De Geluksklok.

“Mannetje, mannetje Timpetee,Botje, botje in de zee,Mijne vrouw, mijn Ilsebil,Wil niet, zoo als ik wel wil.”Toen kwam de bot boven zwemmen en zei: “Zoo, wat wil ze dan?”— “Ach,” zei de man, “nu zegt mijne vrouw, ik had je toch gevangen, ik had mij wat moeten wenschen. Ze mag niet graag meer in een hutje bij een’ mesthoop wonen, ze wil graag een huisje hebben.”“Ga maar heen,” zei de bot, “ze heeft het al.”Toen ging de man heen, en zijne vrouw zat niet meer in het oude hutje bij den mesthoop, maar een eindje daar vandaan stond een aardig steenen huisje, en voor de deur op eene bank zat ze. En zijne vrouw nam hem bij de hand en zei: “Nu ga maar eens mee binnen: kijk, zoo is het toch veel beter.” En ze gingen in het huisje, en daar was een aardig portaaltje en eene mooie kamer en eene slaapkamer met twee bedden’ en eene keuken met allerlei keukengereedschap van blinkend tin en koper aan den wand en eene provisiekast met alles, wat er in behoorde. En achter ’t huis was een bleekje met kippenhok en kippen, en verder naar achteren een tuintje met groenten en appel- en pereboomen en andere vruchten. “Zie,” zei de vrouw, “is dat nu niet aardig?”—“Ja,” zei de man, “nu is ’t goed, en nu zal ’t ook goed blijven, nu willen we tevreden leven.”—“Daar zullen we nog eens over denken,” zei de vrouw. En ze aten wat en gingen in bed.Dat duurde wel acht of veertien dagen, toen zei de vrouw: “Hoor eens, man, het huisje is eigenlijk te benauwd, en de bleek en de tuin zijn zoo klein: de bot had ons toch ook wel een grooter huis kunnen geven. Ik zou wel graag in een kasteel mogen wonen: ga naar den bot en zeg, dat hij ons een kasteel geven moet.”—“Ach, vrouw,” zei de man, “het huisje is immers goed genoeg, wat hebben we een aan kasteel?”—“Och, kom,” zei de vrouw, “de bot kan het gemakkelijk doen.”—“Neen, vrouw,” zei de man, “de bot heeft ons eerst het huisje gegeven, ik heb geen’ lust er al weer heen te gaan: hij kon er wel verdrietig omworden.”—“Kom, ga toch heen,” zei de vrouw, “hij kan het gemakkelijk doen en wil het graag doen.” Het werd den man zoo zwaar om ’t hart, hij zag er zoo tegen op om te gaan! Hij zei bij zich zelf: ”’t is verkeerd;” maar hij ging toch.Toen hij bij de zee kwam, was het water zoo grijs en grauw en zwart en troebel, en het borrelde van onderen op en rook zoo benauwd.Toen ging hij staan en riep:“Mannetje, mannetje Timpetee,Botje, botje in de zee,Mijne vrouw, mijn Ilsebil,Wil niet, zoo als ik wel wil!”“Nu, wat wil ze dan?” vroeg de bot.“Och,” zei de man, half treurig: “nu wil ze in een kasteel wonen.” “Ga maar heen,” zei de bot, “ze staat al voor de deur.”Toen ging de man, en toen hij bij de plek kwam, waar zijn huisje moest staan, was er geen huisje meer, maar een groot kasteel, en op de trap van ’t kasteel stond zijne vrouw, die wou net naar binnen gaan. Toen nam ze hem bij de hand en zei: “Kom maar binnen.” Hij ging met haar naar binnen, en daar kwamen ze in eene gang met marmeren vloersteenen. En ’t was er vol bedienden, die gooiden groote dubbele deuren open, en ze zagen prachtig behangen kamers en zalen. En in de zalen stonden stoelen en tafels van klinkklaar goud, en kristallen kronen hingen aan de zolders, en in al de kamers waren prachtige vloerkleeden. En de tafels bogen onder de zwaarte van al het eten. En achter het huis was ook een groot plein met een’ koestal en een’ paardenstal en een koetshuis met mooie koetsen er in. Nog verder naar achteren: een heerlijke tuin met prachtige bloemen en fijne vruchtboomen, en daar weer achter een bosch van wel eene halve mijl, en daar waren hazen en herten en reeën in en alles, wat je maar wenschen kon.“Nu,” zei de vrouw, “is dat nu niet mooi?”—“Och, ja,” zei de man, ”’t is mooi, en nu zal het ook mooi blijven, nu willen we in het prachtige kasteel wonen en tevreden wezen.”—“Daar zullen we nog eens overdenken,” zei de vrouw, “daar zullen we ons nog eens op beslapen.” En zoo gingen ze naar bed.Den volgenden morgen was de vrouw al heel vroeg wakker, ze ging overeind in haar bed zitten en zag naar buiten. Wat een heerlijk uitzicht, wat prachtige landerijen! De man zag zijne vrouw zitten; maar hij was nog slaperig en gaperig. Hij rekte zich eens uit: daar stiet zijne vrouw hem met den elleboog aan en riep: “Kijk toch eens uit het venster, wat heerlijke velden en weiden! Zeg, we moesten koning en koningin worden over dit land! Ga naar den bot en zeg, dat we koning en koningin willen wezen.”“Och, vrouw,” zei de man, “wat zal het beduiden, dat wij koning en koningin zijn. Ik heb er geen’ zin in, ik mag niet graag koning zijn.”— “Nu,” zei de vrouw, “mag jij niet graag koning zijn, ik mag wel graag koningin wezen. Ga naar den bot en zeg, dat ik koningin wil worden.”—“Ach, vrouw,” zei de man, “wat zal ’t beduiden, dat jij koningin wordt, dat durf ik niet vragen, dat wil ik liever niet vragen.”—“Kom, waarom niet,” zei de vrouw, “je gaat straks maar heen en zegt, dat ik koningin wil worden.”En de man ging heen, maar voetje voor voetje: want hij vond het zoo naar, dat zijne vrouw koningin wou worden. Het is niet goed, dacht hij. Maar hij liep verder, en hij kwam bij de zee.En het water was nog zwart en zoo dik, zoo dik, en het borrelde en kookte al van onderen op en kwam met dikke bobbels boven, en er ging een rukwind over de zee, dat de golven omsloegen. De man rilde er van. Toen ging de man staan en riep:“Mannetje, mannetje Timpetee,Botje, botje in de zee,Mijne vrouw, mijn Ilsebil,Wil niet, zooals ik wel wil!”“Nu, wat wil ze dan?” vroeg de bot. “Ach,” zei de man, “ze wil koningin worden.”—“Ga, maar heen, zij is ’t al,” zei de bot.En de man ging heen, en toen hij bij het kasteel kwam, zag hij, dat het veel grooter geworden was met torentjes er op en prachtig lofwerk en beelden: een heel paleis.En voor ’t paleis liep een schildwacht op en neer, en om het huis marcheerden soldaten, en hij hoorde trompetten klinken en op pauken slaan. En toen hij in ’t paleis kwam, zag hij, dat niet alleen de vloer, maar de gangen en alles van marmer was, met gouden randen afgezet. En voor de deuren hingen fluweelen gordijnen met gouden koorden en kwasten. Toen gingen de deuren van de groote zaal open, en daar was het heele hof bijeen: hofdames en heeren. En zijne vrouw zat op een hoogen gouden troon met fonkelende diamanten, en ze had eene prachtige kroon op en een’ scepter in de hand van zuiver goud en edelgesteenten, en aan weerszijden van haar stonden de hofdames in eene rij, eerst eene groote en dan weer eene, die wat kleiner was dan de eerste en weer eene kleinere, en zoo al door.Toen ging de man voor den troon staan en vroeg: “Och, vrouw, ben je nu koningin?”—“Ja,” zei de vrouw,“nu ben ik koningin!” Toen stond de man zijne vrouw maar aan te kijken, en toen hij haar eene heele poos aangekeken had, zei hij: “Och, vrouw, wat lijkt dat mooi, dat jij koningin bent! Mooier kan het niet. Nu willen we ons ook niets meer wenschen.”—“Och, wat,” zei de vrouw, en ze schoof onrustig op haren troon heen en weer, “praat mij er niet van. ’t Heeft mij al weer veel te lang geduurd. Ik kan het niet langer uithouden. Ga maar naar den bot en zeg, dat nu ik koningin ben, ik ook wel keizerin kan worden.”—“Och, vrouw!” riep de man, “wat zal het beteekenen, dat je keizerin wordt?” “Man,” zei ze, ga heen, “ik wil, ik moet keizerin worden.”—“Och, vrouw,” zei de man, “keizerin kan hij je niet maken, ik durf het niet aan den bot te zeggen, keizerin is nog veel meer dan koningin: keizerin kan de bot niet maken, dat kan en kan hij niet.”“Hoe durf je zoo te praten!” riep de vrouw, “ik ben de koningin, en jij bent maar mijn man, wil je wel eens gauw heen gaan, dadelijk, hoor! Als de bot mij koningin kan maken, dan kan hij mij ook keizerin maken. Ikwilkeizerin wezen. Ga dadelijk heen.”Toen moest de man wel gaan; maar hij kon de beenen haast niet voor elkaar krijgen, hij had het zoo benauwd. In zich zelf zuchtte hij: “Dat gaat niet goed, dat gaat niet goed: keizerin is te erg, het kan den bot op ’t laatst ook wel te veel worden.”Zoo kwam hij aan de zee, en toen hij, het water zag, werd hij duizelig, en hij trilde, en de knieën knikten hem. De wind gierde, en de wolken joegen, en ’t werd zoo donker, net of het avond was, en de bladeren vlogen van de boomen en dwarrelden over den grond, en ’t water bruiste en kookte en plaste aan den oever. En in de verte zag hij de schepen, die dansten op de golven, en de noodschoten knalden, en de hemel was vol grijze wolken, die elkaar verdrongen, en dikke donderkoppen waren op de wolken als bij een zwaar onweer, en zoo donker, zoo donker was de hemel. Alleen in ’t midden was nog een plekje blauw te zien. Toen werd de man zoo angstig en verlegen, en hij riep zoo bang, zoo bang:Mannetje, mannetje Timpetee,Botje, botje in de zee,Mijne vrouw, mijn Ilsebil,Wil niet, zooals ik wel wil!”“Nu, wat wil ze dan?” vroeg de bot. “Ach, bot,” zei de man, “mijne vrouw wil keizerin worden.”—“Ga maar heen,” zei de bot, “ze is ’t al.”En de man ging heen, en toen hij weer thuis kwam, was het heele paleis van glanzend wit marmer met gouden figuren. Vóór het huis marcheerden de soldaten en ze bliezen op trompetten en sloegen op trommels. En in het paleis liepen baronnen en hertogen en graven rond en deden, of ze bedienden waren: ze maakten de deuren voor hem open, de deuren, die van puur goud waren. En toen hij binnen kwam, zag hij daar zijne vrouw op een’ troon, die van één stuk goud gemaakt was en die wel een huis hoog was, en eene groote gouden kroon had ze op, die was wel drie ellen hoog, en die fonkelde van edelgesteenten. In de eene hand had ze den scepter en in de andere den rijksappel. Aan beide zijden van haar stonden de hofheeren en dames, de een al een beetje kleiner dan de andere, van den allergrootsten reus, die wel zoo lang was als een boom, tot het kleinste dwergje, dat niet grooter was dan een pink. En vóór haar stonden vele voorname heeren: koningen en prinsen. Daar ging de man tusschen staan en hij vroeg: “Ben je nu keizerin?”—“Ja,” zei ze, “ik benkeizerin.” Toen stond de man en bekeek de vrouw van alle kanten, en toen hij haar eene poos vlak in ’t gezicht gezien had, zei hij: “Och, vrouw, wat lijkt het mooi, dat jij keizerin bent.” Maar de vrouw zat zoo stijf als een boom, ze verroerde zich niet. Toen zei de man: “Nu wees tevreden vrouw, nu je keizerin bent: meer kun je toch niet worden.”—“Daar zal ik mij eens op bedenken,” zei de vrouw. Zoo gingen ze naar bed; maar de vrouw was niet tevreden, ze kon van ontevredenheid niet slapen, al door dacht ze: wat zou ik nu nog kunnen worden?De man sliep heerlijk en rustig: hij had ook zoo veel geloopen dien dag; maar de vrouw keerde zich van de eene op de andere zijde, en dacht maar al door, wat ze toch nog wel zou kunnen worden en kon maar niets bedenken. Dat duurde zoo den heelen nacht. Eindelijk zou de zon opgaan, en toen ze nu het morgenrood aan den hemel zag, ging ze overeind in ’t bed zitten en zag in het morgenrood op, en toen ze door het venster de zon op zag komen, dacht ze: “Ha! kan ik ook de zon en de maan niet op laten gaan?! En—man,” zei ze, en ze stiet hem met den elleboog aan, “man, word wakker! Gauw, ga naar den bot en zeg, dat ik worden wil als onze lieve Heer!”De man was nog diep in den slaap, maar hij schrikte zoo, dat hij uit bed viel. Hij dacht, dat hij wel niet goed gehoord zou hebben, en hij wreef zich de oogen uit en zei: “Och, vrouw, wat zeg je!”