XII.

[Inhoud]XII.Gewetensverbintenis.Leiden, 31 Mei 189 .Lieve Laura,Nog vol van ’t gebeurde in de laatste dagen schrijf ik u deze letteren. Ik voel behoefte als eertijds mijn hart te luchten, en u een biecht te doen van ’t geen ik geleden en gedacht heb.Ik heb u nooitwillenschrijven, juist omdat onze intieme verhouding van vroeger mij ertoe brengen zou, u openlijkalleste zeggen wat er in mij omging. En dat mòcht ik niet. Waarom, zult ge zeggen. Of hebt ge wellicht vermoed, dat slechts kieschheid mij weerhield? Dat ik nietwildezeggen wat u wellicht krenken kon in uw verheven opvatting van wat plicht is?Ik heb mijn plicht zoo duidelijk afgebakend vóor mij gezien, Laura, zoo wreed gebiedend in mijn ooren hooren klinken al deze eindelooze maanden! Ik heb mijn best gedaan, geloof me. Mijn leven is steeds vol geweest van ’t schuld- en plichtbesef, zooals gij mij dat hebt leeren kennen. De tijd van[173]lijden is nu voorbij. Zoo zegt mijn hart mij, en ik verheug me daarin.Zeg me, of ik mij verheugen mag, en toe màg geven aan dit smachten naar verlossing. Want ik ben niet gerust zoolang gij niet met mij instemt.Ik heb Clarine’s verblijfplaats ontdekt, door een toeval. Dadelijk ben ik er heen gegaan, bezield met de heiligste voornemens.O, geloof me, Laura, ik was oprecht, volkomen oprecht en vol moed. Ik heb Clarine gezien. Ze woont in een klein huis bij een bergdorp in de Ardennen met haar vader en haar kind. Welnu, ik ben haar daar overvallen, vreezende, dat ze mij misschien vermijden zou, als ik haar vooruit van mijn komst verwittigde. Ik heb gesmeekt en gebeden, om mij in genade aan te nemen, om der wille van ons kind, en dat terwijl ik mijn afkeer voor haar voelde razen in mijn binnenste. Ze heeft me gehoond, en is woedend van me heengegaan. Ik stond verplet. Ik kòn haar niet terugroepen. Ze zou zich niet aan me gestoord hebben, me misschien met geweld belet hebben, verder een woord met haar te spreken. Zulk een vrouw is tot alles in staat. Ze is jaloersch tot krankzinnig wordens toe. Op u!Ik kòn niet meer, ik wilde niet meer mezelven vernederen, Laura. Wat ze mij in mijn gezicht geslingerd had, was te onwaardig. Ik wil ’t u niet zeggen, omdat die taal te onheilig, te vuil en te[174]laag was. Gij zijt te rein. En ik wàlg er van. Ik wil die ijselijke woorden niet herhalen.Ik ben teruggegaan zonder mijn kind gezien te hebben. Ik weet, dat het leeft, en moet veronderstellen, dat het gezond is naar ’t geen Clarine zeide. Ze houdt hartstochtelijk veel van ’t ventje. Ik geloof ’t, en toch beklaag ik ’t wicht. ’t Zal hem stoffelijk wel aan niets ontbreken: de oude Dauteville is immers rijk. Maar overigens …Wat kan ìk verder voor haar en haar kind doen? Zeg me, dat mijn plicht volbracht is. Ik sta immers machteloos tegenover zulk een krankzinnige koppigheid, zulk een bespottelijken trots? En gesteld zelfs, dat ik haar, ondanks alles, nog kon overhalen, wat dan nòg? Liefde is van haar kant niet te verwachten. ’t Is belachelijk eraan te denken. En wat een huwelijk zou er uit worden! Wat een lot voor haar, voor haar kind en voor mij! Zou ’t voor éen van ons beter zijn? Onmogelijk. Er zou oneenigheid zijn van den eersten dag af, en welk een opvoeding zou dat wezen voor ons kind! Ze zou me immers beletten, het aan andere handen toe te vertrouwen, als ik ’t aan die verderfelijke omgeving wilde onttrekken. En zelfs een engel zou niet in staat zijn, in vrede te leven met zulk een vrouw. Ik zou gek worden of bezwijken, als ik me dagelijks zulk een bovenmenschelijk zelfbedwang moest opleggen.Maak me gelukkig met de bevestiging van mijn[175]nog weifelende overtuiging. Ik heb mezelve zoo lang gewantrouwd, dat ik niet gelooven kan zonder ’t besef van medegeloof.Ik zal er niet minder boetvaardig om wezen, Laura. Ik zal boeten, mijn gansche leven door. Maar ’t zal een boete zijn, die mijn evenmensch ten goede komt. Dat is immers de eenige vorm van boete, die God welbehagelijk kan wezen?Ik zal me blijven wijden aan ernstige studie—geen boekenstudie alleen, maar die van ’t leven en de maatschappij. Ik zal ’t goede betrachten zooveel ik kan, en God dienen in daadwerkelijken dienst. Ik zal woekeren met de rijke gaven, die Hij me geschonken heeft, en misschien vind ik ten slotte voldoening.Maar geef me den steun van uw instemming, uw vriendschap. O, mocht ik eenmaal waardig wezen, om op meer dan die vriendschap te hopen!”Cornelis had zoover geschreven. Hij hield op, staarde naar boven, zuchtte, en schreef vlug:Uw vriendKees.Toen hij tien minuten later vóor de brievenbus stond, aarzelde hij. Er kwam iemand voorbij—een late wandelaar in de donkere straat, diep in zijn jas gedoken tegen den nachtwind, handen in[176]den zak, schouders hoog opgetrokken, en stok recht uitstekend naar boven, gedachteloos neuriënd:Mijn hartje gaat van rikketikketik …’t Was een jeugdige muzenzoon op weg naar »de kroeg.” Hij wierp een vluchtigen blik op de gestalte bij de brievenbus, en ’t was Cornelis, alsof het volgende versregeltje:Wat zal er nu gebeuren?met bizonderen nadruk werd gezongen, als sloeg het op zijn weifelende houding.De brief gleed naar binnen, en tikte tegen ’t blik van de bus.Cornelis zuchtte voor de zooveelste maal dien avond, en spoedde zich naar huis.Zijn geluk zou nu beslist worden; want zeker zou Laura hem gelijk geven, en dan was ’t andere—de geheime hoop van zijn hart—een kwestie van tijd. Ze hield van hem als vriendin, daar was hij zeker van, ze zou hem achten om zijn mannelijk streven; ze zou hem ook liefhebben, en hem ’t hoogste geluk geven, waaraan hij nu vrij denken mocht …Hij bleef drie dagen in spanning, en zelden nog werd zijn zelf bedwang zóo op de proef gesteld als toen. Hij was een ander mensch. Zonder gewetenskwelling zich te vermeien in gedachten aan Laura was geheel nieuw. En toch was er nog schuchterheid, een telkens terugkeerende vrees voor ’t antwoord, dat hij van haar wachtte. En die vrees[177]overviel hem te midden van zijn werk. Hij werkte veel meer nog dan anders, maar bereikte minder. Nauwelijks waagde hij ’t uit te gaan; want hij wilde den verwachten brief dadelijk na aankomst lezen.Cornelis had vaste studie-uren, en hij had zich vast voorgenomen, dat niets hem dan van zijn taak mocht afhouden. In den morgen, na de ochtendwandeling, zat hij om negen uur trouw aan zijn werk, en dit duurde voort tot twaalf. In den namiddag ging hij uit, of bleef thuis, al naar hij ’t noodig achtte: steeds vond hij bezigheid. En ’s avonds woonde hij vergaderingen bij, hield voordrachten, of bezocht zijn vriend Steenkamp.Toen Laura’s antwoord op een ochtend kwam, was hij juist aan zijn morgentaak begonnen. De post was een kwartier te laat dien morgen. Hij hoorde de bel en ’t eigenaardig dichtkleppen van ’t brievenkastje aan zijn voordeur. Een oogenblik later tikte ’t dienstmeisje.»Binnen!”»’n Brief, meheer!”»Leg maar neer, daar op tafel.” Cornelis liet ’t meisje heengaan, en greep naar den brief.»Nee,” mompelde hij, en leî hem weer neer. Hij dacht aan zijn taak en zijn vast besluit er niet van af te wijken. Werkelijk bleef de brief ongeopend, ’t eerst volgend kwartier ongeveer. Toen werd ’t hem te machtig.[178]»Och kom, ik ben zot,” zeî hij bij zichzelven, »alsof ik niet straks een kwartiertje kan inhalen!”’t Envelop vloog in drie stukken over ’t tapijt. Hij wierp zich achterover in zijn schrijfstoel, dat de schroef kraakte. Dan veranderde zijn houding allengs: ’t hoofd ging voorover, de eene hand werd tot steun er tegen aan gelegd, toen de andere: hij zat nu voorover met de ellebogen op de knieën, over den brief gebogen. Deze lag nu op de schrijftafel. Zoo bleef hij eenige minuten zitten, zonder beweging. Plotseling sprong hij op, en begon op en neer te stappen, met gefronste wenkbrauwen, steeds vóor zich neer kijkend.Hij was alleen thuis. De colleges van zekeren professor, die hij vroeger geregeld »liep,” woonde hij sedert zijn terugkeer uit Delmond niet meer bij. Frits Seemans bleef hem trouw; want de professor was bekend als lastig op ’t examen—»’t doctoraal”—en daarom woonden velen zijn voordrachten bij. Nu Cornelis ’t woord »studie” meer in de etymologische beteekenis—van ernstig streven—opvatte, stoorde hij zich bitter weinig aan wat »men” gewoonlijk deed of liet in zake studeeren. Hij vond dien hooggeleerde aartsvervelend—een ijdelen mooiprater, anders niet—en hij kon zijn tijd beter gebruiken. Hij verzuimde dus zonder eenigen schroom de colleges, waar hij voor zijn doel niets of weinig aan had, en bezocht alleen die, waar hij wat meende te leeren. Hij maakte nu een onderscheid[179]tusschen dezen en genen onder de hoogwaardigheidsbekleders der wetenschap: de ernstige mannen, voor wie wetenschap en leven ten nauwste samenhingen—hun woord leefde en deed leven—de naïeve kamergeleerden—dor en vervelend, en gedoemd tot onvruchtbaarheid—en de verwaande mooipraters—de kwakzalvers der wetenschap. Vroeger waren ’t altemaal »proffen” voor hem, »afdraaien” van een quantum wetenschap per uur.Cornelis stapte gedurig op en neer. Eindelijk scheen hij zich te bezinnen, opende de deur, nam zijn hoed van den ijzeren standaard in de gang, en ging de straat op.De brief, welks inhoud hem, schier woord voor woord, door ’t hoofd spookte, op zijn wandeling langs Leiden’s buitensingels, was van dezen inhoud:Utrecht, 2 Juni 189 .Waarde Kees,Uw hartelijke brief heeft mij verheugd en bedroefd tevens. Ik zag er uit, hoe gij nog steeds dezelfdevriendschapvoor mij voelt als in de dagen van ons samenzijn, en natuurlijk deed mij dat genoegen; want ook mijnerzijds is de vriendschap niet verkoeld. Ik stel veel belang in uw wedervaren, en ’t vertrouwen, dat gij in mij stelt, weet ik te waardeeren.Ik voel dan ook diep, dat gij van Clarine zulk een krenkende bejegening ondervonden hebt. ’t Is mij volkomen begrijpelijk, dat gij na zulk een optreden[180]in opstand zijt gekomen tegen uw voornemens, om—’t kostte wat het wilde—uw verhouding tot Clarine zoo goed mogelijk te regelen. Ik geloof zelfs, dat de meeste mannen in uw plaats minder zelfbedwang en zelfverloochening zouden getoond hebben. Toch kan ik uw besluit, om verder geheel van haar af te zien, niet billijken. Gij weet niet wat de Voorzienigheid in deze nog beschikken kan, hoe zij Clarine’s hart nog tot inkeer kan brengen. Werk dus, en hoop en wacht af. Gij moogt u niet onttrekken aan de plichten, waartoe gij nog eenmaal geroepen kunt worden, in weerwil van alles. Zij en haar kind kunnen vroeg of laat een beroep doen op uw rechtvaardigheidsbesef.Ik lijk wel een harde zedemeester. Maar, geloof mij, waarde vriend, niets dan mijn oprechte overtuiging geeft mij deze woorden in de pen. Ik moet u raden, nu gij mij ronduit vraagt, hoe ik over uw handelwijze denk.’t Is hard voor u, dat begrijp ik ten volle; maar als mijn vriendschap u wat waard is—en ik weet immers, dat gij die op prijs stelt—laat u dan raden. Ik ben uw oudere zuster als vroeger. Ik kan niet anders voor u wezen. Wij hebben elk onzen plicht, en diemoetonze wegen vaneen houden, al gaan mijn gebeden en beste wenschen ook met u. God sterke u.Steeds uw vriendin,Laura.[181]Leiden’s singels hebben een groot voordeel voor wandelaars in een gemoedstoestand als Cornelis Udoma nadat hij ’t belangrijk epistel ontvangen had: ze zijn eentonig, en de weg erlangs »wijst zich van zelf.” Geen plotseling zich ontrollend grootsch natuurtafereel ontrukt den peinzende aan zijn overdenkingen, den droomer aan zijn droomen, geen afwisseling van schaduw en licht, van drukte en eenzaamheid doet hem opkijken en zijn aandacht van doel veranderen, geen verbijsterende drie- of viersprongen doen hem stilstaan, om zich te bezinnen en uitsluitend aan de vraag te denken: waar moet ik nu heen? Neen, men blijft de heele wandeling over, van begin- tot eindpunt, of eigenlijk steeds door, als men wil,—want men gaat in een kring—inzichzelfgekeerd als een Indische fakir.Zoo ook nu, en Cornelis ondervond er den weldadigen invloed van. Toen hij kwam op ’t punt, waar hij vandaan gekomen was, had de hevige beroering in zijn zinnen en voelen tijd gehad wat te bedaren. Hij kon ten minste weer geregeld denken: ’t was of de verwarde dooreenbruisende denkmassa’s zich afgescheiden hadden in duidelijk waarneembare onderdeelen.En met de bedaring kwam eigenlijk de ware pijn. ’t Was er mee als met een hevige lichamelijke aandoening, zóo hevig en plotseling, dat het een poos duurt, voordat men er ’t eigenlijke besef van heeft.[182]Hij zag nu ook, helder afgeteekend in zijn brein, de hoofdgedachte van den brief:Gij weet niet wat de Voorzienigheid in deze nog beschikken kan. En ’t gebod »werk dus, en hoop en wacht af” had de plechtigheid van een godswoord voor hem. Zijn ziel was er door bevangen, ’t Was zóo en niet anders. Hij huiverde, en boog ’t hoofd in ootmoed.Thuisgekomen—’t was half elf, en Frits nog niet terug—ging hij naar zijn slaapkamer, zette zich op een stoel, als wist hij niet wat hij deed. Zijn blik dwaalde mat langs den wand, en viel op ’t zoet gelaat der »Mater Dolorosa” van Dolci.Hij stond op, en ging weer naar de kamer, waar zijn schrijftafel stond—in de andere vóor stond die van zijn contubernaal—en waar hij gewoonlijk studeerde. En onderweg mompelde hij: »als een zuster … niet anders … als een zuster …”Hij greep een boek, ’t zelfde waarin hij dien morgen gelezen had, met woest ongeduldig gebaar, en zette zich tot lezen.Doch plotseling liet hij ’t hoofd voorover zinken, en barstte in schokkend snikken uit.’t Waren maar enkele oogenblikken. Hij bedwong zich, en ergerde zich over zichzelven; zijn ziel kromp ineen onder den geeselslag zijner zelftucht.Hij zag zijn geluk—of datgene wat hij ervoor hield—dat hij zoo nabij, zoo voor ’t grijpen geacht had, onverbiddelijk van zich heengaan. Haar weg en de zijne voerden in verschillende richting.[183]Hij zou dan tot eenzaamheid gedoemd zijn, zijn heele verdere leven … of op een goeden dag zijn lot moeten verbinden aan dat van een karakterlooze vrouw. O, dat zou een hel zijn in dit leven, dat wist hij zeker: Hij kon zich van Clarine niet voorstellen, dat ze ooit veranderen zou. En dat zwaard van Damokles zou hem steeds boven ’t hoofd hangen; die dreigende onweerswolk zou steeds haar schaduw werpen op al zijn denken en streven! En toch geloofde Laura aan inkeer …Een ondeelbaar oogenblik flitste de gedachte door zijn brein: zou zij, Laura, wel zoo hard, zoo veeleischend wezen, als ze hem liefhad zooals hij haar? Maar neen, Laura zou in alle omstandigheden zoo gesproken hebben. Waarom niet even goed verondersteld, dat zij zich thans geweld aandeed, dat zij inderdaad hem liefhad; maar de stem van haar gemoed het zwijgen oplegde? Zeker, ze stond er hoog genoeg voor. En zoo geheel onwaardig was hij niet …Hij zou werken, hopen en afwachten, zeker. En eenzaam zijn … Laura was de eenige vrouw, die hij ooit liefgehad had. Dat zou zoo blijven. Huwelijksgeluk op andere wijze dan door en met haar kwam hem onmogelijk voor, al ware ’t ook, dat zijn geweten hem eenmaal vrij liet.»Dwaas, dweper, Don Quichot!” riep een stem in hem. »Je leven te vergooien om een misstap in je jonge jaren! Wat een boetedoeners in de wereld,[184]als al je standgenooten, die iets dergelijks op hun kerfstok hebben—er zijn er immers ettelijke zoo—er even zoo streng over dachten als jij! Die storen er zich immers geen zier aan, vooral niet als de medeplichtige uit een minderen stand is …”’t Mocht wezen! Hij zou niet handelen als die anderen. Die anderen moesten hun gedrag maar tegenover eigen geweten weten te verantwoorden, zijn zonde en schuldbesef werden niet gebaat door anderer onverschilligheid.»Zoo, kereltje! Erg verdiept in je studie?”Fritsje’s vroolijke stem ontrukte Cornelis aan zijn gemijmer. Hij had den ander niet hooren binnenkomen, ofschoon hij vlak bij de deur zat, waardoor zijn contubernaal de kamer was ingegaan.Cornelis keerde zich om—hij had met de hand onder ’t hoofd gezeten, half van de deur afgewend—en wierp een verwarden blik op Fritsje’s klein pieterig baardeloos gezichtje, met de guitige oogjes, de nauwelijks zichtbare witte wenkbrauwen, ’t wipneusje, ’t breede ironische »aandachtsstreepje” als mond daaronder, de groote leelijke ooren, en ’t geel-witte haar, als een kroonlijstje boven den gevelmuur van zijn hoofd.Hij schoot in een dwazen lach.Fritsje trok een ernstig gezicht, zijn »diplomatengezicht,” zooals de ander het noemde. Fritsje had groote plannen, en zijn vriend plaagde hem er wel eens mee: hij woû in de diplomatie. Fortuin, een[185]jonkerstiteltje van ’15 en een heldere kop vormden zijn beginkapitaal—velen beginnen met minder. Maar Fritsje’s uiterlijk was lang niet indrukwekkend, vond Cornelis.Dat hij nu zijn diplomatengezicht trok, was, omdat hij Cornelis vreemd vond, onrustbarend vreemd. Hij keek zoo gek uit zijn oogen, en zag zoo bleek. En Fritsje schudde ernstig ’t hoofd.»Nog altijd die ouwe geschiedenis?” vroeg hij belangstellend, en kwam bij Cornelis staan. Deze knikte, en mompelde bijna onverstaanbaar:»Natuurlijk …”»Nee,nietnatuurlijk! Neem me niet kwalijk, hoor: ik vind, dat dat krankzinnigewerk wordt … hoogstonnatuurlijk vind ik het.”»En kun je niet begrijpen, dat ik me ongelukkig voel, omdat ik … mijn heele … levensgeluk naar de maan moet gooien om … haar?”Cornelis stond nu tegenover zijn vriend, met de handen diep in zijn zakken, zijn eenen voet iets vooruit, het hoofd wat achterover.»’t Is je eigen wil!” zei Frits schouderophalend.»Mijn eigen wil, goed; maar ook die van een ander …” Cornelis wendde ’t hoofd af.»Van een ander? En stoor jij je daaraan?” En Frits riep, als ging hem een licht op, met half dichtgeknepen oogjes den ander aanziend:»O zoo, die juffrouw Van Keulen bedoel je! Zoo[186]zoo, kereltje, ben je verliefd? Waarom me dat niet eerder gezegd?”Cornelis kleurde.»Om de eenvoudige reden, dat ’t nergens toe dienen zou, of jij ’t al wist. Maar … ik ben niet verliefd: ik hoû van ’t meisje, en dat is heel wat anders. Ik stel haar ontzaggelijk hoog …”Er was een vochtige glans in Cornelis’ oogen. Hij ging eenige schreden de kamer in.Frits zweeg een oogenblik.»En wil zij hebben, dat je.., hm … voortgaat met jeen disponibilitéte houden tegenover die Clarine, als een gezant buiten functie tegenover Hare Majesteit?”»Ze gelooft vast, dat zoo iets mijn plicht is,” zei Cornelis somber: Fritsje’s geestigheden hadden in den laatsten tijd maar zeer weinig bijval. »En ik ben ’t met haar eens,” liet Cornelis volgen. Zijn stem klonk bitter. Hij stond weer in dezelfde houding als een oogenblik te voren, ditmaal half van zijn contubernaal afgekeerd, de handen in de zakken, strak starend, en sprekend op een toon.»Dat meisje houdt niet van je, Kees,” zei Fritsje plechtig.»’t Kan wel …” Cornelis haalde zijn schouders op, en keek nog steeds zijn vriend niet aan. »En toch … dat weet ik niet, daar! Ze is zoo bizonder, zoo heel anders dan gewone meisjes van ’t alledaagsche soort …”[187]»Hm, ik zie ’t al. Dan is ze geëxalteerd: een van die hoogvliegende, sekselooze wezens … van de vrouwenbeweging.”Frits was een groot bewonderaar van vrouwelijk schoon en wat hijzelf »zoo’n beetje artistiekerigheid” noemde. Sedert dat hij eenige dames ontmoet had, die voor de vrouwenbeweging ijverden met kortgeknipt haar, een leelijk gezicht, dat vreeselijk boos keek, en overigens lang geen »artistiekerig” voorkomen, meende Fritsje als zooveel anderen, datalde strijdsters voor vrouwenrechtenper sezoo afschrikwekkend moesten wezen.Cornelis was niet zoo bevooroordeeld.»Zeg nu niet je gewone dwaasheden, Frits,” zei hij kregelig. »Laura van Keulen is een meisje, dat ik bizonder hoog acht. Dat heb ik je al eens gezegd.”»Nu goed, acht haar hoog, en heb haar lief, dat kan niets geen kwaad. Ze zal wel bijdraaien. Let op mijn woorden.”»Je kent haar niet!”»Ik zeg je: wacht af. Die andere laat niets meer van zich hooren, en die hoogernstige juffrouw zal zich nog wel bedenken. Laat ’t een jaar duren, desnoods twee. Ze draait bij …”»Och kom!” Cornelis was ongeduldig. De losse quasi-deftige toon van zijn contub beviel hem niet best. ’t Speet hem eigenlijk, dat hij over die zaak gesproken had.[188]»In allengeval geeft ’t je niets, of je al treurt, en er je zelf naar om maakt …”»’t Is ook zoo: ’t geeft: me niets … ’t geeft me niets …” antwoordde Cornelis droomerig. Daarop plotseling van houding veranderend, keek hij naar buiten. De glazen deuren, die op een verandaatje uitkwamen, stonden open. De zon scheen vroolijk naar binnen, spelend met de ranken klimop, die het uitbouwseltje langs latwerk omwonden.»Kom, zullen we weer ’s op de veranda koffiedrinken? Wat dunkt je?” Zijn toon was heel anders dan te voren.»Best,” zei Fritsje. Hij keek zijn vriend aan. Hij begreep hem tegenwoordig wel eens niet. Vreemd, en Fritsje had zoo’n geloof in zijn menschenkennis! Hij stond ’t dichtst bij ’t bellekoord, en belde om de meid.»Je doet raar, kereltje” dacht hij, maar zei niets. Hij zou nog wel gelegenheid hebben op te merken, dat zijn contub »raar” bleef doen, dat wil zeggen afweek van algemeen gangbare banale standsvooroordeelen. Cornelis leefde voor een idee. En de meeste menschen leven voor wat anders, hun buik bijvoorbeeld. Fritsje behoorde tot het betere soort banale menschen. Hij schudde meewarig ’t hoofd, en nam zich voor »niets meer te zeggen.” Gelukkig voor den ander wellicht.[189]

