[Inhoud]XIV.Een einde en een begin.Eentonig, zacht en vol weemoed klonk een eigenaardig wiegelied door het groote weelderige slaapvertrek. De zware overgordijnen aan de beide vensters hingen bijna dicht, in breede plooien, zoodat het middaglicht slechts schaars kon binnendringen.De kamer was vol van den weemoed van ’t lied: ’t zweefde langs en over het prachtige gebeeldhouwde bed, onder de hooge roze zijden bedgordijnen, langs de sierlijke toilettafel vol kristal en zilver, langs de »psyche” en de fraaie meubels, langs gasluchter en wandsieraad.En de weemoed lag op de matte trekken der lijderes in ’t bed, waar op ’t kantenomboorde hoofdkussen de donkere haren wanordelijk een achtergrond gaven aan de marineren bleekheid van gelaat en handen; waar een arm menschenkind, moê van leven, van zonde en ellende, zich koesterde aan de illusie door ’t lied gewekt. Ze leefde terug in een ver, ver verleden, zoo ver, als ze nooit vermoed had, dat haar herinneringen gaan konden.En dezelfde weemoed zetelde op ’t gelaat van[218]den ouden man, den grijsaard, die voorovergebogen op een stoel zat, naast het groote bed, met de eene hand onder ’t hoofd. Hij zingt met loome volharding een kinderdeun, die ook bij hem herinneringen wakker roept.Bij ’t deinen van ’t eentonig, zinledig[[audio/mpeg]|MuseScore]rijzen vergeten gewaande beelden en tooneelen uit de schuilhoeken van zijn wezen op vóor zijn geest. Hij ziet zijn jonge vrouw, ’s nachts met grenzeloos geduld op en neer stappend door de slaapkamer in hun woning te Batavia, neuriënd dit nooit eindigende lied, zoo vleiend sussend als wellicht geen ander ter wereld, om ’t kind in haar draagdoek te doen insluimeren. Hij hoort ’t klikken van haar slofjes, ziet de droomerige uitdrukking in haar donkere oogen, den ietwat pruilenden kleinen mond, haar gansche typische verschijning in ’t net Indisch nachtgewaad. Hij hoort ’tnina, ninain eindelooze herhaling voortklinken, en vergeet schier, dat hij zelf zingtNu en dan werpt hij een blik op ’t gelaat van zijn dochter, daar in ’t bed. En als hij dan even[219]ophoudt te zingen, slaat zij de oogen op. Hun blikken ontmoeten elkaar een seconde. Mat sluit ze dan weer haar oogleden, en zegt, nauw hoorbaar:»Toe, Pa, doorzingen …”De oude man zucht dan, en hervat den dommeldeun van straks.’t Was een gril van haar als zooveel andere in haar ziekte. Hij had ze verdragen, en eraan toegegeven zooveel hij kon, met gelatenheid. Hij was sinds dagen al versuft, en in de laatste maanden bepaald ouder geworden, veel ouder. Bijna drie maanden geleden had zijn verloren gewaande dochter Clarine—na hun scheiding voor ’t eerst—iets van zich laten hooren. Hij had haar afgezworen, voor goed, meende hij vast en stellig. Gewetenswroeging over zijn ruw optreden, hun vijandig vaneengaan, had hij maar zeer weinig gehad. Toen hij haar dreigde geen centime te zullen zenden, als ze niet kwam, waar hij heenging, had hij niet gedacht, dat ze koppig zou blijven weigeren. En toen hij niets vernemende en ongerust geworden, na een week weder uit Parijs te Sainte-Marie de Ardennes kwam, vond hij tot zijn verbazing het huisje door haar verlaten: ze was met haar kind vertrokken, vertelde Père François, maar hij kon hem niet zeggen waarheen. Toen Dauteville eindelijk, ruim drie jaar na hun scheiding, een wanhopigen brief van Clarine ontving, waarin deze meldde, dat ze in ’t laatste[220]stadium van longtering lag, en vóor haar dood hem wenschte te zien, had er iets in ’t gemoed van den verstokten wellusteling plaats, dat wel wroeging zou kunnen genoemd worden. Toen hij Clarine terugzag in al de weelde harer omgeving, en als oude lichtmis gemakkelijk allerlei kenteekenen van haar verguld verval opmerkte, kwam bij die wroeging schaamte, een gevoel van vernedering, dat hem ellendig stemde. Eindelijk volmaakte het besef zijner verantwoordelijkheid tegenover haar kind, dat anders binnen kort onverzorgd zou achterblijven, de verwarring in zijn aandoeningen. Hij wist geen raad, en ’t vele denken en tobben over zijn toestand maakte hem suf. In ’t eerste had hij nog eenige hoop, dat Clarine genezen zou. Hij wenschte ’t haar van harte toe, zeker: hij had echt medelijden met haar, en zou zien, dat hij een nieuw leven met haar begon. Maar dan dacht hij aan haar kind zonder naam, dat levend bewijs zijner schande … Hij zou weer moeten heengaan, weg uit Parijs, waar zijn dochter een weinig benijdenswaardigen roep in zekere wereld had, waar ze bekend was, als een der toongeefsters in die wereld … Te denken, dat hij en zij daar zoo lang achtereen bij elkaar en onbewust van elkaar voortgeleefd hadden! En als ze niet genas,—’t arme kind—zou hij toch opgescheept zitten met dat wicht!Mon Dieu, ’t was om gansch van streek te raken voor zijn zoo weinig beproefd brein! Veel denken kòn hij niet: praten, rhetorischen[221]klikklak afdreunen, en over aardsche beslommeringen zoo luchtig mogelijk heenloopen, daar was die hersenmachine op ingericht. Wroeging, zonde, vergelding waren altijd woorden voor hem geweest,—of weinig meer—nu begonnen die klanken beteekenis voor hem te krijgen. En, vreemd, ’t was of ze hem toegrauwden uit zijn eigen mond, want in de nachtelijke stilte of bij ’t ziekbed verrees zijn eigen beeld uit vroeger jaren, uit den tijd zijner redenaars-triomfen, toen hij zoo indrukwekkend die woorden »zonde” en »wroeging” en »vergelding” over zijn verrukte hoorders kon laten schallen. En nu drongen ze diep in zijn eigen ziel, greinzend, spottend, dreigend, dat hij er naar van werd.Clarine werd niet beter: ze werd erger en erger, en Dauteville werd van dag tot dag somberder, suffer. Niet in staat, om haar zelf op te passen, had hij een verpleegster laten komen. Deze kwam ’s avonds vroeg, en ging ’s morgens vrij laat weg. Voor den kleinen jongen zorgde een kindermeisje. Hij zelf keek er nauwelijks naar om. Hij had nooit goed met kinderen kunnen omgaan, en dit kind maakte hem zenuwachtig. Hij was er schuw voor, en verheugde zich, wanneer het aan zijn gezicht onttrokken was.In al ’t gesuf des zwaarbeproefden kwam een licht van helder denken, toen hij op een goeden dag den inval kreeg, dat wellicht voor alles nog redding bestond. Hij dacht aan Cornelis Udoma.[222]Een courantenbericht, waarin zijn naam voorkwam, had zijn gedachtenloop weder een bepaalde richting gegeven.O, van dien kant daagde misschien verlossing uit zijn hachelijken toestand! Die Cornelis was zoo’n edelmoedige jonge man. Hij wist van zijn optreden tegenover Clarine, van zijn vergeefsche poging, om zoo goed hij kon haar eer te herstellen. Wat had hij, daarvan hoorende, geraasd en getierd! Dat tooneel had hun scheiding verhaast, en haar met dubbele bitterheid tegen haar vader vervuld. Waarom zou hij thans niet een kansje kunnen wagen? Cornelis had een medelijdend hart, en zou zeker overkomen. Eenmaal overgekomen, zou hij wel voor meer te vinden zijn. Een huwelijk gesloten aan Clarine’s ziekbed—sterfbed misschien? zou veel goedmaken …En zij? Zou zij willen? Hij vreesde voor verzet, maar rekende op den bijstand van Cornelis. Trouwens … zou dat verzet, zoo kort vóor haar dood, wel groot kunnen wezen? Ze wist, dat ze hopeloos lag, ze was gelaten en stil; onherkenbaar schier in haar gansche persoonlijkheid, zoo had het lijden zijn werking doen gevoelen.Dauteville schreef een brief, en zond dien naar den Haag. Ofschoon ’t adres geen straat vermeldde, zou er wel geen vergissing plaats hebben: er was maar éen Udoma in den Haag, en die was bekend genoeg.[223]Hij wachtte dus. Er zou zeker een brief komen als antwoord op de zijne, of Cornelis zou zelf verschijnen. Dauteville verwonderde zich daarom, toen hij noch ’t een, noch ’t ander zag gebeuren, en er lagen reeds twee etmalen tusschen toen en nu …En hij zat uit den treure te neuriën … Dat lied daar in die ziekenkamer klonk zoo naargeestig, zoo akelig in de doodsche stilte, die er heerschte.Telkens had hij zichzelven afgevraagd, of ’t niet beter was Clarine voor te bereiden op Udoma’s komst; maar ’t kwam hem voor, dat het beter was haar bij overrompeling te treffen. Voorbereiding zou haar zenuwachtig maken misschien. Neen, ze moest maar gelooven, dat Cornelis uit eigen beweging, geheel uit eigen beweging kwam. Hij had in dien geest geschreven.Er werd zacht aan de deur geklopt. Dauteville schrok op uit zijn gemijmer. Hij stond op, en deed zelf de deur open.»Clarine,” zei hij een oogenblik later met een kaartje in de hand, en weer bij ’t bed, »daar is Cornelis Udoma, verbeeld je! Die woû je zoo graag eens zien … Je wilt hem zeker nu niet ontvangen, wel?…”»Och, waarom niet?” Er klonk iets doodelijk vermoeids en mats in haar stem. Toch waren haar bleeke wangen rood geworden, en lag er een verhoogde schittering in den blik, die ze vol op haar vader richtte.»Laat hem boven komen.”[224]Dauteville wist niet wat hij ervan denken moest. Enfin, hij waagde ’t erop:»Laat mijnheer boven komen!” En, tot zijn dochter gewend:»Vreemd, nie’ waar? En toch … ’t is een edelmoedige, brave jongen die Cornelis, eencoeur d’or… O, Clarine …!Een ongeduldige beweging der gestalte in bed deed hem ophouden. Ze staarde hem steeds aan … Wat waren die oogen akelig groot en schitterend!Cornelis trad op zijn teenen binnen, aarzelend, vreemd te moede. Hij boog even voor Dauteville zonder een woord. Deze bood hem dadelijk een stoel bij ’t bed. Hij lette er niet op, en trad op de zieke toe. Clarine verroerde zich niet. Haar groote hol liggende oogen hadden den blik naar hem gewend, en staarden hem aan.Cornelis wilde spreken, maar ’t was hem onmogelijk. Die blik vol stille smeeking, en dan … het bijzijn van dien man met zijn conventioneele vriendelijkheid en vormelijkheid, met de komische deerniswaardige uitdrukking op zijn oud Don Juan’s gezicht, die elegante bouwval met glimmenden schedel en een fraaien, nu wat verfomfaaiden grijzen knevel, waaraan hij telkens plukte … ’t Was hem te machtig.Dauteville zag zijn verlegenheid:»U neemt me zeker niet kwalijk, Mijnheer Udoma?” zei hij hoffelijk en verdween door een zijdeur.De jonge man voelde zich op eens opgelucht.[225]»Clarine, heb jenuvertrouwen in me?” vroeg hij met innige ontroering.Ze antwoordde niet, verroerde zich zelfs niet, en haar oogen bleven staren; maar hij zag dat ze vochtig werden. Wat zeide die blik met de indroevige smeeking? Wilde ze al de gedachten en aandoeningen van zijn gelaat weglezen, zoeken naar een spoor van minachting voor haar leven, waarvan dit het einde was? Hij geloofde ’t niet. Hij wilde gelooven, dat ze nu boven dat leven stond, nu in deze laatste oogenblikken. ’t Wàren immers oogenblikken: ze kon ’t niet lang meer maken. Ze moest nu terugzien op al de beroeringen van ’t verleden met de gelatenheid van iemand, die afgerekend heeft met deze wereld, zonder wantrouwen en zonder hartstochten. En ook de jaloezie zou voor goed geweken zijn.»Ik kom … om alles goed te maken … wat ik aan je misdaan heb … Wil je nu … m’n vrouw worden? Ook voor je kind?”Zij trachtte haar eene hand los te maken van onder de deken. Gretig greep hij de uitgeteerde witte vingers, en drukte ze zacht.Nog steeds sprak zij niet. Er rolden overvloedige tranen langs haar wangen. Een poos zwegen beiden.»Waar is de kleine?” vroeg Cornelis. »Met de meid uit zeker?”Ze knikte. Weer verzonk hij in gedachten.[226]Hij stond steeds in dezelfde houding, vlak bij haar, met het licht der vensters, zoover het door de gordijnen drong, vol op zijn gelaat, zoodat zij ’t goed zien kon. Ze keek hem voortdurend aan.»Je gaat niet meer weg?” zeî ze op eens met inspanning. Niet meer! De jonge man voelde al de bittere zekerheid van een spoedig einde uit die enkele woorden, ’t Kostte hem moeite zich kalm te houden.»Ik blijf hier, natuurlijk …”»Onze huwelijksvoltrekking moet straks … Zoo spoedig mogelijk plaats hebben, Clarine. Alles kan hier gebeuren.”Hij zag dat ze spreken wilde. Maar plotseling overviel haar een vreeselijke hoestbui. Haar gansche lichaam schokte in krampachtige bewegingen. Ze richtte zich op, en tastte naar iets. Hij begreep haar, en hielp haar, met afgewend gelaat, ’t hart vol deernis. Eindelijk viel ze uitgeput achterover, en sloot de oogen.’t Duurde eenige oogenblikken voordat ze eenigermate hersteld was.»Je moet nu nog wat rust nemen, hoor,” zei Cornelis eindelijk, op een toon als sprak hij tot een klein kind. Haar erbarmelijke hulpeloosheid deed hem onwillekeurig dien toon aannemen. »Denk nu maar aan aangename dingen. Straks, als je wat uitgerust bent, kan er voor alles gezorgd worden. Er komt een ambtenaar hier. Alles gaat heel bedaard en kalm. En dan is er niets meer tusschen[227]ons, dat je ontstemmen kan. Je kind is dan voor de heele wereld ’t mijne.”Er vloog een lachje van innige dankbaarheid over Clarine’s trekken.Hij sloeg de hand aan ’t teruggeslagen bedgordijn.»Ik zal dit neerlaten,” zei hij, en haalde het over het hoofdeneind van ’t bed. »Tracht nog wat te slapen.”Ze liet hem begaan.Op zijn teenen ging Cornelis naar de kamer naast het slaapvertrek. Hij vond er den ouden heer Dauteville wezenloos neerzitten in een gemakkelijken stoel, de handen slap neerhangend tusschen de knieën, ’t hoofd voorover: een toonbeeld van verslagenheid.Toen hij den jongen Udoma zag, sprong hij op:»O, Mijnheer Udoma! Een vreeselijke toestand voor een vader nietwaar? U zal me begrijpen. U …”»Spreek u in Godsnaam wat zachter!” viel de ander hem in de rede. »Heeft u haar hooren hoesten?”De ex-domine hief de eene hand hoog op, een theatraal gebaar, dat hem eigen was.»Ik heb gezegd, dat ze wat rust moest nemen. Straks kunnen we ’t een en ander regelen, Mijnheer Dauteville.”»O, zooals u dat goed vindt, Mijnheer Udoma. U wenscht er haast mee te maken, zooals ik zie.”De jonge man keek hem aan.»’t Komt me wel noodig voor,” zei hij zacht.