in korte trossen; bladeren meest groepsgewijs bijeenzittend aan korte takkenAnisomeris.12b.Planten zonder dorens1313a.Bloeiwijzen dichtgedrongen, bloemen in hoofdjes, omgeven door talrijke groote of kleine schutbladeren1413b.Bloeiwijzen niet hoofdjes-vormig, zonder groote schutbladeren1514a.Kleine en teere, op den bodem kruipende kruiden met langgesteelde hart- of niervormige bladeren. Kelk kort, 4–7-tandig, blijvend. Bloemkroon buis- tot trechtervormig met behaarde mond. Meeldraden 4–7, in de buis ingehecht. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Zaden aan de buikzijde vlak, zonder groefGeophila.14b.Krachtige meest rechtopstaande heesterachtige kruiden of heesters. Bloemen als de vorige, doch vruchtbeginsel soms 3–4-hokkig. Bladeren niet hart- of niervormig. Zaden aan de buikzijde met een diepe groefUragoga.14c.Bloemen in dichte bolvormige hoofdjes, met de vruchtbeginsels vergroeid; elk vruchtbeginsel 4-hokkig. Kelk bekervormig, nauwelijks getand. Vrucht tot een vleezige verzamelvrucht vereenigd met meerdere pitten die soms in groepen van 4 bij elkaar zitten. Boomen of heesters met meest kruisgewijs tegenoverstaande bladerenMorinda.15a.Zaden in de vrucht met het worteltje naar boven gericht. Zaadknoppen boven in de hokjes van het vruchtbeginsel bevestigd, hangend. Kelk zeer kort, 4-tandig of 4-lobbig, blijvend. Bloemkroontrechtervormigof stervormig met korte buis, in de mond en van binnen op de slippen dicht behaard. Helmknoppen uit de buis uitstekend. Vruchtbeginsel 2-hokkig; stijl kort 2-spletig. Klimmende heesters met leerachtige bladeren. Bloemen klein, in pluimen met tegenoverstaande takkenMalanea.15b.Zaden met het worteltje naar beneden. Zaadknoppen onder in het vruchtbeginsel ingehecht, rechtopstaand1616a.Vruchtbeginsel 1-hokkig of 2-hokkig, maar dan is het tusschenschot zeer dun, in ieder geval veel dunner dan de wand van het vruchtbeginsel1716b.Vruchtbeginsel 2- (zelden meer-)hokkig; tusschenschot even dik als de wand van het vruchtbeginsel1817a.Tusschenschot dun, na den bloei verdwijnend. Zaad loodrecht in de vrucht staande met den kiem op den bodem. Kelk min of meer bekervormig, zonder lobben of kort 4-lobbig. Bloemkroon trechtervormig, van binnen kaal. Boomen of heestersCoussarea.17b.Tusschenschot geheel ontbrekend. Zaad in de vrucht liggend, van onderen uitgehold met zijdelingschen kiem. Overigens als de vorigeFaramea.18a.Zaad aan de buikzijde vlak, ongegroefd. Kelk kort-5-tandig. Bloemkroon trechtervormig, met vaak naar binnen gebogen ofmet een klein hoorntje voorziene slippen, van binnen behaard. Vruchtbeginsel 2-, zelden meerhokkig. Vrucht een 2–5-hokkige steenvrucht. Boomen of heestersMapouria.18b.Zaad aan de buikzijde met een groef1919a.Bloemkroon gekromd, buis- of trechtervormig, aan één zijde meest met een kleine knobbel. Kelk beker- of klokvormig, 5-lobbig of met gave zoom. Vrucht met 2 (soms 3–5) pitten. HeestersPalicourea.19b.Bloemkroonbuis recht2020a.Zaden aan de kanten ingerold en van binnen met een dwarse uitholling. Kelkbladeren 4–5, in verschillende hoogte vergroeid. Bloemkroonbuis meest kort, in de mond behaard, de slippen vaak aan den top naar binnen gebogen en met een hoorntje voorzien. Vrucht met 2 pitten. Heesters of boomenRudgea.20b.Zaden zonder plooien in het kiemwit. Kelk kort, meest 5-tandig. Bloemkroonbuis van zeer verschillende lengte. Vrucht met 2 (zelden 3–5) pitten. Boomen of heestersPsychotria.21a.Vrucht een doosvrucht2221b.Vrucht een bes2622a.Bloemen in bolvormige hoofdjes, aan het eind van lange steelen, te zamen tot een bloeiwijze vereenigd. Planten klimmend door middel van haken, die in de bladoksels staanUncaria.(Ourouparia).22b.Bloemen niet in dergelijke hoofdjes. Planten niet met haken klimmend2323a.Kruidachtige klimplanten. Kelkslippen 4–8, blijvend, soms bladachtig. Bloemkroon meest vuurrood. Doosvrucht met 2 kleppen openspringend met talrijke gevleugelde zadenManettia.23b.Planten niet klimmend2424a.Bloemen zeer groot, meer dan 4 c.M. lang, 6-tallig; alleenstaand. Epiphyten met groote doosvruchten; zaden gevleugeldHillia.24b.Bloemen veel kleiner, hoogstens 1 c.M. groot, niet 6-tallig. Planten niet epiphytisch levend2525a.Kleine kruiden met kleine korte witte bloemen. Kelk 4-tandig blijvend. Bloemen gesteeld in groepen of kleine bloeiwijzen in de bladoksels. DoosvruchtOldenlandia.25b.Kruiden met een vrij lange buisvormige en 5-tallige bloemkroon. Kelk met 5 slippen. Bloemen vaak in dichte groepen staandSipanea.26a.Slippen van den bloemkroon met de randen tegen elkaar liggend2726b.Slippen van den bloemkroon met de randen over elkaar liggend3027a.Bloeiwijzen aan het eind van den stengel2827b.Bloeiwijzen in de bladoksels2928a.Bloeiwijzen een pluim, min of meer gedrongen. Kelk kort, blijvend. Bloemkroon buisvormig, soms zeer lang, met korte zoom, in de keel dicht behaard, 4–6-tallig. Bessen met 4–6 pitten. Heesters of boomen, met meest behaarde bladerenIsertia.28b.Bloeiwijze verlengd tot een losse aar. Kelk bekervormig. Bloemkroon trechter- of schotelvormig, van boven meest verwijd. Vruchtbeginsel 2–4-hokkig. Bes bolvormig met 2–4 meerzadige pitten, vaak maar weinig vleezigGonzalagunia.29a.Kleine kruipende kruiden. Kelkslippen 4 (zelden 5) bijna tot aan de basis vrij,blijvend. Bloemkroon trechtervormig, in den keelbehaard. Vruchtbeginsel 2-hokkig, stijl 2-spletig. Vrucht bolvormig. Bloemen dicht gedrongen aan het eind van de steelCoccocypselum.29b.Klimmende forsche kruiden met dichte beharing. Kelkslippen 4–5, nogal breed en groot. Vruchtbeginsel 3–5-hokkig; stijl 3–5-spletigSabicea.30a.Bloemkroon met een opvallend lange buis, van 5 tot 25 c.M.; bloemen tweeslachtig3130b.Bloemen klein, hoogstens 2 c.M. groot; bloemen meest éénslachtig3431a.Bloemknoppen scheef ten opzichte van de buis, daardoor de bloem een weinig zijdelings-symmetrisch. Kelk 5-tandig, van binnen met klieren. Helmknoppen buiten de buis uitstekend. Vruchten eirond met leerachtige schil, van binnen sappigPosoqueria.31b.Bloemen geheel regelmatig3232a.Bloemen alleenstaand en eindelingsch3332b.Bloemen in veelbloemige bijschermen. Kelk klein, bekervormig, 5-tandig, blijvend. Bloemkroonbuis zeer lang. Meeldraden weinig uit de buis uitstekend. Stijl even lang als de buisTocoyena.33a.Vruchtbeginsel 1-hokkig; kelkslippen meestal 5, spits en smal, aan den voet verbonden. Kroon 2–3 maal zoo groot als de kelk met 5–6, een weinig scheeve slippen. Meeldraden aan den mond van de buis ingehecht. Vrucht lang en dunGardenia.33b.Vruchtbeginsel 2-hokkig. Overigens als de vorige, doch de kroonslippen kleiner ten opzichte van de lengte van de buis en de vrucht eirondRandia.34a.Bloemen tweeslachtig3534b.Bloemen eenslachtig3735a.Bloeiwijze dicht bij den top der stengels maar toch duidelijk zijdelings staande; kelk bekervormig met zeer kleine tanden. Bloemkroon van buiten en van binnen behaard, leerachtig. Stijl lang, toegespitst. Vrucht eirond, van buiten leerachtig, van binnen sappigGenipa.Tapoeripa.35b.Bloeiwijze een tros of pluim, duidelijk eindstandig3636a.Kelk met zeer kleine tanden. Bloemkroon met groote, meest teruggeslagen slippen. Helmknoppen aan den voet verbreed. Vruchtbeginsel 5-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje. Stijl aan den top kort 5-lobbig. Vrucht met 5 eenzadige pitten. Bloemen in lange of korte trossenRetiniphyllum.36b.Kelk bekervormig 5-tandig. Bloemkroonslippen spits en smal. Vruchtbeginsel 2-hokkig; stijl aan den top 2-spletig. Vrucht met 10 ribben. Bloemen in een pluim, witBertiera.37a.Steunbladeren spits. Kelk met korte tanden. Bloemkroon van buiten slechts weinig behaard. Meeldraden in de buis ingesloten. Vruchtbeginsel 2–5-hokkig; stijl met 2–5 takken. Vrucht een besAlibertia.37b.Steunbladeren reeds vroeg afvallend zoodat er slechts een smalle rand overblijft3838a.Mannelijke en vrouwelijke bloemen in bijschermen.Bloemen 6- tot meertallig. Bloemkroonbuis van buiten dun behaard. Meeldraden in de ♀ bloem zonder stuifmeel, in de buis ingesloten. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Vrucht een eetbare besAmajoua.Marmeldoos.38b.Mannelijke bloemen in bijschermen, vrouwelijke alleenstaand of 2 aan 2. Bloemen als de vorige doch de buis van buiten met lange haren bedekt. Vrucht eetbaarDuroia,Bosch-marmeldoos.271.Caprifoliaceae.Bloemen meest 5-tallig, met vergroeide bloemkroon. Vruchtbeginsel onderstandig, 2–5-hokkig met 1 tot meer zaadknoppen in ieder hokje. Stijlen één of meer. Vrucht een bes of een steenvrucht. Bladeren meest tegenoverstaand.Boomen of heesters met vindeelige tot gevinde bladeren. Bloemen in enkelvoudige tot samengestelde schermen. Bloemkroon wit, stervormig. Vrucht een steenvruchtSambucus.Vlier.Orde:Campanulatae.275.Cucurbitaceae.Bloemen 5-tallig, zelden tweeslachtig, meest éénslachtig, regelmatig; bloemas bekervormig, kelk vergroeidbladig; bloembladeren 5; meeldraden 5, op de rand van de bloemas ingehecht, twee aan twee met elkaar verbonden of alle 5 tot één centrale groep vereenigd; vruchtbeginsel onderstandig, meest 3-hokkig, meest met 2 zaadlijsten in ieder hokje met vele zaadknoppen; stijl 1, met 3 takken; meest kruiden, die met ranken klimmen, met verspreide, enkelvoudige of gelobde bladeren.1a.Mannelijke bloemen voorhanden, of (in de 1-huizige soorten) ook ♀ bloemen21b.Alleen vrouwelijke bloemen en vruchten voorhanden (tweehuizige soorten)132a.Meeldraden 232b.Meeldraden 353a.Meeldraden in den mond van de kelkbuis ingehecht. Bloemen in trossen.Kelkbuis lang en dun met 5 kleine teruggeslagen tanden. Kroon 5-deelig. Rudiment van het vruchtbeginsel dun en draadvormigHelmontia.3b.Meeldraden op de wand van de kelkbuis ingehecht44a.Kelk groen, met eenkorte5-tandige zoom. Bloembladeren breed, vliezig, rond of eirond, rood, aan de basis sterk versmald. Bloemen in korte dichte trossen aan het eind van een lange steel. Rudiment van een vruchtbeginsel ontbrekendAnguria.4b.Kelk rood of oranje gekleurd met groote 5-deelige zoom. Bloembladeren klein, meest smal, bleekgeel, niet aan den basis plotseling versmald. Overigens als de vorigeGurania.5a.Helmknoppen recht of een weinig gebogen, niet gewonden. Planten eenhuizig. Bloemen in trossen of pluimen. Kelk klokvormig met 5 korte tanden; bloemkroon diep 5-deelig. Rudimentair vruchtbeginsel aanwezig; vrouwelijke bloemen alleenstaand, meest langgesteeld, met 3staminodiën. Vruchtbeginsel rond of langwerpig. Stijl aan den basis met een ringvormige schijf, met 3 stempels. Vrucht een kleine eironde of lange besMelothria.5b.Helmknoppen gewonden of saamgevouwen66a.Kroon stervormig tot dicht bij de basis (d. i. bij de kelkslippen) 5-deelig of 5-bladig76b.Kroon klokvormig, hoogstens tot aan het midden 5-lobbig127a.Helmdraden tot een zuil vergroeid, die van boven de 3 sterkgewonden helmknoppen draagt. Bloemen in trossen. Kelk met een klokvormige buis en 5 smalle tanden, kroon wit, diep 5-deelig. Vrouwelijke bloemen alleenstaand of 2 aan 2 met een langwerpig, sterk gestekeld vruchtbeginsel; stijl kort met knopvormige stempel. Vrucht gestekeld aan den top met 2 gaten openspringendEchinocystis.7b.Helmdraden niet tot een zuil vergroeid88a.Bladsteelen van boven met 2 klieren. Bloemen wit, steeds alleenstaand. Kelk klokvormig met 5 smalle en kleine slippen. Bloembladen 5, vrij. Meeldraden 3, in de kelkbuis ingehecht. Eén van de helmknoppen éénhokkig, de beide andere 2-hokkig. Vrouwelijke bloemen met een korte stijl en drie 2-lobbige stempels. Vrucht van buiten houtigLagenaria.Flesch-kalebas.8b.Bladsteelen zonder klier bij de bladvoet. Bloemen geel99a.Helmknoppen vrij, aan den top met een bladachtig aanhangsel. ♂ bloemen in trossen, zelden alleenstaand. Kroon 5-deelig. Helmdraden zeer kort. Vrouwelijke bloemen alleenstaand met 3 staminodiën. Stijl 1, kort met 3–5 stompe stempels. Vrucht zeer verschillend van vormCucumis.9b.Helmknoppen niet met een bladachtig aanhangsel aan den top1010a.Kelk van binnen met 2 of 3 langwerpige en gebogen schubben. Mannelijke bloemen alleenstaand met een lange bloemsteel, kelkslippen eirond tot lancetvormig; kroon een weinig onregelmatig. Vrouwelijke bloemen alleenstaand op een lange steel; vruchtbeginsel langwerpig gestekeld, vrucht met knobbelsMomordica.10b.Kelk van binnen zonder schubben1111a.Mannelijke bloemen in trossen. Bloembladeren 5, vrij, eirond of een weinig hartvormig. Meeldraden 3, soms 4 of 5, onder in de kelkbuis ingehecht. Vrouwelijke bloemen alleenstaand met 3 (soms 4 of 5) staminodiën. Vruchtbeginsel lang en gegroefd of cylindrisch. Stijl met drie 2-lobbige stempels. Vrucht bij rijpheid droog, van binnen vezelig, met een deksel openspringendLuffa.11b.Mannelijke bloemen alleenstaand, zelden groepsgewijs bij elkaar, kortgesteeld. Kelkbuis wijd-klokvormig met 5 smalle slippen. Kroon diep 5-deelig met stompe slippen. Vrouwelijke bloemen kortgesteeld met 3 korte staminodiën. Stijl met drie kort-2-lobbige stempels. Vrucht sappig, niet openspringendCitrullus.Watermeloen.12a.Bloemen geel of oranje, de mannelijke alleenzittend of in groepen. Kelk klokvormig met 5 (4–7) lobben. Bloemkroon tot aan het midden 5- (4–7-) lobbig met teruggeslagen slippen. Helmdraden onder in de kelkbuis ingehecht; helmknoppen samengekleefd. Vrouwelijke bloemen alleenstaand kortgesteeld met 3 korte staminodiën; stijl kort met 3–5 tweelobbige of 2-spletige stempels. Vrucht vleezig of vezelig niet openspringend, vele zadenCucurbita.12b.Bloemen wit of groenachtig; de mannelijke alleenstaand of in trossen of groepen. Helmdraden in de kelkbuis ingehecht, de helmknoppen maar weinig saamgekleefd. Vrouwelijke bloemen alleenstaand of in groepen; staminodiën 3, zeer klein, draadvormig. Stijl 3-spletig; schijf ringvormig. Vrucht rond of eirond niet openspringend met 6–12 zadenCayaponia.13a.♀ bloemen alleenstaand of 2 of 3 bij elkaar. Kelkbuis lang, groen met 5 tanden. Bloembladeren grooter dan de kelktanden, meestvuurrood of oranjerood. Staminodiën 2. Vruchtbeginsel langwerpig. Stijl draadvormig, 2-spletig; stempels 2, 2-lobbigAnguria.13b.♀ bloemen alleenstaand, in groepen of dicht gedrongen aan het eind van een lange steel. Kelk rood of oranje gekleurd, met vrij groote slippen. Bloembladeren bleekgeel, kleiner dan de kelkslippen. Staminodiën ontbrekend; overigens als de vorigeGurania.N. B. Van Helmontia, die ook 2-huizig is, zijn tot nu toe geen vrouwelijke bloemen bekend.276.Campanulaceae.Bloemen meest 5-tallig, zelden 6–10- of 3–4-tallig, meest tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemkroon meest vergroeidbladig; meeldraden meest 5 met vergroeide helmknoppen; vruchtbeginsel onderstandig, 2–5-hokkig met vele zaadknoppen; stijl 1; vrucht een doosvrucht, zelden een bes; kruiden, zelden houtige planten meest met verspreide bladeren en vrij groote bloemen; melksap soms aanwezig.Kruiden met okselstandige bloemen; vruchtbeginsel onderstandig; kelkslippen smal; bloemkroon een gekromde buis met zijdelings-symmetrische zoom; meeldraden 5, met de helmknoppen om den stijl vergroeid; helmdraden van onderen met de bloemkroon in een buis vergroeid. Vrucht een besCentropogon.280.Compositae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig of zygomorf; kelkbladeren zelden duidelijk ontwikkeld, meest in de plaats ervan haren of schubben, die een z.g. haarpluis vormen; bloemkroon vergroeidbladig, regelmatig of zygomorf, 2-lippig of lintvormig; meeldraden in de bloemkroonbuis vastgehecht; de helmdraden meest vrij, de helmknoppen samenhangend; vruchtbeginsel onderstandig, 1-hokkig met 1 zaadknop en 1 stijl met een zeer verschillend gevormde stempel; vrucht niet openspringend; kruiden of heesters, zelden boomen met verspreide, of tegenoverstaande bladeren, en met bloemen, die in hoofdjes of verkorte aren staan; de hoofdjes met een omwindsel van schutbladeren omgeven; melksap vaak aanwezig.1a.Bloemkroon van alle bloemen buisvormig, soms ongelijk van vorm (lange en korte buizen)21b.Bloemkroon van de middelste bloemen van het hoofdje buisvormig, van de randbloemen lintvormig, soms zeer klein en weinig opvallend212a.Vruchtpluis aanwezig, soms reeds aan de vrucht afgevallen, maar dan onder de bloem zichtbaar (Pacourina, Elephanthopus) soms zeer klein, bekervormig, of slechts uit weinig (tot 2) stekels bestaande32b.Vruchtpluis geheel afwezig173a.Hoofdjes samengesteld d. w. z. meerdere weinigbloemige hoofdjes, ieder met een eigen omwindsel, zijn vereenigd tot een groep van hoofdjes, die een gemeenschappelijk omwindsel hebben en op een gemeenschappelijke bloembodem staan43b.Hoofdjes niet samengesteld; indien er meerdere hoofdjes bij elkaar zitten, dan hebben ze geen gemeenschappelijk omwindsel en staan ze niet op een gemeenschappelijke bloembodem54a.Bladeren van onderen wit-viltig. Hoofdjes 1-bloemig, elk hoofdje in de oksel van 1 schutblad en omgeven door een 2-bladig omwindsel.Bloemkroon kort 4- (zelden 3-) spletig, wit. Vele hoofdjes vereenigd tot een okselstandige groep. Vruchtpluis bestaande uit een veeltandig kroontjeRolandra.4b.Bladeren van onderen niet wit-viltig. Hoofdjes 2–5-bloemig met een 8-bladig omwindsel in twee kransen. Hoofdjes vereenigd tot groepen, die weer in aren of trossen staanElephantopus.5a.Vruchtpluis uit talrijke haren of schubben bestaand65b.Vruchtpluis uit 2, 3 of 4 stekels bestaand166a.Hoofdjes klein, 4-bloemig, met een 4-bladig omwindsel, tot samengestelde trossen of aren vereenigd. Vruchtpluis uit 30–60 stekels bestaande in 1 rij. Bloemen wit; helmknoppen met een aanhangsel aan de basis. Bloembodem naakt, klein. Vrucht met 5 ribben. Meest windende heesters of kruidenMikania.6b.Hoofdjes met meer dan 4 bloemen en meer dan 4 omwindselbladeren77a.Hoofdjes tot 2½ c.M. breed, alleen aan den stengel zittend ten deele tegenover de bladeren met bolvormig omhulsel.Vruchten tot 1½ c.M. lang, met 10 ribben en zeer gemakkelijk afvallend haarpluis. Kruidachtige plant met groote bladerenPacourina.7b.Hoofdjes veel kleiner88a.Bloembodem met schubben98b.Bloembodem zonder schubben109a.Haarpluis klein, min of meer bekervormig vergroeid. Omwindsel 5-bladig. Vrucht slechts weinig hoekig. Hoofdjes met 6–12 bloemen; kruiden met tegenoverstaande bladerenEleutheranthera.9b.Haarpluis goed ontwikkeld, in 1–2 rijen. Omwindsel meerbladig, uit 3–4 rijen van dakpansgewijs over elkaar liggende blaadjes bestaande. Plant ruwharig met afwisselende bladerenNeurolaena.10a.Vruchtpluis uit 5–15 schubben bestaand. Hoofdjes veelbloemig. Omwindselbladeren alle ongeveer even groot, in vele rijen. Vrucht 5-hoekig. Bloemen rose-witAgeratum.10b.Vruchtpluis uit haren of stekels bestaand1111a.Omwindsel uit 5 (–8) groote smalle bladeren bestaand. Vruchtpluis stekelig met vele stekels in 1 of 2 rijen. Vrucht met talrijke ribben. Bladeren afwisselendPorophyllum.11b.Omwindsel uit meerdere blaadjes bestaande of soms uit weinig blaadjes bestaand, maar dan vruchtpluis zachtharig1212a.Vruchtpluis in meerdere rijen, verschillend van vorm; de buitenste rij korter dan de binnenste, meest borstelig; omwindselbladeren in meerdere rijen1312b.Vruchtpluis in 1 rij van gelijke haren of dicht zachtharig1413a.Helmknoppen aan den voet stomp; bloemen 20–80 per hoofdjeVernonia.13b.Helmknoppen met een aanhangsel aan den voet; bloemen 3–10 per hoofdjePiptocarpha.14a.Omwindselbladeren in meerdere rijen, verschillend van grootte3114b.Omwindselbladeren in één krans, soms met een krans van kleine blaadjes aan den voet. Vruchtpluis zachtharig. Bladeren afwisselend1515a.Hoofdjes met vrouwelijke lange buisvormige randbloemen en andersgevormde, doch ook buisvormige tweeslachtige schijfbloemen. Omwindsel uit smalle bladeren bestaand met kleine schubben aan den voetErechthites.15b.Alle bloemen gelijk van vorm en tweeslachtig; omwindsel zonder buitenschubjesEmilia.16a.Bloembodem kegelvormig of cylindervormig met gewelfde schubben. Hoofdjes langgesteeld met een kort omwindsel in 1 of 2 rijen. Vruchtpluis uit 2 stekels bestaande. Vrucht vlak. Kruiden met tegenoverstaande bladerenSpilanthes.16b.Bloembodem vlak, met schubben. Omwindsel uit 2 ongelijke rijen van blaadjes bestaande. Vruchtpluis 2–4 borstels die met kleine weerhaken bezet zijn. Vrucht min of meer 4-kantig. Kruiden met tegenoverstaande getande of gedeelde bladerenBidens.17a.Bladeren verspreid1817b.Bladeren tegenoverstaand1918a.Bladeren ingesneden. Bloemen in tot pluimen samengestelde trossen. Hoofdjes in 2 vormen op dezelfde plant; de vrouwelijke éénbloemig met één bloem zonder bloemkroon en een vergroeidbladig omwindsel dat de vrucht insluit en op de rugzijde 4–8 knobbels heeft; het mannelijke hoofdje veelbloemig, nooit vruchtdragend met een platte bloembodem; bloemen witAmbrosia.18b.Hoofdjes in groepen van 2–6 in de bladoksels zittend. Bladeren niet ingesneden. Hoofdjes 20–30-bloemig, alle bloemen gelijk van vorm, wit tot rood. Bloemkroon 3–4-deelig. Bloembodem zonder schubben. Omwindsel in meerdere rijen. Vrucht 3–4 hoekig, aan den top diep komvormigSparganophorus.19a.12–20 hoofdjes tot groepen vereenigd; elk hoofdje bestaande uit één vrouwelijke fertiele bloem met 4 tweeslachtige, steriele eromheen; de 5 bloemen omgeven door een 4-bladig omwindsel, waarvan de blaadjes paarsgewijs tegenover elkaar staan. Vrucht plat. Bloemen wit of roodachtigRiencourtia.19b.Hoofdjes niet tot groepen vereenigd2020a.Bloembodem vlak, zonder schubben. Bladeren breed. Hoofdjes in pluimen vereenigd. Bloemen wit, omwindsel klokvormig met weinig blaadjes. Hoofdjes veelbloemig, de buitenste rijen van vrouwelijke bloemen fertiel; de binnenste tweeslachtige bloemen sterielClibadium.Koenamie.20b.Bloembodem sterk convex tot kegelvormig met talrijke schubben. Bladeren smal. Hoofdjes kortgesteeld, weinige bijeen. Bloemen wit. Omwindselblaadjes weinig talrijk. Hoofdjes 20–30-bloemig; weinige van de buitenste bloemen fertiel, de rest sterielIchthyothere.Koenamie.21a.Vruchtpluis aanwezig, soms in den vorm van weinige, spoedig afvallende stekels of schubben2221b.Vruchtpluis geheel ontbrekend2922a.Vruchtpluis bestaande uit 2, 3 of 4 stekels2322b.Vruchtpluis uit haren, of schubben, of vele kleine stekeltjes bestaande2623a.Bladeren verspreid. Hoofdjes veelbloemig, die van de buitenste 1 of 2 rijen vrouwelijk en lintvormig, meest geel, de overige buisvormig; bloembodem met strooschubben. Omwindselblaadjes in 2–3 rijen. Vrucht plat en gevleugeld, met 2 stekelsVerbesina.23b.Bladeren tegenoverstaand2424a.Hoofdjes in de bladoksels zittend of bijna zittend, weinigbloemig,alle bloemen fertiel, de buitenste rij met lintvormige kroon, de binnenste rij met buisvormige kroon. Vruchten aan de lintbloemen plat en gevleugeld met lancetvormige schubben; die van de buisbloemen 3-hoekig met 2–3 stekels. Bloemen bleekgeelSynedrella.24b.Hoofdjes gesteeld, veelbloemig2525a.Bloembodem kegelvormig.Alle bloemen fertiel, die van de buitenste rij lintvormig, de binnenste buisvormig, geel of wit; vruchten van de lintbloemen meest 3-hoekig, die van de buisbloemen plat, met 2 spoedig afvallende stekels. Bladeren enkelvoudigSpilanthes.25b.Bloembodem vlak. Alle bloemen fertiel; de vruchten gelijk van vorm, een weinig vierkant met 2 tot 4 blijvende stekels aan den top, die met weerhakenbezetzijn. Bladeren meest samengesteld. Bloemen geelBidens.26a.Vruchtpluis uit lange haren bestaand, hoofdjes met vele bloemen, alle vruchtbaar, de buitenste klein, lintvormig, de binnenste buisvormig. Omwindselblaadjes in weinig rijen. Hoofdjes gesteeld, in trossen of pluimenErigeron.26b.Vruchtpluis bestaande uit kleine stekeltjes of uit schubben of uit een krans van vergroeide korte haartjes, die kleiner zijn dan de vrucht2727a.Bloemen geel; hoofdjes 6–12-bloemig, kortgesteeld, de lintbloemen onvruchtbaar, de buisbloemen fertiel. Omwindsel uit 5 blaadjes bestaand. Bloembodem met samengevouwen strooschubben. Kruidachtige plant met tegenoverstaande gesteelde bladeren. Vruchtpluis klein, eenigszins bekervormig vergroeidEleutheranthera.27b.Bloemen geel of oranje; hoofdjes veelbloemig, langgesteeld; omwindsel uit meerdere sterk vergroeide blaadjes bestaande. Planten met tegenoverstaande vindeelige bladeren. Vruchtpluis bestaande uit 5–6 ongelijke schubbenTagetes.Afrikanen.27c.Bloemen wit, hoofdjes gesteeld, veelbloemig2828a.Bladeren afwisselend dubbelvindeelig. Alleen de 5 buitenste bloemen lintvormig, fertiel met platte vruchtjes, die aan den top 3–4 kleine eironde schubjes dragen. Middelste bloemen buisvormigParthenium.28b.Bladeren tegenoverstaand niet ingesneden. Alle bloemen fertiel, de buitenste lint-, de binnenste buisvormig. Vruchten van de buitenste bloemen 3-hoekig, van de binnenste plat, aan den top met een korte kroon van stekeltjes. Bloembodem eenigszins bol met kleine afvallende schubben. Omwindselbladeren klokvormig in 2 rijenEclipta.Loso-wiwirie;Louisa-wiwirie.29a.Hoofdjes weinigbloemig; omwindselblaadjes in 2 rijen, die van de buitenste rij bladachtig, de binnenste rij gestekeld aan de buitenkant, de vruchtjes der lintbloemen geheel omsluitend, waardoor de vruchten gestekeld schijnen. De binnenste bloemen buisvormig,steriel. Vertakte kruiden met tegenoverstaande getande bladerenAcanthospermum.29b.Hoofdjes veelbloemig; omwindselblaadjes zonder stekels3030a.Hoofdjes klein, kortgesteeld of zittend. Omwindselblaadjes in 2 rijen, de buitenste rij bladachtig, de binnenste rij met de vruchtjes vergroeid. Lintbloemen alleen fertiel, de buisbloemen steriel. Vruchtjes eirond. Plant naar kamfer riekendMelampodium.Kamferbladeren.30b.Hoofdjes vrij groot, geel, gesteeld, de lintbloemen ongeslachtelijk, steriel, de buisbloemen fertiel met zwarte hoekige en kale vruchtjes. Bloembodem met strooschubben. Omwindsel uit 2 rijen van korte blaadjes bestaande. Groote rechtopstaande planten met ruwe bladerenWulffia.31a.Alle bloemen in hetzelfde hoofdje gelijk van vorm3231b.De buitenste bloemen in het hoofdje zeer dun, bijna draadvormig, vrouwelijk, de binnenste uit een wijdere buis bestaande, tweeslachtig; alle of bijna alle fertiel. Omwindsel klokvormig, met zeer smalle blaadjes, de buitenste geleidelijk korter wordend. Hoofdjes niet talrijk, in een bijschermConyza.32a.Planten geheel tweehuizig, d. w. z. de eene plant heeft alleen hoofdjes met zeer dunne, bijna draadvormige, vrouwelijke buisbloemen, de andere plant alleen hoofdjes met mannelijke bloemen, waarvan de bloemkroon een wijdere buis is. Vruchten met 10 ribben. Planten met verspreide bladerenBaccharis.32b.Alle bloemen tweeslachtig en fertiel. Vruchtpluis langer dan de vrucht, in 1 rij staande. Omwindselbladeren in meerdere rijen, verschillend van vorm. Vrucht 5-hoekig.Hoofdjes 5–100-bloemig. Bladeren, vooral de onderste, bijna steeds tegenoverstaandEupatorium.

