Het Zilveren Lucifersdoosje.

Een dief—en Geen Dief.Een dief—en Geen Dief.Toen hij den volgenden morgen laat wakker werd, zag hij zes mannen voor zijn bed staan, die hem allen even verbaasd aankeken. ’t Leken ruwe, woeste mannen, en was Tom, Tom niet geweest, dan zou hij zeker van schrik dadelijk weer onder de dekens gekropen zijn. Maar bang zijn, daar wist Tom niet van. Hij ging half overeind in zijn bed zitten, leunende op zijn’ elleboog, en keek de mannen driest in de oogen.“Wie ben je,” vroeg de oudste van de dieven, die zoowat de baas over de andere vijf leek, “en wat kom je hier doen?”—“Wie ik ben?” zei Tom. “Ik ben de opperste van alle dieven. Wat ik hier kom doen? Ik kom leerjongens zoeken, die me meteen een handje kunnen helpen bij mijn werk. Als jullie me bevalt,” en hij keek de mannen één voor één aan, “dan wil ik je misschien wel in mijn’ dienst nemen en je een paar lesjes in ’t stelen geven.”De mannen wisten niet, hoe ze ’t hadden: ze keken elkaar eerst zoo beteuterd aan, dat Tom er wel om lachen moest. Het duurde eene poos, eer de oudste dief antwoordde: “Praats heb je genoeg, dat hooren we; maar sta nu maar óp, dan zullen we na ’t ontbijt wel eens zien, wie meester en wie knecht wezen zal.”Tom stond op, kleedde zich en ging met de dieven ontbijten. Net zitten ze aan tafel, of daar zien ze door ’t bosch dicht bij het huis een’ boer aankomen, die eene mooie, groote geit voor zich uit drijft.—“Wie van jullie,” vraagt Tom, “durft er op aan, dien boer zijne geit af te stelen, nog voordat hij ’t bosch uit is, en dat wel zonder ook maar ’t minste geweld te gebruiken?”—“Ik niet,” zegt de oudste dief. “En ik niet!” roepen de anderen. “Kom aan,” zegt Tom, “ik ben de meester, ik zal jullie je eerste lesje geven!”Tom gaat de deur uit en sluipt tusschen de boomen door naar eene plek, waar de weg door ’t bosch eene bocht maakte. Daar trekt hij zijn’ rechterschoen uit en zet dien midden op den weg neer. Toen gauw verder naar eene tweede bocht in den weg. Daar trekt hij zijn’ linkerschoen uit, zet dien weer midden in ’t pad, loopt vlug weg en verbergt zich achter de struiken.De boer komt, en hij ziet een’ schoen staan. “Jammer, dat die geen kameraad heeft,” denkt hij, “aan één alleen heb je niets.”—En de boer laat den schoen staan en loopt verder. Daar ziet hij den anderen schoen. “Domoor, die ik ben,” zegt de boer, “dat ik dien van straks niet meegenomen heb! Weet je wat, ik loop terug en haal hem nog. Een paar kan ik best gebruiken.”De boer bindt zijne geit zoolang vast aan een’ boom, om gauwer vooruit te kunnen komen en gaat terug, om den schoen te halen. Maar de schoen—die zat al lang weer aan Toms voet. Toen de boer de bocht van den weg om was, was de slimmerd gauw achter de struiken vandaan gekomen en had den schoen weer weggepakt.—De boer komt en ziet den schoen nergens meer. Verdrietig gaat hij denzelfden weg terug. Hij komt bij de plek, waar hij den tweeden schoen gelaten en zijne geit vastgebonden heeft: geen schoen meer te zien en—wat nog erger, is—ook geene geit meer!—De tweede schoen zat al lang weer aan Toms voet. En de geit? Die had hij, toen de boer terugliep naar den eersten schoen, heel bedaard van den boom losgemaakt en in ’t huis van de dieven gebracht.“Dat is me ook wat!” jammerde de boer, “ik beloof voor mijne vrouw eene mooie japon te koopen van ’t geld, dat ik op de markt voor mijne geit zal krijgen, en nu—is de geit weg! Ik moet maar zien, dat ik een ander dier naar de markt breng, zonder dat mijne vrouw er iets van merkt. Als ze te weten komt, hoe ik me heb laten foppen, dan zal ik daar, wie weet hoelang, nog wat over moeten hooren.”De dieven waren in ééne bewondering voor Tom, dat kun je denken, en ze wilden volstrekt van hem weten, hoe hij dat kunststukje toch wel gedaan had- gekregen. Maar Tom wou er hun niets van vertellen.Een half uurtje later—daar komt de boer weer aan met een mooi, vet schaap bij zich. “Wie van jullie ziet er kans,” vraagt Tom, “dat schaapte stelen, vóór de man nog uit het bosch is, altijd- zonder geweld te gebruiken?”—“Ik niet!” zegt een van de dieven. “En ik niet!” roepen de anderen. “Dan zal ik ’t probeeren, ik ben de meester,” zegt Tom. “Geef me een stevig touw.”Terwijl de boer met zijn schaap over den weg sukkelt en nog den heelen tijd aan het ongeluk denkt, dat hem overkomen is, ziet hij op eens een’ man aan een’ tak van een’ boom hangen met het hoofd slap op de borst. “Wat is dat nu!” roept hij, “een uur geleden hing die man daar toch nog niet. Zou er in dien tusschentijd een moord gebeurd zijn? Op klaarlichten dag, ’t is om van te beven!” Angstig kijkt hij om zich heen en begint wat harder te stappen, om gauw uit het bosch te zijn.Hij is nog niet veel verder, of daar ziet hij tot zijn’ schrik al weer een’ man aan een’ boomtak hangen, met zijn hoofd slap voorover op de borst. “Heb ik van mijn leven!” roept de man, “daar hangt er al weer een. Maar dat is hier een vreeselijk bosch!”—En hij stapt haastig verder, zonder ook maar even weer om te zien.Hij mag zoowat een honderd stappen gedaan hebben, of hij staat stil en grijpt zich met de hand aan ’t voorhoofd. “Maar zie ik dan verkeerd, of ben ik mijn verstand kwijt: hangt daar de derde niet aan een’ boom te zwaaien? Drie zoo vlak bij elkaar! Nu wordt het toch al te gek, daar steekt zeker wat achter. Kom, ik loop terug—ik wil weten, of de twee anderen er nog hangen.” De man bindt zijn schaap zoolang aan een’ boom en toen terug. Maar pas is hij de bocht om, die de weg daar juist maakte, of de arme vermoorde man laat zich van den tak glijden, maakt het schaap los en wandelt er doodbedaard mee naar ’t huis van de dieven.—Dat die man niemand anders dan de slimme Tom was, heb je zeker al begrepen.Toen de boer kwam bij de plek, waar hij den tweeden man had zien hangen, was er geen man meer te zien. En toen hij verder doorliep, was de eerste man er ook niet meer. Tom had zijn spelletje driemaal gespeeld. Tweemaal was hij met zijne jonge beenen den boer vóór geweest, de derde maal was hij eenvoudig naar huis gekuierd, terwijl de boer weerom liep.Of de dieven ook verbaasd waren, toen Tom hun het schaap bracht! “Als je nog één zoo’n stukje uitvoert als dit,” zei de oudste dief, “dan zeg ik: je bent ons allen de baas!”—En de boer? Hij komt bij de plek, waar hij den tweeden man heeft zien hangen: nergens iemand meer te zien. Hij loopt door naar de bocht van den weg, waar hij den eersten man zag: geen spoor van een’ man. Al pruttelende in zichzelf gaat hij eindelijk terug naar de plaats, waar de derde man hing en waar het schaap vastgebonden was: geen man, geen schaap, alles weg!Van spijt trekt hij zich de haren uit het hoofd en jammert: “Ach, ach, wat een ongeluksdag! Wat zal mijne vrouw zeggen! Mijn tijd verbeuzeld, mijne geit weg, mijn schaap weg! En ik moet eene japon koopen voor mijne vrouw. Er zit niets anders op dan dat ik den vetten os uit het land haal en dien verkoop.”Goed, de boer gaat naar ’t land, en eene poos later zien de dieven hem weer aankomen met zijn vetten os. “Wie is zoo knap, dat hij dien os steelt, zonder geweld te gebruiken?” vraagt Tom. “Ik niet,” zegt er een. “En ik niet,” roepen de anderen. “Dan probeer ik het,” zegt Tom, “ik ben de meester,” en het duurt niet lang, of hij is het bosch al in.De boer drijft zijn’ os voort, tot hij bij de plek komt, waar hij den eersten schoen gezien heeft. Daar op eens hoort hij aan zijn’ rechterkant het geblaat van eene geit. Hij spitst de ooren, en nu hoort hij ook nog het blaten van een schaap. “Ik ben een boon, als dat niet mijn eigen verloren dieren zijn!” roept de boer.—Weer geblaat. “Zoo zeker, als ik hier sta,” zegt de boer, “ze zijn het!” En hij bindt zijn’ os aan een’ boom en loopt het bosch in naar den kant, waar ’t geluid vandaan komt. Hij loopt al verder en verder, maar ’t is, of hij nooit dichter bij de geit en het schaap komt: het geluid blijft altijd even ver af.Toen na eene poos het blaten heelemaal ophield, was de man een geducht eind van de plek, waar hij den os had vastgebonden, en gevonden had hij niets. Gevonden niets; maar verloren des te meer. Want—toen hij boos op zichzelf en boos op alles weer terugkwam op de plaats, waar hij ’t geluid het eerst gehoord had, vond hij dáár zijn’ os niet meer en nergens vond hij hem meer! Geen wonder: de os—die stond al lang op stal bij de dieven.Tom had gedacht: “Ik neem de geit en het schaap mee in ’t bosch, daar lok ik ons onnoozel boertje mee van den weg af. Ik laat hem een poosjeachter de dieren aanloopan en dan—maak ik, dat ik langs den kortsten weg bij den os kom. Eer de boer teruggesukkeld is, heb ik den os al lang losgemaakt en weggebracht.”—En zoo was ’t gebeurd ook.Terwijl nu de arme boer doodelijk verlegen stond te kijken en eindelijk niets beter wist dan maar weer naar huis te gaan en zijne vrouw alles te vertellen, was er groot gejuich in ’t dievenhuis. De dieven riepen maar in éénen door van “hoera!” en “leve de koning van de dieven, leve Tom!”—Zulk stelen, neen, daar hadden ze geen verstand van, bij zoo’n baas waren zij maar kleine kinderen, dat moesten ze toegeven.Den heelen dag werd er feest gevierd ter eere van Tom. En de dieven vertelden Tom honderduit van allerlei diefstallen, die ze gedaan hadden. En ze wezen hem de valsche sleutels, die zo gebruikten, om in de huizen te komen en de werktuigen, om sloten van deuren en kasten en koffers open te breken, En eindelijk—namen ze hem zelfs mee naar den kelder, waar ze al hunne gestolen schatten geborgen hadden. Daar kreeg Tom wat te zien—wel verbazend, wat een geld en goed lag daar opgestapeld! “Wat een menschen hebben die ondeugende dieven al ongelukkig gemaakt!” dacht Tom. “Maar die kist daar, die ik zoo goed ken, die zul jullie niet houden. Dat is de kist van mijn’ vader.”Ja, wezenlijk, daar stond de kist. “Kon ik haar maar dadelijk meenemen,” dacht Tom, “dan bleef ik geen uur langer in dit nare huis. Maar dat gaat nu eenmaal niet. Ik mag al blij zijn, dat ik mijn’ zin heb, dat ik zulke goede vrienden met de dieven geworden ben. Ik moet nu maar geduld hebben en mijn’ tijd afwachten.”Zoo bleef Tom dus vooreerst in ’t dievenhuis.—Hij zorgde wel de dieven te vriend te houden; maar één ding konden ze niet van hem gedaan krijgen. Ze vroegen hem elken avond, als ze uitgingen, om te stelen, of hij met hen meeging: ze zouden zooveel van hun’ meester kunnen leeren. Maar Tom wist altijd wel wat te verzinnen, waarom hij thuis bleef. “Jullie krijgt me niet mee,” dacht Tom telkens, als hij de dieven zag heengaan, “bij dien armen boer heb ik mijne kunststukjes vertoond, omdat ik hier graag blijven wou, tot ik Vaders geld terughad; maar nu is ’t ook genoeg.”Eindelijk op een’ dag zeiden de dieven tegen Tom: “Meester, als je ’t goed vindt, dan gaan we morgen met ons zessen naar eene kermis hierdicht in de buurt. Altijd werken gaat niet; we willen ook eens plezier maken.”—“Wel zeker,” zei Tom, “ga jullie gerust. Ik zal mij niet vervelen.”—Maar bij zichzelf dacht hij: “Heerlijk, heerlijk! Eindelijk zal ik eens een’ dag alleen zijn. Misschien zal ik dan mijn kansje kunnen wagen en de kist uit den kelder halen.”Den volgenden morgen vroeg gingen de dieven al naar de kermis. Ze hadden hun mooiste pak aangetrokken: gelukkig voor Tom. Ja, heel gelukkig, hoort maar eens, waarom.Zooals ik je verteld heb: de dieven konden het best met Tom vinden. Ze waren trotsch op hem, omdat hij zoo’n slimme dief was, zooals ze meenden. Ze noemden hem “Meester,” en dikwijls vroegen ze hem om raad. Maar—den sleutel van den schatkelder, dien hielden ze toch liever zelf. Dat speet Tom genoeg, want zonder dien sleutel kon hij niets beginnen. Dag en nacht peinsde hij er over, hoe den sleutel machtig te worden, of op eene andere manier in den kelder te komen; maar tot nu toe was hij nog geen zier verder.Maar nu waren de dieven den heelen dag uit, mooier kon het al niet. “Vandaagmoethet gebeuren,”zei Tom tegen zichzelf, “ikmoeter iets op vinden.”—En weer ging hij als zoo menigen keer met het hoofd in de hand zitten denken.Terwijl hij daar nu zoo zit te peinzen en voor zich uit te staren, ziet hij hoe het oude vrouwtje, dat het huishouden voor de dieven deed, bezig is, de daagsche kleeren van hare meesters uit te borstelen. Ze borstelt er zoo vlijtig op los, dat ze er niets van ziet of hoort, hoe er uit een van de zakken een sleutel valt. Maar Tom ziet het en—in een oogenblik is hij tot vlak bij het vrouwtje geslopen, dat met den rug naar hem toe staat. Vóórdat ze er iets van merkt, heeft hij den sleutel ook al te pakken, en in een’ wip is hij er de deur mee uit. Nu bekijkt hij den sleutel eens goed en ja wezenlijk: hij is het!—Wat die Tom zich in de handen wreef!Zeg, was het nu ook gelukkig voor Tom, dat de dieven met hunne Zondagsche kleeren op de kennis waren gaan pronken?Tom maakte nu zoo gauw mogelijk, dat hij in den kelder kwam. De kist van zijn’ vader was gesloten; maar werktuigen, om een slot mee open te breken, waren er in het dievenhuis overal bij de hand. En hoe hij daarmeemoest omgaan, dat had hij wel van de dieven afgezien. Het duurde niet lang, of de kist was open, en daar lag al het geld!Alhet geld? Eigenlijk wist Tom dat zoo precies niet; want je begrijpt: tijd om bedaard te tellen gunde hij zich niet. Hij grabbelde maar gauw alles bij elkaar, wat in de kist lag en vulde daar de zakken mee, die hij in de haast uit een’ hoek van den kelder gehaald had. Toen de zakken één voor één naar boven gedragen. Toen weer één voor één naar de plaats, waar altijd eene kar stond. Vlug de zakken op de kar, het paard uit den stal gehaald, dat vóór de kar gespannen, zelf er op gewipt en dat de plaats over, de poort uit en den weg op.Jongen, dat was een zwaar werkje geweest voor Tom, en benauwd had hij het er ook bij gehad, dat verzeker ik je. Ieder oogenblik meende hij het oude vrouwtje te hooren aankomen, en menigmaal had hij angstig om zich heen gezien. Maar gelukkig: alles was goed afgeloopen. Toen het vrouwtje merkte, wat er gebeurd was, reed Tom al lang rustig over den weg. Ja, Tom kon van geluk spreken! Nu, hij was dan ook blij en dankbaar genoeg, en hij deed niets dan lachen in zichzelf, als hij aan de gezichten dacht, die de dieven zouden zetten.En waar reed Tom nu wel ’t eerst heen, denk je? Niet naar zijn’ vader, naar....—Maar wacht, ’k heb nog iets vergeten te vertellen! Op de kar lagen niet alleen de zakken met geld: er was ook wat op, dat leefde. Iets dat leefde en dat maar aanhoudend van bè! en mè! riep. ’t Waren.... de geit en het schaap, die Tom den boer op zoo’n slimme manier had afgenomen. Met het paard had hij ze uit den stal gehaald en op de kar geladen.—En achteraan de kar was—de os vastgebonden, de os van den boer.—En nu weet je ook, waar de reis ’t eerst naar toe ging: de boer zou zijne dieren terug hebben. Tom had ze maar voor de grap gestolen, om de dieven wat wijs te maken.Toen Tom bij ’t huis van den boer kwam, stonden de boer en zijne vrouw juist buiten de deur. Eerst vroeg Tom heel leuk: “Weet je ook van wie deze dieren zijn?”—“Nu,” riepen de boer en zijne vrouw vroolijk, “dat zouden we ook niet weten: ze zijn van ons zoo zeker als twee maal twee vier is! Maar hoe kom jij daaraan! We hebben al overal en overal gezocht en ze nergens gevonden.”