—“Man,” zei de vrouw, “als de zon en de maan op zullen gaan, dan moetikze laten opgaan; ik kan ze niet op zien gaan, als ik het zelf niet doe, dat hou’ ik niet uit, dan heb ik geene rust meer in mijn leven.” En ze zag hem met oogen aan, zoo gril, dat hem eene rilling door de leden ging. “Dadelijk heengaan!” riep ze, “ik wil worden als de lieve Heer!”—“Och, vrouw,” zei de man, en hij viel voor haar op de knieën, “wat ik je bidden mag, laat mij dat niet vragen; dat kan de bot niet doen. Koningin en keizerin, dat gaat nog, wees tevreden en blijf keizerin!”Toen werd de vrouw zoo boos en wild, de haren vlogen haar om het hoofd, en ze schreeuwde met eene rauwe stem: “Ik hou’ het niet uit, en ik hou’ het niet langer uit, wil je nu wel eens heengaan?!” Toen schoot de man in de kleeren en liep als krankzinnig de deur uit.Maar buitenloeide de wind en stormde het zoo, dat hij haast niet opde beenen kon blijven. De boomen waaiden om, de schoorsteenen vlogen van de huizen, de grond schudde, en rotsblokken rolden in de zee. De lucht was pikzwart, en het donderde en bliksemde, en de golven gingen torenhoog en hadden bruisende witte koppen. Toen schreeuwde de man, en hij kon zijne eigen woorden niet verstaan:“Mannetje, mannetje Timpetee,Botje, botje in de zee,Mijne vrouw, mijn Ilsebil,Wil niet, zoo als ik wel wil!”“Nu, wat wil ze dan?” vroeg de bot. “Ach!” zei de man, “ze wil worden als onze lieve Heer!”—“Ga maar heen, ze zit al weer in het hutje bij den mesthoop,” zei de bot....Daar zit ze nog tot op dezen dag.De Geluksklok.Toen ze klein was, was ze eenigst kindje, de vrouw, waarvan ik vertellen wil. En ze werd verwend en vertroeteld, zooals heel veel eenigste kinderen. Als Liesje een nieuw hoedje moest hebben en de hoed was wat duur, dan zei Moeder: “Och, ze moet hem maar hebben, we hebben ook maar één kind.”—Als Vader en Moeder uitgingen, dan moest Liesje maar mee. “Och, we hebben er ook maar één,” zei Vader. Liesje kreeg, wat haar hartje begeerde, en Liesje gaf—niets. Nooit behoefde ze eens hare mooie plaats bij ’t raam af te staan aan een zusje, nooit was het eens hare beurt om thuis te blijven. Het lekkere kapje van ’t wittebrood was altijd voor haar, geen broertje was er, waar ze kousen voor moest breien—als ze breide, breide ze voor zich zelf. Wel zei Moeder eens: “Liesje, zou je niet eens een paar sokken voor Vader breien?” Maar aan sokken voor Vader moesten zulke akelig groote voeten, en Vader zei: “Och, laat haar maar, als ze geen’ lust heeft.”Dachten Vader en Moeder bij alles: “we hebben maar één kind omplezier te doen,” Liesje dacht nooit: “Vader en Moeder hebben maar één kind, om hun plezier te doen, en dat kind ben ik: ik zal nu eens doen, wat Vader en Moeder graag willen.” Liesje deed alleen, wat ze zelve graag wou.Als de meid eens vroeg: “Och, Lies, ik heb het zoo druk, wil jij even rijst voor me halen?” dan zei Liesje: “Dank je, ik hou’ niet van boodschappen doen!”—Neen,zijhield niet van boodschappen doen.Als Fik, de hond, moe van eene lange wandeling, lekker in zijn mandje lag te rusten, dan moest hij juist eens voor Liesje opzitten. Zij had er op dat oogenblik lust in, en of de hond hetnietprettig vond, dat kon haar niet schelen. Lag Poes gezellig op Moeders schoot te spinnen, dan zou ze juist met de hand aan ’t behang krabbelen, om Poes wijs te maken, dat er eene muis achter zat.Was Tante Mientje ziek, en Moeder zei: “Lies, ik zou ’t wel aardig vinden, als je Tante eens wat voor ging lezen, de stumper mag met dit mooie weer de deur niet uit, dan was ’t: ‘Ik heb geen boek!’”—“Je hebt immers zooveel boeken!”—“Ja, maar die heb ik allemaal al gelezen!”Zijhad ze allemaal gelezen, maar Tante Mientje niet.Met de schoolmeisjes kon ze niet opschieten. Liesje wou natuurlijk altijd de spelletjes kiezen, die er gespeeld zouden worden. En de schoolmeisjes zeiden niet: “Och, laat Liesje maar den zin hebben, ze is ook eenigst kindje.” Neen, de schoolmeisjes zeiden: “Je kunt niet altijd je zin hebben’, speel ook eens, wat wij prettig vinden!”—Dan vond Liesje de meisjes “nare kinderen,” maar zelf was ze niet naar, och, neen.Vader en Moeder wilden zoo graag, dat Liesje een vriendinnetje had. Maar dat wou niet lukken. Een paar maal over en weer bij elkaar, en uit was ’t met de vriendschap. Telkens, als Liesje weer moest hooren: “Ik wil niet langer met je!” dan klaagde ze: “Niemand houdt van mij!” Ze vergat, wat de juffrouw van de school gezegd had: “Met de liefde is het als met de echo. Alleen, wanneer men geluid maakt, kan het geluid weerkaatsen, en alleen als men iemand liefde bewijst, kan men liefde terug verwachten.”Zoo ging het eene jaar na het andere voorbij: Liesje werd ouder, en was zoo langzamerhand een volwassen meisje geworden. Een vroolijk jonge meisjeslevenhad ze niet. Ze zat altijd bij Vader en Moeder thuis, en praatte dus alleen met menschen, die veel ouder waren dan zij zelve. Daardoor werd ze wel wijs en knap, maar niet jeugdig en vroolijk. Vader en Moeder zeiden wel: “Lize, toe, zoek toch nog eens eene vriendin;” maar dan antwoordde Lize: “Ik heb er geen behoefte aan; ik heb aan u beiden genoeg.” Lize vergat iets: er zou een tijd komen, dat ze een van de beiden moest missen, dat ze maar één van de beiden overhield, en eindelijk—dat ze niets overhield.—Toen Vader en Moeder gestorven waren, kon ze ’t in huis en ook in de stad niet langer uithouden. “Ik moet hier weg,” snikte ze, “ik heb hier toch niemand, die lief voor me is.” Ze trok naar een dorpje in eene bergstreek, waar ze vroeger voor plezier eens met Vader en Moeder geweest was. Gelukkig hadden Vader en Moeder voor haar gespaard. Zoo kon ze in een aardig huisje gaan wonen. De buren in het dorpje kwamen haar vriendelijk tegemoet; maar Lize zette een onverschillig gezicht. Wat konden die vreemde menschen haar schelen met hunne praatjes over hunne kinderen en hunne koeien en schapen en geiten—dat waren hare kinderen en koeien en schapen en geiten immers niet!Lize was nog altijd dezelfde. Ze leefde voor haar huisje en alles wat daar in was, en daarmee uit. Werd er een kindje in het dorp geboren, het deed haar geen plezier; stierf er iemand, het deed haar geen verdriet. Was ze uit de stad gegaan, omdat niemand haar lief had—zóó zou haar op het dorp ook weer niemand lief krijgen.O, Lize, Lize, waarom niet aan de echo gedacht?Zou ze nu haar heele leven zoo zelfzuchtig blijven?Geduld—ik vertel verder.Eens op een’ zomeravond stond Lize in de deur, om wat in de frissche lucht te zijn. Juist kwam er een klein, grijs mannetje voorbij. “Goeienavond,” zegt het mannetje vriendelijk. En toen: “Kom, het doet me plezier, dat ik de eigenares van dit keurige huisje met het vriendelijke tuintje eens zie. Ik kom hier zoo dikwijls voorbij, en ik heb er altijd aardigheid aan, zoo netjes als alles hier er uitziet.” Lize dacht, dat ze er niet veel om gaf, of de menschen haar prezen en iets vriendelijks zeiden; maar de woorden van het oude mannetje dedenhaar toch plezier, en ze antwoordde: “Ik ken je niet. Zeker woon je ver van hier?”“Ik woon daar ginds, in de bergen,” zei het mannetje. “Ik kom hier wel meer voorbij; maar ik zie je nooit aan de ramen. Zeker ben je niet heel nieuwsgierig uitgevallen.”“Neen,” zei Lize, “wat andere menschen doen, kan mij niet schelen.” “Dat dacht ik wel,” zei het mannetje, “je krijgt zeker ook nooit bezoek, anders zou je tuintje en alles er niet zoo keurig netjes uitzien. En als het nu al zoo mooi buiten is, hoe zal het binnen dan wel wezen!”“Kom maar eens kijken,” zei Lize.“Mag ik? graag!” zei het mannetje.Nu deed Lize de huisdeur open, en het mannetje ging binnen. Hij liep op de teenen en stiet nergens tegen aan. Hij sloeg de handen in elkaar over de netheid van het huisje. “Hier komen zeker nooit kinderen?” vroeg hij.“Kinderen, neen,” zei Lize, “die komen overal met de vingers aan, en betasten alles, en dan zou ik maar weer werk hebben met schoonmaken. Iemand, die zoo voorzichtig is als jij, past mij beter. Je lijkt mij ook een preciesje. Wat is wel je handwerk?”“Ik ben horlogemaker,” zei het mannetje. “Heb je soms eene klok, die niet goed gaat; ik wil die met plezier in orde maken.”“Daar zeg je zoo iets,” zei Lize, “mijne klok staat al eene poos stil en wil niet weer loopen, en ik ken hier op het dorp geen’ klokkenmaker. Wilje eens zien, wat er aan hapert? Zoo’n stilstaande klok vind ik zoo iets onordelijks.”“Zeker,” zegt het mannetje, en hij trok zijne vilten schoentjes uit en stapte op een’ stoel en bekeek de klok en smeerde de raderen, en een oogenblik later tikte de klok weer. “Dank je vriendelijk,” zei Lize. “Wat ben ik je schuldig?”“Niets,” zei het mannetje. “Komaan, nu moet ik weer verder. Als je eens eene wandeling door de bergen maakt, kom dan ook eens bij mij. Je volgt den hoofdweg maar en slaat dan rechtsaf. Misloopen kun je niet.” “Goed,” zei Lize, “ik kom bepaald eens. Ik dank je nog wel!”“Niet te danken, tot ziens dan,” zei het mannetje, en stapte verder.Niet lang daarna brak er op het dorp eene booze ziekte uit onder het vee. Men hoorde van niets praten dan van zieke koeien en paarden en geiten. Lize zat den geheelen dag in angst, dat hare dieren ziek konden worden. De angst maakte haar half ziek, en ze had geene vrienden, bij wie ze eens troost of afleiding kon zoeken. Wacht, ze zou eens eene groote wandeling maken; misschien zou ze daar wat fleuriger van worden.Ze stapte de deur uit en was al gauw op een mooien bergweg. Maar wat viel het klimmen haar moeilijk! Werd ze dan al zoo oud? Och, neen, ze was zoo bezorgd; dat maakte haar loom. Als hare mooie geit, waar ze zooveel van hield, nu eens ziek werd! Al tobbende liep ze verder, ze zag niets van den mooien weg, ze zag niet, waar ze was! Op eens bemerkte ze, dat ze op eene plaats was, die ze niet kende. Daar zag ze achter een grooten, met mos begroeiden steen, blauwe rookwolkjes opstijgen. Gelukkig, daar zouden bergwerkers zijn, die een vuur aangelegd hadden. Hun zou ze naar den verderen weg vragen. Ze wandelde om den steen heen, en wien zag ze daar bij een vuurtje gehurkt zitten, bezig aardappelen te braden! Het grijze mannetje: den kleinen klokkenmaker!“Hé!” riep het mannetje, “dat is aardig, kom je mij nu eens opzoeken? Ga zitten, dan kun je mooi meeproeven van mijne aardappelen; ze zijn net klaar.”—“Graag,” zei Lize; want ze had honger gekregen van het bergklimmen. Daar zat ze al en keek rechts en links. “Waar is toch je huis?” vroeg ze. “Ik zie nergens een huis.”—“Zie je die deur daar in den berg?” vroeg het mannetje, “dat is mijne huisdeur.” Neen maar, zoo iets had Lize nog nooit gezien. Daar zag ze nu ook een vensterraam, naast de deur in den berg gebouwd. “Hé,” zei ze, “dat moet ik eens naderbij zien.”—“Met plezier,” zei het mannetje, “kom maar mee, dan kun je eens zien, of het bij mij ook zoo netjes is als bij jou!”