[Inhoud]VII.Een biecht zonder priester.De achtergeblevenen waren eenige oogenblikken onder den indruk; beiden zwegen. Cornelis was de eerste, die de stilte verbrak.»O Laura, wat vind ik dat naar voor je! Ik kan je niet zeggen, hoe naar ik ’t vind!” Zijn stem was nog beveriger dan anders.»Kom!” zei ’t jonge meisje, »maak je daar niet ongerust over. ’t Is niet erg hoor …”Haar vermoeden, dat er een geheim lag tusschen Cornelis en Clarine Dauteville, was thans schier zekerheid geworden. Zij had ondanks haar jeugd veel van ’t leven gezien, meer ondervonden, meer nagedacht dan menig jongmeisje van haar leeftijd. Haar werkkring ook had haar veel doen zien en opmerken, en haar ernstiger gemaakt dan ze wellicht in andere omstandigheden geweest zou zijn. Ze zag in Clarine een voorbeeld van uiterlijke beschaving zonder degelijke kern, zooals ze dat zoo vaak had waargenomen onder meisjes van haar stand; maar ze begreep ook, dat slechts een schok, een aandoening van hevigen aard kon bewerken, dat zulk een aan uiterlijke[86]»vormen” hechtend persoon zich zoo vergat, als Clarine gedaan had. Dat in verband met Cornelis’ ontroering, toen Clarine’s kaartje binnengebracht werd, en hij haar aarzelend meedeelde, dat ze in stilte verloofd waren, en eindelijk de vreemde afgetrokkenheid, ’t duidelijk sprekende verdriet van den jongen man, al de dagen van hun samenzijn, zoo gansch niet verklaarbaar uit zijn lichamelijken toestand, dat alles deed Laura de waarheid raden: dat meisje moest wel ongelukkig wezen! En diepe deernis vervulde haar.Iets in haar blik scheen haar gedachten te verraden. Cornelis bewoog zich onrustig in zijn bed. Wat kon hij tot verontschuldiging voor Clarine aanvoeren? Zij, Laura, mocht niets weten van al de ellende, die hem en ’t ongelukkige meisje vervulden. Wellicht vermoedde ze thans iets … waarom keek ze hem zoo vreemd aan, en was ze zoo lankmoedig na dien stortvloed van onverdienden smaad, dien Clarine haar naar ’t hoofd geslingerd had? Als ze vermoedens had, zou dat hun verhouding zeer onaangenaam kunnen maken. Ware ’t dan niet beter ronduit alles te zeggen? Laura was een goed en verstandig meisje, een vrouw in raad en oordeel. Ze was vroom en lankmoedig, belangstellend, zorgzaam, teeder zelfs. Hij mocht haar graag. Ze was als een zuster, ja beter dan menige zuster voor haar broeder. O, wat ’n zaligheid als hij zijn hart eindelijk eens uitstorten kon, en eens een woord kon[87]hooren uit een anderen mond dan dien zijns vaders, uit een lieven sympathieken mond! Zeker, ze zou niet hard zijn in haar oordeel. Ze zou hem steunen in zijn streven om alles goed te maken, zooveel dat nog mogelijk was; ze zou hem zeker vriendelijken raad geven …»Laura,” zei Cornelis op eens, en zijn bleeke wangen gloeiden. De toon van zijn stem trof de toegesprokene.»Kalm zijn, Kees!” antwoordde ze vermanend. Ze stond weer bij zijn bed, en ging zitten. »Laat toch deze zaak rusten. Ik weet, dat juffrouw Dauteville er niets van meent, geloof me. Kom, ik lach om de zaak … Denk toch aan je zelven, je windt je op en verergert maar je toestand …”»Dat kan me niet schelen!” riep de jonge man hevig. »Trouwens, ’t is beter, dat ik nu spreek, dan dat ik nog langer zwijg … Je moet weten, waarom dat arme kind zoo zenuwachtig en opvliegend was. Waarom ze zoo …”»Spreek in allen geval bedaard,” viel de ander in, wel beseffende, dat hier thans geen tegenhouden mogelijk was.»Kalm aan, en ik zal naar je luisteren. Anders, heusch hoor, laat ik je alleen …”»Goed, goed, ik zal bedaard zijn …” De bedreiging had inderdaad eenige uitwerking. Meer nog de waardige stille eenvoud der verpleegster, de voorbeeldige zelftucht, die uit heel haar wezen sprak.[88]Haar blik deed vaak meer dan kalmeerende middelen konden bereiken, haar woord kon gemoedsstormen doen bedaren.Cornelis zweeg even, en zuchtte diep. Hortend kwam er uit: »Ik kan ’t niet langer voor me houden! Clarine is ongelukkig. En … ik ben ’t ook!… ’t Is alles mijn schuld! Alles! Ik kan er nu niets aan doen. En ik zou toch graag alles goed maken … om haar! Ik vind het verschrikkelijk, dat ze me verdenkt …”Hij zweeg, en wendde het hoofd af. Laura zag niet, dat er tranen in zijn oogen stonden, en zijn lippen vast op elkaar gesloten waren.»En je houdt immers veel van haar?” vroeg het jonge meisje vriendelijk. Toch klonk die vraag hem, alsof er ironie in lag. Hij antwoordde niet dadelijk.»O, Laura!” riep hij eindelijk zich weer tot haar wendende. »Dat is juist wat me zoo ellendig maakt! Ik hôu niet … niet … meer van haar. Daar!’tIs er uit …”»Dat spijt me, Kees. Maar dat maakt toch geen verandering in je plannen? In allen geval ben je voornemens haar te trouwen!”»Natuurlijk …” In dat enkele woord lag een ontzaggelijke bitterheid. Zij keek hem aan en begreep hem.»Kan je vatten, hoe ik me er onder voelen moet?”Laura zweeg, en keek vóor zich. Haar gelaat teekende ernst en medelijden.[89]»Ik lig hier machteloos,” ging hij voort … »En toch … wil je gelooven, dat ik aanvechting voel, om me dood te wenschen, liever dan zoo’n huwelijk aan te gaan?!” Hij haalde diep adem, met een snikkend geluid, en wendde zich opnieuw van Laura af. Ze legde haar hand op zijn schouder.»Kom, Kees!” zei ze zacht.»’t Is hard voor je, zeker. Maar zulke gedachten moet je van je af zetten. Er is een belooning in ’t nakomen van een harde plicht. Je geweten zal je die belooning zeker geven. Die kaatst, moet de bal verwachten, dat moet je ook niet vergeten, Kees. Je moet nu eenmaal. Bid God om kracht, en wie weet, hoe alles nog anders uitvalt dan je nu denkt.”Cornelis keek somber vóor zich uit, strak, als wezenloos. De verpleegster ging voort:»Wie zegt je, of Clarine’s karakter niet nog veranderen zal? Het moederschap doet soms wonderen. Doe je plicht, en laat de rest in Gods handen, geloof me, Kees.”»Je hebt gelijk, je hebt gelijk,” mompelde Cornelis droomerig. Hij voelde een oneindige droefenis zijn gemoed overstroomen. En de stem, die tot hem gesproken had, klonk nog na in zijn ziel: hartelijk en teeder, onzeggelijk beminnelijk … Wat was Clarine bij dit eenvoudige lieve meisje! Wat een schril contrast van teugellooze hartstocht en heerlijke zelftucht! Dit meisje zou den man gelukkig maken, die waardig was haar tot vrouw te krijgen.