[Inhoud]V.Haar liefde.’t Was smoorheet op dien herfstdag in den Haag. En ’t was al dagen achtereen zoo geweest; geen koeltje aan de lucht en een strakblauwe hemel. De Hagenaars waren lusteloos en verveelden zich over ’t algemeen nog meer dan gewoonlijk. Velen der aanzienlijken en rijken waren juist terug van hun reizen en hadden gehoopt nog een koelen tijd aan ’t zeestrand van Scheveningen te kunnen doorbrengen. Maar ’t was er om te stikken als overal in West-Europa; alleen ’s avonds begon ’t er beter te worden. Dan was het strand zwart van de wandelaars en klimaatschieters, en wemelde het terras voor ’t »Kurhaus”—’t was er sinds kort met zijn onhollandschen naam—van luchtzoekende, luierende menschen.Op dien dertigsten September—een Zondag—zou de stroom Scheveninggangers—ondanks ’t late seizoen—’s avonds wel ontzaggelijk wezen. Maar in den voormiddag bleef menigeen om de warmte thuis. Zoo’n ganschen Zondag—behalve den tijd om even te eten—te Scheveningen door te brengen was anders niets bizonders.[60]Ook niet voor Clarine. Die had haar vaste clubje, waarmee ze geregeld—drie meisjes onder elkaar—strandwaarts en weer stadwaarts ging. Iedereen kende die drie, zoo niet »persoonlijk” dan toch van naam of van aanzien. »De drie gratiën” was, vooral onder de jonge officieren, een zeer gangbare bijnaam, waaronder het drietal befaamd was. Waren ze niet alle drie even mooi—Clarine spande de kroon—toch waren ze alle drie zeer smaakvol in kleeding en figuur. Aanbidders legio natuurlijk, en zeer »serieuze” daarbij; want alle drie waren »niet ongefortuneerd,” »spraken Engelsch”, zooals men zeide, ofschoon ze geen van drie bizonder thuis waren in de Engelsche taal. Des te beter wisten ze haar mondje te roeren in ’t eigenaardig, pikant klinkend Haagsch Hollandsch, zooals dat daar in ’t bizonder door jonge dames gesproken wordt: vleiend, zacht, met veel hoog en laag, met gorgelende keelgeluidjes, en uitgekwinkeleerd door een snoezig minimum mondje.De gratiën hielden alle drie dol van »fietsen.” De morgenuren waren voor die oefening de beste tijd. Nu echter was er staking voor Clarine al sinds een paar weken. ’t Was jammer. De morgenwandelaars in ’t bosch misten een welbekend, zeer gewaardeerd schouwspel: de drie rijwielende meisjes, onberispelijk in een fietskostuum gestoken—alle drie van ’t zelfde snit, schoon van verschillende kleuren—en gezeten op volkomen gelijke ijzeren[61]rossen, die ze keurig bereden. Wat een gelijkmatigheid, wat een gepaste zwier en losse bevalligheid! Clarine had nu al eenige keeren zich verontschuldigd. Ze bleef liever thuis; want ze voelde zich onwel. En in de laatste dagen waren ook de beide anderen »gratiën” om die »ontsettende vgeesleke wagmte” maar liever onder het ouderlijke dak gebleven.Clarine’s benedenkamer—een kamertjewas ’t—kwam op den tuin uit. Dat was haar ontvangkamertje, tevens »boudoir,” zooals zij ’t noemde. Haar slaapkamer lag op de eerste verdieping. Ze had daar een kleine piano staan, een divan met mollige kussens en verder ’t gewone meubilair en de gewone opsierseltjes en wissewasjes, die dergelijke vertrekjes kenmerken. Ook heerschte er dezelfde met flauwzoete geuren bezwangerde atmosfeer. En er hing ’t zelfde boekenrekje met »mooie bandjes.” Vlak voor ’t kamertje was een breede veranda met houten stijlen, waar langs klimop groeide. Een breede openslaande deur deed de kunstgeuren van ’t kamertje zich mengen met de natuurlijke uit den tuin. Een prachtig rozenperk op korten afstand vóor de veranda droeg tot die geurenharmonie wel ’t meeste bij.In de hangmat tusschen de twee stijlen vóor Clarine’spruiloordlag dien morgen de lustelooze gestalte der bewoonster. ’t Boek, dat ze in haar hand hield—lezen deed ze sinds een paar minuten[62]niet meer—was een romannetje van Fransch, of beter Parijsch maaksel. Clarine was goed thuis in ’t Fransch. Bij haar was dat door haar afkomst nog minder te verwonderen dan bij andere jonge meisjes en jongelui van haar stand en leeftijd. Dank zij ’t vroege onderwijs in het Fransch, veel vroeger dan van de beide andere »moderne talen,” is ieder vijftienjarige van eenige opvoeding bij ons te lande in staat, te gaan grasduinen in ’t licht te verstaan dichtsel der bende Parijsche grossiers in luchtige erotiek, die jaar in jaar uit de wereld daarmee overstroomen. Verhalen van erotischen aard hebben steeds, zoo oud de wereld is, een eigenaardige bekoring gehad, vooral voor jeugdige hoorders en lezers. En aangezien de in ’t Fransch geschreven verhalen van dat slag steeds in hoeveelheid en afwisseling en licht verteerbaarheid ruimschoots opwegen tegen al wat er in al de andere beschaafde talen ter wereld voorgebracht wordt, spreekt het van zelf, dat zulk een vijftienjarige eerder naar een Fransch romannetje grijpt dan naar een Engelsch of Duitsch. Hollandsche erotiek van slecht gehalte heeft voor den jeugdigen mensch van eenige opvoeding een lucht van gemeenheid en stegentaal, die dadelijk afstoot. De Fransche beweegt zich bij voorkeur in adellijke kringen—»la petite baronne,” »la jolie marquise de Coeurenjoie” of »le comte de Nézenlair”—alles en allen in »hôtels,” zwemmende in ’t geld, geparfumeerd en zwierig.[63]Dat trekt.Zolamet zijn laagbijdegrondsche menschen en dingen wordt tusschen vijftien en twintig bijna niet gelezen, al was ’t alleen om de moeilijkere taal—een taal, die op school niet geleerd wordt—want om ’t vuile der beschreven toestanden en zaken alleen zou men de lezing niet nalaten: dat wordt zoo niet gevoeld in ’t Fransch. In de vertaling wordt Zola door geen beschaafd mensch in Nederland gelezen.Wat Clarine las, behoorde tot het honderd-bladzijden-in-een-uur-soort; juist geschikt voor een zomerschen dag, als de hersens traag werken: dat was hàar idee.Ze was ’t niet eens met de heldin van ’t verhaal en daarover lag ze na te denken. Die heldin verdronk zich ten slotte uit minnenijd, en omdat ze in dezelfde hachelijke omstandigheden verkeerde als Clarine thans.»’n Dom schepsel!” mompelde deze. Zij zou ’t om geen van beide redenen doen. Clarine’s gepeins werd steeds ernstiger. De dikke donkere wenkbrauwen fronsten zich, en ’t was, of haar houding minder onverschillig lui werd. Haar weelderig donkerbruin haar, dat los om haar schouders, gedeeltelijk over de hangmat heen hing, kreeg een schuif naar boven, en haar rechterhand bleef meteen onder ’t hoofd rusten. Haar anders levendige oogen keken strak, als wezenloos, naar den kant van haar kamertje. Ze dacht—voor de honderdste maal in de laatste drie weken—aan Cornelis en aan ’t[64]andere. Zij zou zich niet verdrinken … Brrr, om te ijzen! En wat die dokter haar voorgeslagen had, de man, dien ze op aanwijzing van haar eenige vriendin, die in ’t geheim was, had geraadpleegd, dat vond ze gruwelijk. O, ze dacht nu op eens met een huivering aan dien avond, toen ze, met een dikken voile voor, te voet naar ’t huis van dien man was geijld. Ze moest zekerheid hebben, al voelde ze ook haar hart wegkrimpen van gekrenkte trots, van schaamte. Ze kreeg die, zoover de medicus ze geven kon. En toen ze wilde heengaan dat voorstel:»’t Kan zonder bezwaar verholpen worden, Juffrouw,” zei de hoffelijke arts, die, ook als chirurg zijn diensten verkocht, ’t Was een gewoon zaakje voor hem. Hij was een van die wezens, zooals ze in allerlei stand en betrekking voorkomen, welke hun bestaan zoeken in gewetenloos geldslaan uit de zonden der menschen, als bromvliegen azend op rotting en vuilnis. Hij wist niet beter, of deze jonge dame verlangde dat gewone van hem.»Wat bedoelt u?” Clarine staart den ander verwonderd aan, nog gloeiend in haar gelaat, en strijkt de plooien van haar kleed glad.»Wel, een kleine operatie … Zonder gevaar.” Dit laatste hoorde er zoo bij, al wist hij, dat hij loog. Bij dames moet men rekening houden met de zenuwen …Clarine werd bleek. »Dank u,” antwoordde ze[65]koel en stijf. »Wat ben ik u schuldig?” De medicus maakte excuses. »Ik dacht … ziet u …” ’t Was beter zich niet nader te verklaren: als zij van die kracht was, hoefde ze niet te weten, dat het voorgeslagene voor hem niets bizonders was. Clarine betaalde, groette uit de hoogte, en verliet het oord harer vernedering. Op straat ademde ze op; in haar zenuwachtigheid liep ze nog harder naar huis dan ze er vandaan gegaan was.»O, God, gruwelijk, walgelijk!” zei Clarine zacht en met afschuw. Neen, ’t eenige was, dat Cornelis spoedig …”Spoedig? ’t Was nu negen dagen geleden, dat ze zijn laatsten brief ontvangen had … Waarom schreef hij niet; waarom—nog beter—kwam hij niet? De gedachte, dat hij nietwilde, flitste haar door ’t hoofd. Hij had zooveel