L.

L.Laadgat, z. n. o. — ZieZundgat.Laadpriem, z. n. m. — ZieRuimnaald.Laag, z. n. v. — 1o. (veroud.) Zog, Kielwater.2o. De stukken geschut, die op dezelfde rij geplaatst zijn.BovensteGeschutL—,OndersteGeschutL—.3o. De schoten, uit de op een rij geplaatste stukken gelijktijdig gelost.De volleL—geven(uit al de stukken, die zich aan ééne zijde bevinden,tegelijkschieten).Hy heeft een geduchteL—ontfangen(hy is hevig beschoten).Spreekwijze:Iemand de volleL—geven(hem geducht de waarheid zeggen: ook: hem ruw bejegenen).Laars, z. n. v. — End dag, waarmede men iemand afstraft.Laarzen, b. w. — De schepelingen met een end dag op de natte broek kastijden. VolgendsBild.opLaarszoû ’t woord oorspronkelijkLeerzenzijn en beteekenen “metlederenriemen slaan”. DochKiliaansteltleersensynonium metbot-aersen(met schoenen of laarzen slaan).Labber, b. n. — Lui, flaauw, naar.Labberen, o. w. — Fladderen, wapperen, wordt van een zeil gezegd.Labberkoelte, z. n. v. — Flaauwe wind, waarby de zeilen niet gespannen staan, maar alleen labberen en fladderen.Labberlot, z. n. v. — Naam van eene der sloepen.Labberlottig, b. n. — ZieBelabberd.Labzalven, b. w. — ZieLapzalven.Ladder, z. n. m. — Samenstelling van planken of van touw, waarmede men op- of afstijgt.TouwL—,ScheepsL—.Laden, b. w. — Vullen, van zijn lading voorzien: en dus, zoowel met betrekking tot de goederen, die in het schip, als tot het kruit en lood, die in het geschut gebracht worden.Het schip is Geladen(heeft zijn lading ontfangen).De goederen zijn Geladen(zijn binnen boord gebracht).De kanonnen zijn Geladen(zijn gereed gemaakt om afgeschoten te worden). Zie de bepalingen omtrent het Laden en Lossen in de Alg. wet van 26 Aug. 1822,Hoofdst. XIV, artt. 127–152.Spreekwijze:Ik heb Geladen waar ik meê over moet(ik heb my eenongemak, een kwelling op den hals gehaald, die my zal byblijven).Lading, z. n. v. — 1o. De waren, goederen, koopmanschappen, enz. welke in een vaartuig worden overgevoerd.InL—liggen(wordt een schip gezegd te doen, als het klaar ligt om ingeladen te worden).L—stukgoederen,L—stootgoederen.Wanneer de morgenstar zal rijzen,Zal ’t licht de rijkeladingwijzen.Van Haren,de Geuzen.2o.De dracht kruit, die een vuurwapen vereischt.3o. De hoeveelheid kruit, kogel of kogels, enz. die te samen genomen in een vuurmond gebracht wordt.4o. De daad zelve van het Laden (GezwindeL—,L—in 4, in 11 tempoos).Lagerwal, z. n. m. — De oever, waar de wind op staat en alzoo het tegenovergestelde vanOpperwalofOppert.Spreekwijze:AanL—zitten,aanL—zijn(zich in slechte omstandigheden bevinden:—omdat een vaartuig, ’t welk aanL—ligt, geen beschutting van de landzij hebbende, aan den wind is blootgesteld en dikwijls gevaar loopt van stranden).Laken, z. n. o. (veroud.) — Oneig. voor Zeil.Voor hetL—gaan(voor-de-wind zeilen).Lampion, z. n. o. — Blikken ring, waar binnen de pit gevat is, wier licht het kompas beschijnt.Land, z. n. o. — Ten opzichte van den zeeman, al wat geen water is.BeneveldL—(wat men niet goed onderscheiden kan).GrootL—(het vasteL—met betrekking tot een Eiland, of een groot Eiland met betrekking tot een kleiner).GeslotenL—(Landpunten of Eilanden, tusschen welke men niet doorheen kan zien, zoodat zy met elkander verward worden).HakkeligL—(waarvan het bovenste gedeelte zich dor en heuvelachtig voordoet).HoogL—(dat zich hoog boven de zee verheft).VerkenbaarL—(dat licht te kennen valt).VastL—(dat tot het vasteL—behoort).L—dat ontvalt(kust, die zich naar de regels der perspectief langzamerhand schijnt te verwijderen).L—zien,L—hebben(in de nabyheid van hetL—zijn).Daar isL—!L—vooruit!L—!L—in het gezicht!L—te loefwaarts!L—aan stuurboord!L—kraanbalksgewijze te loefwaarts!L—dwars over bakboord!enz. (uitroepen, door den uitkijk gedaan).OverL—zeilen(veroud.), (zeilen, waar men naar de gissing gemeend hadL—te moeten vinden, ofschoon men er ver van verwijderd is). ZieBoterland.Spreekwijze:Ik zieL—(de bak is byna ledig, ik zie den boôm).L—voor den bak slaan(aannemen, alleen den bak ledig te eten.)Daar sla ikL—voor(dat is voor my alleen.)Er is geenL—met hem te bezeilen(er is geen middel om met hem te recht te komen).Het zal hier op hetL—waaien(daar is wat kwaads naby).Hy kan wel zien, hoe na byL—(hoe het met een zaak gelegen is).Hy durft niet vanL—(hy durft het niet wagen).Ik heb hetL—(ik ben gemelijk—als een zeeman, die zich aan wal verveelt).Iemand hetL—opjagen(iemand uit zijn humeur brengen).Landen, o. w. — Zich aan Land begeven, aan Land komen.Een geschikte plaats om teL—(om aan wal te komen).De troepen zijn Geland(zyn aan land gekomen).Zoo blinckt de zon op ’t schoonst, die aanbreeckt uit den damp,Zoolantde vloot, na storm, gelukkigst in de haven.Vondel,Inw. van ’t Stadthuis.Landganger, z. n. m. — Een die van scheepsboord zich aan Land begeven heeft.Landing, z. n. m. — Het aan wal gaan, byzonder met vyandelijke inzichten.DeL—der Engelschen in Noord-Holland.Wy konden ons voordeel niet doorzetten by gemis aanL—troepen.Landingboot, z. n. v. — Boot, waarmede een Landing verricht wordt.Landingsplaats, z. n. m. — Plaats, bekwaam gemaakt om er te landen: ook eenvoudig de plaats waar men geland is, of welke men uitkiest om er te Landen.Landkrab, z. n. m. — Schimpnaam, door ’t zeevolk aan de Landsoldaten gegeven.Landmerk, z. n. o. — Wordt in ’t algemeen genomen voor elk vast voorwerp, dat, op het land staande, door de richting, waarin men het uit zee bespeurt, dienen kan om in het vaarwater te blijven, klippen en banken te mijden, enz.Landontdekking, z. n. v.— 1o. Het Ontdekken van een te voren onbekend Land.2o. Verkenning van land.Op de hoogte van Mauritius gekomen, zond de Amiraal een brik uit opL—.Spreekwijze:OpL—uitgaan(zich van een zaak vergewissen).Landslot, z. n. o. (veroud.) — Haven, die door bergen of hoogten ingesloten, tegen alle winden beschut ligt.Landstreek, z. n. v. — Gewest, landouw.Landtong, z. n. v. — Strook Lands, die als een Tong in zee uitsteekt.Wy liepen langs eene met boomen begroeideL—die ons in de rivier bracht.Landvalling, z. n. v. (veroud.) — Ontdekking, opdoeming van eenig Land.Landverkenning, z. n. v. — 1o. Het verkennen, onderzoeken eener landstreek.2o. Men noemt ookL—enzekere merken, als torens, molens, enz., van welker betrekkelijke plaatsing men den ingang van een stroom of van een haven enz. herkent.Landwind, z. n. m. — Wind, die van het Land zeewaarts inwaait en op gezette tijden, gelijk zulks in bergachtige landen zeer gewoon is.Landziekig, b. n. — Door Landziekte of heimwee aangetast; van hier: langzaam, traag, verveelend.Wy hadden eenL—ereis.(wy waren lang onderweg).Spreekwijze:EenL—eredevoering(die te lang duurt, verveelt).Landziekte, z. n. v. — 1o. Ziekte, aan welke men onderworpen is, wanneer men aan de luchtgesteldheid of leefregel van een vreemd land nog ongewoon is.2o. Het heimwee aan boord van onbevaren matrozen, waardoor zy zich moedeloos, traag, verveeld gevoelen, en langzaam aan het werk worden.Langeveld, z. n. o. ofMondstuk. — Het gedeelte van een mortier, van waar het topperstuk eindigt tot aan de monding.Langs, bw. — Bezijden, voorby.L—een kust heenzeilen(een kust voorbygaan).DichtL—den wal loopen.Een schip,een eilandL—zeilen.Langsdennen, z. n. v. mv. ofLangshouten. — Leggers eener helling.Langshouten, z. n. v. mv. — ZieLangsdennen.Langscheepsch, b. n. — Van voren naar achteren.EenL—verband(een verband, dat zich langs het schip uitstrekt).Langszalings, z. n. m. mv. — Eikenhouten dwarsbalken, twee in getal, aan weêrskanten op de ooren der benedenmasten en op de hommers der topmasten geplaatst.Langs zijde, voorz. voorlangs de zijde van.L—de Argo.Laning, z. n. v. — Planken brug, overloop.Lanspassaat, z. n. m. (veroud.) — De laagste Onderofficier. ’t Woord is afgeleid van ’t Ital.lancia spezzata(gebroken of geknotte lans). In ’t Groot-Placaetboek, D. V. bl. 173, vinden wy in een opgave van krijgsonkosten denLandtspassaettusschen den Korporaal en den Tamboer geplaatst. ZieDe VriesopHooftsWarenar, bl. 109.Lantaarn, z. n. v. — Verschillend in grootte en gebruik. ZieDieveL—,GeschutL—,KruitL—,SeinL—. ’t Woord wordt ook meer bepaald genomen voor de met glazen voorziene kap, waardoor licht in de kajuit gegeven wordt.Lantaarngat, z. n. o. — Hok achter de kruitkamer, waarin de kruitlantaarn wordt ontstoken.Lantaarnvuur, z. n. o. — Vuurbaak, in een haven geplaatst om de binnenkomende schepen te lichten.Lantaarnstander, z. n. m. — Stijl of Stander, waar de Lantaarn op rust.Lantione, z. n. v. — Soort van Sineesche kustgalei, van een aantal riemen voorzien.Lap, z. n. v. ofLap tegen den achtersteven. — 1o. Stuk hout, dat tegen den achterkant des achterstevens geplaatst is, en dienen moet om voor te komen dat dit deel te veel verzwakt worde door het inlaten der vingerlingen en het maken van de messing.2o. Zeil; doch meest gebruikelijk in het m. v. of als diminutief. ZieLapjen.AlleL—penuithangen(alle zeilen byzetten).Voor deL—penafloopen(voor-de-wind afloopen).Spreekwijze:Hy laat het onder deL—hangen(hy verteert veel geld).Lapjen, z. n. o. —Zeiltjen.De wind is vlak voor ’tL—(is voordeelig).Spreekwijze:Het gaat hem voor ’tL—(het gaat hem voorspoedig).Iemand voor ’tL—houden(iemand voor den mal houden: oorspronkelijk; iemand gebruiken, om er zijn doel mede te bereiken).Lappen, b. w. — Tijdelijk herstellen.Lapzalven, b. w. — Is eigenlijk: “Lappen met zalf bestrijken,” waarom ook een heelmeester spotswijze een Lapzalver genoemd wordt. Als scheepsterm neemt men het voor: “scheepstuig nazien en teeren”.Lasch, z. n. m. — Vereeniging van twee of meer in dezelfde richting loopende stukken, zoo dat hun breedte en dikte onveranderd blijft.PlatteL—(wanneer de enden der deelen schuins op elkander sluiten). ZieHaakL—,TandL—, enz.Laschyzer, z. n. o. — Soort van dubbele spijker, voor de deksverbindingen in gebruik.Laskaar, z. n. m. — Indiaansche matroos.Last, z. n. o. — Gewicht van twee ton of 4000 Pond.Dat schip voert N.L—.Een vaartuig van 100L—.Last, z. n. m. —1o. Vracht, lading.Het schip heeft zijnL—in.Het schip is wel byL—(is behoorlijk geladen). ZieLastbreker.2o. Bevel, kommando.3o. In ’t mv. voor “belasting.”ZijnL—enopbrengen.Lastaadje, z. n. v. (veroud.) — Scheepstimmerwerf of plaats, waar die gelegen is of kan worden opgericht. Een buurt aan den IJkant te Amsterdam plach er haar naam van te dragen.Bild.leidt den naam van ’t Deensch af: zie zijnGesl. in v.Lastbalken, z. n. m. mv. ofRuimbalken(veroud.) — Balken, die tot versterking dienen van het onderschip en waarvan het koebrugdek gevormd wordt.Lastbreken, o. w. — Een gedeelte van de lading lossen.Lastgeld, z. n. o. (veroud.) — Tonnegeld, geld, dat in evenredigheid der zwaarte van het schip geheven werd.Lastlijn, z. n. v. ofEerste Waterlijn. — Denkbeeldige lijn, welke men zich voorstelt langs een schip gelijk met den waterspiegel getrokken te zijn, wanneer het zijn gewone lading in heeft en gezonken is op de diepte welke de bouwmeester gewild heeft.Lat, z. n. v. — Dun, lang en plat stuk hout of yzer.Laten, b. w. — 1o. Verlaten.Zijn ankersL—(voor achterlaten).2o. Hulpwerkwoord.Een schipL—loopen(het zijn koers doen houden).Het ankerL—vallen(het anker uitwerpen).Een onderzeilL—vallen(het byzetten).Een touwL—vliegen(het in eens losgooien).Latijnzeil, z. n. o. ofEmmerzeil. — Driehoekig zeil, aldus genoemd, omdat het by de Latijnsche volkeren in gebruik was.Laveeren, o. w. — 1o. Een zeilend vaartuig beurtlings over den eenen en den anderen boeg doen wenden, ten einde in den wind op te werken.2o. De beweging, welke alsdan het vaartuig zelf doet.Hetzij wy zeilen oflaveeren,Is Godt met ons, niets kan ons deeren.Cats.Lazaret, z. n. o. — Gesticht in eenige havens, voornamelijk der Middellandsche Zee, en ingericht om er lieden of goederen, die uit besmette of verdachte havens komen, quarantaine te doen houden, ’t Woord is Ital. en beteekent Lazarushuis.Leeftocht, z. n. m. — Voorraad van spijs en drank.Legdagen, z. n. m. mv. of, naar de hedendaagsche speling,Ligdagen. — Dagen, bepaald tot lading of lossing van een schip.Leggen, o. w. of, naar de latere spelling,Liggen, — ’t welk men echter nooit uit den mond van een zeeman hooren zal, in uitdrukkingen als:De wind gaatL—(het wordt stil weer).Voor ankerL—.Leggen, b. w. —De kielL—(haar op blokken stellen).Het geschut in de rolpaardenL—(het op zijn plaats brengen).Het LandL—(zich verwijderen van het Land, zoodat het in ’t water schijnt te verzinken).Legger, z. n. m. — 1o. Geteerd watervat.2o. Stutbalk.3o. Vaartuig, dat men by het kielen of timmeren van een schip by de hand heeft liggen om ’t een of ander te bergen.4o. Waker op een ledig schip.’t Schip is opgelegd en heeft eenL—aan boord.Leguaan, z. n. m. — Bekleedsel van touw om de raas, mede dienende ter vervanging van het bindwerk der raas.SloepsL—(Gordel van touwwerk, voor aan een sloep gebonden, en dienende om haar by stooten van beschadiging vrij te waren.)Legwaring, z. n. v. — Lijfhouten op het dek langs het boord.Leider, of meer gebruikelijkLeier, z. n. m. — 1o. Touwwerk, dat van den masttop naar de richting der stags getrokken wordt, en waartegen men de voornaamste foks en middelzeilen ophaalt.StaandeL—(zwaar touw, dat voor of tegen een schuinschen mast geplaatst wordt, om het gebruik van een vierkant zeil gemakkelijker te maken).2o. Leuning.L—van het galjoen,L—van de verschansing,L—rondom het boord,L—van de helling,L—van de wieg.Leissels, z. n. o. voorLei-zeels. — Stroppen van de raas.Leizeil, z. n. o. — Zeil, dat men by ruimen wind buiten de razeilen uitvoert.Lek, b. n. en bw. — Open, zoo dat het vocht uitloopt.Dat vat isL—(het houdt geen water).Met eenL—keboot is ’t slecht varen.Lek, z. n. o. — Toevallige opening in een vaartuig, waar het water door binnen dringt, veroorzaakt door ’t stooten op een klip, baak of ander voorwerp, door aanzeiling, door grondschoten, door zwaar slingeren, enz.De bodem slorpte ’t natDoor ’t stooten op een paal; waardoor een yeder zatIn ’t water tot de knie en vreesde te versticken,Het ongemack was groot, noch durfde niemant kicken.Doch ’tLeckgeraeckte dicht en stopte wonderbaerVan zelf.Vondel,Gijsbrecht van Aemstel.Dat schip heeft eenL—,DatL—moet gestopt. Ook opening van een vat, kuip, enz. waar het water door weg loopt.In dat vat is eenL—gesprongen.Catsbezigt het woord vr.Ziet door een kleinelekzoo komt een schip te zinken,Al schijnt het maar de zee by droppels in te drinken.Spreekwijze:HetL—stoppen(het verlies vergoeden).Lekkaadje, z. n. v. — Wegsypeling van het vocht, gevolg van een Lek.Er is zwareL—geweest: er moet zoo veel worden afgetrokken voorL—.Lekken, o. w. — Uitloopen, wegsypelen, ledig loopen.Lelie, z. n. v. — De punt der kompasnaald, die den vorm eener lelie heeft.Schoon zegtVondel,Lof der Zeevaart:Delelidoelt naar d’ as, en dwaalt en is ontrustTot dat ze Areturus vint en hem van blijschap kust.Leng, z. n. o. — Strop, dubbel geslagen touw, dienende om vaten of andere zware voorwerpen op te hijschen.Lengen, b. w. — Aaneenbinden van de netten voor de steurharingvangst in gebruik. Doorgaands wordt hetL—van de eerste vleet (21 netten) door vrouwen verricht.Lengte, z. n. v. — 1o. Afstand tusschen den meridiaan eener plaats en den eersten meridiaan.Die stad ligt op N. graden Wester- of OosterL—.2o.AstronomischeL—eener planeet(boog der ekliptika, begrepen tusschen den evennachtslijn of het eerste punt van Ariës en de plaats op de ekliptika, waarmede de planeet loodrecht overeen komt).3o.GeocentrischeL—(punt der ekliptika, waarop het middelpunt eener planeet, van de aarde gezien, loodrecht neêrvalt).4o.HeliocentrischeL—(punt der ekliptika, waarop het middelpunt eener planeet loodrecht zoû neêrkomen, indien zy van de zon gezien werd).Lens, bw. — Ledig.Een schipL—pompen(het door middel van pompen van het ingezwolgen water bevrijden).De pompL—pompen(pompen, tot dat het water, dat zich in ’t ruim bevindt, lager staat dan het benedeneinde der pomp).Spreekwijze:De beurs isL—(het geld is op).Lenspomp, z. n. v. — Pomp, die in een stoomvaartuig door de stoomkracht in beweging gebracht wordt, en die voornamelijk dienstig is om het water, door lekkaadje of uit de ketels in het ruim geloopen, weder weg te werken.Lens(ter)gaan, o. w. (veroud.) — De zeilen met ruime schoten ter windvang stellen. Thands zegt men daarvoor “van den wind loopen.”Lenzen, o. w. — By stormweer met weinig, of zonder zeil voor den wind of de zee weg loopen.Het voor tip en takelL—dehouden.Leuning, z. n. v. — Borstweering.L—van het galjoen.Leunstag, z. n. o. — Stag, waar een schip in aanbouw op steunt.Leuvers, z. n. m. mv. — Oogen met yzeren kousen in de lijken der zeilen, waarin boelijns, gordings enz. worden vastgemaakt.Levendig(De zeilen)houden, b. w. — De zeilen laten wapperen, op den wind brassen, doen