Orde:Plantaginales.269.Plantaginaceae.Bloemen 4-tallig; tweeslachtig, of éénslachtig, regelmatig; kelkbladeren 4; bloemkroon 4-spletig; meeldraden 4 met de kroon vergroeid; vruchtbeginsel 1–4-hokkig met 1 tot weinige zaadknoppen; vrucht een met een deksel openspringende doosvrucht of een noot; meest kruiden, met verspreide, zelden tegenoverstaande bladeren; bloemen in aren.Bloemen in aren; kelk 4-deelig; bloemkroon met 4 slippen, klein, vliezig, bruinachtig. Meeldraden 4, met lange helmdraden; stijl lang; vrucht met een deksel openspringend; bladeren in een wortelrosetPlantago.Orde:Rubiales.270.Rubiaceae.Bloemen 4- of 5-, zelden meertallig met een onderstandig vruchtbeginsel dat meest evenveel, zelden minder hokjes heeft als bloemkroonslippen; tweeslachtig, zelden éénslachtig, regelmatig, zelden min of meer zygomorf; kelk meest open; bloemkroonslippen in de knop met de randen over elkaar liggend of tegen elkaar liggend of gedraaid; hokjes van het vruchtbeginsel met 1 tot talrijke zaadknoppen; stijl 1, met een meest onvertakte stempel; vrucht zeer verschillend; kruiden of houtige planten met kruisgewijs tegenoverstaande bladeren en steunbladeren, die soms zeer groot zijn.1a.Vruchtbeginsel met slechts 1 zaadknop in ieder hokje21b.Vruchtbeginsel met 2 tot meer zaadknoppen in ieder hokje212a.Bloemkroonslippen in den knop gedraaid of met de randen over elkaar liggend32b.Bloemkroonslippen in den knop met de randen tegen elkaar liggend53a.Bloemen in okselstandige één- of tweemaal vorksgewijs gedeelde bloeiwijzen, waarvan de takken aarvormig zijn en eenzijdig bloemen dragen. Kelk afvallend na de bloei. Bloemkroon met lange buis. Meeldraden in de bloemkroon ingesloten. Vruchtbeginsel 4–9-hokkigGuettarda.3b.Bloemen in okselstandige of eindstandige schermen of aren. Meeldraden buiten de buis uitstekend; vruchtbeginsel 2-hokkig44a.Bloemen in groepen in de bladoksels gezeten, 5- of meertalligCoffea.4b.Bloemen in een eindelingsche pluim of scherm, 4-talligIxora.Faja-lobbie.5a.Kleine kruiden of heesters met zeer kleine bloemen die in groepen in de bladoksels zitten of in kleine hoofdjes aan het eind van den stengel en rondom den stengel zitten. Bladeren steeds klein, (hoogstens eenige c.M.lang).Steunbladeren tot een scheede vergroeid, die aan den rand met lange tanden of haren bezet is. Vrucht een tweezadige doosvrucht of in 2 stukken uiteenvallend65b.Groote heesters of boomen met groote of vrij groote bladeren en groote bloemen. Vrucht 1-zadig, of indien zij meerzadig is, dan niet openspringend116a.Doosvrucht met een deksel openspringend76b.Doosvrucht 2-hokkig, met 2 kleppen openspringend of in 2 stukken uiteenvallend87a.Doosvrucht 3-hokkig. Kelkslippen 2, vrij of aan de basis vergroeid. Helmknoppen behaard. Bloemen in hoofdjes met vliezige schutbladeren stijf behaardPerama.7b.Doosvrucht 2-hokkig. Kelkslippen 4, ongelijk. Hoofdjes met droogvliezige bloemsteelblaadjes. Habitus als de vorigeMitracarpus.8a.Doosvrucht in 2 stukken uiteenvallend98b.Doosvrucht met kleppen openspringend109a.Stukken van de doosvrucht gesloten blijvend. Kelkslippen 2 of 4 aan de basis vergroeid. Bloemkroon trechtervormig, 4-lobbig. Bloemen in okselstandige schijnkransen. Bladeren smal, meest ruwDiodia.9b.Stukken van de doosvrucht aan de binnenzijde geopend. Kelkslippen 4, aan de basis hoog vergroeid. Overigens als de vorigeHemidiodia.10a.Een van de beide kleppen van de doosvrucht laat van het middenschot los, de andere blijft gesloten. Kelkslippen 4, aan de basis verbonden. Meeldraden beneden in de buis van de bloemkroon ingehechtSpermacoce.10b.Beide kleppen van de doosvrucht laten van het middenschot los en springen open. Kelkslippen 2 of 4, meer of minder met elkaar vergroeid. Meeldraden meest boven in de buis ingehecht. Habitus als DiodiaBorreria.11a.Vruchtbeginsel bovenstandig. Kelk 4–5-tandig of 4–5-lobbig. Bloemkroon stervormig, van binnen behaard. Meeldraden bovenin de buis vastgehecht. Stijl 2-deelig. Boomen en heesters met leerachtige bladeren, met zeer stijl opgerichte zijnerven. Bloemen dicht bij elkaar zittend, in groepenPagamea.11b.Vruchtbeginsel onderstandig1212a.Heesters met dorens. Bloemkroon en kelk 5-tallig, de bloemkroonbuis zeer lang, van buiten behaard met lange en spitse slippen. Bloemen in korte trossen; bladeren meest groepsgewijs bijeenzittend aan korte takkenAnisomeris.12b.Planten zonder dorens1313a.Bloeiwijzen dichtgedrongen, bloemen in hoofdjes, omgeven door talrijke groote of kleine schutbladeren1413b.Bloeiwijzen niet hoofdjes-vormig, zonder groote schutbladeren1514a.Kleine en teere, op den bodem kruipende kruiden met langgesteelde hart- of niervormige bladeren. Kelk kort, 4–7-tandig, blijvend. Bloemkroon buis- tot trechtervormig met behaarde mond. Meeldraden 4–7, in de buis ingehecht. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Zaden aan de buikzijde vlak, zonder groefGeophila.14b.Krachtige meest rechtopstaande heesterachtige kruiden of heesters. Bloemen als de vorige, doch vruchtbeginsel soms 3–4-hokkig. Bladeren niet hart- of niervormig. Zaden aan de buikzijde met een diepe groefUragoga.14c.Bloemen in dichte bolvormige hoofdjes, met de vruchtbeginsels vergroeid; elk vruchtbeginsel 4-hokkig. Kelk bekervormig, nauwelijks getand. Vrucht tot een vleezige verzamelvrucht vereenigd met meerdere pitten die soms in groepen van 4 bij elkaar zitten. Boomen of heesters met meest kruisgewijs tegenoverstaande bladerenMorinda.15a.Zaden in de vrucht met het worteltje naar boven gericht. Zaadknoppen boven in de hokjes van het vruchtbeginsel bevestigd, hangend. Kelk zeer kort, 4-tandig of 4-lobbig, blijvend. Bloemkroontrechtervormigof stervormig met korte buis, in de mond en van binnen op de slippen dicht behaard. Helmknoppen uit de buis uitstekend. Vruchtbeginsel 2-hokkig; stijl kort 2-spletig. Klimmende heesters met leerachtige bladeren. Bloemen klein, in pluimen met tegenoverstaande takkenMalanea.15b.Zaden met het worteltje naar beneden. Zaadknoppen onder in het vruchtbeginsel ingehecht, rechtopstaand1616a.Vruchtbeginsel 1-hokkig of 2-hokkig, maar dan is het tusschenschot zeer dun, in ieder geval veel dunner dan de wand van het vruchtbeginsel1716b.Vruchtbeginsel 2- (zelden meer-)hokkig; tusschenschot even dik als de wand van het vruchtbeginsel1817a.Tusschenschot dun, na den bloei verdwijnend. Zaad loodrecht in de vrucht staande met den kiem op den bodem. Kelk min of meer bekervormig, zonder lobben of kort 4-lobbig. Bloemkroon trechtervormig, van binnen kaal. Boomen of heestersCoussarea.17b.Tusschenschot geheel ontbrekend. Zaad in de vrucht liggend, van onderen uitgehold met zijdelingschen kiem. Overigens als de vorigeFaramea.18a.Zaad aan de buikzijde vlak, ongegroefd. Kelk kort-5-tandig. Bloemkroon trechtervormig, met vaak naar binnen gebogen ofmet een klein hoorntje voorziene slippen, van binnen behaard. Vruchtbeginsel 2-, zelden meerhokkig. Vrucht een 2–5-hokkige steenvrucht. Boomen of heestersMapouria.18b.Zaad aan de buikzijde met een groef1919a.Bloemkroon gekromd, buis- of trechtervormig, aan één zijde meest met een kleine knobbel. Kelk beker- of klokvormig, 5-lobbig of met gave zoom. Vrucht met 2 (soms 3–5) pitten. HeestersPalicourea.19b.Bloemkroonbuis recht2020a.Zaden aan de kanten ingerold en van binnen met een dwarse uitholling. Kelkbladeren 4–5, in verschillende hoogte vergroeid. Bloemkroonbuis meest kort, in de mond behaard, de slippen vaak aan den top naar binnen gebogen en met een hoorntje voorzien. Vrucht met 2 pitten. Heesters of boomenRudgea.20b.Zaden zonder plooien in het kiemwit. Kelk kort, meest 5-tandig. Bloemkroonbuis van zeer verschillende lengte. Vrucht met 2 (zelden 3–5) pitten. Boomen of heestersPsychotria.21a.Vrucht een doosvrucht2221b.Vrucht een bes2622a.Bloemen in bolvormige hoofdjes, aan het eind van lange steelen, te zamen tot een bloeiwijze vereenigd. Planten klimmend door middel van haken, die in de bladoksels staanUncaria.(Ourouparia).22b.Bloemen niet in dergelijke hoofdjes. Planten niet met haken klimmend2323a.Kruidachtige klimplanten. Kelkslippen 4–8, blijvend, soms bladachtig. Bloemkroon meest vuurrood. Doosvrucht met 2 kleppen openspringend met talrijke gevleugelde zadenManettia.23b.Planten niet klimmend2424a.Bloemen zeer groot, meer dan 4 c.M. lang, 6-tallig; alleenstaand. Epiphyten met groote doosvruchten; zaden gevleugeldHillia.24b.Bloemen veel kleiner, hoogstens 1 c.M. groot, niet 6-tallig. Planten niet epiphytisch levend2525a.Kleine kruiden met kleine korte witte bloemen. Kelk 4-tandig blijvend. Bloemen gesteeld in groepen of kleine bloeiwijzen in de bladoksels. DoosvruchtOldenlandia.25b.Kruiden met een vrij lange buisvormige en 5-tallige bloemkroon. Kelk met 5 slippen. Bloemen vaak in dichte groepen staandSipanea.26a.Slippen van den bloemkroon met de randen tegen elkaar liggend2726b.Slippen van den bloemkroon met de randen over elkaar liggend3027a.Bloeiwijzen aan het eind van den stengel2827b.Bloeiwijzen in de bladoksels2928a.Bloeiwijzen een pluim, min of meer gedrongen. Kelk kort, blijvend. Bloemkroon buisvormig, soms zeer lang, met korte zoom, in de keel dicht behaard, 4–6-tallig. Bessen met 4–6 pitten. Heesters of boomen, met meest behaarde bladerenIsertia.28b.Bloeiwijze verlengd tot een losse aar. Kelk bekervormig. Bloemkroon trechter- of schotelvormig, van boven meest verwijd. Vruchtbeginsel 2–4-hokkig. Bes bolvormig met 2–4 meerzadige pitten, vaak maar weinig vleezigGonzalagunia.29a.Kleine kruipende kruiden. Kelkslippen 4 (zelden 5) bijna tot aan de basis vrij,blijvend. Bloemkroon trechtervormig, in den keelbehaard. Vruchtbeginsel 2-hokkig, stijl 2-spletig. Vrucht bolvormig. Bloemen dicht gedrongen aan het eind van de steelCoccocypselum.29b.Klimmende forsche kruiden met dichte beharing. Kelkslippen 4–5, nogal breed en groot. Vruchtbeginsel 3–5-hokkig; stijl 3–5-spletigSabicea.30a.Bloemkroon met een opvallend lange buis, van 5 tot 25 c.M.; bloemen tweeslachtig3130b.Bloemen klein, hoogstens 2 c.M. groot; bloemen meest éénslachtig3431a.Bloemknoppen scheef ten opzichte van de buis, daardoor de bloem een weinig zijdelings-symmetrisch. Kelk 5-tandig, van binnen met klieren. Helmknoppen buiten de buis uitstekend. Vruchten eirond met leerachtige schil, van binnen sappigPosoqueria.31b.Bloemen geheel regelmatig3232a.Bloemen alleenstaand en eindelingsch3332b.Bloemen in veelbloemige bijschermen. Kelk klein, bekervormig, 5-tandig, blijvend. Bloemkroonbuis zeer lang. Meeldraden weinig uit de buis uitstekend. Stijl even lang als de buisTocoyena.33a.Vruchtbeginsel 1-hokkig; kelkslippen meestal 5, spits en smal, aan den voet verbonden. Kroon 2–3 maal zoo groot als de kelk met 5–6, een weinig scheeve slippen. Meeldraden aan den mond van de buis ingehecht. Vrucht lang en dunGardenia.33b.Vruchtbeginsel 2-hokkig. Overigens als de vorige, doch de kroonslippen kleiner ten opzichte van de lengte van de buis en de vrucht eirondRandia.34a.Bloemen tweeslachtig3534b.Bloemen eenslachtig3735a.Bloeiwijze dicht bij den top der stengels maar toch duidelijk zijdelings staande; kelk bekervormig met zeer kleine tanden. Bloemkroon van buiten en van binnen behaard, leerachtig. Stijl lang, toegespitst. Vrucht eirond, van buiten leerachtig, van binnen sappigGenipa.Tapoeripa.35b.Bloeiwijze een tros of pluim, duidelijk eindstandig3636a.Kelk met zeer kleine tanden. Bloemkroon met groote, meest teruggeslagen slippen. Helmknoppen aan den voet verbreed. Vruchtbeginsel 5-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje. Stijl aan den top kort 5-lobbig. Vrucht met 5 eenzadige pitten. Bloemen in lange of korte trossenRetiniphyllum.36b.Kelk bekervormig 5-tandig. Bloemkroonslippen spits en smal. Vruchtbeginsel 2-hokkig; stijl aan den top 2-spletig. Vrucht met 10 ribben. Bloemen in een pluim, witBertiera.37a.Steunbladeren spits. Kelk met korte tanden. Bloemkroon van buiten slechts weinig behaard. Meeldraden in de buis ingesloten. Vruchtbeginsel 2–5-hokkig; stijl met 2–5 takken. Vrucht een besAlibertia.37b.Steunbladeren reeds vroeg afvallend zoodat er slechts een smalle rand overblijft3838a.Mannelijke en vrouwelijke bloemen in bijschermen.Bloemen 6- tot meertallig. Bloemkroonbuis van buiten dun behaard. Meeldraden in de ♀ bloem zonder stuifmeel, in de buis ingesloten. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Vrucht een eetbare besAmajoua.Marmeldoos.38b.Mannelijke bloemen in bijschermen, vrouwelijke alleenstaand of 2 aan 2. Bloemen als de vorige doch de buis van buiten met lange haren bedekt. Vrucht eetbaarDuroia,Bosch-marmeldoos.271.Caprifoliaceae.Bloemen meest 5-tallig, met vergroeide bloemkroon. Vruchtbeginsel onderstandig, 2–5-hokkig met 1 tot meer zaadknoppen in ieder hokje. Stijlen één of meer. Vrucht een bes of een steenvrucht. Bladeren meest tegenoverstaand.Boomen of heesters met vindeelige tot gevinde bladeren. Bloemen in enkelvoudige tot samengestelde schermen. Bloemkroon wit, stervormig. Vrucht een steenvruchtSambucus.Vlier.Orde:Campanulatae.275.Cucurbitaceae.Bloemen 5-tallig, zelden tweeslachtig, meest éénslachtig, regelmatig; bloemas bekervormig, kelk vergroeidbladig; bloembladeren 5; meeldraden 5, op de rand van de bloemas ingehecht, twee aan twee met elkaar verbonden of alle 5 tot één centrale groep vereenigd; vruchtbeginsel onderstandig, meest 3-hokkig, meest met 2 zaadlijsten in ieder hokje met vele zaadknoppen; stijl 1, met 3 takken; meest kruiden, die met ranken klimmen, met verspreide, enkelvoudige of gelobde bladeren.1a.Mannelijke bloemen voorhanden, of (in de 1-huizige soorten) ook ♀ bloemen21b.Alleen vrouwelijke bloemen en vruchten voorhanden (tweehuizige soorten)132a.Meeldraden 232b.Meeldraden 353a.Meeldraden in den mond van de kelkbuis ingehecht. Bloemen in trossen.Kelkbuis lang en dun met 5 kleine teruggeslagen tanden. Kroon 5-deelig. Rudiment van het vruchtbeginsel dun en draadvormigHelmontia.3b.Meeldraden op de wand van de kelkbuis ingehecht44a.Kelk groen, met eenkorte5-tandige zoom. Bloembladeren breed, vliezig, rond of eirond, rood, aan de basis sterk versmald. Bloemen in korte dichte trossen aan het eind van een lange steel. Rudiment van een vruchtbeginsel ontbrekendAnguria.4b.Kelk rood of oranje gekleurd met groote 5-deelige zoom. Bloembladeren klein, meest smal, bleekgeel, niet aan den basis plotseling versmald. Overigens als de vorigeGurania.5a.Helmknoppen recht of een weinig gebogen, niet gewonden. Planten eenhuizig. Bloemen in trossen of pluimen. Kelk klokvormig met 5 korte tanden; bloemkroon diep 5-deelig. Rudimentair vruchtbeginsel aanwezig; vrouwelijke bloemen alleenstaand, meest langgesteeld, met 3staminodiën. Vruchtbeginsel rond of langwerpig. Stijl aan den basis met een ringvormige schijf, met 3 stempels. Vrucht een kleine eironde of lange besMelothria.5b.Helmknoppen gewonden of saamgevouwen66a.Kroon stervormig tot dicht bij de basis (d. i. bij de kelkslippen) 5-deelig of 5-bladig76b.Kroon klokvormig, hoogstens tot aan het midden 5-lobbig127a.Helmdraden tot een zuil vergroeid, die van boven de 3 sterkgewonden helmknoppen draagt. Bloemen in trossen. Kelk met een klokvormige buis en 5 smalle tanden, kroon wit, diep 5-deelig. Vrouwelijke bloemen alleenstaand of 2 aan 2 met een langwerpig, sterk gestekeld vruchtbeginsel; stijl kort met knopvormige stempel. Vrucht gestekeld aan den top met 2 gaten openspringendEchinocystis.7b.Helmdraden niet tot een zuil vergroeid88a.Bladsteelen van boven met 2 klieren. Bloemen wit, steeds alleenstaand. Kelk klokvormig met 5 smalle en kleine slippen. Bloembladen 5, vrij. Meeldraden 3, in de kelkbuis ingehecht. Eén van de helmknoppen éénhokkig, de beide andere 2-hokkig. Vrouwelijke bloemen met een korte stijl en drie 2-lobbige stempels. Vrucht van buiten houtigLagenaria.Flesch-kalebas.8b.Bladsteelen zonder klier bij de bladvoet. Bloemen geel99a.Helmknoppen vrij, aan den top met een bladachtig aanhangsel. ♂ bloemen in trossen, zelden alleenstaand. Kroon 5-deelig. Helmdraden zeer kort. Vrouwelijke bloemen alleenstaand met 3 staminodiën. Stijl 1, kort met 3–5 stompe stempels. Vrucht zeer verschillend van vormCucumis.9b.Helmknoppen niet met een bladachtig aanhangsel aan den top1010a.Kelk van binnen met 2 of 3 langwerpige en gebogen schubben. Mannelijke bloemen alleenstaand met een lange bloemsteel, kelkslippen eirond tot lancetvormig; kroon een weinig onregelmatig. Vrouwelijke bloemen alleenstaand op een lange steel; vruchtbeginsel langwerpig gestekeld, vrucht met knobbelsMomordica.10b.Kelk van binnen zonder schubben1111a.Mannelijke bloemen in trossen. Bloembladeren 5, vrij, eirond of een weinig hartvormig. Meeldraden 3, soms 4 of 5, onder in de kelkbuis ingehecht. Vrouwelijke bloemen alleenstaand met 3 (soms 4 of 5) staminodiën. Vruchtbeginsel lang en gegroefd of cylindrisch. Stijl met drie 2-lobbige stempels. Vrucht bij rijpheid droog, van binnen vezelig, met een deksel openspringendLuffa.11b.Mannelijke bloemen alleenstaand, zelden groepsgewijs bij elkaar, kortgesteeld. Kelkbuis wijd-klokvormig met 5 smalle slippen. Kroon diep 5-deelig met stompe slippen. Vrouwelijke bloemen kortgesteeld met 3 korte staminodiën. Stijl met drie kort-2-lobbige stempels. Vrucht sappig, niet openspringendCitrullus.Watermeloen.12a.Bloemen geel of oranje, de mannelijke alleenzittend of in groepen. Kelk klokvormig met 5 (4–7) lobben. Bloemkroon tot aan het midden 5- (4–7-) lobbig met teruggeslagen slippen. Helmdraden onder in de kelkbuis ingehecht; helmknoppen samengekleefd. Vrouwelijke bloemen alleenstaand kortgesteeld met 3 korte staminodiën; stijl kort met 3–5 tweelobbige of 2-spletige stempels. Vrucht vleezig of vezelig niet openspringend, vele zadenCucurbita.12b.Bloemen wit of groenachtig; de mannelijke alleenstaand of in trossen of groepen. Helmdraden in de kelkbuis ingehecht, de helmknoppen maar weinig saamgekleefd. Vrouwelijke bloemen alleenstaand of in groepen; staminodiën 3, zeer klein, draadvormig. Stijl 3-spletig; schijf ringvormig. Vrucht rond of eirond niet openspringend met 6–12 zadenCayaponia.13a.♀ bloemen alleenstaand of 2 of 3 bij elkaar. Kelkbuis lang, groen met 5 tanden. Bloembladeren grooter dan de kelktanden, meestvuurrood of oranjerood. Staminodiën 2. Vruchtbeginsel langwerpig. Stijl draadvormig, 2-spletig; stempels 2, 2-lobbigAnguria.13b.♀ bloemen alleenstaand, in groepen of dicht gedrongen aan het eind van een lange steel. Kelk rood of oranje gekleurd, met vrij groote slippen. Bloembladeren bleekgeel, kleiner dan de kelkslippen. Staminodiën ontbrekend; overigens als de vorigeGurania.N. B. Van Helmontia, die ook 2-huizig is, zijn tot nu toe geen vrouwelijke bloemen bekend.276.Campanulaceae.Bloemen meest 5-tallig, zelden 6–10- of 3–4-tallig, meest tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemkroon meest vergroeidbladig; meeldraden meest 5 met vergroeide helmknoppen; vruchtbeginsel onderstandig, 2–5-hokkig met vele zaadknoppen; stijl 1; vrucht een doosvrucht, zelden een bes; kruiden, zelden houtige planten meest met verspreide bladeren en vrij groote bloemen; melksap soms aanwezig.Kruiden met okselstandige bloemen; vruchtbeginsel onderstandig; kelkslippen smal; bloemkroon een gekromde buis met zijdelings-symmetrische zoom; meeldraden 5, met de helmknoppen om den stijl vergroeid; helmdraden van onderen met de bloemkroon in een buis vergroeid. Vrucht een besCentropogon.280.Compositae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig of zygomorf; kelkbladeren zelden duidelijk ontwikkeld, meest in de plaats ervan haren of schubben, die een z.g. haarpluis vormen; bloemkroon vergroeidbladig, regelmatig of zygomorf, 2-lippig of lintvormig; meeldraden in de bloemkroonbuis vastgehecht; de helmdraden meest vrij, de helmknoppen samenhangend; vruchtbeginsel onderstandig, 1-hokkig met 1 zaadknop en 1 stijl met een zeer verschillend gevormde stempel; vrucht niet openspringend; kruiden of heesters, zelden boomen met verspreide, of tegenoverstaande bladeren, en met bloemen, die in hoofdjes of verkorte aren staan; de hoofdjes met een omwindsel van schutbladeren omgeven; melksap vaak aanwezig.1a.Bloemkroon van alle bloemen buisvormig, soms ongelijk van vorm (lange en korte buizen)21b.Bloemkroon van de middelste bloemen van het hoofdje buisvormig, van de randbloemen lintvormig, soms zeer klein en weinig opvallend212a.Vruchtpluis aanwezig, soms reeds aan de vrucht afgevallen, maar dan onder de bloem zichtbaar (Pacourina, Elephanthopus) soms zeer klein, bekervormig, of slechts uit weinig (tot 2) stekels bestaande32b.Vruchtpluis geheel afwezig173a.Hoofdjes samengesteld d. w. z. meerdere weinigbloemige hoofdjes, ieder met een eigen omwindsel, zijn vereenigd tot een groep van hoofdjes, die een gemeenschappelijk omwindsel hebben en op een gemeenschappelijke bloembodem staan43b.Hoofdjes niet samengesteld; indien er meerdere hoofdjes bij elkaar zitten, dan hebben ze geen gemeenschappelijk omwindsel en staan ze niet op een gemeenschappelijke bloembodem54a.Bladeren van onderen wit-viltig. Hoofdjes 1-bloemig, elk hoofdje in de oksel van 1 schutblad en omgeven door een 2-bladig omwindsel.Bloemkroon kort 4- (zelden 3-) spletig, wit. Vele hoofdjes vereenigd tot een okselstandige groep. Vruchtpluis bestaande uit een veeltandig kroontjeRolandra.4b.Bladeren van onderen niet wit-viltig. Hoofdjes 2–5-bloemig met een 8-bladig omwindsel in twee kransen. Hoofdjes vereenigd tot groepen, die weer in aren of trossen staanElephantopus.5a.Vruchtpluis uit talrijke haren of schubben bestaand65b.Vruchtpluis uit 2, 3 of 4 stekels bestaand166a.Hoofdjes klein, 4-bloemig, met een 4-bladig omwindsel, tot samengestelde trossen of aren vereenigd. Vruchtpluis uit 30–60 stekels bestaande in 1 rij. Bloemen wit; helmknoppen met een aanhangsel aan de basis. Bloembodem naakt, klein. Vrucht met 5 ribben. Meest windende heesters of kruidenMikania.6b.Hoofdjes met meer dan 4 bloemen en meer dan 4 omwindselbladeren77a.Hoofdjes tot 2½ c.M. breed, alleen aan den stengel zittend ten deele tegenover de bladeren met bolvormig omhulsel.Vruchten tot 1½ c.M. lang, met 10 ribben en zeer gemakkelijk afvallend haarpluis. Kruidachtige plant met groote bladerenPacourina.7b.Hoofdjes veel kleiner88a.Bloembodem met schubben98b.Bloembodem zonder schubben109a.Haarpluis klein, min of meer bekervormig vergroeid. Omwindsel 5-bladig. Vrucht slechts weinig hoekig. Hoofdjes met 6–12 bloemen; kruiden met tegenoverstaande bladerenEleutheranthera.9b.Haarpluis goed ontwikkeld, in 1–2 rijen. Omwindsel meerbladig, uit 3–4 rijen van dakpansgewijs over elkaar liggende blaadjes bestaande. Plant ruwharig met afwisselende bladerenNeurolaena.10a.Vruchtpluis uit 5–15 schubben bestaand. Hoofdjes veelbloemig. Omwindselbladeren alle ongeveer even groot, in vele rijen. Vrucht 5-hoekig. Bloemen rose-witAgeratum.10b.Vruchtpluis uit haren of stekels bestaand1111a.Omwindsel uit 5 (–8) groote smalle bladeren bestaand. Vruchtpluis stekelig met vele stekels in 1 of 2 rijen. Vrucht met talrijke ribben. Bladeren afwisselendPorophyllum.11b.Omwindsel uit meerdere blaadjes bestaande of soms uit weinig blaadjes bestaand, maar dan vruchtpluis zachtharig1212a.Vruchtpluis in meerdere rijen, verschillend van vorm; de buitenste rij korter dan de binnenste, meest borstelig; omwindselbladeren in meerdere rijen1312b.Vruchtpluis in 1 rij van gelijke haren of dicht zachtharig1413a.Helmknoppen aan den voet stomp; bloemen 20–80 per hoofdjeVernonia.13b.Helmknoppen met een aanhangsel aan den voet; bloemen 3–10 per hoofdjePiptocarpha.14a.Omwindselbladeren in meerdere rijen, verschillend van grootte3114b.Omwindselbladeren in één krans, soms met een krans van kleine blaadjes aan den voet. Vruchtpluis zachtharig. Bladeren afwisselend1515a.Hoofdjes met vrouwelijke lange buisvormige randbloemen en andersgevormde, doch ook buisvormige tweeslachtige schijfbloemen. Omwindsel uit smalle bladeren bestaand met kleine schubben aan den voetErechthites.15b.Alle bloemen gelijk van vorm en tweeslachtig; omwindsel zonder buitenschubjesEmilia.16a.Bloembodem kegelvormig of cylindervormig met gewelfde schubben. Hoofdjes langgesteeld met een kort omwindsel in 1 of 2 rijen. Vruchtpluis uit 2 stekels bestaande. Vrucht vlak. Kruiden met tegenoverstaande bladerenSpilanthes.16b.Bloembodem vlak, met schubben. Omwindsel uit 2 ongelijke rijen van blaadjes bestaande. Vruchtpluis 2–4 borstels die met kleine weerhaken bezet zijn. Vrucht min of meer 4-kantig. Kruiden met tegenoverstaande getande of gedeelde bladerenBidens.17a.Bladeren verspreid1817b.Bladeren tegenoverstaand1918a.Bladeren ingesneden. Bloemen in tot pluimen samengestelde trossen. Hoofdjes in 2 vormen op dezelfde plant; de vrouwelijke éénbloemig met één bloem zonder bloemkroon en een vergroeidbladig omwindsel dat de vrucht insluit en op de rugzijde 4–8 knobbels heeft; het mannelijke hoofdje veelbloemig, nooit vruchtdragend met een platte bloembodem; bloemen witAmbrosia.18b.Hoofdjes in groepen van 2–6 in de bladoksels zittend. Bladeren niet ingesneden. Hoofdjes 20–30-bloemig, alle bloemen gelijk van vorm, wit tot rood. Bloemkroon 3–4-deelig. Bloembodem zonder schubben. Omwindsel in meerdere rijen. Vrucht 3–4 hoekig, aan den top diep komvormigSparganophorus.19a.12–20 hoofdjes tot groepen vereenigd; elk hoofdje bestaande uit één vrouwelijke fertiele bloem met 4 tweeslachtige, steriele eromheen; de 5 bloemen omgeven door een 4-bladig omwindsel, waarvan de blaadjes paarsgewijs tegenover elkaar staan. Vrucht plat. Bloemen wit of roodachtigRiencourtia.19b.Hoofdjes niet tot groepen vereenigd2020a.Bloembodem vlak, zonder schubben. Bladeren breed. Hoofdjes in pluimen vereenigd. Bloemen wit, omwindsel klokvormig met weinig blaadjes. Hoofdjes veelbloemig, de buitenste rijen van vrouwelijke bloemen fertiel; de binnenste tweeslachtige bloemen sterielClibadium.Koenamie.20b.Bloembodem sterk convex tot kegelvormig met talrijke schubben. Bladeren smal. Hoofdjes kortgesteeld, weinige bijeen. Bloemen wit. Omwindselblaadjes weinig talrijk. Hoofdjes 20–30-bloemig; weinige van de buitenste bloemen fertiel, de rest sterielIchthyothere.Koenamie.21a.Vruchtpluis aanwezig, soms in den vorm van weinige, spoedig afvallende stekels of schubben2221b.Vruchtpluis geheel ontbrekend2922a.Vruchtpluis bestaande uit 2, 3 of 4 stekels2322b.Vruchtpluis uit haren, of schubben, of vele kleine stekeltjes bestaande2623a.Bladeren verspreid. Hoofdjes veelbloemig, die van de buitenste 1 of 2 rijen vrouwelijk en lintvormig, meest geel, de overige buisvormig; bloembodem met strooschubben. Omwindselblaadjes in 2–3 rijen. Vrucht plat en gevleugeld, met 2 stekelsVerbesina.23b.Bladeren tegenoverstaand2424a.Hoofdjes in de bladoksels zittend of bijna zittend, weinigbloemig,alle bloemen fertiel, de buitenste rij met lintvormige kroon, de binnenste rij met buisvormige kroon. Vruchten aan de lintbloemen plat en gevleugeld met lancetvormige schubben; die van de buisbloemen 3-hoekig met 2–3 stekels. Bloemen bleekgeelSynedrella.24b.Hoofdjes gesteeld, veelbloemig2525a.Bloembodem kegelvormig.Alle bloemen fertiel, die van de buitenste rij lintvormig, de binnenste buisvormig, geel of wit; vruchten van de lintbloemen meest 3-hoekig, die van de buisbloemen plat, met 2 spoedig afvallende stekels. Bladeren enkelvoudigSpilanthes.25b.Bloembodem vlak. Alle bloemen fertiel; de vruchten gelijk van vorm, een weinig vierkant met 2 tot 4 blijvende stekels aan den top, die met weerhakenbezetzijn. Bladeren meest samengesteld. Bloemen geelBidens.26a.Vruchtpluis uit lange haren bestaand, hoofdjes met vele bloemen, alle vruchtbaar, de buitenste klein, lintvormig, de binnenste buisvormig. Omwindselblaadjes in weinig rijen. Hoofdjes gesteeld, in trossen of pluimenErigeron.26b.Vruchtpluis bestaande uit kleine stekeltjes of uit schubben of uit een krans van vergroeide korte haartjes, die kleiner zijn dan de vrucht2727a.Bloemen geel; hoofdjes 6–12-bloemig, kortgesteeld, de lintbloemen onvruchtbaar, de buisbloemen fertiel. Omwindsel uit 5 blaadjes bestaand. Bloembodem met samengevouwen strooschubben. Kruidachtige plant met tegenoverstaande gesteelde bladeren. Vruchtpluis klein, eenigszins bekervormig vergroeidEleutheranthera.27b.Bloemen geel of oranje; hoofdjes veelbloemig, langgesteeld; omwindsel uit meerdere sterk vergroeide blaadjes bestaande. Planten met tegenoverstaande vindeelige bladeren. Vruchtpluis bestaande uit 5–6 ongelijke schubbenTagetes.Afrikanen.27c.Bloemen wit, hoofdjes gesteeld, veelbloemig2828a.Bladeren afwisselend dubbelvindeelig. Alleen de 5 buitenste bloemen lintvormig, fertiel met platte vruchtjes, die aan den top 3–4 kleine eironde schubjes dragen. Middelste bloemen buisvormigParthenium.28b.Bladeren tegenoverstaand niet ingesneden. Alle bloemen fertiel, de buitenste lint-, de binnenste buisvormig. Vruchten van de buitenste bloemen 3-hoekig, van de binnenste plat, aan den top met een korte kroon van stekeltjes. Bloembodem eenigszins bol met kleine afvallende schubben. Omwindselbladeren klokvormig in 2 rijenEclipta.Loso-wiwirie;Louisa-wiwirie.29a.Hoofdjes weinigbloemig; omwindselblaadjes in 2 rijen, die van de buitenste rij bladachtig, de binnenste rij gestekeld aan de buitenkant, de vruchtjes der lintbloemen geheel omsluitend, waardoor de vruchten gestekeld schijnen. De binnenste bloemen buisvormig,steriel. Vertakte kruiden met tegenoverstaande getande bladerenAcanthospermum.29b.Hoofdjes veelbloemig; omwindselblaadjes zonder stekels3030a.Hoofdjes klein, kortgesteeld of zittend. Omwindselblaadjes in 2 rijen, de buitenste rij bladachtig, de binnenste rij met de vruchtjes vergroeid. Lintbloemen alleen fertiel, de buisbloemen steriel. Vruchtjes eirond. Plant naar kamfer riekendMelampodium.Kamferbladeren.30b.Hoofdjes vrij groot, geel, gesteeld, de lintbloemen ongeslachtelijk, steriel, de buisbloemen fertiel met zwarte hoekige en kale vruchtjes. Bloembodem met strooschubben. Omwindsel uit 2 rijen van korte blaadjes bestaande. Groote rechtopstaande planten met ruwe bladerenWulffia.31a.Alle bloemen in hetzelfde hoofdje gelijk van vorm3231b.De buitenste bloemen in het hoofdje zeer dun, bijna draadvormig, vrouwelijk, de binnenste uit een wijdere buis bestaande, tweeslachtig; alle of bijna alle fertiel. Omwindsel klokvormig, met zeer smalle blaadjes, de buitenste geleidelijk korter wordend. Hoofdjes niet talrijk, in een bijschermConyza.32a.Planten geheel tweehuizig, d. w. z. de eene plant heeft alleen hoofdjes met zeer dunne, bijna draadvormige, vrouwelijke buisbloemen, de andere plant alleen hoofdjes met mannelijke bloemen, waarvan de bloemkroon een wijdere buis is. Vruchten met 10 ribben. Planten met verspreide bladerenBaccharis.32b.Alle bloemen tweeslachtig en fertiel. Vruchtpluis langer dan de vrucht, in 1 rij staande. Omwindselbladeren in meerdere rijen, verschillend van vorm. Vrucht 5-hoekig.Hoofdjes 5–100-bloemig. Bladeren, vooral de onderste, bijna steeds tegenoverstaandEupatorium.