[90]En te denken, dat hij wellicht die man had kunnen wezen, als hij niet zoo verblind was geweest, niet zoo’n ezel … Hij had Clarine niet lief, neen, duizendmaal neen. Maar zij hem dan? Juist haar hevig versmaden van zijn liefde getuigde van een grooten hartstocht. Of die ooit liefde geweest was of worden zou? Wat deed dat ertoe? Er was hier meer; er waren meer belangen in ’t spel dan ’t hare en ’t zijne: dat van hun kind, wanneer ’t ter wereld kwam …»Laura,” zei Cornelis op eens op heel anderen toon dan te voren, »’t is geen zonde, geen misdaad—nietwaar?—een meisje te trouwen, dat je niet lief hebt … in dit geval, bedoel ik?” Hij wilde de bevestiging van zijn eigen denkbeelden door haar hooren uitspreken: haar instemming zou hem kracht geven en wijding aan zijn streven.Met volle overtuiging antwoordde het jonge meisje: »Integendeel. Je moogt niet anders handelen. Ik weet wel, dat er veel menschen zijn, die er niet zoo over denken, en die me zelfs zouden uitlachen, als ze me hoorden spreken; maar ik vind, dat, als er zoo’n misstap begaan is, ’t huwelijk alleen de twee schuldigen tegenover hun geweten kan redden, zelfs al zijn er … geen gevolgen zooals in dit geval …”»Tegenover hun geweten … zeker,” mompelde Cornelis in gedachten verzonken »dat is ’t … ik haat dat «schijn redden”.—En als er een kind is?”»Dan … dan,” antwoordde Laura, vol vuur in[91]haar spreken, »houdt alle gedachte aan eigen belang op, en moeten beiden zich opofferen in ’t belang van het arme wezen, dat door hun schuld in de wereld komt …” Ze hield zich in: ’t was niet goed te veel hierover uit te weiden, Cornelis was al zenuwachtig.»Maar,” ging ze voort, »laten we niet verder daarover spreken. Je hebt je bekentenis gedaan, en voelt je nu opgelucht. Nog eens: blijf bij je goede voornemens, en vertrouw overigens op God …”Hij zocht haar hand, en drukte die innig. Zij trok haar hand terug.»Ga nu slapen. Je hebt je veel te veel opgewonden. Kom, ik ga wat lezen.”’t Jonge meisje stond op, wierp even een blik vol zorgzaamheid op den zieke, en begaf zich naar de tafel.Cornelis lag roerloos, met de oogen dicht. Hij dacht aan Laura’s woorden, zoo vol innige overtuiging. Hoe vreemd was ’t een jong meisje zóo te hooren spreken over zulk een onderwerp! En toch, hoe wonderlijk indrukwekkend klonk zulk een taal uit zulk een mond! Wie had ooit te voren tot hem zóo gesproken? De gangbare opvatting onder zijn standgenooten was immers, dat kuischheid voor een jongen man nu eenmaal onmogelijk was. En hij had ergens in een Fransch werkje gelezen, dat geen enkel groot man kuisch was. Hoe prachtig paste die opvatting in ’t kader van zijn levensfilosofie,[92]zooals ze drie maanden te voren nog was! Hoe lenigend en gewetensussend klonk ze voor den jongen man, die zich niet meer kuisch voelde. Kuisch! ’t Woord had iets belachelijks, iets dat naar den drogen zedemeester rook, die »’t leven” niet kende. Dat was zoo studentenopvatting. Salomo zelf was niet kuisch, en die was immers de wijze koning bij uitnemendheid? Alexander de Groote, Caesar, Lodewijk de Veertiende, Chateaubriand, Göthe, Shelley, Napoleon … voorbeelden te over: allen immers luchtig denkende over geslachtelijke liefde? O, hoe haatte hij thans die uitdenksels van verdwaalde hersenen! Neen, hoe grooter een mensch is, des te hooger zijn eischen aan zelftucht, des te strenger zijn kuischheidsbeginselen. Tegenover de voorbeelden van mannen met onreinen levenswandel stonden tal van anderen, die steeds ’t ideaal van zedelijkheid hoog gehouden hadden: een Cato, een Luther, een Grotius, een Spinoza, een Willem de Derde van Engeland, een Schiller, een Walter Scott, een Gladstone en wie niet al! En dan, wat de geschiedenis groot noemt, is nog niet altijd groot in den zin van hoogstaand in karakter, in verdiensten tegenover de gansche menschheid. Een veroveraar, al is hij een groot werktuig in Gods hand, is daarom nog niet zedelijk groot: Alexander van Macedonië stierf in een roes van beestachtigheid als erbarmelijke prooi zijner hartstochten. Lodewijk de Veertiende had[93]een walgelijken ouderdom. Napoleon had geen zielegrootheid genoeg, om de ballingschap gelaten en wijs te dragen: hij stierf na korte jaren. De werkelijk groote mannen, die veel gezondigd hadden op geslachtelijk gebied, waren groot ondanks die zonden, en hun verdiensten voor ’t alheil waren zoodanig, dat die zonden licht wogen tegen de som dier verdiensten …Disputen met zijn »contub” ter zake van dit voor jonge menschen zoo aantrekkelijk onderwerp kwamen Cornelis weer levendig vóor den geest: Frits Seeman was ’t zoo vaak oneens met hem geweest. Die hield vol, dat karaktergrootheid en kuischheid bijna altijd samen gingen. En Cornelis dacht thans ook aan ’t redenaarsgebaar, dat het kleine kereltje zoo grappig maakte, wanneer hij deed, alsof hij wees op de volken, die werkelijk groot waren, op de tegenwoordige macht van Duitschland, de kracht van ’t matige Oud-Holland in de dagen der Republiek, de zeeheerschappij van Engeland, den vooruitgang van Noord-Amerika en Canada, en dat alles tegenover het verval der Romaansche volken, die maar al te veel losse zeden dulden en zelfs verheerlijken.»Nee, m’n manneke,” riep de kleine Frits dan »’t is met de menschen net als met de volken: die zijn hartstochten beheerscht, is ook een heerscher op ander gebied. ’t Beginsel van alle wijsheid …”[94]»Is de vreeze des Heeren” viel Cornelis toen lachend in.»Zeker, als je ’t zoo noemen wil,” antwoordde de ander onverstoorbaar. »De vreeze Gods is evengoed ’t bevechten van kwade neigingen, ’t in-toom-houden van je dierlijke levensuitingen.”Cornelis glimlachte in zijn droefheid. ’t Beeld van den komisch ernstigen kleinen declamator rees hem zoo duidelijk vóor den geest, en ’t was of hij hem dat »dierlijke levensuitingen” nog hoorde zeggen. Wat had hij toen gelachen om de blijkbare voldoening, waarmee Fritsje dit deftige woord had uitgesproken! ’t Was zoo een van die standaarduitdrukkingen van den «jurist” Frits Seeman.Ja zeker, Frits had gelijk, stellig. En Laura ook. Hij was nu rustig en gelaten. En in een opwelling van erkentelijkheid voor ’t licht, dat thans zoo helder in zijn ziel scheen, bracht hij de handen bijeen, en bad.Een half uur later keek een donker oogenpaar om den hoek van ’t schut naar den zieke.»Goddank,” mompelde zij zacht en met voldoening. En kalm hervatte zij de lezing van Vondel’s Lucifer. Maar de lectuur boeide haar niet; haar gedachten bleven bij den zieke en de pijnlijke tooneelen, die ze dien avond bijgewoond had.[95]