—“O,” lachte Tom, “ze liepenin ’t bosch te dwalen, en toen nam ik ze maar mee. Kijk, dat doet me nu plezier, dat ze hier thuis behooren.”Dat was me eene vreugde in ’t huis van den boer: die pakte zijne vrouw om ’t middel en danste met haar in ’t rond. “Vrouw, nu krijg je de nieuwe japon toch nog,” riep hij maar al. Toen werden de geit en het schaap van de kar gehaald, en de os werd losgemaakt. En terwijl ze daarmee bezig waren, vroeg Tom: “Zeg eens, boer, is dat zakje ook van jullie, dat daar aan den hals van den os hangt?” Een zakje? daar hadden ze in hunne vreugde nog niets van gezien. Maar ’t hing er, dat was zeker. En wat zat er in? Niets minder dan—honderd gulden! “Dat is zeker voor den schrik en den angst, die je gehad hebt,” zei Tom, en vóórdat de boer en de boerin nog tijd hadden gehad van hunne verbazing te bekomen, had Tom de zweep over ’t paard gelegd, en weg was hij!“Nu naar Vader,” dacht Tom, “die zal nog grooter oogen opzetten dan de boer en zijne vrouw.”’t Was al laat in den avond, toen de kar voor ’t huis van Toms vader stilhield.—Tom sprong van de kar, bond het paard aan een’ paal vast en belde aan, heel hard. Iemand met een verschrikt gezicht maakte de deur open: ’t was Toms vader zelf. “Wie maakt er zoo’n geweld aan mijne deur,” vroeg de vader verdrietig, “en dat zoo laat in den avond! Ik beef er nog van.”—Tom merkte wel, dat zijn vader hem in de duisternis niet kende. Hij moest moeite doen, om niet hardop te lachen. Maar hij hield zich goed en zei met eene veranderde stem: “Och, Mijnheer, neem me kwalijk, dat ik U aan ’t schrikken heb gebracht. Ik ben een arme reiziger, die hier nergens den weg weet. Zou ik hier vannacht niet kunnen slapen?”—“Slapen? Wel ja, ik zal zoo iedereen maar in mijn huis nemen. Ga maar verder, hoor!”Maar toen Tom zei, dat hij zoo lang al gereisd had en zoo moe was, toon hij begon te smeeken toch binnengelaten te worden, toen kreeg de vader medelijden en zei: “Nu, kom dan maar eens in de kamer, ik neem geene vreemden in mijn huis, of ik moet ze ten minste eerst bij licht gezien hebben.”Tom dus mee in de kamer, waar ’t licht was. En toen .... die verbazing van zijn’ vader en zijne moeder en zijne broers en dat hartelijke lachenvan Tom weer om hunne verbaasde gezichten! ’k Wou, dat je ’t gezien en gehoord hadt!De vader was ’t eerst van zijne verbazing bekomen en vroeg al gauw: “En waar is ’t geld, dat je me terugbrengen zoudt? Handen en zakken leeg zeker!”—“Ja, Vader,” zei Tom lachend, “handen en zakken leeg; maar” en op eens nam hij de lamp in de ééne hand, trok zijn’ vader met de andere hand bij de mouw mee en bracht hem door de gang naar buiten bij de kar, “maar—eene kar vol!”De vader wist niet, hoe hij het had: hij kon, hij durfde haast niet te gelooven, dat in die zakkenzijngeld was, zijn heele verloren rijkdom! Hij betastte de zakken en probeerde ze op te tillen, ja, ze waren vol harde rijksdaalders en guldens!—Toen greep hij Tom bij de hand en schudde die, dat Tom de lamp haast liet vallen en roepen moest: “Nu, Vadertje, bedaard wat!”Dat was me nog eene andere vreugde dan in ’t huis van den boer! De vader en de moeder en de broers van Tom, ze praatten en riepen en vroegen allen tegelijk. Eerst toen ze wat bedaard waren, kon Tom aan ’t vertellen komen, hoe hij alles wel aangelegd had. Bij de geschiedenis van den boer schudd’en ze allen van ’t lachen om de slimheid van Tom, en de vader stak hem op ’t laatst de hand toe en zei: “Jongen, ’k moet eerlijk zeggen: zoo iets had ik nooit achter je gezocht. Ik meende altijd, dat er nooit iets goeds van je groeien zou. Maar nu ben ik niet bang meer, of je zult wel door de wereld komen.— Dat Tom dubbel in zijne nopjes was, nu zijn vader hem zoo prees, kun je begrijpen: dat was hem nog niet vaak overkomen.Van dien tijd af heette Tom overal: Slimme Tom. Overal, want de vader en de moeder en de broers vonden de geschiedenis te mooi, om ze niet overal te vertellen aan ieder, die ze maar hooren wou.Heb jullie er ook met plezier naar geluisterd? Ja? Nu, dan beloof ik je, dat ik je later nog eens meer van Toms slimheid vertellen zal. Dan zul je eens hooren, hoe hij, enkel door zijne slimheid, het mooiste en rijkste meisje in den omtrek tot vrouw kreeg. Is dat goed?Het Zilveren Lucifersdoosje.Eén, twee! één, twee! Natuurlijk was ’t een soldaat, die zoo prompt in de maat aan kwam stappen. Hij had zijn’ ransel op den rug, het geweer op schouder en de sabel op zij; want hij kwam zoo regelrecht uit den oorlog en was nu op weg naar huis. Eén, twee! één, twee! de voetstappen klonken door het bosch, en een oud vrouwtje, dat tegen een’ boom geleund zat en van het warme weer ingedommeld was, schrikte er van wakker.“Dag, soldaat!” zei ze. “Wat stap je dapper langs den weg. Zeker ook dapper gevochten?”—“Nu, of ik!” lachte de soldaat.—“En ben je nu ook te trotsch, om zoo’n oud vrouwtje, als ik ben, een’ dienst te bewijzen?”— “Zeker niet,” zei de soldaat.—“Nu,” zei het vrouwtje, “je zult er ook geen spijt van hebben, want ik zal je er zooveel geld voor geven, als je dragen kunt.”—“Sapperloot,” zei de soldaat, “dat kan ik gebruiken; want mijne zakken zijn leeg. Zeg mij, maar gauw, wat ik doen moet.” “Deze boom,” zei het vrouwtje, en ze klopte op den stam van den boom, waar ze tegen geleund zat, “is van binnen heelemaal hol. Je klimt maar naar boven en laat je door den hollen stam naar benoden zakken. Ik zal je een touw om het middel binden, en als je weer naar boven moet, roep je maar: o, hoi ho! dan trek ik je op.”—“Maar, wat moet ik daar onder in den boom?” vroeg de soldaat. “Geld halen,” zei het vrouwtje. “Luister maar eens. Als je onder in den boom komt, ben je in eene groote gang. Heel licht is het daar; want er branden wel honderd lampen. In die gang zie je drie deuren; die kun je open doen, de sleutel zit er in. Ga je de eerste deur binnen, dan kom je in eene kamer. Midden op den vloer van die kamer staat eene groote kist, en op die kist zit een hond met een paar heel groote oogen, met oogen, zoo groot als een theeschoteltje. Maar je behoeft niet bang te wezen: ik geef je mijn blauw geruit schort mee. Als de hond dat ziet, weet hij wel, dat ik je gestuurd heb, en daarom zal hij je geen kwaad doen. Spreid het schort maar op den vloer uit en zet den hond er op. Dan kun je bij de kist gaan en zooveel centen nemen, als je wilt. Wil je liever guldens hebben, ook goed. Dan moet je eene deur verder gaan. In die kamer staat eene kist met guldens; maar daar zit een hond op met oogen, zoo groot als het bord, waar je ’s middags van eet. Je behoeftdaarom niet bang te wezen: laat mijn schort maar weer zien, dan is er niets te doen. Maar misschien wil je nog liever gouden tientjes hebben, nu, die kun je ook krijgen: ze zijn in de derde kamer. Maar op die kist zit een hond met oogen zoo groot, als een wagenrad. En boos, dat het dier is! Maar dat komt er voor jou niet op aan. Je zet hem maar op mijn schort, en dan kun je rustig zooveel goudgeld nemen, als je wilt.”“Dat lijkt mij niet verkeerd,” zei de soldaat, “maar wat moet ik nu voor jou daar doen, Moedertje? Om geld voor mij zelf te halen, stuur je me toch zeker niet alleen.”“Neen,” zei het vrouwtje, “voor mij moet je een zilveren lucifersdoosje halen, dat mijn zoon vergeten heeft, toen hij den laatsten keer daar geweest is. Mijn zoon is dood, moet je weten, en dat doosje is mij lief, als eene herinnering aan hem.”“Zoo,” zei de soldaat, “is je zoon dood en wou je dat lucifersdoosje zoo graag hebben? Maar waarom heb je ’t dan nog nooit door een ander laten halen?”“Ik heb het dikwijls genoeg gevraagd,” zei het vrouwtje, “maar nooit heeft er iemand gedurfd. Allen waren bang, als ik van de honden daar beneden sprak. Maar jij bent een soldaat, en soldaten zijn dapper. Toe, ga maar, je doet er mij zoo’n genoegen mee. Hier is mijn schort—ze doen je heusch geen kwaad, de honden. Doe je ’t?”“Kom aan dan maar,” zei de soldaat, “bind me het touw maar om het middel en het schort er bij, anders kan ik mijne handen niet gebruiken. En nu tot ziens, Moedertje!”Daar klauterde de soldaat in den boom, daar zat hij er boven in; daar liet hij zich in den hollen stam neer, nog eene wuivende hand voor ’t oude vrouwtje, en een oogenblik later stond de dappere baas in de groote gang, waarin wel honderd lampen brandden.Daar was ook al de eerste deur. Flink draaide hij de kruk om—ja hoor, daar zat de hond met de oogen zoo groot als theeschoteltjes, en die keek hem aan, om er eene rilling van te krijgen—als je geen soldaat was.“Een aardige jongen ben je,” zei de soldaat, “maar brom nu maar niet zoo, hier is het schort van je vrouw, je moet de complimenten van haar hebben. Geef mij nu maar eens je een’ poot, nu den anderen, zie zoo,daar zit je op het schort van je lieve vrouw. Nu zal ik mijne zakken eens eventjes vullen met de centen uit je kist.” Gezegd, gedaan. Sapperloot, wat een centen, genoeg om een geheelen snoepwinkel leeg te koopen! De kist weer gesloten, den hond er weer op gezet en nu naar de tweede kamer. Ja, hoor, daar zat de hond met de oogen zoo groot als een bord.“Kom, kijk me maar niet aan, alsof je mij opeten wilt,” zei de soldaat. “Je oogen zullen gaan tranen, als je zoo strak kijkt. Zie hier liever eens naar. Zie je wel, dat is het schort van je vrouw. Kom, kwispelstaart maar eens. Kijk, nu zet ik je netjes op den vloer, brave hond! Zoo, moet je over den kop gestreken worden ook? Toe dan maar. Zit nu maar mooi stil, dan kan ik eens in je kist kijken. Neen, maar, wat een guldens! Hoe veel spaarpotten zou je daar wel niet mee kunnen vullen! Maar ik zal zo maar eerst in mijne zakken stoppen. O, hé, die zitten vol centen! Weet je wat, ’k heb liever guldens dan centen. Wil jij de centen niet hebben, zeg je? dat moet jij weten, maar ik leg ze hier neer. Ziezoo; nu guldens in de leege zakken. En wacht eens: in mijn’ ransel kan ook nog een mooi portietje. Klaar. Ziezoo, oude jongen, één, twee, drie! daar zit je weer. Pas jij nu maar weer op je kist, hoor, ik groet je.”Nu naar de derde deur. Pas had de soldaat de hand aan de kruk, of hij hoorde een verschrikkelijk gebrom, ’t Klonk wel als het brullen van een’ leeuw. Hij wou toch eerst eens om ’t hoekje zien. Neen maar, wat oogen keken hem daar aan! Wezenlijk zoo groot als een rad van een’ wagen. En de oogappels draaiden—daar zou zelfs een soldaat raar van worden. Maar de soldaat was niet alleen dapper, hij was ook slim. Hij deed het schort door de kier van de deur en dadelijk hield het gebrom op en slingerde de reuzenstaart vriendelijk heen en weer. “Goeden avond!” zei de soldaat, en hij sloeg aan, zoo deftig, alsof hij een’ generaal groette; want voor zoo’n hond had hij eerbied, “goeien avond! Zou ik U wel eens mogen verzoeken hier op dezen boezelaar plaats te nemen?” Gehoorzaam sprong de hond van de kist en ging op den boezelaar zitten. “Zie zoo,” zei de soldaat, “nu laat mij eens zien, waar jij zoo knap op gepast hebt,” en hij deed de kist open.Lieve deugd! wat een goudgeld! Je zou er alle suikeren popjes en chocolâ sigaren in de stad en alle poppen en hobbelpaarden en tinnen soldatenvan de wereld voor kunnen koopen. Allemaal mooie ronde gouden tientjes! Die heb ik nog liever dan guldens, dacht de soldaat, en ik kan er ook meer van bergen, want zo zijn kleiner. In een oogenblik had hij de guldens uit de zakken en den ransel en de gouden tientjes er weer in. Maar, wacht eens, kon hij nog niet meer bergen? Zeker: bij de kleeren in, en in de laarzen en in de schako—in alle hoekjes en gaatjes. Op ’t laatst was hij stijf van ’t geld. Toen riep hij den hond weer op de kist en maakte één, twee, drie, dat hij bij den boom kwam.“O, hoi, ho! trek op, Moedertje!” riep hij door den hollen boom. “Heb je het lucifersdoosje?” riep het oude vrouwtje terug. Sapperloot, neen, dat had hij juist vergeten. Hoe leelijk van mij, alleen voor mij zelf te zorgen, dacht de soldaat. Dat ik ook aan niets dan aan geld gedacht heb! Vlug ging hij terug. Dat was me wat! nu nog eens weer naar die groote honden. En zooals het altijd gaat, als je iets zoekt, en je hebt drie kasten, vind je pas in de laatste kast, wat je hebben moet. Zoo zou de arme soldaat ook pas in de derde kamer het lucifersdoosje vinden. Eindelijk kon het vrouwtje hem optrekken en stond hij weer in het bosch. Nu stond hij er anders dan straks, hoor. Toen arm—nu rijk. Het oude vrouwtje schreide van blijdschap, toen ze het doosje kreeg, en toen had de soldaat nog meer schik.“Beste jongen,” zei het vrouwtje, “weet je, wat je nu doet? Je gaat met mij naar mijn huisje, hier in ’t bosch. ’t Is al zoo laat geworden en donker ook, te donker om verder te reizen. Dan kun je bij mij logeeren, en ’k zal je een kistje of een’ zak geven voor je geld; want zóó kun je er toch niet mee blijven loopen.” Dat leek den soldaat goed, en hij stapte gezellig met het vrouwtje mee. Toen ze thuis gekomen waren, maakte het vrouwje een lekker kopje koffie en gingen ze prettig zitten praten en eten en drinken. De soldaat moest van den oorlog vertellen, en het vrouwtje was zoo vroolijk, zei ze, als ze in langen tijd niet geweest was. Eindelijk werd het tijd om te slapen, en de soldaat kreeg een lekker bed.’t Duurde geen kwartier, of hij sliep; want hij was moe van de lange wandeling, en van alles, wat hij beleefd had dien dag. Hij droomde van de honden met de groote oogen. Maar wat was dat, werd de grootste hond boos, bromde die zoo? Hè, wat een akelig geluid; de soldaat werd erwakker van. En toen hij goed wakker was, ja toen begreep hij, welk geluid hij gehoord had. Het oude vrouwtje kreunde en jammerde zoo. Dadelijk sprong de soldaat het bed uit en toen zoo gauw mogelijk naar het vrouwtje. Wat zou er toch aan schelen? Pijn had de arme stumper, erge pijn, en benauwd was ze ook. De soldaat zag dadelijk, dat het vrouwtje erg ziek was. Zoo gauw hij kon, liep hij naar een’ dokter; maar, och hé, die kon het vrouwtje niet weer beter maken; ze stierf, nog denzelfden nacht. Even vóór haren dood drukte ze den soldaat nog de hand en gaf ze hem het zilveren lucifersdoosje als een aandenken. De soldaat bleef nu nog zoolang, tot het arme vrouwtje begraven was, en toen stapte hij met eene tasch vol goudgeld het bosch weer door. Waar nu naar toe? Kom, denkt de soldaat, ik ga eens naar eene groote stad, ik ben nu rijk, ik wil ook eens wat plezier van mijn geld hebben. Gezegd, gedaan.Neen, maar, wat eene prachtige stad was dat! Wat hooge, groote huizen. De soldaat stapte een heel mooi hotel, misschien het allermooiste uit de stad binnen en bestelde de mooiste kamers om er in te wonen, en eten, waar hij het allermeest van hield; want hij was nu immers rijk en kon alles krijgen, wat zijn hart begeerde.De mijnheer, waar het hotel van was, dacht wel: hoe raar, dat een gewoon soldaat zoo rijk is, en de knecht, die de schoenen poetste, zei wel: “wat oude laarzen heeft die mijnheer,” maar den volgenden dag konden ze dat niet meer zeggen. Toen kocht de soldaat een prachtig pak kleeren en een paar fatsoenlijke laarzen, en hij hing zijn oud soldatenpak in de kleerkast en leek nu een groot mijnheer.En nu begon er een leventje van plezier. Dan naar het paardenspel en dan naar een bal en dan weer uit rijden om de mooie stad te zien. Eens toen de soldaat weer een’ rijtoer maakte, zag hij achter hooge muren een groot gebouw staan. “Wat is dat voor een gebouw, koetsier?” vroeg hij. “Dat is het paleis van de prinses,” antwoordde de koetsier. “Maar waarom staan daar zulke leelijke hooge muren omheen?” vroeg weer de soldaat. “O, weet U dat niet, mijnheer?” zei de koetsier, “hebt U nooit van de mooie prinses hooren spreken, die in het paleis gevangen gehouden wordt? Eene toovergodin heeft den koning voorspeld, dat de prinses nog eens met een gewoon soldaat zou trouwen. Nu, U begrijpt, eene prinses meteen’ soldaat, dat zou de koning nooit willen. En nu is de koning zóó verschrikkelijk bang, dat de prinses een’ soldaat ziet! Ze mag daarom nooit de deur uit en niet eens op straat zien. Er kon immers eens een soldaat voorbij loopen!”