Orde:Plantaginales.269.Plantaginaceae.Bloemen 4-tallig; tweeslachtig, of éénslachtig, regelmatig; kelkbladeren 4; bloemkroon 4-spletig; meeldraden 4 met de kroon vergroeid; vruchtbeginsel 1–4-hokkig met 1 tot weinige zaadknoppen; vrucht een met een deksel openspringende doosvrucht of een noot; meest kruiden, met verspreide, zelden tegenoverstaande bladeren; bloemen in aren.Bloemen in aren; kelk 4-deelig; bloemkroon met 4 slippen, klein, vliezig, bruinachtig. Meeldraden 4, met lange helmdraden; stijl lang; vrucht met een deksel openspringend; bladeren in een wortelrosetPlantago.Orde:Rubiales.270.Rubiaceae.Bloemen 4- of 5-, zelden meertallig met een onderstandig vruchtbeginsel dat meest evenveel, zelden minder hokjes heeft als bloemkroonslippen; tweeslachtig, zelden éénslachtig, regelmatig, zelden min of meer zygomorf; kelk meest open; bloemkroonslippen in de knop met de randen over elkaar liggend of tegen elkaar liggend of gedraaid; hokjes van het vruchtbeginsel met 1 tot talrijke zaadknoppen; stijl 1, met een meest onvertakte stempel; vrucht zeer verschillend; kruiden of houtige planten met kruisgewijs tegenoverstaande bladeren en steunbladeren, die soms zeer groot zijn.1a.Vruchtbeginsel met slechts 1 zaadknop in ieder hokje21b.Vruchtbeginsel met 2 tot meer zaadknoppen in ieder hokje212a.Bloemkroonslippen in den knop gedraaid of met de randen over elkaar liggend32b.Bloemkroonslippen in den knop met de randen tegen elkaar liggend53a.Bloemen in okselstandige één- of tweemaal vorksgewijs gedeelde bloeiwijzen, waarvan de takken aarvormig zijn en eenzijdig bloemen dragen. Kelk afvallend na de bloei. Bloemkroon met lange buis. Meeldraden in de bloemkroon ingesloten. Vruchtbeginsel 4–9-hokkigGuettarda.3b.Bloemen in okselstandige of eindstandige schermen of aren. Meeldraden buiten de buis uitstekend; vruchtbeginsel 2-hokkig44a.Bloemen in groepen in de bladoksels gezeten, 5- of meertalligCoffea.4b.Bloemen in een eindelingsche pluim of scherm, 4-talligIxora.Faja-lobbie.5a.Kleine kruiden of heesters met zeer kleine bloemen die in groepen in de bladoksels zitten of in kleine hoofdjes aan het eind van den stengel en rondom den stengel zitten. Bladeren steeds klein, (hoogstens eenige c.M.lang).Steunbladeren tot een scheede vergroeid, die aan den rand met lange tanden of haren bezet is. Vrucht een tweezadige doosvrucht of in 2 stukken uiteenvallend65b.Groote heesters of boomen met groote of vrij groote bladeren en groote bloemen. Vrucht 1-zadig, of indien zij meerzadig is, dan niet openspringend116a.Doosvrucht met een deksel openspringend76b.Doosvrucht 2-hokkig, met 2 kleppen openspringend of in 2 stukken uiteenvallend87a.Doosvrucht 3-hokkig. Kelkslippen 2, vrij of aan de basis vergroeid. Helmknoppen behaard. Bloemen in hoofdjes met vliezige schutbladeren stijf behaardPerama.7b.Doosvrucht 2-hokkig. Kelkslippen 4, ongelijk. Hoofdjes met droogvliezige bloemsteelblaadjes. Habitus als de vorigeMitracarpus.8a.Doosvrucht in 2 stukken uiteenvallend98b.Doosvrucht met kleppen openspringend109a.Stukken van de doosvrucht gesloten blijvend. Kelkslippen 2 of 4 aan de basis vergroeid. Bloemkroon trechtervormig, 4-lobbig. Bloemen in okselstandige schijnkransen. Bladeren smal, meest ruwDiodia.9b.Stukken van de doosvrucht aan de binnenzijde geopend. Kelkslippen 4, aan de basis hoog vergroeid. Overigens als de vorigeHemidiodia.10a.Een van de beide kleppen van de doosvrucht laat van het middenschot los, de andere blijft gesloten. Kelkslippen 4, aan de basis verbonden. Meeldraden beneden in de buis van de bloemkroon ingehechtSpermacoce.10b.Beide kleppen van de doosvrucht laten van het middenschot los en springen open. Kelkslippen 2 of 4, meer of minder met elkaar vergroeid. Meeldraden meest boven in de buis ingehecht. Habitus als DiodiaBorreria.11a.Vruchtbeginsel bovenstandig. Kelk 4–5-tandig of 4–5-lobbig. Bloemkroon stervormig, van binnen behaard. Meeldraden bovenin de buis vastgehecht. Stijl 2-deelig. Boomen en heesters met leerachtige bladeren, met zeer stijl opgerichte zijnerven. Bloemen dicht bij elkaar zittend, in groepenPagamea.11b.Vruchtbeginsel onderstandig1212a.Heesters met dorens. Bloemkroon en kelk 5-tallig, de bloemkroonbuis zeer lang, van buiten behaard met lange en spitse slippen. Bloemen in korte trossen; bladeren meest groepsgewijs bijeenzittend aan korte takkenAnisomeris.12b.Planten zonder dorens1313a.Bloeiwijzen dichtgedrongen, bloemen in hoofdjes, omgeven door talrijke groote of kleine schutbladeren1413b.Bloeiwijzen niet hoofdjes-vormig, zonder groote schutbladeren1514a.Kleine en teere, op den bodem kruipende kruiden met langgesteelde hart- of niervormige bladeren. Kelk kort, 4–7-tandig, blijvend. Bloemkroon buis- tot trechtervormig met behaarde mond. Meeldraden 4–7, in de buis ingehecht. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Zaden aan de buikzijde vlak, zonder groefGeophila.14b.Krachtige meest rechtopstaande heesterachtige kruiden of heesters. Bloemen als de vorige, doch vruchtbeginsel soms 3–4-hokkig. Bladeren niet hart- of niervormig. Zaden aan de buikzijde met een diepe groefUragoga.14c.Bloemen in dichte bolvormige hoofdjes, met de vruchtbeginsels vergroeid; elk vruchtbeginsel 4-hokkig. Kelk bekervormig, nauwelijks getand. Vrucht tot een vleezige verzamelvrucht vereenigd met meerdere pitten die soms in groepen van 4 bij elkaar zitten. Boomen of heesters met meest kruisgewijs tegenoverstaande bladerenMorinda.15a.Zaden in de vrucht met het worteltje naar boven gericht. Zaadknoppen boven in de hokjes van het vruchtbeginsel bevestigd, hangend. Kelk zeer kort, 4-tandig of 4-lobbig, blijvend. Bloemkroontrechtervormigof stervormig met korte buis, in de mond en van binnen op de slippen dicht behaard. Helmknoppen uit de buis uitstekend. Vruchtbeginsel 2-hokkig; stijl kort 2-spletig. Klimmende heesters met leerachtige bladeren. Bloemen klein, in pluimen met tegenoverstaande takkenMalanea.15b.Zaden met het worteltje naar beneden. Zaadknoppen onder in het vruchtbeginsel ingehecht, rechtopstaand1616a.Vruchtbeginsel 1-hokkig of 2-hokkig, maar dan is het tusschenschot zeer dun, in ieder geval veel dunner dan de wand van het vruchtbeginsel1716b.Vruchtbeginsel 2- (zelden meer-)hokkig; tusschenschot even dik als de wand van het vruchtbeginsel1817a.Tusschenschot dun, na den bloei verdwijnend. Zaad loodrecht in de vrucht staande met den kiem op den bodem. Kelk min of meer bekervormig, zonder lobben of kort 4-lobbig. Bloemkroon trechtervormig, van binnen kaal. Boomen of heestersCoussarea.17b.Tusschenschot geheel ontbrekend. Zaad in de vrucht liggend, van onderen uitgehold met zijdelingschen kiem. Overigens als de vorigeFaramea.18a.Zaad aan de buikzijde vlak, ongegroefd. Kelk kort-5-tandig. Bloemkroon trechtervormig, met vaak naar binnen gebogen ofmet een klein hoorntje voorziene slippen, van binnen behaard. Vruchtbeginsel 2-, zelden meerhokkig. Vrucht een 2–5-hokkige steenvrucht. Boomen of heestersMapouria.18b.Zaad aan de buikzijde met een groef1919a.Bloemkroon gekromd, buis- of trechtervormig, aan één zijde meest met een kleine knobbel. Kelk beker- of klokvormig, 5-lobbig of met gave zoom. Vrucht met 2 (soms 3–5) pitten. HeestersPalicourea.19b.Bloemkroonbuis recht2020a.Zaden aan de kanten ingerold en van binnen met een dwarse uitholling. Kelkbladeren 4–5, in verschillende hoogte vergroeid. Bloemkroonbuis meest kort, in de mond behaard, de slippen vaak aan den top naar binnen gebogen en met een hoorntje voorzien. Vrucht met 2 pitten. Heesters of boomenRudgea.20b.Zaden zonder plooien in het kiemwit. Kelk kort, meest 5-tandig. Bloemkroonbuis van zeer verschillende lengte. Vrucht met 2 (zelden 3–5) pitten. Boomen of heestersPsychotria.21a.Vrucht een doosvrucht2221b.Vrucht een bes2622a.Bloemen in bolvormige hoofdjes, aan het eind van lange steelen, te zamen tot een bloeiwijze vereenigd. Planten klimmend door middel van haken, die in de bladoksels staanUncaria.(Ourouparia).22b.Bloemen niet in dergelijke hoofdjes. Planten niet met haken klimmend2323a.Kruidachtige klimplanten. Kelkslippen 4–8, blijvend, soms bladachtig. Bloemkroon meest vuurrood. Doosvrucht met 2 kleppen openspringend met talrijke gevleugelde zadenManettia.23b.Planten niet klimmend2424a.Bloemen zeer groot, meer dan 4 c.M. lang, 6-tallig; alleenstaand. Epiphyten met groote doosvruchten; zaden gevleugeldHillia.24b.Bloemen veel kleiner, hoogstens 1 c.M. groot, niet 6-tallig. Planten niet epiphytisch levend2525a.Kleine kruiden met kleine korte witte bloemen. Kelk 4-tandig blijvend. Bloemen gesteeld in groepen of kleine bloeiwijzen in de bladoksels. DoosvruchtOldenlandia.25b.Kruiden met een vrij lange buisvormige en 5-tallige bloemkroon. Kelk met 5 slippen. Bloemen vaak in dichte groepen staandSipanea.26a.Slippen van den bloemkroon met de randen tegen elkaar liggend2726b.Slippen van den bloemkroon met de randen over elkaar liggend3027a.Bloeiwijzen aan het eind van den stengel2827b.Bloeiwijzen in de bladoksels2928a.Bloeiwijzen een pluim, min of meer gedrongen. Kelk kort, blijvend. Bloemkroon buisvormig, soms zeer lang, met korte zoom, in de keel dicht behaard, 4–6-tallig. Bessen met 4–6 pitten. Heesters of boomen, met meest behaarde bladerenIsertia.28b.Bloeiwijze verlengd tot een losse aar. Kelk bekervormig. Bloemkroon trechter- of schotelvormig, van boven meest verwijd. Vruchtbeginsel 2–4-hokkig. Bes bolvormig met 2–4 meerzadige pitten, vaak maar weinig vleezigGonzalagunia.29a.Kleine kruipende kruiden. Kelkslippen 4 (zelden 5) bijna tot aan de basis vrij,blijvend. Bloemkroon trechtervormig, in den keelbehaard. Vruchtbeginsel 2-hokkig, stijl 2-spletig. Vrucht bolvormig. Bloemen dicht gedrongen aan het eind van de steelCoccocypselum.29b.Klimmende forsche kruiden met dichte beharing. Kelkslippen 4–5, nogal breed en groot. Vruchtbeginsel 3–5-hokkig; stijl 3–5-spletigSabicea.30a.Bloemkroon met een opvallend lange buis, van 5 tot 25 c.M.; bloemen tweeslachtig3130b.Bloemen klein, hoogstens 2 c.M. groot; bloemen meest éénslachtig3431a.Bloemknoppen scheef ten opzichte van de buis, daardoor de bloem een weinig zijdelings-symmetrisch. Kelk 5-tandig, van binnen met klieren. Helmknoppen buiten de buis uitstekend. Vruchten eirond met leerachtige schil, van binnen sappigPosoqueria.31b.Bloemen geheel regelmatig3232a.Bloemen alleenstaand en eindelingsch3332b.Bloemen in veelbloemige bijschermen. Kelk klein, bekervormig, 5-tandig, blijvend. Bloemkroonbuis zeer lang. Meeldraden weinig uit de buis uitstekend. Stijl even lang als de buisTocoyena.33a.Vruchtbeginsel 1-hokkig; kelkslippen meestal 5, spits en smal, aan den voet verbonden. Kroon 2–3 maal zoo groot als de kelk met 5–6, een weinig scheeve slippen. Meeldraden aan den mond van de buis ingehecht. Vrucht lang en dunGardenia.33b.Vruchtbeginsel 2-hokkig. Overigens als de vorige, doch de kroonslippen kleiner ten opzichte van de lengte van de buis en de vrucht eirondRandia.34a.Bloemen tweeslachtig3534b.Bloemen eenslachtig3735a.Bloeiwijze dicht bij den top der stengels maar toch duidelijk zijdelings staande; kelk bekervormig met zeer kleine tanden. Bloemkroon van buiten en van binnen behaard, leerachtig. Stijl lang, toegespitst. Vrucht eirond, van buiten leerachtig, van binnen sappigGenipa.Tapoeripa.35b.Bloeiwijze een tros of pluim, duidelijk eindstandig3636a.Kelk met zeer kleine tanden. Bloemkroon met groote, meest teruggeslagen slippen. Helmknoppen aan den voet verbreed. Vruchtbeginsel 5-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje. Stijl aan den top kort 5-lobbig. Vrucht met 5 eenzadige pitten. Bloemen in lange of korte trossenRetiniphyllum.36b.Kelk bekervormig 5-tandig. Bloemkroonslippen spits en smal. Vruchtbeginsel 2-hokkig; stijl aan den top 2-spletig. Vrucht met 10 ribben. Bloemen in een pluim, witBertiera.37a.Steunbladeren spits. Kelk met korte tanden. Bloemkroon van buiten slechts weinig behaard. Meeldraden in de buis ingesloten. Vruchtbeginsel 2–5-hokkig; stijl met 2–5 takken. Vrucht een besAlibertia.37b.Steunbladeren reeds vroeg afvallend zoodat er slechts een smalle rand overblijft3838a.Mannelijke en vrouwelijke bloemen in bijschermen.Bloemen 6- tot meertallig. Bloemkroonbuis van buiten dun behaard. Meeldraden in de ♀ bloem zonder stuifmeel, in de buis ingesloten. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Vrucht een eetbare besAmajoua.Marmeldoos.38b.Mannelijke bloemen in bijschermen, vrouwelijke alleenstaand of 2 aan 2. Bloemen als de vorige doch de buis van buiten met lange haren bedekt. Vrucht eetbaarDuroia,Bosch-marmeldoos.271.Caprifoliaceae.Bloemen meest 5-tallig, met vergroeide bloemkroon. Vruchtbeginsel onderstandig, 2–5-hokkig met 1 tot meer zaadknoppen in ieder hokje. Stijlen één of meer. Vrucht een bes of een steenvrucht. Bladeren meest tegenoverstaand.Boomen of heesters met vindeelige tot gevinde bladeren. Bloemen in enkelvoudige tot samengestelde schermen. Bloemkroon wit, stervormig. Vrucht een steenvruchtSambucus.Vlier.Orde:Campanulatae.275.Cucurbitaceae.Bloemen 5-tallig, zelden tweeslachtig, meest éénslachtig, regelmatig; bloemas bekervormig, kelk vergroeidbladig; bloembladeren 5; meeldraden 5, op de rand van de bloemas ingehecht, twee aan twee met elkaar verbonden of alle 5 tot één centrale groep vereenigd; vruchtbeginsel onderstandig, meest 3-hokkig, meest met 2 zaadlijsten in ieder hokje met vele zaadknoppen; stijl 1, met 3 takken; meest kruiden, die met ranken klimmen, met verspreide, enkelvoudige of gelobde bladeren.1a.Mannelijke bloemen voorhanden, of (in de 1-huizige soorten) ook ♀ bloemen21b.Alleen vrouwelijke bloemen en vruchten voorhanden (tweehuizige soorten)132a.Meeldraden 232b.Meeldraden 353a.Meeldraden in den mond van de kelkbuis ingehecht. Bloemen in trossen.Kelkbuis lang en dun met 5 kleine teruggeslagen tanden. Kroon 5-deelig. Rudiment van het vruchtbeginsel dun en draadvormigHelmontia.3b.Meeldraden op de wand van de kelkbuis ingehecht44a.Kelk groen, met eenkorte5-tandige zoom. Bloembladeren breed, vliezig, rond of eirond, rood, aan de basis sterk versmald. Bloemen in korte dichte trossen aan het eind van een lange steel. Rudiment van een vruchtbeginsel ontbrekendAnguria.4b.Kelk rood of oranje gekleurd met groote 5-deelige zoom. Bloembladeren klein, meest smal, bleekgeel, niet aan den basis plotseling versmald. Overigens als de vorigeGurania.5a.Helmknoppen recht of een weinig gebogen, niet gewonden. Planten eenhuizig. Bloemen in trossen of pluimen. Kelk klokvormig met 5 korte tanden; bloemkroon diep 5-deelig. Rudimentair vruchtbeginsel aanwezig; vrouwelijke bloemen alleenstaand, meest langgesteeld, met 3staminodiën. Vruchtbeginsel rond of langwerpig. Stijl aan den basis met een ringvormige schijf, met 3 stempels. Vrucht een kleine eironde of lange besMelothria.5b.Helmknoppen gewonden of saamgevouwen66a.Kroon stervormig tot dicht bij de basis (d. i. bij de kelkslippen) 5-deelig of 5-bladig76b.Kroon klokvormig, hoogstens tot aan het midden 5-lobbig127a.Helmdraden tot een zuil vergroeid, die van boven de 3 sterkgewonden helmknoppen draagt. Bloemen in trossen. Kelk met een klokvormige buis en 5 smalle tanden, kroon wit, diep 5-deelig. Vrouwelijke bloemen alleenstaand of 2 aan 2 met een langwerpig, sterk gestekeld vruchtbeginsel; stijl kort met knopvormige stempel. Vrucht gestekeld aan den top met 2 gaten openspringendEchinocystis.7b.Helmdraden niet tot een zuil vergroeid88a.Bladsteelen van boven met 2 klieren. Bloemen wit, steeds alleenstaand. Kelk klokvormig met 5 smalle en kleine slippen. Bloembladen 5, vrij. Meeldraden 3, in de kelkbuis ingehecht. Eén van de helmknoppen éénhokkig, de beide andere 2-hokkig. Vrouwelijke bloemen met een korte stijl en drie 2-lobbige stempels. Vrucht van buiten houtigLagenaria.Flesch-kalebas.8b.Bladsteelen zonder klier bij de bladvoet. Bloemen geel99a.Helmknoppen vrij, aan den top met een bladachtig aanhangsel. ♂ bloemen in trossen, zelden alleenstaand. Kroon 5-deelig. Helmdraden zeer kort. Vrouwelijke bloemen alleenstaand met 3 staminodiën. Stijl 1, kort met 3–5 stompe stempels. Vrucht zeer verschillend van vormCucumis.9b.Helmknoppen niet met een bladachtig aanhangsel aan den top1010a.Kelk van binnen met 2 of 3 langwerpige en gebogen schubben. Mannelijke bloemen alleenstaand met een lange bloemsteel, kelkslippen eirond tot lancetvormig; kroon een weinig onregelmatig. Vrouwelijke bloemen alleenstaand op een lange steel; vruchtbeginsel langwerpig gestekeld, vrucht met knobbelsMomordica.10b.Kelk van binnen zonder schubben1111a.Mannelijke bloemen in trossen. Bloembladeren 5, vrij, eirond of een weinig hartvormig. Meeldraden 3, soms 4 of 5, onder in de kelkbuis ingehecht. Vrouwelijke bloemen alleenstaand met 3 (soms 4 of 5) staminodiën. Vruchtbeginsel lang en gegroefd of cylindrisch. Stijl met drie 2-lobbige stempels. Vrucht bij rijpheid droog, van binnen vezelig, met een deksel openspringendLuffa.11b.Mannelijke bloemen alleenstaand, zelden groepsgewijs bij elkaar, kortgesteeld. Kelkbuis wijd-klokvormig met 5 smalle slippen. Kroon diep 5-deelig met stompe slippen. Vrouwelijke bloemen kortgesteeld met 3 korte staminodiën. Stijl met drie kort-2-lobbige stempels. Vrucht sappig, niet openspringendCitrullus.Watermeloen.12a.Bloemen geel of oranje, de mannelijke alleenzittend of in groepen. Kelk klokvormig met 5 (4–7) lobben. Bloemkroon tot aan het midden 5- (4–7-) lobbig met teruggeslagen slippen. Helmdraden onder in de kelkbuis ingehecht; helmknoppen samengekleefd. Vrouwelijke bloemen alleenstaand kortgesteeld met 3 korte staminodiën; stijl kort met 3–5 tweelobbige of 2-spletige stempels. Vrucht vleezig of vezelig niet openspringend, vele zadenCucurbita.12b.Bloemen wit of groenachtig; de mannelijke alleenstaand of in trossen of groepen. Helmdraden in de kelkbuis ingehecht, de helmknoppen maar weinig saamgekleefd. Vrouwelijke bloemen alleenstaand of in groepen; staminodiën 3, zeer klein, draadvormig. Stijl 3-spletig; schijf ringvormig. Vrucht rond of eirond niet openspringend met 6–12 zadenCayaponia.13a.♀ bloemen alleenstaand of 2 of 3 bij elkaar. Kelkbuis lang, groen met 5 tanden. Bloembladeren grooter dan de kelktanden, meestvuurrood of oranjerood. Staminodiën 2. Vruchtbeginsel langwerpig. Stijl draadvormig, 2-spletig; stempels 2, 2-lobbigAnguria.13b.♀ bloemen alleenstaand, in groepen of dicht gedrongen aan het eind van een lange steel. Kelk rood of oranje gekleurd, met vrij groote slippen. Bloembladeren bleekgeel, kleiner dan de kelkslippen. Staminodiën ontbrekend; overigens als de vorigeGurania.N. B. Van Helmontia, die ook 2-huizig is, zijn tot nu toe geen vrouwelijke bloemen bekend.276.Campanulaceae.Bloemen meest 5-tallig, zelden 6–10- of 3–4-tallig, meest tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemkroon meest vergroeidbladig; meeldraden meest 5 met vergroeide helmknoppen; vruchtbeginsel onderstandig, 2–5-hokkig met vele zaadknoppen; stijl 1; vrucht een doosvrucht, zelden een bes; kruiden, zelden houtige planten meest met verspreide bladeren en vrij groote bloemen; melksap soms aanwezig.Kruiden met okselstandige bloemen; vruchtbeginsel onderstandig; kelkslippen smal; bloemkroon een gekromde buis met zijdelings-symmetrische zoom; meeldraden 5, met de helmknoppen om den stijl vergroeid; helmdraden van onderen met de bloemkroon in een buis vergroeid. Vrucht een besCentropogon.280.Compositae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig of zygomorf; kelkbladeren zelden duidelijk ontwikkeld, meest in de plaats ervan haren of schubben, die een z.g. haarpluis vormen; bloemkroon vergroeidbladig, regelmatig of zygomorf, 2-lippig of lintvormig; meeldraden in de bloemkroonbuis vastgehecht; de helmdraden meest vrij, de helmknoppen samenhangend; vruchtbeginsel onderstandig, 1-hokkig met 1 zaadknop en 1 stijl met een zeer verschillend gevormde stempel; vrucht niet openspringend; kruiden of heesters, zelden boomen met verspreide, of tegenoverstaande bladeren, en met bloemen, die in hoofdjes of verkorte aren staan; de hoofdjes met een omwindsel van schutbladeren omgeven; melksap vaak aanwezig.1a.Bloemkroon van alle bloemen buisvormig, soms ongelijk van vorm (lange en korte buizen)21b.Bloemkroon van de middelste bloemen van het hoofdje buisvormig, van de randbloemen lintvormig, soms zeer klein en weinig opvallend212a.Vruchtpluis aanwezig, soms reeds aan de vrucht afgevallen, maar dan onder de bloem zichtbaar (Pacourina, Elephanthopus) soms zeer klein, bekervormig, of slechts uit weinig (tot 2) stekels bestaande32b.Vruchtpluis geheel afwezig173a.Hoofdjes samengesteld d. w. z. meerdere weinigbloemige hoofdjes, ieder met een eigen omwindsel, zijn vereenigd tot een groep van hoofdjes, die een gemeenschappelijk omwindsel hebben en op een gemeenschappelijke bloembodem staan43b.Hoofdjes niet samengesteld; indien er meerdere hoofdjes bij elkaar zitten, dan hebben ze geen gemeenschappelijk omwindsel en staan ze niet op een gemeenschappelijke bloembodem54a.Bladeren van onderen wit-viltig. Hoofdjes 1-bloemig, elk hoofdje in de oksel van 1 schutblad en omgeven door een 2-bladig omwindsel.Bloemkroon kort 4- (zelden 3-) spletig, wit. Vele hoofdjes vereenigd tot een okselstandige groep. Vruchtpluis bestaande uit een veeltandig kroontjeRolandra.4b.Bladeren van onderen niet wit-viltig. Hoofdjes 2–5-bloemig met een 8-bladig omwindsel in twee kransen. Hoofdjes vereenigd tot groepen, die weer in aren of trossen staanElephantopus.5a.Vruchtpluis uit talrijke haren of schubben bestaand65b.Vruchtpluis uit 2, 3 of 4 stekels bestaand166a.Hoofdjes klein, 4-bloemig, met een 4-bladig omwindsel, tot samengestelde trossen of aren vereenigd. Vruchtpluis uit 30–60 stekels bestaande in 1 rij. Bloemen wit; helmknoppen met een aanhangsel aan de basis. Bloembodem naakt, klein. Vrucht met 5 ribben. Meest windende heesters of kruidenMikania.6b.Hoofdjes met meer dan 4 bloemen en meer dan 4 omwindselbladeren77a.Hoofdjes tot 2½ c.M. breed, alleen aan den stengel zittend ten deele tegenover de bladeren met bolvormig omhulsel.Vruchten tot 1½ c.M. lang, met 10 ribben en zeer gemakkelijk afvallend haarpluis. Kruidachtige plant met groote bladerenPacourina.7b.Hoofdjes veel kleiner88a.Bloembodem met schubben98b.Bloembodem zonder schubben109a.Haarpluis klein, min of meer bekervormig vergroeid. Omwindsel 5-bladig. Vrucht slechts weinig hoekig. Hoofdjes met 6–12 bloemen; kruiden met tegenoverstaande bladerenEleutheranthera.9b.Haarpluis goed ontwikkeld, in 1–2 rijen. Omwindsel meerbladig, uit 3–4 rijen van dakpansgewijs over elkaar liggende blaadjes bestaande. Plant ruwharig met afwisselende bladerenNeurolaena.10a.Vruchtpluis uit 5–15 schubben bestaand. Hoofdjes veelbloemig. Omwindselbladeren alle ongeveer even groot, in vele rijen. Vrucht 5-hoekig. Bloemen rose-witAgeratum.10b.Vruchtpluis uit haren of stekels bestaand1111a.Omwindsel uit 5 (–8) groote smalle bladeren bestaand. Vruchtpluis stekelig met vele stekels in 1 of 2 rijen. Vrucht met talrijke ribben. Bladeren afwisselendPorophyllum.11b.Omwindsel uit meerdere blaadjes bestaande of soms uit weinig blaadjes bestaand, maar dan vruchtpluis zachtharig1212a.Vruchtpluis in meerdere rijen, verschillend van vorm; de buitenste rij korter dan de binnenste, meest borstelig; omwindselbladeren in meerdere rijen1312b.Vruchtpluis in 1 rij van gelijke haren of dicht zachtharig1413a.Helmknoppen aan den voet stomp; bloemen 20–80 per hoofdjeVernonia.13b.Helmknoppen met een aanhangsel aan den voet; bloemen 3–10 per hoofdjePiptocarpha.14a.Omwindselbladeren in meerdere rijen, verschillend van grootte3114b.Omwindselbladeren in één krans, soms met een krans van kleine blaadjes aan den voet. Vruchtpluis zachtharig. Bladeren afwisselend1515a.Hoofdjes met vrouwelijke lange buisvormige randbloemen en andersgevormde, doch ook buisvormige tweeslachtige schijfbloemen. Omwindsel uit smalle bladeren bestaand met kleine schubben aan den voetErechthites.15b.Alle bloemen gelijk van vorm en tweeslachtig; omwindsel zonder buitenschubjesEmilia.16a.Bloembodem kegelvormig of cylindervormig met gewelfde schubben. Hoofdjes langgesteeld met een kort omwindsel in 1 of 2 rijen. Vruchtpluis uit 2 stekels bestaande. Vrucht vlak. Kruiden met tegenoverstaande bladerenSpilanthes.16b.Bloembodem vlak, met schubben. Omwindsel uit 2 ongelijke rijen van blaadjes bestaande. Vruchtpluis 2–4 borstels die met kleine weerhaken bezet zijn. Vrucht min of meer 4-kantig. Kruiden met tegenoverstaande getande of gedeelde bladerenBidens.17a.Bladeren verspreid1817b.Bladeren tegenoverstaand1918a.Bladeren ingesneden. Bloemen in tot pluimen samengestelde trossen. Hoofdjes in 2 vormen op dezelfde plant; de vrouwelijke éénbloemig met één bloem zonder bloemkroon en een vergroeidbladig omwindsel dat de vrucht insluit en op de rugzijde 4–8 knobbels heeft; het mannelijke hoofdje veelbloemig, nooit vruchtdragend met een platte bloembodem; bloemen witAmbrosia.18b.Hoofdjes in groepen van 2–6 in de bladoksels zittend. Bladeren niet ingesneden. Hoofdjes 20–30-bloemig, alle bloemen gelijk van vorm, wit tot rood. Bloemkroon 3–4-deelig. Bloembodem zonder schubben. Omwindsel in meerdere rijen. Vrucht 3–4 hoekig, aan den top diep komvormigSparganophorus.19a.12–20 hoofdjes tot groepen vereenigd; elk hoofdje bestaande uit één vrouwelijke fertiele bloem met 4 tweeslachtige, steriele eromheen; de 5 bloemen omgeven door een 4-bladig omwindsel, waarvan de blaadjes paarsgewijs tegenover elkaar staan. Vrucht plat. Bloemen wit of roodachtigRiencourtia.19b.Hoofdjes niet tot groepen vereenigd2020a.Bloembodem vlak, zonder schubben. Bladeren breed. Hoofdjes in pluimen vereenigd. Bloemen wit, omwindsel klokvormig met weinig blaadjes. Hoofdjes veelbloemig, de buitenste rijen van vrouwelijke bloemen fertiel; de binnenste tweeslachtige bloemen sterielClibadium.Koenamie.20b.Bloembodem sterk convex tot kegelvormig met talrijke schubben. Bladeren smal. Hoofdjes kortgesteeld, weinige bijeen. Bloemen wit. Omwindselblaadjes weinig talrijk. Hoofdjes 20–30-bloemig; weinige van de buitenste bloemen fertiel, de rest sterielIchthyothere.Koenamie.21a.Vruchtpluis aanwezig, soms in den vorm van weinige, spoedig afvallende stekels of schubben2221b.Vruchtpluis geheel ontbrekend2922a.Vruchtpluis bestaande uit 2, 3 of 4 stekels2322b.Vruchtpluis uit haren, of schubben, of vele kleine stekeltjes bestaande2623a.Bladeren verspreid. Hoofdjes veelbloemig, die van de buitenste 1 of 2 rijen vrouwelijk en lintvormig, meest geel, de overige buisvormig; bloembodem met strooschubben. Omwindselblaadjes in 2–3 rijen. Vrucht plat en gevleugeld, met 2 stekelsVerbesina.23b.Bladeren tegenoverstaand2424a.Hoofdjes in de bladoksels zittend of bijna zittend, weinigbloemig,alle bloemen fertiel, de buitenste rij met lintvormige kroon, de binnenste rij met buisvormige kroon. Vruchten aan de lintbloemen plat en gevleugeld met lancetvormige schubben; die van de buisbloemen 3-hoekig met 2–3 stekels. Bloemen bleekgeelSynedrella.24b.Hoofdjes gesteeld, veelbloemig2525a.Bloembodem kegelvormig.Alle bloemen fertiel, die van de buitenste rij lintvormig, de binnenste buisvormig, geel of wit; vruchten van de lintbloemen meest 3-hoekig, die van de buisbloemen plat, met 2 spoedig afvallende stekels. Bladeren enkelvoudigSpilanthes.25b.Bloembodem vlak. Alle bloemen fertiel; de vruchten gelijk van vorm, een weinig vierkant met 2 tot 4 blijvende stekels aan den top, die met weerhakenbezetzijn. Bladeren meest samengesteld. Bloemen geelBidens.26a.Vruchtpluis uit lange haren bestaand, hoofdjes met vele bloemen, alle vruchtbaar, de buitenste klein, lintvormig, de binnenste buisvormig. Omwindselblaadjes in weinig rijen. Hoofdjes gesteeld, in trossen of pluimenErigeron.26b.Vruchtpluis bestaande uit kleine stekeltjes of uit schubben of uit een krans van vergroeide korte haartjes, die kleiner zijn dan de vrucht2727a.Bloemen geel; hoofdjes 6–12-bloemig, kortgesteeld, de lintbloemen onvruchtbaar, de buisbloemen fertiel. Omwindsel uit 5 blaadjes bestaand. Bloembodem met samengevouwen strooschubben. Kruidachtige plant met tegenoverstaande gesteelde bladeren. Vruchtpluis klein, eenigszins bekervormig vergroeidEleutheranthera.27b.Bloemen geel of oranje; hoofdjes veelbloemig, langgesteeld; omwindsel uit meerdere sterk vergroeide blaadjes bestaande. Planten met tegenoverstaande vindeelige bladeren. Vruchtpluis bestaande uit 5–6 ongelijke schubbenTagetes.Afrikanen.27c.Bloemen wit, hoofdjes gesteeld, veelbloemig2828a.Bladeren afwisselend dubbelvindeelig. Alleen de 5 buitenste bloemen lintvormig, fertiel met platte vruchtjes, die aan den top 3–4 kleine eironde schubjes dragen. Middelste bloemen buisvormigParthenium.28b.Bladeren tegenoverstaand niet ingesneden. Alle bloemen fertiel, de buitenste lint-, de binnenste buisvormig. Vruchten van de buitenste bloemen 3-hoekig, van de binnenste plat, aan den top met een korte kroon van stekeltjes. Bloembodem eenigszins bol met kleine afvallende schubben. Omwindselbladeren klokvormig in 2 rijenEclipta.Loso-wiwirie;Louisa-wiwirie.29a.Hoofdjes weinigbloemig; omwindselblaadjes in 2 rijen, die van de buitenste rij bladachtig, de binnenste rij gestekeld aan de buitenkant, de vruchtjes der lintbloemen geheel omsluitend, waardoor de vruchten gestekeld schijnen. De binnenste bloemen buisvormig,steriel. Vertakte kruiden met tegenoverstaande getande bladerenAcanthospermum.29b.Hoofdjes veelbloemig; omwindselblaadjes zonder stekels3030a.Hoofdjes klein, kortgesteeld of zittend. Omwindselblaadjes in 2 rijen, de buitenste rij bladachtig, de binnenste rij met de vruchtjes vergroeid. Lintbloemen alleen fertiel, de buisbloemen steriel. Vruchtjes eirond. Plant naar kamfer riekendMelampodium.Kamferbladeren.30b.Hoofdjes vrij groot, geel, gesteeld, de lintbloemen ongeslachtelijk, steriel, de buisbloemen fertiel met zwarte hoekige en kale vruchtjes. Bloembodem met strooschubben. Omwindsel uit 2 rijen van korte blaadjes bestaande. Groote rechtopstaande planten met ruwe bladerenWulffia.31a.Alle bloemen in hetzelfde hoofdje gelijk van vorm3231b.De buitenste bloemen in het hoofdje zeer dun, bijna draadvormig, vrouwelijk, de binnenste uit een wijdere buis bestaande, tweeslachtig; alle of bijna alle fertiel. Omwindsel klokvormig, met zeer smalle blaadjes, de buitenste geleidelijk korter wordend. Hoofdjes niet talrijk, in een bijschermConyza.32a.Planten geheel tweehuizig, d. w. z. de eene plant heeft alleen hoofdjes met zeer dunne, bijna draadvormige, vrouwelijke buisbloemen, de andere plant alleen hoofdjes met mannelijke bloemen, waarvan de bloemkroon een wijdere buis is. Vruchten met 10 ribben. Planten met verspreide bladerenBaccharis.32b.Alle bloemen tweeslachtig en fertiel. Vruchtpluis langer dan de vrucht, in 1 rij staande. Omwindselbladeren in meerdere rijen, verschillend van vorm. Vrucht 5-hoekig.Hoofdjes 5–100-bloemig. Bladeren, vooral de onderste, bijna steeds tegenoverstaandEupatorium.

Orde:Plantaginales.269.Plantaginaceae.Bloemen 4-tallig; tweeslachtig, of éénslachtig, regelmatig; kelkbladeren 4; bloemkroon 4-spletig; meeldraden 4 met de kroon vergroeid; vruchtbeginsel 1–4-hokkig met 1 tot weinige zaadknoppen; vrucht een met een deksel openspringende doosvrucht of een noot; meest kruiden, met verspreide, zelden tegenoverstaande bladeren; bloemen in aren.Bloemen in aren; kelk 4-deelig; bloemkroon met 4 slippen, klein, vliezig, bruinachtig. Meeldraden 4, met lange helmdraden; stijl lang; vrucht met een deksel openspringend; bladeren in een wortelrosetPlantago.

Orde:Plantaginales.269.Plantaginaceae.Bloemen 4-tallig; tweeslachtig, of éénslachtig, regelmatig; kelkbladeren 4; bloemkroon 4-spletig; meeldraden 4 met de kroon vergroeid; vruchtbeginsel 1–4-hokkig met 1 tot weinige zaadknoppen; vrucht een met een deksel openspringende doosvrucht of een noot; meest kruiden, met verspreide, zelden tegenoverstaande bladeren; bloemen in aren.Bloemen in aren; kelk 4-deelig; bloemkroon met 4 slippen, klein, vliezig, bruinachtig. Meeldraden 4, met lange helmdraden; stijl lang; vrucht met een deksel openspringend; bladeren in een wortelrosetPlantago.

269.Plantaginaceae.Bloemen 4-tallig; tweeslachtig, of éénslachtig, regelmatig; kelkbladeren 4; bloemkroon 4-spletig; meeldraden 4 met de kroon vergroeid; vruchtbeginsel 1–4-hokkig met 1 tot weinige zaadknoppen; vrucht een met een deksel openspringende doosvrucht of een noot; meest kruiden, met verspreide, zelden tegenoverstaande bladeren; bloemen in aren.Bloemen in aren; kelk 4-deelig; bloemkroon met 4 slippen, klein, vliezig, bruinachtig. Meeldraden 4, met lange helmdraden; stijl lang; vrucht met een deksel openspringend; bladeren in een wortelrosetPlantago.

269.Plantaginaceae.

Bloemen 4-tallig; tweeslachtig, of éénslachtig, regelmatig; kelkbladeren 4; bloemkroon 4-spletig; meeldraden 4 met de kroon vergroeid; vruchtbeginsel 1–4-hokkig met 1 tot weinige zaadknoppen; vrucht een met een deksel openspringende doosvrucht of een noot; meest kruiden, met verspreide, zelden tegenoverstaande bladeren; bloemen in aren.Bloemen in aren; kelk 4-deelig; bloemkroon met 4 slippen, klein, vliezig, bruinachtig. Meeldraden 4, met lange helmdraden; stijl lang; vrucht met een deksel openspringend; bladeren in een wortelrosetPlantago.

Bloemen 4-tallig; tweeslachtig, of éénslachtig, regelmatig; kelkbladeren 4; bloemkroon 4-spletig; meeldraden 4 met de kroon vergroeid; vruchtbeginsel 1–4-hokkig met 1 tot weinige zaadknoppen; vrucht een met een deksel openspringende doosvrucht of een noot; meest kruiden, met verspreide, zelden tegenoverstaande bladeren; bloemen in aren.