—“Wat een grappig deurtje,” zei Lize, en ze bukte zich om er door te gaan. “Voor mij is het groot genoeg,” zei het mannetje.Nu kwamen ze in eene groote ruimte; ’t leek wel eene boerenkamer. Aan den zolder hing eene lantaarn, die veel licht gaf. Dat was ook wel noodig; want door het kleine venster kwam maar weinig licht. Er stond eene prachtige kast aan den wand, en in de deuren waren kleine dwergjes gesneden. ’t Was net, of ze allemaal op Lize toe kwamen loopen.Het dwarrelde haar voor de oogen van dwergen. Het mannetje deed de kast open, en daar lag geen linnengoed, en er stonden geene kopjes en schoteltjes in, maar allerlei vreemde dingen, die Lize nog nooit gezien had! Het mannetje liet haar alles zien: steen, waar goud in zat, en steen, waar zilver en koper en ijzer in zat. Ook stukken hout van eene soort, die Lize nog nooit gezien had. En het mannetje vatte alles zoo voorzichtig aan en lei alles zoo netjes weer op de plaats, of elk ding een groote schat was.Lize keek maar half toe, want ze had hare gedachten bij eene reuzendeur, die achter in de kamer was. Neen, maar wat was dat toch voor eene deur met breede ijzeren stangen er voor en een hangslot er op, zoo groot wel als eene groote reistasch. Daar achter zal nog wel iets veel mooiers zijn, dacht Lize. Ze liep al eens een beetje dichter naar de deur en hoorde nu een vreemd geluid: een ratelen, een tikken, ze wist niet recht, wat ze er van zou maken.Nu zei het mannetje: “Kom, laat ons nu nog een poosje buiten gaan zitten, daar is ’t veel frisscher.”—“Ja,” zei Lize, “maar, zeg, wat is daar toch voor moois achter die sterke deur met dat groote hangslot?”—“O,” zei het mannetje, “daar zit eene klok achter,” en hij trok rimpels in zijn voorhoofd, alsof het hem niet aanstond, dat Lize er naar vroeg. Lize zag de rimpels wel, maar ze was zoo heel nieuwsgierig eene klok te zien, die zooveel leven maakte, en daarom zei ze: “Toe, laat mij haar maar eens zien, ik heb jou ook alles laten zien, wat ik in mijn huisje had.”—“Neen, dat kan niet,” riep het mannetje onwillig. “Bovendien, je zou er ook niets aan hebben, want ’t is geene gewone klok, ’t is de geluksklok van ons dorp, en vertel nu maar aan niemand, dat ik je dat gezegd heb; want dan zou ik mijn’ dienst verliezen.”—“Vertellen! och kom, aan wien zou ik nu iets vertellen!” riep Lize, “ik kom immers nooit bij andere menschen, en niemand komt bij mij.” En Lize, die hoe langer hoe nieuwsgieriger werd om de geluksklok te zien, praatte en vleide en bedelde wel zoo lang, dat het mannetje zei: “Nu, kom dan maar, maar vergeet nooit, dat je mij ongelukkig zou maken, als een ander ooit te weten kwam, dat ik je de klok had laten zien!”Toen sloot hij zuchtende de deur open. Het slot knarste, de hengenpiepten, en daar zag Lize de klok. Eene reusachtige klok was het met eene groote, helderblauwe wijzerplaat. Op de wijzerplaat waren, in plaats van twaalf, wel honderd cijfers en onder elk cijfer stonden eenige kleine letters. Dan waren er geene twee, maar veel meer bont gekleurde wijzers op en één heel lange zwarte.“Hé, hé, vreemd, vreemd!” riep Lize, “ik begrijp er niets van.”—“Dat wil ik wel gelooven,” zei het mannetje, ”’t is ook iets heel bijzonders met deze klok. Ik ben aangesteld, om er op te passen en er voor te zorgen. Maar dat is niet gemakkelijk, dat verzeker ik je. Altijd moet ik luisteren, of de klok regelmatig tikt. Ik kan nooit langer dan een uur van huis. ’s Nachts slaap ik nooit in een bed: ik moet dan altijd voor de deur liggen. Want weet je, wat er gebeurt: drie en twintig uren blijft de deur altijd gesloten, maar het vier en twintigste uur, en dat is het uur van middernacht, springt ze van zelf open en dan blijft ze een uur open. Dan juist moet ik wakker worden; want ik moet oppassen, dat niemand de klok kan zien. ’t Is moeilijk, altijd precies om twaalf uur wakker te worden en dan in den nacht een uur wakker te blijven, dat verzeker ik je. Ik ben ook al niet zoo heel jong meer.”—Lize luisterde bijna niet naar wat het mannetje zei. “Maar, wat moeten al die cijfers toch beduiden?” vroeg ze. “Dat zijn de huizen van het dorp, en de letters er onder de namen van de menschen, die er in wonen. Zie, hier gaan nu de wijzers rond en wijzen aan,wat er zoo al in ieders leven gebeurt.”Met gretige oogen zocht Lize nu haar huisnummer, en meteen zag ze, dat de groote zwarte wijzer al dichter bij haar huisnummer kwam. “Wat beduidt die lange zwarte?” vroeg Lize. “Die brengt ongeluk aan,” zei het mannetje, en meteen sloeg hij de deur weer dicht; want hij had ook gezien, dat de zwarte wijzer naar Lize’s nummer liep, en hij hoopte nog, dat Lize er niets van gemerkt had. Maar Lize had wel iets gemerkt, en het hart klopte haar zoo angstig.Ze had een gevoel, of haar een groot ongeluk naderde. Ze wist nu op eens niets meer te vragen of te zeggen. Ze dankte het mannetje voor de vriendelijke ontvangst en keerde weer naar huis.’t Was intusschen al duister geworden; maar Lize lette er niet op, ze staptein den droom voort: al hare gedachten waren bij de geluksklok. Voordat ze ’t wist, was ze weer in ’t dorp. Overal brandden de lichten, in haar huisje was het donker. Ze had geen’ lust meer, om licht op te steken, ze was ook zoo moe en had zoo’n verdriet. Lusteloos viel ze op een’ stoel neer, ze dacht aan geen naar bed gaan, neen, ze dacht alleen aan het ongeluk, dat haar naderde. “Waarmee heb ik dat verdiend?” dacht ze. “Doe ik iemand kwaad, zorg ik niet goed voor alles, wat ik bezit, ben ik niet netjes en spaarzaam? Kom dan eens bij anderen! Nu, dan zijn er genoeg, die dit of dat verkeerd doen, die wel eens verdienden gestraft te worden. Maar ik! waarom ik en niet een ander!” Met afgunst dacht ze aan al de anderen op ’t dorp, die niet ongelukkig zouden worden.Het werd later, en Lize merkte het niet. Ze werd al boozer en verdrietiger en ongeruster. Plotseling—daar sloeg de klok twaalf! Lize sprong op. Twaalf uur! Nu ging de deur open, en de geluksklok was te zien. Voordat ze wist, wat ze deed, stond ze op straat en liep ze den weg op naar de bergen. Voordat ze wist, hoe ze er kwam, stond ze voor de deur van het berghuisje. En—de deur van het huisje was open, en de deur voor de klok was open en—o, wonder! het mannetje lag voor de open klokdeur en—sliep! Hij had de klok niet gehoord, hij had de klokdeur niet open hooren gaan! ’t Was, of het zoo wezen moest.Lize sloop vooruit—voorzichtig; heel voorzichtig stapte ze over het slapende mannetje heen. Daar stond ze voor de klok. ’t Was, of de wijzerplaat verlicht was, en nu zag ze duidelijk den zwarten wijzer op haar huisnummer staan, en toen ze met verschrikte oogen op dat nummer staarde, was het, of ze door de wijzerplaat heen zag, ’t was of die doorzichtig was. En—wat zag ze er doorheen? Ze zag den stal bij haar eigen huis, en daar zag ze hare mooie geit ziek over den grond kruipen. De bak met eten stond onaangeroerd—de droge tong hing het arme dier uit den bek. “Waarom juist mijne geit, o, o, ik kan dat niet zien,” dacht Lize. “Waarom niet de geit van den kreupelen timmerman naast mij, die verdient het, die heeft door eigen schuld zijn been gebroken, toen hij te veel gedronken had. Wacht, ik schuif den wijzer één nummer verder.” Pas had Lize den wijzer verschoven, of de klok begon zoo te brommen en te ratelen, dat ze verschrikt wegvloog. Bijna was ze over debeenen van het mannetje gevallen—zeker had ze er tegen gestooten en hem misschien wakker gemaakt, en doodsangstig, wat er nu gebeuren zou, verstopte ze zich in een donker hoekje in de kamer.Maar—het mannetjewaswakker geworden, en hij wist haar wel te vinden ook. Hij zei geen woord, maar nam haar bij de hand en plaatste haar recht voor de klok. En wat zag ze nu? Niet haar eigen stal met de zieke geit; maar ze zag regelrecht in de kamer van den kreupelen timmerman. Daar was de heele huishouding bij elkaar tot de eenige geit toe. Sinds de timmerman zijn been gebroken had, kon hij niet meer aan ’t werk gaan. Wel verdiende hij een beetje met korven vlechten; maar dat was niet zooveel, dat ze een huisje met een kleinen stal konden bewonen. Een treurig troepje leek het in die armoedige kamer. De timmerman zat met het hoofd in beide handen te zuchten. De vrouw veegde met haar boezelaar telkens stilletjes een’ traan weg, en twee kleine kinderen trokken haar aan den rok en riepen: “Toe, Moeder, geef ons nu pap!”—“Stil toch!” riep de vader verdrietig. Maar de kinderen keken de Moeder vragend aan. Eindelijk zei de moeder: “Ik heb immers geene melk, om pap te koken. Je weet, dat de geit ziek is en nu geene melk geeft. Straks komen groote broer en zus; die brengen geld mee, om brood te koopen.”Nu ging de deur open, en de grootere kinderen kwamen binnen. Ze hadden den geheelen dag met boschbessen geloopen. Ze waren doodmoe en hadden honger ook. De eerste vraag was: “Is de pap klaar, Moeder?” Toen begon de moeder te schreien. En de Vader vroeg: “Waar is het geld?” Toen de kinderen het geld gegeven hadden, zuchtte hij: “Is dat alles? Dat heb ik noodig, om wilgeteenen voor de korven te koopen. Voor brood blijft er niets over.”—“Maar, Vader,” riep de moeder, “de kinderen kunnen toch niet verhongeren, ze moeten toch eten hebben!”—“Dan moeten ze maar wachten, tot de geit weer beter is,” zei de vader. “Wie weet, of die wel ooit weer beter wordt,” zuchtte de moeder.—Toen Lize dat alles gezien had, deed ze de handen voor de oogen. Ze kon zooveel ellende niet meer zien. “O,” riep ze, “draai den wijzer weer op mijn nummer, dat de geit van die arme menschen blijft leven.”—Daar sloeg op eens de deur voor de klok dicht. “Kom morgennacht om twaalf uur terug,” zei het mannetje, en hij bracht haar aan de hand buiten zijn huisje.Lize ging weer naar huis. De geit riep vroolijk: bè, bè! toen ze de deur open draaide. Maar ’t was, of ze geen plezier in de beterschap van het dier had. Ze zag den geheelen tijd de armoedige kamer van den timmerman met al de ongelukkige stumpers van menschen. ’s Nachts droomde ze er van. Hoe zou het er nu wezen? dacht ze ’s morgens bij ’t opstaan. Zouden de kinderen nu al eten gehad hebben? Het hart klopte haar van angst, dat de kleintjes nog van honger zouden schreien. Ze kon de boterham niet door de keel krijgen, en voor ze recht wist, wat ze deed, had ze brood en boter in een mandje gepakt en stond ze voor de deur van den timmerman.Toen ze binnenkwam, zett’en allen groote oogen op. Was dat de buurvrouw, die tegen niemand van hen ooit een woord zei? Lize schaamde zich over de verbaasde gezichten. Maar de kleintjes droogden de tranen en hapten al gauw in eene lekkere boterham, en de moeder keek haar zoo dankbaar aan, dat er van binnen in Lize iets trilde. Ze kreeg zoo’n heerlijk gevoel, als ze nog nooit in haar leven gehad had. “Als je soms uit werken wilt gaan,” zei ze, “stuur de kleine kinderen dan maar bij mij. Ik zal wel op hen passen, en ze kunnen ook wel bij mij eten.” De arme vrouw drukte haar vol dankbaarheid de hand.Toen stond Lize weer op straat. In huis zag ze den geheelen dag de dankbare gezichten voor zich. Ze vergat zich aan allerlei kleinigheden te ergeren, zooals ze gewoonlijk deed. Zoo werd het avond. Maar hoe later het werd, hoe meer Lize’s prettig gevoel verdween. Toen ze eindelijk den weg op ging naar het kleine mannetje, zuchtte en klaagde ze, dat ze nu zichzelf in ’t ongeluk moest brengen. Haar geit was zoo’n prachtig dier! Hoeveel guldens had ze er niet voor gegeven! Niet, dat ze de geit van de arme timmermansfamilie er voor wou laten sterven; maar daar had je nu bijvoorbeeld den hond van den overbuurman: ’t was toch beter, dat die stierf dan eene geit. ’t Was waar, hij leidde wel zijn blinden baas langs de straat; maar dat kon een kleinere hond ook wel doen. En dat was nog wel zoo goed voor den buurman; want een kleine hond eet lang niet zooveel als