[228]»Voor den kleine jongen zal ik dan natuurlijk verder zorgen.”»O.”’t Was Cornelis onmogelijk met dezen man, wiens zelfzucht en liefdeloosheid hij doorgrondde, anders dan op een toon van zaken-afdoen te spreken. Zijn hart was vol tot berstens toe, en toch sprak hij koel en afgemeten, ’t Was hem, of ’t openbaren van eenige aandoening hier heiligschennis zou wezen.’t Viel den ander bizonder mee, en zijn stemming werd iets beter. Hij voelde zijn gewone spraakzaamheid weer opkomen, maar hield zich in. Nu en dan wierp hij een schuwen, komisch zotten blik op den jongen man, die inmiddels bij hem was komen zitten en in gepeinzen verdiept was.»Ik woû … m’n jongen wel ’s zien,” zei Cornelis na een poos, als vervolgde hij hardop zijn eigen gedachten, en zonder opkijken.»Hoe heet hij?”»Charles. Een alleraardigste jongen! Bepaald eenamourvan een ventje. Jammer, dat hij uit is. Maar hij zal wel dadelijk thuiskomen.” De oude heer keek op zijn zakuurwerk.»Zeker, zeker, hij moet spoedig thuiskomen: hij blijft nooit langer dan een uur uit.”Hij stond op en ging naar een der vensters, quasi om uit te kijken.»’t Is mooi weer,” merkte hij als resultaat van zijn waarneming op.[229]Voor den ander bestond hij op dat oogenblik niet. Hij was verbijsterd door den drom van aandoeningen, die de laatste uren gebracht hadden: eerst de schrik van ’t eerste bericht, de plotselinge schipbreuk van zijn geluk, dan de wanhopige gelatenheid van een ter dood veroordeelde, de vreeselijkste onverschilligheid, die zich bij ’t ergste neerlegt, daarop ’t terugzien van Clarine in een toestand en in omstandigheden zoo geheel anders dan hij verwacht had, zijn innige deernis, die alle andere gevoelens, alle overwegingen van eigen belang verdrong, de warme edelmoed, die zijn hart overstroomde, de drang om nog alles te doen, alles te zijn voor die vrouw, die hij daar zoo diep rampzalig zag. Haar leven van schande en zonde telde hij niet, nu hij haar in de oogen gezien had, en er de smeekbede van een eenzame verlatene gelezen had.O, wat moest die vrouw geleden hebben! Wat moest haar ziel smachten naar teederheid, nu ze na jaren van huichelvreugde en schijngenot, eindelijk bij ’t voelen naderen van haar dood met walg het masker had afgeworpen, en daar mat en afgetobd neerlag met niemand dan dien Dauteville tot troost, een vader haar vreemder dan een vreemde! Toch had ze in haar wanhoop zich tot hem gewend, toen de angst voor haar dreigend einde met den dag grooter werd, en haar hart ineenkroop bij de gedachte aan ’t lot van haar kind! Zoo moest het gegaan zijn …En de jonge man voelde bij de gedachte aan dit[230]alles een onuitsprekelijken weedom. Hij zou haar gelukkig maken in de laatste uren van haar leven: hij kòn ’t—dat hadden hem haar oogen gezegd in hun onmiskenbare smachting en vleiing, hij wilde het—dat zeî zijn eigen hart.Na een poos keek hij op.»Gaat u mee?” zei hij tot Dauteville. »We kunnen nu dadelijk van ’t een en ander werk maken. U zal me wel terecht willen helpen? Ik ben hier vrijwel onbekend.”»Zeker, zeker. We kunnen eenfiacrenemen, en ons naar ’thôtel de villelaten rijden. Dat is gauw gedaan.”Zonder door de ziekenkamer te gaan, verliet het tweetal het huis. Clarine bewoonde er twee verdiepingen, de beste.»We vinden de kleine jongen straks bij ’t thuiskomen misschien,” merkte de jongste der beide mannen op bij ’t afgaan der breede trap.»O ja, stellig. O, ’t is eenamourvan een kind!” zei Dauteville. Cornelis’ mond vertoonde even een vluchtige samentrekking, en zijn wenkbrauwen fronsten zich.»Hm,” bromde hij.Ze stapten weldra in een huurrijtuig, en een uur later vernamen zij, na de noodige besprekingen, dat de huwelijksvoltrekking onmogelijk dien dag plaats kon hebben: de Fransche wet stond bij uitzondering toe, dat die drie dagen na de eerste afkondiging geschiedde.[231]»Ezel!” bromde Cornelis. »Ik had daar wel aan kunnen denken alsrechtsgeleerde”!Wederzijdsche stukken waren anders aanwezig: Cornelis had de zijne meegebracht en verwonderde zich niets over Dauteville’s voorzorg in de aangelegenheid. ’t Eenige was, nu zich tevreden te stellen met een kerkelijk huwelijk. De priester zou strafbaar wezen. Goed, maar wie zou er ooit achter komen? Men zou de zaak geheim houden, en al was zulk een huwelijk niet geldig voor de wet, in Godsnaam: dan was althans Clarine gerust, en kon ze gelaten en tevreden sterven.Dauteville te vragen om zulk een inzegening vond Cornelis al te stuitend. Neen, ’t moet een ander wezen: Een Roomsch-Katholiek priester. Clarine zou daar zeker niet tegen hebben indieomstandigheden. En zijn jongen zou hij mee naar Holland nemen en zoo spoedig mogelijk erkennen. Dat was toch ’t voornaamste. Clarine had zich naar alle menschelijke berekening nog slechts te verantwoorden tegenover God … ’t Toeval wilde, dat Cornelis, hierover nadenkende, zich den naam herinnerde van een ouden priester te Parijs, dien hij op zijn reizen had leeren kennen: dien moest hij zien te vinden …Op den terugrit was Cornelis stil, terwijl Dauteville telkens moeite had om zijn opborrelende welsprekendheid onder de kurk te houden.Een blik op ’t stroeve gezicht van zijn aanstaanden schoonzoon[232]was dan voldoende om de bruising te doen neerslaan.Cornelis zag op tegen de plechtigheid, die hij door zou moeten worstelen, het uur van gemoedsbedwang, dat hem wachtte straks in ’t bijzijn van den priester. En dat terwijl hij bij de gedachte aan haar lijden angstig de minuten zag heensnellen, de kostbare minuten, die haar nog restten, en waarin hij al de teederheid woû uitstorten waartoe zijn hart in staat was!Thuisgekomen zette hij Dauteville af, en reed alleen naar de woning van den priester. Hij had er Dauteville niets van gezegd. Hij deed trouwens alles dien morgen alsof die man nauwelijks bestond. En dat volkomen natuurlijk en onwillekeurig. Na eenig zoeken gelukte het Cornelis l’abbé Fabre te vinden. De man was dadelijk bereid mee te gaan.En om drie uur in den namiddag had ’t ceremoniëel plaats. Tegenover den waardigen priester beloofde ’t paar elkaar trouw. Zij had na een korten sluimer gedurende de afwezigheid van Cornelis naar haar zoontje gevraagd, en ook naar »Monsieur.” En toen deze thuiskwam, vond hij Clarine met het kind naast haar bed. Hij had het ventje in zijn armen genomen, het met aandoening gekust, en was met hem weer op zijn oude plaats bij ’t bed gaan zitten. En Clarine had weer denzelfden blik op hem gevestigd als te voren, schoon ditmaal rustiger glans, en allengs was er een uitdrukking van kinderlijk geluk op haar trekken[233]gekomen. Die was er gebleven gedurende de plechtigheid, en toen ze Cornelis’ hand zacht drukte bij de inzegening van den priester was ze volkomen kalm. En hij, de sterke gezonde en mannelijke, kon zijn tranen niet inhouden!Zij zaten nog hand in hand, toen ze alleen waren, man,vrouw en kind. En de kleine Charles, een teer kereltje met fijne blonde krulletjes en zijn moeders groote donkere oogen, leunde vleiend tegen zijn knie, spelend met zijn horlogeketting. Ze zaten daar alleen, omdat Dauteville en de kindermeid heengegaan waren. Cornelis was blij, dat ze beiden weg waren. Hij had gemelijk geluisterd naar ’s ouden heers zalvende woorden, die ook deze van zijn kant niet nalaten kon te spreken, toen de priester gesproken had.En in gedachten doorliep de jonge man nog eens de zonderlinge plechtigheid van zooeven. De ziekenkamer was als een kerk geweest. Men had er zacht, schier fluisterend gesproken; de menschen waren gekomen, hadden zich bewogen en waren heengegaan als spookachtige wezens in ’t flauw verlichte vertrek. Allen waren onder den indruk geweest, zelfs de spotlustige jonge kindermeid, voor wie anders weinig heilig was. De huwelijksvoltrekking eener beruchtedemi-mondainehad haar ontzag voor lijden en opoffering ingeboezemd.Op de tafel vlak bij ’t ledikant stond een sierlijke vaas vol rozen, donkere roode rozen, fraai geschikt[234]in rijken overvloed. ’t Was een attentie van Cornelis geweest. Hij kende haar voorliefde voor donkerroode rozen: hij herinnerde zich die nog levendig. Ze had hem beloond met een lach van erkentelijkheid.En ze zaten daar hand in hand, beiden zwijgend, zij rustig genietend van den aanblik zijner trekken, thans zoo anders dan vroeger, en toch dezelfde, die ze eens liefgehad had. En die ze nòg liefhad—op haar wijze, goed,—maar thans met even heilige liefde als welke ook ter wereld. Haar hart was er vol van, neen, haar gansche wezen. Ze leefde geheel in die liefde. Ze was er gelukkig in, en wilde aan niets, aan niets anders denken. Ze voelde zich als een kind—rein en gelukkig als een kind—in heerlijke illusie verheven boven al het slijk van haar verleden. Dat verleden bestond voor haar niet meer. Ze wilde in dien zoeten waanzin van ’t heden sterven, en de hand, die ze drukte, was haar een steun, dien ze angstvallig bij haar hield. ’t Was als zou bij ’t ontglippen van die hand de begoocheling verdwijnen, als zou ze dan terugzinken in een oceaan van wanhoop.Bij hem maakte haar wondere gelatenheid en extatische kalmte de deernis grooter. En ook de vrees voor een spoedig einde … ’t Kon niet lang meer duren. Hoe lang nog? vroeg hij zich telkens af, en de angstige onzekerheid verdubbelde zoo mogelijk den drang van zijn hart, om haar te overstelpen met zijn teederheid.[235]»Ben je nu gelukkig, Clarine?” En hij boog zich over haar heen, en kuste haar, kiesch en eerbiedig.Ze sloeg haar arm om zijn hals.»Liefste,” fluisterde ze in zijn oor.Toen ze in zijn trouwe oogen keek, daar vlak bij haar, was ’t of haar blik er al de teederheid uit wegdronk. En een tinteling van innig welbehagen voer door haar leden.Op eens voelde de jonge man, nog in dezelfde houding over haar heen gebogen, haar arm krampachtig drukken. Met de andere hand greep ze hem aan den bovenarm, haar oogen puilden uit, haar gansche gelaat nam een uitdrukking van doodelijken angst aan, die hem deed ijzen. De druk en ’t angstig klemmen werden aanhoudend erger, heviger.»Cor! Cor! Blijf bij me, blijf bij me!” hijgde ze, in radelooze benauwdheid.Als versteend zag Cornelis haar vreeselijk lijden.»Clarine, in Godsnaam …” stamelde hij buiten zichzelven. En plotseling ’t ergste vreezend, kreet hij zoo hard hij kon:»Meneer Dauteville!”De geroepene en de kindermeid kwamen toeloopen, met dwaze verschrikte gezichten.Toen ze bij ’t bed kwamen, zagen ze Cornelis zich zacht losmaken uit de omhelzing, waarin Clarine hem eenige minuten gehouden had. ’t Kostte hem geringe moeite. Eerbiedig legde hij haar hoofd[236]op ’t kussen, haar handen op het dek. Een oogenblik staarde hij met wilden blik op de verglaasde oogen. Daarna liet hij zich in den stoel bij ’t bed vallen, en bedekte het gelaat met beide handen.»Papa, papa!” riep de kleine knaap, die een poos verbluft had staan kijken. »Tu as fait mal à Maman!” Hartstochtelijk schreiend wierp het kind zich tegen ’t bed.De keukenmeid trad naderbij. »Mon Dieu, mon Dieu!” riep ze.Dauteville trok aan zijn snor, en keek zot …. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .Ongeveer een jaar later kwam op een avond Cornelis Udoma boven in zijn woning in den Haag, om een kijkje te nemen in ’t slaapkamertje van zijn zoontje Charles.»Waarom kom je niet beneden, vrouwtje?” vroeg hij op gedempten toon. »Slaapt de kleine vent nòg niet?”Zijn vrouw stond eenigszins verrast uit haar stoel bij ’t kinderbedje op.»Zeker, hij slaapt,” antwoordde ze zacht. »Ik was in gedachten. Kom, ik ga met je mee.”»Waar dacht je zoo aan, Laur?”»’t Is éen October, de sterfdag van Clarine … Arme vrouw!”Hij antwoordde niet, maar sloeg zijn eenen arm om haar middel, en troonde haar mee de trap af. Droomerig sprekend hervatte zij: »Ik dacht aan ons[237]aardig kereltje, en wat er van hem geworden zou zijn, als … als …”»Als die nare roman niet met ons huwelijk geëindigd was …”Hij besefte al de teederheid harer toewijding aan zijn kind.»Dat meen ik niet,” zei ze. »En bovendien, geëindigd is die roman niet. ’t Is immers maar de opzet voor wat komen moet …”Er volgde een stilte vol weemoed, die hen vergezelde tot in de helder verlichte smaakvolle gezellige huiskamer. Maar ’t was een weemoed zonder bitterheid, die hen de heiligheid hunner voornemens dieper deed beseffen.En hun toekomst lag vóor hen in haar grootschen ernst.De doode had hen opnieuw vervuld met liefde voor ’t leven, dat ze in volmaakte samenwerking wilden doorbrengen.[239]