hellen.Licenten, z. n. v. mv. (veroud.) — Rechten op den in- en uitvoer gesteld. ZieKonvooien.Licht, z. n. o. — Voor kunstlicht, vuurbaak.Licht, b. n. — Byvaartuiggevoegd, geeft daaraan doorgaands de beteekenis van hulpvaartuig. Zoo worden onder deL—evaartuigen genoemd de sloepen, booten, jols, enz. die een groot vaartuig ten dienste staan.Lichten, b. w. — 1o. Ophalen.Het ankerL—.2o. Uit zijn plaats nemen.Het roerL—.3o. Ontlasten, Lichter maken.Een schipL—(er een deel der lading of der goederen uit nemen of over boord werpen). Dit mag volgends art. 19 der Alg. Wet van 26 Aug. 1822 alleen op bepaalde lichtingsplaatsen geschieden.Spreekwijze:Het ankerL—(vertrekken).Alle beetjens helpen, alle vrachtensL—, zeî de schipper, en hy smeet zijn vrouw over boord.Lichter, z. n. m. — Vaartuig, waarmede groote schepen gelost worden, wanneer zy te veel diepgang hebben om met ongebroken lading hun bestemmingsplaats te bereiken. Vóór de doorgraving van het Noord-Hollandsch kanaal, werden de goederen uit de koopvaarders by hun aankomst op de reede van Texel, alle doorL—snaar Amsterdam vervoerd. Zie de bepalingen, omtrent deL—sin artt. 19, 20, 21 en 22 der Alg. Wet van 26 Aug. 1822.Spreekwijze:EenL—aan boord krijgen(ondersteuning krijgen om door de bezwaren heen te komen).Lichter, z. n. m. — Lichtverschaffer: Hek- of Marslantaarn.Lichting, z. n. m. (veroud.) — De kring of draaijing van het touwrondomden spil.Lier, z. n. v. — Horizontaal geplaatste kaapstander, dienende om vrachtgoederen in een schip te hijschen.Ligdagen,Liggen, enz. — ZieLegdagen,Leggen.Ligging, z. n. v. — Gesteldheid, waar een plaats zich bevindt.Linie, z. n. v.,EvennachtslijnofEquator. — Cirkel om den aardbol, die overal even ver van de beide polen verwijderd is.DeL—passeeren(van het N. in het Z. halfrond gaan of omgekeerd).Spreekwijze:DeL—gepasseerd zijn(50 jaar oud zijn geworden).Linie, z. n. v. — Lijn, slagorde.InL—geschaard zijn.GeslotenL—(wanneer de schepen op korten afstand van elkander zijn).LoefwaartscheL—,LywaartscheL—(wanneer twee vlooten zich op evenwijdige lijnen by elkander bevinden).Linieschip, z. n. o. ofSchip van Linie. — Groot oorlogsvaartuig, vroeger “Schip van oorlog” genoemd.Lip, z. n. v. — Keep.Lipklamp, z. n. v. — ZieKlamp.Loef, z. n. v.,LoefboordofLoefzijde. — 1o. In een zeilend schip, de zijde, waar de wind op staat.AanL—zitten.2o. De benedenhoek van een groot zeil windwaarts.3o. Het voordeel van den wind.DeL—afwinnen(het voordeel van den wind bekomen).DeL—houden(het voordeel van den wind bewaren).Spreekwijze:Iemand deL—afsteken(voordeel op iemand behalen, iemand voor zijn).Iets eensL—sdoen(iets zonder beraad, zonder aarzelen doen).Loefbalk, z. n. m.,MaststutofMastschoor. — Naam van zware stukken hout, die tot stut van een benedenmast dienen, als hy in de kiel ligt.Loefboom, z. n. m. — ZieBotteloef.Loefboord, z. n. o. — ZieLoef.Loefbras, z. n. m. — Bras aan de windzijde.Loefgierig, b. n. — Zwaar op het roer.L—schip(dat gemakkelijk naar den wind luistert en tegen het roer in geneigd is te Loeven).Loefhals, z. n. m. — Hals aan de windzijde.Loefhouden, o. w. — Goed by-de-wind zeilen, zonder af te vallen.Loefhouder, z. n. m. — 1o. Schip dat goed by-de-wind zeilt.2o. ofBitstuk. — Strook hout, tegen den voorkant des voorstevens aangebracht.Loefpardoen, z. n. o. — Vliegend Pardoen.Loefschoot, z. n. v. — Schoot aan de windzijde.Loefspant, z. n. v. (veroud.) — Spant, die in verband staat met de halsklamp.Loefwaart(Te), bw. — ZieLoevert(te).Loefwal, z. n. m. — Wal, kust aan de windzijde.Loefzijde, z. n. v. — ZieLoef.Loerding, z. n. v. — ZieLording.Loet, z. n. v. — Spaansche bezem, waarmede een schip onder water geschrobd wordt.Loeven, o. w.AanloevenofOploeven. — By-de-wind komen, den voorsteven van het schip naar den wind brengen.L—is het tegenovergestelde van Afhouden.L—!L—op!Houd deL—!L—op stijf!(houd dicht by den wind!)L—op voor de bui!L—voor de zee!Loevert(Te), bw. — Aan de windzijde.Een schip teL—bespeuren.Log, b. n. — Bang, zwaar.L—in het zeilen.Dat schip ligtL—op het water.Log, z. n. v. — Werktuig, in zee gebezigd, om de voorwaartsche snelheid van een schip te meten.Logboek, z. n. o. — Dagregister, scheepsjournaal.Loggaten, z. n. o. (veroud.) — ThansVullingsgatengenoemd. Zie ald.Loggen, o. w. — De Log over boord werpen.Logger, z. n. m. — Klein oorlogsvaartuig, meestal met zoomwerk voorzien. Het heeft veel diepgang achter, voert een grooten mast, een fokkemast en een druil, en is met marszeilen getuigd.Logglas, z. n. o. — Zandloopertjen, dienende om de tijdruimte te bepalen, waarin de Loglijn loopt.Loglijn, z. n. v. — Lijn, die van den overlooper af met knoopen en halve knoopen voorzien is, de eerstgemelde op 15,5 el, de laatstgenoemde op 7,7 el afstands. De knoop maakt het 120stegedeelte van het derde eener zeemijl: de tijdruimte der meting is een halve minuut.Logplankjen, z. n. o. — Driehoekig plankjen, dat aan de onderste zijde met lood voorzien, en door een hanepoot aan de loglijn vastgemaakt, van het achterschip in zee geworpen, overeind blijft staan, terwijl het schip voortgaat, en alzoo dient om den afstand te meten, welken een schip gedurende 15 à 30 seconden heeft afgelegd.Logrol, z. n. m. ofLogwuit. — Spil, waar de Loglijn over loopt.Logtafel, z. n. v. — Zwart geschilderde plank, in kolommen afgedeeld, en waarin met het einde van elke wacht wordt opgeteekend, wat noodig is om te weten, ten einde den koers van het vaartuig te berekenen en den afstand, welken het volgends de Log heeft afgelegd.Logwuit, z. n. v. — ZieLogrol.Lokgat, z. n. o. (veroud.) — Waterloozing.Lont, z. n. v. — Gedraaid touw, dienende om het geschut te doen ontbranden.Lontstok, z. n. v. — Stok, waar de Lont aan gehecht is.Lontvat, z. n. o. — Vat voor de Lonten.Lood, z. n. o.,Diep-ofPeillood. — Langwerpig vierkant stuk lood, van boven met een gat, waarin de strop gesplitst is, aan welken de loodlijn vast zit, dienende om de diepte van het water te peilen.DiepL—,ZwaarL—(het Lood waarmede groote -),HandL—,LichtL—(waarmede kleine peilingen verricht worden). Aan het onderste van ’t zwaarL—is een holte, die met talk gestopt wordt en dient om de natuur van den bodem, b. v. zand, modder, steen- of korrelgrond, te onderkennen.Looden, o. w. — Diepte-peilen.Loodbalie, z. n. v. — Tobbe, waar de natte Loodlijn by ’t binnen halen in wordt geborgen.Looding, z. n. v. — Diepte-peiling.Loodlijn, z. n. v. — Witte Lijn, waar het Lood aan gehecht is, en door welke de diepte van het water gemeten wordt.Loodlijnblok, z. n. o. — Blokjen, dat aan het want van een benedenmast gehecht wordt, en waarvan men zich bedient om de Loodlijn gemakkelijker uit de diepte op te halen.Loods, z. n. m. — Iemand, die een schip in zee, of uit zee op de reede brengt, en meer byzonder iemand, die een vaste aanstelling heeft om zulks te verrichten.BinnenL—(die zijn bedrijf op de binnenwateren uitoefent).BuitenL—(die met het buitenwater bekend is).Antonidesnoemt in zijnIJstroom, de Loodsen:Een volk, in ’t peilen van den gront en droogte ervaren.Spreekwijze:Het zit er niet dieper, zei deL—en hy peilde in de vleeschbalie(op botterikken toe te passen).Loodsboot, z. n. v.,LoodsschuitofLoodsvaartuig. — Vaartuig, dat den Loods ten dienste staat, om hem aan boord der schepen, aan welke hy hulp verleenen moet, te brengen, of er hem van daan te halen. DeL—is aan een bepaalde vlag of teeken kenbaar.Loodsen, b. w. — Een schip naar binnen of naar buiten voeren, met behulp, ’t zij van theoretische, ’t zij van plaatselijke kennis.InL—,BinnenL—.Nu scheen zy eens een kleene bootIn ’t roeien na te bootsenEn ’t vlot, by ’t kronklen van den stroomDe bochten in telootsen.Bilderdijk,Elius.Loodsgeld, z. n. o. — Geld, dat voor het Loodsen betaald wordt.Ontfanger derL—en(ambtenaar, die deL—enontvangt en aan het Departement van Marine verantwoordt).Loodsman, z. n. m. — ’t Zelfde alsLoods.Loodswezen, z. n. o. — Al wat tot het bestuur en de inrichting van het Loodsen betrekking heeft.Loog, z. n. v. — Stukken hout, die volgends ’t beloop van ’t schip moeten gebogen worden en door bevochtiging en branding krom trekken.Loogen, z. n. v. — Stukken hout nat maken en buigen.Loom, b. n. — Wordt een schip gezegd te zijn, wanneer het traag is in zijn bewegingen.Loop, z. n. m. — 1o. Richting.DeL—van een stroom.2o. Bus van een schietgeweer.3o. Het terugspringen van een losbrandend kanon.Loopen, o. w. — 1o. Varen, zeilen.Dat schip Loopt snel.ZieBinnenloopen,Uitloopen.—AchteromL—(Engeland omzeilen, ’t geen vroeger de retoervloot in oorlogstijden dikwijls genoodzaakt was te doen).2o. Zakken.Het zeil latenL—(het zeil strijken).Loopend want. — ZieWant.Looper, z. n. m.,Uithaalder,Wipper. — Algemeene benaming van alle touwen, die door een blok loopen.L—die van achteren naar voren vaart(die, door een schijf loopende, van het achterschip naar het voorschip gestrekt is).Doorgeschoven,geschorenL—(die van voren naar achteren loopt).BeknepenL—(die tusschen de schijf en het blok vast zit). Ook wordt veelal dat gedeelte van een touw, ’t welk men by ’t hijschen of halen in handen heeft, deL—genoemd.KardeelL—,StengewindreepsL—.Loopgang, z. n. m., ofLoopplank. — Het bak- en stuurboordsgedeelte van het dek, waarmede men van het voor- naar het achterschip gaat.Loopgraven, z. n. v. mv., van een Brander. — Kruitloop, in een Brander aangebracht, om dien aan te steken.Loop-in-’t lijntjen, z. n. o. — Jong matroos.Loopplank, z. n. v. — ZieLoopgang.Loopstags, z. n. o. mv. ofLeiers van den Boegspriet. — Touwen op gelijke hoogte evenwijdig aan weêrszijden van den boegspriet gespannen, en tot steun dienende van de manschappen, die verplicht zijn langs dien mast op en neder te gaan.Loos, z. n. v. — Losse bocht in een touw.Loos, b. n. — Alles wat men waarloos aan boord heeft.Looze stengen,Looze zeilen: ook wat men tot sparing van het bestaande bezigt.Looze voorsteven,Looze poorten(borden, waarmede men de geschutpoorten sluit als het geschut te boord staat).Looze(ookLosse)kiel(die aan de vaste kiel is gehecht van een schip, dat slecht stuurt).Lording, z. n. v. ofLoerding. — Driedraads geteerd garen.Los, bw. — In verscheidene kommandoos gebezigd.Kluiver en StagzeilschotenL—,L—overal!L—overal in eens!Losgooien, b. w. — Snel losmaken.Losplaats, z. n. v. — Werf of Kaai, waar goederen gelost worden.Losbranden, b. w. — Afschieten.Een roer, een kanonL—.Brandt er op Los!(schiet af!).Losscherp, z. n. o. (veroud.) — Allerlei yzerwerk, als staven, schroot, enz. dat maar los en zonder kardoezen in ’t geschut gestoken werd.Lossen, o. w. — Zich van zijn vracht ontdoen.Wy werden genoodzaakt teL—.Reglement op het laden enL—.Lossen, b. w. — 1o. Uitbrengen.GoederenL—(ze uit het vaartuig aan wal brengen). Zie omtrent hetL—van goederen de Alg. Wet van 26 Aug. 1822, Hoofdst. XIV, artt. 127–152.2o. Afschieten.Het geschutL—(schieten).3o. Bevrijden, ontslaan.Lossing, z. n. v. — Ontscheping van goederen.Lucht, z. n. v. — 1o. Hoofdstof, wier inademing den mensch onmisbaar is om te leven.L—maken(deL—door het openen van luiken, deuren of ramen, in een bedompte plaats doen binnen dringen).2o. Zwerk, uitspansel.BetrokkenL—.Dikke,verstopteL—.HeldereL—.MistigeL—.DeL—staat naar regen(er zal regen komen).3o. Wolk, bui.Er hangen zwareL—en.4o. Ruimte tusschen de deelen van een scheepsromp.DeL—enopvullen.L—entusschen de wegers.Luchtjen, z. n. o. — Windtjen, koeltjen, briesjen.Luchtgaten, z. n. o. mv. — Vierkante gaten beneden het kolsem door de zitters en buikstukken, waar het pompwater doorgaat. In de buikdenningenworden ookL—gemaakt om het water te doen schieten dat daar op staat.Luchtzeil, z. n. o. — ZieKoelzeil.Lui, b. n. (veroud.) —L—houtheette by de scheepstimmerlieden wat niet wel gekromd of gebogen was.Luien, b. w. — 1o. Wijze van lossen op koren- en steenkolenschepen.2o. Voor: “de klok luiden,” ’t geen men by mistig weer doet; ter waarschuwing om aanzeiling te voorkomen:—alsmede om het volk tot schaften te roepen.Spreekwijze:De klokL—,maar niet schoften, iets belooven, maar niet volbrengen.Luik, z. n. o. — 1o. Sluiting, bord, bepaaldelijk zulk een als dient om een opening teLuikenof dicht te maken, en van hier, door toepassing:2o. De opening zelve en wel zoodanig vierkante opening, als in de dikte van een dek of bak gemaakt is, om de gemeenschap tusschen de verdiepingen van een vaartuig tot stand te brengen. Zoo heeft men aan boord van een schip hetachterL—, hetgrootL—, hetvoorL—, en andere meer, genoemd naar de plaats, waar zy heen geleiden.Luisteren, o. w. — Gehoor geven. Het schip wordt gezegd naar het roer teL—, wanneer het de beweging aanneemt, welke de roerganger er aan wenscht mede te deelen.’t Schipluistertnaar geen roer, naer Stuurman noch kompas.Vondel.Lof der Zeevaert.Luitenant-Amiraal, z. n. m. — ZieAmiraal.Luitenant ter Zee, z. n. m. — Tytel van den Officier, die op den Kapitein-Luitenant volgt.DeL—ter zee der Eerste klasseheeft den rang van Kapitein by de Landstroepen. ’t Woord is Fransch en beteekent letterlijk: “plaats-bekleeder”, “stede-houder”.Luiwagen, z. n. m. — Cirkelvormig dwarshout, waar de roerpen over heen en en weêr loopt.Luizeplecht, z. n. v. (veroud.) — Verschansing op het voorkasteel.Lul, z. n. m. — Stagzeil, voorzeil van een visschersvaartuig.Lumieren, z. n. v. mv. — Dageraad, eerste schemering, verhollandschte uitspraak van ’t Fr.lumière.Wy moeten morgen met deL—beginnen(zoodra de dag aanbreekt).Luns, z. n. v. — Gebogen 8vormige yzeren pen, die in de as van een roltuig gestoken wordt om het afloopen van ’t wiel te beletten.Lurken, o. w. — Wordt de pomp gezegd te doen, wanneer het pomphart geen grond raakt.Luwen, o. w. — Bedaren, kalm worden.Het begint teL—(het weer zal bedaren).De storm is aan ’tL—(aan ’t verminderen).Spreekwijze:Het begint teL—, zei de reiziger, en hy zat achter een bies.Luwte, z. n. v. — Kalmte, veiligheid.Wy zijn hier in deL—(buiten den wind).Lij, z. n. v. — Van den wind, het tegenovergestelde vanLoef. Wie zich aan Loef bevindt, is aan de hoogere, wie zich aanL—bevindt, aan de lagere (duslijdende) zijde van het vaartuig.Roer aanL—!(breng het roer van den wind af).Spreekwijzen:Iemand inL—brengen(hem in nood, in lijden brengen).Iemand inL—houden(hem bedwingen).Hy ligt inL—(hy is overwonnen).Zich inL—houden(zich stil, aan lager kant houden).Lijboord,Lijboelijns,Lijbrassen, enz. — Het Boord, de Boelijns, enz. die zich aan de Lijzijde van het schip bevinden.Lijf, z. n. o. — Het grootste gedeelte eener knie.Lijfhout, z. n. o. — ZieWatergangen.Lijfknoop, z. n. m. — Boelijnsknoop, die een man om ’t lijf geslagen en waarmede hy naar een kalen mast geheschen wordt.Lijfnaden, z. n. v. mv. — Naden tusschen de watergangen.Lijk, z. n. o. — De rand, of het touw, waarmede een zeil omboord wordt; alzoo hetlichaamoflijk, dat dezielof hetzeilomsluit.Spreekwijze:Uit deL—engeslagen(’onklaar, in de war’:—omdat een zeil, dat uit zijnL—enslaat, gescheurd en onbruikbaar raakt).Lijken, b. w. — Een zeil met touwwerk omzoomen.Lijkgaren, z. n. o.— Garen, tot het Lijken gebruikt.Lijknaald, z. n. o. — Naald, tot het Lijken gebezigd.Lijn, z. n. v. — 1o. Koord, touw, gewoonlijk van witten draad van 120 vademen lengte.In deL—loopen(een schuit trekken). ZieLoop in ’t Lijntjen.Scha-baet, daer valt te met een kanghsgen onder wege,Daer ’t treck-gelt op magh staen; aers moeten w’in delijnEn halen ’t met den hals; maer dat’s een korte pijn.Huyghens,Hofwijck.2o. Denkbeeldige Streep.L—van de kim,waterL—.3o. Bocht, op den scheepswand aangeteekend, om de plaats aan te wijzen waar het Dek moet komen. ZieDekL—.Spreekwijze:Zachtjens aan, dan breekt deL—niet(laat uw ontwerp niet door overijling of drift mislukken).Trek aan datL—tjenniet(roer die zaak niet aan).EeneL—trekken(overeenstemmen, hetzelfde advies of stelsel voorstaan).Lijnbaan, z. n. v. — Eigenlijk de baan, waarin touw getrokken wordt: van daar de touwslagery zelve.Lijst, z. n. v. ofSent. — Zoomwerk, dat tijdelijk gebruikt wordt by den aanbouw van een schip, om de spanten in verband te houden.Lijstlijnen, z. n. v. mv. (veroud.)—Touwen, daar men de bonnetten aan de zeilen meê vast rijgt.Lijstnaald, z. n. v. — Kleine Lijst, strook, die, in een mast of ra, uit veelvuldige deelen saamgesteld, tot aanvulling wordt geplaatst.Lijwaart, bw. — Van den wind af.Aan Lij.Lijwal, z. n. m. — Kust, wal onder den wind.Lijzeil, z. n. o. ZieBroodwinder. —BovenL—(dat aan het marszeil),BramL—(dat aan het bramzeil),GrootbovenL—(dat aan het grootbovenbramzeil),GrootonderL—(dat aan de groote ra),KruisL—(dat aan het kruiszeil),KruisbramL—(dat aan het Grietjen),Voor-bovenL—(dat aan het klein marszeil),VoorbramL—(dat aan het voorbramzeil),VooronderL—(dat aan het fokkezeil is bygezet).Lijzijde, z. n. v. — Zijde onder den wind.

