HET KAARSEMANNETJE.

HET KAARSEMANNETJE.[Inhoud]I.Milly lag in haar bed en schreide. Een paar maanden geleden zou zij het echter niet gedaan hebben om hetgeen, wat haar nu heel zacht snikken deed.Want Milly heette eigenlijk Melanie, maar die naam klonk wat vreemd voor Hollandsche ooren en dus werd hij afgekort. Het meisje had een Fransche moeder en een Hollandschen vader en in haar moeders familie werden alle oudste dochtertjes Melanie genoemd. Zij heette daarom ook zoo.Milly herinnerde zich heel weinig van alles wat met haar moeder in verband stond, daar die stierf, toen het kind vijf jaar was. Milly wist nog alleen, dat zij zwarte kleertjes aankreeg en naar een Fransche kostschool gestuurd werd. Later hoorde zij, dat dit moest, omdat haar vader altijd reisde en er geen familie was, waar het meisje toen komen kon. Zij werd dus door vreemden opgevoed met veel kinderen tegelijk. Toch was Milly niet te beklagen geweest. Haar vader kwam haar, zoo dikwijls het maar kon, opzoeken en de tijd, dien zij dan saampjes doorbrachten, was er een van pret en uitgaan. Zij hield heel veel van hem, maar zonder veel verdriet keerde zij altijd naar de kostschool terug en wanneer zij soms even schreide, waren haar traantjes weer spoedig afgewischt, want de directeur[52]en zijn vrouw waren heel goed voor al de kinderen. Dat mocht ook wel, want allen misten een eigen tehuis.De school lag bovendien ergens buiten.De school lag bovendien ergens buiten.De school lag bovendien ergens buiten. Er werd heerlijk gespeeld na de lessen en elk jaargetij had zijn eigen vreugden en bezigheden. Milly verveelde zich nooit, ook niet in de lange winteravonden, want dan waren er gezellige spelletjes of vertellingen en heerlijke boeken.Zij was dus tevreden en gelukkig, omdat zij niet voelde, dat zij iets miste.Nu echter was alles anders voor haar geworden. Een oorlog was uitgebroken en door de streek, waar Milly’s school lag, trokken legers. Toen was de vader zijn dochtertje gaan halen en had haar in veiligheid gebracht in Nederland bij een zuster, die drie kinderen had en nu wel het meisje bij zich kon nemen. Dat was[53]vroeger niet mogelijk geweest, omdat Milly’s tante heel lang ziek was geweest. De vader hervatte zijn zwervend leven, toen hij zijn eenig dochtertje veilig geborgen wist.Al maanden lang was Milly nu al bij haar oom en tante en al dien tijd had ze niets van haar vader gehoord. Soms verlangde het meisje heel innig naar hem, meer eigenlijk dan toen zij op de kostschool was, waar zij hem toch ook dikwijls in langen tijd niet zag.En door de streek trokken legers.En door de streek trokken legers.Het kind begon te begrijpen, dat zij niet bezat wat alle andere kinderen om haar heen wel hadden. De jongens en meisjes van de school, waar tante Ada en oom Frank haar geplaatst hadden, hadden allen een vader en een moeder, broertjes en zusjes. Zij was alleen op de wereld. Dat voelde zij, sedert zij in Nederland was. Oom en tante waren lief voor haar, maar anders[54]toch, vond zij, dan voor hun eigen kinderen, anders dan voor blonde Truusje, anders dan voor dikken Bop, anders dan voor kreupele Hansje. Alle drie kuste tante veel inniger dan haar, het vreemde nichtje! En als het aanhalige Truusje haar armen om haar moeders hals sloeg en zich zoo dicht tegen haar aanvlijde, als behoorde haar moeder alleen aan haar, dan trok Milly een onverschillig gezicht, en drukte haar lippen stijf op elkaar, en keek op dezelfde wijze, die Bop wel eens plagend deed vragen of zij een stok had ingeslikt.Niemand echter wist, dat Milly naar een vader en moeder verlangde, zooals haar nichtjes en neefjes hadden. Zij had ook wel eens haar armen om haar tante willen slaan en toch gaf zij niets dan een vluchtige kus. Zij was toch maar het nichtje, dacht Milly; zij was niet het eigen dochtertje. Zij kreeg niets dan een aalmoes! Zij had naar de kostschool terug willen gaan, waar de goede mijnheer en mevrouw er voor allen waren en tegen den een niet vriendelijker deden dan tegen den ander. En alles was zoo akelig vreemd in de stad, waar zij was: de taal, die zij moest spreken en vader niet altijd tegen haar gebruikt had,—de stad met huizen in plaats van velden en bosschen,—de kleinigheden waar door oom en tante veel meer op gelet werd dan op de school in Frankrijk.Op den avond, dat dit verhaal begint, lag dus Milly heel zachtjes te schreien en zij meende, dat er geen ongelukkiger kind op de heele wereld was dan zij. Eventjes klonk er een luide snik en dadelijk trok het kind haar hoofd onder de dekens, opdat toch niemand[55]haar hooren zou, tante niet, oom niet, plagerige Bop niet. Toch lag Milly alleen in de kamer. Zij deelde die met Truusje, maar haar nichtje was voor een paar nachten uit logeeren bij haar peettante.Maar daarom schreide Milly niet! Dat kon haar niets schelen!Tante Ada kwam echter altijd de kaars uitblazen in de kamer der meisjes. Dan stopte zij de kinderen nog eens toe en dan hoorde Milly heel goed de lieve woordjes, die Truus dan tegen haar moeder zei, voor zij slapen ging en zij kon zien hoe innig het kind haar „schat,” haar „eenige moesje,” haar „liefste, liefste moeder” naar zich toetrok.Dan kwam tante Ada bij haar.„Nacht Milly,” zei dan tante.„Nacht tante,” antwoordde Milly.„Lig je goed?”„Ja, tante.”„Is de kiespijn heelemaal over?”„Ja, tante.”„Goed slapen, hoor, kindje.”„Ja, tante.”Tante legde dan de dekens nog eens goed, streek over het donkere bolletje van Milly, gaf haar een kus, en was heel lief.… Maar alles was toch anders dan bij Truus.Dien avond echter, toen Truus uit logeeren was, had Milly gevraagd, toen zij naar bed ging:„Tante, komt u de kaars uitblazen?”„Ja zeker,” antwoordde tante. Maar juist werd er gebeld en er kwam avondbezoek.[56]Liefste, liefste moeder.Liefste, liefste moeder.[57]Milly was toen naar bed gegaan en, hoorde het stemmengeroes van beneden. Zij lag te wachten, tot tante het licht zou uitdoen, maar tante kwam niet.Milly luisterde naar de geluiden, die van uit de huiskamer tot haar doordrongen en ze keek naar de kaars, die knetterde. Toen voelde het kind zich heel ongelukkig en verlaten.„Truus zou niet vergeten zijn,” zei zij tot zichzelve en zoo’n gevoel van eenzaamheid maakte zich van haar meester bij de pratende stemmen onder haar en de flikkerende kaars, dat zij de dekens over zich heen sloeg om niets meer te hooren of te zien. Toen dacht zij aan haar vader, die zijn eenige dochtertje niet meer schreef of opzocht, aan de verre kostschool, waar het soms zoo gezellig kon zijn in degroote slaapzaal, als mevrouw even langs al de bedden ging.Het kleine meisje, dat Milly was, kon zich niet meer bedwingen en de tranen stroomden langs haar gezichtje en zij stopte haar zakdoek in haar mond uit vrees voor plagerigen Bop. Wat vader wel zeggen zou, als hij wist, dat de jongen haar sarde, wanneer tante en oom er niet bij waren, en haar een „ongewasschen Fransoos” noemde, omdat haar oogen en haar even donker waren, als die van haar nichtje en neefjes licht. Truus had net zulk blond haar als haar moeder. Neen, dat van tante schitterde nog meer, als de lamp erop scheen. Dan moest Milly altijd naar haar kijken of zij wilde of niet en het meisje vroeg zich af of haar eigen moeder, van wie ze zelfs geen portret had, er ook zoo lief had uitgezien.Milly bleef zachtjes doorschreien. De stemmen beneden[58]klonken doffer, de kaars flikkerde wonderlijk.Een wezentje stapte eruit.Een wezentje stapte eruit.Het was of de vlam grooter en kleiner werd en er iets bewoog in het donkere hartje. Nu leek ze wel zoo groot als kreupele Hansje. Kijk, nu scheen het of zij naar beide kanten week.Een wezentje stapte eruit met kleertjes zoo donker als het hart van de vlam en een gezichtje zoo stralend als het licht van de kaars. Het ging zitten op den rand van het bed.1„Ken je me niet, Milly,” vroeg het mannetje.„Neen,” zei Milly verbaasd.„En je hebt zoo lang naar me gekeken. Ik ben het mannetje uit de kaars, die je tante vergat uit te doen.”Toen kwamen er weer de waterlanders bij Milly te voorschijn.„Waarom huil je toch zoo,” vroeg het kaarsemannetje.„Omdat tante Ada nooit vergeet de kaars uit te doen, als Truus er is.”[59]„Ik ben toch bij je gebleven,” troostte het mannetje. „Ik heb het licht voor je gemaakt in de kamer.”„Wat geeft dat,” snikte Milly. „Ik ben zoo’n ongelukkig kind. Mijn vader is weg, mijn moeder is dood. Ik heb geen broertjes en zusjes. Alle kinderen hebben het beter dan ik.”„Hoor eens,” zei het kaarsemannetje, „ik heb medelijden met je en daarom wil ik je helpen. Ik houd wel niet veel van zeurende en klagende kinderen, maar het is waar, dat je niet alles hebt als een ander.”„Niets,” zuchtte Milly.„Ik wil daarom je vriendje worden,” ging het kaarsemannetje door, „al heb je ook gezegd, dat het je niet schelen kan, dat ik het licht voor je in de kamer liet zijn. Kom eens uit je bed, dan zal ik je wat moois laten zien.”Milly gehoorzaamde.Milly gehoorzaamde.Milly gehoorzaamde en nu stond ze achter de dikke gordijnen.„Waar ben je,” vroeg ze.„Ik zit bij je oogen,” lachte het mannetje, „vlak tusschen je wenkbrauwen.[60]Je kunt me niet zien, maar ik jou wel. Ik ben nu een kaarsje voor je oogen.”Dat komt, omdat ik nu op je schouders zit.Dat komt, omdat ik nu op je schouders zit.„Hoe grappig,” zei Milly. „Ik kan nu veel beter zien. De gordijnen zijn dicht en ik kijk er door heen. Zoo’n mooien sterrenhemel heb ik nog nooit gezien, ook niet op de kostschool. De sterren lijken wel diamanten. En daar is de sikkel van de maan. En daar de toren van de kerk. Hoe grappig. Ik zie alles veel beter en toch zijn de gordijnen dicht. Hè, hoe jammer, nu zie ik weer niets.”„Dat komt, omdat ik nu op je schouders zit.”„Kom weer in mijn oogen,” smeekte Milly. „Alles was zoo mooi daar straks.”„Neen, je moet gaan slapen. Gauw naar je bed, meisje.”Milly kroop onder de dekens.„Slaap lekker,” zei het mannetje. „Ik ga in een andere kaars wonen. Deze is veel te klein voor mij geworden.”Slaperig keek Milly toe. Het flikkerde en siste in de kaars. Het vlammetje danste, nam allerlei vormen aan. Toen was er niets dan wat geglim en gespatter. Toen werd het geheel donker in de kamer.Milly verzonk in een diepen slaap.[61]1Zie:plaatje omslag.↑[Inhoud]II.Toen Milly den volgenden morgen opstond, zag zij, dat er een grauwe mist hing. Het kaarsemannetje ontstak nu echter niets in haar oogen en daarom keek zij knorrig.„Wat een malle droom,” dacht ze en huiverig kleedde zij zich aan, want er brandde geen vuur in Milly’s kamer.Tante en oom zaten reeds met de twee jongens aan tafel, toen Milly beneden kwam, tante tusschen Bop en Hansje zooals altijd.„Je bent laat vanmorgen, Milly,” zei oom, nadat ze goeden morgen gewenscht had.„Ja,” antwoordde ze knorrig.„Milly,” zei tante, „gisteren avond heb ik vergeten de kaars uit te komen blazen. Maar juist, toen je naar bed ging, kwamen neef Anton en nicht Marie en die hadden zooveel te vertellen, dat ik het heelemaal vergat. Ik ben later naar boven gegaan, maar je sliep als een roos. Niet aardig van me, hè, dat ik het vergat?”„Het kon me niets schelen,” zei Milly met een heel strak gezichtje.„O,” vond oom, die de wenkbrauwen fronste.„Heeft Moes jou geen nachtzoen gegeven,” zei Hansje. „Hoe naar,” en het ventje streelde zachtjes zijn moeders hand en drukte zijn kopje tegen zijn moeders arm. „Ik zou niet kunnen gaan slapen, als Moes me geen nachtzoen gaf.”[62]„Ik wel, best hoor,” zei Milly met nog onverschilliger gezicht.„Eet en houd je mond, Milly,” beval oom op strengen toon. Tante zei niets, vroeg alleen, toen Milly naar school ging, of zij haar atlas bij zich had.„Je krijgt anders weer straf, Milly,” zei tante vriendelijk.Koud was het buiten en koud was het in het meisje zelf. Het was alles even akelig, vond zij. Vandaag was er rekenles en daar hield zij niet van. Dan taal en daar maakte zij ook al zooveel fouten in.Ze knoeide, toen ze met haar sommen bezig was, die maar niet uit wilden komen, al tuurde en tuurde ze ook op de cijfers. Toen ze echter zoo ingespannen keek, was het of er iets schitterde in haar boek, iets kleins, iets zonderlings.„Goeden morgen, Milly,” klonk het met een fijn stemmetje. „Ken je me niet meer? Ik ben het kaarsemannetje van vannacht. Neen, schrik maar niet, niemand kan me hooren en zien dan jij. Meisje, wat zie je er uit! Het is net zoo donker in je als in een kelder. Je lijkt wel een lamp zonder olie. Je bent net een kachel, die niet branden wil, omdat de kolen nat zijn. Het is noodig, dat ik je kaarsje aansteek! Rrr.… daar brandt het!”„Ik zie je niet meer,” fluisterde Milly.„Tusschen je oogen zit ik, daar licht ik, daar brand ik, daar schijn ik. Ik kijk door je sommen, als vannacht door de gordijnen. Ik zie al de kubieke meters en wat marcheert dat decimaalteeken flink. Kijk eens, hoe leuk!”[63]En Milly keek! De cijfers schitterden als de sterren, die ze aan den hemel gezien had. Het waren net dwergjes met kleine lichtjes in hun handen, die naar hun plaats zochten. Zij wees hun den weg. Het was of het een legertje was, dat zij aanvoerde en deed wat zij wilde. De getallen gehoorzaamden. Elk kwam op de plek, waar het hoorde. Milly’s oogen schitterden, toen zij naar die orde keek.„Wat uitstekend werk,” prees de onderwijzeres. „Niemand heeft zoo goed gerekend als jij.”En toen moest Milly voor de klasse vertellen in het Hollandsch. Even wreef zij met haar handen over het voorhoofd, want wat zouden de kinderen zeggen, als zij het kaarsemannetje tusschen haar wenkbrauwen zagen? Ze voelde niets en toch wist zij, dat het ventje er zat. Toch lachte geen van de kinderen en niemand keek verbaasd naar haar. Misschien vonden zij wel, dat Milly er heel vriendelijk uitzag, heel anders dan gewoonlijk. Maar dat zeiden zij niet. Het zou natuurlijk heel onbeleefd zijn geweest om te zeggen: „Milly, je ziet er anders uit als een onverschillige knorrepot, maar nu lijk je wel een zonnetje in den mist!”Een zonnetje in den mist! Ja waarlijk, het meisje zag het zonnetje, toen zij naar buiten keek, naar de dampen, die voor de ramen hingen. Ze waren er nog en toen was het of zij achter de nevels de zon schijnen zag.„Ik zit bij je oogen,” zei het fijne stemmetje. „Ik zie de woorden. Niet dat nemen, maar dat en dat!”Wat was het heerlijk vertellen met het kaarsemannetje[64]bij Milly! Het was of zij in een kast keek, waarin al de woorden netjes gerangschikt waren en telkens ging een lade vanzelf open en Milly nam het woord eruit, dat zij noodig had. Haar oogen schitterden van pret.Wat uitstekend werk.Wat uitstekend werk.„Je zult zien,” zeide de onderwijzeres, „Milly wil nooit meer bij ons vandaan. Die gaat het prettig bij ons vinden! Die rekent als een professor en die vertelt als een die het kan.”Voor het eerst sedert langen tijd voelde Milly zich gelukkig.„Nu ga ik weg, Milly,” zei het mannetje, toen zij weer op haar plaats zat.„Ik steek aan en verlichtIk jaag het donkere van het gezicht.Kijk naar het licht, dat voor je scheen,Dag, Milly, kind, ik moet nu heen.”Toen schitterde het niet meer in Milly’s boek, maar makkelijk, dat het werk dien heelen schooldag ging!Oom en tante deden, alsof er niets was gebeurd, toen Milly thuis kwam. Tante was vriendelijker dan anders en oom verbood Bop streng, toen hij vroeg of Milly nog altijd bevroren was.[65]Het werd bedtijd. Even aarzelde het meisje, voor zij naar boven ging.„Tante,” vroeg zij zacht, „komt U de kaars uit blazen?”„Natuurlijk,” antwoordde tante, „ga maar vast. Ik kom gauw, maar ik moet eerst nog wat bergen in het kastje van Truus.”Heel vlug was Milly uitgekleed en ze tuurde naar de lange, witte, nieuwe kaars. Tante kwam boven en liep bedrijvig heen en weer om in het kastje van Truus te ordenen en te schikken. Toen echter zag Milly weer wat niemand dan zij opmerken kon. De vlam van de kaars rekte zich en boog naar beide zijden en eruit stapte Milly’s kaarsemannetje met het donkere fluweelige lijfje en een gezichtje dat helderder straalde dan ooit.Hij wipte naar Milly’s bed en voor het kind zien kon hoe het gebeurde, was hij het heel kleine wezentje geworden, dat zich tusschen haar oogen nestelde.„Kijk nu maar eens goed,Kijk naar wat tante doet,”—fluisterde het mannetje.O, wat werd het nu gezellig om het meisje! De kamer, waarin zij lag te kijken, werd zoo vriendelijk! Wat waren de poppetjes op den schoorsteen aardig! Wat mooi die Fransche platen, welke tante vlak over Milly’s bed gehangen had boven Milly’s eigen kastje, dat zij met Kerstmis kreeg! Het blonde haar van tante kwam zoo leuk uit tegen het donkere behang. Haar handen[66]zetten het fijne vaasje van Truus zoo heel zacht neer. Toen verschikte ze iets op Milly’s kastje.„Daar moet later ook nog een vaasje bij, hè, Milly?”„Ja, tante.”„Nu, goeden nacht, kindje,” en tante kwam naar het meisje toe en zag haar aan met oogen, die heel vriendelijk keken.Er uit stapte Milly’s kaarsemannetje.Er uit stapte Milly’s kaarsemannetje.Toen blies het kaarsemannetje het lichtje aan, dat hij voor Milly ontstoken had, en het scheen vroolijk naar alle kanten.„Tante,” zei Milly en onstuimig sloeg zij haar armen om tante heen, „ik ben niet lief geweest en het was niet waar wat ik zeide, want ik heb gisteren niet kunnen slapen, omdat U mij geen nachtzoen gaf.”Toen fluisterden tante en Milly nog wat samen en het leek het meisje, of zij ook tante’s dochtertje was.Even later was het donker in de kamer. Niets hoorde Milly dan iets gedempts—vertrouwelijks, dat er was in het spreken van oom en tante beneden.[67]„Ik was onaardig,” zei Milly tot het mannetje, „maar er was dan ook reden voor.”„Reden, reden,” lachte het mannetje. „Er is net zooveel reden om aardig en flink te wezen. Kijk, kijk!”Het kaarsemannetje tuurde naar boven en daarom deed Milly het ook. Wonderlijk was het wat het kind zag. Haar oogen keken door de zoldering heen naar buiten in den nacht. De mist was opgetrokken. De maansikkel was gegroeid.„Reden om onaardig te wezen,” lachte het mannetje en het wipte weer in de kaars.Niets was er nu om Milly heen dan de donkere kamer, waar zij gelukkig en rustig insliep.[Inhoud]III.„Waarom doe je je oogen zoo stijf toe,” vroeg het kaarsemannetje een avond. „Waarom? Je hebt me een heele poos niet noodig gehad, meisje! Je weet nu veel wat je vroeger niet wist! Je ziet nu wat je eerst niet zag. Waarom doe je nu zoo donker?”Milly gaf geen antwoord, maar drukte haar gezicht diep in de kussens.„Je houdt je of je me niet ziet.Maar, kindjelief, dat helpt je niet!”spotte het ventje.„Ik zit op je donker bolletje,Het lijkt er een heel zwart holletje.”[68]zuchtte het mannetje. „Ik kan alleen het werk niet af. Ik haal mijn kameraadje van den overkant.”Ik zit op je donker bolletje.Ik zit op je donker bolletje.Toen verdween het kaarsemannetje en dikke duisternis was er nu om en in Milly. En toen klonk er weer een fijn stemmetje, dat zeide: „help me, vriend!”Of Milly nu wilde of niet, zij moest de oogen openen en zij zag twee lichtende wezentjes met gelijke, lichte gezichtjes en donkere, fluweelige manteltjes.„Zoo, zoo,” zei Milly’s kaarsemannetje, „ik zie je oogen weer. Kijk hem maar eens aan,”—het tweede ventje boog en zijn gezicht glinsterde,—„hij is het kaarsemannetje van het oude vrouwtje over je. Eerlijk, dat ze is! Zij heeft ons niet noodig. Nu gaan we het samen helder in je maken, hij in je eene oog, ik in je andere.”[69]En zij zag twee lichtende wezentjes.En zij zag twee lichtende wezentjes.[70]Doodstil werd het nu in de kamer, zoo stil, alsof de gansche wereld met al haar geluiden sliep.En plotseling kwamen er gefluisterde woorden over Milly’s lippen. „Ja, ja,” zei ze heel zacht, „het was heel leelijk wat ik deed. Ik had dat geld niet moeten nemen uit mijn spaarpot.”Weer was het stil. Toen, fluisterend, ging Milly door: „Het was gulzig ook, want ik at alles alleen op en zei niemand er wat van.”„Gulzig, en leelijk, en laf was het,” herhaalde het fijne stemmetje van het lichtwezentje. „En licht is altijd licht, niet kameraad?”