[Inhoud]XII.Gewetensverbintenis.Leiden, 31 Mei 189 .Lieve Laura,Nog vol van ’t gebeurde in de laatste dagen schrijf ik u deze letteren. Ik voel behoefte als eertijds mijn hart te luchten, en u een biecht te doen van ’t geen ik geleden en gedacht heb.Ik heb u nooitwillenschrijven, juist omdat onze intieme verhouding van vroeger mij ertoe brengen zou, u openlijkalleste zeggen wat er in mij omging. En dat mòcht ik niet. Waarom, zult ge zeggen. Of hebt ge wellicht vermoed, dat slechts kieschheid mij weerhield? Dat ik nietwildezeggen wat u wellicht krenken kon in uw verheven opvatting van wat plicht is?Ik heb mijn plicht zoo duidelijk afgebakend vóor mij gezien, Laura, zoo wreed gebiedend in mijn ooren hooren klinken al deze eindelooze maanden! Ik heb mijn best gedaan, geloof me. Mijn leven is steeds vol geweest van ’t schuld- en plichtbesef, zooals gij mij dat hebt leeren kennen. De tijd van[173]lijden is nu voorbij. Zoo zegt mijn hart mij, en ik verheug me daarin.Zeg me, of ik mij verheugen mag, en toe màg geven aan dit smachten naar verlossing. Want ik ben niet gerust zoolang gij niet met mij instemt.Ik heb Clarine’s verblijfplaats ontdekt, door een toeval. Dadelijk ben ik er heen gegaan, bezield met de heiligste voornemens.O, geloof me, Laura, ik was oprecht, volkomen oprecht en vol moed. Ik heb Clarine gezien. Ze woont in een klein huis bij een bergdorp in de Ardennen met haar vader en haar kind. Welnu, ik ben haar daar overvallen, vreezende, dat ze mij misschien vermijden zou, als ik haar vooruit van mijn komst verwittigde. Ik heb gesmeekt en gebeden, om mij in genade aan te nemen, om der wille van ons kind, en dat terwijl ik mijn afkeer voor haar voelde razen in mijn binnenste. Ze heeft me gehoond, en is woedend van me heengegaan. Ik stond verplet. Ik kòn haar niet terugroepen. Ze zou zich niet aan me gestoord hebben, me misschien met geweld belet hebben, verder een woord met haar te spreken. Zulk een vrouw is tot alles in staat. Ze is jaloersch tot krankzinnig wordens toe. Op u!Ik kòn niet meer, ik wilde niet meer mezelven vernederen, Laura. Wat ze mij in mijn gezicht geslingerd had, was te onwaardig. Ik wil ’t u niet zeggen, omdat die taal te onheilig, te vuil en te[174]laag was. Gij zijt te rein. En ik wàlg er van. Ik wil die ijselijke woorden niet herhalen.Ik ben teruggegaan zonder mijn kind gezien te hebben. Ik weet, dat het leeft, en moet veronderstellen, dat het gezond is naar ’t geen Clarine zeide. Ze houdt hartstochtelijk veel van ’t ventje. Ik geloof ’t, en toch beklaag ik ’t wicht. ’t Zal hem stoffelijk wel aan niets ontbreken: de oude Dauteville is immers rijk. Maar overigens …Wat kan ìk verder voor haar en haar kind doen? Zeg me, dat mijn plicht volbracht is. Ik sta immers machteloos tegenover zulk een krankzinnige koppigheid, zulk een bespottelijken trots? En gesteld zelfs, dat ik haar, ondanks alles, nog kon overhalen, wat dan nòg? Liefde is van haar kant niet te verwachten. ’t Is belachelijk eraan te denken. En wat een huwelijk zou er uit worden! Wat een lot voor haar, voor haar kind en voor mij! Zou ’t voor éen van ons beter zijn? Onmogelijk. Er zou oneenigheid zijn van den eersten dag af, en welk een opvoeding zou dat wezen voor ons kind! Ze zou me immers beletten, het aan andere handen toe te vertrouwen, als ik ’t aan die verderfelijke omgeving wilde onttrekken. En zelfs een engel zou niet in staat zijn, in vrede te leven met zulk een vrouw. Ik zou gek worden of bezwijken, als ik me dagelijks zulk een bovenmenschelijk zelfbedwang moest opleggen.Maak me gelukkig met de bevestiging van mijn[175]nog weifelende overtuiging. Ik heb mezelve zoo lang gewantrouwd, dat ik niet gelooven kan zonder ’t besef van medegeloof.Ik zal er niet minder boetvaardig om wezen, Laura. Ik zal boeten, mijn gansche leven door. Maar ’t zal een boete zijn, die mijn evenmensch ten goede komt. Dat is immers de eenige vorm van boete, die God welbehagelijk kan wezen?Ik zal me blijven wijden aan ernstige studie—geen boekenstudie alleen, maar die van ’t leven en de maatschappij. Ik zal ’t goede betrachten zooveel ik kan, en God dienen in daadwerkelijken dienst. Ik zal woekeren met de rijke gaven, die Hij me geschonken heeft, en misschien vind ik ten slotte voldoening.Maar geef me den steun van uw instemming, uw vriendschap. O, mocht ik eenmaal waardig wezen, om op meer dan die vriendschap te hopen!”Cornelis had zoover geschreven. Hij hield op, staarde naar boven, zuchtte, en schreef vlug:Uw vriendKees.Toen hij tien minuten later vóor de brievenbus stond, aarzelde hij. Er kwam iemand voorbij—een late wandelaar in de donkere straat, diep in zijn jas gedoken tegen den nachtwind, handen in[176]den zak, schouders hoog opgetrokken, en stok recht uitstekend naar boven, gedachteloos neuriënd:Mijn hartje gaat van rikketikketik …’t Was een jeugdige muzenzoon op weg naar »de kroeg.” Hij wierp een vluchtigen blik op de gestalte bij de brievenbus, en ’t was Cornelis, alsof het volgende versregeltje:Wat zal er nu gebeuren?met bizonderen nadruk werd gezongen, als sloeg het op zijn weifelende houding.De brief gleed naar binnen, en tikte tegen ’t blik van de bus.Cornelis zuchtte voor de zooveelste maal dien avond, en spoedde zich naar huis.Zijn geluk zou nu beslist worden; want zeker zou Laura hem gelijk geven, en dan was ’t andere—de geheime hoop van zijn hart—een kwestie van tijd. Ze hield van hem als vriendin, daar was hij zeker van, ze zou hem achten om zijn mannelijk streven; ze zou hem ook liefhebben, en hem ’t hoogste geluk geven, waaraan hij nu vrij denken mocht …Hij bleef drie dagen in spanning, en zelden nog werd zijn zelf bedwang zóo op de proef gesteld als toen. Hij was een ander mensch. Zonder gewetenskwelling zich te vermeien in gedachten aan Laura was geheel nieuw. En toch was er nog schuchterheid, een telkens terugkeerende vrees voor ’t antwoord, dat hij van haar wachtte. En die vrees[177]overviel hem te midden van zijn werk. Hij werkte veel meer nog dan anders, maar bereikte minder. Nauwelijks waagde hij ’t uit te gaan; want hij wilde den verwachten brief dadelijk na aankomst lezen.Cornelis had vaste studie-uren, en hij had zich vast voorgenomen, dat niets hem dan van zijn taak mocht afhouden. In den morgen, na de ochtendwandeling, zat hij om negen uur trouw aan zijn werk, en dit duurde voort tot twaalf. In den namiddag ging hij uit, of bleef thuis, al naar hij ’t noodig achtte: steeds vond hij bezigheid. En ’s avonds woonde hij vergaderingen bij, hield voordrachten, of bezocht zijn vriend Steenkamp.Toen Laura’s antwoord op een ochtend kwam, was hij juist aan zijn morgentaak begonnen. De post was een kwartier te laat dien morgen. Hij hoorde de bel en ’t eigenaardig dichtkleppen van ’t brievenkastje aan zijn voordeur. Een oogenblik later tikte ’t dienstmeisje.»Binnen!”»’n Brief, meheer!”»Leg maar neer, daar op tafel.” Cornelis liet ’t meisje heengaan, en greep naar den brief.»Nee,” mompelde hij, en leî hem weer neer. Hij dacht aan zijn taak en zijn vast besluit er niet van af te wijken. Werkelijk bleef de brief ongeopend, ’t eerst volgend kwartier ongeveer. Toen werd ’t hem te machtig.[178]»Och kom, ik ben zot,” zeî hij bij zichzelven, »alsof ik niet straks een kwartiertje kan inhalen!”’t Envelop vloog in drie stukken over ’t tapijt. Hij wierp zich achterover in zijn schrijfstoel, dat de schroef kraakte. Dan veranderde zijn houding allengs: ’t hoofd ging voorover, de eene hand werd tot steun er tegen aan gelegd, toen de andere: hij zat nu voorover met de ellebogen op de knieën, over den brief gebogen. Deze lag nu op de schrijftafel. Zoo bleef hij eenige minuten zitten, zonder beweging. Plotseling sprong hij op, en begon op en neer te stappen, met gefronste wenkbrauwen, steeds vóor zich neer kijkend.Hij was alleen thuis. De colleges van zekeren professor, die hij vroeger geregeld »liep,” woonde hij sedert zijn terugkeer uit Delmond niet meer bij. Frits Seemans bleef hem trouw; want de professor was bekend als lastig op ’t examen—»’t doctoraal”—en daarom woonden velen zijn voordrachten bij. Nu Cornelis ’t woord »studie” meer in de etymologische beteekenis—van ernstig streven—opvatte, stoorde hij zich bitter weinig aan wat »men” gewoonlijk deed of liet in zake studeeren. Hij vond dien hooggeleerde aartsvervelend—een ijdelen mooiprater, anders niet—en hij kon zijn tijd beter gebruiken. Hij verzuimde dus zonder eenigen schroom de colleges, waar hij voor zijn doel niets of weinig aan had, en bezocht alleen die, waar hij wat meende te leeren. Hij maakte nu een onderscheid[179]tusschen dezen en genen onder de hoogwaardigheidsbekleders der wetenschap: de ernstige mannen, voor wie wetenschap en leven ten nauwste samenhingen—hun woord leefde en deed leven—de naïeve kamergeleerden—dor en vervelend, en gedoemd tot onvruchtbaarheid—en de verwaande mooipraters—de kwakzalvers der wetenschap. Vroeger waren ’t altemaal »proffen” voor hem, »afdraaien” van een quantum wetenschap per uur.Cornelis stapte gedurig op en neer. Eindelijk scheen hij zich te bezinnen, opende de deur, nam zijn hoed van den ijzeren standaard in de gang, en ging de straat op.De brief, welks inhoud hem, schier woord voor woord, door ’t hoofd spookte, op zijn wandeling langs Leiden’s buitensingels, was van dezen inhoud:Utrecht, 2 Juni 189 .Waarde Kees,Uw hartelijke brief heeft mij verheugd en bedroefd tevens. Ik zag er uit, hoe gij nog steeds dezelfdevriendschapvoor mij voelt als in de dagen van ons samenzijn, en natuurlijk deed mij dat genoegen; want ook mijnerzijds is de vriendschap niet verkoeld. Ik stel veel belang in uw wedervaren, en ’t vertrouwen, dat gij in mij stelt, weet ik te waardeeren.Ik voel dan ook diep, dat gij van Clarine zulk een krenkende bejegening ondervonden hebt. ’t Is mij volkomen begrijpelijk, dat gij na zulk een optreden[180]in opstand zijt gekomen tegen uw voornemens, om—’t kostte wat het wilde—uw verhouding tot Clarine zoo goed mogelijk te regelen. Ik geloof zelfs, dat de meeste mannen in uw plaats minder zelfbedwang en zelfverloochening zouden getoond hebben. Toch kan ik uw besluit, om verder geheel van haar af te zien, niet billijken. Gij weet niet wat de Voorzienigheid in deze nog beschikken kan, hoe zij Clarine’s hart nog tot inkeer kan brengen. Werk dus, en hoop en wacht af. Gij moogt u niet onttrekken aan de plichten, waartoe gij nog eenmaal geroepen kunt worden, in weerwil van alles. Zij en haar kind kunnen vroeg of laat een beroep doen op uw rechtvaardigheidsbesef.Ik lijk wel een harde zedemeester. Maar, geloof mij, waarde vriend, niets dan mijn oprechte overtuiging geeft mij deze woorden in de pen. Ik moet u raden, nu gij mij ronduit vraagt, hoe ik over uw handelwijze denk.’t Is hard voor u, dat begrijp ik ten volle; maar als mijn vriendschap u wat waard is—en ik weet immers, dat gij die op prijs stelt—laat u dan raden. Ik ben uw oudere zuster als vroeger. Ik kan niet anders voor u wezen. Wij hebben elk onzen plicht, en diemoetonze wegen vaneen houden, al gaan mijn gebeden en beste wenschen ook met u. God sterke u.Steeds uw vriendin,Laura.[181]Leiden’s singels hebben een groot voordeel voor wandelaars in een gemoedstoestand als Cornelis Udoma nadat hij ’t belangrijk epistel ontvangen had: ze zijn eentonig, en de weg erlangs »wijst zich van zelf.” Geen plotseling zich ontrollend grootsch natuurtafereel ontrukt den peinzende aan zijn overdenkingen, den droomer aan zijn droomen, geen afwisseling van schaduw en licht, van drukte en eenzaamheid doet hem opkijken en zijn aandacht van doel veranderen, geen verbijsterende drie- of viersprongen doen hem stilstaan, om zich te bezinnen en uitsluitend aan de vraag te denken: waar moet ik nu heen? Neen, men blijft de heele wandeling over, van begin- tot eindpunt, of eigenlijk steeds door, als men wil,—want men gaat in een kring—inzichzelfgekeerd als een Indische fakir.Zoo ook nu, en Cornelis ondervond er den weldadigen invloed van. Toen hij kwam op ’t punt, waar hij vandaan gekomen was, had de hevige beroering in zijn zinnen en voelen tijd gehad wat te bedaren. Hij kon ten minste weer geregeld denken: ’t was of de verwarde dooreenbruisende denkmassa’s zich afgescheiden hadden in duidelijk waarneembare onderdeelen.En met de bedaring kwam eigenlijk de ware pijn. ’t Was er mee als met een hevige lichamelijke aandoening, zóo hevig en plotseling, dat het een poos duurt, voordat men er ’t eigenlijke besef van heeft.[182]Hij zag nu ook, helder afgeteekend in zijn brein, de hoofdgedachte van den brief:Gij weet niet wat de Voorzienigheid in deze nog beschikken kan. En ’t gebod »werk dus, en hoop en wacht af” had de plechtigheid van een godswoord voor hem. Zijn ziel was er door bevangen, ’t Was zóo en niet anders. Hij huiverde, en boog ’t hoofd in ootmoed.Thuisgekomen—’t was half elf, en Frits nog niet terug—ging hij naar zijn slaapkamer, zette zich op een stoel, als wist hij niet wat hij deed. Zijn blik dwaalde mat langs den wand, en viel op ’t zoet gelaat der »Mater Dolorosa” van Dolci.Hij stond op, en ging weer naar de kamer, waar zijn schrijftafel stond—in de andere vóor stond die van zijn contubernaal—en waar hij gewoonlijk studeerde. En onderweg mompelde hij: »als een zuster … niet anders … als een zuster …”Hij greep een boek, ’t zelfde waarin hij dien morgen gelezen had, met woest ongeduldig gebaar, en zette zich tot lezen.Doch plotseling liet hij ’t hoofd voorover zinken, en barstte in schokkend snikken uit.’t Waren maar enkele oogenblikken. Hij bedwong zich, en ergerde zich over zichzelven; zijn ziel kromp ineen onder den geeselslag zijner zelftucht.Hij zag zijn geluk—of datgene wat hij ervoor hield—dat hij zoo nabij, zoo voor ’t grijpen geacht had, onverbiddelijk van zich heengaan. Haar weg en de zijne voerden in verschillende richting.[183]Hij zou dan tot eenzaamheid gedoemd zijn, zijn heele verdere leven … of op een goeden dag zijn lot moeten verbinden aan dat van een karakterlooze vrouw. O, dat zou een hel zijn in dit leven, dat wist hij zeker: Hij kon zich van Clarine niet voorstellen, dat ze ooit veranderen zou. En dat zwaard van Damokles zou hem steeds boven ’t hoofd hangen; die dreigende onweerswolk zou steeds haar schaduw werpen op al zijn denken en streven! En toch geloofde Laura aan inkeer …Een ondeelbaar oogenblik flitste de gedachte door zijn brein: zou zij, Laura, wel zoo hard, zoo veeleischend wezen, als ze hem liefhad zooals hij haar? Maar neen, Laura zou in alle omstandigheden zoo gesproken hebben. Waarom niet even goed verondersteld, dat zij zich thans geweld aandeed, dat zij inderdaad hem liefhad; maar de stem van haar gemoed het zwijgen oplegde? Zeker, ze stond er hoog genoeg voor. En zoo geheel onwaardig was hij niet …Hij zou werken, hopen en afwachten, zeker. En eenzaam zijn … Laura was de eenige vrouw, die hij ooit liefgehad had. Dat zou zoo blijven. Huwelijksgeluk op andere wijze dan door en met haar kwam hem onmogelijk voor, al ware ’t ook, dat zijn geweten hem eenmaal vrij liet.»Dwaas, dweper, Don Quichot!” riep een stem in hem. »Je leven te vergooien om een misstap in je jonge jaren! Wat een boetedoeners in de wereld,[184]als al je standgenooten, die iets dergelijks op hun kerfstok hebben—er zijn er immers ettelijke zoo—er even zoo streng over dachten als jij! Die storen er zich immers geen zier aan, vooral niet als de medeplichtige uit een minderen stand is …”’t Mocht wezen! Hij zou niet handelen als die anderen. Die anderen moesten hun gedrag maar tegenover eigen geweten weten te verantwoorden, zijn zonde en schuldbesef werden niet gebaat door anderer onverschilligheid.»Zoo, kereltje! Erg verdiept in je studie?”Fritsje’s vroolijke stem ontrukte Cornelis aan zijn gemijmer. Hij had den ander niet hooren binnenkomen, ofschoon hij vlak bij de deur zat, waardoor zijn contubernaal de kamer was ingegaan.Cornelis keerde zich om—hij had met de hand onder ’t hoofd gezeten, half van de deur afgewend—en wierp een verwarden blik op Fritsje’s klein pieterig baardeloos gezichtje, met de guitige oogjes, de nauwelijks zichtbare witte wenkbrauwen, ’t wipneusje, ’t breede ironische »aandachtsstreepje” als mond daaronder, de groote leelijke ooren, en ’t geel-witte haar, als een kroonlijstje boven den gevelmuur van zijn hoofd.Hij schoot in een dwazen lach.Fritsje trok een ernstig gezicht, zijn »diplomatengezicht,” zooals de ander het noemde. Fritsje had groote plannen, en zijn vriend plaagde hem er wel eens mee: hij woû in de diplomatie. Fortuin, een[185]jonkerstiteltje van ’15 en een heldere kop vormden zijn beginkapitaal—velen beginnen met minder. Maar Fritsje’s uiterlijk was lang niet indrukwekkend, vond Cornelis.Dat hij nu zijn diplomatengezicht trok, was, omdat hij Cornelis vreemd vond, onrustbarend vreemd. Hij keek zoo gek uit zijn oogen, en zag zoo bleek. En Fritsje schudde ernstig ’t hoofd.»Nog altijd die ouwe geschiedenis?” vroeg hij belangstellend, en kwam bij Cornelis staan. Deze knikte, en mompelde bijna onverstaanbaar:»Natuurlijk …”»Nee,nietnatuurlijk! Neem me niet kwalijk, hoor: ik vind, dat dat krankzinnigewerk wordt … hoogstonnatuurlijk vind ik het.”»En kun je niet begrijpen, dat ik me ongelukkig voel, omdat ik … mijn heele … levensgeluk naar de maan moet gooien om … haar?”Cornelis stond nu tegenover zijn vriend, met de handen diep in zijn zakken, zijn eenen voet iets vooruit, het hoofd wat achterover.»’t Is je eigen wil!” zei Frits schouderophalend.»Mijn eigen wil, goed; maar ook die van een ander …” Cornelis wendde ’t hoofd af.»Van een ander? En stoor jij je daaraan?” En Frits riep, als ging hem een licht op, met half dichtgeknepen oogjes den ander aanziend:»O zoo, die juffrouw Van Keulen bedoel je! Zoo[186]zoo, kereltje, ben je verliefd? Waarom me dat niet eerder gezegd?”Cornelis kleurde.»Om de eenvoudige reden, dat ’t nergens toe dienen zou, of jij ’t al wist. Maar … ik ben niet verliefd: ik hoû van ’t meisje, en dat is heel wat anders. Ik stel haar ontzaggelijk hoog …”Er was een vochtige glans in Cornelis’ oogen. Hij ging eenige schreden de kamer in.Frits zweeg een oogenblik.»En wil zij hebben, dat je.., hm … voortgaat met jeen disponibilitéte houden tegenover die Clarine, als een gezant buiten functie tegenover Hare Majesteit?”»Ze gelooft vast, dat zoo iets mijn plicht is,” zei Cornelis somber: Fritsje’s geestigheden hadden in den laatsten tijd maar zeer weinig bijval. »En ik ben ’t met haar eens,” liet Cornelis volgen. Zijn stem klonk bitter. Hij stond weer in dezelfde houding als een oogenblik te voren, ditmaal half van zijn contubernaal afgekeerd, de handen in de zakken, strak starend, en sprekend op een toon.»Dat meisje houdt niet van je, Kees,” zei Fritsje plechtig.»’t Kan wel …” Cornelis haalde zijn schouders op, en keek nog steeds zijn vriend niet aan. »En toch … dat weet ik niet, daar! Ze is zoo bizonder, zoo heel anders dan gewone meisjes van ’t alledaagsche soort …”[187]»Hm, ik zie ’t al. Dan is ze geëxalteerd: een van die hoogvliegende, sekselooze wezens … van de vrouwenbeweging.”Frits was een groot bewonderaar van vrouwelijk schoon en wat hijzelf »zoo’n beetje artistiekerigheid” noemde. Sedert dat hij eenige dames ontmoet had, die voor de vrouwenbeweging ijverden met kortgeknipt haar, een leelijk gezicht, dat vreeselijk boos keek, en overigens lang geen »artistiekerig” voorkomen, meende Fritsje als zooveel anderen, datalde strijdsters voor vrouwenrechtenper sezoo afschrikwekkend moesten wezen.Cornelis was niet zoo bevooroordeeld.»Zeg nu niet je gewone dwaasheden, Frits,” zei hij kregelig. »Laura van Keulen is een meisje, dat ik bizonder hoog acht. Dat heb ik je al eens gezegd.”»Nu goed, acht haar hoog, en heb haar lief, dat kan niets geen kwaad. Ze zal wel bijdraaien. Let op mijn woorden.”»Je kent haar niet!”»Ik zeg je: wacht af. Die andere laat niets meer van zich hooren, en die hoogernstige juffrouw zal zich nog wel bedenken. Laat ’t een jaar duren, desnoods twee. Ze draait bij …”»Och kom!” Cornelis was ongeduldig. De losse quasi-deftige toon van zijn contub beviel hem niet best. ’t Speet hem eigenlijk, dat hij over die zaak gesproken had.[188]»In allengeval geeft ’t je niets, of je al treurt, en er je zelf naar om maakt …”»’t Is ook zoo: ’t geeft: me niets … ’t geeft me niets …” antwoordde Cornelis droomerig. Daarop plotseling van houding veranderend, keek hij naar buiten. De glazen deuren, die op een verandaatje uitkwamen, stonden open. De zon scheen vroolijk naar binnen, spelend met de ranken klimop, die het uitbouwseltje langs latwerk omwonden.»Kom, zullen we weer ’s op de veranda koffiedrinken? Wat dunkt je?” Zijn toon was heel anders dan te voren.»Best,” zei Fritsje. Hij keek zijn vriend aan. Hij begreep hem tegenwoordig wel eens niet. Vreemd, en Fritsje had zoo’n geloof in zijn menschenkennis! Hij stond ’t dichtst bij ’t bellekoord, en belde om de meid.»Je doet raar, kereltje” dacht hij, maar zei niets. Hij zou nog wel gelegenheid hebben op te merken, dat zijn contub »raar” bleef doen, dat wil zeggen afweek van algemeen gangbare banale standsvooroordeelen. Cornelis leefde voor een idee. En de meeste menschen leven voor wat anders, hun buik bijvoorbeeld. Fritsje behoorde tot het betere soort banale menschen. Hij schudde meewarig ’t hoofd, en nam zich voor »niets meer te zeggen.” Gelukkig voor den ander wellicht.[189]