[Inhoud]XIV.Een einde en een begin.Eentonig, zacht en vol weemoed klonk een eigenaardig wiegelied door het groote weelderige slaapvertrek. De zware overgordijnen aan de beide vensters hingen bijna dicht, in breede plooien, zoodat het middaglicht slechts schaars kon binnendringen.De kamer was vol van den weemoed van ’t lied: ’t zweefde langs en over het prachtige gebeeldhouwde bed, onder de hooge roze zijden bedgordijnen, langs de sierlijke toilettafel vol kristal en zilver, langs de »psyche” en de fraaie meubels, langs gasluchter en wandsieraad.En de weemoed lag op de matte trekken der lijderes in ’t bed, waar op ’t kantenomboorde hoofdkussen de donkere haren wanordelijk een achtergrond gaven aan de marineren bleekheid van gelaat en handen; waar een arm menschenkind, moê van leven, van zonde en ellende, zich koesterde aan de illusie door ’t lied gewekt. Ze leefde terug in een ver, ver verleden, zoo ver, als ze nooit vermoed had, dat haar herinneringen gaan konden.En dezelfde weemoed zetelde op ’t gelaat van[218]den ouden man, den grijsaard, die voorovergebogen op een stoel zat, naast het groote bed, met de eene hand onder ’t hoofd. Hij zingt met loome volharding een kinderdeun, die ook bij hem herinneringen wakker roept.Bij ’t deinen van ’t eentonig, zinledig[[audio/mpeg]|MuseScore]rijzen vergeten gewaande beelden en tooneelen uit de schuilhoeken van zijn wezen op vóor zijn geest. Hij ziet zijn jonge vrouw, ’s nachts met grenzeloos geduld op en neer stappend door de slaapkamer in hun woning te Batavia, neuriënd dit nooit eindigende lied, zoo vleiend sussend als wellicht geen ander ter wereld, om ’t kind in haar draagdoek te doen insluimeren. Hij hoort ’t klikken van haar slofjes, ziet de droomerige uitdrukking in haar donkere oogen, den ietwat pruilenden kleinen mond, haar gansche typische verschijning in ’t net Indisch nachtgewaad. Hij hoort ’tnina, ninain eindelooze herhaling voortklinken, en vergeet schier, dat hij zelf zingtNu en dan werpt hij een blik op ’t gelaat van zijn dochter, daar in ’t bed. En als hij dan even[219]ophoudt te zingen, slaat zij de oogen op. Hun blikken ontmoeten elkaar een seconde. Mat sluit ze dan weer haar oogleden, en zegt, nauw hoorbaar:»Toe, Pa, doorzingen …”De oude man zucht dan, en hervat den dommeldeun van straks.’t Was een gril van haar als zooveel andere in haar ziekte. Hij had ze verdragen, en eraan toegegeven zooveel hij kon, met gelatenheid. Hij was sinds dagen al versuft, en in de laatste maanden bepaald ouder geworden, veel ouder. Bijna drie maanden geleden had zijn verloren gewaande dochter Clarine—na hun scheiding voor ’t eerst—iets van zich laten hooren. Hij had haar afgezworen, voor goed, meende hij vast en stellig. Gewetenswroeging over zijn ruw optreden, hun vijandig vaneengaan, had hij maar zeer weinig gehad. Toen hij haar dreigde geen centime te zullen zenden, als ze niet kwam, waar hij heenging, had hij niet gedacht, dat ze koppig zou blijven weigeren. En toen hij niets vernemende en ongerust geworden, na een week weder uit Parijs te Sainte-Marie de Ardennes kwam, vond hij tot zijn verbazing het huisje door haar verlaten: ze was met haar kind vertrokken, vertelde Père François, maar hij kon hem niet zeggen waarheen. Toen Dauteville eindelijk, ruim drie jaar na hun scheiding, een wanhopigen brief van Clarine ontving, waarin deze meldde, dat ze in ’t laatste[220]stadium van longtering lag, en vóor haar dood hem wenschte te zien, had er iets in ’t gemoed van den verstokten wellusteling plaats, dat wel wroeging zou kunnen genoemd worden. Toen hij Clarine terugzag in al de weelde harer omgeving, en als oude lichtmis gemakkelijk allerlei kenteekenen van haar verguld verval opmerkte, kwam bij die wroeging schaamte, een gevoel van vernedering, dat hem ellendig stemde. Eindelijk volmaakte het besef zijner verantwoordelijkheid tegenover haar kind, dat anders binnen kort onverzorgd zou achterblijven, de verwarring in zijn aandoeningen. Hij wist geen raad, en ’t vele denken en tobben over zijn toestand maakte hem suf. In ’t eerste had hij nog eenige hoop, dat Clarine genezen zou. Hij wenschte ’t haar van harte toe, zeker: hij had echt medelijden met haar, en zou zien, dat hij een nieuw leven met haar begon. Maar dan dacht hij aan haar kind zonder naam, dat levend bewijs zijner schande … Hij zou weer moeten heengaan, weg uit Parijs, waar zijn dochter een weinig benijdenswaardigen roep in zekere wereld had, waar ze bekend was, als een der toongeefsters in die wereld … Te denken, dat hij en zij daar zoo lang achtereen bij elkaar en onbewust van elkaar voortgeleefd hadden! En als ze niet genas,—’t arme kind—zou hij toch opgescheept zitten met dat wicht!Mon Dieu, ’t was om gansch van streek te raken voor zijn zoo weinig beproefd brein! Veel denken kòn hij niet: praten, rhetorischen[221]klikklak afdreunen, en over aardsche beslommeringen zoo luchtig mogelijk heenloopen, daar was die hersenmachine op ingericht. Wroeging, zonde, vergelding waren altijd woorden voor hem geweest,—of weinig meer—nu begonnen die klanken beteekenis voor hem te krijgen. En, vreemd, ’t was of ze hem toegrauwden uit zijn eigen mond, want in de nachtelijke stilte of bij ’t ziekbed verrees zijn eigen beeld uit vroeger jaren, uit den tijd zijner redenaars-triomfen, toen hij zoo indrukwekkend die woorden »zonde” en »wroeging” en »vergelding” over zijn verrukte hoorders kon laten schallen. En nu drongen ze diep in zijn eigen ziel, greinzend, spottend, dreigend, dat hij er naar van werd.Clarine werd niet beter: ze werd erger en erger, en Dauteville werd van dag tot dag somberder, suffer. Niet in staat, om haar zelf op te passen, had hij een verpleegster laten komen. Deze kwam ’s avonds vroeg, en ging ’s morgens vrij laat weg. Voor den kleinen jongen zorgde een kindermeisje. Hij zelf keek er nauwelijks naar om. Hij had nooit goed met kinderen kunnen omgaan, en dit kind maakte hem zenuwachtig. Hij was er schuw voor, en verheugde zich, wanneer het aan zijn gezicht onttrokken was.In al ’t gesuf des zwaarbeproefden kwam een licht van helder denken, toen hij op een goeden dag den inval kreeg, dat wellicht voor alles nog redding bestond. Hij dacht aan Cornelis Udoma.[222]Een courantenbericht, waarin zijn naam voorkwam, had zijn gedachtenloop weder een bepaalde richting gegeven.O, van dien kant daagde misschien verlossing uit zijn hachelijken toestand! Die Cornelis was zoo’n edelmoedige jonge man. Hij wist van zijn optreden tegenover Clarine, van zijn vergeefsche poging, om zoo goed hij kon haar eer te herstellen. Wat had hij, daarvan hoorende, geraasd en getierd! Dat tooneel had hun scheiding verhaast, en haar met dubbele bitterheid tegen haar vader vervuld. Waarom zou hij thans niet een kansje kunnen wagen? Cornelis had een medelijdend hart, en zou zeker overkomen. Eenmaal overgekomen, zou hij wel voor meer te vinden zijn. Een huwelijk gesloten aan Clarine’s ziekbed—sterfbed misschien? zou veel goedmaken …En zij? Zou zij willen? Hij vreesde voor verzet, maar rekende op den bijstand van Cornelis. Trouwens … zou dat verzet, zoo kort vóor haar dood, wel groot kunnen wezen? Ze wist, dat ze hopeloos lag, ze was gelaten en stil; onherkenbaar schier in haar gansche persoonlijkheid, zoo had het lijden zijn werking doen gevoelen.Dauteville schreef een brief, en zond dien naar den Haag. Ofschoon ’t adres geen straat vermeldde, zou er wel geen vergissing plaats hebben: er was maar éen Udoma in den Haag, en die was bekend genoeg.[223]Hij wachtte dus. Er zou zeker een brief komen als antwoord op de zijne, of Cornelis zou zelf verschijnen. Dauteville verwonderde zich daarom, toen hij noch ’t een, noch ’t ander zag gebeuren, en er lagen reeds twee etmalen tusschen toen en nu …En hij zat uit den treure te neuriën … Dat lied daar in die ziekenkamer klonk zoo naargeestig, zoo akelig in de doodsche stilte, die er heerschte.Telkens had hij zichzelven afgevraagd, of ’t niet beter was Clarine voor te bereiden op Udoma’s komst; maar ’t kwam hem voor, dat het beter was haar bij overrompeling te treffen. Voorbereiding zou haar zenuwachtig maken misschien. Neen, ze moest maar gelooven, dat Cornelis uit eigen beweging, geheel uit eigen beweging kwam. Hij had in dien geest geschreven.Er werd zacht aan de deur geklopt. Dauteville schrok op uit zijn gemijmer. Hij stond op, en deed zelf de deur open.»Clarine,” zei hij een oogenblik later met een kaartje in de hand, en weer bij ’t bed, »daar is Cornelis Udoma, verbeeld je! Die woû je zoo graag eens zien … Je wilt hem zeker nu niet ontvangen, wel?…”»Och, waarom niet?” Er klonk iets doodelijk vermoeids en mats in haar stem. Toch waren haar bleeke wangen rood geworden, en lag er een verhoogde schittering in den blik, die ze vol op haar vader richtte.»Laat hem boven komen.”[224]Dauteville wist niet wat hij ervan denken moest. Enfin, hij waagde ’t erop:»Laat mijnheer boven komen!” En, tot zijn dochter gewend:»Vreemd, nie’ waar? En toch … ’t is een edelmoedige, brave jongen die Cornelis, eencoeur d’or… O, Clarine …!Een ongeduldige beweging der gestalte in bed deed hem ophouden. Ze staarde hem steeds aan … Wat waren die oogen akelig groot en schitterend!Cornelis trad op zijn teenen binnen, aarzelend, vreemd te moede. Hij boog even voor Dauteville zonder een woord. Deze bood hem dadelijk een stoel bij ’t bed. Hij lette er niet op, en trad op de zieke toe. Clarine verroerde zich niet. Haar groote hol liggende oogen hadden den blik naar hem gewend, en staarden hem aan.Cornelis wilde spreken, maar ’t was hem onmogelijk. Die blik vol stille smeeking, en dan … het bijzijn van dien man met zijn conventioneele vriendelijkheid en vormelijkheid, met de komische deerniswaardige uitdrukking op zijn oud Don Juan’s gezicht, die elegante bouwval met glimmenden schedel en een fraaien, nu wat verfomfaaiden grijzen knevel, waaraan hij telkens plukte … ’t Was hem te machtig.Dauteville zag zijn verlegenheid:»U neemt me zeker niet kwalijk, Mijnheer Udoma?” zei hij hoffelijk en verdween door een zijdeur.De jonge man voelde zich op eens opgelucht.[225]»Clarine, heb jenuvertrouwen in me?” vroeg hij met innige ontroering.Ze antwoordde niet, verroerde zich zelfs niet, en haar oogen bleven staren; maar hij zag dat ze vochtig werden. Wat zeide die blik met de indroevige smeeking? Wilde ze al de gedachten en aandoeningen van zijn gelaat weglezen, zoeken naar een spoor van minachting voor haar leven, waarvan dit het einde was? Hij geloofde ’t niet. Hij wilde gelooven, dat ze nu boven dat leven stond, nu in deze laatste oogenblikken. ’t Wàren immers oogenblikken: ze kon ’t niet lang meer maken. Ze moest nu terugzien op al de beroeringen van ’t verleden met de gelatenheid van iemand, die afgerekend heeft met deze wereld, zonder wantrouwen en zonder hartstochten. En ook de jaloezie zou voor goed geweken zijn.»Ik kom … om alles goed te maken … wat ik aan je misdaan heb … Wil je nu … m’n vrouw worden? Ook voor je kind?”Zij trachtte haar eene hand los te maken van onder de deken. Gretig greep hij de uitgeteerde witte vingers, en drukte ze zacht.Nog steeds sprak zij niet. Er rolden overvloedige tranen langs haar wangen. Een poos zwegen beiden.»Waar is de kleine?” vroeg Cornelis. »Met de meid uit zeker?”Ze knikte. Weer verzonk hij in gedachten.[226]Hij stond steeds in dezelfde houding, vlak bij haar, met het licht der vensters, zoover het door de gordijnen drong, vol op zijn gelaat, zoodat zij ’t goed zien kon. Ze keek hem voortdurend aan.»Je gaat niet meer weg?” zeî ze op eens met inspanning. Niet meer! De jonge man voelde al de bittere zekerheid van een spoedig einde uit die enkele woorden, ’t Kostte hem moeite zich kalm te houden.»Ik blijf hier, natuurlijk …”»Onze huwelijksvoltrekking moet straks … Zoo spoedig mogelijk plaats hebben, Clarine. Alles kan hier gebeuren.”Hij zag dat ze spreken wilde. Maar plotseling overviel haar een vreeselijke hoestbui. Haar gansche lichaam schokte in krampachtige bewegingen. Ze richtte zich op, en tastte naar iets. Hij begreep haar, en hielp haar, met afgewend gelaat, ’t hart vol deernis. Eindelijk viel ze uitgeput achterover, en sloot de oogen.’t Duurde eenige oogenblikken voordat ze eenigermate hersteld was.»Je moet nu nog wat rust nemen, hoor,” zei Cornelis eindelijk, op een toon als sprak hij tot een klein kind. Haar erbarmelijke hulpeloosheid deed hem onwillekeurig dien toon aannemen. »Denk nu maar aan aangename dingen. Straks, als je wat uitgerust bent, kan er voor alles gezorgd worden. Er komt een ambtenaar hier. Alles gaat heel bedaard en kalm. En dan is er niets meer tusschen[227]ons, dat je ontstemmen kan. Je kind is dan voor de heele wereld ’t mijne.”Er vloog een lachje van innige dankbaarheid over Clarine’s trekken.Hij sloeg de hand aan ’t teruggeslagen bedgordijn.»Ik zal dit neerlaten,” zei hij, en haalde het over het hoofdeneind van ’t bed. »Tracht nog wat te slapen.”Ze liet hem begaan.Op zijn teenen ging Cornelis naar de kamer naast het slaapvertrek. Hij vond er den ouden heer Dauteville wezenloos neerzitten in een gemakkelijken stoel, de handen slap neerhangend tusschen de knieën, ’t hoofd voorover: een toonbeeld van verslagenheid.Toen hij den jongen Udoma zag, sprong hij op:»O, Mijnheer Udoma! Een vreeselijke toestand voor een vader nietwaar? U zal me begrijpen. U …”»Spreek u in Godsnaam wat zachter!” viel de ander hem in de rede. »Heeft u haar hooren hoesten?”De ex-domine hief de eene hand hoog op, een theatraal gebaar, dat hem eigen was.»Ik heb gezegd, dat ze wat rust moest nemen. Straks kunnen we ’t een en ander regelen, Mijnheer Dauteville.”»O, zooals u dat goed vindt, Mijnheer Udoma. U wenscht er haast mee te maken, zooals ik zie.”De jonge man keek hem aan.»’t Komt me wel noodig voor,” zei hij zacht.