bezwaren gemaakt. En toch in zijn brief was hij immers hartelijk … Was hij dat werkelijk? Als hij ’s niet van haar hield …Clarine sprong op, wipte uit de hangmat en haalde den brief in kwestie uit haar lessenaartje. Achter in ’t kamertje bij de piano bleef ze staan, een mooi beeld van angstige aandacht en bange verwachting. Driftig smeet ze den brief neer.»Nee, dat is niet hartelijk. Stijf, akelig stijf!” zei zebinnensmonds. In haar opwinding zag ze alles wat Cornelis in die korte regels zeide voor koele bejegening aan, en kon ze niet begrijpen,[66]hoe ze nog kort te voren daarin een hartelijken toon had kunnen ontdekken. En ze voelde zich ellendig.De dikke donkere wenkbrauwen saamgetrokken, de lippen op elkaar gedrukt, zette ze zich op de sofa. Den eenen arm, half bloot voor den dag komend uit de witte morgenjapon, sloeg ze om het groote rechtopstaande kussen tegen den wand, en, achterover leunend, vestigde haar blik zich strak op een punt in de zoldering van het vertrekje.Hield Cornelis niet meer van haar, of … was hij misschien onder den indruk van ’t noodlottige nieuws? En als hij niet meer van haar hield, hoe kwam hij dan te veranderen? Had hij ooit van haar gehouden? O, zeker, zeker. En ze dacht aan al de vurige liefdesbetuigingen, den echten hartstocht van den jongen man: die kònden niet onecht of gehuicheld wezen. En die bewezen voor haar zijn liefde volkomen. Als dan die brief onhartelijk was …En weer bukte ze zich om ’t overtuigingsstuk te raadplegen. Haar wenkbrauwen bleven gefronst. Ze had de enkele regels weer gelezen, en leî den brief naast zich neer, nog steeds in twijfel, niet wetend wat te denken.Daar hoorde ze kloppen. Ze sprong op en liep haastig naar de deur, alsof ze bang was gestoord te worden. »Ja!”»Er is een brief voor u!” riep een stem van[67]buiten. ’t Was het dienstmeisje. Ze dorst niet binnen te gaan, vol ontzag voor de juffrouw, die haar een paar maal duchtig beknord had wegens stoornis in haar heiligdom.Clarine deed de deur op een kier, en stak haar hand door de opening, om den brief aan te nemen.Eén blik overtuigde haar, dat Cornelis de schrijver was. ’t Bloed steeg haar naar ’t hoofd. Zenuwachtig plukte ze aan den omslag, zonder dat ’t haar lukte dien te verwijderen. Toen trok ze met een ruk den brief voor den dag.Nog bij de deur van haar kamertje staande, las ze:Lieve Clarine,Ik ben wanhopig. Sinds drie dagen lig ik te bed met een gebroken dijbeen. ’t Kost me ontzaggelijke inspanning je deze enkele regels te schrijven. Maar ik moet. Ik heb alles gedaan wat ik kon; maar mijn vader is onverzettelijk. Ik weet geen raad voor je, dan alleen: ga naar ’t buitenland, en schrijf me. Houd me op de hoogte. Ik kom bij je, zoodra ik kan. Als God wil, zal dat over zes weken zijn, misschien eerst over twee maanden. En dan zal ik zien wat er gedaan kan worden. Vertrouw in allen geval op mij. Ik lijd vreeselijke pijnen, en mijn verpleegster, een vriendin uit mijn[68]kinderjaren—Laura, je weet wel—raadt mij hier maar te eindigen. Geloof me als altijd.Je liefhebbendeCornelis.Merkwaardig was de gelaatsverandering, die allengs bij Clarine plaats had onder ’t lezen van Cornelis’ briefje. Schier verbijsterd, met vóor zich uit starenden blik, ging ze naar de sofa, en nam haar vorige houding weer aan. Ze was bleek en haar lippen trilden. Wanhoop, woede en jaloezie raasden in haar, en ze kon niet schreien, ofschoon er oogenblikken waren, dat ze ’t had willen uitgillen.De jaloezie won het. Zijn lijden zonk in ’t niet, bestond niet bij den rampspoed, die haar trof, en die dankte ze aan dat mensch, die Laura. Een gebroken dijbeen! Ze geloofde er niets van, of ze moest ’t zien! Alles was een smoesje: die geschiedenis van zijn vader, en dat gebroken been, alles! Dat mensch hield hem van haar af, dienonna!O, Cornelis had haar vaak over haar gesproken: een ver nichtje, een kind van een neef van zijn vader, die in Indië gestorven was. Ze was door haar tante streng opgevoed, en geheel door deze als eigen kind behandeld. Cornelis had haar al gekend van haar achtste jaar, toen ze met haar tante in Delmond kwam wonen. Cornelis had altijd[69]gezegd, dat ze als kind zoo lief was. Zij verdiende nu haar brood als verpleegster. Cornelis’ vader had ’t nooit noodig gevonden zijn nicht te steunen, en deze was te fier geweest om ooit steun van hem te vragen. Cornelis achtte haar hoog, zeide hij.Zoo’n verpleegster en dan nog eennonna!dacht de verontwaardigde Clarine in al ’t meerderheidsbesef van haar stand en afkomst.Ze was blank, en hoefde, Goddank, geen »meidenwerk” te doen als ziekenoppasseres! Ze vond dat eenvoudig »dégoûtant.” Een meisje, dat zoo iets deed, wasper segemeen, dus tot alles in staat, ook om Cornelis van haar af te troggelen. En dan een liplap, dat kwam er nog bij! Zoo’n mensch had immers geen moraliteit. O, stellig, Cornelis zocht uitvluchten, had ’t heele verhaal verzonnen van a tot z, en nu was hij nog zoo naïef er dat bij te vertellen: dat Laura hem verpleegde! Ze moest en zou zich op de hoogte stellen … Maar wat dan nog? Wat gaf het haar, of ze wist, dat alles leugen was? O, dan toch de zekerheid, dat hij haar bedroog, en als ze zich dan rampzalig voelde, zou ze toch de voldoening smaken van hem zijn ontrouw voor de voeten te werpen, en haar de waarheid te zeggen. Zij zou ’t hooren, wat een ellendeling hij was. En als ze dan een greintje eergevoel had, zou ze hem niet willen hebben. Maar zou ze eergevoel bezitten? Ze was immers eennonna!Nu goed, ze zou haar dan toch honen en beleedigen zooals ze verdiende[70]voor ’t verraad, dat ze haar dorst aandoen …’t Jonge meisje sprong op van de sofa. Ze kòn ’t niet langer uithouden: de wanhoop omtrent haar onmiddellijke toekomst maakte haar onrustig, angstig, schier dol. Alles was nu verloren voor haar …Naar ’t buitenland gaan … Hoe kalm onbeschaamd dorst hij haar dat aan te raden! Hij zou dan wel komen! En daar moest ze zich aan onderwerpen, omdat ze niet anders kon. Ja, blijven waar ze was, kon ze niet. Ze moest alles opgeven: het gezellige leven in den Haag, haar vriendinnen … Goed, maar ze zou zich niet door hem laten misleiden. Ze zou hem toonen wie ze was! Ze zou hem vernederen, in ’t bijzijn van dat schepsel als ’t kon. Dolzinnige plannen woelden Clarine door ’t hoofd. Ze moest naar Delmond en Cornelis zien, ’t kostte wat ’t wilde. Wat daarna met haar gebeuren zou, was haar niet duidelijk. Ze wilde zich overtuigen, met eigen oogen zien, met eigen ooren hooren, hoe de toestand was. Ze kòn niet gelooven wat die brief haar verteld had: daar moest wat achter zitten. Valschheid was ’t! En een gedachte, een argwaan nog nooit te voren bij haar opgekomen, martelde haar thans: als Cornelis eensnooitvan haar gehouden had … Als hij haar niet alleen niet liefhad, maar haar nu minachtte … De pijn, die haar hierbij de ziel doorsneed, de woede en gekwetste eigenliefde waren zóo groot, dat ze op den grond stampte met haar kleine voetjes, en zich[71]met een verstikten kreet voorover op de sofa wierp.Het beeld der zelfopofferende arbeidzame brave Laura, zooals Cornelis haar zoo vaak in hun gesprekken beschreven had, kwam Clarine vóor den geest. En ze schold en raasde bij haar zelve tegen de onbekende, wier zedelijke meerderheid haar tergend toeblonk. Cornelis hield van haar, van Laura, en had den moed niet het te bekennen! Maar ze liet niet met zich spelen …Weer vlamde haar toorn op, en verdreef ieder spoor van verteedering. Met droge oogen richtte ze zich op. Ze keek verwilderd, haar wangen gloeiden, haar neusvleugels bewogen zich zenuwachtig, haar boezem hijgde.Haar besluit was genomen.Domine Dauteville kwam dien dag niet thuis »koffiedrinken,” dat wist zijn dochter. Zoo iets gebeurde meer. Hij was dan gewoonlijk niet vóor ’t eten thuis, dat was tegen zes. Vóor dien tijd moest ze de reis aanvaard hebben: ze vreesde, dat haar vader haar beletten zou te gaan.Toen ze om drie uur op ’t perron van het Staatsspoor-station, toen nog Rijnspoor-station, stond—met een regenmantel om, een kleine valies in de hand, en het gezichtje weggedoken onder een vrij grooten hoed—op ’t punt om in te stappen, kwam plotseling ’t dolle van haar tocht bij haar op. Ze had een aandrift om terug te gaan, weer[72]naar huis. Een onbestemde angst overviel haar voor ’t onbekende, ’t onzekere, ’t gewaagde van haar ondernemen. Wat dreef haar eigenlijk? Was ze gek? Gek!? Omdat ze zich de zekerheid wilde geven, dat hij haar bedroog, haar willens en wetens ellendig maakte? Haar minachtte om een ander! Om dienonna!Met een driftigen stap ging Clarine naar een openstaanden coupé en stapte in.[73]