XII.Gewetensverbintenis.Leiden, 31 Mei 189 .Lieve Laura,Nog vol van ’t gebeurde in de laatste dagen schrijf ik u deze letteren. Ik voel behoefte als eertijds mijn hart te luchten, en u een biecht te doen van ’t geen ik geleden en gedacht heb.Ik heb u nooitwillenschrijven, juist omdat onze intieme verhouding van vroeger mij ertoe brengen zou, u openlijkalleste zeggen wat er in mij omging. En dat mòcht ik niet. Waarom, zult ge zeggen. Of hebt ge wellicht vermoed, dat slechts kieschheid mij weerhield? Dat ik nietwildezeggen wat u wellicht krenken kon in uw verheven opvatting van wat plicht is?Ik heb mijn plicht zoo duidelijk afgebakend vóor mij gezien, Laura, zoo wreed gebiedend in mijn ooren hooren klinken al deze eindelooze maanden! Ik heb mijn best gedaan, geloof me. Mijn leven is steeds vol geweest van ’t schuld- en plichtbesef, zooals gij mij dat hebt leeren kennen. De tijd van[173]lijden is nu voorbij. Zoo zegt mijn hart mij, en ik verheug me daarin.Zeg me, of ik mij verheugen mag, en toe màg geven aan dit smachten naar verlossing. Want ik ben niet gerust zoolang gij niet met mij instemt.Ik heb Clarine’s verblijfplaats ontdekt, door een toeval. Dadelijk ben ik er heen gegaan, bezield met de heiligste voornemens.O, geloof me, Laura, ik was oprecht, volkomen oprecht en vol moed. Ik heb Clarine gezien. Ze woont in een klein huis bij een bergdorp in de Ardennen met haar vader en haar kind. Welnu, ik ben haar daar overvallen, vreezende, dat ze mij misschien vermijden zou, als ik haar vooruit van mijn komst verwittigde. Ik heb gesmeekt en gebeden, om mij in genade aan te nemen, om der wille van ons kind, en dat terwijl ik mijn afkeer voor haar voelde razen in mijn binnenste. Ze heeft me gehoond, en is woedend van me heengegaan. Ik stond verplet. Ik kòn haar niet terugroepen. Ze zou zich niet aan me gestoord hebben, me misschien met geweld belet hebben, verder een woord met haar te spreken. Zulk een vrouw is tot alles in staat. Ze is jaloersch tot krankzinnig wordens toe. Op u!Ik kòn niet meer, ik wilde niet meer mezelven vernederen, Laura. Wat ze mij in mijn gezicht geslingerd had, was te onwaardig. Ik wil ’t u niet zeggen, omdat die taal te onheilig, te vuil en te[174]laag was. Gij zijt te rein. En ik wàlg er van. Ik wil die ijselijke woorden niet herhalen.Ik ben teruggegaan zonder mijn kind gezien te hebben. Ik weet, dat het leeft, en moet veronderstellen, dat het gezond is naar ’t geen Clarine zeide. Ze houdt hartstochtelijk veel van ’t ventje. Ik geloof ’t, en toch beklaag ik ’t wicht. ’t Zal hem stoffelijk wel aan niets ontbreken: de oude Dauteville is immers rijk. Maar overigens …Wat kan ìk verder voor haar en haar kind doen? Zeg me, dat mijn plicht volbracht is. Ik sta immers machteloos tegenover zulk een krankzinnige koppigheid, zulk een bespottelijken trots? En gesteld zelfs, dat ik haar, ondanks alles, nog kon overhalen, wat dan nòg? Liefde is van haar kant niet te verwachten. ’t Is belachelijk eraan te denken. En wat een huwelijk zou er uit worden! Wat een lot voor haar, voor haar kind en voor mij! Zou ’t voor éen van ons beter zijn? Onmogelijk. Er zou oneenigheid zijn van den eersten dag af, en welk een opvoeding zou dat wezen voor ons kind! Ze zou me immers beletten, het aan andere handen toe te vertrouwen, als ik ’t aan die verderfelijke omgeving wilde onttrekken. En zelfs een engel zou niet in staat zijn, in vrede te leven met zulk een vrouw. Ik zou gek worden of bezwijken, als ik me dagelijks zulk een bovenmenschelijk zelfbedwang moest opleggen.Maak me gelukkig met de bevestiging van mijn[175]nog weifelende overtuiging. Ik heb mezelve zoo lang gewantrouwd, dat ik niet gelooven kan zonder ’t besef van medegeloof.Ik zal er niet minder boetvaardig om wezen, Laura. Ik zal boeten, mijn gansche leven door. Maar ’t zal een boete zijn, die mijn evenmensch ten goede komt. Dat is immers de eenige vorm van boete, die God welbehagelijk kan wezen?Ik zal me blijven wijden aan ernstige studie—geen boekenstudie alleen, maar die van ’t leven en de maatschappij. Ik zal ’t goede betrachten zooveel ik kan, en God dienen in daadwerkelijken dienst. Ik zal woekeren met de rijke gaven, die Hij me geschonken heeft, en misschien vind ik ten slotte voldoening.Maar geef me den steun van uw instemming, uw vriendschap. O, mocht ik eenmaal waardig wezen, om op meer dan die vriendschap te hopen!”