—“Hoe jammer,” zei de soldaat, “ik zou die mooie prinses wel eens willen zien,” en hij was er trotsch op, de soldaat, dat hij een soldaat was; maar dat zei hij niet tegen den koetsier. Van dien tijd af, dacht de soldaat veel aan de prinses en verlangde hij altijd weer haar te zien.Och, och, wat had onze soldaat nu een mooi leventje; er kwam maar geen einde aan de pret. Dat ging nu maar zoo den eenen dag na den anderen; maar kwam er geen einde aan de pret—er kwam wel een eind aan iets anders. De vroolijke soldaat was een beetje dom geweest. Hij had niet begrepen, dat als je van een’ zak vol geld altijd wat afneemt en er nooit wat bij doet, de zak eindelijk leeg wordt. En dat was toch zoo. De zak werd leeger en leeger, en toen kon de soldaat niet meer naar ’t paardenspel gaan, en niet meer naar ’t bal, en niet meer in zoo’n mooie kamer wonen. Op ’t laatst kwam hij in een klein zolderkamertje, en nu had hij niets meer dan zijne kleeren, die niet mooi meer waren en zijne schoenen, die hij nu zelf moest poetsen, en poetsen niet alleen, maar ook naaien; want ze waren gescheurd, en hij had niet eens meer geld om ze te laten verstellen. En armer en armer werd onze soldaat.Eens op een’ avond zat hij in den donker op zijn zolderkamertje—want licht branden kostte ook geld—te denken en te denken. Wat was het toch treurig met hem afgeloopen—al zijn geld op! Ja, en ’t was zijne eigen schuld geweest! Kom, hij wou er niet meer aan denken! Hij werd zoo triest. Dat kwam er van, dat hij zoo in den donker zat en niets te doen had. Wacht, hij zou de scheur in zijne broek gaan naaien. Had hij nog niet een eindje kaars? Zeker. Waar waren de lucifers? O, wee! het doosje was leeg, en ’t was het laatste doosje. Wat nu? Wacht eens—dat was waar ook! Hij had immers nog het zilveren lucifersdoosje van het goede vrouwtje. Waar was dat? Hij had het nooit weer gezien! O, ja, het zou nog wel in zijne soldatenbroek zijn, die in de kast hing. Daar had hij het al. Heerlijk, het doosje was vol lucifers! Rrrt! daar brandde er al eentje—maar o, o, wat was dat? Open vloog de deur, en wie kwam er binnen? Niemand anders dan de hond, dien hij op de kist met centen gezienhad, de hond met de oogen zoo groot als theeschoteltjes. En die begon me daar maar eventjes te praten met eene blaf-brom-stem: “Wat belieft, Mijnheer?”—“Wat mij belieft,” riep de soldaat, ook niet dom, “wat mij belieft, beste vent? Een zak met centen belieft mij. Wees zoo goed, dien eventjes uit je kist te halen.” Weg was de hond, en het duurde geen half uur, of hij stiet de deur weer open en ja wel, hoor, een’ zak met centen in den bek! Dien netjes voor den soldaat neergelegd en toen rechtsomkeert—weg was de hond.De soldaat was stom van verbazing. Prachtig ging dat! En hoe vlug! Hij had den hond niet eens goed gezien. Die grap moest hij nog eens hebben. Weer eene lucifer afgestreken. Rrrt! Hé, daar had hij er twee te gelijk. Dat was nog jammer. Neen—het was geen jammer, want—wie bonsde daar tegen de deur, en wie kwam daar binnen, en wie riep daar met eene nog zwaarder stem: “Wat belieft, Mijnheer?” Niemand anders dan de hond met de oogen, zoo groot als een tafelbord!! Nu begreep de soldaat alles! Streek hij één lucifer af, dan kwam de hond, die op de kist met centen paste; streek hij er twee af, dan kwam de baas van de guldens; en streek hij drie lucifers op eens af, dan kwam de heel, heel groote hond met de oogen zoo groot als een wagenrad, de hond, die op de kist met gouden tientjes paste. Dat goede oude vrouwtje, dat hem nog op haar sterfbed het lucifersdoosje in de hand gedrukt had! Hoe dankbaar was ze toch geweest voor de hulp en de liefde van den armen soldaat. En hoe dankbaar was de soldaat het goede vrouwtje! Nu was hij weer uit den nood en kon hij weer op eene mooie kamer gaan wonen en krijgen wat zijn hart begeerde, en—doen! wat zijn hart begeerde. Ja,doenook; dadelijk gaf hij van zijn’ overvloed aan arme menschen; want goedhartig was hij.En toen? En toen, denk jullie, raakten de lucifers weer op en werd de soldaat op ’t laatst weer doodarm? Mis! dat was juist het mooist van al. De lucifers raakten nooit op! Als er eene uit de doos gebruikt was, kwam er ook van zelf weer eene in. Hoe? dat wist de soldaat niet, en daar brak hij ook zijn hoofd niet over: ’t was eene tooverdoos en daarmee uit. Alles was immers tooverachtig—de honden met de groote oogen, die praten konden en—alles. Onze soldaat was nu voor goed rijk. De honden brachten zooveel geld, als hij maar hebben wou—’t leek wel, of de kistenook nooit leeg werden: het geld groeide zeker weer aan, net als de lucifers.Dus—kwam er nooit weer een einde aan het geld en aan het geluk van den soldaat, en toen kwam er “een varkentje met een’ snuit, en ’t vertelseltje is uit”—denk jullie. Mis! Het vertelseltje is nog lang niet uit. Luistert maar verder. Er kwam geen einde aan ’t geld, maar wel aan ’t geluk van den soldaat. Het luie leventje begon hem te vervelen. Voor een poosje niets dan pret maken is wel aardig, maar altijd? neen, hoor! De soldaat verveelde zich, en die zich verveelt, is niet gelukkig. Hij had niets te doen. Geld verdienen behoefde hij niet; en dus werkte hij niet. Vechten behoefde hij ook niet; want er was geen oorlog. Pret maken—daar had hij ook niet altijd zin in. Nu zat hij zooveel alleen op zijne kamer, en dat was niet gezellig. Hé, dacht onze soldaat, ik moest eene zuster hebben, wat zou die gezellig bij mij kunnen wonen. Wat zou ik die een plezier met mijn geld kunnen doen. Wat zou het aardig zijn, eens met haar te gaan rijden; de stad door en buiten de stad langs het paleis van den koning. Hé ja, daar achter de hooge muren woonde ook de mooie prinses. Hoe jammer toch, dat niemand haar ooit mocht zien.Zoo zat de soldaat te denken en te denken alleen op zijne kamer. Hij vergat alles, ook, dat het later werd. Daar sloeg de klok twaalf—’t was nacht! Nog dacht de soldaat aan de prinses. Op eens riep hij: ik moet en ik wil haar zien! Hij greep naar zijn zilveren lucifersdoosje en streek drie lucifers te gelijk af! Boem! daar vloog de deur open, en de allergrootste hond sprong binnen. Neen maar, de kamer dreunde, toen hij met zijne bromstem vroeg: “Wat belieft, Mijnheer?”—“Ik zou zooheelgraag de prinses eens zien,” zei de soldaat. “Zou je daar ook raad op weten?”—“’t Zal wel gaan, Mijnheer,” bromde de hond, en weg was hij.—Het hart van den soldaat bonsde en klopte. Wat zou er nu gebeuren?.....Daar sprong de deur weer open, en de soldaat kon zijne oogen haast niet gelooven .... ’t was de hond en—niet alleen! Op zijn’ rug lag de prinses, de armen om den hals van den hond, het hoofd op zijn grooten kop. En—ze sliep!!—Had de hond haar slapende uit het bed getild? Was hij met haar over den hoogen muur gesprongen? De soldaat wist er niets van. Hij vroeg ook niet—hij keek maar naar de mooie prinses. Hoe lieflag ze daar! Wat zag ze er snoeprig uit. Onze soldaat moest haar even over de blonde krullen strijken!Nu was hij tevreê—hij had de mooie prinses gezien. “Dank je wel, brave hond,” fluisterde hij, “breng het lieve kind nu weer terug.”—Weg was de hond—weg de prinses. De soldaat, ging naar bed en droomde van beiden.En de prinses? Had ze niets gemerkt van dat alles?Toen ze den volgenden morgen aan ’t ontbijt zat met den koning en de koningin, zei ze: “Wat heb ik vannacht grappig gedroomd! Ik droomde, dat ik op een grooten hond reed en toen kwam ik bij een’ soldaat, en die streelde mij over ’t haar!”“Foei! wat een nare droom!” zei de koningin.“Een soldaat! ba!” riep de koning. “Droom toch niet van een’ soldaat!” En de koning zei, dat er den volgenden nacht eene hofdame op moest blijven, om te zien, of de prinses wezenlijk droomde, of dat—neen, waar kon het toch niet wezen!En den volgenden avond laat zat de soldaat weer op zijne kamer te denken en te denken. Nu dacht hij alleen aan de prinses—wat zou het gezellig zijn haar nog eens even te zien. Vóór hij ’t zelf recht goed wist, had hij weer drie lucifers afgestreken en den hond gevraagd nog even de prinses te halen. Waarom mocht het ook niet—hij deed haar immers geen kwaad!Bij het bed van de prinses zat de hofdame. Maar daar gaf de hond niets om, en de hofdame was stom van schrik, toen ze den hond zag met de oogen zoo groot als een wagenrad. Ze begreep maar even, dat ze het dier volgen moest—loop je niet, zoo heb je niet, om te zien, waar het met de prinses heen ging. Gelukkig, ze kwam nog net op tijd—in dàt huis ging hij. Ze zou het den koning vertellen morgen. Maar—’t was zoo donker,—zou ze morgen ’t zelfde huis nog weer kunnen vinden? Wacht,—ze had juist een stukje krijt in den zak—ze zou een groot kruis op de deur maken. Zoo, nu kon ze rustig naar huis gaan en wachten, tot de hond de prinses weer thuis bracht. Dat gebeurde gelukkig gauw. Maar wat had de hond met zijne groote oogen al dadelijk gezien? Het kruisop de deur! En die, ook niet dom, maakte op al de deuren in de stad net zoo’n kruis. Nu kon de hofdame de deur van den soldaat niet vinden—op alle deuren was immers een kruis.Toen het nu morgen werd, had de prinses weer denzelfden grappigen droom te vertellen. Maar de hofdame wist beter—het was geen droom. Ze vertelde alles aan den koning en de koningin en ook, dat ze met krijt een kruis op de deur van het huis gemaakt had, waar de hond met de prinses was binnen gegaan. De koning en de koningin prezen de hofdame, dat ze zoo slim geweest was, en de koning liet dadelijk vier paarden voor den wagen spannen, om het huis te zoeken. “Daar is het!” riep de koning, toen hij de eerste deur met een kruis zag. “Neen, daar is het!” riep de koningin, toen ze de tweede deur met een kruis zag. “Maar daar is nog een kruis! en nog een!” riepen beiden, en nu begrepen ze, dat ze de rechte deur nooit zouden kunnen vinden—alle deuren hadden immers een kruis! Dat was me ook wat! Maar de koningin was slim. Die kon ook nog wel wat anders doen, dan in een’ wagen met vier paarden rijden! Ze nam haar groote gouden schaar, en knipte en naaide van een zijden lap een mooien zijden zak. Toen het nu weer avond werd en de prinses te bed lag, deed ze haar den zak aan een zijden koord om den hals, vulde hem met grutjes en knipte er toen een gaatje in.En ’s nachts kwam de hond weer om de prinses te halen, want de soldaat mocht de prinses nog al liever en liever lijden.—Ja, als hij gedurfd had, zou hij haar wakker gemaakt en gevraagd hebben: toe blijf altijd bij mij—ga met mij trouwen. Maar dat kon immers niet, omdat de prinses eene prinses en hij een gewoon soldaat was, en de menschen zeiden immers, dat die twee niet bij elkaar pasten. En—de koning dan!Die goeie trouwe hond! had hij maar gezien, dat de grutjes, terwijl hij de prinses droeg, uit het gaatje in den zak vielen—dat er een klein paadje van grutjes liep van ’t paleis van den koning naar ’t huis van den soldaat! Hij zag het niet, maar de koning, zooveel te beter en die liet den soldaat uit zijn huis halen en—in de gevangenis brengen!Daar zat de soldaat nu .... Hu! wat donker en vervelend was het daar! En geen vriendelijk woord kreeg de arme soldaat te hooren. Maar wel was het: “O, o, jongetje, wat is de koning boos op je! En weetje, wat er morgen gebeuren zal? Midden op de markt wordt eene hoogte gebouwd, en daar kom jij boven op te staan, en dan komen al de menschen uit de heele stad om je uit te lachen,—dat heeft de koning zoo besteld. De scholen krijgen vacantie, en al de schoolkinderen zullen roepen: ‘Sliep hem uit! hij doet of hij een prins is, en ’t is maar een gewoon soldaat!’”Dat was alles behalve vroolijk, om te hooren.Maar wat zou hij doen? Hij dacht wel aan zijne trouwe vrienden, de honden; maar zijn tooverdoosje was thuis.Den volgenden morgen zag hij door de ijzeren tralies eene drukte op de straat van wonder en geweld, ’t Was, of de heele stad leegstroomde; alle menschen liepen den kant op naar de markt, ieder moest meedoen, om hem uit te lachen. Welzeker, die schoenmakersjongen ook al. Hij liep zich het vuur uit de schoenen—neen, uit de oude sloffen, die hem veel te groot waren. Bats! daar vloog de eene slof tegen den muur aan, vlak onder het tralievenstertje, waarvoor de soldaat zat.“Zeg, jongen,” riep de soldaat, “je behoeft zoo’n haast niet te maken, zoolang ik er niet bij ben, gebeurt er toch niets. Maar wil je eene boodschap voor mij doen, dan kun je een kwartje verdienen.” Nu, kwartjes verdienen was geen dagelijksch werk voor den schoenmakersjongen, en daarom zei hij dadelijk “ja.”Een poosje later stak de schoenmakersjongen een lucifersdoosje door de tralies, en de soldaat een kwartje en toen—geduld een beetje, dat komt later.Och, och, wat een menschen op de markt: duizenden! Je kon wel over de hoofden loopen. En midden op de markt was eene hoogte, een stellage, gebouwd voor den soldaat, dat ieder hem goed kon zien. Een heele troep soldaten stond vooraan om op te passen, dat de ondeugende soldaat niet weg kon loopen. En een prachtige troon was er gemaakt voor den koning en de koningin—die moesten toch goed kunnen zien, welk gezicht de soldaat wel zou zetten, als al die menschen hem uitlachten.Daar kwamen ze met hem aan. Op een karretje zat hij: aan handen en voeten gebonden. Ieder ging op de teenen staan en rekte den hals uit, om hem te zien. Daar klom hij naar boven. Nog een oogenblik, en de soldatenzouden een’ roffel slaan, en dan zou de pret beginnen. Toen opeens begon de soldaat te niezen, te niezen, zonder ophouden. “Mijn zakdoek! mijn zakdoek!” riep de soldaat. “Zijn zakdoek! geef hem zijn’ zakdoek!” riep het volk. En toen—waren op eens zijne handen los, om den zakdoek te kunnen krijgen en toen—rrrt! rrrt! rrrt! daar brandden één, twee, drie lucifers tegelijk en daar stormden de drie groote honden de trap op en brulden met eene stem, om van te beven: “Wat belieft Mijnheer?”—“Helpt mij!” riep de soldaat, “grijpt den koning, grijpt de koningin, ze willen mij de prinses niet geven, en ik heb haar zoo lief!”Toen sprongen de reuzen-honden naar den troon, en de koning en de koningin werden bleek van schrik; ze dachten, dat hun laatste uurtje geslagen was, en ze riepen:“Wij willen wel! hij mag de prinses zien, hij mag haar hebben, hij mag haar trouwen!”—“Ja! ja!” riep het heele volk, “hij mag haar hebben, hij mag haar trouwen, hij moet later onze koning worden. Als de dieren zooveel van hem houden en zooveel voor hem willen doen, moet hij wel goed zijn!”Toen kwam de soldaat bij den koning en de koningin in de mooie koets te zitten, en ze reden naar het paleis, naar de prinses. En de drie honden liepen vooraan en blaften: hoera! En al het volk liep mee: de jongens floten op de vingers, en de meisjes zongen, en allen riepen: “Leve de soldaat! leve de nieuwe koning!” En de prinses kwam achter de hooge muren vandaan en mocht ook mee door de stad rijden, en dat stond haar wel aan.Toen kwam de bruiloft, en de honden zaten mee aan tafel en maakten nog grooter oogen dan ze al hadden en hadden pret voor drie. Maar de grootste pret had het bruidspaar, dat zat maar te lachen en te lachen! En raad eens waarom? Om den knappen neus van den soldaat, die zoo flink niezen kon zonder verkouden te zijn.April!Dat kleine kindertjes zich dikwijls laten foppen, nu ja, dat is te begrijpen: ze zijn ook nog zoo onnoozel, ze weten nog niet beter. Dat groote kinderen, ja, dat zelfs groote menschen zich voor een enkelen keer beet laten nemen, dat kan gebeuren, en niemand vindt het zoo heel erg, ieder is op zijne beurt wel eens een beetje dom. Maar dat een jongen van twaalf jaar maar dadelijk alles gelooft, wat men hem vertelt, dat zoo’n groote jongen zich nu letterlijk van alles op de mouw laat spelden, dat is toch al te dwaas. Nu, en zoo’n jongen heb ik gekend. Hij is nu van een onnoozelen grooten jongen al lang een knappe groote mijnheer geworden, en als hij dit leest, zal hij er zeker even hartelijk om lachen, als jullie zult doen.O, als ik wou, dan zou ik je heel wat mooie geschiedenissen van hem kunnen vertellen, wel een boek zou ik er vol van kunnen schrijven. Als ik wou—ja, maar ik wil niet. Ik kies uit al de grappen, die er met hem gebeurd zijn, alleen de allermooiste, en daarmee moet je dan maar tevreden zijn, hoor!Nu dan, ons vriendje—Hans heette hij—stond op een goeien morgen in de slaapkamer voor een grooten spiegel te draaien als een nuffig juffertje. Eerst moest hij zich van voren bekijken, toen aan de beide zijden, toen zoo goed als het ging van achteren en eindelijk nog eens van voren. Nu, mooi was hij, dat moet gezegd worden. Het pak, dat hij aan had, was nieuw, zijne schoenen waren splinternieuw, en zijn hoed was spiksplinternieuw. O, die spiksplinternieuwe hoed: van fijn stroo; niet met zoo’n kinderachtig laag bolletje, maar flink hoog; niet met zoo’n onnoozel smal lintje er om, maar met een breeden band—daar was onze Hans nog het meest trotsch op van al.Wat leek hij nu groot en deftig, een fijn heertje, hoor! “Hm, hm, ik mag me laten zien,” zei hij hardop, en toen—nam hij voor zijn eigen beeld in den spiegel den mooien hoed af.