[Inhoud]V.Haar liefde.’t Was smoorheet op dien herfstdag in den Haag. En ’t was al dagen achtereen zoo geweest; geen koeltje aan de lucht en een strakblauwe hemel. De Hagenaars waren lusteloos en verveelden zich over ’t algemeen nog meer dan gewoonlijk. Velen der aanzienlijken en rijken waren juist terug van hun reizen en hadden gehoopt nog een koelen tijd aan ’t zeestrand van Scheveningen te kunnen doorbrengen. Maar ’t was er om te stikken als overal in West-Europa; alleen ’s avonds begon ’t er beter te worden. Dan was het strand zwart van de wandelaars en klimaatschieters, en wemelde het terras voor ’t »Kurhaus”—’t was er sinds kort met zijn onhollandschen naam—van luchtzoekende, luierende menschen.Op dien dertigsten September—een Zondag—zou de stroom Scheveninggangers—ondanks ’t late seizoen—’s avonds wel ontzaggelijk wezen. Maar in den voormiddag bleef menigeen om de warmte thuis. Zoo’n ganschen Zondag—behalve den tijd om even te eten—te Scheveningen door te brengen was anders niets bizonders.[60]Ook niet voor Clarine. Die had haar vaste clubje, waarmee ze geregeld—drie meisjes onder elkaar—strandwaarts en weer stadwaarts ging. Iedereen kende die drie, zoo niet »persoonlijk” dan toch van naam of van aanzien. »De drie gratiën” was, vooral onder de jonge officieren, een zeer gangbare bijnaam, waaronder het drietal befaamd was. Waren ze niet alle drie even mooi—Clarine spande de kroon—toch waren ze alle drie zeer smaakvol in kleeding en figuur. Aanbidders legio natuurlijk, en zeer »serieuze” daarbij; want alle drie waren »niet ongefortuneerd,” »spraken Engelsch”, zooals men zeide, ofschoon ze geen van drie bizonder thuis waren in de Engelsche taal. Des te beter wisten ze haar mondje te roeren in ’t eigenaardig, pikant klinkend Haagsch Hollandsch, zooals dat daar in ’t bizonder door jonge dames gesproken wordt: vleiend, zacht, met veel hoog en laag, met gorgelende keelgeluidjes, en uitgekwinkeleerd door een snoezig minimum mondje.De gratiën hielden alle drie dol van »fietsen.” De morgenuren waren voor die oefening de beste tijd. Nu echter was er staking voor Clarine al sinds een paar weken. ’t Was jammer. De morgenwandelaars in ’t bosch misten een welbekend, zeer gewaardeerd schouwspel: de drie rijwielende meisjes, onberispelijk in een fietskostuum gestoken—alle drie van ’t zelfde snit, schoon van verschillende kleuren—en gezeten op volkomen gelijke ijzeren[61]rossen, die ze keurig bereden. Wat een gelijkmatigheid, wat een gepaste zwier en losse bevalligheid! Clarine had nu al eenige keeren zich verontschuldigd. Ze bleef liever thuis; want ze voelde zich onwel. En in de laatste dagen waren ook de beide anderen »gratiën” om die »ontsettende vgeesleke wagmte” maar liever onder het ouderlijke dak gebleven.Clarine’s benedenkamer—een kamertjewas ’t—kwam op den tuin uit. Dat was haar ontvangkamertje, tevens »boudoir,” zooals zij ’t noemde. Haar slaapkamer lag op de eerste verdieping. Ze had daar een kleine piano staan, een divan met mollige kussens en verder ’t gewone meubilair en de gewone opsierseltjes en wissewasjes, die dergelijke vertrekjes kenmerken. Ook heerschte er dezelfde met flauwzoete geuren bezwangerde atmosfeer. En er hing ’t zelfde boekenrekje met »mooie bandjes.” Vlak voor ’t kamertje was een breede veranda met houten stijlen, waar langs klimop groeide. Een breede openslaande deur deed de kunstgeuren van ’t kamertje zich mengen met de natuurlijke uit den tuin. Een prachtig rozenperk op korten afstand vóor de veranda droeg tot die geurenharmonie wel ’t meeste bij.In de hangmat tusschen de twee stijlen vóor Clarine’spruiloordlag dien morgen de lustelooze gestalte der bewoonster. ’t Boek, dat ze in haar hand hield—lezen deed ze sinds een paar minuten[62]niet meer—was een romannetje van Fransch, of beter Parijsch maaksel. Clarine was goed thuis in ’t Fransch. Bij haar was dat door haar afkomst nog minder te verwonderen dan bij andere jonge meisjes en jongelui van haar stand en leeftijd. Dank zij ’t vroege onderwijs in het Fransch, veel vroeger dan van de beide andere »moderne talen,” is ieder vijftienjarige van eenige opvoeding bij ons te lande in staat, te gaan grasduinen in ’t licht te verstaan dichtsel der bende Parijsche grossiers in luchtige erotiek, die jaar in jaar uit de wereld daarmee overstroomen. Verhalen van erotischen aard hebben steeds, zoo oud de wereld is, een eigenaardige bekoring gehad, vooral voor jeugdige hoorders en lezers. En aangezien de in ’t Fransch geschreven verhalen van dat slag steeds in hoeveelheid en afwisseling en licht verteerbaarheid ruimschoots opwegen tegen al wat er in al de andere beschaafde talen ter wereld voorgebracht wordt, spreekt het van zelf, dat zulk een vijftienjarige eerder naar een Fransch romannetje grijpt dan naar een Engelsch of Duitsch. Hollandsche erotiek van slecht gehalte heeft voor den jeugdigen mensch van eenige opvoeding een lucht van gemeenheid en stegentaal, die dadelijk afstoot. De Fransche beweegt zich bij voorkeur in adellijke kringen—»la petite baronne,” »la jolie marquise de Coeurenjoie” of »le comte de Nézenlair”—alles en allen in »hôtels,” zwemmende in ’t geld, geparfumeerd en zwierig.[63]Dat trekt.Zolamet zijn laagbijdegrondsche menschen en dingen wordt tusschen vijftien en twintig bijna niet gelezen, al was ’t alleen om de moeilijkere taal—een taal, die op school niet geleerd wordt—want om ’t vuile der beschreven toestanden en zaken alleen zou men de lezing niet nalaten: dat wordt zoo niet gevoeld in ’t Fransch. In de vertaling wordt Zola door geen beschaafd mensch in Nederland gelezen.Wat Clarine las, behoorde tot het honderd-bladzijden-in-een-uur-soort; juist geschikt voor een zomerschen dag, als de hersens traag werken: dat was hàar idee.Ze was ’t niet eens met de heldin van ’t verhaal en daarover lag ze na te denken. Die heldin verdronk zich ten slotte uit minnenijd, en omdat ze in dezelfde hachelijke omstandigheden verkeerde als Clarine thans.»’n Dom schepsel!” mompelde deze. Zij zou ’t om geen van beide redenen doen. Clarine’s gepeins werd steeds ernstiger. De dikke donkere wenkbrauwen fronsten zich, en ’t was, of haar houding minder onverschillig lui werd. Haar weelderig donkerbruin haar, dat los om haar schouders, gedeeltelijk over de hangmat heen hing, kreeg een schuif naar boven, en haar rechterhand bleef meteen onder ’t hoofd rusten. Haar anders levendige oogen keken strak, als wezenloos, naar den kant van haar kamertje. Ze dacht—voor de honderdste maal in de laatste drie weken—aan Cornelis en aan ’t[64]andere. Zij zou zich niet verdrinken … Brrr, om te ijzen! En wat die dokter haar voorgeslagen had, de man, dien ze op aanwijzing van haar eenige vriendin, die in ’t geheim was, had geraadpleegd, dat vond ze gruwelijk. O, ze dacht nu op eens met een huivering aan dien avond, toen ze, met een dikken voile voor, te voet naar ’t huis van dien man was geijld. Ze moest zekerheid hebben, al voelde ze ook haar hart wegkrimpen van gekrenkte trots, van schaamte. Ze kreeg die, zoover de medicus ze geven kon. En toen ze wilde heengaan dat voorstel:»’t Kan zonder bezwaar verholpen worden, Juffrouw,” zei de hoffelijke arts, die, ook als chirurg zijn diensten verkocht, ’t Was een gewoon zaakje voor hem. Hij was een van die wezens, zooals ze in allerlei stand en betrekking voorkomen, welke hun bestaan zoeken in gewetenloos geldslaan uit de zonden der menschen, als bromvliegen azend op rotting en vuilnis. Hij wist niet beter, of deze jonge dame verlangde dat gewone van hem.»Wat bedoelt u?” Clarine staart den ander verwonderd aan, nog gloeiend in haar gelaat, en strijkt de plooien van haar kleed glad.»Wel, een kleine operatie … Zonder gevaar.” Dit laatste hoorde er zoo bij, al wist hij, dat hij loog. Bij dames moet men rekening houden met de zenuwen …Clarine werd bleek. »Dank u,” antwoordde ze[65]koel en stijf. »Wat ben ik u schuldig?” De medicus maakte excuses. »Ik dacht … ziet u …” ’t Was beter zich niet nader te verklaren: als zij van die kracht was, hoefde ze niet te weten, dat het voorgeslagene voor hem niets bizonders was. Clarine betaalde, groette uit de hoogte, en verliet het oord harer vernedering. Op straat ademde ze op; in haar zenuwachtigheid liep ze nog harder naar huis dan ze er vandaan gegaan was.»O, God, gruwelijk, walgelijk!” zei Clarine zacht en met afschuw. Neen, ’t eenige was, dat Cornelis spoedig …”Spoedig? ’t Was nu negen dagen geleden, dat ze zijn laatsten brief ontvangen had … Waarom schreef hij niet; waarom—nog beter—kwam hij niet? De gedachte, dat hij nietwilde, flitste haar door ’t hoofd. Hij had zooveel bezwaren