Bloemen in aren; kelk 4-deelig; bloemkroon met 4 slippen, klein, vliezig, bruinachtig. Meeldraden 4, met lange helmdraden; stijl lang; vrucht met een deksel openspringend; bladeren in een wortelrosetPlantago.

Orde:Rubiales.270.Rubiaceae.Bloemen 4- of 5-, zelden meertallig met een onderstandig vruchtbeginsel dat meest evenveel, zelden minder hokjes heeft als bloemkroonslippen; tweeslachtig, zelden éénslachtig, regelmatig, zelden min of meer zygomorf; kelk meest open; bloemkroonslippen in de knop met de randen over elkaar liggend of tegen elkaar liggend of gedraaid; hokjes van het vruchtbeginsel met 1 tot talrijke zaadknoppen; stijl 1, met een meest onvertakte stempel; vrucht zeer verschillend; kruiden of houtige planten met kruisgewijs tegenoverstaande bladeren en steunbladeren, die soms zeer groot zijn.1a.Vruchtbeginsel met slechts 1 zaadknop in ieder hokje21b.Vruchtbeginsel met 2 tot meer zaadknoppen in ieder hokje212a.Bloemkroonslippen in den knop gedraaid of met de randen over elkaar liggend32b.Bloemkroonslippen in den knop met de randen tegen elkaar liggend53a.Bloemen in okselstandige één- of tweemaal vorksgewijs gedeelde bloeiwijzen, waarvan de takken aarvormig zijn en eenzijdig bloemen dragen. Kelk afvallend na de bloei. Bloemkroon met lange buis. Meeldraden in de bloemkroon ingesloten. Vruchtbeginsel 4–9-hokkigGuettarda.3b.Bloemen in okselstandige of eindstandige schermen of aren. Meeldraden buiten de buis uitstekend; vruchtbeginsel 2-hokkig44a.Bloemen in groepen in de bladoksels gezeten, 5- of meertalligCoffea.4b.Bloemen in een eindelingsche pluim of scherm, 4-talligIxora.Faja-lobbie.5a.Kleine kruiden of heesters met zeer kleine bloemen die in groepen in de bladoksels zitten of in kleine hoofdjes aan het eind van den stengel en rondom den stengel zitten. Bladeren steeds klein, (hoogstens eenige c.M.lang).Steunbladeren tot een scheede vergroeid, die aan den rand met lange tanden of haren bezet is. Vrucht een tweezadige doosvrucht of in 2 stukken uiteenvallend65b.Groote heesters of boomen met groote of vrij groote bladeren en groote bloemen. Vrucht 1-zadig, of indien zij meerzadig is, dan niet openspringend116a.Doosvrucht met een deksel openspringend76b.Doosvrucht 2-hokkig, met 2 kleppen openspringend of in 2 stukken uiteenvallend87a.Doosvrucht 3-hokkig. Kelkslippen 2, vrij of aan de basis vergroeid. Helmknoppen behaard. Bloemen in hoofdjes met vliezige schutbladeren stijf behaardPerama.7b.Doosvrucht 2-hokkig. Kelkslippen 4, ongelijk. Hoofdjes met droogvliezige bloemsteelblaadjes. Habitus als de vorigeMitracarpus.8a.Doosvrucht in 2 stukken uiteenvallend98b.Doosvrucht met kleppen openspringend109a.Stukken van de doosvrucht gesloten blijvend. Kelkslippen 2 of 4 aan de basis vergroeid. Bloemkroon trechtervormig, 4-lobbig. Bloemen in okselstandige schijnkransen. Bladeren smal, meest ruwDiodia.9b.Stukken van de doosvrucht aan de binnenzijde geopend. Kelkslippen 4, aan de basis hoog vergroeid. Overigens als de vorigeHemidiodia.10a.Een van de beide kleppen van de doosvrucht laat van het middenschot los, de andere blijft gesloten. Kelkslippen 4, aan de basis verbonden. Meeldraden beneden in de buis van de bloemkroon ingehechtSpermacoce.10b.Beide kleppen van de doosvrucht laten van het middenschot los en springen open. Kelkslippen 2 of 4, meer of minder met elkaar vergroeid. Meeldraden meest boven in de buis ingehecht. Habitus als DiodiaBorreria.11a.Vruchtbeginsel bovenstandig. Kelk 4–5-tandig of 4–5-lobbig. Bloemkroon stervormig, van binnen behaard. Meeldraden bovenin de buis vastgehecht. Stijl 2-deelig. Boomen en heesters met leerachtige bladeren, met zeer stijl opgerichte zijnerven. Bloemen dicht bij elkaar zittend, in groepenPagamea.11b.Vruchtbeginsel onderstandig1212a.Heesters met dorens. Bloemkroon en kelk 5-tallig, de bloemkroonbuis zeer lang, van buiten behaard met lange en spitse slippen. Bloemen in korte trossen; bladeren meest groepsgewijs bijeenzittend aan korte takkenAnisomeris.12b.Planten zonder dorens1313a.Bloeiwijzen dichtgedrongen, bloemen in hoofdjes, omgeven door talrijke groote of kleine schutbladeren1413b.Bloeiwijzen niet hoofdjes-vormig, zonder groote schutbladeren1514a.Kleine en teere, op den bodem kruipende kruiden met langgesteelde hart- of niervormige bladeren. Kelk kort, 4–7-tandig, blijvend. Bloemkroon buis- tot trechtervormig met behaarde mond. Meeldraden 4–7, in de buis ingehecht. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Zaden aan de buikzijde vlak, zonder groefGeophila.14b.Krachtige meest rechtopstaande heesterachtige kruiden of heesters. Bloemen als de vorige, doch vruchtbeginsel soms 3–4-hokkig. Bladeren niet hart- of niervormig. Zaden aan de buikzijde met een diepe groefUragoga.14c.Bloemen in dichte bolvormige hoofdjes, met de vruchtbeginsels vergroeid; elk vruchtbeginsel 4-hokkig. Kelk bekervormig, nauwelijks getand. Vrucht tot een vleezige verzamelvrucht vereenigd met meerdere pitten die soms in groepen van 4 bij elkaar zitten. Boomen of heesters met meest kruisgewijs tegenoverstaande bladerenMorinda.15a.Zaden in de vrucht met het worteltje naar boven gericht. Zaadknoppen boven in de hokjes van het vruchtbeginsel bevestigd, hangend. Kelk zeer kort, 4-tandig of 4-lobbig, blijvend. Bloemkroontrechtervormigof stervormig met korte buis, in de mond en van binnen op de slippen dicht behaard. Helmknoppen uit de buis uitstekend. Vruchtbeginsel 2-hokkig; stijl kort 2-spletig. Klimmende heesters met leerachtige bladeren. Bloemen klein, in pluimen met tegenoverstaande takkenMalanea.15b.Zaden met het worteltje naar beneden. Zaadknoppen onder in het vruchtbeginsel ingehecht, rechtopstaand1616a.Vruchtbeginsel 1-hokkig of 2-hokkig, maar dan is het tusschenschot zeer dun, in ieder geval veel dunner dan de wand van het vruchtbeginsel1716b.Vruchtbeginsel 2- (zelden meer-)hokkig; tusschenschot even dik als de wand van het vruchtbeginsel1817a.Tusschenschot dun, na den bloei verdwijnend. Zaad loodrecht in de vrucht staande met den kiem op den bodem. Kelk min of meer bekervormig, zonder lobben of kort 4-lobbig. Bloemkroon trechtervormig, van binnen kaal. Boomen of heestersCoussarea.17b.Tusschenschot geheel ontbrekend. Zaad in de vrucht liggend, van onderen uitgehold met zijdelingschen kiem. Overigens als de vorigeFaramea.18a.Zaad aan de buikzijde vlak, ongegroefd. Kelk kort-5-tandig. Bloemkroon trechtervormig, met vaak naar binnen gebogen ofmet een klein hoorntje voorziene slippen, van binnen behaard. Vruchtbeginsel 2-, zelden meerhokkig. Vrucht een 2–5-hokkige steenvrucht. Boomen of heestersMapouria.18b.Zaad aan de buikzijde met een groef1919a.Bloemkroon gekromd, buis- of trechtervormig, aan één zijde meest met een kleine knobbel. Kelk beker- of klokvormig, 5-lobbig of met gave zoom. Vrucht met 2 (soms 3–5) pitten. HeestersPalicourea.19b.Bloemkroonbuis recht2020a.Zaden aan de kanten ingerold en van binnen met een dwarse uitholling. Kelkbladeren 4–5, in verschillende hoogte vergroeid. Bloemkroonbuis meest kort, in de mond behaard, de slippen vaak aan den top naar binnen gebogen en met een hoorntje voorzien. Vrucht met 2 pitten. Heesters of boomenRudgea.20b.Zaden zonder plooien in het kiemwit. Kelk kort, meest 5-tandig. Bloemkroonbuis van zeer verschillende lengte. Vrucht met 2 (zelden 3–5) pitten. Boomen of heestersPsychotria.21a.Vrucht een doosvrucht2221b.Vrucht een bes2622a.Bloemen in bolvormige hoofdjes, aan het eind van lange steelen, te zamen tot een bloeiwijze vereenigd. Planten klimmend door middel van haken, die in de bladoksels staanUncaria.(Ourouparia).22b.Bloemen niet in dergelijke hoofdjes. Planten niet met haken klimmend2323a.Kruidachtige klimplanten. Kelkslippen 4–8, blijvend, soms bladachtig. Bloemkroon meest vuurrood. Doosvrucht met 2 kleppen openspringend met talrijke gevleugelde zadenManettia.23b.Planten niet klimmend2424a.Bloemen zeer groot, meer dan 4 c.M. lang, 6-tallig; alleenstaand. Epiphyten met groote doosvruchten; zaden gevleugeldHillia.24b.Bloemen veel kleiner, hoogstens 1 c.M. groot, niet 6-tallig. Planten niet epiphytisch levend2525a.Kleine kruiden met kleine korte witte bloemen. Kelk 4-tandig blijvend. Bloemen gesteeld in groepen of kleine bloeiwijzen in de bladoksels. DoosvruchtOldenlandia.25b.Kruiden met een vrij lange buisvormige en 5-tallige bloemkroon. Kelk met 5 slippen. Bloemen vaak in dichte groepen staandSipanea.26a.Slippen van den bloemkroon met de randen tegen elkaar liggend2726b.Slippen van den bloemkroon met de randen over elkaar liggend3027a.Bloeiwijzen aan het eind van den stengel2827b.Bloeiwijzen in de bladoksels2928a.Bloeiwijzen een pluim, min of meer gedrongen. Kelk kort, blijvend. Bloemkroon buisvormig, soms zeer lang, met korte zoom, in de keel dicht behaard, 4–6-tallig. Bessen met 4–6 pitten. Heesters of boomen, met meest behaarde bladerenIsertia.28b.Bloeiwijze verlengd tot een losse aar. Kelk bekervormig. Bloemkroon trechter- of schotelvormig, van boven meest verwijd. Vruchtbeginsel 2–4-hokkig. Bes bolvormig met 2–4 meerzadige pitten, vaak maar weinig vleezigGonzalagunia.29a.Kleine kruipende kruiden. Kelkslippen 4 (zelden 5) bijna tot aan de basis vrij,blijvend. Bloemkroon trechtervormig, in den keelbehaard. Vruchtbeginsel 2-hokkig, stijl 2-spletig. Vrucht bolvormig. Bloemen dicht gedrongen aan het eind van de steelCoccocypselum.29b.Klimmende forsche kruiden met dichte beharing. Kelkslippen 4–5, nogal breed en groot. Vruchtbeginsel 3–5-hokkig; stijl 3–5-spletigSabicea.30a.Bloemkroon met een opvallend lange buis, van 5 tot 25 c.M.; bloemen tweeslachtig3130b.Bloemen klein, hoogstens 2 c.M. groot; bloemen meest éénslachtig3431a.Bloemknoppen scheef ten opzichte van de buis, daardoor de bloem een weinig zijdelings-symmetrisch. Kelk 5-tandig, van binnen met klieren. Helmknoppen buiten de buis uitstekend. Vruchten eirond met leerachtige schil, van binnen sappigPosoqueria.31b.Bloemen geheel regelmatig3232a.Bloemen alleenstaand en eindelingsch3332b.Bloemen in veelbloemige bijschermen. Kelk klein, bekervormig, 5-tandig, blijvend. Bloemkroonbuis zeer lang. Meeldraden weinig uit de buis uitstekend. Stijl even lang als de buisTocoyena.33a.Vruchtbeginsel 1-hokkig; kelkslippen meestal 5, spits en smal, aan den voet verbonden. Kroon 2–3 maal zoo groot als de kelk met 5–6, een weinig scheeve slippen. Meeldraden aan den mond van de buis ingehecht. Vrucht lang en dunGardenia.33b.Vruchtbeginsel 2-hokkig. Overigens als de vorige, doch de kroonslippen kleiner ten opzichte van de lengte van de buis en de vrucht eirondRandia.34a.Bloemen tweeslachtig3534b.Bloemen eenslachtig3735a.Bloeiwijze dicht bij den top der stengels maar toch duidelijk zijdelings staande; kelk bekervormig met zeer kleine tanden. Bloemkroon van buiten en van binnen behaard, leerachtig. Stijl lang, toegespitst. Vrucht eirond, van buiten leerachtig, van binnen sappigGenipa.Tapoeripa.35b.Bloeiwijze een tros of pluim, duidelijk eindstandig3636a.Kelk met zeer kleine tanden. Bloemkroon met groote, meest teruggeslagen slippen. Helmknoppen aan den voet verbreed. Vruchtbeginsel 5-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje. Stijl aan den top kort 5-lobbig. Vrucht met 5 eenzadige pitten. Bloemen in lange of korte trossenRetiniphyllum.36b.Kelk bekervormig 5-tandig. Bloemkroonslippen spits en smal. Vruchtbeginsel 2-hokkig; stijl aan den top 2-spletig. Vrucht met 10 ribben. Bloemen in een pluim, witBertiera.37a.Steunbladeren spits. Kelk met korte tanden. Bloemkroon van buiten slechts weinig behaard. Meeldraden in de buis ingesloten. Vruchtbeginsel 2–5-hokkig; stijl met 2–5 takken. Vrucht een besAlibertia.37b.Steunbladeren reeds vroeg afvallend zoodat er slechts een smalle rand overblijft3838a.Mannelijke en vrouwelijke bloemen in bijschermen.Bloemen 6- tot meertallig. Bloemkroonbuis van buiten dun behaard. Meeldraden in de ♀ bloem zonder stuifmeel, in de buis ingesloten. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Vrucht een eetbare besAmajoua.Marmeldoos.38b.Mannelijke bloemen in bijschermen, vrouwelijke alleenstaand of 2 aan 2. Bloemen als de vorige doch de buis van buiten met lange haren bedekt. Vrucht eetbaarDuroia,Bosch-marmeldoos.271.Caprifoliaceae.Bloemen meest 5-tallig, met vergroeide bloemkroon. Vruchtbeginsel onderstandig, 2–5-hokkig met 1 tot meer zaadknoppen in ieder hokje. Stijlen één of meer. Vrucht een bes of een steenvrucht. Bladeren meest tegenoverstaand.Boomen of heesters met vindeelige tot gevinde bladeren. Bloemen in enkelvoudige tot samengestelde schermen. Bloemkroon wit, stervormig. Vrucht een steenvruchtSambucus.Vlier.

Orde:Rubiales.270.Rubiaceae.Bloemen 4- of 5-, zelden meertallig met een onderstandig vruchtbeginsel dat meest evenveel, zelden minder hokjes heeft als bloemkroonslippen; tweeslachtig, zelden éénslachtig, regelmatig, zelden min of meer zygomorf; kelk meest open; bloemkroonslippen in de knop met de randen over elkaar liggend of tegen elkaar liggend of gedraaid; hokjes van het vruchtbeginsel met 1 tot talrijke zaadknoppen; stijl 1, met een meest onvertakte stempel; vrucht zeer verschillend; kruiden of houtige planten met kruisgewijs tegenoverstaande bladeren en steunbladeren, die soms zeer groot zijn.1a.Vruchtbeginsel met slechts 1 zaadknop in ieder hokje21b.Vruchtbeginsel met 2 tot meer zaadknoppen in ieder hokje212a.Bloemkroonslippen in den knop gedraaid of met de randen over elkaar liggend32b.Bloemkroonslippen in den knop met de randen tegen elkaar liggend53a.Bloemen in okselstandige één- of tweemaal vorksgewijs gedeelde bloeiwijzen, waarvan de takken aarvormig zijn en eenzijdig bloemen dragen. Kelk afvallend na de bloei. Bloemkroon met lange buis. Meeldraden in de bloemkroon ingesloten. Vruchtbeginsel 4–9-hokkigGuettarda.3b.Bloemen in okselstandige of eindstandige schermen of aren. Meeldraden buiten de buis uitstekend; vruchtbeginsel 2-hokkig44a.Bloemen in groepen in de bladoksels gezeten, 5- of meertalligCoffea.4b.Bloemen in een eindelingsche pluim of scherm, 4-talligIxora.Faja-lobbie.5a.Kleine kruiden of heesters met zeer kleine bloemen die in groepen in de bladoksels zitten of in kleine hoofdjes aan het eind van den stengel en rondom den stengel zitten. Bladeren steeds klein, (hoogstens eenige c.M.lang).Steunbladeren tot een scheede vergroeid, die aan den rand met lange tanden of haren bezet is. Vrucht een tweezadige doosvrucht of in 2 stukken uiteenvallend65b.Groote heesters of boomen met groote of vrij groote bladeren en groote bloemen. Vrucht 1-zadig, of indien zij meerzadig is, dan niet openspringend116a.Doosvrucht met een deksel openspringend76b.Doosvrucht 2-hokkig, met 2 kleppen openspringend of in 2 stukken uiteenvallend87a.Doosvrucht 3-hokkig. Kelkslippen 2, vrij of aan de basis vergroeid. Helmknoppen behaard. Bloemen in hoofdjes met vliezige schutbladeren stijf behaardPerama.7b.Doosvrucht 2-hokkig. Kelkslippen 4, ongelijk. Hoofdjes met droogvliezige bloemsteelblaadjes. Habitus als de vorigeMitracarpus.8a.Doosvrucht in 2 stukken uiteenvallend98b.Doosvrucht met kleppen openspringend109a.Stukken van de doosvrucht gesloten blijvend. Kelkslippen 2 of 4 aan de basis vergroeid. Bloemkroon trechtervormig, 4-lobbig. Bloemen in okselstandige schijnkransen. Bladeren smal, meest ruwDiodia.9b.Stukken van de doosvrucht aan de binnenzijde geopend. Kelkslippen 4, aan de basis hoog vergroeid. Overigens als de vorigeHemidiodia.10a.Een van de beide kleppen van de doosvrucht laat van het middenschot los, de andere blijft gesloten. Kelkslippen 4, aan de basis verbonden. Meeldraden beneden in de buis van de bloemkroon ingehechtSpermacoce.10b.Beide kleppen van de doosvrucht laten van het middenschot los en springen open. Kelkslippen 2 of 4, meer of minder met elkaar vergroeid. Meeldraden meest boven in de buis ingehecht. Habitus als DiodiaBorreria.11a.Vruchtbeginsel bovenstandig. Kelk 4–5-tandig of 4–5-lobbig. Bloemkroon stervormig, van binnen behaard. Meeldraden bovenin de buis vastgehecht. Stijl 2-deelig. Boomen en heesters met leerachtige bladeren, met zeer stijl opgerichte zijnerven. Bloemen dicht bij elkaar zittend, in groepenPagamea.11b.Vruchtbeginsel onderstandig1212a.Heesters met dorens. Bloemkroon en kelk 5-tallig, de bloemkroonbuis zeer lang, van buiten behaard met lange en spitse slippen. Bloemen in korte trossen; bladeren meest groepsgewijs bijeenzittend aan korte takkenAnisomeris.12b.Planten zonder dorens1313a.Bloeiwijzen dichtgedrongen, bloemen in hoofdjes, omgeven door talrijke groote of kleine schutbladeren1413b.Bloeiwijzen niet hoofdjes-vormig, zonder groote schutbladeren1514a.Kleine en teere, op den bodem kruipende kruiden met langgesteelde hart- of niervormige bladeren. Kelk kort, 4–7-tandig, blijvend. Bloemkroon buis- tot trechtervormig met behaarde mond. Meeldraden 4–7, in de buis ingehecht. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Zaden aan de buikzijde vlak, zonder groefGeophila.14b.Krachtige meest rechtopstaande heesterachtige kruiden of heesters. Bloemen als de vorige, doch vruchtbeginsel soms 3–4-hokkig. Bladeren niet hart- of niervormig. Zaden aan de buikzijde met een diepe groefUragoga.14c.Bloemen in dichte bolvormige hoofdjes, met de vruchtbeginsels vergroeid; elk vruchtbeginsel 4-hokkig. Kelk bekervormig, nauwelijks getand. Vrucht tot een vleezige verzamelvrucht vereenigd met meerdere pitten die soms in groepen van 4 bij elkaar zitten. Boomen of heesters met meest kruisgewijs tegenoverstaande bladerenMorinda.15a.Zaden in de vrucht met het worteltje naar boven gericht. Zaadknoppen boven in de hokjes van het vruchtbeginsel bevestigd, hangend. Kelk zeer kort, 4-tandig of 4-lobbig, blijvend. Bloemkroontrechtervormigof stervormig met korte buis, in de mond en van binnen op de slippen dicht behaard. Helmknoppen uit de buis uitstekend. Vruchtbeginsel 2-hokkig; stijl kort 2-spletig. Klimmende heesters met leerachtige bladeren. Bloemen klein, in pluimen met tegenoverstaande takkenMalanea.15b.Zaden met het worteltje naar beneden. Zaadknoppen onder in het vruchtbeginsel ingehecht, rechtopstaand1616a.Vruchtbeginsel 1-hokkig of 2-hokkig, maar dan is het tusschenschot zeer dun, in ieder geval veel dunner dan de wand van het vruchtbeginsel1716b.Vruchtbeginsel 2- (zelden meer-)hokkig; tusschenschot even dik als de wand van het vruchtbeginsel1817a.Tusschenschot dun, na den bloei verdwijnend. Zaad loodrecht in de vrucht staande met den kiem op den bodem. Kelk min of meer bekervormig, zonder lobben of kort 4-lobbig. Bloemkroon trechtervormig, van binnen kaal. Boomen of heestersCoussarea.17b.Tusschenschot geheel ontbrekend. Zaad in de vrucht liggend, van onderen uitgehold met zijdelingschen kiem. Overigens als de vorigeFaramea.18a.Zaad aan de buikzijde vlak, ongegroefd. Kelk kort-5-tandig. Bloemkroon trechtervormig, met vaak naar binnen gebogen ofmet een klein hoorntje voorziene slippen, van binnen behaard. Vruchtbeginsel 2-, zelden meerhokkig. Vrucht een 2–5-hokkige steenvrucht. Boomen of heestersMapouria.18b.Zaad aan de buikzijde met een groef1919a.Bloemkroon gekromd, buis- of trechtervormig, aan één zijde meest met een kleine knobbel. Kelk beker- of klokvormig, 5-lobbig of met gave zoom. Vrucht met 2 (soms 3–5) pitten. HeestersPalicourea.19b.Bloemkroonbuis recht2020a.Zaden aan de kanten ingerold en van binnen met een dwarse uitholling. Kelkbladeren 4–5, in verschillende hoogte vergroeid. Bloemkroonbuis meest kort, in de mond behaard, de slippen vaak aan den top naar binnen gebogen en met een hoorntje voorzien. Vrucht met 2 pitten. Heesters of boomenRudgea.20b.Zaden zonder plooien in het kiemwit. Kelk kort, meest 5-tandig. Bloemkroonbuis van zeer verschillende lengte. Vrucht met 2 (zelden 3–5) pitten. Boomen of heestersPsychotria.21a.Vrucht een doosvrucht2221b.Vrucht een bes2622a.Bloemen in bolvormige hoofdjes, aan het eind van lange steelen, te zamen tot een bloeiwijze vereenigd. Planten klimmend door middel van haken, die in de bladoksels staanUncaria.(Ourouparia).22b.Bloemen niet in dergelijke hoofdjes. Planten niet met haken klimmend2323a.Kruidachtige klimplanten. Kelkslippen 4–8, blijvend, soms bladachtig. Bloemkroon meest vuurrood. Doosvrucht met 2 kleppen openspringend met talrijke gevleugelde zadenManettia.23b.Planten niet klimmend2424a.Bloemen zeer groot, meer dan 4 c.M. lang, 6-tallig; alleenstaand. Epiphyten met groote doosvruchten; zaden gevleugeldHillia.24b.Bloemen veel kleiner, hoogstens 1 c.M. groot, niet 6-tallig. Planten niet epiphytisch levend2525a.Kleine kruiden met kleine korte witte bloemen. Kelk 4-tandig blijvend. Bloemen gesteeld in groepen of kleine bloeiwijzen in de bladoksels. DoosvruchtOldenlandia.25b.Kruiden met een vrij lange buisvormige en 5-tallige bloemkroon. Kelk met 5 slippen. Bloemen vaak in dichte groepen staandSipanea.26a.Slippen van den bloemkroon met de randen tegen elkaar liggend2726b.Slippen van den bloemkroon met de randen over elkaar liggend3027a.Bloeiwijzen aan het eind van den stengel2827b.Bloeiwijzen in de bladoksels2928a.Bloeiwijzen een pluim, min of meer gedrongen. Kelk kort, blijvend. Bloemkroon buisvormig, soms zeer lang, met korte zoom, in de keel dicht behaard, 4–6-tallig. Bessen met 4–6 pitten. Heesters of boomen, met meest behaarde bladerenIsertia.28b.Bloeiwijze verlengd tot een losse aar. Kelk bekervormig. Bloemkroon trechter- of schotelvormig, van boven meest verwijd. Vruchtbeginsel 2–4-hokkig. Bes bolvormig met 2–4 meerzadige pitten, vaak maar weinig vleezigGonzalagunia.29a.Kleine kruipende kruiden. Kelkslippen 4 (zelden 5) bijna tot aan de basis vrij,blijvend. Bloemkroon trechtervormig, in den keelbehaard. Vruchtbeginsel 2-hokkig, stijl 2-spletig. Vrucht bolvormig. Bloemen dicht gedrongen aan het eind van de steelCoccocypselum.29b.Klimmende forsche kruiden met dichte beharing. Kelkslippen 4–5, nogal breed en groot. Vruchtbeginsel 3–5-hokkig; stijl 3–5-spletigSabicea.30a.Bloemkroon met een opvallend lange buis, van 5 tot 25 c.M.; bloemen tweeslachtig3130b.Bloemen klein, hoogstens 2 c.M. groot; bloemen meest éénslachtig3431a.Bloemknoppen scheef ten opzichte van de buis, daardoor de bloem een weinig zijdelings-symmetrisch. Kelk 5-tandig, van binnen met klieren. Helmknoppen buiten de buis uitstekend. Vruchten eirond met leerachtige schil, van binnen sappigPosoqueria.31b.Bloemen geheel regelmatig3232a.Bloemen alleenstaand en eindelingsch3332b.Bloemen in veelbloemige bijschermen. Kelk klein, bekervormig, 5-tandig, blijvend. Bloemkroonbuis zeer lang. Meeldraden weinig uit de buis uitstekend. Stijl even lang als de buisTocoyena.33a.Vruchtbeginsel 1-hokkig; kelkslippen meestal 5, spits en smal, aan den voet verbonden. Kroon 2–3 maal zoo groot als de kelk met 5–6, een weinig scheeve slippen. Meeldraden aan den mond van de buis ingehecht. Vrucht lang en dunGardenia.33b.Vruchtbeginsel 2-hokkig. Overigens als de vorige, doch de kroonslippen kleiner ten opzichte van de lengte van de buis en de vrucht eirondRandia.34a.Bloemen tweeslachtig3534b.Bloemen eenslachtig3735a.Bloeiwijze dicht bij den top der stengels maar toch duidelijk zijdelings staande; kelk bekervormig met zeer kleine tanden. Bloemkroon van buiten en van binnen behaard, leerachtig. Stijl lang, toegespitst. Vrucht eirond, van buiten leerachtig, van binnen sappigGenipa.Tapoeripa.35b.Bloeiwijze een tros of pluim, duidelijk eindstandig3636a.Kelk met zeer kleine tanden. Bloemkroon met groote, meest teruggeslagen slippen. Helmknoppen aan den voet verbreed. Vruchtbeginsel 5-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje. Stijl aan den top kort 5-lobbig. Vrucht met 5 eenzadige pitten. Bloemen in lange of korte trossenRetiniphyllum.36b.Kelk bekervormig 5-tandig. Bloemkroonslippen spits en smal. Vruchtbeginsel 2-hokkig; stijl aan den top 2-spletig. Vrucht met 10 ribben. Bloemen in een pluim, witBertiera.37a.Steunbladeren spits. Kelk met korte tanden. Bloemkroon van buiten slechts weinig behaard. Meeldraden in de buis ingesloten. Vruchtbeginsel 2–5-hokkig; stijl met 2–5 takken. Vrucht een besAlibertia.37b.Steunbladeren reeds vroeg afvallend zoodat er slechts een smalle rand overblijft3838a.Mannelijke en vrouwelijke bloemen in bijschermen.Bloemen 6- tot meertallig. Bloemkroonbuis van buiten dun behaard. Meeldraden in de ♀ bloem zonder stuifmeel, in de buis ingesloten. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Vrucht een eetbare besAmajoua.Marmeldoos.38b.Mannelijke bloemen in bijschermen, vrouwelijke alleenstaand of 2 aan 2. Bloemen als de vorige doch de buis van buiten met lange haren bedekt. Vrucht eetbaarDuroia,Bosch-marmeldoos.271.Caprifoliaceae.Bloemen meest 5-tallig, met vergroeide bloemkroon. Vruchtbeginsel onderstandig, 2–5-hokkig met 1 tot meer zaadknoppen in ieder hokje. Stijlen één of meer. Vrucht een bes of een steenvrucht. Bladeren meest tegenoverstaand.Boomen of heesters met vindeelige tot gevinde bladeren. Bloemen in enkelvoudige tot samengestelde schermen. Bloemkroon wit, stervormig. Vrucht een steenvruchtSambucus.Vlier.