“Hm, hm,” klonk daar op eens Moeders stem achter hem, “dat ventje heeft zichzelf nu ten minste genoeg bekeken, zou ik zeggen. ’t Duurt nog wel anderhalf uur, eer ’t rijtuig voorkomt. En als je nog anderhalf uur voor den spiegel wilt staan, dan is straks al ’t mooi van je nieuwe kleerenafgekeken. Kom, Hansje, mijn zoon, ’k zou nu maar eene poos naar buiten gaan.”Hansje, mijn zoon ging dralende de kamer uit, naar beneden, den tuin in. “Hoor eens, Hans;” riep zijne moeder hem nog uit het venster na, “ga nu maar niet den weg meer op, blijf liever in den tuin. Anders weet ik wel, hoe ’t gaat: dan verpraat je je tijd weer bij Baas Martens. En als ’t rijtuig voorkomt, en je bent er niet, dan—flip, flap, gaat de zweep over de paarden, en we rijden zonder je weg, Vader en ik!”Verbeeld je, Vader en Moeder uit rijden naar de heerlijke bosschen zonder Hans! Dat zou me eene mooie grap zijn. Weken, weken lang had hij zich al op dat kostelijk ritje verheugd. Neen maar, òf hij ook op zijn’ tijd zou passen! Natuurlijk bleef hij dicht bij huis. Baas Martens—hij dacht er niet aan, nu naar hem toe te gaan. ’t Was anders zoo aardig een praatje met den baas te houden: altijd wist hij wat nieuws en wat grappigs te vertellen. En dan onderwijl naar het timmeren kijken, naar ’t schaven en boren en zagen en spijkeren, de lekkere lucht van ’t versche hout te ruiken, jongens, dat mocht Hans zoo graag. Jammer, dat er een “maar” bij was, een leelijk “maar.” Je moet weten: Baas Martens kon nooit laten een grapje met de menschen te hebben. O, hij mocht ze zoo graag eens met het ernstigste gezicht van de wereld wat wijsmaken. Je moest hem dan haast wel gelooven, vooral—als je Hans heette.—Hoe dikwijls onze Hans wel door den baas beetgenomen was, weet ik niet. ’k Weet ook niet, hoe vaak de moeder van Hans hem al gewaarschuwd had voor den baas en hoe vaak Hans zich voorgenomen had, nooit, nooit weer naar de praatjes van den baas te luisteren. Maar wèl weet ik, dat Hans altijd weer een praatje bij Baas Martens ging maken en—dat hij zich geregeld weer wat door hem op de mouw liet spelden.Maar nu, neennuging hij eensniet. Moeder had gelijk; hij moest liever bij huis blijven. ’t Was in den tuin ook mooi. Hans keek naar de blauwe lucht, naar den vriendelijken zonneschijn, naar de bloeiende vruchtboomen en heesters. Hij keek naar de vogels, die in de boomen zongen, naar de bijen, die tusschen de bloemen gonsden, naar de kikkers, die door ’t gras hipten. Ja, Hans keek naar dat alles; maar de boomen en de bloemen, de vogels, de bijen en de kikkers keken niet naar hem. Niemand was er,die naar hem keek. En—zoo mooi als hij was, wou hij juist niets liever dan bekeken worden. Wat gaf eene bij nu om mooie schoenen, of een kikker om een nieuw pak, of een vogel om een prachtigen hoed! Neen, de jongens van ’t dorp, die gaven daar meer om, die moesten hem eigenlijk zien en bewonderen. Hè, als hij het dorp eens opliep, wat zouden ze zich daar de oogen uitkijken! En baas Martens, wat zou die wel .... daar was hij wezenlijk al weer met zijne gedachten bij den baas .... Neen, neen, niet naar Baas Martens. Hij bleef, waar hij was, dat had hij beloofd .... Anderhalf uur, ’t was anders wel een heele tijd. Waarom had hij zich ook zoo vroeg gekleed. Wat zou hij toch doen zoolang met zijne mooie kleeren aan! .... Kom, een boek halen en dan wat op eene bank zitten lezen, tot de tijd om was. Maar—’t wou vandaag toch niet recht vlotten met lezen: Hans had te veel andere dingen in ’t hoofd. Zijne gedachten en zijne oogen dwaalden telkens af .... Wat liep daar eene prachtige tor op ’t kiezelpad! ’t Boek gauw op de bank gelegd en toen neergehurkt bij de tor. “Wat loop je vlug,” dacht Hans. “Wacht eens even, dat ik je beter bekijken kan!”—Maar het diertje was hem te gauw af, ’t verdween op eens in een gaatje. Hans richtte zich weer op. Daar viel zijn oog op een paar voeten, die onder en een paar handen met een bovenstuk van een hoofd, die boven het tuinhek uitkeken. Voeten, handen en hoofd waren van een kleinen boerenjongen.Wat moest die daar? Waar zou hij zoo nieuwsgierig naar kijken? Naar de bloemen in den tuin? Och, wat geeft nu zoo’n boerenjongen om bloemen. Naar de tor keek hij toch zeker ook niet. “Maar waar zou—wacht, ’k weet het: natuurlijk kijkt hij naar mij!” dacht Hans trotsch.Dat was een buitenkansje voor den ijdelen Hans; nu had hij ten minste één, die hem bewonderde.—Kom, hij zou maar eens naar den jongen toegaan, dan kon die hem ook eens van nabij bekijken. En dan zou hij misschien ook eenshooren, dat hij mooi gevonden werd. De jongen behoefde het immers niet te weten, dat het hem daarom te doen was.Hans slenterde dus het tuinpad op, keek eens links, deed, alsof de heele boerenjongen hem niets kon schelen en kwam onderwijl toch al dichter en dichter in de buurt van ’t hek. Maar—toen hij er eindelijk vlak bij stond,waren er geen voeten, handen of hoofd meer te zien: de heele jongen was op eens verdwenen!Hans keek eerst op zijn’ neus. Toen—deed hij het tuinhek open en ging een eindje den weg op. Hij moest toch eens zien, waar de jongen gebleven was. O, daar zag hij hem al. Wat liep hij hard. “Zeker bang voor me geworden,” dacht Hans, “wie weet, of hij me niet voor een’ heer aanzag met mijn mooien hoed. Och ja, zoo’n boerenjongen ook! Kom, ik moet toch eens verder zien, waar hij heengaat. Een jongen van ’t dorp is het, geloof ik niet.”Hans liep den weg verder op. “Tot aan de eerste bocht,” zei hij, “en dan keer ik om.”—Nu was hij bij de eerste bocht. De jongen was heinde en ver niet meer te zien; maar daar bij die bocht zag Hans wel iets anders. En dat was—de werkplaats van Baas Martens!Daar stond de baas voor zijne deur druk te werken. Hij floot een vroolijk deuntje en onderwijl hakte hij vlijtig op een dikken boomstam los. Vroolijk blonk de bijl in den helderen zonneschijn, lustig stoven de spaanders in ’t rond, lekker geurde het versche hout. Hans kon het niet laten, hij moest even voorbij de werkplaats loopen. Ophouden behoefde hij zich immers niet, alleen maar even goeden morgen zeggen—even kijken, hoever de baas al met den boomstam gevorderd was en ook—zich even vertoonen met zijne mooie kleeren. Vooral den nieuwen hoed moest de baas zien. Vroeger had hij hem zoo dikwijls geplaagd met zijne leelijke petten en mutsen, nu zou hij eens wat anders zien!Hans kuierde dus langzaam, heel langzaam voorbij de werkplaats en nam voor Baas Martens in ’t voorbijgaan deftig den hoed af. De baas liet de bijl in ’t hout rusten, stak de handen in de zakken, hield zijn hoofd een beetje op zij en bekeek Hans van top tot teen. Toen met een guitig knipoogje: “Ben je ’t of ben je ’t niet, jongeheer? Lang niet kwaad, dat hoedje. Waar moet dat zoo mooi naar toe al in den vroegen morgen?”Hans bleef staan. Hij kreeg eene kleur van plezier en trots; maar toch zei hij zoo onverschillig mogelijk: “Och ja, ’t is omdat we straks uit rijden gaan, weet je.”—“Zoo, zoo, ga je uit rijden, met dien nieuwen hoed, met dat nieuwe pak, met die nieuwe schoenen?” vroeg de baas. “Hoe zoo?” zei Hans. Geen antwoord. Alleen keek de baas met een bedenkelijkgezicht naar de lucht, toen naar Hans, toen weer naar de lucht. “Hoe zoo?” vroeg Hans weer. “Nu, ieder moet weten, wat hij doet,” zei de baas eindelijk, “maar ik weet wel:ikging niet uit rijden met zulk weer.” “Met zulk weer!” lachte Hans, “neen maar, er is geen wolkje aan de lucht. ’t Is het prachtigste weer van de wereld.”—“O zoo,” zei de baas, “weet jij ’t beter dan ik, die zooveel ouder ben! Heb je die wijsheid misschien uit je nieuwen hoed gehaald? Dan zal ik me maar verder stilhouden.”Hans begon nu toch een beetje ongerust te worden. Met eene stem, die wel wat benauwd klonk, vroeg hij: “Maar Baas, hoe weet je toch, dat het weer veranderen zal?” De baas wees naar ’t haantje van den dorpstoren, dat tusschen de boomen doorschemerde. “Kijk maar, de wind is gedraaid, hij komt nu uit den regenhoek. Let op mijne woorden, over een paar uur regent het er frischjes op los!”Toen hij dat gezegd had, greep de baas weer naar zijne bijl en begon te hakken, alsof er niets gebeurd was.De arme Hans wist niet recht, wat hij er van denken moest. Keek hij naar de helderblauwe lucht, dan troostte hij zichzelf: “Praatjes van dien regen!” Keek hij naar ’t ernstige gezicht van den baas, dan dacht hij: ”’t Zou toch verschrikkelijk zijn, als de regen alle pret ging bederven!”De baas stoorde zich niet meer aan Hans, maar werkte rustig door. En toch bleef Hans staan, alsof hij meende, dat de baas nog wat zeggen zou. Het schreien stond onzen held op ’t laatst nader dan ’t lachen. Toen dat een poosje zoo geduurd had en Hans nog maar niet wegging, keek de baas even op van zijn werk en zei zoo bij zijn neus langs: “Er is wel een middeltje om te maken, dat er geen regen komt.”—Het heele gezicht van Hans klaarde op. “Wat dan?” riep hij vroolijk. “Wel,” zei de baas heel leuk, “we moeten gedaan zien te krijgen, dat de wind uit een anderen hoek gaat waaien, dan is alles in orde.”—“Ja, ja,” riep Hans, “als dat kon!”—“O, dat kan wel,” zei de baas, “er is een touw, waarmee je den wind kunt laten draaien. Maar”—en hij lei bedenkelijk zijn’ wijsvinger tegen den neus—“waar zit dat ding op ’t oogenblik! Als we dat nu maar wisten. Wacht eens, misschien weet mijn buurman Jansen, de klompenmaker, het wel. Als ik me niet vergis, heeft die het touw eene poos in huis gehad. Kom maar mee, ik zal ’t hem vragen.”Baas Martens legde zijne bijl neer en ging met Hans naar ’t huis van den buurman. “Hei, Jansen,” riep de baas, “waar zit je?” Dadelijk kwam Jansen voor ’t open raam en vroeg, wat er te doen was. Zonder dat Hans het merkte, wees Baas Martens op hem en gaf Jansen daarbij gauw een knipoogje. Toen zei hij: “Treft het niet ongelukkig, Jansen, hier is een jongeheer, die straks uit rijden moet, en nu waait de wind juist uit den verkeerden hoek. Zeg, weet jij ook, waar het touw, om den wind te laten draaien, wezen kan?”—“Het touw, om den wind te doen draaien?” vroeg Jansen met een gezicht, alsof hij er zich ernstig op bedacht en met een stil knipoogje tegen Baas Martens, “ik geloof.... Wacht even, ik ben er dadelijk weer.”Jansen verdween. Een oogenblik later kwam hij weer te voorschijn op den drempel van de deur met een dik boek onder den arm. Nu nam hij zijn’ bril, zette dien bedaard op en begon te bladeren en te zoeken in het boek. Eindelijk sloeg hij met de hand op een blad en riep: “Ha, nu ben ik er. Hier staat het: het touw is bij Teunissen, den kruidenier. ’k Herinner ’t me nu heel goed: Teunissen had doperwtjes in zijn’ tuin gepoot, maar ze wilden niet opkomen met dat droge weer. Toen heeft hij het touw gehaald en den wind naar den regenhoek gedraaid.”“Zoo, is het bij Teunissen, dat ziet er gek uit,” zei Baas Marlens, “de jongeheer heeft haast, hij zal geen’ tijd hebben, om er nog even heen te loopen.” Maar Hans bedacht zich niet lang. Zonder iets te zeggen schoot hij als eene pijl uit den boog vooruit en liep wat hij loopen kon den kant uit, waar Teunissen woonde. Twee—driemaal vloog hem onderweg de nieuwe hoed van ’t hoofd. Zijn mooie pak, zijne glimmende schoenen, alles kwam dik onder ’t stof. Maar dat kon hem nu weinig schelen. Hij dacht maar aan één ding: hetmochten hetzouniet regenen. De windmoestdraaien.Eindelijk stoof hij hijgende en blazende, heelemaal buiten adem den winkel van Teunissen binnen.“Teunissen ....” hijgde Hans, “is hier ook ....”—“Drop te koop?” maakte Teunissen er met een guitig lachje bij. “O ja, jongeheer, zwart en wit, wat je verkiest. Of moet het zoethout zijn?”—Het duurde een poosje, voordat Hans hem kon uitleggen, waar hij eigenlijk om kwam. Teunissen zette groote oogen op. “Wàt moet je hebben?!” riep hij. “Wel, het touw,om den wind te doen draaien,” zei Hans nog eens, met een onnoozel gezicht. “Ze zeiden toch, dat het hier moest zijn.”—Toen op eens scheelde het niet veel, of Teunissen was in lachen uitgebarsten; maar gelukkig hield hij zich nog in en deed, alsof hij zijn gezicht met zijn voorschoot afveegde, dat Hans niets merken zou. Nu, Hans merkte er dan ook niet veel van—als je zulke gewichtige dingen in je hoofd hebt, let je niet op kleinigheden.“Nu?” vroeg Hans, een beetje ongeduldig, omdat Teunissen nog geen antwoord gegeven had, “kan ik het touw krijgen?”—“Wacht eens, jongeheer,” zei Teunissen nu zoo ernstig, als hij kon, “ik zal mijne vrouw even gaan vragen.”Teunissen verdween door eene deur achter in den winkel. Hans bleef alleen. Met een angstig kloppend hart stond hij dichtbij de deur te luisteren naar wat de kruidenier en zijne vrouw met elkaar spraken. Wat praatten ze druk! Ze waren het zeker niet met elkaar eens, of ze het touw zouden geven of niet. O, verbeeld je eens, als ze het houden wilden, wat dan! Hans zette bij die gedachte zoo’n treurig benauwd gezicht, dat zelfs de suikerbrooden in den winkel medelijden met hem kregen.Nu verstond hij enkele woorden. De vrouw zei “neen”. Daarop zei de man “ja”. Toen zei de vrouw weer: “Zijn vader zal boos worden;” waarop de man iets antwoordde, dat Hans niet verstond. “O, die nare vrouw Teunissen,” dacht Hans. Anders hield hij wel van haar; ze stopte hem nog wel eens eene of andere lekkernij in de hand. Maar nu—zijzou nog de schuld worden, dat de heele pret van het rijden bedorven werd!Eindelijk, eindelijk, daar ging de deur open, en Teunissen kwam weer te voorschijn. Dadelijk achter hem aan kwam ook zijne vrouw den winkel binnen. Haar gezicht stond half boos. Zonder dat haar man het merkte, maakte ze allerlei teekens tegen Hans; maar Hans begreep niets van hare knipoogjes en van al die bewegingen met de hand. Wat had dat toch te beteekenen, en waarom werd Teunissen verdrietig, toen hij op eens merkte, wat zijne vrouw achter zijn’ rug deed! Waarom zeiden ze niet gewoon weg “neen” of “ja”! Waarom kwam vrouw Teunissen nu weer naar hem toe en zei ze heel vriendelijk, dat hij zoo’n mooien hoed op had en dat hij maar niet weer zoo hard moest loopen. Waarom stopte ze hem met een medelijdend gezicht een paar dikke stukken zoethout in de hand? Watmoest dat alles toch! Ze zou hem maar liever het touw geven.—Maar Teunissen zei: ”’t Spijt me erg, jongeheer, maar mijne vrouw zegt, we hebben het touw niet. Baas Jansen heeft zich stellig vergist: het touw is op ’t oogenblik bij Pietersen,diewou graag regen hebben op zijne erwtjes.”