„Ja,” antwoordde het tweede, fijne stemmetje.Toen was het Milly of de wanden en zoldering van haar kamer geheel doorzichtig werden, zoodat zij uitzien kon naar alle kanten.„Nu springen we uit je oogen. Nu zijn er andere wezens van licht.”„Hoe mooi,” zei Milly. „Kijk, daar zijn de lantarens. Ik zag ze nog nooit zoo goed. Lijnen van licht lijken ze wel, éen langs de eene huizenrij, éen langs de andere.”„Ze branden in den donkeren nacht, ze stralen, ze wijzen den weg,” riep het hooge, fijne stemmetje. „Zoo deden zij gisteren, zoo doen zij vannacht en morgen weer zullen zij rustig branden, trouw en eerlijk in de lange laan, in de groote stad.”„Licht is licht, altijd,” zei zacht het kameraadje.„Ik heb nog nooit zoo ver gezien. Dat lijkt wel het licht van den vuurtoren aan het strand. Hij is net een[71]mensch, een groote man, en waar het licht straalt, is zijn hoofd.”Nu springen we uit je oogen.Nu springen we uit je oogen.„De vuurtoren straalt,” zei het kaarsemannetje langzaam. „Hij wijst den weg elken nacht, trouw en eerlijk, want licht is licht.”„Nu zie ik weer niets,” riep Milly. „Die lantarens schenen zoo helder en de vuurtoren brandde zoo hoog boven de zee. Nu zie ik niets meer, alleen de sterren. Daar heb je de Poolster. Die heeft Bop me leeren vinden, maar er is niets bizonders aan. Die staat altijd vlak boven den schoorsteen van het huis aan den overkant, precies boven het randje van de vierde pijp.”„Precies boven het randje van de vierde pijp! Zoo was het, zoo is het, zoo zal het zijn. Ze stond, waar[72]ze staat en ze zal er staan. Ze wijst den weg, als niemand hem meer weet. Ze is het groote licht, waarnaar wij lichtjes kijken in den donkeren nacht.”Toen zweeg het kaarsemannetje en met gevouwen handjes zaten hij en zijn kameraad op den rand van Milly’s bed en hielden de gezichtjes naar de Poolster, die groot en glanzend stond aan het hemelvlak boven het randje der vierde pijp van den schoorsteen van het huis aan den overkant.„Groote ster, geef ons altijd van uw licht,” fluisterde zacht het kameraadje.„Groote ster, laten we lichtwezentjes blijven in de oogen en harten van de menschen,” smeekte het kaarsemannetje.„Groote ster, groote ster,” herhaalden de mannetjes zacht en zij kruisten hun armen over de borst en bogen met plechtige gezichten.En waar het licht straalt, is zijn hoofd.En waar het licht straalt, is zijn hoofd.Toen was het of de muren der kamer zich weer sloten.[73]Flauw onderscheidde Milly het bed waar Truus sliep en de koperen knop aan de kachel ving als altijd een straal op van de lantaren voor de deur, gezellig en vertrouwelijk.En bogen met plechtige gezichten.En bogen met plechtige gezichten.Droomde Milly?Was zij wakker?Zonder leven te maken kwam zij uit haar bed en lichtte het gordijn op. De lantarens brandden in den stillen nacht. Den vuurtoren zag zij niet, maar vlak boven het randje der vierde pijp van den schoorsteen over haar straalde rustig en helder de Poolster.Toen dacht Milly aan het stilletjes gekochte en gulzig opgegetene en zij kroop in bed, maar de slaap wilde niet komen.⁂Den volgenden dag was het Zondag. Dan was iedereen thuis, ook oom.„Oom, ik wou u wat zeggen,” zei Milly met een bibberende stem, want de werkkamer was groot en van achter de werktafel zagen oom’s oogen, die heel streng konden[74]lijken, onderzoekend naar haar.„Nooit meer,” antwoordde Milly.„Nooit meer,” antwoordde Milly.„Mag tante het niet weten,” vroeg oom.„U is streng en tante is zoo lief en wat ik deed, was heel leelijk.”Toen bibberde Milly’s stem nog meer en met neergeslagen oogen bekende het meisje wat zij deed.„Dat doen we nooit meer, niet Milly,” vroeg oom met vasten toon. Toen moest Milly haar oogen weer opslaan of zij wilde of niet en het was of zij op oom’s gelaat het licht zag van de lantarens en den vuurtoren.„Nooit meer,” antwoordde Milly en met opgeheven gelaat bleef zij kijken in het strenge eerlijke gezicht van den grooten man en als vanzelf legde zij haar hand in die van haar oom. Diens krachtige vingers omsloten stevig de hare.„Nooit meer,” herhaalde oom.„Nooit meer,” zei Milly zacht.[75][Inhoud]IV.Nog echter had het kaarsemannetje niet voor altijd afscheid van het meisje genomen en het was maar goed, dat hij het niet deed, want er kwam weer een heel treurige tijd voor Milly. Haar vader stierf in een vreemd land en in denzelfden tijd, dat de droevige tijding Milly geschreven werd, gebeurde er iets in het gezin van tante Ada, dat vroolijk en treurig tegelijk was. Er werd een kindje geboren, een meisje. Dat was een heel vroolijke gebeurtenis. Maar tante Ada werd ziek en was zoo zwak, dat de kinderen nauwelijks bij haar mochten komen.Dat was héél droevig, vooral voor Milly, want nu was zij alleen met haar groote verdriet. Oom Frank was wel heel vriendelijk voor haar, maar tante zou toch anders geweest zijn en als hij maar even zich vrij kon maken, was hij bij zijn zieke vrouw, al was er ook nog zulk een zorgzame verpleegster voor haar en het teere kleine kindje.Het leek de arme Milly of zij nog nooit zóó alleen was geweest.Truus mocht meer dan zij in de ziekenkamer komen, want oom was bang, dat Milly spreken zou over haar gestorven vader. Tante had het treurige nieuws nog niet mogen hooren, want de dokter had gezegd, dat alles vermeden moest worden, wat de ziekte verergeren kon. Heel verstandig had oom met Milly gesproken en haar gezegd, dat zij nu bewijzen moest van tante werkelijk te houden. En het meisje begreep heel goed wat oom[76]bedoelde, maar zij voelde er zich niet minder ongelukkig en eenzaam door. Het is dan ook heel hard voor een klein meisje om niemand te hebben, die troost in een groot verdriet!Bop was plagerig, al nam Truus ook haar nichtje in bescherming. Hoe kon nu een gezonde, dikke jongen ook begrijpen, waarom Milly zoo stil was! Hansje zeurde, want het kleine, kreupele ventje verlangde naar zijn moeder.Waarom had zij alleen geen moeder! Waarom was nu ook haar vader gestorven! Waarom had zij geen broertjes en zusjes!Niemand, niemand hield echt veel van haar. Zij was maar het nichtje! Zij was maar uit medelijden opgenomen! En zoo dikwijls zeide het kind dat tot zichzelf, dat zij stil en schuw werd. Truus, Bop en Hansje vonden haar vreemd en betrokken haar niet in hun spelletjes.Toen gebeurde er weer iets droevigs. Milly viel, kwetste zich de knie en moest stil liggen. Oom richtte een gezellig ligplaatsje voor haar in op een langen stoel in de huiskamer, zoo, dat zij kijken kon naar het haardvuur. En allen waren wel vriendelijk en lief voor haar, maar niemand kon het helpen, dat het meisje lange uren alleen lag, nu tante, heel zwak, nog altijd in haar slaapkamer was. Als Truus en Bop naar school waren, en Hansje, die soms lastig werd, naar een tante gestuurd was, dan lag Milly heel alleen te kijken en te denken in de groote huiskamer, en het meisje voelde zich treurig gestemd.Eens op een donkeren middag, toen de sneeuw in[77]groote vlokken heel stil langs de ruiten viel, was Milly ongelukkiger dan ooit. Het zou zoo heerlijk zijn, dacht het meisje, als tante haar oppaste of de vroolijke stem van vader zich plotseling zou laten hooren gelijk vroeger, wanneer hij haar kwam halen om samen een dag van pret te hebben buiten de kostschool. Als het nu eens niet waar bleek te zijn, dat vader voor altijd heengegaan was! Als er nu eens gebeld werd en vader naar zijn dochtertje kwam kijken, die moest blijven liggen, wie de boeken verveelden, die nergens lust in had. Zij verlangde alleen naar een mensch, die haar koesterde, naar iemand, die voor haar alleen was als oom en tante voor Truus, Bop en Hansje.Toen plotseling klonk de bel. Het bloed vloog Milly naar het gezicht. Zij richtte zich op om te luisteren.… Was het de stem van vader?Neen, neen, een heel gewone boodschap was het.Heete tranen liepen er langs Milly’s wangen. Door een mist zag zij het spelen der vlammen in het vuur. Het was nu of zij soezen ging. Toen echter werd zij helder wakker, want zij hoorde een zacht stemmetje, dat riep: „Milly.”Haar vriendje, het kaarsemannetje, zat op het boek, dat zij lusteloos uit haar hand had laten glijden.„Ik heb zoo’n groot verdriet,” klaagde zij. „Waarom ben je zoo lang weggebleven?”„Jij bent niet de enige, Milly, die me noodig heeft. Is boven tante Ada niet, zwak en ziek? En ligt zij niet te tobben over al haar kinderen, die haar zoo noodig hebben? Zijn er dan niet andere menschen met verdriet,[78]voor wie ik schijnen moet?”Het kaarsemannetje zat op het boek.Het kaarsemannetje zat op het boek.„Ik heb geen moeder meer en geen vader,” schreide Milly. „Ik lig hier alleen, heel alleen. Ik ben een heel ongelukkig meisje.”Het mannetje rimpelde zijn voorhoofd, zoodat het scheen of hij boos werd.„Niet boos zijn,” smeekte Milly met een bedroefd stemmetje, „ik ben zoo heel, zoo heel alleen.”„Ja maar,” zei het mannetje, „ik heb je al zoo dikwijls geholpen en je zooveel licht gegeven. Je vader is gestorven, dat is heel akelig voor je. Je tante is ziek, dat is héél naar. En toch kijk je niet! Wie heeft je hier zoo gezellig gelegd.”„Oom!”„Van wie kreeg je al die boeken?„Van wie dat lekkers?”„Van tante, die het brengen liet door de zuster.”„En wat geef jij,” zei het mannetje en hij fronste zijn wenkbrauwen. „Een treurig bleek gezichtje, en tranen, en treurige woorden.”[79]„Ik heb ook zoo’n groot verdriet,” klaagde Milly en weer liepen er heete tranen langs haar gezichtje.„Daarom heb ik medelijden met je,” zei het mannetje, „daarom wil ik je helpen.” Toen werd zijn gestalte grooter en het was of er iets van vaders vroolijke gezicht in zijn gelaat kwam. Hij boog zich over haar heen en kuste haar zacht op beide oogen.En kuste haar zacht op beide oogen.En kuste haar zacht op beide oogen.„Nu ga ik heen voor goed, Milly. Mijn licht gaf ik je. Het brandt in je. Kijk nu goed, zie nu goed.”„Laat me niet alleen,” smeekte Milly.„Je zult het niet meer zijn.”„Je was zoo heel alleen, omdat niets in je scheen.”„Nu brandt het in je hoofd, nu brandt het in je hart. Vaarwel, mijn kind.”Weer boog het mannetje zich over Milly heen en kuste haar oogen. Toen keek hij haar aan met een blik als van vader, met een gelaat, dat niets dan licht was.Toen verdween hij.[80][Inhoud]V.Sliep Milly een oogenblik later? Was zij wakker? Droomde zij? Zij heeft het nooit zeker geweten, maar wel zag en hoorde zij het wonderlijke, dat nu gebeuren ging, heel duidelijk.Er kwam een geroes uit den haard of daar getwist werd. Er klonken stemmetjes, die over haar spraken.„Och,” zei er een, „wat ligt die arme Milly alleen in het donkere winterweer. Het kind heeft pijn en verdriet. Dat is treurig voor een klein meisje.”„Ja, ja,” riep er een stem, die iemand moed gaf, als men maar luisterde naar den klank. Milly keerde zich naar het hoekje van waar het geluid kwam. Het was de kolenschop, die sprak en hij leek, toen hij aan het praten was, op den goeden ouden dokter. „Ik heb met haar te doen.”Toen klonk het uit den haard: „Ik brand voor haar wat ik kan.Wie warmte heeft,Die warmte geeft.Ik heb aan al de kolen gezegd om lekker voor haar te gloeien en aan de vlammen om te schijnen en te schitteren en te dansen net of het feest is. Kon zij nog maar dichter bij ons komen! Het is zoo heerlijk warm te zijn, warm te maken, niet, kolen?”Het knetterde en schitterde in den haard.„Ik brand nog niet genoeg,” bromde een groot zwart stuk kool. „Ik wil branden, ik wil warmen.”[81]„Doe je plicht,Maak het licht.”zei toen de flinke stem van de kolenschop en daar stapte de pook van zijn plaats en hij hielp, en lustig snorde het in den haard, en de vlammen dansten en het groote stuk kool bromde net als een spinnende poes:„Ik brand en schijn.Kan er iets schooners zijn?Het vuur in me zingt een lied:Iets schooners dan branden, dat is er niet.”Maar nog wonderlijker dingen gingen er gebeuren.Ik heb met haar te doen.Ik heb met haar te doen.Uit het lucifersdoosje, dat in den hoek van den schoorsteen stond, wipte een wezentje. Het leek een margrietje, maar in plaats van een kroontje van blaadjes droeg het een kransje van fijne lichtstraaltjes. Toen wipte er nog een te voorschijn, en nog een, en nog een! Een heel troep je bij elkaar.„We zijn de broertjes uit het doosje,We leven niet lang, maar toch een poosje.”„Daar zijn onze vriendjes,” riepen de stemmen uit den haard.„Zonder ons zouden jullie niet branden, hè, groote, zwarte kolen, die je bent,” zei een stemmetje zoo fijn, dat het was of een speld sprak. „Denk je soms, dat[82]jullie alleen voor Milly brandt.”„Maak het voor haar licht,Doet allen goed je plicht,”riep de kolenschop weer met het gezicht van den ouden dokter.Doe je plicht, Maak het licht.Doe je plicht,Maak het licht.Toen dansten de kleine lichtjes naar Milly toe. Het was heel mooi: dat bewegen van die lichtkransjes op het donkere tapijt.„Milly,” zei er een, „hier is de naald, waar je gisteren naar zocht. Hij lag in een hoekje achter je stoel.”„Milly,” riep een ander, „hier is de postzegel, die je niet kon vinden. Hij was weggewaaid achter het gordijn.”„Milly, daar ligt het potlood, dat je verloor.”„Milly, daar is de speld met de glazen knop, die je niet meer vinden kon.”Zoo klonk het door elkander.—Kijk daar wipte het lucifersdoosje van den schoorsteen. Het leek wel een moedertje, dat haar kinderen zocht.„Goed zoo kinderen,” zei ze vriendelijk.„Al is de hulp klein,Toch kan ze nuttig zijn.”[83]We zijn de broertjes uit het doosje, We leven niet lang, maar toch een poosje.We zijn de broertjes uit het doosje,We leven niet lang, maar toch een poosje.[84]„Of—het, òf—het,” klonk er diep en plechtig. Het leek of de klok het zei, maar dat was toch niet zoo. De oude man, die op de pendule stond en naar wien Milly zoo dikwijls had liggen kijken, stapte van zijn plaats en liep langzaam op den schoorsteen heen en weer.Hier is de postzegel.Hier is de postzegel.„Of—het, òf—het,” herhaalde hij. „Branden is heerlijk, schijnen is heerlijk, helpen is heerlijk. Tik, tak, de kolen branden. Tik, tak, de lucifers helpen. Ja, ja, zoo is het.” En plechtig liep de bronzen oude man op den schoorsteen heen en weer op de maat van de klok, die tikte.Toen kwamen al de wezentjes van warmte en licht naar het meisje toe: het vuurvrouwtje uit den haard, het lichtvrouwtje uit het lucifersdoosje.„Wie warmte heeft,Die warmte geeft,”zei het vuurvrouwtje en zij drukte haar warme gezichtje tegen dat van Milly.„Het kleine is mijn plicht,In het kleine geef ik licht,”[85]zei het moedertje uit het doosje en zij nam Milly’s rechterhand en kuste elken vinger.De kolenschop met het goede oude gezicht bleef staan voor het meisje en zijn klinkende stem riep:„Ik werk voor het vuur,Ik help uur aan uur.”En de pook riep:„Ik por aan,Ik laat het lekker snorren gaan.”„Zoo is het, zoo was het, menschen komen, menschen gaan; blijft branden, blijft schijnen,” zei plechtig de bronzen man van de klok en langzaam stapte hij heen en weer op den schoorsteen.Toen begon het in de klok te ratelen.„Een, twee, drie, vier,” telde de bronzen man. „De kinderen komen van school. Wij wezen aan, wij spraken uit. Tik, tak, tik, tak!”Liep langzaam op den schoorsteen heen en weer.Liep langzaam op den schoorsteen heen en weer.Al het wonderlijke verdween nu. De oude,[86]bronzen man klom voorzichtig op de pendule. Het oude vrouwtje wipte in het vuur. Het lucifersdoosje stond op zijn plaats. De kleine lichtjes doofden.Zij drukte haar warme gezichtje.Zij drukte haar warme gezichtje.In den haard flikkerden de vlammen en knetterden de kolen.Tik, tak, klonk het rustig van den schoorsteen.[Inhoud]VI.Toen ging de deur open en de stem van de zuster zei: „maar, vrouwtje, wat lig jij alleen in het donker. Ik zal maar eens gauw de gordijnen dicht trekken en het licht gezellig voor je opsteken.”Soezerig keek Milly naar de zuster en knipte met de oogen, toen het gas brandde.„Je hebt geslapen,” plaagde de zuster.„Ik weet het niet,” zei Milly droomerig.„Je bent nog niet goed wakker,” babbelde de zuster. „En ik heb juist een geheimpje voor je. Tante gaat[87]goed vooruit. Je mag daarom van avond dadelijk na het eten op een paar stoelen bij haar bed liggen. Tante verlangt naar haar nichtje.”Klom voorzichtig op de pendule.Klom voorzichtig op de pendule.„Hè,” zei Milly met een zucht en ze wendde haar gezichtje af, want ze wilde niet laten zien, dat de tranen bijna komen wilden.Toen werd er hard gebeld. Truus, Bop en Hansje kwamen thuis.„Ik wil morgen niet meer naar tante,” zeurde Hansje. „Ik wil thuis blijven. Het is niets prettig bij tante. Ik moet maar met mezelve spelen.”„Zuster,” zei Milly met een kleur, „laat Hansje morgen maar bij mij. Ik zal wel schooltje met hem spelen en hem vertellen.”„Ja, ja,” juichte Hansje.„We zullen het Vader vragen,” besliste de zuster.En toen, zonder dat iemand iets zei, gingen de kinderen rond het rustbed van Milly zitten en zij vertelden van allerlei en het meisje luisterde met een opgewekt gezichtje.[88]En na het eten droegen oom en de zuster Milly naar boven en legden haar heel voorzichtig op een paar stoelen naast tante’s bed.Toen ging de deur open.Toen ging de deur open.„Arm kind,” zei tante, „oom heeft me verteld, van je vader.”Toen greep Milly tante’s hand, en legde er haar bedroefde gezichtje tegen aan.„Ik heb zoo vreeselijk naar U verlangd, tante, ik voelde me zoo heel alleen.”„Nu gaan we alle twee weer beter worden,” troostte tante met haar lieven glimlach en zij streelde zachtjes Milly’s haar. „Zuster,” zei zij toen, „geef Milly even zusje.”Toen legde de zuster het kleine kindje in Milly’s armen.„Wat een schatje,” bewonderde Milly, „wat een klein kopje, wat kleine vingertjes. Tante, mag ik dikwijls voor haar zorgen?”[89]Gingen de kinderen rond het rustbed van Milly zitten.Gingen de kinderen rond het rustbed van Milly zitten.[90]„Natuurlijk,” antwoordde tante. „Truus en jij zijn mijn oudste dochters.”En de zuster legde het kleine kindje weer in de wieg, en Milly kuste tante’s handen, die lang en smal waren geworden.Toen werd het meisje naar bed gebracht en het duurde lang, voor zij den slaap vatten kon. Zij luisterde naar het rustige ademhalen van Truus, zij keek in de kamer, waarin zij flauw de omtrekken van de meubelen onderscheidde. Weer ving de knop van de kachel den lichtstraal op, die door een kiertje naar binnen viel. Doch geen enkel wonder gebeurde er. Het kaarsemannetje kwam niet.„Wat een schatje,” bewonderde Milly.„Wat een schatje,” bewonderde Milly.Milly zag niets dan wat even zichtbaar was: de glimmende kachelknop, het kastje met de beeldjes. Het was donker en stil om haar heen. Geen zoldering week, zoodat zij de sterren niet kon zien schitteren; geen muren werden doorzichtig, zoodat zij de lichtlijnen niet van uit haar bed volgen kon. En toch was het licht, héél licht in Milly.⁂[91]„Vader,” vroeg het kreupele Hansje den volgenden dag, „mag ik altijd thuis blijven, zoolang Moes nog ziek is en Milly niet naar school gaat. We hebben zoo gezellig samen gespeeld, niet Milly?”„Ja,” knikte het meisje met een glunder gezichtje.„En Milly heeft zoo leuk verteld,” ging het dankbare Hansje door, „van een kaarsemannetje, vader, dat in een kaars zat, vader, hoor U wel, vader?”„Ja, Hansje.”„En dat kaarsemannetje is heel klein, vader, en dat springt in je oogen en dan is alles heelemaal licht, vader, ook als het donker is. Leuk, hè, vader? Mag Milly me altijd vertellen en mag ik thuis blijven?”„Wat zegt Milly ervan?” vroeg oom.„Ik zal wel goed op Hansje passen,” zei Milly met hetzelfde glundere gezichtje.„Ik hou veel van Milly,” zei kreupele Hansje toen en hij wipte van zijn stoel aan tafel, ging naar Milly toe en sloeg zijn armen om haar hals.„Wat een kleine jongen,” plaagde Bop.„Niet klein,” verdedigde het ventje zich, „is het wel, vader, zusje is klein.”„Zusje is klein, Hansje is groot, Bop is een flauwe jongen en Milly is een lieve meid,” besliste vader.Milly antwoordde niet, maar lachte zoo vriendelijk, alsof het kaarsemannetje voor altijd in haar oogen gesprongen was.[92]