Leiden, 31 Mei 189 .Lieve Laura,Nog vol van ’t gebeurde in de laatste dagen schrijf ik u deze letteren. Ik voel behoefte als eertijds mijn hart te luchten, en u een biecht te doen van ’t geen ik geleden en gedacht heb.Ik heb u nooitwillenschrijven, juist omdat onze intieme verhouding van vroeger mij ertoe brengen zou, u openlijkalleste zeggen wat er in mij omging. En dat mòcht ik niet. Waarom, zult ge zeggen. Of hebt ge wellicht vermoed, dat slechts kieschheid mij weerhield? Dat ik nietwildezeggen wat u wellicht krenken kon in uw verheven opvatting van wat plicht is?Ik heb mijn plicht zoo duidelijk afgebakend vóor mij gezien, Laura, zoo wreed gebiedend in mijn ooren hooren klinken al deze eindelooze maanden! Ik heb mijn best gedaan, geloof me. Mijn leven is steeds vol geweest van ’t schuld- en plichtbesef, zooals gij mij dat hebt leeren kennen. De tijd van[173]lijden is nu voorbij. Zoo zegt mijn hart mij, en ik verheug me daarin.Zeg me, of ik mij verheugen mag, en toe màg geven aan dit smachten naar verlossing. Want ik ben niet gerust zoolang gij niet met mij instemt.Ik heb Clarine’s verblijfplaats ontdekt, door een toeval. Dadelijk ben ik er heen gegaan, bezield met de heiligste voornemens.O, geloof me, Laura, ik was oprecht, volkomen oprecht en vol moed. Ik heb Clarine gezien. Ze woont in een klein huis bij een bergdorp in de Ardennen met haar vader en haar kind. Welnu, ik ben haar daar overvallen, vreezende, dat ze mij misschien vermijden zou, als ik haar vooruit van mijn komst verwittigde. Ik heb gesmeekt en gebeden, om mij in genade aan te nemen, om der wille van ons kind, en dat terwijl ik mijn afkeer voor haar voelde razen in mijn binnenste. Ze heeft me gehoond, en is woedend van me heengegaan. Ik stond verplet. Ik kòn haar niet terugroepen. Ze zou zich niet aan me gestoord hebben, me misschien met geweld belet hebben, verder een woord met haar te spreken. Zulk een vrouw is tot alles in staat. Ze is jaloersch tot krankzinnig wordens toe. Op u!Ik kòn niet meer, ik wilde niet meer mezelven vernederen, Laura. Wat ze mij in mijn gezicht geslingerd had, was te onwaardig. Ik wil ’t u niet zeggen, omdat die taal te onheilig, te vuil en te[174]laag was. Gij zijt te rein. En ik wàlg er van. Ik wil die ijselijke woorden niet herhalen.Ik ben teruggegaan zonder mijn kind gezien te hebben. Ik weet, dat het leeft, en moet veronderstellen, dat het gezond is naar ’t geen Clarine zeide. Ze houdt hartstochtelijk veel van ’t ventje. Ik geloof ’t, en toch beklaag ik ’t wicht. ’t Zal hem stoffelijk wel aan niets ontbreken: de oude Dauteville is immers rijk. Maar overigens …Wat kan ìk verder voor haar en haar kind doen? Zeg me, dat mijn plicht volbracht is. Ik sta immers machteloos tegenover zulk een krankzinnige koppigheid, zulk een bespottelijken trots? En gesteld zelfs, dat ik haar, ondanks alles, nog kon overhalen, wat dan nòg? Liefde is van haar kant niet te verwachten. ’t Is belachelijk eraan te denken. En wat een huwelijk zou er uit worden! Wat een lot voor haar, voor haar kind en voor mij! Zou ’t voor éen van ons beter zijn? Onmogelijk. Er zou oneenigheid zijn van den eersten dag af, en welk een opvoeding zou dat wezen voor ons kind! Ze zou me immers beletten, het aan andere handen toe te vertrouwen, als ik ’t aan die verderfelijke omgeving wilde onttrekken. En zelfs een engel zou niet in staat zijn, in vrede te leven met zulk een vrouw. Ik zou gek worden of bezwijken, als ik me dagelijks zulk een bovenmenschelijk zelfbedwang moest opleggen.Maak me gelukkig met de bevestiging van mijn[175]nog weifelende overtuiging. Ik heb mezelve zoo lang gewantrouwd, dat ik niet gelooven kan zonder ’t besef van medegeloof.Ik zal er niet minder boetvaardig om wezen, Laura. Ik zal boeten, mijn gansche leven door. Maar ’t zal een boete zijn, die mijn evenmensch ten goede komt. Dat is immers de eenige vorm van boete, die God welbehagelijk kan wezen?Ik zal me blijven wijden aan ernstige studie—geen boekenstudie alleen, maar die van ’t leven en de maatschappij. Ik zal ’t goede betrachten zooveel ik kan, en God dienen in daadwerkelijken dienst. Ik zal woekeren met de rijke gaven, die Hij me geschonken heeft, en misschien vind ik ten slotte voldoening.Maar geef me den steun van uw instemming, uw vriendschap. O, mocht ik eenmaal waardig wezen, om op meer dan die vriendschap te hopen!”