[Inhoud]VII.Een biecht zonder priester.De achtergeblevenen waren eenige oogenblikken onder den indruk; beiden zwegen. Cornelis was de eerste, die de stilte verbrak.»O Laura, wat vind ik dat naar voor je! Ik kan je niet zeggen, hoe naar ik ’t vind!” Zijn stem was nog beveriger dan anders.»Kom!” zei ’t jonge meisje, »maak je daar niet ongerust over. ’t Is niet erg hoor …”Haar vermoeden, dat er een geheim lag tusschen Cornelis en Clarine Dauteville, was thans schier zekerheid geworden. Zij had ondanks haar jeugd veel van ’t leven gezien, meer ondervonden, meer nagedacht dan menig jongmeisje van haar leeftijd. Haar werkkring ook had haar veel doen zien en opmerken, en haar ernstiger gemaakt dan ze wellicht in andere omstandigheden geweest zou zijn. Ze zag in Clarine een voorbeeld van uiterlijke beschaving zonder degelijke kern, zooals ze dat zoo vaak had waargenomen onder meisjes van haar stand; maar ze begreep ook, dat slechts een schok, een aandoening van hevigen aard kon bewerken, dat zulk een aan uiterlijke[86]»vormen” hechtend persoon zich zoo vergat, als Clarine gedaan had. Dat in verband met Cornelis’ ontroering, toen Clarine’s kaartje binnengebracht werd, en hij haar aarzelend meedeelde, dat ze in stilte verloofd waren, en eindelijk de vreemde afgetrokkenheid, ’t duidelijk sprekende verdriet van den jongen man, al de dagen van hun samenzijn, zoo gansch niet verklaarbaar uit zijn lichamelijken toestand, dat alles deed Laura de waarheid raden: dat meisje moest wel ongelukkig wezen! En diepe deernis vervulde haar.Iets in haar blik scheen haar gedachten te verraden. Cornelis bewoog zich onrustig in zijn bed. Wat kon hij tot verontschuldiging voor Clarine aanvoeren? Zij, Laura, mocht niets weten van al de ellende, die hem en ’t ongelukkige meisje vervulden. Wellicht vermoedde ze thans iets … waarom keek ze hem zoo vreemd aan, en was ze zoo lankmoedig na dien stortvloed van onverdienden smaad, dien Clarine haar naar ’t hoofd geslingerd had? Als ze vermoedens had, zou dat hun verhouding zeer onaangenaam kunnen maken. Ware ’t dan niet beter ronduit alles te zeggen? Laura was een goed en verstandig meisje, een vrouw in raad en oordeel. Ze was vroom en lankmoedig, belangstellend, zorgzaam, teeder zelfs. Hij mocht haar graag. Ze was als een zuster, ja beter dan menige zuster voor haar broeder. O, wat ’n zaligheid als hij zijn hart eindelijk eens uitstorten kon, en eens een woord kon[87]hooren uit een anderen mond dan dien zijns vaders, uit een lieven sympathieken mond! Zeker, ze zou niet hard zijn in haar oordeel. Ze zou hem steunen in zijn streven om alles goed te maken, zooveel dat nog mogelijk was; ze zou hem zeker vriendelijken raad geven …»Laura,” zei Cornelis op eens, en zijn bleeke wangen gloeiden. De toon van zijn stem trof de toegesprokene.»Kalm zijn, Kees!” antwoordde ze vermanend. Ze stond weer bij zijn bed, en ging zitten. »Laat toch deze zaak rusten. Ik weet, dat juffrouw Dauteville er niets van meent, geloof me. Kom, ik lach om de zaak … Denk toch aan je zelven, je windt je op en verergert maar je toestand …”»Dat kan me niet schelen!” riep de jonge man hevig. »Trouwens, ’t is beter, dat ik nu spreek, dan dat ik nog langer zwijg … Je moet weten, waarom dat arme kind zoo zenuwachtig en opvliegend was. Waarom ze zoo …”»Spreek in allen geval bedaard,” viel de ander in, wel beseffende, dat hier thans geen tegenhouden mogelijk was.»Kalm aan, en ik zal naar je luisteren. Anders, heusch hoor, laat ik je alleen …”»Goed, goed, ik zal bedaard zijn …” De bedreiging had inderdaad eenige uitwerking. Meer nog de waardige stille eenvoud der verpleegster, de voorbeeldige zelftucht, die uit heel haar wezen sprak.[88]Haar blik deed vaak meer dan kalmeerende middelen konden bereiken, haar woord kon gemoedsstormen doen bedaren.Cornelis zweeg even, en zuchtte diep. Hortend kwam er uit: »Ik kan ’t niet langer voor me houden! Clarine is ongelukkig. En … ik ben ’t ook!… ’t Is alles mijn schuld! Alles! Ik kan er nu niets aan doen. En ik zou toch graag alles goed maken … om haar! Ik vind het verschrikkelijk, dat ze me verdenkt …”Hij zweeg, en wendde het hoofd af. Laura zag niet, dat er tranen in zijn oogen stonden, en zijn lippen vast op elkaar gesloten waren.»En je houdt immers veel van haar?” vroeg het jonge meisje vriendelijk. Toch klonk die vraag hem, alsof er ironie in lag. Hij antwoordde niet dadelijk.»O, Laura!” riep hij eindelijk zich weer tot haar wendende. »Dat is juist wat me zoo ellendig maakt! Ik hôu niet … niet … meer van haar. Daar!’tIs er uit …”»Dat spijt me, Kees. Maar dat maakt toch geen verandering in je plannen? In allen geval ben je voornemens haar te trouwen!”»Natuurlijk …” In dat enkele woord lag een ontzaggelijke bitterheid. Zij keek hem aan en begreep hem.»Kan je vatten, hoe ik me er onder voelen moet?”Laura zweeg, en keek vóor zich. Haar gelaat teekende ernst en medelijden.[89]»Ik lig hier machteloos,” ging hij voort … »En toch … wil je gelooven, dat ik aanvechting voel, om me dood te wenschen, liever dan zoo’n huwelijk aan te gaan?!” Hij haalde diep adem, met een snikkend geluid, en wendde zich opnieuw van Laura af. Ze legde haar hand op zijn schouder.»Kom, Kees!” zei ze zacht.»’t Is hard voor je, zeker. Maar zulke gedachten moet je van je af zetten. Er is een belooning in ’t nakomen van een harde plicht. Je geweten zal je die belooning zeker geven. Die kaatst, moet de bal verwachten, dat moet je ook niet vergeten, Kees. Je moet nu eenmaal. Bid God om kracht, en wie weet, hoe alles nog anders uitvalt dan je nu denkt.”Cornelis keek somber vóor zich uit, strak, als wezenloos. De verpleegster ging voort:»Wie zegt je, of Clarine’s karakter niet nog veranderen zal? Het moederschap doet soms wonderen. Doe je plicht, en laat de rest in Gods handen, geloof me, Kees.”»Je hebt gelijk, je hebt gelijk,” mompelde Cornelis droomerig. Hij voelde een oneindige droefenis zijn gemoed overstroomen. En de stem, die tot hem gesproken had, klonk nog na in zijn ziel: hartelijk en teeder, onzeggelijk beminnelijk … Wat was Clarine bij dit eenvoudige lieve meisje! Wat een schril contrast van teugellooze hartstocht en heerlijke zelftucht! Dit meisje zou den man gelukkig maken, die waardig was haar tot vrouw te krijgen.