Vaan, z. n. v. — Windwijzer.Vaarder, z. n. m. — Is alleen in de samenstelling in gebruik, als inKustV—,GroenlandsV—,StraatdavisV—enz.Vaardig, b. n. — Reê, handig.Dat schip isV—in ’t zeilen.Vaart, z. n. m. — 1o. Voortgaande beweging.Er is veelV—in dat schip.Wy moeten onzenV—verminderen.DenV—van een schip stoppen,stremmen.Een schipV—doen zetten.V—maken.DenV—gissen.Spreekwijze:V—achter iets zetten(haast maken.)2o. Het Varen zelf.DeV—vermindert.Spreekwijze:Het zal zulk eenV—niet loopen(het zal zoo erg niet gaan).Vaart, z. n. v. — 1o. De wijze van gemeenschap met een over zee gelegen plaats of streek.DeV—op Oostindiën.DeV—op Bordeaux.2o. Een Trekvaart of gegraven water om de gemeenschap tusschen twee plaatsen tot stand te brengen.DeV—tusschen Amsterdam en Haarlem.De LeydscheV—.3o. Het Vaarwater.Er zijn dit jaar weinig schepen in deV—.Het is een schippers woort, het is een oude leer,Al waer geenVaerten is, en hoeft geen baken meer.Cats,Emblem.Vaartgeven, o. w. — Wordt men gezegd te doen, als men by flaauwe koelte wat ruimer stuurt eer men gaat wenden.Vaartuig, z. n. m. — Algemeene benaming voor elk zeeschip of zeeschuit.ZeilV—,RoeiV—,OorlogsV—,DriemastV—.DatV—is een der grootste onzer vloot.LichteV—en(sloepen, booten, jols enz.).Vaarwater, z. n. o. — Waterweg, welken de vaartuigen gewoonlijk volgen.Het Groot ScheepsV—.Een naauwV—.Spreekwijze:Blijf in datV—(volhard in dat gedrag).Uit hetV—geraken(van zijn onderwerp afdwalen).Hij zeilt een verkeerdV—(hy handelt verkeerd).Het is een gevaarlijkV—(het is een netelige zaak).Hy ligt dwars in ’tV—(hy belet den voortgang der zaak).Blijf uit mijnV—(wees my niet in den weg).Elkander in ’tV—zitten(elkander hinderlijk zijn).Iemand uit zijn eigenV—dringen(van zijn eigendom berooven).Vaatjen, z. n. o. — Klein tonnetjen.EenV—buskruit.Vaatwerk, z. n. o. — Tonnen, kuipen, enz.Wy stuwden hetV—.Vaas, z. n. v. — Draad, vezel. De benamingVazenduidde aan boord zoodanig gerafeld touwwerk aan, dat hier en daar gelegd werd om ’t schuren te beletten.Spreekwijze:Het zijn maar vieze Vazen(maar snorrepijpen, maar onbeduidende zaken).Vadem, z. n. m. — Maat, waarby al de lijnen by het zeewezen in gebruik gemeten worden.TwintigV—entouw.Op die plaats is de diepte twintig a dertigV—en.GrooteV—(van 1.884 el),MiddelbareV—(van 1.698 el),KleineV—(van 1.570 el),FranscheV—(van 1.624 el),DeenscheV—(van 1.884 el),GriekscheV—(van 1.758 el),EngelscheV—(van 1.829 el),ZweedscheV—(van 1.782 el),SpaanscheV—(van 1.674 el),PortugeescheV—(van 1.627 el),NapelscheV—(van 1.624 el),RussischeV—(van 1.832 el).Ende het dieploot uytgeworpen hebbende, vonden sy twintichV—en.Handel.XXVII, 28. De diepteop alle vaarwaters is bijV—enafgeteekend.Aldaar de wal tot op achtV—aanloopende, moeten wy wenden.Val, z. n. m ofKardeel. — Lijn, die gebezigd wordt om een gaffel, een ra, een zeil, enz. op te hijschen.KluiverV—len,StagzeilV—len.V—der bonnetten,LijzeilV—len(ziePiekeval).GrootmarszeilV—,KruiszeilV—len,BramV—len,MarseV—len.—DobbelV—len(loozeV—len, dienende om andere in geval van nood te vervangen.)VlaggeV—,WimpelV—.Vallen, o. w. — Dalen, gaan liggen.Het water is aan ’tV—(aan ’t ebben.)De wind is aan ’tV—(waait minder hard.)Over boordV—(in ’t waterV—.)Het schip wil nietV—(niet van-de-wind gaan.)Van de ra latenV—(zieRa.)In de bootV—(in de boot springen).Valling, z. n. v. — Het overvallen, overhangen, vooruitsteken.DeV—van een mast.Dat schip heeft weinigV—.(De punt van den steven springt niet ver vooruit).V—der achtersteven(de hellende stand van dat deel).Valluik, z. n. o. — Luik, dat door hengsels op en neder bewogen wordt.Valpoort, z. n. v. — Luik, dat de geschutpoorten eener scheepsbattery sluit.Losse,loozeV—.Dubbele,halve,halfopenstaandeV—en.Valreep, z. n. v. — 1o. Touw, van het scheepboord afhangende op de plaats, waar men van boord op- en afstijgt, en dienende om hem, die den trap opkomt of afgaat te helpen:—van daar2o. Die plaats zelve.Spreekwijze:Een glaasjen op deV—(een glaasjen tot afscheid).Valwind, z. n. m. — Wind, die van over een berg of klip invalt.By ’t inloopen van Porto Prayo, kregen wy eenV—van over de bergen, waardoor het voorbramzeil uit de lijken woei.Vangen, b. w. — Grijpen, onderscheppen.De boeiV—.De onderraas met kettingenV—(ze er in hangen.)Een zeilV—(ZieZeil).Vanglijn, z. n. v. — Meertouw, touw, daar een vaartuig aan vast ligt.Varen, o. w. — 1o. Oorspronkelijk:Met de trekschuitV—.SchuitjenV—.D’uitheemsche, die al dat gewoel ziet op de baren,Meent Amsterdam is van dien avontleegh gevaeren.Antonides.IJstroom.2o. Een betrekking aan boord bekleeden.Hy Vaart als schipper,als schieman,als licht matroos.Ten oorlog,ten koopvaardijV—.3o. Strekken, geplaatst zijn, wanneer men van het loopend tuig spreekt.De bagijnebras Vaart langs het grootwant.De Marszeilvallen Varen langs de masten, enz.4o. ’t woord wordt somwijlen bedr. gebezigd, wanneer men de gevolgen van ’tV—aanduidt:hy heeft zich rijk Gevaren;hy heeft zijn schuit lek Gevaren.Spreekwijzen:Hoe Vaart gy?(De vraag naar iemands welstand is aan het in Holland oudtijds meest gewoon bedrijf ontleend).Voor wind en stroomV—(voorspoedig zijn).Hy vaart tegen den stroom op(hy biedt alle hindernissen het hoofd).In een anders zogV—(een ander navolgen).By den wal langsV—(zich niet bloot geven, niets wagen).Met dubbele passenV—.ZiePas.Hy tuigt vroeg en hy Vaart laat(hy maakt veel omslag, hy is niet klaar).Hy roept: lui! en hy Vaart morgen eerst(hy maakt veel leven over niets).Hy Vaart, zoo als de groote mast vaart.(Hy is en blijft even dom).ZyV—in ééne beurs(zy handelen voor gemeene rekening).Wie in de schuit is moet meêV—.ZieSchuit.Waar men voor scheep komt, daar moet men voorV—.ZieScheep.Hy heeft de kooi lek Gevaren.ZieKooi.Het is kwalijk met hem Gevaren(slecht met hem afgeloopen).Van Duinkerken ter haringV—.ZieHaring.Varensgezel, z. n. m. ofVarensman. — Iemand, die zijn beroep van de zeevaart maakt.Varensman, z. n. m. — ZieVarensgezel.Varken, z. n. o. — 1o. Legger, watervat.2o. Werktuig, met onderscheiden schrobbers of borstels voorzien.Varkenen, b. w. — Een schip met Varkens schoonmaken.Varsebalie, z. n. v. — 1o. Kuip, tobbe of Balie, waarin vleesch, spek, visch enz. ververscht wordt.2o. Hy, die zich met dat bedrijf bezig houdt. Hy vaart voorV—.Vast, t. w. —V—draaien!V—halen!(komm. van uit te scheiden, op te houden).Vasteland, z. n. o. — Het land, dat tot een der waerelddeelen behoort.Vaste wal, z. n. m. — Benaming van het land, in tegenoverstelling van de zee.Hy is aan denV—nWal gebleven(hy is aan land gebleven).Hy is behouden aanW—.Vastkeggen, b. w. — Met keggen vastzetten.Vastliggen, o. w. — Wordt een schip gezegd te doen, wanneer het, door de kracht van den wind op de zeilen, gebogen ligt en niet kan slingeren.Vastmaken zonder opgaan, o. w. — Een gespannen touw vastmaken, zonder dat het minder strak staat.Vastraken, o. w. — Stooten, stranden, aan den grond raken.Wy Raakten op een zandbank Vast.Vastspijkeren, b. w. — Met Spijkers Vastzetten.Vastwerken, b. w. — Op het drooge Werken.Pas op, dat gy ons niet op het land Vastwerkt.Wy raakten by het inkomen van de haven Vastgewerkt.Vastzetten, b. w. — Stijf vastmaken.De brassenV—, vóór dat ’t volk op de raas uitentert.Het roerV—(de roertalies stijfhalen, op het drooge werken.)De onhandige schipper Zette zijn schuit op het zand Vast.Vastzitten, o. w. — Aan den grond zitten.Vat, z. n. o. — Ton. ZieHoosV—,KruitV—.Vatten, b. w. — Grijpen, vangen, houden.Dit zeil wil geen windV—(de wind waait er langs, zonder het op te doen zwellen.)Het anker heeft eindelijk Gevat(een zijner armen heeft den grond geraakt).Vechten, o. w. — Slaan, strijden.Vechtvlag, z. n. v. — ZieStrijdvlag.Veer, z. n. o. — Plaats, waar een beurtschip of schuit afvaart en aanlegt, en waar de boodschappen en goederen besteld en afgeleverd worden.Het LeydscheV—,het Goudsche V-.Kommissaris van hetV—(die de goederen aanneemt, bestelt, enz.).Spreekwijze:Over deV—engaan(overal aanleggen).Veer, z. n. m. — ZieVeerbouten.Veerbouten, z. n. m. mv. — Bouten, aan het achtereind met een kop en aan het vooreinde met een gedeelte dat plat uitgesmeed is en Veer genoemd wordt. De Veer is met eenige in de lengte naast elkander geplaatste spijkergaten voorzien. DeV—worden van rond yzer gemaakt en komen met het ronde gedeelte in een geboord gat in vol hout. De Veer komt tegen een platte oppervlakte van eenig ander houten deel aan en dus in het gezicht. Door de spijkergaten slaat men taaie nagels of bandnagels.Veerhuis, z. n. o. — Huisjen, waar de kommissaris van ’t Veer zijn kantoor houdt.Veerman, z. n. m. — Hy, die met een pont of schouw de lieden overzet.Veerschip, z. n. o. — Schip, dat aan een gezet Veer vaart.Veerschipper, z. n. m. — Schipper eener beurt- of Veerschuit. ZieBeurtschipper.Veerschuit, z. n. v. — Schuit, die aan een vast Veer behoort.Vegen, o. en b. w. — Wordt overdrachtelijk in verschillende beteekenissen gebezigd.De lucht is van wolken schoon Geveegd:Dat schip Veegt er goed door(maakt veel gang.)Een Geveegd schip(een schip, dat van onder scherp toeloopt.)De zee schoonV—(vyanden en roovers uit zee jagen).Was nu de Straetgeveeghtvan hun die luttel stuyten.zegtVondelin zijn klinkd. op hetIII Deel van ’t Licht der Zeevaart.Vellen, b. w. — 1o. Omhakken, slechten, kappen.De masten Vellen.Kosten van hetV—.ZieHakgeld.2o.De fokV—(veroud.) (die scherp in den windvang stellen).Velling, z. n. v. — Omhakking, slechting: de daad van Vellen.Vendumeester, z. n. m. — Beämbte, aan wien het toevoorzicht over den verkoop van goederen