Z.Zaadhout, z. n. o. — Benaming van een rij dikke balken, die, de een aan den anderen, in de richting der kiel en daarboven geplaatst, zich kruissen met al de spanten van een schip, door over ’t midden der vrangen heen te loopen. HetZ—dient tot versterking voor het raam en tot gelijker verdeeling van het gewicht des masten.Zaag, z. n. m. — Lange platte yzeren strook, waarvan de eene zijde getand is, en dienende om voorwerpen van hout of steen zuiver te verdeelen. ZieHandZ—,SpanZ—,KraanZ—,RaamZ—,SchrobZ—,TrekZ—. Volgends het sprookjen hadden de schepen der kruisvaarders (waarvan de afbeeldsels nog in de groote kerk te Haarlem hangen)Z—enaan den boeg, waarmede zij de kettingen, by Damiate gespannen, afzaagden.Zagen, b. w. — Door middel van een Zaag verdeelen.Zagersbok, z. n. m. — ZieBok.Zakken, o. w. —1o. Achteruitblijven.Wy lieten onsZ—(wy bleven met ons schip achteruit).2o. Nederdalen (Die bui is gezakt).Dauw en donker zyn aan ’tzakken.Huighens.Zaling, z. n. v. — Dwarshout aan den top van een mast, dienende om een mars te steunen. ZieBramZ—,LangsZ—, enz.Zand, z. n. o. — Soort van lichte, fijne, geelachtige aarde, met keizels of schulpen vermengd.GrofZ—,FijnZ—,ZeeZ—,RivierZ—,SchelpZ—,ModderigZ—,DriftZ—,WelZ—,DuinZ—. ZieVerzanden.In ’tZ—vastwoelen.Bedolven in ’t JavaanscheZand.O. Z. Van Haren.Spreekwijze:Wacht u voorZ—en stranden.Hy ligt in ’tZ—(hy is dood).Zandbaai, z. n. v. — Verzande baai.Zandgrond, z. n. m. — Zanderige bodem.Zandlooper, z. n. m. — Werktuig, uit twee fleschjens bestaande, in een open buis gevat en met de halzen op elkander geplaatst. Het bovenste fleschjen is gevuld met Zand, ’twelk door een doorprikte kurk in het onderste nedervalt, zoo dat het bovenste fleschjen juist ledig is in een vooraf berekenden tijd, b. v. van een uur, een half uur, een minuut, al naar de hoeveelheid Zand en de snelheid, waarmede het valt. Men keert alsdan denZ—om en dezelfde operatie wordt herhaald. ZieUurglas,Minuutglas.Zandplaat, z. n. v. — Schor, drooge plaat in zee.Zandstrook, z. n. v. — Breede gang, die in de sponning van de kiel schiet, en zich van den voor- naar den achtersteven uitstrekt.Zee, z. n. v. — 1o. of Waereldzee. De uitgestrektheid zout water, die al de deelen des aardrijks bespoelt.2o. Elk afzonderlijk uitgestrekt deel der Waereldzee, ’t welk dan wordt onderscheiden door een bepaalde benaming, aan de plaatselijke gesteldheid of kleur ontleend. Zoo: deMiddellandscheZ—,De AtlantischeZ—,deNoordZ—,de stilleZuidZ—,enz.3o. Het water der Zee.Hooge,lageZ—, (hoog of laag water, ten gevolge van vloed of eb.)Wassende,opkomendeZ—(gedurende den vloed.)AfloopendeZ—, (gedurende de eb.)DeZ—loopt hoog op, (de stroom is hoog.)InZ—loopen,Z—kiezen, (uitzeilen.)DeZ—oversteken, (zich naar een kust overZ—begeven.)InZ—,opZ—zijn.—Een vloot opZ—brengen, (haar uit de haven of van de reede de volleZ—doen inzeilen.)DeZ—houden, (inZ—blijven.)Een sloep inZ—zetten, (een sloep uitzetten.)Een zwareZ—.(waarvan de golven hoog staan.)Een hoog aanschietende,hoog oploopendeZ—, (als de golven zich by uitstek hoog verheffen).DeZ—schuimt,krult om, (wanneer de golven zich al wentelende met schuim bedekken.)Er gaat veelZ—, (sterke stroom.)LangeZ—,korteZ—, (waarvan de golven lang of kort zijn.)DeZ—kabbelt, (de golven zijn kort en tegen elkander invallend).DeZ—breekt, (de golven storten kort neder, breken boven het boord.)Het schip krijgt deZ—voor in,op den kop,dwars in,achter in, (de golven stooten zich op den voor- of achtersteven, of tegen een der boorden.)DeZ—is slecht, (is kalm, effen.)StaandeZ—, (waar weinig eb en vloed gaat.)DeZ—loopt den wind op, (de wind blaast van den kant, waar deZ—heen stroomt.)Daar staatZ—, (deZ—is onstuimig.)Daar staat geenZ—meer, (zy is kalm).De ruimeZ—kiezen, (zich in de ruimte begeven.)Het schip heeft deZ—op den kop,houdt den kop op deZ—, (deZ—komt vlak op den voorsteven aanzetten.)Z—en lucht zijn aan elkander, (het is boos weer.)TerZ—varen.ZieVaren.Z—winnen, (zeewaarts in zeilen.)De zon duikt inZ—, (gaat onder.)De zon rijst uitZ—, (gaat op).De gouden Titan rijst alreeMet blaeuwe paerden uyt dezeeVondel.Palamedes.4o. Golf, baar.Er kwam eenZ—die het schip overdekte.—Ergaan korteZ—en.—DeZ—loopt om de Zuid.Spreekwijze:ZeevoorLevenszee, waarvanvan Alphenzingt:De ontroerdezee, der golven hol geklots,Stuurt ons van lieverlee ter haven in.Z—voormenigte,overvloed.EenZ—van rampen, (een menigte rampen). Zoo zegtBadeloch:Wat toren is zoo hoog, van waar mijn oog de barenDerzeekan overzien van al mijn wedervaren.Hy heeft eenZ—van geld, (overvloed van geld).Het is koel opZ—, (het gaat er stil toe).Water inZ—dragen, (iets geven aan iemand, die er reeds overvloedig mede bedeeld is).InZ—gaan, (een onderneming wagen).Recht doorZ—, (zonder omwegen).DeZ—is zonder water, (rijke lieden klagen alsof zy gebrek hadden).Wat zal deZ—al opwerpen?(wat zal er al voor den dag komen?)Daar verdrinken er meer in een wijnglas dan in deZ—.DeZ—maakt gedwee(zeedienst temt den wilden bras).Zeearm, z. n. m. — Die de Eilanden omvat.Zee-atlas, z. n. m. — Verzameling van Zeekaarten.Zeebedding, z. n. m. — Zandrug, door de Zee op ’t strand geworpen.Zeebeer, z. n. m. — Muur by een haven, om den golfslag te breken.Zeeberoering, z. n. v. — Door aardbeving veroorzaakt.Zeebrak, z. n. o. — Zeewater aan de kust.Zeeboezem, z. n. m. — ofZeebaai. ZieGolf,Baai.Zeebocht, z. n. v. — ZieZeeboezem.Zeebonk, z. n. m. — ofZeerob; bevaren zeeman, zeeman, die van niets dan van zijn beroep weet.Zeebrief, z. n. m. — Paspoort, door het gouvernement aan de koopvaardyschippers afgegeven.Zeedagen, z. n. m. mv. — Dagen op reis, buiten ’t verblijf in havens of op reede.Zeedamp, z. n. v. — Die uit zee opkomt en zich over het land verspreidt.Zeeduivel,z. n. m. — Groote visch met horens: bynaam, wel aan een galei gegeven.Zeedijk, z. n. v. — Dijk, tegen de zee opgeworpen.Zeedienst, z. n. v. — Dienst by het zeewezen.Hy is in ’s LandsZ—.Zeeëngte, z. n. v. — ofZeestrand, ofStraat. ZieStraat.Zeefakkel, z. n. v. — Tytel van een verzameling van kaarten en landverkenningen met opgaven en opmerkingen verrijkt.Zeegat, z. n. o. — Monding der stroomen, waar zy in Zee vallen, of plaatsen, waar de Zeeën gemeenschap hebben met elkander.HetZ—van Terschelling,van Texel.DeZ—enbehooren wel voorzien te zijn.Spreekwijze:Hy moet hetZ—uit, (hy moet ter zee varen).Zeegast, z. n. m. — Zeevarende. Matroos.Zeegevaar, z. n. o. — ZieAssurantie.Zeegevecht, z. n. o.—Zeestrijd,Zeeslag. Gevecht op Zee.Zeegewest, z. n. o. — Streek of gewest, aan Zee gelegen.Zeegewas, z. n. o. — Gewassen, die in Zee groeien.Zeegolf, z. n. m. — Golf, baai van de Zee.Zeegt, z. n. v. — Rondte.DeZ—van een schip, zijn bocht in ’t lang.DeZ—des dekken,der barghouten;—opstaandeZ—van een plank.Het schip eenZ—geven.Zeehaven, z. n. v. — Haven, die aan Zee ligt.Zeehanden en -voeten hebben, o. w.—Op Zee t’huis zijn.Zeehout, z. n. o. — ofHout voor scheen. Boord van het schip; hout boven den overloop aan de scheepszijde.Zeekaart, z. n. v. — Kaart, waarop de Zeeën, windstreken, enz. zijn aangewezen.Het is noodzakelijk,goedeZ—enaan boord te hebben.Zeekasteel, z. n. o. — Dichterlijke benaming voor “schip.”Diezeekasteelenen zeereuzen, die ontaertDe starren dreigen met hun steil en trots gevaert.Vondel.Lof der Zeevaert.Zeekraal, z. n. v. — Groente aan deZeeuwschekust gevischt. Zeer gezond voedsel.Zeekust, z. n. v. — De kust, die zich langs de zee strekt.Zeeland, z. n. o. — Land, aan of in Zee gelegen, en van daar ook synomien met “eiland”, voor welk laatste woord het in de gewone beteekenis heeft plaats gemaakt om alleen als eigen naam in gebruik te blijven voor twee gewesten, een in Denemarken en een in Nederland.Zeelieden,Zeelui, z. n. m. mv. — Zeevolk, matrozen.Zeelingzaad, z. n. o. — (veroud.) Kuil, dien een schip in den weeken bodem waar het in gezeten heeft, achterlaat.Zeelucht, z. n. v. — De lucht, die op of uit zee waait.Aan ’t strand eenZ—jenscheppen.DeZ—zal u goed doen.Wonder is ’t dat sterfelijcke menschenNoch smalen op den ploegh, en om eenzeeluchtwenschen.Vondel.Lof der Zeevaert.Zeemaat, z. n. m. — ’t zelfde alsJan-maat.OnsZeemaetsvliegen met de vlagge op by den mast.Vondel,Henriette Marie.Zeemacht, z. n. v. — 1o. Het getal oorlogschepen, die een Staat in zee kan brengen.Engeland heeft er zich steeds op toegelegd zijnZ—te vergrooten.2o. Vloot.OnzeZ—wordt door een wakkeren vlootvoogd aangevoerd.Zeeman, z. n. m. — Iemand, wiens beroep het is, ter Zee te varen. Varensgast, varensgezel.Een bevarenZ—(die op zee goed t’huis is).Spreekwijze:Z—geen man, (klacht van een t’huis gebleven vrouw).Een goedZ—wordt ook wel eens nat, (een sober mensch drinkt ook wel eens een glaasjen meer dan hem voegt).Zeemanschap, z. n. o. — Eigenlijk: kennis van de Zeevaartkunde, met overleg gepaard.Z—gebruiken, (geven en nemen: by voorvallende gelegenheden, van weer, wind of vyandelijke ontmoeting, naar de omstandigheden handelen, en daarby, somtijds, tegen gewoonte, bericht of instruktiën te werk gaan).Zeemanschap, z. n.v. — Zeevaartkunde; overleg aan kennis gepaard.Spreekwijze:Men moetZ—gebruiken, (men moet met overleg handelen, geven en nemen).Zeemanshuis: z. n. v. — 1o. Toevluchtsoord voor Zeelieden.HetZ—te Rotterdam.2o. Zeemanswoning; welbezeild, dicht schip, zoo zegt het oude rijmpjen:Koffen en smakkenZijn waterbakken.Hoeken en buizenZijnZeemanshuizen.Zeemanstaal, z. n. v. — By de Zeelieden in gebruik. Wie die niet verstaat, is een onbevarene (baar).Zeemakelaar, z. n. m. — Makelaar in schepen en Zeezaken.Zeemogendheid, z. n.v. — Mogendheid, die een vloot van den Staat bezit,Z—van den eersten,tweeden,derden rang.Zeekoningen, z. n. m. mv. — Naam, die aan de aanvoerders der Noorsche en Deensche roofschepen in de negende en tiende eeuw gegeven werd.Zeemijl, z. n. o. — Afstandsmaat. De FranscheZ—is het twintigste gedeelte van een graad des meridiaans.Zeenat, z. n. m. — Zeewater.Zeenatie, z. n. v. — Natie, byzonder tot de Zeevaart geschikt.Zeerafeling, z. n. v. — Kabbeling in Zee, door invallenden stroom, of langs de banken.Zeeofficier, z. n. m. — Officier by ’s Lands Zeemacht.Zeeoorlog, z. n. o. — Oorlog, die op Zee gevoerd wordt.Zeeraad, z. n. m. — Raad, die over Zeezaken oordeelt.Zeerecht, z. n. o. — 1o. Recht, waarby de Zeevaart en Zeehandel geregeld worden.Het WisbyscheZ—.Het HanzescheZ—.Het GenueescheZ—.2o. Rechten, die betaald worden wegens al wat tot de scheepvaart betrekking heeft.Kantoor van hetZ—.Zeeregister, z. n. o. — Dagboek, journaal.Zeereis, z. n. v. — Reis over Zee.Zeerob, z. n. m. — Zeeman: Dus genoemd, omdat hy ruw als een rob is.ZieZeebonk.Zeeroof, z. n. m. — Roof, aan een schip op Zee gepleegd.Zeerol, z. n.v. — ZieRol.Zeeroover, z. n. m. —Zeeschuimer, die op Zee met een vaartuig kruist, om andere vaartuigen te beRooven.Z—wordt genomen zoo voor den bevelvoerder, als voor elk, die tot de bemanning van het roofschip behoort; ook wel voor het roofschip zelf.Hariadan Barbarossa was een beroemdZ—.Hy is in de handen vanZ—sgevallen.Dat vaartuig schijnt wel eenZ—.Zeeschade, z. n. v. — ZieAvary.Zeeschender, z. n. m. — Iemand, die op Zee schade aanbrengt.Antonidesbezigt in zijnIJstroomhet woordZeeschendenaer:Zeeschendenaersontzien in ’t blinkende geweerTe vliegen.Zeeschip, z. n. o. mv. — Zeebouwend schip. Zie de bepalingen, deZeeschepenbetreffende, in het Wetb. v. Kooph. Boek II, Tit. I, art. 309–319.Spreekwijze,Een lastig,ongemakkelijkZ—(een lastig, ongemakkelijk mensch).Zeeschuim, z. n. o. — Witte bellen en mosch, die zich boven de oppervlakte der zee vertoonen, wanneer de golven tegen eenig beletsel of tegen elkander aan klotsen.Meldt vry van Cypris, hoe zy Cypers kon bekooren:Ick weet, dat dees Godin uitZeeschuimis geboren,zegtVondelvan Venus.Zeeschuimer, z. n. m. — ZieZeeroover.Zeeslag, z. n. o. — Gevecht op Zee.DeZ—van Duins is het beroemdste feit, dat ooit op Zee bedreven is.Zeeslot, z. n. o. — ’t Zelfde alsZeekasteel, doch min gebruikelijk.Karel, die de trotse schepenZaeght verbranden in uw nest,En uwZeeslot, ’s nabuurs pest,Met een klaeu naar Tessel sleepen,Zeg me, o scherpe waterroêHoe was toen uw hart te moe?Vondel,De Zeeleeu op de Teems.Zeesoldaat, z. n. m. — ZieMarinier.Zeestad, z. n. v. — Stad, aan Zee gelegen.Zeestoel, z. n. m. — (Veroud.) Stoel, die aan de tafel vast was, en even als deze, door zwaar er aangehangen lood, in balans werd gehouden tegen ’t slingeren van ’t schip.Zeestrand, z. n. o. — Strand der Zee.Zeestrijd, z. n. m. — ZieZeegevecht.Zeetaktiek, z. n. v. — Krijgskunst, toegepast op den oorlog ter Zee.Zeetocht, z. n. m. — Tocht, op Zee ondernomen.Zeeton, z. n. v. — Ton, die in de Zeegaten ligt, by de ondiepten.Zeetriomf, z. n. m. — Zegepraal, op Zee behaald.Zeevader, z. n. m. — De officier, die den adelborst in de manoeuvre, de stuurman, die den leerling in ’t cyferen, de onderofficier, die den jongen in ’t scheepswerk onderricht.Zeevaarder, z. n. m. — Zeeman, doch meer bepaaldelijk een, die groote of hachelijke reizen ondernomen heeft.De latere zeelieden zijn grooterZ—sgeweest dan die der ouden:Die zeeman is een by uitstek bekwaamZ—.Zeevaardy, z. n. v. — ’t Zelfde alsZeevaart, doch minder in gebruik.Op dezen voet beschermt deZeevaerdyhaer eer.Antonides,IJstroom.Zeevaart, z. n. v. — De Vaart op Zee.Handel enZ—waren van ouds de hoofdbronnen onzer welvaart.Zeevaartkunde, z. n. v. — Kennis van al wat tot de Zeevaart behoort.Zeevak, z. n. o. — ’t Zelfde als Zeevaartkunde.Hy is knap in hetZ—(hy is in Zeevaartkunde ervaren).Zeevast, b. n. — Wat zoodanig is Vastgesjord, dat het door de beweging der Zee niet kan heen en weêr gaan.Zet die koffersZ—.Zeeverzekeraar, z. n. m. — Verzekeraar tegen schade op Zee.Men hoeft geenZeeverzekeraarNu alle watren rijn geveyligt voor gevaer.Vondel,Zeemagazijn.Zeevoeten, z. n. m. mv. — Voeten, die gewend zijn op het dek te loopenHy heeftZ—(hy wandelt het dek op en neêr, zonder de slingeringen van het schip te tellen).Zeevolk, z. n. o. — Matrozen, Zeelieden.Zeevonden, z. n. m. mv. — Uit Zee gespoelde goederen. Zie de bepalingendaaromtrent in het Wetb. van Kooph. Boek II, Tit. VII, art. 545–568.Zeevrijbuiter, z. n. m. — ZieVrijbuiter.Zeewaardig, b. n. — Wordt een schip gezegd te zijn, als het in behoorlijken staat gebracht is om uit te zeilen, als het “van zessen klaar” is, gelijk men van harddravers zeggen zoû.Zeewaart, bw. — Naar zee toe.Stout verweerer, trots bevechterBey tezeewaarten te velt,noemtHuyghensPrins Maurits.Zeewater, z. n. o. — 1o. Water uit de zee.Goederen, door ’tZ—beschadigd.Spreekwijze:Dat zal al hetZ—niet afwisschen(iemands slechten naam).2o. voorGolf, in deSpreekwijze:Hem is al menigZ—over ’t hoofd gegaan.Zeewacht, z. n. v. — ZieKwartier,Wacht.Zeeweering,z. n. v. — Dijkwerken tegen het inbreken van de Zee, langs de bedreigde kusten, b. v. aan den hoek van Holland.Zeewetten, z. n. v. — Wetten op de Zeevaart.Zeewier, z. n. o. — ZieWier.Zeewezen,z. n. o. — Al wat tot de Zeevaart en Zeedienst betrekking heeft.Tijdschrift voor hetZ—.Jan de Witt heeft hetZ—in een uitmuntenden staat gebracht.De verdiensten van Hiob De Wildt omtrent hetZ—worden niet genoeg erkend.Zeewind, z. n. m. — ZieWind.Zeezaken, z. n. v. mv. — Zaken, die tot het Zeewezen betrekking hebben.De Kamer vanZ—(Amiraliteit).Zeeziek, b. n. — Aangetast door Zeeziekte.Zeeziekte, z. n. v. — Onaangename gewaarwording, met misselijkheid en veelal met braking vergezeld, die hen kwelt, die de Zee niet gewend zijn.Zeil, z. n. o. — 1o. Vereeniging van een zeker getal linnen banen, wier randen naar vaste berekeningen op elkander genaaid zijn, zoo dat zy een min of meer groote oppervlakte vormen, bestemd om den wind op te vangen. ZieVierkantZ—,LatijnZ—,GrootZ—,FokkeZ—,BezaanZ—,StagZ—,BovenZ—en,GrootStagZ—,GrootStengestagZ—,AchterZ—en,VoorZ—en,LijZ—en,MarsZ—en, enz.Storm—(dichtgereefde, gezwichte fok.)WaarloozeZ—en,Z—dat tegen,dat op den mast ligt(dat geen wind vangt.)Z—maken,Z—byzetten,Z—minderen,Z—enaanslaan(tuigen.)OnderZ—gaan(wegzeilen.)Vondelzegt in dezen zin:TeZ—gaan:Triomftorts over de neêrlaegh des Koninklijke vlote.’t Gewapend Scheltging t’ Zeil.DeZ—enbepalen(hoeveelZ—ende schepen eener vloot moeten voeren omhaar byeen te houden.)Met kleinZ—varen(weinigZ—envoeren). DeZ—enliggen blind(worden door andere belet wind te vangen.)DeZ—enscheppen(zy beginnen wind te vangen).Spreekwijze:Het waait hem in zijnZ—(het gelukt hem).Een oog in ’tZ—houden(toezien).Met deZ—entegen den mast liggen(in onmacht liggen).Met een opgezetZ—komen(met een grammen moed).Dat is geenZ—voor dat schip(die vrouw deugt voor dien man niet).Als hetZ—scheurt, dan heeft het een gat(die dan leeft, die dan zorgt).Met deZ—envoor den mast liggen(met het beginnen gereed zijn).Met een natZ—loopen(beschonken zijn).ErgendsZ—op maken(iets bejagen).OnderZ—gaan(inslapen).Met de laatste schepen onderZ—gaan(laat heen gaan).HetZ—inbinden(zijn staat verminderen).AlleZ—enbyzetten(alle moeite doen).Stijf onder ’tZ—zijn(in staat, iets te kunnen verdragen).Met een opgezetZ—aankomen(met drift of geweld aankomen).Met een staandZ—is ’t goed roeien(als men een goede zaak heeft kan men er licht een nevenzaak by waarnemen).AlleZ—enblank spelen(er alles op wagen).Schippers pozen niet wanneer zy onderZ—zijn.