gemaakt. En toch in zijn brief was hij immers hartelijk … Was hij dat werkelijk? Als hij ’s niet van haar hield …Clarine sprong op, wipte uit de hangmat en haalde den brief in kwestie uit haar lessenaartje. Achter in ’t kamertje bij de piano bleef ze staan, een mooi beeld van angstige aandacht en bange verwachting. Driftig smeet ze den brief neer.»Nee, dat is niet hartelijk. Stijf, akelig stijf!” zei zebinnensmonds. In haar opwinding zag ze alles wat Cornelis in die korte regels zeide voor koele bejegening aan, en kon ze niet begrijpen,[66]hoe ze nog kort te voren daarin een hartelijken toon had kunnen ontdekken. En ze voelde zich ellendig.De dikke donkere wenkbrauwen saamgetrokken, de lippen op elkaar gedrukt, zette ze zich op de sofa. Den eenen arm, half bloot voor den dag komend uit de witte morgenjapon, sloeg ze om het groote rechtopstaande kussen tegen den wand, en, achterover leunend, vestigde haar blik zich strak op een punt in de zoldering van het vertrekje.Hield Cornelis niet meer van haar, of … was hij misschien onder den indruk van ’t noodlottige nieuws? En als hij niet meer van haar hield, hoe kwam hij dan te veranderen? Had hij ooit van haar gehouden? O, zeker, zeker. En ze dacht aan al de vurige liefdesbetuigingen, den echten hartstocht van den jongen man: die kònden niet onecht of gehuicheld wezen. En die bewezen voor haar zijn liefde volkomen. Als dan die brief onhartelijk was …En weer bukte ze zich om ’t overtuigingsstuk te raadplegen. Haar wenkbrauwen bleven gefronst. Ze had de enkele regels weer gelezen, en leî den brief naast zich neer, nog steeds in twijfel, niet wetend wat te denken.Daar hoorde ze kloppen. Ze sprong op en liep haastig naar de deur, alsof ze bang was gestoord te worden. »Ja!”»Er is een brief voor u!” riep een stem van[67]buiten. ’t Was het dienstmeisje. Ze dorst niet binnen te gaan, vol ontzag voor de juffrouw, die haar een paar maal duchtig beknord had wegens stoornis in haar heiligdom.Clarine deed de deur op een kier, en stak haar hand door de opening, om den brief aan te nemen.Eén blik overtuigde haar, dat Cornelis de schrijver was. ’t Bloed steeg haar naar ’t hoofd. Zenuwachtig plukte ze aan den omslag, zonder dat ’t haar lukte dien te verwijderen. Toen trok ze met een ruk den brief voor den dag.Nog bij de deur van haar kamertje staande, las ze:Lieve Clarine,Ik ben wanhopig. Sinds drie dagen lig ik te bed met een gebroken dijbeen. ’t Kost me ontzaggelijke inspanning je deze enkele regels te schrijven. Maar ik moet. Ik heb alles gedaan wat ik kon; maar mijn vader is onverzettelijk. Ik weet geen raad voor je, dan alleen: ga naar ’t buitenland, en schrijf me. Houd me op de hoogte. Ik kom bij je, zoodra ik kan. Als God wil, zal dat over zes weken zijn, misschien eerst over twee maanden. En dan zal ik zien wat er gedaan kan worden. Vertrouw in allen geval op mij. Ik lijd vreeselijke pijnen, en mijn verpleegster, een vriendin uit mijn[68]kinderjaren—Laura, je weet wel—raadt mij hier maar te eindigen. Geloof me als altijd.Je liefhebbendeCornelis.Merkwaardig was de gelaatsverandering, die allengs bij Clarine plaats had onder ’t lezen van Cornelis’ briefje. Schier verbijsterd, met vóor zich uit starenden blik, ging ze naar de sofa, en nam haar vorige houding weer aan. Ze was bleek en haar lippen trilden. Wanhoop, woede en jaloezie raasden in haar, en ze kon niet schreien, ofschoon er oogenblikken waren, dat ze ’t had willen uitgillen.De jaloezie won het. Zijn lijden zonk in ’t niet, bestond niet bij den rampspoed, die haar trof, en die dankte ze aan dat mensch, die Laura. Een gebroken dijbeen! Ze geloofde er niets van, of ze moest ’t zien! Alles was een smoesje: die geschiedenis van zijn vader, en dat gebroken been, alles! Dat mensch hield hem van haar af, dienonna!O, Cornelis had haar vaak over haar gesproken: een ver nichtje, een kind van een neef van zijn vader, die in Indië gestorven was. Ze was door haar tante streng opgevoed, en geheel door deze als eigen kind behandeld. Cornelis had haar al gekend van haar achtste jaar, toen ze met haar tante in Delmond kwam wonen. Cornelis had altijd[69]gezegd, dat ze als kind zoo lief was. Zij verdiende nu haar brood als verpleegster. Cornelis’ vader had ’t nooit noodig gevonden zijn nicht te steunen, en deze was te fier geweest om ooit steun van hem te vragen. Cornelis achtte haar hoog, zeide hij.Zoo’n verpleegster en dan nog eennonna!dacht de verontwaardigde Clarine in al ’t meerderheidsbesef van haar stand en afkomst.Ze was blank, en hoefde, Goddank, geen »meidenwerk” te doen als ziekenoppasseres! Ze vond dat eenvoudig »dégoûtant.” Een meisje, dat zoo iets deed, wasper segemeen, dus tot alles in staat, ook om Cornelis van haar af te troggelen. En dan een liplap, dat kwam er nog bij! Zoo’n mensch had immers geen moraliteit. O, stellig, Cornelis zocht uitvluchten, had ’t heele verhaal verzonnen van a tot z, en nu was hij nog zoo naïef er dat bij te vertellen: dat Laura hem verpleegde! Ze moest en zou zich op de hoogte stellen … Maar wat dan nog? Wat gaf het haar, of ze wist, dat alles leugen was? O, dan toch de zekerheid, dat hij haar bedroog, en als ze zich dan rampzalig voelde, zou ze toch de voldoening smaken van hem zijn ontrouw voor de voeten te werpen, en haar de waarheid te zeggen. Zij zou ’t hooren, wat een ellendeling hij was. En als ze dan een greintje eergevoel had, zou ze hem niet willen hebben. Maar zou ze eergevoel bezitten? Ze was immers eennonna!Nu goed, ze zou haar dan toch honen en beleedigen zooals ze verdiende[70]voor ’t verraad, dat ze haar dorst aandoen …’t Jonge meisje sprong op van de sofa. Ze kòn ’t niet langer uithouden: de wanhoop omtrent haar onmiddellijke toekomst maakte haar onrustig, angstig, schier dol. Alles was nu verloren voor haar …Naar ’t buitenland gaan … Hoe kalm onbeschaamd dorst hij haar dat aan te raden! Hij zou dan wel komen! En daar moest ze zich aan onderwerpen, omdat ze niet anders kon. Ja, blijven waar ze was, kon ze niet. Ze moest alles opgeven: het gezellige leven in den Haag, haar vriendinnen … Goed, maar ze zou zich niet door hem laten misleiden. Ze zou hem toonen wie ze was! Ze zou hem vernederen, in ’t bijzijn van dat schepsel als ’t kon. Dolzinnige plannen woelden Clarine door ’t hoofd. Ze moest naar Delmond en Cornelis zien, ’t kostte wat ’t wilde. Wat daarna met haar gebeuren zou, was haar niet duidelijk. Ze wilde zich overtuigen, met eigen oogen zien, met eigen ooren hooren, hoe de toestand was. Ze kòn niet gelooven wat die brief haar verteld had: daar moest wat achter zitten. Valschheid was ’t! En een gedachte, een argwaan nog nooit te voren bij haar opgekomen, martelde haar thans: als Cornelis eensnooitvan haar gehouden had … Als hij haar niet alleen niet liefhad, maar haar nu minachtte … De pijn, die haar hierbij de ziel doorsneed, de woede en gekwetste eigenliefde waren zóo groot, dat ze op den grond stampte met haar kleine voetjes, en zich[71]met een verstikten kreet voorover op de sofa wierp.Het beeld der zelfopofferende arbeidzame brave Laura, zooals Cornelis haar zoo vaak in hun gesprekken beschreven had, kwam Clarine vóor den geest. En ze schold en raasde bij haar zelve tegen de onbekende, wier zedelijke meerderheid haar tergend toeblonk. Cornelis hield van haar, van Laura, en had den moed niet het te bekennen! Maar ze liet niet met zich spelen …Weer vlamde haar toorn op, en verdreef ieder spoor van verteedering. Met droge oogen richtte ze zich op. Ze keek verwilderd, haar wangen gloeiden, haar neusvleugels bewogen zich zenuwachtig, haar boezem hijgde.Haar besluit was genomen.Domine Dauteville kwam dien dag niet thuis »koffiedrinken,” dat wist zijn dochter. Zoo iets gebeurde meer. Hij was dan gewoonlijk niet vóor ’t eten thuis, dat was tegen zes. Vóor dien tijd moest ze de reis aanvaard hebben: ze vreesde, dat haar vader haar beletten zou te gaan.Toen ze om drie uur op ’t perron van het Staatsspoor-station, toen nog Rijnspoor-station, stond—met een regenmantel om, een kleine valies in de hand, en het gezichtje weggedoken onder een vrij grooten hoed—op ’t punt om in te stappen, kwam plotseling ’t dolle van haar tocht bij haar op. Ze had een aandrift om terug te gaan, weer[72]naar huis. Een onbestemde angst overviel haar voor ’t onbekende, ’t onzekere, ’t gewaagde van haar ondernemen. Wat dreef haar eigenlijk? Was ze gek? Gek!? Omdat ze zich de zekerheid wilde geven, dat hij haar bedroog, haar willens en wetens ellendig maakte? Haar minachtte om een ander! Om dienonna!Met een driftigen stap ging Clarine naar een openstaanden coupé en stapte in.[73]
V.Haar liefde.