Een dief—en Geen Dief.Een dief—en Geen Dief.

Een dief—en Geen Dief.

Een dief—en Geen Dief.

Toen hij den volgenden morgen laat wakker werd, zag hij zes mannen voor zijn bed staan, die hem allen even verbaasd aankeken. ’t Leken ruwe, woeste mannen, en was Tom, Tom niet geweest, dan zou hij zeker van schrik dadelijk weer onder de dekens gekropen zijn. Maar bang zijn, daar wist Tom niet van. Hij ging half overeind in zijn bed zitten, leunende op zijn’ elleboog, en keek de mannen driest in de oogen.

“Wie ben je,” vroeg de oudste van de dieven, die zoowat de baas over de andere vijf leek, “en wat kom je hier doen?”—“Wie ik ben?” zei Tom. “Ik ben de opperste van alle dieven. Wat ik hier kom doen? Ik kom leerjongens zoeken, die me meteen een handje kunnen helpen bij mijn werk. Als jullie me bevalt,” en hij keek de mannen één voor één aan, “dan wil ik je misschien wel in mijn’ dienst nemen en je een paar lesjes in ’t stelen geven.”

De mannen wisten niet, hoe ze ’t hadden: ze keken elkaar eerst zoo beteuterd aan, dat Tom er wel om lachen moest. Het duurde eene poos, eer de oudste dief antwoordde: “Praats heb je genoeg, dat hooren we; maar sta nu maar óp, dan zullen we na ’t ontbijt wel eens zien, wie meester en wie knecht wezen zal.”

Tom stond op, kleedde zich en ging met de dieven ontbijten. Net zitten ze aan tafel, of daar zien ze door ’t bosch dicht bij het huis een’ boer aankomen, die eene mooie, groote geit voor zich uit drijft.—“Wie van jullie,” vraagt Tom, “durft er op aan, dien boer zijne geit af te stelen, nog voordat hij ’t bosch uit is, en dat wel zonder ook maar ’t minste geweld te gebruiken?”—“Ik niet,” zegt de oudste dief. “En ik niet!” roepen de anderen. “Kom aan,” zegt Tom, “ik ben de meester, ik zal jullie je eerste lesje geven!”

Tom gaat de deur uit en sluipt tusschen de boomen door naar eene plek, waar de weg door ’t bosch eene bocht maakte. Daar trekt hij zijn’ rechterschoen uit en zet dien midden op den weg neer. Toen gauw verder naar eene tweede bocht in den weg. Daar trekt hij zijn’ linkerschoen uit, zet dien weer midden in ’t pad, loopt vlug weg en verbergt zich achter de struiken.

De boer komt, en hij ziet een’ schoen staan. “Jammer, dat die geen kameraad heeft,” denkt hij, “aan één alleen heb je niets.”—En de boer laat den schoen staan en loopt verder. Daar ziet hij den anderen schoen. “Domoor, die ik ben,” zegt de boer, “dat ik dien van straks niet meegenomen heb! Weet je wat, ik loop terug en haal hem nog. Een paar kan ik best gebruiken.”

De boer bindt zijne geit zoolang vast aan een’ boom, om gauwer vooruit te kunnen komen en gaat terug, om den schoen te halen. Maar de schoen—die zat al lang weer aan Toms voet. Toen de boer de bocht van den weg om was, was de slimmerd gauw achter de struiken vandaan gekomen en had den schoen weer weggepakt.—De boer komt en ziet den schoen nergens meer. Verdrietig gaat hij denzelfden weg terug. Hij komt bij de plek, waar hij den tweeden schoen gelaten en zijne geit vastgebonden heeft: geen schoen meer te zien en—wat nog erger, is—ook geene geit meer!—De tweede schoen zat al lang weer aan Toms voet. En de geit? Die had hij, toen de boer terugliep naar den eersten schoen, heel bedaard van den boom losgemaakt en in ’t huis van de dieven gebracht.

“Dat is me ook wat!” jammerde de boer, “ik beloof voor mijne vrouw eene mooie japon te koopen van ’t geld, dat ik op de markt voor mijne geit zal krijgen, en nu—is de geit weg! Ik moet maar zien, dat ik een ander dier naar de markt breng, zonder dat mijne vrouw er iets van merkt. Als ze te weten komt, hoe ik me heb laten foppen, dan zal ik daar, wie weet hoelang, nog wat over moeten hooren.”

De dieven waren in ééne bewondering voor Tom, dat kun je denken, en ze wilden volstrekt van hem weten, hoe hij dat kunststukje toch wel gedaan had- gekregen. Maar Tom wou er hun niets van vertellen.

Een half uurtje later—daar komt de boer weer aan met een mooi, vet schaap bij zich. “Wie van jullie ziet er kans,” vraagt Tom, “dat schaapte stelen, vóór de man nog uit het bosch is, altijd- zonder geweld te gebruiken?”—“Ik niet!” zegt een van de dieven. “En ik niet!” roepen de anderen. “Dan zal ik ’t probeeren, ik ben de meester,” zegt Tom. “Geef me een stevig touw.”

Terwijl de boer met zijn schaap over den weg sukkelt en nog den heelen tijd aan het ongeluk denkt, dat hem overkomen is, ziet hij op eens een’ man aan een’ tak van een’ boom hangen met het hoofd slap op de borst. “Wat is dat nu!” roept hij, “een uur geleden hing die man daar toch nog niet. Zou er in dien tusschentijd een moord gebeurd zijn? Op klaarlichten dag, ’t is om van te beven!” Angstig kijkt hij om zich heen en begint wat harder te stappen, om gauw uit het bosch te zijn.

Hij is nog niet veel verder, of daar ziet hij tot zijn’ schrik al weer een’ man aan een’ boomtak hangen, met zijn hoofd slap voorover op de borst. “Heb ik van mijn leven!” roept de man, “daar hangt er al weer een. Maar dat is hier een vreeselijk bosch!”—En hij stapt haastig verder, zonder ook maar even weer om te zien.

Hij mag zoowat een honderd stappen gedaan hebben, of hij staat stil en grijpt zich met de hand aan ’t voorhoofd. “Maar zie ik dan verkeerd, of ben ik mijn verstand kwijt: hangt daar de derde niet aan een’ boom te zwaaien? Drie zoo vlak bij elkaar! Nu wordt het toch al te gek, daar steekt zeker wat achter. Kom, ik loop terug—ik wil weten, of de twee anderen er nog hangen.” De man bindt zijn schaap zoolang aan een’ boom en toen terug. Maar pas is hij de bocht om, die de weg daar juist maakte, of de arme vermoorde man laat zich van den tak glijden, maakt het schaap los en wandelt er doodbedaard mee naar ’t huis van de dieven.—Dat die man niemand anders dan de slimme Tom was, heb je zeker al begrepen.

Toen de boer kwam bij de plek, waar hij den tweeden man had zien hangen, was er geen man meer te zien. En toen hij verder doorliep, was de eerste man er ook niet meer. Tom had zijn spelletje driemaal gespeeld. Tweemaal was hij met zijne jonge beenen den boer vóór geweest, de derde maal was hij eenvoudig naar huis gekuierd, terwijl de boer weerom liep.

Of de dieven ook verbaasd waren, toen Tom hun het schaap bracht! “Als je nog één zoo’n stukje uitvoert als dit,” zei de oudste dief, “dan zeg ik: je bent ons allen de baas!”—

En de boer? Hij komt bij de plek, waar hij den tweeden man heeft zien hangen: nergens iemand meer te zien. Hij loopt door naar de bocht van den weg, waar hij den eersten man zag: geen spoor van een’ man. Al pruttelende in zichzelf gaat hij eindelijk terug naar de plaats, waar de derde man hing en waar het schaap vastgebonden was: geen man, geen schaap, alles weg!

Van spijt trekt hij zich de haren uit het hoofd en jammert: “Ach, ach, wat een ongeluksdag! Wat zal mijne vrouw zeggen! Mijn tijd verbeuzeld, mijne geit weg, mijn schaap weg! En ik moet eene japon koopen voor mijne vrouw. Er zit niets anders op dan dat ik den vetten os uit het land haal en dien verkoop.”

Goed, de boer gaat naar ’t land, en eene poos later zien de dieven hem weer aankomen met zijn vetten os. “Wie is zoo knap, dat hij dien os steelt, zonder geweld te gebruiken?” vraagt Tom. “Ik niet,” zegt er een. “En ik niet,” roepen de anderen. “Dan probeer ik het,” zegt Tom, “ik ben de meester,” en het duurt niet lang, of hij is het bosch al in.

De boer drijft zijn’ os voort, tot hij bij de plek komt, waar hij den eersten schoen gezien heeft. Daar op eens hoort hij aan zijn’ rechterkant het geblaat van eene geit. Hij spitst de ooren, en nu hoort hij ook nog het blaten van een schaap. “Ik ben een boon, als dat niet mijn eigen verloren dieren zijn!” roept de boer.—Weer geblaat. “Zoo zeker, als ik hier sta,” zegt de boer, “ze zijn het!” En hij bindt zijn’ os aan een’ boom en loopt het bosch in naar den kant, waar ’t geluid vandaan komt. Hij loopt al verder en verder, maar ’t is, of hij nooit dichter bij de geit en het schaap komt: het geluid blijft altijd even ver af.

Toen na eene poos het blaten heelemaal ophield, was de man een geducht eind van de plek, waar hij den os had vastgebonden, en gevonden had hij niets. Gevonden niets; maar verloren des te meer. Want—toen hij boos op zichzelf en boos op alles weer terugkwam op de plaats, waar hij ’t geluid het eerst gehoord had, vond hij dáár zijn’ os niet meer en nergens vond hij hem meer! Geen wonder: de os—die stond al lang op stal bij de dieven.

Tom had gedacht: “Ik neem de geit en het schaap mee in ’t bosch, daar lok ik ons onnoozel boertje mee van den weg af. Ik laat hem een poosjeachter de dieren aanloopan en dan—maak ik, dat ik langs den kortsten weg bij den os kom. Eer de boer teruggesukkeld is, heb ik den os al lang losgemaakt en weggebracht.”—En zoo was ’t gebeurd ook.

Terwijl nu de arme boer doodelijk verlegen stond te kijken en eindelijk niets beter wist dan maar weer naar huis te gaan en zijne vrouw alles te vertellen, was er groot gejuich in ’t dievenhuis. De dieven riepen maar in éénen door van “hoera!” en “leve de koning van de dieven, leve Tom!”—Zulk stelen, neen, daar hadden ze geen verstand van, bij zoo’n baas waren zij maar kleine kinderen, dat moesten ze toegeven.

Den heelen dag werd er feest gevierd ter eere van Tom. En de dieven vertelden Tom honderduit van allerlei diefstallen, die ze gedaan hadden. En ze wezen hem de valsche sleutels, die zo gebruikten, om in de huizen te komen en de werktuigen, om sloten van deuren en kasten en koffers open te breken, En eindelijk—namen ze hem zelfs mee naar den kelder, waar ze al hunne gestolen schatten geborgen hadden. Daar kreeg Tom wat te zien—wel verbazend, wat een geld en goed lag daar opgestapeld! “Wat een menschen hebben die ondeugende dieven al ongelukkig gemaakt!” dacht Tom. “Maar die kist daar, die ik zoo goed ken, die zul jullie niet houden. Dat is de kist van mijn’ vader.”

Ja, wezenlijk, daar stond de kist. “Kon ik haar maar dadelijk meenemen,” dacht Tom, “dan bleef ik geen uur langer in dit nare huis. Maar dat gaat nu eenmaal niet. Ik mag al blij zijn, dat ik mijn’ zin heb, dat ik zulke goede vrienden met de dieven geworden ben. Ik moet nu maar geduld hebben en mijn’ tijd afwachten.”

Zoo bleef Tom dus vooreerst in ’t dievenhuis.—Hij zorgde wel de dieven te vriend te houden; maar één ding konden ze niet van hem gedaan krijgen. Ze vroegen hem elken avond, als ze uitgingen, om te stelen, of hij met hen meeging: ze zouden zooveel van hun’ meester kunnen leeren. Maar Tom wist altijd wel wat te verzinnen, waarom hij thuis bleef. “Jullie krijgt me niet mee,” dacht Tom telkens, als hij de dieven zag heengaan, “bij dien armen boer heb ik mijne kunststukjes vertoond, omdat ik hier graag blijven wou, tot ik Vaders geld terughad; maar nu is ’t ook genoeg.”

Eindelijk op een’ dag zeiden de dieven tegen Tom: “Meester, als je ’t goed vindt, dan gaan we morgen met ons zessen naar eene kermis hierdicht in de buurt. Altijd werken gaat niet; we willen ook eens plezier maken.”—“Wel zeker,” zei Tom, “ga jullie gerust. Ik zal mij niet vervelen.”—Maar bij zichzelf dacht hij: “Heerlijk, heerlijk! Eindelijk zal ik eens een’ dag alleen zijn. Misschien zal ik dan mijn kansje kunnen wagen en de kist uit den kelder halen.”

Den volgenden morgen vroeg gingen de dieven al naar de kermis. Ze hadden hun mooiste pak aangetrokken: gelukkig voor Tom. Ja, heel gelukkig, hoort maar eens, waarom.

Zooals ik je verteld heb: de dieven konden het best met Tom vinden. Ze waren trotsch op hem, omdat hij zoo’n slimme dief was, zooals ze meenden. Ze noemden hem “Meester,” en dikwijls vroegen ze hem om raad. Maar—den sleutel van den schatkelder, dien hielden ze toch liever zelf. Dat speet Tom genoeg, want zonder dien sleutel kon hij niets beginnen. Dag en nacht peinsde hij er over, hoe den sleutel machtig te worden, of op eene andere manier in den kelder te komen; maar tot nu toe was hij nog geen zier verder.

Maar nu waren de dieven den heelen dag uit, mooier kon het al niet. “Vandaagmoethet gebeuren,”zei Tom tegen zichzelf, “ikmoeter iets op vinden.”—En weer ging hij als zoo menigen keer met het hoofd in de hand zitten denken.

Terwijl hij daar nu zoo zit te peinzen en voor zich uit te staren, ziet hij hoe het oude vrouwtje, dat het huishouden voor de dieven deed, bezig is, de daagsche kleeren van hare meesters uit te borstelen. Ze borstelt er zoo vlijtig op los, dat ze er niets van ziet of hoort, hoe er uit een van de zakken een sleutel valt. Maar Tom ziet het en—in een oogenblik is hij tot vlak bij het vrouwtje geslopen, dat met den rug naar hem toe staat. Vóórdat ze er iets van merkt, heeft hij den sleutel ook al te pakken, en in een’ wip is hij er de deur mee uit. Nu bekijkt hij den sleutel eens goed en ja wezenlijk: hij is het!—Wat die Tom zich in de handen wreef!

Zeg, was het nu ook gelukkig voor Tom, dat de dieven met hunne Zondagsche kleeren op de kennis waren gaan pronken?

Tom maakte nu zoo gauw mogelijk, dat hij in den kelder kwam. De kist van zijn’ vader was gesloten; maar werktuigen, om een slot mee open te breken, waren er in het dievenhuis overal bij de hand. En hoe hij daarmeemoest omgaan, dat had hij wel van de dieven afgezien. Het duurde niet lang, of de kist was open, en daar lag al het geld!Alhet geld? Eigenlijk wist Tom dat zoo precies niet; want je begrijpt: tijd om bedaard te tellen gunde hij zich niet. Hij grabbelde maar gauw alles bij elkaar, wat in de kist lag en vulde daar de zakken mee, die hij in de haast uit een’ hoek van den kelder gehaald had. Toen de zakken één voor één naar boven gedragen. Toen weer één voor één naar de plaats, waar altijd eene kar stond. Vlug de zakken op de kar, het paard uit den stal gehaald, dat vóór de kar gespannen, zelf er op gewipt en dat de plaats over, de poort uit en den weg op.

Jongen, dat was een zwaar werkje geweest voor Tom, en benauwd had hij het er ook bij gehad, dat verzeker ik je. Ieder oogenblik meende hij het oude vrouwtje te hooren aankomen, en menigmaal had hij angstig om zich heen gezien. Maar gelukkig: alles was goed afgeloopen. Toen het vrouwtje merkte, wat er gebeurd was, reed Tom al lang rustig over den weg. Ja, Tom kon van geluk spreken! Nu, hij was dan ook blij en dankbaar genoeg, en hij deed niets dan lachen in zichzelf, als hij aan de gezichten dacht, die de dieven zouden zetten.

En waar reed Tom nu wel ’t eerst heen, denk je? Niet naar zijn’ vader, naar....—Maar wacht, ’k heb nog iets vergeten te vertellen! Op de kar lagen niet alleen de zakken met geld: er was ook wat op, dat leefde. Iets dat leefde en dat maar aanhoudend van bè! en mè! riep. ’t Waren.... de geit en het schaap, die Tom den boer op zoo’n slimme manier had afgenomen. Met het paard had hij ze uit den stal gehaald en op de kar geladen.—En achteraan de kar was—de os vastgebonden, de os van den boer.—En nu weet je ook, waar de reis ’t eerst naar toe ging: de boer zou zijne dieren terug hebben. Tom had ze maar voor de grap gestolen, om de dieven wat wijs te maken.

Toen Tom bij ’t huis van den boer kwam, stonden de boer en zijne vrouw juist buiten de deur. Eerst vroeg Tom heel leuk: “Weet je ook van wie deze dieren zijn?”—“Nu,” riepen de boer en zijne vrouw vroolijk, “dat zouden we ook niet weten: ze zijn van ons zoo zeker als twee maal twee vier is! Maar hoe kom jij daaraan! We hebben al overal en overal gezocht en ze nergens gevonden.”—“O,” lachte Tom, “ze liepenin ’t bosch te dwalen, en toen nam ik ze maar mee. Kijk, dat doet me nu plezier, dat ze hier thuis behooren.”