Leiden, 31 Mei 189 .

Lieve Laura,

Nog vol van ’t gebeurde in de laatste dagen schrijf ik u deze letteren. Ik voel behoefte als eertijds mijn hart te luchten, en u een biecht te doen van ’t geen ik geleden en gedacht heb.

Ik heb u nooitwillenschrijven, juist omdat onze intieme verhouding van vroeger mij ertoe brengen zou, u openlijkalleste zeggen wat er in mij omging. En dat mòcht ik niet. Waarom, zult ge zeggen. Of hebt ge wellicht vermoed, dat slechts kieschheid mij weerhield? Dat ik nietwildezeggen wat u wellicht krenken kon in uw verheven opvatting van wat plicht is?

Ik heb mijn plicht zoo duidelijk afgebakend vóor mij gezien, Laura, zoo wreed gebiedend in mijn ooren hooren klinken al deze eindelooze maanden! Ik heb mijn best gedaan, geloof me. Mijn leven is steeds vol geweest van ’t schuld- en plichtbesef, zooals gij mij dat hebt leeren kennen. De tijd van[173]lijden is nu voorbij. Zoo zegt mijn hart mij, en ik verheug me daarin.

Zeg me, of ik mij verheugen mag, en toe màg geven aan dit smachten naar verlossing. Want ik ben niet gerust zoolang gij niet met mij instemt.

Ik heb Clarine’s verblijfplaats ontdekt, door een toeval. Dadelijk ben ik er heen gegaan, bezield met de heiligste voornemens.

O, geloof me, Laura, ik was oprecht, volkomen oprecht en vol moed. Ik heb Clarine gezien. Ze woont in een klein huis bij een bergdorp in de Ardennen met haar vader en haar kind. Welnu, ik ben haar daar overvallen, vreezende, dat ze mij misschien vermijden zou, als ik haar vooruit van mijn komst verwittigde. Ik heb gesmeekt en gebeden, om mij in genade aan te nemen, om der wille van ons kind, en dat terwijl ik mijn afkeer voor haar voelde razen in mijn binnenste. Ze heeft me gehoond, en is woedend van me heengegaan. Ik stond verplet. Ik kòn haar niet terugroepen. Ze zou zich niet aan me gestoord hebben, me misschien met geweld belet hebben, verder een woord met haar te spreken. Zulk een vrouw is tot alles in staat. Ze is jaloersch tot krankzinnig wordens toe. Op u!

Ik kòn niet meer, ik wilde niet meer mezelven vernederen, Laura. Wat ze mij in mijn gezicht geslingerd had, was te onwaardig. Ik wil ’t u niet zeggen, omdat die taal te onheilig, te vuil en te[174]laag was. Gij zijt te rein. En ik wàlg er van. Ik wil die ijselijke woorden niet herhalen.

Ik ben teruggegaan zonder mijn kind gezien te hebben. Ik weet, dat het leeft, en moet veronderstellen, dat het gezond is naar ’t geen Clarine zeide. Ze houdt hartstochtelijk veel van ’t ventje. Ik geloof ’t, en toch beklaag ik ’t wicht. ’t Zal hem stoffelijk wel aan niets ontbreken: de oude Dauteville is immers rijk. Maar overigens …

Wat kan ìk verder voor haar en haar kind doen? Zeg me, dat mijn plicht volbracht is. Ik sta immers machteloos tegenover zulk een krankzinnige koppigheid, zulk een bespottelijken trots? En gesteld zelfs, dat ik haar, ondanks alles, nog kon overhalen, wat dan nòg? Liefde is van haar kant niet te verwachten. ’t Is belachelijk eraan te denken. En wat een huwelijk zou er uit worden! Wat een lot voor haar, voor haar kind en voor mij! Zou ’t voor éen van ons beter zijn? Onmogelijk. Er zou oneenigheid zijn van den eersten dag af, en welk een opvoeding zou dat wezen voor ons kind! Ze zou me immers beletten, het aan andere handen toe te vertrouwen, als ik ’t aan die verderfelijke omgeving wilde onttrekken. En zelfs een engel zou niet in staat zijn, in vrede te leven met zulk een vrouw. Ik zou gek worden of bezwijken, als ik me dagelijks zulk een bovenmenschelijk zelfbedwang moest opleggen.

Maak me gelukkig met de bevestiging van mijn[175]nog weifelende overtuiging. Ik heb mezelve zoo lang gewantrouwd, dat ik niet gelooven kan zonder ’t besef van medegeloof.

Ik zal er niet minder boetvaardig om wezen, Laura. Ik zal boeten, mijn gansche leven door. Maar ’t zal een boete zijn, die mijn evenmensch ten goede komt. Dat is immers de eenige vorm van boete, die God welbehagelijk kan wezen?

Ik zal me blijven wijden aan ernstige studie—geen boekenstudie alleen, maar die van ’t leven en de maatschappij. Ik zal ’t goede betrachten zooveel ik kan, en God dienen in daadwerkelijken dienst. Ik zal woekeren met de rijke gaven, die Hij me geschonken heeft, en misschien vind ik ten slotte voldoening.

Maar geef me den steun van uw instemming, uw vriendschap. O, mocht ik eenmaal waardig wezen, om op meer dan die vriendschap te hopen!”