[228]»Voor den kleine jongen zal ik dan natuurlijk verder zorgen.”»O.”’t Was Cornelis onmogelijk met dezen man, wiens zelfzucht en liefdeloosheid hij doorgrondde, anders dan op een toon van zaken-afdoen te spreken. Zijn hart was vol tot berstens toe, en toch sprak hij koel en afgemeten, ’t Was hem, of ’t openbaren van eenige aandoening hier heiligschennis zou wezen.’t Viel den ander bizonder mee, en zijn stemming werd iets beter. Hij voelde zijn gewone spraakzaamheid weer opkomen, maar hield zich in. Nu en dan wierp hij een schuwen, komisch zotten blik op den jongen man, die inmiddels bij hem was komen zitten en in gepeinzen verdiept was.»Ik woû … m’n jongen wel ’s zien,” zei Cornelis na een poos, als vervolgde hij hardop zijn eigen gedachten, en zonder opkijken.»Hoe heet hij?”»Charles. Een alleraardigste jongen! Bepaald eenamourvan een ventje. Jammer, dat hij uit is. Maar hij zal wel dadelijk thuiskomen.” De oude heer keek op zijn zakuurwerk.»Zeker, zeker, hij moet spoedig thuiskomen: hij blijft nooit langer dan een uur uit.”Hij stond op en ging naar een der vensters, quasi om uit te kijken.»’t Is mooi weer,” merkte hij als resultaat van zijn waarneming op.[229]Voor den ander bestond hij op dat oogenblik niet. Hij was verbijsterd door den drom van aandoeningen, die de laatste uren gebracht hadden: eerst de schrik van ’t eerste bericht, de plotselinge schipbreuk van zijn geluk, dan de wanhopige gelatenheid van een ter dood veroordeelde, de vreeselijkste onverschilligheid, die zich bij ’t ergste neerlegt, daarop ’t terugzien van Clarine in een toestand en in omstandigheden zoo geheel anders dan hij verwacht had, zijn innige deernis, die alle andere gevoelens, alle overwegingen van eigen belang verdrong, de warme edelmoed, die zijn hart overstroomde, de drang om nog alles te doen, alles te zijn voor die vrouw, die hij daar zoo diep rampzalig zag. Haar leven van schande en zonde telde hij niet, nu hij haar in de oogen gezien had, en er de smeekbede van een eenzame verlatene gelezen had.O, wat moest die vrouw geleden hebben! Wat moest haar ziel smachten naar teederheid, nu ze na jaren van huichelvreugde en schijngenot, eindelijk bij ’t voelen naderen van haar dood met walg het masker had afgeworpen, en daar mat en afgetobd neerlag met niemand dan dien Dauteville tot troost, een vader haar vreemder dan een vreemde! Toch had ze in haar wanhoop zich tot hem gewend, toen de angst voor haar dreigend einde met den dag grooter werd, en haar hart ineenkroop bij de gedachte aan ’t lot van haar kind! Zoo moest het gegaan zijn …En de jonge man voelde bij de gedachte aan dit[230]alles een onuitsprekelijken weedom. Hij zou haar gelukkig maken in de laatste uren van haar leven: hij kòn ’t—dat hadden hem haar oogen gezegd in hun onmiskenbare smachting en vleiing, hij wilde het—dat zeî zijn eigen hart.Na een poos keek hij op.»Gaat u mee?” zei hij tot Dauteville. »We kunnen nu dadelijk van ’t een en ander werk maken. U zal me wel terecht willen helpen? Ik ben hier vrijwel onbekend.”»Zeker, zeker. We kunnen eenfiacrenemen, en ons naar ’thôtel de villelaten rijden. Dat is gauw gedaan.”Zonder door de ziekenkamer te gaan, verliet het tweetal het huis. Clarine bewoonde er twee verdiepingen, de beste.»We vinden de kleine jongen straks bij ’t thuiskomen misschien,” merkte de jongste der beide mannen op bij ’t afgaan der breede trap.»O ja, stellig. O, ’t is eenamourvan een kind!” zei Dauteville. Cornelis’ mond vertoonde even een vluchtige samentrekking, en zijn wenkbrauwen fronsten zich.»Hm,” bromde hij.Ze stapten weldra in een huurrijtuig, en een uur later vernamen zij, na de noodige besprekingen, dat de huwelijksvoltrekking onmogelijk dien dag plaats kon hebben: de Fransche wet stond bij uitzondering toe, dat die drie dagen na de eerste afkondiging geschiedde.[231]»Ezel!” bromde Cornelis. »Ik had daar wel aan kunnen denken alsrechtsgeleerde”!Wederzijdsche stukken waren anders aanwezig: Cornelis had de zijne meegebracht en verwonderde zich niets over Dauteville’s voorzorg in de aangelegenheid. ’t Eenige was, nu zich tevreden te stellen met een kerkelijk huwelijk. De priester zou strafbaar wezen. Goed, maar wie zou er ooit achter komen? Men zou de zaak geheim houden, en al was zulk een huwelijk niet geldig voor de wet, in Godsnaam: dan was althans Clarine gerust, en kon ze gelaten en tevreden sterven.Dauteville te vragen om zulk een inzegening vond Cornelis al te stuitend. Neen, ’t moet een ander wezen: Een Roomsch-Katholiek priester. Clarine zou daar zeker niet tegen hebben indieomstandigheden. En zijn jongen zou hij mee naar Holland nemen en zoo spoedig mogelijk erkennen. Dat was toch ’t voornaamste. Clarine had zich naar alle menschelijke berekening nog slechts te verantwoorden tegenover God … ’t Toeval wilde, dat Cornelis, hierover nadenkende, zich den naam herinnerde van een ouden priester te Parijs, dien hij op zijn reizen had leeren kennen: dien moest hij zien te vinden …Op den terugrit was Cornelis stil, terwijl Dauteville telkens moeite had om zijn opborrelende welsprekendheid onder de kurk te houden.Een blik op ’t stroeve gezicht van zijn aanstaanden schoonzoon[232]was dan voldoende om de bruising te doen neerslaan.Cornelis zag op tegen de plechtigheid, die hij door zou moeten worstelen, het uur van gemoedsbedwang, dat hem wachtte straks in ’t bijzijn van den priester. En dat terwijl hij bij de gedachte aan haar lijden angstig de minuten zag heensnellen, de kostbare minuten, die haar nog restten, en waarin hij al de teederheid woû uitstorten waartoe zijn hart in staat was!Thuisgekomen zette hij Dauteville af, en reed alleen naar de woning van den priester. Hij had er Dauteville niets van gezegd. Hij deed trouwens alles dien morgen alsof die man nauwelijks bestond. En dat volkomen natuurlijk en onwillekeurig. Na eenig zoeken gelukte het Cornelis l’abbé Fabre te vinden. De man was dadelijk bereid mee te gaan.En om drie uur in den namiddag had ’t ceremoniëel plaats. Tegenover den waardigen priester beloofde ’t paar elkaar trouw. Zij had na een korten sluimer gedurende de afwezigheid van Cornelis naar haar zoontje gevraagd, en ook naar »Monsieur.” En toen deze thuiskwam, vond hij Clarine met het kind naast haar bed. Hij had het ventje in zijn armen genomen, het met aandoening gekust, en was met hem weer op zijn oude plaats bij ’t bed gaan zitten. En Clarine had weer denzelfden blik op hem gevestigd als te voren, schoon ditmaal rustiger glans, en allengs was er een uitdrukking van kinderlijk geluk op haar trekken[233]gekomen. Die was er gebleven gedurende de plechtigheid, en toen ze Cornelis’ hand zacht drukte bij de inzegening van den priester was ze volkomen kalm. En hij, de sterke gezonde en mannelijke, kon zijn tranen niet inhouden!Zij zaten nog hand in hand, toen ze alleen waren, man,vrouw en kind. En de kleine Charles, een teer kereltje met fijne blonde krulletjes en zijn moeders groote donkere oogen, leunde vleiend tegen zijn knie, spelend met zijn horlogeketting. Ze zaten daar alleen, omdat Dauteville en de kindermeid heengegaan waren. Cornelis was blij, dat ze beiden weg waren. Hij had gemelijk geluisterd naar ’s ouden heers zalvende woorden, die ook deze van zijn kant niet nalaten kon te spreken, toen de priester gesproken had.En in gedachten doorliep de jonge man nog eens de zonderlinge plechtigheid van zooeven. De ziekenkamer was als een kerk geweest. Men had er zacht, schier fluisterend gesproken; de menschen waren gekomen, hadden zich bewogen en waren heengegaan als spookachtige wezens in ’t flauw verlichte vertrek. Allen waren onder den indruk geweest, zelfs de spotlustige jonge kindermeid, voor wie anders weinig heilig was. De huwelijksvoltrekking eener beruchtedemi-mondainehad haar ontzag voor lijden en opoffering ingeboezemd.Op de tafel vlak bij ’t ledikant stond een sierlijke vaas vol rozen, donkere roode rozen, fraai geschikt[234]in rijken overvloed. ’t Was een attentie van Cornelis geweest. Hij kende haar voorliefde voor donkerroode rozen: hij herinnerde zich die nog levendig. Ze had hem beloond met een lach van erkentelijkheid.En ze zaten daar hand in hand, beiden zwijgend, zij rustig genietend van den aanblik zijner trekken, thans zoo anders dan vroeger, en toch dezelfde, die ze eens liefgehad had. En die ze nòg liefhad—op haar wijze, goed,—maar thans met even heilige liefde als welke ook ter wereld. Haar hart was er vol van, neen, haar gansche wezen. Ze leefde geheel in die liefde. Ze was er gelukkig in, en wilde aan niets, aan niets anders denken. Ze voelde zich als een kind—rein en gelukkig als een kind—in heerlijke illusie verheven boven al het slijk van haar verleden. Dat verleden bestond voor haar niet meer. Ze wilde in dien zoeten waanzin van ’t heden sterven, en de hand, die ze drukte, was haar een steun, dien ze angstvallig bij haar hield. ’t Was als zou bij ’t ontglippen van die hand de begoocheling verdwijnen, als zou ze dan terugzinken in een oceaan van wanhoop.Bij hem maakte haar wondere gelatenheid en extatische kalmte de deernis grooter. En ook de vrees voor een spoedig einde … ’t Kon niet lang meer duren. Hoe lang nog? vroeg hij zich telkens af, en de angstige onzekerheid verdubbelde zoo mogelijk den drang van zijn hart, om haar te overstelpen met zijn teederheid.[235]»Ben je nu gelukkig, Clarine?” En hij boog zich over haar heen, en kuste haar, kiesch en eerbiedig.Ze sloeg haar arm om zijn hals.»Liefste,” fluisterde ze in zijn oor.Toen ze in zijn trouwe oogen keek, daar vlak bij haar, was ’t of haar blik er al de teederheid uit wegdronk. En een tinteling van innig welbehagen voer door haar leden.Op eens voelde de jonge man, nog in dezelfde houding over haar heen gebogen, haar arm krampachtig drukken. Met de andere hand greep ze hem aan den bovenarm, haar oogen puilden uit, haar gansche gelaat nam een uitdrukking van doodelijken angst aan, die hem deed ijzen. De druk en ’t angstig klemmen werden aanhoudend erger, heviger.»Cor! Cor! Blijf bij me, blijf bij me!” hijgde ze, in radelooze benauwdheid.Als versteend zag Cornelis haar vreeselijk lijden.»Clarine, in Godsnaam …” stamelde hij buiten zichzelven. En plotseling ’t ergste vreezend, kreet hij zoo hard hij kon:»Meneer Dauteville!”De geroepene en de kindermeid kwamen toeloopen, met dwaze verschrikte gezichten.Toen ze bij ’t bed kwamen, zagen ze Cornelis zich zacht losmaken uit de omhelzing, waarin Clarine hem eenige minuten gehouden had. ’t Kostte hem geringe moeite. Eerbiedig legde hij haar hoofd[236]op ’t kussen, haar handen op het dek. Een oogenblik staarde hij met wilden blik op de verglaasde oogen. Daarna liet hij zich in den stoel bij ’t bed vallen, en bedekte het gelaat met beide handen.»Papa, papa!” riep de kleine knaap, die een poos verbluft had staan kijken. »Tu as fait mal à Maman!” Hartstochtelijk schreiend wierp het kind zich tegen ’t bed.De keukenmeid trad naderbij. »Mon Dieu, mon Dieu!” riep ze.Dauteville trok aan zijn snor, en keek zot …. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .Ongeveer een jaar later kwam op een avond Cornelis Udoma boven in zijn woning in den Haag, om een kijkje te nemen in ’t slaapkamertje van zijn zoontje Charles.»Waarom kom je niet beneden, vrouwtje?” vroeg hij op gedempten toon. »Slaapt de kleine vent nòg niet?”Zijn vrouw stond eenigszins verrast uit haar stoel bij ’t kinderbedje op.»Zeker, hij slaapt,” antwoordde ze zacht. »Ik was in gedachten. Kom, ik ga met je mee.”»Waar dacht je zoo aan, Laur?”»’t Is éen October, de sterfdag van Clarine … Arme vrouw!”Hij antwoordde niet, maar sloeg zijn eenen arm om haar middel, en troonde haar mee de trap af. Droomerig sprekend hervatte zij: »Ik dacht aan ons[237]aardig kereltje, en wat er van hem geworden zou zijn, als … als …”»Als die nare roman niet met ons huwelijk geëindigd was …”Hij besefte al de teederheid harer toewijding aan zijn kind.»Dat meen ik niet,” zei ze. »En bovendien, geëindigd is die roman niet. ’t Is immers maar de opzet voor wat komen moet …”Er volgde een stilte vol weemoed, die hen vergezelde tot in de helder verlichte smaakvolle gezellige huiskamer. Maar ’t was een weemoed zonder bitterheid, die hen de heiligheid hunner voornemens dieper deed beseffen.En hun toekomst lag vóor hen in haar grootschen ernst.De doode had hen opnieuw vervuld met liefde voor ’t leven, dat ze in volmaakte samenwerking wilden doorbrengen.[239]
XIV.Een einde en een begin.