(ZieSchipper). Zie verderZeilen,Zeiltjen, enz.2o. Het schip zelf.Een vloot van N.Z—en(van N. schepen).EenZ—ontdekken.Zeilaadje, z. n. v. — Vaart, loop van een schip.Dit schip is opZ—gebouwd(is op snellen vaart gebouwd).Zeilboom, z. n. o. — Lange spar, op binnenvaartuigen, om het Zeil by het voor-de-wind zeilen uit te houden.Zeilbaar, b. n.—Geschikt om te Zeilen.Zoo doet mijnZeilbaarschip,zegtVondel,Lof der Zeevaart.Zeildoek, z. n. o.—Grof en stevig doek, waar Zeilen van vervaardigd worden.Zeilgaren, z. n. o.—Garen, tot het naaien van de zeilen.Zeilemaker. z. n. m. — Die Zeilen vervaardigt of laat vervaardigen.Zeilemakery, z. n. v. — Plaats, waar Zeilen vervaardigd worden.Zeilen, o. w. — Met behulp van Zeilen over ’t water gaan.Het schip kanZ—noch drijven(het is loom, het wil niet voort.)Op zijn buikZ—(op zij liggende voortZ—.)RuimschootsZ—(met goeden windZ—.)Slag-over-slagZ—(met korte gangen laveeren.)DeZ—op stootgaren zetten(die nog slechts door eenig kabelgaren aan de ra houden, zoo dat men ze op ’t spoedigst kan byzetten.) (Deze uitroep beduidt, dat de looper, waarmede geheschen werd, is vastgelegd).Spreekwijze:Men moetZ—terwijl de wind waait(men moet de gelegenheid waarnemen).De kooi lekZ—.ZieKooi.RuimschootsZ—(het zoo naauw niet nemen).Hard achteruitZ—(arm worden).Het walletjen langsZ—.ZieWal.Iemand in de zijdeZ—(iemand benadeelen).Z—of verzuipen(er alles op wagen).Men moetZ—terwijl de wind dient(de gelegenheid waarnemen).Als het maar met een halven wind wilZ—(als het maar half wil gelukken).Zeilnaald,z. n. m. — Naald, waarmede de Zeilen genaaid worden.Zeil-en-treil. — ZieTreil.Zeiler, z. n. m. — Zeilend schip.Dat schip is een goede,is een slechte,is een luieZ—.Zeilkooi, z. n. v. — Bergplaats voor de Zeilen.Zeilorde, z. n. v. — Orde, waarin men Zeilt.Zeilpunt. z. n. o. — Het Punt, waarop een loodrechte lijn, staande op het zwaartepunt der waterlijn van een schip, de richting der werking van het water op den voorsteven ontmoet. Het is op dit Punt dat zich de werking van den wind op de Zeilen richten moet, ten einde het schip noch naar boven, noch naar achteren overhelle: men noemt ookZ—het zwaartepunt der zeilen.Zeilreê, b. n. ofZeilvaardig. — Klaar om uit te Zeilen.Dat schip ligtZ—.Zeilsteen, z. n. m. —Noordsteen,Magneet: Steen, die de eigenschap heeft van het yzer aan te trekken. ZieKompas.Zeiltjen, z. n. o. — Klein Zeil.Spreekwijze:HetZ—strijken(van zich zelven vallen).Zeilvaardig, b. n. — ZieZeilreê.Zeilrol, z.n. m. — Rol, waarby de manschappen by de zeilen verdeeld zijn.Zeilpriem, z. n. m. — Priem, waarmede de gaten voor de beslagbanden en rifseizing in de Zeilen worden geboord.Zeinschip, z. n. o. (veroud.) — Soort van schepen, in oude tijden hier in gebruik, open, zonder vast roer of mast, welke beiden zy opzetteden als zy in zee gingen. Smal voor zoo wel als achter, en spits toegaande, waarvan zy wellicht hun naam vanZein(zenofseis)-schipontleenden; voerden zy niet meer dan drie man en een jongen en zeilden wonder snel.Zel, z. n. m. ofZelling. — Plaats in de engte, waar een anker heeft vast gezeten.Daar gaat een stroom als van eenZ—.Zelling, z. n. v. — ZieZel.Zeng, z.n. v. — Plotslinge en kortstondige vermeerdering van den heerschenden wind.MetZ—enwaaien:—op deZ—enpassen.Zetborden, z. n. o. mv. — Klein schotwerk, dat in sleuven langs de boorden eener sloep gezet wordt, om die te verhoogen en het binnendringen van ’t water te beletten.Zetgang, z. n. m. — 1o. Losse plank, die men op lage vaartuigen boven langs ’t boord inzet.2o. Gang, die op het barghout en rahout tegen de buitenoppervlakte der inhouten wordt geplaatst.Zet gang, komm. — Draai het spil harder om!Zetschipper, z. n. m. — Persoon, die aangesteld wordt om een Schipper tijdelijk te vervangen.Spreekwijze:Hy isZ—(hy is tijdelijk met de zaak belast).Zetten, b. w. — B. v. op het droog, aan den grond.De kapitein verkoos zich liever op het strand teZ—dan zich over te geven.—De loods Zette het schip op het drooge.—Zet aan!—Zet vrij!—Zet af!—(komm. om het vaartuig te doen by-,vrij- of afhouden).Zetjen, z. n. o. — Ruk. komm.nog eenZ—(nog een ruk).Spreekwijze:EenZ—helpt, en alle vrachtjens lichten, zei de schipper, zette zyn hond aan ’t roer, en smeet zijn vrouw over boord.Zetweger, z. n. m. — Benaming van de zware beplankingen, die, op elk dek, de binnenhuid van het schip bekleeden van den watergang tot aan den onderkant der geschutponten.Zeuntjen, z. n. o. — ZieBaksjongen.Ziekeboeg, z. n. m. ofZiekegrens. — Plaats aan boord, waar de zieken worden nedergelegd.Ziekegrens, z. n. v. — ZieZiekeboeg.Zieketrooster, z. n. m. — Of, alsVondelhem in’t Lof der Zeevaartnoemt,Het statigh aengezicht dat zieltjes zalft en troost.Soort van Kathecheseermeester, die aan boord van elk zeeschip plach te zijn om gebeden te lezen, de kranken te bezoeken en ander stichtelijk werk te doen.Ziekevader, z. n. m. — Oppasser in den Ziekeboeg.Zielverkooper, z. n. m. — ZieWerver.Zilt, b. n. — ZieZout.DeZ—estroomen.(De zee).Zinken, o. w. — Te gronde gaan.Dat schip gaatZ—.Een schip doenZ—.TotZ—stoe geladen zijn.Zitten, o. w. — Gestrand zijn, onbewegelijk zijn.Het schip Zit op het droog.Wy Zitten hier veilig.Spreekwijze:Ergends mede aan den grondZ—(mede verlegen zijn).Zitters, z. n. m. mv. (veroud.) — 1o. Balken, bezijden de buikstukken op den bodem van het schip gelegd.2o. Benaming, op sommige plaatsen aan de buikstukken zelve gegeven.Zoeken, b. w. — 1o. Naar iets Zoeken, Onderzoeken.GrondZ—(door het werpen van het lood).Het landZ—(wanneer men meent, het in de nabyheid te hebben, moeite doen om het te ontdekken).2o. Zich ergends heen begeven.Een havenZ—.Een opper,de luwteZ—:De naald Zoekt het Noorden.Zoeker, z. n. m. — Voorste gedeelte van eenZ—bout, ’t welk eerst door het yzer gaat en na het indrijven van den bout wordt afgehakt.Zoekerbouten, z. n. m. mv. — Bouten, die twee of meer palmen langer gekort worden dan zy varen moeten. Het overzijnde gedeelte van de lengte wordt dun uitgehaald en vormt den Zoeker.Zoen, z. n. m.—Verbetering, (veroud.)Het biedt geenZ—(de onstuimigheid der lucht stilt niet: het weer wil niet bedaren).Zoet, b. n. — Drinkbaar.Z—water.Er is gebrek aanZ—water.Zog, z. n. o. — Spoor, dat het schip in het opborrelend water achterlaat.Spreekwijze:In iemandsZ—varen(hem volgen).Daar is een kunst van voorbereiden,Die tot des Dichters kunst behoort:Men moet de ziel des hoorders leiden,Of anders stuit hem ieder woord.Men dient hem gants in ’tZogte slepen,En, deze kunstgreep wel begrepen,Dan doet men met hem wat men wil:Dan zal hy, by een matig roeien,Gewillig met de vaerzen vloeien,En zwijgen als een stokvisch stil.Bilderdijk.Zoggat, z. n. o. — ZieVullingsgat: ook wel genomen voor een hok, achter de konstabelskamer, waar scherp in geborgen werd.Zogstukken, z. n. o. mv. — Houten gaffels, die voor en achter tegen den steven aankomen, in stede van gescheiden inhouten.Zogwater, z. n. o. — Het water, dat achter het schip opborrelt.Het is gevaarlijk in hetZ—eener stoomboot te komen.Zon, z. n. v. — Lichtgevende, vaste ster, om welke de aarde draait.DeZ—rijst,daalt,gaat onder:—DeZ—schieten(haar hoogte berekenen.)DeZ—staat.De wind loopt voor deZ—.Spreekwijze:De Zon tot God gaat(verouderde uitdrukking der visscherslieden, voor: “de Zon gaat onder”).Zondag, z. n. m. — Scheur, vlek, plek in de kiel of in eenig ander gedeelte van het schip, die verweloos geworden is.Zonsazimuth, z. n. o. — Rechte standplaats der Zon by haar ondergang.Zonsdeclinatie, z. n. v. — Hare afwijking van de linie.Zoneclips, z. n. v. — Hare verduistering door den doorgang van een planeet.Zonshoogte, z. n. v. — Hare hoogte op den middag, waardoor de breedte wordt aangewezen.Zonnetent, z. n. v. — Tent, over het dek gespannen.Zoode, z. n.v. — ZiePompzoode,Durk.Zoomwerk, z. n. o. — ZieKlinkwerk.Zorgband, z. n. m. — Strop, aan den achterkant met klinkbouten aan het roergeslagen, ten einde zich tegen het verlies daarvan te verzekeren. Deze strop is aan de hoeken met oogen voorzien, aan elk waarvan een Zorgketting vaart.Zorglijn, z. n. v. — Lijn, die de blokken van de noodtakels tegen de ra houdt.Zorgketting, z. n. v. — Ketting, die door een oog van den Zorgband loopt, zich van het roer naar boord uitstrekt en buiten om tegen de huid wordt opgehangen.Zout, b. n. ofZilt. — Verkrijgt, door zijn byvoeging aan sommige woorden, de beteekenis van “Zee,” of “Zeewater.”DeZ—ebaren,DeZ—eplas,Het Zee-nat(de Zee).En ghy . . . . . . die op de winden zwiert,En vant lasurigh velt deSoutetoomen stiert,zegtVondelin zijnLofsangh op de Scheepvaart.Zout, z. n. o. — VoorZeegenomen.Zuchtjen, z. n. o. — Klein windtjen.Wy moeten van het minsteZ—gebruik maken.Zuid, b. n. — Ten Zuiden, van de Zuidzij.De wind isZ—(waait van de Zuidzij.)Wy hebben het landZ—van ons.Zuid, (de) z. n. v. — Zuidwaart gelegen streek.Zy voeren om deZ—.Zuidelijk, b. n. en bw. — Wat zich ten Zuiden bevindt.Zuidelijken, o. w. — Naar ’t Zuiden schieten.Het begint teZ—(de wind loopt Zuid).Zuiden, (ten) b. w. — Aan de Zuidkant.Spanje ligtT—Z—van Frankrijk.Zuiden, (het) z. n. o. — Het Zuidelijk gelegen land.Het onbekendeZ—.’k Heb zoo lang om Noord enZuienBy de baas te roer gestaanEn voor niet, niet zooveel buienOver deze muts zien gaan.Huighens.Zuidewind, z. n. m. — ZieWind.Kom zachteZuidewindekenKom wieg het kleine kindeken!Ons Rozalijntje is moé.’t Verveelt haar, meer te luisteren:De dag is aan ’t verduisteren:Haar oogjens vallen toe,luidde een oud liedtjen, waar ik als kind mede in slaap werd gezongen.Zuid oost, bw.— Windstreek midden tusschen O. en Z.Zuidwaart, bw. — Naar het Zuiden.Zy zeildenZ—.Zuidwest, bw. — Windstreek midden tusschen Z. en W.Zuidwester, z. n. m. — Breedgerande hoed of kap met wasdoek of geölied linnen overtrokken, en den zeeman tot bescherming dienende tegen regen en wind.Zuidzeevaarders, z. n. m. — Schepen, die om de Zuid ter walvischvangst varen.Zuiger, z. n. m. — 1o.Mastring,mastband,beugel. Yzeren ring, die, op een sloep of klein vaartuig, aan een zeil vastzittende, en om een mast of spriet geslagen, dient, om dat zeil langs dien mast of spier te doen rijzen of zakken.2o.Van de Pomp.ZiePompzuiger.Zuiver, b. n. en bw. — Zonder gevaar.EenZ—alleen staande klip of rots(by welke men ten anker kan gaan liggen.)EenZ—ehaven(die men gemakkelijk kan inzeilen.)De kust isZ—(er zijn klippen noch banken).Zwaaien, b. w. — Voor anker liggende, van stelling veranderen door de werking van wind of stroom.Op den windZ—(den voorsteven naar den wind keeren.)Op het tijZ—(den voorsteven naar het tij keeren.)Onder den wind met den stroom onder de lijZ—(wanneer de eene zijde aan den wind, de andere aan den stroom is blootgesteld.)Hy Zwaait klaar,hy Zwaait voor klare kluizen(hy kruist zijn kabels niet by ’t omzwaaien.)In die haven is geen ruimte genoeg voor groote schepen om teZ—.Zwaar, b. n. — Groot, plomp, wijd.Z—schip(wijd schip, schip van grooten omvang.)Z—weer(stormweer.)Z—ebui(hevige wind.)Z—ezee(hooge zee.)Dat schip rijstZ—,valtZ—in zee(verheft zich moeilijk uit de zee)Z—ebattery(vanZ—kaliber).HetZ—(anker)touw,EenZ—anker.Zwaard, z. n. o. — Verzameling van planken, in den vorm van een schuinsch ovaal, die aan de zijde van een klein vaartuig ligt, en dient om het afdrijven te beletten.Zwaartepunt, z. n. o. — Het punt, aan weerskanten van ’t welk de deelen van een lichaam gelijke zwaarte hebben. Het algemeenZ—van een schip bevindt zich gewoonlijk binnen de lijn, welke het in twee gelijke deelen scheidt. HetZ—der waterverplaatsing van het ondergedompeld gedeelte van het schip, ofdrukkingspunt, bevindt zich binnen de vertikale lijn, die de romp in twee gelijke deelen scheidt.Zwabber, z. n. m. — Dweil, uit kabelgaren of lappen aan een steel gebonden en dienende om schepen en schuiten schoon te houden.Zwabberen, o. w. — Met een Zwabber schoonmaken.Zwabberhalen. — Spotroep der matrozen, wanneer een onbevarene door het slingeren van het schip omverre valt, om de plaats waar de baar (onbevarene) gelegen heeft, weder schoon te maken.ZwabberpaaiofZwabberkaptein. — Een, die den Zwabber moet uitspoelen en droogwringen. Hier wordt doorgaands de minst bekwame matroos voor genomen.Zwakke-hals, z. n. m. — Soort van stopper, dienende om by ruw weer de belegtouwen te stoppen.Zwalpen, o. w. — Zich golvend verheffen. Woord, zelden anders dan in poëzy gebruikelijk.Zwalpen, z. n. m. mv. — Stukken van greenen ribben, in de klamaaien rustende en dienende om de dekdeelen te steunen.Zwaluwstaart, z. n. — Stuik, die den vorm heeft van eenZ—.Zwanehals, z. n. m. (veroud.) — 1o.Drager van de roerpen.Zware gebogene yzeren dekplaat, waarvan de grootste arm op het end der roerpen sluit.2o. ofRuggegraat(om dat het beeld er met zijn rug tegen aan staat). Vooruitspringend verbindingstuk van de scheg, door een haaklasch aan de woelingsknie verbonden en daarmede als ’t ware een geheel uitmakende.3o. De gebogen yzeren stangen buiten boord, waar een sloep in hangt, worden ookZ—engenoemd.Zweepstopper, z. n. m. — Stopper, waarvan het end in een gedraaid is en met een punt uitloopt.Zweeten, o. w. — Wordt het eiken hout gezegd te doen, wanneer het vochtig wordt en uitslaat, als dikwijls het geval is op nieuwe schepen, by heet weer.HetZ—van het hout heeft al onze beschuit bedorven.Zwei, z. n. v. — Beweegbare Winkelhaak.Zwellen, o. w. — Vermeerderen, vol worden, zich uitbreiden.De waterenZ—.De wind doet de zeilenZ—.Zwemmen, o. w. — Zich in ’t water bewegen zonder te zinken.Zwengel, z. n. m. — Arm van de pomp.Zwichten, b. w. — De hoofdtouwen van het onderwant van stuur- en bakboord door touwen onder de mars naar elkander halen.De fokZ—(die by stormweer inkorten, door servings).Zwichtingbouten, z. n. m. mv. — Kleine ronde yzeren staven, met geteerde servings bekleed: zy kruisen het lage want aan bak- en stuurboord op de hoogte van den voet der klampen.Zwichtserving, z. n. v. — Zwaar en breed gevlochten touw, waarmede de fok gezwicht wordt.Zwiepend, b. n. — Los, veerkrachtigKorte masten en lange stangen maaktZ—tuig.Zwieping, z. n. v.— Planken, die men op verschillende hoogten en op bepaalde punten der armen van een spant spijkert, ten einde die armen de richting te doen bewaren, waarin men die houden wil.Zwin, z. n. o. — Wad, droogte tusschen het water.Zijde, z. n. v. — Boord, rechter- of linkerkant van een schip.De vyand de breedeZ—bieden(hem uit de bak- of stuurboords-battery beschieten.)Een schip opZ—leggen(om het te kalfaten.)Haal de sloep opZ—(langs boord.) “Kregen de viktualiekaag opZ—, met twee soldaten, vier varkens en vier schapen, heschen al het vee over” (oud Rapport).Zijperken, z. n. mv. — De beide vakken van het Dek aan weerszijde van het middelpunt. Het eeneZijperkligt tusschen den schaarstok en waterloopsklos aan stuurboord—het andere tusschen de genoemde deelen aan bakboordzijde.