Dat was me eene vreugde in ’t huis van den boer: die pakte zijne vrouw om ’t middel en danste met haar in ’t rond. “Vrouw, nu krijg je de nieuwe japon toch nog,” riep hij maar al. Toen werden de geit en het schaap van de kar gehaald, en de os werd losgemaakt. En terwijl ze daarmee bezig waren, vroeg Tom: “Zeg eens, boer, is dat zakje ook van jullie, dat daar aan den hals van den os hangt?” Een zakje? daar hadden ze in hunne vreugde nog niets van gezien. Maar ’t hing er, dat was zeker. En wat zat er in? Niets minder dan—honderd gulden! “Dat is zeker voor den schrik en den angst, die je gehad hebt,” zei Tom, en vóórdat de boer en de boerin nog tijd hadden gehad van hunne verbazing te bekomen, had Tom de zweep over ’t paard gelegd, en weg was hij!

“Nu naar Vader,” dacht Tom, “die zal nog grooter oogen opzetten dan de boer en zijne vrouw.”

’t Was al laat in den avond, toen de kar voor ’t huis van Toms vader stilhield.—Tom sprong van de kar, bond het paard aan een’ paal vast en belde aan, heel hard. Iemand met een verschrikt gezicht maakte de deur open: ’t was Toms vader zelf. “Wie maakt er zoo’n geweld aan mijne deur,” vroeg de vader verdrietig, “en dat zoo laat in den avond! Ik beef er nog van.”—Tom merkte wel, dat zijn vader hem in de duisternis niet kende. Hij moest moeite doen, om niet hardop te lachen. Maar hij hield zich goed en zei met eene veranderde stem: “Och, Mijnheer, neem me kwalijk, dat ik U aan ’t schrikken heb gebracht. Ik ben een arme reiziger, die hier nergens den weg weet. Zou ik hier vannacht niet kunnen slapen?”—“Slapen? Wel ja, ik zal zoo iedereen maar in mijn huis nemen. Ga maar verder, hoor!”

Maar toen Tom zei, dat hij zoo lang al gereisd had en zoo moe was, toon hij begon te smeeken toch binnengelaten te worden, toen kreeg de vader medelijden en zei: “Nu, kom dan maar eens in de kamer, ik neem geene vreemden in mijn huis, of ik moet ze ten minste eerst bij licht gezien hebben.”

Tom dus mee in de kamer, waar ’t licht was. En toen .... die verbazing van zijn’ vader en zijne moeder en zijne broers en dat hartelijke lachenvan Tom weer om hunne verbaasde gezichten! ’k Wou, dat je ’t gezien en gehoord hadt!

De vader was ’t eerst van zijne verbazing bekomen en vroeg al gauw: “En waar is ’t geld, dat je me terugbrengen zoudt? Handen en zakken leeg zeker!”—“Ja, Vader,” zei Tom lachend, “handen en zakken leeg; maar” en op eens nam hij de lamp in de ééne hand, trok zijn’ vader met de andere hand bij de mouw mee en bracht hem door de gang naar buiten bij de kar, “maar—eene kar vol!”

De vader wist niet, hoe hij het had: hij kon, hij durfde haast niet te gelooven, dat in die zakkenzijngeld was, zijn heele verloren rijkdom! Hij betastte de zakken en probeerde ze op te tillen, ja, ze waren vol harde rijksdaalders en guldens!—Toen greep hij Tom bij de hand en schudde die, dat Tom de lamp haast liet vallen en roepen moest: “Nu, Vadertje, bedaard wat!”

Dat was me nog eene andere vreugde dan in ’t huis van den boer! De vader en de moeder en de broers van Tom, ze praatten en riepen en vroegen allen tegelijk. Eerst toen ze wat bedaard waren, kon Tom aan ’t vertellen komen, hoe hij alles wel aangelegd had. Bij de geschiedenis van den boer schudd’en ze allen van ’t lachen om de slimheid van Tom, en de vader stak hem op ’t laatst de hand toe en zei: “Jongen, ’k moet eerlijk zeggen: zoo iets had ik nooit achter je gezocht. Ik meende altijd, dat er nooit iets goeds van je groeien zou. Maar nu ben ik niet bang meer, of je zult wel door de wereld komen.— Dat Tom dubbel in zijne nopjes was, nu zijn vader hem zoo prees, kun je begrijpen: dat was hem nog niet vaak overkomen.

Van dien tijd af heette Tom overal: Slimme Tom. Overal, want de vader en de moeder en de broers vonden de geschiedenis te mooi, om ze niet overal te vertellen aan ieder, die ze maar hooren wou.

Heb jullie er ook met plezier naar geluisterd? Ja? Nu, dan beloof ik je, dat ik je later nog eens meer van Toms slimheid vertellen zal. Dan zul je eens hooren, hoe hij, enkel door zijne slimheid, het mooiste en rijkste meisje in den omtrek tot vrouw kreeg. Is dat goed?

Eén, twee! één, twee! Natuurlijk was ’t een soldaat, die zoo prompt in de maat aan kwam stappen. Hij had zijn’ ransel op den rug, het geweer op schouder en de sabel op zij; want hij kwam zoo regelrecht uit den oorlog en was nu op weg naar huis. Eén, twee! één, twee! de voetstappen klonken door het bosch, en een oud vrouwtje, dat tegen een’ boom geleund zat en van het warme weer ingedommeld was, schrikte er van wakker.

“Dag, soldaat!” zei ze. “Wat stap je dapper langs den weg. Zeker ook dapper gevochten?”—“Nu, of ik!” lachte de soldaat.—“En ben je nu ook te trotsch, om zoo’n oud vrouwtje, als ik ben, een’ dienst te bewijzen?”— “Zeker niet,” zei de soldaat.—“Nu,” zei het vrouwtje, “je zult er ook geen spijt van hebben, want ik zal je er zooveel geld voor geven, als je dragen kunt.”—“Sapperloot,” zei de soldaat, “dat kan ik gebruiken; want mijne zakken zijn leeg. Zeg mij, maar gauw, wat ik doen moet.” “Deze boom,” zei het vrouwtje, en ze klopte op den stam van den boom, waar ze tegen geleund zat, “is van binnen heelemaal hol. Je klimt maar naar boven en laat je door den hollen stam naar benoden zakken. Ik zal je een touw om het middel binden, en als je weer naar boven moet, roep je maar: o, hoi ho! dan trek ik je op.”—“Maar, wat moet ik daar onder in den boom?” vroeg de soldaat. “Geld halen,” zei het vrouwtje. “Luister maar eens. Als je onder in den boom komt, ben je in eene groote gang. Heel licht is het daar; want er branden wel honderd lampen. In die gang zie je drie deuren; die kun je open doen, de sleutel zit er in. Ga je de eerste deur binnen, dan kom je in eene kamer. Midden op den vloer van die kamer staat eene groote kist, en op die kist zit een hond met een paar heel groote oogen, met oogen, zoo groot als een theeschoteltje. Maar je behoeft niet bang te wezen: ik geef je mijn blauw geruit schort mee. Als de hond dat ziet, weet hij wel, dat ik je gestuurd heb, en daarom zal hij je geen kwaad doen. Spreid het schort maar op den vloer uit en zet den hond er op. Dan kun je bij de kist gaan en zooveel centen nemen, als je wilt. Wil je liever guldens hebben, ook goed. Dan moet je eene deur verder gaan. In die kamer staat eene kist met guldens; maar daar zit een hond op met oogen, zoo groot als het bord, waar je ’s middags van eet. Je behoeftdaarom niet bang te wezen: laat mijn schort maar weer zien, dan is er niets te doen. Maar misschien wil je nog liever gouden tientjes hebben, nu, die kun je ook krijgen: ze zijn in de derde kamer. Maar op die kist zit een hond met oogen zoo groot, als een wagenrad. En boos, dat het dier is! Maar dat komt er voor jou niet op aan. Je zet hem maar op mijn schort, en dan kun je rustig zooveel goudgeld nemen, als je wilt.”

“Dat lijkt mij niet verkeerd,” zei de soldaat, “maar wat moet ik nu voor jou daar doen, Moedertje? Om geld voor mij zelf te halen, stuur je me toch zeker niet alleen.”

“Neen,” zei het vrouwtje, “voor mij moet je een zilveren lucifersdoosje halen, dat mijn zoon vergeten heeft, toen hij den laatsten keer daar geweest is. Mijn zoon is dood, moet je weten, en dat doosje is mij lief, als eene herinnering aan hem.”

“Zoo,” zei de soldaat, “is je zoon dood en wou je dat lucifersdoosje zoo graag hebben? Maar waarom heb je ’t dan nog nooit door een ander laten halen?”

“Ik heb het dikwijls genoeg gevraagd,” zei het vrouwtje, “maar nooit heeft er iemand gedurfd. Allen waren bang, als ik van de honden daar beneden sprak. Maar jij bent een soldaat, en soldaten zijn dapper. Toe, ga maar, je doet er mij zoo’n genoegen mee. Hier is mijn schort—ze doen je heusch geen kwaad, de honden. Doe je ’t?”

“Kom aan dan maar,” zei de soldaat, “bind me het touw maar om het middel en het schort er bij, anders kan ik mijne handen niet gebruiken. En nu tot ziens, Moedertje!”

Daar klauterde de soldaat in den boom, daar zat hij er boven in; daar liet hij zich in den hollen stam neer, nog eene wuivende hand voor ’t oude vrouwtje, en een oogenblik later stond de dappere baas in de groote gang, waarin wel honderd lampen brandden.

Daar was ook al de eerste deur. Flink draaide hij de kruk om—ja hoor, daar zat de hond met de oogen zoo groot als theeschoteltjes, en die keek hem aan, om er eene rilling van te krijgen—als je geen soldaat was.

“Een aardige jongen ben je,” zei de soldaat, “maar brom nu maar niet zoo, hier is het schort van je vrouw, je moet de complimenten van haar hebben. Geef mij nu maar eens je een’ poot, nu den anderen, zie zoo,daar zit je op het schort van je lieve vrouw. Nu zal ik mijne zakken eens eventjes vullen met de centen uit je kist.” Gezegd, gedaan. Sapperloot, wat een centen, genoeg om een geheelen snoepwinkel leeg te koopen! De kist weer gesloten, den hond er weer op gezet en nu naar de tweede kamer. Ja, hoor, daar zat de hond met de oogen zoo groot als een bord.

“Kom, kijk me maar niet aan, alsof je mij opeten wilt,” zei de soldaat. “Je oogen zullen gaan tranen, als je zoo strak kijkt. Zie hier liever eens naar. Zie je wel, dat is het schort van je vrouw. Kom, kwispelstaart maar eens. Kijk, nu zet ik je netjes op den vloer, brave hond! Zoo, moet je over den kop gestreken worden ook? Toe dan maar. Zit nu maar mooi stil, dan kan ik eens in je kist kijken. Neen, maar, wat een guldens! Hoe veel spaarpotten zou je daar wel niet mee kunnen vullen! Maar ik zal zo maar eerst in mijne zakken stoppen. O, hé, die zitten vol centen! Weet je wat, ’k heb liever guldens dan centen. Wil jij de centen niet hebben, zeg je? dat moet jij weten, maar ik leg ze hier neer. Ziezoo; nu guldens in de leege zakken. En wacht eens: in mijn’ ransel kan ook nog een mooi portietje. Klaar. Ziezoo, oude jongen, één, twee, drie! daar zit je weer. Pas jij nu maar weer op je kist, hoor, ik groet je.”

Nu naar de derde deur. Pas had de soldaat de hand aan de kruk, of hij hoorde een verschrikkelijk gebrom, ’t Klonk wel als het brullen van een’ leeuw. Hij wou toch eerst eens om ’t hoekje zien. Neen maar, wat oogen keken hem daar aan! Wezenlijk zoo groot als een rad van een’ wagen. En de oogappels draaiden—daar zou zelfs een soldaat raar van worden. Maar de soldaat was niet alleen dapper, hij was ook slim. Hij deed het schort door de kier van de deur en dadelijk hield het gebrom op en slingerde de reuzenstaart vriendelijk heen en weer. “Goeden avond!” zei de soldaat, en hij sloeg aan, zoo deftig, alsof hij een’ generaal groette; want voor zoo’n hond had hij eerbied, “goeien avond! Zou ik U wel eens mogen verzoeken hier op dezen boezelaar plaats te nemen?” Gehoorzaam sprong de hond van de kist en ging op den boezelaar zitten. “Zie zoo,” zei de soldaat, “nu laat mij eens zien, waar jij zoo knap op gepast hebt,” en hij deed de kist open.

Lieve deugd! wat een goudgeld! Je zou er alle suikeren popjes en chocolâ sigaren in de stad en alle poppen en hobbelpaarden en tinnen soldatenvan de wereld voor kunnen koopen. Allemaal mooie ronde gouden tientjes! Die heb ik nog liever dan guldens, dacht de soldaat, en ik kan er ook meer van bergen, want zo zijn kleiner. In een oogenblik had hij de guldens uit de zakken en den ransel en de gouden tientjes er weer in. Maar, wacht eens, kon hij nog niet meer bergen? Zeker: bij de kleeren in, en in de laarzen en in de schako—in alle hoekjes en gaatjes. Op ’t laatst was hij stijf van ’t geld. Toen riep hij den hond weer op de kist en maakte één, twee, drie, dat hij bij den boom kwam.

“O, hoi, ho! trek op, Moedertje!” riep hij door den hollen boom. “Heb je het lucifersdoosje?” riep het oude vrouwtje terug. Sapperloot, neen, dat had hij juist vergeten. Hoe leelijk van mij, alleen voor mij zelf te zorgen, dacht de soldaat. Dat ik ook aan niets dan aan geld gedacht heb! Vlug ging hij terug. Dat was me wat! nu nog eens weer naar die groote honden. En zooals het altijd gaat, als je iets zoekt, en je hebt drie kasten, vind je pas in de laatste kast, wat je hebben moet. Zoo zou de arme soldaat ook pas in de derde kamer het lucifersdoosje vinden. Eindelijk kon het vrouwtje hem optrekken en stond hij weer in het bosch. Nu stond hij er anders dan straks, hoor. Toen arm—nu rijk. Het oude vrouwtje schreide van blijdschap, toen ze het doosje kreeg, en toen had de soldaat nog meer schik.

“Beste jongen,” zei het vrouwtje, “weet je, wat je nu doet? Je gaat met mij naar mijn huisje, hier in ’t bosch. ’t Is al zoo laat geworden en donker ook, te donker om verder te reizen. Dan kun je bij mij logeeren, en ’k zal je een kistje of een’ zak geven voor je geld; want zóó kun je er toch niet mee blijven loopen.” Dat leek den soldaat goed, en hij stapte gezellig met het vrouwtje mee. Toen ze thuis gekomen waren, maakte het vrouwje een lekker kopje koffie en gingen ze prettig zitten praten en eten en drinken. De soldaat moest van den oorlog vertellen, en het vrouwtje was zoo vroolijk, zei ze, als ze in langen tijd niet geweest was. Eindelijk werd het tijd om te slapen, en de soldaat kreeg een lekker bed.

’t Duurde geen kwartier, of hij sliep; want hij was moe van de lange wandeling, en van alles, wat hij beleefd had dien dag. Hij droomde van de honden met de groote oogen. Maar wat was dat, werd de grootste hond boos, bromde die zoo? Hè, wat een akelig geluid; de soldaat werd erwakker van. En toen hij goed wakker was, ja toen begreep hij, welk geluid hij gehoord had. Het oude vrouwtje kreunde en jammerde zoo. Dadelijk sprong de soldaat het bed uit en toen zoo gauw mogelijk naar het vrouwtje. Wat zou er toch aan schelen? Pijn had de arme stumper, erge pijn, en benauwd was ze ook. De soldaat zag dadelijk, dat het vrouwtje erg ziek was. Zoo gauw hij kon, liep hij naar een’ dokter; maar, och hé, die kon het vrouwtje niet weer beter maken; ze stierf, nog denzelfden nacht. Even vóór haren dood drukte ze den soldaat nog de hand en gaf ze hem het zilveren lucifersdoosje als een aandenken. De soldaat bleef nu nog zoolang, tot het arme vrouwtje begraven was, en toen stapte hij met eene tasch vol goudgeld het bosch weer door. Waar nu naar toe? Kom, denkt de soldaat, ik ga eens naar eene groote stad, ik ben nu rijk, ik wil ook eens wat plezier van mijn geld hebben. Gezegd, gedaan.

Neen, maar, wat eene prachtige stad was dat! Wat hooge, groote huizen. De soldaat stapte een heel mooi hotel, misschien het allermooiste uit de stad binnen en bestelde de mooiste kamers om er in te wonen, en eten, waar hij het allermeest van hield; want hij was nu immers rijk en kon alles krijgen, wat zijn hart begeerde.

De mijnheer, waar het hotel van was, dacht wel: hoe raar, dat een gewoon soldaat zoo rijk is, en de knecht, die de schoenen poetste, zei wel: “wat oude laarzen heeft die mijnheer,” maar den volgenden dag konden ze dat niet meer zeggen. Toen kocht de soldaat een prachtig pak kleeren en een paar fatsoenlijke laarzen, en hij hing zijn oud soldatenpak in de kleerkast en leek nu een groot mijnheer.

En nu begon er een leventje van plezier. Dan naar het paardenspel en dan naar een bal en dan weer uit rijden om de mooie stad te zien. Eens toen de soldaat weer een’ rijtoer maakte, zag hij achter hooge muren een groot gebouw staan. “Wat is dat voor een gebouw, koetsier?” vroeg hij. “Dat is het paleis van de prinses,” antwoordde de koetsier. “Maar waarom staan daar zulke leelijke hooge muren omheen?” vroeg weer de soldaat. “O, weet U dat niet, mijnheer?” zei de koetsier, “hebt U nooit van de mooie prinses hooren spreken, die in het paleis gevangen gehouden wordt? Eene toovergodin heeft den koning voorspeld, dat de prinses nog eens met een gewoon soldaat zou trouwen. Nu, U begrijpt, eene prinses meteen’ soldaat, dat zou de koning nooit willen. En nu is de koning zóó verschrikkelijk bang, dat de prinses een’ soldaat ziet! Ze mag daarom nooit de deur uit en niet eens op straat zien. Er kon immers eens een soldaat voorbij loopen!”—“Hoe jammer,” zei de soldaat, “ik zou die mooie prinses wel eens willen zien,” en hij was er trotsch op, de soldaat, dat hij een soldaat was; maar dat zei hij niet tegen den koetsier. Van dien tijd af, dacht de soldaat veel aan de prinses en verlangde hij altijd weer haar te zien.