een groote. En dan, het beest kefte altijd zoo tegen haar, als de blinde haar tuintje langs kwam en zij buiten stond. Daarom alleen kocht ze nooit iets, als de oude man met koopwaar aan de deur kwam.Toen ze nu met middernacht voor de geluksklok stond, schoof ze vlugden zwarten wijzer naar ’t huisje aan den overbuurman. Weer begon de klok te ratelen en te brommen van geweld, en, al wist Lize ook vooruit, wat er gebeuren zou, toch liep ze weer verschrikt achteruit. Maar weer nam de kleine klokkenmaker haar bij de hand en plaatste haar voor de klok.Door de hel verlichte wijzerplaat zag ze nu in het kamertje van den blinden overbuurman. Die zat bij eene tafel en nam juist zijn middagmaal. Nu schepte hij wat op een bord voor Karo. Nu riep hij den hond. Maar Karo draaide den kop op zij; hij had geen’ lust in eten. Treurig keek hij zijn’ baas aan. Dat zag de blinde baas niet, maar wel hoorde hij, dat het dier, anders altijd zoo blij met zijn eten, niet at. “Hoe is het Karo? Wat scheelt er aan? Wil je dan een lekker hapje van den baas?” Maar Karo wou ook geen lekker hapje. Langzaam kroop hij naar den ouden man en legde den kop op zijne knie. De blinde man tastte nu naar den neus van het dier, en toen hij voelde, hoe brandend droog die was, was ook zijn eetlust voorbij: hij schoof zijn bord op zij.Toen stond hij op en ging tastend langs den wand naar zijn bed—de hond kroop langzaam achter hem aan. Hij nam zijn hoofdkussen van het bed en legde het op den vloer. “Kom, hier, Karo! beste hond, ga maar koesten.” De hond kroop op het kussen en likte hem de handen. De tong was droog en heet. “O, Karo,” zuchtte de blinde, “word mij niet ziek. Laat mij niet alleen, ik heb mij zoo aan je gehecht, ik zou nooit, nooit een anderen hond kunnen nemen!” De hond kwispelde lusteloos met den staart; maar toen de oude man weer in zijn’ stoel ging zitten, kroop hij achter hem aan en ging weer aan zijne voeten liggen.Toen Lize dat zag zei ze: “Zoo’n hond heeft toch ook waarde! wat een trouw beest is het! Neen, dan zou Meesters poes nog eerder gemist kunnen worden.”—“Bedenk je goed,” zei het mannetje, “meer dan drie keer durf ik je tenminste niet bij de klok laten. Morgen is het dus de laatste maal. Daarom raad ik je, ga morgen eerst eens bij den meester kijken, of de poes daar wel zoo best gemist kan worden, als je meent, anders krijg je misschien weer berouw.”—“Ja, dat is goed, dat zal ik doen,” zei Lize, en zuchtende ging ze naar huis.Nu zag ze weer aanhoudend den blinden overbuur met zijn zieken hond voor zich. ’s Morgens was haar eerste gedachte, hoe het er wel mee wezenzou. Ze was er zoo vol van, dat ze geen’ tijd had, aan zich zelf en haar eigen verdriet of plezier te denken. Op ’t laatst kon ze ’t in huis niet langer uithouden. Ze had den blinde met zijn’ hond nog niet zien loopen, ze had den hond nog geen eenen keer hooren blaffen. Ze zou er maar eens heengaan. Wacht—ze had vleesch op schotel, dat zou ze voor den armen man meenemen. Misschien, dat de arme zieke hond er ook een stukje van lustte.Ze stapte naar den overkant. “Zoo, buurman,” zei ze, “ik kom eens naar je kijken, ’k Zag je niet met den hond de deur uitkomen van morgen, hoe komt dat zoo?”—“Och,” zei de blinde, “is de juffrouw van hierover daar? Dat is hartelijk. Zie, ik heb altijd wel tegen de menschen gezegd: och, de juffrouw zal wel beter wezen, dan ze lijkt.” Lize kleurde verschrikkelijk en was maar blij, dat haar buurman het niet zag. “Och,” zei de blinde verder, “ik kan niet uitgaan, mijn trouwe leidsman is ziek. Kijk hij eens lusteloos neerliggen.”Lize keek naar den hond, en ze verbeeldde zich dat het dier haar verwijtend in de oogen zag: alsof hij zeggen wou: waarom heb je mij zoo ziek gemaakt! “Ik heb wat vleesch voor je meegebracht, buurman,” zei ze. “Probeer eens, of de hond daar ook een stukje van lust.” De blinde hield den hond een stukje toe, maar niet eens in vleesch had het arme beest trek.Zijn baas zuchtte. “Och, Juffrouw,” zei hij, “als ik dat beest moest missen, zou ik mij geen’ raad weten. Geen mensch is zoo lief en hartelijk voor mij, als dat stomme dier. Hij verstaat alles, wil U wel gelooven ....” “Ik geloof, dat er iemand bij mijne deur is,” zei Lize. “Dag, buurman! ik kom wel eens weer kijken!” Ze kon niet langer aanhooren, wat de blinde man zei. “Mijne schuld! mijne schuld!” dacht ze aanhoudend. “O, je moest ook eens weten, wie je zoo ongelukkig gemaakt heeft!”Nu was het bijna een geluk, dat ’s middags de kinderen van den timmerman bij haar kwamen. Die babbelden zoo aardig en speelden zoo lief, dat Lize er wel naar luisteren en naar kijken moest, en daardoor vergat ze voor eene poos haar verdriet. Lize had nog nooit geweten, dat kinderen zoo aardig kunnen zijn. En toen de kleintjes zoo dankbaar waren voor alles, wat ze kregen en zoo gelukkig, dat ze ook wel eens voor het huis in het tuintje mochten spelen, dacht Lize, dat het toch ook wel aardigwas, anderen plezier te doen. De menschen, die voorbij kwamen, stieten elkaar aan en zeiden: “Kijk die eens!” en voor ’t eerst riepen ze Lize een vriendelijk: “Dag, Juffrouw!” toe.Toen de kleintjes weer naar huis waren, dacht Lize: “Nu wordt het tijd om naar Meester te gaan.” Vóórdat ze weer naar de klok ging, moest ze immers weten, hoe het daar was, en of het nu zoo erg zou zijn, als ze daar de poes eens moesten missen. Lize wist niet veel van de meestersfamilie; alleen had ze wel eens gehoord, dat ze maar één kind hadden, dat niet sterk was. Ze was een beetje verlegen, wat ze zou zeggen, omdat ze er nog nooit geweest was.Toen ze bij ’t huis kwam, stond de vrouw van den meester in de deur. Ze riep: “Poes, Poes! Mies! Mies!” Dat trof nu al heel raar. Lize bleef staan en vroeg: “Is uwe poes weggeloopen?”—“Ja,” zei de meestersvrouw, “en ’t kleine meisje heeft zoo’n verlangen naar het dier.”—“Hoe is het met uw klein meisje?” vroeg Lize. “Niet zoo heel best,” zei de vrouw, “ze ligt weer te bed. Wil U niet eens binnen komen, dan kunt U haar eens zien.”Lize ging mee naar binnen. Daar zat het kleine meisje overeind in haar bedje. Haar gezichtje was bleek met brandend roode plekken. Ze keek verlangend naar de deur en zag de moeder met hare groote blauwe oogen vragend aan. “Wacht een poosje, Marietje,” zei de moeder, “er is visite. Poes zal zóó wel komen.” Een oogenblikje hield het kind zich stil, maar ze bleef naar de deur kijken, alsof het dier door de reet binnen kon komen. Eindelijk klaagde ze: “Komt niet!” De moeder bracht haar eene pop, maar Marietje wou niets van de pop weten. “Kom,” zei de moeder,“ga dan maar slapen, Poes zal straks wel komen.” Het kind ging gehoorzaam liggen. Maar onder het praten door hoorde Lize haar zachtjes schreien.Daar op eens hoorde Lize een vroolijk lachen. Verwonderd zag ze naar het bedje van ’t kind. Daar zat het met schitterende oogjes overeind en liefkoosde eene groote, mooie, grijze kat. Zonder dat de moeder of Lize iets gemerkt hadden, was poes door een open raam binnen gekomen. “Mijn lieve, lieve Poeke,” riep het kind, “mag niet weer weggaan!”—“O,” zei de moeder, “dat kind is dol op de poes. Wat haar ook scheelt, bij Poes kan ze altijd troost vinden.”Lize wist genoeg. Ze maakte maar, dat ze zoo gauw mogelijk wegkwam. Toen het avond was, stapte Lize dapper naar de klok en draaide den zwarten wijzer weer naar haar eigen huisnummer. Nu ratelde de klok niet; maar Lize verbeeldde zich, dat ze een tevreden gebrom hoorde. De oude klokkenmaker drukte haar hartelijk de hand, maar zei geen woord.Toen Lize weer buiten kwam, scheen de maan. Het geheele dorp was in rust, en de huizen leken in den maneschijn zoo vredig en stil. Lize had het dorpje nog nooit zoo mooi gevonden. ’t Was, of ze ’t nu voor ’t eerst lief had met al de menschen, die er in woonden. Toen ze in huis kwam, ging ze dadelijk met eene lantaarn naar den stal. Ja, daar lag haar lieve geit lusteloos en ellendig: doodziek. Ze gaf het dier een bos versch stroo, om op te liggen en een’ bak vol schoon water. “Arm geitje,” zei ze, “dat is alles, wat ik voor je kan doen op ’t oogenblik. Morgen wil ik den veearts roepen. Misschien, dat die nog iets kan geven, dat je goed doet.” Maar toen Lize den volgenden morgen in den stal kwam, was de geit dood. De tranen sprongen haar uit de oogen, maar toch zei ze: ”’t Is zoo het beste.”Toen Lize nog aan ’t ontbijt zat, hoorde ze op eens een vroolijk geblaf. Ze liep in het tuintje voor ’t huis. Daar zag ze haar overbuurman met zijn trouwen Karo. “Zoo, buurman,” riep ze, “al zoo vroeg op ’t pad?”—“Ja,” antwoordde de blinde, “ik kon ’t van plezier niet langer in huis uithouden. Ik ben zoo gelukkig: mijn Karo is heelemaal weer beter!”—“Och, daar ben ik blij om,” zei Lize, “je kon hem ook zoo slecht missen. Van nacht is mijne geit gestorven.”—“Och, Juffrouw,” zei de blinde, “wat spijt me dat! Als ik denk, dat Karo nu dood had kunnen zijn! Hoe jammer toch van uwe geit!”Na een poosje kwam de vrouw van den timmerman. Ze had gehoord, dat de geit van juffrouw Lize dood was, dat vond ze toch zoo verschrikkelijk! “Zoo’n beste, melkgevende geit!”—“Ja,” zei Lize, ”’t is naar, maar ’t is toch nog maar een geluk, dat het jullie geit niet is. Ik kan me er beter zonder redden.”—“Hoe lief van U, dat te zeggen,” zei de vrouw van den timmerman. Lize kleurde weer, toen ze zoo geprezen werd. Ze was er nog niet aan gewend, maar toch—o, het gaf haar zoo’n gelukkig gevoel, dat ze iets goeds gedaan had.’s Middags kwam de vrouw van den meester met kleine Marietje aan dehand. Die had ook al van het ongeluk gehoord en bracht nu een’ pot met vette melk. “Ik dacht,” zei de meestersvrouw, “nu U geene melk van de geit kon krijgen...,”—“Dat is aardig,” zei Lize. “Is Marietje weer wat beter? Kijk, ik zou er nog wel meer dan eene geit voor willen missen, als die eerst eens weer mooie roode wangetjes had.” Toen greep de meestersvrouw Lize bij de handen en keek ze haar zoo dankbaar in de oogen. ’t Was, of die twee elkaar voor altijd trouwe vriendschap beloofden.Voort ging de tijd. In alle huizen ging de gewone klok van uur tot uur regelmatig de wijzerplaat rond; maar de geluksklok ging haar eigen weg. Dan kwam het ongeluk in ’t eene, dan in ’t andere huis. Als Lize hoorde, dat er hier of daar ellende in een huis was, zag ze in hare gedachten den zwarten wijzer op het nummer van dat huis staan. Dan ging ze er heen, om te troosten of hulp te brengen, zooveel ze kon. Nooit dacht ze er weer aan, zelf naar de geluksklok te gaan. Zooals het geluksuurwerk ging, zoo zou het wel het best zijn, begreep ze.Eens vroeg de vrouw van den meester haar: “Zeg me toch eens, hoe het zoo gekomen is, dat je zoo veranderd bent. Vroeger hield niemand van je, nu hebben groot en klein je lief.”Dat was eene lastige vraag. Lize mocht niet van haar bezoek aan het mannetje en de geluksklok vertellen.“Och,” zei ze, “ik heb eindelijk begrepen, dat een ander wel eens beter, of liever, of ongelukkiger kon zijn dan ik zelf. Toen heb ik geprobeerd voor een ander te leven. En toen begreep ik ook, wat mijne juffrouw op school altijd zei: ‘De liefde is als de echo, die ongeroepen stom blijft.’ Ik heb nu geroepen, en het geluid kwam terug: ik heb liefde gegeven en liefde ook ontvangen, en nog nooit in mijn leven ben ik zoo gelukkig geweest.”Dat is de geschiedenis van de geluksklok, die Lize van hare zelfzucht genas en haar gelukkig maakte.