Cornelis had zoover geschreven. Hij hield op, staarde naar boven, zuchtte, en schreef vlug:Uw vriendKees.Toen hij tien minuten later vóor de brievenbus stond, aarzelde hij. Er kwam iemand voorbij—een late wandelaar in de donkere straat, diep in zijn jas gedoken tegen den nachtwind, handen in[176]den zak, schouders hoog opgetrokken, en stok recht uitstekend naar boven, gedachteloos neuriënd:Mijn hartje gaat van rikketikketik …’t Was een jeugdige muzenzoon op weg naar »de kroeg.” Hij wierp een vluchtigen blik op de gestalte bij de brievenbus, en ’t was Cornelis, alsof het volgende versregeltje:Wat zal er nu gebeuren?met bizonderen nadruk werd gezongen, als sloeg het op zijn weifelende houding.De brief gleed naar binnen, en tikte tegen ’t blik van de bus.Cornelis zuchtte voor de zooveelste maal dien avond, en spoedde zich naar huis.Zijn geluk zou nu beslist worden; want zeker zou Laura hem gelijk geven, en dan was ’t andere—de geheime hoop van zijn hart—een kwestie van tijd. Ze hield van hem als vriendin, daar was hij zeker van, ze zou hem achten om zijn mannelijk streven; ze zou hem ook liefhebben, en hem ’t hoogste geluk geven, waaraan hij nu vrij denken mocht …Hij bleef drie dagen in spanning, en zelden nog werd zijn zelf bedwang zóo op de proef gesteld als toen. Hij was een ander mensch. Zonder gewetenskwelling zich te vermeien in gedachten aan Laura was geheel nieuw. En toch was er nog schuchterheid, een telkens terugkeerende vrees voor ’t antwoord, dat hij van haar wachtte. En die vrees[177]overviel hem te midden van zijn werk. Hij werkte veel meer nog dan anders, maar bereikte minder. Nauwelijks waagde hij ’t uit te gaan; want hij wilde den verwachten brief dadelijk na aankomst lezen.Cornelis had vaste studie-uren, en hij had zich vast voorgenomen, dat niets hem dan van zijn taak mocht afhouden. In den morgen, na de ochtendwandeling, zat hij om negen uur trouw aan zijn werk, en dit duurde voort tot twaalf. In den namiddag ging hij uit, of bleef thuis, al naar hij ’t noodig achtte: steeds vond hij bezigheid. En ’s avonds woonde hij vergaderingen bij, hield voordrachten, of bezocht zijn vriend Steenkamp.Toen Laura’s antwoord op een ochtend kwam, was hij juist aan zijn morgentaak begonnen. De post was een kwartier te laat dien morgen. Hij hoorde de bel en ’t eigenaardig dichtkleppen van ’t brievenkastje aan zijn voordeur. Een oogenblik later tikte ’t dienstmeisje.»Binnen!”»’n Brief, meheer!”»Leg maar neer, daar op tafel.” Cornelis liet ’t meisje heengaan, en greep naar den brief.»Nee,” mompelde hij, en leî hem weer neer. Hij dacht aan zijn taak en zijn vast besluit er niet van af te wijken. Werkelijk bleef de brief ongeopend, ’t eerst volgend kwartier ongeveer. Toen werd ’t hem te machtig.[178]»Och kom, ik ben zot,” zeî hij bij zichzelven, »alsof ik niet straks een kwartiertje kan inhalen!”’t Envelop vloog in drie stukken over ’t tapijt. Hij wierp zich achterover in zijn schrijfstoel, dat de schroef kraakte. Dan veranderde zijn houding allengs: ’t hoofd ging voorover, de eene hand werd tot steun er tegen aan gelegd, toen de andere: hij zat nu voorover met de ellebogen op de knieën, over den brief gebogen. Deze lag nu op de schrijftafel. Zoo bleef hij eenige minuten zitten, zonder beweging. Plotseling sprong hij op, en begon op en neer te stappen, met gefronste wenkbrauwen, steeds vóor zich neer kijkend.Hij was alleen thuis. De colleges van zekeren professor, die hij vroeger geregeld »liep,” woonde hij sedert zijn terugkeer uit Delmond niet meer bij. Frits Seemans bleef hem trouw; want de professor was bekend als lastig op ’t examen—»’t doctoraal”—en daarom woonden velen zijn voordrachten bij. Nu Cornelis ’t woord »studie” meer in de etymologische beteekenis—van ernstig streven—opvatte, stoorde hij zich bitter weinig aan wat »men” gewoonlijk deed of liet in zake studeeren. Hij vond dien hooggeleerde aartsvervelend—een ijdelen mooiprater, anders niet—en hij kon zijn tijd beter gebruiken. Hij verzuimde dus zonder eenigen schroom de colleges, waar hij voor zijn doel niets of weinig aan had, en bezocht alleen die, waar hij wat meende te leeren. Hij maakte nu een onderscheid[179]tusschen dezen en genen onder de hoogwaardigheidsbekleders der wetenschap: de ernstige mannen, voor wie wetenschap en leven ten nauwste samenhingen—hun woord leefde en deed leven—de naïeve kamergeleerden—dor en vervelend, en gedoemd tot onvruchtbaarheid—en de verwaande mooipraters—de kwakzalvers der wetenschap. Vroeger waren ’t altemaal »proffen” voor hem, »afdraaien” van een quantum wetenschap per uur.Cornelis stapte gedurig op en neer. Eindelijk scheen hij zich te bezinnen, opende de deur, nam zijn hoed van den ijzeren standaard in de gang, en ging de straat op.De brief, welks inhoud hem, schier woord voor woord, door ’t hoofd spookte, op zijn wandeling langs Leiden’s buitensingels, was van dezen inhoud:Utrecht, 2 Juni 189 .Waarde Kees,Uw hartelijke brief heeft mij verheugd en bedroefd tevens. Ik zag er uit, hoe gij nog steeds dezelfdevriendschapvoor mij voelt als in de dagen van ons samenzijn, en natuurlijk deed mij dat genoegen; want ook mijnerzijds is de vriendschap niet verkoeld. Ik stel veel belang in uw wedervaren, en ’t vertrouwen, dat gij in mij stelt, weet ik te waardeeren.Ik voel dan ook diep, dat gij van Clarine zulk een krenkende bejegening ondervonden hebt. ’t Is mij volkomen begrijpelijk, dat gij na zulk een optreden[180]in opstand zijt gekomen tegen uw voornemens, om—’t kostte wat het wilde—uw verhouding tot Clarine zoo goed mogelijk te regelen. Ik geloof zelfs, dat de meeste mannen in uw plaats minder zelfbedwang en zelfverloochening zouden getoond hebben. Toch kan ik uw besluit, om verder geheel van haar af te zien, niet billijken. Gij weet niet wat de Voorzienigheid in deze nog beschikken kan, hoe zij Clarine’s hart nog tot inkeer kan brengen. Werk dus, en hoop en wacht af. Gij moogt u niet onttrekken aan de plichten, waartoe gij nog eenmaal geroepen kunt worden, in weerwil van alles. Zij en haar kind kunnen vroeg of laat een beroep doen op uw rechtvaardigheidsbesef.Ik lijk wel een harde zedemeester. Maar, geloof mij, waarde vriend, niets dan mijn oprechte overtuiging geeft mij deze woorden in de pen. Ik moet u raden, nu gij mij ronduit vraagt, hoe ik over uw handelwijze denk.’t Is hard voor u, dat begrijp ik ten volle; maar als mijn vriendschap u wat waard is—en ik weet immers, dat gij die op prijs stelt—laat u dan raden. Ik ben uw oudere zuster als vroeger. Ik kan niet anders voor u wezen. Wij hebben elk onzen plicht, en diemoetonze wegen vaneen houden, al gaan mijn gebeden en beste wenschen ook met u. God sterke u.Steeds uw vriendin,Laura.[181]Leiden’s singels hebben een groot voordeel voor wandelaars in een gemoedstoestand als Cornelis Udoma nadat hij ’t belangrijk epistel ontvangen had: ze zijn eentonig, en de weg erlangs »wijst zich van zelf.” Geen plotseling zich ontrollend grootsch natuurtafereel ontrukt den peinzende aan zijn overdenkingen, den droomer aan zijn droomen, geen afwisseling van schaduw en licht, van drukte en eenzaamheid doet hem opkijken en zijn aandacht van doel veranderen, geen verbijsterende drie- of viersprongen doen hem stilstaan, om zich te bezinnen en uitsluitend aan de vraag te denken: waar moet ik nu heen? Neen, men blijft de heele wandeling over, van begin- tot eindpunt, of eigenlijk steeds door, als men wil,—want men gaat in een kring—inzichzelfgekeerd als een Indische fakir.Zoo ook nu, en Cornelis ondervond er den weldadigen invloed van. Toen hij kwam op ’t punt, waar hij vandaan gekomen was, had de hevige beroering in zijn zinnen en voelen tijd gehad wat te bedaren. Hij kon ten minste weer geregeld denken: ’t was of de verwarde dooreenbruisende denkmassa’s zich afgescheiden hadden in duidelijk waarneembare onderdeelen.En met de bedaring kwam eigenlijk de ware pijn. ’t Was er mee als met een hevige lichamelijke aandoening, zóo hevig en plotseling, dat het een poos duurt, voordat men er ’t eigenlijke besef van heeft.[182]Hij zag nu ook, helder afgeteekend in zijn brein, de hoofdgedachte van den brief:Gij weet niet wat de Voorzienigheid in deze nog beschikken kan. En ’t gebod »werk dus, en hoop en wacht af” had de plechtigheid van een godswoord voor hem. Zijn ziel was er door bevangen, ’t Was zóo en niet anders. Hij huiverde, en boog ’t hoofd in ootmoed.Thuisgekomen—’t was half elf, en Frits nog niet terug—ging hij naar zijn slaapkamer, zette zich op een stoel, als wist hij niet wat hij deed. Zijn blik dwaalde mat langs den wand, en viel op ’t zoet gelaat der »Mater Dolorosa” van Dolci.Hij stond op, en ging weer naar de kamer, waar zijn schrijftafel stond—in de andere vóor stond die van zijn contubernaal—en waar hij gewoonlijk studeerde. En onderweg mompelde hij: »als een zuster … niet anders … als een zuster …”Hij greep een boek, ’t zelfde waarin hij dien morgen gelezen had, met woest ongeduldig gebaar, en zette zich tot lezen.Doch plotseling liet hij ’t hoofd voorover zinken, en barstte in schokkend snikken uit.’t Waren maar enkele oogenblikken. Hij bedwong zich, en ergerde zich over zichzelven; zijn ziel kromp ineen onder den geeselslag zijner zelftucht.Hij zag zijn geluk—of datgene wat hij ervoor hield—dat hij zoo nabij, zoo voor ’t grijpen geacht had, onverbiddelijk van zich heengaan. Haar weg en de zijne voerden in verschillende richting.[183]Hij zou dan tot eenzaamheid gedoemd zijn, zijn heele verdere leven … of op een goeden dag zijn lot moeten verbinden aan dat van een karakterlooze vrouw. O, dat zou een hel zijn in dit leven, dat wist hij zeker: Hij kon zich van Clarine niet voorstellen, dat ze ooit veranderen zou. En dat zwaard van Damokles zou hem steeds boven ’t hoofd hangen; die dreigende onweerswolk zou steeds haar schaduw werpen op al zijn denken en streven! En toch geloofde Laura aan inkeer …Een ondeelbaar oogenblik flitste de gedachte door zijn brein: zou zij, Laura, wel zoo hard, zoo veeleischend wezen, als ze hem liefhad zooals hij haar? Maar neen, Laura zou in alle omstandigheden zoo gesproken hebben. Waarom niet even goed verondersteld, dat zij zich thans geweld aandeed, dat zij inderdaad hem liefhad; maar de stem van haar gemoed het zwijgen oplegde? Zeker, ze stond er hoog genoeg voor. En zoo geheel onwaardig was hij niet …Hij zou werken, hopen en afwachten, zeker. En eenzaam zijn … Laura was de eenige vrouw, die hij ooit liefgehad had. Dat zou zoo blijven. Huwelijksgeluk op andere wijze dan door en met haar kwam hem onmogelijk voor, al ware ’t ook, dat zijn geweten hem eenmaal vrij liet.»Dwaas, dweper, Don Quichot!” riep een stem in hem. »Je leven te vergooien om een misstap in je jonge jaren! Wat een boetedoeners in de wereld,[184]als al je standgenooten, die iets dergelijks op hun kerfstok hebben—er zijn er immers ettelijke zoo—er even zoo streng over dachten als jij! Die storen er zich immers geen zier aan, vooral niet als de medeplichtige uit een minderen stand is …”’t Mocht wezen! Hij zou niet handelen als die anderen. Die anderen moesten hun gedrag maar tegenover eigen geweten weten te verantwoorden, zijn zonde en schuldbesef werden niet gebaat door anderer onverschilligheid.»Zoo, kereltje! Erg verdiept in je studie?”Fritsje’s vroolijke stem ontrukte Cornelis aan zijn gemijmer. Hij had den ander niet hooren binnenkomen, ofschoon hij vlak bij de deur zat, waardoor zijn contubernaal de kamer was ingegaan.Cornelis keerde zich om—hij had met de hand onder ’t hoofd gezeten, half van de deur afgewend—en wierp een verwarden blik op Fritsje’s klein pieterig baardeloos gezichtje, met de guitige oogjes, de nauwelijks zichtbare witte wenkbrauwen, ’t wipneusje, ’t breede ironische »aandachtsstreepje” als mond daaronder, de groote leelijke ooren, en ’t geel-witte haar, als een kroonlijstje boven den gevelmuur van zijn hoofd.Hij schoot in een dwazen lach.Fritsje trok een ernstig gezicht, zijn »diplomatengezicht,” zooals de ander het noemde. Fritsje had groote plannen, en zijn vriend plaagde hem er wel eens mee: hij woû in de diplomatie. Fortuin, een[185]jonkerstiteltje van ’15 en een heldere kop vormden zijn beginkapitaal—velen beginnen met minder. Maar Fritsje’s uiterlijk was lang niet indrukwekkend, vond Cornelis.Dat hij nu zijn diplomatengezicht trok, was, omdat hij Cornelis vreemd vond, onrustbarend vreemd. Hij keek zoo gek uit zijn oogen, en zag zoo bleek. En Fritsje schudde ernstig ’t hoofd.»Nog altijd die ouwe geschiedenis?” vroeg hij belangstellend, en kwam bij Cornelis staan. Deze knikte, en mompelde bijna onverstaanbaar:»Natuurlijk …”»Nee,nietnatuurlijk! Neem me niet kwalijk, hoor: ik vind, dat dat krankzinnigewerk wordt … hoogstonnatuurlijk vind ik het.”»En kun je niet begrijpen, dat ik me ongelukkig voel, omdat ik … mijn heele … levensgeluk naar de maan moet gooien om … haar?”Cornelis stond nu tegenover zijn vriend, met de handen diep in zijn zakken, zijn eenen voet iets vooruit, het hoofd wat achterover.»’t Is je eigen wil!” zei Frits schouderophalend.»Mijn eigen wil, goed; maar ook die van een ander …” Cornelis wendde ’t hoofd af.»Van een ander? En stoor jij je daaraan?” En Frits riep, als ging hem een licht op, met half dichtgeknepen oogjes den ander aanziend:»O zoo, die juffrouw Van Keulen bedoel je! Zoo[186]zoo, kereltje, ben je verliefd? Waarom me dat niet eerder gezegd?”Cornelis kleurde.»Om de eenvoudige reden, dat ’t nergens toe dienen zou, of jij ’t al wist. Maar … ik ben niet verliefd: ik hoû van ’t meisje, en dat is heel wat anders. Ik stel haar ontzaggelijk hoog …”Er was een vochtige glans in Cornelis’ oogen. Hij ging eenige schreden de kamer in.Frits zweeg een oogenblik.»En wil zij hebben, dat je.., hm … voortgaat met jeen disponibilitéte houden tegenover die Clarine, als een gezant buiten functie tegenover Hare Majesteit?”»Ze gelooft vast, dat zoo iets mijn plicht is,” zei Cornelis somber: Fritsje’s geestigheden hadden in den laatsten tijd maar zeer weinig bijval. »En ik ben ’t met haar eens,” liet Cornelis volgen. Zijn stem klonk bitter. Hij stond weer in dezelfde houding als een oogenblik te voren, ditmaal half van zijn contubernaal afgekeerd, de handen in de zakken, strak starend, en sprekend op een toon.»Dat meisje houdt niet van je, Kees,” zei Fritsje plechtig.»’t Kan wel …” Cornelis haalde zijn schouders op, en keek nog steeds zijn vriend niet aan. »En toch … dat weet ik niet, daar! Ze is zoo bizonder, zoo heel anders dan gewone meisjes van ’t alledaagsche soort …”[187]»Hm, ik zie ’t al. Dan is ze geëxalteerd: een van die hoogvliegende, sekselooze wezens … van de vrouwenbeweging.”Frits was een groot bewonderaar van vrouwelijk schoon en wat hijzelf »zoo’n beetje artistiekerigheid” noemde. Sedert dat hij eenige dames ontmoet had, die voor de vrouwenbeweging ijverden met kortgeknipt haar, een leelijk gezicht, dat vreeselijk boos keek, en overigens lang geen »artistiekerig” voorkomen, meende Fritsje als zooveel anderen, datalde strijdsters voor vrouwenrechtenper sezoo afschrikwekkend moesten wezen.Cornelis was niet zoo bevooroordeeld.»Zeg nu niet je gewone dwaasheden, Frits,” zei hij kregelig. »Laura van Keulen is een meisje, dat ik bizonder hoog acht. Dat heb ik je al eens gezegd.”»Nu goed, acht haar hoog, en heb haar lief, dat kan niets geen kwaad. Ze zal wel bijdraaien. Let op mijn woorden.”»Je kent haar niet!”»Ik zeg je: wacht af. Die andere laat niets meer van zich hooren, en die hoogernstige juffrouw zal zich nog wel bedenken. Laat ’t een jaar duren, desnoods twee. Ze draait bij …”»Och kom!” Cornelis was ongeduldig. De losse quasi-deftige toon van zijn contub beviel hem niet best. ’t Speet hem eigenlijk, dat hij over die zaak gesproken had.[188]»In allengeval geeft ’t je niets, of je al treurt, en er je zelf naar om maakt …”»’t Is ook zoo: ’t geeft: me niets … ’t geeft me niets …” antwoordde Cornelis droomerig. Daarop plotseling van houding veranderend, keek hij naar buiten. De glazen deuren, die op een verandaatje uitkwamen, stonden open. De zon scheen vroolijk naar binnen, spelend met de ranken klimop, die het uitbouwseltje langs latwerk omwonden.»Kom, zullen we weer ’s op de veranda koffiedrinken? Wat dunkt je?” Zijn toon was heel anders dan te voren.»Best,” zei Fritsje. Hij keek zijn vriend aan. Hij begreep hem tegenwoordig wel eens niet. Vreemd, en Fritsje had zoo’n geloof in zijn menschenkennis! Hij stond ’t dichtst bij ’t bellekoord, en belde om de meid.»Je doet raar, kereltje” dacht hij, maar zei niets. Hij zou nog wel gelegenheid hebben op te merken, dat zijn contub »raar” bleef doen, dat wil zeggen afweek van algemeen gangbare banale standsvooroordeelen. Cornelis leefde voor een idee. En de meeste menschen leven voor wat anders, hun buik bijvoorbeeld. Fritsje behoorde tot het betere soort banale menschen. Hij schudde meewarig ’t hoofd, en nam zich voor »niets meer te zeggen.” Gelukkig voor den ander wellicht.[189]