Och, och, wat had onze soldaat nu een mooi leventje; er kwam maar geen einde aan de pret. Dat ging nu maar zoo den eenen dag na den anderen; maar kwam er geen einde aan de pret—er kwam wel een eind aan iets anders. De vroolijke soldaat was een beetje dom geweest. Hij had niet begrepen, dat als je van een’ zak vol geld altijd wat afneemt en er nooit wat bij doet, de zak eindelijk leeg wordt. En dat was toch zoo. De zak werd leeger en leeger, en toen kon de soldaat niet meer naar ’t paardenspel gaan, en niet meer naar ’t bal, en niet meer in zoo’n mooie kamer wonen. Op ’t laatst kwam hij in een klein zolderkamertje, en nu had hij niets meer dan zijne kleeren, die niet mooi meer waren en zijne schoenen, die hij nu zelf moest poetsen, en poetsen niet alleen, maar ook naaien; want ze waren gescheurd, en hij had niet eens meer geld om ze te laten verstellen. En armer en armer werd onze soldaat.

Eens op een’ avond zat hij in den donker op zijn zolderkamertje—want licht branden kostte ook geld—te denken en te denken. Wat was het toch treurig met hem afgeloopen—al zijn geld op! Ja, en ’t was zijne eigen schuld geweest! Kom, hij wou er niet meer aan denken! Hij werd zoo triest. Dat kwam er van, dat hij zoo in den donker zat en niets te doen had. Wacht, hij zou de scheur in zijne broek gaan naaien. Had hij nog niet een eindje kaars? Zeker. Waar waren de lucifers? O, wee! het doosje was leeg, en ’t was het laatste doosje. Wat nu? Wacht eens—dat was waar ook! Hij had immers nog het zilveren lucifersdoosje van het goede vrouwtje. Waar was dat? Hij had het nooit weer gezien! O, ja, het zou nog wel in zijne soldatenbroek zijn, die in de kast hing. Daar had hij het al. Heerlijk, het doosje was vol lucifers! Rrrt! daar brandde er al eentje—maar o, o, wat was dat? Open vloog de deur, en wie kwam er binnen? Niemand anders dan de hond, dien hij op de kist met centen gezienhad, de hond met de oogen zoo groot als theeschoteltjes. En die begon me daar maar eventjes te praten met eene blaf-brom-stem: “Wat belieft, Mijnheer?”—“Wat mij belieft,” riep de soldaat, ook niet dom, “wat mij belieft, beste vent? Een zak met centen belieft mij. Wees zoo goed, dien eventjes uit je kist te halen.” Weg was de hond, en het duurde geen half uur, of hij stiet de deur weer open en ja wel, hoor, een’ zak met centen in den bek! Dien netjes voor den soldaat neergelegd en toen rechtsomkeert—weg was de hond.

De soldaat was stom van verbazing. Prachtig ging dat! En hoe vlug! Hij had den hond niet eens goed gezien. Die grap moest hij nog eens hebben. Weer eene lucifer afgestreken. Rrrt! Hé, daar had hij er twee te gelijk. Dat was nog jammer. Neen—het was geen jammer, want—wie bonsde daar tegen de deur, en wie kwam daar binnen, en wie riep daar met eene nog zwaarder stem: “Wat belieft, Mijnheer?” Niemand anders dan de hond met de oogen, zoo groot als een tafelbord!! Nu begreep de soldaat alles! Streek hij één lucifer af, dan kwam de hond, die op de kist met centen paste; streek hij er twee af, dan kwam de baas van de guldens; en streek hij drie lucifers op eens af, dan kwam de heel, heel groote hond met de oogen zoo groot als een wagenrad, de hond, die op de kist met gouden tientjes paste. Dat goede oude vrouwtje, dat hem nog op haar sterfbed het lucifersdoosje in de hand gedrukt had! Hoe dankbaar was ze toch geweest voor de hulp en de liefde van den armen soldaat. En hoe dankbaar was de soldaat het goede vrouwtje! Nu was hij weer uit den nood en kon hij weer op eene mooie kamer gaan wonen en krijgen wat zijn hart begeerde, en—doen! wat zijn hart begeerde. Ja,doenook; dadelijk gaf hij van zijn’ overvloed aan arme menschen; want goedhartig was hij.

En toen? En toen, denk jullie, raakten de lucifers weer op en werd de soldaat op ’t laatst weer doodarm? Mis! dat was juist het mooist van al. De lucifers raakten nooit op! Als er eene uit de doos gebruikt was, kwam er ook van zelf weer eene in. Hoe? dat wist de soldaat niet, en daar brak hij ook zijn hoofd niet over: ’t was eene tooverdoos en daarmee uit. Alles was immers tooverachtig—de honden met de groote oogen, die praten konden en—alles. Onze soldaat was nu voor goed rijk. De honden brachten zooveel geld, als hij maar hebben wou—’t leek wel, of de kistenook nooit leeg werden: het geld groeide zeker weer aan, net als de lucifers.

Dus—kwam er nooit weer een einde aan het geld en aan het geluk van den soldaat, en toen kwam er “een varkentje met een’ snuit, en ’t vertelseltje is uit”—denk jullie. Mis! Het vertelseltje is nog lang niet uit. Luistert maar verder. Er kwam geen einde aan ’t geld, maar wel aan ’t geluk van den soldaat. Het luie leventje begon hem te vervelen. Voor een poosje niets dan pret maken is wel aardig, maar altijd? neen, hoor! De soldaat verveelde zich, en die zich verveelt, is niet gelukkig. Hij had niets te doen. Geld verdienen behoefde hij niet; en dus werkte hij niet. Vechten behoefde hij ook niet; want er was geen oorlog. Pret maken—daar had hij ook niet altijd zin in. Nu zat hij zooveel alleen op zijne kamer, en dat was niet gezellig. Hé, dacht onze soldaat, ik moest eene zuster hebben, wat zou die gezellig bij mij kunnen wonen. Wat zou ik die een plezier met mijn geld kunnen doen. Wat zou het aardig zijn, eens met haar te gaan rijden; de stad door en buiten de stad langs het paleis van den koning. Hé ja, daar achter de hooge muren woonde ook de mooie prinses. Hoe jammer toch, dat niemand haar ooit mocht zien.

Zoo zat de soldaat te denken en te denken alleen op zijne kamer. Hij vergat alles, ook, dat het later werd. Daar sloeg de klok twaalf—’t was nacht! Nog dacht de soldaat aan de prinses. Op eens riep hij: ik moet en ik wil haar zien! Hij greep naar zijn zilveren lucifersdoosje en streek drie lucifers te gelijk af! Boem! daar vloog de deur open, en de allergrootste hond sprong binnen. Neen maar, de kamer dreunde, toen hij met zijne bromstem vroeg: “Wat belieft, Mijnheer?”—“Ik zou zooheelgraag de prinses eens zien,” zei de soldaat. “Zou je daar ook raad op weten?”—“’t Zal wel gaan, Mijnheer,” bromde de hond, en weg was hij.—Het hart van den soldaat bonsde en klopte. Wat zou er nu gebeuren?.....

Daar sprong de deur weer open, en de soldaat kon zijne oogen haast niet gelooven .... ’t was de hond en—niet alleen! Op zijn’ rug lag de prinses, de armen om den hals van den hond, het hoofd op zijn grooten kop. En—ze sliep!!—Had de hond haar slapende uit het bed getild? Was hij met haar over den hoogen muur gesprongen? De soldaat wist er niets van. Hij vroeg ook niet—hij keek maar naar de mooie prinses. Hoe lieflag ze daar! Wat zag ze er snoeprig uit. Onze soldaat moest haar even over de blonde krullen strijken!

Nu was hij tevreê—hij had de mooie prinses gezien. “Dank je wel, brave hond,” fluisterde hij, “breng het lieve kind nu weer terug.”—

Weg was de hond—weg de prinses. De soldaat, ging naar bed en droomde van beiden.

En de prinses? Had ze niets gemerkt van dat alles?

Toen ze den volgenden morgen aan ’t ontbijt zat met den koning en de koningin, zei ze: “Wat heb ik vannacht grappig gedroomd! Ik droomde, dat ik op een grooten hond reed en toen kwam ik bij een’ soldaat, en die streelde mij over ’t haar!”

“Foei! wat een nare droom!” zei de koningin.

“Een soldaat! ba!” riep de koning. “Droom toch niet van een’ soldaat!” En de koning zei, dat er den volgenden nacht eene hofdame op moest blijven, om te zien, of de prinses wezenlijk droomde, of dat—neen, waar kon het toch niet wezen!

En den volgenden avond laat zat de soldaat weer op zijne kamer te denken en te denken. Nu dacht hij alleen aan de prinses—wat zou het gezellig zijn haar nog eens even te zien. Vóór hij ’t zelf recht goed wist, had hij weer drie lucifers afgestreken en den hond gevraagd nog even de prinses te halen. Waarom mocht het ook niet—hij deed haar immers geen kwaad!

Bij het bed van de prinses zat de hofdame. Maar daar gaf de hond niets om, en de hofdame was stom van schrik, toen ze den hond zag met de oogen zoo groot als een wagenrad. Ze begreep maar even, dat ze het dier volgen moest—loop je niet, zoo heb je niet, om te zien, waar het met de prinses heen ging. Gelukkig, ze kwam nog net op tijd—in dàt huis ging hij. Ze zou het den koning vertellen morgen. Maar—’t was zoo donker,—zou ze morgen ’t zelfde huis nog weer kunnen vinden? Wacht,—ze had juist een stukje krijt in den zak—ze zou een groot kruis op de deur maken. Zoo, nu kon ze rustig naar huis gaan en wachten, tot de hond de prinses weer thuis bracht. Dat gebeurde gelukkig gauw. Maar wat had de hond met zijne groote oogen al dadelijk gezien? Het kruisop de deur! En die, ook niet dom, maakte op al de deuren in de stad net zoo’n kruis. Nu kon de hofdame de deur van den soldaat niet vinden—op alle deuren was immers een kruis.

Toen het nu morgen werd, had de prinses weer denzelfden grappigen droom te vertellen. Maar de hofdame wist beter—het was geen droom. Ze vertelde alles aan den koning en de koningin en ook, dat ze met krijt een kruis op de deur van het huis gemaakt had, waar de hond met de prinses was binnen gegaan. De koning en de koningin prezen de hofdame, dat ze zoo slim geweest was, en de koning liet dadelijk vier paarden voor den wagen spannen, om het huis te zoeken. “Daar is het!” riep de koning, toen hij de eerste deur met een kruis zag. “Neen, daar is het!” riep de koningin, toen ze de tweede deur met een kruis zag. “Maar daar is nog een kruis! en nog een!” riepen beiden, en nu begrepen ze, dat ze de rechte deur nooit zouden kunnen vinden—alle deuren hadden immers een kruis! Dat was me ook wat! Maar de koningin was slim. Die kon ook nog wel wat anders doen, dan in een’ wagen met vier paarden rijden! Ze nam haar groote gouden schaar, en knipte en naaide van een zijden lap een mooien zijden zak. Toen het nu weer avond werd en de prinses te bed lag, deed ze haar den zak aan een zijden koord om den hals, vulde hem met grutjes en knipte er toen een gaatje in.

En ’s nachts kwam de hond weer om de prinses te halen, want de soldaat mocht de prinses nog al liever en liever lijden.—Ja, als hij gedurfd had, zou hij haar wakker gemaakt en gevraagd hebben: toe blijf altijd bij mij—ga met mij trouwen. Maar dat kon immers niet, omdat de prinses eene prinses en hij een gewoon soldaat was, en de menschen zeiden immers, dat die twee niet bij elkaar pasten. En—de koning dan!

Die goeie trouwe hond! had hij maar gezien, dat de grutjes, terwijl hij de prinses droeg, uit het gaatje in den zak vielen—dat er een klein paadje van grutjes liep van ’t paleis van den koning naar ’t huis van den soldaat! Hij zag het niet, maar de koning, zooveel te beter en die liet den soldaat uit zijn huis halen en—in de gevangenis brengen!

Daar zat de soldaat nu .... Hu! wat donker en vervelend was het daar! En geen vriendelijk woord kreeg de arme soldaat te hooren. Maar wel was het: “O, o, jongetje, wat is de koning boos op je! En weetje, wat er morgen gebeuren zal? Midden op de markt wordt eene hoogte gebouwd, en daar kom jij boven op te staan, en dan komen al de menschen uit de heele stad om je uit te lachen,—dat heeft de koning zoo besteld. De scholen krijgen vacantie, en al de schoolkinderen zullen roepen: ‘Sliep hem uit! hij doet of hij een prins is, en ’t is maar een gewoon soldaat!’”

Dat was alles behalve vroolijk, om te hooren.

Maar wat zou hij doen? Hij dacht wel aan zijne trouwe vrienden, de honden; maar zijn tooverdoosje was thuis.

Den volgenden morgen zag hij door de ijzeren tralies eene drukte op de straat van wonder en geweld, ’t Was, of de heele stad leegstroomde; alle menschen liepen den kant op naar de markt, ieder moest meedoen, om hem uit te lachen. Welzeker, die schoenmakersjongen ook al. Hij liep zich het vuur uit de schoenen—neen, uit de oude sloffen, die hem veel te groot waren. Bats! daar vloog de eene slof tegen den muur aan, vlak onder het tralievenstertje, waarvoor de soldaat zat.

“Zeg, jongen,” riep de soldaat, “je behoeft zoo’n haast niet te maken, zoolang ik er niet bij ben, gebeurt er toch niets. Maar wil je eene boodschap voor mij doen, dan kun je een kwartje verdienen.” Nu, kwartjes verdienen was geen dagelijksch werk voor den schoenmakersjongen, en daarom zei hij dadelijk “ja.”

Een poosje later stak de schoenmakersjongen een lucifersdoosje door de tralies, en de soldaat een kwartje en toen—geduld een beetje, dat komt later.

Och, och, wat een menschen op de markt: duizenden! Je kon wel over de hoofden loopen. En midden op de markt was eene hoogte, een stellage, gebouwd voor den soldaat, dat ieder hem goed kon zien. Een heele troep soldaten stond vooraan om op te passen, dat de ondeugende soldaat niet weg kon loopen. En een prachtige troon was er gemaakt voor den koning en de koningin—die moesten toch goed kunnen zien, welk gezicht de soldaat wel zou zetten, als al die menschen hem uitlachten.

Daar kwamen ze met hem aan. Op een karretje zat hij: aan handen en voeten gebonden. Ieder ging op de teenen staan en rekte den hals uit, om hem te zien. Daar klom hij naar boven. Nog een oogenblik, en de soldatenzouden een’ roffel slaan, en dan zou de pret beginnen. Toen opeens begon de soldaat te niezen, te niezen, zonder ophouden. “Mijn zakdoek! mijn zakdoek!” riep de soldaat. “Zijn zakdoek! geef hem zijn’ zakdoek!” riep het volk. En toen—waren op eens zijne handen los, om den zakdoek te kunnen krijgen en toen—rrrt! rrrt! rrrt! daar brandden één, twee, drie lucifers tegelijk en daar stormden de drie groote honden de trap op en brulden met eene stem, om van te beven: “Wat belieft Mijnheer?”—“Helpt mij!” riep de soldaat, “grijpt den koning, grijpt de koningin, ze willen mij de prinses niet geven, en ik heb haar zoo lief!”

Toen sprongen de reuzen-honden naar den troon, en de koning en de koningin werden bleek van schrik; ze dachten, dat hun laatste uurtje geslagen was, en ze riepen:“Wij willen wel! hij mag de prinses zien, hij mag haar hebben, hij mag haar trouwen!”—“Ja! ja!” riep het heele volk, “hij mag haar hebben, hij mag haar trouwen, hij moet later onze koning worden. Als de dieren zooveel van hem houden en zooveel voor hem willen doen, moet hij wel goed zijn!”

Toen kwam de soldaat bij den koning en de koningin in de mooie koets te zitten, en ze reden naar het paleis, naar de prinses. En de drie honden liepen vooraan en blaften: hoera! En al het volk liep mee: de jongens floten op de vingers, en de meisjes zongen, en allen riepen: “Leve de soldaat! leve de nieuwe koning!” En de prinses kwam achter de hooge muren vandaan en mocht ook mee door de stad rijden, en dat stond haar wel aan.

Toen kwam de bruiloft, en de honden zaten mee aan tafel en maakten nog grooter oogen dan ze al hadden en hadden pret voor drie. Maar de grootste pret had het bruidspaar, dat zat maar te lachen en te lachen! En raad eens waarom? Om den knappen neus van den soldaat, die zoo flink niezen kon zonder verkouden te zijn.

Dat kleine kindertjes zich dikwijls laten foppen, nu ja, dat is te begrijpen: ze zijn ook nog zoo onnoozel, ze weten nog niet beter. Dat groote kinderen, ja, dat zelfs groote menschen zich voor een enkelen keer beet laten nemen, dat kan gebeuren, en niemand vindt het zoo heel erg, ieder is op zijne beurt wel eens een beetje dom. Maar dat een jongen van twaalf jaar maar dadelijk alles gelooft, wat men hem vertelt, dat zoo’n groote jongen zich nu letterlijk van alles op de mouw laat spelden, dat is toch al te dwaas. Nu, en zoo’n jongen heb ik gekend. Hij is nu van een onnoozelen grooten jongen al lang een knappe groote mijnheer geworden, en als hij dit leest, zal hij er zeker even hartelijk om lachen, als jullie zult doen.

O, als ik wou, dan zou ik je heel wat mooie geschiedenissen van hem kunnen vertellen, wel een boek zou ik er vol van kunnen schrijven. Als ik wou—ja, maar ik wil niet. Ik kies uit al de grappen, die er met hem gebeurd zijn, alleen de allermooiste, en daarmee moet je dan maar tevreden zijn, hoor!