HET KAARSEMANNETJE.[Inhoud]I.Milly lag in haar bed en schreide. Een paar maanden geleden zou zij het echter niet gedaan hebben om hetgeen, wat haar nu heel zacht snikken deed.Want Milly heette eigenlijk Melanie, maar die naam klonk wat vreemd voor Hollandsche ooren en dus werd hij afgekort. Het meisje had een Fransche moeder en een Hollandschen vader en in haar moeders familie werden alle oudste dochtertjes Melanie genoemd. Zij heette daarom ook zoo.Milly herinnerde zich heel weinig van alles wat met haar moeder in verband stond, daar die stierf, toen het kind vijf jaar was. Milly wist nog alleen, dat zij zwarte kleertjes aankreeg en naar een Fransche kostschool gestuurd werd. Later hoorde zij, dat dit moest, omdat haar vader altijd reisde en er geen familie was, waar het meisje toen komen kon. Zij werd dus door vreemden opgevoed met veel kinderen tegelijk. Toch was Milly niet te beklagen geweest. Haar vader kwam haar, zoo dikwijls het maar kon, opzoeken en de tijd, dien zij dan saampjes doorbrachten, was er een van pret en uitgaan. Zij hield heel veel van hem, maar zonder veel verdriet keerde zij altijd naar de kostschool terug en wanneer zij soms even schreide, waren haar traantjes weer spoedig afgewischt, want de directeur[52]en zijn vrouw waren heel goed voor al de kinderen. Dat mocht ook wel, want allen misten een eigen tehuis.De school lag bovendien ergens buiten.De school lag bovendien ergens buiten.De school lag bovendien ergens buiten. Er werd heerlijk gespeeld na de lessen en elk jaargetij had zijn eigen vreugden en bezigheden. Milly verveelde zich nooit, ook niet in de lange winteravonden, want dan waren er gezellige spelletjes of vertellingen en heerlijke boeken.Zij was dus tevreden en gelukkig, omdat zij niet voelde, dat zij iets miste.Nu echter was alles anders voor haar geworden. Een oorlog was uitgebroken en door de streek, waar Milly’s school lag, trokken legers. Toen was de vader zijn dochtertje gaan halen en had haar in veiligheid gebracht in Nederland bij een zuster, die drie kinderen had en nu wel het meisje bij zich kon nemen. Dat was[53]vroeger niet mogelijk geweest, omdat Milly’s tante heel lang ziek was geweest. De vader hervatte zijn zwervend leven, toen hij zijn eenig dochtertje veilig geborgen wist.Al maanden lang was Milly nu al bij haar oom en tante en al dien tijd had ze niets van haar vader gehoord. Soms verlangde het meisje heel innig naar hem, meer eigenlijk dan toen zij op de kostschool was, waar zij hem toch ook dikwijls in langen tijd niet zag.En door de streek trokken legers.En door de streek trokken legers.Het kind begon te begrijpen, dat zij niet bezat wat alle andere kinderen om haar heen wel hadden. De jongens en meisjes van de school, waar tante Ada en oom Frank haar geplaatst hadden, hadden allen een vader en een moeder, broertjes en zusjes. Zij was alleen op de wereld. Dat voelde zij, sedert zij in Nederland was. Oom en tante waren lief voor haar, maar anders[54]toch, vond zij, dan voor hun eigen kinderen, anders dan voor blonde Truusje, anders dan voor dikken Bop, anders dan voor kreupele Hansje. Alle drie kuste tante veel inniger dan haar, het vreemde nichtje! En als het aanhalige Truusje haar armen om haar moeders hals sloeg en zich zoo dicht tegen haar aanvlijde, als behoorde haar moeder alleen aan haar, dan trok Milly een onverschillig gezicht, en drukte haar lippen stijf op elkaar, en keek op dezelfde wijze, die Bop wel eens plagend deed vragen of zij een stok had ingeslikt.Niemand echter wist, dat Milly naar een vader en moeder verlangde, zooals haar nichtjes en neefjes hadden. Zij had ook wel eens haar armen om haar tante willen slaan en toch gaf zij niets dan een vluchtige kus. Zij was toch maar het nichtje, dacht Milly; zij was niet het eigen dochtertje. Zij kreeg niets dan een aalmoes! Zij had naar de kostschool terug willen gaan, waar de goede mijnheer en mevrouw er voor allen waren en tegen den een niet vriendelijker deden dan tegen den ander. En alles was zoo akelig vreemd in de stad, waar zij was: de taal, die zij moest spreken en vader niet altijd tegen haar gebruikt had,—de stad met huizen in plaats van velden en bosschen,—de kleinigheden waar door oom en tante veel meer op gelet werd dan op de school in Frankrijk.Op den avond, dat dit verhaal begint, lag dus Milly heel zachtjes te schreien en zij meende, dat er geen ongelukkiger kind op de heele wereld was dan zij. Eventjes klonk er een luide snik en dadelijk trok het kind haar hoofd onder de dekens, opdat toch niemand[55]haar hooren zou, tante niet, oom niet, plagerige Bop niet. Toch lag Milly alleen in de kamer. Zij deelde die met Truusje, maar haar nichtje was voor een paar nachten uit logeeren bij haar peettante.Maar daarom schreide Milly niet! Dat kon haar niets schelen!Tante Ada kwam echter altijd de kaars uitblazen in de kamer der meisjes. Dan stopte zij de kinderen nog eens toe en dan hoorde Milly heel goed de lieve woordjes, die Truus dan tegen haar moeder zei, voor zij slapen ging en zij kon zien hoe innig het kind haar „schat,” haar „eenige moesje,” haar „liefste, liefste moeder” naar zich toetrok.Dan kwam tante Ada bij haar.„Nacht Milly,” zei dan tante.„Nacht tante,” antwoordde Milly.„Lig je goed?”„Ja, tante.”„Is de kiespijn heelemaal over?”„Ja, tante.”„Goed slapen, hoor, kindje.”„Ja, tante.”Tante legde dan de dekens nog eens goed, streek over het donkere bolletje van Milly, gaf haar een kus, en was heel lief.… Maar alles was toch anders dan bij Truus.Dien avond echter, toen Truus uit logeeren was, had Milly gevraagd, toen zij naar bed ging:„Tante, komt u de kaars uitblazen?”„Ja zeker,” antwoordde tante. Maar juist werd er gebeld en er kwam avondbezoek.[56]Liefste, liefste moeder.Liefste, liefste moeder.[57]Milly was toen naar bed gegaan en, hoorde het stemmengeroes van beneden. Zij lag te wachten, tot tante het licht zou uitdoen, maar tante kwam niet.Milly luisterde naar de geluiden, die van uit de huiskamer tot haar doordrongen en ze keek naar de kaars, die knetterde. Toen voelde het kind zich heel ongelukkig en verlaten.„Truus zou niet vergeten zijn,” zei zij tot zichzelve en zoo’n gevoel van eenzaamheid maakte zich van haar meester bij de pratende stemmen onder haar en de flikkerende kaars, dat zij de dekens over zich heen sloeg om niets meer te hooren of te zien. Toen dacht zij aan haar vader, die zijn eenige dochtertje niet meer schreef of opzocht, aan de verre kostschool, waar het soms zoo gezellig kon zijn in degroote slaapzaal, als mevrouw even langs al de bedden ging.Het kleine meisje, dat Milly was, kon zich niet meer bedwingen en de tranen stroomden langs haar gezichtje en zij stopte haar zakdoek in haar mond uit vrees voor plagerigen Bop. Wat vader wel zeggen zou, als hij wist, dat de jongen haar sarde, wanneer tante en oom er niet bij waren, en haar een „ongewasschen Fransoos” noemde, omdat haar oogen en haar even donker waren, als die van haar nichtje en neefjes licht. Truus had net zulk blond haar als haar moeder. Neen, dat van tante schitterde nog meer, als de lamp erop scheen. Dan moest Milly altijd naar haar kijken of zij wilde of niet en het meisje vroeg zich af of haar eigen moeder, van wie ze zelfs geen portret had, er ook zoo lief had uitgezien.Milly bleef zachtjes doorschreien. De stemmen beneden[58]klonken doffer, de kaars flikkerde wonderlijk.Een wezentje stapte eruit.Een wezentje stapte eruit.Het was of de vlam grooter en kleiner werd en er iets bewoog in het donkere hartje. Nu leek ze wel zoo groot als kreupele Hansje. Kijk, nu scheen het of zij naar beide kanten week.Een wezentje stapte eruit met kleertjes zoo donker als het hart van de vlam en een gezichtje zoo stralend als het licht van de kaars. Het ging zitten op den rand van het bed.1„Ken je me niet, Milly,” vroeg het mannetje.„Neen,” zei Milly verbaasd.„En je hebt zoo lang naar me gekeken. Ik ben het mannetje uit de kaars, die je tante vergat uit te doen.”Toen kwamen er weer de waterlanders bij Milly te voorschijn.„Waarom huil je toch zoo,” vroeg het kaarsemannetje.„Omdat tante Ada nooit vergeet de kaars uit te doen, als Truus er is.”[59]„Ik ben toch bij je gebleven,” troostte het mannetje. „Ik heb het licht voor je gemaakt in de kamer.”„Wat geeft dat,” snikte Milly. „Ik ben zoo’n ongelukkig kind. Mijn vader is weg, mijn moeder is dood. Ik heb geen broertjes en zusjes. Alle kinderen hebben het beter dan ik.”„Hoor eens,” zei het kaarsemannetje, „ik heb medelijden met je en daarom wil ik je helpen. Ik houd wel niet veel van zeurende en klagende kinderen, maar het is waar, dat je niet alles hebt als een ander.”„Niets,” zuchtte Milly.„Ik wil daarom je vriendje worden,” ging het kaarsemannetje door, „al heb je ook gezegd, dat het je niet schelen kan, dat ik het licht voor je in de kamer liet zijn. Kom eens uit je bed, dan zal ik je wat moois laten zien.”Milly gehoorzaamde.Milly gehoorzaamde.Milly gehoorzaamde en nu stond ze achter de dikke gordijnen.„Waar ben je,” vroeg ze.„Ik zit bij je oogen,” lachte het mannetje, „vlak tusschen je wenkbrauwen.[60]Je kunt me niet zien, maar ik jou wel. Ik ben nu een kaarsje voor je oogen.”Dat komt, omdat ik nu op je schouders zit.Dat komt, omdat ik nu op je schouders zit.„Hoe grappig,” zei Milly. „Ik kan nu veel beter zien. De gordijnen zijn dicht en ik kijk er door heen. Zoo’n mooien sterrenhemel heb ik nog nooit gezien, ook niet op de kostschool. De sterren lijken wel diamanten. En daar is de sikkel van de maan. En daar de toren van de kerk. Hoe grappig. Ik zie alles veel beter en toch zijn de gordijnen dicht. Hè, hoe jammer, nu zie ik weer niets.”„Dat komt, omdat ik nu op je schouders zit.”„Kom weer in mijn oogen,” smeekte Milly. „Alles was zoo mooi daar straks.”„Neen, je moet gaan slapen. Gauw naar je bed, meisje.”Milly kroop onder de dekens.„Slaap lekker,” zei het mannetje. „Ik ga in een andere kaars wonen. Deze is veel te klein voor mij geworden.”Slaperig keek Milly toe. Het flikkerde en siste in de kaars. Het vlammetje danste, nam allerlei vormen aan. Toen was er niets dan wat geglim en gespatter. Toen werd het geheel donker in de kamer.Milly verzonk in een diepen slaap.[61]1Zie:plaatje omslag.↑[Inhoud]II.Toen Milly den volgenden morgen opstond, zag zij, dat er een grauwe mist hing. Het kaarsemannetje ontstak nu echter niets in haar oogen en daarom keek zij knorrig.„Wat een malle droom,” dacht ze en huiverig kleedde zij zich aan, want er brandde geen vuur in Milly’s kamer.Tante en oom zaten reeds met de twee jongens aan tafel, toen Milly beneden kwam, tante tusschen Bop en Hansje zooals altijd.„Je bent laat vanmorgen, Milly,” zei oom, nadat ze goeden morgen gewenscht had.„Ja,” antwoordde ze knorrig.„Milly,” zei tante, „gisteren avond heb ik vergeten de kaars uit te komen blazen. Maar juist, toen je naar bed ging, kwamen neef Anton en nicht Marie en die hadden zooveel te vertellen, dat ik het heelemaal vergat. Ik ben later naar boven gegaan, maar je sliep als een roos. Niet aardig van me, hè, dat ik het vergat?”„Het kon me niets schelen,” zei Milly met een heel strak gezichtje.„O,” vond oom, die de wenkbrauwen fronste.„Heeft Moes jou geen nachtzoen gegeven,” zei Hansje. „Hoe naar,” en het ventje streelde zachtjes zijn moeders hand en drukte zijn kopje tegen zijn moeders arm. „Ik zou niet kunnen gaan slapen, als Moes me geen nachtzoen gaf.”[62]„Ik wel, best hoor,” zei Milly met nog onverschilliger gezicht.„Eet en houd je mond, Milly,” beval oom op strengen toon. Tante zei niets, vroeg alleen, toen Milly naar school ging, of zij haar atlas bij zich had.„Je krijgt anders weer straf, Milly,” zei tante vriendelijk.Koud was het buiten en koud was het in het meisje zelf. Het was alles even akelig, vond zij. Vandaag was er rekenles en daar hield zij niet van. Dan taal en daar maakte zij ook al zooveel fouten in.Ze knoeide, toen ze met haar sommen bezig was, die maar niet uit wilden komen, al tuurde en tuurde ze ook op de cijfers. Toen ze echter zoo ingespannen keek, was het of er iets schitterde in haar boek, iets kleins, iets zonderlings.„Goeden morgen, Milly,” klonk het met een fijn stemmetje. „Ken je me niet meer? Ik ben het kaarsemannetje van vannacht. Neen, schrik maar niet, niemand kan me hooren en zien dan jij. Meisje, wat zie je er uit! Het is net zoo donker in je als in een kelder. Je lijkt wel een lamp zonder olie. Je bent net een kachel, die niet branden wil, omdat de kolen nat zijn. Het is noodig, dat ik je kaarsje aansteek! Rrr.… daar brandt het!”„Ik zie je niet meer,” fluisterde Milly.„Tusschen je oogen zit ik, daar licht ik, daar brand ik, daar schijn ik. Ik kijk door je sommen, als vannacht door de gordijnen. Ik zie al de kubieke meters en wat marcheert dat decimaalteeken flink. Kijk eens, hoe leuk!”[63]En Milly keek! De cijfers schitterden als de sterren, die ze aan den hemel gezien had. Het waren net dwergjes met kleine lichtjes in hun handen, die naar hun plaats zochten. Zij wees hun den weg. Het was of het een legertje was, dat zij aanvoerde en deed wat zij wilde. De getallen gehoorzaamden. Elk kwam op de plek, waar het hoorde. Milly’s oogen schitterden, toen zij naar die orde keek.„Wat uitstekend werk,” prees de onderwijzeres. „Niemand heeft zoo goed gerekend als jij.”En toen moest Milly voor de klasse vertellen in het Hollandsch. Even wreef zij met haar handen over het voorhoofd, want wat zouden de kinderen zeggen, als zij het kaarsemannetje tusschen haar wenkbrauwen zagen? Ze voelde niets en toch wist zij, dat het ventje er zat. Toch lachte geen van de kinderen en niemand keek verbaasd naar haar. Misschien vonden zij wel, dat Milly er heel vriendelijk uitzag, heel anders dan gewoonlijk. Maar dat zeiden zij niet. Het zou natuurlijk heel onbeleefd zijn geweest om te zeggen: „Milly, je ziet er anders uit als een onverschillige knorrepot, maar nu lijk je wel een zonnetje in den mist!”Een zonnetje in den mist! Ja waarlijk, het meisje zag het zonnetje, toen zij naar buiten keek, naar de dampen, die voor de ramen hingen. Ze waren er nog en toen was het of zij achter de nevels de zon schijnen zag.„Ik zit bij je oogen,” zei het fijne stemmetje. „Ik zie de woorden. Niet dat nemen, maar dat en dat!”Wat was het heerlijk vertellen met het kaarsemannetje[64]bij Milly! Het was of zij in een kast keek, waarin al de woorden netjes gerangschikt waren en telkens ging een lade vanzelf open en Milly nam het woord eruit, dat zij noodig had. Haar oogen schitterden van pret.Wat uitstekend werk.Wat uitstekend werk.„Je zult zien,” zeide de onderwijzeres, „Milly wil nooit meer bij ons vandaan. Die gaat het prettig bij ons vinden! Die rekent als een professor en die vertelt als een die het kan.”Voor het eerst sedert langen tijd voelde Milly zich gelukkig.„Nu ga ik weg, Milly,” zei het mannetje, toen zij weer op haar plaats zat.„Ik steek aan en verlichtIk jaag het donkere van het gezicht.Kijk naar het licht, dat voor je scheen,Dag, Milly, kind, ik moet nu heen.”Toen schitterde het niet meer in Milly’s boek, maar makkelijk, dat het werk dien heelen schooldag ging!Oom en tante deden, alsof er niets was gebeurd, toen Milly thuis kwam. Tante was vriendelijker dan anders en oom verbood Bop streng, toen hij vroeg of Milly nog altijd bevroren was.[65]Het werd bedtijd. Even aarzelde het meisje, voor zij naar boven ging.„Tante,” vroeg zij zacht, „komt U de kaars uit blazen?”„Natuurlijk,” antwoordde tante, „ga maar vast. Ik kom gauw, maar ik moet eerst nog wat bergen in het kastje van Truus.”Heel vlug was Milly uitgekleed en ze tuurde naar de lange, witte, nieuwe kaars. Tante kwam boven en liep bedrijvig heen en weer om in het kastje van Truus te ordenen en te schikken. Toen echter zag Milly weer wat niemand dan zij opmerken kon. De vlam van de kaars rekte zich en boog naar beide zijden en eruit stapte Milly’s kaarsemannetje met het donkere fluweelige lijfje en een gezichtje dat helderder straalde dan ooit.Hij wipte naar Milly’s bed en voor het kind zien kon hoe het gebeurde, was hij het heel kleine wezentje geworden, dat zich tusschen haar oogen nestelde.„Kijk nu maar eens goed,Kijk naar wat tante doet,”—fluisterde het mannetje.O, wat werd het nu gezellig om het meisje! De kamer, waarin zij lag te kijken, werd zoo vriendelijk! Wat waren de poppetjes op den schoorsteen aardig! Wat mooi die Fransche platen, welke tante vlak over Milly’s bed gehangen had boven Milly’s eigen kastje, dat zij met Kerstmis kreeg! Het blonde haar van tante kwam zoo leuk uit tegen het donkere behang. Haar handen[66]zetten het fijne vaasje van Truus zoo heel zacht neer. Toen verschikte ze iets op Milly’s kastje.„Daar moet later ook nog een vaasje bij, hè, Milly?”„Ja, tante.”„Nu, goeden nacht, kindje,” en tante kwam naar het meisje toe en zag haar aan met oogen, die heel vriendelijk keken.Er uit stapte Milly’s kaarsemannetje.Er uit stapte Milly’s kaarsemannetje.Toen blies het kaarsemannetje het lichtje aan, dat hij voor Milly ontstoken had, en het scheen vroolijk naar alle kanten.„Tante,” zei Milly en onstuimig sloeg zij haar armen om tante heen, „ik ben niet lief geweest en het was niet waar wat ik zeide, want ik heb gisteren niet kunnen slapen, omdat U mij geen nachtzoen gaf.”Toen fluisterden tante en Milly nog wat samen en het leek het meisje, of zij ook tante’s dochtertje was.Even later was het donker in de kamer. Niets hoorde Milly dan iets gedempts—vertrouwelijks, dat er was in het spreken van oom en tante beneden.[67]„Ik was onaardig,” zei Milly tot het mannetje, „maar er was dan ook reden voor.”„Reden, reden,” lachte het mannetje. „Er is net zooveel reden om aardig en flink te wezen. Kijk, kijk!”Het kaarsemannetje tuurde naar boven en daarom deed Milly het ook. Wonderlijk was het wat het kind zag. Haar oogen keken door de zoldering heen naar buiten in den nacht. De mist was opgetrokken. De maansikkel was gegroeid.„Reden om onaardig te wezen,” lachte het mannetje en het wipte weer in de kaars.Niets was er nu om Milly heen dan de donkere kamer, waar zij gelukkig en rustig insliep.[Inhoud]III.„Waarom doe je je oogen zoo stijf toe,” vroeg het kaarsemannetje een avond. „Waarom? Je hebt me een heele poos niet noodig gehad, meisje! Je weet nu veel wat je vroeger niet wist! Je ziet nu wat je eerst niet zag. Waarom doe je nu zoo donker?”Milly gaf geen antwoord, maar drukte haar gezicht diep in de kussens.„Je houdt je of je me niet ziet.Maar, kindjelief, dat helpt je niet!”spotte het ventje.„Ik zit op je donker bolletje,Het lijkt er een heel zwart holletje.”[68]zuchtte het mannetje. „Ik kan alleen het werk niet af. Ik haal mijn kameraadje van den overkant.”Ik zit op je donker bolletje.Ik zit op je donker bolletje.Toen verdween het kaarsemannetje en dikke duisternis was er nu om en in Milly. En toen klonk er weer een fijn stemmetje, dat zeide: „help me, vriend!”Of Milly nu wilde of niet, zij moest de oogen openen en zij zag twee lichtende wezentjes met gelijke, lichte gezichtjes en donkere, fluweelige manteltjes.„Zoo, zoo,” zei Milly’s kaarsemannetje, „ik zie je oogen weer. Kijk hem maar eens aan,”—het tweede ventje boog en zijn gezicht glinsterde,—„hij is het kaarsemannetje van het oude vrouwtje over je. Eerlijk, dat ze is! Zij heeft ons niet noodig. Nu gaan we het samen helder in je maken, hij in je eene oog, ik in je andere.”[69]En zij zag twee lichtende wezentjes.En zij zag twee lichtende wezentjes.[70]Doodstil werd het nu in de kamer, zoo stil, alsof de gansche wereld met al haar geluiden sliep.En plotseling kwamen er gefluisterde woorden over Milly’s lippen. „Ja, ja,” zei ze heel zacht, „het was heel leelijk wat ik deed. Ik had dat geld niet moeten nemen uit mijn spaarpot.”Weer was het stil. Toen, fluisterend, ging Milly door: „Het was gulzig ook, want ik at alles alleen op en zei niemand er wat van.”„Gulzig, en leelijk, en laf was het,” herhaalde het fijne stemmetje van het lichtwezentje. „En licht is altijd licht, niet kameraad?”„Ja,” antwoordde het tweede, fijne stemmetje.Toen was het Milly of de wanden en zoldering van haar kamer geheel doorzichtig werden, zoodat zij uitzien kon naar alle kanten.„Nu springen we uit je oogen. Nu zijn er andere wezens van licht.”„Hoe mooi,” zei Milly. „Kijk, daar zijn de lantarens. Ik zag ze nog nooit zoo goed. Lijnen van licht lijken ze wel, éen langs de eene huizenrij, éen langs de andere.”„Ze branden in den donkeren nacht, ze stralen, ze wijzen den weg,” riep het hooge, fijne stemmetje. „Zoo deden zij gisteren, zoo doen zij vannacht en morgen weer zullen zij rustig branden, trouw en eerlijk in de lange laan, in de groote stad.”„Licht is licht, altijd,” zei zacht het kameraadje.„Ik heb nog nooit zoo ver gezien. Dat lijkt wel het licht van den vuurtoren aan het strand. Hij is net een[71]mensch, een groote man, en waar het licht straalt, is zijn hoofd.”Nu springen we uit je oogen.Nu springen we uit je oogen.„De vuurtoren straalt,” zei het kaarsemannetje langzaam. „Hij wijst den weg elken nacht, trouw en eerlijk, want licht is licht.”„Nu zie ik weer niets,” riep Milly. „Die lantarens schenen zoo helder en de vuurtoren brandde zoo hoog boven de zee. Nu zie ik niets meer, alleen de sterren. Daar heb je de Poolster. Die heeft Bop me leeren vinden, maar er is niets bizonders aan. Die staat altijd vlak boven den schoorsteen van het huis aan den overkant, precies boven het randje van de vierde pijp.”„Precies boven het randje van de vierde pijp! Zoo was het, zoo is het, zoo zal het zijn. Ze stond, waar[72]ze staat en ze zal er staan. Ze wijst den weg, als niemand hem meer weet. Ze is het groote licht, waarnaar wij lichtjes kijken in den donkeren nacht.”Toen zweeg het kaarsemannetje en met gevouwen handjes zaten hij en zijn kameraad op den rand van Milly’s bed en hielden de gezichtjes naar de Poolster, die groot en glanzend stond aan het hemelvlak boven het randje der vierde pijp van den schoorsteen van het huis aan den overkant.„Groote ster, geef ons altijd van uw licht,” fluisterde zacht het kameraadje.„Groote ster, laten we lichtwezentjes blijven in de oogen en harten van de menschen,” smeekte het kaarsemannetje.„Groote ster, groote ster,” herhaalden de mannetjes zacht en zij kruisten hun armen over de borst en bogen met plechtige gezichten.En waar het licht straalt, is zijn hoofd.En waar het licht straalt, is zijn hoofd.Toen was het of de muren der kamer zich weer sloten.[73]Flauw onderscheidde Milly het bed waar Truus sliep en de koperen knop aan de kachel ving als altijd een straal op van de lantaren voor de deur, gezellig en vertrouwelijk.En bogen met plechtige gezichten.En bogen met plechtige gezichten.Droomde Milly?Was zij wakker?Zonder leven te maken kwam zij uit haar bed en lichtte het gordijn op. De lantarens brandden in den stillen nacht. Den vuurtoren zag zij niet, maar vlak boven het randje der vierde pijp van den schoorsteen over haar straalde rustig en helder de Poolster.Toen dacht Milly aan het stilletjes gekochte en gulzig opgegetene en zij kroop in bed, maar de slaap wilde niet komen.⁂Den volgenden dag was het Zondag. Dan was iedereen thuis, ook oom.„Oom, ik wou u wat zeggen,” zei Milly met een bibberende stem, want de werkkamer was groot en van achter de werktafel zagen oom’s oogen, die heel streng konden[74]lijken, onderzoekend naar haar.„Nooit meer,” antwoordde Milly.„Nooit meer,” antwoordde Milly.„Mag tante het niet weten,” vroeg oom.„U is streng en tante is zoo lief en wat ik deed, was heel leelijk.”Toen bibberde Milly’s stem nog meer en met neergeslagen oogen bekende het meisje wat zij deed.„Dat doen we nooit meer, niet Milly,” vroeg oom met vasten toon. Toen moest Milly haar oogen weer opslaan of zij wilde of niet en het was of zij op oom’s gelaat het licht zag van de lantarens en den vuurtoren.„Nooit meer,” antwoordde Milly en met opgeheven gelaat bleef zij kijken in het strenge eerlijke gezicht van den grooten man en als vanzelf legde zij haar hand in die van haar oom. Diens krachtige vingers omsloten stevig de hare.„Nooit meer,” herhaalde oom.„Nooit meer,” zei Milly zacht.[75][Inhoud]IV.Nog echter had het kaarsemannetje niet voor altijd afscheid van het meisje genomen en het was maar goed, dat hij het niet deed, want er kwam weer een heel treurige tijd voor Milly. Haar vader stierf in een vreemd land en in denzelfden tijd, dat de droevige tijding Milly geschreven werd, gebeurde er iets in het gezin van tante Ada, dat vroolijk en treurig tegelijk was. Er werd een kindje geboren, een meisje. Dat was een heel vroolijke gebeurtenis. Maar tante Ada werd ziek en was zoo zwak, dat de kinderen nauwelijks bij haar mochten komen.Dat was héél droevig, vooral voor Milly, want nu was zij alleen met haar groote verdriet. Oom Frank was wel heel vriendelijk voor haar, maar tante zou toch anders geweest zijn en als hij maar even zich vrij kon maken, was hij bij zijn zieke vrouw, al was er ook nog zulk een zorgzame verpleegster voor haar en het teere kleine kindje.Het leek de arme Milly of zij nog nooit zóó alleen was geweest.Truus mocht meer dan zij in de ziekenkamer komen, want oom was bang, dat Milly spreken zou over haar gestorven vader. Tante had het treurige nieuws nog niet mogen hooren, want de dokter had gezegd, dat alles vermeden moest worden, wat de ziekte verergeren kon. Heel verstandig had oom met Milly gesproken en haar gezegd, dat zij nu bewijzen moest van tante werkelijk te houden. En het meisje begreep heel goed wat oom[76]bedoelde, maar zij voelde er zich niet minder ongelukkig en eenzaam door. Het is dan ook heel hard voor een klein meisje om niemand te hebben, die troost in een groot verdriet!Bop was plagerig, al nam Truus ook haar nichtje in bescherming. Hoe kon nu een gezonde, dikke jongen ook begrijpen, waarom Milly zoo stil was! Hansje zeurde, want het kleine, kreupele ventje verlangde naar zijn moeder.Waarom had zij alleen geen moeder! Waarom was nu ook haar vader gestorven! Waarom had zij geen broertjes en zusjes!Niemand, niemand hield echt veel van haar. Zij was maar het nichtje! Zij was maar uit medelijden opgenomen! En zoo dikwijls zeide het kind dat tot zichzelf, dat zij stil en schuw werd. Truus, Bop en Hansje vonden haar vreemd en betrokken haar niet in hun spelletjes.Toen gebeurde er weer iets droevigs. Milly viel, kwetste zich de knie en moest stil liggen. Oom richtte een gezellig ligplaatsje voor haar in op een langen stoel in de huiskamer, zoo, dat zij kijken kon naar het haardvuur. En allen waren wel vriendelijk en lief voor haar, maar niemand kon het helpen, dat het meisje lange uren alleen lag, nu tante, heel zwak, nog altijd in haar slaapkamer was. Als Truus en Bop naar school waren, en Hansje, die soms lastig werd, naar een tante gestuurd was, dan lag Milly heel alleen te kijken en te denken in de groote huiskamer, en het meisje voelde zich treurig gestemd.Eens op een donkeren middag, toen de sneeuw in[77]groote vlokken heel stil langs de ruiten viel, was Milly ongelukkiger dan ooit. Het zou zoo heerlijk zijn, dacht het meisje, als tante haar oppaste of de vroolijke stem van vader zich plotseling zou laten hooren gelijk vroeger, wanneer hij haar kwam halen om samen een dag van pret te hebben buiten de kostschool. Als het nu eens niet waar bleek te zijn, dat vader voor altijd heengegaan was! Als er nu eens gebeld werd en vader naar zijn dochtertje kwam kijken, die moest blijven liggen, wie de boeken verveelden, die nergens lust in had. Zij verlangde alleen naar een mensch, die haar koesterde, naar iemand, die voor haar alleen was als oom en tante voor Truus, Bop en Hansje.Toen plotseling klonk de bel. Het bloed vloog Milly naar het gezicht. Zij richtte zich op om te luisteren.… Was het de stem van vader?Neen, neen, een heel gewone boodschap was het.Heete tranen liepen er langs Milly’s wangen. Door een mist zag zij het spelen der vlammen in het vuur. Het was nu of zij soezen ging. Toen echter werd zij helder wakker, want zij hoorde een zacht stemmetje, dat riep: „Milly.”Haar vriendje, het kaarsemannetje, zat op het boek, dat zij lusteloos uit haar hand had laten glijden.„Ik heb zoo’n groot verdriet,” klaagde zij. „Waarom ben je zoo lang weggebleven?”„Jij bent niet de enige, Milly, die me noodig heeft. Is boven tante Ada niet, zwak en ziek? En ligt zij niet te tobben over al haar kinderen, die haar zoo noodig hebben? Zijn er dan niet andere menschen met verdriet,[78]voor wie ik schijnen moet?”Het kaarsemannetje zat op het boek.Het kaarsemannetje zat op het boek.„Ik heb geen moeder meer en geen vader,” schreide Milly. „Ik lig hier alleen, heel alleen. Ik ben een heel ongelukkig meisje.”Het mannetje rimpelde zijn voorhoofd, zoodat het scheen of hij boos werd.„Niet boos zijn,” smeekte Milly met een bedroefd stemmetje, „ik ben zoo heel, zoo heel alleen.”„Ja maar,” zei het mannetje, „ik heb je al zoo dikwijls geholpen en je zooveel licht gegeven. Je vader is gestorven, dat is heel akelig voor je. Je tante is ziek, dat is héél naar. En toch kijk je niet! Wie heeft je hier zoo gezellig gelegd.”„Oom!”„Van wie kreeg je al die boeken?„Van wie dat lekkers?”„Van tante, die het brengen liet door de zuster.”„En wat geef jij,” zei het mannetje en hij fronste zijn wenkbrauwen. „Een treurig bleek gezichtje, en tranen, en treurige woorden.”[79]„Ik heb ook zoo’n groot verdriet,” klaagde Milly en weer liepen er heete tranen langs haar gezichtje.„Daarom heb ik medelijden met je,” zei het mannetje, „daarom wil ik je helpen.” Toen werd zijn gestalte grooter en het was of er iets van vaders vroolijke gezicht in zijn gelaat kwam. Hij boog zich over haar heen en kuste haar zacht op beide oogen.En kuste haar zacht op beide oogen.En kuste haar zacht op beide oogen.„Nu ga ik heen voor goed, Milly. Mijn licht gaf ik je. Het brandt in je. Kijk nu goed, zie nu goed.”„Laat me niet alleen,” smeekte Milly.„Je zult het niet meer zijn.”„Je was zoo heel alleen, omdat niets in je scheen.”„Nu brandt het in je hoofd, nu brandt het in je hart. Vaarwel, mijn kind.”Weer boog het mannetje zich over Milly heen en kuste haar oogen. Toen keek hij haar aan met een blik als van vader, met een gelaat, dat niets dan licht was.Toen verdween hij.[80][Inhoud]V.Sliep Milly een oogenblik later? Was zij wakker? Droomde zij? Zij heeft het nooit zeker geweten, maar wel zag en hoorde zij het wonderlijke, dat nu gebeuren ging, heel duidelijk.Er kwam een geroes uit den haard of daar getwist werd. Er klonken stemmetjes, die over haar spraken.„Och,” zei er een, „wat ligt die arme Milly alleen in het donkere winterweer. Het kind heeft pijn en verdriet. Dat is treurig voor een klein meisje.”„Ja, ja,” riep er een stem, die iemand moed gaf, als men maar luisterde naar den klank. Milly keerde zich naar het hoekje van waar het geluid kwam. Het was de kolenschop, die sprak en hij leek, toen hij aan het praten was, op den goeden ouden dokter. „Ik heb met haar te doen.”Toen klonk het uit den haard: „Ik brand voor haar wat ik kan.Wie warmte heeft,Die warmte geeft.Ik heb aan al de kolen gezegd om lekker voor haar te gloeien en aan de vlammen om te schijnen en te schitteren en te dansen net of het feest is. Kon zij nog maar dichter bij ons komen! Het is zoo heerlijk warm te zijn, warm te maken, niet, kolen?”Het knetterde en schitterde in den haard.„Ik brand nog niet genoeg,” bromde een groot zwart stuk kool. „Ik wil branden, ik wil warmen.”[81]„Doe je plicht,Maak het licht.”zei toen de flinke stem van de kolenschop en daar stapte de pook van zijn plaats en hij hielp, en lustig snorde het in den haard, en de vlammen dansten en het groote stuk kool bromde net als een spinnende poes:„Ik brand en schijn.Kan er iets schooners zijn?Het vuur in me zingt een lied:Iets schooners dan branden, dat is er niet.”Maar nog wonderlijker dingen gingen er gebeuren.Ik heb met haar te doen.Ik heb met haar te doen.Uit het lucifersdoosje, dat in den hoek van den schoorsteen stond, wipte een wezentje. Het leek een margrietje, maar in plaats van een kroontje van blaadjes droeg het een kransje van fijne lichtstraaltjes. Toen wipte er nog een te voorschijn, en nog een, en nog een! Een heel troep je bij elkaar.„We zijn de broertjes uit het doosje,We leven niet lang, maar toch een poosje.”„Daar zijn onze vriendjes,” riepen de stemmen uit den haard.„Zonder ons zouden jullie niet branden, hè, groote, zwarte kolen, die je bent,” zei een stemmetje zoo fijn, dat het was of een speld sprak. „Denk je soms, dat[82]jullie alleen voor Milly brandt.”„Maak het voor haar licht,Doet allen goed je plicht,”riep de kolenschop weer met het gezicht van den ouden dokter.Doe je plicht, Maak het licht.Doe je plicht,Maak het licht.Toen dansten de kleine lichtjes naar Milly toe. Het was heel mooi: dat bewegen van die lichtkransjes op het donkere tapijt.„Milly,” zei er een, „hier is de naald, waar je gisteren naar zocht. Hij lag in een hoekje achter je stoel.”„Milly,” riep een ander, „hier is de postzegel, die je niet kon vinden. Hij was weggewaaid achter het gordijn.”„Milly, daar ligt het potlood, dat je verloor.”„Milly, daar is de speld met de glazen knop, die je niet meer vinden kon.”Zoo klonk het door elkander.—Kijk daar wipte het lucifersdoosje van den schoorsteen. Het leek wel een moedertje, dat haar kinderen zocht.„Goed zoo kinderen,” zei ze vriendelijk.„Al is de hulp klein,Toch kan ze nuttig zijn.”[83]We zijn de broertjes uit het doosje, We leven niet lang, maar toch een poosje.We zijn de broertjes uit het doosje,We leven niet lang, maar toch een poosje.[84]„Of—het, òf—het,” klonk er diep en plechtig. Het leek of de klok het zei, maar dat was toch niet zoo. De oude man, die op de pendule stond en naar wien Milly zoo dikwijls had liggen kijken, stapte van zijn plaats en liep langzaam op den schoorsteen heen en weer.Hier is de postzegel.Hier is de postzegel.„Of—het, òf—het,” herhaalde hij. „Branden is heerlijk, schijnen is heerlijk, helpen is heerlijk. Tik, tak, de kolen branden. Tik, tak, de lucifers helpen. Ja, ja, zoo is het.” En plechtig liep de bronzen oude man op den schoorsteen heen en weer op de maat van de klok, die tikte.Toen kwamen al de wezentjes van warmte en licht naar het meisje toe: het vuurvrouwtje uit den haard, het lichtvrouwtje uit het lucifersdoosje.„Wie warmte heeft,Die warmte geeft,”zei het vuurvrouwtje en zij drukte haar warme gezichtje tegen dat van Milly.„Het kleine is mijn plicht,In het kleine geef ik licht,”[85]zei het moedertje uit het doosje en zij nam Milly’s rechterhand en kuste elken vinger.De kolenschop met het goede oude gezicht bleef staan voor het meisje en zijn klinkende stem riep:„Ik werk voor het vuur,Ik help uur aan uur.”En de pook riep:„Ik por aan,Ik laat het lekker snorren gaan.”„Zoo is het, zoo was het, menschen komen, menschen gaan; blijft branden, blijft schijnen,” zei plechtig de bronzen man van de klok en langzaam stapte hij heen en weer op den schoorsteen.Toen begon het in de klok te ratelen.„Een, twee, drie, vier,” telde de bronzen man. „De kinderen komen van school. Wij wezen aan, wij spraken uit. Tik, tak, tik, tak!”Liep langzaam op den schoorsteen heen en weer.Liep langzaam op den schoorsteen heen en weer.Al het wonderlijke verdween nu. De oude,[86]bronzen man klom voorzichtig op de pendule. Het oude vrouwtje wipte in het vuur. Het lucifersdoosje stond op zijn plaats. De kleine lichtjes doofden.Zij drukte haar warme gezichtje.Zij drukte haar warme gezichtje.In den haard flikkerden de vlammen en knetterden de kolen.Tik, tak, klonk het rustig van den schoorsteen.[Inhoud]VI.Toen ging de deur open en de stem van de zuster zei: „maar, vrouwtje, wat lig jij alleen in het donker. Ik zal maar eens gauw de gordijnen dicht trekken en het licht gezellig voor je opsteken.”Soezerig keek Milly naar de zuster en knipte met de oogen, toen het gas brandde.„Je hebt geslapen,” plaagde de zuster.„Ik weet het niet,” zei Milly droomerig.„Je bent nog niet goed wakker,” babbelde de zuster. „En ik heb juist een geheimpje voor je. Tante gaat[87]goed vooruit. Je mag daarom van avond dadelijk na het eten op een paar stoelen bij haar bed liggen. Tante verlangt naar haar nichtje.”Klom voorzichtig op de pendule.Klom voorzichtig op de pendule.„Hè,” zei Milly met een zucht en ze wendde haar gezichtje af, want ze wilde niet laten zien, dat de tranen bijna komen wilden.Toen werd er hard gebeld. Truus, Bop en Hansje kwamen thuis.„Ik wil morgen niet meer naar tante,” zeurde Hansje. „Ik wil thuis blijven. Het is niets prettig bij tante. Ik moet maar met mezelve spelen.”„Zuster,” zei Milly met een kleur, „laat Hansje morgen maar bij mij. Ik zal wel schooltje met hem spelen en hem vertellen.”„Ja, ja,” juichte Hansje.„We zullen het Vader vragen,” besliste de zuster.En toen, zonder dat iemand iets zei, gingen de kinderen rond het rustbed van Milly zitten en zij vertelden van allerlei en het meisje luisterde met een opgewekt gezichtje.[88]En na het eten droegen oom en de zuster Milly naar boven en legden haar heel voorzichtig op een paar stoelen naast tante’s bed.Toen ging de deur open.Toen ging de deur open.„Arm kind,” zei tante, „oom heeft me verteld, van je vader.”Toen greep Milly tante’s hand, en legde er haar bedroefde gezichtje tegen aan.„Ik heb zoo vreeselijk naar U verlangd, tante, ik voelde me zoo heel alleen.”„Nu gaan we alle twee weer beter worden,” troostte tante met haar lieven glimlach en zij streelde zachtjes Milly’s haar. „Zuster,” zei zij toen, „geef Milly even zusje.”Toen legde de zuster het kleine kindje in Milly’s armen.„Wat een schatje,” bewonderde Milly, „wat een klein kopje, wat kleine vingertjes. Tante, mag ik dikwijls voor haar zorgen?”[89]Gingen de kinderen rond het rustbed van Milly zitten.Gingen de kinderen rond het rustbed van Milly zitten.[90]„Natuurlijk,” antwoordde tante. „Truus en jij zijn mijn oudste dochters.”En de zuster legde het kleine kindje weer in de wieg, en Milly kuste tante’s handen, die lang en smal waren geworden.Toen werd het meisje naar bed gebracht en het duurde lang, voor zij den slaap vatten kon. Zij luisterde naar het rustige ademhalen van Truus, zij keek in de kamer, waarin zij flauw de omtrekken van de meubelen onderscheidde. Weer ving de knop van de kachel den lichtstraal op, die door een kiertje naar binnen viel. Doch geen enkel wonder gebeurde er. Het kaarsemannetje kwam niet.„Wat een schatje,” bewonderde Milly.„Wat een schatje,” bewonderde Milly.Milly zag niets dan wat even zichtbaar was: de glimmende kachelknop, het kastje met de beeldjes. Het was donker en stil om haar heen. Geen zoldering week, zoodat zij de sterren niet kon zien schitteren; geen muren werden doorzichtig, zoodat zij de lichtlijnen niet van uit haar bed volgen kon. En toch was het licht, héél licht in Milly.⁂[91]„Vader,” vroeg het kreupele Hansje den volgenden dag, „mag ik altijd thuis blijven, zoolang Moes nog ziek is en Milly niet naar school gaat. We hebben zoo gezellig samen gespeeld, niet Milly?”„Ja,” knikte het meisje met een glunder gezichtje.„En Milly heeft zoo leuk verteld,” ging het dankbare Hansje door, „van een kaarsemannetje, vader, dat in een kaars zat, vader, hoor U wel, vader?”„Ja, Hansje.”„En dat kaarsemannetje is heel klein, vader, en dat springt in je oogen en dan is alles heelemaal licht, vader, ook als het donker is. Leuk, hè, vader? Mag Milly me altijd vertellen en mag ik thuis blijven?”„Wat zegt Milly ervan?” vroeg oom.„Ik zal wel goed op Hansje passen,” zei Milly met hetzelfde glundere gezichtje.„Ik hou veel van Milly,” zei kreupele Hansje toen en hij wipte van zijn stoel aan tafel, ging naar Milly toe en sloeg zijn armen om haar hals.„Wat een kleine jongen,” plaagde Bop.„Niet klein,” verdedigde het ventje zich, „is het wel, vader, zusje is klein.”„Zusje is klein, Hansje is groot, Bop is een flauwe jongen en Milly is een lieve meid,” besliste vader.Milly antwoordde niet, maar lachte zoo vriendelijk, alsof het kaarsemannetje voor altijd in haar oogen gesprongen was.[92]