[90]En te denken, dat hij wellicht die man had kunnen wezen, als hij niet zoo verblind was geweest, niet zoo’n ezel … Hij had Clarine niet lief, neen, duizendmaal neen. Maar zij hem dan? Juist haar hevig versmaden van zijn liefde getuigde van een grooten hartstocht. Of die ooit liefde geweest was of worden zou? Wat deed dat ertoe? Er was hier meer; er waren meer belangen in ’t spel dan ’t hare en ’t zijne: dat van hun kind, wanneer ’t ter wereld kwam …»Laura,” zei Cornelis op eens op heel anderen toon dan te voren, »’t is geen zonde, geen misdaad—nietwaar?—een meisje te trouwen, dat je niet lief hebt … in dit geval, bedoel ik?” Hij wilde de bevestiging van zijn eigen denkbeelden door haar hooren uitspreken: haar instemming zou hem kracht geven en wijding aan zijn streven.Met volle overtuiging antwoordde het jonge meisje: »Integendeel. Je moogt niet anders handelen. Ik weet wel, dat er veel menschen zijn, die er niet zoo over denken, en die me zelfs zouden uitlachen, als ze me hoorden spreken; maar ik vind, dat, als er zoo’n misstap begaan is, ’t huwelijk alleen de twee schuldigen tegenover hun geweten kan redden, zelfs al zijn er … geen gevolgen zooals in dit geval …”»Tegenover hun geweten … zeker,” mompelde Cornelis in gedachten verzonken »dat is ’t … ik haat dat «schijn redden”.—En als er een kind is?”»Dan … dan,” antwoordde Laura, vol vuur in[91]haar spreken, »houdt alle gedachte aan eigen belang op, en moeten beiden zich opofferen in ’t belang van het arme wezen, dat door hun schuld in de wereld komt …” Ze hield zich in: ’t was niet goed te veel hierover uit te weiden, Cornelis was al zenuwachtig.»Maar,” ging ze voort, »laten we niet verder daarover spreken. Je hebt je bekentenis gedaan, en voelt je nu opgelucht. Nog eens: blijf bij je goede voornemens, en vertrouw overigens op God …”Hij zocht haar hand, en drukte die innig. Zij trok haar hand terug.»Ga nu slapen. Je hebt je veel te veel opgewonden. Kom, ik ga wat lezen.”’t Jonge meisje stond op, wierp even een blik vol zorgzaamheid op den zieke, en begaf zich naar de tafel.Cornelis lag roerloos, met de oogen dicht. Hij dacht aan Laura’s woorden, zoo vol innige overtuiging. Hoe vreemd was ’t een jong meisje zóo te hooren spreken over zulk een onderwerp! En toch, hoe wonderlijk indrukwekkend klonk zulk een taal uit zulk een mond! Wie had ooit te voren tot hem zóo gesproken? De gangbare opvatting onder zijn standgenooten was immers, dat kuischheid voor een jongen man nu eenmaal onmogelijk was. En hij had ergens in een Fransch werkje gelezen, dat geen enkel groot man kuisch was. Hoe prachtig paste die opvatting in ’t kader van zijn levensfilosofie,[92]zooals ze drie maanden te voren nog was! Hoe lenigend en gewetensussend klonk ze voor den jongen man, die zich niet meer kuisch voelde. Kuisch! ’t Woord had iets belachelijks, iets dat naar den drogen zedemeester rook, die »’t leven” niet kende. Dat was zoo studentenopvatting. Salomo zelf was niet kuisch, en die was immers de wijze koning bij uitnemendheid? Alexander de Groote, Caesar, Lodewijk de Veertiende, Chateaubriand, Göthe, Shelley, Napoleon … voorbeelden te over: allen immers luchtig denkende over geslachtelijke liefde? O, hoe haatte hij thans die uitdenksels van verdwaalde hersenen! Neen, hoe grooter een mensch is, des te hooger zijn eischen aan zelftucht, des te strenger zijn kuischheidsbeginselen. Tegenover de voorbeelden van mannen met onreinen levenswandel stonden tal van anderen, die steeds ’t ideaal van zedelijkheid hoog gehouden hadden: een Cato, een Luther, een Grotius, een Spinoza, een Willem de Derde van Engeland, een Schiller, een Walter Scott, een Gladstone en wie niet al! En dan, wat de geschiedenis groot noemt, is nog niet altijd groot in den zin van hoogstaand in karakter, in verdiensten tegenover de gansche menschheid. Een veroveraar, al is hij een groot werktuig in Gods hand, is daarom nog niet zedelijk groot: Alexander van Macedonië stierf in een roes van beestachtigheid als erbarmelijke prooi zijner hartstochten. Lodewijk de Veertiende had[93]een walgelijken ouderdom. Napoleon had geen zielegrootheid genoeg, om de ballingschap gelaten en wijs te dragen: hij stierf na korte jaren. De werkelijk groote mannen, die veel gezondigd hadden op geslachtelijk gebied, waren groot ondanks die zonden, en hun verdiensten voor ’t alheil waren zoodanig, dat die zonden licht wogen tegen de som dier verdiensten …Disputen met zijn »contub” ter zake van dit voor jonge menschen zoo aantrekkelijk onderwerp kwamen Cornelis weer levendig vóor den geest: Frits Seeman was ’t zoo vaak oneens met hem geweest. Die hield vol, dat karaktergrootheid en kuischheid bijna altijd samen gingen. En Cornelis dacht thans ook aan ’t redenaarsgebaar, dat het kleine kereltje zoo grappig maakte, wanneer hij deed, alsof hij wees op de volken, die werkelijk groot waren, op de tegenwoordige macht van Duitschland, de kracht van ’t matige Oud-Holland in de dagen der Republiek, de zeeheerschappij van Engeland, den vooruitgang van Noord-Amerika en Canada, en dat alles tegenover het verval der Romaansche volken, die maar al te veel losse zeden dulden en zelfs verheerlijken.»Nee, m’n manneke,” riep de kleine Frits dan »’t is met de menschen net als met de volken: die zijn hartstochten beheerscht, is ook een heerscher op ander gebied. ’t Beginsel van alle wijsheid …”[94]»Is de vreeze des Heeren” viel Cornelis toen lachend in.»Zeker, als je ’t zoo noemen wil,” antwoordde de ander onverstoorbaar. »De vreeze Gods is evengoed ’t bevechten van kwade neigingen, ’t in-toom-houden van je dierlijke levensuitingen.”Cornelis glimlachte in zijn droefheid. ’t Beeld van den komisch ernstigen kleinen declamator rees hem zoo duidelijk vóor den geest, en ’t was of hij hem dat »dierlijke levensuitingen” nog hoorde zeggen. Wat had hij toen gelachen om de blijkbare voldoening, waarmee Fritsje dit deftige woord had uitgesproken! ’t Was zoo een van die standaarduitdrukkingen van den «jurist” Frits Seeman.Ja zeker, Frits had gelijk, stellig. En Laura ook. Hij was nu rustig en gelaten. En in een opwelling van erkentelijkheid voor ’t licht, dat thans zoo helder in zijn ziel scheen, bracht hij de handen bijeen, en bad.Een half uur later keek een donker oogenpaar om den hoek van ’t schut naar den zieke.»Goddank,” mompelde zij zacht en met voldoening. En kalm hervatte zij de lezing van Vondel’s Lucifer. Maar de lectuur boeide haar niet; haar gedachten bleven bij den zieke en de pijnlijke tooneelen, die ze dien avond bijgewoond had.[95]
VII.Een biecht zonder priester.