is opgedragen.Ventjager, z. n. m. — Vaartuig ’t welk, langs de schepen varende, eetwaren, drank, enz. uitvent, en dikwijls gestolen touw, yzer, zeildoek in betaling neemt.Ventjagery, z. n. v. — Het bedrijf der Ventjagers.Veranderen, o. w. —Van zeilenV—(die, welke hangen, tegen andere verwisselen.)Van koersV—(een anderen koers nemen.)Van boegV—(wenden.)Van kwartierV—(de wacht aflossen.)De wind verandert(loopt om).De droogte duurt; de lucht weet nog van geenVeranderen,zegt Abjathar inVondelsGebroeders.Verband, z. n. o. — Samenvoeging der deelen.HetV—van een schip.Verbeteren, b. w. — Fouten herstellen, zich vergewissen.Het bestek,den koers van een schipV—.De miswijzingV—.Volgends het uurbordV—(een en ander namelijk ten gevolge van gemaakte berekeningen).Verbinden, b. w. — 1o. Weder aanhalen, weder stijfhalen.Het wantV—(de belegtouwen aanhalen om het weder strak te doen staan).2o.Een schipV—(veroud.) Het, door het verstuwen van eenige ingeladen goederen of ook wel door het verzetten van eenige vaste scheepsdeelen, hoog zeilende maken.Verbindingsklos, z. n. m. ofDraagbalk. — Boordstuk, op, en tegen hetwelk een balk komt te leggen.Verboden goederen. — ZieGoederen.Verbreedingstukken, z. n. o. mv. — Twee planken, tijdelijk op de beide zijden van het achterstuk van het roer gespijkerd, om, in enge doortochten, een spoediger werking voort te brengen.Verdek, z. n. o. — Naam, dien sommige Romanschrijvers en Schoolmeesters (maar nimmer een Zeeman) aan het Dek geven. ZieDek.Verdrinken, b. w. — Te laag by het water brengen.De batteryV—(de battery, door overlading van het schip, zoo dicht by de waterlijn brengen, dat men de geschutpoorten niet zonder gevaar kan openen.)De grootste wijdte van het schipV—(het schip zoodanig door zijn dracht laden, dat het in ’t midden op zijn grootste wijdte beneden de waterlijn komt.)Verdrinken, o. w. — In ’t water omkomen.Spreekwijze:V—eer men water gezien heeft(zich zedelijk of lichamelijk bederven zonder er genot van te hebben gehad).Verdubbelen, b. w. — Een dubbele huid om een schip spijkeren.Verdubbeling, z. n. v. — 1o. Daad van Verdubbelen.2o. De omgelegde huid zelve.Vereenigingsbout, z. n. m. — ZieKnevel.Vergaan, o. w. — Te gronde gaan, zinken.Er zijn met den laatsten storm vele schepenV—.Met man en muisV—.Zoo ’t al moest zinken enVergaan,Waar bleef de zwaan?Vraagt de Rei van Staatjufferen inVondelsNoach.Vergadering, z. n. v. — Het tegen elkander komen van twee stukken van inhouten.V—van een korte vrang en een onderbuikstuk.DeV—enworden loodrecht op het inhout gericht.Vergasten, o. w. (veroud.) — Veranderen van richting, als een gast die vertrekt.Het tij Vergast.Verhalen, o. w. — Van ligplaats veranderen, in een dok of haven liggende.Wy Verhaalden naar het havenhoofd en brachten een werp op stroom om uit te halen.Verkennen, b. w. — Onderzoeken.LandV—.Een baaiV—.Verkend raken(bemerken, waar men is).Verkenning, z. n. v. — Onderzoek.Er werden eenige schepen opV—vooruitgezonden.Verklaring(generale), z. n. v. — Aangifte der lading, door de binnenkomende schippers en stuurlieden by ’t binnenkomen aan de uiterste wacht gedaan. De bepalingen, daaromtrent te volgen, zijn te vinden in art. 8, 9, 10, 11 en 12 der Alg. Wet van 26 Aug. 1822.Verklikker, z. n. m. — 1o. ofSpaansche waker:kleine windwijzer, gevormd van een draad, waaraan een kurk, met veêren bestoken.2o. ofAsciometer. Zie ald.Verlaat, z. n. o. — Sluis, uitwatering.Verlaten, o. w. — Afwijken.De klampV—(wijkt af.)Verlating, z. n. v. — ZieAfstand.Verlegen weer, z. n. o. (veroud.) — Zeer boos weer op zee.Verlengen, b. w. — Rekken, uitbrengen.Verloop, z. n. m. — 1o. Verandering, teruggang.HetV—van het tij:hetV—van stroomen en zeegaten.2o. Hevige windvlaag met regen.Spreekwijze:V—van jaren.V—van zaken.Verloopen, o. w. — Wegloopen, wegvloeien.Het getij Verloopt.Spreekwijze:De neering isV—(is achter uit, is te niet gegaan).Verloren, b. n. — 1o. Te loor gegaan.EenV—reis(een reis, die niets heeft opgebracht.)Er zijn vele schepenV—geraakt(vermist.)EenV—lip(een lip, waarvan de wedergaê niet te vinden is, en die dus verder van geen dienst kan zijn).2o. Fluitwijze gewerkt.V—lip(die aan het eene end als een fluit eindigt).Vernaaien, b. w. — De Naaisels van blokken, proppen, enz. vernieuwen.Vernagelen, b. w. — Met Nagels dichtslaan.Het geschutV—(het, door ’t in het zinkgat inslaan van Nagels, onbruikbaar maken).Vernietigen, b. w. — Te niet doen.Een seinV—(door middel van een sein tegenbevel geven).Vernieuwen, b. w. — Het gesletene vervangen.Verongelukken, o. w. — Schipbreuk lijden, stranden, vergaan.Op een kust,op een klipV—.Verpoozen, b. w. — Aflossen.Iemand van zijn vrachtV—.Verrekijker, z. n. m. — Koperen of houten uitschuivende buis met geslepen glazen voorzien, waardoor men verwijderde voorwerpen, welke met het bloote oog niet te bereiken zijn, kan waarnemen.Versche schoot, z. n. m. (veroud.) — Strook zoet water, die onvermengd een eind in zee loopt.Verscheren, o. w. 1o. (veroud.) — Voorbyschieten: wordt van balken en planken gezegd, die door elkander heenslaan. Hoe meer de buikstukken en knieënV—, hoe sterker het schip is.2o. Het loopend touwwerk in de bloks veranderen.Verscherven, o. w. — Het voorby elkander schieten der verschillende lengten, die tot een verbinding dienen.Verschansen, b. w. — Het gedeelte van een schip, dat boven water komt, afwerken.Verschansing, z. n. v. — Schans, bovenwerk van een schip.Verschieten, b. w. — Van plaats doen veranderen.Den ballastV—.Verschil, z. n. o. — Onderscheid.V—in capaciteit, in waterverplaatsing en in gewicht van het voor- en achterschip(onderscheid tusschen het gewicht van het voorschip of van de vloeibare stof, welke het al drijvende verplaatst, en dat van het gewicht waters, door het achterschip verplaatst.)V—in zee tusschen de gissing en de waarneming(’t welk plaats heeft, wanneer, by ’t opmaken van ’t bestek, de lengte en breedte niet overeenkomen met de waarnemingen).Versebalie, z. n. v. — ZieVarsebalie.Versteken, b. w. — Van plaats doen veranderen. ZieVerverschen.Versteken, b. n. (veroud.) —EenV—schip(een schip, dat zijn reisgenoot kwijt is, of dat zelf zijn reis niet volvoeren kan).Versterking, z. n. v. — Hulp, bystand.Verstikt, b. n. — ZieTouw.Verstoppen, b. w. — Lucht- of waterdicht maken.Het zand heeft de pomp Verstopt.De ballast Verstopt de loggaten.VerstouwenofVerstuwen. — De Stuwaadje van plaats doen veranderen.Het ruim opbreken om teV—.Verstuwen, b. w. — ZieVerstouwen.Verteeren, b. w. (veroud.) — Breken, scheuren.De masten zijn Verteerd.Vertieren, o. w. — Achteruitgaan.Een schip dat veel Vertiert.Oudtijds werd het voor “voortgaan” genomen.Vertimmeren, b. w. — Herstellen, op nieuw timmeren.Vertimmering, z. n. v. — De daad vanVertimmeren.Vertooien, o. w. — ZieZorren.Vertuien, b. w. — Het Tuianker uitwerpen.Een schipV—(een schip tusschen twee ankers vast leggen, het daagsch anker voor den vloed, het tuianker voor de Ebbe.)LangsstroomsV—(een anker recht voor- en een ander recht achteruit leggen: wat geschiedt wanneer men vreest aan wal te drijven.)Te stijf Vertuid liggen(als de touwen te stijf gewonden zijn, zoo dat men niet kan zwaaien.)Ergends Vertuid liggen(zich ergends bevinden, waar men door eigen schuld niet gemakkelijk van daan kan raken).Vertuind, b. n. — Van een Vertuining voorzien.Vertuining, z. n. v. ofGebroken Gang. — Gedeelte van het scheepsboord, dat over den bak of door de kampanje heenloopt.Vertuiningsplanken, z. n. v. mv. (veroud.) — Planken van het achterkasteel.Vervalvan het water, z. n. o. — Het verschil van diepte by vloed en ebbe.Er is hier een grootV—van water.—Op die reede is eenV—van water van drie tot vier vadem.Vervallen, o. w. — Op een plaats komen waar men niet wezen wil.Op de kustV—.In een engteV—.Onder den windV—.Vervaren, b. w. — 1o. Afschaken, uitschaken: den afstand vermeerderen.Dekabelaring schrikken,V—aan het spil(beletten, dat de bochten zich by ’t ronddraaien kruissen).Een talieV—.2o. Veranderen.Met stenge en raas Vervaard liggen(met gestreken stengen en de onderraas langsscheeps).Ververschen, b. w. — Men wordt gezegd het touw enz. teV—, wanneer men het zoodanig omhaalt, dat niet langer dezelfde plekken aan dezelfde wrijving, schuring enz. blijven blootgesteld.Vervuren, o. w. — Inwendig vergaan.Vervuurd hout.Vervrachter, z. n. m. — Hy, die een schip verhuurt om bevracht te worden. ZieBevrachter.Vervrachting, z. n. v. — De daad van Vervrachten. ZieBevrachting.Verwaaid, b. n. — Door den wind verhinderd.Zy lagen daar eenige dagenV—(door tegenwind belet hun reis voort te zetten).Verwateren, b. w. — Wateren, met water vullen.Het vaatwerkV—(het met zout water vullen, ten einde het voor uitdroogen en bersten te behoeden.Verwerken, b. w. — Omwerken, overpakken.GoederenV—,naar een andere legplaatsV—.Verwisselen, b. w. — Aflossen,De wachtV—,de strengenV—.Verzanden, o. w. — Stroomen, baaien, havens, enz. worden gezegd teV—, wanneer zy door het in verloop van tijd aangespoelde Zand, in diepte verminderen en eindelijk onbruikbaar worden.Verzegeling, z. n. v. — Zie de bepalingen omtrent deV—van geladen schepen in de Alg. Wet van 26 Aug. 1822, art. 153–156.Verzeilen, o. w. — 1o. Te land komen waar men niet wezen wil.Wy raakten op een koraalklip Verzeild.2o. Van ligplaats veranderen.Wy verzeilden naar den zuidwal.Verzeilen, b. w. — Verliezen.Een schipV—.Verzeisen, o. w. (veroud.) — Veranderen, verschieten. De wind wordt gezegd teV—, ’t zij hy goed of slecht wordt.Verzekeraar, z. n. m. — Hy die tegen schade verzekert.