Z.Zaadhout, z. n. o. — Benaming van een rij dikke balken, die, de een aan den anderen, in de richting der kiel en daarboven geplaatst, zich kruissen met al de spanten van een schip, door over ’t midden der vrangen heen te loopen. HetZ—dient tot versterking voor het raam en tot gelijker verdeeling van het gewicht des masten.Zaag, z. n. m. — Lange platte yzeren strook, waarvan de eene zijde getand is, en dienende om voorwerpen van hout of steen zuiver te verdeelen. ZieHandZ—,SpanZ—,KraanZ—,RaamZ—,SchrobZ—,TrekZ—. Volgends het sprookjen hadden de schepen der kruisvaarders (waarvan de afbeeldsels nog in de groote kerk te Haarlem hangen)Z—enaan den boeg, waarmede zij de kettingen, by Damiate gespannen, afzaagden.Zagen, b. w. — Door middel van een Zaag verdeelen.Zagersbok, z. n. m. — ZieBok.Zakken, o. w. —1o. Achteruitblijven.Wy lieten onsZ—(wy bleven met ons schip achteruit).2o. Nederdalen (Die bui is gezakt).Dauw en donker zyn aan ’tzakken.Huighens.Zaling, z. n. v. — Dwarshout aan den top van een mast, dienende om een mars te steunen. ZieBramZ—,LangsZ—, enz.Zand, z. n. o. — Soort van lichte, fijne, geelachtige aarde, met keizels of schulpen vermengd.GrofZ—,FijnZ—,ZeeZ—,RivierZ—,SchelpZ—,ModderigZ—,DriftZ—,WelZ—,DuinZ—. ZieVerzanden.In ’tZ—vastwoelen.Bedolven in ’t JavaanscheZand.O. Z. Van Haren.Spreekwijze:Wacht u voorZ—en stranden.Hy ligt in ’tZ—(hy is dood).Zandbaai, z. n. v. — Verzande baai.Zandgrond, z. n. m. — Zanderige bodem.Zandlooper, z. n. m. — Werktuig, uit twee fleschjens bestaande, in een open buis gevat en met de halzen op elkander geplaatst. Het bovenste fleschjen is gevuld met Zand, ’twelk door een doorprikte kurk in het onderste nedervalt, zoo dat het bovenste fleschjen juist ledig is in een vooraf berekenden tijd, b. v. van een uur, een half uur, een minuut, al naar de hoeveelheid Zand en de snelheid, waarmede het valt. Men keert alsdan denZ—om en dezelfde operatie wordt herhaald. ZieUurglas,Minuutglas.Zandplaat, z. n. v. — Schor, drooge plaat in zee.Zandstrook, z. n. v. — Breede gang, die in de sponning van de kiel schiet, en zich van den voor- naar den achtersteven uitstrekt.Zee, z. n. v. — 1o. of Waereldzee. De uitgestrektheid zout water, die al de deelen des aardrijks bespoelt.2o. Elk afzonderlijk uitgestrekt deel der Waereldzee, ’t welk dan wordt onderscheiden door een bepaalde benaming, aan de plaatselijke gesteldheid of kleur ontleend. Zoo: deMiddellandscheZ—,De AtlantischeZ—,deNoordZ—,de stilleZuidZ—,enz.3o. Het water der Zee.Hooge,lageZ—, (hoog of laag water, ten gevolge van vloed of eb.)Wassende,opkomendeZ—(gedurende den vloed.)AfloopendeZ—, (gedurende de eb.)DeZ—loopt hoog op, (de stroom is hoog.)InZ—loopen,Z—kiezen, (uitzeilen.)DeZ—oversteken, (zich naar een kust overZ—begeven.)InZ—,opZ—zijn.—Een vloot opZ—brengen, (haar uit de haven of van de reede de volleZ—doen inzeilen.)DeZ—houden, (inZ—blijven.)Een sloep inZ—zetten, (een sloep uitzetten.)Een zwareZ—.(waarvan de golven hoog staan.)Een hoog aanschietende,hoog oploopendeZ—, (als de golven zich by uitstek hoog verheffen).DeZ—schuimt,krult om, (wanneer de golven zich al wentelende met schuim bedekken.)Er gaat veelZ—, (sterke stroom.)LangeZ—,korteZ—, (waarvan de golven lang of kort zijn.)DeZ—kabbelt, (de golven zijn kort en tegen elkander invallend).DeZ—breekt, (de golven storten kort neder, breken boven het boord.)Het schip krijgt deZ—voor in,op den kop,dwars in,achter in, (de golven stooten zich op den voor- of achtersteven, of tegen een der boorden.)DeZ—is slecht, (is kalm, effen.)StaandeZ—, (waar weinig eb en vloed gaat.)DeZ—loopt den wind op, (de wind blaast van den kant, waar deZ—heen stroomt.)Daar staatZ—, (deZ—is onstuimig.)Daar staat geenZ—meer, (zy is kalm).De ruimeZ—kiezen, (zich in de ruimte begeven.)Het schip heeft deZ—op den kop,houdt den kop op deZ—, (deZ—komt vlak op den voorsteven aanzetten.)Z—en lucht zijn aan elkander, (het is boos weer.)TerZ—varen.ZieVaren.Z—winnen, (zeewaarts in zeilen.)De zon duikt inZ—, (gaat onder.)De zon rijst uitZ—, (gaat op).De gouden Titan rijst alreeMet blaeuwe paerden uyt dezeeVondel.Palamedes.4o. Golf, baar.Er kwam eenZ—die het schip overdekte.—Ergaan korteZ—en.—DeZ—loopt om de Zuid.Spreekwijze:ZeevoorLevenszee, waarvanvan Alphenzingt:De ontroerdezee, der golven hol geklots,Stuurt ons van lieverlee ter haven in.Z—voormenigte,overvloed.EenZ—van rampen, (een menigte rampen). Zoo zegtBadeloch:Wat toren is zoo hoog, van waar mijn oog de barenDerzeekan overzien van al mijn wedervaren.Hy heeft eenZ—van geld, (overvloed van geld).Het is koel opZ—, (het gaat er stil toe).Water inZ—dragen, (iets geven aan iemand, die er reeds overvloedig mede bedeeld is).InZ—gaan, (een onderneming wagen).Recht doorZ—, (zonder omwegen).DeZ—is zonder water, (rijke lieden klagen alsof zy gebrek hadden).Wat zal deZ—al opwerpen?(wat zal er al voor den dag komen?)Daar verdrinken er meer in een wijnglas dan in deZ—.DeZ—maakt gedwee(zeedienst temt den wilden bras).Zeearm, z. n. m. — Die de Eilanden omvat.Zee-atlas, z. n. m. — Verzameling van Zeekaarten.Zeebedding, z. n. m. — Zandrug, door de Zee op ’t strand geworpen.Zeebeer, z. n. m. — Muur by een haven, om den golfslag te breken.Zeeberoering, z. n. v. — Door aardbeving veroorzaakt.Zeebrak, z. n. o. — Zeewater aan de kust.Zeeboezem, z. n. m. — ofZeebaai. ZieGolf,Baai.Zeebocht, z. n. v. — ZieZeeboezem.Zeebonk, z. n. m. — ofZeerob; bevaren zeeman, zeeman, die van niets dan van zijn beroep weet.Zeebrief, z. n. m. — Paspoort, door het gouvernement aan de koopvaardyschippers afgegeven.Zeedagen, z. n. m. mv. — Dagen op reis, buiten ’t verblijf in havens of op reede.Zeedamp, z. n. v. — Die uit zee opkomt en zich over het land verspreidt.Zeeduivel,z. n. m. — Groote visch met horens: bynaam, wel aan een galei gegeven.Zeedijk, z. n. v. — Dijk, tegen de zee opgeworpen.Zeedienst, z. n. v. — Dienst by het zeewezen.Hy is in ’s LandsZ—.Zeeëngte, z. n. v. — ofZeestrand, ofStraat. ZieStraat.Zeefakkel, z. n. v. — Tytel van een verzameling van kaarten en landverkenningen met opgaven en opmerkingen verrijkt.Zeegat, z. n. o. — Monding der stroomen, waar zy in Zee vallen, of plaatsen, waar de Zeeën gemeenschap hebben met elkander.HetZ—van Terschelling,van Texel.DeZ—enbehooren wel voorzien te zijn.Spreekwijze:Hy moet hetZ—uit, (hy moet ter zee varen).Zeegast, z. n. m. — Zeevarende. Matroos.Zeegevaar, z. n. o. — ZieAssurantie.Zeegevecht, z. n. o.—Zeestrijd,Zeeslag. Gevecht op Zee.Zeegewest, z. n. o. — Streek of gewest, aan Zee gelegen.Zeegewas, z. n. o. — Gewassen, die in Zee groeien.Zeegolf, z. n. m. — Golf, baai van de Zee.Zeegt, z. n. v. — Rondte.DeZ—van een schip, zijn bocht in ’t lang.DeZ—des dekken,der barghouten;—opstaandeZ—van een plank.Het schip eenZ—geven.Zeehaven, z. n. v. — Haven, die aan Zee ligt.Zeehanden en -voeten hebben, o. w.—Op Zee t’huis zijn.Zeehout, z. n. o. — ofHout voor scheen. Boord van het schip; hout boven den overloop aan de scheepszijde.Zeekaart, z. n. v. — Kaart, waarop de Zeeën, windstreken, enz. zijn aangewezen.Het is noodzakelijk,goedeZ—enaan boord te hebben.Zeekasteel, z. n. o. — Dichterlijke benaming voor “schip.”Diezeekasteelenen zeereuzen, die ontaertDe starren dreigen met hun steil en trots gevaert.Vondel.Lof der Zeevaert.Zeekraal, z. n. v. — Groente aan deZeeuwschekust gevischt. Zeer gezond voedsel.Zeekust, z. n. v. — De kust, die zich langs de zee strekt.Zeeland, z. n. o. — Land, aan of in Zee gelegen, en van daar ook synomien met “eiland”, voor welk laatste woord het in de gewone beteekenis heeft plaats gemaakt om alleen als eigen naam in gebruik te blijven voor twee gewesten, een in Denemarken en een in Nederland.Zeelieden,Zeelui, z. n. m. mv. — Zeevolk, matrozen.Zeelingzaad, z. n. o. — (veroud.) Kuil, dien een schip in den weeken bodem waar het in gezeten heeft, achterlaat.Zeelucht, z. n. v. — De lucht, die op of uit zee waait.Aan ’t strand eenZ—jenscheppen.DeZ—zal u goed doen.Wonder is ’t dat sterfelijcke menschenNoch smalen op den ploegh, en om eenzeeluchtwenschen.Vondel.Lof der Zeevaert.Zeemaat, z. n. m. — ’t zelfde alsJan-maat.OnsZeemaetsvliegen met de vlagge op by den mast.Vondel,Henriette Marie.Zeemacht, z. n. v. — 1o. Het getal oorlogschepen, die een Staat in zee kan brengen.Engeland heeft er zich steeds op toegelegd zijnZ—te vergrooten.2o. Vloot.OnzeZ—wordt door een wakkeren vlootvoogd aangevoerd.Zeeman, z. n. m. — Iemand, wiens beroep het is, ter Zee te varen. Varensgast, varensgezel.Een bevarenZ—(die op zee goed t’huis is).Spreekwijze:Z—geen man, (klacht van een t’huis gebleven vrouw).Een goedZ—wordt ook wel eens nat, (een sober mensch drinkt ook wel eens een glaasjen meer dan hem voegt).Zeemanschap, z. n. o. — Eigenlijk: kennis van de Zeevaartkunde, met overleg gepaard.Z—gebruiken, (geven en nemen: by voorvallende gelegenheden, van weer, wind of vyandelijke ontmoeting, naar de omstandigheden handelen, en daarby, somtijds, tegen gewoonte, bericht of instruktiën te werk gaan).Zeemanschap, z. n.v. — Zeevaartkunde; overleg aan kennis gepaard.Spreekwijze:Men moetZ—gebruiken, (men moet met overleg handelen, geven en nemen).Zeemanshuis: z. n. v. — 1o. Toevluchtsoord voor Zeelieden.HetZ—te Rotterdam.2o. Zeemanswoning; welbezeild, dicht schip, zoo zegt het oude rijmpjen:Koffen en smakkenZijn waterbakken.Hoeken en buizenZijnZeemanshuizen.Zeemanstaal, z. n. v. — By de Zeelieden in gebruik. Wie die niet verstaat, is een onbevarene (baar).Zeemakelaar, z. n. m. — Makelaar in schepen en Zeezaken.Zeemogendheid, z. n.v. — Mogendheid, die een vloot van den Staat bezit,Z—van den eersten,tweeden,derden rang.Zeekoningen, z. n. m. mv. — Naam, die aan de aanvoerders der Noorsche en Deensche roofschepen in de negende en tiende eeuw gegeven werd.Zeemijl, z. n. o. — Afstandsmaat. De FranscheZ—is het twintigste gedeelte van een graad des meridiaans.Zeenat, z. n. m. — Zeewater.Zeenatie, z. n. v. — Natie, byzonder tot de Zeevaart geschikt.Zeerafeling, z. n. v. — Kabbeling in Zee, door invallenden stroom, of langs de banken.Zeeofficier, z. n. m. — Officier by ’s Lands Zeemacht.Zeeoorlog, z. n. o. — Oorlog, die op Zee gevoerd wordt.Zeeraad, z. n. m. — Raad, die over Zeezaken oordeelt.Zeerecht, z. n. o. — 1o. Recht, waarby de Zeevaart en Zeehandel geregeld worden.Het WisbyscheZ—.Het HanzescheZ—.Het GenueescheZ—.2o. Rechten, die betaald worden wegens al wat tot de scheepvaart betrekking heeft.Kantoor van hetZ—.Zeeregister, z. n. o. — Dagboek, journaal.Zeereis, z. n. v. — Reis over Zee.Zeerob, z. n. m. — Zeeman: Dus genoemd, omdat hy ruw als een rob is.ZieZeebonk.Zeeroof, z. n. m. — Roof, aan een schip op Zee gepleegd.Zeerol, z. n.v. — ZieRol.Zeeroover, z. n. m. —Zeeschuimer, die op Zee met een vaartuig kruist, om andere vaartuigen te beRooven.Z—wordt genomen zoo voor den bevelvoerder, als voor elk, die tot de bemanning van het roofschip behoort; ook wel voor het roofschip zelf.Hariadan Barbarossa was een beroemdZ—.Hy is in de handen vanZ—sgevallen.Dat vaartuig schijnt wel eenZ—.Zeeschade, z. n. v. — ZieAvary.Zeeschender, z. n. m. — Iemand, die op Zee schade aanbrengt.Antonidesbezigt in zijnIJstroomhet woordZeeschendenaer:Zeeschendenaersontzien in ’t blinkende geweerTe vliegen.Zeeschip, z. n. o. mv. — Zeebouwend schip. Zie de bepalingen, deZeeschepenbetreffende, in het Wetb. v. Kooph. Boek II, Tit. I, art. 309–319.Spreekwijze,Een lastig,ongemakkelijkZ—(een lastig, ongemakkelijk mensch).Zeeschuim, z. n. o. — Witte bellen en mosch, die zich boven de oppervlakte der zee vertoonen, wanneer de golven tegen eenig beletsel of tegen elkander aan klotsen.Meldt vry van Cypris, hoe zy Cypers kon bekooren:Ick weet, dat dees Godin uitZeeschuimis geboren,zegtVondelvan Venus.Zeeschuimer, z. n. m. — ZieZeeroover.Zeeslag, z. n. o. — Gevecht op Zee.DeZ—van Duins is het beroemdste feit, dat ooit op Zee bedreven is.Zeeslot, z. n. o. — ’t Zelfde alsZeekasteel, doch min gebruikelijk.Karel, die de trotse schepenZaeght verbranden in uw nest,En uwZeeslot, ’s nabuurs pest,Met een klaeu naar Tessel sleepen,Zeg me, o scherpe waterroêHoe was toen uw hart te moe?Vondel,De Zeeleeu op de Teems.Zeesoldaat, z. n. m. — ZieMarinier.Zeestad, z. n. v. — Stad, aan Zee gelegen.Zeestoel, z. n. m. — (Veroud.) Stoel, die aan de tafel vast was, en even als deze, door zwaar er aangehangen lood, in balans werd gehouden tegen ’t slingeren van ’t schip.Zeestrand, z. n. o. — Strand der Zee.Zeestrijd, z. n. m. — ZieZeegevecht.Zeetaktiek, z. n. v. — Krijgskunst, toegepast op den oorlog ter Zee.Zeetocht, z. n. m. — Tocht, op Zee ondernomen.Zeeton, z. n. v. — Ton, die in de Zeegaten ligt, by de ondiepten.Zeetriomf, z. n. m. — Zegepraal, op Zee behaald.Zeevader, z. n. m. — De officier, die den adelborst in de manoeuvre, de stuurman, die den leerling in ’t cyferen, de onderofficier, die den jongen in ’t scheepswerk onderricht.Zeevaarder, z. n. m. — Zeeman, doch meer bepaaldelijk een, die groote of hachelijke reizen ondernomen heeft.De latere zeelieden zijn grooterZ—sgeweest dan die der ouden:Die zeeman is een by uitstek bekwaamZ—.Zeevaardy, z. n. v. — ’t Zelfde alsZeevaart, doch minder in gebruik.Op dezen voet beschermt deZeevaerdyhaer eer.Antonides,IJstroom.Zeevaart, z. n. v. — De Vaart op Zee.Handel enZ—waren van ouds de hoofdbronnen onzer welvaart.Zeevaartkunde, z. n. v. — Kennis van al wat tot de Zeevaart behoort.Zeevak, z. n. o. — ’t Zelfde als Zeevaartkunde.Hy is knap in hetZ—(hy is in Zeevaartkunde ervaren).Zeevast, b. n. — Wat zoodanig is Vastgesjord, dat het door de beweging der Zee niet kan heen en weêr gaan.Zet die koffersZ—.Zeeverzekeraar, z. n. m. — Verzekeraar tegen schade op Zee.Men hoeft geenZeeverzekeraarNu alle watren rijn geveyligt voor gevaer.Vondel,Zeemagazijn.Zeevoeten, z. n. m. mv. — Voeten, die gewend zijn op het dek te loopenHy heeftZ—(hy wandelt het dek op en neêr, zonder de slingeringen van het schip te tellen).Zeevolk, z. n. o. — Matrozen, Zeelieden.Zeevonden, z. n. m. mv. — Uit Zee gespoelde goederen. Zie de bepalingendaaromtrent in het Wetb. van Kooph. Boek II, Tit. VII, art. 545–568.Zeevrijbuiter, z. n. m. — ZieVrijbuiter.Zeewaardig, b. n. — Wordt een schip gezegd te zijn, als het in behoorlijken staat gebracht is om uit te zeilen, als het “van zessen klaar” is, gelijk men van harddravers zeggen zoû.Zeewaart, bw. — Naar zee toe.Stout verweerer, trots bevechterBey tezeewaarten te velt,noemtHuyghensPrins Maurits.Zeewater, z. n. o. — 1o. Water uit de zee.Goederen, door ’tZ—beschadigd.Spreekwijze:Dat zal al hetZ—niet afwisschen(iemands slechten naam).2o. voorGolf, in deSpreekwijze:Hem is al menigZ—over ’t hoofd gegaan.Zeewacht, z. n. v. — ZieKwartier,Wacht.Zeeweering,z. n. v. — Dijkwerken tegen het inbreken van de Zee, langs de bedreigde kusten, b. v. aan den hoek van Holland.Zeewetten, z. n. v. — Wetten op de Zeevaart.Zeewier, z. n. o. — ZieWier.Zeewezen,z. n. o. — Al wat tot de Zeevaart en Zeedienst betrekking heeft.Tijdschrift voor hetZ—.Jan de Witt heeft hetZ—in een uitmuntenden staat gebracht.De verdiensten van Hiob De Wildt omtrent hetZ—worden niet genoeg erkend.Zeewind, z. n. m. — ZieWind.Zeezaken, z. n. v. mv. — Zaken, die tot het Zeewezen betrekking hebben.De Kamer vanZ—(Amiraliteit).Zeeziek, b. n. — Aangetast door Zeeziekte.Zeeziekte, z. n. v. — Onaangename gewaarwording, met misselijkheid en veelal met braking vergezeld, die hen kwelt, die de Zee niet gewend zijn.Zeil, z. n. o. — 1o. Vereeniging van een zeker getal linnen banen, wier randen naar vaste berekeningen op elkander genaaid zijn, zoo dat zy een min of meer groote oppervlakte vormen, bestemd om den wind op te vangen. ZieVierkantZ—,LatijnZ—,GrootZ—,FokkeZ—,BezaanZ—,StagZ—,BovenZ—en,GrootStagZ—,GrootStengestagZ—,AchterZ—en,VoorZ—en,LijZ—en,MarsZ—en, enz.Storm—(dichtgereefde, gezwichte fok.)WaarloozeZ—en,Z—dat tegen,dat op den mast ligt(dat geen wind vangt.)Z—maken,Z—byzetten,Z—minderen,Z—enaanslaan(tuigen.)OnderZ—gaan(wegzeilen.)Vondelzegt in dezen zin:TeZ—gaan:Triomftorts over de neêrlaegh des Koninklijke vlote.’t Gewapend Scheltging t’ Zeil.DeZ—enbepalen(hoeveelZ—ende schepen eener vloot moeten voeren omhaar byeen te houden.)Met kleinZ—varen(weinigZ—envoeren). DeZ—enliggen blind(worden door andere belet wind te vangen.)DeZ—enscheppen(zy beginnen wind te vangen).Spreekwijze:Het waait hem in zijnZ—(het gelukt hem).Een oog in ’tZ—houden(toezien).Met deZ—entegen den mast liggen(in onmacht liggen).Met een opgezetZ—komen(met een grammen moed).Dat is geenZ—voor dat schip(die vrouw deugt voor dien man niet).Als hetZ—scheurt, dan heeft het een gat(die dan leeft, die dan zorgt).Met deZ—envoor den mast liggen(met het beginnen gereed zijn).Met een natZ—loopen(beschonken zijn).ErgendsZ—op maken(iets bejagen).OnderZ—gaan(inslapen).Met de laatste schepen onderZ—gaan(laat heen gaan).HetZ—inbinden(zijn staat verminderen).AlleZ—enbyzetten(alle moeite doen).Stijf onder ’tZ—zijn(in staat, iets te kunnen verdragen).Met een opgezetZ—aankomen(met drift of geweld aankomen).Met een staandZ—is ’t goed roeien(als men een goede zaak heeft kan men er licht een nevenzaak by waarnemen).AlleZ—enblank spelen(er alles op wagen).Schippers pozen niet wanneer zy onderZ—zijn.