[Inhoud]I.Milly lag in haar bed en schreide. Een paar maanden geleden zou zij het echter niet gedaan hebben om hetgeen, wat haar nu heel zacht snikken deed.Want Milly heette eigenlijk Melanie, maar die naam klonk wat vreemd voor Hollandsche ooren en dus werd hij afgekort. Het meisje had een Fransche moeder en een Hollandschen vader en in haar moeders familie werden alle oudste dochtertjes Melanie genoemd. Zij heette daarom ook zoo.Milly herinnerde zich heel weinig van alles wat met haar moeder in verband stond, daar die stierf, toen het kind vijf jaar was. Milly wist nog alleen, dat zij zwarte kleertjes aankreeg en naar een Fransche kostschool gestuurd werd. Later hoorde zij, dat dit moest, omdat haar vader altijd reisde en er geen familie was, waar het meisje toen komen kon. Zij werd dus door vreemden opgevoed met veel kinderen tegelijk. Toch was Milly niet te beklagen geweest. Haar vader kwam haar, zoo dikwijls het maar kon, opzoeken en de tijd, dien zij dan saampjes doorbrachten, was er een van pret en uitgaan. Zij hield heel veel van hem, maar zonder veel verdriet keerde zij altijd naar de kostschool terug en wanneer zij soms even schreide, waren haar traantjes weer spoedig afgewischt, want de directeur[52]en zijn vrouw waren heel goed voor al de kinderen. Dat mocht ook wel, want allen misten een eigen tehuis.De school lag bovendien ergens buiten.De school lag bovendien ergens buiten.De school lag bovendien ergens buiten. Er werd heerlijk gespeeld na de lessen en elk jaargetij had zijn eigen vreugden en bezigheden. Milly verveelde zich nooit, ook niet in de lange winteravonden, want dan waren er gezellige spelletjes of vertellingen en heerlijke boeken.Zij was dus tevreden en gelukkig, omdat zij niet voelde, dat zij iets miste.Nu echter was alles anders voor haar geworden. Een oorlog was uitgebroken en door de streek, waar Milly’s school lag, trokken legers. Toen was de vader zijn dochtertje gaan halen en had haar in veiligheid gebracht in Nederland bij een zuster, die drie kinderen had en nu wel het meisje bij zich kon nemen. Dat was[53]vroeger niet mogelijk geweest, omdat Milly’s tante heel lang ziek was geweest. De vader hervatte zijn zwervend leven, toen hij zijn eenig dochtertje veilig geborgen wist.Al maanden lang was Milly nu al bij haar oom en tante en al dien tijd had ze niets van haar vader gehoord. Soms verlangde het meisje heel innig naar hem, meer eigenlijk dan toen zij op de kostschool was, waar zij hem toch ook dikwijls in langen tijd niet zag.En door de streek trokken legers.En door de streek trokken legers.Het kind begon te begrijpen, dat zij niet bezat wat alle andere kinderen om haar heen wel hadden. De jongens en meisjes van de school, waar tante Ada en oom Frank haar geplaatst hadden, hadden allen een vader en een moeder, broertjes en zusjes. Zij was alleen op de wereld. Dat voelde zij, sedert zij in Nederland was. Oom en tante waren lief voor haar, maar anders[54]toch, vond zij, dan voor hun eigen kinderen, anders dan voor blonde Truusje, anders dan voor dikken Bop, anders dan voor kreupele Hansje. Alle drie kuste tante veel inniger dan haar, het vreemde nichtje! En als het aanhalige Truusje haar armen om haar moeders hals sloeg en zich zoo dicht tegen haar aanvlijde, als behoorde haar moeder alleen aan haar, dan trok Milly een onverschillig gezicht, en drukte haar lippen stijf op elkaar, en keek op dezelfde wijze, die Bop wel eens plagend deed vragen of zij een stok had ingeslikt.Niemand echter wist, dat Milly naar een vader en moeder verlangde, zooals haar nichtjes en neefjes hadden. Zij had ook wel eens haar armen om haar tante willen slaan en toch gaf zij niets dan een vluchtige kus. Zij was toch maar het nichtje, dacht Milly; zij was niet het eigen dochtertje. Zij kreeg niets dan een aalmoes! Zij had naar de kostschool terug willen gaan, waar de goede mijnheer en mevrouw er voor allen waren en tegen den een niet vriendelijker deden dan tegen den ander. En alles was zoo akelig vreemd in de stad, waar zij was: de taal, die zij moest spreken en vader niet altijd tegen haar gebruikt had,—de stad met huizen in plaats van velden en bosschen,—de kleinigheden waar door oom en tante veel meer op gelet werd dan op de school in Frankrijk.Op den avond, dat dit verhaal begint, lag dus Milly heel zachtjes te schreien en zij meende, dat er geen ongelukkiger kind op de heele wereld was dan zij. Eventjes klonk er een luide snik en dadelijk trok het kind haar hoofd onder de dekens, opdat toch niemand[55]haar hooren zou, tante niet, oom niet, plagerige Bop niet. Toch lag Milly alleen in de kamer. Zij deelde die met Truusje, maar haar nichtje was voor een paar nachten uit logeeren bij haar peettante.Maar daarom schreide Milly niet! Dat kon haar niets schelen!Tante Ada kwam echter altijd de kaars uitblazen in de kamer der meisjes. Dan stopte zij de kinderen nog eens toe en dan hoorde Milly heel goed de lieve woordjes, die Truus dan tegen haar moeder zei, voor zij slapen ging en zij kon zien hoe innig het kind haar „schat,” haar „eenige moesje,” haar „liefste, liefste moeder” naar zich toetrok.Dan kwam tante Ada bij haar.„Nacht Milly,” zei dan tante.„Nacht tante,” antwoordde Milly.„Lig je goed?”„Ja, tante.”„Is de kiespijn heelemaal over?”„Ja, tante.”„Goed slapen, hoor, kindje.”„Ja, tante.”Tante legde dan de dekens nog eens goed, streek over het donkere bolletje van Milly, gaf haar een kus, en was heel lief.… Maar alles was toch anders dan bij Truus.Dien avond echter, toen Truus uit logeeren was, had Milly gevraagd, toen zij naar bed ging:„Tante, komt u de kaars uitblazen?”„Ja zeker,” antwoordde tante. Maar juist werd er gebeld en er kwam avondbezoek.[56]Liefste, liefste moeder.Liefste, liefste moeder.[57]Milly was toen naar bed gegaan en, hoorde het stemmengeroes van beneden. Zij lag te wachten, tot tante het licht zou uitdoen, maar tante kwam niet.Milly luisterde naar de geluiden, die van uit de huiskamer tot haar doordrongen en ze keek naar de kaars, die knetterde. Toen voelde het kind zich heel ongelukkig en verlaten.„Truus zou niet vergeten zijn,” zei zij tot zichzelve en zoo’n gevoel van eenzaamheid maakte zich van haar meester bij de pratende stemmen onder haar en de flikkerende kaars, dat zij de dekens over zich heen sloeg om niets meer te hooren of te zien. Toen dacht zij aan haar vader, die zijn eenige dochtertje niet meer schreef of opzocht, aan de verre kostschool, waar het soms zoo gezellig kon zijn in degroote slaapzaal, als mevrouw even langs al de bedden ging.Het kleine meisje, dat Milly was, kon zich niet meer bedwingen en de tranen stroomden langs haar gezichtje en zij stopte haar zakdoek in haar mond uit vrees voor plagerigen Bop. Wat vader wel zeggen zou, als hij wist, dat de jongen haar sarde, wanneer tante en oom er niet bij waren, en haar een „ongewasschen Fransoos” noemde, omdat haar oogen en haar even donker waren, als die van haar nichtje en neefjes licht. Truus had net zulk blond haar als haar moeder. Neen, dat van tante schitterde nog meer, als de lamp erop scheen. Dan moest Milly altijd naar haar kijken of zij wilde of niet en het meisje vroeg zich af of haar eigen moeder, van wie ze zelfs geen portret had, er ook zoo lief had uitgezien.Milly bleef zachtjes doorschreien. De stemmen beneden[58]klonken doffer, de kaars flikkerde wonderlijk.Een wezentje stapte eruit.Een wezentje stapte eruit.Het was of de vlam grooter en kleiner werd en er iets bewoog in het donkere hartje. Nu leek ze wel zoo groot als kreupele Hansje. Kijk, nu scheen het of zij naar beide kanten week.Een wezentje stapte eruit met kleertjes zoo donker als het hart van de vlam en een gezichtje zoo stralend als het licht van de kaars. Het ging zitten op den rand van het bed.1„Ken je me niet, Milly,” vroeg het mannetje.„Neen,” zei Milly verbaasd.„En je hebt zoo lang naar me gekeken. Ik ben het mannetje uit de kaars, die je tante vergat uit te doen.”Toen kwamen er weer de waterlanders bij Milly te voorschijn.„Waarom huil je toch zoo,” vroeg het kaarsemannetje.„Omdat tante Ada nooit vergeet de kaars uit te doen, als Truus er is.”[59]„Ik ben toch bij je gebleven,” troostte het mannetje. „Ik heb het licht voor je gemaakt in de kamer.”„Wat geeft dat,” snikte Milly. „Ik ben zoo’n ongelukkig kind. Mijn vader is weg, mijn moeder is dood. Ik heb geen broertjes en zusjes. Alle kinderen hebben het beter dan ik.”„Hoor eens,” zei het kaarsemannetje, „ik heb medelijden met je en daarom wil ik je helpen. Ik houd wel niet veel van zeurende en klagende kinderen, maar het is waar, dat je niet alles hebt als een ander.”„Niets,” zuchtte Milly.„Ik wil daarom je vriendje worden,” ging het kaarsemannetje door, „al heb je ook gezegd, dat het je niet schelen kan, dat ik het licht voor je in de kamer liet zijn. Kom eens uit je bed, dan zal ik je wat moois laten zien.”Milly gehoorzaamde.Milly gehoorzaamde.Milly gehoorzaamde en nu stond ze achter de dikke gordijnen.„Waar ben je,” vroeg ze.„Ik zit bij je oogen,” lachte het mannetje, „vlak tusschen je wenkbrauwen.[60]Je kunt me niet zien, maar ik jou wel. Ik ben nu een kaarsje voor je oogen.”Dat komt, omdat ik nu op je schouders zit.Dat komt, omdat ik nu op je schouders zit.„Hoe grappig,” zei Milly. „Ik kan nu veel beter zien. De gordijnen zijn dicht en ik kijk er door heen. Zoo’n mooien sterrenhemel heb ik nog nooit gezien, ook niet op de kostschool. De sterren lijken wel diamanten. En daar is de sikkel van de maan. En daar de toren van de kerk. Hoe grappig. Ik zie alles veel beter en toch zijn de gordijnen dicht. Hè, hoe jammer, nu zie ik weer niets.”„Dat komt, omdat ik nu op je schouders zit.”„Kom weer in mijn oogen,” smeekte Milly. „Alles was zoo mooi daar straks.”„Neen, je moet gaan slapen. Gauw naar je bed, meisje.”Milly kroop onder de dekens.„Slaap lekker,” zei het mannetje. „Ik ga in een andere kaars wonen. Deze is veel te klein voor mij geworden.”Slaperig keek Milly toe. Het flikkerde en siste in de kaars. Het vlammetje danste, nam allerlei vormen aan. Toen was er niets dan wat geglim en gespatter. Toen werd het geheel donker in de kamer.Milly verzonk in een diepen slaap.[61]1Zie:plaatje omslag.↑