Vaan, z. n. v. — Windwijzer.Vaarder, z. n. m. — Is alleen in de samenstelling in gebruik, als inKustV—,GroenlandsV—,StraatdavisV—enz.Vaardig, b. n. — Reê, handig.Dat schip isV—in ’t zeilen.Vaart, z. n. m. — 1o. Voortgaande beweging.Er is veelV—in dat schip.Wy moeten onzenV—verminderen.DenV—van een schip stoppen,stremmen.Een schipV—doen zetten.V—maken.DenV—gissen.Spreekwijze:V—achter iets zetten(haast maken.)2o. Het Varen zelf.DeV—vermindert.Spreekwijze:Het zal zulk eenV—niet loopen(het zal zoo erg niet gaan).Vaart, z. n. v. — 1o. De wijze van gemeenschap met een over zee gelegen plaats of streek.DeV—op Oostindiën.DeV—op Bordeaux.2o. Een Trekvaart of gegraven water om de gemeenschap tusschen twee plaatsen tot stand te brengen.DeV—tusschen Amsterdam en Haarlem.De LeydscheV—.3o. Het Vaarwater.Er zijn dit jaar weinig schepen in deV—.Het is een schippers woort, het is een oude leer,Al waer geenVaerten is, en hoeft geen baken meer.Cats,Emblem.Vaartgeven, o. w. — Wordt men gezegd te doen, als men by flaauwe koelte wat ruimer stuurt eer men gaat wenden.Vaartuig, z. n. m. — Algemeene benaming voor elk zeeschip of zeeschuit.ZeilV—,RoeiV—,OorlogsV—,DriemastV—.DatV—is een der grootste onzer vloot.LichteV—en(sloepen, booten, jols enz.).Vaarwater, z. n. o. — Waterweg, welken de vaartuigen gewoonlijk volgen.Het Groot ScheepsV—.Een naauwV—.Spreekwijze:Blijf in datV—(volhard in dat gedrag).Uit hetV—geraken(van zijn onderwerp afdwalen).Hij zeilt een verkeerdV—(hy handelt verkeerd).Het is een gevaarlijkV—(het is een netelige zaak).Hy ligt dwars in ’tV—(hy belet den voortgang der zaak).Blijf uit mijnV—(wees my niet in den weg).Elkander in ’tV—zitten(elkander hinderlijk zijn).Iemand uit zijn eigenV—dringen(van zijn eigendom berooven).Vaatjen, z. n. o. — Klein tonnetjen.EenV—buskruit.Vaatwerk, z. n. o. — Tonnen, kuipen, enz.Wy stuwden hetV—.Vaas, z. n. v. — Draad, vezel. De benamingVazenduidde aan boord zoodanig gerafeld touwwerk aan, dat hier en daar gelegd werd om ’t schuren te beletten.Spreekwijze:Het zijn maar vieze Vazen(maar snorrepijpen, maar onbeduidende zaken).Vadem, z. n. m. — Maat, waarby al de lijnen by het zeewezen in gebruik gemeten worden.TwintigV—entouw.Op die plaats is de diepte twintig a dertigV—en.GrooteV—(van 1.884 el),MiddelbareV—(van 1.698 el),KleineV—(van 1.570 el),FranscheV—(van 1.624 el),DeenscheV—(van 1.884 el),GriekscheV—(van 1.758 el),EngelscheV—(van 1.829 el),ZweedscheV—(van 1.782 el),SpaanscheV—(van 1.674 el),PortugeescheV—(van 1.627 el),NapelscheV—(van 1.624 el),RussischeV—(van 1.832 el).Ende het dieploot uytgeworpen hebbende, vonden sy twintichV—en.Handel.XXVII, 28. De diepteop alle vaarwaters is bijV—enafgeteekend.Aldaar de wal tot op achtV—aanloopende, moeten wy wenden.Val, z. n. m ofKardeel. — Lijn, die gebezigd wordt om een gaffel, een ra, een zeil, enz. op te hijschen.KluiverV—len,StagzeilV—len.V—der bonnetten,LijzeilV—len(ziePiekeval).GrootmarszeilV—,KruiszeilV—len,BramV—len,MarseV—len.—DobbelV—len(loozeV—len, dienende om andere in geval van nood te vervangen.)VlaggeV—,WimpelV—.Vallen, o. w. — Dalen, gaan liggen.Het water is aan ’tV—(aan ’t ebben.)De wind is aan ’tV—(waait minder hard.)Over boordV—(in ’t waterV—.)Het schip wil nietV—(niet van-de-wind gaan.)Van de ra latenV—(zieRa.)In de bootV—(in de boot springen).Valling, z. n. v. — Het overvallen, overhangen, vooruitsteken.DeV—van een mast.Dat schip heeft weinigV—.(De punt van den steven springt niet ver vooruit).V—der achtersteven(de hellende stand van dat deel).Valluik, z. n. o. — Luik, dat door hengsels op en neder bewogen wordt.Valpoort, z. n. v. — Luik, dat de geschutpoorten eener scheepsbattery sluit.Losse,loozeV—.Dubbele,halve,halfopenstaandeV—en.Valreep, z. n. v. — 1o. Touw, van het scheepboord afhangende op de plaats, waar men van boord op- en afstijgt, en dienende om hem, die den trap opkomt of afgaat te helpen:—van daar2o. Die plaats zelve.Spreekwijze:Een glaasjen op deV—(een glaasjen tot afscheid).Valwind, z. n. m. — Wind, die van over een berg of klip invalt.By ’t inloopen van Porto Prayo, kregen wy eenV—van over de bergen, waardoor het voorbramzeil uit de lijken woei.Vangen, b. w. — Grijpen, onderscheppen.De boeiV—.De onderraas met kettingenV—(ze er in hangen.)Een zeilV—(ZieZeil).Vanglijn, z. n. v. — Meertouw, touw, daar een vaartuig aan vast ligt.Varen, o. w. — 1o. Oorspronkelijk:Met de trekschuitV—.SchuitjenV—.D’uitheemsche, die al dat gewoel ziet op de baren,Meent Amsterdam is van dien avontleegh gevaeren.Antonides.IJstroom.2o. Een betrekking aan boord bekleeden.Hy Vaart als schipper,als schieman,als licht matroos.Ten oorlog,ten koopvaardijV—.3o. Strekken, geplaatst zijn, wanneer men van het loopend tuig spreekt.De bagijnebras Vaart langs het grootwant.De Marszeilvallen Varen langs de masten, enz.4o. ’t woord wordt somwijlen bedr. gebezigd, wanneer men de gevolgen van ’tV—aanduidt:hy heeft zich rijk Gevaren;hy heeft zijn schuit lek Gevaren.Spreekwijzen:Hoe Vaart gy?(De vraag naar iemands welstand is aan het in Holland oudtijds meest gewoon bedrijf ontleend).Voor wind en stroomV—(voorspoedig zijn).Hy vaart tegen den stroom op(hy biedt alle hindernissen het hoofd).In een anders zogV—(een ander navolgen).By den wal langsV—(zich niet bloot geven, niets wagen).Met dubbele passenV—.ZiePas.Hy tuigt vroeg en hy Vaart laat(hy maakt veel omslag, hy is niet klaar).Hy roept: lui! en hy Vaart morgen eerst(hy maakt veel leven over niets).Hy Vaart, zoo als de groote mast vaart.(Hy is en blijft even dom).ZyV—in ééne beurs(zy handelen voor gemeene rekening).Wie in de schuit is moet meêV—.ZieSchuit.Waar men voor scheep komt, daar moet men voorV—.ZieScheep.Hy heeft de kooi lek Gevaren.ZieKooi.Het is kwalijk met hem Gevaren(slecht met hem afgeloopen).Van Duinkerken ter haringV—.ZieHaring.Varensgezel, z. n. m. ofVarensman. — Iemand, die zijn beroep van de zeevaart maakt.Varensman, z. n. m. — ZieVarensgezel.Varken, z. n. o. — 1o. Legger, watervat.2o. Werktuig, met onderscheiden schrobbers of borstels voorzien.Varkenen, b. w. — Een schip met Varkens schoonmaken.Varsebalie, z. n. v. — 1o. Kuip, tobbe of Balie, waarin vleesch, spek, visch enz. ververscht wordt.2o. Hy, die zich met dat bedrijf bezig houdt. Hy vaart voorV—.Vast, t. w. —V—draaien!V—halen!(komm. van uit te scheiden, op te houden).Vasteland, z. n. o. — Het land, dat tot een der waerelddeelen behoort.Vaste wal, z. n. m. — Benaming van het land, in tegenoverstelling van de zee.Hy is aan denV—nWal gebleven(hy is aan land gebleven).Hy is behouden aanW—.Vastkeggen, b. w. — Met keggen vastzetten.Vastliggen, o. w. — Wordt een schip gezegd te doen, wanneer het, door de kracht van den wind op de zeilen, gebogen ligt en niet kan slingeren.Vastmaken zonder opgaan, o. w. — Een gespannen touw vastmaken, zonder dat het minder strak staat.Vastraken, o. w. — Stooten, stranden, aan den grond raken.Wy Raakten op een zandbank Vast.Vastspijkeren, b. w. — Met Spijkers Vastzetten.Vastwerken, b. w. — Op het drooge Werken.Pas op, dat gy ons niet op het land Vastwerkt.Wy raakten by het inkomen van de haven Vastgewerkt.Vastzetten, b. w. — Stijf vastmaken.De brassenV—, vóór dat ’t volk op de raas uitentert.Het roerV—(de roertalies stijfhalen, op het drooge werken.)De onhandige schipper Zette zijn schuit op het zand Vast.Vastzitten, o. w. — Aan den grond zitten.Vat, z. n. o. — Ton. ZieHoosV—,KruitV—.Vatten, b. w. — Grijpen, vangen, houden.Dit zeil wil geen windV—(de wind waait er langs, zonder het op te doen zwellen.)Het anker heeft eindelijk Gevat(een zijner armen heeft den grond geraakt).Vechten, o. w. — Slaan, strijden.Vechtvlag, z. n. v. — ZieStrijdvlag.Veer, z. n. o. — Plaats, waar een beurtschip of schuit afvaart en aanlegt, en waar de boodschappen en goederen besteld en afgeleverd worden.Het LeydscheV—,het Goudsche V-.Kommissaris van hetV—(die de goederen aanneemt, bestelt, enz.).Spreekwijze:Over deV—engaan(overal aanleggen).Veer, z. n. m. — ZieVeerbouten.Veerbouten, z. n. m. mv. — Bouten, aan het achtereind met een kop en aan het vooreinde met een gedeelte dat plat uitgesmeed is en Veer genoemd wordt. De Veer is met eenige in de lengte naast elkander geplaatste spijkergaten voorzien. DeV—worden van rond yzer gemaakt en komen met het ronde gedeelte in een geboord gat in vol hout. De Veer komt tegen een platte oppervlakte van eenig ander houten deel aan en dus in het gezicht. Door de spijkergaten slaat men taaie nagels of bandnagels.Veerhuis, z. n. o. — Huisjen, waar de kommissaris van ’t Veer zijn kantoor houdt.Veerman, z. n. m. — Hy, die met een pont of schouw de lieden overzet.Veerschip, z. n. o. — Schip, dat aan een gezet Veer vaart.Veerschipper, z. n. m. — Schipper eener beurt- of Veerschuit. ZieBeurtschipper.Veerschuit, z. n. v. — Schuit, die aan een vast Veer behoort.Vegen, o. en b. w. — Wordt overdrachtelijk in verschillende beteekenissen gebezigd.De lucht is van wolken schoon Geveegd:Dat schip Veegt er goed door(maakt veel gang.)Een Geveegd schip(een schip, dat van onder scherp toeloopt.)De zee schoonV—(vyanden en roovers uit zee jagen).Was nu de Straetgeveeghtvan hun die luttel stuyten.zegtVondelin zijn klinkd. op hetIII Deel van ’t Licht der Zeevaart.Vellen, b. w. — 1o. Omhakken, slechten, kappen.De masten Vellen.Kosten van hetV—.ZieHakgeld.2o.De fokV—(veroud.) (die scherp in den windvang stellen).Velling, z. n. v. — Omhakking, slechting: de daad van Vellen.Vendumeester, z. n. m. — Beämbte, aan wien het toevoorzicht over den verkoop van goederen