L.Laadgat, z. n. o. — ZieZundgat.Laadpriem, z. n. m. — ZieRuimnaald.Laag, z. n. v. — 1o. (veroud.) Zog, Kielwater.2o. De stukken geschut, die op dezelfde rij geplaatst zijn.BovensteGeschutL—,OndersteGeschutL—.3o. De schoten, uit de op een rij geplaatste stukken gelijktijdig gelost.De volleL—geven(uit al de stukken, die zich aan ééne zijde bevinden,tegelijkschieten).Hy heeft een geduchteL—ontfangen(hy is hevig beschoten).Spreekwijze:Iemand de volleL—geven(hem geducht de waarheid zeggen: ook: hem ruw bejegenen).Laars, z. n. v. — End dag, waarmede men iemand afstraft.Laarzen, b. w. — De schepelingen met een end dag op de natte broek kastijden. VolgendsBild.opLaarszoû ’t woord oorspronkelijkLeerzenzijn en beteekenen “metlederenriemen slaan”. DochKiliaansteltleersensynonium metbot-aersen(met schoenen of laarzen slaan).Labber, b. n. — Lui, flaauw, naar.Labberen, o. w. — Fladderen, wapperen, wordt van een zeil gezegd.Labberkoelte, z. n. v. — Flaauwe wind, waarby de zeilen niet gespannen staan, maar alleen labberen en fladderen.Labberlot, z. n. v. — Naam van eene der sloepen.Labberlottig, b. n. — ZieBelabberd.Labzalven, b. w. — ZieLapzalven.Ladder, z. n. m. — Samenstelling van planken of van touw, waarmede men op- of afstijgt.TouwL—,ScheepsL—.Laden, b. w. — Vullen, van zijn lading voorzien: en dus, zoowel met betrekking tot de goederen, die in het schip, als tot het kruit en lood, die in het geschut gebracht worden.Het schip is Geladen(heeft zijn lading ontfangen).De goederen zijn Geladen(zijn binnen boord gebracht).De kanonnen zijn Geladen(zijn gereed gemaakt om afgeschoten te worden). Zie de bepalingen omtrent het Laden en Lossen in de Alg. wet van 26 Aug. 1822,Hoofdst. XIV, artt. 127–152.Spreekwijze:Ik heb Geladen waar ik meê over moet(ik heb my eenongemak, een kwelling op den hals gehaald, die my zal byblijven).Lading, z. n. v. — 1o. De waren, goederen, koopmanschappen, enz. welke in een vaartuig worden overgevoerd.InL—liggen(wordt een schip gezegd te doen, als het klaar ligt om ingeladen te worden).L—stukgoederen,L—stootgoederen.Wanneer de morgenstar zal rijzen,Zal ’t licht de rijkeladingwijzen.Van Haren,de Geuzen.2o.De dracht kruit, die een vuurwapen vereischt.3o. De hoeveelheid kruit, kogel of kogels, enz. die te samen genomen in een vuurmond gebracht wordt.4o. De daad zelve van het Laden (GezwindeL—,L—in 4, in 11 tempoos).Lagerwal, z. n. m. — De oever, waar de wind op staat en alzoo het tegenovergestelde vanOpperwalofOppert.Spreekwijze:AanL—zitten,aanL—zijn(zich in slechte omstandigheden bevinden:—omdat een vaartuig, ’t welk aanL—ligt, geen beschutting van de landzij hebbende, aan den wind is blootgesteld en dikwijls gevaar loopt van stranden).Laken, z. n. o. (veroud.) — Oneig. voor Zeil.Voor hetL—gaan(voor-de-wind zeilen).Lampion, z. n. o. — Blikken ring, waar binnen de pit gevat is, wier licht het kompas beschijnt.Land, z. n. o. — Ten opzichte van den zeeman, al wat geen water is.BeneveldL—(wat men niet goed onderscheiden kan).GrootL—(het vasteL—met betrekking tot een Eiland, of een groot Eiland met betrekking tot een kleiner).GeslotenL—(Landpunten of Eilanden, tusschen welke men niet doorheen kan zien, zoodat zy met elkander verward worden).HakkeligL—(waarvan het bovenste gedeelte zich dor en heuvelachtig voordoet).HoogL—(dat zich hoog boven de zee verheft).VerkenbaarL—(dat licht te kennen valt).VastL—(dat tot het vasteL—behoort).L—dat ontvalt(kust, die zich naar de regels der perspectief langzamerhand schijnt te verwijderen).L—zien,L—hebben(in de nabyheid van hetL—zijn).Daar isL—!L—vooruit!L—!L—in het gezicht!L—te loefwaarts!L—aan stuurboord!L—kraanbalksgewijze te loefwaarts!L—dwars over bakboord!enz. (uitroepen, door den uitkijk gedaan).OverL—zeilen(veroud.), (zeilen, waar men naar de gissing gemeend hadL—te moeten vinden, ofschoon men er ver van verwijderd is). ZieBoterland.Spreekwijze:Ik zieL—(de bak is byna ledig, ik zie den boôm).L—voor den bak slaan(aannemen, alleen den bak ledig te eten.)Daar sla ikL—voor(dat is voor my alleen.)Er is geenL—met hem te bezeilen(er is geen middel om met hem te recht te komen).Het zal hier op hetL—waaien(daar is wat kwaads naby).Hy kan wel zien, hoe na byL—(hoe het met een zaak gelegen is).Hy durft niet vanL—(hy durft het niet wagen).Ik heb hetL—(ik ben gemelijk—als een zeeman, die zich aan wal verveelt).Iemand hetL—opjagen(iemand uit zijn humeur brengen).Landen, o. w. — Zich aan Land begeven, aan Land komen.Een geschikte plaats om teL—(om aan wal te komen).De troepen zijn Geland(zyn aan land gekomen).Zoo blinckt de zon op ’t schoonst, die aanbreeckt uit den damp,Zoolantde vloot, na storm, gelukkigst in de haven.Vondel,Inw. van ’t Stadthuis.Landganger, z. n. m. — Een die van scheepsboord zich aan Land begeven heeft.Landing, z. n. m. — Het aan wal gaan, byzonder met vyandelijke inzichten.DeL—der Engelschen in Noord-Holland.Wy konden ons voordeel niet doorzetten by gemis aanL—troepen.Landingboot, z. n. v. — Boot, waarmede een Landing verricht wordt.Landingsplaats, z. n. m. — Plaats, bekwaam gemaakt om er te landen: ook eenvoudig de plaats waar men geland is, of welke men uitkiest om er te Landen.Landkrab, z. n. m. — Schimpnaam, door ’t zeevolk aan de Landsoldaten gegeven.Landmerk, z. n. o. — Wordt in ’t algemeen genomen voor elk vast voorwerp, dat, op het land staande, door de richting, waarin men het uit zee bespeurt, dienen kan om in het vaarwater te blijven, klippen en banken te mijden, enz.Landontdekking, z. n. v.— 1o. Het Ontdekken van een te voren onbekend Land.2o. Verkenning van land.Op de hoogte van Mauritius gekomen, zond de Amiraal een brik uit opL—.Spreekwijze:OpL—uitgaan(zich van een zaak vergewissen).Landslot, z. n. o. (veroud.) — Haven, die door bergen of hoogten ingesloten, tegen alle winden beschut ligt.Landstreek, z. n. v. — Gewest, landouw.Landtong, z. n. v. — Strook Lands, die als een Tong in zee uitsteekt.Wy liepen langs eene met boomen begroeideL—die ons in de rivier bracht.Landvalling, z. n. v. (veroud.) — Ontdekking, opdoeming van eenig Land.Landverkenning, z. n. v. — 1o. Het verkennen, onderzoeken eener landstreek.2o. Men noemt ookL—enzekere merken, als torens, molens, enz., van welker betrekkelijke plaatsing men den ingang van een stroom of van een haven enz. herkent.Landwind, z. n. m. — Wind, die van het Land zeewaarts inwaait en op gezette tijden, gelijk zulks in bergachtige landen zeer gewoon is.Landziekig, b. n. — Door Landziekte of heimwee aangetast; van hier: langzaam, traag, verveelend.Wy hadden eenL—ereis.(wy waren lang onderweg).Spreekwijze:EenL—eredevoering(die te lang duurt, verveelt).Landziekte, z. n. v. — 1o. Ziekte, aan welke men onderworpen is, wanneer men aan de luchtgesteldheid of leefregel van een vreemd land nog ongewoon is.2o. Het heimwee aan boord van onbevaren matrozen, waardoor zy zich moedeloos, traag, verveeld gevoelen, en langzaam aan het werk worden.Langeveld, z. n. o. ofMondstuk. — Het gedeelte van een mortier, van waar het topperstuk eindigt tot aan de monding.Langs, bw. — Bezijden, voorby.L—een kust heenzeilen(een kust voorbygaan).DichtL—den wal loopen.Een schip,een eilandL—zeilen.Langsdennen, z. n. v. mv. ofLangshouten. — Leggers eener helling.Langshouten, z. n. v. mv. — ZieLangsdennen.Langscheepsch, b. n. — Van voren naar achteren.EenL—verband(een verband, dat zich langs het schip uitstrekt).Langszalings, z. n. m. mv. — Eikenhouten dwarsbalken, twee in getal, aan weêrskanten op de ooren der benedenmasten en op de hommers der topmasten geplaatst.Langs zijde, voorz. voorlangs de zijde van.L—de Argo.Laning, z. n. v. — Planken brug, overloop.Lanspassaat, z. n. m. (veroud.) — De laagste Onderofficier. ’t Woord is afgeleid van ’t Ital.lancia spezzata(gebroken of geknotte lans). In ’t Groot-Placaetboek, D. V. bl. 173, vinden wy in een opgave van krijgsonkosten denLandtspassaettusschen den Korporaal en den Tamboer geplaatst. ZieDe VriesopHooftsWarenar, bl. 109.Lantaarn, z. n. v. — Verschillend in grootte en gebruik. ZieDieveL—,GeschutL—,KruitL—,SeinL—. ’t Woord wordt ook meer bepaald genomen voor de met glazen voorziene kap, waardoor licht in de kajuit gegeven wordt.Lantaarngat, z. n. o. — Hok achter de kruitkamer, waarin de kruitlantaarn wordt ontstoken.Lantaarnvuur, z. n. o. — Vuurbaak, in een haven geplaatst om de binnenkomende schepen te lichten.Lantaarnstander, z. n. m. — Stijl of Stander, waar de Lantaarn op rust.Lantione, z. n. v. — Soort van Sineesche kustgalei, van een aantal riemen voorzien.Lap, z. n. v. ofLap tegen den achtersteven. — 1o. Stuk hout, dat tegen den achterkant des achterstevens geplaatst is, en dienen moet om voor te komen dat dit deel te veel verzwakt worde door het inlaten der vingerlingen en het maken van de messing.2o. Zeil; doch meest gebruikelijk in het m. v. of als diminutief. ZieLapjen.AlleL—penuithangen(alle zeilen byzetten).Voor deL—penafloopen(voor-de-wind afloopen).Spreekwijze:Hy laat het onder deL—hangen(hy verteert veel geld).Lapjen, z. n. o. —Zeiltjen.De wind is vlak voor ’tL—(is voordeelig).Spreekwijze:Het gaat hem voor ’tL—(het gaat hem voorspoedig).Iemand voor ’tL—houden(iemand voor den mal houden: oorspronkelijk; iemand gebruiken, om er zijn doel mede te bereiken).Lappen, b. w. — Tijdelijk herstellen.Lapzalven, b. w. — Is eigenlijk: “Lappen met zalf bestrijken,” waarom ook een heelmeester spotswijze een Lapzalver genoemd wordt. Als scheepsterm neemt men het voor: “scheepstuig nazien en teeren”.Lasch, z. n. m. — Vereeniging van twee of meer in dezelfde richting loopende stukken, zoo dat hun breedte en dikte onveranderd blijft.PlatteL—(wanneer de enden der deelen schuins op elkander sluiten). ZieHaakL—,TandL—, enz.Laschyzer, z. n. o. — Soort van dubbele spijker, voor de deksverbindingen in gebruik.Laskaar, z. n. m. — Indiaansche matroos.Last, z. n. o. — Gewicht van twee ton of 4000 Pond.Dat schip voert N.L—.Een vaartuig van 100L—.Last, z. n. m. —1o. Vracht, lading.Het schip heeft zijnL—in.Het schip is wel byL—(is behoorlijk geladen). ZieLastbreker.2o. Bevel, kommando.3o. In ’t mv. voor “belasting.”ZijnL—enopbrengen.Lastaadje, z. n. v. (veroud.) — Scheepstimmerwerf of plaats, waar die gelegen is of kan worden opgericht. Een buurt aan den IJkant te Amsterdam plach er haar naam van te dragen.Bild.leidt den naam van ’t Deensch af: zie zijnGesl. in v.Lastbalken, z. n. m. mv. ofRuimbalken(veroud.) — Balken, die tot versterking dienen van het onderschip en waarvan het koebrugdek gevormd wordt.Lastbreken, o. w. — Een gedeelte van de lading lossen.Lastgeld, z. n. o. (veroud.) — Tonnegeld, geld, dat in evenredigheid der zwaarte van het schip geheven werd.Lastlijn, z. n. v. ofEerste Waterlijn. — Denkbeeldige lijn, welke men zich voorstelt langs een schip gelijk met den waterspiegel getrokken te zijn, wanneer het zijn gewone lading in heeft en gezonken is op de diepte welke de bouwmeester gewild heeft.Lat, z. n. v. — Dun, lang en plat stuk hout of yzer.Laten, b. w. — 1o. Verlaten.Zijn ankersL—(voor achterlaten).2o. Hulpwerkwoord.Een schipL—loopen(het zijn koers doen houden).Het ankerL—vallen(het anker uitwerpen).Een onderzeilL—vallen(het byzetten).Een touwL—vliegen(het in eens losgooien).Latijnzeil, z. n. o. ofEmmerzeil. — Driehoekig zeil, aldus genoemd, omdat het by de Latijnsche volkeren in gebruik was.Laveeren, o. w. — 1o. Een zeilend vaartuig beurtlings over den eenen en den anderen boeg doen wenden, ten einde in den wind op te werken.2o. De beweging, welke alsdan het vaartuig zelf doet.Hetzij wy zeilen oflaveeren,Is Godt met ons, niets kan ons deeren.Cats.Lazaret, z. n. o. — Gesticht in eenige havens, voornamelijk der Middellandsche Zee, en ingericht om er lieden of goederen, die uit besmette of verdachte havens komen, quarantaine te doen houden, ’t Woord is Ital. en beteekent Lazarushuis.Leeftocht, z. n. m. — Voorraad van spijs en drank.Legdagen, z. n. m. mv. of, naar de hedendaagsche speling,Ligdagen. — Dagen, bepaald tot lading of lossing van een schip.Leggen, o. w. of, naar de latere spelling,Liggen, — ’t welk men echter nooit uit den mond van een zeeman hooren zal, in uitdrukkingen als:De wind gaatL—(het wordt stil weer).Voor ankerL—.Leggen, b. w. —De kielL—(haar op blokken stellen).Het geschut in de rolpaardenL—(het op zijn plaats brengen).Het LandL—(zich verwijderen van het Land, zoodat het in ’t water schijnt te verzinken).Legger, z. n. m. — 1o. Geteerd watervat.2o. Stutbalk.3o. Vaartuig, dat men by het kielen of timmeren van een schip by de hand heeft liggen om ’t een of ander te bergen.4o. Waker op een ledig schip.’t Schip is opgelegd en heeft eenL—aan boord.Leguaan, z. n. m. — Bekleedsel van touw om de raas, mede dienende ter vervanging van het bindwerk der raas.SloepsL—(Gordel van touwwerk, voor aan een sloep gebonden, en dienende om haar by stooten van beschadiging vrij te waren.)Legwaring, z. n. v. — Lijfhouten op het dek langs het boord.Leider, of meer gebruikelijkLeier, z. n. m. — 1o. Touwwerk, dat van den masttop naar de richting der stags getrokken wordt, en waartegen men de voornaamste foks en middelzeilen ophaalt.StaandeL—(zwaar touw, dat voor of tegen een schuinschen mast geplaatst wordt, om het gebruik van een vierkant zeil gemakkelijker te maken).2o. Leuning.L—van het galjoen,L—van de verschansing,L—rondom het boord,L—van de helling,L—van de wieg.Leissels, z. n. o. voorLei-zeels. — Stroppen van de raas.Leizeil, z. n. o. — Zeil, dat men by ruimen wind buiten de razeilen uitvoert.Lek, b. n. en bw. — Open, zoo dat het vocht uitloopt.Dat vat isL—(het houdt geen water).Met eenL—keboot is ’t slecht varen.Lek, z. n. o. — Toevallige opening in een vaartuig, waar het water door binnen dringt, veroorzaakt door ’t stooten op een klip, baak of ander voorwerp, door aanzeiling, door grondschoten, door zwaar slingeren, enz.De bodem slorpte ’t natDoor ’t stooten op een paal; waardoor een yeder zatIn ’t water tot de knie en vreesde te versticken,Het ongemack was groot, noch durfde niemant kicken.Doch ’tLeckgeraeckte dicht en stopte wonderbaerVan zelf.Vondel,Gijsbrecht van Aemstel.Dat schip heeft eenL—,DatL—moet gestopt. Ook opening van een vat, kuip, enz. waar het water door weg loopt.In dat vat is eenL—gesprongen.Catsbezigt het woord vr.Ziet door een kleinelekzoo komt een schip te zinken,Al schijnt het maar de zee by droppels in te drinken.Spreekwijze:HetL—stoppen(het verlies vergoeden).Lekkaadje, z. n. v. — Wegsypeling van het vocht, gevolg van een Lek.Er is zwareL—geweest: er moet zoo veel worden afgetrokken voorL—.Lekken, o. w. — Uitloopen, wegsypelen, ledig loopen.Lelie, z. n. v. — De punt der kompasnaald, die den vorm eener lelie heeft.Schoon zegtVondel,Lof der Zeevaart:Delelidoelt naar d’ as, en dwaalt en is ontrustTot dat ze Areturus vint en hem van blijschap kust.Leng, z. n. o. — Strop, dubbel geslagen touw, dienende om vaten of andere zware voorwerpen op te hijschen.Lengen, b. w. — Aaneenbinden van de netten voor de steurharingvangst in gebruik. Doorgaands wordt hetL—van de eerste vleet (21 netten) door vrouwen verricht.Lengte, z. n. v. — 1o. Afstand tusschen den meridiaan eener plaats en den eersten meridiaan.Die stad ligt op N. graden Wester- of OosterL—.2o.AstronomischeL—eener planeet(boog der ekliptika, begrepen tusschen den evennachtslijn of het eerste punt van Ariës en de plaats op de ekliptika, waarmede de planeet loodrecht overeen komt).3o.GeocentrischeL—(punt der ekliptika, waarop het middelpunt eener planeet, van de aarde gezien, loodrecht neêrvalt).4o.HeliocentrischeL—(punt der ekliptika, waarop het middelpunt eener planeet loodrecht zoû neêrkomen, indien zy van de zon gezien werd).Lens, bw. — Ledig.Een schipL—pompen(het door middel van pompen van het ingezwolgen water bevrijden).De pompL—pompen(pompen, tot dat het water, dat zich in ’t ruim bevindt, lager staat dan het benedeneinde der pomp).Spreekwijze:De beurs isL—(het geld is op).Lenspomp, z. n. v. — Pomp, die in een stoomvaartuig door de stoomkracht in beweging gebracht wordt, en die voornamelijk dienstig is om het water, door lekkaadje of uit de ketels in het ruim geloopen, weder weg te werken.Lens(ter)gaan, o. w. (veroud.) — De zeilen met ruime schoten ter windvang stellen. Thands zegt men daarvoor “van den wind loopen.”Lenzen, o. w. — By stormweer met weinig, of zonder zeil voor den wind of de zee weg loopen.Het voor tip en takelL—dehouden.Leuning, z. n. v. — Borstweering.L—van het galjoen.Leunstag, z. n. o. — Stag, waar een schip in aanbouw op steunt.Leuvers, z. n. m. mv. — Oogen met yzeren kousen in de lijken der zeilen, waarin boelijns, gordings enz. worden vastgemaakt.Levendig(De zeilen)houden, b. w. — De zeilen laten wapperen, op den wind brassen, doen hellen.Licenten, z. n. v. mv. (veroud.) — Rechten op den in- en uitvoer gesteld. ZieKonvooien.Licht, z. n. o. — Voor kunstlicht, vuurbaak.Licht, b. n. — Byvaartuiggevoegd, geeft daaraan doorgaands de beteekenis van hulpvaartuig. Zoo worden onder deL—evaartuigen genoemd de sloepen, booten, jols, enz. die een groot vaartuig ten dienste staan.Lichten, b. w. — 1o. Ophalen.Het ankerL—.2o. Uit zijn plaats nemen.Het roerL—.3o. Ontlasten, Lichter maken.Een schipL—(er een deel der lading of der goederen uit nemen of over boord werpen). Dit mag volgends art. 19 der Alg. Wet van 26 Aug. 1822 alleen op bepaalde lichtingsplaatsen geschieden.Spreekwijze:Het ankerL—(vertrekken).Alle beetjens helpen, alle vrachtensL—, zeî de schipper, en hy smeet zijn vrouw over boord.Lichter, z. n. m. — Vaartuig, waarmede groote schepen gelost worden, wanneer zy te veel diepgang hebben om met ongebroken lading hun bestemmingsplaats te bereiken. Vóór de doorgraving van het Noord-Hollandsch kanaal, werden de goederen uit de koopvaarders by hun aankomst op de reede van Texel, alle doorL—snaar Amsterdam vervoerd. Zie de bepalingen, omtrent deL—sin artt. 19, 20, 21 en 22 der Alg. Wet van 26 Aug. 1822.Spreekwijze:EenL—aan boord krijgen(ondersteuning krijgen om door de bezwaren heen te komen).Lichter, z. n. m. — Lichtverschaffer: Hek- of Marslantaarn.Lichting, z. n. m. (veroud.) — De kring of draaijing van het touwrondomden spil.Lier, z. n. v. — Horizontaal geplaatste kaapstander, dienende om vrachtgoederen in een schip te hijschen.Ligdagen,Liggen, enz. — ZieLegdagen,Leggen.Ligging, z. n. v. — Gesteldheid, waar een plaats zich bevindt.Linie, z. n. v.,EvennachtslijnofEquator. — Cirkel om den aardbol, die overal even ver van de beide polen verwijderd is.DeL—passeeren(van het N. in het Z. halfrond gaan of omgekeerd).Spreekwijze:DeL—gepasseerd zijn(50 jaar oud zijn geworden).Linie, z. n. v. — Lijn, slagorde.InL—geschaard zijn.GeslotenL—(wanneer de schepen op korten afstand van elkander zijn).LoefwaartscheL—,LywaartscheL—(wanneer twee vlooten zich op evenwijdige lijnen by elkander bevinden).Linieschip, z. n. o. ofSchip van Linie. — Groot oorlogsvaartuig, vroeger “Schip van oorlog” genoemd.Lip, z. n. v. — Keep.Lipklamp, z. n. v. — ZieKlamp.Loef, z. n. v.,LoefboordofLoefzijde. — 1o. In een zeilend schip, de zijde, waar de wind op staat.AanL—zitten.2o. De benedenhoek van een groot zeil windwaarts.3o. Het voordeel van den wind.DeL—afwinnen(het voordeel van den wind bekomen).DeL—houden(het voordeel van den wind bewaren).Spreekwijze:Iemand deL—afsteken(voordeel op iemand behalen, iemand voor zijn).Iets eensL—sdoen(iets zonder beraad, zonder aarzelen doen).Loefbalk, z. n. m.,MaststutofMastschoor. — Naam van zware stukken hout, die tot stut van een benedenmast dienen, als hy in de kiel ligt.Loefboom, z. n. m. — ZieBotteloef.Loefboord, z. n. o. — ZieLoef.Loefbras, z. n. m. — Bras aan de windzijde.Loefgierig, b. n. — Zwaar op het roer.L—schip(dat gemakkelijk naar den wind luistert en tegen het roer in geneigd is te Loeven).Loefhals, z. n. m. — Hals aan de windzijde.Loefhouden, o. w. — Goed by-de-wind zeilen, zonder af te vallen.Loefhouder, z. n. m. — 1o. Schip dat goed by-de-wind zeilt.2o. ofBitstuk. — Strook hout, tegen den voorkant des voorstevens aangebracht.Loefpardoen, z. n. o. — Vliegend Pardoen.Loefschoot, z. n. v. — Schoot aan de windzijde.Loefspant, z. n. v. (veroud.) — Spant, die in verband staat met de halsklamp.Loefwaart(Te), bw. — ZieLoevert(te).Loefwal, z. n. m. — Wal, kust aan de windzijde.Loefzijde, z. n. v. — ZieLoef.Loerding, z. n. v. — ZieLording.Loet, z. n. v. — Spaansche bezem, waarmede een schip onder water geschrobd wordt.Loeven, o. w.AanloevenofOploeven. — By-de-wind komen, den voorsteven van het schip naar den wind brengen.L—is het tegenovergestelde van Afhouden.L—!L—op!Houd deL—!L—op stijf!(houd dicht by den wind!)L—op voor de bui!L—voor de zee!Loevert(Te), bw. — Aan de windzijde.Een schip teL—bespeuren.Log, b. n. — Bang, zwaar.L—in het zeilen.Dat schip ligtL—op het water.Log, z. n. v. — Werktuig, in zee gebezigd, om de voorwaartsche snelheid van een schip te meten.Logboek, z. n. o. — Dagregister, scheepsjournaal.Loggaten, z. n. o. (veroud.) — ThansVullingsgatengenoemd. Zie ald.Loggen, o. w. — De Log over boord werpen.Logger, z. n. m. — Klein oorlogsvaartuig, meestal met zoomwerk voorzien. Het heeft veel diepgang achter, voert een grooten mast, een fokkemast en een druil, en is met marszeilen getuigd.Logglas, z. n. o. — Zandloopertjen, dienende om de tijdruimte te bepalen, waarin de Loglijn loopt.Loglijn, z. n. v. — Lijn, die van den overlooper af met knoopen en halve knoopen voorzien is, de eerstgemelde op 15,5 el, de laatstgenoemde op 7,7 el afstands. De knoop maakt het 120stegedeelte van het derde eener zeemijl: de tijdruimte der meting is een halve minuut.Logplankjen, z. n. o. — Driehoekig plankjen, dat aan de onderste zijde met lood voorzien, en door een hanepoot aan de loglijn vastgemaakt, van het achterschip in zee geworpen, overeind blijft staan, terwijl het schip voortgaat, en alzoo dient om den afstand te meten, welken een schip gedurende 15 à 30 seconden heeft afgelegd.Logrol, z. n. m. ofLogwuit. — Spil, waar de Loglijn over loopt.Logtafel, z. n. v. — Zwart geschilderde plank, in kolommen afgedeeld, en waarin met het einde van elke wacht wordt opgeteekend, wat noodig is om te weten, ten einde den koers van het vaartuig te berekenen en den afstand, welken het volgends de Log heeft afgelegd.Logwuit, z. n. v. — ZieLogrol.Lokgat, z. n. o. (veroud.) — Waterloozing.Lont, z. n. v. — Gedraaid touw, dienende om het geschut te doen ontbranden.Lontstok, z. n. v. — Stok, waar de Lont aan gehecht is.Lontvat, z. n. o. — Vat voor de Lonten.Lood, z. n. o.,Diep-ofPeillood. — Langwerpig vierkant stuk lood, van boven met een gat, waarin de strop gesplitst is, aan welken de loodlijn vast zit, dienende om de diepte van het water te peilen.DiepL—,ZwaarL—(het Lood waarmede groote -),HandL—,LichtL—(waarmede kleine peilingen verricht worden). Aan het onderste van ’t zwaarL—is een holte, die met talk gestopt wordt en dient om de natuur van den bodem, b. v. zand, modder, steen- of korrelgrond, te onderkennen.Looden, o. w. — Diepte-peilen.Loodbalie, z. n. v. — Tobbe, waar de natte Loodlijn by ’t binnen halen in wordt geborgen.Looding, z. n. v. — Diepte-peiling.Loodlijn, z. n. v. — Witte Lijn, waar het Lood aan gehecht is, en door welke de diepte van het water gemeten wordt.Loodlijnblok, z. n. o. — Blokjen, dat aan het want van een benedenmast gehecht wordt, en waarvan men zich bedient om de Loodlijn gemakkelijker uit de diepte op te halen.Loods, z. n. m. — Iemand, die een schip in zee, of uit zee op de reede brengt, en meer byzonder iemand, die een vaste aanstelling heeft om zulks te verrichten.BinnenL—(die zijn bedrijf op de binnenwateren uitoefent).BuitenL—(die met het buitenwater bekend is).Antonidesnoemt in zijnIJstroom, de Loodsen:Een volk, in ’t peilen van den gront en droogte ervaren.Spreekwijze:Het zit er niet dieper, zei deL—en hy peilde in de vleeschbalie(op botterikken toe te passen).Loodsboot, z. n. v.,LoodsschuitofLoodsvaartuig. — Vaartuig, dat den Loods ten dienste staat, om hem aan boord der schepen, aan welke hy hulp verleenen moet, te brengen, of er hem van daan te halen. DeL—is aan een bepaalde vlag of teeken kenbaar.Loodsen, b. w. — Een schip naar binnen of naar buiten voeren, met behulp, ’t zij van theoretische, ’t zij van plaatselijke kennis.InL—,BinnenL—.Nu scheen zy eens een kleene bootIn ’t roeien na te bootsenEn ’t vlot, by ’t kronklen van den stroomDe bochten in telootsen.Bilderdijk,Elius.Loodsgeld, z. n. o. — Geld, dat voor het Loodsen betaald wordt.Ontfanger derL—en(ambtenaar, die deL—enontvangt en aan het Departement van Marine verantwoordt).Loodsman, z. n. m. — ’t Zelfde alsLoods.Loodswezen, z. n. o. — Al wat tot het bestuur en de inrichting van het Loodsen betrekking heeft.Loog, z. n. v. — Stukken hout, die volgends ’t beloop van ’t schip moeten gebogen worden en door bevochtiging en branding krom trekken.Loogen, z. n. v. — Stukken hout nat maken en buigen.Loom, b. n. — Wordt een schip gezegd te zijn, wanneer het traag is in zijn bewegingen.Loop, z. n. m. — 1o. Richting.DeL—van een stroom.2o. Bus van een schietgeweer.3o. Het terugspringen van een losbrandend kanon.Loopen, o. w. — 1o. Varen, zeilen.Dat schip Loopt snel.ZieBinnenloopen,Uitloopen.—AchteromL—(Engeland omzeilen, ’t geen vroeger de retoervloot in oorlogstijden dikwijls genoodzaakt was te doen).2o. Zakken.Het zeil latenL—(het zeil strijken).Loopend want. — ZieWant.Looper, z. n. m.,Uithaalder,Wipper. — Algemeene benaming van alle touwen, die door een blok loopen.L—die van achteren naar voren vaart(die, door een schijf loopende, van het achterschip naar het voorschip gestrekt is).Doorgeschoven,geschorenL—(die van voren naar achteren loopt).BeknepenL—(die tusschen de schijf en het blok vast zit). Ook wordt veelal dat gedeelte van een touw, ’t welk men by ’t hijschen of halen in handen heeft, deL—genoemd.KardeelL—,StengewindreepsL—.Loopgang, z. n. m., ofLoopplank. — Het bak- en stuurboordsgedeelte van het dek, waarmede men van het voor- naar het achterschip gaat.Loopgraven, z. n. v. mv., van een Brander. — Kruitloop, in een Brander aangebracht, om dien aan te steken.Loop-in-’t lijntjen, z. n. o. — Jong matroos.Loopplank, z. n. v. — ZieLoopgang.Loopstags, z. n. o. mv. ofLeiers van den Boegspriet. — Touwen op gelijke hoogte evenwijdig aan weêrszijden van den boegspriet gespannen, en tot steun dienende van de manschappen, die verplicht zijn langs dien mast op en neder te gaan.Loos, z. n. v. — Losse bocht in een touw.Loos, b. n. — Alles wat men waarloos aan boord heeft.Looze stengen,Looze zeilen: ook wat men tot sparing van het bestaande bezigt.Looze voorsteven,Looze poorten(borden, waarmede men de geschutpoorten sluit als het geschut te boord staat).Looze(ookLosse)kiel(die aan de vaste kiel is gehecht van een schip, dat slecht stuurt).Lording, z. n. v. ofLoerding. — Driedraads geteerd garen.Los, bw. — In verscheidene kommandoos gebezigd.Kluiver en StagzeilschotenL—,L—overal!L—overal in eens!Losgooien, b. w. — Snel losmaken.Losplaats, z. n. v. — Werf of Kaai, waar goederen gelost worden.Losbranden, b. w. — Afschieten.Een roer, een kanonL—.Brandt er op Los!(schiet af!).Losscherp, z. n. o. (veroud.) — Allerlei yzerwerk, als staven, schroot, enz. dat maar los en zonder kardoezen in ’t geschut gestoken werd.Lossen, o. w. — Zich van zijn vracht ontdoen.Wy werden genoodzaakt teL—.Reglement op het laden enL—.Lossen, b. w. — 1o. Uitbrengen.GoederenL—(ze uit het vaartuig aan wal brengen). Zie omtrent hetL—van goederen de Alg. Wet van 26 Aug. 1822, Hoofdst. XIV, artt. 127–152.2o. Afschieten.Het geschutL—(schieten).3o. Bevrijden, ontslaan.Lossing, z. n. v. — Ontscheping van goederen.Lucht, z. n. v. — 1o. Hoofdstof, wier inademing den mensch onmisbaar is om te leven.L—maken(deL—door het openen van luiken, deuren of ramen, in een bedompte plaats doen binnen dringen).2o. Zwerk, uitspansel.BetrokkenL—.Dikke,verstopteL—.HeldereL—.MistigeL—.DeL—staat naar regen(er zal regen komen).3o. Wolk, bui.Er hangen zwareL—en.4o. Ruimte tusschen de deelen van een scheepsromp.DeL—enopvullen.L—entusschen de wegers.Luchtjen, z. n. o. — Windtjen, koeltjen, briesjen.Luchtgaten, z. n. o. mv. — Vierkante gaten beneden het kolsem door de zitters en buikstukken, waar het pompwater doorgaat. In de buikdenningenworden ookL—gemaakt om het water te doen schieten dat daar op staat.Luchtzeil, z. n. o. — ZieKoelzeil.Lui, b. n. (veroud.) —L—houtheette by de scheepstimmerlieden wat niet wel gekromd of gebogen was.Luien, b. w. — 1o. Wijze van lossen op koren- en steenkolenschepen.2o. Voor: “de klok luiden,” ’t geen men by mistig weer doet; ter waarschuwing om aanzeiling te voorkomen:—alsmede om het volk tot schaften te roepen.Spreekwijze:De klokL—,maar niet schoften, iets belooven, maar niet volbrengen.Luik, z. n. o. — 1o. Sluiting, bord, bepaaldelijk zulk een als dient om een opening teLuikenof dicht te maken, en van hier, door toepassing:2o. De opening zelve en wel zoodanig vierkante opening, als in de dikte van een dek of bak gemaakt is, om de gemeenschap tusschen de verdiepingen van een vaartuig tot stand te brengen. Zoo heeft men aan boord van een schip hetachterL—, hetgrootL—, hetvoorL—, en andere meer, genoemd naar de plaats, waar zy heen geleiden.Luisteren, o. w. — Gehoor geven. Het schip wordt gezegd naar het roer teL—, wanneer het de beweging aanneemt, welke de roerganger er aan wenscht mede te deelen.’t Schipluistertnaar geen roer, naer Stuurman noch kompas.Vondel.Lof der Zeevaert.Luitenant-Amiraal, z. n. m. — ZieAmiraal.Luitenant ter Zee, z. n. m. — Tytel van den Officier, die op den Kapitein-Luitenant volgt.DeL—ter zee der Eerste klasseheeft den rang van Kapitein by de Landstroepen. ’t Woord is Fransch en beteekent letterlijk: “plaats-bekleeder”, “stede-houder”.Luiwagen, z. n. m. — Cirkelvormig dwarshout, waar de roerpen over heen en en weêr loopt.Luizeplecht, z. n. v. (veroud.) — Verschansing op het voorkasteel.Lul, z. n. m. — Stagzeil, voorzeil van een visschersvaartuig.Lumieren, z. n. v. mv. — Dageraad, eerste schemering, verhollandschte uitspraak van ’t Fr.lumière.Wy moeten morgen met deL—beginnen(zoodra de dag aanbreekt).Luns, z. n. v. — Gebogen 8vormige yzeren pen, die in de as van een roltuig gestoken wordt om het afloopen van ’t wiel te beletten.Lurken, o. w. — Wordt de pomp gezegd te doen, wanneer het pomphart geen grond raakt.Luwen, o. w. — Bedaren, kalm worden.Het begint teL—(het weer zal bedaren).De storm is aan ’tL—(aan ’t verminderen).Spreekwijze:Het begint teL—, zei de reiziger, en hy zat achter een bies.Luwte, z. n. v. — Kalmte, veiligheid.Wy zijn hier in deL—(buiten den wind).Lij, z. n. v. — Van den wind, het tegenovergestelde vanLoef. Wie zich aan Loef bevindt, is aan de hoogere, wie zich aanL—bevindt, aan de lagere (duslijdende) zijde van het vaartuig.Roer aanL—!(breng het roer van den wind af).Spreekwijzen:Iemand inL—brengen(hem in nood, in lijden brengen).Iemand inL—houden(hem bedwingen).Hy ligt inL—(hy is overwonnen).Zich inL—houden(zich stil, aan lager kant houden).Lijboord,Lijboelijns,Lijbrassen, enz. — Het Boord, de Boelijns, enz. die zich aan de Lijzijde van het schip bevinden.Lijf, z. n. o. — Het grootste gedeelte eener knie.Lijfhout, z. n. o. — ZieWatergangen.Lijfknoop, z. n. m. — Boelijnsknoop, die een man om ’t lijf geslagen en waarmede hy naar een kalen mast geheschen wordt.Lijfnaden, z. n. v. mv. — Naden tusschen de watergangen.Lijk, z. n. o. — De rand, of het touw, waarmede een zeil omboord wordt; alzoo hetlichaamoflijk, dat dezielof hetzeilomsluit.Spreekwijze:Uit deL—engeslagen(’onklaar, in de war’:—omdat een zeil, dat uit zijnL—enslaat, gescheurd en onbruikbaar raakt).Lijken, b. w. — Een zeil met touwwerk omzoomen.Lijkgaren, z. n. o.— Garen, tot het Lijken gebruikt.Lijknaald, z. n. o. — Naald, tot het Lijken gebezigd.Lijn, z. n. v. — 1o. Koord, touw, gewoonlijk van witten draad van 120 vademen lengte.In deL—loopen(een schuit trekken). ZieLoop in ’t Lijntjen.Scha-baet, daer valt te met een kanghsgen onder wege,Daer ’t treck-gelt op magh staen; aers moeten w’in delijnEn halen ’t met den hals; maer dat’s een korte pijn.Huyghens,Hofwijck.2o. Denkbeeldige Streep.L—van de kim,waterL—.3o. Bocht, op den scheepswand aangeteekend, om de plaats aan te wijzen waar het Dek moet komen. ZieDekL—.Spreekwijze:Zachtjens aan, dan breekt deL—niet(laat uw ontwerp niet door overijling of drift mislukken).Trek aan datL—tjenniet(roer die zaak niet aan).EeneL—trekken(overeenstemmen, hetzelfde advies of stelsel voorstaan).Lijnbaan, z. n. v. — Eigenlijk de baan, waarin touw getrokken wordt: van daar de touwslagery zelve.Lijst, z. n. v. ofSent. — Zoomwerk, dat tijdelijk gebruikt wordt by den aanbouw van een schip, om de spanten in verband te houden.Lijstlijnen, z. n. v. mv. (veroud.)—Touwen, daar men de bonnetten aan de zeilen meê vast rijgt.Lijstnaald, z. n. v. — Kleine Lijst, strook, die, in een mast of ra, uit veelvuldige deelen saamgesteld, tot aanvulling wordt geplaatst.Lijwaart, bw. — Van den wind af.Aan Lij.Lijwal, z. n. m. — Kust, wal onder den wind.Lijzeil, z. n. o. ZieBroodwinder. —BovenL—(dat aan het marszeil),BramL—(dat aan het bramzeil),GrootbovenL—(dat aan het grootbovenbramzeil),GrootonderL—(dat aan de groote ra),KruisL—(dat aan het kruiszeil),KruisbramL—(dat aan het Grietjen),Voor-bovenL—(dat aan het klein marszeil),VoorbramL—(dat aan het voorbramzeil),VooronderL—(dat aan het fokkezeil is bygezet).Lijzijde, z. n. v. — Zijde onder den wind.