I.

Milly lag in haar bed en schreide. Een paar maanden geleden zou zij het echter niet gedaan hebben om hetgeen, wat haar nu heel zacht snikken deed.Want Milly heette eigenlijk Melanie, maar die naam klonk wat vreemd voor Hollandsche ooren en dus werd hij afgekort. Het meisje had een Fransche moeder en een Hollandschen vader en in haar moeders familie werden alle oudste dochtertjes Melanie genoemd. Zij heette daarom ook zoo.Milly herinnerde zich heel weinig van alles wat met haar moeder in verband stond, daar die stierf, toen het kind vijf jaar was. Milly wist nog alleen, dat zij zwarte kleertjes aankreeg en naar een Fransche kostschool gestuurd werd. Later hoorde zij, dat dit moest, omdat haar vader altijd reisde en er geen familie was, waar het meisje toen komen kon. Zij werd dus door vreemden opgevoed met veel kinderen tegelijk. Toch was Milly niet te beklagen geweest. Haar vader kwam haar, zoo dikwijls het maar kon, opzoeken en de tijd, dien zij dan saampjes doorbrachten, was er een van pret en uitgaan. Zij hield heel veel van hem, maar zonder veel verdriet keerde zij altijd naar de kostschool terug en wanneer zij soms even schreide, waren haar traantjes weer spoedig afgewischt, want de directeur[52]en zijn vrouw waren heel goed voor al de kinderen. Dat mocht ook wel, want allen misten een eigen tehuis.De school lag bovendien ergens buiten.De school lag bovendien ergens buiten.De school lag bovendien ergens buiten. Er werd heerlijk gespeeld na de lessen en elk jaargetij had zijn eigen vreugden en bezigheden. Milly verveelde zich nooit, ook niet in de lange winteravonden, want dan waren er gezellige spelletjes of vertellingen en heerlijke boeken.Zij was dus tevreden en gelukkig, omdat zij niet voelde, dat zij iets miste.Nu echter was alles anders voor haar geworden. Een oorlog was uitgebroken en door de streek, waar Milly’s school lag, trokken legers. Toen was de vader zijn dochtertje gaan halen en had haar in veiligheid gebracht in Nederland bij een zuster, die drie kinderen had en nu wel het meisje bij zich kon nemen. Dat was[53]vroeger niet mogelijk geweest, omdat Milly’s tante heel lang ziek was geweest. De vader hervatte zijn zwervend leven, toen hij zijn eenig dochtertje veilig geborgen wist.Al maanden lang was Milly nu al bij haar oom en tante en al dien tijd had ze niets van haar vader gehoord. Soms verlangde het meisje heel innig naar hem, meer eigenlijk dan toen zij op de kostschool was, waar zij hem toch ook dikwijls in langen tijd niet zag.En door de streek trokken legers.En door de streek trokken legers.Het kind begon te begrijpen, dat zij niet bezat wat alle andere kinderen om haar heen wel hadden. De jongens en meisjes van de school, waar tante Ada en oom Frank haar geplaatst hadden, hadden allen een vader en een moeder, broertjes en zusjes. Zij was alleen op de wereld. Dat voelde zij, sedert zij in Nederland was. Oom en tante waren lief voor haar, maar anders[54]toch, vond zij, dan voor hun eigen kinderen, anders dan voor blonde Truusje, anders dan voor dikken Bop, anders dan voor kreupele Hansje. Alle drie kuste tante veel inniger dan haar, het vreemde nichtje! En als het aanhalige Truusje haar armen om haar moeders hals sloeg en zich zoo dicht tegen haar aanvlijde, als behoorde haar moeder alleen aan haar, dan trok Milly een onverschillig gezicht, en drukte haar lippen stijf op elkaar, en keek op dezelfde wijze, die Bop wel eens plagend deed vragen of zij een stok had ingeslikt.Niemand echter wist, dat Milly naar een vader en moeder verlangde, zooals haar nichtjes en neefjes hadden. Zij had ook wel eens haar armen om haar tante willen slaan en toch gaf zij niets dan een vluchtige kus. Zij was toch maar het nichtje, dacht Milly; zij was niet het eigen dochtertje. Zij kreeg niets dan een aalmoes! Zij had naar de kostschool terug willen gaan, waar de goede mijnheer en mevrouw er voor allen waren en tegen den een niet vriendelijker deden dan tegen den ander. En alles was zoo akelig vreemd in de stad, waar zij was: de taal, die zij moest spreken en vader niet altijd tegen haar gebruikt had,—de stad met huizen in plaats van velden en bosschen,—de kleinigheden waar door oom en tante veel meer op gelet werd dan op de school in Frankrijk.Op den avond, dat dit verhaal begint, lag dus Milly heel zachtjes te schreien en zij meende, dat er geen ongelukkiger kind op de heele wereld was dan zij. Eventjes klonk er een luide snik en dadelijk trok het kind haar hoofd onder de dekens, opdat toch niemand[55]haar hooren zou, tante niet, oom niet, plagerige Bop niet. Toch lag Milly alleen in de kamer. Zij deelde die met Truusje, maar haar nichtje was voor een paar nachten uit logeeren bij haar peettante.Maar daarom schreide Milly niet! Dat kon haar niets schelen!Tante Ada kwam echter altijd de kaars uitblazen in de kamer der meisjes. Dan stopte zij de kinderen nog eens toe en dan hoorde Milly heel goed de lieve woordjes, die Truus dan tegen haar moeder zei, voor zij slapen ging en zij kon zien hoe innig het kind haar „schat,” haar „eenige moesje,” haar „liefste, liefste moeder” naar zich toetrok.Dan kwam tante Ada bij haar.„Nacht Milly,” zei dan tante.„Nacht tante,” antwoordde Milly.„Lig je goed?”„Ja, tante.”„Is de kiespijn heelemaal over?”„Ja, tante.”„Goed slapen, hoor, kindje.”„Ja, tante.”Tante legde dan de dekens nog eens goed, streek over het donkere bolletje van Milly, gaf haar een kus, en was heel lief.… Maar alles was toch anders dan bij Truus.Dien avond echter, toen Truus uit logeeren was, had Milly gevraagd, toen zij naar bed ging:„Tante, komt u de kaars uitblazen?”„Ja zeker,” antwoordde tante. Maar juist werd er gebeld en er kwam avondbezoek.[56]Liefste, liefste moeder.Liefste, liefste moeder.[57]Milly was toen naar bed gegaan en, hoorde het stemmengeroes van beneden. Zij lag te wachten, tot tante het licht zou uitdoen, maar tante kwam niet.Milly luisterde naar de geluiden, die van uit de huiskamer tot haar doordrongen en ze keek naar de kaars, die knetterde. Toen voelde het kind zich heel ongelukkig en verlaten.„Truus zou niet vergeten zijn,” zei zij tot zichzelve en zoo’n gevoel van eenzaamheid maakte zich van haar meester bij de pratende stemmen onder haar en de flikkerende kaars, dat zij de dekens over zich heen sloeg om niets meer te hooren of te zien. Toen dacht zij aan haar vader, die zijn eenige dochtertje niet meer schreef of opzocht, aan de verre kostschool, waar het soms zoo gezellig kon zijn in degroote slaapzaal, als mevrouw even langs al de bedden ging.Het kleine meisje, dat Milly was, kon zich niet meer bedwingen en de tranen stroomden langs haar gezichtje en zij stopte haar zakdoek in haar mond uit vrees voor plagerigen Bop. Wat vader wel zeggen zou, als hij wist, dat de jongen haar sarde, wanneer tante en oom er niet bij waren, en haar een „ongewasschen Fransoos” noemde, omdat haar oogen en haar even donker waren, als die van haar nichtje en neefjes licht. Truus had net zulk blond haar als haar moeder. Neen, dat van tante schitterde nog meer, als de lamp erop scheen. Dan moest Milly altijd naar haar kijken of zij wilde of niet en het meisje vroeg zich af of haar eigen moeder, van wie ze zelfs geen portret had, er ook zoo lief had uitgezien.Milly bleef zachtjes doorschreien. De stemmen beneden[58]klonken doffer, de kaars flikkerde wonderlijk.Een wezentje stapte eruit.Een wezentje stapte eruit.Het was of de vlam grooter en kleiner werd en er iets bewoog in het donkere hartje. Nu leek ze wel zoo groot als kreupele Hansje. Kijk, nu scheen het of zij naar beide kanten week.Een wezentje stapte eruit met kleertjes zoo donker als het hart van de vlam en een gezichtje zoo stralend als het licht van de kaars. Het ging zitten op den rand van het bed.1„Ken je me niet, Milly,” vroeg het mannetje.„Neen,” zei Milly verbaasd.„En je hebt zoo lang naar me gekeken. Ik ben het mannetje uit de kaars, die je tante vergat uit te doen.”Toen kwamen er weer de waterlanders bij Milly te voorschijn.„Waarom huil je toch zoo,” vroeg het kaarsemannetje.„Omdat tante Ada nooit vergeet de kaars uit te doen, als Truus er is.”[59]„Ik ben toch bij je gebleven,” troostte het mannetje. „Ik heb het licht voor je gemaakt in de kamer.”„Wat geeft dat,” snikte Milly. „Ik ben zoo’n ongelukkig kind. Mijn vader is weg, mijn moeder is dood. Ik heb geen broertjes en zusjes. Alle kinderen hebben het beter dan ik.”„Hoor eens,” zei het kaarsemannetje, „ik heb medelijden met je en daarom wil ik je helpen. Ik houd wel niet veel van zeurende en klagende kinderen, maar het is waar, dat je niet alles hebt als een ander.”„Niets,” zuchtte Milly.„Ik wil daarom je vriendje worden,” ging het kaarsemannetje door, „al heb je ook gezegd, dat het je niet schelen kan, dat ik het licht voor je in de kamer liet zijn. Kom eens uit je bed, dan zal ik je wat moois laten zien.”Milly gehoorzaamde.Milly gehoorzaamde.Milly gehoorzaamde en nu stond ze achter de dikke gordijnen.„Waar ben je,” vroeg ze.„Ik zit bij je oogen,” lachte het mannetje, „vlak tusschen je wenkbrauwen.[60]Je kunt me niet zien, maar ik jou wel. Ik ben nu een kaarsje voor je oogen.”Dat komt, omdat ik nu op je schouders zit.Dat komt, omdat ik nu op je schouders zit.„Hoe grappig,” zei Milly. „Ik kan nu veel beter zien. De gordijnen zijn dicht en ik kijk er door heen. Zoo’n mooien sterrenhemel heb ik nog nooit gezien, ook niet op de kostschool. De sterren lijken wel diamanten. En daar is de sikkel van de maan. En daar de toren van de kerk. Hoe grappig. Ik zie alles veel beter en toch zijn de gordijnen dicht. Hè, hoe jammer, nu zie ik weer niets.”„Dat komt, omdat ik nu op je schouders zit.”„Kom weer in mijn oogen,” smeekte Milly. „Alles was zoo mooi daar straks.”„Neen, je moet gaan slapen. Gauw naar je bed, meisje.”Milly kroop onder de dekens.„Slaap lekker,” zei het mannetje. „Ik ga in een andere kaars wonen. Deze is veel te klein voor mij geworden.”Slaperig keek Milly toe. Het flikkerde en siste in de kaars. Het vlammetje danste, nam allerlei vormen aan. Toen was er niets dan wat geglim en gespatter. Toen werd het geheel donker in de kamer.Milly verzonk in een diepen slaap.[61]

Milly lag in haar bed en schreide. Een paar maanden geleden zou zij het echter niet gedaan hebben om hetgeen, wat haar nu heel zacht snikken deed.

Want Milly heette eigenlijk Melanie, maar die naam klonk wat vreemd voor Hollandsche ooren en dus werd hij afgekort. Het meisje had een Fransche moeder en een Hollandschen vader en in haar moeders familie werden alle oudste dochtertjes Melanie genoemd. Zij heette daarom ook zoo.

Milly herinnerde zich heel weinig van alles wat met haar moeder in verband stond, daar die stierf, toen het kind vijf jaar was. Milly wist nog alleen, dat zij zwarte kleertjes aankreeg en naar een Fransche kostschool gestuurd werd. Later hoorde zij, dat dit moest, omdat haar vader altijd reisde en er geen familie was, waar het meisje toen komen kon. Zij werd dus door vreemden opgevoed met veel kinderen tegelijk. Toch was Milly niet te beklagen geweest. Haar vader kwam haar, zoo dikwijls het maar kon, opzoeken en de tijd, dien zij dan saampjes doorbrachten, was er een van pret en uitgaan. Zij hield heel veel van hem, maar zonder veel verdriet keerde zij altijd naar de kostschool terug en wanneer zij soms even schreide, waren haar traantjes weer spoedig afgewischt, want de directeur[52]en zijn vrouw waren heel goed voor al de kinderen. Dat mocht ook wel, want allen misten een eigen tehuis.

De school lag bovendien ergens buiten.De school lag bovendien ergens buiten.

De school lag bovendien ergens buiten.

De school lag bovendien ergens buiten. Er werd heerlijk gespeeld na de lessen en elk jaargetij had zijn eigen vreugden en bezigheden. Milly verveelde zich nooit, ook niet in de lange winteravonden, want dan waren er gezellige spelletjes of vertellingen en heerlijke boeken.

Zij was dus tevreden en gelukkig, omdat zij niet voelde, dat zij iets miste.

Nu echter was alles anders voor haar geworden. Een oorlog was uitgebroken en door de streek, waar Milly’s school lag, trokken legers. Toen was de vader zijn dochtertje gaan halen en had haar in veiligheid gebracht in Nederland bij een zuster, die drie kinderen had en nu wel het meisje bij zich kon nemen. Dat was[53]vroeger niet mogelijk geweest, omdat Milly’s tante heel lang ziek was geweest. De vader hervatte zijn zwervend leven, toen hij zijn eenig dochtertje veilig geborgen wist.

Al maanden lang was Milly nu al bij haar oom en tante en al dien tijd had ze niets van haar vader gehoord. Soms verlangde het meisje heel innig naar hem, meer eigenlijk dan toen zij op de kostschool was, waar zij hem toch ook dikwijls in langen tijd niet zag.

En door de streek trokken legers.En door de streek trokken legers.

En door de streek trokken legers.

Het kind begon te begrijpen, dat zij niet bezat wat alle andere kinderen om haar heen wel hadden. De jongens en meisjes van de school, waar tante Ada en oom Frank haar geplaatst hadden, hadden allen een vader en een moeder, broertjes en zusjes. Zij was alleen op de wereld. Dat voelde zij, sedert zij in Nederland was. Oom en tante waren lief voor haar, maar anders[54]toch, vond zij, dan voor hun eigen kinderen, anders dan voor blonde Truusje, anders dan voor dikken Bop, anders dan voor kreupele Hansje. Alle drie kuste tante veel inniger dan haar, het vreemde nichtje! En als het aanhalige Truusje haar armen om haar moeders hals sloeg en zich zoo dicht tegen haar aanvlijde, als behoorde haar moeder alleen aan haar, dan trok Milly een onverschillig gezicht, en drukte haar lippen stijf op elkaar, en keek op dezelfde wijze, die Bop wel eens plagend deed vragen of zij een stok had ingeslikt.

Niemand echter wist, dat Milly naar een vader en moeder verlangde, zooals haar nichtjes en neefjes hadden. Zij had ook wel eens haar armen om haar tante willen slaan en toch gaf zij niets dan een vluchtige kus. Zij was toch maar het nichtje, dacht Milly; zij was niet het eigen dochtertje. Zij kreeg niets dan een aalmoes! Zij had naar de kostschool terug willen gaan, waar de goede mijnheer en mevrouw er voor allen waren en tegen den een niet vriendelijker deden dan tegen den ander. En alles was zoo akelig vreemd in de stad, waar zij was: de taal, die zij moest spreken en vader niet altijd tegen haar gebruikt had,—de stad met huizen in plaats van velden en bosschen,—de kleinigheden waar door oom en tante veel meer op gelet werd dan op de school in Frankrijk.

Op den avond, dat dit verhaal begint, lag dus Milly heel zachtjes te schreien en zij meende, dat er geen ongelukkiger kind op de heele wereld was dan zij. Eventjes klonk er een luide snik en dadelijk trok het kind haar hoofd onder de dekens, opdat toch niemand[55]haar hooren zou, tante niet, oom niet, plagerige Bop niet. Toch lag Milly alleen in de kamer. Zij deelde die met Truusje, maar haar nichtje was voor een paar nachten uit logeeren bij haar peettante.

Maar daarom schreide Milly niet! Dat kon haar niets schelen!

Tante Ada kwam echter altijd de kaars uitblazen in de kamer der meisjes. Dan stopte zij de kinderen nog eens toe en dan hoorde Milly heel goed de lieve woordjes, die Truus dan tegen haar moeder zei, voor zij slapen ging en zij kon zien hoe innig het kind haar „schat,” haar „eenige moesje,” haar „liefste, liefste moeder” naar zich toetrok.

Dan kwam tante Ada bij haar.

„Nacht Milly,” zei dan tante.

„Nacht tante,” antwoordde Milly.

„Lig je goed?”

„Ja, tante.”

„Is de kiespijn heelemaal over?”

„Ja, tante.”

„Goed slapen, hoor, kindje.”

„Ja, tante.”

Tante legde dan de dekens nog eens goed, streek over het donkere bolletje van Milly, gaf haar een kus, en was heel lief.… Maar alles was toch anders dan bij Truus.

Dien avond echter, toen Truus uit logeeren was, had Milly gevraagd, toen zij naar bed ging:

„Tante, komt u de kaars uitblazen?”

„Ja zeker,” antwoordde tante. Maar juist werd er gebeld en er kwam avondbezoek.[56]

Liefste, liefste moeder.Liefste, liefste moeder.

Liefste, liefste moeder.

[57]

Milly was toen naar bed gegaan en, hoorde het stemmengeroes van beneden. Zij lag te wachten, tot tante het licht zou uitdoen, maar tante kwam niet.

Milly luisterde naar de geluiden, die van uit de huiskamer tot haar doordrongen en ze keek naar de kaars, die knetterde. Toen voelde het kind zich heel ongelukkig en verlaten.

„Truus zou niet vergeten zijn,” zei zij tot zichzelve en zoo’n gevoel van eenzaamheid maakte zich van haar meester bij de pratende stemmen onder haar en de flikkerende kaars, dat zij de dekens over zich heen sloeg om niets meer te hooren of te zien. Toen dacht zij aan haar vader, die zijn eenige dochtertje niet meer schreef of opzocht, aan de verre kostschool, waar het soms zoo gezellig kon zijn in degroote slaapzaal, als mevrouw even langs al de bedden ging.

Het kleine meisje, dat Milly was, kon zich niet meer bedwingen en de tranen stroomden langs haar gezichtje en zij stopte haar zakdoek in haar mond uit vrees voor plagerigen Bop. Wat vader wel zeggen zou, als hij wist, dat de jongen haar sarde, wanneer tante en oom er niet bij waren, en haar een „ongewasschen Fransoos” noemde, omdat haar oogen en haar even donker waren, als die van haar nichtje en neefjes licht. Truus had net zulk blond haar als haar moeder. Neen, dat van tante schitterde nog meer, als de lamp erop scheen. Dan moest Milly altijd naar haar kijken of zij wilde of niet en het meisje vroeg zich af of haar eigen moeder, van wie ze zelfs geen portret had, er ook zoo lief had uitgezien.

Milly bleef zachtjes doorschreien. De stemmen beneden[58]klonken doffer, de kaars flikkerde wonderlijk.

Een wezentje stapte eruit.Een wezentje stapte eruit.

Een wezentje stapte eruit.

Het was of de vlam grooter en kleiner werd en er iets bewoog in het donkere hartje. Nu leek ze wel zoo groot als kreupele Hansje. Kijk, nu scheen het of zij naar beide kanten week.

Een wezentje stapte eruit met kleertjes zoo donker als het hart van de vlam en een gezichtje zoo stralend als het licht van de kaars. Het ging zitten op den rand van het bed.1

„Ken je me niet, Milly,” vroeg het mannetje.

„Neen,” zei Milly verbaasd.

„En je hebt zoo lang naar me gekeken. Ik ben het mannetje uit de kaars, die je tante vergat uit te doen.”

Toen kwamen er weer de waterlanders bij Milly te voorschijn.

„Waarom huil je toch zoo,” vroeg het kaarsemannetje.

„Omdat tante Ada nooit vergeet de kaars uit te doen, als Truus er is.”[59]

„Ik ben toch bij je gebleven,” troostte het mannetje. „Ik heb het licht voor je gemaakt in de kamer.”

„Wat geeft dat,” snikte Milly. „Ik ben zoo’n ongelukkig kind. Mijn vader is weg, mijn moeder is dood. Ik heb geen broertjes en zusjes. Alle kinderen hebben het beter dan ik.”

„Hoor eens,” zei het kaarsemannetje, „ik heb medelijden met je en daarom wil ik je helpen. Ik houd wel niet veel van zeurende en klagende kinderen, maar het is waar, dat je niet alles hebt als een ander.”

„Niets,” zuchtte Milly.

„Ik wil daarom je vriendje worden,” ging het kaarsemannetje door, „al heb je ook gezegd, dat het je niet schelen kan, dat ik het licht voor je in de kamer liet zijn. Kom eens uit je bed, dan zal ik je wat moois laten zien.”

Milly gehoorzaamde.Milly gehoorzaamde.

Milly gehoorzaamde.

Milly gehoorzaamde en nu stond ze achter de dikke gordijnen.

„Waar ben je,” vroeg ze.

„Ik zit bij je oogen,” lachte het mannetje, „vlak tusschen je wenkbrauwen.[60]Je kunt me niet zien, maar ik jou wel. Ik ben nu een kaarsje voor je oogen.”

Dat komt, omdat ik nu op je schouders zit.Dat komt, omdat ik nu op je schouders zit.

Dat komt, omdat ik nu op je schouders zit.

„Hoe grappig,” zei Milly. „Ik kan nu veel beter zien. De gordijnen zijn dicht en ik kijk er door heen. Zoo’n mooien sterrenhemel heb ik nog nooit gezien, ook niet op de kostschool. De sterren lijken wel diamanten. En daar is de sikkel van de maan. En daar de toren van de kerk. Hoe grappig. Ik zie alles veel beter en toch zijn de gordijnen dicht. Hè, hoe jammer, nu zie ik weer niets.”

„Dat komt, omdat ik nu op je schouders zit.”

„Kom weer in mijn oogen,” smeekte Milly. „Alles was zoo mooi daar straks.”

„Neen, je moet gaan slapen. Gauw naar je bed, meisje.”

Milly kroop onder de dekens.

„Slaap lekker,” zei het mannetje. „Ik ga in een andere kaars wonen. Deze is veel te klein voor mij geworden.”

Slaperig keek Milly toe. Het flikkerde en siste in de kaars. Het vlammetje danste, nam allerlei vormen aan. Toen was er niets dan wat geglim en gespatter. Toen werd het geheel donker in de kamer.