is opgedragen.Ventjager, z. n. m. — Vaartuig ’t welk, langs de schepen varende, eetwaren, drank, enz. uitvent, en dikwijls gestolen touw, yzer, zeildoek in betaling neemt.Ventjagery, z. n. v. — Het bedrijf der Ventjagers.Veranderen, o. w. —Van zeilenV—(die, welke hangen, tegen andere verwisselen.)Van koersV—(een anderen koers nemen.)Van boegV—(wenden.)Van kwartierV—(de wacht aflossen.)De wind verandert(loopt om).De droogte duurt; de lucht weet nog van geenVeranderen,zegt Abjathar inVondelsGebroeders.Verband, z. n. o. — Samenvoeging der deelen.HetV—van een schip.Verbeteren, b. w. — Fouten herstellen, zich vergewissen.Het bestek,den koers van een schipV—.De miswijzingV—.Volgends het uurbordV—(een en ander namelijk ten gevolge van gemaakte berekeningen).Verbinden, b. w. — 1o. Weder aanhalen, weder stijfhalen.Het wantV—(de belegtouwen aanhalen om het weder strak te doen staan).2o.Een schipV—(veroud.) Het, door het verstuwen van eenige ingeladen goederen of ook wel door het verzetten van eenige vaste scheepsdeelen, hoog zeilende maken.Verbindingsklos, z. n. m. ofDraagbalk. — Boordstuk, op, en tegen hetwelk een balk komt te leggen.Verboden goederen. — ZieGoederen.Verbreedingstukken, z. n. o. mv. — Twee planken, tijdelijk op de beide zijden van het achterstuk van het roer gespijkerd, om, in enge doortochten, een spoediger werking voort te brengen.Verdek, z. n. o. — Naam, dien sommige Romanschrijvers en Schoolmeesters (maar nimmer een Zeeman) aan het Dek geven. ZieDek.Verdrinken, b. w. — Te laag by het water brengen.De batteryV—(de battery, door overlading van het schip, zoo dicht by de waterlijn brengen, dat men de geschutpoorten niet zonder gevaar kan openen.)De grootste wijdte van het schipV—(het schip zoodanig door zijn dracht laden, dat het in ’t midden op zijn grootste wijdte beneden de waterlijn komt.)Verdrinken, o. w. — In ’t water omkomen.Spreekwijze:V—eer men water gezien heeft(zich zedelijk of lichamelijk bederven zonder er genot van te hebben gehad).Verdubbelen, b. w. — Een dubbele huid om een schip spijkeren.Verdubbeling, z. n. v. — 1o. Daad van Verdubbelen.2o. De omgelegde huid zelve.Vereenigingsbout, z. n. m. — ZieKnevel.Vergaan, o. w. — Te gronde gaan, zinken.Er zijn met den laatsten storm vele schepenV—.Met man en muisV—.Zoo ’t al moest zinken enVergaan,Waar bleef de zwaan?Vraagt de Rei van Staatjufferen inVondelsNoach.Vergadering, z. n. v. — Het tegen elkander komen van twee stukken van inhouten.V—van een korte vrang en een onderbuikstuk.DeV—enworden loodrecht op het inhout gericht.Vergasten, o. w. (veroud.) — Veranderen van richting, als een gast die vertrekt.Het tij Vergast.Verhalen, o. w. — Van ligplaats veranderen, in een dok of haven liggende.Wy Verhaalden naar het havenhoofd en brachten een werp op stroom om uit te halen.Verkennen, b. w. — Onderzoeken.LandV—.Een baaiV—.Verkend raken(bemerken, waar men is).Verkenning, z. n. v. — Onderzoek.Er werden eenige schepen opV—vooruitgezonden.Verklaring(generale), z. n. v. — Aangifte der lading, door de binnenkomende schippers en stuurlieden by ’t binnenkomen aan de uiterste wacht gedaan. De bepalingen, daaromtrent te volgen, zijn te vinden in art. 8, 9, 10, 11 en 12 der Alg. Wet van 26 Aug. 1822.Verklikker, z. n. m. — 1o. ofSpaansche waker:kleine windwijzer, gevormd van een draad, waaraan een kurk, met veêren bestoken.2o. ofAsciometer. Zie ald.Verlaat, z. n. o. — Sluis, uitwatering.Verlaten, o. w. — Afwijken.De klampV—(wijkt af.)Verlating, z. n. v. — ZieAfstand.Verlegen weer, z. n. o. (veroud.) — Zeer boos weer op zee.Verlengen, b. w. — Rekken, uitbrengen.Verloop, z. n. m. — 1o. Verandering, teruggang.HetV—van het tij:hetV—van stroomen en zeegaten.2o. Hevige windvlaag met regen.Spreekwijze:V—van jaren.V—van zaken.Verloopen, o. w. — Wegloopen, wegvloeien.Het getij Verloopt.Spreekwijze:De neering isV—(is achter uit, is te niet gegaan).Verloren, b. n. — 1o. Te loor gegaan.EenV—reis(een reis, die niets heeft opgebracht.)Er zijn vele schepenV—geraakt(vermist.)EenV—lip(een lip, waarvan de wedergaê niet te vinden is, en die dus verder van geen dienst kan zijn).2o. Fluitwijze gewerkt.V—lip(die aan het eene end als een fluit eindigt).Vernaaien, b. w. — De Naaisels van blokken, proppen, enz. vernieuwen.Vernagelen, b. w. — Met Nagels dichtslaan.Het geschutV—(het, door ’t in het zinkgat inslaan van Nagels, onbruikbaar maken).Vernietigen, b. w. — Te niet doen.Een seinV—(door middel van een sein tegenbevel geven).Vernieuwen, b. w. — Het gesletene vervangen.Verongelukken, o. w. — Schipbreuk lijden, stranden, vergaan.Op een kust,op een klipV—.Verpoozen, b. w. — Aflossen.Iemand van zijn vrachtV—.Verrekijker, z. n. m. — Koperen of houten uitschuivende buis met geslepen glazen voorzien, waardoor men verwijderde voorwerpen, welke met het bloote oog niet te bereiken zijn, kan waarnemen.Versche schoot, z. n. m. (veroud.) — Strook zoet water, die onvermengd een eind in zee loopt.Verscheren, o. w. 1o. (veroud.) — Voorbyschieten: wordt van balken en planken gezegd, die door elkander heenslaan. Hoe meer de buikstukken en knieënV—, hoe sterker het schip is.2o. Het loopend touwwerk in de bloks veranderen.Verscherven, o. w. — Het voorby elkander schieten der verschillende lengten, die tot een verbinding dienen.Verschansen, b. w. — Het gedeelte van een schip, dat boven water komt, afwerken.Verschansing, z. n. v. — Schans, bovenwerk van een schip.Verschieten, b. w. — Van plaats doen veranderen.Den ballastV—.Verschil, z. n. o. — Onderscheid.V—in capaciteit, in waterverplaatsing en in gewicht van het voor- en achterschip(onderscheid tusschen het gewicht van het voorschip of van de vloeibare stof, welke het al drijvende verplaatst, en dat van het gewicht waters, door het achterschip verplaatst.)V—in zee tusschen de gissing en de waarneming(’t welk plaats heeft, wanneer, by ’t opmaken van ’t bestek, de lengte en breedte niet overeenkomen met de waarnemingen).Versebalie, z. n. v. — ZieVarsebalie.Versteken, b. w. — Van plaats doen veranderen. ZieVerverschen.Versteken, b. n. (veroud.) —EenV—schip(een schip, dat zijn reisgenoot kwijt is, of dat zelf zijn reis niet volvoeren kan).Versterking, z. n. v. — Hulp, bystand.Verstikt, b. n. — ZieTouw.Verstoppen, b. w. — Lucht- of waterdicht maken.Het zand heeft de pomp Verstopt.De ballast Verstopt de loggaten.VerstouwenofVerstuwen. — De Stuwaadje van plaats doen veranderen.Het ruim opbreken om teV—.Verstuwen, b. w. — ZieVerstouwen.Verteeren, b. w. (veroud.) — Breken, scheuren.De masten zijn Verteerd.Vertieren, o. w. — Achteruitgaan.Een schip dat veel Vertiert.Oudtijds werd het voor “voortgaan” genomen.Vertimmeren, b. w. — Herstellen, op nieuw timmeren.Vertimmering, z. n. v. — De daad vanVertimmeren.Vertooien, o. w. — ZieZorren.Vertuien, b. w. — Het Tuianker uitwerpen.Een schipV—(een schip tusschen twee ankers vast leggen, het daagsch anker voor den vloed, het tuianker voor de Ebbe.)LangsstroomsV—(een anker recht voor- en een ander recht achteruit leggen: wat geschiedt wanneer men vreest aan wal te drijven.)Te stijf Vertuid liggen(als de touwen te stijf gewonden zijn, zoo dat men niet kan zwaaien.)Ergends Vertuid liggen(zich ergends bevinden, waar men door eigen schuld niet gemakkelijk van daan kan raken).Vertuind, b. n. — Van een Vertuining voorzien.Vertuining, z. n. v. ofGebroken Gang. — Gedeelte van het scheepsboord, dat over den bak of door de kampanje heenloopt.Vertuiningsplanken, z. n. v. mv. (veroud.) — Planken van het achterkasteel.Vervalvan het water, z. n. o. — Het verschil van diepte by vloed en ebbe.Er is hier een grootV—van water.—Op die reede is eenV—van water van drie tot vier vadem.Vervallen, o. w. — Op een plaats komen waar men niet wezen wil.Op de kustV—.In een engteV—.Onder den windV—.Vervaren, b. w. — 1o. Afschaken, uitschaken: den afstand vermeerderen.Dekabelaring schrikken,V—aan het spil(beletten, dat de bochten zich by ’t ronddraaien kruissen).Een talieV—.2o. Veranderen.Met stenge en raas Vervaard liggen(met gestreken stengen en de onderraas langsscheeps).Ververschen, b. w. — Men wordt gezegd het touw enz. teV—, wanneer men het zoodanig omhaalt, dat niet langer dezelfde plekken aan dezelfde wrijving, schuring enz. blijven blootgesteld.Vervuren, o. w. — Inwendig vergaan.Vervuurd hout.Vervrachter, z. n. m. — Hy, die een schip verhuurt om bevracht te worden. ZieBevrachter.Vervrachting, z. n. v. — De daad van Vervrachten. ZieBevrachting.Verwaaid, b. n. — Door den wind verhinderd.Zy lagen daar eenige dagenV—(door tegenwind belet hun reis voort te zetten).Verwateren, b. w. — Wateren, met water vullen.Het vaatwerkV—(het met zout water vullen, ten einde het voor uitdroogen en bersten te behoeden.Verwerken, b. w. — Omwerken, overpakken.GoederenV—,naar een andere legplaatsV—.Verwisselen, b. w. — Aflossen,De wachtV—,de strengenV—.Verzanden, o. w. — Stroomen, baaien, havens, enz. worden gezegd teV—, wanneer zy door het in verloop van tijd aangespoelde Zand, in diepte verminderen en eindelijk onbruikbaar worden.Verzegeling, z. n. v. — Zie de bepalingen omtrent deV—van geladen schepen in de Alg. Wet van 26 Aug. 1822, art. 153–156.Verzeilen, o. w. — 1o. Te land komen waar men niet wezen wil.Wy raakten op een koraalklip Verzeild.2o. Van ligplaats veranderen.Wy verzeilden naar den zuidwal.Verzeilen, b. w. — Verliezen.Een schipV—.Verzeisen, o. w. (veroud.) — Veranderen, verschieten. De wind wordt gezegd teV—, ’t zij hy goed of slecht wordt.Verzekeraar, z. n. m. — Hy die tegen schade verzekert.