“Mannetje, mannetje Timpetee,Botje, botje in de zee,Mijne vrouw, mijn Ilsebil,Wil niet, zoo als ik wel wil.”

“Mannetje, mannetje Timpetee,Botje, botje in de zee,Mijne vrouw, mijn Ilsebil,Wil niet, zoo als ik wel wil.”

“Mannetje, mannetje Timpetee,

Botje, botje in de zee,

Mijne vrouw, mijn Ilsebil,

Wil niet, zoo als ik wel wil.”

Toen kwam de bot boven zwemmen en zei: “Zoo, wat wil ze dan?”— “Ach,” zei de man, “nu zegt mijne vrouw, ik had je toch gevangen, ik had mij wat moeten wenschen. Ze mag niet graag meer in een hutje bij een’ mesthoop wonen, ze wil graag een huisje hebben.”

“Ga maar heen,” zei de bot, “ze heeft het al.”

Toen ging de man heen, en zijne vrouw zat niet meer in het oude hutje bij den mesthoop, maar een eindje daar vandaan stond een aardig steenen huisje, en voor de deur op eene bank zat ze. En zijne vrouw nam hem bij de hand en zei: “Nu ga maar eens mee binnen: kijk, zoo is het toch veel beter.” En ze gingen in het huisje, en daar was een aardig portaaltje en eene mooie kamer en eene slaapkamer met twee bedden’ en eene keuken met allerlei keukengereedschap van blinkend tin en koper aan den wand en eene provisiekast met alles, wat er in behoorde. En achter ’t huis was een bleekje met kippenhok en kippen, en verder naar achteren een tuintje met groenten en appel- en pereboomen en andere vruchten. “Zie,” zei de vrouw, “is dat nu niet aardig?”—“Ja,” zei de man, “nu is ’t goed, en nu zal ’t ook goed blijven, nu willen we tevreden leven.”—“Daar zullen we nog eens over denken,” zei de vrouw. En ze aten wat en gingen in bed.

Dat duurde wel acht of veertien dagen, toen zei de vrouw: “Hoor eens, man, het huisje is eigenlijk te benauwd, en de bleek en de tuin zijn zoo klein: de bot had ons toch ook wel een grooter huis kunnen geven. Ik zou wel graag in een kasteel mogen wonen: ga naar den bot en zeg, dat hij ons een kasteel geven moet.”—

“Ach, vrouw,” zei de man, “het huisje is immers goed genoeg, wat hebben we een aan kasteel?”—

“Och, kom,” zei de vrouw, “de bot kan het gemakkelijk doen.”—“Neen, vrouw,” zei de man, “de bot heeft ons eerst het huisje gegeven, ik heb geen’ lust er al weer heen te gaan: hij kon er wel verdrietig omworden.”—“Kom, ga toch heen,” zei de vrouw, “hij kan het gemakkelijk doen en wil het graag doen.” Het werd den man zoo zwaar om ’t hart, hij zag er zoo tegen op om te gaan! Hij zei bij zich zelf: ”’t is verkeerd;” maar hij ging toch.

Toen hij bij de zee kwam, was het water zoo grijs en grauw en zwart en troebel, en het borrelde van onderen op en rook zoo benauwd.

Toen ging hij staan en riep:

“Mannetje, mannetje Timpetee,Botje, botje in de zee,Mijne vrouw, mijn Ilsebil,Wil niet, zoo als ik wel wil!”

“Mannetje, mannetje Timpetee,Botje, botje in de zee,Mijne vrouw, mijn Ilsebil,Wil niet, zoo als ik wel wil!”

“Mannetje, mannetje Timpetee,

Botje, botje in de zee,

Mijne vrouw, mijn Ilsebil,

Wil niet, zoo als ik wel wil!”

“Nu, wat wil ze dan?” vroeg de bot.

“Och,” zei de man, half treurig: “nu wil ze in een kasteel wonen.” “Ga maar heen,” zei de bot, “ze staat al voor de deur.”

Toen ging de man, en toen hij bij de plek kwam, waar zijn huisje moest staan, was er geen huisje meer, maar een groot kasteel, en op de trap van ’t kasteel stond zijne vrouw, die wou net naar binnen gaan. Toen nam ze hem bij de hand en zei: “Kom maar binnen.” Hij ging met haar naar binnen, en daar kwamen ze in eene gang met marmeren vloersteenen. En ’t was er vol bedienden, die gooiden groote dubbele deuren open, en ze zagen prachtig behangen kamers en zalen. En in de zalen stonden stoelen en tafels van klinkklaar goud, en kristallen kronen hingen aan de zolders, en in al de kamers waren prachtige vloerkleeden. En de tafels bogen onder de zwaarte van al het eten. En achter het huis was ook een groot plein met een’ koestal en een’ paardenstal en een koetshuis met mooie koetsen er in. Nog verder naar achteren: een heerlijke tuin met prachtige bloemen en fijne vruchtboomen, en daar weer achter een bosch van wel eene halve mijl, en daar waren hazen en herten en reeën in en alles, wat je maar wenschen kon.

“Nu,” zei de vrouw, “is dat nu niet mooi?”—“Och, ja,” zei de man, ”’t is mooi, en nu zal het ook mooi blijven, nu willen we in het prachtige kasteel wonen en tevreden wezen.”—“Daar zullen we nog eens overdenken,” zei de vrouw, “daar zullen we ons nog eens op beslapen.” En zoo gingen ze naar bed.

Den volgenden morgen was de vrouw al heel vroeg wakker, ze ging overeind in haar bed zitten en zag naar buiten. Wat een heerlijk uitzicht, wat prachtige landerijen! De man zag zijne vrouw zitten; maar hij was nog slaperig en gaperig. Hij rekte zich eens uit: daar stiet zijne vrouw hem met den elleboog aan en riep: “Kijk toch eens uit het venster, wat heerlijke velden en weiden! Zeg, we moesten koning en koningin worden over dit land! Ga naar den bot en zeg, dat we koning en koningin willen wezen.”

“Och, vrouw,” zei de man, “wat zal het beduiden, dat wij koning en koningin zijn. Ik heb er geen’ zin in, ik mag niet graag koning zijn.”— “Nu,” zei de vrouw, “mag jij niet graag koning zijn, ik mag wel graag koningin wezen. Ga naar den bot en zeg, dat ik koningin wil worden.”—“Ach, vrouw,” zei de man, “wat zal ’t beduiden, dat jij koningin wordt, dat durf ik niet vragen, dat wil ik liever niet vragen.”—“Kom, waarom niet,” zei de vrouw, “je gaat straks maar heen en zegt, dat ik koningin wil worden.”

En de man ging heen, maar voetje voor voetje: want hij vond het zoo naar, dat zijne vrouw koningin wou worden. Het is niet goed, dacht hij. Maar hij liep verder, en hij kwam bij de zee.

En het water was nog zwart en zoo dik, zoo dik, en het borrelde en kookte al van onderen op en kwam met dikke bobbels boven, en er ging een rukwind over de zee, dat de golven omsloegen. De man rilde er van. Toen ging de man staan en riep:

“Mannetje, mannetje Timpetee,Botje, botje in de zee,Mijne vrouw, mijn Ilsebil,Wil niet, zooals ik wel wil!”

“Mannetje, mannetje Timpetee,Botje, botje in de zee,Mijne vrouw, mijn Ilsebil,Wil niet, zooals ik wel wil!”

“Mannetje, mannetje Timpetee,

Botje, botje in de zee,

Mijne vrouw, mijn Ilsebil,

Wil niet, zooals ik wel wil!”

“Nu, wat wil ze dan?” vroeg de bot. “Ach,” zei de man, “ze wil koningin worden.”—“Ga, maar heen, zij is ’t al,” zei de bot.

En de man ging heen, en toen hij bij het kasteel kwam, zag hij, dat het veel grooter geworden was met torentjes er op en prachtig lofwerk en beelden: een heel paleis.

En voor ’t paleis liep een schildwacht op en neer, en om het huis marcheerden soldaten, en hij hoorde trompetten klinken en op pauken slaan. En toen hij in ’t paleis kwam, zag hij, dat niet alleen de vloer, maar de gangen en alles van marmer was, met gouden randen afgezet. En voor de deuren hingen fluweelen gordijnen met gouden koorden en kwasten. Toen gingen de deuren van de groote zaal open, en daar was het heele hof bijeen: hofdames en heeren. En zijne vrouw zat op een hoogen gouden troon met fonkelende diamanten, en ze had eene prachtige kroon op en een’ scepter in de hand van zuiver goud en edelgesteenten, en aan weerszijden van haar stonden de hofdames in eene rij, eerst eene groote en dan weer eene, die wat kleiner was dan de eerste en weer eene kleinere, en zoo al door.

Toen ging de man voor den troon staan en vroeg: “Och, vrouw, ben je nu koningin?”—“Ja,” zei de vrouw,“nu ben ik koningin!” Toen stond de man zijne vrouw maar aan te kijken, en toen hij haar eene heele poos aangekeken had, zei hij: “Och, vrouw, wat lijkt dat mooi, dat jij koningin bent! Mooier kan het niet. Nu willen we ons ook niets meer wenschen.”—“Och, wat,” zei de vrouw, en ze schoof onrustig op haren troon heen en weer, “praat mij er niet van. ’t Heeft mij al weer veel te lang geduurd. Ik kan het niet langer uithouden. Ga maar naar den bot en zeg, dat nu ik koningin ben, ik ook wel keizerin kan worden.”—“Och, vrouw!” riep de man, “wat zal het beteekenen, dat je keizerin wordt?” “Man,” zei ze, ga heen, “ik wil, ik moet keizerin worden.”—“Och, vrouw,” zei de man, “keizerin kan hij je niet maken, ik durf het niet aan den bot te zeggen, keizerin is nog veel meer dan koningin: keizerin kan de bot niet maken, dat kan en kan hij niet.”

“Hoe durf je zoo te praten!” riep de vrouw, “ik ben de koningin, en jij bent maar mijn man, wil je wel eens gauw heen gaan, dadelijk, hoor! Als de bot mij koningin kan maken, dan kan hij mij ook keizerin maken. Ikwilkeizerin wezen. Ga dadelijk heen.”

Toen moest de man wel gaan; maar hij kon de beenen haast niet voor elkaar krijgen, hij had het zoo benauwd. In zich zelf zuchtte hij: “Dat gaat niet goed, dat gaat niet goed: keizerin is te erg, het kan den bot op ’t laatst ook wel te veel worden.”

Zoo kwam hij aan de zee, en toen hij, het water zag, werd hij duizelig, en hij trilde, en de knieën knikten hem. De wind gierde, en de wolken joegen, en ’t werd zoo donker, net of het avond was, en de bladeren vlogen van de boomen en dwarrelden over den grond, en ’t water bruiste en kookte en plaste aan den oever. En in de verte zag hij de schepen, die dansten op de golven, en de noodschoten knalden, en de hemel was vol grijze wolken, die elkaar verdrongen, en dikke donderkoppen waren op de wolken als bij een zwaar onweer, en zoo donker, zoo donker was de hemel. Alleen in ’t midden was nog een plekje blauw te zien. Toen werd de man zoo angstig en verlegen, en hij riep zoo bang, zoo bang:

Mannetje, mannetje Timpetee,Botje, botje in de zee,Mijne vrouw, mijn Ilsebil,Wil niet, zooals ik wel wil!”

Mannetje, mannetje Timpetee,Botje, botje in de zee,Mijne vrouw, mijn Ilsebil,Wil niet, zooals ik wel wil!”

Mannetje, mannetje Timpetee,

Botje, botje in de zee,

Mijne vrouw, mijn Ilsebil,

Wil niet, zooals ik wel wil!”

“Nu, wat wil ze dan?” vroeg de bot. “Ach, bot,” zei de man, “mijne vrouw wil keizerin worden.”—“Ga maar heen,” zei de bot, “ze is ’t al.”

En de man ging heen, en toen hij weer thuis kwam, was het heele paleis van glanzend wit marmer met gouden figuren. Vóór het huis marcheerden de soldaten en ze bliezen op trompetten en sloegen op trommels. En in het paleis liepen baronnen en hertogen en graven rond en deden, of ze bedienden waren: ze maakten de deuren voor hem open, de deuren, die van puur goud waren. En toen hij binnen kwam, zag hij daar zijne vrouw op een’ troon, die van één stuk goud gemaakt was en die wel een huis hoog was, en eene groote gouden kroon had ze op, die was wel drie ellen hoog, en die fonkelde van edelgesteenten. In de eene hand had ze den scepter en in de andere den rijksappel. Aan beide zijden van haar stonden de hofheeren en dames, de een al een beetje kleiner dan de andere, van den allergrootsten reus, die wel zoo lang was als een boom, tot het kleinste dwergje, dat niet grooter was dan een pink. En vóór haar stonden vele voorname heeren: koningen en prinsen. Daar ging de man tusschen staan en hij vroeg: “Ben je nu keizerin?”—“Ja,” zei ze, “ik benkeizerin.” Toen stond de man en bekeek de vrouw van alle kanten, en toen hij haar eene poos vlak in ’t gezicht gezien had, zei hij: “Och, vrouw, wat lijkt het mooi, dat jij keizerin bent.” Maar de vrouw zat zoo stijf als een boom, ze verroerde zich niet. Toen zei de man: “Nu wees tevreden vrouw, nu je keizerin bent: meer kun je toch niet worden.”—“Daar zal ik mij eens op bedenken,” zei de vrouw. Zoo gingen ze naar bed; maar de vrouw was niet tevreden, ze kon van ontevredenheid niet slapen, al door dacht ze: wat zou ik nu nog kunnen worden?

De man sliep heerlijk en rustig: hij had ook zoo veel geloopen dien dag; maar de vrouw keerde zich van de eene op de andere zijde, en dacht maar al door, wat ze toch nog wel zou kunnen worden en kon maar niets bedenken. Dat duurde zoo den heelen nacht. Eindelijk zou de zon opgaan, en toen ze nu het morgenrood aan den hemel zag, ging ze overeind in ’t bed zitten en zag in het morgenrood op, en toen ze door het venster de zon op zag komen, dacht ze: “Ha! kan ik ook de zon en de maan niet op laten gaan?! En—man,” zei ze, en ze stiet hem met den elleboog aan, “man, word wakker! Gauw, ga naar den bot en zeg, dat ik worden wil als onze lieve Heer!”