’t Was smoorheet op dien herfstdag in den Haag. En ’t was al dagen achtereen zoo geweest; geen koeltje aan de lucht en een strakblauwe hemel. De Hagenaars waren lusteloos en verveelden zich over ’t algemeen nog meer dan gewoonlijk. Velen der aanzienlijken en rijken waren juist terug van hun reizen en hadden gehoopt nog een koelen tijd aan ’t zeestrand van Scheveningen te kunnen doorbrengen. Maar ’t was er om te stikken als overal in West-Europa; alleen ’s avonds begon ’t er beter te worden. Dan was het strand zwart van de wandelaars en klimaatschieters, en wemelde het terras voor ’t »Kurhaus”—’t was er sinds kort met zijn onhollandschen naam—van luchtzoekende, luierende menschen.Op dien dertigsten September—een Zondag—zou de stroom Scheveninggangers—ondanks ’t late seizoen—’s avonds wel ontzaggelijk wezen. Maar in den voormiddag bleef menigeen om de warmte thuis. Zoo’n ganschen Zondag—behalve den tijd om even te eten—te Scheveningen door te brengen was anders niets bizonders.[60]Ook niet voor Clarine. Die had haar vaste clubje, waarmee ze geregeld—drie meisjes onder elkaar—strandwaarts en weer stadwaarts ging. Iedereen kende die drie, zoo niet »persoonlijk” dan toch van naam of van aanzien. »De drie gratiën” was, vooral onder de jonge officieren, een zeer gangbare bijnaam, waaronder het drietal befaamd was. Waren ze niet alle drie even mooi—Clarine spande de kroon—toch waren ze alle drie zeer smaakvol in kleeding en figuur. Aanbidders legio natuurlijk, en zeer »serieuze” daarbij; want alle drie waren »niet ongefortuneerd,” »spraken Engelsch”, zooals men zeide, ofschoon ze geen van drie bizonder thuis waren in de Engelsche taal. Des te beter wisten ze haar mondje te roeren in ’t eigenaardig, pikant klinkend Haagsch Hollandsch, zooals dat daar in ’t bizonder door jonge dames gesproken wordt: vleiend, zacht, met veel hoog en laag, met gorgelende keelgeluidjes, en uitgekwinkeleerd door een snoezig minimum mondje.De gratiën hielden alle drie dol van »fietsen.” De morgenuren waren voor die oefening de beste tijd. Nu echter was er staking voor Clarine al sinds een paar weken. ’t Was jammer. De morgenwandelaars in ’t bosch misten een welbekend, zeer gewaardeerd schouwspel: de drie rijwielende meisjes, onberispelijk in een fietskostuum gestoken—alle drie van ’t zelfde snit, schoon van verschillende kleuren—en gezeten op volkomen gelijke ijzeren[61]rossen, die ze keurig bereden. Wat een gelijkmatigheid, wat een gepaste zwier en losse bevalligheid! Clarine had nu al eenige keeren zich verontschuldigd. Ze bleef liever thuis; want ze voelde zich onwel. En in de laatste dagen waren ook de beide anderen »gratiën” om die »ontsettende vgeesleke wagmte” maar liever onder het ouderlijke dak gebleven.Clarine’s benedenkamer—een kamertjewas ’t—kwam op den tuin uit. Dat was haar ontvangkamertje, tevens »boudoir,” zooals zij ’t noemde. Haar slaapkamer lag op de eerste verdieping. Ze had daar een kleine piano staan, een divan met mollige kussens en verder ’t gewone meubilair en de gewone opsierseltjes en wissewasjes, die dergelijke vertrekjes kenmerken. Ook heerschte er dezelfde met flauwzoete geuren bezwangerde atmosfeer. En er hing ’t zelfde boekenrekje met »mooie bandjes.” Vlak voor ’t kamertje was een breede veranda met houten stijlen, waar langs klimop groeide. Een breede openslaande deur deed de kunstgeuren van ’t kamertje zich mengen met de natuurlijke uit den tuin. Een prachtig rozenperk op korten afstand vóor de veranda droeg tot die geurenharmonie wel ’t meeste bij.In de hangmat tusschen de twee stijlen vóor Clarine’spruiloordlag dien morgen de lustelooze gestalte der bewoonster. ’t Boek, dat ze in haar hand hield—lezen deed ze sinds een paar minuten[62]niet meer—was een romannetje van Fransch, of beter Parijsch maaksel. Clarine was goed thuis in ’t Fransch. Bij haar was dat door haar afkomst nog minder te verwonderen dan bij andere jonge meisjes en jongelui van haar stand en leeftijd. Dank zij ’t vroege onderwijs in het Fransch, veel vroeger dan van de beide andere »moderne talen,” is ieder vijftienjarige van eenige opvoeding bij ons te lande in staat, te gaan grasduinen in ’t licht te verstaan dichtsel der bende Parijsche grossiers in luchtige erotiek, die jaar in jaar uit de wereld daarmee overstroomen. Verhalen van erotischen aard hebben steeds, zoo oud de wereld is, een eigenaardige bekoring gehad, vooral voor jeugdige hoorders en lezers. En aangezien de in ’t Fransch geschreven verhalen van dat slag steeds in hoeveelheid en afwisseling en licht verteerbaarheid ruimschoots opwegen tegen al wat er in al de andere beschaafde talen ter wereld voorgebracht wordt, spreekt het van zelf, dat zulk een vijftienjarige eerder naar een Fransch romannetje grijpt dan naar een Engelsch of Duitsch. Hollandsche erotiek van slecht gehalte heeft voor den jeugdigen mensch van eenige opvoeding een lucht van gemeenheid en stegentaal, die dadelijk afstoot. De Fransche beweegt zich bij voorkeur in adellijke kringen—»la petite baronne,” »la jolie marquise de Coeurenjoie” of »le comte de Nézenlair”—alles en allen in »hôtels,” zwemmende in ’t geld, geparfumeerd en zwierig.[63]Dat trekt.Zolamet zijn laagbijdegrondsche menschen en dingen wordt tusschen vijftien en twintig bijna niet gelezen, al was ’t alleen om de moeilijkere taal—een taal, die op school niet geleerd wordt—want om ’t vuile der beschreven toestanden en zaken alleen zou men de lezing niet nalaten: dat wordt zoo niet gevoeld in ’t Fransch. In de vertaling wordt Zola door geen beschaafd mensch in Nederland gelezen.Wat Clarine las, behoorde tot het honderd-bladzijden-in-een-uur-soort; juist geschikt voor een zomerschen dag, als de hersens traag werken: dat was hàar idee.Ze was ’t niet eens met de heldin van ’t verhaal en daarover lag ze na te denken. Die heldin verdronk zich ten slotte uit minnenijd, en omdat ze in dezelfde hachelijke omstandigheden verkeerde als Clarine thans.»’n Dom schepsel!” mompelde deze. Zij zou ’t om geen van beide redenen doen. Clarine’s gepeins werd steeds ernstiger. De dikke donkere wenkbrauwen fronsten zich, en ’t was, of haar houding minder onverschillig lui werd. Haar weelderig donkerbruin haar, dat los om haar schouders, gedeeltelijk over de hangmat heen hing, kreeg een schuif naar boven, en haar rechterhand bleef meteen onder ’t hoofd rusten. Haar anders levendige oogen keken strak, als wezenloos, naar den kant van haar kamertje. Ze dacht—voor de honderdste maal in de laatste drie weken—aan Cornelis en aan ’t[64]andere. Zij zou zich niet verdrinken … Brrr, om te ijzen! En wat die dokter haar voorgeslagen had, de man, dien ze op aanwijzing van haar eenige vriendin, die in ’t geheim was, had geraadpleegd, dat vond ze gruwelijk. O, ze dacht nu op eens met een huivering aan dien avond, toen ze, met een dikken voile voor, te voet naar ’t huis van dien man was geijld. Ze moest zekerheid hebben, al voelde ze ook haar hart wegkrimpen van gekrenkte trots, van schaamte. Ze kreeg die, zoover de medicus ze geven kon. En toen ze wilde heengaan dat voorstel:»’t Kan zonder bezwaar verholpen worden, Juffrouw,” zei de hoffelijke arts, die, ook als chirurg zijn diensten verkocht, ’t Was een gewoon zaakje voor hem. Hij was een van die wezens, zooals ze in allerlei stand en betrekking voorkomen, welke hun bestaan zoeken in gewetenloos geldslaan uit de zonden der menschen, als bromvliegen azend op rotting en vuilnis. Hij wist niet beter, of deze jonge dame verlangde dat gewone van hem.»Wat bedoelt u?” Clarine staart den ander verwonderd aan, nog gloeiend in haar gelaat, en strijkt de plooien van haar kleed glad.»Wel, een kleine operatie … Zonder gevaar.” Dit laatste hoorde er zoo bij, al wist hij, dat hij loog. Bij dames moet men rekening houden met de zenuwen …Clarine werd bleek. »Dank u,” antwoordde ze[65]koel en stijf. »Wat ben ik u schuldig?” De medicus maakte excuses. »Ik dacht … ziet u …” ’t Was beter zich niet nader te verklaren: als zij van die kracht was, hoefde ze niet te weten, dat het voorgeslagene voor hem niets bizonders was. Clarine betaalde, groette uit de hoogte, en verliet het oord harer vernedering. Op straat ademde ze op; in haar zenuwachtigheid liep ze nog harder naar huis dan ze er vandaan gegaan was.»O, God, gruwelijk, walgelijk!” zei Clarine zacht en met afschuw. Neen, ’t eenige was, dat Cornelis spoedig …”Spoedig? ’t Was nu negen dagen geleden, dat ze zijn laatsten brief ontvangen had … Waarom schreef hij niet; waarom—nog beter—kwam hij niet? De gedachte, dat hij nietwilde, flitste haar door ’t hoofd. Hij had zooveel bezwaren gemaakt. En toch in zijn brief was hij immers hartelijk … Was hij dat werkelijk? Als hij ’s niet van haar hield …Clarine sprong op, wipte uit de hangmat en haalde den brief in kwestie uit haar lessenaartje. Achter in ’t kamertje bij de piano bleef ze staan, een mooi beeld van angstige aandacht en bange verwachting. Driftig smeet ze den brief