270.Rubiaceae.Bloemen 4- of 5-, zelden meertallig met een onderstandig vruchtbeginsel dat meest evenveel, zelden minder hokjes heeft als bloemkroonslippen; tweeslachtig, zelden éénslachtig, regelmatig, zelden min of meer zygomorf; kelk meest open; bloemkroonslippen in de knop met de randen over elkaar liggend of tegen elkaar liggend of gedraaid; hokjes van het vruchtbeginsel met 1 tot talrijke zaadknoppen; stijl 1, met een meest onvertakte stempel; vrucht zeer verschillend; kruiden of houtige planten met kruisgewijs tegenoverstaande bladeren en steunbladeren, die soms zeer groot zijn.1a.Vruchtbeginsel met slechts 1 zaadknop in ieder hokje21b.Vruchtbeginsel met 2 tot meer zaadknoppen in ieder hokje212a.Bloemkroonslippen in den knop gedraaid of met de randen over elkaar liggend32b.Bloemkroonslippen in den knop met de randen tegen elkaar liggend53a.Bloemen in okselstandige één- of tweemaal vorksgewijs gedeelde bloeiwijzen, waarvan de takken aarvormig zijn en eenzijdig bloemen dragen. Kelk afvallend na de bloei. Bloemkroon met lange buis. Meeldraden in de bloemkroon ingesloten. Vruchtbeginsel 4–9-hokkigGuettarda.3b.Bloemen in okselstandige of eindstandige schermen of aren. Meeldraden buiten de buis uitstekend; vruchtbeginsel 2-hokkig44a.Bloemen in groepen in de bladoksels gezeten, 5- of meertalligCoffea.4b.Bloemen in een eindelingsche pluim of scherm, 4-talligIxora.Faja-lobbie.5a.Kleine kruiden of heesters met zeer kleine bloemen die in groepen in de bladoksels zitten of in kleine hoofdjes aan het eind van den stengel en rondom den stengel zitten. Bladeren steeds klein, (hoogstens eenige c.M.lang).Steunbladeren tot een scheede vergroeid, die aan den rand met lange tanden of haren bezet is. Vrucht een tweezadige doosvrucht of in 2 stukken uiteenvallend65b.Groote heesters of boomen met groote of vrij groote bladeren en groote bloemen. Vrucht 1-zadig, of indien zij meerzadig is, dan niet openspringend116a.Doosvrucht met een deksel openspringend76b.Doosvrucht 2-hokkig, met 2 kleppen openspringend of in 2 stukken uiteenvallend87a.Doosvrucht 3-hokkig. Kelkslippen 2, vrij of aan de basis vergroeid. Helmknoppen behaard. Bloemen in hoofdjes met vliezige schutbladeren stijf behaardPerama.7b.Doosvrucht 2-hokkig. Kelkslippen 4, ongelijk. Hoofdjes met droogvliezige bloemsteelblaadjes. Habitus als de vorigeMitracarpus.8a.Doosvrucht in 2 stukken uiteenvallend98b.Doosvrucht met kleppen openspringend109a.Stukken van de doosvrucht gesloten blijvend. Kelkslippen 2 of 4 aan de basis vergroeid. Bloemkroon trechtervormig, 4-lobbig. Bloemen in okselstandige schijnkransen. Bladeren smal, meest ruwDiodia.9b.Stukken van de doosvrucht aan de binnenzijde geopend. Kelkslippen 4, aan de basis hoog vergroeid. Overigens als de vorigeHemidiodia.10a.Een van de beide kleppen van de doosvrucht laat van het middenschot los, de andere blijft gesloten. Kelkslippen 4, aan de basis verbonden. Meeldraden beneden in de buis van de bloemkroon ingehechtSpermacoce.10b.Beide kleppen van de doosvrucht laten van het middenschot los en springen open. Kelkslippen 2 of 4, meer of minder met elkaar vergroeid. Meeldraden meest boven in de buis ingehecht. Habitus als DiodiaBorreria.11a.Vruchtbeginsel bovenstandig. Kelk 4–5-tandig of 4–5-lobbig. Bloemkroon stervormig, van binnen behaard. Meeldraden bovenin de buis vastgehecht. Stijl 2-deelig. Boomen en heesters met leerachtige bladeren, met zeer stijl opgerichte zijnerven. Bloemen dicht bij elkaar zittend, in groepenPagamea.11b.Vruchtbeginsel onderstandig1212a.Heesters met dorens. Bloemkroon en kelk 5-tallig, de bloemkroonbuis zeer lang, van buiten behaard met lange en spitse slippen. Bloemen in korte trossen; bladeren meest groepsgewijs bijeenzittend aan korte takkenAnisomeris.12b.Planten zonder dorens1313a.Bloeiwijzen dichtgedrongen, bloemen in hoofdjes, omgeven door talrijke groote of kleine schutbladeren1413b.Bloeiwijzen niet hoofdjes-vormig, zonder groote schutbladeren1514a.Kleine en teere, op den bodem kruipende kruiden met langgesteelde hart- of niervormige bladeren. Kelk kort, 4–7-tandig, blijvend. Bloemkroon buis- tot trechtervormig met behaarde mond. Meeldraden 4–7, in de buis ingehecht. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Zaden aan de buikzijde vlak, zonder groefGeophila.14b.Krachtige meest rechtopstaande heesterachtige kruiden of heesters. Bloemen als de vorige, doch vruchtbeginsel soms 3–4-hokkig. Bladeren niet hart- of niervormig. Zaden aan de buikzijde met een diepe groefUragoga.14c.Bloemen in dichte bolvormige hoofdjes, met de vruchtbeginsels vergroeid; elk vruchtbeginsel 4-hokkig. Kelk bekervormig, nauwelijks getand. Vrucht tot een vleezige verzamelvrucht vereenigd met meerdere pitten die soms in groepen van 4 bij elkaar zitten. Boomen of heesters met meest kruisgewijs tegenoverstaande bladerenMorinda.15a.Zaden in de vrucht met het worteltje naar boven gericht. Zaadknoppen boven in de hokjes van het vruchtbeginsel bevestigd, hangend. Kelk zeer kort, 4-tandig of 4-lobbig, blijvend. Bloemkroontrechtervormigof stervormig met korte buis, in de mond en van binnen op de slippen dicht behaard. Helmknoppen uit de buis uitstekend. Vruchtbeginsel 2-hokkig; stijl kort 2-spletig. Klimmende heesters met leerachtige bladeren. Bloemen klein, in pluimen met tegenoverstaande takkenMalanea.15b.Zaden met het worteltje naar beneden. Zaadknoppen onder in het vruchtbeginsel ingehecht, rechtopstaand1616a.Vruchtbeginsel 1-hokkig of 2-hokkig, maar dan is het tusschenschot zeer dun, in ieder geval veel dunner dan de wand van het vruchtbeginsel1716b.Vruchtbeginsel 2- (zelden meer-)hokkig; tusschenschot even dik als de wand van het vruchtbeginsel1817a.Tusschenschot dun, na den bloei verdwijnend. Zaad loodrecht in de vrucht staande met den kiem op den bodem. Kelk min of meer bekervormig, zonder lobben of kort 4-lobbig. Bloemkroon trechtervormig, van binnen kaal. Boomen of heestersCoussarea.17b.Tusschenschot geheel ontbrekend. Zaad in de vrucht liggend, van onderen uitgehold met zijdelingschen kiem. Overigens als de vorigeFaramea.18a.Zaad aan de buikzijde vlak, ongegroefd. Kelk kort-5-tandig. Bloemkroon trechtervormig, met vaak naar binnen gebogen ofmet een klein hoorntje voorziene slippen, van binnen behaard. Vruchtbeginsel 2-, zelden meerhokkig. Vrucht een 2–5-hokkige steenvrucht. Boomen of heestersMapouria.18b.Zaad aan de buikzijde met een groef1919a.Bloemkroon gekromd, buis- of trechtervormig, aan één zijde meest met een kleine knobbel. Kelk beker- of klokvormig, 5-lobbig of met gave zoom. Vrucht met 2 (soms 3–5) pitten. HeestersPalicourea.19b.Bloemkroonbuis recht2020a.Zaden aan de kanten ingerold en van binnen met een dwarse uitholling. Kelkbladeren 4–5, in verschillende hoogte vergroeid. Bloemkroonbuis meest kort, in de mond behaard, de slippen vaak aan den top naar binnen gebogen en met een hoorntje voorzien. Vrucht met 2 pitten. Heesters of boomenRudgea.20b.Zaden zonder plooien in het kiemwit. Kelk kort, meest 5-tandig. Bloemkroonbuis van zeer verschillende lengte. Vrucht met 2 (zelden 3–5) pitten. Boomen of heestersPsychotria.21a.Vrucht een doosvrucht2221b.Vrucht een bes2622a.Bloemen in bolvormige hoofdjes, aan het eind van lange steelen, te zamen tot een bloeiwijze vereenigd. Planten klimmend door middel van haken, die in de bladoksels staanUncaria.(Ourouparia).22b.Bloemen niet in dergelijke hoofdjes. Planten niet met haken klimmend2323a.Kruidachtige klimplanten. Kelkslippen 4–8, blijvend, soms bladachtig. Bloemkroon meest vuurrood. Doosvrucht met 2 kleppen openspringend met talrijke gevleugelde zadenManettia.23b.Planten niet klimmend2424a.Bloemen zeer groot, meer dan 4 c.M. lang, 6-tallig; alleenstaand. Epiphyten met groote doosvruchten; zaden gevleugeldHillia.24b.Bloemen veel kleiner, hoogstens 1 c.M. groot, niet 6-tallig. Planten niet epiphytisch levend2525a.Kleine kruiden met kleine korte witte bloemen. Kelk 4-tandig blijvend. Bloemen gesteeld in groepen of kleine bloeiwijzen in de bladoksels. DoosvruchtOldenlandia.25b.Kruiden met een vrij lange buisvormige en 5-tallige bloemkroon. Kelk met 5 slippen. Bloemen vaak in dichte groepen staandSipanea.26a.Slippen van den bloemkroon met de randen tegen elkaar liggend2726b.Slippen van den bloemkroon met de randen over elkaar liggend3027a.Bloeiwijzen aan het eind van den stengel2827b.Bloeiwijzen in de bladoksels2928a.Bloeiwijzen een pluim, min of meer gedrongen. Kelk kort, blijvend. Bloemkroon buisvormig, soms zeer lang, met korte zoom, in de keel dicht behaard, 4–6-tallig. Bessen met 4–6 pitten. Heesters of boomen, met meest behaarde bladerenIsertia.28b.Bloeiwijze verlengd tot een losse aar. Kelk bekervormig. Bloemkroon trechter- of schotelvormig, van boven meest verwijd. Vruchtbeginsel 2–4-hokkig. Bes bolvormig met 2–4 meerzadige pitten, vaak maar weinig vleezigGonzalagunia.29a.Kleine kruipende kruiden. Kelkslippen 4 (zelden 5) bijna tot aan de basis vrij,blijvend. Bloemkroon trechtervormig, in den keelbehaard. Vruchtbeginsel 2-hokkig, stijl 2-spletig. Vrucht bolvormig. Bloemen dicht gedrongen aan het eind van de steelCoccocypselum.29b.Klimmende forsche kruiden met dichte beharing. Kelkslippen 4–5, nogal breed en groot. Vruchtbeginsel 3–5-hokkig; stijl 3–5-spletigSabicea.30a.Bloemkroon met een opvallend lange buis, van 5 tot 25 c.M.; bloemen tweeslachtig3130b.Bloemen klein, hoogstens 2 c.M. groot; bloemen meest éénslachtig3431a.Bloemknoppen scheef ten opzichte van de buis, daardoor de bloem een weinig zijdelings-symmetrisch. Kelk 5-tandig, van binnen met klieren. Helmknoppen buiten de buis uitstekend. Vruchten eirond met leerachtige schil, van binnen sappigPosoqueria.31b.Bloemen geheel regelmatig3232a.Bloemen alleenstaand en eindelingsch3332b.Bloemen in veelbloemige bijschermen. Kelk klein, bekervormig, 5-tandig, blijvend. Bloemkroonbuis zeer lang. Meeldraden weinig uit de buis uitstekend. Stijl even lang als de buisTocoyena.33a.Vruchtbeginsel 1-hokkig; kelkslippen meestal 5, spits en smal, aan den voet verbonden. Kroon 2–3 maal zoo groot als de kelk met 5–6, een weinig scheeve slippen. Meeldraden aan den mond van de buis ingehecht. Vrucht lang en dunGardenia.33b.Vruchtbeginsel 2-hokkig. Overigens als de vorige, doch de kroonslippen kleiner ten opzichte van de lengte van de buis en de vrucht eirondRandia.34a.Bloemen tweeslachtig3534b.Bloemen eenslachtig3735a.Bloeiwijze dicht bij den top der stengels maar toch duidelijk zijdelings staande; kelk bekervormig met zeer kleine tanden. Bloemkroon van buiten en van binnen behaard, leerachtig. Stijl lang, toegespitst. Vrucht eirond, van buiten leerachtig, van binnen sappigGenipa.Tapoeripa.35b.Bloeiwijze een tros of pluim, duidelijk eindstandig3636a.Kelk met zeer kleine tanden. Bloemkroon met groote, meest teruggeslagen slippen. Helmknoppen aan den voet verbreed. Vruchtbeginsel 5-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje. Stijl aan den top kort 5-lobbig. Vrucht met 5 eenzadige pitten. Bloemen in lange of korte trossenRetiniphyllum.36b.Kelk bekervormig 5-tandig. Bloemkroonslippen spits en smal. Vruchtbeginsel 2-hokkig; stijl aan den top 2-spletig. Vrucht met 10 ribben. Bloemen in een pluim, witBertiera.37a.Steunbladeren spits. Kelk met korte tanden. Bloemkroon van buiten slechts weinig behaard. Meeldraden in de buis ingesloten. Vruchtbeginsel 2–5-hokkig; stijl met 2–5 takken. Vrucht een besAlibertia.37b.Steunbladeren reeds vroeg afvallend zoodat er slechts een smalle rand overblijft3838a.Mannelijke en vrouwelijke bloemen in bijschermen.Bloemen 6- tot meertallig. Bloemkroonbuis van buiten dun behaard. Meeldraden in de ♀ bloem zonder stuifmeel, in de buis ingesloten. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Vrucht een eetbare besAmajoua.Marmeldoos.38b.Mannelijke bloemen in bijschermen, vrouwelijke alleenstaand of 2 aan 2. Bloemen als de vorige doch de buis van buiten met lange haren bedekt. Vrucht eetbaarDuroia,Bosch-marmeldoos.

270.Rubiaceae.

Bloemen 4- of 5-, zelden meertallig met een onderstandig vruchtbeginsel dat meest evenveel, zelden minder hokjes heeft als bloemkroonslippen; tweeslachtig, zelden éénslachtig, regelmatig, zelden min of meer zygomorf; kelk meest open; bloemkroonslippen in de knop met de randen over elkaar liggend of tegen elkaar liggend of gedraaid; hokjes van het vruchtbeginsel met 1 tot talrijke zaadknoppen; stijl 1, met een meest onvertakte stempel; vrucht zeer verschillend; kruiden of houtige planten met kruisgewijs tegenoverstaande bladeren en steunbladeren, die soms zeer groot zijn.1a.Vruchtbeginsel met slechts 1 zaadknop in ieder hokje21b.Vruchtbeginsel met 2 tot meer zaadknoppen in ieder hokje212a.Bloemkroonslippen in den knop gedraaid of met de randen over elkaar liggend32b.Bloemkroonslippen in den knop met de randen tegen elkaar liggend53a.Bloemen in okselstandige één- of tweemaal vorksgewijs gedeelde bloeiwijzen, waarvan de takken aarvormig zijn en eenzijdig bloemen dragen. Kelk afvallend na de bloei. Bloemkroon met lange buis. Meeldraden in de bloemkroon ingesloten. Vruchtbeginsel 4–9-hokkigGuettarda.3b.Bloemen in okselstandige of eindstandige schermen of aren. Meeldraden buiten de buis uitstekend; vruchtbeginsel 2-hokkig44a.Bloemen in groepen in de bladoksels gezeten, 5- of meertalligCoffea.4b.Bloemen in een eindelingsche pluim of scherm, 4-talligIxora.Faja-lobbie.5a.Kleine kruiden of heesters met zeer kleine bloemen die in groepen in de bladoksels zitten of in kleine hoofdjes aan het eind van den stengel en rondom den stengel zitten. Bladeren steeds klein, (hoogstens eenige c.M.lang).Steunbladeren tot een scheede vergroeid, die aan den rand met lange tanden of haren bezet is. Vrucht een tweezadige doosvrucht of in 2 stukken uiteenvallend65b.Groote heesters of boomen met groote of vrij groote bladeren en groote bloemen. Vrucht 1-zadig, of indien zij meerzadig is, dan niet openspringend116a.Doosvrucht met een deksel openspringend76b.Doosvrucht 2-hokkig, met 2 kleppen openspringend of in 2 stukken uiteenvallend87a.Doosvrucht 3-hokkig. Kelkslippen 2, vrij of aan de basis vergroeid. Helmknoppen behaard. Bloemen in hoofdjes met vliezige schutbladeren stijf behaardPerama.7b.Doosvrucht 2-hokkig. Kelkslippen 4, ongelijk. Hoofdjes met droogvliezige bloemsteelblaadjes. Habitus als de vorigeMitracarpus.8a.Doosvrucht in 2 stukken uiteenvallend98b.Doosvrucht met kleppen openspringend109a.Stukken van de doosvrucht gesloten blijvend. Kelkslippen 2 of 4 aan de basis vergroeid. Bloemkroon trechtervormig, 4-lobbig. Bloemen in okselstandige schijnkransen. Bladeren smal, meest ruwDiodia.9b.Stukken van de doosvrucht aan de binnenzijde geopend. Kelkslippen 4, aan de basis hoog vergroeid. Overigens als de vorigeHemidiodia.10a.Een van de beide kleppen van de doosvrucht laat van het middenschot los, de andere blijft gesloten. Kelkslippen 4, aan de basis verbonden. Meeldraden beneden in de buis van de bloemkroon ingehechtSpermacoce.10b.Beide kleppen van de doosvrucht laten van het middenschot los en springen open. Kelkslippen 2 of 4, meer of minder met elkaar vergroeid. Meeldraden meest boven in de buis ingehecht. Habitus als DiodiaBorreria.11a.Vruchtbeginsel bovenstandig. Kelk 4–5-tandig of 4–5-lobbig. Bloemkroon stervormig, van binnen behaard. Meeldraden bovenin de buis vastgehecht. Stijl 2-deelig. Boomen en heesters met leerachtige bladeren, met zeer stijl opgerichte zijnerven. Bloemen dicht bij elkaar zittend, in groepenPagamea.11b.Vruchtbeginsel onderstandig1212a.Heesters met dorens. Bloemkroon en kelk 5-tallig, de bloemkroonbuis zeer lang, van buiten behaard met lange en spitse slippen. Bloemen in korte trossen; bladeren meest groepsgewijs bijeenzittend aan korte takkenAnisomeris.12b.Planten zonder dorens1313a.Bloeiwijzen dichtgedrongen, bloemen in hoofdjes, omgeven door talrijke groote of kleine schutbladeren1413b.Bloeiwijzen niet hoofdjes-vormig, zonder groote schutbladeren1514a.Kleine en teere, op den bodem kruipende kruiden met langgesteelde hart- of niervormige bladeren. Kelk kort, 4–7-tandig, blijvend. Bloemkroon buis- tot trechtervormig met behaarde mond. Meeldraden 4–7, in de buis ingehecht. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Zaden aan de buikzijde vlak, zonder groefGeophila.14b.Krachtige meest rechtopstaande heesterachtige kruiden of heesters. Bloemen als de vorige, doch vruchtbeginsel soms 3–4-hokkig. Bladeren niet hart- of niervormig. Zaden aan de buikzijde met een diepe groefUragoga.14c.Bloemen in dichte bolvormige hoofdjes, met de vruchtbeginsels vergroeid; elk vruchtbeginsel 4-hokkig. Kelk bekervormig, nauwelijks getand. Vrucht tot een vleezige verzamelvrucht vereenigd met meerdere pitten die soms in groepen van 4 bij elkaar zitten. Boomen of heesters met meest kruisgewijs tegenoverstaande bladerenMorinda.15a.Zaden in de vrucht met het worteltje naar boven gericht. Zaadknoppen boven in de hokjes van het vruchtbeginsel bevestigd, hangend. Kelk zeer kort, 4-tandig of 4-lobbig, blijvend. Bloemkroontrechtervormigof stervormig met korte buis, in de mond en van binnen op de slippen dicht behaard. Helmknoppen uit de buis uitstekend. Vruchtbeginsel 2-hokkig; stijl kort 2-spletig. Klimmende heesters met leerachtige bladeren. Bloemen klein, in pluimen met tegenoverstaande takkenMalanea.15b.Zaden met het worteltje naar beneden. Zaadknoppen onder in het vruchtbeginsel ingehecht, rechtopstaand1616a.Vruchtbeginsel 1-hokkig of 2-hokkig, maar dan is het tusschenschot zeer dun, in ieder geval veel dunner dan de wand van het vruchtbeginsel1716b.Vruchtbeginsel 2- (zelden meer-)hokkig; tusschenschot even dik als de wand van het vruchtbeginsel1817a.Tusschenschot dun, na den bloei verdwijnend. Zaad loodrecht in de vrucht staande met den kiem op den bodem. Kelk min of meer bekervormig, zonder lobben of kort 4-lobbig. Bloemkroon trechtervormig, van binnen kaal. Boomen of heestersCoussarea.17b.Tusschenschot geheel ontbrekend. Zaad in de vrucht liggend, van onderen uitgehold met zijdelingschen kiem. Overigens als de vorigeFaramea.18a.Zaad aan de buikzijde vlak, ongegroefd. Kelk kort-5-tandig. Bloemkroon trechtervormig, met vaak naar binnen gebogen ofmet een klein hoorntje voorziene slippen, van binnen behaard. Vruchtbeginsel 2-, zelden meerhokkig. Vrucht een 2–5-hokkige steenvrucht. Boomen of heestersMapouria.18b.Zaad aan de buikzijde met een groef1919a.Bloemkroon gekromd, buis- of trechtervormig, aan één zijde meest met een kleine knobbel. Kelk beker- of klokvormig, 5-lobbig of met gave zoom. Vrucht met 2 (soms 3–5) pitten. HeestersPalicourea.19b.Bloemkroonbuis recht2020a.Zaden aan de kanten ingerold en van binnen met een dwarse uitholling. Kelkbladeren 4–5, in verschillende hoogte vergroeid. Bloemkroonbuis meest kort, in de mond behaard, de slippen vaak aan den top naar binnen gebogen en met een hoorntje voorzien. Vrucht met 2 pitten. Heesters of boomenRudgea.20b.Zaden zonder plooien in het kiemwit. Kelk kort, meest 5-tandig. Bloemkroonbuis van zeer verschillende lengte. Vrucht met 2 (zelden 3–5) pitten. Boomen of heestersPsychotria.21a.Vrucht een doosvrucht2221b.Vrucht een bes2622a.Bloemen in bolvormige hoofdjes, aan het eind van lange steelen, te zamen tot een bloeiwijze vereenigd. Planten klimmend door middel van haken, die in de bladoksels staanUncaria.(Ourouparia).22b.Bloemen niet in dergelijke hoofdjes. Planten niet met haken klimmend2323a.Kruidachtige klimplanten. Kelkslippen 4–8, blijvend, soms bladachtig. Bloemkroon meest vuurrood. Doosvrucht met 2 kleppen openspringend met talrijke gevleugelde zadenManettia.23b.Planten niet klimmend2424a.Bloemen zeer groot, meer dan 4 c.M. lang, 6-tallig; alleenstaand. Epiphyten met groote doosvruchten; zaden gevleugeldHillia.24b.Bloemen veel kleiner, hoogstens 1 c.M. groot, niet 6-tallig. Planten niet epiphytisch levend2525a.Kleine kruiden met kleine korte witte bloemen. Kelk 4-tandig blijvend. Bloemen gesteeld in groepen of kleine bloeiwijzen in de bladoksels. DoosvruchtOldenlandia.25b.Kruiden met een vrij lange buisvormige en 5-tallige bloemkroon. Kelk met 5 slippen. Bloemen vaak in dichte groepen staandSipanea.26a.Slippen van den bloemkroon met de randen tegen elkaar liggend2726b.Slippen van den bloemkroon met de randen over elkaar liggend3027a.Bloeiwijzen aan het eind van den stengel2827b.Bloeiwijzen in de bladoksels2928a.Bloeiwijzen een pluim, min of meer gedrongen. Kelk kort, blijvend. Bloemkroon buisvormig, soms zeer lang, met korte zoom, in de keel dicht behaard, 4–6-tallig. Bessen met 4–6 pitten. Heesters of boomen, met meest behaarde bladerenIsertia.28b.Bloeiwijze verlengd tot een losse aar. Kelk bekervormig. Bloemkroon trechter- of schotelvormig, van boven meest verwijd. Vruchtbeginsel 2–4-hokkig. Bes bolvormig met 2–4 meerzadige pitten, vaak maar weinig vleezigGonzalagunia.29a.Kleine kruipende kruiden. Kelkslippen 4 (zelden 5) bijna tot aan de basis vrij,blijvend. Bloemkroon trechtervormig, in den keelbehaard. Vruchtbeginsel 2-hokkig, stijl 2-spletig. Vrucht bolvormig. Bloemen dicht gedrongen aan het eind van de steelCoccocypselum.29b.Klimmende forsche kruiden met dichte beharing. Kelkslippen 4–5, nogal breed en groot. Vruchtbeginsel 3–5-hokkig; stijl 3–5-spletigSabicea.30a.Bloemkroon met een opvallend lange buis, van 5 tot 25 c.M.; bloemen tweeslachtig3130b.Bloemen klein, hoogstens 2 c.M. groot; bloemen meest éénslachtig3431a.Bloemknoppen scheef ten opzichte van de buis, daardoor de bloem een weinig zijdelings-symmetrisch. Kelk 5-tandig, van binnen met klieren. Helmknoppen buiten de buis uitstekend. Vruchten eirond met leerachtige schil, van binnen sappigPosoqueria.31b.Bloemen geheel regelmatig3232a.Bloemen alleenstaand en eindelingsch3332b.Bloemen in veelbloemige bijschermen. Kelk klein, bekervormig, 5-tandig, blijvend. Bloemkroonbuis zeer lang. Meeldraden weinig uit de buis uitstekend. Stijl even lang als de buisTocoyena.33a.Vruchtbeginsel 1-hokkig; kelkslippen meestal 5, spits en smal, aan den voet verbonden. Kroon 2–3 maal zoo groot als de kelk met 5–6, een weinig scheeve slippen. Meeldraden aan den mond van de buis ingehecht. Vrucht lang en dunGardenia.33b.Vruchtbeginsel 2-hokkig. Overigens als de vorige, doch de kroonslippen kleiner ten opzichte van de lengte van de buis en de vrucht eirondRandia.34a.Bloemen tweeslachtig3534b.Bloemen eenslachtig3735a.Bloeiwijze dicht bij den top der stengels maar toch duidelijk zijdelings staande; kelk bekervormig met zeer kleine tanden. Bloemkroon van buiten en van binnen behaard, leerachtig. Stijl lang, toegespitst. Vrucht eirond, van buiten leerachtig, van binnen sappigGenipa.Tapoeripa.35b.Bloeiwijze een tros of pluim, duidelijk eindstandig3636a.Kelk met zeer kleine tanden. Bloemkroon met groote, meest teruggeslagen slippen. Helmknoppen aan den voet verbreed. Vruchtbeginsel 5-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje. Stijl aan den top kort 5-lobbig. Vrucht met 5 eenzadige pitten. Bloemen in lange of korte trossenRetiniphyllum.36b.Kelk bekervormig 5-tandig. Bloemkroonslippen spits en smal. Vruchtbeginsel 2-hokkig; stijl aan den top 2-spletig. Vrucht met 10 ribben. Bloemen in een pluim, witBertiera.37a.Steunbladeren spits. Kelk met korte tanden. Bloemkroon van buiten slechts weinig behaard. Meeldraden in de buis ingesloten. Vruchtbeginsel 2–5-hokkig; stijl met 2–5 takken. Vrucht een besAlibertia.37b.Steunbladeren reeds vroeg afvallend zoodat er slechts een smalle rand overblijft3838a.Mannelijke en vrouwelijke bloemen in bijschermen.Bloemen 6- tot meertallig. Bloemkroonbuis van buiten dun behaard. Meeldraden in de ♀ bloem zonder stuifmeel, in de buis ingesloten. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Vrucht een eetbare besAmajoua.Marmeldoos.38b.Mannelijke bloemen in bijschermen, vrouwelijke alleenstaand of 2 aan 2. Bloemen als de vorige doch de buis van buiten met lange haren bedekt. Vrucht eetbaarDuroia,Bosch-marmeldoos.

Bloemen 4- of 5-, zelden meertallig met een onderstandig vruchtbeginsel dat meest evenveel, zelden minder hokjes heeft als bloemkroonslippen; tweeslachtig, zelden éénslachtig, regelmatig, zelden min of meer zygomorf; kelk meest open; bloemkroonslippen in de knop met de randen over elkaar liggend of tegen elkaar liggend of gedraaid; hokjes van het vruchtbeginsel met 1 tot talrijke zaadknoppen; stijl 1, met een meest onvertakte stempel; vrucht zeer verschillend; kruiden of houtige planten met kruisgewijs tegenoverstaande bladeren en steunbladeren, die soms zeer groot zijn.

1a.Vruchtbeginsel met slechts 1 zaadknop in ieder hokje2

1b.Vruchtbeginsel met 2 tot meer zaadknoppen in ieder hokje21

2a.Bloemkroonslippen in den knop gedraaid of met de randen over elkaar liggend3

2b.Bloemkroonslippen in den knop met de randen tegen elkaar liggend5

3a.Bloemen in okselstandige één- of tweemaal vorksgewijs gedeelde bloeiwijzen, waarvan de takken aarvormig zijn en eenzijdig bloemen dragen. Kelk afvallend na de bloei. Bloemkroon met lange buis. Meeldraden in de bloemkroon ingesloten. Vruchtbeginsel 4–9-hokkigGuettarda.

3b.Bloemen in okselstandige of eindstandige schermen of aren. Meeldraden buiten de buis uitstekend; vruchtbeginsel 2-hokkig4

4a.Bloemen in groepen in de bladoksels gezeten, 5- of meertalligCoffea.

4b.Bloemen in een eindelingsche pluim of scherm, 4-talligIxora.Faja-lobbie.

5a.Kleine kruiden of heesters met zeer kleine bloemen die in groepen in de bladoksels zitten of in kleine hoofdjes aan het eind van den stengel en rondom den stengel zitten. Bladeren steeds klein, (hoogstens eenige c.M.lang).Steunbladeren tot een scheede vergroeid, die aan den rand met lange tanden of haren bezet is. Vrucht een tweezadige doosvrucht of in 2 stukken uiteenvallend6

5b.Groote heesters of boomen met groote of vrij groote bladeren en groote bloemen. Vrucht 1-zadig, of indien zij meerzadig is, dan niet openspringend11

6a.Doosvrucht met een deksel openspringend7

6b.Doosvrucht 2-hokkig, met 2 kleppen openspringend of in 2 stukken uiteenvallend8

7a.Doosvrucht 3-hokkig. Kelkslippen 2, vrij of aan de basis vergroeid. Helmknoppen behaard. Bloemen in hoofdjes met vliezige schutbladeren stijf behaardPerama.

7b.Doosvrucht 2-hokkig. Kelkslippen 4, ongelijk. Hoofdjes met droogvliezige bloemsteelblaadjes. Habitus als de vorigeMitracarpus.

8a.Doosvrucht in 2 stukken uiteenvallend9

8b.Doosvrucht met kleppen openspringend10

9a.Stukken van de doosvrucht gesloten blijvend. Kelkslippen 2 of 4 aan de basis vergroeid. Bloemkroon trechtervormig, 4-lobbig. Bloemen in okselstandige schijnkransen. Bladeren smal, meest ruwDiodia.

9b.Stukken van de doosvrucht aan de binnenzijde geopend. Kelkslippen 4, aan de basis hoog vergroeid. Overigens als de vorigeHemidiodia.

10a.Een van de beide kleppen van de doosvrucht laat van het middenschot los, de andere blijft gesloten. Kelkslippen 4, aan de basis verbonden. Meeldraden beneden in de buis van de bloemkroon ingehechtSpermacoce.

10b.Beide kleppen van de doosvrucht laten van het middenschot los en springen open. Kelkslippen 2 of 4, meer of minder met elkaar vergroeid. Meeldraden meest boven in de buis ingehecht. Habitus als DiodiaBorreria.

11a.Vruchtbeginsel bovenstandig. Kelk 4–5-tandig of 4–5-lobbig. Bloemkroon stervormig, van binnen behaard. Meeldraden bovenin de buis vastgehecht. Stijl 2-deelig. Boomen en heesters met leerachtige bladeren, met zeer stijl opgerichte zijnerven. Bloemen dicht bij elkaar zittend, in groepenPagamea.

11b.Vruchtbeginsel onderstandig12

12a.Heesters met dorens. Bloemkroon en kelk 5-tallig, de bloemkroonbuis zeer lang, van buiten behaard met lange en spitse slippen. Bloemen in korte trossen; bladeren meest groepsgewijs bijeenzittend aan korte takkenAnisomeris.

12b.Planten zonder dorens13

13a.Bloeiwijzen dichtgedrongen, bloemen in hoofdjes, omgeven door talrijke groote of kleine schutbladeren14

13b.Bloeiwijzen niet hoofdjes-vormig, zonder groote schutbladeren15

14a.Kleine en teere, op den bodem kruipende kruiden met langgesteelde hart- of niervormige bladeren. Kelk kort, 4–7-tandig, blijvend. Bloemkroon buis- tot trechtervormig met behaarde mond. Meeldraden 4–7, in de buis ingehecht. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Zaden aan de buikzijde vlak, zonder groefGeophila.

14b.Krachtige meest rechtopstaande heesterachtige kruiden of heesters. Bloemen als de vorige, doch vruchtbeginsel soms 3–4-hokkig. Bladeren niet hart- of niervormig. Zaden aan de buikzijde met een diepe groefUragoga.

14c.Bloemen in dichte bolvormige hoofdjes, met de vruchtbeginsels vergroeid; elk vruchtbeginsel 4-hokkig. Kelk bekervormig, nauwelijks getand. Vrucht tot een vleezige verzamelvrucht vereenigd met meerdere pitten die soms in groepen van 4 bij elkaar zitten. Boomen of heesters met meest kruisgewijs tegenoverstaande bladerenMorinda.

15a.Zaden in de vrucht met het worteltje naar boven gericht. Zaadknoppen boven in de hokjes van het vruchtbeginsel bevestigd, hangend. Kelk zeer kort, 4-tandig of 4-lobbig, blijvend. Bloemkroontrechtervormigof stervormig met korte buis, in de mond en van binnen op de slippen dicht behaard. Helmknoppen uit de buis uitstekend. Vruchtbeginsel 2-hokkig; stijl kort 2-spletig. Klimmende heesters met leerachtige bladeren. Bloemen klein, in pluimen met tegenoverstaande takkenMalanea.

15b.Zaden met het worteltje naar beneden. Zaadknoppen onder in het vruchtbeginsel ingehecht, rechtopstaand16

16a.Vruchtbeginsel 1-hokkig of 2-hokkig, maar dan is het tusschenschot zeer dun, in ieder geval veel dunner dan de wand van het vruchtbeginsel17

16b.Vruchtbeginsel 2- (zelden meer-)hokkig; tusschenschot even dik als de wand van het vruchtbeginsel18

17a.Tusschenschot dun, na den bloei verdwijnend. Zaad loodrecht in de vrucht staande met den kiem op den bodem. Kelk min of meer bekervormig, zonder lobben of kort 4-lobbig. Bloemkroon trechtervormig, van binnen kaal. Boomen of heestersCoussarea.

17b.Tusschenschot geheel ontbrekend. Zaad in de vrucht liggend, van onderen uitgehold met zijdelingschen kiem. Overigens als de vorigeFaramea.

18a.Zaad aan de buikzijde vlak, ongegroefd. Kelk kort-5-tandig. Bloemkroon trechtervormig, met vaak naar binnen gebogen ofmet een klein hoorntje voorziene slippen, van binnen behaard. Vruchtbeginsel 2-, zelden meerhokkig. Vrucht een 2–5-hokkige steenvrucht. Boomen of heestersMapouria.

18b.Zaad aan de buikzijde met een groef19

19a.Bloemkroon gekromd, buis- of trechtervormig, aan één zijde meest met een kleine knobbel. Kelk beker- of klokvormig, 5-lobbig of met gave zoom. Vrucht met 2 (soms 3–5) pitten. HeestersPalicourea.

19b.Bloemkroonbuis recht20

20a.Zaden aan de kanten ingerold en van binnen met een dwarse uitholling. Kelkbladeren 4–5, in verschillende hoogte vergroeid. Bloemkroonbuis meest kort, in de mond behaard, de slippen vaak aan den top naar binnen gebogen en met een hoorntje voorzien. Vrucht met 2 pitten. Heesters of boomenRudgea.

20b.Zaden zonder plooien in het kiemwit. Kelk kort, meest 5-tandig. Bloemkroonbuis van zeer verschillende lengte. Vrucht met 2 (zelden 3–5) pitten. Boomen of heestersPsychotria.

21a.Vrucht een doosvrucht22

21b.Vrucht een bes26

22a.Bloemen in bolvormige hoofdjes, aan het eind van lange steelen, te zamen tot een bloeiwijze vereenigd. Planten klimmend door middel van haken, die in de bladoksels staanUncaria.(Ourouparia).

22b.Bloemen niet in dergelijke hoofdjes. Planten niet met haken klimmend23

23a.Kruidachtige klimplanten. Kelkslippen 4–8, blijvend, soms bladachtig. Bloemkroon meest vuurrood. Doosvrucht met 2 kleppen openspringend met talrijke gevleugelde zadenManettia.

23b.Planten niet klimmend24

24a.Bloemen zeer groot, meer dan 4 c.M. lang, 6-tallig; alleenstaand. Epiphyten met groote doosvruchten; zaden gevleugeldHillia.

24b.Bloemen veel kleiner, hoogstens 1 c.M. groot, niet 6-tallig. Planten niet epiphytisch levend25

25a.Kleine kruiden met kleine korte witte bloemen. Kelk 4-tandig blijvend. Bloemen gesteeld in groepen of kleine bloeiwijzen in de bladoksels. DoosvruchtOldenlandia.

25b.Kruiden met een vrij lange buisvormige en 5-tallige bloemkroon. Kelk met 5 slippen. Bloemen vaak in dichte groepen staandSipanea.

26a.Slippen van den bloemkroon met de randen tegen elkaar liggend27

26b.Slippen van den bloemkroon met de randen over elkaar liggend30

27a.Bloeiwijzen aan het eind van den stengel28

27b.Bloeiwijzen in de bladoksels29

28a.Bloeiwijzen een pluim, min of meer gedrongen. Kelk kort, blijvend. Bloemkroon buisvormig, soms zeer lang, met korte zoom, in de keel dicht behaard, 4–6-tallig. Bessen met 4–6 pitten. Heesters of boomen, met meest behaarde bladerenIsertia.

28b.Bloeiwijze verlengd tot een losse aar. Kelk bekervormig. Bloemkroon trechter- of schotelvormig, van boven meest verwijd. Vruchtbeginsel 2–4-hokkig. Bes bolvormig met 2–4 meerzadige pitten, vaak maar weinig vleezigGonzalagunia.

29a.Kleine kruipende kruiden. Kelkslippen 4 (zelden 5) bijna tot aan de basis vrij,blijvend. Bloemkroon trechtervormig, in den keelbehaard. Vruchtbeginsel 2-hokkig, stijl 2-spletig. Vrucht bolvormig. Bloemen dicht gedrongen aan het eind van de steelCoccocypselum.

29b.Klimmende forsche kruiden met dichte beharing. Kelkslippen 4–5, nogal breed en groot. Vruchtbeginsel 3–5-hokkig; stijl 3–5-spletigSabicea.

30a.Bloemkroon met een opvallend lange buis, van 5 tot 25 c.M.; bloemen tweeslachtig31

30b.Bloemen klein, hoogstens 2 c.M. groot; bloemen meest éénslachtig34

31a.Bloemknoppen scheef ten opzichte van de buis, daardoor de bloem een weinig zijdelings-symmetrisch. Kelk 5-tandig, van binnen met klieren. Helmknoppen buiten de buis uitstekend. Vruchten eirond met leerachtige schil, van binnen sappigPosoqueria.

31b.Bloemen geheel regelmatig32

32a.Bloemen alleenstaand en eindelingsch33

32b.Bloemen in veelbloemige bijschermen. Kelk klein, bekervormig, 5-tandig, blijvend. Bloemkroonbuis zeer lang. Meeldraden weinig uit de buis uitstekend. Stijl even lang als de buisTocoyena.

33a.Vruchtbeginsel 1-hokkig; kelkslippen meestal 5, spits en smal, aan den voet verbonden. Kroon 2–3 maal zoo groot als de kelk met 5–6, een weinig scheeve slippen. Meeldraden aan den mond van de buis ingehecht. Vrucht lang en dunGardenia.

33b.Vruchtbeginsel 2-hokkig. Overigens als de vorige, doch de kroonslippen kleiner ten opzichte van de lengte van de buis en de vrucht eirondRandia.

34a.Bloemen tweeslachtig35

34b.Bloemen eenslachtig37

35a.Bloeiwijze dicht bij den top der stengels maar toch duidelijk zijdelings staande; kelk bekervormig met zeer kleine tanden. Bloemkroon van buiten en van binnen behaard, leerachtig. Stijl lang, toegespitst. Vrucht eirond, van buiten leerachtig, van binnen sappigGenipa.Tapoeripa.

35b.Bloeiwijze een tros of pluim, duidelijk eindstandig36

36a.Kelk met zeer kleine tanden. Bloemkroon met groote, meest teruggeslagen slippen. Helmknoppen aan den voet verbreed. Vruchtbeginsel 5-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje. Stijl aan den top kort 5-lobbig. Vrucht met 5 eenzadige pitten. Bloemen in lange of korte trossenRetiniphyllum.

36b.Kelk bekervormig 5-tandig. Bloemkroonslippen spits en smal. Vruchtbeginsel 2-hokkig; stijl aan den top 2-spletig. Vrucht met 10 ribben. Bloemen in een pluim, witBertiera.

37a.Steunbladeren spits. Kelk met korte tanden. Bloemkroon van buiten slechts weinig behaard. Meeldraden in de buis ingesloten. Vruchtbeginsel 2–5-hokkig; stijl met 2–5 takken. Vrucht een besAlibertia.

37b.Steunbladeren reeds vroeg afvallend zoodat er slechts een smalle rand overblijft38

38a.Mannelijke en vrouwelijke bloemen in bijschermen.Bloemen 6- tot meertallig. Bloemkroonbuis van buiten dun behaard. Meeldraden in de ♀ bloem zonder stuifmeel, in de buis ingesloten. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Vrucht een eetbare besAmajoua.Marmeldoos.

38b.Mannelijke bloemen in bijschermen, vrouwelijke alleenstaand of 2 aan 2. Bloemen als de vorige doch de buis van buiten met lange haren bedekt. Vrucht eetbaarDuroia,Bosch-marmeldoos.