(ZieSchipper). Zie verderZeilen,Zeiltjen, enz.2o. Het schip zelf.Een vloot van N.Z—en(van N. schepen).EenZ—ontdekken.Zeilaadje, z. n. v. — Vaart, loop van een schip.Dit schip is opZ—gebouwd(is op snellen vaart gebouwd).Zeilboom, z. n. o. — Lange spar, op binnenvaartuigen, om het Zeil by het voor-de-wind zeilen uit te houden.Zeilbaar, b. n.—Geschikt om te Zeilen.Zoo doet mijnZeilbaarschip,zegtVondel,Lof der Zeevaart.Zeildoek, z. n. o.—Grof en stevig doek, waar Zeilen van vervaardigd worden.Zeilgaren, z. n. o.—Garen, tot het naaien van de zeilen.Zeilemaker. z. n. m. — Die Zeilen vervaardigt of laat vervaardigen.Zeilemakery, z. n. v. — Plaats, waar Zeilen vervaardigd worden.Zeilen, o. w. — Met behulp van Zeilen over ’t water gaan.Het schip kanZ—noch drijven(het is loom, het wil niet voort.)Op zijn buikZ—(op zij liggende voortZ—.)RuimschootsZ—(met goeden windZ—.)Slag-over-slagZ—(met korte gangen laveeren.)DeZ—op stootgaren zetten(die nog slechts door eenig kabelgaren aan de ra houden, zoo dat men ze op ’t spoedigst kan byzetten.) (Deze uitroep beduidt, dat de looper, waarmede geheschen werd, is vastgelegd).Spreekwijze:Men moetZ—terwijl de wind waait(men moet de gelegenheid waarnemen).De kooi lekZ—.ZieKooi.RuimschootsZ—(het zoo naauw niet nemen).Hard achteruitZ—(arm worden).Het walletjen langsZ—.ZieWal.Iemand in de zijdeZ—(iemand benadeelen).Z—of verzuipen(er alles op wagen).Men moetZ—terwijl de wind dient(de gelegenheid waarnemen).Als het maar met een halven wind wilZ—(als het maar half wil gelukken).Zeilnaald,z. n. m. — Naald, waarmede de Zeilen genaaid worden.Zeil-en-treil. — ZieTreil.Zeiler, z. n. m. — Zeilend schip.Dat schip is een goede,is een slechte,is een luieZ—.Zeilkooi, z. n. v. — Bergplaats voor de Zeilen.Zeilorde, z. n. v. — Orde, waarin men Zeilt.Zeilpunt. z. n. o. — Het Punt, waarop een loodrechte lijn, staande op het zwaartepunt der waterlijn van een schip, de richting der werking van het water op den voorsteven ontmoet. Het is op dit Punt dat zich de werking van den wind op de Zeilen richten moet, ten einde het schip noch naar boven, noch naar achteren overhelle: men noemt ookZ—het zwaartepunt der zeilen.Zeilreê, b. n. ofZeilvaardig. — Klaar om uit te Zeilen.Dat schip ligtZ—.Zeilsteen, z. n. m. —Noordsteen,Magneet: Steen, die de eigenschap heeft van het yzer aan te trekken. ZieKompas.Zeiltjen, z. n. o. — Klein Zeil.Spreekwijze:HetZ—strijken(van zich zelven vallen).Zeilvaardig, b. n. — ZieZeilreê.Zeilrol, z.n. m. — Rol, waarby de manschappen by de zeilen verdeeld zijn.Zeilpriem, z. n. m. — Priem, waarmede de gaten voor de beslagbanden en rifseizing in de Zeilen worden geboord.Zeinschip, z. n. o. (veroud.) — Soort van schepen, in oude tijden hier in gebruik, open, zonder vast roer of mast, welke beiden zy opzetteden als zy in zee gingen. Smal voor zoo wel als achter, en spits toegaande, waarvan zy wellicht hun naam vanZein(zenofseis)-schipontleenden; voerden zy niet meer dan drie man en een jongen en zeilden wonder snel.Zel, z. n. m. ofZelling. — Plaats in de engte, waar een anker heeft vast gezeten.Daar gaat een stroom als van eenZ—.Zelling, z. n. v. — ZieZel.Zeng, z.n. v. — Plotslinge en kortstondige vermeerdering van den heerschenden wind.MetZ—enwaaien:—op deZ—enpassen.Zetborden, z. n. o. mv. — Klein schotwerk, dat in sleuven langs de boorden eener sloep gezet wordt, om die te verhoogen en het binnendringen van ’t water te beletten.Zetgang, z. n. m. — 1o. Losse plank, die men op lage vaartuigen boven langs ’t boord inzet.2o. Gang, die op het barghout en rahout tegen de buitenoppervlakte der inhouten wordt geplaatst.Zet gang, komm. — Draai het spil harder om!Zetschipper, z. n. m. — Persoon, die aangesteld wordt om een Schipper tijdelijk te vervangen.Spreekwijze:Hy isZ—(hy is tijdelijk met de zaak belast).Zetten, b. w. — B. v. op het droog, aan den grond.De kapitein verkoos zich liever op het strand teZ—dan zich over te geven.—De loods Zette het schip op het drooge.—Zet aan!—Zet vrij!—Zet af!—(komm. om het vaartuig te doen by-,vrij- of afhouden).Zetjen, z. n. o. — Ruk. komm.nog eenZ—(nog een ruk).Spreekwijze:EenZ—helpt, en alle vrachtjens lichten, zei de schipper, zette zyn hond aan ’t roer, en smeet zijn vrouw over boord.Zetweger, z. n. m. — Benaming van de zware beplankingen, die, op elk dek, de binnenhuid van het schip bekleeden van den watergang tot aan den onderkant der geschutponten.Zeuntjen, z. n. o. — ZieBaksjongen.Ziekeboeg, z. n. m. ofZiekegrens. — Plaats aan boord, waar de zieken worden nedergelegd.Ziekegrens, z. n. v. — ZieZiekeboeg.Zieketrooster, z. n. m. — Of, alsVondelhem in’t Lof der Zeevaartnoemt,Het statigh aengezicht dat zieltjes zalft en troost.Soort van Kathecheseermeester, die aan boord van elk zeeschip plach te zijn om gebeden te lezen, de kranken te bezoeken en ander stichtelijk werk te doen.Ziekevader, z. n. m. — Oppasser in den Ziekeboeg.Zielverkooper, z. n. m. — ZieWerver.Zilt, b. n. — ZieZout.DeZ—estroomen.(De zee).Zinken, o. w. — Te gronde gaan.Dat schip gaatZ—.Een schip doenZ—.TotZ—stoe geladen zijn.Zitten, o. w. — Gestrand zijn, onbewegelijk zijn.Het schip Zit op het droog.Wy Zitten hier veilig.Spreekwijze:Ergends mede aan den grondZ—(mede verlegen zijn).Zitters, z. n. m. mv. (veroud.) — 1o. Balken, bezijden de buikstukken op den bodem van het schip gelegd.2o. Benaming, op sommige plaatsen aan de buikstukken zelve gegeven.Zoeken, b. w. — 1o. Naar iets Zoeken, Onderzoeken.GrondZ—(door het werpen van het lood).Het landZ—(wanneer men meent, het in de nabyheid te hebben, moeite doen om het te ontdekken).2o. Zich ergends heen begeven.Een havenZ—.Een opper,de luwteZ—:De naald Zoekt het Noorden.Zoeker, z. n. m. — Voorste gedeelte van eenZ—bout, ’t welk eerst door het yzer gaat en na het indrijven van den bout wordt afgehakt.Zoekerbouten, z. n. m. mv. — Bouten, die twee of meer palmen langer gekort worden dan zy varen moeten. Het overzijnde gedeelte van de lengte wordt dun uitgehaald en vormt den Zoeker.Zoen, z. n. m.—Verbetering, (veroud.)Het biedt geenZ—(de onstuimigheid der lucht stilt niet: het weer wil niet bedaren).Zoet, b. n. — Drinkbaar.Z—water.Er is gebrek aanZ—water.Zog, z. n. o. — Spoor, dat het schip in het opborrelend water achterlaat.Spreekwijze:In iemandsZ—varen(hem volgen).Daar is een kunst van voorbereiden,Die tot des Dichters kunst behoort:Men moet de ziel des hoorders leiden,Of anders stuit hem ieder woord.Men dient hem gants in ’tZogte slepen,En, deze kunstgreep wel begrepen,Dan doet men met hem wat men wil:Dan zal hy, by een matig roeien,Gewillig met de vaerzen vloeien,En zwijgen als een stokvisch stil.Bilderdijk.Zoggat, z. n. o. — ZieVullingsgat: ook wel genomen voor een hok, achter de konstabelskamer, waar scherp in geborgen werd.Zogstukken, z. n. o. mv. — Houten gaffels, die voor en achter tegen den steven aankomen, in stede van gescheiden inhouten.Zogwater, z. n. o. — Het water, dat achter het schip opborrelt.Het is gevaarlijk in hetZ—eener stoomboot te komen.Zon, z. n. v. — Lichtgevende, vaste ster, om welke de aarde draait.DeZ—rijst,daalt,gaat onder:—DeZ—schieten(haar hoogte berekenen.)DeZ—staat.De wind loopt voor deZ—.Spreekwijze:De Zon tot God gaat(verouderde uitdrukking der visscherslieden, voor: “de Zon gaat onder”).Zondag, z. n. m. — Scheur, vlek, plek in de kiel of in eenig ander gedeelte van het schip, die verweloos geworden is.Zonsazimuth, z. n. o. — Rechte standplaats der Zon by haar ondergang.Zonsdeclinatie, z. n. v. — Hare afwijking van de linie.Zoneclips, z. n. v. — Hare verduistering door den doorgang van een planeet.Zonshoogte, z. n. v. — Hare hoogte op den middag, waardoor de breedte wordt aangewezen.Zonnetent, z. n. v. — Tent, over het dek gespannen.Zoode, z. n.v. — ZiePompzoode,Durk.Zoomwerk, z. n. o. — ZieKlinkwerk.Zorgband, z. n. m. — Strop, aan den achterkant met klinkbouten aan het roergeslagen, ten einde zich tegen het verlies daarvan te verzekeren. Deze strop is aan de hoeken met oogen voorzien, aan elk waarvan een Zorgketting vaart.Zorglijn, z. n. v. — Lijn, die de blokken van de noodtakels tegen de ra houdt.Zorgketting, z. n. v. — Ketting, die door een oog van den Zorgband loopt, zich van het roer naar boord uitstrekt en buiten om tegen de huid wordt opgehangen.Zout, b. n. ofZilt. — Verkrijgt, door zijn byvoeging aan sommige woorden, de beteekenis van “Zee,” of “Zeewater.”DeZ—ebaren,DeZ—eplas,Het Zee-nat(de Zee).En ghy . . . . . . die op de winden zwiert,En vant lasurigh velt deSoutetoomen stiert,zegtVondelin zijnLofsangh op de Scheepvaart.Zout, z. n. o. — VoorZeegenomen.Zuchtjen, z. n. o. — Klein windtjen.Wy moeten van het minsteZ—gebruik maken.Zuid, b. n. — Ten Zuiden, van de Zuidzij.De wind isZ—(waait van de Zuidzij.)Wy hebben het landZ—van ons.Zuid, (de) z. n. v. — Zuidwaart gelegen streek.Zy voeren om deZ—.Zuidelijk, b. n. en bw. — Wat zich ten Zuiden bevindt.Zuidelijken, o. w. — Naar ’t Zuiden schieten.Het begint teZ—(de wind loopt Zuid).Zuiden, (ten) b. w. — Aan de Zuidkant.Spanje ligtT—Z—van Frankrijk.Zuiden, (het) z. n. o. — Het Zuidelijk gelegen land.Het onbekendeZ—.’k Heb zoo lang om Noord enZuienBy de baas te roer gestaanEn voor niet, niet zooveel buienOver deze muts zien gaan.Huighens.Zuidewind, z. n. m. — ZieWind.Kom zachteZuidewindekenKom wieg het kleine kindeken!Ons Rozalijntje is moé.’t Verveelt haar, meer te luisteren:De dag is aan ’t verduisteren:Haar oogjens vallen toe,luidde een oud liedtjen, waar ik als kind mede in slaap werd gezongen.Zuid oost, bw.— Windstreek midden tusschen O. en Z.Zuidwaart, bw. — Naar het Zuiden.Zy zeildenZ—.Zuidwest, bw. — Windstreek midden tusschen Z. en W.Zuidwester, z. n. m. — Breedgerande hoed of kap met wasdoek of geölied linnen overtrokken, en den zeeman tot bescherming dienende tegen regen en wind.Zuidzeevaarders, z. n. m. — Schepen, die om de Zuid ter walvischvangst varen.Zuiger, z. n. m. — 1o.Mastring,mastband,beugel. Yzeren ring, die, op een sloep of klein vaartuig, aan een zeil vastzittende, en om een mast of spriet geslagen, dient, om dat zeil langs dien mast of spier te doen rijzen of zakken.2o.Van de Pomp.ZiePompzuiger.Zuiver, b. n. en bw. — Zonder gevaar.EenZ—alleen staande klip of rots(by welke men ten anker kan gaan liggen.)EenZ—ehaven(die men gemakkelijk kan inzeilen.)De kust isZ—(er zijn klippen noch banken).Zwaaien, b. w. — Voor anker liggende, van stelling veranderen door de werking van wind of stroom.Op den windZ—(den voorsteven naar den wind keeren.)Op het tijZ—(den voorsteven naar het tij keeren.)Onder den wind met den stroom onder de lijZ—(wanneer de eene zijde aan den wind, de andere aan den stroom is blootgesteld.)Hy Zwaait klaar,hy Zwaait voor klare kluizen(hy kruist zijn kabels niet by ’t omzwaaien.)In die haven is geen ruimte genoeg voor groote schepen om teZ—.Zwaar, b. n. — Groot, plomp, wijd.Z—schip(wijd schip, schip van grooten omvang.)Z—weer(stormweer.)Z—ebui(hevige wind.)Z—ezee(hooge zee.)Dat schip rijstZ—,valtZ—in zee(verheft zich moeilijk uit de zee)Z—ebattery(vanZ—kaliber).HetZ—(anker)touw,EenZ—anker.Zwaard, z. n. o. — Verzameling van planken, in den vorm van een schuinsch ovaal, die aan de zijde van een klein vaartuig ligt, en dient om het afdrijven te beletten.Zwaartepunt, z. n. o. — Het punt, aan weerskanten van ’t welk de deelen van een lichaam gelijke zwaarte hebben. Het algemeenZ—van een schip bevindt zich gewoonlijk binnen de lijn, welke het in twee gelijke deelen scheidt. HetZ—der waterverplaatsing van het ondergedompeld gedeelte van het schip, ofdrukkingspunt, bevindt zich binnen de vertikale lijn, die de romp in twee gelijke deelen scheidt.Zwabber, z. n. m. — Dweil, uit kabelgaren of lappen aan een steel gebonden en dienende om schepen en schuiten schoon te houden.Zwabberen, o. w. — Met een Zwabber schoonmaken.Zwabberhalen. — Spotroep der matrozen, wanneer een onbevarene door het slingeren van het schip omverre valt, om de plaats waar de baar (onbevarene) gelegen heeft, weder schoon te maken.ZwabberpaaiofZwabberkaptein. — Een, die den Zwabber moet uitspoelen en droogwringen. Hier wordt doorgaands de minst bekwame matroos voor genomen.Zwakke-hals, z. n. m. — Soort van stopper, dienende om by ruw weer de belegtouwen te stoppen.Zwalpen, o. w. — Zich golvend verheffen. Woord, zelden anders dan in poëzy gebruikelijk.Zwalpen, z. n. m. mv. — Stukken van greenen ribben, in de klamaaien rustende en dienende om de dekdeelen te steunen.Zwaluwstaart, z. n. — Stuik, die den vorm heeft van eenZ—.Zwanehals, z. n. m. (veroud.) — 1o.Drager van de roerpen.Zware gebogene yzeren dekplaat, waarvan de grootste arm op het end der roerpen sluit.2o. ofRuggegraat(om dat het beeld er met zijn rug tegen aan staat). Vooruitspringend verbindingstuk van de scheg, door een haaklasch aan de woelingsknie verbonden en daarmede als ’t ware een geheel uitmakende.3o. De gebogen yzeren stangen buiten boord, waar een sloep in hangt, worden ookZ—engenoemd.Zweepstopper, z. n. m. — Stopper, waarvan het end in een gedraaid is en met een punt uitloopt.Zweeten, o. w. — Wordt het eiken hout gezegd te doen, wanneer het vochtig wordt en uitslaat, als dikwijls het geval is op nieuwe schepen, by heet weer.HetZ—van het hout heeft al onze beschuit bedorven.Zwei, z. n. v. — Beweegbare Winkelhaak.Zwellen, o. w. — Vermeerderen, vol worden, zich uitbreiden.De waterenZ—.De wind doet de zeilenZ—.Zwemmen, o. w. — Zich in ’t water bewegen zonder te zinken.Zwengel, z. n. m. — Arm van de pomp.Zwichten, b. w. — De hoofdtouwen van het onderwant van stuur- en bakboord door touwen onder de mars naar elkander halen.De fokZ—(die by stormweer inkorten, door servings).Zwichtingbouten, z. n. m. mv. — Kleine ronde yzeren staven, met geteerde servings bekleed: zy kruisen het lage want aan bak- en stuurboord op de hoogte van den voet der klampen.Zwichtserving, z. n. v. — Zwaar en breed gevlochten touw, waarmede de fok gezwicht wordt.Zwiepend, b. n. — Los, veerkrachtigKorte masten en lange stangen maaktZ—tuig.Zwieping, z. n. v.— Planken, die men op verschillende hoogten en op bepaalde punten der armen van een spant spijkert, ten einde die armen de richting te doen bewaren, waarin men die houden wil.Zwin, z. n. o. — Wad, droogte tusschen het water.Zijde, z. n. v. — Boord, rechter- of linkerkant van een schip.De vyand de breedeZ—bieden(hem uit de bak- of stuurboords-battery beschieten.)Een schip opZ—leggen(om het te kalfaten.)Haal de sloep opZ—(langs boord.) “Kregen de viktualiekaag opZ—, met twee soldaten, vier varkens en vier schapen, heschen al het vee over” (oud Rapport).Zijperken, z. n. mv. — De beide vakken van het Dek aan weerszijde van het middelpunt. Het eeneZijperkligt tusschen den schaarstok en waterloopsklos aan stuurboord—het andere tusschen de genoemde deelen aan bakboordzijde.
Z.