De achtergeblevenen waren eenige oogenblikken onder den indruk; beiden zwegen. Cornelis was de eerste, die de stilte verbrak.»O Laura, wat vind ik dat naar voor je! Ik kan je niet zeggen, hoe naar ik ’t vind!” Zijn stem was nog beveriger dan anders.»Kom!” zei ’t jonge meisje, »maak je daar niet ongerust over. ’t Is niet erg hoor …”Haar vermoeden, dat er een geheim lag tusschen Cornelis en Clarine Dauteville, was thans schier zekerheid geworden. Zij had ondanks haar jeugd veel van ’t leven gezien, meer ondervonden, meer nagedacht dan menig jongmeisje van haar leeftijd. Haar werkkring ook had haar veel doen zien en opmerken, en haar ernstiger gemaakt dan ze wellicht in andere omstandigheden geweest zou zijn. Ze zag in Clarine een voorbeeld van uiterlijke beschaving zonder degelijke kern, zooals ze dat zoo vaak had waargenomen onder meisjes van haar stand; maar ze begreep ook, dat slechts een schok, een aandoening van hevigen aard kon bewerken, dat zulk een aan uiterlijke[86]»vormen” hechtend persoon zich zoo vergat, als Clarine gedaan had. Dat in verband met Cornelis’ ontroering, toen Clarine’s kaartje binnengebracht werd, en hij haar aarzelend meedeelde, dat ze in stilte verloofd waren, en eindelijk de vreemde afgetrokkenheid, ’t duidelijk sprekende verdriet van den jongen man, al de dagen van hun samenzijn, zoo gansch niet verklaarbaar uit zijn lichamelijken toestand, dat alles deed Laura de waarheid raden: dat meisje moest wel ongelukkig wezen! En diepe deernis vervulde haar.Iets in haar blik scheen haar gedachten te verraden. Cornelis bewoog zich onrustig in zijn bed. Wat kon hij tot verontschuldiging voor Clarine aanvoeren? Zij, Laura, mocht niets weten van al de ellende, die hem en ’t ongelukkige meisje vervulden. Wellicht vermoedde ze thans iets … waarom keek ze hem zoo vreemd aan, en was ze zoo lankmoedig na dien stortvloed van onverdienden smaad, dien Clarine haar naar ’t hoofd geslingerd had? Als ze vermoedens had, zou dat hun verhouding zeer onaangenaam kunnen maken. Ware ’t dan niet beter ronduit alles te zeggen? Laura was een goed en verstandig meisje, een vrouw in raad en oordeel. Ze was vroom en lankmoedig, belangstellend, zorgzaam, teeder zelfs. Hij mocht haar graag. Ze was als een zuster, ja beter dan menige zuster voor haar broeder. O, wat ’n zaligheid als hij zijn hart eindelijk eens uitstorten kon, en eens een woord kon[87]hooren uit een anderen mond dan dien zijns vaders, uit een lieven sympathieken mond! Zeker, ze zou niet hard zijn in haar oordeel. Ze zou hem steunen in zijn streven om alles goed te maken, zooveel dat nog mogelijk was; ze zou hem zeker vriendelijken raad geven …»Laura,” zei Cornelis op eens, en zijn bleeke wangen gloeiden. De toon van zijn stem trof de toegesprokene.»Kalm zijn, Kees!” antwoordde ze vermanend. Ze stond weer bij zijn bed, en ging zitten. »Laat toch deze zaak rusten. Ik weet, dat juffrouw Dauteville er niets van meent, geloof me. Kom, ik lach om de zaak … Denk toch aan je zelven, je windt je op en verergert maar je toestand …”»Dat kan me niet schelen!” riep de jonge man hevig. »Trouwens, ’t is beter, dat ik nu spreek, dan dat ik nog langer zwijg … Je moet weten, waarom dat arme kind zoo zenuwachtig en opvliegend was. Waarom ze zoo …”»Spreek in allen geval bedaard,” viel de ander in, wel beseffende, dat hier thans geen tegenhouden mogelijk was.»Kalm aan, en ik zal naar je luisteren. Anders, heusch hoor, laat ik je alleen …”»Goed, goed, ik zal bedaard zijn …” De bedreiging had inderdaad eenige uitwerking. Meer nog de waardige stille eenvoud der verpleegster, de voorbeeldige zelftucht, die uit heel haar wezen sprak.[88]Haar blik deed vaak meer dan kalmeerende middelen konden bereiken, haar woord kon gemoedsstormen doen bedaren.Cornelis zweeg even, en zuchtte diep. Hortend kwam er uit: »Ik kan ’t niet langer voor me houden! Clarine is ongelukkig. En … ik ben ’t ook!… ’t Is alles mijn schuld! Alles! Ik kan er nu niets aan doen. En ik zou toch graag alles goed maken … om haar! Ik vind het verschrikkelijk, dat ze me verdenkt …”Hij zweeg, en wendde het hoofd af. Laura zag niet, dat er tranen in zijn oogen stonden, en zijn lippen vast op elkaar gesloten waren.»En je houdt immers veel van haar?” vroeg het jonge meisje vriendelijk. Toch klonk die vraag hem, alsof er ironie in lag. Hij antwoordde niet dadelijk.»O, Laura!” riep hij eindelijk zich weer tot haar wendende. »Dat is juist wat me zoo ellendig maakt! Ik hôu niet … niet … meer van haar. Daar!’tIs er uit …”»Dat spijt me, Kees. Maar dat maakt toch geen verandering in je plannen? In allen geval ben je voornemens haar te trouwen!”»Natuurlijk …” In dat enkele woord lag een ontzaggelijke bitterheid. Zij keek hem aan en begreep hem.»Kan je vatten, hoe ik me er onder voelen moet?”Laura zweeg, en keek vóor zich. Haar gelaat teekende ernst en medelijden.[89]»Ik lig hier machteloos,” ging hij voort … »En toch … wil je gelooven, dat ik aanvechting voel, om me dood te wenschen, liever dan zoo’n huwelijk aan te gaan?!” Hij haalde diep adem, met een snikkend geluid, en wendde zich opnieuw van Laura af. Ze legde haar hand op zijn schouder.»Kom, Kees!” zei ze zacht.»’t Is hard voor je, zeker. Maar zulke gedachten moet je van je af zetten. Er is een belooning in ’t nakomen van een harde plicht. Je geweten zal je die belooning zeker geven. Die kaatst, moet de bal verwachten, dat moet je ook niet vergeten, Kees. Je moet nu eenmaal. Bid God om kracht, en wie weet, hoe alles nog anders uitvalt dan je nu denkt.”Cornelis keek somber vóor zich uit, strak, als wezenloos. De verpleegster ging voort:»Wie zegt je, of Clarine’s karakter niet nog veranderen zal? Het moederschap doet soms wonderen. Doe je plicht, en laat de rest in Gods handen, geloof me, Kees.”»Je hebt gelijk, je hebt gelijk,” mompelde Cornelis droomerig. Hij voelde een oneindige droefenis zijn gemoed overstroomen. En de stem, die tot hem gesproken had, klonk nog na in zijn ziel: hartelijk en teeder, onzeggelijk beminnelijk … Wat was Clarine bij dit eenvoudige lieve meisje! Wat een schril contrast van teugellooze hartstocht en heerlijke zelftucht! Dit meisje zou den man gelukkig maken, die waardig was haar tot vrouw te krijgen.