Milly verzonk in een diepen slaap.[61]

1Zie:plaatje omslag.↑

1Zie:plaatje omslag.↑

1Zie:plaatje omslag.↑

1Zie:plaatje omslag.↑

[Inhoud]II.Toen Milly den volgenden morgen opstond, zag zij, dat er een grauwe mist hing. Het kaarsemannetje ontstak nu echter niets in haar oogen en daarom keek zij knorrig.„Wat een malle droom,” dacht ze en huiverig kleedde zij zich aan, want er brandde geen vuur in Milly’s kamer.Tante en oom zaten reeds met de twee jongens aan tafel, toen Milly beneden kwam, tante tusschen Bop en Hansje zooals altijd.„Je bent laat vanmorgen, Milly,” zei oom, nadat ze goeden morgen gewenscht had.„Ja,” antwoordde ze knorrig.„Milly,” zei tante, „gisteren avond heb ik vergeten de kaars uit te komen blazen. Maar juist, toen je naar bed ging, kwamen neef Anton en nicht Marie en die hadden zooveel te vertellen, dat ik het heelemaal vergat. Ik ben later naar boven gegaan, maar je sliep als een roos. Niet aardig van me, hè, dat ik het vergat?”„Het kon me niets schelen,” zei Milly met een heel strak gezichtje.„O,” vond oom, die de wenkbrauwen fronste.„Heeft Moes jou geen nachtzoen gegeven,” zei Hansje. „Hoe naar,” en het ventje streelde zachtjes zijn moeders hand en drukte zijn kopje tegen zijn moeders arm. „Ik zou niet kunnen gaan slapen, als Moes me geen nachtzoen gaf.”[62]„Ik wel, best hoor,” zei Milly met nog onverschilliger gezicht.„Eet en houd je mond, Milly,” beval oom op strengen toon. Tante zei niets, vroeg alleen, toen Milly naar school ging, of zij haar atlas bij zich had.„Je krijgt anders weer straf, Milly,” zei tante vriendelijk.Koud was het buiten en koud was het in het meisje zelf. Het was alles even akelig, vond zij. Vandaag was er rekenles en daar hield zij niet van. Dan taal en daar maakte zij ook al zooveel fouten in.Ze knoeide, toen ze met haar sommen bezig was, die maar niet uit wilden komen, al tuurde en tuurde ze ook op de cijfers. Toen ze echter zoo ingespannen keek, was het of er iets schitterde in haar boek, iets kleins, iets zonderlings.„Goeden morgen, Milly,” klonk het met een fijn stemmetje. „Ken je me niet meer? Ik ben het kaarsemannetje van vannacht. Neen, schrik maar niet, niemand kan me hooren en zien dan jij. Meisje, wat zie je er uit! Het is net zoo donker in je als in een kelder. Je lijkt wel een lamp zonder olie. Je bent net een kachel, die niet branden wil, omdat de kolen nat zijn. Het is noodig, dat ik je kaarsje aansteek! Rrr.… daar brandt het!”„Ik zie je niet meer,” fluisterde Milly.„Tusschen je oogen zit ik, daar licht ik, daar brand ik, daar schijn ik. Ik kijk door je sommen, als vannacht door de gordijnen. Ik zie al de kubieke meters en wat marcheert dat decimaalteeken flink. Kijk eens, hoe leuk!”[63]En Milly keek! De cijfers schitterden als de sterren, die ze aan den hemel gezien had. Het waren net dwergjes met kleine lichtjes in hun handen, die naar hun plaats zochten. Zij wees hun den weg. Het was of het een legertje was, dat zij aanvoerde en deed wat zij wilde. De getallen gehoorzaamden. Elk kwam op de plek, waar het hoorde. Milly’s oogen schitterden, toen zij naar die orde keek.„Wat uitstekend werk,” prees de onderwijzeres. „Niemand heeft zoo goed gerekend als jij.”En toen moest Milly voor de klasse vertellen in het Hollandsch. Even wreef zij met haar handen over het voorhoofd, want wat zouden de kinderen zeggen, als zij het kaarsemannetje tusschen haar wenkbrauwen zagen? Ze voelde niets en toch wist zij, dat het ventje er zat. Toch lachte geen van de kinderen en niemand keek verbaasd naar haar. Misschien vonden zij wel, dat Milly er heel vriendelijk uitzag, heel anders dan gewoonlijk. Maar dat zeiden zij niet. Het zou natuurlijk heel onbeleefd zijn geweest om te zeggen: „Milly, je ziet er anders uit als een onverschillige knorrepot, maar nu lijk je wel een zonnetje in den mist!”Een zonnetje in den mist! Ja waarlijk, het meisje zag het zonnetje, toen zij naar buiten keek, naar de dampen, die voor de ramen hingen. Ze waren er nog en toen was het of zij achter de nevels de zon schijnen zag.„Ik zit bij je oogen,” zei het fijne stemmetje. „Ik zie de woorden. Niet dat nemen, maar dat en dat!”Wat was het heerlijk vertellen met het kaarsemannetje[64]bij Milly! Het was of zij in een kast keek, waarin al de woorden netjes gerangschikt waren en telkens ging een lade vanzelf open en Milly nam het woord eruit, dat zij noodig had. Haar oogen schitterden van pret.Wat uitstekend werk.Wat uitstekend werk.„Je zult zien,” zeide de onderwijzeres, „Milly wil nooit meer bij ons vandaan. Die gaat het prettig bij ons vinden! Die rekent als een professor en die vertelt als een die het kan.”Voor het eerst sedert langen tijd voelde Milly zich gelukkig.„Nu ga ik weg, Milly,” zei het mannetje, toen zij weer op haar plaats zat.„Ik steek aan en verlichtIk jaag het donkere van het gezicht.Kijk naar het licht, dat voor je scheen,Dag, Milly, kind, ik moet nu heen.”Toen schitterde het niet meer in Milly’s boek, maar makkelijk, dat het werk dien heelen schooldag ging!Oom en tante deden, alsof er niets was gebeurd, toen Milly thuis kwam. Tante was vriendelijker dan anders en oom verbood Bop streng, toen hij vroeg of Milly nog altijd bevroren was.[65]Het werd bedtijd. Even aarzelde het meisje, voor zij naar boven ging.„Tante,” vroeg zij zacht, „komt U de kaars uit blazen?”„Natuurlijk,” antwoordde tante, „ga maar vast. Ik kom gauw, maar ik moet eerst nog wat bergen in het kastje van Truus.”Heel vlug was Milly uitgekleed en ze tuurde naar de lange, witte, nieuwe kaars. Tante kwam boven en liep bedrijvig heen en weer om in het kastje van Truus te ordenen en te schikken. Toen echter zag Milly weer wat niemand dan zij opmerken kon. De vlam van de kaars rekte zich en boog naar beide zijden en eruit stapte Milly’s kaarsemannetje met het donkere fluweelige lijfje en een gezichtje dat helderder straalde dan ooit.Hij wipte naar Milly’s bed en voor het kind zien kon hoe het gebeurde, was hij het heel kleine wezentje geworden, dat zich tusschen haar oogen nestelde.„Kijk nu maar eens goed,Kijk naar wat tante doet,”—fluisterde het mannetje.O, wat werd het nu gezellig om het meisje! De kamer, waarin zij lag te kijken, werd zoo vriendelijk! Wat waren de poppetjes op den schoorsteen aardig! Wat mooi die Fransche platen, welke tante vlak over Milly’s bed gehangen had boven Milly’s eigen kastje, dat zij met Kerstmis kreeg! Het blonde haar van tante kwam zoo leuk uit tegen het donkere behang. Haar handen[66]zetten het fijne vaasje van Truus zoo heel zacht neer. Toen verschikte ze iets op Milly’s kastje.„Daar moet later ook nog een vaasje bij, hè, Milly?”„Ja, tante.”„Nu, goeden nacht, kindje,” en tante kwam naar het meisje toe en zag haar aan met oogen, die heel vriendelijk keken.Er uit stapte Milly’s kaarsemannetje.Er uit stapte Milly’s kaarsemannetje.Toen blies het kaarsemannetje het lichtje aan, dat hij voor Milly ontstoken had, en het scheen vroolijk naar alle kanten.„Tante,” zei Milly en onstuimig sloeg zij haar armen om tante heen, „ik ben niet lief geweest en het was niet waar wat ik zeide, want ik heb gisteren niet kunnen slapen, omdat U mij geen nachtzoen gaf.”Toen fluisterden tante en Milly nog wat samen en het leek het meisje, of zij ook tante’s dochtertje was.Even later was het donker in de kamer. Niets hoorde Milly dan iets gedempts—vertrouwelijks, dat er was in het spreken van oom en tante beneden.[67]„Ik was onaardig,” zei Milly tot het mannetje, „maar er was dan ook reden voor.”„Reden, reden,” lachte het mannetje. „Er is net zooveel reden om aardig en flink te wezen. Kijk, kijk!”Het kaarsemannetje tuurde naar boven en daarom deed Milly het ook. Wonderlijk was het wat het kind zag. Haar oogen keken door de zoldering heen naar buiten in den nacht. De mist was opgetrokken. De maansikkel was gegroeid.„Reden om onaardig te wezen,” lachte het mannetje en het wipte weer in de kaars.Niets was er nu om Milly heen dan de donkere kamer, waar zij gelukkig en rustig insliep.

II.

Toen Milly den volgenden morgen opstond, zag zij, dat er een grauwe mist hing. Het kaarsemannetje ontstak nu echter niets in haar oogen en daarom keek zij knorrig.„Wat een malle droom,” dacht ze en huiverig kleedde zij zich aan, want er brandde geen vuur in Milly’s kamer.Tante en oom zaten reeds met de twee jongens aan tafel, toen Milly beneden kwam, tante tusschen Bop en Hansje zooals altijd.„Je bent laat vanmorgen, Milly,” zei oom, nadat ze goeden morgen gewenscht had.„Ja,” antwoordde ze knorrig.„Milly,” zei tante, „gisteren avond heb ik vergeten de kaars uit te komen blazen. Maar juist, toen je naar bed ging, kwamen neef Anton en nicht Marie en die hadden zooveel te vertellen, dat ik het heelemaal vergat. Ik ben later naar boven gegaan, maar je sliep als een roos. Niet aardig van me, hè, dat ik het vergat?”„Het kon me niets schelen,” zei Milly met een heel strak gezichtje.„O,” vond oom, die de wenkbrauwen fronste.„Heeft Moes jou geen nachtzoen gegeven,” zei Hansje. „Hoe naar,” en het ventje streelde zachtjes zijn moeders hand en drukte zijn kopje tegen zijn moeders arm. „Ik zou niet kunnen gaan slapen, als Moes me geen nachtzoen gaf.”[62]„Ik wel, best hoor,” zei Milly met nog onverschilliger gezicht.„Eet en houd je mond, Milly,” beval oom op strengen toon. Tante zei niets, vroeg alleen, toen Milly naar school ging, of zij haar atlas bij zich had.„Je krijgt anders weer straf, Milly,” zei tante vriendelijk.Koud was het buiten en koud was het in het meisje zelf. Het was alles even akelig, vond zij. Vandaag was er rekenles en daar hield zij niet van. Dan taal en daar maakte zij ook al zooveel fouten in.Ze knoeide, toen ze met haar sommen bezig was, die maar niet uit wilden komen, al tuurde en tuurde ze ook op de cijfers. Toen ze echter zoo ingespannen keek, was het of er iets schitterde in haar boek, iets kleins, iets zonderlings.„Goeden morgen, Milly,” klonk het met een fijn stemmetje. „Ken je me niet meer? Ik ben het kaarsemannetje van vannacht. Neen, schrik maar niet, niemand kan me hooren en zien dan jij. Meisje, wat zie je er uit! Het is net zoo donker in je als in een kelder. Je lijkt wel een lamp zonder olie. Je bent net een kachel, die niet branden wil, omdat de kolen nat zijn. Het is noodig, dat ik je kaarsje aansteek! Rrr.… daar brandt het!”„Ik zie je niet meer,” fluisterde Milly.„Tusschen je oogen zit ik, daar licht ik, daar brand ik, daar schijn ik. Ik kijk door je sommen, als vannacht door de gordijnen. Ik zie al de kubieke meters en wat marcheert dat decimaalteeken flink. Kijk eens, hoe leuk!”[63]En Milly keek! De cijfers schitterden als de sterren, die ze aan den hemel gezien had. Het waren net dwergjes met kleine lichtjes in hun handen, die naar hun plaats zochten. Zij wees hun den weg. Het was of het een legertje was, dat zij aanvoerde en deed wat zij wilde. De getallen gehoorzaamden. Elk kwam op de plek, waar het hoorde. Milly’s oogen schitterden, toen zij naar die orde keek.„Wat uitstekend werk,” prees de onderwijzeres. „Niemand heeft zoo goed gerekend als jij.”En toen moest Milly voor de klasse vertellen in het Hollandsch. Even wreef zij met haar handen over het voorhoofd, want wat zouden de kinderen zeggen, als zij het kaarsemannetje tusschen haar wenkbrauwen zagen? Ze voelde niets en toch wist zij, dat het ventje er zat. Toch lachte geen van de kinderen en niemand keek verbaasd naar haar. Misschien vonden zij wel, dat Milly er heel vriendelijk uitzag, heel anders dan gewoonlijk. Maar dat zeiden zij niet. Het zou natuurlijk heel onbeleefd zijn geweest om te zeggen: „Milly, je ziet er anders uit als een onverschillige knorrepot, maar nu lijk je wel een zonnetje in den mist!”Een zonnetje in den mist! Ja waarlijk, het meisje zag het zonnetje, toen zij naar buiten keek, naar de dampen, die voor de ramen hingen. Ze waren er nog en toen was het of zij achter de nevels de zon schijnen zag.„Ik zit bij je oogen,” zei het fijne stemmetje. „Ik zie de woorden. Niet dat nemen, maar dat en dat!”Wat was het heerlijk vertellen met het kaarsemannetje[64]bij Milly! Het was of zij in een kast keek, waarin al de woorden netjes gerangschikt waren en telkens ging een lade vanzelf open en Milly nam het woord eruit, dat zij noodig had. Haar oogen schitterden van pret.Wat uitstekend werk.Wat uitstekend werk.„Je zult zien,” zeide de onderwijzeres, „Milly wil nooit meer bij ons vandaan. Die gaat het prettig bij ons vinden! Die rekent als een professor en die vertelt als een die het kan.”Voor het eerst sedert langen tijd voelde Milly zich gelukkig.„Nu ga ik weg, Milly,” zei het mannetje, toen zij weer op haar plaats zat.„Ik steek aan en verlichtIk jaag het donkere van het gezicht.Kijk naar het licht, dat voor je scheen,Dag, Milly, kind, ik moet nu heen.”Toen schitterde het niet meer in Milly’s boek, maar makkelijk, dat het werk dien heelen schooldag ging!Oom en tante deden, alsof er niets was gebeurd, toen Milly thuis kwam. Tante was vriendelijker dan anders en oom verbood Bop streng, toen hij vroeg of Milly nog altijd bevroren was.[65]Het werd bedtijd. Even aarzelde het meisje, voor zij naar boven ging.„Tante,” vroeg zij zacht, „komt U de kaars uit blazen?”„Natuurlijk,” antwoordde tante, „ga maar vast. Ik kom gauw, maar ik moet eerst nog wat bergen in het kastje van Truus.”Heel vlug was Milly uitgekleed en ze tuurde naar de lange, witte, nieuwe kaars. Tante kwam boven en liep bedrijvig heen en weer om in het kastje van Truus te ordenen en te schikken. Toen echter zag Milly weer wat niemand dan zij opmerken kon. De vlam van de kaars rekte zich en boog naar beide zijden en eruit stapte Milly’s kaarsemannetje met het donkere fluweelige lijfje en een gezichtje dat helderder straalde dan ooit.Hij wipte naar Milly’s bed en voor het kind zien kon hoe het gebeurde, was hij het heel kleine wezentje geworden, dat zich tusschen haar oogen nestelde.„Kijk nu maar eens goed,Kijk naar wat tante doet,”—fluisterde het mannetje.O, wat werd het nu gezellig om het meisje! De kamer, waarin zij lag te kijken, werd zoo vriendelijk! Wat waren de poppetjes op den schoorsteen aardig! Wat mooi die Fransche platen, welke tante vlak over Milly’s bed gehangen had boven Milly’s eigen kastje, dat zij met Kerstmis kreeg! Het blonde haar van tante kwam zoo leuk uit tegen het donkere behang. Haar handen[66]zetten het fijne vaasje van Truus zoo heel zacht neer. Toen verschikte ze iets op Milly’s kastje.„Daar moet later ook nog een vaasje bij, hè, Milly?”„Ja, tante.”„Nu, goeden nacht, kindje,” en tante kwam naar het meisje toe en zag haar aan met oogen, die heel vriendelijk keken.Er uit stapte Milly’s kaarsemannetje.Er uit stapte Milly’s kaarsemannetje.Toen blies het kaarsemannetje het lichtje aan, dat hij voor Milly ontstoken had, en het scheen vroolijk naar alle kanten.„Tante,” zei Milly en onstuimig sloeg zij haar armen om tante heen, „ik ben niet lief geweest en het was niet waar wat ik zeide, want ik heb gisteren niet kunnen slapen, omdat U mij geen nachtzoen gaf.”Toen fluisterden tante en Milly nog wat samen en het leek het meisje, of zij ook tante’s dochtertje was.Even later was het donker in de kamer. Niets hoorde Milly dan iets gedempts—vertrouwelijks, dat er was in het spreken van oom en tante beneden.[67]„Ik was onaardig,” zei Milly tot het mannetje, „maar er was dan ook reden voor.”„Reden, reden,” lachte het mannetje. „Er is net zooveel reden om aardig en flink te wezen. Kijk, kijk!”Het kaarsemannetje tuurde naar boven en daarom deed Milly het ook. Wonderlijk was het wat het kind zag. Haar oogen keken door de zoldering heen naar buiten in den nacht. De mist was opgetrokken. De maansikkel was gegroeid.„Reden om onaardig te wezen,” lachte het mannetje en het wipte weer in de kaars.Niets was er nu om Milly heen dan de donkere kamer, waar zij gelukkig en rustig insliep.

Toen Milly den volgenden morgen opstond, zag zij, dat er een grauwe mist hing. Het kaarsemannetje ontstak nu echter niets in haar oogen en daarom keek zij knorrig.

„Wat een malle droom,” dacht ze en huiverig kleedde zij zich aan, want er brandde geen vuur in Milly’s kamer.

Tante en oom zaten reeds met de twee jongens aan tafel, toen Milly beneden kwam, tante tusschen Bop en Hansje zooals altijd.

„Je bent laat vanmorgen, Milly,” zei oom, nadat ze goeden morgen gewenscht had.

„Ja,” antwoordde ze knorrig.

„Milly,” zei tante, „gisteren avond heb ik vergeten de kaars uit te komen blazen. Maar juist, toen je naar bed ging, kwamen neef Anton en nicht Marie en die hadden zooveel te vertellen, dat ik het heelemaal vergat. Ik ben later naar boven gegaan, maar je sliep als een roos. Niet aardig van me, hè, dat ik het vergat?”

„Het kon me niets schelen,” zei Milly met een heel strak gezichtje.

„O,” vond oom, die de wenkbrauwen fronste.

„Heeft Moes jou geen nachtzoen gegeven,” zei Hansje. „Hoe naar,” en het ventje streelde zachtjes zijn moeders hand en drukte zijn kopje tegen zijn moeders arm. „Ik zou niet kunnen gaan slapen, als Moes me geen nachtzoen gaf.”[62]

„Ik wel, best hoor,” zei Milly met nog onverschilliger gezicht.

„Eet en houd je mond, Milly,” beval oom op strengen toon. Tante zei niets, vroeg alleen, toen Milly naar school ging, of zij haar atlas bij zich had.

„Je krijgt anders weer straf, Milly,” zei tante vriendelijk.

Koud was het buiten en koud was het in het meisje zelf. Het was alles even akelig, vond zij. Vandaag was er rekenles en daar hield zij niet van. Dan taal en daar maakte zij ook al zooveel fouten in.

Ze knoeide, toen ze met haar sommen bezig was, die maar niet uit wilden komen, al tuurde en tuurde ze ook op de cijfers. Toen ze echter zoo ingespannen keek, was het of er iets schitterde in haar boek, iets kleins, iets zonderlings.

„Goeden morgen, Milly,” klonk het met een fijn stemmetje. „Ken je me niet meer? Ik ben het kaarsemannetje van vannacht. Neen, schrik maar niet, niemand kan me hooren en zien dan jij. Meisje, wat zie je er uit! Het is net zoo donker in je als in een kelder. Je lijkt wel een lamp zonder olie. Je bent net een kachel, die niet branden wil, omdat de kolen nat zijn. Het is noodig, dat ik je kaarsje aansteek! Rrr.… daar brandt het!”

„Ik zie je niet meer,” fluisterde Milly.

„Tusschen je oogen zit ik, daar licht ik, daar brand ik, daar schijn ik. Ik kijk door je sommen, als vannacht door de gordijnen. Ik zie al de kubieke meters en wat marcheert dat decimaalteeken flink. Kijk eens, hoe leuk!”[63]

En Milly keek! De cijfers schitterden als de sterren, die ze aan den hemel gezien had. Het waren net dwergjes met kleine lichtjes in hun handen, die naar hun plaats zochten. Zij wees hun den weg. Het was of het een legertje was, dat zij aanvoerde en deed wat zij wilde. De getallen gehoorzaamden. Elk kwam op de plek, waar het hoorde. Milly’s oogen schitterden, toen zij naar die orde keek.

„Wat uitstekend werk,” prees de onderwijzeres. „Niemand heeft zoo goed gerekend als jij.”

En toen moest Milly voor de klasse vertellen in het Hollandsch. Even wreef zij met haar handen over het voorhoofd, want wat zouden de kinderen zeggen, als zij het kaarsemannetje tusschen haar wenkbrauwen zagen? Ze voelde niets en toch wist zij, dat het ventje er zat. Toch lachte geen van de kinderen en niemand keek verbaasd naar haar. Misschien vonden zij wel, dat Milly er heel vriendelijk uitzag, heel anders dan gewoonlijk. Maar dat zeiden zij niet. Het zou natuurlijk heel onbeleefd zijn geweest om te zeggen: „Milly, je ziet er anders uit als een onverschillige knorrepot, maar nu lijk je wel een zonnetje in den mist!”

Een zonnetje in den mist! Ja waarlijk, het meisje zag het zonnetje, toen zij naar buiten keek, naar de dampen, die voor de ramen hingen. Ze waren er nog en toen was het of zij achter de nevels de zon schijnen zag.

„Ik zit bij je oogen,” zei het fijne stemmetje. „Ik zie de woorden. Niet dat nemen, maar dat en dat!”

Wat was het heerlijk vertellen met het kaarsemannetje[64]bij Milly! Het was of zij in een kast keek, waarin al de woorden netjes gerangschikt waren en telkens ging een lade vanzelf open en Milly nam het woord eruit, dat zij noodig had. Haar oogen schitterden van pret.

Wat uitstekend werk.Wat uitstekend werk.

Wat uitstekend werk.

„Je zult zien,” zeide de onderwijzeres, „Milly wil nooit meer bij ons vandaan. Die gaat het prettig bij ons vinden! Die rekent als een professor en die vertelt als een die het kan.”

Voor het eerst sedert langen tijd voelde Milly zich gelukkig.

„Nu ga ik weg, Milly,” zei het mannetje, toen zij weer op haar plaats zat.

„Ik steek aan en verlichtIk jaag het donkere van het gezicht.Kijk naar het licht, dat voor je scheen,Dag, Milly, kind, ik moet nu heen.”

„Ik steek aan en verlicht

Ik jaag het donkere van het gezicht.

Kijk naar het licht, dat voor je scheen,

Dag, Milly, kind, ik moet nu heen.”

Toen schitterde het niet meer in Milly’s boek, maar makkelijk, dat het werk dien heelen schooldag ging!

Oom en tante deden, alsof er niets was gebeurd, toen Milly thuis kwam. Tante was vriendelijker dan anders en oom verbood Bop streng, toen hij vroeg of Milly nog altijd bevroren was.[65]

Het werd bedtijd. Even aarzelde het meisje, voor zij naar boven ging.

„Tante,” vroeg zij zacht, „komt U de kaars uit blazen?”

„Natuurlijk,” antwoordde tante, „ga maar vast. Ik kom gauw, maar ik moet eerst nog wat bergen in het kastje van Truus.”

Heel vlug was Milly uitgekleed en ze tuurde naar de lange, witte, nieuwe kaars. Tante kwam boven en liep bedrijvig heen en weer om in het kastje van Truus te ordenen en te schikken. Toen echter zag Milly weer wat niemand dan zij opmerken kon. De vlam van de kaars rekte zich en boog naar beide zijden en eruit stapte Milly’s kaarsemannetje met het donkere fluweelige lijfje en een gezichtje dat helderder straalde dan ooit.

Hij wipte naar Milly’s bed en voor het kind zien kon hoe het gebeurde, was hij het heel kleine wezentje geworden, dat zich tusschen haar oogen nestelde.

„Kijk nu maar eens goed,Kijk naar wat tante doet,”—

„Kijk nu maar eens goed,

Kijk naar wat tante doet,”—

fluisterde het mannetje.

O, wat werd het nu gezellig om het meisje! De kamer, waarin zij lag te kijken, werd zoo vriendelijk! Wat waren de poppetjes op den schoorsteen aardig! Wat mooi die Fransche platen, welke tante vlak over Milly’s bed gehangen had boven Milly’s eigen kastje, dat zij met Kerstmis kreeg! Het blonde haar van tante kwam zoo leuk uit tegen het donkere behang. Haar handen[66]zetten het fijne vaasje van Truus zoo heel zacht neer. Toen verschikte ze iets op Milly’s kastje.

„Daar moet later ook nog een vaasje bij, hè, Milly?”

„Ja, tante.”

„Nu, goeden nacht, kindje,” en tante kwam naar het meisje toe en zag haar aan met oogen, die heel vriendelijk keken.

Er uit stapte Milly’s kaarsemannetje.Er uit stapte Milly’s kaarsemannetje.

Er uit stapte Milly’s kaarsemannetje.

Toen blies het kaarsemannetje het lichtje aan, dat hij voor Milly ontstoken had, en het scheen vroolijk naar alle kanten.

„Tante,” zei Milly en onstuimig sloeg zij haar armen om tante heen, „ik ben niet lief geweest en het was niet waar wat ik zeide, want ik heb gisteren niet kunnen slapen, omdat U mij geen nachtzoen gaf.”

Toen fluisterden tante en Milly nog wat samen en het leek het meisje, of zij ook tante’s dochtertje was.

Even later was het donker in de kamer. Niets hoorde Milly dan iets gedempts—vertrouwelijks, dat er was in het spreken van oom en tante beneden.[67]

„Ik was onaardig,” zei Milly tot het mannetje, „maar er was dan ook reden voor.”

„Reden, reden,” lachte het mannetje. „Er is net zooveel reden om aardig en flink te wezen. Kijk, kijk!”

Het kaarsemannetje tuurde naar boven en daarom deed Milly het ook. Wonderlijk was het wat het kind zag. Haar oogen keken door de zoldering heen naar buiten in den nacht. De mist was opgetrokken. De maansikkel was gegroeid.

„Reden om onaardig te wezen,” lachte het mannetje en het wipte weer in de kaars.

Niets was er nu om Milly heen dan de donkere kamer, waar zij gelukkig en rustig insliep.