Vaan, z. n. v. — Windwijzer.Vaarder, z. n. m. — Is alleen in de samenstelling in gebruik, als inKustV—,GroenlandsV—,StraatdavisV—enz.Vaardig, b. n. — Reê, handig.Dat schip isV—in ’t zeilen.Vaart, z. n. m. — 1o. Voortgaande beweging.Er is veelV—in dat schip.Wy moeten onzenV—verminderen.DenV—van een schip stoppen,stremmen.Een schipV—doen zetten.V—maken.DenV—gissen.Spreekwijze:V—achter iets zetten(haast maken.)2o. Het Varen zelf.DeV—vermindert.Spreekwijze:Het zal zulk eenV—niet loopen(het zal zoo erg niet gaan).Vaart, z. n. v. — 1o. De wijze van gemeenschap met een over zee gelegen plaats of streek.DeV—op Oostindiën.DeV—op Bordeaux.2o. Een Trekvaart of gegraven water om de gemeenschap tusschen twee plaatsen tot stand te brengen.DeV—tusschen Amsterdam en Haarlem.De LeydscheV—.3o. Het Vaarwater.Er zijn dit jaar weinig schepen in deV—.Het is een schippers woort, het is een oude leer,Al waer geenVaerten is, en hoeft geen baken meer.Cats,Emblem.Vaartgeven, o. w. — Wordt men gezegd te doen, als men by flaauwe koelte wat ruimer stuurt eer men gaat wenden.Vaartuig, z. n. m. — Algemeene benaming voor elk zeeschip of zeeschuit.ZeilV—,RoeiV—,OorlogsV—,DriemastV—.DatV—is een der grootste onzer vloot.LichteV—en(sloepen, booten, jols enz.).Vaarwater, z. n. o. — Waterweg, welken de vaartuigen gewoonlijk volgen.Het Groot ScheepsV—.Een naauwV—.Spreekwijze:Blijf in datV—(volhard in dat gedrag).Uit hetV—geraken(van zijn onderwerp afdwalen).Hij zeilt een verkeerdV—(hy handelt verkeerd).Het is een gevaarlijkV—(het is een netelige zaak).Hy ligt dwars in ’tV—(hy belet den voortgang der zaak).Blijf uit mijnV—(wees my niet in den weg).Elkander in ’tV—zitten(elkander hinderlijk zijn).Iemand uit zijn eigenV—dringen(van zijn eigendom berooven).Vaatjen, z. n. o. — Klein tonnetjen.EenV—buskruit.Vaatwerk, z. n. o. — Tonnen, kuipen, enz.Wy stuwden hetV—.Vaas, z. n. v. — Draad, vezel. De benamingVazenduidde aan boord zoodanig gerafeld touwwerk aan, dat hier en daar gelegd werd om ’t schuren te beletten.Spreekwijze:Het zijn maar vieze Vazen(maar snorrepijpen, maar onbeduidende zaken).Vadem, z. n. m. — Maat, waarby al de lijnen by het zeewezen in gebruik gemeten worden.TwintigV—entouw.Op die plaats is de diepte twintig a dertigV—en.GrooteV—(van 1.884 el),MiddelbareV—(van 1.698 el),KleineV—(van 1.570 el),FranscheV—(van 1.624 el),DeenscheV—(van 1.884 el),GriekscheV—(van 1.758 el),EngelscheV—(van 1.829 el),ZweedscheV—(van 1.782 el),SpaanscheV—(van 1.674 el),PortugeescheV—(van 1.627 el),NapelscheV—(van 1.624 el),RussischeV—(van 1.832 el).Ende het dieploot uytgeworpen hebbende, vonden sy twintichV—en.Handel.XXVII, 28. De diepteop alle vaarwaters is bijV—enafgeteekend.Aldaar de wal tot op achtV—aanloopende, moeten wy wenden.Val, z. n. m ofKardeel. — Lijn, die gebezigd wordt om een gaffel, een ra, een zeil, enz. op te hijschen.KluiverV—len,StagzeilV—len.V—der bonnetten,LijzeilV—len(ziePiekeval).GrootmarszeilV—,KruiszeilV—len,BramV—len,MarseV—len.—DobbelV—len(loozeV—len, dienende om andere in geval van nood te vervangen.)VlaggeV—,WimpelV—.Vallen, o. w. — Dalen, gaan liggen.Het water is aan ’tV—(aan ’t ebben.)De wind is aan ’tV—(waait minder hard.)Over boordV—(in ’t waterV—.)Het schip wil nietV—(niet van-de-wind gaan.)Van de ra latenV—(zieRa.)In de bootV—(in de boot springen).Valling, z. n. v. — Het overvallen, overhangen, vooruitsteken.DeV—van een mast.Dat schip heeft weinigV—.(De punt van den steven springt niet ver vooruit).V—der achtersteven(de hellende stand van dat deel).Valluik, z. n. o. — Luik, dat door hengsels op en neder bewogen wordt.Valpoort, z. n. v. — Luik, dat de geschutpoorten eener scheepsbattery sluit.Losse,loozeV—.Dubbele,halve,halfopenstaandeV—en.Valreep, z. n. v. — 1o. Touw, van het scheepboord afhangende op de plaats, waar men van boord op- en afstijgt, en dienende om hem, die den trap opkomt of afgaat te helpen:—van daar2o. Die plaats zelve.Spreekwijze:Een glaasjen op deV—(een glaasjen tot afscheid).Valwind, z. n. m. — Wind, die van over een berg of klip invalt.By ’t inloopen van Porto Prayo, kregen wy eenV—van over de bergen, waardoor het voorbramzeil uit de lijken woei.Vangen, b. w. — Grijpen, onderscheppen.De boeiV—.De onderraas met kettingenV—(ze er in hangen.)Een zeilV—(ZieZeil).Vanglijn, z. n. v. — Meertouw, touw, daar een vaartuig aan vast ligt.Varen, o. w. — 1o. Oorspronkelijk:Met de trekschuitV—.SchuitjenV—.D’uitheemsche, die al dat gewoel ziet op de baren,Meent Amsterdam is van dien avontleegh gevaeren.Antonides.IJstroom.2o. Een betrekking aan boord bekleeden.Hy Vaart als schipper,als schieman,als licht matroos.Ten oorlog,ten koopvaardijV—.3o. Strekken, geplaatst zijn, wanneer men van het loopend tuig spreekt.De bagijnebras Vaart langs het grootwant.De Marszeilvallen Varen langs de masten, enz.4o. ’t woord wordt somwijlen bedr. gebezigd, wanneer men de gevolgen van ’tV—aanduidt:hy heeft zich rijk Gevaren;hy heeft zijn schuit lek Gevaren.Spreekwijzen:Hoe Vaart gy?(De vraag naar iemands welstand is aan het in Holland oudtijds meest gewoon bedrijf ontleend).Voor wind en stroomV—(voorspoedig zijn).Hy vaart tegen den stroom op(hy biedt alle hindernissen het hoofd).In een anders zogV—(een ander navolgen).By den wal langsV—(zich niet bloot geven, niets wagen).Met dubbele passenV—.ZiePas.Hy tuigt vroeg en hy Vaart laat(hy maakt veel omslag, hy is niet klaar).Hy roept: lui! en hy Vaart morgen eerst(hy maakt veel leven over niets).Hy Vaart, zoo als de groote mast vaart.(Hy is en blijft even dom).ZyV—in ééne beurs(zy handelen voor gemeene rekening).Wie in de schuit is moet meêV—.ZieSchuit.Waar men voor scheep komt, daar moet men voorV—.ZieScheep.Hy heeft de kooi lek Gevaren.ZieKooi.Het is kwalijk met hem Gevaren(slecht met hem afgeloopen).Van Duinkerken ter haringV—.ZieHaring.Varensgezel, z. n. m. ofVarensman. — Iemand, die zijn beroep van de zeevaart maakt.Varensman, z. n. m. — ZieVarensgezel.Varken, z. n. o. — 1o. Legger, watervat.2o. Werktuig, met onderscheiden schrobbers of borstels voorzien.Varkenen, b. w. — Een schip met Varkens schoonmaken.Varsebalie, z. n. v. — 1o. Kuip, tobbe of Balie, waarin vleesch, spek, visch enz. ververscht wordt.2o. Hy, die zich met dat bedrijf bezig houdt. Hy vaart voorV—.Vast, t. w. —V—draaien!V—halen!(komm. van uit te scheiden, op te houden).Vasteland, z. n. o. — Het land, dat tot een der waerelddeelen behoort.Vaste wal, z. n. m. — Benaming van het land, in tegenoverstelling van de zee.Hy is aan denV—nWal gebleven(hy is aan land gebleven).Hy is behouden aanW—.Vastkeggen, b. w. — Met keggen vastzetten.Vastliggen, o. w. — Wordt een schip gezegd te doen, wanneer het, door de kracht van den wind op de zeilen, gebogen ligt en niet kan slingeren.Vastmaken zonder opgaan, o. w. — Een gespannen touw vastmaken, zonder dat het minder strak staat.Vastraken, o. w. — Stooten, stranden, aan den grond raken.Wy Raakten op een zandbank Vast.Vastspijkeren, b. w. — Met Spijkers Vastzetten.Vastwerken, b. w. — Op het drooge Werken.Pas op, dat gy ons niet op het land Vastwerkt.Wy raakten by het inkomen van de haven Vastgewerkt.Vastzetten, b. w. — Stijf vastmaken.De brassenV—, vóór dat ’t volk op de raas uitentert.Het roerV—(de roertalies stijfhalen, op het drooge werken.)De onhandige schipper Zette zijn schuit op het zand Vast.Vastzitten, o. w. — Aan den grond zitten.Vat, z. n. o. — Ton. ZieHoosV—,KruitV—.Vatten, b. w. — Grijpen, vangen, houden.Dit zeil wil geen windV—(de wind waait er langs, zonder het op te doen zwellen.)Het anker heeft eindelijk Gevat(een zijner armen heeft den grond geraakt).Vechten, o. w. — Slaan, strijden.Vechtvlag, z. n. v. — ZieStrijdvlag.Veer, z. n. o. — Plaats, waar een beurtschip of schuit afvaart en aanlegt, en waar de boodschappen en goederen besteld en afgeleverd worden.Het LeydscheV—,het Goudsche V-.Kommissaris van hetV—(die de goederen aanneemt, bestelt, enz.).Spreekwijze:Over deV—engaan(overal aanleggen).Veer, z. n. m. — ZieVeerbouten.Veerbouten, z. n. m. mv. — Bouten, aan het achtereind met een kop en aan het vooreinde met een gedeelte dat plat uitgesmeed is en Veer genoemd wordt. De Veer is met eenige in de lengte naast elkander geplaatste spijkergaten voorzien. DeV—worden van rond yzer gemaakt en komen met het ronde gedeelte in een geboord gat in vol hout. De Veer komt tegen een platte oppervlakte van eenig ander houten deel aan en dus in het gezicht. Door de spijkergaten slaat men taaie nagels of bandnagels.Veerhuis, z. n. o. — Huisjen, waar de kommissaris van ’t Veer zijn kantoor houdt.Veerman, z. n. m. — Hy, die met een pont of schouw de lieden overzet.Veerschip, z. n. o. — Schip, dat aan een gezet Veer vaart.Veerschipper, z. n. m. — Schipper eener beurt- of Veerschuit. ZieBeurtschipper.Veerschuit, z. n. v. — Schuit, die aan een vast Veer behoort.Vegen, o. en b. w. — Wordt overdrachtelijk in verschillende beteekenissen gebezigd.De lucht is van wolken schoon Geveegd:Dat schip Veegt er goed door(maakt veel gang.)Een Geveegd schip(een schip, dat van onder scherp toeloopt.)De zee schoonV—(vyanden en roovers uit zee jagen).Was nu de Straetgeveeghtvan hun die luttel stuyten.zegtVondelin zijn klinkd. op hetIII Deel van ’t Licht der Zeevaart.Vellen, b. w. — 1o. Omhakken, slechten, kappen.De masten Vellen.Kosten van hetV—.ZieHakgeld.2o.De fokV—(veroud.) (die scherp in den windvang stellen).Velling, z. n. v. — Omhakking, slechting: de daad van Vellen.Vendumeester, z. n. m. — Beämbte, aan wien het toevoorzicht over den verkoop van goederen is opgedragen.Ventjager, z. n. m. — Vaartuig ’t welk, langs de schepen varende, eetwaren, drank, enz. uitvent, en dikwijls gestolen touw, yzer, zeildoek in betaling neemt.Ventjagery, z. n. v. — Het bedrijf der