L.

Laadgat, z. n. o. — ZieZundgat.Laadpriem, z. n. m. — ZieRuimnaald.Laag, z. n. v. — 1o. (veroud.) Zog, Kielwater.2o. De stukken geschut, die op dezelfde rij geplaatst zijn.BovensteGeschutL—,OndersteGeschutL—.3o. De schoten, uit de op een rij geplaatste stukken gelijktijdig gelost.De volleL—geven(uit al de stukken, die zich aan ééne zijde bevinden,tegelijkschieten).Hy heeft een geduchteL—ontfangen(hy is hevig beschoten).Spreekwijze:Iemand de volleL—geven(hem geducht de waarheid zeggen: ook: hem ruw bejegenen).Laars, z. n. v. — End dag, waarmede men iemand afstraft.Laarzen, b. w. — De schepelingen met een end dag op de natte broek kastijden. VolgendsBild.opLaarszoû ’t woord oorspronkelijkLeerzenzijn en beteekenen “metlederenriemen slaan”. DochKiliaansteltleersensynonium metbot-aersen(met schoenen of laarzen slaan).Labber, b. n. — Lui, flaauw, naar.Labberen, o. w. — Fladderen, wapperen, wordt van een zeil gezegd.Labberkoelte, z. n. v. — Flaauwe wind, waarby de zeilen niet gespannen staan, maar alleen labberen en fladderen.Labberlot, z. n. v. — Naam van eene der sloepen.Labberlottig, b. n. — ZieBelabberd.Labzalven, b. w. — ZieLapzalven.Ladder, z. n. m. — Samenstelling van planken of van touw, waarmede men op- of afstijgt.TouwL—,ScheepsL—.Laden, b. w. — Vullen, van zijn lading voorzien: en dus, zoowel met betrekking tot de goederen, die in het schip, als tot het kruit en lood, die in het geschut gebracht worden.Het schip is Geladen(heeft zijn lading ontfangen).De goederen zijn Geladen(zijn binnen boord gebracht).De kanonnen zijn Geladen(zijn gereed gemaakt om afgeschoten te worden). Zie de bepalingen omtrent het Laden en Lossen in de Alg. wet van 26 Aug. 1822,Hoofdst. XIV, artt. 127–152.Spreekwijze:Ik heb Geladen waar ik meê over moet(ik heb my eenongemak, een kwelling op den hals gehaald, die my zal byblijven).Lading, z. n. v. — 1o. De waren, goederen, koopmanschappen, enz. welke in een vaartuig worden overgevoerd.InL—liggen(wordt een schip gezegd te doen, als het klaar ligt om ingeladen te worden).L—stukgoederen,L—stootgoederen.Wanneer de morgenstar zal rijzen,Zal ’t licht de rijkeladingwijzen.Van Haren,de Geuzen.2o.De dracht kruit, die een vuurwapen vereischt.3o. De hoeveelheid kruit, kogel of kogels, enz. die te samen genomen in een vuurmond gebracht wordt.4o. De daad zelve van het Laden (GezwindeL—,L—in 4, in 11 tempoos).Lagerwal, z. n. m. — De oever, waar de wind op staat en alzoo het tegenovergestelde vanOpperwalofOppert.Spreekwijze:AanL—zitten,aanL—zijn(zich in slechte omstandigheden bevinden:—omdat een vaartuig, ’t welk aanL—ligt, geen beschutting van de landzij hebbende, aan den wind is blootgesteld en dikwijls gevaar loopt van stranden).Laken, z. n. o. (veroud.) — Oneig. voor Zeil.Voor hetL—gaan(voor-de-wind zeilen).Lampion, z. n. o. — Blikken ring, waar binnen de pit gevat is, wier licht het kompas beschijnt.Land, z. n. o. — Ten opzichte van den zeeman, al wat geen water is.BeneveldL—(wat men niet goed onderscheiden kan).GrootL—(het vasteL—met betrekking tot een Eiland, of een groot Eiland met betrekking tot een kleiner).GeslotenL—(Landpunten of Eilanden, tusschen welke men niet doorheen kan zien, zoodat zy met elkander verward worden).HakkeligL—(waarvan het bovenste gedeelte zich dor en heuvelachtig voordoet).HoogL—(dat zich hoog boven de zee verheft).VerkenbaarL—(dat licht te kennen valt).VastL—(dat tot het vasteL—behoort).L—dat ontvalt(kust, die zich naar de regels der perspectief langzamerhand schijnt te verwijderen).L—zien,L—hebben(in de nabyheid van hetL—zijn).Daar isL—!L—vooruit!L—!L—in het gezicht!L—te loefwaarts!L—aan stuurboord!L—kraanbalksgewijze te loefwaarts!L—dwars over bakboord!enz. (uitroepen, door den uitkijk gedaan).OverL—zeilen(veroud.), (zeilen, waar men naar de gissing gemeend hadL—te moeten vinden, ofschoon men er ver van verwijderd is). ZieBoterland.Spreekwijze:Ik zieL—(de bak is byna ledig, ik zie den boôm).L—voor den bak slaan(aannemen, alleen den bak ledig te eten.)Daar sla ikL—voor(dat is voor my alleen.)Er is geenL—met hem te bezeilen(er is geen middel om met hem te recht te komen).Het zal hier op hetL—waaien(daar is wat kwaads naby).Hy kan wel zien, hoe na byL—(hoe het met een zaak gelegen is).Hy durft niet vanL—(hy durft het niet wagen).Ik heb hetL—(ik ben gemelijk—als een zeeman, die zich aan wal verveelt).Iemand hetL—opjagen(iemand uit zijn humeur brengen).Landen, o. w. — Zich aan Land begeven, aan Land komen.Een geschikte plaats om teL—(om aan wal te komen).De troepen zijn Geland(zyn aan land gekomen).Zoo blinckt de zon op ’t schoonst, die aanbreeckt uit den damp,Zoolantde vloot, na storm, gelukkigst in de haven.Vondel,Inw. van ’t Stadthuis.Landganger, z. n. m. — Een die van scheepsboord zich aan Land begeven heeft.Landing, z. n. m. — Het aan wal gaan, byzonder met vyandelijke inzichten.DeL—der Engelschen in Noord-Holland.Wy konden ons voordeel niet doorzetten by gemis aanL—troepen.Landingboot, z. n. v. — Boot, waarmede een Landing verricht wordt.Landingsplaats, z. n. m. — Plaats, bekwaam gemaakt om er te landen: ook eenvoudig de plaats waar men geland is, of welke men uitkiest om er te Landen.Landkrab, z. n. m. — Schimpnaam, door ’t zeevolk aan de Landsoldaten gegeven.Landmerk, z. n. o. — Wordt in ’t algemeen genomen voor elk vast voorwerp, dat, op het land staande, door de richting, waarin men het uit zee bespeurt, dienen kan om in het vaarwater te blijven, klippen en banken te mijden, enz.Landontdekking, z. n. v.— 1o. Het Ontdekken van een te voren onbekend Land.2o. Verkenning van land.Op de hoogte van Mauritius gekomen, zond de Amiraal een brik uit opL—.Spreekwijze:OpL—uitgaan(zich van een zaak vergewissen).Landslot, z. n. o. (veroud.) — Haven, die door bergen of hoogten ingesloten, tegen alle winden beschut ligt.Landstreek, z. n. v. — Gewest, landouw.Landtong, z. n. v. — Strook Lands, die als een Tong in zee uitsteekt.Wy liepen langs eene met boomen begroeideL—die ons in de rivier bracht.Landvalling, z. n. v. (veroud.) — Ontdekking, opdoeming van eenig Land.Landverkenning, z. n. v. — 1o. Het verkennen, onderzoeken eener landstreek.2o. Men noemt ookL—enzekere merken, als torens, molens, enz., van welker betrekkelijke plaatsing men den ingang van een stroom of van een haven enz. herkent.Landwind, z. n. m. — Wind, die van het Land zeewaarts inwaait en op gezette tijden, gelijk zulks in bergachtige landen zeer gewoon is.Landziekig, b. n. — Door Landziekte of heimwee aangetast; van hier: langzaam, traag, verveelend.Wy hadden eenL—ereis.(wy waren lang onderweg).Spreekwijze:EenL—eredevoering(die te lang duurt, verveelt).Landziekte, z. n. v. — 1o. Ziekte, aan welke men onderworpen is, wanneer men aan de luchtgesteldheid of leefregel van een vreemd land nog ongewoon is.2o. Het heimwee aan boord van onbevaren matrozen, waardoor zy zich moedeloos, traag, verveeld gevoelen, en langzaam aan het werk worden.Langeveld, z. n. o. ofMondstuk. — Het gedeelte van een mortier, van waar het topperstuk eindigt tot aan de monding.Langs, bw. — Bezijden, voorby.L—een kust heenzeilen(een kust voorbygaan).DichtL—den wal loopen.Een schip,een eilandL—zeilen.Langsdennen, z. n. v. mv. ofLangshouten. — Leggers eener helling.Langshouten, z. n. v. mv. — ZieLangsdennen.Langscheepsch, b. n. — Van voren naar achteren.EenL—verband(een verband, dat zich langs het schip uitstrekt).Langszalings, z. n. m. mv. — Eikenhouten dwarsbalken, twee in getal, aan weêrskanten op de ooren der benedenmasten en op de hommers der topmasten geplaatst.Langs zijde, voorz. voorlangs de zijde van.L—de Argo.Laning, z. n. v. — Planken brug, overloop.Lanspassaat, z. n. m. (veroud.) — De laagste Onderofficier. ’t Woord is afgeleid van ’t Ital.lancia spezzata(gebroken of geknotte lans). In ’t Groot-Placaetboek, D. V. bl. 173, vinden wy in een opgave van krijgsonkosten denLandtspassaettusschen den Korporaal en den Tamboer geplaatst. ZieDe VriesopHooftsWarenar, bl. 109.Lantaarn, z. n. v. — Verschillend in grootte en gebruik. ZieDieveL—,GeschutL—,KruitL—,SeinL—. ’t Woord wordt ook meer bepaald genomen voor de met glazen voorziene kap, waardoor licht in de kajuit gegeven wordt.Lantaarngat, z. n. o. — Hok achter de kruitkamer, waarin de kruitlantaarn wordt ontstoken.Lantaarnvuur, z. n. o. — Vuurbaak, in een haven geplaatst om de binnenkomende schepen te lichten.Lantaarnstander, z. n. m. — Stijl of Stander, waar de Lantaarn op rust.Lantione, z. n. v. — Soort van Sineesche kustgalei, van een aantal riemen voorzien.Lap, z. n. v. ofLap tegen den achtersteven. — 1o. Stuk hout, dat tegen den achterkant des achterstevens geplaatst is, en dienen moet om voor te komen dat dit deel te veel verzwakt worde door het inlaten der vingerlingen en het maken van de messing.2o. Zeil; doch meest gebruikelijk in het m. v. of als diminutief. ZieLapjen.AlleL—penuithangen(alle zeilen byzetten).Voor deL—penafloopen(voor-de-wind afloopen).Spreekwijze:Hy laat het onder deL—hangen(hy verteert veel geld).Lapjen, z. n. o. —Zeiltjen.De wind is vlak voor ’tL—(is voordeelig).Spreekwijze:Het gaat hem voor ’tL—(het gaat hem voorspoedig).Iemand voor ’tL—houden(iemand voor den mal houden: oorspronkelijk; iemand gebruiken, om er zijn doel mede te bereiken).Lappen, b. w. — Tijdelijk herstellen.Lapzalven, b. w. — Is eigenlijk: “Lappen met zalf bestrijken,” waarom ook een heelmeester spotswijze een Lapzalver genoemd wordt. Als scheepsterm neemt men het voor: “scheepstuig nazien en teeren”.Lasch, z. n. m. — Vereeniging van twee of meer in dezelfde richting loopende stukken, zoo dat hun breedte en dikte onveranderd blijft.PlatteL—(wanneer de enden der deelen schuins op elkander sluiten). ZieHaakL—,TandL—, enz.Laschyzer, z. n. o. — Soort van dubbele spijker, voor de deksverbindingen in gebruik.Laskaar, z. n. m. — Indiaansche matroos.Last, z. n. o. — Gewicht van twee ton of 4000 Pond.Dat schip voert N.L—.Een vaartuig van 100L—.Last, z. n. m. —1o. Vracht, lading.Het schip heeft zijnL—in.Het schip is wel byL—(is behoorlijk geladen). ZieLastbreker.2o. Bevel, kommando.3o. In ’t mv. voor “belasting.”ZijnL—enopbrengen.Lastaadje, z. n. v. (veroud.) — Scheepstimmerwerf of plaats, waar die gelegen is of kan worden opgericht. Een buurt aan den IJkant te Amsterdam plach er haar naam van te dragen.Bild.leidt den naam van ’t Deensch af: zie zijnGesl. in v.Lastbalken, z. n. m. mv. ofRuimbalken(veroud.) — Balken, die tot versterking dienen van het onderschip en waarvan het koebrugdek gevormd wordt.Lastbreken, o. w. — Een gedeelte van de lading lossen.Lastgeld, z. n. o. (veroud.) — Tonnegeld, geld, dat in evenredigheid der zwaarte van het schip geheven werd.Lastlijn, z. n. v. ofEerste Waterlijn. — Denkbeeldige lijn, welke men zich voorstelt langs een schip gelijk met den waterspiegel getrokken te zijn, wanneer het zijn gewone lading in heeft en gezonken is op de diepte welke de bouwmeester gewild heeft.Lat, z. n. v. — Dun, lang en plat stuk hout of yzer.Laten, b. w. — 1o. Verlaten.Zijn ankersL—(voor achterlaten).2o. Hulpwerkwoord.Een schipL—loopen(het zijn koers doen houden).Het ankerL—vallen(het anker uitwerpen).Een onderzeilL—vallen(het byzetten).Een touwL—vliegen(het in eens losgooien).Latijnzeil, z. n. o. ofEmmerzeil. — Driehoekig zeil, aldus genoemd, omdat het by de Latijnsche volkeren in gebruik was.Laveeren, o. w. — 1o. Een zeilend vaartuig beurtlings over den eenen en den anderen boeg doen wenden, ten einde in den wind op te werken.2o. De beweging, welke alsdan het vaartuig zelf doet.Hetzij wy zeilen oflaveeren,Is Godt met ons, niets kan ons deeren.Cats.Lazaret, z. n. o. — Gesticht in eenige havens, voornamelijk der Middellandsche Zee, en ingericht om er lieden of goederen, die uit besmette of verdachte havens komen, quarantaine te doen houden, ’t Woord is Ital. en beteekent Lazarushuis.Leeftocht, z. n. m. — Voorraad van spijs en drank.Legdagen, z. n. m. mv. of, naar de hedendaagsche speling,Ligdagen. — Dagen, bepaald tot lading of lossing van een schip.Leggen, o. w. of, naar de latere spelling,Liggen, — ’t welk men echter nooit uit den mond van een zeeman hooren zal, in uitdrukkingen als:De wind gaatL—(het wordt stil weer).Voor ankerL—.Leggen, b. w. —De kielL—(haar op blokken stellen).Het geschut in de rolpaardenL—(het op zijn plaats brengen).Het LandL—(zich verwijderen van het Land, zoodat het in ’t water schijnt te verzinken).Legger, z. n. m. — 1o. Geteerd watervat.2o. Stutbalk.3o. Vaartuig, dat men by het kielen of timmeren van een schip by de hand heeft liggen om ’t een of ander te bergen.4o. Waker op een ledig schip.’t Schip is opgelegd en heeft eenL—aan boord.Leguaan, z. n. m. — Bekleedsel van touw om de raas, mede dienende ter vervanging van het bindwerk der raas.SloepsL—(Gordel van touwwerk, voor aan een sloep gebonden, en dienende om haar by stooten van beschadiging vrij te waren.)Legwaring, z. n. v. — Lijfhouten op het dek langs het boord.Leider, of meer gebruikelijkLeier, z. n. m. — 1o. Touwwerk, dat van den masttop naar de richting der stags getrokken wordt, en waartegen men de voornaamste foks en middelzeilen ophaalt.StaandeL—(zwaar touw, dat voor of tegen een schuinschen mast geplaatst wordt, om het gebruik van een vierkant zeil gemakkelijker te maken).2o. Leuning.L—van het galjoen,L—van de verschansing,L—rondom het boord,L—van de helling,L—van de wieg.Leissels, z. n. o. voorLei-zeels. — Stroppen van de raas.Leizeil, z. n. o. — Zeil, dat men by ruimen wind buiten de razeilen uitvoert.Lek, b. n. en bw. — Open, zoo dat het vocht uitloopt.Dat vat isL—(het houdt geen water).Met eenL—keboot is ’t slecht varen.Lek, z. n. o. — Toevallige opening in een vaartuig, waar het water door binnen dringt, veroorzaakt door ’t stooten op een klip, baak of ander voorwerp, door aanzeiling, door grondschoten, door zwaar slingeren, enz.De bodem slorpte ’t natDoor ’t stooten op een paal; waardoor een yeder zatIn ’t water tot de knie en vreesde te versticken,Het ongemack was groot, noch durfde niemant kicken.Doch ’tLeckgeraeckte dicht en stopte wonderbaerVan zelf.Vondel,Gijsbrecht van Aemstel.Dat schip heeft eenL—,DatL—moet gestopt. Ook opening van een vat, kuip, enz. waar het water door weg loopt.In dat vat is eenL—gesprongen.Catsbezigt het woord vr.Ziet door een kleinelekzoo komt een schip te zinken,Al schijnt het maar de zee by droppels in te drinken.Spreekwijze:HetL—stoppen(het verlies vergoeden).Lekkaadje, z. n. v. — Wegsypeling van het vocht, gevolg van een Lek.Er is zwareL—geweest: er moet zoo veel worden afgetrokken voorL—.Lekken, o. w. — Uitloopen, wegsypelen, ledig loopen.Lelie, z. n. v. — De punt der kompasnaald, die den vorm eener lelie heeft.Schoon zegtVondel,Lof der Zeevaart:Delelidoelt naar d’ as, en dwaalt en is ontrustTot dat ze Areturus vint en hem van blijschap kust.Leng, z. n. o. — Strop, dubbel geslagen touw, dienende om vaten of andere zware voorwerpen op te hijschen.Lengen, b. w. — Aaneenbinden van de netten voor de steurharingvangst in gebruik. Doorgaands wordt hetL—van de eerste vleet (21 netten) door vrouwen verricht.Lengte, z. n. v. — 1o. Afstand tusschen den meridiaan eener plaats en den eersten meridiaan.Die stad ligt op N. graden Wester- of OosterL—.2o.AstronomischeL—eener planeet(boog der ekliptika, begrepen tusschen den evennachtslijn of het eerste punt van Ariës en de plaats op de ekliptika, waarmede de planeet loodrecht overeen komt).3o.GeocentrischeL—(punt der ekliptika, waarop het middelpunt eener planeet, van de aarde gezien, loodrecht neêrvalt).4o.HeliocentrischeL—(punt der ekliptika, waarop het middelpunt eener planeet loodrecht zoû neêrkomen, indien zy van de zon gezien werd).Lens, bw. — Ledig.Een schipL—pompen(het door middel van pompen van het ingezwolgen water bevrijden).De pompL—pompen(pompen, tot dat het water, dat zich in ’t ruim bevindt, lager staat dan het benedeneinde der pomp).Spreekwijze:De beurs isL—(het geld is op).Lenspomp, z. n. v. — Pomp, die in een stoomvaartuig door de stoomkracht in beweging gebracht wordt, en die voornamelijk dienstig is om het water, door lekkaadje of uit de ketels in het ruim geloopen, weder weg te werken.Lens(ter)gaan, o. w. (veroud.) — De zeilen met ruime schoten ter windvang stellen. Thands zegt men daarvoor “van den wind loopen.”Lenzen, o. w. — By stormweer met weinig, of zonder zeil voor den wind of de zee weg loopen.Het voor tip en takelL—dehouden.Leuning, z. n. v. — Borstweering.L—van het galjoen.Leunstag, z. n. o. — Stag, waar een schip in aanbouw op steunt.Leuvers, z. n. m. mv. — Oogen met yzeren kousen in de lijken der zeilen, waarin boelijns, gordings enz. worden vastgemaakt.Levendig(De zeilen)houden, b. w. — De zeilen laten wapperen, op den wind brassen, doen