Cornelis had zoover geschreven. Hij hield op, staarde naar boven, zuchtte, en schreef vlug:

Uw vriendKees.

Uw vriend

Kees.

Toen hij tien minuten later vóor de brievenbus stond, aarzelde hij. Er kwam iemand voorbij—een late wandelaar in de donkere straat, diep in zijn jas gedoken tegen den nachtwind, handen in[176]den zak, schouders hoog opgetrokken, en stok recht uitstekend naar boven, gedachteloos neuriënd:

Mijn hartje gaat van rikketikketik …

Mijn hartje gaat van rikketikketik …

’t Was een jeugdige muzenzoon op weg naar »de kroeg.” Hij wierp een vluchtigen blik op de gestalte bij de brievenbus, en ’t was Cornelis, alsof het volgende versregeltje:

Wat zal er nu gebeuren?

Wat zal er nu gebeuren?

met bizonderen nadruk werd gezongen, als sloeg het op zijn weifelende houding.

De brief gleed naar binnen, en tikte tegen ’t blik van de bus.

Cornelis zuchtte voor de zooveelste maal dien avond, en spoedde zich naar huis.

Zijn geluk zou nu beslist worden; want zeker zou Laura hem gelijk geven, en dan was ’t andere—de geheime hoop van zijn hart—een kwestie van tijd. Ze hield van hem als vriendin, daar was hij zeker van, ze zou hem achten om zijn mannelijk streven; ze zou hem ook liefhebben, en hem ’t hoogste geluk geven, waaraan hij nu vrij denken mocht …

Hij bleef drie dagen in spanning, en zelden nog werd zijn zelf bedwang zóo op de proef gesteld als toen. Hij was een ander mensch. Zonder gewetenskwelling zich te vermeien in gedachten aan Laura was geheel nieuw. En toch was er nog schuchterheid, een telkens terugkeerende vrees voor ’t antwoord, dat hij van haar wachtte. En die vrees[177]overviel hem te midden van zijn werk. Hij werkte veel meer nog dan anders, maar bereikte minder. Nauwelijks waagde hij ’t uit te gaan; want hij wilde den verwachten brief dadelijk na aankomst lezen.

Cornelis had vaste studie-uren, en hij had zich vast voorgenomen, dat niets hem dan van zijn taak mocht afhouden. In den morgen, na de ochtendwandeling, zat hij om negen uur trouw aan zijn werk, en dit duurde voort tot twaalf. In den namiddag ging hij uit, of bleef thuis, al naar hij ’t noodig achtte: steeds vond hij bezigheid. En ’s avonds woonde hij vergaderingen bij, hield voordrachten, of bezocht zijn vriend Steenkamp.

Toen Laura’s antwoord op een ochtend kwam, was hij juist aan zijn morgentaak begonnen. De post was een kwartier te laat dien morgen. Hij hoorde de bel en ’t eigenaardig dichtkleppen van ’t brievenkastje aan zijn voordeur. Een oogenblik later tikte ’t dienstmeisje.

»Binnen!”

»’n Brief, meheer!”

»Leg maar neer, daar op tafel.” Cornelis liet ’t meisje heengaan, en greep naar den brief.

»Nee,” mompelde hij, en leî hem weer neer. Hij dacht aan zijn taak en zijn vast besluit er niet van af te wijken. Werkelijk bleef de brief ongeopend, ’t eerst volgend kwartier ongeveer. Toen werd ’t hem te machtig.[178]

»Och kom, ik ben zot,” zeî hij bij zichzelven, »alsof ik niet straks een kwartiertje kan inhalen!”

’t Envelop vloog in drie stukken over ’t tapijt. Hij wierp zich achterover in zijn schrijfstoel, dat de schroef kraakte. Dan veranderde zijn houding allengs: ’t hoofd ging voorover, de eene hand werd tot steun er tegen aan gelegd, toen de andere: hij zat nu voorover met de ellebogen op de knieën, over den brief gebogen. Deze lag nu op de schrijftafel. Zoo bleef hij eenige minuten zitten, zonder beweging. Plotseling sprong hij op, en begon op en neer te stappen, met gefronste wenkbrauwen, steeds vóor zich neer kijkend.

Hij was alleen thuis. De colleges van zekeren professor, die hij vroeger geregeld »liep,” woonde hij sedert zijn terugkeer uit Delmond niet meer bij. Frits Seemans bleef hem trouw; want de professor was bekend als lastig op ’t examen—»’t doctoraal”—en daarom woonden velen zijn voordrachten bij. Nu Cornelis ’t woord »studie” meer in de etymologische beteekenis—van ernstig streven—opvatte, stoorde hij zich bitter weinig aan wat »men” gewoonlijk deed of liet in zake studeeren. Hij vond dien hooggeleerde aartsvervelend—een ijdelen mooiprater, anders niet—en hij kon zijn tijd beter gebruiken. Hij verzuimde dus zonder eenigen schroom de colleges, waar hij voor zijn doel niets of weinig aan had, en bezocht alleen die, waar hij wat meende te leeren. Hij maakte nu een onderscheid[179]tusschen dezen en genen onder de hoogwaardigheidsbekleders der wetenschap: de ernstige mannen, voor wie wetenschap en leven ten nauwste samenhingen—hun woord leefde en deed leven—de naïeve kamergeleerden—dor en vervelend, en gedoemd tot onvruchtbaarheid—en de verwaande mooipraters—de kwakzalvers der wetenschap. Vroeger waren ’t altemaal »proffen” voor hem, »afdraaien” van een quantum wetenschap per uur.

Cornelis stapte gedurig op en neer. Eindelijk scheen hij zich te bezinnen, opende de deur, nam zijn hoed van den ijzeren standaard in de gang, en ging de straat op.

De brief, welks inhoud hem, schier woord voor woord, door ’t hoofd spookte, op zijn wandeling langs Leiden’s buitensingels, was van dezen inhoud:

Utrecht, 2 Juni 189 .Waarde Kees,Uw hartelijke brief heeft mij verheugd en bedroefd tevens. Ik zag er uit, hoe gij nog steeds dezelfdevriendschapvoor mij voelt als in de dagen van ons samenzijn, en natuurlijk deed mij dat genoegen; want ook mijnerzijds is de vriendschap niet verkoeld. Ik stel veel belang in uw wedervaren, en ’t vertrouwen, dat gij in mij stelt, weet ik te waardeeren.Ik voel dan ook diep, dat gij van Clarine zulk een krenkende bejegening ondervonden hebt. ’t Is mij volkomen begrijpelijk, dat gij na zulk een optreden[180]in opstand zijt gekomen tegen uw voornemens, om—’t kostte wat het wilde—uw verhouding tot Clarine zoo goed mogelijk te regelen. Ik geloof zelfs, dat de meeste mannen in uw plaats minder zelfbedwang en zelfverloochening zouden getoond hebben. Toch kan ik uw besluit, om verder geheel van haar af te zien, niet billijken. Gij weet niet wat de Voorzienigheid in deze nog beschikken kan, hoe zij Clarine’s hart nog tot inkeer kan brengen. Werk dus, en hoop en wacht af. Gij moogt u niet onttrekken aan de plichten, waartoe gij nog eenmaal geroepen kunt worden, in weerwil van alles. Zij en haar kind kunnen vroeg of laat een beroep doen op uw rechtvaardigheidsbesef.Ik lijk wel een harde zedemeester. Maar, geloof mij, waarde vriend, niets dan mijn oprechte overtuiging geeft mij deze woorden in de pen. Ik moet u raden, nu gij mij ronduit vraagt, hoe ik over uw handelwijze denk.’t Is hard voor u, dat begrijp ik ten volle; maar als mijn vriendschap u wat waard is—en ik weet immers, dat gij die op prijs stelt—laat u dan raden. Ik ben uw oudere zuster als vroeger. Ik kan niet anders voor u wezen. Wij hebben elk onzen plicht, en diemoetonze wegen vaneen houden, al gaan mijn gebeden en beste wenschen ook met u. God sterke u.Steeds uw vriendin,Laura.

Utrecht, 2 Juni 189 .

Waarde Kees,

Uw hartelijke brief heeft mij verheugd en bedroefd tevens. Ik zag er uit, hoe gij nog steeds dezelfdevriendschapvoor mij voelt als in de dagen van ons samenzijn, en natuurlijk deed mij dat genoegen; want ook mijnerzijds is de vriendschap niet verkoeld. Ik stel veel belang in uw wedervaren, en ’t vertrouwen, dat gij in mij stelt, weet ik te waardeeren.