Ventjagers.Veranderen, o. w. —Van zeilenV—(die, welke hangen, tegen andere verwisselen.)Van koersV—(een anderen koers nemen.)Van boegV—(wenden.)Van kwartierV—(de wacht aflossen.)De wind verandert(loopt om).De droogte duurt; de lucht weet nog van geenVeranderen,zegt Abjathar inVondelsGebroeders.Verband, z. n. o. — Samenvoeging der deelen.HetV—van een schip.Verbeteren, b. w. — Fouten herstellen, zich vergewissen.Het bestek,den koers van een schipV—.De miswijzingV—.Volgends het uurbordV—(een en ander namelijk ten gevolge van gemaakte berekeningen).Verbinden, b. w. — 1o. Weder aanhalen, weder stijfhalen.Het wantV—(de belegtouwen aanhalen om het weder strak te doen staan).2o.Een schipV—(veroud.) Het, door het verstuwen van eenige ingeladen goederen of ook wel door het verzetten van eenige vaste scheepsdeelen, hoog zeilende maken.Verbindingsklos, z. n. m. ofDraagbalk. — Boordstuk, op, en tegen hetwelk een balk komt te leggen.Verboden goederen. — ZieGoederen.Verbreedingstukken, z. n. o. mv. — Twee planken, tijdelijk op de beide zijden van het achterstuk van het roer gespijkerd, om, in enge doortochten, een spoediger werking voort te brengen.Verdek, z. n. o. — Naam, dien sommige Romanschrijvers en Schoolmeesters (maar nimmer een Zeeman) aan het Dek geven. ZieDek.Verdrinken, b. w. — Te laag by het water brengen.De batteryV—(de battery, door overlading van het schip, zoo dicht by de waterlijn brengen, dat men de geschutpoorten niet zonder gevaar kan openen.)De grootste wijdte van het schipV—(het schip zoodanig door zijn dracht laden, dat het in ’t midden op zijn grootste wijdte beneden de waterlijn komt.)Verdrinken, o. w. — In ’t water omkomen.Spreekwijze:V—eer men water gezien heeft(zich zedelijk of lichamelijk bederven zonder er genot van te hebben gehad).Verdubbelen, b. w. — Een dubbele huid om een schip spijkeren.Verdubbeling, z. n. v. — 1o. Daad van Verdubbelen.2o. De omgelegde huid zelve.Vereenigingsbout, z. n. m. — ZieKnevel.Vergaan, o. w. — Te gronde gaan, zinken.Er zijn met den laatsten storm vele schepenV—.Met man en muisV—.Zoo ’t al moest zinken enVergaan,Waar bleef de zwaan?Vraagt de Rei van Staatjufferen inVondelsNoach.Vergadering, z. n. v. — Het tegen elkander komen van twee stukken van inhouten.V—van een korte vrang en een onderbuikstuk.DeV—enworden loodrecht op het inhout gericht.Vergasten, o. w. (veroud.) — Veranderen van richting, als een gast die vertrekt.Het tij Vergast.Verhalen, o. w. — Van ligplaats veranderen, in een dok of haven liggende.Wy Verhaalden naar het havenhoofd en brachten een werp op stroom om uit te halen.Verkennen, b. w. — Onderzoeken.LandV—.Een baaiV—.Verkend raken(bemerken, waar men is).Verkenning, z. n. v. — Onderzoek.Er werden eenige schepen opV—vooruitgezonden.Verklaring(generale), z. n. v. — Aangifte der lading, door de binnenkomende schippers en stuurlieden by ’t binnenkomen aan de uiterste wacht gedaan. De bepalingen, daaromtrent te volgen, zijn te vinden in art. 8, 9, 10, 11 en 12 der Alg. Wet van 26 Aug. 1822.Verklikker, z. n. m. — 1o. ofSpaansche waker:kleine windwijzer, gevormd van een draad, waaraan een kurk, met veêren bestoken.2o. ofAsciometer. Zie ald.Verlaat, z. n. o. — Sluis, uitwatering.Verlaten, o. w. — Afwijken.De klampV—(wijkt af.)Verlating, z. n. v. — ZieAfstand.Verlegen weer, z. n. o. (veroud.) — Zeer boos weer op zee.Verlengen, b. w. — Rekken, uitbrengen.Verloop, z. n. m. — 1o. Verandering, teruggang.HetV—van het tij:hetV—van stroomen en zeegaten.2o. Hevige windvlaag met regen.Spreekwijze:V—van jaren.V—van zaken.Verloopen, o. w. — Wegloopen, wegvloeien.Het getij Verloopt.Spreekwijze:De neering isV—(is achter uit, is te niet gegaan).Verloren, b. n. — 1o. Te loor gegaan.EenV—reis(een reis, die niets heeft opgebracht.)Er zijn vele schepenV—geraakt(vermist.)EenV—lip(een lip, waarvan de wedergaê niet te vinden is, en die dus verder van geen dienst kan zijn).2o. Fluitwijze gewerkt.V—lip(die aan het eene end als een fluit eindigt).Vernaaien, b. w. — De Naaisels van blokken, proppen, enz. vernieuwen.Vernagelen, b. w. — Met Nagels dichtslaan.Het geschutV—(het, door ’t in het zinkgat inslaan van Nagels, onbruikbaar maken).Vernietigen, b. w. — Te niet doen.Een seinV—(door middel van een sein tegenbevel geven).Vernieuwen, b. w. — Het gesletene vervangen.Verongelukken, o. w. — Schipbreuk lijden, stranden, vergaan.Op een kust,op een klipV—.Verpoozen, b. w. — Aflossen.Iemand van zijn vrachtV—.Verrekijker, z. n. m. — Koperen of houten uitschuivende buis met geslepen glazen voorzien, waardoor men verwijderde voorwerpen, welke met het bloote oog niet te bereiken zijn, kan waarnemen.Versche schoot, z. n. m. (veroud.) — Strook zoet water, die onvermengd een eind in zee loopt.Verscheren, o. w. 1o. (veroud.) — Voorbyschieten: wordt van balken en planken gezegd, die door elkander heenslaan. Hoe meer de buikstukken en knieënV—, hoe sterker het schip is.2o. Het loopend touwwerk in de bloks veranderen.Verscherven, o. w. — Het voorby elkander schieten der verschillende lengten, die tot een verbinding dienen.Verschansen, b. w. — Het gedeelte van een schip, dat boven water komt, afwerken.Verschansing, z. n. v. — Schans, bovenwerk van een schip.Verschieten, b. w. — Van plaats doen veranderen.Den ballastV—.Verschil, z. n. o. — Onderscheid.V—in capaciteit, in waterverplaatsing en in gewicht van het voor- en achterschip(onderscheid tusschen het gewicht van het voorschip of van de vloeibare stof, welke het al drijvende verplaatst, en dat van het gewicht waters, door het achterschip verplaatst.)V—in zee tusschen de gissing en de waarneming(’t welk plaats heeft, wanneer, by ’t opmaken van ’t bestek, de lengte en breedte niet overeenkomen met de waarnemingen).Versebalie, z. n. v. — ZieVarsebalie.Versteken, b. w. — Van plaats doen veranderen. ZieVerverschen.Versteken, b. n. (veroud.) —EenV—schip(een schip, dat zijn reisgenoot kwijt is, of dat zelf zijn reis niet volvoeren kan).Versterking, z. n. v. — Hulp, bystand.Verstikt, b. n. — ZieTouw.Verstoppen, b. w. — Lucht- of waterdicht maken.Het zand heeft de pomp Verstopt.De ballast Verstopt de loggaten.VerstouwenofVerstuwen. — De Stuwaadje van plaats doen veranderen.Het ruim opbreken om teV—.Verstuwen, b. w. — ZieVerstouwen.Verteeren, b. w. (veroud.) — Breken, scheuren.De masten zijn Verteerd.Vertieren, o. w. — Achteruitgaan.Een schip dat veel Vertiert.Oudtijds werd het voor “voortgaan” genomen.Vertimmeren, b. w. — Herstellen, op nieuw timmeren.Vertimmering, z. n. v. — De daad vanVertimmeren.Vertooien, o. w. — ZieZorren.Vertuien, b. w. — Het Tuianker uitwerpen.Een schipV—(een schip tusschen twee ankers vast leggen, het daagsch anker voor den vloed, het tuianker voor de Ebbe.)LangsstroomsV—(een anker recht voor- en een ander recht achteruit leggen: wat geschiedt wanneer men vreest aan wal te drijven.)Te stijf Vertuid liggen(als de touwen te stijf gewonden zijn, zoo dat men niet kan zwaaien.)Ergends Vertuid liggen(zich ergends bevinden, waar men door eigen schuld niet gemakkelijk van daan kan raken).Vertuind, b. n. — Van een Vertuining voorzien.Vertuining, z. n. v. ofGebroken Gang. — Gedeelte van het scheepsboord, dat over den bak of door de kampanje heenloopt.Vertuiningsplanken, z. n. v. mv. (veroud.) — Planken van het achterkasteel.Vervalvan het water, z. n. o. — Het verschil van diepte by vloed en ebbe.Er is hier een grootV—van water.—Op die reede is eenV—van water van drie tot vier vadem.Vervallen, o. w. — Op een plaats komen waar men niet wezen wil.Op de kustV—.In een engteV—.Onder den windV—.Vervaren, b. w. — 1o. Afschaken, uitschaken: den afstand vermeerderen.Dekabelaring schrikken,V—aan het spil(beletten, dat de bochten zich by ’t ronddraaien kruissen).Een talieV—.2o. Veranderen.Met stenge en raas Vervaard liggen(met gestreken stengen en de onderraas langsscheeps).Ververschen, b. w. — Men wordt gezegd het touw enz. teV—, wanneer men het zoodanig omhaalt, dat niet langer dezelfde plekken aan dezelfde wrijving, schuring enz. blijven blootgesteld.Vervuren, o. w. — Inwendig vergaan.Vervuurd hout.Vervrachter, z. n. m. — Hy, die een schip verhuurt om bevracht te worden. ZieBevrachter.Vervrachting, z. n. v. — De daad van Vervrachten. ZieBevrachting.Verwaaid, b. n. — Door den wind verhinderd.Zy lagen daar eenige dagenV—(door tegenwind belet hun reis voort te zetten).Verwateren, b. w. — Wateren, met water vullen.Het vaatwerkV—(het met zout water vullen, ten einde het voor uitdroogen en bersten te behoeden.Verwerken, b. w. — Omwerken, overpakken.GoederenV—,naar een andere legplaatsV—.Verwisselen, b. w. — Aflossen,De wachtV—,de strengenV—.Verzanden, o. w. — Stroomen, baaien, havens, enz. worden gezegd teV—, wanneer zy door het in verloop van tijd aangespoelde Zand, in diepte verminderen en eindelijk onbruikbaar worden.Verzegeling, z. n. v. — Zie de bepalingen omtrent deV—van geladen schepen in de Alg. Wet van 26 Aug. 1822, art. 153–156.Verzeilen, o. w. — 1o. Te land komen waar men niet wezen wil.Wy raakten op een koraalklip Verzeild.2o. Van ligplaats veranderen.Wy verzeilden naar den zuidwal.Verzeilen, b. w. — Verliezen.Een schipV—.Verzeisen, o. w. (veroud.) — Veranderen, verschieten. De wind wordt gezegd teV—, ’t zij hy goed of slecht wordt.Verzekeraar, z. n. m. — Hy die tegen schade verzekert.
Vaan, z. n. v. — Windwijzer.
Vaarder, z. n. m. — Is alleen in de samenstelling in gebruik, als inKustV—,GroenlandsV—,StraatdavisV—enz.
Vaardig, b. n. — Reê, handig.Dat schip isV—in ’t zeilen.
Vaart, z. n. m. — 1o. Voortgaande beweging.Er is veelV—in dat schip.Wy moeten onzenV—verminderen.DenV—van een schip stoppen,stremmen.Een schipV—doen zetten.V—maken.DenV—gissen.
Spreekwijze:V—achter iets zetten(haast maken.)
2o. Het Varen zelf.DeV—vermindert.