[90]En te denken, dat hij wellicht die man had kunnen wezen, als hij niet zoo verblind was geweest, niet zoo’n ezel … Hij had Clarine niet lief, neen, duizendmaal neen. Maar zij hem dan? Juist haar hevig versmaden van zijn liefde getuigde van een grooten hartstocht. Of die ooit liefde geweest was of worden zou? Wat deed dat ertoe? Er was hier meer; er waren meer belangen in ’t spel dan ’t hare en ’t zijne: dat van hun kind, wanneer ’t ter wereld kwam …»Laura,” zei Cornelis op eens op heel anderen toon dan te voren, »’t is geen zonde, geen misdaad—nietwaar?—een meisje te trouwen, dat je niet lief hebt … in dit geval, bedoel ik?” Hij wilde de bevestiging van zijn eigen denkbeelden door haar hooren uitspreken: haar instemming zou hem kracht geven en wijding aan zijn streven.Met volle overtuiging antwoordde het jonge meisje: »Integendeel. Je moogt niet anders handelen. Ik weet wel, dat er veel menschen zijn, die er niet zoo over denken, en die me zelfs zouden uitlachen, als ze me hoorden spreken; maar ik vind, dat, als er zoo’n misstap begaan is, ’t huwelijk alleen de twee schuldigen tegenover hun geweten kan redden, zelfs al zijn er … geen gevolgen zooals in dit geval …”»Tegenover hun geweten … zeker,” mompelde Cornelis in gedachten verzonken »dat is ’t … ik haat dat «schijn redden”.—En als er een kind is?”»Dan … dan,” antwoordde Laura, vol vuur in[91]haar spreken, »houdt alle gedachte aan eigen belang op, en moeten beiden zich opofferen in ’t belang van het arme wezen, dat door hun schuld in de wereld komt …” Ze hield zich in: ’t was niet goed te veel hierover uit te weiden, Cornelis was al zenuwachtig.»Maar,” ging ze voort, »laten we niet verder daarover spreken. Je hebt je bekentenis gedaan, en voelt je nu opgelucht. Nog eens: blijf bij je goede voornemens, en vertrouw overigens op God …”Hij zocht haar hand, en drukte die innig. Zij trok haar hand terug.»Ga nu slapen. Je hebt je veel te veel opgewonden. Kom, ik ga wat lezen.”’t Jonge meisje stond op, wierp even een blik vol zorgzaamheid op den zieke, en begaf zich naar de tafel.Cornelis lag roerloos, met de oogen dicht. Hij dacht aan Laura’s woorden, zoo vol innige overtuiging. Hoe vreemd was ’t een jong meisje zóo te hooren spreken over zulk een onderwerp! En toch, hoe wonderlijk indrukwekkend klonk zulk een taal uit zulk een mond! Wie had ooit te voren tot hem zóo gesproken? De gangbare opvatting onder zijn standgenooten was immers, dat kuischheid voor een jongen man nu eenmaal onmogelijk was. En hij had ergens in een Fransch werkje gelezen, dat geen enkel groot man kuisch was. Hoe prachtig paste die opvatting in ’t kader van zijn levensfilosofie,[92]zooals ze drie maanden te voren nog was! Hoe lenigend en gewetensussend klonk ze voor den jongen man, die zich niet meer kuisch voelde. Kuisch! ’t Woord had iets belachelijks, iets dat naar den drogen zedemeester rook, die »’t leven” niet kende. Dat was zoo studentenopvatting. Salomo zelf was niet kuisch, en die was immers de wijze koning bij uitnemendheid? Alexander de Groote, Caesar, Lodewijk de Veertiende, Chateaubriand, Göthe, Shelley, Napoleon … voorbeelden te over: allen immers luchtig denkende over geslachtelijke liefde? O, hoe haatte hij thans die uitdenksels van verdwaalde hersenen! Neen, hoe grooter een mensch is, des te hooger zijn eischen aan zelftucht, des te strenger zijn kuischheidsbeginselen. Tegenover de voorbeelden van mannen met onreinen levenswandel stonden tal van anderen, die steeds ’t ideaal van zedelijkheid hoog gehouden hadden: een Cato, een Luther, een Grotius, een Spinoza, een Willem de Derde van Engeland, een Schiller, een Walter Scott, een Gladstone en wie niet al! En dan, wat de geschiedenis groot noemt, is nog niet altijd groot in den zin van hoogstaand in karakter, in verdiensten tegenover de gansche menschheid. Een veroveraar, al is hij een groot werktuig in Gods hand, is daarom nog niet zedelijk groot: Alexander van Macedonië stierf in een roes van beestachtigheid als erbarmelijke prooi zijner hartstochten. Lodewijk de Veertiende had[93]een walgelijken ouderdom. Napoleon had geen zielegrootheid genoeg, om de ballingschap gelaten en wijs te dragen: hij stierf na korte jaren. De werkelijk groote mannen, die veel gezondigd hadden op geslachtelijk gebied, waren groot ondanks die zonden, en hun verdiensten voor ’t alheil waren zoodanig, dat die zonden licht wogen tegen de som dier verdiensten …Disputen met zijn »contub” ter zake van dit voor jonge menschen zoo aantrekkelijk onderwerp kwamen Cornelis weer levendig vóor den geest: Frits Seeman was ’t zoo vaak oneens met hem geweest. Die hield vol, dat karaktergrootheid en kuischheid bijna altijd samen gingen. En Cornelis dacht thans ook aan ’t redenaarsgebaar, dat het kleine kereltje zoo grappig maakte, wanneer hij deed, alsof hij wees op de volken, die werkelijk groot waren, op de tegenwoordige macht van Duitschland, de kracht van ’t matige Oud-Holland in de dagen der Republiek, de zeeheerschappij van Engeland, den vooruitgang van Noord-Amerika en Canada, en dat alles tegenover het verval der Romaansche volken, die maar al te veel losse zeden dulden en zelfs verheerlijken.»Nee, m’n manneke,” riep de kleine Frits dan »’t is met de menschen net als met de volken: die zijn hartstochten beheerscht, is ook een heerscher op ander gebied. ’t Beginsel van alle wijsheid …”[94]»Is de vreeze des Heeren” viel Cornelis toen lachend in.»Zeker, als je ’t zoo noemen wil,” antwoordde de ander onverstoorbaar. »De vreeze Gods is evengoed ’t bevechten van kwade neigingen, ’t in-toom-houden van je dierlijke levensuitingen.”Cornelis glimlachte in zijn droefheid. ’t Beeld van den komisch ernstigen kleinen declamator rees hem zoo duidelijk vóor den geest, en ’t was of hij hem dat »dierlijke levensuitingen” nog hoorde zeggen. Wat had hij toen gelachen om de blijkbare voldoening, waarmee Fritsje dit deftige woord had uitgesproken! ’t Was zoo een van die standaarduitdrukkingen van den «jurist” Frits Seeman.Ja zeker, Frits had gelijk, stellig. En Laura ook. Hij was nu rustig en gelaten. En in een opwelling van erkentelijkheid voor ’t licht, dat thans zoo helder in zijn ziel scheen, bracht hij de handen bijeen, en bad.Een half uur later keek een donker oogenpaar om den hoek van ’t schut naar den zieke.»Goddank,” mompelde zij zacht en met voldoening. En kalm hervatte zij de lezing van Vondel’s Lucifer. Maar de lectuur boeide haar niet; haar gedachten bleven bij den zieke en de pijnlijke tooneelen, die ze dien avond bijgewoond had.[95]
De achtergeblevenen waren eenige oogenblikken onder den indruk; beiden zwegen. Cornelis was de eerste, die de stilte verbrak.