271.Caprifoliaceae.Bloemen meest 5-tallig, met vergroeide bloemkroon. Vruchtbeginsel onderstandig, 2–5-hokkig met 1 tot meer zaadknoppen in ieder hokje. Stijlen één of meer. Vrucht een bes of een steenvrucht. Bladeren meest tegenoverstaand.Boomen of heesters met vindeelige tot gevinde bladeren. Bloemen in enkelvoudige tot samengestelde schermen. Bloemkroon wit, stervormig. Vrucht een steenvruchtSambucus.Vlier.

271.Caprifoliaceae.

Bloemen meest 5-tallig, met vergroeide bloemkroon. Vruchtbeginsel onderstandig, 2–5-hokkig met 1 tot meer zaadknoppen in ieder hokje. Stijlen één of meer. Vrucht een bes of een steenvrucht. Bladeren meest tegenoverstaand.Boomen of heesters met vindeelige tot gevinde bladeren. Bloemen in enkelvoudige tot samengestelde schermen. Bloemkroon wit, stervormig. Vrucht een steenvruchtSambucus.Vlier.

Bloemen meest 5-tallig, met vergroeide bloemkroon. Vruchtbeginsel onderstandig, 2–5-hokkig met 1 tot meer zaadknoppen in ieder hokje. Stijlen één of meer. Vrucht een bes of een steenvrucht. Bladeren meest tegenoverstaand.

Boomen of heesters met vindeelige tot gevinde bladeren. Bloemen in enkelvoudige tot samengestelde schermen. Bloemkroon wit, stervormig. Vrucht een steenvruchtSambucus.Vlier.

Orde:Campanulatae.275.Cucurbitaceae.Bloemen 5-tallig, zelden tweeslachtig, meest éénslachtig, regelmatig; bloemas bekervormig, kelk vergroeidbladig; bloembladeren 5; meeldraden 5, op de rand van de bloemas ingehecht, twee aan twee met elkaar verbonden of alle 5 tot één centrale groep vereenigd; vruchtbeginsel onderstandig, meest 3-hokkig, meest met 2 zaadlijsten in ieder hokje met vele zaadknoppen; stijl 1, met 3 takken; meest kruiden, die met ranken klimmen, met verspreide, enkelvoudige of gelobde bladeren.1a.Mannelijke bloemen voorhanden, of (in de 1-huizige soorten) ook ♀ bloemen21b.Alleen vrouwelijke bloemen en vruchten voorhanden (tweehuizige soorten)132a.Meeldraden 232b.Meeldraden 353a.Meeldraden in den mond van de kelkbuis ingehecht. Bloemen in trossen.Kelkbuis lang en dun met 5 kleine teruggeslagen tanden. Kroon 5-deelig. Rudiment van het vruchtbeginsel dun en draadvormigHelmontia.3b.Meeldraden op de wand van de kelkbuis ingehecht44a.Kelk groen, met eenkorte5-tandige zoom. Bloembladeren breed, vliezig, rond of eirond, rood, aan de basis sterk versmald. Bloemen in korte dichte trossen aan het eind van een lange steel. Rudiment van een vruchtbeginsel ontbrekendAnguria.4b.Kelk rood of oranje gekleurd met groote 5-deelige zoom. Bloembladeren klein, meest smal, bleekgeel, niet aan den basis plotseling versmald. Overigens als de vorigeGurania.5a.Helmknoppen recht of een weinig gebogen, niet gewonden. Planten eenhuizig. Bloemen in trossen of pluimen. Kelk klokvormig met 5 korte tanden; bloemkroon diep 5-deelig. Rudimentair vruchtbeginsel aanwezig; vrouwelijke bloemen alleenstaand, meest langgesteeld, met 3staminodiën. Vruchtbeginsel rond of langwerpig. Stijl aan den basis met een ringvormige schijf, met 3 stempels. Vrucht een kleine eironde of lange besMelothria.5b.Helmknoppen gewonden of saamgevouwen66a.Kroon stervormig tot dicht bij de basis (d. i. bij de kelkslippen) 5-deelig of 5-bladig76b.Kroon klokvormig, hoogstens tot aan het midden 5-lobbig127a.Helmdraden tot een zuil vergroeid, die van boven de 3 sterkgewonden helmknoppen draagt. Bloemen in trossen. Kelk met een klokvormige buis en 5 smalle tanden, kroon wit, diep 5-deelig. Vrouwelijke bloemen alleenstaand of 2 aan 2 met een langwerpig, sterk gestekeld vruchtbeginsel; stijl kort met knopvormige stempel. Vrucht gestekeld aan den top met 2 gaten openspringendEchinocystis.7b.Helmdraden niet tot een zuil vergroeid88a.Bladsteelen van boven met 2 klieren. Bloemen wit, steeds alleenstaand. Kelk klokvormig met 5 smalle en kleine slippen. Bloembladen 5, vrij. Meeldraden 3, in de kelkbuis ingehecht. Eén van de helmknoppen éénhokkig, de beide andere 2-hokkig. Vrouwelijke bloemen met een korte stijl en drie 2-lobbige stempels. Vrucht van buiten houtigLagenaria.Flesch-kalebas.8b.Bladsteelen zonder klier bij de bladvoet. Bloemen geel99a.Helmknoppen vrij, aan den top met een bladachtig aanhangsel. ♂ bloemen in trossen, zelden alleenstaand. Kroon 5-deelig. Helmdraden zeer kort. Vrouwelijke bloemen alleenstaand met 3 staminodiën. Stijl 1, kort met 3–5 stompe stempels. Vrucht zeer verschillend van vormCucumis.9b.Helmknoppen niet met een bladachtig aanhangsel aan den top1010a.Kelk van binnen met 2 of 3 langwerpige en gebogen schubben. Mannelijke bloemen alleenstaand met een lange bloemsteel, kelkslippen eirond tot lancetvormig; kroon een weinig onregelmatig. Vrouwelijke bloemen alleenstaand op een lange steel; vruchtbeginsel langwerpig gestekeld, vrucht met knobbelsMomordica.10b.Kelk van binnen zonder schubben1111a.Mannelijke bloemen in trossen. Bloembladeren 5, vrij, eirond of een weinig hartvormig. Meeldraden 3, soms 4 of 5, onder in de kelkbuis ingehecht. Vrouwelijke bloemen alleenstaand met 3 (soms 4 of 5) staminodiën. Vruchtbeginsel lang en gegroefd of cylindrisch. Stijl met drie 2-lobbige stempels. Vrucht bij rijpheid droog, van binnen vezelig, met een deksel openspringendLuffa.11b.Mannelijke bloemen alleenstaand, zelden groepsgewijs bij elkaar, kortgesteeld. Kelkbuis wijd-klokvormig met 5 smalle slippen. Kroon diep 5-deelig met stompe slippen. Vrouwelijke bloemen kortgesteeld met 3 korte staminodiën. Stijl met drie kort-2-lobbige stempels. Vrucht sappig, niet openspringendCitrullus.Watermeloen.12a.Bloemen geel of oranje, de mannelijke alleenzittend of in groepen. Kelk klokvormig met 5 (4–7) lobben. Bloemkroon tot aan het midden 5- (4–7-) lobbig met teruggeslagen slippen. Helmdraden onder in de kelkbuis ingehecht; helmknoppen samengekleefd. Vrouwelijke bloemen alleenstaand kortgesteeld met 3 korte staminodiën; stijl kort met 3–5 tweelobbige of 2-spletige stempels. Vrucht vleezig of vezelig niet openspringend, vele zadenCucurbita.12b.Bloemen wit of groenachtig; de mannelijke alleenstaand of in trossen of groepen. Helmdraden in de kelkbuis ingehecht, de helmknoppen maar weinig saamgekleefd. Vrouwelijke bloemen alleenstaand of in groepen; staminodiën 3, zeer klein, draadvormig. Stijl 3-spletig; schijf ringvormig. Vrucht rond of eirond niet openspringend met 6–12 zadenCayaponia.13a.♀ bloemen alleenstaand of 2 of 3 bij elkaar. Kelkbuis lang, groen met 5 tanden. Bloembladeren grooter dan de kelktanden, meestvuurrood of oranjerood. Staminodiën 2. Vruchtbeginsel langwerpig. Stijl draadvormig, 2-spletig; stempels 2, 2-lobbigAnguria.13b.♀ bloemen alleenstaand, in groepen of dicht gedrongen aan het eind van een lange steel. Kelk rood of oranje gekleurd, met vrij groote slippen. Bloembladeren bleekgeel, kleiner dan de kelkslippen. Staminodiën ontbrekend; overigens als de vorigeGurania.N. B. Van Helmontia, die ook 2-huizig is, zijn tot nu toe geen vrouwelijke bloemen bekend.276.Campanulaceae.Bloemen meest 5-tallig, zelden 6–10- of 3–4-tallig, meest tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemkroon meest vergroeidbladig; meeldraden meest 5 met vergroeide helmknoppen; vruchtbeginsel onderstandig, 2–5-hokkig met vele zaadknoppen; stijl 1; vrucht een doosvrucht, zelden een bes; kruiden, zelden houtige planten meest met verspreide bladeren en vrij groote bloemen; melksap soms aanwezig.Kruiden met okselstandige bloemen; vruchtbeginsel onderstandig; kelkslippen smal; bloemkroon een gekromde buis met zijdelings-symmetrische zoom; meeldraden 5, met de helmknoppen om den stijl vergroeid; helmdraden van onderen met de bloemkroon in een buis vergroeid. Vrucht een besCentropogon.280.Compositae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig of zygomorf; kelkbladeren zelden duidelijk ontwikkeld, meest in de plaats ervan haren of schubben, die een z.g. haarpluis vormen; bloemkroon vergroeidbladig, regelmatig of zygomorf, 2-lippig of lintvormig; meeldraden in de bloemkroonbuis vastgehecht; de helmdraden meest vrij, de helmknoppen samenhangend; vruchtbeginsel onderstandig, 1-hokkig met 1 zaadknop en 1 stijl met een zeer verschillend gevormde stempel; vrucht niet openspringend; kruiden of heesters, zelden boomen met verspreide, of tegenoverstaande bladeren, en met bloemen, die in hoofdjes of verkorte aren staan; de hoofdjes met een omwindsel van schutbladeren omgeven; melksap vaak aanwezig.1a.Bloemkroon van alle bloemen buisvormig, soms ongelijk van vorm (lange en korte buizen)21b.Bloemkroon van de middelste bloemen van het hoofdje buisvormig, van de randbloemen lintvormig, soms zeer klein en weinig opvallend212a.Vruchtpluis aanwezig, soms reeds aan de vrucht afgevallen, maar dan onder de bloem zichtbaar (Pacourina, Elephanthopus) soms zeer klein, bekervormig, of slechts uit weinig (tot 2) stekels bestaande32b.Vruchtpluis geheel afwezig173a.Hoofdjes samengesteld d. w. z. meerdere weinigbloemige hoofdjes, ieder met een eigen omwindsel, zijn vereenigd tot een groep van hoofdjes, die een gemeenschappelijk omwindsel hebben en op een gemeenschappelijke bloembodem staan43b.Hoofdjes niet samengesteld; indien er meerdere hoofdjes bij elkaar zitten, dan hebben ze geen gemeenschappelijk omwindsel en staan ze niet op een gemeenschappelijke bloembodem54a.Bladeren van onderen wit-viltig. Hoofdjes 1-bloemig, elk hoofdje in de oksel van 1 schutblad en omgeven door een 2-bladig omwindsel.Bloemkroon kort 4- (zelden 3-) spletig, wit. Vele hoofdjes vereenigd tot een okselstandige groep. Vruchtpluis bestaande uit een veeltandig kroontjeRolandra.4b.Bladeren van onderen niet wit-viltig. Hoofdjes 2–5-bloemig met een 8-bladig omwindsel in twee kransen. Hoofdjes vereenigd tot groepen, die weer in aren of trossen staanElephantopus.5a.Vruchtpluis uit talrijke haren of schubben bestaand65b.Vruchtpluis uit 2, 3 of 4 stekels bestaand166a.Hoofdjes klein, 4-bloemig, met een 4-bladig omwindsel, tot samengestelde trossen of aren vereenigd. Vruchtpluis uit 30–60 stekels bestaande in 1 rij. Bloemen wit; helmknoppen met een aanhangsel aan de basis. Bloembodem naakt, klein. Vrucht met 5 ribben. Meest windende heesters of kruidenMikania.6b.Hoofdjes met meer dan 4 bloemen en meer dan 4 omwindselbladeren77a.Hoofdjes tot 2½ c.M. breed, alleen aan den stengel zittend ten deele tegenover de bladeren met bolvormig omhulsel.Vruchten tot 1½ c.M. lang, met 10 ribben en zeer gemakkelijk afvallend haarpluis. Kruidachtige plant met groote bladerenPacourina.7b.Hoofdjes veel kleiner88a.Bloembodem met schubben98b.Bloembodem zonder schubben109a.Haarpluis klein, min of meer bekervormig vergroeid. Omwindsel 5-bladig. Vrucht slechts weinig hoekig. Hoofdjes met 6–12 bloemen; kruiden met tegenoverstaande bladerenEleutheranthera.9b.Haarpluis goed ontwikkeld, in 1–2 rijen. Omwindsel meerbladig, uit 3–4 rijen van dakpansgewijs over elkaar liggende blaadjes bestaande. Plant ruwharig met afwisselende bladerenNeurolaena.10a.Vruchtpluis uit 5–15 schubben bestaand. Hoofdjes veelbloemig. Omwindselbladeren alle ongeveer even groot, in vele rijen. Vrucht 5-hoekig. Bloemen rose-witAgeratum.10b.Vruchtpluis uit haren of stekels bestaand1111a.Omwindsel uit 5 (–8) groote smalle bladeren bestaand. Vruchtpluis stekelig met vele stekels in 1 of 2 rijen. Vrucht met talrijke ribben. Bladeren afwisselendPorophyllum.11b.Omwindsel uit meerdere blaadjes bestaande of soms uit weinig blaadjes bestaand, maar dan vruchtpluis zachtharig1212a.Vruchtpluis in meerdere rijen, verschillend van vorm; de buitenste rij korter dan de binnenste, meest borstelig; omwindselbladeren in meerdere rijen1312b.Vruchtpluis in 1 rij van gelijke haren of dicht zachtharig1413a.Helmknoppen aan den voet stomp; bloemen 20–80 per hoofdjeVernonia.13b.Helmknoppen met een aanhangsel aan den voet; bloemen 3–10 per hoofdjePiptocarpha.14a.Omwindselbladeren in meerdere rijen, verschillend van grootte3114b.Omwindselbladeren in één krans, soms met een krans van kleine blaadjes aan den voet. Vruchtpluis zachtharig. Bladeren afwisselend1515a.Hoofdjes met vrouwelijke lange buisvormige randbloemen en andersgevormde, doch ook buisvormige tweeslachtige schijfbloemen. Omwindsel uit smalle bladeren bestaand met kleine schubben aan den voetErechthites.15b.Alle bloemen gelijk van vorm en tweeslachtig; omwindsel zonder buitenschubjesEmilia.16a.Bloembodem kegelvormig of cylindervormig met gewelfde schubben. Hoofdjes langgesteeld met een kort omwindsel in 1 of 2 rijen. Vruchtpluis uit 2 stekels bestaande. Vrucht vlak. Kruiden met tegenoverstaande bladerenSpilanthes.16b.Bloembodem vlak, met schubben. Omwindsel uit 2 ongelijke rijen van blaadjes bestaande. Vruchtpluis 2–4 borstels die met kleine weerhaken bezet zijn. Vrucht min of meer 4-kantig. Kruiden met tegenoverstaande getande of gedeelde bladerenBidens.17a.Bladeren verspreid1817b.Bladeren tegenoverstaand1918a.Bladeren ingesneden. Bloemen in tot pluimen samengestelde trossen. Hoofdjes in 2 vormen op dezelfde plant; de vrouwelijke éénbloemig met één bloem zonder bloemkroon en een vergroeidbladig omwindsel dat de vrucht insluit en op de rugzijde 4–8 knobbels heeft; het mannelijke hoofdje veelbloemig, nooit vruchtdragend met een platte bloembodem; bloemen witAmbrosia.18b.Hoofdjes in groepen van 2–6 in de bladoksels zittend. Bladeren niet ingesneden. Hoofdjes 20–30-bloemig, alle bloemen gelijk van vorm, wit tot rood. Bloemkroon 3–4-deelig. Bloembodem zonder schubben. Omwindsel in meerdere rijen. Vrucht 3–4 hoekig, aan den top diep komvormigSparganophorus.19a.12–20 hoofdjes tot groepen vereenigd; elk hoofdje bestaande uit één vrouwelijke fertiele bloem met 4 tweeslachtige, steriele eromheen; de 5 bloemen omgeven door een 4-bladig omwindsel, waarvan de blaadjes paarsgewijs tegenover elkaar staan. Vrucht plat. Bloemen wit of roodachtigRiencourtia.19b.Hoofdjes niet tot groepen vereenigd2020a.Bloembodem vlak, zonder schubben. Bladeren breed. Hoofdjes in pluimen vereenigd. Bloemen wit, omwindsel klokvormig met weinig blaadjes. Hoofdjes veelbloemig, de buitenste rijen van vrouwelijke bloemen fertiel; de binnenste tweeslachtige bloemen sterielClibadium.Koenamie.20b.Bloembodem sterk convex tot kegelvormig met talrijke schubben. Bladeren smal. Hoofdjes kortgesteeld, weinige bijeen. Bloemen wit. Omwindselblaadjes weinig talrijk. Hoofdjes 20–30-bloemig; weinige van de buitenste bloemen fertiel, de rest sterielIchthyothere.Koenamie.21a.Vruchtpluis aanwezig, soms in den vorm van weinige, spoedig afvallende stekels of schubben2221b.Vruchtpluis geheel ontbrekend2922a.Vruchtpluis bestaande uit 2, 3 of 4 stekels2322b.Vruchtpluis uit haren, of schubben, of vele kleine stekeltjes bestaande2623a.Bladeren verspreid. Hoofdjes veelbloemig, die van de buitenste 1 of 2 rijen vrouwelijk en lintvormig, meest geel, de overige buisvormig; bloembodem met strooschubben. Omwindselblaadjes in 2–3 rijen. Vrucht plat en gevleugeld, met 2 stekelsVerbesina.23b.Bladeren tegenoverstaand2424a.Hoofdjes in de bladoksels zittend of bijna zittend, weinigbloemig,alle bloemen fertiel, de buitenste rij met lintvormige kroon, de binnenste rij met buisvormige kroon. Vruchten aan de lintbloemen plat en gevleugeld met lancetvormige schubben; die van de buisbloemen 3-hoekig met 2–3 stekels. Bloemen bleekgeelSynedrella.24b.Hoofdjes gesteeld, veelbloemig2525a.Bloembodem kegelvormig.Alle bloemen fertiel, die van de buitenste rij lintvormig, de binnenste buisvormig, geel of wit; vruchten van de lintbloemen meest 3-hoekig, die van de buisbloemen plat, met 2 spoedig afvallende stekels. Bladeren enkelvoudigSpilanthes.25b.Bloembodem vlak. Alle bloemen fertiel; de vruchten gelijk van vorm, een weinig vierkant met 2 tot 4 blijvende stekels aan den top, die met weerhakenbezetzijn. Bladeren meest samengesteld. Bloemen geelBidens.26a.Vruchtpluis uit lange haren bestaand, hoofdjes met vele bloemen, alle vruchtbaar, de buitenste klein, lintvormig, de binnenste buisvormig. Omwindselblaadjes in weinig rijen. Hoofdjes gesteeld, in trossen of pluimenErigeron.26b.Vruchtpluis bestaande uit kleine stekeltjes of uit schubben of uit een krans van vergroeide korte haartjes, die kleiner zijn dan de vrucht2727a.Bloemen geel; hoofdjes 6–12-bloemig, kortgesteeld, de lintbloemen onvruchtbaar, de buisbloemen fertiel. Omwindsel uit 5 blaadjes bestaand. Bloembodem met samengevouwen strooschubben. Kruidachtige plant met tegenoverstaande gesteelde bladeren. Vruchtpluis klein, eenigszins bekervormig vergroeidEleutheranthera.27b.Bloemen geel of oranje; hoofdjes veelbloemig, langgesteeld; omwindsel uit meerdere sterk vergroeide blaadjes bestaande. Planten met tegenoverstaande vindeelige bladeren. Vruchtpluis bestaande uit 5–6 ongelijke schubbenTagetes.Afrikanen.27c.Bloemen wit, hoofdjes gesteeld, veelbloemig2828a.Bladeren afwisselend dubbelvindeelig. Alleen de 5 buitenste bloemen lintvormig, fertiel met platte vruchtjes, die aan den top 3–4 kleine eironde schubjes dragen. Middelste bloemen buisvormigParthenium.28b.Bladeren tegenoverstaand niet ingesneden. Alle bloemen fertiel, de buitenste lint-, de binnenste buisvormig. Vruchten van de buitenste bloemen 3-hoekig, van de binnenste plat, aan den top met een korte kroon van stekeltjes. Bloembodem eenigszins bol met kleine afvallende schubben. Omwindselbladeren klokvormig in 2 rijenEclipta.Loso-wiwirie;Louisa-wiwirie.29a.Hoofdjes weinigbloemig; omwindselblaadjes in 2 rijen, die van de buitenste rij bladachtig, de binnenste rij gestekeld aan de buitenkant, de vruchtjes der lintbloemen geheel omsluitend, waardoor de vruchten gestekeld schijnen. De binnenste bloemen buisvormig,steriel. Vertakte kruiden met tegenoverstaande getande bladerenAcanthospermum.29b.Hoofdjes veelbloemig; omwindselblaadjes zonder stekels3030a.Hoofdjes klein, kortgesteeld of zittend. Omwindselblaadjes in 2 rijen, de buitenste rij bladachtig, de binnenste rij met de vruchtjes vergroeid. Lintbloemen alleen fertiel, de buisbloemen steriel. Vruchtjes eirond. Plant naar kamfer riekendMelampodium.Kamferbladeren.30b.Hoofdjes vrij groot, geel, gesteeld, de lintbloemen ongeslachtelijk, steriel, de buisbloemen fertiel met zwarte hoekige en kale vruchtjes. Bloembodem met strooschubben. Omwindsel uit 2 rijen van korte blaadjes bestaande. Groote rechtopstaande planten met ruwe bladerenWulffia.31a.Alle bloemen in hetzelfde hoofdje gelijk van vorm3231b.De buitenste bloemen in het hoofdje zeer dun, bijna draadvormig, vrouwelijk, de binnenste uit een wijdere buis bestaande, tweeslachtig; alle of bijna alle fertiel. Omwindsel klokvormig, met zeer smalle blaadjes, de buitenste geleidelijk korter wordend. Hoofdjes niet talrijk, in een bijschermConyza.32a.Planten geheel tweehuizig, d. w. z. de eene plant heeft alleen hoofdjes met zeer dunne, bijna draadvormige, vrouwelijke buisbloemen, de andere plant alleen hoofdjes met mannelijke bloemen, waarvan de bloemkroon een wijdere buis is. Vruchten met 10 ribben. Planten met verspreide bladerenBaccharis.32b.Alle bloemen tweeslachtig en fertiel. Vruchtpluis langer dan de vrucht, in 1 rij staande. Omwindselbladeren in meerdere rijen, verschillend van vorm. Vrucht 5-hoekig.Hoofdjes 5–100-bloemig. Bladeren, vooral de onderste, bijna steeds tegenoverstaandEupatorium.

Orde:Campanulatae.275.Cucurbitaceae.Bloemen 5-tallig, zelden tweeslachtig, meest éénslachtig, regelmatig; bloemas bekervormig, kelk vergroeidbladig; bloembladeren 5; meeldraden 5, op de rand van de bloemas ingehecht, twee aan twee met elkaar verbonden of alle 5 tot één centrale groep vereenigd; vruchtbeginsel onderstandig, meest 3-hokkig, meest met 2 zaadlijsten in ieder hokje met vele zaadknoppen; stijl 1, met 3 takken; meest kruiden, die met ranken klimmen, met verspreide, enkelvoudige of gelobde bladeren.1a.Mannelijke bloemen voorhanden, of (in de 1-huizige soorten) ook ♀ bloemen21b.Alleen vrouwelijke bloemen en vruchten voorhanden (tweehuizige soorten)132a.Meeldraden 232b.Meeldraden 353a.Meeldraden in den mond van de kelkbuis ingehecht. Bloemen in trossen.Kelkbuis lang en dun met 5 kleine teruggeslagen tanden. Kroon 5-deelig. Rudiment van het vruchtbeginsel dun en draadvormigHelmontia.3b.Meeldraden op de wand van de kelkbuis ingehecht44a.Kelk groen, met eenkorte5-tandige zoom. Bloembladeren breed, vliezig, rond of eirond, rood, aan de basis sterk versmald. Bloemen in korte dichte trossen aan het eind van een lange steel. Rudiment van een vruchtbeginsel ontbrekendAnguria.4b.Kelk rood of oranje gekleurd met groote 5-deelige zoom. Bloembladeren klein, meest smal, bleekgeel, niet aan den basis plotseling versmald. Overigens als de vorigeGurania.5a.Helmknoppen recht of een weinig gebogen, niet gewonden. Planten eenhuizig. Bloemen in trossen of pluimen. Kelk klokvormig met 5 korte tanden; bloemkroon diep 5-deelig. Rudimentair vruchtbeginsel aanwezig; vrouwelijke bloemen alleenstaand, meest langgesteeld, met 3staminodiën. Vruchtbeginsel rond of langwerpig. Stijl aan den basis met een ringvormige schijf, met 3 stempels. Vrucht een kleine eironde of lange besMelothria.5b.Helmknoppen gewonden of saamgevouwen66a.Kroon stervormig tot dicht bij de basis (d. i. bij de kelkslippen) 5-deelig of 5-bladig76b.Kroon klokvormig, hoogstens tot aan het midden 5-lobbig127a.Helmdraden tot een zuil vergroeid, die van boven de 3 sterkgewonden helmknoppen draagt. Bloemen in trossen. Kelk met een klokvormige buis en 5 smalle tanden, kroon wit, diep 5-deelig. Vrouwelijke bloemen alleenstaand of 2 aan 2 met een langwerpig, sterk gestekeld vruchtbeginsel; stijl kort met knopvormige stempel. Vrucht gestekeld aan den top met 2 gaten openspringendEchinocystis.7b.Helmdraden niet tot een zuil vergroeid88a.Bladsteelen van boven met 2 klieren. Bloemen wit, steeds alleenstaand. Kelk klokvormig met 5 smalle en kleine slippen. Bloembladen 5, vrij. Meeldraden 3, in de kelkbuis ingehecht. Eén van de helmknoppen éénhokkig, de beide andere 2-hokkig. Vrouwelijke bloemen met een korte stijl en drie 2-lobbige stempels. Vrucht van buiten houtigLagenaria.Flesch-kalebas.8b.Bladsteelen zonder klier bij de bladvoet. Bloemen geel99a.Helmknoppen vrij, aan den top met een bladachtig aanhangsel. ♂ bloemen in trossen, zelden alleenstaand. Kroon 5-deelig. Helmdraden zeer kort. Vrouwelijke bloemen alleenstaand met 3 staminodiën. Stijl 1, kort met 3–5 stompe stempels. Vrucht zeer verschillend van vormCucumis.9b.Helmknoppen niet met een bladachtig aanhangsel aan den top1010a.Kelk van binnen met 2 of 3 langwerpige en gebogen schubben. Mannelijke bloemen alleenstaand met een lange bloemsteel, kelkslippen eirond tot lancetvormig; kroon een weinig onregelmatig. Vrouwelijke bloemen alleenstaand op een lange steel; vruchtbeginsel langwerpig gestekeld, vrucht met knobbelsMomordica.10b.Kelk van binnen zonder schubben1111a.Mannelijke bloemen in trossen. Bloembladeren 5, vrij, eirond of een weinig hartvormig. Meeldraden 3, soms 4 of 5, onder in de kelkbuis ingehecht. Vrouwelijke bloemen alleenstaand met 3 (soms 4 of 5) staminodiën. Vruchtbeginsel lang en gegroefd of cylindrisch. Stijl met drie 2-lobbige stempels. Vrucht bij rijpheid droog, van binnen vezelig, met een deksel openspringendLuffa.11b.Mannelijke bloemen alleenstaand, zelden groepsgewijs bij elkaar, kortgesteeld. Kelkbuis wijd-klokvormig met 5 smalle slippen. Kroon diep 5-deelig met stompe slippen. Vrouwelijke bloemen kortgesteeld met 3 korte staminodiën. Stijl met drie kort-2-lobbige stempels. Vrucht sappig, niet openspringendCitrullus.Watermeloen.12a.Bloemen geel of oranje, de mannelijke alleenzittend of in groepen. Kelk klokvormig met 5 (4–7) lobben. Bloemkroon tot aan het midden 5- (4–7-) lobbig met teruggeslagen slippen. Helmdraden onder in de kelkbuis ingehecht; helmknoppen samengekleefd. Vrouwelijke bloemen alleenstaand kortgesteeld met 3 korte staminodiën; stijl kort met 3–5 tweelobbige of 2-spletige stempels. Vrucht vleezig of vezelig niet openspringend, vele zadenCucurbita.12b.Bloemen wit of groenachtig; de mannelijke alleenstaand of in trossen of groepen. Helmdraden in de kelkbuis ingehecht, de helmknoppen maar weinig saamgekleefd. Vrouwelijke bloemen alleenstaand of in groepen; staminodiën 3, zeer klein, draadvormig. Stijl 3-spletig; schijf ringvormig. Vrucht rond of eirond niet openspringend met 6–12 zadenCayaponia.13a.♀ bloemen alleenstaand of 2 of 3 bij elkaar. Kelkbuis lang, groen met 5 tanden. Bloembladeren grooter dan de kelktanden, meestvuurrood of oranjerood. Staminodiën 2. Vruchtbeginsel langwerpig. Stijl draadvormig, 2-spletig; stempels 2, 2-lobbigAnguria.13b.♀ bloemen alleenstaand, in groepen of dicht gedrongen aan het eind van een lange steel. Kelk rood of oranje gekleurd, met vrij groote slippen. Bloembladeren bleekgeel, kleiner dan de kelkslippen. Staminodiën ontbrekend; overigens als de vorigeGurania.N. B. Van Helmontia, die ook 2-huizig is, zijn tot nu toe geen vrouwelijke bloemen bekend.276.Campanulaceae.Bloemen meest 5-tallig, zelden 6–10- of 3–4-tallig, meest tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemkroon meest vergroeidbladig; meeldraden meest 5 met vergroeide helmknoppen; vruchtbeginsel onderstandig, 2–5-hokkig met vele zaadknoppen; stijl 1; vrucht een doosvrucht, zelden een bes; kruiden, zelden houtige planten meest met verspreide bladeren en vrij groote bloemen; melksap soms aanwezig.Kruiden met okselstandige bloemen; vruchtbeginsel onderstandig; kelkslippen smal; bloemkroon een gekromde buis met zijdelings-symmetrische zoom; meeldraden 5, met de helmknoppen om den stijl vergroeid; helmdraden van onderen met de bloemkroon in een buis vergroeid. Vrucht een besCentropogon.280.Compositae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig of zygomorf; kelkbladeren zelden duidelijk ontwikkeld, meest in de plaats ervan haren of schubben, die een z.g. haarpluis vormen; bloemkroon vergroeidbladig, regelmatig of zygomorf, 2-lippig of lintvormig; meeldraden in de bloemkroonbuis vastgehecht; de helmdraden meest vrij, de helmknoppen samenhangend; vruchtbeginsel onderstandig, 1-hokkig met 1 zaadknop en 1 stijl met een zeer verschillend gevormde stempel; vrucht niet openspringend; kruiden of heesters, zelden boomen met verspreide, of tegenoverstaande bladeren, en met bloemen, die in hoofdjes of verkorte aren staan; de hoofdjes met een omwindsel van schutbladeren omgeven; melksap vaak aanwezig.1a.Bloemkroon van alle bloemen buisvormig, soms ongelijk van vorm (lange en korte buizen)21b.Bloemkroon van de middelste bloemen van het hoofdje buisvormig, van de randbloemen lintvormig, soms zeer klein en weinig opvallend212a.Vruchtpluis aanwezig, soms reeds aan de vrucht afgevallen, maar dan onder de bloem zichtbaar (Pacourina, Elephanthopus) soms zeer klein, bekervormig, of slechts uit weinig (tot 2) stekels bestaande32b.Vruchtpluis geheel afwezig173a.Hoofdjes samengesteld d. w. z. meerdere weinigbloemige hoofdjes, ieder met een eigen omwindsel, zijn vereenigd tot een groep van hoofdjes, die een gemeenschappelijk omwindsel hebben en op een gemeenschappelijke bloembodem staan43b.Hoofdjes niet samengesteld; indien er meerdere hoofdjes bij elkaar zitten, dan hebben ze geen gemeenschappelijk omwindsel en staan ze niet op een gemeenschappelijke bloembodem54a.Bladeren van onderen wit-viltig. Hoofdjes 1-bloemig, elk hoofdje in de oksel van 1 schutblad en omgeven door een 2-bladig omwindsel.Bloemkroon kort 4- (zelden 3-) spletig, wit. Vele hoofdjes vereenigd tot een okselstandige groep. Vruchtpluis bestaande uit een veeltandig kroontjeRolandra.4b.Bladeren van onderen niet wit-viltig. Hoofdjes 2–5-bloemig met een 8-bladig omwindsel in twee kransen. Hoofdjes vereenigd tot groepen, die weer in aren of trossen staanElephantopus.5a.Vruchtpluis uit talrijke haren of schubben bestaand65b.Vruchtpluis uit 2, 3 of 4 stekels bestaand166a.Hoofdjes klein, 4-bloemig, met een 4-bladig omwindsel, tot samengestelde trossen of aren vereenigd. Vruchtpluis uit 30–60 stekels bestaande in 1 rij. Bloemen wit; helmknoppen met een aanhangsel aan de basis. Bloembodem naakt, klein. Vrucht met 5 ribben. Meest windende heesters of kruidenMikania.6b.Hoofdjes met meer dan 4 bloemen en meer dan 4 omwindselbladeren77a.Hoofdjes tot 2½ c.M. breed, alleen aan den stengel zittend ten deele tegenover de bladeren met bolvormig omhulsel.Vruchten tot 1½ c.M. lang, met 10 ribben en zeer gemakkelijk afvallend haarpluis. Kruidachtige plant met groote bladerenPacourina.7b.Hoofdjes veel kleiner88a.Bloembodem met schubben98b.Bloembodem zonder schubben109a.Haarpluis klein, min of meer bekervormig vergroeid. Omwindsel 5-bladig. Vrucht slechts weinig hoekig. Hoofdjes met 6–12 bloemen; kruiden met tegenoverstaande bladerenEleutheranthera.9b.Haarpluis goed ontwikkeld, in 1–2 rijen. Omwindsel meerbladig, uit 3–4 rijen van dakpansgewijs over elkaar liggende blaadjes bestaande. Plant ruwharig met afwisselende bladerenNeurolaena.10a.Vruchtpluis uit 5–15 schubben bestaand. Hoofdjes veelbloemig. Omwindselbladeren alle ongeveer even groot, in vele rijen. Vrucht 5-hoekig. Bloemen rose-witAgeratum.10b.Vruchtpluis uit haren of stekels bestaand1111a.Omwindsel uit 5 (–8) groote smalle bladeren bestaand. Vruchtpluis stekelig met vele stekels in 1 of 2 rijen. Vrucht met talrijke ribben. Bladeren afwisselendPorophyllum.11b.Omwindsel uit meerdere blaadjes bestaande of soms uit weinig blaadjes bestaand, maar dan vruchtpluis zachtharig1212a.Vruchtpluis in meerdere rijen, verschillend van vorm; de buitenste rij korter dan de binnenste, meest borstelig; omwindselbladeren in meerdere rijen1312b.Vruchtpluis in 1 rij van gelijke haren of dicht zachtharig1413a.Helmknoppen aan den voet stomp; bloemen 20–80 per hoofdjeVernonia.13b.Helmknoppen met een aanhangsel aan den voet; bloemen 3–10 per hoofdjePiptocarpha.14a.Omwindselbladeren in meerdere rijen, verschillend van grootte3114b.Omwindselbladeren in één krans, soms met een krans van kleine blaadjes aan den voet. Vruchtpluis zachtharig. Bladeren afwisselend1515a.Hoofdjes met vrouwelijke lange buisvormige randbloemen en andersgevormde, doch ook buisvormige tweeslachtige schijfbloemen. Omwindsel uit smalle bladeren bestaand met kleine schubben aan den voetErechthites.15b.Alle bloemen gelijk van vorm en tweeslachtig; omwindsel zonder buitenschubjesEmilia.16a.Bloembodem kegelvormig of cylindervormig met gewelfde schubben. Hoofdjes langgesteeld met een kort omwindsel in 1 of 2 rijen. Vruchtpluis uit 2 stekels bestaande. Vrucht vlak. Kruiden met tegenoverstaande bladerenSpilanthes.16b.Bloembodem vlak, met schubben. Omwindsel uit 2 ongelijke rijen van blaadjes bestaande. Vruchtpluis 2–4 borstels die met kleine weerhaken bezet zijn. Vrucht min of meer 4-kantig. Kruiden met tegenoverstaande getande of gedeelde bladerenBidens.17a.Bladeren verspreid1817b.Bladeren tegenoverstaand1918a.Bladeren ingesneden. Bloemen in tot pluimen samengestelde trossen. Hoofdjes in 2 vormen op dezelfde plant; de vrouwelijke éénbloemig met één bloem zonder bloemkroon en een vergroeidbladig omwindsel dat de vrucht insluit en op de rugzijde 4–8 knobbels heeft; het mannelijke hoofdje veelbloemig, nooit vruchtdragend met een platte bloembodem; bloemen witAmbrosia.18b.Hoofdjes in groepen van 2–6 in de bladoksels zittend. Bladeren niet ingesneden. Hoofdjes 20–30-bloemig, alle bloemen gelijk van vorm, wit tot rood. Bloemkroon 3–4-deelig. Bloembodem zonder schubben. Omwindsel in meerdere rijen. Vrucht 3–4 hoekig, aan den top diep komvormigSparganophorus.19a.12–20 hoofdjes tot groepen vereenigd; elk hoofdje bestaande uit één vrouwelijke fertiele bloem met 4 tweeslachtige, steriele eromheen; de 5 bloemen omgeven door een 4-bladig omwindsel, waarvan de blaadjes paarsgewijs tegenover elkaar staan. Vrucht plat. Bloemen wit of roodachtigRiencourtia.19b.Hoofdjes niet tot groepen vereenigd2020a.Bloembodem vlak, zonder schubben. Bladeren breed. Hoofdjes in pluimen vereenigd. Bloemen wit, omwindsel klokvormig met weinig blaadjes. Hoofdjes veelbloemig, de buitenste rijen van vrouwelijke bloemen fertiel; de binnenste tweeslachtige bloemen sterielClibadium.Koenamie.20b.Bloembodem sterk convex tot kegelvormig met talrijke schubben. Bladeren smal. Hoofdjes kortgesteeld, weinige bijeen. Bloemen wit. Omwindselblaadjes weinig talrijk. Hoofdjes 20–30-bloemig; weinige van de buitenste bloemen fertiel, de rest sterielIchthyothere.Koenamie.21a.Vruchtpluis aanwezig, soms in den vorm van weinige, spoedig afvallende stekels of schubben2221b.Vruchtpluis geheel ontbrekend2922a.Vruchtpluis bestaande uit 2, 3 of 4 stekels2322b.Vruchtpluis uit haren, of schubben, of vele kleine stekeltjes bestaande2623a.Bladeren verspreid. Hoofdjes veelbloemig, die van de buitenste 1 of 2 rijen vrouwelijk en lintvormig, meest geel, de overige buisvormig; bloembodem met strooschubben. Omwindselblaadjes in 2–3 rijen. Vrucht plat en gevleugeld, met 2 stekelsVerbesina.23b.Bladeren tegenoverstaand2424a.Hoofdjes in de bladoksels zittend of bijna zittend, weinigbloemig,alle bloemen fertiel, de buitenste rij met lintvormige kroon, de binnenste rij met buisvormige kroon. Vruchten aan de lintbloemen plat en gevleugeld met lancetvormige schubben; die van de buisbloemen 3-hoekig met 2–3 stekels. Bloemen bleekgeelSynedrella.24b.Hoofdjes gesteeld, veelbloemig2525a.Bloembodem kegelvormig.Alle bloemen fertiel, die van de buitenste rij lintvormig, de binnenste buisvormig, geel of wit; vruchten van de lintbloemen meest 3-hoekig, die van de buisbloemen plat, met 2 spoedig afvallende stekels. Bladeren enkelvoudigSpilanthes.25b.Bloembodem vlak. Alle bloemen fertiel; de vruchten gelijk van vorm, een weinig vierkant met 2 tot 4 blijvende stekels aan den top, die met weerhakenbezetzijn. Bladeren meest samengesteld. Bloemen geelBidens.26a.Vruchtpluis uit lange haren bestaand, hoofdjes met vele bloemen, alle vruchtbaar, de buitenste klein, lintvormig, de binnenste buisvormig. Omwindselblaadjes in weinig rijen. Hoofdjes gesteeld, in trossen of pluimenErigeron.26b.Vruchtpluis bestaande uit kleine stekeltjes of uit schubben of uit een krans van vergroeide korte haartjes, die kleiner zijn dan de vrucht2727a.Bloemen geel; hoofdjes 6–12-bloemig, kortgesteeld, de lintbloemen onvruchtbaar, de buisbloemen fertiel. Omwindsel uit 5 blaadjes bestaand. Bloembodem met samengevouwen strooschubben. Kruidachtige plant met tegenoverstaande gesteelde bladeren. Vruchtpluis klein, eenigszins bekervormig vergroeidEleutheranthera.27b.Bloemen geel of oranje; hoofdjes veelbloemig, langgesteeld; omwindsel uit meerdere sterk vergroeide blaadjes bestaande. Planten met tegenoverstaande vindeelige bladeren. Vruchtpluis bestaande uit 5–6 ongelijke schubbenTagetes.Afrikanen.27c.Bloemen wit, hoofdjes gesteeld, veelbloemig2828a.Bladeren afwisselend dubbelvindeelig. Alleen de 5 buitenste bloemen lintvormig, fertiel met platte vruchtjes, die aan den top 3–4 kleine eironde schubjes dragen. Middelste bloemen buisvormigParthenium.28b.Bladeren tegenoverstaand niet ingesneden. Alle bloemen fertiel, de buitenste lint-, de binnenste buisvormig. Vruchten van de buitenste bloemen 3-hoekig, van de binnenste plat, aan den top met een korte kroon van stekeltjes. Bloembodem eenigszins bol met kleine afvallende schubben. Omwindselbladeren klokvormig in 2 rijenEclipta.Loso-wiwirie;Louisa-wiwirie.29a.Hoofdjes weinigbloemig; omwindselblaadjes in 2 rijen, die van de buitenste rij bladachtig, de binnenste rij gestekeld aan de buitenkant, de vruchtjes der lintbloemen geheel omsluitend, waardoor de vruchten gestekeld schijnen. De binnenste bloemen buisvormig,steriel. Vertakte kruiden met tegenoverstaande getande bladerenAcanthospermum.29b.Hoofdjes veelbloemig; omwindselblaadjes zonder stekels3030a.Hoofdjes klein, kortgesteeld of zittend. Omwindselblaadjes in 2 rijen, de buitenste rij bladachtig, de binnenste rij met de vruchtjes vergroeid. Lintbloemen alleen fertiel, de buisbloemen steriel. Vruchtjes eirond. Plant naar kamfer riekendMelampodium.Kamferbladeren.30b.Hoofdjes vrij groot, geel, gesteeld, de lintbloemen ongeslachtelijk, steriel, de buisbloemen fertiel met zwarte hoekige en kale vruchtjes. Bloembodem met strooschubben. Omwindsel uit 2 rijen van korte blaadjes bestaande. Groote rechtopstaande planten met ruwe bladerenWulffia.31a.Alle bloemen in hetzelfde hoofdje gelijk van vorm3231b.De buitenste bloemen in het hoofdje zeer dun, bijna draadvormig, vrouwelijk, de binnenste uit een wijdere buis bestaande, tweeslachtig; alle of bijna alle fertiel. Omwindsel klokvormig, met zeer smalle blaadjes, de buitenste geleidelijk korter wordend. Hoofdjes niet talrijk, in een bijschermConyza.32a.Planten geheel tweehuizig, d. w. z. de eene plant heeft alleen hoofdjes met zeer dunne, bijna draadvormige, vrouwelijke buisbloemen, de andere plant alleen hoofdjes met mannelijke bloemen, waarvan de bloemkroon een wijdere buis is. Vruchten met 10 ribben. Planten met verspreide bladerenBaccharis.32b.Alle bloemen tweeslachtig en fertiel. Vruchtpluis langer dan de vrucht, in 1 rij staande. Omwindselbladeren in meerdere rijen, verschillend van vorm. Vrucht 5-hoekig.Hoofdjes 5–100-bloemig. Bladeren, vooral de onderste, bijna steeds tegenoverstaandEupatorium.