hellen.Licenten, z. n. v. mv. (veroud.) — Rechten op den in- en uitvoer gesteld. ZieKonvooien.Licht, z. n. o. — Voor kunstlicht, vuurbaak.Licht, b. n. — Byvaartuiggevoegd, geeft daaraan doorgaands de beteekenis van hulpvaartuig. Zoo worden onder deL—evaartuigen genoemd de sloepen, booten, jols, enz. die een groot vaartuig ten dienste staan.Lichten, b. w. — 1o. Ophalen.Het ankerL—.2o. Uit zijn plaats nemen.Het roerL—.3o. Ontlasten, Lichter maken.Een schipL—(er een deel der lading of der goederen uit nemen of over boord werpen). Dit mag volgends art. 19 der Alg. Wet van 26 Aug. 1822 alleen op bepaalde lichtingsplaatsen geschieden.Spreekwijze:Het ankerL—(vertrekken).Alle beetjens helpen, alle vrachtensL—, zeî de schipper, en hy smeet zijn vrouw over boord.Lichter, z. n. m. — Vaartuig, waarmede groote schepen gelost worden, wanneer zy te veel diepgang hebben om met ongebroken lading hun bestemmingsplaats te bereiken. Vóór de doorgraving van het Noord-Hollandsch kanaal, werden de goederen uit de koopvaarders by hun aankomst op de reede van Texel, alle doorL—snaar Amsterdam vervoerd. Zie de bepalingen, omtrent deL—sin artt. 19, 20, 21 en 22 der Alg. Wet van 26 Aug. 1822.Spreekwijze:EenL—aan boord krijgen(ondersteuning krijgen om door de bezwaren heen te komen).Lichter, z. n. m. — Lichtverschaffer: Hek- of Marslantaarn.Lichting, z. n. m. (veroud.) — De kring of draaijing van het touwrondomden spil.Lier, z. n. v. — Horizontaal geplaatste kaapstander, dienende om vrachtgoederen in een schip te hijschen.Ligdagen,Liggen, enz. — ZieLegdagen,Leggen.Ligging, z. n. v. — Gesteldheid, waar een plaats zich bevindt.Linie, z. n. v.,EvennachtslijnofEquator. — Cirkel om den aardbol, die overal even ver van de beide polen verwijderd is.DeL—passeeren(van het N. in het Z. halfrond gaan of omgekeerd).Spreekwijze:DeL—gepasseerd zijn(50 jaar oud zijn geworden).Linie, z. n. v. — Lijn, slagorde.InL—geschaard zijn.GeslotenL—(wanneer de schepen op korten afstand van elkander zijn).LoefwaartscheL—,LywaartscheL—(wanneer twee vlooten zich op evenwijdige lijnen by elkander bevinden).Linieschip, z. n. o. ofSchip van Linie. — Groot oorlogsvaartuig, vroeger “Schip van oorlog” genoemd.Lip, z. n. v. — Keep.Lipklamp, z. n. v. — ZieKlamp.Loef, z. n. v.,LoefboordofLoefzijde. — 1o. In een zeilend schip, de zijde, waar de wind op staat.AanL—zitten.2o. De benedenhoek van een groot zeil windwaarts.3o. Het voordeel van den wind.DeL—afwinnen(het voordeel van den wind bekomen).DeL—houden(het voordeel van den wind bewaren).Spreekwijze:Iemand deL—afsteken(voordeel op iemand behalen, iemand voor zijn).Iets eensL—sdoen(iets zonder beraad, zonder aarzelen doen).Loefbalk, z. n. m.,MaststutofMastschoor. — Naam van zware stukken hout, die tot stut van een benedenmast dienen, als hy in de kiel ligt.Loefboom, z. n. m. — ZieBotteloef.Loefboord, z. n. o. — ZieLoef.Loefbras, z. n. m. — Bras aan de windzijde.Loefgierig, b. n. — Zwaar op het roer.L—schip(dat gemakkelijk naar den wind luistert en tegen het roer in geneigd is te Loeven).Loefhals, z. n. m. — Hals aan de windzijde.Loefhouden, o. w. — Goed by-de-wind zeilen, zonder af te vallen.Loefhouder, z. n. m. — 1o. Schip dat goed by-de-wind zeilt.2o. ofBitstuk. — Strook hout, tegen den voorkant des voorstevens aangebracht.Loefpardoen, z. n. o. — Vliegend Pardoen.Loefschoot, z. n. v. — Schoot aan de windzijde.Loefspant, z. n. v. (veroud.) — Spant, die in verband staat met de halsklamp.Loefwaart(Te), bw. — ZieLoevert(te).Loefwal, z. n. m. — Wal, kust aan de windzijde.Loefzijde, z. n. v. — ZieLoef.Loerding, z. n. v. — ZieLording.Loet, z. n. v. — Spaansche bezem, waarmede een schip onder water geschrobd wordt.Loeven, o. w.AanloevenofOploeven. — By-de-wind komen, den voorsteven van het schip naar den wind brengen.L—is het tegenovergestelde van Afhouden.L—!L—op!Houd deL—!L—op stijf!(houd dicht by den wind!)L—op voor de bui!L—voor de zee!Loevert(Te), bw. — Aan de windzijde.Een schip teL—bespeuren.Log, b. n. — Bang, zwaar.L—in het zeilen.Dat schip ligtL—op het water.Log, z. n. v. — Werktuig, in zee gebezigd, om de voorwaartsche snelheid van een schip te meten.Logboek, z. n. o. — Dagregister, scheepsjournaal.Loggaten, z. n. o. (veroud.) — ThansVullingsgatengenoemd. Zie ald.Loggen, o. w. — De Log over boord werpen.Logger, z. n. m. — Klein oorlogsvaartuig, meestal met zoomwerk voorzien. Het heeft veel diepgang achter, voert een grooten mast, een fokkemast en een druil, en is met marszeilen getuigd.Logglas, z. n. o. — Zandloopertjen, dienende om de tijdruimte te bepalen, waarin de Loglijn loopt.Loglijn, z. n. v. — Lijn, die van den overlooper af met knoopen en halve knoopen voorzien is, de eerstgemelde op 15,5 el, de laatstgenoemde op 7,7 el afstands. De knoop maakt het 120stegedeelte van het derde eener zeemijl: de tijdruimte der meting is een halve minuut.Logplankjen, z. n. o. — Driehoekig plankjen, dat aan de onderste zijde met lood voorzien, en door een hanepoot aan de loglijn vastgemaakt, van het achterschip in zee geworpen, overeind blijft staan, terwijl het schip voortgaat, en alzoo dient om den afstand te meten, welken een schip gedurende 15 à 30 seconden heeft afgelegd.Logrol, z. n. m. ofLogwuit. — Spil, waar de Loglijn over loopt.Logtafel, z. n. v. — Zwart geschilderde plank, in kolommen afgedeeld, en waarin met het einde van elke wacht wordt opgeteekend, wat noodig is om te weten, ten einde den koers van het vaartuig te berekenen en den afstand, welken het volgends de Log heeft afgelegd.Logwuit, z. n. v. — ZieLogrol.Lokgat, z. n. o. (veroud.) — Waterloozing.Lont, z. n. v. — Gedraaid touw, dienende om het geschut te doen ontbranden.Lontstok, z. n. v. — Stok, waar de Lont aan gehecht is.Lontvat, z. n. o. — Vat voor de Lonten.Lood, z. n. o.,Diep-ofPeillood. — Langwerpig vierkant stuk lood, van boven met een gat, waarin de strop gesplitst is, aan welken de loodlijn vast zit, dienende om de diepte van het water te peilen.DiepL—,ZwaarL—(het Lood waarmede groote -),HandL—,LichtL—(waarmede kleine peilingen verricht worden). Aan het onderste van ’t zwaarL—is een holte, die met talk gestopt wordt en dient om de natuur van den bodem, b. v. zand, modder, steen- of korrelgrond, te onderkennen.Looden, o. w. — Diepte-peilen.Loodbalie, z. n. v. — Tobbe, waar de natte Loodlijn by ’t binnen halen in wordt geborgen.Looding, z. n. v. — Diepte-peiling.Loodlijn, z. n. v. — Witte Lijn, waar het Lood aan gehecht is, en door welke de diepte van het water gemeten wordt.Loodlijnblok, z. n. o. — Blokjen, dat aan het want van een benedenmast gehecht wordt, en waarvan men zich bedient om de Loodlijn gemakkelijker uit de diepte op te halen.Loods, z. n. m. — Iemand, die een schip in zee, of uit zee op de reede brengt, en meer byzonder iemand, die een vaste aanstelling heeft om zulks te verrichten.BinnenL—(die zijn bedrijf op de binnenwateren uitoefent).BuitenL—(die met het buitenwater bekend is).Antonidesnoemt in zijnIJstroom, de Loodsen:Een volk, in ’t peilen van den gront en droogte ervaren.Spreekwijze:Het zit er niet dieper, zei deL—en hy peilde in de vleeschbalie(op botterikken toe te passen).Loodsboot, z. n. v.,LoodsschuitofLoodsvaartuig. — Vaartuig, dat den Loods ten dienste staat, om hem aan boord der schepen, aan welke hy hulp verleenen moet, te brengen, of er hem van daan te halen. DeL—is aan een bepaalde vlag of teeken kenbaar.Loodsen, b. w. — Een schip naar binnen of naar buiten voeren, met behulp, ’t zij van theoretische, ’t zij van plaatselijke kennis.InL—,BinnenL—.Nu scheen zy eens een kleene bootIn ’t roeien na te bootsenEn ’t vlot, by ’t kronklen van den stroomDe bochten in telootsen.Bilderdijk,Elius.Loodsgeld, z. n. o. — Geld, dat voor het Loodsen betaald wordt.Ontfanger derL—en(ambtenaar, die deL—enontvangt en aan het Departement van Marine verantwoordt).Loodsman, z. n. m. — ’t Zelfde alsLoods.Loodswezen, z. n. o. — Al wat tot het bestuur en de inrichting van het Loodsen betrekking heeft.Loog, z. n. v. — Stukken hout, die volgends ’t beloop van ’t schip moeten gebogen worden en door bevochtiging en branding krom trekken.Loogen, z. n. v. — Stukken hout nat maken en buigen.Loom, b. n. — Wordt een schip gezegd te zijn, wanneer het traag is in zijn bewegingen.Loop, z. n. m. — 1o. Richting.DeL—van een stroom.2o. Bus van een schietgeweer.3o. Het terugspringen van een losbrandend kanon.Loopen, o. w. — 1o. Varen, zeilen.Dat schip Loopt snel.ZieBinnenloopen,Uitloopen.—AchteromL—(Engeland omzeilen, ’t geen vroeger de retoervloot in oorlogstijden dikwijls genoodzaakt was te doen).2o. Zakken.Het zeil latenL—(het zeil strijken).Loopend want. — ZieWant.Looper, z. n. m.,Uithaalder,Wipper. — Algemeene benaming van alle touwen, die door een blok loopen.L—die van achteren naar voren vaart(die, door een schijf loopende, van het achterschip naar het voorschip gestrekt is).Doorgeschoven,geschorenL—(die van voren naar achteren loopt).BeknepenL—(die tusschen de schijf en het blok vast zit). Ook wordt veelal dat gedeelte van een touw, ’t welk men by ’t hijschen of halen in handen heeft, deL—genoemd.KardeelL—,StengewindreepsL—.Loopgang, z. n. m., ofLoopplank. — Het bak- en stuurboordsgedeelte van het dek, waarmede men van het voor- naar het achterschip gaat.Loopgraven, z. n. v. mv., van een Brander. — Kruitloop, in een Brander aangebracht, om dien aan te steken.Loop-in-’t lijntjen, z. n. o. — Jong matroos.Loopplank, z. n. v. — ZieLoopgang.Loopstags, z. n. o. mv. ofLeiers van den Boegspriet. — Touwen op gelijke hoogte evenwijdig aan weêrszijden van den boegspriet gespannen, en tot steun dienende van de manschappen, die verplicht zijn langs dien mast op en neder te gaan.Loos, z. n. v. — Losse bocht in een touw.Loos, b. n. — Alles wat men waarloos aan boord heeft.Looze stengen,Looze zeilen: ook wat men tot sparing van het bestaande bezigt.Looze voorsteven,Looze poorten(borden, waarmede men de geschutpoorten sluit als het geschut te boord staat).Looze(ookLosse)kiel(die aan de vaste kiel is gehecht van een schip, dat slecht stuurt).Lording, z. n. v. ofLoerding. — Driedraads geteerd garen.Los, bw. — In verscheidene kommandoos gebezigd.Kluiver en StagzeilschotenL—,L—overal!L—overal in eens!Losgooien, b. w. — Snel losmaken.Losplaats, z. n. v. — Werf of Kaai, waar goederen gelost worden.Losbranden, b. w. — Afschieten.Een roer, een kanonL—.Brandt er op Los!(schiet af!).Losscherp, z. n. o. (veroud.) — Allerlei yzerwerk, als staven, schroot, enz. dat maar los en zonder kardoezen in ’t geschut gestoken werd.Lossen, o. w. — Zich van zijn vracht ontdoen.Wy werden genoodzaakt teL—.Reglement op het laden enL—.Lossen, b. w. — 1o. Uitbrengen.GoederenL—(ze uit het vaartuig aan wal brengen). Zie omtrent hetL—van goederen de Alg. Wet van 26 Aug. 1822, Hoofdst. XIV, artt. 127–152.2o. Afschieten.Het geschutL—(schieten).3o. Bevrijden, ontslaan.Lossing, z. n. v. — Ontscheping van goederen.Lucht, z. n. v. — 1o. Hoofdstof, wier inademing den mensch onmisbaar is om te leven.L—maken(deL—door het openen van luiken, deuren of ramen, in een bedompte plaats doen binnen dringen).2o. Zwerk, uitspansel.BetrokkenL—.Dikke,verstopteL—.HeldereL—.MistigeL—.DeL—staat naar regen(er zal regen komen).3o. Wolk, bui.Er hangen zwareL—en.4o. Ruimte tusschen de deelen van een scheepsromp.DeL—enopvullen.L—entusschen de wegers.Luchtjen, z. n. o. — Windtjen, koeltjen, briesjen.Luchtgaten, z. n. o. mv. — Vierkante gaten beneden het kolsem door de zitters en buikstukken, waar het pompwater doorgaat. In de buikdenningenworden ookL—gemaakt om het water te doen schieten dat daar op staat.Luchtzeil, z. n. o. — ZieKoelzeil.Lui, b. n. (veroud.) —L—houtheette by de scheepstimmerlieden wat niet wel gekromd of gebogen was.Luien, b. w. — 1o. Wijze van lossen op koren- en steenkolenschepen.2o. Voor: “de klok luiden,” ’t geen men by mistig weer doet; ter waarschuwing om aanzeiling te voorkomen:—alsmede om het volk tot schaften te roepen.Spreekwijze:De klokL—,maar niet schoften, iets belooven, maar niet volbrengen.Luik, z. n. o. — 1o. Sluiting, bord, bepaaldelijk zulk een als dient om een opening teLuikenof dicht te maken, en van hier, door toepassing:2o. De opening zelve en wel zoodanig vierkante opening, als in de dikte van een dek of bak gemaakt is, om de gemeenschap tusschen de verdiepingen van een vaartuig tot stand te brengen. Zoo heeft men aan boord van een schip hetachterL—, hetgrootL—, hetvoorL—, en andere meer, genoemd naar de plaats, waar zy heen geleiden.Luisteren, o. w. — Gehoor geven. Het schip wordt gezegd naar het roer teL—, wanneer het de beweging aanneemt, welke de roerganger er aan wenscht mede te deelen.’t Schipluistertnaar geen roer, naer Stuurman noch kompas.Vondel.Lof der Zeevaert.Luitenant-Amiraal, z. n. m. — ZieAmiraal.Luitenant ter Zee, z. n. m. — Tytel van den Officier, die op den Kapitein-Luitenant volgt.DeL—ter zee der Eerste klasseheeft den rang van Kapitein by de Landstroepen. ’t Woord is Fransch en beteekent letterlijk: “plaats-bekleeder”, “stede-houder”.Luiwagen, z. n. m. — Cirkelvormig dwarshout, waar de roerpen over heen en en weêr loopt.Luizeplecht, z. n. v. (veroud.) — Verschansing op het voorkasteel.Lul, z. n. m. — Stagzeil, voorzeil van een visschersvaartuig.Lumieren, z. n. v. mv. — Dageraad, eerste schemering, verhollandschte uitspraak van ’t Fr.lumière.Wy moeten morgen met deL—beginnen(zoodra de dag aanbreekt).Luns, z. n. v. — Gebogen 8vormige yzeren pen, die in de as van een roltuig gestoken wordt om het afloopen van ’t wiel te beletten.Lurken, o. w. — Wordt de pomp gezegd te doen, wanneer het pomphart geen grond raakt.Luwen, o. w. — Bedaren, kalm worden.Het begint teL—(het weer zal bedaren).De storm is aan ’tL—(aan ’t verminderen).Spreekwijze:Het begint teL—, zei de reiziger, en hy zat achter een bies.Luwte, z. n. v. — Kalmte, veiligheid.Wy zijn hier in deL—(buiten den wind).Lij, z. n. v. — Van den wind, het tegenovergestelde vanLoef. Wie zich aan Loef bevindt, is aan de hoogere, wie zich aanL—bevindt, aan de lagere (duslijdende) zijde van het vaartuig.Roer aanL—!(breng het roer van den wind af).Spreekwijzen:Iemand inL—brengen(hem in nood, in lijden brengen).Iemand inL—houden(hem bedwingen).Hy ligt inL—(hy is overwonnen).Zich inL—houden(zich stil, aan lager kant houden).Lijboord,Lijboelijns,Lijbrassen, enz. — Het Boord, de Boelijns, enz. die zich aan de Lijzijde van het schip bevinden.Lijf, z. n. o. — Het grootste gedeelte eener knie.Lijfhout, z. n. o. — ZieWatergangen.Lijfknoop, z. n. m. — Boelijnsknoop, die een man om ’t lijf geslagen en waarmede hy naar een kalen mast geheschen wordt.Lijfnaden, z. n. v. mv. — Naden tusschen de watergangen.Lijk, z. n. o. — De rand, of het touw, waarmede een zeil omboord wordt; alzoo hetlichaamoflijk, dat dezielof hetzeilomsluit.Spreekwijze:Uit deL—engeslagen(’onklaar, in de war’:—omdat een zeil, dat uit zijnL—enslaat, gescheurd en onbruikbaar raakt).Lijken, b. w. — Een zeil met touwwerk omzoomen.Lijkgaren, z. n. o.— Garen, tot het Lijken gebruikt.Lijknaald, z. n. o. — Naald, tot het Lijken gebezigd.Lijn, z. n. v. — 1o. Koord, touw, gewoonlijk van witten draad van 120 vademen lengte.In deL—loopen(een schuit trekken). ZieLoop in ’t Lijntjen.Scha-baet, daer valt te met een kanghsgen onder wege,Daer ’t treck-gelt op magh staen; aers moeten w’in delijnEn halen ’t met den hals; maer dat’s een korte pijn.Huyghens,Hofwijck.2o. Denkbeeldige Streep.L—van de kim,waterL—.3o. Bocht, op den scheepswand aangeteekend, om de plaats aan te wijzen waar het Dek moet komen. ZieDekL—.Spreekwijze:Zachtjens aan, dan breekt deL—niet(laat uw ontwerp niet door overijling of drift mislukken).Trek aan datL—tjenniet(roer die zaak niet aan).EeneL—trekken(overeenstemmen, hetzelfde advies of stelsel voorstaan).Lijnbaan, z. n. v. — Eigenlijk de baan, waarin touw getrokken wordt: van daar de touwslagery zelve.Lijst, z. n. v. ofSent. — Zoomwerk, dat tijdelijk gebruikt wordt by den aanbouw van een schip, om de spanten in verband te houden.Lijstlijnen, z. n. v. mv. (veroud.)—Touwen, daar men de bonnetten aan de zeilen meê vast rijgt.Lijstnaald, z. n. v. — Kleine Lijst, strook, die, in een mast of ra, uit veelvuldige deelen saamgesteld, tot aanvulling wordt geplaatst.Lijwaart, bw. — Van den wind af.Aan Lij.Lijwal, z. n. m. — Kust, wal onder den wind.Lijzeil, z. n. o. ZieBroodwinder. —BovenL—(dat aan het marszeil),BramL—(dat aan het bramzeil),GrootbovenL—(dat aan het grootbovenbramzeil),GrootonderL—(dat aan de groote ra),KruisL—(dat aan het kruiszeil),KruisbramL—(dat aan het Grietjen),Voor-bovenL—(dat aan het klein marszeil),VoorbramL—(dat aan het voorbramzeil),VooronderL—(dat aan het fokkezeil is bygezet).Lijzijde, z. n. v. — Zijde onder den wind.