De man was nog diep in den slaap, maar hij schrikte zoo, dat hij uit bed viel. Hij dacht, dat hij wel niet goed gehoord zou hebben, en hij wreef zich de oogen uit en zei: “Och, vrouw, wat zeg je!”—“Man,” zei de vrouw, “als de zon en de maan op zullen gaan, dan moetikze laten opgaan; ik kan ze niet op zien gaan, als ik het zelf niet doe, dat hou’ ik niet uit, dan heb ik geene rust meer in mijn leven.” En ze zag hem met oogen aan, zoo gril, dat hem eene rilling door de leden ging. “Dadelijk heengaan!” riep ze, “ik wil worden als de lieve Heer!”—“Och, vrouw,” zei de man, en hij viel voor haar op de knieën, “wat ik je bidden mag, laat mij dat niet vragen; dat kan de bot niet doen. Koningin en keizerin, dat gaat nog, wees tevreden en blijf keizerin!”

Toen werd de vrouw zoo boos en wild, de haren vlogen haar om het hoofd, en ze schreeuwde met eene rauwe stem: “Ik hou’ het niet uit, en ik hou’ het niet langer uit, wil je nu wel eens heengaan?!” Toen schoot de man in de kleeren en liep als krankzinnig de deur uit.

Maar buitenloeide de wind en stormde het zoo, dat hij haast niet opde beenen kon blijven. De boomen waaiden om, de schoorsteenen vlogen van de huizen, de grond schudde, en rotsblokken rolden in de zee. De lucht was pikzwart, en het donderde en bliksemde, en de golven gingen torenhoog en hadden bruisende witte koppen. Toen schreeuwde de man, en hij kon zijne eigen woorden niet verstaan:

“Mannetje, mannetje Timpetee,Botje, botje in de zee,Mijne vrouw, mijn Ilsebil,Wil niet, zoo als ik wel wil!”

“Mannetje, mannetje Timpetee,Botje, botje in de zee,Mijne vrouw, mijn Ilsebil,Wil niet, zoo als ik wel wil!”

“Mannetje, mannetje Timpetee,

Botje, botje in de zee,

Mijne vrouw, mijn Ilsebil,

Wil niet, zoo als ik wel wil!”

“Nu, wat wil ze dan?” vroeg de bot. “Ach!” zei de man, “ze wil worden als onze lieve Heer!”—“Ga maar heen, ze zit al weer in het hutje bij den mesthoop,” zei de bot....

Daar zit ze nog tot op dezen dag.

Toen ze klein was, was ze eenigst kindje, de vrouw, waarvan ik vertellen wil. En ze werd verwend en vertroeteld, zooals heel veel eenigste kinderen. Als Liesje een nieuw hoedje moest hebben en de hoed was wat duur, dan zei Moeder: “Och, ze moet hem maar hebben, we hebben ook maar één kind.”—Als Vader en Moeder uitgingen, dan moest Liesje maar mee. “Och, we hebben er ook maar één,” zei Vader. Liesje kreeg, wat haar hartje begeerde, en Liesje gaf—niets. Nooit behoefde ze eens hare mooie plaats bij ’t raam af te staan aan een zusje, nooit was het eens hare beurt om thuis te blijven. Het lekkere kapje van ’t wittebrood was altijd voor haar, geen broertje was er, waar ze kousen voor moest breien—als ze breide, breide ze voor zich zelf. Wel zei Moeder eens: “Liesje, zou je niet eens een paar sokken voor Vader breien?” Maar aan sokken voor Vader moesten zulke akelig groote voeten, en Vader zei: “Och, laat haar maar, als ze geen’ lust heeft.”

Dachten Vader en Moeder bij alles: “we hebben maar één kind omplezier te doen,” Liesje dacht nooit: “Vader en Moeder hebben maar één kind, om hun plezier te doen, en dat kind ben ik: ik zal nu eens doen, wat Vader en Moeder graag willen.” Liesje deed alleen, wat ze zelve graag wou.

Als de meid eens vroeg: “Och, Lies, ik heb het zoo druk, wil jij even rijst voor me halen?” dan zei Liesje: “Dank je, ik hou’ niet van boodschappen doen!”—Neen,zijhield niet van boodschappen doen.

Als Fik, de hond, moe van eene lange wandeling, lekker in zijn mandje lag te rusten, dan moest hij juist eens voor Liesje opzitten. Zij had er op dat oogenblik lust in, en of de hond hetnietprettig vond, dat kon haar niet schelen. Lag Poes gezellig op Moeders schoot te spinnen, dan zou ze juist met de hand aan ’t behang krabbelen, om Poes wijs te maken, dat er eene muis achter zat.

Was Tante Mientje ziek, en Moeder zei: “Lies, ik zou ’t wel aardig vinden, als je Tante eens wat voor ging lezen, de stumper mag met dit mooie weer de deur niet uit, dan was ’t: ‘Ik heb geen boek!’”—“Je hebt immers zooveel boeken!”—“Ja, maar die heb ik allemaal al gelezen!”Zijhad ze allemaal gelezen, maar Tante Mientje niet.

Met de schoolmeisjes kon ze niet opschieten. Liesje wou natuurlijk altijd de spelletjes kiezen, die er gespeeld zouden worden. En de schoolmeisjes zeiden niet: “Och, laat Liesje maar den zin hebben, ze is ook eenigst kindje.” Neen, de schoolmeisjes zeiden: “Je kunt niet altijd je zin hebben’, speel ook eens, wat wij prettig vinden!”—Dan vond Liesje de meisjes “nare kinderen,” maar zelf was ze niet naar, och, neen.

Vader en Moeder wilden zoo graag, dat Liesje een vriendinnetje had. Maar dat wou niet lukken. Een paar maal over en weer bij elkaar, en uit was ’t met de vriendschap. Telkens, als Liesje weer moest hooren: “Ik wil niet langer met je!” dan klaagde ze: “Niemand houdt van mij!” Ze vergat, wat de juffrouw van de school gezegd had: “Met de liefde is het als met de echo. Alleen, wanneer men geluid maakt, kan het geluid weerkaatsen, en alleen als men iemand liefde bewijst, kan men liefde terug verwachten.”

Zoo ging het eene jaar na het andere voorbij: Liesje werd ouder, en was zoo langzamerhand een volwassen meisje geworden. Een vroolijk jonge meisjeslevenhad ze niet. Ze zat altijd bij Vader en Moeder thuis, en praatte dus alleen met menschen, die veel ouder waren dan zij zelve. Daardoor werd ze wel wijs en knap, maar niet jeugdig en vroolijk. Vader en Moeder zeiden wel: “Lize, toe, zoek toch nog eens eene vriendin;” maar dan antwoordde Lize: “Ik heb er geen behoefte aan; ik heb aan u beiden genoeg.” Lize vergat iets: er zou een tijd komen, dat ze een van de beiden moest missen, dat ze maar één van de beiden overhield, en eindelijk—dat ze niets overhield.—

Toen Vader en Moeder gestorven waren, kon ze ’t in huis en ook in de stad niet langer uithouden. “Ik moet hier weg,” snikte ze, “ik heb hier toch niemand, die lief voor me is.” Ze trok naar een dorpje in eene bergstreek, waar ze vroeger voor plezier eens met Vader en Moeder geweest was. Gelukkig hadden Vader en Moeder voor haar gespaard. Zoo kon ze in een aardig huisje gaan wonen. De buren in het dorpje kwamen haar vriendelijk tegemoet; maar Lize zette een onverschillig gezicht. Wat konden die vreemde menschen haar schelen met hunne praatjes over hunne kinderen en hunne koeien en schapen en geiten—dat waren hare kinderen en koeien en schapen en geiten immers niet!

Lize was nog altijd dezelfde. Ze leefde voor haar huisje en alles wat daar in was, en daarmee uit. Werd er een kindje in het dorp geboren, het deed haar geen plezier; stierf er iemand, het deed haar geen verdriet. Was ze uit de stad gegaan, omdat niemand haar lief had—zóó zou haar op het dorp ook weer niemand lief krijgen.

O, Lize, Lize, waarom niet aan de echo gedacht?

Zou ze nu haar heele leven zoo zelfzuchtig blijven?

Geduld—ik vertel verder.

Eens op een’ zomeravond stond Lize in de deur, om wat in de frissche lucht te zijn. Juist kwam er een klein, grijs mannetje voorbij. “Goeienavond,” zegt het mannetje vriendelijk. En toen: “Kom, het doet me plezier, dat ik de eigenares van dit keurige huisje met het vriendelijke tuintje eens zie. Ik kom hier zoo dikwijls voorbij, en ik heb er altijd aardigheid aan, zoo netjes als alles hier er uitziet.” Lize dacht, dat ze er niet veel om gaf, of de menschen haar prezen en iets vriendelijks zeiden; maar de woorden van het oude mannetje dedenhaar toch plezier, en ze antwoordde: “Ik ken je niet. Zeker woon je ver van hier?”

“Ik woon daar ginds, in de bergen,” zei het mannetje. “Ik kom hier wel meer voorbij; maar ik zie je nooit aan de ramen. Zeker ben je niet heel nieuwsgierig uitgevallen.”

“Neen,” zei Lize, “wat andere menschen doen, kan mij niet schelen.” “Dat dacht ik wel,” zei het mannetje, “je krijgt zeker ook nooit bezoek, anders zou je tuintje en alles er niet zoo keurig netjes uitzien. En als het nu al zoo mooi buiten is, hoe zal het binnen dan wel wezen!”

“Kom maar eens kijken,” zei Lize.

“Mag ik? graag!” zei het mannetje.

Nu deed Lize de huisdeur open, en het mannetje ging binnen. Hij liep op de teenen en stiet nergens tegen aan. Hij sloeg de handen in elkaar over de netheid van het huisje. “Hier komen zeker nooit kinderen?” vroeg hij.

“Kinderen, neen,” zei Lize, “die komen overal met de vingers aan, en betasten alles, en dan zou ik maar weer werk hebben met schoonmaken. Iemand, die zoo voorzichtig is als jij, past mij beter. Je lijkt mij ook een preciesje. Wat is wel je handwerk?”

“Ik ben horlogemaker,” zei het mannetje. “Heb je soms eene klok, die niet goed gaat; ik wil die met plezier in orde maken.”

“Daar zeg je zoo iets,” zei Lize, “mijne klok staat al eene poos stil en wil niet weer loopen, en ik ken hier op het dorp geen’ klokkenmaker. Wilje eens zien, wat er aan hapert? Zoo’n stilstaande klok vind ik zoo iets onordelijks.”

“Zeker,” zegt het mannetje, en hij trok zijne vilten schoentjes uit en stapte op een’ stoel en bekeek de klok en smeerde de raderen, en een oogenblik later tikte de klok weer. “Dank je vriendelijk,” zei Lize. “Wat ben ik je schuldig?”

“Niets,” zei het mannetje. “Komaan, nu moet ik weer verder. Als je eens eene wandeling door de bergen maakt, kom dan ook eens bij mij. Je volgt den hoofdweg maar en slaat dan rechtsaf. Misloopen kun je niet.” “Goed,” zei Lize, “ik kom bepaald eens. Ik dank je nog wel!”

“Niet te danken, tot ziens dan,” zei het mannetje, en stapte verder.

Niet lang daarna brak er op het dorp eene booze ziekte uit onder het vee. Men hoorde van niets praten dan van zieke koeien en paarden en geiten. Lize zat den geheelen dag in angst, dat hare dieren ziek konden worden. De angst maakte haar half ziek, en ze had geene vrienden, bij wie ze eens troost of afleiding kon zoeken. Wacht, ze zou eens eene groote wandeling maken; misschien zou ze daar wat fleuriger van worden.

Ze stapte de deur uit en was al gauw op een mooien bergweg. Maar wat viel het klimmen haar moeilijk! Werd ze dan al zoo oud? Och, neen, ze was zoo bezorgd; dat maakte haar loom. Als hare mooie geit, waar ze zooveel van hield, nu eens ziek werd! Al tobbende liep ze verder, ze zag niets van den mooien weg, ze zag niet, waar ze was! Op eens bemerkte ze, dat ze op eene plaats was, die ze niet kende. Daar zag ze achter een grooten, met mos begroeiden steen, blauwe rookwolkjes opstijgen. Gelukkig, daar zouden bergwerkers zijn, die een vuur aangelegd hadden. Hun zou ze naar den verderen weg vragen. Ze wandelde om den steen heen, en wien zag ze daar bij een vuurtje gehurkt zitten, bezig aardappelen te braden! Het grijze mannetje: den kleinen klokkenmaker!

“Hé!” riep het mannetje, “dat is aardig, kom je mij nu eens opzoeken? Ga zitten, dan kun je mooi meeproeven van mijne aardappelen; ze zijn net klaar.”—“Graag,” zei Lize; want ze had honger gekregen van het bergklimmen. Daar zat ze al en keek rechts en links. “Waar is toch je huis?” vroeg ze. “Ik zie nergens een huis.”—“Zie je die deur daar in den berg?” vroeg het mannetje, “dat is mijne huisdeur.” Neen maar, zoo iets had Lize nog nooit gezien. Daar zag ze nu ook een vensterraam, naast de deur in den berg gebouwd. “Hé,” zei ze, “dat moet ik eens naderbij zien.”—“Met plezier,” zei het mannetje, “kom maar mee, dan kun je eens zien, of het bij mij ook zoo netjes is als bij jou!”—“Wat een grappig deurtje,” zei Lize, en ze bukte zich om er door te gaan. “Voor mij is het groot genoeg,” zei het mannetje.