»O Laura, wat vind ik dat naar voor je! Ik kan je niet zeggen, hoe naar ik ’t vind!” Zijn stem was nog beveriger dan anders.
»Kom!” zei ’t jonge meisje, »maak je daar niet ongerust over. ’t Is niet erg hoor …”
Haar vermoeden, dat er een geheim lag tusschen Cornelis en Clarine Dauteville, was thans schier zekerheid geworden. Zij had ondanks haar jeugd veel van ’t leven gezien, meer ondervonden, meer nagedacht dan menig jongmeisje van haar leeftijd. Haar werkkring ook had haar veel doen zien en opmerken, en haar ernstiger gemaakt dan ze wellicht in andere omstandigheden geweest zou zijn. Ze zag in Clarine een voorbeeld van uiterlijke beschaving zonder degelijke kern, zooals ze dat zoo vaak had waargenomen onder meisjes van haar stand; maar ze begreep ook, dat slechts een schok, een aandoening van hevigen aard kon bewerken, dat zulk een aan uiterlijke[86]»vormen” hechtend persoon zich zoo vergat, als Clarine gedaan had. Dat in verband met Cornelis’ ontroering, toen Clarine’s kaartje binnengebracht werd, en hij haar aarzelend meedeelde, dat ze in stilte verloofd waren, en eindelijk de vreemde afgetrokkenheid, ’t duidelijk sprekende verdriet van den jongen man, al de dagen van hun samenzijn, zoo gansch niet verklaarbaar uit zijn lichamelijken toestand, dat alles deed Laura de waarheid raden: dat meisje moest wel ongelukkig wezen! En diepe deernis vervulde haar.
Iets in haar blik scheen haar gedachten te verraden. Cornelis bewoog zich onrustig in zijn bed. Wat kon hij tot verontschuldiging voor Clarine aanvoeren? Zij, Laura, mocht niets weten van al de ellende, die hem en ’t ongelukkige meisje vervulden. Wellicht vermoedde ze thans iets … waarom keek ze hem zoo vreemd aan, en was ze zoo lankmoedig na dien stortvloed van onverdienden smaad, dien Clarine haar naar ’t hoofd geslingerd had? Als ze vermoedens had, zou dat hun verhouding zeer onaangenaam kunnen maken. Ware ’t dan niet beter ronduit alles te zeggen? Laura was een goed en verstandig meisje, een vrouw in raad en oordeel. Ze was vroom en lankmoedig, belangstellend, zorgzaam, teeder zelfs. Hij mocht haar graag. Ze was als een zuster, ja beter dan menige zuster voor haar broeder. O, wat ’n zaligheid als hij zijn hart eindelijk eens uitstorten kon, en eens een woord kon[87]hooren uit een anderen mond dan dien zijns vaders, uit een lieven sympathieken mond! Zeker, ze zou niet hard zijn in haar oordeel. Ze zou hem steunen in zijn streven om alles goed te maken, zooveel dat nog mogelijk was; ze zou hem zeker vriendelijken raad geven …
»Laura,” zei Cornelis op eens, en zijn bleeke wangen gloeiden. De toon van zijn stem trof de toegesprokene.
»Kalm zijn, Kees!” antwoordde ze vermanend. Ze stond weer bij zijn bed, en ging zitten. »Laat toch deze zaak rusten. Ik weet, dat juffrouw Dauteville er niets van meent, geloof me. Kom, ik lach om de zaak … Denk toch aan je zelven, je windt je op en verergert maar je toestand …”
»Dat kan me niet schelen!” riep de jonge man hevig. »Trouwens, ’t is beter, dat ik nu spreek, dan dat ik nog langer zwijg … Je moet weten, waarom dat arme kind zoo zenuwachtig en opvliegend was. Waarom ze zoo …”
»Spreek in allen geval bedaard,” viel de ander in, wel beseffende, dat hier thans geen tegenhouden mogelijk was.
»Kalm aan, en ik zal naar je luisteren. Anders, heusch hoor, laat ik je alleen …”
»Goed, goed, ik zal bedaard zijn …” De bedreiging had inderdaad eenige uitwerking. Meer nog de waardige stille eenvoud der verpleegster, de voorbeeldige zelftucht, die uit heel haar wezen sprak.[88]Haar blik deed vaak meer dan kalmeerende middelen konden bereiken, haar woord kon gemoedsstormen doen bedaren.
Cornelis zweeg even, en zuchtte diep. Hortend kwam er uit: »Ik kan ’t niet langer voor me houden! Clarine is ongelukkig. En … ik ben ’t ook!… ’t Is alles mijn schuld! Alles! Ik kan er nu niets aan doen. En ik zou toch graag alles goed maken … om haar! Ik vind het verschrikkelijk, dat ze me verdenkt …”
Hij zweeg, en wendde het hoofd af. Laura zag niet, dat er tranen in zijn oogen stonden, en zijn lippen vast op elkaar gesloten waren.
»En je houdt immers veel van haar?” vroeg het jonge meisje vriendelijk. Toch klonk die vraag hem, alsof er ironie in lag. Hij antwoordde niet dadelijk.
»O, Laura!” riep hij eindelijk zich weer tot haar wendende. »Dat is juist wat me zoo ellendig maakt! Ik hôu niet … niet … meer van haar. Daar!’tIs er uit …”
»Dat spijt me, Kees. Maar dat maakt toch geen verandering in je plannen? In allen geval ben je voornemens haar te trouwen!”
»Natuurlijk …” In dat enkele woord lag een ontzaggelijke bitterheid. Zij keek hem aan en begreep hem.
»Kan je vatten, hoe ik me er onder voelen moet?”
Laura zweeg, en keek vóor zich. Haar gelaat teekende ernst en medelijden.[89]
»Ik lig hier machteloos,” ging hij voort … »En toch … wil je gelooven, dat ik aanvechting voel, om me dood te wenschen, liever dan zoo’n huwelijk aan te gaan?!” Hij haalde diep adem, met een snikkend geluid, en wendde zich opnieuw van Laura af. Ze legde haar hand op zijn schouder.
»Kom, Kees!” zei ze zacht.»’t Is hard voor je, zeker. Maar zulke gedachten moet je van je af zetten. Er is een belooning in ’t nakomen van een harde plicht. Je geweten zal je die belooning zeker geven. Die kaatst, moet de bal verwachten, dat moet je ook niet vergeten, Kees. Je moet nu eenmaal. Bid God om kracht, en wie weet, hoe alles nog anders uitvalt dan je nu denkt.”
Cornelis keek somber vóor zich uit, strak, als wezenloos. De verpleegster ging voort:
»Wie zegt je, of Clarine’s karakter niet nog veranderen zal? Het moederschap doet soms wonderen. Doe je plicht, en laat de rest in Gods handen, geloof me, Kees.”