neer.»Nee, dat is niet hartelijk. Stijf, akelig stijf!” zei zebinnensmonds. In haar opwinding zag ze alles wat Cornelis in die korte regels zeide voor koele bejegening aan, en kon ze niet begrijpen,[66]hoe ze nog kort te voren daarin een hartelijken toon had kunnen ontdekken. En ze voelde zich ellendig.De dikke donkere wenkbrauwen saamgetrokken, de lippen op elkaar gedrukt, zette ze zich op de sofa. Den eenen arm, half bloot voor den dag komend uit de witte morgenjapon, sloeg ze om het groote rechtopstaande kussen tegen den wand, en, achterover leunend, vestigde haar blik zich strak op een punt in de zoldering van het vertrekje.Hield Cornelis niet meer van haar, of … was hij misschien onder den indruk van ’t noodlottige nieuws? En als hij niet meer van haar hield, hoe kwam hij dan te veranderen? Had hij ooit van haar gehouden? O, zeker, zeker. En ze dacht aan al de vurige liefdesbetuigingen, den echten hartstocht van den jongen man: die kònden niet onecht of gehuicheld wezen. En die bewezen voor haar zijn liefde volkomen. Als dan die brief onhartelijk was …En weer bukte ze zich om ’t overtuigingsstuk te raadplegen. Haar wenkbrauwen bleven gefronst. Ze had de enkele regels weer gelezen, en leî den brief naast zich neer, nog steeds in twijfel, niet wetend wat te denken.Daar hoorde ze kloppen. Ze sprong op en liep haastig naar de deur, alsof ze bang was gestoord te worden. »Ja!”»Er is een brief voor u!” riep een stem van[67]buiten. ’t Was het dienstmeisje. Ze dorst niet binnen te gaan, vol ontzag voor de juffrouw, die haar een paar maal duchtig beknord had wegens stoornis in haar heiligdom.Clarine deed de deur op een kier, en stak haar hand door de opening, om den brief aan te nemen.Eén blik overtuigde haar, dat Cornelis de schrijver was. ’t Bloed steeg haar naar ’t hoofd. Zenuwachtig plukte ze aan den omslag, zonder dat ’t haar lukte dien te verwijderen. Toen trok ze met een ruk den brief voor den dag.Nog bij de deur van haar kamertje staande, las ze:Lieve Clarine,Ik ben wanhopig. Sinds drie dagen lig ik te bed met een gebroken dijbeen. ’t Kost me ontzaggelijke inspanning je deze enkele regels te schrijven. Maar ik moet. Ik heb alles gedaan wat ik kon; maar mijn vader is onverzettelijk. Ik weet geen raad voor je, dan alleen: ga naar ’t buitenland, en schrijf me. Houd me op de hoogte. Ik kom bij je, zoodra ik kan. Als God wil, zal dat over zes weken zijn, misschien eerst over twee maanden. En dan zal ik zien wat er gedaan kan worden. Vertrouw in allen geval op mij. Ik lijd vreeselijke pijnen, en mijn verpleegster, een vriendin uit mijn[68]kinderjaren—Laura, je weet wel—raadt mij hier maar te eindigen. Geloof me als altijd.Je liefhebbendeCornelis.Merkwaardig was de gelaatsverandering, die allengs bij Clarine plaats had onder ’t lezen van Cornelis’ briefje. Schier verbijsterd, met vóor zich uit starenden blik, ging ze naar de sofa, en nam haar vorige houding weer aan. Ze was bleek en haar lippen trilden. Wanhoop, woede en jaloezie raasden in haar, en ze kon niet schreien, ofschoon er oogenblikken waren, dat ze ’t had willen uitgillen.De jaloezie won het. Zijn lijden zonk in ’t niet, bestond niet bij den rampspoed, die haar trof, en die dankte ze aan dat mensch, die Laura. Een gebroken dijbeen! Ze geloofde er niets van, of ze moest ’t zien! Alles was een smoesje: die geschiedenis van zijn vader, en dat gebroken been, alles! Dat mensch hield hem van haar af, dienonna!O, Cornelis had haar vaak over haar gesproken: een ver nichtje, een kind van een neef van zijn vader, die in Indië gestorven was. Ze was door haar tante streng opgevoed, en geheel door deze als eigen kind behandeld. Cornelis had haar al gekend van haar achtste jaar, toen ze met haar tante in Delmond kwam wonen. Cornelis had altijd[69]gezegd, dat ze als kind zoo lief was. Zij verdiende nu haar brood als verpleegster. Cornelis’ vader had ’t nooit noodig gevonden zijn nicht te steunen, en deze was te fier geweest om ooit steun van hem te vragen. Cornelis achtte haar hoog, zeide hij.Zoo’n verpleegster en dan nog eennonna!dacht de verontwaardigde Clarine in al ’t meerderheidsbesef van haar stand en afkomst.Ze was blank, en hoefde, Goddank, geen »meidenwerk” te doen als ziekenoppasseres! Ze vond dat eenvoudig »dégoûtant.” Een meisje, dat zoo iets deed, wasper segemeen, dus tot alles in staat, ook om Cornelis van haar af te troggelen. En dan een liplap, dat kwam er nog bij! Zoo’n mensch had immers geen moraliteit. O, stellig, Cornelis zocht uitvluchten, had ’t heele verhaal verzonnen van a tot z, en nu was hij nog zoo naïef er dat bij te vertellen: dat Laura hem verpleegde! Ze moest en zou zich op de hoogte stellen … Maar wat dan nog? Wat gaf het haar, of ze wist, dat alles leugen was? O, dan toch de zekerheid, dat hij haar bedroog, en als ze zich dan rampzalig voelde, zou ze toch de voldoening smaken van hem zijn ontrouw voor de voeten te werpen, en haar de waarheid te zeggen. Zij zou ’t hooren, wat een ellendeling hij was. En als ze dan een greintje eergevoel had, zou ze hem niet willen hebben. Maar zou ze eergevoel bezitten? Ze was immers eennonna!Nu goed, ze zou haar dan toch honen en beleedigen zooals ze verdiende[70]voor ’t verraad, dat ze haar dorst aandoen …’t Jonge meisje sprong op van de sofa. Ze kòn ’t niet langer uithouden: de wanhoop omtrent haar onmiddellijke toekomst maakte haar onrustig, angstig, schier dol. Alles was nu verloren voor haar …Naar ’t buitenland gaan … Hoe kalm onbeschaamd dorst hij haar dat aan te raden! Hij zou dan wel komen! En daar moest ze zich aan onderwerpen, omdat ze niet anders kon. Ja, blijven waar ze was, kon ze niet. Ze moest alles opgeven: het gezellige leven in den Haag, haar vriendinnen … Goed, maar ze zou zich niet door hem laten misleiden. Ze zou hem toonen wie ze was! Ze zou hem vernederen, in ’t bijzijn van dat schepsel als ’t kon. Dolzinnige plannen woelden Clarine door ’t hoofd. Ze moest naar Delmond en Cornelis zien, ’t kostte wat ’t wilde. Wat daarna met haar gebeuren zou, was haar niet duidelijk. Ze wilde zich overtuigen, met eigen oogen zien, met eigen ooren hooren, hoe de toestand was. Ze kòn niet gelooven wat die brief haar verteld had: daar moest wat achter zitten. Valschheid was ’t! En een gedachte, een argwaan nog nooit te voren bij haar opgekomen, martelde haar thans: als Cornelis eensnooitvan haar gehouden had … Als hij haar niet alleen niet liefhad, maar haar nu minachtte … De pijn, die haar hierbij de ziel doorsneed, de woede en gekwetste eigenliefde waren zóo groot, dat ze op den grond stampte met haar kleine voetjes, en zich[71]met een verstikten kreet voorover op de sofa wierp.Het beeld der zelfopofferende arbeidzame brave Laura, zooals Cornelis haar zoo vaak in hun gesprekken beschreven had, kwam Clarine vóor den geest. En ze schold en raasde bij haar zelve tegen de onbekende, wier zedelijke meerderheid haar tergend toeblonk. Cornelis hield van haar, van Laura, en had den moed niet het te bekennen! Maar ze liet niet met zich spelen …Weer vlamde haar toorn op, en verdreef ieder spoor van verteedering. Met droge oogen richtte ze zich op. Ze keek verwilderd, haar wangen gloeiden, haar neusvleugels bewogen zich zenuwachtig, haar boezem hijgde.Haar besluit was genomen.Domine Dauteville kwam dien dag niet thuis »koffiedrinken,” dat wist zijn dochter. Zoo iets gebeurde meer. Hij was dan gewoonlijk niet vóor ’t eten thuis, dat was tegen zes. Vóor dien tijd moest ze de reis aanvaard hebben: ze vreesde, dat haar vader haar beletten zou te gaan.Toen ze om drie uur op ’t perron van het Staatsspoor-station, toen nog Rijnspoor-station, stond—met een regenmantel om, een kleine valies in de hand, en het gezichtje weggedoken onder een vrij grooten hoed—op ’t punt om in te stappen, kwam plotseling ’t dolle van haar tocht bij haar op. Ze had een aandrift om terug te gaan, weer[72]naar huis. Een onbestemde angst overviel haar voor ’t onbekende, ’t onzekere, ’t gewaagde van haar ondernemen. Wat dreef haar eigenlijk? Was ze gek? Gek!? Omdat ze zich de zekerheid wilde geven, dat hij haar bedroog, haar willens en wetens ellendig maakte? Haar minachtte om een ander! Om dienonna!Met een driftigen stap ging Clarine naar een openstaanden coupé en stapte in.[73]
’t Was smoorheet op dien herfstdag in den Haag. En ’t was al dagen achtereen zoo geweest; geen koeltje aan de lucht en een strakblauwe hemel. De Hagenaars waren lusteloos en verveelden zich over ’t algemeen nog meer dan gewoonlijk. Velen der aanzienlijken en rijken waren juist terug van hun reizen en hadden gehoopt nog een koelen tijd aan ’t zeestrand van Scheveningen te kunnen doorbrengen. Maar ’t was er om te stikken als overal in West-Europa; alleen ’s avonds begon ’t er beter te worden. Dan was het strand zwart van de wandelaars en klimaatschieters, en wemelde het terras voor ’t »Kurhaus”—’t was er sinds kort met zijn onhollandschen naam—van luchtzoekende, luierende menschen.