Nu kwamen ze in eene groote ruimte; ’t leek wel eene boerenkamer. Aan den zolder hing eene lantaarn, die veel licht gaf. Dat was ook wel noodig; want door het kleine venster kwam maar weinig licht. Er stond eene prachtige kast aan den wand, en in de deuren waren kleine dwergjes gesneden. ’t Was net, of ze allemaal op Lize toe kwamen loopen.Het dwarrelde haar voor de oogen van dwergen. Het mannetje deed de kast open, en daar lag geen linnengoed, en er stonden geene kopjes en schoteltjes in, maar allerlei vreemde dingen, die Lize nog nooit gezien had! Het mannetje liet haar alles zien: steen, waar goud in zat, en steen, waar zilver en koper en ijzer in zat. Ook stukken hout van eene soort, die Lize nog nooit gezien had. En het mannetje vatte alles zoo voorzichtig aan en lei alles zoo netjes weer op de plaats, of elk ding een groote schat was.

Lize keek maar half toe, want ze had hare gedachten bij eene reuzendeur, die achter in de kamer was. Neen, maar wat was dat toch voor eene deur met breede ijzeren stangen er voor en een hangslot er op, zoo groot wel als eene groote reistasch. Daar achter zal nog wel iets veel mooiers zijn, dacht Lize. Ze liep al eens een beetje dichter naar de deur en hoorde nu een vreemd geluid: een ratelen, een tikken, ze wist niet recht, wat ze er van zou maken.

Nu zei het mannetje: “Kom, laat ons nu nog een poosje buiten gaan zitten, daar is ’t veel frisscher.”—“Ja,” zei Lize, “maar, zeg, wat is daar toch voor moois achter die sterke deur met dat groote hangslot?”—“O,” zei het mannetje, “daar zit eene klok achter,” en hij trok rimpels in zijn voorhoofd, alsof het hem niet aanstond, dat Lize er naar vroeg. Lize zag de rimpels wel, maar ze was zoo heel nieuwsgierig eene klok te zien, die zooveel leven maakte, en daarom zei ze: “Toe, laat mij haar maar eens zien, ik heb jou ook alles laten zien, wat ik in mijn huisje had.”—“Neen, dat kan niet,” riep het mannetje onwillig. “Bovendien, je zou er ook niets aan hebben, want ’t is geene gewone klok, ’t is de geluksklok van ons dorp, en vertel nu maar aan niemand, dat ik je dat gezegd heb; want dan zou ik mijn’ dienst verliezen.”—“Vertellen! och kom, aan wien zou ik nu iets vertellen!” riep Lize, “ik kom immers nooit bij andere menschen, en niemand komt bij mij.” En Lize, die hoe langer hoe nieuwsgieriger werd om de geluksklok te zien, praatte en vleide en bedelde wel zoo lang, dat het mannetje zei: “Nu, kom dan maar, maar vergeet nooit, dat je mij ongelukkig zou maken, als een ander ooit te weten kwam, dat ik je de klok had laten zien!”

Toen sloot hij zuchtende de deur open. Het slot knarste, de hengenpiepten, en daar zag Lize de klok. Eene reusachtige klok was het met eene groote, helderblauwe wijzerplaat. Op de wijzerplaat waren, in plaats van twaalf, wel honderd cijfers en onder elk cijfer stonden eenige kleine letters. Dan waren er geene twee, maar veel meer bont gekleurde wijzers op en één heel lange zwarte.

“Hé, hé, vreemd, vreemd!” riep Lize, “ik begrijp er niets van.”—“Dat wil ik wel gelooven,” zei het mannetje, ”’t is ook iets heel bijzonders met deze klok. Ik ben aangesteld, om er op te passen en er voor te zorgen. Maar dat is niet gemakkelijk, dat verzeker ik je. Altijd moet ik luisteren, of de klok regelmatig tikt. Ik kan nooit langer dan een uur van huis. ’s Nachts slaap ik nooit in een bed: ik moet dan altijd voor de deur liggen. Want weet je, wat er gebeurt: drie en twintig uren blijft de deur altijd gesloten, maar het vier en twintigste uur, en dat is het uur van middernacht, springt ze van zelf open en dan blijft ze een uur open. Dan juist moet ik wakker worden; want ik moet oppassen, dat niemand de klok kan zien. ’t Is moeilijk, altijd precies om twaalf uur wakker te worden en dan in den nacht een uur wakker te blijven, dat verzeker ik je. Ik ben ook al niet zoo heel jong meer.”—

Lize luisterde bijna niet naar wat het mannetje zei. “Maar, wat moeten al die cijfers toch beduiden?” vroeg ze. “Dat zijn de huizen van het dorp, en de letters er onder de namen van de menschen, die er in wonen. Zie, hier gaan nu de wijzers rond en wijzen aan,wat er zoo al in ieders leven gebeurt.”

Met gretige oogen zocht Lize nu haar huisnummer, en meteen zag ze, dat de groote zwarte wijzer al dichter bij haar huisnummer kwam. “Wat beduidt die lange zwarte?” vroeg Lize. “Die brengt ongeluk aan,” zei het mannetje, en meteen sloeg hij de deur weer dicht; want hij had ook gezien, dat de zwarte wijzer naar Lize’s nummer liep, en hij hoopte nog, dat Lize er niets van gemerkt had. Maar Lize had wel iets gemerkt, en het hart klopte haar zoo angstig.

Ze had een gevoel, of haar een groot ongeluk naderde. Ze wist nu op eens niets meer te vragen of te zeggen. Ze dankte het mannetje voor de vriendelijke ontvangst en keerde weer naar huis.

’t Was intusschen al duister geworden; maar Lize lette er niet op, ze staptein den droom voort: al hare gedachten waren bij de geluksklok. Voordat ze ’t wist, was ze weer in ’t dorp. Overal brandden de lichten, in haar huisje was het donker. Ze had geen’ lust meer, om licht op te steken, ze was ook zoo moe en had zoo’n verdriet. Lusteloos viel ze op een’ stoel neer, ze dacht aan geen naar bed gaan, neen, ze dacht alleen aan het ongeluk, dat haar naderde. “Waarmee heb ik dat verdiend?” dacht ze. “Doe ik iemand kwaad, zorg ik niet goed voor alles, wat ik bezit, ben ik niet netjes en spaarzaam? Kom dan eens bij anderen! Nu, dan zijn er genoeg, die dit of dat verkeerd doen, die wel eens verdienden gestraft te worden. Maar ik! waarom ik en niet een ander!” Met afgunst dacht ze aan al de anderen op ’t dorp, die niet ongelukkig zouden worden.

Het werd later, en Lize merkte het niet. Ze werd al boozer en verdrietiger en ongeruster. Plotseling—daar sloeg de klok twaalf! Lize sprong op. Twaalf uur! Nu ging de deur open, en de geluksklok was te zien. Voordat ze wist, wat ze deed, stond ze op straat en liep ze den weg op naar de bergen. Voordat ze wist, hoe ze er kwam, stond ze voor de deur van het berghuisje. En—de deur van het huisje was open, en de deur voor de klok was open en—o, wonder! het mannetje lag voor de open klokdeur en—sliep! Hij had de klok niet gehoord, hij had de klokdeur niet open hooren gaan! ’t Was, of het zoo wezen moest.

Lize sloop vooruit—voorzichtig; heel voorzichtig stapte ze over het slapende mannetje heen. Daar stond ze voor de klok. ’t Was, of de wijzerplaat verlicht was, en nu zag ze duidelijk den zwarten wijzer op haar huisnummer staan, en toen ze met verschrikte oogen op dat nummer staarde, was het, of ze door de wijzerplaat heen zag, ’t was of die doorzichtig was. En—wat zag ze er doorheen? Ze zag den stal bij haar eigen huis, en daar zag ze hare mooie geit ziek over den grond kruipen. De bak met eten stond onaangeroerd—de droge tong hing het arme dier uit den bek. “Waarom juist mijne geit, o, o, ik kan dat niet zien,” dacht Lize. “Waarom niet de geit van den kreupelen timmerman naast mij, die verdient het, die heeft door eigen schuld zijn been gebroken, toen hij te veel gedronken had. Wacht, ik schuif den wijzer één nummer verder.” Pas had Lize den wijzer verschoven, of de klok begon zoo te brommen en te ratelen, dat ze verschrikt wegvloog. Bijna was ze over debeenen van het mannetje gevallen—zeker had ze er tegen gestooten en hem misschien wakker gemaakt, en doodsangstig, wat er nu gebeuren zou, verstopte ze zich in een donker hoekje in de kamer.

Maar—het mannetjewaswakker geworden, en hij wist haar wel te vinden ook. Hij zei geen woord, maar nam haar bij de hand en plaatste haar recht voor de klok. En wat zag ze nu? Niet haar eigen stal met de zieke geit; maar ze zag regelrecht in de kamer van den kreupelen timmerman. Daar was de heele huishouding bij elkaar tot de eenige geit toe. Sinds de timmerman zijn been gebroken had, kon hij niet meer aan ’t werk gaan. Wel verdiende hij een beetje met korven vlechten; maar dat was niet zooveel, dat ze een huisje met een kleinen stal konden bewonen. Een treurig troepje leek het in die armoedige kamer. De timmerman zat met het hoofd in beide handen te zuchten. De vrouw veegde met haar boezelaar telkens stilletjes een’ traan weg, en twee kleine kinderen trokken haar aan den rok en riepen: “Toe, Moeder, geef ons nu pap!”—“Stil toch!” riep de vader verdrietig. Maar de kinderen keken de Moeder vragend aan. Eindelijk zei de moeder: “Ik heb immers geene melk, om pap te koken. Je weet, dat de geit ziek is en nu geene melk geeft. Straks komen groote broer en zus; die brengen geld mee, om brood te koopen.”

Nu ging de deur open, en de grootere kinderen kwamen binnen. Ze hadden den geheelen dag met boschbessen geloopen. Ze waren doodmoe en hadden honger ook. De eerste vraag was: “Is de pap klaar, Moeder?” Toen begon de moeder te schreien. En de Vader vroeg: “Waar is het geld?” Toen de kinderen het geld gegeven hadden, zuchtte hij: “Is dat alles? Dat heb ik noodig, om wilgeteenen voor de korven te koopen. Voor brood blijft er niets over.”—“Maar, Vader,” riep de moeder, “de kinderen kunnen toch niet verhongeren, ze moeten toch eten hebben!”—“Dan moeten ze maar wachten, tot de geit weer beter is,” zei de vader. “Wie weet, of die wel ooit weer beter wordt,” zuchtte de moeder.—

Toen Lize dat alles gezien had, deed ze de handen voor de oogen. Ze kon zooveel ellende niet meer zien. “O,” riep ze, “draai den wijzer weer op mijn nummer, dat de geit van die arme menschen blijft leven.”—Daar sloeg op eens de deur voor de klok dicht. “Kom morgennacht om twaalf uur terug,” zei het mannetje, en hij bracht haar aan de hand buiten zijn huisje.

Lize ging weer naar huis. De geit riep vroolijk: bè, bè! toen ze de deur open draaide. Maar ’t was, of ze geen plezier in de beterschap van het dier had. Ze zag den geheelen tijd de armoedige kamer van den timmerman met al de ongelukkige stumpers van menschen. ’s Nachts droomde ze er van. Hoe zou het er nu wezen? dacht ze ’s morgens bij ’t opstaan. Zouden de kinderen nu al eten gehad hebben? Het hart klopte haar van angst, dat de kleintjes nog van honger zouden schreien. Ze kon de boterham niet door de keel krijgen, en voor ze recht wist, wat ze deed, had ze brood en boter in een mandje gepakt en stond ze voor de deur van den timmerman.

Toen ze binnenkwam, zett’en allen groote oogen op. Was dat de buurvrouw, die tegen niemand van hen ooit een woord zei? Lize schaamde zich over de verbaasde gezichten. Maar de kleintjes droogden de tranen en hapten al gauw in eene lekkere boterham, en de moeder keek haar zoo dankbaar aan, dat er van binnen in Lize iets trilde. Ze kreeg zoo’n heerlijk gevoel, als ze nog nooit in haar leven gehad had. “Als je soms uit werken wilt gaan,” zei ze, “stuur de kleine kinderen dan maar bij mij. Ik zal wel op hen passen, en ze kunnen ook wel bij mij eten.” De arme vrouw drukte haar vol dankbaarheid de hand.

Toen stond Lize weer op straat. In huis zag ze den geheelen dag de dankbare gezichten voor zich. Ze vergat zich aan allerlei kleinigheden te ergeren, zooals ze gewoonlijk deed. Zoo werd het avond. Maar hoe later het werd, hoe meer Lize’s prettig gevoel verdween. Toen ze eindelijk den weg op ging naar het kleine mannetje, zuchtte en klaagde ze, dat ze nu zichzelf in ’t ongeluk moest brengen. Haar geit was zoo’n prachtig dier! Hoeveel guldens had ze er niet voor gegeven! Niet, dat ze de geit van de arme timmermansfamilie er voor wou laten sterven; maar daar had je nu bijvoorbeeld den hond van den overbuurman: ’t was toch beter, dat die stierf dan eene geit. ’t Was waar, hij leidde wel zijn blinden baas langs de straat; maar dat kon een kleinere hond ook wel doen. En dat was nog wel zoo goed voor den buurman; want een kleine hond eet lang niet zooveel als een groote. En dan, het beest kefte altijd zoo tegen haar, als de blinde haar tuintje langs kwam en zij buiten stond. Daarom alleen kocht ze nooit iets, als de oude man met koopwaar aan de deur kwam.