Zaadhout, z. n. o. — Benaming van een rij dikke balken, die, de een aan den anderen, in de richting der kiel en daarboven geplaatst, zich kruissen met al de spanten van een schip, door over ’t midden der vrangen heen te loopen. HetZ—dient tot versterking voor het raam en tot gelijker verdeeling van het gewicht des masten.Zaag, z. n. m. — Lange platte yzeren strook, waarvan de eene zijde getand is, en dienende om voorwerpen van hout of steen zuiver te verdeelen. ZieHandZ—,SpanZ—,KraanZ—,RaamZ—,SchrobZ—,TrekZ—. Volgends het sprookjen hadden de schepen der kruisvaarders (waarvan de afbeeldsels nog in de groote kerk te Haarlem hangen)Z—enaan den boeg, waarmede zij de kettingen, by Damiate gespannen, afzaagden.Zagen, b. w. — Door middel van een Zaag verdeelen.Zagersbok, z. n. m. — ZieBok.Zakken, o. w. —1o. Achteruitblijven.Wy lieten onsZ—(wy bleven met ons schip achteruit).2o. Nederdalen (Die bui is gezakt).Dauw en donker zyn aan ’tzakken.Huighens.Zaling, z. n. v. — Dwarshout aan den top van een mast, dienende om een mars te steunen. ZieBramZ—,LangsZ—, enz.Zand, z. n. o. — Soort van lichte, fijne, geelachtige aarde, met keizels of schulpen vermengd.GrofZ—,FijnZ—,ZeeZ—,RivierZ—,SchelpZ—,ModderigZ—,DriftZ—,WelZ—,DuinZ—. ZieVerzanden.In ’tZ—vastwoelen.Bedolven in ’t JavaanscheZand.O. Z. Van Haren.Spreekwijze:Wacht u voorZ—en stranden.Hy ligt in ’tZ—(hy is dood).Zandbaai, z. n. v. — Verzande baai.Zandgrond, z. n. m. — Zanderige bodem.Zandlooper, z. n. m. — Werktuig, uit twee fleschjens bestaande, in een open buis gevat en met de halzen op elkander geplaatst. Het bovenste fleschjen is gevuld met Zand, ’twelk door een doorprikte kurk in het onderste nedervalt, zoo dat het bovenste fleschjen juist ledig is in een vooraf berekenden tijd, b. v. van een uur, een half uur, een minuut, al naar de hoeveelheid Zand en de snelheid, waarmede het valt. Men keert alsdan denZ—om en dezelfde operatie wordt herhaald. ZieUurglas,Minuutglas.Zandplaat, z. n. v. — Schor, drooge plaat in zee.Zandstrook, z. n. v. — Breede gang, die in de sponning van de kiel schiet, en zich van den voor- naar den achtersteven uitstrekt.Zee, z. n. v. — 1o. of Waereldzee. De uitgestrektheid zout water, die al de deelen des aardrijks bespoelt.2o. Elk afzonderlijk uitgestrekt deel der Waereldzee, ’t welk dan wordt onderscheiden door een bepaalde benaming, aan de plaatselijke gesteldheid of kleur ontleend. Zoo: deMiddellandscheZ—,De AtlantischeZ—,deNoordZ—,de stilleZuidZ—,enz.3o. Het water der Zee.Hooge,lageZ—, (hoog of laag water, ten gevolge van vloed of eb.)Wassende,opkomendeZ—(gedurende den vloed.)AfloopendeZ—, (gedurende de eb.)DeZ—loopt hoog op, (de stroom is hoog.)InZ—loopen,Z—kiezen, (uitzeilen.)DeZ—oversteken, (zich naar een kust overZ—begeven.)InZ—,opZ—zijn.—Een vloot opZ—brengen, (haar uit de haven of van de reede de volleZ—doen inzeilen.)DeZ—houden, (inZ—blijven.)Een sloep inZ—zetten, (een sloep uitzetten.)Een zwareZ—.(waarvan de golven hoog staan.)Een hoog aanschietende,hoog oploopendeZ—, (als de golven zich by uitstek hoog verheffen).DeZ—schuimt,krult om, (wanneer de golven zich al wentelende met schuim bedekken.)Er gaat veelZ—, (sterke stroom.)LangeZ—,korteZ—, (waarvan de golven lang of kort zijn.)DeZ—kabbelt, (de golven zijn kort en tegen elkander invallend).DeZ—breekt, (de golven storten kort neder, breken boven het boord.)Het schip krijgt deZ—voor in,op den kop,dwars in,achter in, (de golven stooten zich op den voor- of achtersteven, of tegen een der boorden.)DeZ—is slecht, (is kalm, effen.)StaandeZ—, (waar weinig eb en vloed gaat.)DeZ—loopt den wind op, (de wind blaast van den kant, waar deZ—heen stroomt.)Daar staatZ—, (deZ—is onstuimig.)Daar staat geenZ—meer, (zy is kalm).De ruimeZ—kiezen, (zich in de ruimte begeven.)Het schip heeft deZ—op den kop,houdt den kop op deZ—, (deZ—komt vlak op den voorsteven aanzetten.)Z—en lucht zijn aan elkander, (het is boos weer.)TerZ—varen.ZieVaren.Z—winnen, (zeewaarts in zeilen.)De zon duikt inZ—, (gaat onder.)De zon rijst uitZ—, (gaat op).De gouden Titan rijst alreeMet blaeuwe paerden uyt dezeeVondel.Palamedes.4o. Golf, baar.Er kwam eenZ—die het schip overdekte.—Ergaan korteZ—en.—DeZ—loopt om de Zuid.Spreekwijze:ZeevoorLevenszee, waarvanvan Alphenzingt:De ontroerdezee, der golven hol geklots,Stuurt ons van lieverlee ter haven in.Z—voormenigte,overvloed.EenZ—van rampen, (een menigte rampen). Zoo zegtBadeloch:Wat toren is zoo hoog, van waar mijn oog de barenDerzeekan overzien van al mijn wedervaren.Hy heeft eenZ—van geld, (overvloed van geld).Het is koel opZ—, (het gaat er stil toe).Water inZ—dragen, (iets geven aan iemand, die er reeds overvloedig mede bedeeld is).InZ—gaan, (een onderneming wagen).Recht doorZ—, (zonder omwegen).DeZ—is zonder water, (rijke lieden klagen alsof zy gebrek hadden).Wat zal deZ—al opwerpen?(wat zal er al voor den dag komen?)Daar verdrinken er meer in een wijnglas dan in deZ—.DeZ—maakt gedwee(zeedienst temt den wilden bras).Zeearm, z. n. m. — Die de Eilanden omvat.Zee-atlas, z. n. m. — Verzameling van Zeekaarten.Zeebedding, z. n. m. — Zandrug, door de Zee op ’t strand geworpen.Zeebeer, z. n. m. — Muur by een haven, om den golfslag te breken.Zeeberoering, z. n. v. — Door aardbeving veroorzaakt.Zeebrak, z. n. o. — Zeewater aan de kust.Zeeboezem, z. n. m. — ofZeebaai. ZieGolf,Baai.Zeebocht, z. n. v. — ZieZeeboezem.Zeebonk, z. n. m. — ofZeerob; bevaren zeeman, zeeman, die van niets dan van zijn beroep weet.Zeebrief, z. n. m. — Paspoort, door het gouvernement aan de koopvaardyschippers afgegeven.Zeedagen, z. n. m. mv. — Dagen op reis, buiten ’t verblijf in havens of op reede.Zeedamp, z. n. v. — Die uit zee opkomt en zich over het land verspreidt.Zeeduivel,z. n. m. — Groote visch met horens: bynaam, wel aan een galei gegeven.Zeedijk, z. n. v. — Dijk, tegen de zee opgeworpen.Zeedienst, z. n. v. — Dienst by het zeewezen.Hy is in ’s LandsZ—.Zeeëngte, z. n. v. — ofZeestrand, ofStraat. ZieStraat.Zeefakkel, z. n. v. — Tytel van een verzameling van kaarten en landverkenningen met opgaven en opmerkingen verrijkt.Zeegat, z. n. o. — Monding der stroomen, waar zy in Zee vallen, of plaatsen, waar de Zeeën gemeenschap hebben met elkander.HetZ—van Terschelling,van Texel.DeZ—enbehooren wel voorzien te zijn.Spreekwijze:Hy moet hetZ—uit, (hy moet ter zee varen).Zeegast, z. n. m. — Zeevarende. Matroos.Zeegevaar, z. n. o. — ZieAssurantie.Zeegevecht, z. n. o.—Zeestrijd,Zeeslag. Gevecht op Zee.Zeegewest, z. n. o. — Streek of gewest, aan Zee gelegen.Zeegewas, z. n. o. — Gewassen, die in Zee groeien.Zeegolf, z. n. m. — Golf, baai van de Zee.Zeegt, z. n. v. — Rondte.DeZ—van een schip, zijn bocht in ’t lang.DeZ—des dekken,der barghouten;—opstaandeZ—van een plank.Het schip eenZ—geven.Zeehaven, z. n. v. — Haven, die aan Zee ligt.Zeehanden en -voeten hebben, o. w.—Op Zee t’huis zijn.Zeehout, z. n. o. — ofHout voor scheen. Boord van het schip; hout boven den overloop aan de scheepszijde.Zeekaart, z. n. v. — Kaart, waarop de Zeeën, windstreken, enz. zijn aangewezen.Het is noodzakelijk,goedeZ—enaan boord te hebben.Zeekasteel, z. n. o. — Dichterlijke benaming voor “schip.”Diezeekasteelenen zeereuzen, die ontaertDe starren dreigen met hun steil en trots gevaert.Vondel.Lof der Zeevaert.Zeekraal, z. n. v. — Groente aan deZeeuwschekust gevischt. Zeer gezond voedsel.Zeekust, z. n. v. — De kust, die zich langs de zee strekt.Zeeland, z. n. o. — Land, aan of in Zee gelegen, en van daar ook synomien met “eiland”, voor welk laatste woord het in de gewone beteekenis heeft plaats gemaakt om alleen als eigen naam in gebruik te blijven voor twee gewesten, een in Denemarken en een in Nederland.Zeelieden,Zeelui, z. n. m. mv. — Zeevolk, matrozen.Zeelingzaad, z. n. o. — (veroud.) Kuil, dien een schip in den weeken bodem waar het in gezeten heeft, achterlaat.Zeelucht, z. n. v. — De lucht, die op of uit zee waait.Aan ’t strand eenZ—jenscheppen.DeZ—zal u goed doen.Wonder is ’t dat sterfelijcke menschenNoch smalen op den ploegh, en om eenzeeluchtwenschen.Vondel.Lof der Zeevaert.Zeemaat, z. n. m. — ’t zelfde alsJan-maat.OnsZeemaetsvliegen met de vlagge op by den mast.Vondel,Henriette Marie.Zeemacht, z. n. v. — 1o. Het getal oorlogschepen, die een Staat in zee kan brengen.Engeland heeft er zich steeds op toegelegd zijnZ—te vergrooten.2o. Vloot.OnzeZ—wordt door een wakkeren vlootvoogd aangevoerd.Zeeman, z. n. m. — Iemand, wiens beroep het is, ter Zee te varen. Varensgast, varensgezel.Een bevarenZ—(die op zee goed t’huis is).Spreekwijze:Z—geen man, (klacht van een t’huis gebleven vrouw).Een goedZ—wordt ook wel eens nat, (een sober mensch drinkt ook wel eens een glaasjen meer dan hem voegt).Zeemanschap, z. n. o. — Eigenlijk: kennis van de Zeevaartkunde, met overleg gepaard.Z—gebruiken, (geven en nemen: by voorvallende gelegenheden, van weer, wind of vyandelijke ontmoeting, naar de omstandigheden handelen, en daarby, somtijds, tegen gewoonte, bericht of instruktiën te werk gaan).Zeemanschap, z. n.v. — Zeevaartkunde; overleg aan kennis gepaard.Spreekwijze:Men moetZ—gebruiken, (men moet met overleg handelen, geven en nemen).Zeemanshuis: z. n. v. — 1o. Toevluchtsoord voor Zeelieden.HetZ—te Rotterdam.2o. Zeemanswoning; welbezeild, dicht schip, zoo zegt het oude rijmpjen:Koffen en smakkenZijn waterbakken.Hoeken en buizenZijnZeemanshuizen.Zeemanstaal, z. n. v. — By de Zeelieden in gebruik. Wie die niet verstaat, is een onbevarene (baar).Zeemakelaar, z. n. m. — Makelaar in schepen en Zeezaken.Zeemogendheid, z. n.v. — Mogendheid, die een vloot van den Staat bezit,Z—van den eersten,tweeden,derden rang.Zeekoningen, z. n. m. mv. — Naam, die aan de aanvoerders der Noorsche en Deensche roofschepen in de negende en tiende eeuw gegeven werd.Zeemijl, z. n. o. — Afstandsmaat. De FranscheZ—is het twintigste gedeelte van een graad des meridiaans.Zeenat, z. n. m. — Zeewater.Zeenatie, z. n. v. — Natie, byzonder tot de Zeevaart geschikt.Zeerafeling, z. n. v. — Kabbeling in Zee, door invallenden stroom, of langs de banken.Zeeofficier, z. n. m. — Officier by ’s Lands Zeemacht.Zeeoorlog, z. n. o. — Oorlog, die op Zee gevoerd wordt.Zeeraad, z. n. m. — Raad, die over Zeezaken oordeelt.Zeerecht, z. n. o. — 1o. Recht, waarby de Zeevaart en Zeehandel geregeld worden.Het WisbyscheZ—.Het HanzescheZ—.Het GenueescheZ—.2o. Rechten, die betaald worden wegens al wat tot de scheepvaart betrekking heeft.Kantoor van hetZ—.Zeeregister, z. n. o. — Dagboek, journaal.Zeereis, z. n. v. — Reis over Zee.Zeerob, z. n. m. — Zeeman: Dus genoemd, omdat hy ruw als een rob is.ZieZeebonk.Zeeroof, z. n. m. — Roof, aan een schip op Zee gepleegd.Zeerol, z. n.v. — ZieRol.Zeeroover, z. n. m. —Zeeschuimer, die op Zee met een vaartuig kruist, om andere vaartuigen te beRooven.Z—wordt genomen zoo voor den bevelvoerder, als voor elk, die tot de bemanning van het roofschip behoort; ook wel voor het roofschip zelf.Hariadan Barbarossa was een beroemdZ—.Hy is in de handen vanZ—sgevallen.Dat vaartuig schijnt wel eenZ—.Zeeschade, z. n. v. — ZieAvary.Zeeschender, z. n. m. — Iemand, die op Zee schade aanbrengt.Antonidesbezigt in zijnIJstroomhet woordZeeschendenaer:Zeeschendenaersontzien in ’t blinkende geweerTe vliegen.Zeeschip, z. n. o. mv. — Zeebouwend schip. Zie de bepalingen, deZeeschepenbetreffende, in het Wetb. v. Kooph. Boek II, Tit. I, art. 309–319.Spreekwijze,Een lastig,ongemakkelijkZ—(een lastig, ongemakkelijk mensch).Zeeschuim, z. n. o. — Witte bellen en mosch, die zich boven de oppervlakte der zee vertoonen, wanneer de golven tegen eenig beletsel of tegen elkander aan klotsen.Meldt vry van Cypris, hoe zy Cypers kon bekooren:Ick weet, dat dees Godin uitZeeschuimis geboren,zegtVondelvan Venus.Zeeschuimer, z. n. m. — ZieZeeroover.Zeeslag, z. n. o. — Gevecht op Zee.DeZ—van Duins is het beroemdste feit, dat ooit op Zee bedreven is.Zeeslot, z. n. o. — ’t Zelfde alsZeekasteel, doch min gebruikelijk.Karel, die de trotse schepenZaeght verbranden in uw nest,En uwZeeslot, ’s nabuurs pest,Met een klaeu naar Tessel sleepen,Zeg me, o scherpe waterroêHoe was toen uw hart te moe?Vondel,De Zeeleeu op de Teems.Zeesoldaat, z. n. m. — ZieMarinier.Zeestad, z. n. v. — Stad, aan Zee gelegen.Zeestoel, z. n. m. — (Veroud.) Stoel, die aan de tafel vast was, en even als deze, door zwaar er aangehangen lood, in balans werd gehouden tegen ’t slingeren van ’t schip.Zeestrand, z. n. o. — Strand der Zee.Zeestrijd, z. n. m. — ZieZeegevecht.Zeetaktiek, z. n. v. — Krijgskunst, toegepast op den oorlog ter Zee.Zeetocht, z. n. m. — Tocht, op Zee ondernomen.Zeeton, z. n. v. — Ton, die in de Zeegaten ligt, by de ondiepten.Zeetriomf, z. n. m. — Zegepraal, op Zee behaald.Zeevader, z. n. m. — De officier, die den adelborst in de manoeuvre, de stuurman, die den leerling in ’t cyferen, de onderofficier, die den jongen in ’t scheepswerk onderricht.Zeevaarder, z. n. m. — Zeeman, doch meer bepaaldelijk een, die groote of hachelijke reizen ondernomen heeft.De latere zeelieden zijn grooterZ—sgeweest dan die der ouden:Die zeeman is een by uitstek bekwaamZ—.Zeevaardy, z. n. v. — ’t Zelfde alsZeevaart, doch minder in gebruik.Op dezen voet beschermt deZeevaerdyhaer eer.Antonides,IJstroom.Zeevaart, z. n. v. — De Vaart op Zee.Handel enZ—waren van ouds de hoofdbronnen onzer welvaart.Zeevaartkunde, z. n. v. — Kennis van al wat tot de Zeevaart behoort.Zeevak, z. n. o. — ’t Zelfde als Zeevaartkunde.Hy is knap in hetZ—(hy is in Zeevaartkunde ervaren).Zeevast, b. n. — Wat zoodanig is Vastgesjord, dat het door de beweging der Zee niet kan heen en weêr gaan.Zet die koffersZ—.Zeeverzekeraar, z. n. m. — Verzekeraar tegen schade op Zee.Men hoeft geenZeeverzekeraarNu alle watren rijn geveyligt voor gevaer.Vondel,Zeemagazijn.Zeevoeten, z. n. m. mv. — Voeten, die gewend zijn op het dek te loopenHy heeftZ—(hy wandelt het dek op en neêr, zonder de slingeringen van het schip te tellen).Zeevolk, z. n. o. — Matrozen, Zeelieden.Zeevonden, z. n. m. mv. — Uit Zee gespoelde goederen. Zie de bepalingendaaromtrent in het Wetb. van Kooph. Boek II, Tit. VII, art. 545–568.Zeevrijbuiter, z. n. m. — ZieVrijbuiter.Zeewaardig, b. n. — Wordt een schip gezegd te zijn, als het in behoorlijken staat gebracht is om uit te zeilen, als het “van zessen klaar” is, gelijk men van harddravers zeggen zoû.Zeewaart, bw. — Naar zee toe.Stout verweerer, trots bevechterBey tezeewaarten te velt,noemtHuyghensPrins Maurits.Zeewater, z. n. o. — 1o. Water uit de zee.Goederen, door ’tZ—beschadigd.Spreekwijze:Dat zal al hetZ—niet afwisschen(iemands slechten naam).2o. voorGolf, in deSpreekwijze:Hem is al menigZ—over ’t hoofd gegaan.Zeewacht, z. n. v. — ZieKwartier,Wacht.Zeeweering,z. n. v. — Dijkwerken tegen het inbreken van de Zee, langs de bedreigde kusten, b. v. aan den hoek van Holland.Zeewetten, z. n. v. — Wetten op de Zeevaart.Zeewier, z. n. o. — ZieWier.Zeewezen,z. n. o. — Al wat tot de Zeevaart en Zeedienst betrekking heeft.Tijdschrift voor hetZ—.Jan de Witt heeft hetZ—in een uitmuntenden staat gebracht.De verdiensten van Hiob De Wildt omtrent hetZ—worden niet genoeg erkend.Zeewind, z. n. m. — ZieWind.Zeezaken, z. n. v. mv. — Zaken, die tot het Zeewezen betrekking hebben.De Kamer vanZ—(Amiraliteit).Zeeziek, b. n. — Aangetast door Zeeziekte.Zeeziekte, z. n. v. — Onaangename gewaarwording, met misselijkheid en veelal met braking vergezeld, die hen kwelt, die de Zee niet gewend zijn.Zeil, z. n. o. — 1o. Vereeniging van een zeker getal linnen banen, wier randen naar vaste berekeningen op elkander genaaid zijn, zoo dat zy een min of meer groote oppervlakte vormen, bestemd om den wind op te vangen. ZieVierkantZ—,LatijnZ—,GrootZ—,FokkeZ—,BezaanZ—,StagZ—,BovenZ—en,GrootStagZ—,GrootStengestagZ—,AchterZ—en,VoorZ—en,LijZ—en,MarsZ—en, enz.Storm—(dichtgereefde, gezwichte fok.)WaarloozeZ—en,Z—dat tegen,dat op den mast ligt(dat geen wind vangt.)Z—maken,Z—byzetten,Z—minderen,Z—enaanslaan(tuigen.)OnderZ—gaan(wegzeilen.)Vondelzegt in dezen zin:TeZ—gaan:Triomftorts over de neêrlaegh des Koninklijke vlote.’t Gewapend Scheltging t’ Zeil.DeZ—enbepalen(hoeveelZ—ende schepen eener vloot moeten voeren omhaar byeen te houden.)Met kleinZ—varen(weinigZ—envoeren). DeZ—enliggen blind(worden door andere belet wind te vangen.)DeZ—enscheppen(zy beginnen wind te vangen).Spreekwijze:Het waait hem in zijnZ—(het gelukt hem).Een oog in ’tZ—houden(toezien).Met deZ—entegen den mast liggen(in onmacht liggen).Met een opgezetZ—komen(met een grammen moed).Dat is geenZ—voor dat schip(die vrouw deugt voor dien man niet).Als hetZ—scheurt, dan heeft het een gat(die dan leeft, die dan zorgt).Met deZ—envoor den mast liggen(met het beginnen gereed zijn).Met een natZ—loopen(beschonken zijn).ErgendsZ—op maken(iets bejagen).OnderZ—gaan(inslapen).Met de laatste schepen onderZ—gaan(laat heen gaan).HetZ—inbinden(zijn staat verminderen).AlleZ—enbyzetten(alle moeite doen).Stijf onder ’tZ—zijn(in staat, iets te kunnen verdragen).Met een opgezetZ—aankomen(met drift of geweld aankomen).Met een staandZ—is ’t goed roeien(als men een goede zaak heeft kan men er licht een nevenzaak by waarnemen).AlleZ—enblank spelen(er alles op wagen).Schippers pozen niet wanneer zy onderZ—zijn.