Spreekwijze:Het zal zulk eenV—niet loopen(het zal zoo erg niet gaan).
Vaart, z. n. v. — 1o. De wijze van gemeenschap met een over zee gelegen plaats of streek.DeV—op Oostindiën.DeV—op Bordeaux.
2o. Een Trekvaart of gegraven water om de gemeenschap tusschen twee plaatsen tot stand te brengen.DeV—tusschen Amsterdam en Haarlem.De LeydscheV—.
3o. Het Vaarwater.Er zijn dit jaar weinig schepen in deV—.
Het is een schippers woort, het is een oude leer,Al waer geenVaerten is, en hoeft geen baken meer.
Het is een schippers woort, het is een oude leer,
Al waer geenVaerten is, en hoeft geen baken meer.
Cats,Emblem.
Vaartgeven, o. w. — Wordt men gezegd te doen, als men by flaauwe koelte wat ruimer stuurt eer men gaat wenden.
Vaartuig, z. n. m. — Algemeene benaming voor elk zeeschip of zeeschuit.ZeilV—,RoeiV—,OorlogsV—,DriemastV—.DatV—is een der grootste onzer vloot.LichteV—en(sloepen, booten, jols enz.).
Vaarwater, z. n. o. — Waterweg, welken de vaartuigen gewoonlijk volgen.Het Groot ScheepsV—.Een naauwV—.
Spreekwijze:Blijf in datV—(volhard in dat gedrag).
Uit hetV—geraken(van zijn onderwerp afdwalen).
Hij zeilt een verkeerdV—(hy handelt verkeerd).
Het is een gevaarlijkV—(het is een netelige zaak).
Hy ligt dwars in ’tV—(hy belet den voortgang der zaak).
Blijf uit mijnV—(wees my niet in den weg).
Elkander in ’tV—zitten(elkander hinderlijk zijn).
Iemand uit zijn eigenV—dringen(van zijn eigendom berooven).
Vaatjen, z. n. o. — Klein tonnetjen.EenV—buskruit.
Vaatwerk, z. n. o. — Tonnen, kuipen, enz.Wy stuwden hetV—.
Vaas, z. n. v. — Draad, vezel. De benamingVazenduidde aan boord zoodanig gerafeld touwwerk aan, dat hier en daar gelegd werd om ’t schuren te beletten.
Spreekwijze:Het zijn maar vieze Vazen(maar snorrepijpen, maar onbeduidende zaken).
Vadem, z. n. m. — Maat, waarby al de lijnen by het zeewezen in gebruik gemeten worden.TwintigV—entouw.Op die plaats is de diepte twintig a dertigV—en.GrooteV—(van 1.884 el),MiddelbareV—(van 1.698 el),KleineV—(van 1.570 el),FranscheV—(van 1.624 el),DeenscheV—(van 1.884 el),GriekscheV—(van 1.758 el),EngelscheV—(van 1.829 el),ZweedscheV—(van 1.782 el),SpaanscheV—(van 1.674 el),PortugeescheV—(van 1.627 el),NapelscheV—(van 1.624 el),RussischeV—(van 1.832 el).Ende het dieploot uytgeworpen hebbende, vonden sy twintichV—en.Handel.XXVII, 28. De diepteop alle vaarwaters is bijV—enafgeteekend.Aldaar de wal tot op achtV—aanloopende, moeten wy wenden.
Val, z. n. m ofKardeel. — Lijn, die gebezigd wordt om een gaffel, een ra, een zeil, enz. op te hijschen.KluiverV—len,StagzeilV—len.V—der bonnetten,LijzeilV—len(ziePiekeval).GrootmarszeilV—,KruiszeilV—len,BramV—len,MarseV—len.—DobbelV—len(loozeV—len, dienende om andere in geval van nood te vervangen.)VlaggeV—,WimpelV—.
Vallen, o. w. — Dalen, gaan liggen.Het water is aan ’tV—(aan ’t ebben.)De wind is aan ’tV—(waait minder hard.)Over boordV—(in ’t waterV—.)Het schip wil nietV—(niet van-de-wind gaan.)Van de ra latenV—(zieRa.)In de bootV—(in de boot springen).
Valling, z. n. v. — Het overvallen, overhangen, vooruitsteken.DeV—van een mast.Dat schip heeft weinigV—.(De punt van den steven springt niet ver vooruit).V—der achtersteven(de hellende stand van dat deel).
Valluik, z. n. o. — Luik, dat door hengsels op en neder bewogen wordt.
Valpoort, z. n. v. — Luik, dat de geschutpoorten eener scheepsbattery sluit.Losse,loozeV—.Dubbele,halve,halfopenstaandeV—en.
Valreep, z. n. v. — 1o. Touw, van het scheepboord afhangende op de plaats, waar men van boord op- en afstijgt, en dienende om hem, die den trap opkomt of afgaat te helpen:—van daar
2o. Die plaats zelve.
Spreekwijze:Een glaasjen op deV—(een glaasjen tot afscheid).
Valwind, z. n. m. — Wind, die van over een berg of klip invalt.By ’t inloopen van Porto Prayo, kregen wy eenV—van over de bergen, waardoor het voorbramzeil uit de lijken woei.
Vangen, b. w. — Grijpen, onderscheppen.De boeiV—.De onderraas met kettingenV—(ze er in hangen.)Een zeilV—(ZieZeil).
Vanglijn, z. n. v. — Meertouw, touw, daar een vaartuig aan vast ligt.
Varen, o. w. — 1o. Oorspronkelijk:Met de trekschuitV—.SchuitjenV—.
D’uitheemsche, die al dat gewoel ziet op de baren,Meent Amsterdam is van dien avontleegh gevaeren.
D’uitheemsche, die al dat gewoel ziet op de baren,
Meent Amsterdam is van dien avontleegh gevaeren.
Antonides.IJstroom.
2o. Een betrekking aan boord bekleeden.Hy Vaart als schipper,als schieman,als licht matroos.Ten oorlog,ten koopvaardijV—.
3o. Strekken, geplaatst zijn, wanneer men van het loopend tuig spreekt.De bagijnebras Vaart langs het grootwant.De Marszeilvallen Varen langs de masten, enz.
4o. ’t woord wordt somwijlen bedr. gebezigd, wanneer men de gevolgen van ’tV—aanduidt:hy heeft zich rijk Gevaren;hy heeft zijn schuit lek Gevaren.
Spreekwijzen:Hoe Vaart gy?(De vraag naar iemands welstand is aan het in Holland oudtijds meest gewoon bedrijf ontleend).
Voor wind en stroomV—(voorspoedig zijn).
Hy vaart tegen den stroom op(hy biedt alle hindernissen het hoofd).
In een anders zogV—(een ander navolgen).
By den wal langsV—(zich niet bloot geven, niets wagen).
Met dubbele passenV—.ZiePas.
Hy tuigt vroeg en hy Vaart laat(hy maakt veel omslag, hy is niet klaar).
Hy roept: lui! en hy Vaart morgen eerst(hy maakt veel leven over niets).
Hy Vaart, zoo als de groote mast vaart.(Hy is en blijft even dom).
ZyV—in ééne beurs(zy handelen voor gemeene rekening).
Wie in de schuit is moet meêV—.ZieSchuit.
Waar men voor scheep komt, daar moet men voorV—.ZieScheep.
Hy heeft de kooi lek Gevaren.ZieKooi.
Het is kwalijk met hem Gevaren(slecht met hem afgeloopen).
Van Duinkerken ter haringV—.ZieHaring.
Varensgezel, z. n. m. ofVarensman. — Iemand, die zijn beroep van de zeevaart maakt.
Varensman, z. n. m. — ZieVarensgezel.
Varken, z. n. o. — 1o. Legger, watervat.
2o. Werktuig, met onderscheiden schrobbers of borstels voorzien.
Varkenen, b. w. — Een schip met Varkens schoonmaken.
Varsebalie, z. n. v. — 1o. Kuip, tobbe of Balie, waarin vleesch, spek, visch enz. ververscht wordt.
2o. Hy, die zich met dat bedrijf bezig houdt. Hy vaart voorV—.
Vast, t. w. —V—draaien!V—halen!(komm. van uit te scheiden, op te houden).
Vasteland, z. n. o. — Het land, dat tot een der waerelddeelen behoort.
Vaste wal, z. n. m. — Benaming van het land, in tegenoverstelling van de zee.Hy is aan denV—nWal gebleven(hy is aan land gebleven).Hy is behouden aanW—.
Vastkeggen, b. w. — Met keggen vastzetten.
Vastliggen, o. w. — Wordt een schip gezegd te doen, wanneer het, door de kracht van den wind op de zeilen, gebogen ligt en niet kan slingeren.
Vastmaken zonder opgaan, o. w. — Een gespannen touw vastmaken, zonder dat het minder strak staat.
Vastraken, o. w. — Stooten, stranden, aan den grond raken.Wy Raakten op een zandbank Vast.
Vastspijkeren, b. w. — Met Spijkers Vastzetten.
Vastwerken, b. w. — Op het drooge Werken.Pas op, dat gy ons niet op het land Vastwerkt.Wy raakten by het inkomen van de haven Vastgewerkt.
Vastzetten, b. w. — Stijf vastmaken.De brassenV—, vóór dat ’t volk op de raas uitentert.Het roerV—(de roertalies stijfhalen, op het drooge werken.)De onhandige schipper Zette zijn schuit op het zand Vast.
Vastzitten, o. w. — Aan den grond zitten.
Vat, z. n. o. — Ton. ZieHoosV—,KruitV—.
Vatten, b. w. — Grijpen, vangen, houden.Dit zeil wil geen windV—(de wind waait er langs, zonder het op te doen zwellen.)Het anker heeft eindelijk Gevat(een zijner armen heeft den grond geraakt).
Vechten, o. w. — Slaan, strijden.
Vechtvlag, z. n. v. — ZieStrijdvlag.
Veer, z. n. o. — Plaats, waar een beurtschip of schuit afvaart en aanlegt, en waar de boodschappen en goederen besteld en afgeleverd worden.Het LeydscheV—,het Goudsche V-.Kommissaris van hetV—(die de goederen aanneemt, bestelt, enz.).
Spreekwijze:Over deV—engaan(overal aanleggen).
Veer, z. n. m. — ZieVeerbouten.
Veerbouten, z. n. m. mv. — Bouten, aan het achtereind met een kop en aan het vooreinde met een gedeelte dat plat uitgesmeed is en Veer genoemd wordt. De Veer is met eenige in de lengte naast elkander geplaatste spijkergaten voorzien. DeV—worden van rond yzer gemaakt en komen met het ronde gedeelte in een geboord gat in vol hout. De Veer komt tegen een platte oppervlakte van eenig ander houten deel aan en dus in het gezicht. Door de spijkergaten slaat men taaie nagels of bandnagels.
Veerhuis, z. n. o. — Huisjen, waar de kommissaris van ’t Veer zijn kantoor houdt.
Veerman, z. n. m. — Hy, die met een pont of schouw de lieden overzet.
Veerschip, z. n. o. — Schip, dat aan een gezet Veer vaart.
Veerschipper, z. n. m. — Schipper eener beurt- of Veerschuit. ZieBeurtschipper.
Veerschuit, z. n. v. — Schuit, die aan een vast Veer behoort.
Vegen, o. en b. w. — Wordt overdrachtelijk in verschillende beteekenissen gebezigd.De lucht is van wolken schoon Geveegd:Dat schip Veegt er goed door(maakt veel gang.)Een Geveegd schip(een schip, dat van onder scherp toeloopt.)De zee schoonV—(vyanden en roovers uit zee jagen).
Was nu de Straetgeveeghtvan hun die luttel stuyten.
Was nu de Straetgeveeghtvan hun die luttel stuyten.
zegtVondelin zijn klinkd. op hetIII Deel van ’t Licht der Zeevaart.
Vellen, b. w. — 1o. Omhakken, slechten, kappen.De masten Vellen.Kosten van hetV—.ZieHakgeld.
2o.De fokV—(veroud.) (die scherp in den windvang stellen).
Velling, z. n. v. — Omhakking, slechting: de daad van Vellen.