Op dien dertigsten September—een Zondag—zou de stroom Scheveninggangers—ondanks ’t late seizoen—’s avonds wel ontzaggelijk wezen. Maar in den voormiddag bleef menigeen om de warmte thuis. Zoo’n ganschen Zondag—behalve den tijd om even te eten—te Scheveningen door te brengen was anders niets bizonders.[60]
Ook niet voor Clarine. Die had haar vaste clubje, waarmee ze geregeld—drie meisjes onder elkaar—strandwaarts en weer stadwaarts ging. Iedereen kende die drie, zoo niet »persoonlijk” dan toch van naam of van aanzien. »De drie gratiën” was, vooral onder de jonge officieren, een zeer gangbare bijnaam, waaronder het drietal befaamd was. Waren ze niet alle drie even mooi—Clarine spande de kroon—toch waren ze alle drie zeer smaakvol in kleeding en figuur. Aanbidders legio natuurlijk, en zeer »serieuze” daarbij; want alle drie waren »niet ongefortuneerd,” »spraken Engelsch”, zooals men zeide, ofschoon ze geen van drie bizonder thuis waren in de Engelsche taal. Des te beter wisten ze haar mondje te roeren in ’t eigenaardig, pikant klinkend Haagsch Hollandsch, zooals dat daar in ’t bizonder door jonge dames gesproken wordt: vleiend, zacht, met veel hoog en laag, met gorgelende keelgeluidjes, en uitgekwinkeleerd door een snoezig minimum mondje.
De gratiën hielden alle drie dol van »fietsen.” De morgenuren waren voor die oefening de beste tijd. Nu echter was er staking voor Clarine al sinds een paar weken. ’t Was jammer. De morgenwandelaars in ’t bosch misten een welbekend, zeer gewaardeerd schouwspel: de drie rijwielende meisjes, onberispelijk in een fietskostuum gestoken—alle drie van ’t zelfde snit, schoon van verschillende kleuren—en gezeten op volkomen gelijke ijzeren[61]rossen, die ze keurig bereden. Wat een gelijkmatigheid, wat een gepaste zwier en losse bevalligheid! Clarine had nu al eenige keeren zich verontschuldigd. Ze bleef liever thuis; want ze voelde zich onwel. En in de laatste dagen waren ook de beide anderen »gratiën” om die »ontsettende vgeesleke wagmte” maar liever onder het ouderlijke dak gebleven.
Clarine’s benedenkamer—een kamertjewas ’t—kwam op den tuin uit. Dat was haar ontvangkamertje, tevens »boudoir,” zooals zij ’t noemde. Haar slaapkamer lag op de eerste verdieping. Ze had daar een kleine piano staan, een divan met mollige kussens en verder ’t gewone meubilair en de gewone opsierseltjes en wissewasjes, die dergelijke vertrekjes kenmerken. Ook heerschte er dezelfde met flauwzoete geuren bezwangerde atmosfeer. En er hing ’t zelfde boekenrekje met »mooie bandjes.” Vlak voor ’t kamertje was een breede veranda met houten stijlen, waar langs klimop groeide. Een breede openslaande deur deed de kunstgeuren van ’t kamertje zich mengen met de natuurlijke uit den tuin. Een prachtig rozenperk op korten afstand vóor de veranda droeg tot die geurenharmonie wel ’t meeste bij.
In de hangmat tusschen de twee stijlen vóor Clarine’spruiloordlag dien morgen de lustelooze gestalte der bewoonster. ’t Boek, dat ze in haar hand hield—lezen deed ze sinds een paar minuten[62]niet meer—was een romannetje van Fransch, of beter Parijsch maaksel. Clarine was goed thuis in ’t Fransch. Bij haar was dat door haar afkomst nog minder te verwonderen dan bij andere jonge meisjes en jongelui van haar stand en leeftijd. Dank zij ’t vroege onderwijs in het Fransch, veel vroeger dan van de beide andere »moderne talen,” is ieder vijftienjarige van eenige opvoeding bij ons te lande in staat, te gaan grasduinen in ’t licht te verstaan dichtsel der bende Parijsche grossiers in luchtige erotiek, die jaar in jaar uit de wereld daarmee overstroomen. Verhalen van erotischen aard hebben steeds, zoo oud de wereld is, een eigenaardige bekoring gehad, vooral voor jeugdige hoorders en lezers. En aangezien de in ’t Fransch geschreven verhalen van dat slag steeds in hoeveelheid en afwisseling en licht verteerbaarheid ruimschoots opwegen tegen al wat er in al de andere beschaafde talen ter wereld voorgebracht wordt, spreekt het van zelf, dat zulk een vijftienjarige eerder naar een Fransch romannetje grijpt dan naar een Engelsch of Duitsch. Hollandsche erotiek van slecht gehalte heeft voor den jeugdigen mensch van eenige opvoeding een lucht van gemeenheid en stegentaal, die dadelijk afstoot. De Fransche beweegt zich bij voorkeur in adellijke kringen—»la petite baronne,” »la jolie marquise de Coeurenjoie” of »le comte de Nézenlair”—alles en allen in »hôtels,” zwemmende in ’t geld, geparfumeerd en zwierig.[63]Dat trekt.Zolamet zijn laagbijdegrondsche menschen en dingen wordt tusschen vijftien en twintig bijna niet gelezen, al was ’t alleen om de moeilijkere taal—een taal, die op school niet geleerd wordt—want om ’t vuile der beschreven toestanden en zaken alleen zou men de lezing niet nalaten: dat wordt zoo niet gevoeld in ’t Fransch. In de vertaling wordt Zola door geen beschaafd mensch in Nederland gelezen.
Wat Clarine las, behoorde tot het honderd-bladzijden-in-een-uur-soort; juist geschikt voor een zomerschen dag, als de hersens traag werken: dat was hàar idee.
Ze was ’t niet eens met de heldin van ’t verhaal en daarover lag ze na te denken. Die heldin verdronk zich ten slotte uit minnenijd, en omdat ze in dezelfde hachelijke omstandigheden verkeerde als Clarine thans.
»’n Dom schepsel!” mompelde deze. Zij zou ’t om geen van beide redenen doen. Clarine’s gepeins werd steeds ernstiger. De dikke donkere wenkbrauwen fronsten zich, en ’t was, of haar houding minder onverschillig lui werd. Haar weelderig donkerbruin haar, dat los om haar schouders, gedeeltelijk over de hangmat heen hing, kreeg een schuif naar boven, en haar rechterhand bleef meteen onder ’t hoofd rusten. Haar anders levendige oogen keken strak, als wezenloos, naar den kant van haar kamertje. Ze dacht—voor de honderdste maal in de laatste drie weken—aan Cornelis en aan ’t[64]andere. Zij zou zich niet verdrinken … Brrr, om te ijzen! En wat die dokter haar voorgeslagen had, de man, dien ze op aanwijzing van haar eenige vriendin, die in ’t geheim was, had geraadpleegd, dat vond ze gruwelijk. O, ze dacht nu op eens met een huivering aan dien avond, toen ze, met een dikken voile voor, te voet naar ’t huis van dien man was geijld. Ze moest zekerheid hebben, al voelde ze ook haar hart wegkrimpen van gekrenkte trots, van schaamte. Ze kreeg die, zoover de medicus ze geven kon. En toen ze wilde heengaan dat voorstel:
»’t Kan zonder bezwaar verholpen worden, Juffrouw,” zei de hoffelijke arts, die, ook als chirurg zijn diensten verkocht, ’t Was een gewoon zaakje voor hem. Hij was een van die wezens, zooals ze in allerlei stand en betrekking voorkomen, welke hun bestaan zoeken in gewetenloos geldslaan uit de zonden der menschen, als bromvliegen azend op rotting en vuilnis. Hij wist niet beter, of deze jonge dame verlangde dat gewone van hem.
»Wat bedoelt u?” Clarine staart den ander verwonderd aan, nog gloeiend in haar gelaat, en strijkt de plooien van haar kleed glad.
»Wel, een kleine operatie … Zonder gevaar.” Dit laatste hoorde er zoo bij, al wist hij, dat hij loog. Bij dames moet men rekening houden met de zenuwen …
Clarine werd bleek. »Dank u,” antwoordde ze[65]koel en stijf. »Wat ben ik u schuldig?” De medicus maakte excuses. »Ik dacht … ziet u …” ’t Was beter zich niet nader te verklaren: als zij van die kracht was, hoefde ze niet te weten, dat het voorgeslagene voor hem niets bizonders was. Clarine betaalde, groette uit de hoogte, en verliet het oord harer vernedering. Op straat ademde ze op; in haar zenuwachtigheid liep ze nog harder naar huis dan ze er vandaan gegaan was.
»O, God, gruwelijk, walgelijk!” zei Clarine zacht en met afschuw. Neen, ’t eenige was, dat Cornelis spoedig …”
Spoedig? ’t Was nu negen dagen geleden, dat ze zijn laatsten brief ontvangen had … Waarom schreef hij niet; waarom—nog beter—kwam hij niet? De gedachte, dat hij nietwilde, flitste haar door ’t hoofd. Hij had zooveel bezwaren gemaakt. En toch in zijn brief was hij immers hartelijk … Was hij dat werkelijk? Als hij ’s niet van haar hield …
Clarine sprong op, wipte uit de hangmat en haalde den brief in kwestie uit haar lessenaartje. Achter in ’t kamertje bij de piano bleef ze staan, een mooi beeld van angstige aandacht en bange verwachting. Driftig smeet ze den brief neer.
»Nee, dat is niet hartelijk. Stijf, akelig stijf!” zei zebinnensmonds. In haar opwinding zag ze alles wat Cornelis in die korte regels zeide voor koele bejegening aan, en kon ze niet begrijpen,[66]hoe ze nog kort te voren daarin een hartelijken toon had kunnen ontdekken. En ze voelde zich ellendig.