275.Cucurbitaceae.Bloemen 5-tallig, zelden tweeslachtig, meest éénslachtig, regelmatig; bloemas bekervormig, kelk vergroeidbladig; bloembladeren 5; meeldraden 5, op de rand van de bloemas ingehecht, twee aan twee met elkaar verbonden of alle 5 tot één centrale groep vereenigd; vruchtbeginsel onderstandig, meest 3-hokkig, meest met 2 zaadlijsten in ieder hokje met vele zaadknoppen; stijl 1, met 3 takken; meest kruiden, die met ranken klimmen, met verspreide, enkelvoudige of gelobde bladeren.1a.Mannelijke bloemen voorhanden, of (in de 1-huizige soorten) ook ♀ bloemen21b.Alleen vrouwelijke bloemen en vruchten voorhanden (tweehuizige soorten)132a.Meeldraden 232b.Meeldraden 353a.Meeldraden in den mond van de kelkbuis ingehecht. Bloemen in trossen.Kelkbuis lang en dun met 5 kleine teruggeslagen tanden. Kroon 5-deelig. Rudiment van het vruchtbeginsel dun en draadvormigHelmontia.3b.Meeldraden op de wand van de kelkbuis ingehecht44a.Kelk groen, met eenkorte5-tandige zoom. Bloembladeren breed, vliezig, rond of eirond, rood, aan de basis sterk versmald. Bloemen in korte dichte trossen aan het eind van een lange steel. Rudiment van een vruchtbeginsel ontbrekendAnguria.4b.Kelk rood of oranje gekleurd met groote 5-deelige zoom. Bloembladeren klein, meest smal, bleekgeel, niet aan den basis plotseling versmald. Overigens als de vorigeGurania.5a.Helmknoppen recht of een weinig gebogen, niet gewonden. Planten eenhuizig. Bloemen in trossen of pluimen. Kelk klokvormig met 5 korte tanden; bloemkroon diep 5-deelig. Rudimentair vruchtbeginsel aanwezig; vrouwelijke bloemen alleenstaand, meest langgesteeld, met 3staminodiën. Vruchtbeginsel rond of langwerpig. Stijl aan den basis met een ringvormige schijf, met 3 stempels. Vrucht een kleine eironde of lange besMelothria.5b.Helmknoppen gewonden of saamgevouwen66a.Kroon stervormig tot dicht bij de basis (d. i. bij de kelkslippen) 5-deelig of 5-bladig76b.Kroon klokvormig, hoogstens tot aan het midden 5-lobbig127a.Helmdraden tot een zuil vergroeid, die van boven de 3 sterkgewonden helmknoppen draagt. Bloemen in trossen. Kelk met een klokvormige buis en 5 smalle tanden, kroon wit, diep 5-deelig. Vrouwelijke bloemen alleenstaand of 2 aan 2 met een langwerpig, sterk gestekeld vruchtbeginsel; stijl kort met knopvormige stempel. Vrucht gestekeld aan den top met 2 gaten openspringendEchinocystis.7b.Helmdraden niet tot een zuil vergroeid88a.Bladsteelen van boven met 2 klieren. Bloemen wit, steeds alleenstaand. Kelk klokvormig met 5 smalle en kleine slippen. Bloembladen 5, vrij. Meeldraden 3, in de kelkbuis ingehecht. Eén van de helmknoppen éénhokkig, de beide andere 2-hokkig. Vrouwelijke bloemen met een korte stijl en drie 2-lobbige stempels. Vrucht van buiten houtigLagenaria.Flesch-kalebas.8b.Bladsteelen zonder klier bij de bladvoet. Bloemen geel99a.Helmknoppen vrij, aan den top met een bladachtig aanhangsel. ♂ bloemen in trossen, zelden alleenstaand. Kroon 5-deelig. Helmdraden zeer kort. Vrouwelijke bloemen alleenstaand met 3 staminodiën. Stijl 1, kort met 3–5 stompe stempels. Vrucht zeer verschillend van vormCucumis.9b.Helmknoppen niet met een bladachtig aanhangsel aan den top1010a.Kelk van binnen met 2 of 3 langwerpige en gebogen schubben. Mannelijke bloemen alleenstaand met een lange bloemsteel, kelkslippen eirond tot lancetvormig; kroon een weinig onregelmatig. Vrouwelijke bloemen alleenstaand op een lange steel; vruchtbeginsel langwerpig gestekeld, vrucht met knobbelsMomordica.10b.Kelk van binnen zonder schubben1111a.Mannelijke bloemen in trossen. Bloembladeren 5, vrij, eirond of een weinig hartvormig. Meeldraden 3, soms 4 of 5, onder in de kelkbuis ingehecht. Vrouwelijke bloemen alleenstaand met 3 (soms 4 of 5) staminodiën. Vruchtbeginsel lang en gegroefd of cylindrisch. Stijl met drie 2-lobbige stempels. Vrucht bij rijpheid droog, van binnen vezelig, met een deksel openspringendLuffa.11b.Mannelijke bloemen alleenstaand, zelden groepsgewijs bij elkaar, kortgesteeld. Kelkbuis wijd-klokvormig met 5 smalle slippen. Kroon diep 5-deelig met stompe slippen. Vrouwelijke bloemen kortgesteeld met 3 korte staminodiën. Stijl met drie kort-2-lobbige stempels. Vrucht sappig, niet openspringendCitrullus.Watermeloen.12a.Bloemen geel of oranje, de mannelijke alleenzittend of in groepen. Kelk klokvormig met 5 (4–7) lobben. Bloemkroon tot aan het midden 5- (4–7-) lobbig met teruggeslagen slippen. Helmdraden onder in de kelkbuis ingehecht; helmknoppen samengekleefd. Vrouwelijke bloemen alleenstaand kortgesteeld met 3 korte staminodiën; stijl kort met 3–5 tweelobbige of 2-spletige stempels. Vrucht vleezig of vezelig niet openspringend, vele zadenCucurbita.12b.Bloemen wit of groenachtig; de mannelijke alleenstaand of in trossen of groepen. Helmdraden in de kelkbuis ingehecht, de helmknoppen maar weinig saamgekleefd. Vrouwelijke bloemen alleenstaand of in groepen; staminodiën 3, zeer klein, draadvormig. Stijl 3-spletig; schijf ringvormig. Vrucht rond of eirond niet openspringend met 6–12 zadenCayaponia.13a.♀ bloemen alleenstaand of 2 of 3 bij elkaar. Kelkbuis lang, groen met 5 tanden. Bloembladeren grooter dan de kelktanden, meestvuurrood of oranjerood. Staminodiën 2. Vruchtbeginsel langwerpig. Stijl draadvormig, 2-spletig; stempels 2, 2-lobbigAnguria.13b.♀ bloemen alleenstaand, in groepen of dicht gedrongen aan het eind van een lange steel. Kelk rood of oranje gekleurd, met vrij groote slippen. Bloembladeren bleekgeel, kleiner dan de kelkslippen. Staminodiën ontbrekend; overigens als de vorigeGurania.N. B. Van Helmontia, die ook 2-huizig is, zijn tot nu toe geen vrouwelijke bloemen bekend.

275.Cucurbitaceae.

Bloemen 5-tallig, zelden tweeslachtig, meest éénslachtig, regelmatig; bloemas bekervormig, kelk vergroeidbladig; bloembladeren 5; meeldraden 5, op de rand van de bloemas ingehecht, twee aan twee met elkaar verbonden of alle 5 tot één centrale groep vereenigd; vruchtbeginsel onderstandig, meest 3-hokkig, meest met 2 zaadlijsten in ieder hokje met vele zaadknoppen; stijl 1, met 3 takken; meest kruiden, die met ranken klimmen, met verspreide, enkelvoudige of gelobde bladeren.1a.Mannelijke bloemen voorhanden, of (in de 1-huizige soorten) ook ♀ bloemen21b.Alleen vrouwelijke bloemen en vruchten voorhanden (tweehuizige soorten)132a.Meeldraden 232b.Meeldraden 353a.Meeldraden in den mond van de kelkbuis ingehecht. Bloemen in trossen.Kelkbuis lang en dun met 5 kleine teruggeslagen tanden. Kroon 5-deelig. Rudiment van het vruchtbeginsel dun en draadvormigHelmontia.3b.Meeldraden op de wand van de kelkbuis ingehecht44a.Kelk groen, met eenkorte5-tandige zoom. Bloembladeren breed, vliezig, rond of eirond, rood, aan de basis sterk versmald. Bloemen in korte dichte trossen aan het eind van een lange steel. Rudiment van een vruchtbeginsel ontbrekendAnguria.4b.Kelk rood of oranje gekleurd met groote 5-deelige zoom. Bloembladeren klein, meest smal, bleekgeel, niet aan den basis plotseling versmald. Overigens als de vorigeGurania.5a.Helmknoppen recht of een weinig gebogen, niet gewonden. Planten eenhuizig. Bloemen in trossen of pluimen. Kelk klokvormig met 5 korte tanden; bloemkroon diep 5-deelig. Rudimentair vruchtbeginsel aanwezig; vrouwelijke bloemen alleenstaand, meest langgesteeld, met 3staminodiën. Vruchtbeginsel rond of langwerpig. Stijl aan den basis met een ringvormige schijf, met 3 stempels. Vrucht een kleine eironde of lange besMelothria.5b.Helmknoppen gewonden of saamgevouwen66a.Kroon stervormig tot dicht bij de basis (d. i. bij de kelkslippen) 5-deelig of 5-bladig76b.Kroon klokvormig, hoogstens tot aan het midden 5-lobbig127a.Helmdraden tot een zuil vergroeid, die van boven de 3 sterkgewonden helmknoppen draagt. Bloemen in trossen. Kelk met een klokvormige buis en 5 smalle tanden, kroon wit, diep 5-deelig. Vrouwelijke bloemen alleenstaand of 2 aan 2 met een langwerpig, sterk gestekeld vruchtbeginsel; stijl kort met knopvormige stempel. Vrucht gestekeld aan den top met 2 gaten openspringendEchinocystis.7b.Helmdraden niet tot een zuil vergroeid88a.Bladsteelen van boven met 2 klieren. Bloemen wit, steeds alleenstaand. Kelk klokvormig met 5 smalle en kleine slippen. Bloembladen 5, vrij. Meeldraden 3, in de kelkbuis ingehecht. Eén van de helmknoppen éénhokkig, de beide andere 2-hokkig. Vrouwelijke bloemen met een korte stijl en drie 2-lobbige stempels. Vrucht van buiten houtigLagenaria.Flesch-kalebas.8b.Bladsteelen zonder klier bij de bladvoet. Bloemen geel99a.Helmknoppen vrij, aan den top met een bladachtig aanhangsel. ♂ bloemen in trossen, zelden alleenstaand. Kroon 5-deelig. Helmdraden zeer kort. Vrouwelijke bloemen alleenstaand met 3 staminodiën. Stijl 1, kort met 3–5 stompe stempels. Vrucht zeer verschillend van vormCucumis.9b.Helmknoppen niet met een bladachtig aanhangsel aan den top1010a.Kelk van binnen met 2 of 3 langwerpige en gebogen schubben. Mannelijke bloemen alleenstaand met een lange bloemsteel, kelkslippen eirond tot lancetvormig; kroon een weinig onregelmatig. Vrouwelijke bloemen alleenstaand op een lange steel; vruchtbeginsel langwerpig gestekeld, vrucht met knobbelsMomordica.10b.Kelk van binnen zonder schubben1111a.Mannelijke bloemen in trossen. Bloembladeren 5, vrij, eirond of een weinig hartvormig. Meeldraden 3, soms 4 of 5, onder in de kelkbuis ingehecht. Vrouwelijke bloemen alleenstaand met 3 (soms 4 of 5) staminodiën. Vruchtbeginsel lang en gegroefd of cylindrisch. Stijl met drie 2-lobbige stempels. Vrucht bij rijpheid droog, van binnen vezelig, met een deksel openspringendLuffa.11b.Mannelijke bloemen alleenstaand, zelden groepsgewijs bij elkaar, kortgesteeld. Kelkbuis wijd-klokvormig met 5 smalle slippen. Kroon diep 5-deelig met stompe slippen. Vrouwelijke bloemen kortgesteeld met 3 korte staminodiën. Stijl met drie kort-2-lobbige stempels. Vrucht sappig, niet openspringendCitrullus.Watermeloen.12a.Bloemen geel of oranje, de mannelijke alleenzittend of in groepen. Kelk klokvormig met 5 (4–7) lobben. Bloemkroon tot aan het midden 5- (4–7-) lobbig met teruggeslagen slippen. Helmdraden onder in de kelkbuis ingehecht; helmknoppen samengekleefd. Vrouwelijke bloemen alleenstaand kortgesteeld met 3 korte staminodiën; stijl kort met 3–5 tweelobbige of 2-spletige stempels. Vrucht vleezig of vezelig niet openspringend, vele zadenCucurbita.12b.Bloemen wit of groenachtig; de mannelijke alleenstaand of in trossen of groepen. Helmdraden in de kelkbuis ingehecht, de helmknoppen maar weinig saamgekleefd. Vrouwelijke bloemen alleenstaand of in groepen; staminodiën 3, zeer klein, draadvormig. Stijl 3-spletig; schijf ringvormig. Vrucht rond of eirond niet openspringend met 6–12 zadenCayaponia.13a.♀ bloemen alleenstaand of 2 of 3 bij elkaar. Kelkbuis lang, groen met 5 tanden. Bloembladeren grooter dan de kelktanden, meestvuurrood of oranjerood. Staminodiën 2. Vruchtbeginsel langwerpig. Stijl draadvormig, 2-spletig; stempels 2, 2-lobbigAnguria.13b.♀ bloemen alleenstaand, in groepen of dicht gedrongen aan het eind van een lange steel. Kelk rood of oranje gekleurd, met vrij groote slippen. Bloembladeren bleekgeel, kleiner dan de kelkslippen. Staminodiën ontbrekend; overigens als de vorigeGurania.N. B. Van Helmontia, die ook 2-huizig is, zijn tot nu toe geen vrouwelijke bloemen bekend.

Bloemen 5-tallig, zelden tweeslachtig, meest éénslachtig, regelmatig; bloemas bekervormig, kelk vergroeidbladig; bloembladeren 5; meeldraden 5, op de rand van de bloemas ingehecht, twee aan twee met elkaar verbonden of alle 5 tot één centrale groep vereenigd; vruchtbeginsel onderstandig, meest 3-hokkig, meest met 2 zaadlijsten in ieder hokje met vele zaadknoppen; stijl 1, met 3 takken; meest kruiden, die met ranken klimmen, met verspreide, enkelvoudige of gelobde bladeren.

1a.Mannelijke bloemen voorhanden, of (in de 1-huizige soorten) ook ♀ bloemen2

1b.Alleen vrouwelijke bloemen en vruchten voorhanden (tweehuizige soorten)13

2a.Meeldraden 23

2b.Meeldraden 35

3a.Meeldraden in den mond van de kelkbuis ingehecht. Bloemen in trossen.Kelkbuis lang en dun met 5 kleine teruggeslagen tanden. Kroon 5-deelig. Rudiment van het vruchtbeginsel dun en draadvormigHelmontia.

3b.Meeldraden op de wand van de kelkbuis ingehecht4

4a.Kelk groen, met eenkorte5-tandige zoom. Bloembladeren breed, vliezig, rond of eirond, rood, aan de basis sterk versmald. Bloemen in korte dichte trossen aan het eind van een lange steel. Rudiment van een vruchtbeginsel ontbrekendAnguria.

4b.Kelk rood of oranje gekleurd met groote 5-deelige zoom. Bloembladeren klein, meest smal, bleekgeel, niet aan den basis plotseling versmald. Overigens als de vorigeGurania.

5a.Helmknoppen recht of een weinig gebogen, niet gewonden. Planten eenhuizig. Bloemen in trossen of pluimen. Kelk klokvormig met 5 korte tanden; bloemkroon diep 5-deelig. Rudimentair vruchtbeginsel aanwezig; vrouwelijke bloemen alleenstaand, meest langgesteeld, met 3staminodiën. Vruchtbeginsel rond of langwerpig. Stijl aan den basis met een ringvormige schijf, met 3 stempels. Vrucht een kleine eironde of lange besMelothria.

5b.Helmknoppen gewonden of saamgevouwen6

6a.Kroon stervormig tot dicht bij de basis (d. i. bij de kelkslippen) 5-deelig of 5-bladig7

6b.Kroon klokvormig, hoogstens tot aan het midden 5-lobbig12

7a.Helmdraden tot een zuil vergroeid, die van boven de 3 sterkgewonden helmknoppen draagt. Bloemen in trossen. Kelk met een klokvormige buis en 5 smalle tanden, kroon wit, diep 5-deelig. Vrouwelijke bloemen alleenstaand of 2 aan 2 met een langwerpig, sterk gestekeld vruchtbeginsel; stijl kort met knopvormige stempel. Vrucht gestekeld aan den top met 2 gaten openspringendEchinocystis.

7b.Helmdraden niet tot een zuil vergroeid8

8a.Bladsteelen van boven met 2 klieren. Bloemen wit, steeds alleenstaand. Kelk klokvormig met 5 smalle en kleine slippen. Bloembladen 5, vrij. Meeldraden 3, in de kelkbuis ingehecht. Eén van de helmknoppen éénhokkig, de beide andere 2-hokkig. Vrouwelijke bloemen met een korte stijl en drie 2-lobbige stempels. Vrucht van buiten houtigLagenaria.Flesch-kalebas.

8b.Bladsteelen zonder klier bij de bladvoet. Bloemen geel9

9a.Helmknoppen vrij, aan den top met een bladachtig aanhangsel. ♂ bloemen in trossen, zelden alleenstaand. Kroon 5-deelig. Helmdraden zeer kort. Vrouwelijke bloemen alleenstaand met 3 staminodiën. Stijl 1, kort met 3–5 stompe stempels. Vrucht zeer verschillend van vormCucumis.

9b.Helmknoppen niet met een bladachtig aanhangsel aan den top10

10a.Kelk van binnen met 2 of 3 langwerpige en gebogen schubben. Mannelijke bloemen alleenstaand met een lange bloemsteel, kelkslippen eirond tot lancetvormig; kroon een weinig onregelmatig. Vrouwelijke bloemen alleenstaand op een lange steel; vruchtbeginsel langwerpig gestekeld, vrucht met knobbelsMomordica.

10b.Kelk van binnen zonder schubben11

11a.Mannelijke bloemen in trossen. Bloembladeren 5, vrij, eirond of een weinig hartvormig. Meeldraden 3, soms 4 of 5, onder in de kelkbuis ingehecht. Vrouwelijke bloemen alleenstaand met 3 (soms 4 of 5) staminodiën. Vruchtbeginsel lang en gegroefd of cylindrisch. Stijl met drie 2-lobbige stempels. Vrucht bij rijpheid droog, van binnen vezelig, met een deksel openspringendLuffa.

11b.Mannelijke bloemen alleenstaand, zelden groepsgewijs bij elkaar, kortgesteeld. Kelkbuis wijd-klokvormig met 5 smalle slippen. Kroon diep 5-deelig met stompe slippen. Vrouwelijke bloemen kortgesteeld met 3 korte staminodiën. Stijl met drie kort-2-lobbige stempels. Vrucht sappig, niet openspringendCitrullus.Watermeloen.

12a.Bloemen geel of oranje, de mannelijke alleenzittend of in groepen. Kelk klokvormig met 5 (4–7) lobben. Bloemkroon tot aan het midden 5- (4–7-) lobbig met teruggeslagen slippen. Helmdraden onder in de kelkbuis ingehecht; helmknoppen samengekleefd. Vrouwelijke bloemen alleenstaand kortgesteeld met 3 korte staminodiën; stijl kort met 3–5 tweelobbige of 2-spletige stempels. Vrucht vleezig of vezelig niet openspringend, vele zadenCucurbita.

12b.Bloemen wit of groenachtig; de mannelijke alleenstaand of in trossen of groepen. Helmdraden in de kelkbuis ingehecht, de helmknoppen maar weinig saamgekleefd. Vrouwelijke bloemen alleenstaand of in groepen; staminodiën 3, zeer klein, draadvormig. Stijl 3-spletig; schijf ringvormig. Vrucht rond of eirond niet openspringend met 6–12 zadenCayaponia.

13a.♀ bloemen alleenstaand of 2 of 3 bij elkaar. Kelkbuis lang, groen met 5 tanden. Bloembladeren grooter dan de kelktanden, meestvuurrood of oranjerood. Staminodiën 2. Vruchtbeginsel langwerpig. Stijl draadvormig, 2-spletig; stempels 2, 2-lobbigAnguria.

13b.♀ bloemen alleenstaand, in groepen of dicht gedrongen aan het eind van een lange steel. Kelk rood of oranje gekleurd, met vrij groote slippen. Bloembladeren bleekgeel, kleiner dan de kelkslippen. Staminodiën ontbrekend; overigens als de vorigeGurania.

N. B. Van Helmontia, die ook 2-huizig is, zijn tot nu toe geen vrouwelijke bloemen bekend.

276.Campanulaceae.Bloemen meest 5-tallig, zelden 6–10- of 3–4-tallig, meest tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemkroon meest vergroeidbladig; meeldraden meest 5 met vergroeide helmknoppen; vruchtbeginsel onderstandig, 2–5-hokkig met vele zaadknoppen; stijl 1; vrucht een doosvrucht, zelden een bes; kruiden, zelden houtige planten meest met verspreide bladeren en vrij groote bloemen; melksap soms aanwezig.Kruiden met okselstandige bloemen; vruchtbeginsel onderstandig; kelkslippen smal; bloemkroon een gekromde buis met zijdelings-symmetrische zoom; meeldraden 5, met de helmknoppen om den stijl vergroeid; helmdraden van onderen met de bloemkroon in een buis vergroeid. Vrucht een besCentropogon.

276.Campanulaceae.

Bloemen meest 5-tallig, zelden 6–10- of 3–4-tallig, meest tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemkroon meest vergroeidbladig; meeldraden meest 5 met vergroeide helmknoppen; vruchtbeginsel onderstandig, 2–5-hokkig met vele zaadknoppen; stijl 1; vrucht een doosvrucht, zelden een bes; kruiden, zelden houtige planten meest met verspreide bladeren en vrij groote bloemen; melksap soms aanwezig.Kruiden met okselstandige bloemen; vruchtbeginsel onderstandig; kelkslippen smal; bloemkroon een gekromde buis met zijdelings-symmetrische zoom; meeldraden 5, met de helmknoppen om den stijl vergroeid; helmdraden van onderen met de bloemkroon in een buis vergroeid. Vrucht een besCentropogon.

Bloemen meest 5-tallig, zelden 6–10- of 3–4-tallig, meest tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemkroon meest vergroeidbladig; meeldraden meest 5 met vergroeide helmknoppen; vruchtbeginsel onderstandig, 2–5-hokkig met vele zaadknoppen; stijl 1; vrucht een doosvrucht, zelden een bes; kruiden, zelden houtige planten meest met verspreide bladeren en vrij groote bloemen; melksap soms aanwezig.

Kruiden met okselstandige bloemen; vruchtbeginsel onderstandig; kelkslippen smal; bloemkroon een gekromde buis met zijdelings-symmetrische zoom; meeldraden 5, met de helmknoppen om den stijl vergroeid; helmdraden van onderen met de bloemkroon in een buis vergroeid. Vrucht een besCentropogon.