Eentonig, zacht en vol weemoed klonk een eigenaardig wiegelied door het groote weelderige slaapvertrek. De zware overgordijnen aan de beide vensters hingen bijna dicht, in breede plooien, zoodat het middaglicht slechts schaars kon binnendringen.De kamer was vol van den weemoed van ’t lied: ’t zweefde langs en over het prachtige gebeeldhouwde bed, onder de hooge roze zijden bedgordijnen, langs de sierlijke toilettafel vol kristal en zilver, langs de »psyche” en de fraaie meubels, langs gasluchter en wandsieraad.En de weemoed lag op de matte trekken der lijderes in ’t bed, waar op ’t kantenomboorde hoofdkussen de donkere haren wanordelijk een achtergrond gaven aan de marineren bleekheid van gelaat en handen; waar een arm menschenkind, moê van leven, van zonde en ellende, zich koesterde aan de illusie door ’t lied gewekt. Ze leefde terug in een ver, ver verleden, zoo ver, als ze nooit vermoed had, dat haar herinneringen gaan konden.En dezelfde weemoed zetelde op ’t gelaat van[218]den ouden man, den grijsaard, die voorovergebogen op een stoel zat, naast het groote bed, met de eene hand onder ’t hoofd. Hij zingt met loome volharding een kinderdeun, die ook bij hem herinneringen wakker roept.Bij ’t deinen van ’t eentonig, zinledig[[audio/mpeg]|MuseScore]rijzen vergeten gewaande beelden en tooneelen uit de schuilhoeken van zijn wezen op vóor zijn geest. Hij ziet zijn jonge vrouw, ’s nachts met grenzeloos geduld op en neer stappend door de slaapkamer in hun woning te Batavia, neuriënd dit nooit eindigende lied, zoo vleiend sussend als wellicht geen ander ter wereld, om ’t kind in haar draagdoek te doen insluimeren. Hij hoort ’t klikken van haar slofjes, ziet de droomerige uitdrukking in haar donkere oogen, den ietwat pruilenden kleinen mond, haar gansche typische verschijning in ’t net Indisch nachtgewaad. Hij hoort ’tnina, ninain eindelooze herhaling voortklinken, en vergeet schier, dat hij zelf zingtNu en dan werpt hij een blik op ’t gelaat van zijn dochter, daar in ’t bed. En als hij dan even[219]ophoudt te zingen, slaat zij de oogen op. Hun blikken ontmoeten elkaar een seconde. Mat sluit ze dan weer haar oogleden, en zegt, nauw hoorbaar:»Toe, Pa, doorzingen …”De oude man zucht dan, en hervat den dommeldeun van straks.’t Was een gril van haar als zooveel andere in haar ziekte. Hij had ze verdragen, en eraan toegegeven zooveel hij kon, met gelatenheid. Hij was sinds dagen al versuft, en in de laatste maanden bepaald ouder geworden, veel ouder. Bijna drie maanden geleden had zijn verloren gewaande dochter Clarine—na hun scheiding voor ’t eerst—iets van zich laten hooren. Hij had haar afgezworen, voor goed, meende hij vast en stellig. Gewetenswroeging over zijn ruw optreden, hun vijandig vaneengaan, had hij maar zeer weinig gehad. Toen hij haar dreigde geen centime te zullen zenden, als ze niet kwam, waar hij heenging, had hij niet gedacht, dat ze koppig zou blijven weigeren. En toen hij niets vernemende en ongerust geworden, na een week weder uit Parijs te Sainte-Marie de Ardennes kwam, vond hij tot zijn verbazing het huisje door haar verlaten: ze was met haar kind vertrokken, vertelde Père François, maar hij kon hem niet zeggen waarheen. Toen Dauteville eindelijk, ruim drie jaar na hun scheiding, een wanhopigen brief van Clarine ontving, waarin deze meldde, dat ze in ’t laatste[220]stadium van longtering lag, en vóor haar dood hem wenschte te zien, had er iets in ’t gemoed van den verstokten wellusteling plaats, dat wel wroeging zou kunnen genoemd worden. Toen hij Clarine terugzag in al de weelde harer omgeving, en als oude lichtmis gemakkelijk allerlei kenteekenen van haar verguld verval opmerkte, kwam bij die wroeging schaamte, een gevoel van vernedering, dat hem ellendig stemde. Eindelijk volmaakte het besef zijner verantwoordelijkheid tegenover haar kind, dat anders binnen kort onverzorgd zou achterblijven, de verwarring in zijn aandoeningen. Hij wist geen raad, en ’t vele denken en tobben over zijn toestand maakte hem suf. In ’t eerste had hij nog eenige hoop, dat Clarine genezen zou. Hij wenschte ’t haar van harte toe, zeker: hij had echt medelijden met haar, en zou zien, dat hij een nieuw leven met haar begon. Maar dan dacht hij aan haar kind zonder naam, dat levend bewijs zijner schande … Hij zou weer moeten heengaan, weg uit Parijs, waar zijn dochter een weinig benijdenswaardigen roep in zekere wereld had, waar ze bekend was, als een der toongeefsters in die wereld … Te denken, dat hij en zij daar zoo lang achtereen bij elkaar en onbewust van elkaar voortgeleefd hadden! En als ze niet genas,—’t arme kind—zou hij toch opgescheept zitten met dat wicht!Mon Dieu, ’t was om gansch van streek te raken voor zijn zoo weinig beproefd brein! Veel denken kòn hij niet: praten, rhetorischen[221]klikklak afdreunen, en over aardsche beslommeringen zoo luchtig mogelijk heenloopen, daar was die hersenmachine op ingericht. Wroeging, zonde, vergelding waren altijd woorden voor hem geweest,—of weinig meer—nu begonnen die klanken beteekenis voor hem te krijgen. En, vreemd, ’t was of ze hem toegrauwden uit zijn eigen mond, want in de nachtelijke stilte of bij ’t ziekbed verrees zijn eigen beeld uit vroeger jaren, uit den tijd zijner redenaars-triomfen, toen hij zoo indrukwekkend die woorden »zonde” en »wroeging” en »vergelding” over zijn verrukte hoorders kon laten schallen. En nu drongen ze diep in zijn eigen ziel, greinzend, spottend, dreigend, dat hij er naar van werd.Clarine werd niet beter: ze werd erger en erger, en Dauteville werd van dag tot dag somberder, suffer. Niet in staat, om haar zelf op te passen, had hij een verpleegster laten komen. Deze kwam ’s avonds vroeg, en ging ’s morgens vrij laat weg. Voor den kleinen jongen zorgde een kindermeisje. Hij zelf keek er nauwelijks naar om. Hij had nooit goed met kinderen kunnen omgaan, en dit kind maakte hem zenuwachtig. Hij was er schuw voor, en verheugde zich, wanneer het aan zijn gezicht onttrokken was.In al ’t gesuf des zwaarbeproefden kwam een licht van helder denken, toen hij op een goeden dag den inval kreeg, dat wellicht voor alles nog redding bestond. Hij dacht aan Cornelis Udoma.[222]Een courantenbericht, waarin zijn naam voorkwam, had zijn gedachtenloop weder een bepaalde richting gegeven.O, van dien kant daagde misschien verlossing uit zijn hachelijken toestand! Die Cornelis was zoo’n edelmoedige jonge man. Hij wist van zijn optreden tegenover Clarine, van zijn vergeefsche poging, om zoo goed hij kon haar eer te herstellen. Wat had hij, daarvan hoorende, geraasd en getierd! Dat tooneel had hun scheiding verhaast, en haar met dubbele bitterheid tegen haar vader vervuld. Waarom zou hij thans niet een kansje kunnen wagen? Cornelis had een medelijdend hart, en zou zeker overkomen. Eenmaal overgekomen, zou hij wel voor meer te vinden zijn. Een huwelijk gesloten aan Clarine’s ziekbed—sterfbed misschien? zou veel goedmaken …En zij? Zou zij willen? Hij vreesde voor verzet, maar rekende op den bijstand van Cornelis. Trouwens … zou dat verzet, zoo kort vóor haar dood, wel groot kunnen wezen? Ze wist, dat ze hopeloos lag, ze was gelaten en stil; onherkenbaar schier in haar gansche persoonlijkheid, zoo had het lijden zijn werking doen gevoelen.Dauteville schreef een brief, en zond dien naar den Haag. Ofschoon ’t adres geen straat vermeldde, zou er wel geen vergissing plaats hebben: er was maar éen Udoma in den Haag, en die was bekend genoeg.[223]Hij wachtte dus. Er zou zeker een brief komen als antwoord op de zijne, of Cornelis zou zelf verschijnen. Dauteville verwonderde zich daarom, toen hij noch ’t een, noch ’t ander zag gebeuren, en er lagen reeds twee etmalen tusschen toen en nu …En hij zat uit den treure te neuriën … Dat lied daar in die ziekenkamer klonk zoo naargeestig, zoo akelig in de doodsche stilte, die er heerschte.Telkens had hij zichzelven afgevraagd, of ’t niet beter was Clarine voor te bereiden op Udoma’s komst; maar ’t kwam hem voor, dat het beter was haar bij overrompeling te treffen. Voorbereiding zou haar zenuwachtig maken misschien. Neen, ze moest maar gelooven, dat Cornelis uit eigen beweging, geheel uit eigen beweging kwam. Hij had in dien geest geschreven.Er werd zacht aan de deur geklopt. Dauteville schrok op uit zijn gemijmer. Hij stond op, en deed zelf de deur open.»Clarine,” zei hij een oogenblik later met een kaartje in de hand, en weer bij ’t bed, »daar is Cornelis Udoma, verbeeld je! Die woû je zoo graag eens zien … Je wilt hem zeker nu niet ontvangen, wel?…”»Och, waarom niet?” Er klonk iets doodelijk vermoeids en mats in haar stem. Toch waren haar bleeke wangen rood geworden, en lag er een verhoogde schittering in den blik, die ze vol op haar vader richtte.»Laat hem boven komen.”[224]Dauteville wist niet wat hij ervan denken moest. Enfin, hij waagde ’t erop:»Laat mijnheer boven komen!” En, tot zijn dochter gewend:»Vreemd, nie’ waar? En toch … ’t is een edelmoedige, brave jongen die Cornelis, eencoeur d’or… O, Clarine …!Een ongeduldige beweging der gestalte in bed deed hem ophouden. Ze staarde hem steeds aan … Wat waren die oogen akelig groot en schitterend!Cornelis trad op zijn teenen binnen, aarzelend, vreemd te moede. Hij boog even voor Dauteville zonder een woord. Deze bood hem dadelijk een stoel bij ’t bed. Hij lette er niet op, en trad op de zieke toe. Clarine verroerde zich niet. Haar groote hol liggende oogen hadden den blik naar hem gewend, en staarden hem aan.Cornelis wilde spreken, maar ’t was hem onmogelijk. Die blik vol stille smeeking, en dan … het bijzijn van dien man met zijn conventioneele vriendelijkheid en vormelijkheid, met de komische deerniswaardige uitdrukking op zijn oud Don Juan’s gezicht, die elegante bouwval met glimmenden schedel en een fraaien, nu wat verfomfaaiden grijzen knevel, waaraan hij telkens plukte … ’t Was hem te machtig.Dauteville zag zijn verlegenheid:»U neemt me zeker niet kwalijk, Mijnheer Udoma?” zei hij hoffelijk en verdween door een zijdeur.De jonge man voelde zich op eens opgelucht.[225]»Clarine, heb jenuvertrouwen in me?” vroeg hij met innige ontroering.Ze antwoordde niet, verroerde zich zelfs niet, en haar oogen bleven staren; maar hij zag dat ze vochtig werden. Wat zeide die blik met de indroevige smeeking? Wilde ze al de gedachten en aandoeningen van zijn gelaat weglezen, zoeken naar een spoor van minachting voor haar leven, waarvan dit het einde was? Hij geloofde ’t niet. Hij wilde gelooven, dat ze nu boven dat leven stond, nu in deze laatste oogenblikken. ’t Wàren immers oogenblikken: ze kon ’t niet lang meer maken. Ze moest nu terugzien op al de beroeringen van ’t verleden met de gelatenheid van iemand, die afgerekend heeft met deze wereld, zonder wantrouwen en zonder hartstochten. En ook de jaloezie zou voor goed geweken zijn.»Ik kom … om alles goed te maken … wat ik aan je misdaan heb … Wil je nu … m’n vrouw worden? Ook voor je kind?”Zij trachtte haar eene hand los te maken van onder de deken. Gretig greep hij de uitgeteerde witte vingers, en drukte ze zacht.Nog steeds sprak zij niet. Er rolden overvloedige tranen langs haar wangen. Een poos zwegen beiden.»Waar is de kleine?” vroeg Cornelis. »Met de meid uit zeker?”Ze knikte. Weer verzonk hij in gedachten.[226]Hij stond steeds in dezelfde houding, vlak bij haar, met het licht der vensters, zoover het door de gordijnen drong, vol op zijn gelaat, zoodat zij ’t goed zien kon. Ze keek hem voortdurend aan.»Je gaat niet meer weg?” zeî ze op eens met inspanning. Niet meer! De jonge man voelde al de bittere zekerheid van een spoedig einde uit die enkele woorden, ’t Kostte hem moeite zich kalm te houden.»Ik blijf hier, natuurlijk …”»Onze huwelijksvoltrekking moet straks … Zoo spoedig mogelijk plaats hebben, Clarine. Alles kan hier gebeuren.”Hij zag dat ze spreken wilde. Maar plotseling overviel haar een vreeselijke hoestbui. Haar gansche lichaam schokte in krampachtige bewegingen. Ze richtte zich op, en tastte naar iets. Hij begreep haar, en hielp haar, met afgewend gelaat, ’t hart vol deernis. Eindelijk viel ze uitgeput achterover, en sloot de oogen.’t Duurde eenige oogenblikken voordat ze eenigermate hersteld was.»Je moet nu nog wat rust nemen, hoor,” zei Cornelis eindelijk, op een toon als sprak hij tot een klein kind. Haar erbarmelijke hulpeloosheid deed hem onwillekeurig dien toon aannemen. »Denk nu maar aan aangename dingen. Straks, als je wat uitgerust bent, kan er voor alles gezorgd worden. Er komt een ambtenaar hier. Alles gaat heel bedaard en kalm. En dan is er niets meer tusschen[227]ons, dat je ontstemmen kan. Je kind is dan voor de heele wereld ’t mijne.”Er vloog een lachje van innige dankbaarheid over Clarine’s trekken.Hij sloeg de hand aan ’t teruggeslagen bedgordijn.»Ik zal dit neerlaten,” zei hij, en haalde het over het hoofdeneind van ’t bed. »Tracht nog wat te slapen.”Ze liet hem begaan.Op zijn teenen ging Cornelis naar de kamer naast het slaapvertrek. Hij vond er den ouden heer Dauteville wezenloos neerzitten in een gemakkelijken stoel, de handen slap neerhangend tusschen de knieën, ’t hoofd voorover: een toonbeeld van verslagenheid.Toen hij den jongen Udoma zag, sprong hij op:»O, Mijnheer Udoma! Een vreeselijke toestand voor een vader nietwaar? U zal me begrijpen. U …”»Spreek u in Godsnaam wat zachter!” viel de ander hem in de rede. »Heeft u haar hooren hoesten?”De ex-domine hief de eene hand hoog op, een theatraal gebaar, dat hem eigen was.»Ik heb gezegd, dat ze wat rust moest nemen. Straks kunnen we ’t een en ander regelen, Mijnheer Dauteville.”»O, zooals u dat goed vindt, Mijnheer Udoma. U wenscht er haast mee te maken, zooals ik zie.”De jonge man keek hem aan.»’t Komt me wel noodig voor,” zei hij zacht.