De dikke donkere wenkbrauwen saamgetrokken, de lippen op elkaar gedrukt, zette ze zich op de sofa. Den eenen arm, half bloot voor den dag komend uit de witte morgenjapon, sloeg ze om het groote rechtopstaande kussen tegen den wand, en, achterover leunend, vestigde haar blik zich strak op een punt in de zoldering van het vertrekje.
Hield Cornelis niet meer van haar, of … was hij misschien onder den indruk van ’t noodlottige nieuws? En als hij niet meer van haar hield, hoe kwam hij dan te veranderen? Had hij ooit van haar gehouden? O, zeker, zeker. En ze dacht aan al de vurige liefdesbetuigingen, den echten hartstocht van den jongen man: die kònden niet onecht of gehuicheld wezen. En die bewezen voor haar zijn liefde volkomen. Als dan die brief onhartelijk was …
En weer bukte ze zich om ’t overtuigingsstuk te raadplegen. Haar wenkbrauwen bleven gefronst. Ze had de enkele regels weer gelezen, en leî den brief naast zich neer, nog steeds in twijfel, niet wetend wat te denken.
Daar hoorde ze kloppen. Ze sprong op en liep haastig naar de deur, alsof ze bang was gestoord te worden. »Ja!”
»Er is een brief voor u!” riep een stem van[67]buiten. ’t Was het dienstmeisje. Ze dorst niet binnen te gaan, vol ontzag voor de juffrouw, die haar een paar maal duchtig beknord had wegens stoornis in haar heiligdom.
Clarine deed de deur op een kier, en stak haar hand door de opening, om den brief aan te nemen.
Eén blik overtuigde haar, dat Cornelis de schrijver was. ’t Bloed steeg haar naar ’t hoofd. Zenuwachtig plukte ze aan den omslag, zonder dat ’t haar lukte dien te verwijderen. Toen trok ze met een ruk den brief voor den dag.
Nog bij de deur van haar kamertje staande, las ze:
Lieve Clarine,Ik ben wanhopig. Sinds drie dagen lig ik te bed met een gebroken dijbeen. ’t Kost me ontzaggelijke inspanning je deze enkele regels te schrijven. Maar ik moet. Ik heb alles gedaan wat ik kon; maar mijn vader is onverzettelijk. Ik weet geen raad voor je, dan alleen: ga naar ’t buitenland, en schrijf me. Houd me op de hoogte. Ik kom bij je, zoodra ik kan. Als God wil, zal dat over zes weken zijn, misschien eerst over twee maanden. En dan zal ik zien wat er gedaan kan worden. Vertrouw in allen geval op mij. Ik lijd vreeselijke pijnen, en mijn verpleegster, een vriendin uit mijn[68]kinderjaren—Laura, je weet wel—raadt mij hier maar te eindigen. Geloof me als altijd.Je liefhebbendeCornelis.
Lieve Clarine,
Ik ben wanhopig. Sinds drie dagen lig ik te bed met een gebroken dijbeen. ’t Kost me ontzaggelijke inspanning je deze enkele regels te schrijven. Maar ik moet. Ik heb alles gedaan wat ik kon; maar mijn vader is onverzettelijk. Ik weet geen raad voor je, dan alleen: ga naar ’t buitenland, en schrijf me. Houd me op de hoogte. Ik kom bij je, zoodra ik kan. Als God wil, zal dat over zes weken zijn, misschien eerst over twee maanden. En dan zal ik zien wat er gedaan kan worden. Vertrouw in allen geval op mij. Ik lijd vreeselijke pijnen, en mijn verpleegster, een vriendin uit mijn[68]kinderjaren—Laura, je weet wel—raadt mij hier maar te eindigen. Geloof me als altijd.
Je liefhebbende
Cornelis.
Merkwaardig was de gelaatsverandering, die allengs bij Clarine plaats had onder ’t lezen van Cornelis’ briefje. Schier verbijsterd, met vóor zich uit starenden blik, ging ze naar de sofa, en nam haar vorige houding weer aan. Ze was bleek en haar lippen trilden. Wanhoop, woede en jaloezie raasden in haar, en ze kon niet schreien, ofschoon er oogenblikken waren, dat ze ’t had willen uitgillen.
De jaloezie won het. Zijn lijden zonk in ’t niet, bestond niet bij den rampspoed, die haar trof, en die dankte ze aan dat mensch, die Laura. Een gebroken dijbeen! Ze geloofde er niets van, of ze moest ’t zien! Alles was een smoesje: die geschiedenis van zijn vader, en dat gebroken been, alles! Dat mensch hield hem van haar af, dienonna!O, Cornelis had haar vaak over haar gesproken: een ver nichtje, een kind van een neef van zijn vader, die in Indië gestorven was. Ze was door haar tante streng opgevoed, en geheel door deze als eigen kind behandeld. Cornelis had haar al gekend van haar achtste jaar, toen ze met haar tante in Delmond kwam wonen. Cornelis had altijd[69]gezegd, dat ze als kind zoo lief was. Zij verdiende nu haar brood als verpleegster. Cornelis’ vader had ’t nooit noodig gevonden zijn nicht te steunen, en deze was te fier geweest om ooit steun van hem te vragen. Cornelis achtte haar hoog, zeide hij.
Zoo’n verpleegster en dan nog eennonna!dacht de verontwaardigde Clarine in al ’t meerderheidsbesef van haar stand en afkomst.Ze was blank, en hoefde, Goddank, geen »meidenwerk” te doen als ziekenoppasseres! Ze vond dat eenvoudig »dégoûtant.” Een meisje, dat zoo iets deed, wasper segemeen, dus tot alles in staat, ook om Cornelis van haar af te troggelen. En dan een liplap, dat kwam er nog bij! Zoo’n mensch had immers geen moraliteit. O, stellig, Cornelis zocht uitvluchten, had ’t heele verhaal verzonnen van a tot z, en nu was hij nog zoo naïef er dat bij te vertellen: dat Laura hem verpleegde! Ze moest en zou zich op de hoogte stellen … Maar wat dan nog? Wat gaf het haar, of ze wist, dat alles leugen was? O, dan toch de zekerheid, dat hij haar bedroog, en als ze zich dan rampzalig voelde, zou ze toch de voldoening smaken van hem zijn ontrouw voor de voeten te werpen, en haar de waarheid te zeggen. Zij zou ’t hooren, wat een ellendeling hij was. En als ze dan een greintje eergevoel had, zou ze hem niet willen hebben. Maar zou ze eergevoel bezitten? Ze was immers eennonna!Nu goed, ze zou haar dan toch honen en beleedigen zooals ze verdiende[70]voor ’t verraad, dat ze haar dorst aandoen …
’t Jonge meisje sprong op van de sofa. Ze kòn ’t niet langer uithouden: de wanhoop omtrent haar onmiddellijke toekomst maakte haar onrustig, angstig, schier dol. Alles was nu verloren voor haar …
Naar ’t buitenland gaan … Hoe kalm onbeschaamd dorst hij haar dat aan te raden! Hij zou dan wel komen! En daar moest ze zich aan onderwerpen, omdat ze niet anders kon. Ja, blijven waar ze was, kon ze niet. Ze moest alles opgeven: het gezellige leven in den Haag, haar vriendinnen … Goed, maar ze zou zich niet door hem laten misleiden. Ze zou hem toonen wie ze was! Ze zou hem vernederen, in ’t bijzijn van dat schepsel als ’t kon. Dolzinnige plannen woelden Clarine door ’t hoofd. Ze moest naar Delmond en Cornelis zien, ’t kostte wat ’t wilde. Wat daarna met haar gebeuren zou, was haar niet duidelijk. Ze wilde zich overtuigen, met eigen oogen zien, met eigen ooren hooren, hoe de toestand was. Ze kòn niet gelooven wat die brief haar verteld had: daar moest wat achter zitten. Valschheid was ’t! En een gedachte, een argwaan nog nooit te voren bij haar opgekomen, martelde haar thans: als Cornelis eensnooitvan haar gehouden had … Als hij haar niet alleen niet liefhad, maar haar nu minachtte … De pijn, die haar hierbij de ziel doorsneed, de woede en gekwetste eigenliefde waren zóo groot, dat ze op den grond stampte met haar kleine voetjes, en zich[71]met een verstikten kreet voorover op de sofa wierp.
Het beeld der zelfopofferende arbeidzame brave Laura, zooals Cornelis haar zoo vaak in hun gesprekken beschreven had, kwam Clarine vóor den geest. En ze schold en raasde bij haar zelve tegen de onbekende, wier zedelijke meerderheid haar tergend toeblonk. Cornelis hield van haar, van Laura, en had den moed niet het te bekennen! Maar ze liet niet met zich spelen …
Weer vlamde haar toorn op, en verdreef ieder spoor van verteedering. Met droge oogen richtte ze zich op. Ze keek verwilderd, haar wangen gloeiden, haar neusvleugels bewogen zich zenuwachtig, haar boezem hijgde.
Haar besluit was genomen.
Domine Dauteville kwam dien dag niet thuis »koffiedrinken,” dat wist zijn dochter. Zoo iets gebeurde meer. Hij was dan gewoonlijk niet vóor ’t eten thuis, dat was tegen zes. Vóor dien tijd moest ze de reis aanvaard hebben: ze vreesde, dat haar vader haar beletten zou te gaan.
Toen ze om drie uur op ’t perron van het Staatsspoor-station, toen nog Rijnspoor-station, stond—met een regenmantel om, een kleine valies in de hand, en het gezichtje weggedoken onder een vrij grooten hoed—op ’t punt om in te stappen, kwam plotseling ’t dolle van haar tocht bij haar op. Ze had een aandrift om terug te gaan, weer[72]naar huis. Een onbestemde angst overviel haar voor ’t onbekende, ’t onzekere, ’t gewaagde van haar ondernemen. Wat dreef haar eigenlijk? Was ze gek? Gek!? Omdat ze zich de zekerheid wilde geven, dat hij haar bedroog, haar willens en wetens ellendig maakte? Haar minachtte om een ander! Om dienonna!
Met een driftigen stap ging Clarine naar een openstaanden coupé en stapte in.[73]