280.Compositae.Bloemen 5-tallig, tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig of zygomorf; kelkbladeren zelden duidelijk ontwikkeld, meest in de plaats ervan haren of schubben, die een z.g. haarpluis vormen; bloemkroon vergroeidbladig, regelmatig of zygomorf, 2-lippig of lintvormig; meeldraden in de bloemkroonbuis vastgehecht; de helmdraden meest vrij, de helmknoppen samenhangend; vruchtbeginsel onderstandig, 1-hokkig met 1 zaadknop en 1 stijl met een zeer verschillend gevormde stempel; vrucht niet openspringend; kruiden of heesters, zelden boomen met verspreide, of tegenoverstaande bladeren, en met bloemen, die in hoofdjes of verkorte aren staan; de hoofdjes met een omwindsel van schutbladeren omgeven; melksap vaak aanwezig.1a.Bloemkroon van alle bloemen buisvormig, soms ongelijk van vorm (lange en korte buizen)21b.Bloemkroon van de middelste bloemen van het hoofdje buisvormig, van de randbloemen lintvormig, soms zeer klein en weinig opvallend212a.Vruchtpluis aanwezig, soms reeds aan de vrucht afgevallen, maar dan onder de bloem zichtbaar (Pacourina, Elephanthopus) soms zeer klein, bekervormig, of slechts uit weinig (tot 2) stekels bestaande32b.Vruchtpluis geheel afwezig173a.Hoofdjes samengesteld d. w. z. meerdere weinigbloemige hoofdjes, ieder met een eigen omwindsel, zijn vereenigd tot een groep van hoofdjes, die een gemeenschappelijk omwindsel hebben en op een gemeenschappelijke bloembodem staan43b.Hoofdjes niet samengesteld; indien er meerdere hoofdjes bij elkaar zitten, dan hebben ze geen gemeenschappelijk omwindsel en staan ze niet op een gemeenschappelijke bloembodem54a.Bladeren van onderen wit-viltig. Hoofdjes 1-bloemig, elk hoofdje in de oksel van 1 schutblad en omgeven door een 2-bladig omwindsel.Bloemkroon kort 4- (zelden 3-) spletig, wit. Vele hoofdjes vereenigd tot een okselstandige groep. Vruchtpluis bestaande uit een veeltandig kroontjeRolandra.4b.Bladeren van onderen niet wit-viltig. Hoofdjes 2–5-bloemig met een 8-bladig omwindsel in twee kransen. Hoofdjes vereenigd tot groepen, die weer in aren of trossen staanElephantopus.5a.Vruchtpluis uit talrijke haren of schubben bestaand65b.Vruchtpluis uit 2, 3 of 4 stekels bestaand166a.Hoofdjes klein, 4-bloemig, met een 4-bladig omwindsel, tot samengestelde trossen of aren vereenigd. Vruchtpluis uit 30–60 stekels bestaande in 1 rij. Bloemen wit; helmknoppen met een aanhangsel aan de basis. Bloembodem naakt, klein. Vrucht met 5 ribben. Meest windende heesters of kruidenMikania.6b.Hoofdjes met meer dan 4 bloemen en meer dan 4 omwindselbladeren77a.Hoofdjes tot 2½ c.M. breed, alleen aan den stengel zittend ten deele tegenover de bladeren met bolvormig omhulsel.Vruchten tot 1½ c.M. lang, met 10 ribben en zeer gemakkelijk afvallend haarpluis. Kruidachtige plant met groote bladerenPacourina.7b.Hoofdjes veel kleiner88a.Bloembodem met schubben98b.Bloembodem zonder schubben109a.Haarpluis klein, min of meer bekervormig vergroeid. Omwindsel 5-bladig. Vrucht slechts weinig hoekig. Hoofdjes met 6–12 bloemen; kruiden met tegenoverstaande bladerenEleutheranthera.9b.Haarpluis goed ontwikkeld, in 1–2 rijen. Omwindsel meerbladig, uit 3–4 rijen van dakpansgewijs over elkaar liggende blaadjes bestaande. Plant ruwharig met afwisselende bladerenNeurolaena.10a.Vruchtpluis uit 5–15 schubben bestaand. Hoofdjes veelbloemig. Omwindselbladeren alle ongeveer even groot, in vele rijen. Vrucht 5-hoekig. Bloemen rose-witAgeratum.10b.Vruchtpluis uit haren of stekels bestaand1111a.Omwindsel uit 5 (–8) groote smalle bladeren bestaand. Vruchtpluis stekelig met vele stekels in 1 of 2 rijen. Vrucht met talrijke ribben. Bladeren afwisselendPorophyllum.11b.Omwindsel uit meerdere blaadjes bestaande of soms uit weinig blaadjes bestaand, maar dan vruchtpluis zachtharig1212a.Vruchtpluis in meerdere rijen, verschillend van vorm; de buitenste rij korter dan de binnenste, meest borstelig; omwindselbladeren in meerdere rijen1312b.Vruchtpluis in 1 rij van gelijke haren of dicht zachtharig1413a.Helmknoppen aan den voet stomp; bloemen 20–80 per hoofdjeVernonia.13b.Helmknoppen met een aanhangsel aan den voet; bloemen 3–10 per hoofdjePiptocarpha.14a.Omwindselbladeren in meerdere rijen, verschillend van grootte3114b.Omwindselbladeren in één krans, soms met een krans van kleine blaadjes aan den voet. Vruchtpluis zachtharig. Bladeren afwisselend1515a.Hoofdjes met vrouwelijke lange buisvormige randbloemen en andersgevormde, doch ook buisvormige tweeslachtige schijfbloemen. Omwindsel uit smalle bladeren bestaand met kleine schubben aan den voetErechthites.15b.Alle bloemen gelijk van vorm en tweeslachtig; omwindsel zonder buitenschubjesEmilia.16a.Bloembodem kegelvormig of cylindervormig met gewelfde schubben. Hoofdjes langgesteeld met een kort omwindsel in 1 of 2 rijen. Vruchtpluis uit 2 stekels bestaande. Vrucht vlak. Kruiden met tegenoverstaande bladerenSpilanthes.16b.Bloembodem vlak, met schubben. Omwindsel uit 2 ongelijke rijen van blaadjes bestaande. Vruchtpluis 2–4 borstels die met kleine weerhaken bezet zijn. Vrucht min of meer 4-kantig. Kruiden met tegenoverstaande getande of gedeelde bladerenBidens.17a.Bladeren verspreid1817b.Bladeren tegenoverstaand1918a.Bladeren ingesneden. Bloemen in tot pluimen samengestelde trossen. Hoofdjes in 2 vormen op dezelfde plant; de vrouwelijke éénbloemig met één bloem zonder bloemkroon en een vergroeidbladig omwindsel dat de vrucht insluit en op de rugzijde 4–8 knobbels heeft; het mannelijke hoofdje veelbloemig, nooit vruchtdragend met een platte bloembodem; bloemen witAmbrosia.18b.Hoofdjes in groepen van 2–6 in de bladoksels zittend. Bladeren niet ingesneden. Hoofdjes 20–30-bloemig, alle bloemen gelijk van vorm, wit tot rood. Bloemkroon 3–4-deelig. Bloembodem zonder schubben. Omwindsel in meerdere rijen. Vrucht 3–4 hoekig, aan den top diep komvormigSparganophorus.19a.12–20 hoofdjes tot groepen vereenigd; elk hoofdje bestaande uit één vrouwelijke fertiele bloem met 4 tweeslachtige, steriele eromheen; de 5 bloemen omgeven door een 4-bladig omwindsel, waarvan de blaadjes paarsgewijs tegenover elkaar staan. Vrucht plat. Bloemen wit of roodachtigRiencourtia.19b.Hoofdjes niet tot groepen vereenigd2020a.Bloembodem vlak, zonder schubben. Bladeren breed. Hoofdjes in pluimen vereenigd. Bloemen wit, omwindsel klokvormig met weinig blaadjes. Hoofdjes veelbloemig, de buitenste rijen van vrouwelijke bloemen fertiel; de binnenste tweeslachtige bloemen sterielClibadium.Koenamie.20b.Bloembodem sterk convex tot kegelvormig met talrijke schubben. Bladeren smal. Hoofdjes kortgesteeld, weinige bijeen. Bloemen wit. Omwindselblaadjes weinig talrijk. Hoofdjes 20–30-bloemig; weinige van de buitenste bloemen fertiel, de rest sterielIchthyothere.Koenamie.21a.Vruchtpluis aanwezig, soms in den vorm van weinige, spoedig afvallende stekels of schubben2221b.Vruchtpluis geheel ontbrekend2922a.Vruchtpluis bestaande uit 2, 3 of 4 stekels2322b.Vruchtpluis uit haren, of schubben, of vele kleine stekeltjes bestaande2623a.Bladeren verspreid. Hoofdjes veelbloemig, die van de buitenste 1 of 2 rijen vrouwelijk en lintvormig, meest geel, de overige buisvormig; bloembodem met strooschubben. Omwindselblaadjes in 2–3 rijen. Vrucht plat en gevleugeld, met 2 stekelsVerbesina.23b.Bladeren tegenoverstaand2424a.Hoofdjes in de bladoksels zittend of bijna zittend, weinigbloemig,alle bloemen fertiel, de buitenste rij met lintvormige kroon, de binnenste rij met buisvormige kroon. Vruchten aan de lintbloemen plat en gevleugeld met lancetvormige schubben; die van de buisbloemen 3-hoekig met 2–3 stekels. Bloemen bleekgeelSynedrella.24b.Hoofdjes gesteeld, veelbloemig2525a.Bloembodem kegelvormig.Alle bloemen fertiel, die van de buitenste rij lintvormig, de binnenste buisvormig, geel of wit; vruchten van de lintbloemen meest 3-hoekig, die van de buisbloemen plat, met 2 spoedig afvallende stekels. Bladeren enkelvoudigSpilanthes.25b.Bloembodem vlak. Alle bloemen fertiel; de vruchten gelijk van vorm, een weinig vierkant met 2 tot 4 blijvende stekels aan den top, die met weerhakenbezetzijn. Bladeren meest samengesteld. Bloemen geelBidens.26a.Vruchtpluis uit lange haren bestaand, hoofdjes met vele bloemen, alle vruchtbaar, de buitenste klein, lintvormig, de binnenste buisvormig. Omwindselblaadjes in weinig rijen. Hoofdjes gesteeld, in trossen of pluimenErigeron.26b.Vruchtpluis bestaande uit kleine stekeltjes of uit schubben of uit een krans van vergroeide korte haartjes, die kleiner zijn dan de vrucht2727a.Bloemen geel; hoofdjes 6–12-bloemig, kortgesteeld, de lintbloemen onvruchtbaar, de buisbloemen fertiel. Omwindsel uit 5 blaadjes bestaand. Bloembodem met samengevouwen strooschubben. Kruidachtige plant met tegenoverstaande gesteelde bladeren. Vruchtpluis klein, eenigszins bekervormig vergroeidEleutheranthera.27b.Bloemen geel of oranje; hoofdjes veelbloemig, langgesteeld; omwindsel uit meerdere sterk vergroeide blaadjes bestaande. Planten met tegenoverstaande vindeelige bladeren. Vruchtpluis bestaande uit 5–6 ongelijke schubbenTagetes.Afrikanen.27c.Bloemen wit, hoofdjes gesteeld, veelbloemig2828a.Bladeren afwisselend dubbelvindeelig. Alleen de 5 buitenste bloemen lintvormig, fertiel met platte vruchtjes, die aan den top 3–4 kleine eironde schubjes dragen. Middelste bloemen buisvormigParthenium.28b.Bladeren tegenoverstaand niet ingesneden. Alle bloemen fertiel, de buitenste lint-, de binnenste buisvormig. Vruchten van de buitenste bloemen 3-hoekig, van de binnenste plat, aan den top met een korte kroon van stekeltjes. Bloembodem eenigszins bol met kleine afvallende schubben. Omwindselbladeren klokvormig in 2 rijenEclipta.Loso-wiwirie;Louisa-wiwirie.29a.Hoofdjes weinigbloemig; omwindselblaadjes in 2 rijen, die van de buitenste rij bladachtig, de binnenste rij gestekeld aan de buitenkant, de vruchtjes der lintbloemen geheel omsluitend, waardoor de vruchten gestekeld schijnen. De binnenste bloemen buisvormig,steriel. Vertakte kruiden met tegenoverstaande getande bladerenAcanthospermum.29b.Hoofdjes veelbloemig; omwindselblaadjes zonder stekels3030a.Hoofdjes klein, kortgesteeld of zittend. Omwindselblaadjes in 2 rijen, de buitenste rij bladachtig, de binnenste rij met de vruchtjes vergroeid. Lintbloemen alleen fertiel, de buisbloemen steriel. Vruchtjes eirond. Plant naar kamfer riekendMelampodium.Kamferbladeren.30b.Hoofdjes vrij groot, geel, gesteeld, de lintbloemen ongeslachtelijk, steriel, de buisbloemen fertiel met zwarte hoekige en kale vruchtjes. Bloembodem met strooschubben. Omwindsel uit 2 rijen van korte blaadjes bestaande. Groote rechtopstaande planten met ruwe bladerenWulffia.31a.Alle bloemen in hetzelfde hoofdje gelijk van vorm3231b.De buitenste bloemen in het hoofdje zeer dun, bijna draadvormig, vrouwelijk, de binnenste uit een wijdere buis bestaande, tweeslachtig; alle of bijna alle fertiel. Omwindsel klokvormig, met zeer smalle blaadjes, de buitenste geleidelijk korter wordend. Hoofdjes niet talrijk, in een bijschermConyza.32a.Planten geheel tweehuizig, d. w. z. de eene plant heeft alleen hoofdjes met zeer dunne, bijna draadvormige, vrouwelijke buisbloemen, de andere plant alleen hoofdjes met mannelijke bloemen, waarvan de bloemkroon een wijdere buis is. Vruchten met 10 ribben. Planten met verspreide bladerenBaccharis.32b.Alle bloemen tweeslachtig en fertiel. Vruchtpluis langer dan de vrucht, in 1 rij staande. Omwindselbladeren in meerdere rijen, verschillend van vorm. Vrucht 5-hoekig.Hoofdjes 5–100-bloemig. Bladeren, vooral de onderste, bijna steeds tegenoverstaandEupatorium.

280.Compositae.

Bloemen 5-tallig, tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig of zygomorf; kelkbladeren zelden duidelijk ontwikkeld, meest in de plaats ervan haren of schubben, die een z.g. haarpluis vormen; bloemkroon vergroeidbladig, regelmatig of zygomorf, 2-lippig of lintvormig; meeldraden in de bloemkroonbuis vastgehecht; de helmdraden meest vrij, de helmknoppen samenhangend; vruchtbeginsel onderstandig, 1-hokkig met 1 zaadknop en 1 stijl met een zeer verschillend gevormde stempel; vrucht niet openspringend; kruiden of heesters, zelden boomen met verspreide, of tegenoverstaande bladeren, en met bloemen, die in hoofdjes of verkorte aren staan; de hoofdjes met een omwindsel van schutbladeren omgeven; melksap vaak aanwezig.1a.Bloemkroon van alle bloemen buisvormig, soms ongelijk van vorm (lange en korte buizen)21b.Bloemkroon van de middelste bloemen van het hoofdje buisvormig, van de randbloemen lintvormig, soms zeer klein en weinig opvallend212a.Vruchtpluis aanwezig, soms reeds aan de vrucht afgevallen, maar dan onder de bloem zichtbaar (Pacourina, Elephanthopus) soms zeer klein, bekervormig, of slechts uit weinig (tot 2) stekels bestaande32b.Vruchtpluis geheel afwezig173a.Hoofdjes samengesteld d. w. z. meerdere weinigbloemige hoofdjes, ieder met een eigen omwindsel, zijn vereenigd tot een groep van hoofdjes, die een gemeenschappelijk omwindsel hebben en op een gemeenschappelijke bloembodem staan43b.Hoofdjes niet samengesteld; indien er meerdere hoofdjes bij elkaar zitten, dan hebben ze geen gemeenschappelijk omwindsel en staan ze niet op een gemeenschappelijke bloembodem54a.Bladeren van onderen wit-viltig. Hoofdjes 1-bloemig, elk hoofdje in de oksel van 1 schutblad en omgeven door een 2-bladig omwindsel.Bloemkroon kort 4- (zelden 3-) spletig, wit. Vele hoofdjes vereenigd tot een okselstandige groep. Vruchtpluis bestaande uit een veeltandig kroontjeRolandra.4b.Bladeren van onderen niet wit-viltig. Hoofdjes 2–5-bloemig met een 8-bladig omwindsel in twee kransen. Hoofdjes vereenigd tot groepen, die weer in aren of trossen staanElephantopus.5a.Vruchtpluis uit talrijke haren of schubben bestaand65b.Vruchtpluis uit 2, 3 of 4 stekels bestaand166a.Hoofdjes klein, 4-bloemig, met een 4-bladig omwindsel, tot samengestelde trossen of aren vereenigd. Vruchtpluis uit 30–60 stekels bestaande in 1 rij. Bloemen wit; helmknoppen met een aanhangsel aan de basis. Bloembodem naakt, klein. Vrucht met 5 ribben. Meest windende heesters of kruidenMikania.6b.Hoofdjes met meer dan 4 bloemen en meer dan 4 omwindselbladeren77a.Hoofdjes tot 2½ c.M. breed, alleen aan den stengel zittend ten deele tegenover de bladeren met bolvormig omhulsel.Vruchten tot 1½ c.M. lang, met 10 ribben en zeer gemakkelijk afvallend haarpluis. Kruidachtige plant met groote bladerenPacourina.7b.Hoofdjes veel kleiner88a.Bloembodem met schubben98b.Bloembodem zonder schubben109a.Haarpluis klein, min of meer bekervormig vergroeid. Omwindsel 5-bladig. Vrucht slechts weinig hoekig. Hoofdjes met 6–12 bloemen; kruiden met tegenoverstaande bladerenEleutheranthera.9b.Haarpluis goed ontwikkeld, in 1–2 rijen. Omwindsel meerbladig, uit 3–4 rijen van dakpansgewijs over elkaar liggende blaadjes bestaande. Plant ruwharig met afwisselende bladerenNeurolaena.10a.Vruchtpluis uit 5–15 schubben bestaand. Hoofdjes veelbloemig. Omwindselbladeren alle ongeveer even groot, in vele rijen. Vrucht 5-hoekig. Bloemen rose-witAgeratum.10b.Vruchtpluis uit haren of stekels bestaand1111a.Omwindsel uit 5 (–8) groote smalle bladeren bestaand. Vruchtpluis stekelig met vele stekels in 1 of 2 rijen. Vrucht met talrijke ribben. Bladeren afwisselendPorophyllum.11b.Omwindsel uit meerdere blaadjes bestaande of soms uit weinig blaadjes bestaand, maar dan vruchtpluis zachtharig1212a.Vruchtpluis in meerdere rijen, verschillend van vorm; de buitenste rij korter dan de binnenste, meest borstelig; omwindselbladeren in meerdere rijen1312b.Vruchtpluis in 1 rij van gelijke haren of dicht zachtharig1413a.Helmknoppen aan den voet stomp; bloemen 20–80 per hoofdjeVernonia.13b.Helmknoppen met een aanhangsel aan den voet; bloemen 3–10 per hoofdjePiptocarpha.14a.Omwindselbladeren in meerdere rijen, verschillend van grootte3114b.Omwindselbladeren in één krans, soms met een krans van kleine blaadjes aan den voet. Vruchtpluis zachtharig. Bladeren afwisselend1515a.Hoofdjes met vrouwelijke lange buisvormige randbloemen en andersgevormde, doch ook buisvormige tweeslachtige schijfbloemen. Omwindsel uit smalle bladeren bestaand met kleine schubben aan den voetErechthites.15b.Alle bloemen gelijk van vorm en tweeslachtig; omwindsel zonder buitenschubjesEmilia.16a.Bloembodem kegelvormig of cylindervormig met gewelfde schubben. Hoofdjes langgesteeld met een kort omwindsel in 1 of 2 rijen. Vruchtpluis uit 2 stekels bestaande. Vrucht vlak. Kruiden met tegenoverstaande bladerenSpilanthes.16b.Bloembodem vlak, met schubben. Omwindsel uit 2 ongelijke rijen van blaadjes bestaande. Vruchtpluis 2–4 borstels die met kleine weerhaken bezet zijn. Vrucht min of meer 4-kantig. Kruiden met tegenoverstaande getande of gedeelde bladerenBidens.17a.Bladeren verspreid1817b.Bladeren tegenoverstaand1918a.Bladeren ingesneden. Bloemen in tot pluimen samengestelde trossen. Hoofdjes in 2 vormen op dezelfde plant; de vrouwelijke éénbloemig met één bloem zonder bloemkroon en een vergroeidbladig omwindsel dat de vrucht insluit en op de rugzijde 4–8 knobbels heeft; het mannelijke hoofdje veelbloemig, nooit vruchtdragend met een platte bloembodem; bloemen witAmbrosia.18b.Hoofdjes in groepen van 2–6 in de bladoksels zittend. Bladeren niet ingesneden. Hoofdjes 20–30-bloemig, alle bloemen gelijk van vorm, wit tot rood. Bloemkroon 3–4-deelig. Bloembodem zonder schubben. Omwindsel in meerdere rijen. Vrucht 3–4 hoekig, aan den top diep komvormigSparganophorus.19a.12–20 hoofdjes tot groepen vereenigd; elk hoofdje bestaande uit één vrouwelijke fertiele bloem met 4 tweeslachtige, steriele eromheen; de 5 bloemen omgeven door een 4-bladig omwindsel, waarvan de blaadjes paarsgewijs tegenover elkaar staan. Vrucht plat. Bloemen wit of roodachtigRiencourtia.19b.Hoofdjes niet tot groepen vereenigd2020a.Bloembodem vlak, zonder schubben. Bladeren breed. Hoofdjes in pluimen vereenigd. Bloemen wit, omwindsel klokvormig met weinig blaadjes. Hoofdjes veelbloemig, de buitenste rijen van vrouwelijke bloemen fertiel; de binnenste tweeslachtige bloemen sterielClibadium.Koenamie.20b.Bloembodem sterk convex tot kegelvormig met talrijke schubben. Bladeren smal. Hoofdjes kortgesteeld, weinige bijeen. Bloemen wit. Omwindselblaadjes weinig talrijk. Hoofdjes 20–30-bloemig; weinige van de buitenste bloemen fertiel, de rest sterielIchthyothere.Koenamie.21a.Vruchtpluis aanwezig, soms in den vorm van weinige, spoedig afvallende stekels of schubben2221b.Vruchtpluis geheel ontbrekend2922a.Vruchtpluis bestaande uit 2, 3 of 4 stekels2322b.Vruchtpluis uit haren, of schubben, of vele kleine stekeltjes bestaande2623a.Bladeren verspreid. Hoofdjes veelbloemig, die van de buitenste 1 of 2 rijen vrouwelijk en lintvormig, meest geel, de overige buisvormig; bloembodem met strooschubben. Omwindselblaadjes in 2–3 rijen. Vrucht plat en gevleugeld, met 2 stekelsVerbesina.23b.Bladeren tegenoverstaand2424a.Hoofdjes in de bladoksels zittend of bijna zittend, weinigbloemig,alle bloemen fertiel, de buitenste rij met lintvormige kroon, de binnenste rij met buisvormige kroon. Vruchten aan de lintbloemen plat en gevleugeld met lancetvormige schubben; die van de buisbloemen 3-hoekig met 2–3 stekels. Bloemen bleekgeelSynedrella.24b.Hoofdjes gesteeld, veelbloemig2525a.Bloembodem kegelvormig.Alle bloemen fertiel, die van de buitenste rij lintvormig, de binnenste buisvormig, geel of wit; vruchten van de lintbloemen meest 3-hoekig, die van de buisbloemen plat, met 2 spoedig afvallende stekels. Bladeren enkelvoudigSpilanthes.25b.Bloembodem vlak. Alle bloemen fertiel; de vruchten gelijk van vorm, een weinig vierkant met 2 tot 4 blijvende stekels aan den top, die met weerhakenbezetzijn. Bladeren meest samengesteld. Bloemen geelBidens.26a.Vruchtpluis uit lange haren bestaand, hoofdjes met vele bloemen, alle vruchtbaar, de buitenste klein, lintvormig, de binnenste buisvormig. Omwindselblaadjes in weinig rijen. Hoofdjes gesteeld, in trossen of pluimenErigeron.26b.Vruchtpluis bestaande uit kleine stekeltjes of uit schubben of uit een krans van vergroeide korte haartjes, die kleiner zijn dan de vrucht2727a.Bloemen geel; hoofdjes 6–12-bloemig, kortgesteeld, de lintbloemen onvruchtbaar, de buisbloemen fertiel. Omwindsel uit 5 blaadjes bestaand. Bloembodem met samengevouwen strooschubben. Kruidachtige plant met tegenoverstaande gesteelde bladeren. Vruchtpluis klein, eenigszins bekervormig vergroeidEleutheranthera.27b.Bloemen geel of oranje; hoofdjes veelbloemig, langgesteeld; omwindsel uit meerdere sterk vergroeide blaadjes bestaande. Planten met tegenoverstaande vindeelige bladeren. Vruchtpluis bestaande uit 5–6 ongelijke schubbenTagetes.Afrikanen.27c.Bloemen wit, hoofdjes gesteeld, veelbloemig2828a.Bladeren afwisselend dubbelvindeelig. Alleen de 5 buitenste bloemen lintvormig, fertiel met platte vruchtjes, die aan den top 3–4 kleine eironde schubjes dragen. Middelste bloemen buisvormigParthenium.28b.Bladeren tegenoverstaand niet ingesneden. Alle bloemen fertiel, de buitenste lint-, de binnenste buisvormig. Vruchten van de buitenste bloemen 3-hoekig, van de binnenste plat, aan den top met een korte kroon van stekeltjes. Bloembodem eenigszins bol met kleine afvallende schubben. Omwindselbladeren klokvormig in 2 rijenEclipta.Loso-wiwirie;Louisa-wiwirie.29a.Hoofdjes weinigbloemig; omwindselblaadjes in 2 rijen, die van de buitenste rij bladachtig, de binnenste rij gestekeld aan de buitenkant, de vruchtjes der lintbloemen geheel omsluitend, waardoor de vruchten gestekeld schijnen. De binnenste bloemen buisvormig,steriel. Vertakte kruiden met tegenoverstaande getande bladerenAcanthospermum.29b.Hoofdjes veelbloemig; omwindselblaadjes zonder stekels3030a.Hoofdjes klein, kortgesteeld of zittend. Omwindselblaadjes in 2 rijen, de buitenste rij bladachtig, de binnenste rij met de vruchtjes vergroeid. Lintbloemen alleen fertiel, de buisbloemen steriel. Vruchtjes eirond. Plant naar kamfer riekendMelampodium.Kamferbladeren.30b.Hoofdjes vrij groot, geel, gesteeld, de lintbloemen ongeslachtelijk, steriel, de buisbloemen fertiel met zwarte hoekige en kale vruchtjes. Bloembodem met strooschubben. Omwindsel uit 2 rijen van korte blaadjes bestaande. Groote rechtopstaande planten met ruwe bladerenWulffia.31a.Alle bloemen in hetzelfde hoofdje gelijk van vorm3231b.De buitenste bloemen in het hoofdje zeer dun, bijna draadvormig, vrouwelijk, de binnenste uit een wijdere buis bestaande, tweeslachtig; alle of bijna alle fertiel. Omwindsel klokvormig, met zeer smalle blaadjes, de buitenste geleidelijk korter wordend. Hoofdjes niet talrijk, in een bijschermConyza.32a.Planten geheel tweehuizig, d. w. z. de eene plant heeft alleen hoofdjes met zeer dunne, bijna draadvormige, vrouwelijke buisbloemen, de andere plant alleen hoofdjes met mannelijke bloemen, waarvan de bloemkroon een wijdere buis is. Vruchten met 10 ribben. Planten met verspreide bladerenBaccharis.32b.Alle bloemen tweeslachtig en fertiel. Vruchtpluis langer dan de vrucht, in 1 rij staande. Omwindselbladeren in meerdere rijen, verschillend van vorm. Vrucht 5-hoekig.Hoofdjes 5–100-bloemig. Bladeren, vooral de onderste, bijna steeds tegenoverstaandEupatorium.

Bloemen 5-tallig, tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig of zygomorf; kelkbladeren zelden duidelijk ontwikkeld, meest in de plaats ervan haren of schubben, die een z.g. haarpluis vormen; bloemkroon vergroeidbladig, regelmatig of zygomorf, 2-lippig of lintvormig; meeldraden in de bloemkroonbuis vastgehecht; de helmdraden meest vrij, de helmknoppen samenhangend; vruchtbeginsel onderstandig, 1-hokkig met 1 zaadknop en 1 stijl met een zeer verschillend gevormde stempel; vrucht niet openspringend; kruiden of heesters, zelden boomen met verspreide, of tegenoverstaande bladeren, en met bloemen, die in hoofdjes of verkorte aren staan; de hoofdjes met een omwindsel van schutbladeren omgeven; melksap vaak aanwezig.

1a.Bloemkroon van alle bloemen buisvormig, soms ongelijk van vorm (lange en korte buizen)2

1b.Bloemkroon van de middelste bloemen van het hoofdje buisvormig, van de randbloemen lintvormig, soms zeer klein en weinig opvallend21

2a.Vruchtpluis aanwezig, soms reeds aan de vrucht afgevallen, maar dan onder de bloem zichtbaar (Pacourina, Elephanthopus) soms zeer klein, bekervormig, of slechts uit weinig (tot 2) stekels bestaande3

2b.Vruchtpluis geheel afwezig17

3a.Hoofdjes samengesteld d. w. z. meerdere weinigbloemige hoofdjes, ieder met een eigen omwindsel, zijn vereenigd tot een groep van hoofdjes, die een gemeenschappelijk omwindsel hebben en op een gemeenschappelijke bloembodem staan4

3b.Hoofdjes niet samengesteld; indien er meerdere hoofdjes bij elkaar zitten, dan hebben ze geen gemeenschappelijk omwindsel en staan ze niet op een gemeenschappelijke bloembodem5

4a.Bladeren van onderen wit-viltig. Hoofdjes 1-bloemig, elk hoofdje in de oksel van 1 schutblad en omgeven door een 2-bladig omwindsel.Bloemkroon kort 4- (zelden 3-) spletig, wit. Vele hoofdjes vereenigd tot een okselstandige groep. Vruchtpluis bestaande uit een veeltandig kroontjeRolandra.

4b.Bladeren van onderen niet wit-viltig. Hoofdjes 2–5-bloemig met een 8-bladig omwindsel in twee kransen. Hoofdjes vereenigd tot groepen, die weer in aren of trossen staanElephantopus.

5a.Vruchtpluis uit talrijke haren of schubben bestaand6

5b.Vruchtpluis uit 2, 3 of 4 stekels bestaand16

6a.Hoofdjes klein, 4-bloemig, met een 4-bladig omwindsel, tot samengestelde trossen of aren vereenigd. Vruchtpluis uit 30–60 stekels bestaande in 1 rij. Bloemen wit; helmknoppen met een aanhangsel aan de basis. Bloembodem naakt, klein. Vrucht met 5 ribben. Meest windende heesters of kruidenMikania.

6b.Hoofdjes met meer dan 4 bloemen en meer dan 4 omwindselbladeren7

7a.Hoofdjes tot 2½ c.M. breed, alleen aan den stengel zittend ten deele tegenover de bladeren met bolvormig omhulsel.Vruchten tot 1½ c.M. lang, met 10 ribben en zeer gemakkelijk afvallend haarpluis. Kruidachtige plant met groote bladerenPacourina.

7b.Hoofdjes veel kleiner8

8a.Bloembodem met schubben9

8b.Bloembodem zonder schubben10

9a.Haarpluis klein, min of meer bekervormig vergroeid. Omwindsel 5-bladig. Vrucht slechts weinig hoekig. Hoofdjes met 6–12 bloemen; kruiden met tegenoverstaande bladerenEleutheranthera.

9b.Haarpluis goed ontwikkeld, in 1–2 rijen. Omwindsel meerbladig, uit 3–4 rijen van dakpansgewijs over elkaar liggende blaadjes bestaande. Plant ruwharig met afwisselende bladerenNeurolaena.

10a.Vruchtpluis uit 5–15 schubben bestaand. Hoofdjes veelbloemig. Omwindselbladeren alle ongeveer even groot, in vele rijen. Vrucht 5-hoekig. Bloemen rose-witAgeratum.

10b.Vruchtpluis uit haren of stekels bestaand11

11a.Omwindsel uit 5 (–8) groote smalle bladeren bestaand. Vruchtpluis stekelig met vele stekels in 1 of 2 rijen. Vrucht met talrijke ribben. Bladeren afwisselendPorophyllum.

11b.Omwindsel uit meerdere blaadjes bestaande of soms uit weinig blaadjes bestaand, maar dan vruchtpluis zachtharig12

12a.Vruchtpluis in meerdere rijen, verschillend van vorm; de buitenste rij korter dan de binnenste, meest borstelig; omwindselbladeren in meerdere rijen13

12b.Vruchtpluis in 1 rij van gelijke haren of dicht zachtharig14

13a.Helmknoppen aan den voet stomp; bloemen 20–80 per hoofdjeVernonia.

13b.Helmknoppen met een aanhangsel aan den voet; bloemen 3–10 per hoofdjePiptocarpha.

14a.Omwindselbladeren in meerdere rijen, verschillend van grootte31

14b.Omwindselbladeren in één krans, soms met een krans van kleine blaadjes aan den voet. Vruchtpluis zachtharig. Bladeren afwisselend15

15a.Hoofdjes met vrouwelijke lange buisvormige randbloemen en andersgevormde, doch ook buisvormige tweeslachtige schijfbloemen. Omwindsel uit smalle bladeren bestaand met kleine schubben aan den voetErechthites.

15b.Alle bloemen gelijk van vorm en tweeslachtig; omwindsel zonder buitenschubjesEmilia.

16a.Bloembodem kegelvormig of cylindervormig met gewelfde schubben. Hoofdjes langgesteeld met een kort omwindsel in 1 of 2 rijen. Vruchtpluis uit 2 stekels bestaande. Vrucht vlak. Kruiden met tegenoverstaande bladerenSpilanthes.

16b.Bloembodem vlak, met schubben. Omwindsel uit 2 ongelijke rijen van blaadjes bestaande. Vruchtpluis 2–4 borstels die met kleine weerhaken bezet zijn. Vrucht min of meer 4-kantig. Kruiden met tegenoverstaande getande of gedeelde bladerenBidens.

17a.Bladeren verspreid18

17b.Bladeren tegenoverstaand19

18a.Bladeren ingesneden. Bloemen in tot pluimen samengestelde trossen. Hoofdjes in 2 vormen op dezelfde plant; de vrouwelijke éénbloemig met één bloem zonder bloemkroon en een vergroeidbladig omwindsel dat de vrucht insluit en op de rugzijde 4–8 knobbels heeft; het mannelijke hoofdje veelbloemig, nooit vruchtdragend met een platte bloembodem; bloemen witAmbrosia.

18b.Hoofdjes in groepen van 2–6 in de bladoksels zittend. Bladeren niet ingesneden. Hoofdjes 20–30-bloemig, alle bloemen gelijk van vorm, wit tot rood. Bloemkroon 3–4-deelig. Bloembodem zonder schubben. Omwindsel in meerdere rijen. Vrucht 3–4 hoekig, aan den top diep komvormigSparganophorus.

19a.12–20 hoofdjes tot groepen vereenigd; elk hoofdje bestaande uit één vrouwelijke fertiele bloem met 4 tweeslachtige, steriele eromheen; de 5 bloemen omgeven door een 4-bladig omwindsel, waarvan de blaadjes paarsgewijs tegenover elkaar staan. Vrucht plat. Bloemen wit of roodachtigRiencourtia.

19b.Hoofdjes niet tot groepen vereenigd20

20a.Bloembodem vlak, zonder schubben. Bladeren breed. Hoofdjes in pluimen vereenigd. Bloemen wit, omwindsel klokvormig met weinig blaadjes. Hoofdjes veelbloemig, de buitenste rijen van vrouwelijke bloemen fertiel; de binnenste tweeslachtige bloemen sterielClibadium.Koenamie.

20b.Bloembodem sterk convex tot kegelvormig met talrijke schubben. Bladeren smal. Hoofdjes kortgesteeld, weinige bijeen. Bloemen wit. Omwindselblaadjes weinig talrijk. Hoofdjes 20–30-bloemig; weinige van de buitenste bloemen fertiel, de rest sterielIchthyothere.Koenamie.

21a.Vruchtpluis aanwezig, soms in den vorm van weinige, spoedig afvallende stekels of schubben22

21b.Vruchtpluis geheel ontbrekend29

22a.Vruchtpluis bestaande uit 2, 3 of 4 stekels23

22b.Vruchtpluis uit haren, of schubben, of vele kleine stekeltjes bestaande26

23a.Bladeren verspreid. Hoofdjes veelbloemig, die van de buitenste 1 of 2 rijen vrouwelijk en lintvormig, meest geel, de overige buisvormig; bloembodem met strooschubben. Omwindselblaadjes in 2–3 rijen. Vrucht plat en gevleugeld, met 2 stekelsVerbesina.

23b.Bladeren tegenoverstaand24

24a.Hoofdjes in de bladoksels zittend of bijna zittend, weinigbloemig,alle bloemen fertiel, de buitenste rij met lintvormige kroon, de binnenste rij met buisvormige kroon. Vruchten aan de lintbloemen plat en gevleugeld met lancetvormige schubben; die van de buisbloemen 3-hoekig met 2–3 stekels. Bloemen bleekgeelSynedrella.

24b.Hoofdjes gesteeld, veelbloemig25

25a.Bloembodem kegelvormig.Alle bloemen fertiel, die van de buitenste rij lintvormig, de binnenste buisvormig, geel of wit; vruchten van de lintbloemen meest 3-hoekig, die van de buisbloemen plat, met 2 spoedig afvallende stekels. Bladeren enkelvoudigSpilanthes.

25b.Bloembodem vlak. Alle bloemen fertiel; de vruchten gelijk van vorm, een weinig vierkant met 2 tot 4 blijvende stekels aan den top, die met weerhakenbezetzijn. Bladeren meest samengesteld. Bloemen geelBidens.

26a.Vruchtpluis uit lange haren bestaand, hoofdjes met vele bloemen, alle vruchtbaar, de buitenste klein, lintvormig, de binnenste buisvormig. Omwindselblaadjes in weinig rijen. Hoofdjes gesteeld, in trossen of pluimenErigeron.

26b.Vruchtpluis bestaande uit kleine stekeltjes of uit schubben of uit een krans van vergroeide korte haartjes, die kleiner zijn dan de vrucht27

27a.Bloemen geel; hoofdjes 6–12-bloemig, kortgesteeld, de lintbloemen onvruchtbaar, de buisbloemen fertiel. Omwindsel uit 5 blaadjes bestaand. Bloembodem met samengevouwen strooschubben. Kruidachtige plant met tegenoverstaande gesteelde bladeren. Vruchtpluis klein, eenigszins bekervormig vergroeidEleutheranthera.

27b.Bloemen geel of oranje; hoofdjes veelbloemig, langgesteeld; omwindsel uit meerdere sterk vergroeide blaadjes bestaande. Planten met tegenoverstaande vindeelige bladeren. Vruchtpluis bestaande uit 5–6 ongelijke schubbenTagetes.Afrikanen.

27c.Bloemen wit, hoofdjes gesteeld, veelbloemig28

28a.Bladeren afwisselend dubbelvindeelig. Alleen de 5 buitenste bloemen lintvormig, fertiel met platte vruchtjes, die aan den top 3–4 kleine eironde schubjes dragen. Middelste bloemen buisvormigParthenium.

28b.Bladeren tegenoverstaand niet ingesneden. Alle bloemen fertiel, de buitenste lint-, de binnenste buisvormig. Vruchten van de buitenste bloemen 3-hoekig, van de binnenste plat, aan den top met een korte kroon van stekeltjes. Bloembodem eenigszins bol met kleine afvallende schubben. Omwindselbladeren klokvormig in 2 rijenEclipta.Loso-wiwirie;Louisa-wiwirie.

29a.Hoofdjes weinigbloemig; omwindselblaadjes in 2 rijen, die van de buitenste rij bladachtig, de binnenste rij gestekeld aan de buitenkant, de vruchtjes der lintbloemen geheel omsluitend, waardoor de vruchten gestekeld schijnen. De binnenste bloemen buisvormig,steriel. Vertakte kruiden met tegenoverstaande getande bladerenAcanthospermum.

29b.Hoofdjes veelbloemig; omwindselblaadjes zonder stekels30

30a.Hoofdjes klein, kortgesteeld of zittend. Omwindselblaadjes in 2 rijen, de buitenste rij bladachtig, de binnenste rij met de vruchtjes vergroeid. Lintbloemen alleen fertiel, de buisbloemen steriel. Vruchtjes eirond. Plant naar kamfer riekendMelampodium.Kamferbladeren.

30b.Hoofdjes vrij groot, geel, gesteeld, de lintbloemen ongeslachtelijk, steriel, de buisbloemen fertiel met zwarte hoekige en kale vruchtjes. Bloembodem met strooschubben. Omwindsel uit 2 rijen van korte blaadjes bestaande. Groote rechtopstaande planten met ruwe bladerenWulffia.

31a.Alle bloemen in hetzelfde hoofdje gelijk van vorm32

31b.De buitenste bloemen in het hoofdje zeer dun, bijna draadvormig, vrouwelijk, de binnenste uit een wijdere buis bestaande, tweeslachtig; alle of bijna alle fertiel. Omwindsel klokvormig, met zeer smalle blaadjes, de buitenste geleidelijk korter wordend. Hoofdjes niet talrijk, in een bijschermConyza.

32a.Planten geheel tweehuizig, d. w. z. de eene plant heeft alleen hoofdjes met zeer dunne, bijna draadvormige, vrouwelijke buisbloemen, de andere plant alleen hoofdjes met mannelijke bloemen, waarvan de bloemkroon een wijdere buis is. Vruchten met 10 ribben. Planten met verspreide bladerenBaccharis.

32b.Alle bloemen tweeslachtig en fertiel. Vruchtpluis langer dan de vrucht, in 1 rij staande. Omwindselbladeren in meerdere rijen, verschillend van vorm. Vrucht 5-hoekig.Hoofdjes 5–100-bloemig. Bladeren, vooral de onderste, bijna steeds tegenoverstaandEupatorium.


Back to IndexNext