[228]»Voor den kleine jongen zal ik dan natuurlijk verder zorgen.”»O.”’t Was Cornelis onmogelijk met dezen man, wiens zelfzucht en liefdeloosheid hij doorgrondde, anders dan op een toon van zaken-afdoen te spreken. Zijn hart was vol tot berstens toe, en toch sprak hij koel en afgemeten, ’t Was hem, of ’t openbaren van eenige aandoening hier heiligschennis zou wezen.’t Viel den ander bizonder mee, en zijn stemming werd iets beter. Hij voelde zijn gewone spraakzaamheid weer opkomen, maar hield zich in. Nu en dan wierp hij een schuwen, komisch zotten blik op den jongen man, die inmiddels bij hem was komen zitten en in gepeinzen verdiept was.»Ik woû … m’n jongen wel ’s zien,” zei Cornelis na een poos, als vervolgde hij hardop zijn eigen gedachten, en zonder opkijken.»Hoe heet hij?”»Charles. Een alleraardigste jongen! Bepaald eenamourvan een ventje. Jammer, dat hij uit is. Maar hij zal wel dadelijk thuiskomen.” De oude heer keek op zijn zakuurwerk.»Zeker, zeker, hij moet spoedig thuiskomen: hij blijft nooit langer dan een uur uit.”Hij stond op en ging naar een der vensters, quasi om uit te kijken.»’t Is mooi weer,” merkte hij als resultaat van zijn waarneming op.[229]Voor den ander bestond hij op dat oogenblik niet. Hij was verbijsterd door den drom van aandoeningen, die de laatste uren gebracht hadden: eerst de schrik van ’t eerste bericht, de plotselinge schipbreuk van zijn geluk, dan de wanhopige gelatenheid van een ter dood veroordeelde, de vreeselijkste onverschilligheid, die zich bij ’t ergste neerlegt, daarop ’t terugzien van Clarine in een toestand en in omstandigheden zoo geheel anders dan hij verwacht had, zijn innige deernis, die alle andere gevoelens, alle overwegingen van eigen belang verdrong, de warme edelmoed, die zijn hart overstroomde, de drang om nog alles te doen, alles te zijn voor die vrouw, die hij daar zoo diep rampzalig zag. Haar leven van schande en zonde telde hij niet, nu hij haar in de oogen gezien had, en er de smeekbede van een eenzame verlatene gelezen had.O, wat moest die vrouw geleden hebben! Wat moest haar ziel smachten naar teederheid, nu ze na jaren van huichelvreugde en schijngenot, eindelijk bij ’t voelen naderen van haar dood met walg het masker had afgeworpen, en daar mat en afgetobd neerlag met niemand dan dien Dauteville tot troost, een vader haar vreemder dan een vreemde! Toch had ze in haar wanhoop zich tot hem gewend, toen de angst voor haar dreigend einde met den dag grooter werd, en haar hart ineenkroop bij de gedachte aan ’t lot van haar kind! Zoo moest het gegaan zijn …En de jonge man voelde bij de gedachte aan dit[230]alles een onuitsprekelijken weedom. Hij zou haar gelukkig maken in de laatste uren van haar leven: hij kòn ’t—dat hadden hem haar oogen gezegd in hun onmiskenbare smachting en vleiing, hij wilde het—dat zeî zijn eigen hart.Na een poos keek hij op.»Gaat u mee?” zei hij tot Dauteville. »We kunnen nu dadelijk van ’t een en ander werk maken. U zal me wel terecht willen helpen? Ik ben hier vrijwel onbekend.”»Zeker, zeker. We kunnen eenfiacrenemen, en ons naar ’thôtel de villelaten rijden. Dat is gauw gedaan.”Zonder door de ziekenkamer te gaan, verliet het tweetal het huis. Clarine bewoonde er twee verdiepingen, de beste.»We vinden de kleine jongen straks bij ’t thuiskomen misschien,” merkte de jongste der beide mannen op bij ’t afgaan der breede trap.»O ja, stellig. O, ’t is eenamourvan een kind!” zei Dauteville. Cornelis’ mond vertoonde even een vluchtige samentrekking, en zijn wenkbrauwen fronsten zich.»Hm,” bromde hij.Ze stapten weldra in een huurrijtuig, en een uur later vernamen zij, na de noodige besprekingen, dat de huwelijksvoltrekking onmogelijk dien dag plaats kon hebben: de Fransche wet stond bij uitzondering toe, dat die drie dagen na de eerste afkondiging geschiedde.[231]»Ezel!” bromde Cornelis. »Ik had daar wel aan kunnen denken alsrechtsgeleerde”!Wederzijdsche stukken waren anders aanwezig: Cornelis had de zijne meegebracht en verwonderde zich niets over Dauteville’s voorzorg in de aangelegenheid. ’t Eenige was, nu zich tevreden te stellen met een kerkelijk huwelijk. De priester zou strafbaar wezen. Goed, maar wie zou er ooit achter komen? Men zou de zaak geheim houden, en al was zulk een huwelijk niet geldig voor de wet, in Godsnaam: dan was althans Clarine gerust, en kon ze gelaten en tevreden sterven.Dauteville te vragen om zulk een inzegening vond Cornelis al te stuitend. Neen, ’t moet een ander wezen: Een Roomsch-Katholiek priester. Clarine zou daar zeker niet tegen hebben indieomstandigheden. En zijn jongen zou hij mee naar Holland nemen en zoo spoedig mogelijk erkennen. Dat was toch ’t voornaamste. Clarine had zich naar alle menschelijke berekening nog slechts te verantwoorden tegenover God … ’t Toeval wilde, dat Cornelis, hierover nadenkende, zich den naam herinnerde van een ouden priester te Parijs, dien hij op zijn reizen had leeren kennen: dien moest hij zien te vinden …Op den terugrit was Cornelis stil, terwijl Dauteville telkens moeite had om zijn opborrelende welsprekendheid onder de kurk te houden.Een blik op ’t stroeve gezicht van zijn aanstaanden schoonzoon[232]was dan voldoende om de bruising te doen neerslaan.Cornelis zag op tegen de plechtigheid, die hij door zou moeten worstelen, het uur van gemoedsbedwang, dat hem wachtte straks in ’t bijzijn van den priester. En dat terwijl hij bij de gedachte aan haar lijden angstig de minuten zag heensnellen, de kostbare minuten, die haar nog restten, en waarin hij al de teederheid woû uitstorten waartoe zijn hart in staat was!Thuisgekomen zette hij Dauteville af, en reed alleen naar de woning van den priester. Hij had er Dauteville niets van gezegd. Hij deed trouwens alles dien morgen alsof die man nauwelijks bestond. En dat volkomen natuurlijk en onwillekeurig. Na eenig zoeken gelukte het Cornelis l’abbé Fabre te vinden. De man was dadelijk bereid mee te gaan.En om drie uur in den namiddag had ’t ceremoniëel plaats. Tegenover den waardigen priester beloofde ’t paar elkaar trouw. Zij had na een korten sluimer gedurende de afwezigheid van Cornelis naar haar zoontje gevraagd, en ook naar »Monsieur.” En toen deze thuiskwam, vond hij Clarine met het kind naast haar bed. Hij had het ventje in zijn armen genomen, het met aandoening gekust, en was met hem weer op zijn oude plaats bij ’t bed gaan zitten. En Clarine had weer denzelfden blik op hem gevestigd als te voren, schoon ditmaal rustiger glans, en allengs was er een uitdrukking van kinderlijk geluk op haar trekken[233]gekomen. Die was er gebleven gedurende de plechtigheid, en toen ze Cornelis’ hand zacht drukte bij de inzegening van den priester was ze volkomen kalm. En hij, de sterke gezonde en mannelijke, kon zijn tranen niet inhouden!Zij zaten nog hand in hand, toen ze alleen waren, man,vrouw en kind. En de kleine Charles, een teer kereltje met fijne blonde krulletjes en zijn moeders groote donkere oogen, leunde vleiend tegen zijn knie, spelend met zijn horlogeketting. Ze zaten daar alleen, omdat Dauteville en de kindermeid heengegaan waren. Cornelis was blij, dat ze beiden weg waren. Hij had gemelijk geluisterd naar ’s ouden heers zalvende woorden, die ook deze van zijn kant niet nalaten kon te spreken, toen de priester gesproken had.En in gedachten doorliep de jonge man nog eens de zonderlinge plechtigheid van zooeven. De ziekenkamer was als een kerk geweest. Men had er zacht, schier fluisterend gesproken; de menschen waren gekomen, hadden zich bewogen en waren heengegaan als spookachtige wezens in ’t flauw verlichte vertrek. Allen waren onder den indruk geweest, zelfs de spotlustige jonge kindermeid, voor wie anders weinig heilig was. De huwelijksvoltrekking eener beruchtedemi-mondainehad haar ontzag voor lijden en opoffering ingeboezemd.Op de tafel vlak bij ’t ledikant stond een sierlijke vaas vol rozen, donkere roode rozen, fraai geschikt[234]in rijken overvloed. ’t Was een attentie van Cornelis geweest. Hij kende haar voorliefde voor donkerroode rozen: hij herinnerde zich die nog levendig. Ze had hem beloond met een lach van erkentelijkheid.En ze zaten daar hand in hand, beiden zwijgend, zij rustig genietend van den aanblik zijner trekken, thans zoo anders dan vroeger, en toch dezelfde, die ze eens liefgehad had. En die ze nòg liefhad—op haar wijze, goed,—maar thans met even heilige liefde als welke ook ter wereld. Haar hart was er vol van, neen, haar gansche wezen. Ze leefde geheel in die liefde. Ze was er gelukkig in, en wilde aan niets, aan niets anders denken. Ze voelde zich als een kind—rein en gelukkig als een kind—in heerlijke illusie verheven boven al het slijk van haar verleden. Dat verleden bestond voor haar niet meer. Ze wilde in dien zoeten waanzin van ’t heden sterven, en de hand, die ze drukte, was haar een steun, dien ze angstvallig bij haar hield. ’t Was als zou bij ’t ontglippen van die hand de begoocheling verdwijnen, als zou ze dan terugzinken in een oceaan van wanhoop.Bij hem maakte haar wondere gelatenheid en extatische kalmte de deernis grooter. En ook de vrees voor een spoedig einde … ’t Kon niet lang meer duren. Hoe lang nog? vroeg hij zich telkens af, en de angstige onzekerheid verdubbelde zoo mogelijk den drang van zijn hart, om haar te overstelpen met zijn teederheid.[235]»Ben je nu gelukkig, Clarine?” En hij boog zich over haar heen, en kuste haar, kiesch en eerbiedig.Ze sloeg haar arm om zijn hals.»Liefste,” fluisterde ze in zijn oor.Toen ze in zijn trouwe oogen keek, daar vlak bij haar, was ’t of haar blik er al de teederheid uit wegdronk. En een tinteling van innig welbehagen voer door haar leden.Op eens voelde de jonge man, nog in dezelfde houding over haar heen gebogen, haar arm krampachtig drukken. Met de andere hand greep ze hem aan den bovenarm, haar oogen puilden uit, haar gansche gelaat nam een uitdrukking van doodelijken angst aan, die hem deed ijzen. De druk en ’t angstig klemmen werden aanhoudend erger, heviger.»Cor! Cor! Blijf bij me, blijf bij me!” hijgde ze, in radelooze benauwdheid.Als versteend zag Cornelis haar vreeselijk lijden.»Clarine, in Godsnaam …” stamelde hij buiten zichzelven. En plotseling ’t ergste vreezend, kreet hij zoo hard hij kon:»Meneer Dauteville!”De geroepene en de kindermeid kwamen toeloopen, met dwaze verschrikte gezichten.Toen ze bij ’t bed kwamen, zagen ze Cornelis zich zacht losmaken uit de omhelzing, waarin Clarine hem eenige minuten gehouden had. ’t Kostte hem geringe moeite. Eerbiedig legde hij haar hoofd[236]op ’t kussen, haar handen op het dek. Een oogenblik staarde hij met wilden blik op de verglaasde oogen. Daarna liet hij zich in den stoel bij ’t bed vallen, en bedekte het gelaat met beide handen.»Papa, papa!” riep de kleine knaap, die een poos verbluft had staan kijken. »Tu as fait mal à Maman!” Hartstochtelijk schreiend wierp het kind zich tegen ’t bed.De keukenmeid trad naderbij. »Mon Dieu, mon Dieu!” riep ze.Dauteville trok aan zijn snor, en keek zot …. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .Ongeveer een jaar later kwam op een avond Cornelis Udoma boven in zijn woning in den Haag, om een kijkje te nemen in ’t slaapkamertje van zijn zoontje Charles.»Waarom kom je niet beneden, vrouwtje?” vroeg hij op gedempten toon. »Slaapt de kleine vent nòg niet?”Zijn vrouw stond eenigszins verrast uit haar stoel bij ’t kinderbedje op.»Zeker, hij slaapt,” antwoordde ze zacht. »Ik was in gedachten. Kom, ik ga met je mee.”»Waar dacht je zoo aan, Laur?”»’t Is éen October, de sterfdag van Clarine … Arme vrouw!”Hij antwoordde niet, maar sloeg zijn eenen arm om haar middel, en troonde haar mee de trap af. Droomerig sprekend hervatte zij: »Ik dacht aan ons[237]aardig kereltje, en wat er van hem geworden zou zijn, als … als …”»Als die nare roman niet met ons huwelijk geëindigd was …”Hij besefte al de teederheid harer toewijding aan zijn kind.»Dat meen ik niet,” zei ze. »En bovendien, geëindigd is die roman niet. ’t Is immers maar de opzet voor wat komen moet …”Er volgde een stilte vol weemoed, die hen vergezelde tot in de helder verlichte smaakvolle gezellige huiskamer. Maar ’t was een weemoed zonder bitterheid, die hen de heiligheid hunner voornemens dieper deed beseffen.En hun toekomst lag vóor hen in haar grootschen ernst.De doode had hen opnieuw vervuld met liefde voor ’t leven, dat ze in volmaakte samenwerking wilden doorbrengen.[239]
Eentonig, zacht en vol weemoed klonk een eigenaardig wiegelied door het groote weelderige slaapvertrek. De zware overgordijnen aan de beide vensters hingen bijna dicht, in breede plooien, zoodat het middaglicht slechts schaars kon binnendringen.