(ZieSchipper). Zie verderZeilen,Zeiltjen, enz.2o. Het schip zelf.Een vloot van N.Z—en(van N. schepen).EenZ—ontdekken.Zeilaadje, z. n. v. — Vaart, loop van een schip.Dit schip is opZ—gebouwd(is op snellen vaart gebouwd).Zeilboom, z. n. o. — Lange spar, op binnenvaartuigen, om het Zeil by het voor-de-wind zeilen uit te houden.Zeilbaar, b. n.—Geschikt om te Zeilen.Zoo doet mijnZeilbaarschip,zegtVondel,Lof der Zeevaart.Zeildoek, z. n. o.—Grof en stevig doek, waar Zeilen van vervaardigd worden.Zeilgaren, z. n. o.—Garen, tot het naaien van de zeilen.Zeilemaker. z. n. m. — Die Zeilen vervaardigt of laat vervaardigen.Zeilemakery, z. n. v. — Plaats, waar Zeilen vervaardigd worden.Zeilen, o. w. — Met behulp van Zeilen over ’t water gaan.Het schip kanZ—noch drijven(het is loom, het wil niet voort.)Op zijn buikZ—(op zij liggende voortZ—.)RuimschootsZ—(met goeden windZ—.)Slag-over-slagZ—(met korte gangen laveeren.)DeZ—op stootgaren zetten(die nog slechts door eenig kabelgaren aan de ra houden, zoo dat men ze op ’t spoedigst kan byzetten.) (Deze uitroep beduidt, dat de looper, waarmede geheschen werd, is vastgelegd).Spreekwijze:Men moetZ—terwijl de wind waait(men moet de gelegenheid waarnemen).De kooi lekZ—.ZieKooi.RuimschootsZ—(het zoo naauw niet nemen).Hard achteruitZ—(arm worden).Het walletjen langsZ—.ZieWal.Iemand in de zijdeZ—(iemand benadeelen).Z—of verzuipen(er alles op wagen).Men moetZ—terwijl de wind dient(de gelegenheid waarnemen).Als het maar met een halven wind wilZ—(als het maar half wil gelukken).Zeilnaald,z. n. m. — Naald, waarmede de Zeilen genaaid worden.Zeil-en-treil. — ZieTreil.Zeiler, z. n. m. — Zeilend schip.Dat schip is een goede,is een slechte,is een luieZ—.Zeilkooi, z. n. v. — Bergplaats voor de Zeilen.Zeilorde, z. n. v. — Orde, waarin men Zeilt.Zeilpunt. z. n. o. — Het Punt, waarop een loodrechte lijn, staande op het zwaartepunt der waterlijn van een schip, de richting der werking van het water op den voorsteven ontmoet. Het is op dit Punt dat zich de werking van den wind op de Zeilen richten moet, ten einde het schip noch naar boven, noch naar achteren overhelle: men noemt ookZ—het zwaartepunt der zeilen.Zeilreê, b. n. ofZeilvaardig. — Klaar om uit te Zeilen.Dat schip ligtZ—.Zeilsteen, z. n. m. —Noordsteen,Magneet: Steen, die de eigenschap heeft van het yzer aan te trekken. ZieKompas.Zeiltjen, z. n. o. — Klein Zeil.Spreekwijze:HetZ—strijken(van zich zelven vallen).Zeilvaardig, b. n. — ZieZeilreê.Zeilrol, z.n. m. — Rol, waarby de manschappen by de zeilen verdeeld zijn.Zeilpriem, z. n. m. — Priem, waarmede de gaten voor de beslagbanden en rifseizing in de Zeilen worden geboord.Zeinschip, z. n. o. (veroud.) — Soort van schepen, in oude tijden hier in gebruik, open, zonder vast roer of mast, welke beiden zy opzetteden als zy in zee gingen. Smal voor zoo wel als achter, en spits toegaande, waarvan zy wellicht hun naam vanZein(zenofseis)-schipontleenden; voerden zy niet meer dan drie man en een jongen en zeilden wonder snel.Zel, z. n. m. ofZelling. — Plaats in de engte, waar een anker heeft vast gezeten.Daar gaat een stroom als van eenZ—.Zelling, z. n. v. — ZieZel.Zeng, z.n. v. — Plotslinge en kortstondige vermeerdering van den heerschenden wind.MetZ—enwaaien:—op deZ—enpassen.Zetborden, z. n. o. mv. — Klein schotwerk, dat in sleuven langs de boorden eener sloep gezet wordt, om die te verhoogen en het binnendringen van ’t water te beletten.Zetgang, z. n. m. — 1o. Losse plank, die men op lage vaartuigen boven langs ’t boord inzet.2o. Gang, die op het barghout en rahout tegen de buitenoppervlakte der inhouten wordt geplaatst.Zet gang, komm. — Draai het spil harder om!Zetschipper, z. n. m. — Persoon, die aangesteld wordt om een Schipper tijdelijk te vervangen.Spreekwijze:Hy isZ—(hy is tijdelijk met de zaak belast).Zetten, b. w. — B. v. op het droog, aan den grond.De kapitein verkoos zich liever op het strand teZ—dan zich over te geven.—De loods Zette het schip op het drooge.—Zet aan!—Zet vrij!—Zet af!—(komm. om het vaartuig te doen by-,vrij- of afhouden).Zetjen, z. n. o. — Ruk. komm.nog eenZ—(nog een ruk).Spreekwijze:EenZ—helpt, en alle vrachtjens lichten, zei de schipper, zette zyn hond aan ’t roer, en smeet zijn vrouw over boord.Zetweger, z. n. m. — Benaming van de zware beplankingen, die, op elk dek, de binnenhuid van het schip bekleeden van den watergang tot aan den onderkant der geschutponten.Zeuntjen, z. n. o. — ZieBaksjongen.Ziekeboeg, z. n. m. ofZiekegrens. — Plaats aan boord, waar de zieken worden nedergelegd.Ziekegrens, z. n. v. — ZieZiekeboeg.Zieketrooster, z. n. m. — Of, alsVondelhem in’t Lof der Zeevaartnoemt,Het statigh aengezicht dat zieltjes zalft en troost.Soort van Kathecheseermeester, die aan boord van elk zeeschip plach te zijn om gebeden te lezen, de kranken te bezoeken en ander stichtelijk werk te doen.Ziekevader, z. n. m. — Oppasser in den Ziekeboeg.Zielverkooper, z. n. m. — ZieWerver.Zilt, b. n. — ZieZout.DeZ—estroomen.(De zee).Zinken, o. w. — Te gronde gaan.Dat schip gaatZ—.Een schip doenZ—.TotZ—stoe geladen zijn.Zitten, o. w. — Gestrand zijn, onbewegelijk zijn.Het schip Zit op het droog.Wy Zitten hier veilig.Spreekwijze:Ergends mede aan den grondZ—(mede verlegen zijn).Zitters, z. n. m. mv. (veroud.) — 1o. Balken, bezijden de buikstukken op den bodem van het schip gelegd.2o. Benaming, op sommige plaatsen aan de buikstukken zelve gegeven.Zoeken, b. w. — 1o. Naar iets Zoeken, Onderzoeken.GrondZ—(door het werpen van het lood).Het landZ—(wanneer men meent, het in de nabyheid te hebben, moeite doen om het te ontdekken).2o. Zich ergends heen begeven.Een havenZ—.Een opper,de luwteZ—:De naald Zoekt het Noorden.Zoeker, z. n. m. — Voorste gedeelte van eenZ—bout, ’t welk eerst door het yzer gaat en na het indrijven van den bout wordt afgehakt.Zoekerbouten, z. n. m. mv. — Bouten, die twee of meer palmen langer gekort worden dan zy varen moeten. Het overzijnde gedeelte van de lengte wordt dun uitgehaald en vormt den Zoeker.Zoen, z. n. m.—Verbetering, (veroud.)Het biedt geenZ—(de onstuimigheid der lucht stilt niet: het weer wil niet bedaren).Zoet, b. n. — Drinkbaar.Z—water.Er is gebrek aanZ—water.Zog, z. n. o. — Spoor, dat het schip in het opborrelend water achterlaat.Spreekwijze:In iemandsZ—varen(hem volgen).Daar is een kunst van voorbereiden,Die tot des Dichters kunst behoort:Men moet de ziel des hoorders leiden,Of anders stuit hem ieder woord.Men dient hem gants in ’tZogte slepen,En, deze kunstgreep wel begrepen,Dan doet men met hem wat men wil:Dan zal hy, by een matig roeien,Gewillig met de vaerzen vloeien,En zwijgen als een stokvisch stil.Bilderdijk.Zoggat, z. n. o. — ZieVullingsgat: ook wel genomen voor een hok, achter de konstabelskamer, waar scherp in geborgen werd.Zogstukken, z. n. o. mv. — Houten gaffels, die voor en achter tegen den steven aankomen, in stede van gescheiden inhouten.Zogwater, z. n. o. — Het water, dat achter het schip opborrelt.Het is gevaarlijk in hetZ—eener stoomboot te komen.Zon, z. n. v. — Lichtgevende, vaste ster, om welke de aarde draait.DeZ—rijst,daalt,gaat onder:—DeZ—schieten(haar hoogte berekenen.)DeZ—staat.De wind loopt voor deZ—.Spreekwijze:De Zon tot God gaat(verouderde uitdrukking der visscherslieden, voor: “de Zon gaat onder”).Zondag, z. n. m. — Scheur, vlek, plek in de kiel of in eenig ander gedeelte van het schip, die verweloos geworden is.Zonsazimuth, z. n. o. — Rechte standplaats der Zon by haar ondergang.Zonsdeclinatie, z. n. v. — Hare afwijking van de linie.Zoneclips, z. n. v. — Hare verduistering door den doorgang van een planeet.Zonshoogte, z. n. v. — Hare hoogte op den middag, waardoor de breedte wordt aangewezen.Zonnetent, z. n. v. — Tent, over het dek gespannen.Zoode, z. n.v. — ZiePompzoode,Durk.Zoomwerk, z. n. o. — ZieKlinkwerk.Zorgband, z. n. m. — Strop, aan den achterkant met klinkbouten aan het roergeslagen, ten einde zich tegen het verlies daarvan te verzekeren. Deze strop is aan de hoeken met oogen voorzien, aan elk waarvan een Zorgketting vaart.Zorglijn, z. n. v. — Lijn, die de blokken van de noodtakels tegen de ra houdt.Zorgketting, z. n. v. — Ketting, die door een oog van den Zorgband loopt, zich van het roer naar boord uitstrekt en buiten om tegen de huid wordt opgehangen.Zout, b. n. ofZilt. — Verkrijgt, door zijn byvoeging aan sommige woorden, de beteekenis van “Zee,” of “Zeewater.”DeZ—ebaren,DeZ—eplas,Het Zee-nat(de Zee).En ghy . . . . . . die op de winden zwiert,En vant lasurigh velt deSoutetoomen stiert,zegtVondelin zijnLofsangh op de Scheepvaart.Zout, z. n. o. — VoorZeegenomen.Zuchtjen, z. n. o. — Klein windtjen.Wy moeten van het minsteZ—gebruik maken.Zuid, b. n. — Ten Zuiden, van de Zuidzij.De wind isZ—(waait van de Zuidzij.)Wy hebben het landZ—van ons.Zuid, (de) z. n. v. — Zuidwaart gelegen streek.Zy voeren om deZ—.Zuidelijk, b. n. en bw. — Wat zich ten Zuiden bevindt.Zuidelijken, o. w. — Naar ’t Zuiden schieten.Het begint teZ—(de wind loopt Zuid).Zuiden, (ten) b. w. — Aan de Zuidkant.Spanje ligtT—Z—van Frankrijk.Zuiden, (het) z. n. o. — Het Zuidelijk gelegen land.Het onbekendeZ—.’k Heb zoo lang om Noord enZuienBy de baas te roer gestaanEn voor niet, niet zooveel buienOver deze muts zien gaan.Huighens.Zuidewind, z. n. m. — ZieWind.Kom zachteZuidewindekenKom wieg het kleine kindeken!Ons Rozalijntje is moé.’t Verveelt haar, meer te luisteren:De dag is aan ’t verduisteren:Haar oogjens vallen toe,luidde een oud liedtjen, waar ik als kind mede in slaap werd gezongen.Zuid oost, bw.— Windstreek midden tusschen O. en Z.Zuidwaart, bw. — Naar het Zuiden.Zy zeildenZ—.Zuidwest, bw. — Windstreek midden tusschen Z. en W.Zuidwester, z. n. m. — Breedgerande hoed of kap met wasdoek of geölied linnen overtrokken, en den zeeman tot bescherming dienende tegen regen en wind.Zuidzeevaarders, z. n. m. — Schepen, die om de Zuid ter walvischvangst varen.Zuiger, z. n. m. — 1o.Mastring,mastband,beugel. Yzeren ring, die, op een sloep of klein vaartuig, aan een zeil vastzittende, en om een mast of spriet geslagen, dient, om dat zeil langs dien mast of spier te doen rijzen of zakken.2o.Van de Pomp.ZiePompzuiger.Zuiver, b. n. en bw. — Zonder gevaar.EenZ—alleen staande klip of rots(by welke men ten anker kan gaan liggen.)EenZ—ehaven(die men gemakkelijk kan inzeilen.)De kust isZ—(er zijn klippen noch banken).Zwaaien, b. w. — Voor anker liggende, van stelling veranderen door de werking van wind of stroom.Op den windZ—(den voorsteven naar den wind keeren.)Op het tijZ—(den voorsteven naar het tij keeren.)Onder den wind met den stroom onder de lijZ—(wanneer de eene zijde aan den wind, de andere aan den stroom is blootgesteld.)Hy Zwaait klaar,hy Zwaait voor klare kluizen(hy kruist zijn kabels niet by ’t omzwaaien.)In die haven is geen ruimte genoeg voor groote schepen om teZ—.Zwaar, b. n. — Groot, plomp, wijd.Z—schip(wijd schip, schip van grooten omvang.)Z—weer(stormweer.)Z—ebui(hevige wind.)Z—ezee(hooge zee.)Dat schip rijstZ—,valtZ—in zee(verheft zich moeilijk uit de zee)Z—ebattery(vanZ—kaliber).HetZ—(anker)touw,EenZ—anker.Zwaard, z. n. o. — Verzameling van planken, in den vorm van een schuinsch ovaal, die aan de zijde van een klein vaartuig ligt, en dient om het afdrijven te beletten.Zwaartepunt, z. n. o. — Het punt, aan weerskanten van ’t welk de deelen van een lichaam gelijke zwaarte hebben. Het algemeenZ—van een schip bevindt zich gewoonlijk binnen de lijn, welke het in twee gelijke deelen scheidt. HetZ—der waterverplaatsing van het ondergedompeld gedeelte van het schip, ofdrukkingspunt, bevindt zich binnen de vertikale lijn, die de romp in twee gelijke deelen scheidt.Zwabber, z. n. m. — Dweil, uit kabelgaren of lappen aan een steel gebonden en dienende om schepen en schuiten schoon te houden.Zwabberen, o. w. — Met een Zwabber schoonmaken.Zwabberhalen. — Spotroep der matrozen, wanneer een onbevarene door het slingeren van het schip omverre valt, om de plaats waar de baar (onbevarene) gelegen heeft, weder schoon te maken.ZwabberpaaiofZwabberkaptein. — Een, die den Zwabber moet uitspoelen en droogwringen. Hier wordt doorgaands de minst bekwame matroos voor genomen.Zwakke-hals, z. n. m. — Soort van stopper, dienende om by ruw weer de belegtouwen te stoppen.Zwalpen, o. w. — Zich golvend verheffen. Woord, zelden anders dan in poëzy gebruikelijk.Zwalpen, z. n. m. mv. — Stukken van greenen ribben, in de klamaaien rustende en dienende om de dekdeelen te steunen.Zwaluwstaart, z. n. — Stuik, die den vorm heeft van eenZ—.Zwanehals, z. n. m. (veroud.) — 1o.Drager van de roerpen.Zware gebogene yzeren dekplaat, waarvan de grootste arm op het end der roerpen sluit.2o. ofRuggegraat(om dat het beeld er met zijn rug tegen aan staat). Vooruitspringend verbindingstuk van de scheg, door een haaklasch aan de woelingsknie verbonden en daarmede als ’t ware een geheel uitmakende.3o. De gebogen yzeren stangen buiten boord, waar een sloep in hangt, worden ookZ—engenoemd.Zweepstopper, z. n. m. — Stopper, waarvan het end in een gedraaid is en met een punt uitloopt.Zweeten, o. w. — Wordt het eiken hout gezegd te doen, wanneer het vochtig wordt en uitslaat, als dikwijls het geval is op nieuwe schepen, by heet weer.HetZ—van het hout heeft al onze beschuit bedorven.Zwei, z. n. v. — Beweegbare Winkelhaak.Zwellen, o. w. — Vermeerderen, vol worden, zich uitbreiden.De waterenZ—.De wind doet de zeilenZ—.Zwemmen, o. w. — Zich in ’t water bewegen zonder te zinken.Zwengel, z. n. m. — Arm van de pomp.Zwichten, b. w. — De hoofdtouwen van het onderwant van stuur- en bakboord door touwen onder de mars naar elkander halen.De fokZ—(die by stormweer inkorten, door servings).Zwichtingbouten, z. n. m. mv. — Kleine ronde yzeren staven, met geteerde servings bekleed: zy kruisen het lage want aan bak- en stuurboord op de hoogte van den voet der klampen.Zwichtserving, z. n. v. — Zwaar en breed gevlochten touw, waarmede de fok gezwicht wordt.Zwiepend, b. n. — Los, veerkrachtigKorte masten en lange stangen maaktZ—tuig.Zwieping, z. n. v.— Planken, die men op verschillende hoogten en op bepaalde punten der armen van een spant spijkert, ten einde die armen de richting te doen bewaren, waarin men die houden wil.Zwin, z. n. o. — Wad, droogte tusschen het water.Zijde, z. n. v. — Boord, rechter- of linkerkant van een schip.De vyand de breedeZ—bieden(hem uit de bak- of stuurboords-battery beschieten.)Een schip opZ—leggen(om het te kalfaten.)Haal de sloep opZ—(langs boord.) “Kregen de viktualiekaag opZ—, met twee soldaten, vier varkens en vier schapen, heschen al het vee over” (oud Rapport).Zijperken, z. n. mv. — De beide vakken van het Dek aan weerszijde van het middelpunt. Het eeneZijperkligt tusschen den schaarstok en waterloopsklos aan stuurboord—het andere tusschen de genoemde deelen aan bakboordzijde.
Zaadhout, z. n. o. — Benaming van een rij dikke balken, die, de een aan den anderen, in de richting der kiel en daarboven geplaatst, zich kruissen met al de spanten van een schip, door over ’t midden der vrangen heen te loopen. HetZ—dient tot versterking voor het raam en tot gelijker verdeeling van het gewicht des masten.
Zaag, z. n. m. — Lange platte yzeren strook, waarvan de eene zijde getand is, en dienende om voorwerpen van hout of steen zuiver te verdeelen. ZieHandZ—,SpanZ—,KraanZ—,RaamZ—,SchrobZ—,TrekZ—. Volgends het sprookjen hadden de schepen der kruisvaarders (waarvan de afbeeldsels nog in de groote kerk te Haarlem hangen)Z—enaan den boeg, waarmede zij de kettingen, by Damiate gespannen, afzaagden.
Zagen, b. w. — Door middel van een Zaag verdeelen.
Zagersbok, z. n. m. — ZieBok.
Zakken, o. w. —1o. Achteruitblijven.Wy lieten onsZ—(wy bleven met ons schip achteruit).
2o. Nederdalen (Die bui is gezakt).
Dauw en donker zyn aan ’tzakken.
Dauw en donker zyn aan ’tzakken.
Huighens.
Zaling, z. n. v. — Dwarshout aan den top van een mast, dienende om een mars te steunen. ZieBramZ—,LangsZ—, enz.
Zand, z. n. o. — Soort van lichte, fijne, geelachtige aarde, met keizels of schulpen vermengd.GrofZ—,FijnZ—,ZeeZ—,RivierZ—,SchelpZ—,ModderigZ—,DriftZ—,WelZ—,DuinZ—. ZieVerzanden.In ’tZ—vastwoelen.
Bedolven in ’t JavaanscheZand.
Bedolven in ’t JavaanscheZand.
O. Z. Van Haren.
Spreekwijze:Wacht u voorZ—en stranden.
Hy ligt in ’tZ—(hy is dood).
Zandbaai, z. n. v. — Verzande baai.
Zandgrond, z. n. m. — Zanderige bodem.
Zandlooper, z. n. m. — Werktuig, uit twee fleschjens bestaande, in een open buis gevat en met de halzen op elkander geplaatst. Het bovenste fleschjen is gevuld met Zand, ’twelk door een doorprikte kurk in het onderste nedervalt, zoo dat het bovenste fleschjen juist ledig is in een vooraf berekenden tijd, b. v. van een uur, een half uur, een minuut, al naar de hoeveelheid Zand en de snelheid, waarmede het valt. Men keert alsdan denZ—om en dezelfde operatie wordt herhaald. ZieUurglas,Minuutglas.