Vendumeester, z. n. m. — Beämbte, aan wien het toevoorzicht over den verkoop van goederen is opgedragen.
Ventjager, z. n. m. — Vaartuig ’t welk, langs de schepen varende, eetwaren, drank, enz. uitvent, en dikwijls gestolen touw, yzer, zeildoek in betaling neemt.
Ventjagery, z. n. v. — Het bedrijf der Ventjagers.
Veranderen, o. w. —Van zeilenV—(die, welke hangen, tegen andere verwisselen.)Van koersV—(een anderen koers nemen.)Van boegV—(wenden.)Van kwartierV—(de wacht aflossen.)De wind verandert(loopt om).
De droogte duurt; de lucht weet nog van geenVeranderen,
De droogte duurt; de lucht weet nog van geenVeranderen,
zegt Abjathar inVondelsGebroeders.
Verband, z. n. o. — Samenvoeging der deelen.HetV—van een schip.
Verbeteren, b. w. — Fouten herstellen, zich vergewissen.Het bestek,den koers van een schipV—.De miswijzingV—.Volgends het uurbordV—(een en ander namelijk ten gevolge van gemaakte berekeningen).
Verbinden, b. w. — 1o. Weder aanhalen, weder stijfhalen.Het wantV—(de belegtouwen aanhalen om het weder strak te doen staan).
2o.Een schipV—(veroud.) Het, door het verstuwen van eenige ingeladen goederen of ook wel door het verzetten van eenige vaste scheepsdeelen, hoog zeilende maken.
Verbindingsklos, z. n. m. ofDraagbalk. — Boordstuk, op, en tegen hetwelk een balk komt te leggen.
Verboden goederen. — ZieGoederen.
Verbreedingstukken, z. n. o. mv. — Twee planken, tijdelijk op de beide zijden van het achterstuk van het roer gespijkerd, om, in enge doortochten, een spoediger werking voort te brengen.
Verdek, z. n. o. — Naam, dien sommige Romanschrijvers en Schoolmeesters (maar nimmer een Zeeman) aan het Dek geven. ZieDek.
Verdrinken, b. w. — Te laag by het water brengen.De batteryV—(de battery, door overlading van het schip, zoo dicht by de waterlijn brengen, dat men de geschutpoorten niet zonder gevaar kan openen.)De grootste wijdte van het schipV—(het schip zoodanig door zijn dracht laden, dat het in ’t midden op zijn grootste wijdte beneden de waterlijn komt.)
Verdrinken, o. w. — In ’t water omkomen.
Spreekwijze:V—eer men water gezien heeft(zich zedelijk of lichamelijk bederven zonder er genot van te hebben gehad).
Verdubbelen, b. w. — Een dubbele huid om een schip spijkeren.
Verdubbeling, z. n. v. — 1o. Daad van Verdubbelen.
2o. De omgelegde huid zelve.
Vereenigingsbout, z. n. m. — ZieKnevel.
Vergaan, o. w. — Te gronde gaan, zinken.Er zijn met den laatsten storm vele schepenV—.Met man en muisV—.
Zoo ’t al moest zinken enVergaan,Waar bleef de zwaan?
Zoo ’t al moest zinken enVergaan,
Waar bleef de zwaan?
Vraagt de Rei van Staatjufferen inVondelsNoach.
Vergadering, z. n. v. — Het tegen elkander komen van twee stukken van inhouten.V—van een korte vrang en een onderbuikstuk.DeV—enworden loodrecht op het inhout gericht.
Vergasten, o. w. (veroud.) — Veranderen van richting, als een gast die vertrekt.Het tij Vergast.
Verhalen, o. w. — Van ligplaats veranderen, in een dok of haven liggende.Wy Verhaalden naar het havenhoofd en brachten een werp op stroom om uit te halen.
Verkennen, b. w. — Onderzoeken.LandV—.Een baaiV—.Verkend raken(bemerken, waar men is).
Verkenning, z. n. v. — Onderzoek.Er werden eenige schepen opV—vooruitgezonden.
Verklaring(generale), z. n. v. — Aangifte der lading, door de binnenkomende schippers en stuurlieden by ’t binnenkomen aan de uiterste wacht gedaan. De bepalingen, daaromtrent te volgen, zijn te vinden in art. 8, 9, 10, 11 en 12 der Alg. Wet van 26 Aug. 1822.
Verklikker, z. n. m. — 1o. ofSpaansche waker:kleine windwijzer, gevormd van een draad, waaraan een kurk, met veêren bestoken.
2o. ofAsciometer. Zie ald.
Verlaat, z. n. o. — Sluis, uitwatering.
Verlaten, o. w. — Afwijken.De klampV—(wijkt af.)
Verlating, z. n. v. — ZieAfstand.
Verlegen weer, z. n. o. (veroud.) — Zeer boos weer op zee.
Verlengen, b. w. — Rekken, uitbrengen.
Verloop, z. n. m. — 1o. Verandering, teruggang.HetV—van het tij:hetV—van stroomen en zeegaten.
2o. Hevige windvlaag met regen.
Spreekwijze:V—van jaren.V—van zaken.
Verloopen, o. w. — Wegloopen, wegvloeien.Het getij Verloopt.
Spreekwijze:De neering isV—(is achter uit, is te niet gegaan).
Verloren, b. n. — 1o. Te loor gegaan.EenV—reis(een reis, die niets heeft opgebracht.)Er zijn vele schepenV—geraakt(vermist.)EenV—lip(een lip, waarvan de wedergaê niet te vinden is, en die dus verder van geen dienst kan zijn).
2o. Fluitwijze gewerkt.V—lip(die aan het eene end als een fluit eindigt).
Vernaaien, b. w. — De Naaisels van blokken, proppen, enz. vernieuwen.
Vernagelen, b. w. — Met Nagels dichtslaan.Het geschutV—(het, door ’t in het zinkgat inslaan van Nagels, onbruikbaar maken).
Vernietigen, b. w. — Te niet doen.Een seinV—(door middel van een sein tegenbevel geven).
Vernieuwen, b. w. — Het gesletene vervangen.
Verongelukken, o. w. — Schipbreuk lijden, stranden, vergaan.Op een kust,op een klipV—.
Verpoozen, b. w. — Aflossen.Iemand van zijn vrachtV—.
Verrekijker, z. n. m. — Koperen of houten uitschuivende buis met geslepen glazen voorzien, waardoor men verwijderde voorwerpen, welke met het bloote oog niet te bereiken zijn, kan waarnemen.
Versche schoot, z. n. m. (veroud.) — Strook zoet water, die onvermengd een eind in zee loopt.
Verscheren, o. w. 1o. (veroud.) — Voorbyschieten: wordt van balken en planken gezegd, die door elkander heenslaan. Hoe meer de buikstukken en knieënV—, hoe sterker het schip is.
2o. Het loopend touwwerk in de bloks veranderen.
Verscherven, o. w. — Het voorby elkander schieten der verschillende lengten, die tot een verbinding dienen.
Verschansen, b. w. — Het gedeelte van een schip, dat boven water komt, afwerken.
Verschansing, z. n. v. — Schans, bovenwerk van een schip.
Verschieten, b. w. — Van plaats doen veranderen.Den ballastV—.
Verschil, z. n. o. — Onderscheid.V—in capaciteit, in waterverplaatsing en in gewicht van het voor- en achterschip(onderscheid tusschen het gewicht van het voorschip of van de vloeibare stof, welke het al drijvende verplaatst, en dat van het gewicht waters, door het achterschip verplaatst.)V—in zee tusschen de gissing en de waarneming(’t welk plaats heeft, wanneer, by ’t opmaken van ’t bestek, de lengte en breedte niet overeenkomen met de waarnemingen).
Versebalie, z. n. v. — ZieVarsebalie.
Versteken, b. w. — Van plaats doen veranderen. ZieVerverschen.
Versteken, b. n. (veroud.) —EenV—schip(een schip, dat zijn reisgenoot kwijt is, of dat zelf zijn reis niet volvoeren kan).
Versterking, z. n. v. — Hulp, bystand.
Verstikt, b. n. — ZieTouw.
Verstoppen, b. w. — Lucht- of waterdicht maken.Het zand heeft de pomp Verstopt.De ballast Verstopt de loggaten.
VerstouwenofVerstuwen. — De Stuwaadje van plaats doen veranderen.Het ruim opbreken om teV—.
Verstuwen, b. w. — ZieVerstouwen.
Verteeren, b. w. (veroud.) — Breken, scheuren.De masten zijn Verteerd.
Vertieren, o. w. — Achteruitgaan.Een schip dat veel Vertiert.Oudtijds werd het voor “voortgaan” genomen.
Vertimmeren, b. w. — Herstellen, op nieuw timmeren.
Vertimmering, z. n. v. — De daad vanVertimmeren.
Vertooien, o. w. — ZieZorren.
Vertuien, b. w. — Het Tuianker uitwerpen.Een schipV—(een schip tusschen twee ankers vast leggen, het daagsch anker voor den vloed, het tuianker voor de Ebbe.)LangsstroomsV—(een anker recht voor- en een ander recht achteruit leggen: wat geschiedt wanneer men vreest aan wal te drijven.)Te stijf Vertuid liggen(als de touwen te stijf gewonden zijn, zoo dat men niet kan zwaaien.)Ergends Vertuid liggen(zich ergends bevinden, waar men door eigen schuld niet gemakkelijk van daan kan raken).
Vertuind, b. n. — Van een Vertuining voorzien.
Vertuining, z. n. v. ofGebroken Gang. — Gedeelte van het scheepsboord, dat over den bak of door de kampanje heenloopt.
Vertuiningsplanken, z. n. v. mv. (veroud.) — Planken van het achterkasteel.
Vervalvan het water, z. n. o. — Het verschil van diepte by vloed en ebbe.Er is hier een grootV—van water.—Op die reede is eenV—van water van drie tot vier vadem.
Vervallen, o. w. — Op een plaats komen waar men niet wezen wil.Op de kustV—.In een engteV—.Onder den windV—.
Vervaren, b. w. — 1o. Afschaken, uitschaken: den afstand vermeerderen.Dekabelaring schrikken,V—aan het spil(beletten, dat de bochten zich by ’t ronddraaien kruissen).Een talieV—.
2o. Veranderen.Met stenge en raas Vervaard liggen(met gestreken stengen en de onderraas langsscheeps).
Ververschen, b. w. — Men wordt gezegd het touw enz. teV—, wanneer men het zoodanig omhaalt, dat niet langer dezelfde plekken aan dezelfde wrijving, schuring enz. blijven blootgesteld.
Vervuren, o. w. — Inwendig vergaan.Vervuurd hout.
Vervrachter, z. n. m. — Hy, die een schip verhuurt om bevracht te worden. ZieBevrachter.
Vervrachting, z. n. v. — De daad van Vervrachten. ZieBevrachting.
Verwaaid, b. n. — Door den wind verhinderd.Zy lagen daar eenige dagenV—(door tegenwind belet hun reis voort te zetten).
Verwateren, b. w. — Wateren, met water vullen.Het vaatwerkV—(het met zout water vullen, ten einde het voor uitdroogen en bersten te behoeden.
Verwerken, b. w. — Omwerken, overpakken.GoederenV—,naar een andere legplaatsV—.
Verwisselen, b. w. — Aflossen,De wachtV—,de strengenV—.
Verzanden, o. w. — Stroomen, baaien, havens, enz. worden gezegd teV—, wanneer zy door het in verloop van tijd aangespoelde Zand, in diepte verminderen en eindelijk onbruikbaar worden.
Verzegeling, z. n. v. — Zie de bepalingen omtrent deV—van geladen schepen in de Alg. Wet van 26 Aug. 1822, art. 153–156.
Verzeilen, o. w. — 1o. Te land komen waar men niet wezen wil.Wy raakten op een koraalklip Verzeild.
2o. Van ligplaats veranderen.Wy verzeilden naar den zuidwal.
Verzeilen, b. w. — Verliezen.Een schipV—.
Verzeisen, o. w. (veroud.) — Veranderen, verschieten. De wind wordt gezegd teV—, ’t zij hy goed of slecht wordt.
Verzekeraar, z. n. m. — Hy die tegen schade verzekert.