[Inhoud]III.„Waarom doe je je oogen zoo stijf toe,” vroeg het kaarsemannetje een avond. „Waarom? Je hebt me een heele poos niet noodig gehad, meisje! Je weet nu veel wat je vroeger niet wist! Je ziet nu wat je eerst niet zag. Waarom doe je nu zoo donker?”Milly gaf geen antwoord, maar drukte haar gezicht diep in de kussens.„Je houdt je of je me niet ziet.Maar, kindjelief, dat helpt je niet!”spotte het ventje.„Ik zit op je donker bolletje,Het lijkt er een heel zwart holletje.”[68]zuchtte het mannetje. „Ik kan alleen het werk niet af. Ik haal mijn kameraadje van den overkant.”Ik zit op je donker bolletje.Ik zit op je donker bolletje.Toen verdween het kaarsemannetje en dikke duisternis was er nu om en in Milly. En toen klonk er weer een fijn stemmetje, dat zeide: „help me, vriend!”Of Milly nu wilde of niet, zij moest de oogen openen en zij zag twee lichtende wezentjes met gelijke, lichte gezichtjes en donkere, fluweelige manteltjes.„Zoo, zoo,” zei Milly’s kaarsemannetje, „ik zie je oogen weer. Kijk hem maar eens aan,”—het tweede ventje boog en zijn gezicht glinsterde,—„hij is het kaarsemannetje van het oude vrouwtje over je. Eerlijk, dat ze is! Zij heeft ons niet noodig. Nu gaan we het samen helder in je maken, hij in je eene oog, ik in je andere.”[69]En zij zag twee lichtende wezentjes.En zij zag twee lichtende wezentjes.[70]Doodstil werd het nu in de kamer, zoo stil, alsof de gansche wereld met al haar geluiden sliep.En plotseling kwamen er gefluisterde woorden over Milly’s lippen. „Ja, ja,” zei ze heel zacht, „het was heel leelijk wat ik deed. Ik had dat geld niet moeten nemen uit mijn spaarpot.”Weer was het stil. Toen, fluisterend, ging Milly door: „Het was gulzig ook, want ik at alles alleen op en zei niemand er wat van.”„Gulzig, en leelijk, en laf was het,” herhaalde het fijne stemmetje van het lichtwezentje. „En licht is altijd licht, niet kameraad?”„Ja,” antwoordde het tweede, fijne stemmetje.Toen was het Milly of de wanden en zoldering van haar kamer geheel doorzichtig werden, zoodat zij uitzien kon naar alle kanten.„Nu springen we uit je oogen. Nu zijn er andere wezens van licht.”„Hoe mooi,” zei Milly. „Kijk, daar zijn de lantarens. Ik zag ze nog nooit zoo goed. Lijnen van licht lijken ze wel, éen langs de eene huizenrij, éen langs de andere.”„Ze branden in den donkeren nacht, ze stralen, ze wijzen den weg,” riep het hooge, fijne stemmetje. „Zoo deden zij gisteren, zoo doen zij vannacht en morgen weer zullen zij rustig branden, trouw en eerlijk in de lange laan, in de groote stad.”„Licht is licht, altijd,” zei zacht het kameraadje.„Ik heb nog nooit zoo ver gezien. Dat lijkt wel het licht van den vuurtoren aan het strand. Hij is net een[71]mensch, een groote man, en waar het licht straalt, is zijn hoofd.”Nu springen we uit je oogen.Nu springen we uit je oogen.„De vuurtoren straalt,” zei het kaarsemannetje langzaam. „Hij wijst den weg elken nacht, trouw en eerlijk, want licht is licht.”„Nu zie ik weer niets,” riep Milly. „Die lantarens schenen zoo helder en de vuurtoren brandde zoo hoog boven de zee. Nu zie ik niets meer, alleen de sterren. Daar heb je de Poolster. Die heeft Bop me leeren vinden, maar er is niets bizonders aan. Die staat altijd vlak boven den schoorsteen van het huis aan den overkant, precies boven het randje van de vierde pijp.”„Precies boven het randje van de vierde pijp! Zoo was het, zoo is het, zoo zal het zijn. Ze stond, waar[72]ze staat en ze zal er staan. Ze wijst den weg, als niemand hem meer weet. Ze is het groote licht, waarnaar wij lichtjes kijken in den donkeren nacht.”Toen zweeg het kaarsemannetje en met gevouwen handjes zaten hij en zijn kameraad op den rand van Milly’s bed en hielden de gezichtjes naar de Poolster, die groot en glanzend stond aan het hemelvlak boven het randje der vierde pijp van den schoorsteen van het huis aan den overkant.„Groote ster, geef ons altijd van uw licht,” fluisterde zacht het kameraadje.„Groote ster, laten we lichtwezentjes blijven in de oogen en harten van de menschen,” smeekte het kaarsemannetje.„Groote ster, groote ster,” herhaalden de mannetjes zacht en zij kruisten hun armen over de borst en bogen met plechtige gezichten.En waar het licht straalt, is zijn hoofd.En waar het licht straalt, is zijn hoofd.Toen was het of de muren der kamer zich weer sloten.[73]Flauw onderscheidde Milly het bed waar Truus sliep en de koperen knop aan de kachel ving als altijd een straal op van de lantaren voor de deur, gezellig en vertrouwelijk.En bogen met plechtige gezichten.En bogen met plechtige gezichten.Droomde Milly?Was zij wakker?Zonder leven te maken kwam zij uit haar bed en lichtte het gordijn op. De lantarens brandden in den stillen nacht. Den vuurtoren zag zij niet, maar vlak boven het randje der vierde pijp van den schoorsteen over haar straalde rustig en helder de Poolster.Toen dacht Milly aan het stilletjes gekochte en gulzig opgegetene en zij kroop in bed, maar de slaap wilde niet komen.⁂Den volgenden dag was het Zondag. Dan was iedereen thuis, ook oom.„Oom, ik wou u wat zeggen,” zei Milly met een bibberende stem, want de werkkamer was groot en van achter de werktafel zagen oom’s oogen, die heel streng konden[74]lijken, onderzoekend naar haar.„Nooit meer,” antwoordde Milly.„Nooit meer,” antwoordde Milly.„Mag tante het niet weten,” vroeg oom.„U is streng en tante is zoo lief en wat ik deed, was heel leelijk.”Toen bibberde Milly’s stem nog meer en met neergeslagen oogen bekende het meisje wat zij deed.„Dat doen we nooit meer, niet Milly,” vroeg oom met vasten toon. Toen moest Milly haar oogen weer opslaan of zij wilde of niet en het was of zij op oom’s gelaat het licht zag van de lantarens en den vuurtoren.„Nooit meer,” antwoordde Milly en met opgeheven gelaat bleef zij kijken in het strenge eerlijke gezicht van den grooten man en als vanzelf legde zij haar hand in die van haar oom. Diens krachtige vingers omsloten stevig de hare.„Nooit meer,” herhaalde oom.„Nooit meer,” zei Milly zacht.[75]

III.

„Waarom doe je je oogen zoo stijf toe,” vroeg het kaarsemannetje een avond. „Waarom? Je hebt me een heele poos niet noodig gehad, meisje! Je weet nu veel wat je vroeger niet wist! Je ziet nu wat je eerst niet zag. Waarom doe je nu zoo donker?”Milly gaf geen antwoord, maar drukte haar gezicht diep in de kussens.„Je houdt je of je me niet ziet.Maar, kindjelief, dat helpt je niet!”spotte het ventje.„Ik zit op je donker bolletje,Het lijkt er een heel zwart holletje.”[68]zuchtte het mannetje. „Ik kan alleen het werk niet af. Ik haal mijn kameraadje van den overkant.”Ik zit op je donker bolletje.Ik zit op je donker bolletje.Toen verdween het kaarsemannetje en dikke duisternis was er nu om en in Milly. En toen klonk er weer een fijn stemmetje, dat zeide: „help me, vriend!”Of Milly nu wilde of niet, zij moest de oogen openen en zij zag twee lichtende wezentjes met gelijke, lichte gezichtjes en donkere, fluweelige manteltjes.„Zoo, zoo,” zei Milly’s kaarsemannetje, „ik zie je oogen weer. Kijk hem maar eens aan,”—het tweede ventje boog en zijn gezicht glinsterde,—„hij is het kaarsemannetje van het oude vrouwtje over je. Eerlijk, dat ze is! Zij heeft ons niet noodig. Nu gaan we het samen helder in je maken, hij in je eene oog, ik in je andere.”[69]En zij zag twee lichtende wezentjes.En zij zag twee lichtende wezentjes.[70]Doodstil werd het nu in de kamer, zoo stil, alsof de gansche wereld met al haar geluiden sliep.En plotseling kwamen er gefluisterde woorden over Milly’s lippen. „Ja, ja,” zei ze heel zacht, „het was heel leelijk wat ik deed. Ik had dat geld niet moeten nemen uit mijn spaarpot.”Weer was het stil. Toen, fluisterend, ging Milly door: „Het was gulzig ook, want ik at alles alleen op en zei niemand er wat van.”„Gulzig, en leelijk, en laf was het,” herhaalde het fijne stemmetje van het lichtwezentje. „En licht is altijd licht, niet kameraad?”„Ja,” antwoordde het tweede, fijne stemmetje.Toen was het Milly of de wanden en zoldering van haar kamer geheel doorzichtig werden, zoodat zij uitzien kon naar alle kanten.„Nu springen we uit je oogen. Nu zijn er andere wezens van licht.”„Hoe mooi,” zei Milly. „Kijk, daar zijn de lantarens. Ik zag ze nog nooit zoo goed. Lijnen van licht lijken ze wel, éen langs de eene huizenrij, éen langs de andere.”„Ze branden in den donkeren nacht, ze stralen, ze wijzen den weg,” riep het hooge, fijne stemmetje. „Zoo deden zij gisteren, zoo doen zij vannacht en morgen weer zullen zij rustig branden, trouw en eerlijk in de lange laan, in de groote stad.”„Licht is licht, altijd,” zei zacht het kameraadje.„Ik heb nog nooit zoo ver gezien. Dat lijkt wel het licht van den vuurtoren aan het strand. Hij is net een[71]mensch, een groote man, en waar het licht straalt, is zijn hoofd.”Nu springen we uit je oogen.Nu springen we uit je oogen.„De vuurtoren straalt,” zei het kaarsemannetje langzaam. „Hij wijst den weg elken nacht, trouw en eerlijk, want licht is licht.”„Nu zie ik weer niets,” riep Milly. „Die lantarens schenen zoo helder en de vuurtoren brandde zoo hoog boven de zee. Nu zie ik niets meer, alleen de sterren. Daar heb je de Poolster. Die heeft Bop me leeren vinden, maar er is niets bizonders aan. Die staat altijd vlak boven den schoorsteen van het huis aan den overkant, precies boven het randje van de vierde pijp.”„Precies boven het randje van de vierde pijp! Zoo was het, zoo is het, zoo zal het zijn. Ze stond, waar[72]ze staat en ze zal er staan. Ze wijst den weg, als niemand hem meer weet. Ze is het groote licht, waarnaar wij lichtjes kijken in den donkeren nacht.”Toen zweeg het kaarsemannetje en met gevouwen handjes zaten hij en zijn kameraad op den rand van Milly’s bed en hielden de gezichtjes naar de Poolster, die groot en glanzend stond aan het hemelvlak boven het randje der vierde pijp van den schoorsteen van het huis aan den overkant.„Groote ster, geef ons altijd van uw licht,” fluisterde zacht het kameraadje.„Groote ster, laten we lichtwezentjes blijven in de oogen en harten van de menschen,” smeekte het kaarsemannetje.„Groote ster, groote ster,” herhaalden de mannetjes zacht en zij kruisten hun armen over de borst en bogen met plechtige gezichten.En waar het licht straalt, is zijn hoofd.En waar het licht straalt, is zijn hoofd.Toen was het of de muren der kamer zich weer sloten.[73]Flauw onderscheidde Milly het bed waar Truus sliep en de koperen knop aan de kachel ving als altijd een straal op van de lantaren voor de deur, gezellig en vertrouwelijk.En bogen met plechtige gezichten.En bogen met plechtige gezichten.Droomde Milly?Was zij wakker?Zonder leven te maken kwam zij uit haar bed en lichtte het gordijn op. De lantarens brandden in den stillen nacht. Den vuurtoren zag zij niet, maar vlak boven het randje der vierde pijp van den schoorsteen over haar straalde rustig en helder de Poolster.Toen dacht Milly aan het stilletjes gekochte en gulzig opgegetene en zij kroop in bed, maar de slaap wilde niet komen.⁂Den volgenden dag was het Zondag. Dan was iedereen thuis, ook oom.„Oom, ik wou u wat zeggen,” zei Milly met een bibberende stem, want de werkkamer was groot en van achter de werktafel zagen oom’s oogen, die heel streng konden[74]lijken, onderzoekend naar haar.„Nooit meer,” antwoordde Milly.„Nooit meer,” antwoordde Milly.„Mag tante het niet weten,” vroeg oom.„U is streng en tante is zoo lief en wat ik deed, was heel leelijk.”Toen bibberde Milly’s stem nog meer en met neergeslagen oogen bekende het meisje wat zij deed.„Dat doen we nooit meer, niet Milly,” vroeg oom met vasten toon. Toen moest Milly haar oogen weer opslaan of zij wilde of niet en het was of zij op oom’s gelaat het licht zag van de lantarens en den vuurtoren.„Nooit meer,” antwoordde Milly en met opgeheven gelaat bleef zij kijken in het strenge eerlijke gezicht van den grooten man en als vanzelf legde zij haar hand in die van haar oom. Diens krachtige vingers omsloten stevig de hare.„Nooit meer,” herhaalde oom.„Nooit meer,” zei Milly zacht.[75]

„Waarom doe je je oogen zoo stijf toe,” vroeg het kaarsemannetje een avond. „Waarom? Je hebt me een heele poos niet noodig gehad, meisje! Je weet nu veel wat je vroeger niet wist! Je ziet nu wat je eerst niet zag. Waarom doe je nu zoo donker?”

Milly gaf geen antwoord, maar drukte haar gezicht diep in de kussens.

„Je houdt je of je me niet ziet.Maar, kindjelief, dat helpt je niet!”

„Je houdt je of je me niet ziet.

Maar, kindjelief, dat helpt je niet!”

spotte het ventje.

„Ik zit op je donker bolletje,Het lijkt er een heel zwart holletje.”

„Ik zit op je donker bolletje,

Het lijkt er een heel zwart holletje.”

[68]

zuchtte het mannetje. „Ik kan alleen het werk niet af. Ik haal mijn kameraadje van den overkant.”

Ik zit op je donker bolletje.Ik zit op je donker bolletje.

Ik zit op je donker bolletje.

Toen verdween het kaarsemannetje en dikke duisternis was er nu om en in Milly. En toen klonk er weer een fijn stemmetje, dat zeide: „help me, vriend!”

Of Milly nu wilde of niet, zij moest de oogen openen en zij zag twee lichtende wezentjes met gelijke, lichte gezichtjes en donkere, fluweelige manteltjes.

„Zoo, zoo,” zei Milly’s kaarsemannetje, „ik zie je oogen weer. Kijk hem maar eens aan,”—het tweede ventje boog en zijn gezicht glinsterde,—„hij is het kaarsemannetje van het oude vrouwtje over je. Eerlijk, dat ze is! Zij heeft ons niet noodig. Nu gaan we het samen helder in je maken, hij in je eene oog, ik in je andere.”[69]

En zij zag twee lichtende wezentjes.En zij zag twee lichtende wezentjes.

En zij zag twee lichtende wezentjes.

[70]

Doodstil werd het nu in de kamer, zoo stil, alsof de gansche wereld met al haar geluiden sliep.

En plotseling kwamen er gefluisterde woorden over Milly’s lippen. „Ja, ja,” zei ze heel zacht, „het was heel leelijk wat ik deed. Ik had dat geld niet moeten nemen uit mijn spaarpot.”

Weer was het stil. Toen, fluisterend, ging Milly door: „Het was gulzig ook, want ik at alles alleen op en zei niemand er wat van.”

„Gulzig, en leelijk, en laf was het,” herhaalde het fijne stemmetje van het lichtwezentje. „En licht is altijd licht, niet kameraad?”

„Ja,” antwoordde het tweede, fijne stemmetje.

Toen was het Milly of de wanden en zoldering van haar kamer geheel doorzichtig werden, zoodat zij uitzien kon naar alle kanten.

„Nu springen we uit je oogen. Nu zijn er andere wezens van licht.”

„Hoe mooi,” zei Milly. „Kijk, daar zijn de lantarens. Ik zag ze nog nooit zoo goed. Lijnen van licht lijken ze wel, éen langs de eene huizenrij, éen langs de andere.”

„Ze branden in den donkeren nacht, ze stralen, ze wijzen den weg,” riep het hooge, fijne stemmetje. „Zoo deden zij gisteren, zoo doen zij vannacht en morgen weer zullen zij rustig branden, trouw en eerlijk in de lange laan, in de groote stad.”

„Licht is licht, altijd,” zei zacht het kameraadje.

„Ik heb nog nooit zoo ver gezien. Dat lijkt wel het licht van den vuurtoren aan het strand. Hij is net een[71]mensch, een groote man, en waar het licht straalt, is zijn hoofd.”

Nu springen we uit je oogen.Nu springen we uit je oogen.

Nu springen we uit je oogen.

„De vuurtoren straalt,” zei het kaarsemannetje langzaam. „Hij wijst den weg elken nacht, trouw en eerlijk, want licht is licht.”

„Nu zie ik weer niets,” riep Milly. „Die lantarens schenen zoo helder en de vuurtoren brandde zoo hoog boven de zee. Nu zie ik niets meer, alleen de sterren. Daar heb je de Poolster. Die heeft Bop me leeren vinden, maar er is niets bizonders aan. Die staat altijd vlak boven den schoorsteen van het huis aan den overkant, precies boven het randje van de vierde pijp.”

„Precies boven het randje van de vierde pijp! Zoo was het, zoo is het, zoo zal het zijn. Ze stond, waar[72]ze staat en ze zal er staan. Ze wijst den weg, als niemand hem meer weet. Ze is het groote licht, waarnaar wij lichtjes kijken in den donkeren nacht.”

Toen zweeg het kaarsemannetje en met gevouwen handjes zaten hij en zijn kameraad op den rand van Milly’s bed en hielden de gezichtjes naar de Poolster, die groot en glanzend stond aan het hemelvlak boven het randje der vierde pijp van den schoorsteen van het huis aan den overkant.

„Groote ster, geef ons altijd van uw licht,” fluisterde zacht het kameraadje.

„Groote ster, laten we lichtwezentjes blijven in de oogen en harten van de menschen,” smeekte het kaarsemannetje.

„Groote ster, groote ster,” herhaalden de mannetjes zacht en zij kruisten hun armen over de borst en bogen met plechtige gezichten.

En waar het licht straalt, is zijn hoofd.En waar het licht straalt, is zijn hoofd.

En waar het licht straalt, is zijn hoofd.

Toen was het of de muren der kamer zich weer sloten.[73]Flauw onderscheidde Milly het bed waar Truus sliep en de koperen knop aan de kachel ving als altijd een straal op van de lantaren voor de deur, gezellig en vertrouwelijk.

En bogen met plechtige gezichten.En bogen met plechtige gezichten.

En bogen met plechtige gezichten.

Droomde Milly?

Was zij wakker?

Zonder leven te maken kwam zij uit haar bed en lichtte het gordijn op. De lantarens brandden in den stillen nacht. Den vuurtoren zag zij niet, maar vlak boven het randje der vierde pijp van den schoorsteen over haar straalde rustig en helder de Poolster.

Toen dacht Milly aan het stilletjes gekochte en gulzig opgegetene en zij kroop in bed, maar de slaap wilde niet komen.

Den volgenden dag was het Zondag. Dan was iedereen thuis, ook oom.

„Oom, ik wou u wat zeggen,” zei Milly met een bibberende stem, want de werkkamer was groot en van achter de werktafel zagen oom’s oogen, die heel streng konden[74]lijken, onderzoekend naar haar.

„Nooit meer,” antwoordde Milly.„Nooit meer,” antwoordde Milly.

„Nooit meer,” antwoordde Milly.

„Mag tante het niet weten,” vroeg oom.

„U is streng en tante is zoo lief en wat ik deed, was heel leelijk.”

Toen bibberde Milly’s stem nog meer en met neergeslagen oogen bekende het meisje wat zij deed.

„Dat doen we nooit meer, niet Milly,” vroeg oom met vasten toon. Toen moest Milly haar oogen weer opslaan of zij wilde of niet en het was of zij op oom’s gelaat het licht zag van de lantarens en den vuurtoren.

„Nooit meer,” antwoordde Milly en met opgeheven gelaat bleef zij kijken in het strenge eerlijke gezicht van den grooten man en als vanzelf legde zij haar hand in die van haar oom. Diens krachtige vingers omsloten stevig de hare.

„Nooit meer,” herhaalde oom.

„Nooit meer,” zei Milly zacht.[75]

[Inhoud]IV.Nog echter had het kaarsemannetje niet voor altijd afscheid van het meisje genomen en het was maar goed, dat hij het niet deed, want er kwam weer een heel treurige tijd voor Milly. Haar vader stierf in een vreemd land en in denzelfden tijd, dat de droevige tijding Milly geschreven werd, gebeurde er iets in het gezin van tante Ada, dat vroolijk en treurig tegelijk was. Er werd een kindje geboren, een meisje. Dat was een heel vroolijke gebeurtenis. Maar tante Ada werd ziek en was zoo zwak, dat de kinderen nauwelijks bij haar mochten komen.Dat was héél droevig, vooral voor Milly, want nu was zij alleen met haar groote verdriet. Oom Frank was wel heel vriendelijk voor haar, maar tante zou toch anders geweest zijn en als hij maar even zich vrij kon maken, was hij bij zijn zieke vrouw, al was er ook nog zulk een zorgzame verpleegster voor haar en het teere kleine kindje.Het leek de arme Milly of zij nog nooit zóó alleen was geweest.Truus mocht meer dan zij in de ziekenkamer komen, want oom was bang, dat Milly spreken zou over haar gestorven vader. Tante had het treurige nieuws nog niet mogen hooren, want de dokter had gezegd, dat alles vermeden moest worden, wat de ziekte verergeren kon. Heel verstandig had oom met Milly gesproken en haar gezegd, dat zij nu bewijzen moest van tante werkelijk te houden. En het meisje begreep heel goed wat oom[76]bedoelde, maar zij voelde er zich niet minder ongelukkig en eenzaam door. Het is dan ook heel hard voor een klein meisje om niemand te hebben, die troost in een groot verdriet!Bop was plagerig, al nam Truus ook haar nichtje in bescherming. Hoe kon nu een gezonde, dikke jongen ook begrijpen, waarom Milly zoo stil was! Hansje zeurde, want het kleine, kreupele ventje verlangde naar zijn moeder.Waarom had zij alleen geen moeder! Waarom was nu ook haar vader gestorven! Waarom had zij geen broertjes en zusjes!Niemand, niemand hield echt veel van haar. Zij was maar het nichtje! Zij was maar uit medelijden opgenomen! En zoo dikwijls zeide het kind dat tot zichzelf, dat zij stil en schuw werd. Truus, Bop en Hansje vonden haar vreemd en betrokken haar niet in hun spelletjes.Toen gebeurde er weer iets droevigs. Milly viel, kwetste zich de knie en moest stil liggen. Oom richtte een gezellig ligplaatsje voor haar in op een langen stoel in de huiskamer, zoo, dat zij kijken kon naar het haardvuur. En allen waren wel vriendelijk en lief voor haar, maar niemand kon het helpen, dat het meisje lange uren alleen lag, nu tante, heel zwak, nog altijd in haar slaapkamer was. Als Truus en Bop naar school waren, en Hansje, die soms lastig werd, naar een tante gestuurd was, dan lag Milly heel alleen te kijken en te denken in de groote huiskamer, en het meisje voelde zich treurig gestemd.Eens op een donkeren middag, toen de sneeuw in[77]groote vlokken heel stil langs de ruiten viel, was Milly ongelukkiger dan ooit. Het zou zoo heerlijk zijn, dacht het meisje, als tante haar oppaste of de vroolijke stem van vader zich plotseling zou laten hooren gelijk vroeger, wanneer hij haar kwam halen om samen een dag van pret te hebben buiten de kostschool. Als het nu eens niet waar bleek te zijn, dat vader voor altijd heengegaan was! Als er nu eens gebeld werd en vader naar zijn dochtertje kwam kijken, die moest blijven liggen, wie de boeken verveelden, die nergens lust in had. Zij verlangde alleen naar een mensch, die haar koesterde, naar iemand, die voor haar alleen was als oom en tante voor Truus, Bop en Hansje.Toen plotseling klonk de bel. Het bloed vloog Milly naar het gezicht. Zij richtte zich op om te luisteren.… Was het de stem van vader?Neen, neen, een heel gewone boodschap was het.Heete tranen liepen er langs Milly’s wangen. Door een mist zag zij het spelen der vlammen in het vuur. Het was nu of zij soezen ging. Toen echter werd zij helder wakker, want zij hoorde een zacht stemmetje, dat riep: „Milly.”Haar vriendje, het kaarsemannetje, zat op het boek, dat zij lusteloos uit haar hand had laten glijden.„Ik heb zoo’n groot verdriet,” klaagde zij. „Waarom ben je zoo lang weggebleven?”„Jij bent niet de enige, Milly, die me noodig heeft. Is boven tante Ada niet, zwak en ziek? En ligt zij niet te tobben over al haar kinderen, die haar zoo noodig hebben? Zijn er dan niet andere menschen met verdriet,[78]voor wie ik schijnen moet?”Het kaarsemannetje zat op het boek.Het kaarsemannetje zat op het boek.„Ik heb geen moeder meer en geen vader,” schreide Milly. „Ik lig hier alleen, heel alleen. Ik ben een heel ongelukkig meisje.”Het mannetje rimpelde zijn voorhoofd, zoodat het scheen of hij boos werd.„Niet boos zijn,” smeekte Milly met een bedroefd stemmetje, „ik ben zoo heel, zoo heel alleen.”„Ja maar,” zei het mannetje, „ik heb je al zoo dikwijls geholpen en je zooveel licht gegeven. Je vader is gestorven, dat is heel akelig voor je. Je tante is ziek, dat is héél naar. En toch kijk je niet! Wie heeft je hier zoo gezellig gelegd.”„Oom!”„Van wie kreeg je al die boeken?„Van wie dat lekkers?”„Van tante, die het brengen liet door de zuster.”„En wat geef jij,” zei het mannetje en hij fronste zijn wenkbrauwen. „Een treurig bleek gezichtje, en tranen, en treurige woorden.”[79]„Ik heb ook zoo’n groot verdriet,” klaagde Milly en weer liepen er heete tranen langs haar gezichtje.„Daarom heb ik medelijden met je,” zei het mannetje, „daarom wil ik je helpen.” Toen werd zijn gestalte grooter en het was of er iets van vaders vroolijke gezicht in zijn gelaat kwam. Hij boog zich over haar heen en kuste haar zacht op beide oogen.En kuste haar zacht op beide oogen.En kuste haar zacht op beide oogen.„Nu ga ik heen voor goed, Milly. Mijn licht gaf ik je. Het brandt in je. Kijk nu goed, zie nu goed.”„Laat me niet alleen,” smeekte Milly.„Je zult het niet meer zijn.”„Je was zoo heel alleen, omdat niets in je scheen.”„Nu brandt het in je hoofd, nu brandt het in je hart. Vaarwel, mijn kind.”Weer boog het mannetje zich over Milly heen en kuste haar oogen. Toen keek hij haar aan met een blik als van vader, met een gelaat, dat niets dan licht was.Toen verdween hij.[80]

IV.