De kamer was vol van den weemoed van ’t lied: ’t zweefde langs en over het prachtige gebeeldhouwde bed, onder de hooge roze zijden bedgordijnen, langs de sierlijke toilettafel vol kristal en zilver, langs de »psyche” en de fraaie meubels, langs gasluchter en wandsieraad.
En de weemoed lag op de matte trekken der lijderes in ’t bed, waar op ’t kantenomboorde hoofdkussen de donkere haren wanordelijk een achtergrond gaven aan de marineren bleekheid van gelaat en handen; waar een arm menschenkind, moê van leven, van zonde en ellende, zich koesterde aan de illusie door ’t lied gewekt. Ze leefde terug in een ver, ver verleden, zoo ver, als ze nooit vermoed had, dat haar herinneringen gaan konden.
En dezelfde weemoed zetelde op ’t gelaat van[218]den ouden man, den grijsaard, die voorovergebogen op een stoel zat, naast het groote bed, met de eene hand onder ’t hoofd. Hij zingt met loome volharding een kinderdeun, die ook bij hem herinneringen wakker roept.
Bij ’t deinen van ’t eentonig, zinledig
[[audio/mpeg]|MuseScore]
[[audio/mpeg]|MuseScore]
rijzen vergeten gewaande beelden en tooneelen uit de schuilhoeken van zijn wezen op vóor zijn geest. Hij ziet zijn jonge vrouw, ’s nachts met grenzeloos geduld op en neer stappend door de slaapkamer in hun woning te Batavia, neuriënd dit nooit eindigende lied, zoo vleiend sussend als wellicht geen ander ter wereld, om ’t kind in haar draagdoek te doen insluimeren. Hij hoort ’t klikken van haar slofjes, ziet de droomerige uitdrukking in haar donkere oogen, den ietwat pruilenden kleinen mond, haar gansche typische verschijning in ’t net Indisch nachtgewaad. Hij hoort ’tnina, ninain eindelooze herhaling voortklinken, en vergeet schier, dat hij zelf zingt
Nu en dan werpt hij een blik op ’t gelaat van zijn dochter, daar in ’t bed. En als hij dan even[219]ophoudt te zingen, slaat zij de oogen op. Hun blikken ontmoeten elkaar een seconde. Mat sluit ze dan weer haar oogleden, en zegt, nauw hoorbaar:
»Toe, Pa, doorzingen …”
De oude man zucht dan, en hervat den dommeldeun van straks.
’t Was een gril van haar als zooveel andere in haar ziekte. Hij had ze verdragen, en eraan toegegeven zooveel hij kon, met gelatenheid. Hij was sinds dagen al versuft, en in de laatste maanden bepaald ouder geworden, veel ouder. Bijna drie maanden geleden had zijn verloren gewaande dochter Clarine—na hun scheiding voor ’t eerst—iets van zich laten hooren. Hij had haar afgezworen, voor goed, meende hij vast en stellig. Gewetenswroeging over zijn ruw optreden, hun vijandig vaneengaan, had hij maar zeer weinig gehad. Toen hij haar dreigde geen centime te zullen zenden, als ze niet kwam, waar hij heenging, had hij niet gedacht, dat ze koppig zou blijven weigeren. En toen hij niets vernemende en ongerust geworden, na een week weder uit Parijs te Sainte-Marie de Ardennes kwam, vond hij tot zijn verbazing het huisje door haar verlaten: ze was met haar kind vertrokken, vertelde Père François, maar hij kon hem niet zeggen waarheen. Toen Dauteville eindelijk, ruim drie jaar na hun scheiding, een wanhopigen brief van Clarine ontving, waarin deze meldde, dat ze in ’t laatste[220]stadium van longtering lag, en vóor haar dood hem wenschte te zien, had er iets in ’t gemoed van den verstokten wellusteling plaats, dat wel wroeging zou kunnen genoemd worden. Toen hij Clarine terugzag in al de weelde harer omgeving, en als oude lichtmis gemakkelijk allerlei kenteekenen van haar verguld verval opmerkte, kwam bij die wroeging schaamte, een gevoel van vernedering, dat hem ellendig stemde. Eindelijk volmaakte het besef zijner verantwoordelijkheid tegenover haar kind, dat anders binnen kort onverzorgd zou achterblijven, de verwarring in zijn aandoeningen. Hij wist geen raad, en ’t vele denken en tobben over zijn toestand maakte hem suf. In ’t eerste had hij nog eenige hoop, dat Clarine genezen zou. Hij wenschte ’t haar van harte toe, zeker: hij had echt medelijden met haar, en zou zien, dat hij een nieuw leven met haar begon. Maar dan dacht hij aan haar kind zonder naam, dat levend bewijs zijner schande … Hij zou weer moeten heengaan, weg uit Parijs, waar zijn dochter een weinig benijdenswaardigen roep in zekere wereld had, waar ze bekend was, als een der toongeefsters in die wereld … Te denken, dat hij en zij daar zoo lang achtereen bij elkaar en onbewust van elkaar voortgeleefd hadden! En als ze niet genas,—’t arme kind—zou hij toch opgescheept zitten met dat wicht!Mon Dieu, ’t was om gansch van streek te raken voor zijn zoo weinig beproefd brein! Veel denken kòn hij niet: praten, rhetorischen[221]klikklak afdreunen, en over aardsche beslommeringen zoo luchtig mogelijk heenloopen, daar was die hersenmachine op ingericht. Wroeging, zonde, vergelding waren altijd woorden voor hem geweest,—of weinig meer—nu begonnen die klanken beteekenis voor hem te krijgen. En, vreemd, ’t was of ze hem toegrauwden uit zijn eigen mond, want in de nachtelijke stilte of bij ’t ziekbed verrees zijn eigen beeld uit vroeger jaren, uit den tijd zijner redenaars-triomfen, toen hij zoo indrukwekkend die woorden »zonde” en »wroeging” en »vergelding” over zijn verrukte hoorders kon laten schallen. En nu drongen ze diep in zijn eigen ziel, greinzend, spottend, dreigend, dat hij er naar van werd.
Clarine werd niet beter: ze werd erger en erger, en Dauteville werd van dag tot dag somberder, suffer. Niet in staat, om haar zelf op te passen, had hij een verpleegster laten komen. Deze kwam ’s avonds vroeg, en ging ’s morgens vrij laat weg. Voor den kleinen jongen zorgde een kindermeisje. Hij zelf keek er nauwelijks naar om. Hij had nooit goed met kinderen kunnen omgaan, en dit kind maakte hem zenuwachtig. Hij was er schuw voor, en verheugde zich, wanneer het aan zijn gezicht onttrokken was.
In al ’t gesuf des zwaarbeproefden kwam een licht van helder denken, toen hij op een goeden dag den inval kreeg, dat wellicht voor alles nog redding bestond. Hij dacht aan Cornelis Udoma.[222]Een courantenbericht, waarin zijn naam voorkwam, had zijn gedachtenloop weder een bepaalde richting gegeven.
O, van dien kant daagde misschien verlossing uit zijn hachelijken toestand! Die Cornelis was zoo’n edelmoedige jonge man. Hij wist van zijn optreden tegenover Clarine, van zijn vergeefsche poging, om zoo goed hij kon haar eer te herstellen. Wat had hij, daarvan hoorende, geraasd en getierd! Dat tooneel had hun scheiding verhaast, en haar met dubbele bitterheid tegen haar vader vervuld. Waarom zou hij thans niet een kansje kunnen wagen? Cornelis had een medelijdend hart, en zou zeker overkomen. Eenmaal overgekomen, zou hij wel voor meer te vinden zijn. Een huwelijk gesloten aan Clarine’s ziekbed—sterfbed misschien? zou veel goedmaken …
En zij? Zou zij willen? Hij vreesde voor verzet, maar rekende op den bijstand van Cornelis. Trouwens … zou dat verzet, zoo kort vóor haar dood, wel groot kunnen wezen? Ze wist, dat ze hopeloos lag, ze was gelaten en stil; onherkenbaar schier in haar gansche persoonlijkheid, zoo had het lijden zijn werking doen gevoelen.
Dauteville schreef een brief, en zond dien naar den Haag. Ofschoon ’t adres geen straat vermeldde, zou er wel geen vergissing plaats hebben: er was maar éen Udoma in den Haag, en die was bekend genoeg.[223]
Hij wachtte dus. Er zou zeker een brief komen als antwoord op de zijne, of Cornelis zou zelf verschijnen. Dauteville verwonderde zich daarom, toen hij noch ’t een, noch ’t ander zag gebeuren, en er lagen reeds twee etmalen tusschen toen en nu …
En hij zat uit den treure te neuriën … Dat lied daar in die ziekenkamer klonk zoo naargeestig, zoo akelig in de doodsche stilte, die er heerschte.
Telkens had hij zichzelven afgevraagd, of ’t niet beter was Clarine voor te bereiden op Udoma’s komst; maar ’t kwam hem voor, dat het beter was haar bij overrompeling te treffen. Voorbereiding zou haar zenuwachtig maken misschien. Neen, ze moest maar gelooven, dat Cornelis uit eigen beweging, geheel uit eigen beweging kwam. Hij had in dien geest geschreven.
Er werd zacht aan de deur geklopt. Dauteville schrok op uit zijn gemijmer. Hij stond op, en deed zelf de deur open.
»Clarine,” zei hij een oogenblik later met een kaartje in de hand, en weer bij ’t bed, »daar is Cornelis Udoma, verbeeld je! Die woû je zoo graag eens zien … Je wilt hem zeker nu niet ontvangen, wel?…”
»Och, waarom niet?” Er klonk iets doodelijk vermoeids en mats in haar stem. Toch waren haar bleeke wangen rood geworden, en lag er een verhoogde schittering in den blik, die ze vol op haar vader richtte.»Laat hem boven komen.”[224]
Dauteville wist niet wat hij ervan denken moest. Enfin, hij waagde ’t erop:
»Laat mijnheer boven komen!” En, tot zijn dochter gewend:
»Vreemd, nie’ waar? En toch … ’t is een edelmoedige, brave jongen die Cornelis, eencoeur d’or… O, Clarine …!
Een ongeduldige beweging der gestalte in bed deed hem ophouden. Ze staarde hem steeds aan … Wat waren die oogen akelig groot en schitterend!
Cornelis trad op zijn teenen binnen, aarzelend, vreemd te moede. Hij boog even voor Dauteville zonder een woord. Deze bood hem dadelijk een stoel bij ’t bed. Hij lette er niet op, en trad op de zieke toe. Clarine verroerde zich niet. Haar groote hol liggende oogen hadden den blik naar hem gewend, en staarden hem aan.
Cornelis wilde spreken, maar ’t was hem onmogelijk. Die blik vol stille smeeking, en dan … het bijzijn van dien man met zijn conventioneele vriendelijkheid en vormelijkheid, met de komische deerniswaardige uitdrukking op zijn oud Don Juan’s gezicht, die elegante bouwval met glimmenden schedel en een fraaien, nu wat verfomfaaiden grijzen knevel, waaraan hij telkens plukte … ’t Was hem te machtig.
Dauteville zag zijn verlegenheid:
»U neemt me zeker niet kwalijk, Mijnheer Udoma?” zei hij hoffelijk en verdween door een zijdeur.
De jonge man voelde zich op eens opgelucht.[225]
»Clarine, heb jenuvertrouwen in me?” vroeg hij met innige ontroering.
Ze antwoordde niet, verroerde zich zelfs niet, en haar oogen bleven staren; maar hij zag dat ze vochtig werden. Wat zeide die blik met de indroevige smeeking? Wilde ze al de gedachten en aandoeningen van zijn gelaat weglezen, zoeken naar een spoor van minachting voor haar leven, waarvan dit het einde was? Hij geloofde ’t niet. Hij wilde gelooven, dat ze nu boven dat leven stond, nu in deze laatste oogenblikken. ’t Wàren immers oogenblikken: ze kon ’t niet lang meer maken. Ze moest nu terugzien op al de beroeringen van ’t verleden met de gelatenheid van iemand, die afgerekend heeft met deze wereld, zonder wantrouwen en zonder hartstochten. En ook de jaloezie zou voor goed geweken zijn.
»Ik kom … om alles goed te maken … wat ik aan je misdaan heb … Wil je nu … m’n vrouw worden? Ook voor je kind?”
Zij trachtte haar eene hand los te maken van onder de deken. Gretig greep hij de uitgeteerde witte vingers, en drukte ze zacht.
Nog steeds sprak zij niet. Er rolden overvloedige tranen langs haar wangen. Een poos zwegen beiden.
»Waar is de kleine?” vroeg Cornelis. »Met de meid uit zeker?”
Ze knikte. Weer verzonk hij in gedachten.[226]
Hij stond steeds in dezelfde houding, vlak bij haar, met het licht der vensters, zoover het door de gordijnen drong, vol op zijn gelaat, zoodat zij ’t goed zien kon. Ze keek hem voortdurend aan.
»Je gaat niet meer weg?” zeî ze op eens met inspanning. Niet meer! De jonge man voelde al de bittere zekerheid van een spoedig einde uit die enkele woorden, ’t Kostte hem moeite zich kalm te houden.
»Ik blijf hier, natuurlijk …”
»Onze huwelijksvoltrekking moet straks … Zoo spoedig mogelijk plaats hebben, Clarine. Alles kan hier gebeuren.”
Hij zag dat ze spreken wilde. Maar plotseling overviel haar een vreeselijke hoestbui. Haar gansche lichaam schokte in krampachtige bewegingen. Ze richtte zich op, en tastte naar iets. Hij begreep haar, en hielp haar, met afgewend gelaat, ’t hart vol deernis. Eindelijk viel ze uitgeput achterover, en sloot de oogen.
’t Duurde eenige oogenblikken voordat ze eenigermate hersteld was.
»Je moet nu nog wat rust nemen, hoor,” zei Cornelis eindelijk, op een toon als sprak hij tot een klein kind. Haar erbarmelijke hulpeloosheid deed hem onwillekeurig dien toon aannemen. »Denk nu maar aan aangename dingen. Straks, als je wat uitgerust bent, kan er voor alles gezorgd worden. Er komt een ambtenaar hier. Alles gaat heel bedaard en kalm. En dan is er niets meer tusschen[227]ons, dat je ontstemmen kan. Je kind is dan voor de heele wereld ’t mijne.”
Er vloog een lachje van innige dankbaarheid over Clarine’s trekken.
Hij sloeg de hand aan ’t teruggeslagen bedgordijn.
»Ik zal dit neerlaten,” zei hij, en haalde het over het hoofdeneind van ’t bed. »Tracht nog wat te slapen.”
Ze liet hem begaan.
Op zijn teenen ging Cornelis naar de kamer naast het slaapvertrek. Hij vond er den ouden heer Dauteville wezenloos neerzitten in een gemakkelijken stoel, de handen slap neerhangend tusschen de knieën, ’t hoofd voorover: een toonbeeld van verslagenheid.