Laadgat, z. n. o. — ZieZundgat.

Laadpriem, z. n. m. — ZieRuimnaald.

Laag, z. n. v. — 1o. (veroud.) Zog, Kielwater.

2o. De stukken geschut, die op dezelfde rij geplaatst zijn.BovensteGeschutL—,OndersteGeschutL—.

3o. De schoten, uit de op een rij geplaatste stukken gelijktijdig gelost.De volleL—geven(uit al de stukken, die zich aan ééne zijde bevinden,tegelijkschieten).Hy heeft een geduchteL—ontfangen(hy is hevig beschoten).

Spreekwijze:Iemand de volleL—geven(hem geducht de waarheid zeggen: ook: hem ruw bejegenen).

Laars, z. n. v. — End dag, waarmede men iemand afstraft.

Laarzen, b. w. — De schepelingen met een end dag op de natte broek kastijden. VolgendsBild.opLaarszoû ’t woord oorspronkelijkLeerzenzijn en beteekenen “metlederenriemen slaan”. DochKiliaansteltleersensynonium metbot-aersen(met schoenen of laarzen slaan).

Labber, b. n. — Lui, flaauw, naar.

Labberen, o. w. — Fladderen, wapperen, wordt van een zeil gezegd.

Labberkoelte, z. n. v. — Flaauwe wind, waarby de zeilen niet gespannen staan, maar alleen labberen en fladderen.

Labberlot, z. n. v. — Naam van eene der sloepen.

Labberlottig, b. n. — ZieBelabberd.

Labzalven, b. w. — ZieLapzalven.

Ladder, z. n. m. — Samenstelling van planken of van touw, waarmede men op- of afstijgt.TouwL—,ScheepsL—.