Zandplaat, z. n. v. — Schor, drooge plaat in zee.
Zandstrook, z. n. v. — Breede gang, die in de sponning van de kiel schiet, en zich van den voor- naar den achtersteven uitstrekt.
Zee, z. n. v. — 1o. of Waereldzee. De uitgestrektheid zout water, die al de deelen des aardrijks bespoelt.
2o. Elk afzonderlijk uitgestrekt deel der Waereldzee, ’t welk dan wordt onderscheiden door een bepaalde benaming, aan de plaatselijke gesteldheid of kleur ontleend. Zoo: deMiddellandscheZ—,De AtlantischeZ—,deNoordZ—,de stilleZuidZ—,enz.
3o. Het water der Zee.Hooge,lageZ—, (hoog of laag water, ten gevolge van vloed of eb.)Wassende,opkomendeZ—(gedurende den vloed.)AfloopendeZ—, (gedurende de eb.)DeZ—loopt hoog op, (de stroom is hoog.)InZ—loopen,Z—kiezen, (uitzeilen.)DeZ—oversteken, (zich naar een kust overZ—begeven.)InZ—,opZ—zijn.—Een vloot opZ—brengen, (haar uit de haven of van de reede de volleZ—doen inzeilen.)DeZ—houden, (inZ—blijven.)Een sloep inZ—zetten, (een sloep uitzetten.)Een zwareZ—.(waarvan de golven hoog staan.)Een hoog aanschietende,hoog oploopendeZ—, (als de golven zich by uitstek hoog verheffen).DeZ—schuimt,krult om, (wanneer de golven zich al wentelende met schuim bedekken.)Er gaat veelZ—, (sterke stroom.)LangeZ—,korteZ—, (waarvan de golven lang of kort zijn.)DeZ—kabbelt, (de golven zijn kort en tegen elkander invallend).DeZ—breekt, (de golven storten kort neder, breken boven het boord.)Het schip krijgt deZ—voor in,op den kop,dwars in,achter in, (de golven stooten zich op den voor- of achtersteven, of tegen een der boorden.)DeZ—is slecht, (is kalm, effen.)StaandeZ—, (waar weinig eb en vloed gaat.)DeZ—loopt den wind op, (de wind blaast van den kant, waar deZ—heen stroomt.)Daar staatZ—, (deZ—is onstuimig.)Daar staat geenZ—meer, (zy is kalm).De ruimeZ—kiezen, (zich in de ruimte begeven.)Het schip heeft deZ—op den kop,houdt den kop op deZ—, (deZ—komt vlak op den voorsteven aanzetten.)Z—en lucht zijn aan elkander, (het is boos weer.)TerZ—varen.ZieVaren.Z—winnen, (zeewaarts in zeilen.)De zon duikt inZ—, (gaat onder.)De zon rijst uitZ—, (gaat op).
De gouden Titan rijst alreeMet blaeuwe paerden uyt dezee
De gouden Titan rijst alree
Met blaeuwe paerden uyt dezee
Vondel.Palamedes.
4o. Golf, baar.Er kwam eenZ—die het schip overdekte.—Ergaan korteZ—en.—DeZ—loopt om de Zuid.
Spreekwijze:ZeevoorLevenszee, waarvanvan Alphenzingt:
De ontroerdezee, der golven hol geklots,Stuurt ons van lieverlee ter haven in.
De ontroerdezee, der golven hol geklots,
Stuurt ons van lieverlee ter haven in.
Z—voormenigte,overvloed.EenZ—van rampen, (een menigte rampen). Zoo zegtBadeloch:
Wat toren is zoo hoog, van waar mijn oog de barenDerzeekan overzien van al mijn wedervaren.
Wat toren is zoo hoog, van waar mijn oog de baren
Derzeekan overzien van al mijn wedervaren.
Hy heeft eenZ—van geld, (overvloed van geld).
Het is koel opZ—, (het gaat er stil toe).
Water inZ—dragen, (iets geven aan iemand, die er reeds overvloedig mede bedeeld is).
InZ—gaan, (een onderneming wagen).
Recht doorZ—, (zonder omwegen).
DeZ—is zonder water, (rijke lieden klagen alsof zy gebrek hadden).
Wat zal deZ—al opwerpen?(wat zal er al voor den dag komen?)
Daar verdrinken er meer in een wijnglas dan in deZ—.
DeZ—maakt gedwee(zeedienst temt den wilden bras).
Zeearm, z. n. m. — Die de Eilanden omvat.
Zee-atlas, z. n. m. — Verzameling van Zeekaarten.
Zeebedding, z. n. m. — Zandrug, door de Zee op ’t strand geworpen.
Zeebeer, z. n. m. — Muur by een haven, om den golfslag te breken.
Zeeberoering, z. n. v. — Door aardbeving veroorzaakt.
Zeebrak, z. n. o. — Zeewater aan de kust.
Zeeboezem, z. n. m. — ofZeebaai. ZieGolf,Baai.
Zeebocht, z. n. v. — ZieZeeboezem.
Zeebonk, z. n. m. — ofZeerob; bevaren zeeman, zeeman, die van niets dan van zijn beroep weet.
Zeebrief, z. n. m. — Paspoort, door het gouvernement aan de koopvaardyschippers afgegeven.
Zeedagen, z. n. m. mv. — Dagen op reis, buiten ’t verblijf in havens of op reede.
Zeedamp, z. n. v. — Die uit zee opkomt en zich over het land verspreidt.
Zeeduivel,z. n. m. — Groote visch met horens: bynaam, wel aan een galei gegeven.
Zeedijk, z. n. v. — Dijk, tegen de zee opgeworpen.
Zeedienst, z. n. v. — Dienst by het zeewezen.Hy is in ’s LandsZ—.
Zeeëngte, z. n. v. — ofZeestrand, ofStraat. ZieStraat.
Zeefakkel, z. n. v. — Tytel van een verzameling van kaarten en landverkenningen met opgaven en opmerkingen verrijkt.
Zeegat, z. n. o. — Monding der stroomen, waar zy in Zee vallen, of plaatsen, waar de Zeeën gemeenschap hebben met elkander.HetZ—van Terschelling,van Texel.DeZ—enbehooren wel voorzien te zijn.
Spreekwijze:Hy moet hetZ—uit, (hy moet ter zee varen).
Zeegast, z. n. m. — Zeevarende. Matroos.
Zeegevaar, z. n. o. — ZieAssurantie.
Zeegevecht, z. n. o.—Zeestrijd,Zeeslag. Gevecht op Zee.
Zeegewest, z. n. o. — Streek of gewest, aan Zee gelegen.
Zeegewas, z. n. o. — Gewassen, die in Zee groeien.
Zeegolf, z. n. m. — Golf, baai van de Zee.
Zeegt, z. n. v. — Rondte.DeZ—van een schip, zijn bocht in ’t lang.DeZ—des dekken,der barghouten;—opstaandeZ—van een plank.Het schip eenZ—geven.
Zeehaven, z. n. v. — Haven, die aan Zee ligt.
Zeehanden en -voeten hebben, o. w.—Op Zee t’huis zijn.
Zeehout, z. n. o. — ofHout voor scheen. Boord van het schip; hout boven den overloop aan de scheepszijde.
Zeekaart, z. n. v. — Kaart, waarop de Zeeën, windstreken, enz. zijn aangewezen.Het is noodzakelijk,goedeZ—enaan boord te hebben.
Zeekasteel, z. n. o. — Dichterlijke benaming voor “schip.”
Diezeekasteelenen zeereuzen, die ontaertDe starren dreigen met hun steil en trots gevaert.
Diezeekasteelenen zeereuzen, die ontaert
De starren dreigen met hun steil en trots gevaert.
Vondel.Lof der Zeevaert.
Zeekraal, z. n. v. — Groente aan deZeeuwschekust gevischt. Zeer gezond voedsel.
Zeekust, z. n. v. — De kust, die zich langs de zee strekt.
Zeeland, z. n. o. — Land, aan of in Zee gelegen, en van daar ook synomien met “eiland”, voor welk laatste woord het in de gewone beteekenis heeft plaats gemaakt om alleen als eigen naam in gebruik te blijven voor twee gewesten, een in Denemarken en een in Nederland.
Zeelieden,Zeelui, z. n. m. mv. — Zeevolk, matrozen.
Zeelingzaad, z. n. o. — (veroud.) Kuil, dien een schip in den weeken bodem waar het in gezeten heeft, achterlaat.
Zeelucht, z. n. v. — De lucht, die op of uit zee waait.Aan ’t strand eenZ—jenscheppen.DeZ—zal u goed doen.
Wonder is ’t dat sterfelijcke menschenNoch smalen op den ploegh, en om eenzeeluchtwenschen.
Wonder is ’t dat sterfelijcke menschen
Noch smalen op den ploegh, en om eenzeeluchtwenschen.
Vondel.Lof der Zeevaert.
Zeemaat, z. n. m. — ’t zelfde alsJan-maat.
OnsZeemaetsvliegen met de vlagge op by den mast.
OnsZeemaetsvliegen met de vlagge op by den mast.
Vondel,Henriette Marie.
Zeemacht, z. n. v. — 1o. Het getal oorlogschepen, die een Staat in zee kan brengen.Engeland heeft er zich steeds op toegelegd zijnZ—te vergrooten.
2o. Vloot.OnzeZ—wordt door een wakkeren vlootvoogd aangevoerd.
Zeeman, z. n. m. — Iemand, wiens beroep het is, ter Zee te varen. Varensgast, varensgezel.Een bevarenZ—(die op zee goed t’huis is).
Spreekwijze:Z—geen man, (klacht van een t’huis gebleven vrouw).
Een goedZ—wordt ook wel eens nat, (een sober mensch drinkt ook wel eens een glaasjen meer dan hem voegt).
Zeemanschap, z. n. o. — Eigenlijk: kennis van de Zeevaartkunde, met overleg gepaard.Z—gebruiken, (geven en nemen: by voorvallende gelegenheden, van weer, wind of vyandelijke ontmoeting, naar de omstandigheden handelen, en daarby, somtijds, tegen gewoonte, bericht of instruktiën te werk gaan).
Zeemanschap, z. n.v. — Zeevaartkunde; overleg aan kennis gepaard.
Spreekwijze:Men moetZ—gebruiken, (men moet met overleg handelen, geven en nemen).
Zeemanshuis: z. n. v. — 1o. Toevluchtsoord voor Zeelieden.HetZ—te Rotterdam.
2o. Zeemanswoning; welbezeild, dicht schip, zoo zegt het oude rijmpjen:
Koffen en smakkenZijn waterbakken.Hoeken en buizenZijnZeemanshuizen.
Koffen en smakken
Zijn waterbakken.
Hoeken en buizen
ZijnZeemanshuizen.
Zeemanstaal, z. n. v. — By de Zeelieden in gebruik. Wie die niet verstaat, is een onbevarene (baar).
Zeemakelaar, z. n. m. — Makelaar in schepen en Zeezaken.
Zeemogendheid, z. n.v. — Mogendheid, die een vloot van den Staat bezit,Z—van den eersten,tweeden,derden rang.
Zeekoningen, z. n. m. mv. — Naam, die aan de aanvoerders der Noorsche en Deensche roofschepen in de negende en tiende eeuw gegeven werd.
Zeemijl, z. n. o. — Afstandsmaat. De FranscheZ—is het twintigste gedeelte van een graad des meridiaans.
Zeenat, z. n. m. — Zeewater.
Zeenatie, z. n. v. — Natie, byzonder tot de Zeevaart geschikt.
Zeerafeling, z. n. v. — Kabbeling in Zee, door invallenden stroom, of langs de banken.
Zeeofficier, z. n. m. — Officier by ’s Lands Zeemacht.
Zeeoorlog, z. n. o. — Oorlog, die op Zee gevoerd wordt.
Zeeraad, z. n. m. — Raad, die over Zeezaken oordeelt.
Zeerecht, z. n. o. — 1o. Recht, waarby de Zeevaart en Zeehandel geregeld worden.Het WisbyscheZ—.Het HanzescheZ—.Het GenueescheZ—.
2o. Rechten, die betaald worden wegens al wat tot de scheepvaart betrekking heeft.Kantoor van hetZ—.
Zeeregister, z. n. o. — Dagboek, journaal.
Zeereis, z. n. v. — Reis over Zee.
Zeerob, z. n. m. — Zeeman: Dus genoemd, omdat hy ruw als een rob is.ZieZeebonk.
Zeeroof, z. n. m. — Roof, aan een schip op Zee gepleegd.
Zeerol, z. n.v. — ZieRol.
Zeeroover, z. n. m. —Zeeschuimer, die op Zee met een vaartuig kruist, om andere vaartuigen te beRooven.Z—wordt genomen zoo voor den bevelvoerder, als voor elk, die tot de bemanning van het roofschip behoort; ook wel voor het roofschip zelf.Hariadan Barbarossa was een beroemdZ—.Hy is in de handen vanZ—sgevallen.Dat vaartuig schijnt wel eenZ—.
Zeeschade, z. n. v. — ZieAvary.
Zeeschender, z. n. m. — Iemand, die op Zee schade aanbrengt.Antonidesbezigt in zijnIJstroomhet woordZeeschendenaer:
Zeeschendenaersontzien in ’t blinkende geweerTe vliegen.
Zeeschendenaersontzien in ’t blinkende geweer
Te vliegen.
Zeeschip, z. n. o. mv. — Zeebouwend schip. Zie de bepalingen, deZeeschepenbetreffende, in het Wetb. v. Kooph. Boek II, Tit. I, art. 309–319.
Spreekwijze,Een lastig,ongemakkelijkZ—(een lastig, ongemakkelijk mensch).
Zeeschuim, z. n. o. — Witte bellen en mosch, die zich boven de oppervlakte der zee vertoonen, wanneer de golven tegen eenig beletsel of tegen elkander aan klotsen.
Meldt vry van Cypris, hoe zy Cypers kon bekooren:Ick weet, dat dees Godin uitZeeschuimis geboren,
Meldt vry van Cypris, hoe zy Cypers kon bekooren:
Ick weet, dat dees Godin uitZeeschuimis geboren,
zegtVondelvan Venus.
Zeeschuimer, z. n. m. — ZieZeeroover.
Zeeslag, z. n. o. — Gevecht op Zee.DeZ—van Duins is het beroemdste feit, dat ooit op Zee bedreven is.
Zeeslot, z. n. o. — ’t Zelfde alsZeekasteel, doch min gebruikelijk.
Karel, die de trotse schepenZaeght verbranden in uw nest,En uwZeeslot, ’s nabuurs pest,Met een klaeu naar Tessel sleepen,Zeg me, o scherpe waterroêHoe was toen uw hart te moe?
Karel, die de trotse schepen
Zaeght verbranden in uw nest,
En uwZeeslot, ’s nabuurs pest,
Met een klaeu naar Tessel sleepen,
Zeg me, o scherpe waterroê
Hoe was toen uw hart te moe?
Vondel,De Zeeleeu op de Teems.
Zeesoldaat, z. n. m. — ZieMarinier.
Zeestad, z. n. v. — Stad, aan Zee gelegen.
Zeestoel, z. n. m. — (Veroud.) Stoel, die aan de tafel vast was, en even als deze, door zwaar er aangehangen lood, in balans werd gehouden tegen ’t slingeren van ’t schip.
Zeestrand, z. n. o. — Strand der Zee.
Zeestrijd, z. n. m. — ZieZeegevecht.
Zeetaktiek, z. n. v. — Krijgskunst, toegepast op den oorlog ter Zee.
Zeetocht, z. n. m. — Tocht, op Zee ondernomen.
Zeeton, z. n. v. — Ton, die in de Zeegaten ligt, by de ondiepten.
Zeetriomf, z. n. m. — Zegepraal, op Zee behaald.
Zeevader, z. n. m. — De officier, die den adelborst in de manoeuvre, de stuurman, die den leerling in ’t cyferen, de onderofficier, die den jongen in ’t scheepswerk onderricht.
Zeevaarder, z. n. m. — Zeeman, doch meer bepaaldelijk een, die groote of hachelijke reizen ondernomen heeft.De latere zeelieden zijn grooterZ—sgeweest dan die der ouden:Die zeeman is een by uitstek bekwaamZ—.
Zeevaardy, z. n. v. — ’t Zelfde alsZeevaart, doch minder in gebruik.
Op dezen voet beschermt deZeevaerdyhaer eer.
Op dezen voet beschermt deZeevaerdyhaer eer.
Antonides,IJstroom.
Zeevaart, z. n. v. — De Vaart op Zee.Handel enZ—waren van ouds de hoofdbronnen onzer welvaart.
Zeevaartkunde, z. n. v. — Kennis van al wat tot de Zeevaart behoort.
Zeevak, z. n. o. — ’t Zelfde als Zeevaartkunde.Hy is knap in hetZ—(hy is in Zeevaartkunde ervaren).
Zeevast, b. n. — Wat zoodanig is Vastgesjord, dat het door de beweging der Zee niet kan heen en weêr gaan.Zet die koffersZ—.
Zeeverzekeraar, z. n. m. — Verzekeraar tegen schade op Zee.
Men hoeft geenZeeverzekeraarNu alle watren rijn geveyligt voor gevaer.
Men hoeft geenZeeverzekeraar
Nu alle watren rijn geveyligt voor gevaer.
Vondel,Zeemagazijn.
Zeevoeten, z. n. m. mv. — Voeten, die gewend zijn op het dek te loopenHy heeftZ—(hy wandelt het dek op en neêr, zonder de slingeringen van het schip te tellen).
Zeevolk, z. n. o. — Matrozen, Zeelieden.
Zeevonden, z. n. m. mv. — Uit Zee gespoelde goederen. Zie de bepalingendaaromtrent in het Wetb. van Kooph. Boek II, Tit. VII, art. 545–568.
Zeevrijbuiter, z. n. m. — ZieVrijbuiter.
Zeewaardig, b. n. — Wordt een schip gezegd te zijn, als het in behoorlijken staat gebracht is om uit te zeilen, als het “van zessen klaar” is, gelijk men van harddravers zeggen zoû.
Zeewaart, bw. — Naar zee toe.
Stout verweerer, trots bevechterBey tezeewaarten te velt,
Stout verweerer, trots bevechter
Bey tezeewaarten te velt,
noemtHuyghensPrins Maurits.
Zeewater, z. n. o. — 1o. Water uit de zee.Goederen, door ’tZ—beschadigd.
Spreekwijze:Dat zal al hetZ—niet afwisschen(iemands slechten naam).
2o. voorGolf, in de
Spreekwijze:Hem is al menigZ—over ’t hoofd gegaan.
Zeewacht, z. n. v. — ZieKwartier,Wacht.
Zeeweering,z. n. v. — Dijkwerken tegen het inbreken van de Zee, langs de bedreigde kusten, b. v. aan den hoek van Holland.
Zeewetten, z. n. v. — Wetten op de Zeevaart.
Zeewier, z. n. o. — ZieWier.
Zeewezen,z. n. o. — Al wat tot de Zeevaart en Zeedienst betrekking heeft.Tijdschrift voor hetZ—.Jan de Witt heeft hetZ—in een uitmuntenden staat gebracht.De verdiensten van Hiob De Wildt omtrent hetZ—worden niet genoeg erkend.
Zeewind, z. n. m. — ZieWind.
Zeezaken, z. n. v. mv. — Zaken, die tot het Zeewezen betrekking hebben.De Kamer vanZ—(Amiraliteit).
Zeeziek, b. n. — Aangetast door Zeeziekte.
Zeeziekte, z. n. v. — Onaangename gewaarwording, met misselijkheid en veelal met braking vergezeld, die hen kwelt, die de Zee niet gewend zijn.
Zeil, z. n. o. — 1o. Vereeniging van een zeker getal linnen banen, wier randen naar vaste berekeningen op elkander genaaid zijn, zoo dat zy een min of meer groote oppervlakte vormen, bestemd om den wind op te vangen. ZieVierkantZ—,LatijnZ—,GrootZ—,FokkeZ—,BezaanZ—,StagZ—,BovenZ—en,GrootStagZ—,GrootStengestagZ—,AchterZ—en,VoorZ—en,LijZ—en,MarsZ—en, enz.Storm—(dichtgereefde, gezwichte fok.)WaarloozeZ—en,Z—dat tegen,dat op den mast ligt(dat geen wind vangt.)Z—maken,Z—byzetten,Z—minderen,Z—enaanslaan(tuigen.)OnderZ—gaan(wegzeilen.)Vondelzegt in dezen zin:TeZ—gaan:
Triomftorts over de neêrlaegh des Koninklijke vlote.’t Gewapend Scheltging t’ Zeil.
Triomftorts over de neêrlaegh des Koninklijke vlote.
’t Gewapend Scheltging t’ Zeil.
DeZ—enbepalen(hoeveelZ—ende schepen eener vloot moeten voeren omhaar byeen te houden.)Met kleinZ—varen(weinigZ—envoeren). DeZ—enliggen blind(worden door andere belet wind te vangen.)DeZ—enscheppen(zy beginnen wind te vangen).