Ik voel dan ook diep, dat gij van Clarine zulk een krenkende bejegening ondervonden hebt. ’t Is mij volkomen begrijpelijk, dat gij na zulk een optreden[180]in opstand zijt gekomen tegen uw voornemens, om—’t kostte wat het wilde—uw verhouding tot Clarine zoo goed mogelijk te regelen. Ik geloof zelfs, dat de meeste mannen in uw plaats minder zelfbedwang en zelfverloochening zouden getoond hebben. Toch kan ik uw besluit, om verder geheel van haar af te zien, niet billijken. Gij weet niet wat de Voorzienigheid in deze nog beschikken kan, hoe zij Clarine’s hart nog tot inkeer kan brengen. Werk dus, en hoop en wacht af. Gij moogt u niet onttrekken aan de plichten, waartoe gij nog eenmaal geroepen kunt worden, in weerwil van alles. Zij en haar kind kunnen vroeg of laat een beroep doen op uw rechtvaardigheidsbesef.

Ik lijk wel een harde zedemeester. Maar, geloof mij, waarde vriend, niets dan mijn oprechte overtuiging geeft mij deze woorden in de pen. Ik moet u raden, nu gij mij ronduit vraagt, hoe ik over uw handelwijze denk.

’t Is hard voor u, dat begrijp ik ten volle; maar als mijn vriendschap u wat waard is—en ik weet immers, dat gij die op prijs stelt—laat u dan raden. Ik ben uw oudere zuster als vroeger. Ik kan niet anders voor u wezen. Wij hebben elk onzen plicht, en diemoetonze wegen vaneen houden, al gaan mijn gebeden en beste wenschen ook met u. God sterke u.

Steeds uw vriendin,

Laura.

[181]

Leiden’s singels hebben een groot voordeel voor wandelaars in een gemoedstoestand als Cornelis Udoma nadat hij ’t belangrijk epistel ontvangen had: ze zijn eentonig, en de weg erlangs »wijst zich van zelf.” Geen plotseling zich ontrollend grootsch natuurtafereel ontrukt den peinzende aan zijn overdenkingen, den droomer aan zijn droomen, geen afwisseling van schaduw en licht, van drukte en eenzaamheid doet hem opkijken en zijn aandacht van doel veranderen, geen verbijsterende drie- of viersprongen doen hem stilstaan, om zich te bezinnen en uitsluitend aan de vraag te denken: waar moet ik nu heen? Neen, men blijft de heele wandeling over, van begin- tot eindpunt, of eigenlijk steeds door, als men wil,—want men gaat in een kring—inzichzelfgekeerd als een Indische fakir.

Zoo ook nu, en Cornelis ondervond er den weldadigen invloed van. Toen hij kwam op ’t punt, waar hij vandaan gekomen was, had de hevige beroering in zijn zinnen en voelen tijd gehad wat te bedaren. Hij kon ten minste weer geregeld denken: ’t was of de verwarde dooreenbruisende denkmassa’s zich afgescheiden hadden in duidelijk waarneembare onderdeelen.

En met de bedaring kwam eigenlijk de ware pijn. ’t Was er mee als met een hevige lichamelijke aandoening, zóo hevig en plotseling, dat het een poos duurt, voordat men er ’t eigenlijke besef van heeft.[182]

Hij zag nu ook, helder afgeteekend in zijn brein, de hoofdgedachte van den brief:Gij weet niet wat de Voorzienigheid in deze nog beschikken kan. En ’t gebod »werk dus, en hoop en wacht af” had de plechtigheid van een godswoord voor hem. Zijn ziel was er door bevangen, ’t Was zóo en niet anders. Hij huiverde, en boog ’t hoofd in ootmoed.

Thuisgekomen—’t was half elf, en Frits nog niet terug—ging hij naar zijn slaapkamer, zette zich op een stoel, als wist hij niet wat hij deed. Zijn blik dwaalde mat langs den wand, en viel op ’t zoet gelaat der »Mater Dolorosa” van Dolci.

Hij stond op, en ging weer naar de kamer, waar zijn schrijftafel stond—in de andere vóor stond die van zijn contubernaal—en waar hij gewoonlijk studeerde. En onderweg mompelde hij: »als een zuster … niet anders … als een zuster …”

Hij greep een boek, ’t zelfde waarin hij dien morgen gelezen had, met woest ongeduldig gebaar, en zette zich tot lezen.

Doch plotseling liet hij ’t hoofd voorover zinken, en barstte in schokkend snikken uit.

’t Waren maar enkele oogenblikken. Hij bedwong zich, en ergerde zich over zichzelven; zijn ziel kromp ineen onder den geeselslag zijner zelftucht.

Hij zag zijn geluk—of datgene wat hij ervoor hield—dat hij zoo nabij, zoo voor ’t grijpen geacht had, onverbiddelijk van zich heengaan. Haar weg en de zijne voerden in verschillende richting.[183]Hij zou dan tot eenzaamheid gedoemd zijn, zijn heele verdere leven … of op een goeden dag zijn lot moeten verbinden aan dat van een karakterlooze vrouw. O, dat zou een hel zijn in dit leven, dat wist hij zeker: Hij kon zich van Clarine niet voorstellen, dat ze ooit veranderen zou. En dat zwaard van Damokles zou hem steeds boven ’t hoofd hangen; die dreigende onweerswolk zou steeds haar schaduw werpen op al zijn denken en streven! En toch geloofde Laura aan inkeer …

Een ondeelbaar oogenblik flitste de gedachte door zijn brein: zou zij, Laura, wel zoo hard, zoo veeleischend wezen, als ze hem liefhad zooals hij haar? Maar neen, Laura zou in alle omstandigheden zoo gesproken hebben. Waarom niet even goed verondersteld, dat zij zich thans geweld aandeed, dat zij inderdaad hem liefhad; maar de stem van haar gemoed het zwijgen oplegde? Zeker, ze stond er hoog genoeg voor. En zoo geheel onwaardig was hij niet …

Hij zou werken, hopen en afwachten, zeker. En eenzaam zijn … Laura was de eenige vrouw, die hij ooit liefgehad had. Dat zou zoo blijven. Huwelijksgeluk op andere wijze dan door en met haar kwam hem onmogelijk voor, al ware ’t ook, dat zijn geweten hem eenmaal vrij liet.

»Dwaas, dweper, Don Quichot!” riep een stem in hem. »Je leven te vergooien om een misstap in je jonge jaren! Wat een boetedoeners in de wereld,[184]als al je standgenooten, die iets dergelijks op hun kerfstok hebben—er zijn er immers ettelijke zoo—er even zoo streng over dachten als jij! Die storen er zich immers geen zier aan, vooral niet als de medeplichtige uit een minderen stand is …”

’t Mocht wezen! Hij zou niet handelen als die anderen. Die anderen moesten hun gedrag maar tegenover eigen geweten weten te verantwoorden, zijn zonde en schuldbesef werden niet gebaat door anderer onverschilligheid.

»Zoo, kereltje! Erg verdiept in je studie?”

Fritsje’s vroolijke stem ontrukte Cornelis aan zijn gemijmer. Hij had den ander niet hooren binnenkomen, ofschoon hij vlak bij de deur zat, waardoor zijn contubernaal de kamer was ingegaan.

Cornelis keerde zich om—hij had met de hand onder ’t hoofd gezeten, half van de deur afgewend—en wierp een verwarden blik op Fritsje’s klein pieterig baardeloos gezichtje, met de guitige oogjes, de nauwelijks zichtbare witte wenkbrauwen, ’t wipneusje, ’t breede ironische »aandachtsstreepje” als mond daaronder, de groote leelijke ooren, en ’t geel-witte haar, als een kroonlijstje boven den gevelmuur van zijn hoofd.

Hij schoot in een dwazen lach.

Fritsje trok een ernstig gezicht, zijn »diplomatengezicht,” zooals de ander het noemde. Fritsje had groote plannen, en zijn vriend plaagde hem er wel eens mee: hij woû in de diplomatie. Fortuin, een[185]jonkerstiteltje van ’15 en een heldere kop vormden zijn beginkapitaal—velen beginnen met minder. Maar Fritsje’s uiterlijk was lang niet indrukwekkend, vond Cornelis.

Dat hij nu zijn diplomatengezicht trok, was, omdat hij Cornelis vreemd vond, onrustbarend vreemd. Hij keek zoo gek uit zijn oogen, en zag zoo bleek. En Fritsje schudde ernstig ’t hoofd.

»Nog altijd die ouwe geschiedenis?” vroeg hij belangstellend, en kwam bij Cornelis staan. Deze knikte, en mompelde bijna onverstaanbaar:

»Natuurlijk …”

»Nee,nietnatuurlijk! Neem me niet kwalijk, hoor: ik vind, dat dat krankzinnigewerk wordt … hoogstonnatuurlijk vind ik het.”

»En kun je niet begrijpen, dat ik me ongelukkig voel, omdat ik … mijn heele … levensgeluk naar de maan moet gooien om … haar?”

Cornelis stond nu tegenover zijn vriend, met de handen diep in zijn zakken, zijn eenen voet iets vooruit, het hoofd wat achterover.

»’t Is je eigen wil!” zei Frits schouderophalend.

»Mijn eigen wil, goed; maar ook die van een ander …” Cornelis wendde ’t hoofd af.

»Van een ander? En stoor jij je daaraan?” En Frits riep, als ging hem een licht op, met half dichtgeknepen oogjes den ander aanziend:

»O zoo, die juffrouw Van Keulen bedoel je! Zoo[186]zoo, kereltje, ben je verliefd? Waarom me dat niet eerder gezegd?”

Cornelis kleurde.

»Om de eenvoudige reden, dat ’t nergens toe dienen zou, of jij ’t al wist. Maar … ik ben niet verliefd: ik hoû van ’t meisje, en dat is heel wat anders. Ik stel haar ontzaggelijk hoog …”

Er was een vochtige glans in Cornelis’ oogen. Hij ging eenige schreden de kamer in.

Frits zweeg een oogenblik.

»En wil zij hebben, dat je.., hm … voortgaat met jeen disponibilitéte houden tegenover die Clarine, als een gezant buiten functie tegenover Hare Majesteit?”

»Ze gelooft vast, dat zoo iets mijn plicht is,” zei Cornelis somber: Fritsje’s geestigheden hadden in den laatsten tijd maar zeer weinig bijval. »En ik ben ’t met haar eens,” liet Cornelis volgen. Zijn stem klonk bitter. Hij stond weer in dezelfde houding als een oogenblik te voren, ditmaal half van zijn contubernaal afgekeerd, de handen in de zakken, strak starend, en sprekend op een toon.

»Dat meisje houdt niet van je, Kees,” zei Fritsje plechtig.

»’t Kan wel …” Cornelis haalde zijn schouders op, en keek nog steeds zijn vriend niet aan. »En toch … dat weet ik niet, daar! Ze is zoo bizonder, zoo heel anders dan gewone meisjes van ’t alledaagsche soort …”[187]

»Hm, ik zie ’t al. Dan is ze geëxalteerd: een van die hoogvliegende, sekselooze wezens … van de vrouwenbeweging.”

Frits was een groot bewonderaar van vrouwelijk schoon en wat hijzelf »zoo’n beetje artistiekerigheid” noemde. Sedert dat hij eenige dames ontmoet had, die voor de vrouwenbeweging ijverden met kortgeknipt haar, een leelijk gezicht, dat vreeselijk boos keek, en overigens lang geen »artistiekerig” voorkomen, meende Fritsje als zooveel anderen, datalde strijdsters voor vrouwenrechtenper sezoo afschrikwekkend moesten wezen.

Cornelis was niet zoo bevooroordeeld.

»Zeg nu niet je gewone dwaasheden, Frits,” zei hij kregelig. »Laura van Keulen is een meisje, dat ik bizonder hoog acht. Dat heb ik je al eens gezegd.”

»Nu goed, acht haar hoog, en heb haar lief, dat kan niets geen kwaad. Ze zal wel bijdraaien. Let op mijn woorden.”

»Je kent haar niet!”

»Ik zeg je: wacht af. Die andere laat niets meer van zich hooren, en die hoogernstige juffrouw zal zich nog wel bedenken. Laat ’t een jaar duren, desnoods twee. Ze draait bij …”

»Och kom!” Cornelis was ongeduldig. De losse quasi-deftige toon van zijn contub beviel hem niet best. ’t Speet hem eigenlijk, dat hij over die zaak gesproken had.[188]

»In allengeval geeft ’t je niets, of je al treurt, en er je zelf naar om maakt …”

»’t Is ook zoo: ’t geeft: me niets … ’t geeft me niets …” antwoordde Cornelis droomerig. Daarop plotseling van houding veranderend, keek hij naar buiten. De glazen deuren, die op een verandaatje uitkwamen, stonden open. De zon scheen vroolijk naar binnen, spelend met de ranken klimop, die het uitbouwseltje langs latwerk omwonden.

»Kom, zullen we weer ’s op de veranda koffiedrinken? Wat dunkt je?” Zijn toon was heel anders dan te voren.

»Best,” zei Fritsje. Hij keek zijn vriend aan. Hij begreep hem tegenwoordig wel eens niet. Vreemd, en Fritsje had zoo’n geloof in zijn menschenkennis! Hij stond ’t dichtst bij ’t bellekoord, en belde om de meid.

»Je doet raar, kereltje” dacht hij, maar zei niets. Hij zou nog wel gelegenheid hebben op te merken, dat zijn contub »raar” bleef doen, dat wil zeggen afweek van algemeen gangbare banale standsvooroordeelen. Cornelis leefde voor een idee. En de meeste menschen leven voor wat anders, hun buik bijvoorbeeld. Fritsje behoorde tot het betere soort banale menschen. Hij schudde meewarig ’t hoofd, en nam zich voor »niets meer te zeggen.” Gelukkig voor den ander wellicht.[189]


Back to IndexNext