Toen hij den jongen Udoma zag, sprong hij op:
»O, Mijnheer Udoma! Een vreeselijke toestand voor een vader nietwaar? U zal me begrijpen. U …”
»Spreek u in Godsnaam wat zachter!” viel de ander hem in de rede. »Heeft u haar hooren hoesten?”
De ex-domine hief de eene hand hoog op, een theatraal gebaar, dat hem eigen was.
»Ik heb gezegd, dat ze wat rust moest nemen. Straks kunnen we ’t een en ander regelen, Mijnheer Dauteville.”
»O, zooals u dat goed vindt, Mijnheer Udoma. U wenscht er haast mee te maken, zooals ik zie.”
De jonge man keek hem aan.
»’t Komt me wel noodig voor,” zei hij zacht.[228]»Voor den kleine jongen zal ik dan natuurlijk verder zorgen.”
»O.”
’t Was Cornelis onmogelijk met dezen man, wiens zelfzucht en liefdeloosheid hij doorgrondde, anders dan op een toon van zaken-afdoen te spreken. Zijn hart was vol tot berstens toe, en toch sprak hij koel en afgemeten, ’t Was hem, of ’t openbaren van eenige aandoening hier heiligschennis zou wezen.
’t Viel den ander bizonder mee, en zijn stemming werd iets beter. Hij voelde zijn gewone spraakzaamheid weer opkomen, maar hield zich in. Nu en dan wierp hij een schuwen, komisch zotten blik op den jongen man, die inmiddels bij hem was komen zitten en in gepeinzen verdiept was.
»Ik woû … m’n jongen wel ’s zien,” zei Cornelis na een poos, als vervolgde hij hardop zijn eigen gedachten, en zonder opkijken.
»Hoe heet hij?”
»Charles. Een alleraardigste jongen! Bepaald eenamourvan een ventje. Jammer, dat hij uit is. Maar hij zal wel dadelijk thuiskomen.” De oude heer keek op zijn zakuurwerk.
»Zeker, zeker, hij moet spoedig thuiskomen: hij blijft nooit langer dan een uur uit.”
Hij stond op en ging naar een der vensters, quasi om uit te kijken.
»’t Is mooi weer,” merkte hij als resultaat van zijn waarneming op.[229]
Voor den ander bestond hij op dat oogenblik niet. Hij was verbijsterd door den drom van aandoeningen, die de laatste uren gebracht hadden: eerst de schrik van ’t eerste bericht, de plotselinge schipbreuk van zijn geluk, dan de wanhopige gelatenheid van een ter dood veroordeelde, de vreeselijkste onverschilligheid, die zich bij ’t ergste neerlegt, daarop ’t terugzien van Clarine in een toestand en in omstandigheden zoo geheel anders dan hij verwacht had, zijn innige deernis, die alle andere gevoelens, alle overwegingen van eigen belang verdrong, de warme edelmoed, die zijn hart overstroomde, de drang om nog alles te doen, alles te zijn voor die vrouw, die hij daar zoo diep rampzalig zag. Haar leven van schande en zonde telde hij niet, nu hij haar in de oogen gezien had, en er de smeekbede van een eenzame verlatene gelezen had.
O, wat moest die vrouw geleden hebben! Wat moest haar ziel smachten naar teederheid, nu ze na jaren van huichelvreugde en schijngenot, eindelijk bij ’t voelen naderen van haar dood met walg het masker had afgeworpen, en daar mat en afgetobd neerlag met niemand dan dien Dauteville tot troost, een vader haar vreemder dan een vreemde! Toch had ze in haar wanhoop zich tot hem gewend, toen de angst voor haar dreigend einde met den dag grooter werd, en haar hart ineenkroop bij de gedachte aan ’t lot van haar kind! Zoo moest het gegaan zijn …
En de jonge man voelde bij de gedachte aan dit[230]alles een onuitsprekelijken weedom. Hij zou haar gelukkig maken in de laatste uren van haar leven: hij kòn ’t—dat hadden hem haar oogen gezegd in hun onmiskenbare smachting en vleiing, hij wilde het—dat zeî zijn eigen hart.
Na een poos keek hij op.
»Gaat u mee?” zei hij tot Dauteville. »We kunnen nu dadelijk van ’t een en ander werk maken. U zal me wel terecht willen helpen? Ik ben hier vrijwel onbekend.”
»Zeker, zeker. We kunnen eenfiacrenemen, en ons naar ’thôtel de villelaten rijden. Dat is gauw gedaan.”
Zonder door de ziekenkamer te gaan, verliet het tweetal het huis. Clarine bewoonde er twee verdiepingen, de beste.
»We vinden de kleine jongen straks bij ’t thuiskomen misschien,” merkte de jongste der beide mannen op bij ’t afgaan der breede trap.
»O ja, stellig. O, ’t is eenamourvan een kind!” zei Dauteville. Cornelis’ mond vertoonde even een vluchtige samentrekking, en zijn wenkbrauwen fronsten zich.
»Hm,” bromde hij.
Ze stapten weldra in een huurrijtuig, en een uur later vernamen zij, na de noodige besprekingen, dat de huwelijksvoltrekking onmogelijk dien dag plaats kon hebben: de Fransche wet stond bij uitzondering toe, dat die drie dagen na de eerste afkondiging geschiedde.[231]
»Ezel!” bromde Cornelis. »Ik had daar wel aan kunnen denken alsrechtsgeleerde”!
Wederzijdsche stukken waren anders aanwezig: Cornelis had de zijne meegebracht en verwonderde zich niets over Dauteville’s voorzorg in de aangelegenheid. ’t Eenige was, nu zich tevreden te stellen met een kerkelijk huwelijk. De priester zou strafbaar wezen. Goed, maar wie zou er ooit achter komen? Men zou de zaak geheim houden, en al was zulk een huwelijk niet geldig voor de wet, in Godsnaam: dan was althans Clarine gerust, en kon ze gelaten en tevreden sterven.
Dauteville te vragen om zulk een inzegening vond Cornelis al te stuitend. Neen, ’t moet een ander wezen: Een Roomsch-Katholiek priester. Clarine zou daar zeker niet tegen hebben indieomstandigheden. En zijn jongen zou hij mee naar Holland nemen en zoo spoedig mogelijk erkennen. Dat was toch ’t voornaamste. Clarine had zich naar alle menschelijke berekening nog slechts te verantwoorden tegenover God … ’t Toeval wilde, dat Cornelis, hierover nadenkende, zich den naam herinnerde van een ouden priester te Parijs, dien hij op zijn reizen had leeren kennen: dien moest hij zien te vinden …
Op den terugrit was Cornelis stil, terwijl Dauteville telkens moeite had om zijn opborrelende welsprekendheid onder de kurk te houden.Een blik op ’t stroeve gezicht van zijn aanstaanden schoonzoon[232]was dan voldoende om de bruising te doen neerslaan.
Cornelis zag op tegen de plechtigheid, die hij door zou moeten worstelen, het uur van gemoedsbedwang, dat hem wachtte straks in ’t bijzijn van den priester. En dat terwijl hij bij de gedachte aan haar lijden angstig de minuten zag heensnellen, de kostbare minuten, die haar nog restten, en waarin hij al de teederheid woû uitstorten waartoe zijn hart in staat was!
Thuisgekomen zette hij Dauteville af, en reed alleen naar de woning van den priester. Hij had er Dauteville niets van gezegd. Hij deed trouwens alles dien morgen alsof die man nauwelijks bestond. En dat volkomen natuurlijk en onwillekeurig. Na eenig zoeken gelukte het Cornelis l’abbé Fabre te vinden. De man was dadelijk bereid mee te gaan.
En om drie uur in den namiddag had ’t ceremoniëel plaats. Tegenover den waardigen priester beloofde ’t paar elkaar trouw. Zij had na een korten sluimer gedurende de afwezigheid van Cornelis naar haar zoontje gevraagd, en ook naar »Monsieur.” En toen deze thuiskwam, vond hij Clarine met het kind naast haar bed. Hij had het ventje in zijn armen genomen, het met aandoening gekust, en was met hem weer op zijn oude plaats bij ’t bed gaan zitten. En Clarine had weer denzelfden blik op hem gevestigd als te voren, schoon ditmaal rustiger glans, en allengs was er een uitdrukking van kinderlijk geluk op haar trekken[233]gekomen. Die was er gebleven gedurende de plechtigheid, en toen ze Cornelis’ hand zacht drukte bij de inzegening van den priester was ze volkomen kalm. En hij, de sterke gezonde en mannelijke, kon zijn tranen niet inhouden!
Zij zaten nog hand in hand, toen ze alleen waren, man,vrouw en kind. En de kleine Charles, een teer kereltje met fijne blonde krulletjes en zijn moeders groote donkere oogen, leunde vleiend tegen zijn knie, spelend met zijn horlogeketting. Ze zaten daar alleen, omdat Dauteville en de kindermeid heengegaan waren. Cornelis was blij, dat ze beiden weg waren. Hij had gemelijk geluisterd naar ’s ouden heers zalvende woorden, die ook deze van zijn kant niet nalaten kon te spreken, toen de priester gesproken had.
En in gedachten doorliep de jonge man nog eens de zonderlinge plechtigheid van zooeven. De ziekenkamer was als een kerk geweest. Men had er zacht, schier fluisterend gesproken; de menschen waren gekomen, hadden zich bewogen en waren heengegaan als spookachtige wezens in ’t flauw verlichte vertrek. Allen waren onder den indruk geweest, zelfs de spotlustige jonge kindermeid, voor wie anders weinig heilig was. De huwelijksvoltrekking eener beruchtedemi-mondainehad haar ontzag voor lijden en opoffering ingeboezemd.
Op de tafel vlak bij ’t ledikant stond een sierlijke vaas vol rozen, donkere roode rozen, fraai geschikt[234]in rijken overvloed. ’t Was een attentie van Cornelis geweest. Hij kende haar voorliefde voor donkerroode rozen: hij herinnerde zich die nog levendig. Ze had hem beloond met een lach van erkentelijkheid.
En ze zaten daar hand in hand, beiden zwijgend, zij rustig genietend van den aanblik zijner trekken, thans zoo anders dan vroeger, en toch dezelfde, die ze eens liefgehad had. En die ze nòg liefhad—op haar wijze, goed,—maar thans met even heilige liefde als welke ook ter wereld. Haar hart was er vol van, neen, haar gansche wezen. Ze leefde geheel in die liefde. Ze was er gelukkig in, en wilde aan niets, aan niets anders denken. Ze voelde zich als een kind—rein en gelukkig als een kind—in heerlijke illusie verheven boven al het slijk van haar verleden. Dat verleden bestond voor haar niet meer. Ze wilde in dien zoeten waanzin van ’t heden sterven, en de hand, die ze drukte, was haar een steun, dien ze angstvallig bij haar hield. ’t Was als zou bij ’t ontglippen van die hand de begoocheling verdwijnen, als zou ze dan terugzinken in een oceaan van wanhoop.
Bij hem maakte haar wondere gelatenheid en extatische kalmte de deernis grooter. En ook de vrees voor een spoedig einde … ’t Kon niet lang meer duren. Hoe lang nog? vroeg hij zich telkens af, en de angstige onzekerheid verdubbelde zoo mogelijk den drang van zijn hart, om haar te overstelpen met zijn teederheid.[235]
»Ben je nu gelukkig, Clarine?” En hij boog zich over haar heen, en kuste haar, kiesch en eerbiedig.
Ze sloeg haar arm om zijn hals.
»Liefste,” fluisterde ze in zijn oor.
Toen ze in zijn trouwe oogen keek, daar vlak bij haar, was ’t of haar blik er al de teederheid uit wegdronk. En een tinteling van innig welbehagen voer door haar leden.
Op eens voelde de jonge man, nog in dezelfde houding over haar heen gebogen, haar arm krampachtig drukken. Met de andere hand greep ze hem aan den bovenarm, haar oogen puilden uit, haar gansche gelaat nam een uitdrukking van doodelijken angst aan, die hem deed ijzen. De druk en ’t angstig klemmen werden aanhoudend erger, heviger.
»Cor! Cor! Blijf bij me, blijf bij me!” hijgde ze, in radelooze benauwdheid.
Als versteend zag Cornelis haar vreeselijk lijden.
»Clarine, in Godsnaam …” stamelde hij buiten zichzelven. En plotseling ’t ergste vreezend, kreet hij zoo hard hij kon:
»Meneer Dauteville!”
De geroepene en de kindermeid kwamen toeloopen, met dwaze verschrikte gezichten.
Toen ze bij ’t bed kwamen, zagen ze Cornelis zich zacht losmaken uit de omhelzing, waarin Clarine hem eenige minuten gehouden had. ’t Kostte hem geringe moeite. Eerbiedig legde hij haar hoofd[236]op ’t kussen, haar handen op het dek. Een oogenblik staarde hij met wilden blik op de verglaasde oogen. Daarna liet hij zich in den stoel bij ’t bed vallen, en bedekte het gelaat met beide handen.
»Papa, papa!” riep de kleine knaap, die een poos verbluft had staan kijken. »Tu as fait mal à Maman!” Hartstochtelijk schreiend wierp het kind zich tegen ’t bed.
De keukenmeid trad naderbij. »Mon Dieu, mon Dieu!” riep ze.
Dauteville trok aan zijn snor, en keek zot …
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Ongeveer een jaar later kwam op een avond Cornelis Udoma boven in zijn woning in den Haag, om een kijkje te nemen in ’t slaapkamertje van zijn zoontje Charles.
»Waarom kom je niet beneden, vrouwtje?” vroeg hij op gedempten toon. »Slaapt de kleine vent nòg niet?”
Zijn vrouw stond eenigszins verrast uit haar stoel bij ’t kinderbedje op.
»Zeker, hij slaapt,” antwoordde ze zacht. »Ik was in gedachten. Kom, ik ga met je mee.”
»Waar dacht je zoo aan, Laur?”
»’t Is éen October, de sterfdag van Clarine … Arme vrouw!”
Hij antwoordde niet, maar sloeg zijn eenen arm om haar middel, en troonde haar mee de trap af. Droomerig sprekend hervatte zij: »Ik dacht aan ons[237]aardig kereltje, en wat er van hem geworden zou zijn, als … als …”
»Als die nare roman niet met ons huwelijk geëindigd was …”
Hij besefte al de teederheid harer toewijding aan zijn kind.
»Dat meen ik niet,” zei ze. »En bovendien, geëindigd is die roman niet. ’t Is immers maar de opzet voor wat komen moet …”
Er volgde een stilte vol weemoed, die hen vergezelde tot in de helder verlichte smaakvolle gezellige huiskamer. Maar ’t was een weemoed zonder bitterheid, die hen de heiligheid hunner voornemens dieper deed beseffen.
En hun toekomst lag vóor hen in haar grootschen ernst.
De doode had hen opnieuw vervuld met liefde voor ’t leven, dat ze in volmaakte samenwerking wilden doorbrengen.[239]