Spreekwijze:Het waait hem in zijnZ—(het gelukt hem).
Een oog in ’tZ—houden(toezien).
Met deZ—entegen den mast liggen(in onmacht liggen).
Met een opgezetZ—komen(met een grammen moed).
Dat is geenZ—voor dat schip(die vrouw deugt voor dien man niet).
Als hetZ—scheurt, dan heeft het een gat(die dan leeft, die dan zorgt).
Met deZ—envoor den mast liggen(met het beginnen gereed zijn).
Met een natZ—loopen(beschonken zijn).
ErgendsZ—op maken(iets bejagen).
OnderZ—gaan(inslapen).
Met de laatste schepen onderZ—gaan(laat heen gaan).
HetZ—inbinden(zijn staat verminderen).
AlleZ—enbyzetten(alle moeite doen).
Stijf onder ’tZ—zijn(in staat, iets te kunnen verdragen).
Met een opgezetZ—aankomen(met drift of geweld aankomen).
Met een staandZ—is ’t goed roeien(als men een goede zaak heeft kan men er licht een nevenzaak by waarnemen).
AlleZ—enblank spelen(er alles op wagen).
Schippers pozen niet wanneer zy onderZ—zijn.(ZieSchipper). Zie verderZeilen,Zeiltjen, enz.
2o. Het schip zelf.Een vloot van N.Z—en(van N. schepen).EenZ—ontdekken.
Zeilaadje, z. n. v. — Vaart, loop van een schip.Dit schip is opZ—gebouwd(is op snellen vaart gebouwd).
Zeilboom, z. n. o. — Lange spar, op binnenvaartuigen, om het Zeil by het voor-de-wind zeilen uit te houden.
Zeilbaar, b. n.—Geschikt om te Zeilen.
Zoo doet mijnZeilbaarschip,
Zoo doet mijnZeilbaarschip,
zegtVondel,Lof der Zeevaart.
Zeildoek, z. n. o.—Grof en stevig doek, waar Zeilen van vervaardigd worden.
Zeilgaren, z. n. o.—Garen, tot het naaien van de zeilen.
Zeilemaker. z. n. m. — Die Zeilen vervaardigt of laat vervaardigen.
Zeilemakery, z. n. v. — Plaats, waar Zeilen vervaardigd worden.
Zeilen, o. w. — Met behulp van Zeilen over ’t water gaan.Het schip kanZ—noch drijven(het is loom, het wil niet voort.)Op zijn buikZ—(op zij liggende voortZ—.)RuimschootsZ—(met goeden windZ—.)Slag-over-slagZ—(met korte gangen laveeren.)DeZ—op stootgaren zetten(die nog slechts door eenig kabelgaren aan de ra houden, zoo dat men ze op ’t spoedigst kan byzetten.) (Deze uitroep beduidt, dat de looper, waarmede geheschen werd, is vastgelegd).
Spreekwijze:Men moetZ—terwijl de wind waait(men moet de gelegenheid waarnemen).
De kooi lekZ—.ZieKooi.
RuimschootsZ—(het zoo naauw niet nemen).
Hard achteruitZ—(arm worden).
Het walletjen langsZ—.ZieWal.
Iemand in de zijdeZ—(iemand benadeelen).
Z—of verzuipen(er alles op wagen).
Men moetZ—terwijl de wind dient(de gelegenheid waarnemen).
Als het maar met een halven wind wilZ—(als het maar half wil gelukken).
Zeilnaald,z. n. m. — Naald, waarmede de Zeilen genaaid worden.
Zeil-en-treil. — ZieTreil.
Zeiler, z. n. m. — Zeilend schip.Dat schip is een goede,is een slechte,is een luieZ—.
Zeilkooi, z. n. v. — Bergplaats voor de Zeilen.
Zeilorde, z. n. v. — Orde, waarin men Zeilt.
Zeilpunt. z. n. o. — Het Punt, waarop een loodrechte lijn, staande op het zwaartepunt der waterlijn van een schip, de richting der werking van het water op den voorsteven ontmoet. Het is op dit Punt dat zich de werking van den wind op de Zeilen richten moet, ten einde het schip noch naar boven, noch naar achteren overhelle: men noemt ookZ—het zwaartepunt der zeilen.
Zeilreê, b. n. ofZeilvaardig. — Klaar om uit te Zeilen.Dat schip ligtZ—.
Zeilsteen, z. n. m. —Noordsteen,Magneet: Steen, die de eigenschap heeft van het yzer aan te trekken. ZieKompas.
Zeiltjen, z. n. o. — Klein Zeil.
Spreekwijze:HetZ—strijken(van zich zelven vallen).
Zeilvaardig, b. n. — ZieZeilreê.
Zeilrol, z.n. m. — Rol, waarby de manschappen by de zeilen verdeeld zijn.
Zeilpriem, z. n. m. — Priem, waarmede de gaten voor de beslagbanden en rifseizing in de Zeilen worden geboord.
Zeinschip, z. n. o. (veroud.) — Soort van schepen, in oude tijden hier in gebruik, open, zonder vast roer of mast, welke beiden zy opzetteden als zy in zee gingen. Smal voor zoo wel als achter, en spits toegaande, waarvan zy wellicht hun naam vanZein(zenofseis)-schipontleenden; voerden zy niet meer dan drie man en een jongen en zeilden wonder snel.
Zel, z. n. m. ofZelling. — Plaats in de engte, waar een anker heeft vast gezeten.Daar gaat een stroom als van eenZ—.
Zelling, z. n. v. — ZieZel.
Zeng, z.n. v. — Plotslinge en kortstondige vermeerdering van den heerschenden wind.MetZ—enwaaien:—op deZ—enpassen.
Zetborden, z. n. o. mv. — Klein schotwerk, dat in sleuven langs de boorden eener sloep gezet wordt, om die te verhoogen en het binnendringen van ’t water te beletten.
Zetgang, z. n. m. — 1o. Losse plank, die men op lage vaartuigen boven langs ’t boord inzet.
2o. Gang, die op het barghout en rahout tegen de buitenoppervlakte der inhouten wordt geplaatst.
Zet gang, komm. — Draai het spil harder om!
Zetschipper, z. n. m. — Persoon, die aangesteld wordt om een Schipper tijdelijk te vervangen.
Spreekwijze:Hy isZ—(hy is tijdelijk met de zaak belast).
Zetten, b. w. — B. v. op het droog, aan den grond.De kapitein verkoos zich liever op het strand teZ—dan zich over te geven.—De loods Zette het schip op het drooge.—Zet aan!—Zet vrij!—Zet af!—(komm. om het vaartuig te doen by-,vrij- of afhouden).
Zetjen, z. n. o. — Ruk. komm.nog eenZ—(nog een ruk).
Spreekwijze:EenZ—helpt, en alle vrachtjens lichten, zei de schipper, zette zyn hond aan ’t roer, en smeet zijn vrouw over boord.
Zetweger, z. n. m. — Benaming van de zware beplankingen, die, op elk dek, de binnenhuid van het schip bekleeden van den watergang tot aan den onderkant der geschutponten.
Zeuntjen, z. n. o. — ZieBaksjongen.
Ziekeboeg, z. n. m. ofZiekegrens. — Plaats aan boord, waar de zieken worden nedergelegd.
Ziekegrens, z. n. v. — ZieZiekeboeg.
Zieketrooster, z. n. m. — Of, alsVondelhem in’t Lof der Zeevaartnoemt,
Het statigh aengezicht dat zieltjes zalft en troost.
Het statigh aengezicht dat zieltjes zalft en troost.
Soort van Kathecheseermeester, die aan boord van elk zeeschip plach te zijn om gebeden te lezen, de kranken te bezoeken en ander stichtelijk werk te doen.
Ziekevader, z. n. m. — Oppasser in den Ziekeboeg.
Zielverkooper, z. n. m. — ZieWerver.
Zilt, b. n. — ZieZout.DeZ—estroomen.(De zee).
Zinken, o. w. — Te gronde gaan.Dat schip gaatZ—.Een schip doenZ—.TotZ—stoe geladen zijn.
Zitten, o. w. — Gestrand zijn, onbewegelijk zijn.Het schip Zit op het droog.Wy Zitten hier veilig.
Spreekwijze:Ergends mede aan den grondZ—(mede verlegen zijn).
Zitters, z. n. m. mv. (veroud.) — 1o. Balken, bezijden de buikstukken op den bodem van het schip gelegd.
2o. Benaming, op sommige plaatsen aan de buikstukken zelve gegeven.
Zoeken, b. w. — 1o. Naar iets Zoeken, Onderzoeken.GrondZ—(door het werpen van het lood).Het landZ—(wanneer men meent, het in de nabyheid te hebben, moeite doen om het te ontdekken).
2o. Zich ergends heen begeven.Een havenZ—.Een opper,de luwteZ—:De naald Zoekt het Noorden.
Zoeker, z. n. m. — Voorste gedeelte van eenZ—bout, ’t welk eerst door het yzer gaat en na het indrijven van den bout wordt afgehakt.
Zoekerbouten, z. n. m. mv. — Bouten, die twee of meer palmen langer gekort worden dan zy varen moeten. Het overzijnde gedeelte van de lengte wordt dun uitgehaald en vormt den Zoeker.
Zoen, z. n. m.—Verbetering, (veroud.)Het biedt geenZ—(de onstuimigheid der lucht stilt niet: het weer wil niet bedaren).
Zoet, b. n. — Drinkbaar.Z—water.Er is gebrek aanZ—water.
Zog, z. n. o. — Spoor, dat het schip in het opborrelend water achterlaat.
Spreekwijze:In iemandsZ—varen(hem volgen).
Daar is een kunst van voorbereiden,Die tot des Dichters kunst behoort:Men moet de ziel des hoorders leiden,Of anders stuit hem ieder woord.Men dient hem gants in ’tZogte slepen,En, deze kunstgreep wel begrepen,Dan doet men met hem wat men wil:Dan zal hy, by een matig roeien,Gewillig met de vaerzen vloeien,En zwijgen als een stokvisch stil.
Daar is een kunst van voorbereiden,
Die tot des Dichters kunst behoort:
Men moet de ziel des hoorders leiden,
Of anders stuit hem ieder woord.
Men dient hem gants in ’tZogte slepen,
En, deze kunstgreep wel begrepen,
Dan doet men met hem wat men wil:
Dan zal hy, by een matig roeien,
Gewillig met de vaerzen vloeien,
En zwijgen als een stokvisch stil.
Bilderdijk.
Zoggat, z. n. o. — ZieVullingsgat: ook wel genomen voor een hok, achter de konstabelskamer, waar scherp in geborgen werd.
Zogstukken, z. n. o. mv. — Houten gaffels, die voor en achter tegen den steven aankomen, in stede van gescheiden inhouten.
Zogwater, z. n. o. — Het water, dat achter het schip opborrelt.Het is gevaarlijk in hetZ—eener stoomboot te komen.
Zon, z. n. v. — Lichtgevende, vaste ster, om welke de aarde draait.DeZ—rijst,daalt,gaat onder:—DeZ—schieten(haar hoogte berekenen.)DeZ—staat.De wind loopt voor deZ—.
Spreekwijze:De Zon tot God gaat(verouderde uitdrukking der visscherslieden, voor: “de Zon gaat onder”).
Zondag, z. n. m. — Scheur, vlek, plek in de kiel of in eenig ander gedeelte van het schip, die verweloos geworden is.
Zonsazimuth, z. n. o. — Rechte standplaats der Zon by haar ondergang.
Zonsdeclinatie, z. n. v. — Hare afwijking van de linie.
Zoneclips, z. n. v. — Hare verduistering door den doorgang van een planeet.
Zonshoogte, z. n. v. — Hare hoogte op den middag, waardoor de breedte wordt aangewezen.
Zonnetent, z. n. v. — Tent, over het dek gespannen.
Zoode, z. n.v. — ZiePompzoode,Durk.
Zoomwerk, z. n. o. — ZieKlinkwerk.
Zorgband, z. n. m. — Strop, aan den achterkant met klinkbouten aan het roergeslagen, ten einde zich tegen het verlies daarvan te verzekeren. Deze strop is aan de hoeken met oogen voorzien, aan elk waarvan een Zorgketting vaart.
Zorglijn, z. n. v. — Lijn, die de blokken van de noodtakels tegen de ra houdt.
Zorgketting, z. n. v. — Ketting, die door een oog van den Zorgband loopt, zich van het roer naar boord uitstrekt en buiten om tegen de huid wordt opgehangen.
Zout, b. n. ofZilt. — Verkrijgt, door zijn byvoeging aan sommige woorden, de beteekenis van “Zee,” of “Zeewater.”DeZ—ebaren,DeZ—eplas,Het Zee-nat(de Zee).
En ghy . . . . . . die op de winden zwiert,En vant lasurigh velt deSoutetoomen stiert,
En ghy . . . . . . die op de winden zwiert,
En vant lasurigh velt deSoutetoomen stiert,
zegtVondelin zijnLofsangh op de Scheepvaart.
Zout, z. n. o. — VoorZeegenomen.
Zuchtjen, z. n. o. — Klein windtjen.Wy moeten van het minsteZ—gebruik maken.
Zuid, b. n. — Ten Zuiden, van de Zuidzij.De wind isZ—(waait van de Zuidzij.)Wy hebben het landZ—van ons.
Zuid, (de) z. n. v. — Zuidwaart gelegen streek.Zy voeren om deZ—.
Zuidelijk, b. n. en bw. — Wat zich ten Zuiden bevindt.
Zuidelijken, o. w. — Naar ’t Zuiden schieten.Het begint teZ—(de wind loopt Zuid).
Zuiden, (ten) b. w. — Aan de Zuidkant.Spanje ligtT—Z—van Frankrijk.
Zuiden, (het) z. n. o. — Het Zuidelijk gelegen land.Het onbekendeZ—.
’k Heb zoo lang om Noord enZuienBy de baas te roer gestaanEn voor niet, niet zooveel buienOver deze muts zien gaan.
’k Heb zoo lang om Noord enZuien
By de baas te roer gestaan
En voor niet, niet zooveel buien
Over deze muts zien gaan.
Huighens.
Zuidewind, z. n. m. — ZieWind.
Kom zachteZuidewindekenKom wieg het kleine kindeken!Ons Rozalijntje is moé.’t Verveelt haar, meer te luisteren:De dag is aan ’t verduisteren:Haar oogjens vallen toe,
Kom zachteZuidewindeken
Kom wieg het kleine kindeken!
Ons Rozalijntje is moé.
’t Verveelt haar, meer te luisteren:
De dag is aan ’t verduisteren:
Haar oogjens vallen toe,
luidde een oud liedtjen, waar ik als kind mede in slaap werd gezongen.
Zuid oost, bw.— Windstreek midden tusschen O. en Z.
Zuidwaart, bw. — Naar het Zuiden.Zy zeildenZ—.
Zuidwest, bw. — Windstreek midden tusschen Z. en W.
Zuidwester, z. n. m. — Breedgerande hoed of kap met wasdoek of geölied linnen overtrokken, en den zeeman tot bescherming dienende tegen regen en wind.
Zuidzeevaarders, z. n. m. — Schepen, die om de Zuid ter walvischvangst varen.
Zuiger, z. n. m. — 1o.Mastring,mastband,beugel. Yzeren ring, die, op een sloep of klein vaartuig, aan een zeil vastzittende, en om een mast of spriet geslagen, dient, om dat zeil langs dien mast of spier te doen rijzen of zakken.
2o.Van de Pomp.ZiePompzuiger.
Zuiver, b. n. en bw. — Zonder gevaar.EenZ—alleen staande klip of rots(by welke men ten anker kan gaan liggen.)EenZ—ehaven(die men gemakkelijk kan inzeilen.)De kust isZ—(er zijn klippen noch banken).
Zwaaien, b. w. — Voor anker liggende, van stelling veranderen door de werking van wind of stroom.Op den windZ—(den voorsteven naar den wind keeren.)Op het tijZ—(den voorsteven naar het tij keeren.)Onder den wind met den stroom onder de lijZ—(wanneer de eene zijde aan den wind, de andere aan den stroom is blootgesteld.)Hy Zwaait klaar,hy Zwaait voor klare kluizen(hy kruist zijn kabels niet by ’t omzwaaien.)In die haven is geen ruimte genoeg voor groote schepen om teZ—.
Zwaar, b. n. — Groot, plomp, wijd.Z—schip(wijd schip, schip van grooten omvang.)Z—weer(stormweer.)Z—ebui(hevige wind.)Z—ezee(hooge zee.)Dat schip rijstZ—,valtZ—in zee(verheft zich moeilijk uit de zee)Z—ebattery(vanZ—kaliber).HetZ—(anker)touw,EenZ—anker.
Zwaard, z. n. o. — Verzameling van planken, in den vorm van een schuinsch ovaal, die aan de zijde van een klein vaartuig ligt, en dient om het afdrijven te beletten.
Zwaartepunt, z. n. o. — Het punt, aan weerskanten van ’t welk de deelen van een lichaam gelijke zwaarte hebben. Het algemeenZ—van een schip bevindt zich gewoonlijk binnen de lijn, welke het in twee gelijke deelen scheidt. HetZ—der waterverplaatsing van het ondergedompeld gedeelte van het schip, ofdrukkingspunt, bevindt zich binnen de vertikale lijn, die de romp in twee gelijke deelen scheidt.
Zwabber, z. n. m. — Dweil, uit kabelgaren of lappen aan een steel gebonden en dienende om schepen en schuiten schoon te houden.
Zwabberen, o. w. — Met een Zwabber schoonmaken.
Zwabberhalen. — Spotroep der matrozen, wanneer een onbevarene door het slingeren van het schip omverre valt, om de plaats waar de baar (onbevarene) gelegen heeft, weder schoon te maken.
ZwabberpaaiofZwabberkaptein. — Een, die den Zwabber moet uitspoelen en droogwringen. Hier wordt doorgaands de minst bekwame matroos voor genomen.
Zwakke-hals, z. n. m. — Soort van stopper, dienende om by ruw weer de belegtouwen te stoppen.
Zwalpen, o. w. — Zich golvend verheffen. Woord, zelden anders dan in poëzy gebruikelijk.
Zwalpen, z. n. m. mv. — Stukken van greenen ribben, in de klamaaien rustende en dienende om de dekdeelen te steunen.
Zwaluwstaart, z. n. — Stuik, die den vorm heeft van eenZ—.
Zwanehals, z. n. m. (veroud.) — 1o.Drager van de roerpen.Zware gebogene yzeren dekplaat, waarvan de grootste arm op het end der roerpen sluit.
2o. ofRuggegraat(om dat het beeld er met zijn rug tegen aan staat). Vooruitspringend verbindingstuk van de scheg, door een haaklasch aan de woelingsknie verbonden en daarmede als ’t ware een geheel uitmakende.
3o. De gebogen yzeren stangen buiten boord, waar een sloep in hangt, worden ookZ—engenoemd.
Zweepstopper, z. n. m. — Stopper, waarvan het end in een gedraaid is en met een punt uitloopt.
Zweeten, o. w. — Wordt het eiken hout gezegd te doen, wanneer het vochtig wordt en uitslaat, als dikwijls het geval is op nieuwe schepen, by heet weer.HetZ—van het hout heeft al onze beschuit bedorven.
Zwei, z. n. v. — Beweegbare Winkelhaak.
Zwellen, o. w. — Vermeerderen, vol worden, zich uitbreiden.De waterenZ—.De wind doet de zeilenZ—.
Zwemmen, o. w. — Zich in ’t water bewegen zonder te zinken.
Zwengel, z. n. m. — Arm van de pomp.
Zwichten, b. w. — De hoofdtouwen van het onderwant van stuur- en bakboord door touwen onder de mars naar elkander halen.De fokZ—(die by stormweer inkorten, door servings).
Zwichtingbouten, z. n. m. mv. — Kleine ronde yzeren staven, met geteerde servings bekleed: zy kruisen het lage want aan bak- en stuurboord op de hoogte van den voet der klampen.
Zwichtserving, z. n. v. — Zwaar en breed gevlochten touw, waarmede de fok gezwicht wordt.
Zwiepend, b. n. — Los, veerkrachtigKorte masten en lange stangen maaktZ—tuig.
Zwieping, z. n. v.— Planken, die men op verschillende hoogten en op bepaalde punten der armen van een spant spijkert, ten einde die armen de richting te doen bewaren, waarin men die houden wil.
Zwin, z. n. o. — Wad, droogte tusschen het water.
Zijde, z. n. v. — Boord, rechter- of linkerkant van een schip.De vyand de breedeZ—bieden(hem uit de bak- of stuurboords-battery beschieten.)Een schip opZ—leggen(om het te kalfaten.)Haal de sloep opZ—(langs boord.) “Kregen de viktualiekaag opZ—, met twee soldaten, vier varkens en vier schapen, heschen al het vee over” (oud Rapport).
Zijperken, z. n. mv. — De beide vakken van het Dek aan weerszijde van het middelpunt. Het eeneZijperkligt tusschen den schaarstok en waterloopsklos aan stuurboord—het andere tusschen de genoemde deelen aan bakboordzijde.