Nu dan, ons vriendje—Hans heette hij—stond op een goeien morgen in de slaapkamer voor een grooten spiegel te draaien als een nuffig juffertje. Eerst moest hij zich van voren bekijken, toen aan de beide zijden, toen zoo goed als het ging van achteren en eindelijk nog eens van voren. Nu, mooi was hij, dat moet gezegd worden. Het pak, dat hij aan had, was nieuw, zijne schoenen waren splinternieuw, en zijn hoed was spiksplinternieuw. O, die spiksplinternieuwe hoed: van fijn stroo; niet met zoo’n kinderachtig laag bolletje, maar flink hoog; niet met zoo’n onnoozel smal lintje er om, maar met een breeden band—daar was onze Hans nog het meest trotsch op van al.

Wat leek hij nu groot en deftig, een fijn heertje, hoor! “Hm, hm, ik mag me laten zien,” zei hij hardop, en toen—nam hij voor zijn eigen beeld in den spiegel den mooien hoed af.

“Hm, hm,” klonk daar op eens Moeders stem achter hem, “dat ventje heeft zichzelf nu ten minste genoeg bekeken, zou ik zeggen. ’t Duurt nog wel anderhalf uur, eer ’t rijtuig voorkomt. En als je nog anderhalf uur voor den spiegel wilt staan, dan is straks al ’t mooi van je nieuwe kleerenafgekeken. Kom, Hansje, mijn zoon, ’k zou nu maar eene poos naar buiten gaan.”

Hansje, mijn zoon ging dralende de kamer uit, naar beneden, den tuin in. “Hoor eens, Hans;” riep zijne moeder hem nog uit het venster na, “ga nu maar niet den weg meer op, blijf liever in den tuin. Anders weet ik wel, hoe ’t gaat: dan verpraat je je tijd weer bij Baas Martens. En als ’t rijtuig voorkomt, en je bent er niet, dan—flip, flap, gaat de zweep over de paarden, en we rijden zonder je weg, Vader en ik!”

Verbeeld je, Vader en Moeder uit rijden naar de heerlijke bosschen zonder Hans! Dat zou me eene mooie grap zijn. Weken, weken lang had hij zich al op dat kostelijk ritje verheugd. Neen maar, òf hij ook op zijn’ tijd zou passen! Natuurlijk bleef hij dicht bij huis. Baas Martens—hij dacht er niet aan, nu naar hem toe te gaan. ’t Was anders zoo aardig een praatje met den baas te houden: altijd wist hij wat nieuws en wat grappigs te vertellen. En dan onderwijl naar het timmeren kijken, naar ’t schaven en boren en zagen en spijkeren, de lekkere lucht van ’t versche hout te ruiken, jongens, dat mocht Hans zoo graag. Jammer, dat er een “maar” bij was, een leelijk “maar.” Je moet weten: Baas Martens kon nooit laten een grapje met de menschen te hebben. O, hij mocht ze zoo graag eens met het ernstigste gezicht van de wereld wat wijsmaken. Je moest hem dan haast wel gelooven, vooral—als je Hans heette.—Hoe dikwijls onze Hans wel door den baas beetgenomen was, weet ik niet. ’k Weet ook niet, hoe vaak de moeder van Hans hem al gewaarschuwd had voor den baas en hoe vaak Hans zich voorgenomen had, nooit, nooit weer naar de praatjes van den baas te luisteren. Maar wèl weet ik, dat Hans altijd weer een praatje bij Baas Martens ging maken en—dat hij zich geregeld weer wat door hem op de mouw liet spelden.

Maar nu, neennuging hij eensniet. Moeder had gelijk; hij moest liever bij huis blijven. ’t Was in den tuin ook mooi. Hans keek naar de blauwe lucht, naar den vriendelijken zonneschijn, naar de bloeiende vruchtboomen en heesters. Hij keek naar de vogels, die in de boomen zongen, naar de bijen, die tusschen de bloemen gonsden, naar de kikkers, die door ’t gras hipten. Ja, Hans keek naar dat alles; maar de boomen en de bloemen, de vogels, de bijen en de kikkers keken niet naar hem. Niemand was er,die naar hem keek. En—zoo mooi als hij was, wou hij juist niets liever dan bekeken worden. Wat gaf eene bij nu om mooie schoenen, of een kikker om een nieuw pak, of een vogel om een prachtigen hoed! Neen, de jongens van ’t dorp, die gaven daar meer om, die moesten hem eigenlijk zien en bewonderen. Hè, als hij het dorp eens opliep, wat zouden ze zich daar de oogen uitkijken! En baas Martens, wat zou die wel .... daar was hij wezenlijk al weer met zijne gedachten bij den baas .... Neen, neen, niet naar Baas Martens. Hij bleef, waar hij was, dat had hij beloofd .... Anderhalf uur, ’t was anders wel een heele tijd. Waarom had hij zich ook zoo vroeg gekleed. Wat zou hij toch doen zoolang met zijne mooie kleeren aan! .... Kom, een boek halen en dan wat op eene bank zitten lezen, tot de tijd om was. Maar—’t wou vandaag toch niet recht vlotten met lezen: Hans had te veel andere dingen in ’t hoofd. Zijne gedachten en zijne oogen dwaalden telkens af .... Wat liep daar eene prachtige tor op ’t kiezelpad! ’t Boek gauw op de bank gelegd en toen neergehurkt bij de tor. “Wat loop je vlug,” dacht Hans. “Wacht eens even, dat ik je beter bekijken kan!”—Maar het diertje was hem te gauw af, ’t verdween op eens in een gaatje. Hans richtte zich weer op. Daar viel zijn oog op een paar voeten, die onder en een paar handen met een bovenstuk van een hoofd, die boven het tuinhek uitkeken. Voeten, handen en hoofd waren van een kleinen boerenjongen.

Wat moest die daar? Waar zou hij zoo nieuwsgierig naar kijken? Naar de bloemen in den tuin? Och, wat geeft nu zoo’n boerenjongen om bloemen. Naar de tor keek hij toch zeker ook niet. “Maar waar zou—wacht, ’k weet het: natuurlijk kijkt hij naar mij!” dacht Hans trotsch.

Dat was een buitenkansje voor den ijdelen Hans; nu had hij ten minste één, die hem bewonderde.—Kom, hij zou maar eens naar den jongen toegaan, dan kon die hem ook eens van nabij bekijken. En dan zou hij misschien ook eenshooren, dat hij mooi gevonden werd. De jongen behoefde het immers niet te weten, dat het hem daarom te doen was.

Hans slenterde dus het tuinpad op, keek eens links, deed, alsof de heele boerenjongen hem niets kon schelen en kwam onderwijl toch al dichter en dichter in de buurt van ’t hek. Maar—toen hij er eindelijk vlak bij stond,waren er geen voeten, handen of hoofd meer te zien: de heele jongen was op eens verdwenen!

Hans keek eerst op zijn’ neus. Toen—deed hij het tuinhek open en ging een eindje den weg op. Hij moest toch eens zien, waar de jongen gebleven was. O, daar zag hij hem al. Wat liep hij hard. “Zeker bang voor me geworden,” dacht Hans, “wie weet, of hij me niet voor een’ heer aanzag met mijn mooien hoed. Och ja, zoo’n boerenjongen ook! Kom, ik moet toch eens verder zien, waar hij heengaat. Een jongen van ’t dorp is het, geloof ik niet.”

Hans liep den weg verder op. “Tot aan de eerste bocht,” zei hij, “en dan keer ik om.”—Nu was hij bij de eerste bocht. De jongen was heinde en ver niet meer te zien; maar daar bij die bocht zag Hans wel iets anders. En dat was—de werkplaats van Baas Martens!

Daar stond de baas voor zijne deur druk te werken. Hij floot een vroolijk deuntje en onderwijl hakte hij vlijtig op een dikken boomstam los. Vroolijk blonk de bijl in den helderen zonneschijn, lustig stoven de spaanders in ’t rond, lekker geurde het versche hout. Hans kon het niet laten, hij moest even voorbij de werkplaats loopen. Ophouden behoefde hij zich immers niet, alleen maar even goeden morgen zeggen—even kijken, hoever de baas al met den boomstam gevorderd was en ook—zich even vertoonen met zijne mooie kleeren. Vooral den nieuwen hoed moest de baas zien. Vroeger had hij hem zoo dikwijls geplaagd met zijne leelijke petten en mutsen, nu zou hij eens wat anders zien!

Hans kuierde dus langzaam, heel langzaam voorbij de werkplaats en nam voor Baas Martens in ’t voorbijgaan deftig den hoed af. De baas liet de bijl in ’t hout rusten, stak de handen in de zakken, hield zijn hoofd een beetje op zij en bekeek Hans van top tot teen. Toen met een guitig knipoogje: “Ben je ’t of ben je ’t niet, jongeheer? Lang niet kwaad, dat hoedje. Waar moet dat zoo mooi naar toe al in den vroegen morgen?”

Hans bleef staan. Hij kreeg eene kleur van plezier en trots; maar toch zei hij zoo onverschillig mogelijk: “Och ja, ’t is omdat we straks uit rijden gaan, weet je.”—“Zoo, zoo, ga je uit rijden, met dien nieuwen hoed, met dat nieuwe pak, met die nieuwe schoenen?” vroeg de baas. “Hoe zoo?” zei Hans. Geen antwoord. Alleen keek de baas met een bedenkelijkgezicht naar de lucht, toen naar Hans, toen weer naar de lucht. “Hoe zoo?” vroeg Hans weer. “Nu, ieder moet weten, wat hij doet,” zei de baas eindelijk, “maar ik weet wel:ikging niet uit rijden met zulk weer.” “Met zulk weer!” lachte Hans, “neen maar, er is geen wolkje aan de lucht. ’t Is het prachtigste weer van de wereld.”—“O zoo,” zei de baas, “weet jij ’t beter dan ik, die zooveel ouder ben! Heb je die wijsheid misschien uit je nieuwen hoed gehaald? Dan zal ik me maar verder stilhouden.”

Hans begon nu toch een beetje ongerust te worden. Met eene stem, die wel wat benauwd klonk, vroeg hij: “Maar Baas, hoe weet je toch, dat het weer veranderen zal?” De baas wees naar ’t haantje van den dorpstoren, dat tusschen de boomen doorschemerde. “Kijk maar, de wind is gedraaid, hij komt nu uit den regenhoek. Let op mijne woorden, over een paar uur regent het er frischjes op los!”

Toen hij dat gezegd had, greep de baas weer naar zijne bijl en begon te hakken, alsof er niets gebeurd was.

De arme Hans wist niet recht, wat hij er van denken moest. Keek hij naar de helderblauwe lucht, dan troostte hij zichzelf: “Praatjes van dien regen!” Keek hij naar ’t ernstige gezicht van den baas, dan dacht hij: ”’t Zou toch verschrikkelijk zijn, als de regen alle pret ging bederven!”

De baas stoorde zich niet meer aan Hans, maar werkte rustig door. En toch bleef Hans staan, alsof hij meende, dat de baas nog wat zeggen zou. Het schreien stond onzen held op ’t laatst nader dan ’t lachen. Toen dat een poosje zoo geduurd had en Hans nog maar niet wegging, keek de baas even op van zijn werk en zei zoo bij zijn neus langs: “Er is wel een middeltje om te maken, dat er geen regen komt.”—Het heele gezicht van Hans klaarde op. “Wat dan?” riep hij vroolijk. “Wel,” zei de baas heel leuk, “we moeten gedaan zien te krijgen, dat de wind uit een anderen hoek gaat waaien, dan is alles in orde.”—“Ja, ja,” riep Hans, “als dat kon!”—“O, dat kan wel,” zei de baas, “er is een touw, waarmee je den wind kunt laten draaien. Maar”—en hij lei bedenkelijk zijn’ wijsvinger tegen den neus—“waar zit dat ding op ’t oogenblik! Als we dat nu maar wisten. Wacht eens, misschien weet mijn buurman Jansen, de klompenmaker, het wel. Als ik me niet vergis, heeft die het touw eene poos in huis gehad. Kom maar mee, ik zal ’t hem vragen.”

Baas Martens legde zijne bijl neer en ging met Hans naar ’t huis van den buurman. “Hei, Jansen,” riep de baas, “waar zit je?” Dadelijk kwam Jansen voor ’t open raam en vroeg, wat er te doen was. Zonder dat Hans het merkte, wees Baas Martens op hem en gaf Jansen daarbij gauw een knipoogje. Toen zei hij: “Treft het niet ongelukkig, Jansen, hier is een jongeheer, die straks uit rijden moet, en nu waait de wind juist uit den verkeerden hoek. Zeg, weet jij ook, waar het touw, om den wind te laten draaien, wezen kan?”—“Het touw, om den wind te doen draaien?” vroeg Jansen met een gezicht, alsof hij er zich ernstig op bedacht en met een stil knipoogje tegen Baas Martens, “ik geloof.... Wacht even, ik ben er dadelijk weer.”

Jansen verdween. Een oogenblik later kwam hij weer te voorschijn op den drempel van de deur met een dik boek onder den arm. Nu nam hij zijn’ bril, zette dien bedaard op en begon te bladeren en te zoeken in het boek. Eindelijk sloeg hij met de hand op een blad en riep: “Ha, nu ben ik er. Hier staat het: het touw is bij Teunissen, den kruidenier. ’k Herinner ’t me nu heel goed: Teunissen had doperwtjes in zijn’ tuin gepoot, maar ze wilden niet opkomen met dat droge weer. Toen heeft hij het touw gehaald en den wind naar den regenhoek gedraaid.”

“Zoo, is het bij Teunissen, dat ziet er gek uit,” zei Baas Marlens, “de jongeheer heeft haast, hij zal geen’ tijd hebben, om er nog even heen te loopen.” Maar Hans bedacht zich niet lang. Zonder iets te zeggen schoot hij als eene pijl uit den boog vooruit en liep wat hij loopen kon den kant uit, waar Teunissen woonde. Twee—driemaal vloog hem onderweg de nieuwe hoed van ’t hoofd. Zijn mooie pak, zijne glimmende schoenen, alles kwam dik onder ’t stof. Maar dat kon hem nu weinig schelen. Hij dacht maar aan één ding: hetmochten hetzouniet regenen. De windmoestdraaien.

Eindelijk stoof hij hijgende en blazende, heelemaal buiten adem den winkel van Teunissen binnen.

“Teunissen ....” hijgde Hans, “is hier ook ....”—“Drop te koop?” maakte Teunissen er met een guitig lachje bij. “O ja, jongeheer, zwart en wit, wat je verkiest. Of moet het zoethout zijn?”—Het duurde een poosje, voordat Hans hem kon uitleggen, waar hij eigenlijk om kwam. Teunissen zette groote oogen op. “Wàt moet je hebben?!” riep hij. “Wel, het touw,om den wind te doen draaien,” zei Hans nog eens, met een onnoozel gezicht. “Ze zeiden toch, dat het hier moest zijn.”—Toen op eens scheelde het niet veel, of Teunissen was in lachen uitgebarsten; maar gelukkig hield hij zich nog in en deed, alsof hij zijn gezicht met zijn voorschoot afveegde, dat Hans niets merken zou. Nu, Hans merkte er dan ook niet veel van—als je zulke gewichtige dingen in je hoofd hebt, let je niet op kleinigheden.

“Nu?” vroeg Hans, een beetje ongeduldig, omdat Teunissen nog geen antwoord gegeven had, “kan ik het touw krijgen?”—“Wacht eens, jongeheer,” zei Teunissen nu zoo ernstig, als hij kon, “ik zal mijne vrouw even gaan vragen.”

Teunissen verdween door eene deur achter in den winkel. Hans bleef alleen. Met een angstig kloppend hart stond hij dichtbij de deur te luisteren naar wat de kruidenier en zijne vrouw met elkaar spraken. Wat praatten ze druk! Ze waren het zeker niet met elkaar eens, of ze het touw zouden geven of niet. O, verbeeld je eens, als ze het houden wilden, wat dan! Hans zette bij die gedachte zoo’n treurig benauwd gezicht, dat zelfs de suikerbrooden in den winkel medelijden met hem kregen.

Nu verstond hij enkele woorden. De vrouw zei “neen”. Daarop zei de man “ja”. Toen zei de vrouw weer: “Zijn vader zal boos worden;” waarop de man iets antwoordde, dat Hans niet verstond. “O, die nare vrouw Teunissen,” dacht Hans. Anders hield hij wel van haar; ze stopte hem nog wel eens eene of andere lekkernij in de hand. Maar nu—zijzou nog de schuld worden, dat de heele pret van het rijden bedorven werd!

Eindelijk, eindelijk, daar ging de deur open, en Teunissen kwam weer te voorschijn. Dadelijk achter hem aan kwam ook zijne vrouw den winkel binnen. Haar gezicht stond half boos. Zonder dat haar man het merkte, maakte ze allerlei teekens tegen Hans; maar Hans begreep niets van hare knipoogjes en van al die bewegingen met de hand. Wat had dat toch te beteekenen, en waarom werd Teunissen verdrietig, toen hij op eens merkte, wat zijne vrouw achter zijn’ rug deed! Waarom zeiden ze niet gewoon weg “neen” of “ja”! Waarom kwam vrouw Teunissen nu weer naar hem toe en zei ze heel vriendelijk, dat hij zoo’n mooien hoed op had en dat hij maar niet weer zoo hard moest loopen. Waarom stopte ze hem met een medelijdend gezicht een paar dikke stukken zoethout in de hand? Watmoest dat alles toch! Ze zou hem maar liever het touw geven.—Maar Teunissen zei: ”’t Spijt me erg, jongeheer, maar mijne vrouw zegt, we hebben het touw niet. Baas Jansen heeft zich stellig vergist: het touw is op ’t oogenblik bij Pietersen,diewou graag regen hebben op zijne erwtjes.”


Back to IndexNext