»Je hebt gelijk, je hebt gelijk,” mompelde Cornelis droomerig. Hij voelde een oneindige droefenis zijn gemoed overstroomen. En de stem, die tot hem gesproken had, klonk nog na in zijn ziel: hartelijk en teeder, onzeggelijk beminnelijk … Wat was Clarine bij dit eenvoudige lieve meisje! Wat een schril contrast van teugellooze hartstocht en heerlijke zelftucht! Dit meisje zou den man gelukkig maken, die waardig was haar tot vrouw te krijgen.[90]En te denken, dat hij wellicht die man had kunnen wezen, als hij niet zoo verblind was geweest, niet zoo’n ezel … Hij had Clarine niet lief, neen, duizendmaal neen. Maar zij hem dan? Juist haar hevig versmaden van zijn liefde getuigde van een grooten hartstocht. Of die ooit liefde geweest was of worden zou? Wat deed dat ertoe? Er was hier meer; er waren meer belangen in ’t spel dan ’t hare en ’t zijne: dat van hun kind, wanneer ’t ter wereld kwam …
»Laura,” zei Cornelis op eens op heel anderen toon dan te voren, »’t is geen zonde, geen misdaad—nietwaar?—een meisje te trouwen, dat je niet lief hebt … in dit geval, bedoel ik?” Hij wilde de bevestiging van zijn eigen denkbeelden door haar hooren uitspreken: haar instemming zou hem kracht geven en wijding aan zijn streven.
Met volle overtuiging antwoordde het jonge meisje: »Integendeel. Je moogt niet anders handelen. Ik weet wel, dat er veel menschen zijn, die er niet zoo over denken, en die me zelfs zouden uitlachen, als ze me hoorden spreken; maar ik vind, dat, als er zoo’n misstap begaan is, ’t huwelijk alleen de twee schuldigen tegenover hun geweten kan redden, zelfs al zijn er … geen gevolgen zooals in dit geval …”
»Tegenover hun geweten … zeker,” mompelde Cornelis in gedachten verzonken »dat is ’t … ik haat dat «schijn redden”.—En als er een kind is?”
»Dan … dan,” antwoordde Laura, vol vuur in[91]haar spreken, »houdt alle gedachte aan eigen belang op, en moeten beiden zich opofferen in ’t belang van het arme wezen, dat door hun schuld in de wereld komt …” Ze hield zich in: ’t was niet goed te veel hierover uit te weiden, Cornelis was al zenuwachtig.»Maar,” ging ze voort, »laten we niet verder daarover spreken. Je hebt je bekentenis gedaan, en voelt je nu opgelucht. Nog eens: blijf bij je goede voornemens, en vertrouw overigens op God …”
Hij zocht haar hand, en drukte die innig. Zij trok haar hand terug.
»Ga nu slapen. Je hebt je veel te veel opgewonden. Kom, ik ga wat lezen.”
’t Jonge meisje stond op, wierp even een blik vol zorgzaamheid op den zieke, en begaf zich naar de tafel.
Cornelis lag roerloos, met de oogen dicht. Hij dacht aan Laura’s woorden, zoo vol innige overtuiging. Hoe vreemd was ’t een jong meisje zóo te hooren spreken over zulk een onderwerp! En toch, hoe wonderlijk indrukwekkend klonk zulk een taal uit zulk een mond! Wie had ooit te voren tot hem zóo gesproken? De gangbare opvatting onder zijn standgenooten was immers, dat kuischheid voor een jongen man nu eenmaal onmogelijk was. En hij had ergens in een Fransch werkje gelezen, dat geen enkel groot man kuisch was. Hoe prachtig paste die opvatting in ’t kader van zijn levensfilosofie,[92]zooals ze drie maanden te voren nog was! Hoe lenigend en gewetensussend klonk ze voor den jongen man, die zich niet meer kuisch voelde. Kuisch! ’t Woord had iets belachelijks, iets dat naar den drogen zedemeester rook, die »’t leven” niet kende. Dat was zoo studentenopvatting. Salomo zelf was niet kuisch, en die was immers de wijze koning bij uitnemendheid? Alexander de Groote, Caesar, Lodewijk de Veertiende, Chateaubriand, Göthe, Shelley, Napoleon … voorbeelden te over: allen immers luchtig denkende over geslachtelijke liefde? O, hoe haatte hij thans die uitdenksels van verdwaalde hersenen! Neen, hoe grooter een mensch is, des te hooger zijn eischen aan zelftucht, des te strenger zijn kuischheidsbeginselen. Tegenover de voorbeelden van mannen met onreinen levenswandel stonden tal van anderen, die steeds ’t ideaal van zedelijkheid hoog gehouden hadden: een Cato, een Luther, een Grotius, een Spinoza, een Willem de Derde van Engeland, een Schiller, een Walter Scott, een Gladstone en wie niet al! En dan, wat de geschiedenis groot noemt, is nog niet altijd groot in den zin van hoogstaand in karakter, in verdiensten tegenover de gansche menschheid. Een veroveraar, al is hij een groot werktuig in Gods hand, is daarom nog niet zedelijk groot: Alexander van Macedonië stierf in een roes van beestachtigheid als erbarmelijke prooi zijner hartstochten. Lodewijk de Veertiende had[93]een walgelijken ouderdom. Napoleon had geen zielegrootheid genoeg, om de ballingschap gelaten en wijs te dragen: hij stierf na korte jaren. De werkelijk groote mannen, die veel gezondigd hadden op geslachtelijk gebied, waren groot ondanks die zonden, en hun verdiensten voor ’t alheil waren zoodanig, dat die zonden licht wogen tegen de som dier verdiensten …
Disputen met zijn »contub” ter zake van dit voor jonge menschen zoo aantrekkelijk onderwerp kwamen Cornelis weer levendig vóor den geest: Frits Seeman was ’t zoo vaak oneens met hem geweest. Die hield vol, dat karaktergrootheid en kuischheid bijna altijd samen gingen. En Cornelis dacht thans ook aan ’t redenaarsgebaar, dat het kleine kereltje zoo grappig maakte, wanneer hij deed, alsof hij wees op de volken, die werkelijk groot waren, op de tegenwoordige macht van Duitschland, de kracht van ’t matige Oud-Holland in de dagen der Republiek, de zeeheerschappij van Engeland, den vooruitgang van Noord-Amerika en Canada, en dat alles tegenover het verval der Romaansche volken, die maar al te veel losse zeden dulden en zelfs verheerlijken.
»Nee, m’n manneke,” riep de kleine Frits dan »’t is met de menschen net als met de volken: die zijn hartstochten beheerscht, is ook een heerscher op ander gebied. ’t Beginsel van alle wijsheid …”[94]
»Is de vreeze des Heeren” viel Cornelis toen lachend in.
»Zeker, als je ’t zoo noemen wil,” antwoordde de ander onverstoorbaar. »De vreeze Gods is evengoed ’t bevechten van kwade neigingen, ’t in-toom-houden van je dierlijke levensuitingen.”
Cornelis glimlachte in zijn droefheid. ’t Beeld van den komisch ernstigen kleinen declamator rees hem zoo duidelijk vóor den geest, en ’t was of hij hem dat »dierlijke levensuitingen” nog hoorde zeggen. Wat had hij toen gelachen om de blijkbare voldoening, waarmee Fritsje dit deftige woord had uitgesproken! ’t Was zoo een van die standaarduitdrukkingen van den «jurist” Frits Seeman.
Ja zeker, Frits had gelijk, stellig. En Laura ook. Hij was nu rustig en gelaten. En in een opwelling van erkentelijkheid voor ’t licht, dat thans zoo helder in zijn ziel scheen, bracht hij de handen bijeen, en bad.
Een half uur later keek een donker oogenpaar om den hoek van ’t schut naar den zieke.
»Goddank,” mompelde zij zacht en met voldoening. En kalm hervatte zij de lezing van Vondel’s Lucifer. Maar de lectuur boeide haar niet; haar gedachten bleven bij den zieke en de pijnlijke tooneelen, die ze dien avond bijgewoond had.[95]