Toen ze nu met middernacht voor de geluksklok stond, schoof ze vlugden zwarten wijzer naar ’t huisje aan den overbuurman. Weer begon de klok te ratelen en te brommen van geweld, en, al wist Lize ook vooruit, wat er gebeuren zou, toch liep ze weer verschrikt achteruit. Maar weer nam de kleine klokkenmaker haar bij de hand en plaatste haar voor de klok.

Door de hel verlichte wijzerplaat zag ze nu in het kamertje van den blinden overbuurman. Die zat bij eene tafel en nam juist zijn middagmaal. Nu schepte hij wat op een bord voor Karo. Nu riep hij den hond. Maar Karo draaide den kop op zij; hij had geen’ lust in eten. Treurig keek hij zijn’ baas aan. Dat zag de blinde baas niet, maar wel hoorde hij, dat het dier, anders altijd zoo blij met zijn eten, niet at. “Hoe is het Karo? Wat scheelt er aan? Wil je dan een lekker hapje van den baas?” Maar Karo wou ook geen lekker hapje. Langzaam kroop hij naar den ouden man en legde den kop op zijne knie. De blinde man tastte nu naar den neus van het dier, en toen hij voelde, hoe brandend droog die was, was ook zijn eetlust voorbij: hij schoof zijn bord op zij.

Toen stond hij op en ging tastend langs den wand naar zijn bed—de hond kroop langzaam achter hem aan. Hij nam zijn hoofdkussen van het bed en legde het op den vloer. “Kom, hier, Karo! beste hond, ga maar koesten.” De hond kroop op het kussen en likte hem de handen. De tong was droog en heet. “O, Karo,” zuchtte de blinde, “word mij niet ziek. Laat mij niet alleen, ik heb mij zoo aan je gehecht, ik zou nooit, nooit een anderen hond kunnen nemen!” De hond kwispelde lusteloos met den staart; maar toen de oude man weer in zijn’ stoel ging zitten, kroop hij achter hem aan en ging weer aan zijne voeten liggen.

Toen Lize dat zag zei ze: “Zoo’n hond heeft toch ook waarde! wat een trouw beest is het! Neen, dan zou Meesters poes nog eerder gemist kunnen worden.”—“Bedenk je goed,” zei het mannetje, “meer dan drie keer durf ik je tenminste niet bij de klok laten. Morgen is het dus de laatste maal. Daarom raad ik je, ga morgen eerst eens bij den meester kijken, of de poes daar wel zoo best gemist kan worden, als je meent, anders krijg je misschien weer berouw.”—“Ja, dat is goed, dat zal ik doen,” zei Lize, en zuchtende ging ze naar huis.

Nu zag ze weer aanhoudend den blinden overbuur met zijn zieken hond voor zich. ’s Morgens was haar eerste gedachte, hoe het er wel mee wezenzou. Ze was er zoo vol van, dat ze geen’ tijd had, aan zich zelf en haar eigen verdriet of plezier te denken. Op ’t laatst kon ze ’t in huis niet langer uithouden. Ze had den blinde met zijn’ hond nog niet zien loopen, ze had den hond nog geen eenen keer hooren blaffen. Ze zou er maar eens heengaan. Wacht—ze had vleesch op schotel, dat zou ze voor den armen man meenemen. Misschien, dat de arme zieke hond er ook een stukje van lustte.

Ze stapte naar den overkant. “Zoo, buurman,” zei ze, “ik kom eens naar je kijken, ’k Zag je niet met den hond de deur uitkomen van morgen, hoe komt dat zoo?”—“Och,” zei de blinde, “is de juffrouw van hierover daar? Dat is hartelijk. Zie, ik heb altijd wel tegen de menschen gezegd: och, de juffrouw zal wel beter wezen, dan ze lijkt.” Lize kleurde verschrikkelijk en was maar blij, dat haar buurman het niet zag. “Och,” zei de blinde verder, “ik kan niet uitgaan, mijn trouwe leidsman is ziek. Kijk hij eens lusteloos neerliggen.”

Lize keek naar den hond, en ze verbeeldde zich dat het dier haar verwijtend in de oogen zag: alsof hij zeggen wou: waarom heb je mij zoo ziek gemaakt! “Ik heb wat vleesch voor je meegebracht, buurman,” zei ze. “Probeer eens, of de hond daar ook een stukje van lust.” De blinde hield den hond een stukje toe, maar niet eens in vleesch had het arme beest trek.

Zijn baas zuchtte. “Och, Juffrouw,” zei hij, “als ik dat beest moest missen, zou ik mij geen’ raad weten. Geen mensch is zoo lief en hartelijk voor mij, als dat stomme dier. Hij verstaat alles, wil U wel gelooven ....” “Ik geloof, dat er iemand bij mijne deur is,” zei Lize. “Dag, buurman! ik kom wel eens weer kijken!” Ze kon niet langer aanhooren, wat de blinde man zei. “Mijne schuld! mijne schuld!” dacht ze aanhoudend. “O, je moest ook eens weten, wie je zoo ongelukkig gemaakt heeft!”

Nu was het bijna een geluk, dat ’s middags de kinderen van den timmerman bij haar kwamen. Die babbelden zoo aardig en speelden zoo lief, dat Lize er wel naar luisteren en naar kijken moest, en daardoor vergat ze voor eene poos haar verdriet. Lize had nog nooit geweten, dat kinderen zoo aardig kunnen zijn. En toen de kleintjes zoo dankbaar waren voor alles, wat ze kregen en zoo gelukkig, dat ze ook wel eens voor het huis in het tuintje mochten spelen, dacht Lize, dat het toch ook wel aardigwas, anderen plezier te doen. De menschen, die voorbij kwamen, stieten elkaar aan en zeiden: “Kijk die eens!” en voor ’t eerst riepen ze Lize een vriendelijk: “Dag, Juffrouw!” toe.

Toen de kleintjes weer naar huis waren, dacht Lize: “Nu wordt het tijd om naar Meester te gaan.” Vóórdat ze weer naar de klok ging, moest ze immers weten, hoe het daar was, en of het nu zoo erg zou zijn, als ze daar de poes eens moesten missen. Lize wist niet veel van de meestersfamilie; alleen had ze wel eens gehoord, dat ze maar één kind hadden, dat niet sterk was. Ze was een beetje verlegen, wat ze zou zeggen, omdat ze er nog nooit geweest was.

Toen ze bij ’t huis kwam, stond de vrouw van den meester in de deur. Ze riep: “Poes, Poes! Mies! Mies!” Dat trof nu al heel raar. Lize bleef staan en vroeg: “Is uwe poes weggeloopen?”—“Ja,” zei de meestersvrouw, “en ’t kleine meisje heeft zoo’n verlangen naar het dier.”—“Hoe is het met uw klein meisje?” vroeg Lize. “Niet zoo heel best,” zei de vrouw, “ze ligt weer te bed. Wil U niet eens binnen komen, dan kunt U haar eens zien.”

Lize ging mee naar binnen. Daar zat het kleine meisje overeind in haar bedje. Haar gezichtje was bleek met brandend roode plekken. Ze keek verlangend naar de deur en zag de moeder met hare groote blauwe oogen vragend aan. “Wacht een poosje, Marietje,” zei de moeder, “er is visite. Poes zal zóó wel komen.” Een oogenblikje hield het kind zich stil, maar ze bleef naar de deur kijken, alsof het dier door de reet binnen kon komen. Eindelijk klaagde ze: “Komt niet!” De moeder bracht haar eene pop, maar Marietje wou niets van de pop weten. “Kom,” zei de moeder,“ga dan maar slapen, Poes zal straks wel komen.” Het kind ging gehoorzaam liggen. Maar onder het praten door hoorde Lize haar zachtjes schreien.

Daar op eens hoorde Lize een vroolijk lachen. Verwonderd zag ze naar het bedje van ’t kind. Daar zat het met schitterende oogjes overeind en liefkoosde eene groote, mooie, grijze kat. Zonder dat de moeder of Lize iets gemerkt hadden, was poes door een open raam binnen gekomen. “Mijn lieve, lieve Poeke,” riep het kind, “mag niet weer weggaan!”—“O,” zei de moeder, “dat kind is dol op de poes. Wat haar ook scheelt, bij Poes kan ze altijd troost vinden.”

Lize wist genoeg. Ze maakte maar, dat ze zoo gauw mogelijk wegkwam. Toen het avond was, stapte Lize dapper naar de klok en draaide den zwarten wijzer weer naar haar eigen huisnummer. Nu ratelde de klok niet; maar Lize verbeeldde zich, dat ze een tevreden gebrom hoorde. De oude klokkenmaker drukte haar hartelijk de hand, maar zei geen woord.

Toen Lize weer buiten kwam, scheen de maan. Het geheele dorp was in rust, en de huizen leken in den maneschijn zoo vredig en stil. Lize had het dorpje nog nooit zoo mooi gevonden. ’t Was, of ze ’t nu voor ’t eerst lief had met al de menschen, die er in woonden. Toen ze in huis kwam, ging ze dadelijk met eene lantaarn naar den stal. Ja, daar lag haar lieve geit lusteloos en ellendig: doodziek. Ze gaf het dier een bos versch stroo, om op te liggen en een’ bak vol schoon water. “Arm geitje,” zei ze, “dat is alles, wat ik voor je kan doen op ’t oogenblik. Morgen wil ik den veearts roepen. Misschien, dat die nog iets kan geven, dat je goed doet.” Maar toen Lize den volgenden morgen in den stal kwam, was de geit dood. De tranen sprongen haar uit de oogen, maar toch zei ze: ”’t Is zoo het beste.”

Toen Lize nog aan ’t ontbijt zat, hoorde ze op eens een vroolijk geblaf. Ze liep in het tuintje voor ’t huis. Daar zag ze haar overbuurman met zijn trouwen Karo. “Zoo, buurman,” riep ze, “al zoo vroeg op ’t pad?”—“Ja,” antwoordde de blinde, “ik kon ’t van plezier niet langer in huis uithouden. Ik ben zoo gelukkig: mijn Karo is heelemaal weer beter!”—“Och, daar ben ik blij om,” zei Lize, “je kon hem ook zoo slecht missen. Van nacht is mijne geit gestorven.”—“Och, Juffrouw,” zei de blinde, “wat spijt me dat! Als ik denk, dat Karo nu dood had kunnen zijn! Hoe jammer toch van uwe geit!”

Na een poosje kwam de vrouw van den timmerman. Ze had gehoord, dat de geit van juffrouw Lize dood was, dat vond ze toch zoo verschrikkelijk! “Zoo’n beste, melkgevende geit!”—“Ja,” zei Lize, ”’t is naar, maar ’t is toch nog maar een geluk, dat het jullie geit niet is. Ik kan me er beter zonder redden.”—“Hoe lief van U, dat te zeggen,” zei de vrouw van den timmerman. Lize kleurde weer, toen ze zoo geprezen werd. Ze was er nog niet aan gewend, maar toch—o, het gaf haar zoo’n gelukkig gevoel, dat ze iets goeds gedaan had.

’s Middags kwam de vrouw van den meester met kleine Marietje aan dehand. Die had ook al van het ongeluk gehoord en bracht nu een’ pot met vette melk. “Ik dacht,” zei de meestersvrouw, “nu U geene melk van de geit kon krijgen...,”—“Dat is aardig,” zei Lize. “Is Marietje weer wat beter? Kijk, ik zou er nog wel meer dan eene geit voor willen missen, als die eerst eens weer mooie roode wangetjes had.” Toen greep de meestersvrouw Lize bij de handen en keek ze haar zoo dankbaar in de oogen. ’t Was, of die twee elkaar voor altijd trouwe vriendschap beloofden.

Voort ging de tijd. In alle huizen ging de gewone klok van uur tot uur regelmatig de wijzerplaat rond; maar de geluksklok ging haar eigen weg. Dan kwam het ongeluk in ’t eene, dan in ’t andere huis. Als Lize hoorde, dat er hier of daar ellende in een huis was, zag ze in hare gedachten den zwarten wijzer op het nummer van dat huis staan. Dan ging ze er heen, om te troosten of hulp te brengen, zooveel ze kon. Nooit dacht ze er weer aan, zelf naar de geluksklok te gaan. Zooals het geluksuurwerk ging, zoo zou het wel het best zijn, begreep ze.

Eens vroeg de vrouw van den meester haar: “Zeg me toch eens, hoe het zoo gekomen is, dat je zoo veranderd bent. Vroeger hield niemand van je, nu hebben groot en klein je lief.”

Dat was eene lastige vraag. Lize mocht niet van haar bezoek aan het mannetje en de geluksklok vertellen.

“Och,” zei ze, “ik heb eindelijk begrepen, dat een ander wel eens beter, of liever, of ongelukkiger kon zijn dan ik zelf. Toen heb ik geprobeerd voor een ander te leven. En toen begreep ik ook, wat mijne juffrouw op school altijd zei: ‘De liefde is als de echo, die ongeroepen stom blijft.’ Ik heb nu geroepen, en het geluid kwam terug: ik heb liefde gegeven en liefde ook ontvangen, en nog nooit in mijn leven ben ik zoo gelukkig geweest.”

Dat is de geschiedenis van de geluksklok, die Lize van hare zelfzucht genas en haar gelukkig maakte.


Back to IndexNext