Laden, b. w. — Vullen, van zijn lading voorzien: en dus, zoowel met betrekking tot de goederen, die in het schip, als tot het kruit en lood, die in het geschut gebracht worden.Het schip is Geladen(heeft zijn lading ontfangen).De goederen zijn Geladen(zijn binnen boord gebracht).De kanonnen zijn Geladen(zijn gereed gemaakt om afgeschoten te worden). Zie de bepalingen omtrent het Laden en Lossen in de Alg. wet van 26 Aug. 1822,Hoofdst. XIV, artt. 127–152.

Spreekwijze:Ik heb Geladen waar ik meê over moet(ik heb my eenongemak, een kwelling op den hals gehaald, die my zal byblijven).

Lading, z. n. v. — 1o. De waren, goederen, koopmanschappen, enz. welke in een vaartuig worden overgevoerd.InL—liggen(wordt een schip gezegd te doen, als het klaar ligt om ingeladen te worden).L—stukgoederen,L—stootgoederen.

Wanneer de morgenstar zal rijzen,Zal ’t licht de rijkeladingwijzen.

Wanneer de morgenstar zal rijzen,

Zal ’t licht de rijkeladingwijzen.

Van Haren,de Geuzen.

2o.De dracht kruit, die een vuurwapen vereischt.

3o. De hoeveelheid kruit, kogel of kogels, enz. die te samen genomen in een vuurmond gebracht wordt.

4o. De daad zelve van het Laden (GezwindeL—,L—in 4, in 11 tempoos).

Lagerwal, z. n. m. — De oever, waar de wind op staat en alzoo het tegenovergestelde vanOpperwalofOppert.

Spreekwijze:AanL—zitten,aanL—zijn(zich in slechte omstandigheden bevinden:—omdat een vaartuig, ’t welk aanL—ligt, geen beschutting van de landzij hebbende, aan den wind is blootgesteld en dikwijls gevaar loopt van stranden).

Laken, z. n. o. (veroud.) — Oneig. voor Zeil.Voor hetL—gaan(voor-de-wind zeilen).

Lampion, z. n. o. — Blikken ring, waar binnen de pit gevat is, wier licht het kompas beschijnt.

Land, z. n. o. — Ten opzichte van den zeeman, al wat geen water is.BeneveldL—(wat men niet goed onderscheiden kan).GrootL—(het vasteL—met betrekking tot een Eiland, of een groot Eiland met betrekking tot een kleiner).GeslotenL—(Landpunten of Eilanden, tusschen welke men niet doorheen kan zien, zoodat zy met elkander verward worden).HakkeligL—(waarvan het bovenste gedeelte zich dor en heuvelachtig voordoet).HoogL—(dat zich hoog boven de zee verheft).VerkenbaarL—(dat licht te kennen valt).VastL—(dat tot het vasteL—behoort).L—dat ontvalt(kust, die zich naar de regels der perspectief langzamerhand schijnt te verwijderen).L—zien,L—hebben(in de nabyheid van hetL—zijn).Daar isL—!L—vooruit!L—!L—in het gezicht!L—te loefwaarts!L—aan stuurboord!L—kraanbalksgewijze te loefwaarts!L—dwars over bakboord!enz. (uitroepen, door den uitkijk gedaan).OverL—zeilen(veroud.), (zeilen, waar men naar de gissing gemeend hadL—te moeten vinden, ofschoon men er ver van verwijderd is). ZieBoterland.

Spreekwijze:Ik zieL—(de bak is byna ledig, ik zie den boôm).

L—voor den bak slaan(aannemen, alleen den bak ledig te eten.)

Daar sla ikL—voor(dat is voor my alleen.)

Er is geenL—met hem te bezeilen(er is geen middel om met hem te recht te komen).

Het zal hier op hetL—waaien(daar is wat kwaads naby).

Hy kan wel zien, hoe na byL—(hoe het met een zaak gelegen is).

Hy durft niet vanL—(hy durft het niet wagen).

Ik heb hetL—(ik ben gemelijk—als een zeeman, die zich aan wal verveelt).

Iemand hetL—opjagen(iemand uit zijn humeur brengen).

Landen, o. w. — Zich aan Land begeven, aan Land komen.Een geschikte plaats om teL—(om aan wal te komen).De troepen zijn Geland(zyn aan land gekomen).

Zoo blinckt de zon op ’t schoonst, die aanbreeckt uit den damp,Zoolantde vloot, na storm, gelukkigst in de haven.

Zoo blinckt de zon op ’t schoonst, die aanbreeckt uit den damp,

Zoolantde vloot, na storm, gelukkigst in de haven.

Vondel,Inw. van ’t Stadthuis.

Landganger, z. n. m. — Een die van scheepsboord zich aan Land begeven heeft.

Landing, z. n. m. — Het aan wal gaan, byzonder met vyandelijke inzichten.DeL—der Engelschen in Noord-Holland.Wy konden ons voordeel niet doorzetten by gemis aanL—troepen.

Landingboot, z. n. v. — Boot, waarmede een Landing verricht wordt.

Landingsplaats, z. n. m. — Plaats, bekwaam gemaakt om er te landen: ook eenvoudig de plaats waar men geland is, of welke men uitkiest om er te Landen.

Landkrab, z. n. m. — Schimpnaam, door ’t zeevolk aan de Landsoldaten gegeven.

Landmerk, z. n. o. — Wordt in ’t algemeen genomen voor elk vast voorwerp, dat, op het land staande, door de richting, waarin men het uit zee bespeurt, dienen kan om in het vaarwater te blijven, klippen en banken te mijden, enz.

Landontdekking, z. n. v.— 1o. Het Ontdekken van een te voren onbekend Land.

2o. Verkenning van land.Op de hoogte van Mauritius gekomen, zond de Amiraal een brik uit opL—.

Spreekwijze:OpL—uitgaan(zich van een zaak vergewissen).

Landslot, z. n. o. (veroud.) — Haven, die door bergen of hoogten ingesloten, tegen alle winden beschut ligt.

Landstreek, z. n. v. — Gewest, landouw.

Landtong, z. n. v. — Strook Lands, die als een Tong in zee uitsteekt.Wy liepen langs eene met boomen begroeideL—die ons in de rivier bracht.

Landvalling, z. n. v. (veroud.) — Ontdekking, opdoeming van eenig Land.

Landverkenning, z. n. v. — 1o. Het verkennen, onderzoeken eener landstreek.

2o. Men noemt ookL—enzekere merken, als torens, molens, enz., van welker betrekkelijke plaatsing men den ingang van een stroom of van een haven enz. herkent.

Landwind, z. n. m. — Wind, die van het Land zeewaarts inwaait en op gezette tijden, gelijk zulks in bergachtige landen zeer gewoon is.

Landziekig, b. n. — Door Landziekte of heimwee aangetast; van hier: langzaam, traag, verveelend.Wy hadden eenL—ereis.(wy waren lang onderweg).

Spreekwijze:EenL—eredevoering(die te lang duurt, verveelt).

Landziekte, z. n. v. — 1o. Ziekte, aan welke men onderworpen is, wanneer men aan de luchtgesteldheid of leefregel van een vreemd land nog ongewoon is.

2o. Het heimwee aan boord van onbevaren matrozen, waardoor zy zich moedeloos, traag, verveeld gevoelen, en langzaam aan het werk worden.

Langeveld, z. n. o. ofMondstuk. — Het gedeelte van een mortier, van waar het topperstuk eindigt tot aan de monding.

Langs, bw. — Bezijden, voorby.L—een kust heenzeilen(een kust voorbygaan).DichtL—den wal loopen.Een schip,een eilandL—zeilen.

Langsdennen, z. n. v. mv. ofLangshouten. — Leggers eener helling.

Langshouten, z. n. v. mv. — ZieLangsdennen.

Langscheepsch, b. n. — Van voren naar achteren.EenL—verband(een verband, dat zich langs het schip uitstrekt).

Langszalings, z. n. m. mv. — Eikenhouten dwarsbalken, twee in getal, aan weêrskanten op de ooren der benedenmasten en op de hommers der topmasten geplaatst.

Langs zijde, voorz. voorlangs de zijde van.L—de Argo.

Laning, z. n. v. — Planken brug, overloop.

Lanspassaat, z. n. m. (veroud.) — De laagste Onderofficier. ’t Woord is afgeleid van ’t Ital.lancia spezzata(gebroken of geknotte lans). In ’t Groot-Placaetboek, D. V. bl. 173, vinden wy in een opgave van krijgsonkosten denLandtspassaettusschen den Korporaal en den Tamboer geplaatst. ZieDe VriesopHooftsWarenar, bl. 109.

Lantaarn, z. n. v. — Verschillend in grootte en gebruik. ZieDieveL—,GeschutL—,KruitL—,SeinL—. ’t Woord wordt ook meer bepaald genomen voor de met glazen voorziene kap, waardoor licht in de kajuit gegeven wordt.

Lantaarngat, z. n. o. — Hok achter de kruitkamer, waarin de kruitlantaarn wordt ontstoken.

Lantaarnvuur, z. n. o. — Vuurbaak, in een haven geplaatst om de binnenkomende schepen te lichten.

Lantaarnstander, z. n. m. — Stijl of Stander, waar de Lantaarn op rust.

Lantione, z. n. v. — Soort van Sineesche kustgalei, van een aantal riemen voorzien.

Lap, z. n. v. ofLap tegen den achtersteven. — 1o. Stuk hout, dat tegen den achterkant des achterstevens geplaatst is, en dienen moet om voor te komen dat dit deel te veel verzwakt worde door het inlaten der vingerlingen en het maken van de messing.

2o. Zeil; doch meest gebruikelijk in het m. v. of als diminutief. ZieLapjen.

AlleL—penuithangen(alle zeilen byzetten).Voor deL—penafloopen(voor-de-wind afloopen).

Spreekwijze:Hy laat het onder deL—hangen(hy verteert veel geld).

Lapjen, z. n. o. —Zeiltjen.De wind is vlak voor ’tL—(is voordeelig).

Spreekwijze:Het gaat hem voor ’tL—(het gaat hem voorspoedig).

Iemand voor ’tL—houden(iemand voor den mal houden: oorspronkelijk; iemand gebruiken, om er zijn doel mede te bereiken).

Lappen, b. w. — Tijdelijk herstellen.

Lapzalven, b. w. — Is eigenlijk: “Lappen met zalf bestrijken,” waarom ook een heelmeester spotswijze een Lapzalver genoemd wordt. Als scheepsterm neemt men het voor: “scheepstuig nazien en teeren”.

Lasch, z. n. m. — Vereeniging van twee of meer in dezelfde richting loopende stukken, zoo dat hun breedte en dikte onveranderd blijft.PlatteL—(wanneer de enden der deelen schuins op elkander sluiten). ZieHaakL—,TandL—, enz.

Laschyzer, z. n. o. — Soort van dubbele spijker, voor de deksverbindingen in gebruik.

Laskaar, z. n. m. — Indiaansche matroos.

Last, z. n. o. — Gewicht van twee ton of 4000 Pond.Dat schip voert N.L—.Een vaartuig van 100L—.

Last, z. n. m. —1o. Vracht, lading.Het schip heeft zijnL—in.Het schip is wel byL—(is behoorlijk geladen). ZieLastbreker.

2o. Bevel, kommando.

3o. In ’t mv. voor “belasting.”ZijnL—enopbrengen.

Lastaadje, z. n. v. (veroud.) — Scheepstimmerwerf of plaats, waar die gelegen is of kan worden opgericht. Een buurt aan den IJkant te Amsterdam plach er haar naam van te dragen.Bild.leidt den naam van ’t Deensch af: zie zijnGesl. in v.

Lastbalken, z. n. m. mv. ofRuimbalken(veroud.) — Balken, die tot versterking dienen van het onderschip en waarvan het koebrugdek gevormd wordt.

Lastbreken, o. w. — Een gedeelte van de lading lossen.

Lastgeld, z. n. o. (veroud.) — Tonnegeld, geld, dat in evenredigheid der zwaarte van het schip geheven werd.

Lastlijn, z. n. v. ofEerste Waterlijn. — Denkbeeldige lijn, welke men zich voorstelt langs een schip gelijk met den waterspiegel getrokken te zijn, wanneer het zijn gewone lading in heeft en gezonken is op de diepte welke de bouwmeester gewild heeft.

Lat, z. n. v. — Dun, lang en plat stuk hout of yzer.

Laten, b. w. — 1o. Verlaten.Zijn ankersL—(voor achterlaten).

2o. Hulpwerkwoord.Een schipL—loopen(het zijn koers doen houden).Het ankerL—vallen(het anker uitwerpen).Een onderzeilL—vallen(het byzetten).Een touwL—vliegen(het in eens losgooien).

Latijnzeil, z. n. o. ofEmmerzeil. — Driehoekig zeil, aldus genoemd, omdat het by de Latijnsche volkeren in gebruik was.

Laveeren, o. w. — 1o. Een zeilend vaartuig beurtlings over den eenen en den anderen boeg doen wenden, ten einde in den wind op te werken.

2o. De beweging, welke alsdan het vaartuig zelf doet.

Hetzij wy zeilen oflaveeren,Is Godt met ons, niets kan ons deeren.

Hetzij wy zeilen oflaveeren,

Is Godt met ons, niets kan ons deeren.

Cats.

Lazaret, z. n. o. — Gesticht in eenige havens, voornamelijk der Middellandsche Zee, en ingericht om er lieden of goederen, die uit besmette of verdachte havens komen, quarantaine te doen houden, ’t Woord is Ital. en beteekent Lazarushuis.

Leeftocht, z. n. m. — Voorraad van spijs en drank.

Legdagen, z. n. m. mv. of, naar de hedendaagsche speling,Ligdagen. — Dagen, bepaald tot lading of lossing van een schip.

Leggen, o. w. of, naar de latere spelling,Liggen, — ’t welk men echter nooit uit den mond van een zeeman hooren zal, in uitdrukkingen als:De wind gaatL—(het wordt stil weer).Voor ankerL—.

Leggen, b. w. —De kielL—(haar op blokken stellen).Het geschut in de rolpaardenL—(het op zijn plaats brengen).Het LandL—(zich verwijderen van het Land, zoodat het in ’t water schijnt te verzinken).

Legger, z. n. m. — 1o. Geteerd watervat.

2o. Stutbalk.

3o. Vaartuig, dat men by het kielen of timmeren van een schip by de hand heeft liggen om ’t een of ander te bergen.

4o. Waker op een ledig schip.’t Schip is opgelegd en heeft eenL—aan boord.

Leguaan, z. n. m. — Bekleedsel van touw om de raas, mede dienende ter vervanging van het bindwerk der raas.SloepsL—(Gordel van touwwerk, voor aan een sloep gebonden, en dienende om haar by stooten van beschadiging vrij te waren.)

Legwaring, z. n. v. — Lijfhouten op het dek langs het boord.

Leider, of meer gebruikelijkLeier, z. n. m. — 1o. Touwwerk, dat van den masttop naar de richting der stags getrokken wordt, en waartegen men de voornaamste foks en middelzeilen ophaalt.StaandeL—(zwaar touw, dat voor of tegen een schuinschen mast geplaatst wordt, om het gebruik van een vierkant zeil gemakkelijker te maken).

2o. Leuning.L—van het galjoen,L—van de verschansing,L—rondom het boord,L—van de helling,L—van de wieg.

Leissels, z. n. o. voorLei-zeels. — Stroppen van de raas.

Leizeil, z. n. o. — Zeil, dat men by ruimen wind buiten de razeilen uitvoert.

Lek, b. n. en bw. — Open, zoo dat het vocht uitloopt.Dat vat isL—(het houdt geen water).Met eenL—keboot is ’t slecht varen.

Lek, z. n. o. — Toevallige opening in een vaartuig, waar het water door binnen dringt, veroorzaakt door ’t stooten op een klip, baak of ander voorwerp, door aanzeiling, door grondschoten, door zwaar slingeren, enz.

De bodem slorpte ’t natDoor ’t stooten op een paal; waardoor een yeder zatIn ’t water tot de knie en vreesde te versticken,Het ongemack was groot, noch durfde niemant kicken.Doch ’tLeckgeraeckte dicht en stopte wonderbaerVan zelf.

De bodem slorpte ’t nat

Door ’t stooten op een paal; waardoor een yeder zat

In ’t water tot de knie en vreesde te versticken,

Het ongemack was groot, noch durfde niemant kicken.

Doch ’tLeckgeraeckte dicht en stopte wonderbaer

Van zelf.

Vondel,Gijsbrecht van Aemstel.

Dat schip heeft eenL—,DatL—moet gestopt. Ook opening van een vat, kuip, enz. waar het water door weg loopt.In dat vat is eenL—gesprongen.Catsbezigt het woord vr.

Ziet door een kleinelekzoo komt een schip te zinken,Al schijnt het maar de zee by droppels in te drinken.

Ziet door een kleinelekzoo komt een schip te zinken,

Al schijnt het maar de zee by droppels in te drinken.

Spreekwijze:HetL—stoppen(het verlies vergoeden).

Lekkaadje, z. n. v. — Wegsypeling van het vocht, gevolg van een Lek.Er is zwareL—geweest: er moet zoo veel worden afgetrokken voorL—.

Lekken, o. w. — Uitloopen, wegsypelen, ledig loopen.

Lelie, z. n. v. — De punt der kompasnaald, die den vorm eener lelie heeft.

Schoon zegtVondel,Lof der Zeevaart:

Delelidoelt naar d’ as, en dwaalt en is ontrustTot dat ze Areturus vint en hem van blijschap kust.

Delelidoelt naar d’ as, en dwaalt en is ontrust

Tot dat ze Areturus vint en hem van blijschap kust.

Leng, z. n. o. — Strop, dubbel geslagen touw, dienende om vaten of andere zware voorwerpen op te hijschen.

Lengen, b. w. — Aaneenbinden van de netten voor de steurharingvangst in gebruik. Doorgaands wordt hetL—van de eerste vleet (21 netten) door vrouwen verricht.

Lengte, z. n. v. — 1o. Afstand tusschen den meridiaan eener plaats en den eersten meridiaan.Die stad ligt op N. graden Wester- of OosterL—.

2o.AstronomischeL—eener planeet(boog der ekliptika, begrepen tusschen den evennachtslijn of het eerste punt van Ariës en de plaats op de ekliptika, waarmede de planeet loodrecht overeen komt).

3o.GeocentrischeL—(punt der ekliptika, waarop het middelpunt eener planeet, van de aarde gezien, loodrecht neêrvalt).

4o.HeliocentrischeL—(punt der ekliptika, waarop het middelpunt eener planeet loodrecht zoû neêrkomen, indien zy van de zon gezien werd).

Lens, bw. — Ledig.Een schipL—pompen(het door middel van pompen van het ingezwolgen water bevrijden).De pompL—pompen(pompen, tot dat het water, dat zich in ’t ruim bevindt, lager staat dan het benedeneinde der pomp).

Spreekwijze:De beurs isL—(het geld is op).

Lenspomp, z. n. v. — Pomp, die in een stoomvaartuig door de stoomkracht in beweging gebracht wordt, en die voornamelijk dienstig is om het water, door lekkaadje of uit de ketels in het ruim geloopen, weder weg te werken.

Lens(ter)gaan, o. w. (veroud.) — De zeilen met ruime schoten ter windvang stellen. Thands zegt men daarvoor “van den wind loopen.”

Lenzen, o. w. — By stormweer met weinig, of zonder zeil voor den wind of de zee weg loopen.Het voor tip en takelL—dehouden.

Leuning, z. n. v. — Borstweering.L—van het galjoen.

Leunstag, z. n. o. — Stag, waar een schip in aanbouw op steunt.

Leuvers, z. n. m. mv. — Oogen met yzeren kousen in de lijken der zeilen, waarin boelijns, gordings enz. worden vastgemaakt.

Levendig(De zeilen)houden, b. w. — De zeilen laten wapperen, op den wind brassen, doen hellen.

Licenten, z. n. v. mv. (veroud.) — Rechten op den in- en uitvoer gesteld. ZieKonvooien.

Licht, z. n. o. — Voor kunstlicht, vuurbaak.

Licht, b. n. — Byvaartuiggevoegd, geeft daaraan doorgaands de beteekenis van hulpvaartuig. Zoo worden onder deL—evaartuigen genoemd de sloepen, booten, jols, enz. die een groot vaartuig ten dienste staan.

Lichten, b. w. — 1o. Ophalen.Het ankerL—.

2o. Uit zijn plaats nemen.Het roerL—.

3o. Ontlasten, Lichter maken.Een schipL—(er een deel der lading of der goederen uit nemen of over boord werpen). Dit mag volgends art. 19 der Alg. Wet van 26 Aug. 1822 alleen op bepaalde lichtingsplaatsen geschieden.

Spreekwijze:Het ankerL—(vertrekken).

Alle beetjens helpen, alle vrachtensL—, zeî de schipper, en hy smeet zijn vrouw over boord.

Lichter, z. n. m. — Vaartuig, waarmede groote schepen gelost worden, wanneer zy te veel diepgang hebben om met ongebroken lading hun bestemmingsplaats te bereiken. Vóór de doorgraving van het Noord-Hollandsch kanaal, werden de goederen uit de koopvaarders by hun aankomst op de reede van Texel, alle doorL—snaar Amsterdam vervoerd. Zie de bepalingen, omtrent deL—sin artt. 19, 20, 21 en 22 der Alg. Wet van 26 Aug. 1822.

Spreekwijze:EenL—aan boord krijgen(ondersteuning krijgen om door de bezwaren heen te komen).

Lichter, z. n. m. — Lichtverschaffer: Hek- of Marslantaarn.

Lichting, z. n. m. (veroud.) — De kring of draaijing van het touwrondomden spil.

Lier, z. n. v. — Horizontaal geplaatste kaapstander, dienende om vrachtgoederen in een schip te hijschen.

Ligdagen,Liggen, enz. — ZieLegdagen,Leggen.

Ligging, z. n. v. — Gesteldheid, waar een plaats zich bevindt.

Linie, z. n. v.,EvennachtslijnofEquator. — Cirkel om den aardbol, die overal even ver van de beide polen verwijderd is.DeL—passeeren(van het N. in het Z. halfrond gaan of omgekeerd).

Spreekwijze:DeL—gepasseerd zijn(50 jaar oud zijn geworden).

Linie, z. n. v. — Lijn, slagorde.InL—geschaard zijn.GeslotenL—(wanneer de schepen op korten afstand van elkander zijn).LoefwaartscheL—,LywaartscheL—(wanneer twee vlooten zich op evenwijdige lijnen by elkander bevinden).

Linieschip, z. n. o. ofSchip van Linie. — Groot oorlogsvaartuig, vroeger “Schip van oorlog” genoemd.

Lip, z. n. v. — Keep.

Lipklamp, z. n. v. — ZieKlamp.

Loef, z. n. v.,LoefboordofLoefzijde. — 1o. In een zeilend schip, de zijde, waar de wind op staat.AanL—zitten.

2o. De benedenhoek van een groot zeil windwaarts.

3o. Het voordeel van den wind.DeL—afwinnen(het voordeel van den wind bekomen).DeL—houden(het voordeel van den wind bewaren).

Spreekwijze:Iemand deL—afsteken(voordeel op iemand behalen, iemand voor zijn).

Iets eensL—sdoen(iets zonder beraad, zonder aarzelen doen).

Loefbalk, z. n. m.,MaststutofMastschoor. — Naam van zware stukken hout, die tot stut van een benedenmast dienen, als hy in de kiel ligt.

Loefboom, z. n. m. — ZieBotteloef.

Loefboord, z. n. o. — ZieLoef.

Loefbras, z. n. m. — Bras aan de windzijde.

Loefgierig, b. n. — Zwaar op het roer.L—schip(dat gemakkelijk naar den wind luistert en tegen het roer in geneigd is te Loeven).

Loefhals, z. n. m. — Hals aan de windzijde.

Loefhouden, o. w. — Goed by-de-wind zeilen, zonder af te vallen.

Loefhouder, z. n. m. — 1o. Schip dat goed by-de-wind zeilt.

2o. ofBitstuk. — Strook hout, tegen den voorkant des voorstevens aangebracht.

Loefpardoen, z. n. o. — Vliegend Pardoen.

Loefschoot, z. n. v. — Schoot aan de windzijde.

Loefspant, z. n. v. (veroud.) — Spant, die in verband staat met de halsklamp.

Loefwaart(Te), bw. — ZieLoevert(te).

Loefwal, z. n. m. — Wal, kust aan de windzijde.

Loefzijde, z. n. v. — ZieLoef.

Loerding, z. n. v. — ZieLording.

Loet, z. n. v. — Spaansche bezem, waarmede een schip onder water geschrobd wordt.

Loeven, o. w.AanloevenofOploeven. — By-de-wind komen, den voorsteven van het schip naar den wind brengen.L—is het tegenovergestelde van Afhouden.L—!L—op!Houd deL—!L—op stijf!(houd dicht by den wind!)L—op voor de bui!L—voor de zee!

Loevert(Te), bw. — Aan de windzijde.Een schip teL—bespeuren.

Log, b. n. — Bang, zwaar.L—in het zeilen.Dat schip ligtL—op het water.

Log, z. n. v. — Werktuig, in zee gebezigd, om de voorwaartsche snelheid van een schip te meten.

Logboek, z. n. o. — Dagregister, scheepsjournaal.

Loggaten, z. n. o. (veroud.) — ThansVullingsgatengenoemd. Zie ald.

Loggen, o. w. — De Log over boord werpen.

Logger, z. n. m. — Klein oorlogsvaartuig, meestal met zoomwerk voorzien. Het heeft veel diepgang achter, voert een grooten mast, een fokkemast en een druil, en is met marszeilen getuigd.

Logglas, z. n. o. — Zandloopertjen, dienende om de tijdruimte te bepalen, waarin de Loglijn loopt.

Loglijn, z. n. v. — Lijn, die van den overlooper af met knoopen en halve knoopen voorzien is, de eerstgemelde op 15,5 el, de laatstgenoemde op 7,7 el afstands. De knoop maakt het 120stegedeelte van het derde eener zeemijl: de tijdruimte der meting is een halve minuut.

Logplankjen, z. n. o. — Driehoekig plankjen, dat aan de onderste zijde met lood voorzien, en door een hanepoot aan de loglijn vastgemaakt, van het achterschip in zee geworpen, overeind blijft staan, terwijl het schip voortgaat, en alzoo dient om den afstand te meten, welken een schip gedurende 15 à 30 seconden heeft afgelegd.

Logrol, z. n. m. ofLogwuit. — Spil, waar de Loglijn over loopt.

Logtafel, z. n. v. — Zwart geschilderde plank, in kolommen afgedeeld, en waarin met het einde van elke wacht wordt opgeteekend, wat noodig is om te weten, ten einde den koers van het vaartuig te berekenen en den afstand, welken het volgends de Log heeft afgelegd.

Logwuit, z. n. v. — ZieLogrol.

Lokgat, z. n. o. (veroud.) — Waterloozing.

Lont, z. n. v. — Gedraaid touw, dienende om het geschut te doen ontbranden.

Lontstok, z. n. v. — Stok, waar de Lont aan gehecht is.

Lontvat, z. n. o. — Vat voor de Lonten.

Lood, z. n. o.,Diep-ofPeillood. — Langwerpig vierkant stuk lood, van boven met een gat, waarin de strop gesplitst is, aan welken de loodlijn vast zit, dienende om de diepte van het water te peilen.DiepL—,ZwaarL—(het Lood waarmede groote -),HandL—,LichtL—(waarmede kleine peilingen verricht worden). Aan het onderste van ’t zwaarL—is een holte, die met talk gestopt wordt en dient om de natuur van den bodem, b. v. zand, modder, steen- of korrelgrond, te onderkennen.

Looden, o. w. — Diepte-peilen.

Loodbalie, z. n. v. — Tobbe, waar de natte Loodlijn by ’t binnen halen in wordt geborgen.

Looding, z. n. v. — Diepte-peiling.

Loodlijn, z. n. v. — Witte Lijn, waar het Lood aan gehecht is, en door welke de diepte van het water gemeten wordt.

Loodlijnblok, z. n. o. — Blokjen, dat aan het want van een benedenmast gehecht wordt, en waarvan men zich bedient om de Loodlijn gemakkelijker uit de diepte op te halen.

Loods, z. n. m. — Iemand, die een schip in zee, of uit zee op de reede brengt, en meer byzonder iemand, die een vaste aanstelling heeft om zulks te verrichten.BinnenL—(die zijn bedrijf op de binnenwateren uitoefent).BuitenL—(die met het buitenwater bekend is).

Antonidesnoemt in zijnIJstroom, de Loodsen:

Een volk, in ’t peilen van den gront en droogte ervaren.

Een volk, in ’t peilen van den gront en droogte ervaren.

Spreekwijze:Het zit er niet dieper, zei deL—en hy peilde in de vleeschbalie(op botterikken toe te passen).

Loodsboot, z. n. v.,LoodsschuitofLoodsvaartuig. — Vaartuig, dat den Loods ten dienste staat, om hem aan boord der schepen, aan welke hy hulp verleenen moet, te brengen, of er hem van daan te halen. DeL—is aan een bepaalde vlag of teeken kenbaar.

Loodsen, b. w. — Een schip naar binnen of naar buiten voeren, met behulp, ’t zij van theoretische, ’t zij van plaatselijke kennis.InL—,BinnenL—.

Nu scheen zy eens een kleene bootIn ’t roeien na te bootsenEn ’t vlot, by ’t kronklen van den stroomDe bochten in telootsen.

Nu scheen zy eens een kleene boot

In ’t roeien na te bootsen

En ’t vlot, by ’t kronklen van den stroom

De bochten in telootsen.

Bilderdijk,Elius.

Loodsgeld, z. n. o. — Geld, dat voor het Loodsen betaald wordt.Ontfanger derL—en(ambtenaar, die deL—enontvangt en aan het Departement van Marine verantwoordt).

Loodsman, z. n. m. — ’t Zelfde alsLoods.

Loodswezen, z. n. o. — Al wat tot het bestuur en de inrichting van het Loodsen betrekking heeft.

Loog, z. n. v. — Stukken hout, die volgends ’t beloop van ’t schip moeten gebogen worden en door bevochtiging en branding krom trekken.

Loogen, z. n. v. — Stukken hout nat maken en buigen.

Loom, b. n. — Wordt een schip gezegd te zijn, wanneer het traag is in zijn bewegingen.

Loop, z. n. m. — 1o. Richting.DeL—van een stroom.

2o. Bus van een schietgeweer.

3o. Het terugspringen van een losbrandend kanon.

Loopen, o. w. — 1o. Varen, zeilen.Dat schip Loopt snel.ZieBinnenloopen,Uitloopen.—AchteromL—(Engeland omzeilen, ’t geen vroeger de retoervloot in oorlogstijden dikwijls genoodzaakt was te doen).

2o. Zakken.Het zeil latenL—(het zeil strijken).

Loopend want. — ZieWant.

Looper, z. n. m.,Uithaalder,Wipper. — Algemeene benaming van alle touwen, die door een blok loopen.L—die van achteren naar voren vaart(die, door een schijf loopende, van het achterschip naar het voorschip gestrekt is).Doorgeschoven,geschorenL—(die van voren naar achteren loopt).BeknepenL—(die tusschen de schijf en het blok vast zit). Ook wordt veelal dat gedeelte van een touw, ’t welk men by ’t hijschen of halen in handen heeft, deL—genoemd.KardeelL—,StengewindreepsL—.

Loopgang, z. n. m., ofLoopplank. — Het bak- en stuurboordsgedeelte van het dek, waarmede men van het voor- naar het achterschip gaat.

Loopgraven, z. n. v. mv., van een Brander. — Kruitloop, in een Brander aangebracht, om dien aan te steken.

Loop-in-’t lijntjen, z. n. o. — Jong matroos.

Loopplank, z. n. v. — ZieLoopgang.

Loopstags, z. n. o. mv. ofLeiers van den Boegspriet. — Touwen op gelijke hoogte evenwijdig aan weêrszijden van den boegspriet gespannen, en tot steun dienende van de manschappen, die verplicht zijn langs dien mast op en neder te gaan.

Loos, z. n. v. — Losse bocht in een touw.

Loos, b. n. — Alles wat men waarloos aan boord heeft.Looze stengen,Looze zeilen: ook wat men tot sparing van het bestaande bezigt.Looze voorsteven,Looze poorten(borden, waarmede men de geschutpoorten sluit als het geschut te boord staat).Looze(ookLosse)kiel(die aan de vaste kiel is gehecht van een schip, dat slecht stuurt).

Lording, z. n. v. ofLoerding. — Driedraads geteerd garen.

Los, bw. — In verscheidene kommandoos gebezigd.Kluiver en StagzeilschotenL—,L—overal!L—overal in eens!

Losgooien, b. w. — Snel losmaken.

Losplaats, z. n. v. — Werf of Kaai, waar goederen gelost worden.

Losbranden, b. w. — Afschieten.Een roer, een kanonL—.Brandt er op Los!(schiet af!).

Losscherp, z. n. o. (veroud.) — Allerlei yzerwerk, als staven, schroot, enz. dat maar los en zonder kardoezen in ’t geschut gestoken werd.

Lossen, o. w. — Zich van zijn vracht ontdoen.Wy werden genoodzaakt teL—.Reglement op het laden enL—.

Lossen, b. w. — 1o. Uitbrengen.GoederenL—(ze uit het vaartuig aan wal brengen). Zie omtrent hetL—van goederen de Alg. Wet van 26 Aug. 1822, Hoofdst. XIV, artt. 127–152.

2o. Afschieten.Het geschutL—(schieten).

3o. Bevrijden, ontslaan.

Lossing, z. n. v. — Ontscheping van goederen.

Lucht, z. n. v. — 1o. Hoofdstof, wier inademing den mensch onmisbaar is om te leven.L—maken(deL—door het openen van luiken, deuren of ramen, in een bedompte plaats doen binnen dringen).

2o. Zwerk, uitspansel.BetrokkenL—.Dikke,verstopteL—.HeldereL—.MistigeL—.DeL—staat naar regen(er zal regen komen).

3o. Wolk, bui.Er hangen zwareL—en.

4o. Ruimte tusschen de deelen van een scheepsromp.DeL—enopvullen.L—entusschen de wegers.

Luchtjen, z. n. o. — Windtjen, koeltjen, briesjen.

Luchtgaten, z. n. o. mv. — Vierkante gaten beneden het kolsem door de zitters en buikstukken, waar het pompwater doorgaat. In de buikdenningenworden ookL—gemaakt om het water te doen schieten dat daar op staat.

Luchtzeil, z. n. o. — ZieKoelzeil.

Lui, b. n. (veroud.) —L—houtheette by de scheepstimmerlieden wat niet wel gekromd of gebogen was.

Luien, b. w. — 1o. Wijze van lossen op koren- en steenkolenschepen.

2o. Voor: “de klok luiden,” ’t geen men by mistig weer doet; ter waarschuwing om aanzeiling te voorkomen:—alsmede om het volk tot schaften te roepen.

Spreekwijze:De klokL—,maar niet schoften, iets belooven, maar niet volbrengen.

Luik, z. n. o. — 1o. Sluiting, bord, bepaaldelijk zulk een als dient om een opening teLuikenof dicht te maken, en van hier, door toepassing:

2o. De opening zelve en wel zoodanig vierkante opening, als in de dikte van een dek of bak gemaakt is, om de gemeenschap tusschen de verdiepingen van een vaartuig tot stand te brengen. Zoo heeft men aan boord van een schip hetachterL—, hetgrootL—, hetvoorL—, en andere meer, genoemd naar de plaats, waar zy heen geleiden.

Luisteren, o. w. — Gehoor geven. Het schip wordt gezegd naar het roer teL—, wanneer het de beweging aanneemt, welke de roerganger er aan wenscht mede te deelen.

’t Schipluistertnaar geen roer, naer Stuurman noch kompas.

’t Schipluistertnaar geen roer, naer Stuurman noch kompas.

Vondel.Lof der Zeevaert.

Luitenant-Amiraal, z. n. m. — ZieAmiraal.

Luitenant ter Zee, z. n. m. — Tytel van den Officier, die op den Kapitein-Luitenant volgt.DeL—ter zee der Eerste klasseheeft den rang van Kapitein by de Landstroepen. ’t Woord is Fransch en beteekent letterlijk: “plaats-bekleeder”, “stede-houder”.

Luiwagen, z. n. m. — Cirkelvormig dwarshout, waar de roerpen over heen en en weêr loopt.

Luizeplecht, z. n. v. (veroud.) — Verschansing op het voorkasteel.

Lul, z. n. m. — Stagzeil, voorzeil van een visschersvaartuig.

Lumieren, z. n. v. mv. — Dageraad, eerste schemering, verhollandschte uitspraak van ’t Fr.lumière.Wy moeten morgen met deL—beginnen(zoodra de dag aanbreekt).

Luns, z. n. v. — Gebogen 8vormige yzeren pen, die in de as van een roltuig gestoken wordt om het afloopen van ’t wiel te beletten.

Lurken, o. w. — Wordt de pomp gezegd te doen, wanneer het pomphart geen grond raakt.

Luwen, o. w. — Bedaren, kalm worden.Het begint teL—(het weer zal bedaren).De storm is aan ’tL—(aan ’t verminderen).

Spreekwijze:Het begint teL—, zei de reiziger, en hy zat achter een bies.

Luwte, z. n. v. — Kalmte, veiligheid.Wy zijn hier in deL—(buiten den wind).

Lij, z. n. v. — Van den wind, het tegenovergestelde vanLoef. Wie zich aan Loef bevindt, is aan de hoogere, wie zich aanL—bevindt, aan de lagere (duslijdende) zijde van het vaartuig.Roer aanL—!(breng het roer van den wind af).

Spreekwijzen:Iemand inL—brengen(hem in nood, in lijden brengen).

Iemand inL—houden(hem bedwingen).

Hy ligt inL—(hy is overwonnen).

Zich inL—houden(zich stil, aan lager kant houden).

Lijboord,Lijboelijns,Lijbrassen, enz. — Het Boord, de Boelijns, enz. die zich aan de Lijzijde van het schip bevinden.

Lijf, z. n. o. — Het grootste gedeelte eener knie.

Lijfhout, z. n. o. — ZieWatergangen.

Lijfknoop, z. n. m. — Boelijnsknoop, die een man om ’t lijf geslagen en waarmede hy naar een kalen mast geheschen wordt.

Lijfnaden, z. n. v. mv. — Naden tusschen de watergangen.

Lijk, z. n. o. — De rand, of het touw, waarmede een zeil omboord wordt; alzoo hetlichaamoflijk, dat dezielof hetzeilomsluit.

Spreekwijze:Uit deL—engeslagen(’onklaar, in de war’:—omdat een zeil, dat uit zijnL—enslaat, gescheurd en onbruikbaar raakt).

Lijken, b. w. — Een zeil met touwwerk omzoomen.

Lijkgaren, z. n. o.— Garen, tot het Lijken gebruikt.

Lijknaald, z. n. o. — Naald, tot het Lijken gebezigd.

Lijn, z. n. v. — 1o. Koord, touw, gewoonlijk van witten draad van 120 vademen lengte.In deL—loopen(een schuit trekken). ZieLoop in ’t Lijntjen.

Scha-baet, daer valt te met een kanghsgen onder wege,Daer ’t treck-gelt op magh staen; aers moeten w’in delijnEn halen ’t met den hals; maer dat’s een korte pijn.

Scha-baet, daer valt te met een kanghsgen onder wege,

Daer ’t treck-gelt op magh staen; aers moeten w’in delijn

En halen ’t met den hals; maer dat’s een korte pijn.

Huyghens,Hofwijck.

2o. Denkbeeldige Streep.L—van de kim,waterL—.

3o. Bocht, op den scheepswand aangeteekend, om de plaats aan te wijzen waar het Dek moet komen. ZieDekL—.

Spreekwijze:Zachtjens aan, dan breekt deL—niet(laat uw ontwerp niet door overijling of drift mislukken).

Trek aan datL—tjenniet(roer die zaak niet aan).

EeneL—trekken(overeenstemmen, hetzelfde advies of stelsel voorstaan).

Lijnbaan, z. n. v. — Eigenlijk de baan, waarin touw getrokken wordt: van daar de touwslagery zelve.

Lijst, z. n. v. ofSent. — Zoomwerk, dat tijdelijk gebruikt wordt by den aanbouw van een schip, om de spanten in verband te houden.

Lijstlijnen, z. n. v. mv. (veroud.)—Touwen, daar men de bonnetten aan de zeilen meê vast rijgt.

Lijstnaald, z. n. v. — Kleine Lijst, strook, die, in een mast of ra, uit veelvuldige deelen saamgesteld, tot aanvulling wordt geplaatst.

Lijwaart, bw. — Van den wind af.Aan Lij.

Lijwal, z. n. m. — Kust, wal onder den wind.

Lijzeil, z. n. o. ZieBroodwinder. —BovenL—(dat aan het marszeil),BramL—(dat aan het bramzeil),GrootbovenL—(dat aan het grootbovenbramzeil),GrootonderL—(dat aan de groote ra),KruisL—(dat aan het kruiszeil),KruisbramL—(dat aan het Grietjen),Voor-bovenL—(dat aan het klein marszeil),VoorbramL—(dat aan het voorbramzeil),VooronderL—(dat aan het fokkezeil is bygezet).

Lijzijde, z. n. v. — Zijde onder den wind.


Back to IndexNext