Nog echter had het kaarsemannetje niet voor altijd afscheid van het meisje genomen en het was maar goed, dat hij het niet deed, want er kwam weer een heel treurige tijd voor Milly. Haar vader stierf in een vreemd land en in denzelfden tijd, dat de droevige tijding Milly geschreven werd, gebeurde er iets in het gezin van tante Ada, dat vroolijk en treurig tegelijk was. Er werd een kindje geboren, een meisje. Dat was een heel vroolijke gebeurtenis. Maar tante Ada werd ziek en was zoo zwak, dat de kinderen nauwelijks bij haar mochten komen.Dat was héél droevig, vooral voor Milly, want nu was zij alleen met haar groote verdriet. Oom Frank was wel heel vriendelijk voor haar, maar tante zou toch anders geweest zijn en als hij maar even zich vrij kon maken, was hij bij zijn zieke vrouw, al was er ook nog zulk een zorgzame verpleegster voor haar en het teere kleine kindje.Het leek de arme Milly of zij nog nooit zóó alleen was geweest.Truus mocht meer dan zij in de ziekenkamer komen, want oom was bang, dat Milly spreken zou over haar gestorven vader. Tante had het treurige nieuws nog niet mogen hooren, want de dokter had gezegd, dat alles vermeden moest worden, wat de ziekte verergeren kon. Heel verstandig had oom met Milly gesproken en haar gezegd, dat zij nu bewijzen moest van tante werkelijk te houden. En het meisje begreep heel goed wat oom[76]bedoelde, maar zij voelde er zich niet minder ongelukkig en eenzaam door. Het is dan ook heel hard voor een klein meisje om niemand te hebben, die troost in een groot verdriet!Bop was plagerig, al nam Truus ook haar nichtje in bescherming. Hoe kon nu een gezonde, dikke jongen ook begrijpen, waarom Milly zoo stil was! Hansje zeurde, want het kleine, kreupele ventje verlangde naar zijn moeder.Waarom had zij alleen geen moeder! Waarom was nu ook haar vader gestorven! Waarom had zij geen broertjes en zusjes!Niemand, niemand hield echt veel van haar. Zij was maar het nichtje! Zij was maar uit medelijden opgenomen! En zoo dikwijls zeide het kind dat tot zichzelf, dat zij stil en schuw werd. Truus, Bop en Hansje vonden haar vreemd en betrokken haar niet in hun spelletjes.Toen gebeurde er weer iets droevigs. Milly viel, kwetste zich de knie en moest stil liggen. Oom richtte een gezellig ligplaatsje voor haar in op een langen stoel in de huiskamer, zoo, dat zij kijken kon naar het haardvuur. En allen waren wel vriendelijk en lief voor haar, maar niemand kon het helpen, dat het meisje lange uren alleen lag, nu tante, heel zwak, nog altijd in haar slaapkamer was. Als Truus en Bop naar school waren, en Hansje, die soms lastig werd, naar een tante gestuurd was, dan lag Milly heel alleen te kijken en te denken in de groote huiskamer, en het meisje voelde zich treurig gestemd.Eens op een donkeren middag, toen de sneeuw in[77]groote vlokken heel stil langs de ruiten viel, was Milly ongelukkiger dan ooit. Het zou zoo heerlijk zijn, dacht het meisje, als tante haar oppaste of de vroolijke stem van vader zich plotseling zou laten hooren gelijk vroeger, wanneer hij haar kwam halen om samen een dag van pret te hebben buiten de kostschool. Als het nu eens niet waar bleek te zijn, dat vader voor altijd heengegaan was! Als er nu eens gebeld werd en vader naar zijn dochtertje kwam kijken, die moest blijven liggen, wie de boeken verveelden, die nergens lust in had. Zij verlangde alleen naar een mensch, die haar koesterde, naar iemand, die voor haar alleen was als oom en tante voor Truus, Bop en Hansje.Toen plotseling klonk de bel. Het bloed vloog Milly naar het gezicht. Zij richtte zich op om te luisteren.… Was het de stem van vader?Neen, neen, een heel gewone boodschap was het.Heete tranen liepen er langs Milly’s wangen. Door een mist zag zij het spelen der vlammen in het vuur. Het was nu of zij soezen ging. Toen echter werd zij helder wakker, want zij hoorde een zacht stemmetje, dat riep: „Milly.”Haar vriendje, het kaarsemannetje, zat op het boek, dat zij lusteloos uit haar hand had laten glijden.„Ik heb zoo’n groot verdriet,” klaagde zij. „Waarom ben je zoo lang weggebleven?”„Jij bent niet de enige, Milly, die me noodig heeft. Is boven tante Ada niet, zwak en ziek? En ligt zij niet te tobben over al haar kinderen, die haar zoo noodig hebben? Zijn er dan niet andere menschen met verdriet,[78]voor wie ik schijnen moet?”Het kaarsemannetje zat op het boek.Het kaarsemannetje zat op het boek.„Ik heb geen moeder meer en geen vader,” schreide Milly. „Ik lig hier alleen, heel alleen. Ik ben een heel ongelukkig meisje.”Het mannetje rimpelde zijn voorhoofd, zoodat het scheen of hij boos werd.„Niet boos zijn,” smeekte Milly met een bedroefd stemmetje, „ik ben zoo heel, zoo heel alleen.”„Ja maar,” zei het mannetje, „ik heb je al zoo dikwijls geholpen en je zooveel licht gegeven. Je vader is gestorven, dat is heel akelig voor je. Je tante is ziek, dat is héél naar. En toch kijk je niet! Wie heeft je hier zoo gezellig gelegd.”„Oom!”„Van wie kreeg je al die boeken?„Van wie dat lekkers?”„Van tante, die het brengen liet door de zuster.”„En wat geef jij,” zei het mannetje en hij fronste zijn wenkbrauwen. „Een treurig bleek gezichtje, en tranen, en treurige woorden.”[79]„Ik heb ook zoo’n groot verdriet,” klaagde Milly en weer liepen er heete tranen langs haar gezichtje.„Daarom heb ik medelijden met je,” zei het mannetje, „daarom wil ik je helpen.” Toen werd zijn gestalte grooter en het was of er iets van vaders vroolijke gezicht in zijn gelaat kwam. Hij boog zich over haar heen en kuste haar zacht op beide oogen.En kuste haar zacht op beide oogen.En kuste haar zacht op beide oogen.„Nu ga ik heen voor goed, Milly. Mijn licht gaf ik je. Het brandt in je. Kijk nu goed, zie nu goed.”„Laat me niet alleen,” smeekte Milly.„Je zult het niet meer zijn.”„Je was zoo heel alleen, omdat niets in je scheen.”„Nu brandt het in je hoofd, nu brandt het in je hart. Vaarwel, mijn kind.”Weer boog het mannetje zich over Milly heen en kuste haar oogen. Toen keek hij haar aan met een blik als van vader, met een gelaat, dat niets dan licht was.Toen verdween hij.[80]

Nog echter had het kaarsemannetje niet voor altijd afscheid van het meisje genomen en het was maar goed, dat hij het niet deed, want er kwam weer een heel treurige tijd voor Milly. Haar vader stierf in een vreemd land en in denzelfden tijd, dat de droevige tijding Milly geschreven werd, gebeurde er iets in het gezin van tante Ada, dat vroolijk en treurig tegelijk was. Er werd een kindje geboren, een meisje. Dat was een heel vroolijke gebeurtenis. Maar tante Ada werd ziek en was zoo zwak, dat de kinderen nauwelijks bij haar mochten komen.

Dat was héél droevig, vooral voor Milly, want nu was zij alleen met haar groote verdriet. Oom Frank was wel heel vriendelijk voor haar, maar tante zou toch anders geweest zijn en als hij maar even zich vrij kon maken, was hij bij zijn zieke vrouw, al was er ook nog zulk een zorgzame verpleegster voor haar en het teere kleine kindje.

Het leek de arme Milly of zij nog nooit zóó alleen was geweest.

Truus mocht meer dan zij in de ziekenkamer komen, want oom was bang, dat Milly spreken zou over haar gestorven vader. Tante had het treurige nieuws nog niet mogen hooren, want de dokter had gezegd, dat alles vermeden moest worden, wat de ziekte verergeren kon. Heel verstandig had oom met Milly gesproken en haar gezegd, dat zij nu bewijzen moest van tante werkelijk te houden. En het meisje begreep heel goed wat oom[76]bedoelde, maar zij voelde er zich niet minder ongelukkig en eenzaam door. Het is dan ook heel hard voor een klein meisje om niemand te hebben, die troost in een groot verdriet!

Bop was plagerig, al nam Truus ook haar nichtje in bescherming. Hoe kon nu een gezonde, dikke jongen ook begrijpen, waarom Milly zoo stil was! Hansje zeurde, want het kleine, kreupele ventje verlangde naar zijn moeder.

Waarom had zij alleen geen moeder! Waarom was nu ook haar vader gestorven! Waarom had zij geen broertjes en zusjes!

Niemand, niemand hield echt veel van haar. Zij was maar het nichtje! Zij was maar uit medelijden opgenomen! En zoo dikwijls zeide het kind dat tot zichzelf, dat zij stil en schuw werd. Truus, Bop en Hansje vonden haar vreemd en betrokken haar niet in hun spelletjes.

Toen gebeurde er weer iets droevigs. Milly viel, kwetste zich de knie en moest stil liggen. Oom richtte een gezellig ligplaatsje voor haar in op een langen stoel in de huiskamer, zoo, dat zij kijken kon naar het haardvuur. En allen waren wel vriendelijk en lief voor haar, maar niemand kon het helpen, dat het meisje lange uren alleen lag, nu tante, heel zwak, nog altijd in haar slaapkamer was. Als Truus en Bop naar school waren, en Hansje, die soms lastig werd, naar een tante gestuurd was, dan lag Milly heel alleen te kijken en te denken in de groote huiskamer, en het meisje voelde zich treurig gestemd.

Eens op een donkeren middag, toen de sneeuw in[77]groote vlokken heel stil langs de ruiten viel, was Milly ongelukkiger dan ooit. Het zou zoo heerlijk zijn, dacht het meisje, als tante haar oppaste of de vroolijke stem van vader zich plotseling zou laten hooren gelijk vroeger, wanneer hij haar kwam halen om samen een dag van pret te hebben buiten de kostschool. Als het nu eens niet waar bleek te zijn, dat vader voor altijd heengegaan was! Als er nu eens gebeld werd en vader naar zijn dochtertje kwam kijken, die moest blijven liggen, wie de boeken verveelden, die nergens lust in had. Zij verlangde alleen naar een mensch, die haar koesterde, naar iemand, die voor haar alleen was als oom en tante voor Truus, Bop en Hansje.

Toen plotseling klonk de bel. Het bloed vloog Milly naar het gezicht. Zij richtte zich op om te luisteren.… Was het de stem van vader?

Neen, neen, een heel gewone boodschap was het.

Heete tranen liepen er langs Milly’s wangen. Door een mist zag zij het spelen der vlammen in het vuur. Het was nu of zij soezen ging. Toen echter werd zij helder wakker, want zij hoorde een zacht stemmetje, dat riep: „Milly.”

Haar vriendje, het kaarsemannetje, zat op het boek, dat zij lusteloos uit haar hand had laten glijden.

„Ik heb zoo’n groot verdriet,” klaagde zij. „Waarom ben je zoo lang weggebleven?”

„Jij bent niet de enige, Milly, die me noodig heeft. Is boven tante Ada niet, zwak en ziek? En ligt zij niet te tobben over al haar kinderen, die haar zoo noodig hebben? Zijn er dan niet andere menschen met verdriet,[78]voor wie ik schijnen moet?”

Het kaarsemannetje zat op het boek.Het kaarsemannetje zat op het boek.

Het kaarsemannetje zat op het boek.

„Ik heb geen moeder meer en geen vader,” schreide Milly. „Ik lig hier alleen, heel alleen. Ik ben een heel ongelukkig meisje.”

Het mannetje rimpelde zijn voorhoofd, zoodat het scheen of hij boos werd.

„Niet boos zijn,” smeekte Milly met een bedroefd stemmetje, „ik ben zoo heel, zoo heel alleen.”

„Ja maar,” zei het mannetje, „ik heb je al zoo dikwijls geholpen en je zooveel licht gegeven. Je vader is gestorven, dat is heel akelig voor je. Je tante is ziek, dat is héél naar. En toch kijk je niet! Wie heeft je hier zoo gezellig gelegd.”

„Oom!”

„Van wie kreeg je al die boeken?

„Van wie dat lekkers?”

„Van tante, die het brengen liet door de zuster.”

„En wat geef jij,” zei het mannetje en hij fronste zijn wenkbrauwen. „Een treurig bleek gezichtje, en tranen, en treurige woorden.”[79]

„Ik heb ook zoo’n groot verdriet,” klaagde Milly en weer liepen er heete tranen langs haar gezichtje.

„Daarom heb ik medelijden met je,” zei het mannetje, „daarom wil ik je helpen.” Toen werd zijn gestalte grooter en het was of er iets van vaders vroolijke gezicht in zijn gelaat kwam. Hij boog zich over haar heen en kuste haar zacht op beide oogen.

En kuste haar zacht op beide oogen.En kuste haar zacht op beide oogen.

En kuste haar zacht op beide oogen.

„Nu ga ik heen voor goed, Milly. Mijn licht gaf ik je. Het brandt in je. Kijk nu goed, zie nu goed.”

„Laat me niet alleen,” smeekte Milly.

„Je zult het niet meer zijn.”

„Je was zoo heel alleen, omdat niets in je scheen.”

„Nu brandt het in je hoofd, nu brandt het in je hart. Vaarwel, mijn kind.”

Weer boog het mannetje zich over Milly heen en kuste haar oogen. Toen keek hij haar aan met een blik als van vader, met een gelaat, dat niets dan licht was.

Toen verdween hij.[80]

[Inhoud]V.Sliep Milly een oogenblik later? Was zij wakker? Droomde zij? Zij heeft het nooit zeker geweten, maar wel zag en hoorde zij het wonderlijke, dat nu gebeuren ging, heel duidelijk.Er kwam een geroes uit den haard of daar getwist werd. Er klonken stemmetjes, die over haar spraken.„Och,” zei er een, „wat ligt die arme Milly alleen in het donkere winterweer. Het kind heeft pijn en verdriet. Dat is treurig voor een klein meisje.”„Ja, ja,” riep er een stem, die iemand moed gaf, als men maar luisterde naar den klank. Milly keerde zich naar het hoekje van waar het geluid kwam. Het was de kolenschop, die sprak en hij leek, toen hij aan het praten was, op den goeden ouden dokter. „Ik heb met haar te doen.”Toen klonk het uit den haard: „Ik brand voor haar wat ik kan.Wie warmte heeft,Die warmte geeft.Ik heb aan al de kolen gezegd om lekker voor haar te gloeien en aan de vlammen om te schijnen en te schitteren en te dansen net of het feest is. Kon zij nog maar dichter bij ons komen! Het is zoo heerlijk warm te zijn, warm te maken, niet, kolen?”Het knetterde en schitterde in den haard.„Ik brand nog niet genoeg,” bromde een groot zwart stuk kool. „Ik wil branden, ik wil warmen.”[81]„Doe je plicht,Maak het licht.”zei toen de flinke stem van de kolenschop en daar stapte de pook van zijn plaats en hij hielp, en lustig snorde het in den haard, en de vlammen dansten en het groote stuk kool bromde net als een spinnende poes:„Ik brand en schijn.Kan er iets schooners zijn?Het vuur in me zingt een lied:Iets schooners dan branden, dat is er niet.”Maar nog wonderlijker dingen gingen er gebeuren.Ik heb met haar te doen.Ik heb met haar te doen.Uit het lucifersdoosje, dat in den hoek van den schoorsteen stond, wipte een wezentje. Het leek een margrietje, maar in plaats van een kroontje van blaadjes droeg het een kransje van fijne lichtstraaltjes. Toen wipte er nog een te voorschijn, en nog een, en nog een! Een heel troep je bij elkaar.„We zijn de broertjes uit het doosje,We leven niet lang, maar toch een poosje.”„Daar zijn onze vriendjes,” riepen de stemmen uit den haard.„Zonder ons zouden jullie niet branden, hè, groote, zwarte kolen, die je bent,” zei een stemmetje zoo fijn, dat het was of een speld sprak. „Denk je soms, dat[82]jullie alleen voor Milly brandt.”„Maak het voor haar licht,Doet allen goed je plicht,”riep de kolenschop weer met het gezicht van den ouden dokter.Doe je plicht, Maak het licht.Doe je plicht,Maak het licht.Toen dansten de kleine lichtjes naar Milly toe. Het was heel mooi: dat bewegen van die lichtkransjes op het donkere tapijt.„Milly,” zei er een, „hier is de naald, waar je gisteren naar zocht. Hij lag in een hoekje achter je stoel.”„Milly,” riep een ander, „hier is de postzegel, die je niet kon vinden. Hij was weggewaaid achter het gordijn.”„Milly, daar ligt het potlood, dat je verloor.”„Milly, daar is de speld met de glazen knop, die je niet meer vinden kon.”Zoo klonk het door elkander.—Kijk daar wipte het lucifersdoosje van den schoorsteen. Het leek wel een moedertje, dat haar kinderen zocht.„Goed zoo kinderen,” zei ze vriendelijk.„Al is de hulp klein,Toch kan ze nuttig zijn.”[83]We zijn de broertjes uit het doosje, We leven niet lang, maar toch een poosje.We zijn de broertjes uit het doosje,We leven niet lang, maar toch een poosje.[84]„Of—het, òf—het,” klonk er diep en plechtig. Het leek of de klok het zei, maar dat was toch niet zoo. De oude man, die op de pendule stond en naar wien Milly zoo dikwijls had liggen kijken, stapte van zijn plaats en liep langzaam op den schoorsteen heen en weer.Hier is de postzegel.Hier is de postzegel.„Of—het, òf—het,” herhaalde hij. „Branden is heerlijk, schijnen is heerlijk, helpen is heerlijk. Tik, tak, de kolen branden. Tik, tak, de lucifers helpen. Ja, ja, zoo is het.” En plechtig liep de bronzen oude man op den schoorsteen heen en weer op de maat van de klok, die tikte.Toen kwamen al de wezentjes van warmte en licht naar het meisje toe: het vuurvrouwtje uit den haard, het lichtvrouwtje uit het lucifersdoosje.„Wie warmte heeft,Die warmte geeft,”zei het vuurvrouwtje en zij drukte haar warme gezichtje tegen dat van Milly.„Het kleine is mijn plicht,In het kleine geef ik licht,”[85]zei het moedertje uit het doosje en zij nam Milly’s rechterhand en kuste elken vinger.De kolenschop met het goede oude gezicht bleef staan voor het meisje en zijn klinkende stem riep:„Ik werk voor het vuur,Ik help uur aan uur.”En de pook riep:„Ik por aan,Ik laat het lekker snorren gaan.”„Zoo is het, zoo was het, menschen komen, menschen gaan; blijft branden, blijft schijnen,” zei plechtig de bronzen man van de klok en langzaam stapte hij heen en weer op den schoorsteen.Toen begon het in de klok te ratelen.„Een, twee, drie, vier,” telde de bronzen man. „De kinderen komen van school. Wij wezen aan, wij spraken uit. Tik, tak, tik, tak!”Liep langzaam op den schoorsteen heen en weer.Liep langzaam op den schoorsteen heen en weer.Al het wonderlijke verdween nu. De oude,[86]bronzen man klom voorzichtig op de pendule. Het oude vrouwtje wipte in het vuur. Het lucifersdoosje stond op zijn plaats. De kleine lichtjes doofden.Zij drukte haar warme gezichtje.Zij drukte haar warme gezichtje.In den haard flikkerden de vlammen en knetterden de kolen.Tik, tak, klonk het rustig van den schoorsteen.

V.

Sliep Milly een oogenblik later? Was zij wakker? Droomde zij? Zij heeft het nooit zeker geweten, maar wel zag en hoorde zij het wonderlijke, dat nu gebeuren ging, heel duidelijk.Er kwam een geroes uit den haard of daar getwist werd. Er klonken stemmetjes, die over haar spraken.„Och,” zei er een, „wat ligt die arme Milly alleen in het donkere winterweer. Het kind heeft pijn en verdriet. Dat is treurig voor een klein meisje.”„Ja, ja,” riep er een stem, die iemand moed gaf, als men maar luisterde naar den klank. Milly keerde zich naar het hoekje van waar het geluid kwam. Het was de kolenschop, die sprak en hij leek, toen hij aan het praten was, op den goeden ouden dokter. „Ik heb met haar te doen.”Toen klonk het uit den haard: „Ik brand voor haar wat ik kan.Wie warmte heeft,Die warmte geeft.Ik heb aan al de kolen gezegd om lekker voor haar te gloeien en aan de vlammen om te schijnen en te schitteren en te dansen net of het feest is. Kon zij nog maar dichter bij ons komen! Het is zoo heerlijk warm te zijn, warm te maken, niet, kolen?”Het knetterde en schitterde in den haard.„Ik brand nog niet genoeg,” bromde een groot zwart stuk kool. „Ik wil branden, ik wil warmen.”[81]„Doe je plicht,Maak het licht.”zei toen de flinke stem van de kolenschop en daar stapte de pook van zijn plaats en hij hielp, en lustig snorde het in den haard, en de vlammen dansten en het groote stuk kool bromde net als een spinnende poes:„Ik brand en schijn.Kan er iets schooners zijn?Het vuur in me zingt een lied:Iets schooners dan branden, dat is er niet.”Maar nog wonderlijker dingen gingen er gebeuren.Ik heb met haar te doen.Ik heb met haar te doen.Uit het lucifersdoosje, dat in den hoek van den schoorsteen stond, wipte een wezentje. Het leek een margrietje, maar in plaats van een kroontje van blaadjes droeg het een kransje van fijne lichtstraaltjes. Toen wipte er nog een te voorschijn, en nog een, en nog een! Een heel troep je bij elkaar.„We zijn de broertjes uit het doosje,We leven niet lang, maar toch een poosje.”„Daar zijn onze vriendjes,” riepen de stemmen uit den haard.„Zonder ons zouden jullie niet branden, hè, groote, zwarte kolen, die je bent,” zei een stemmetje zoo fijn, dat het was of een speld sprak. „Denk je soms, dat[82]jullie alleen voor Milly brandt.”„Maak het voor haar licht,Doet allen goed je plicht,”riep de kolenschop weer met het gezicht van den ouden dokter.Doe je plicht, Maak het licht.Doe je plicht,Maak het licht.Toen dansten de kleine lichtjes naar Milly toe. Het was heel mooi: dat bewegen van die lichtkransjes op het donkere tapijt.„Milly,” zei er een, „hier is de naald, waar je gisteren naar zocht. Hij lag in een hoekje achter je stoel.”„Milly,” riep een ander, „hier is de postzegel, die je niet kon vinden. Hij was weggewaaid achter het gordijn.”„Milly, daar ligt het potlood, dat je verloor.”„Milly, daar is de speld met de glazen knop, die je niet meer vinden kon.”Zoo klonk het door elkander.—Kijk daar wipte het lucifersdoosje van den schoorsteen. Het leek wel een moedertje, dat haar kinderen zocht.„Goed zoo kinderen,” zei ze vriendelijk.„Al is de hulp klein,Toch kan ze nuttig zijn.”[83]We zijn de broertjes uit het doosje, We leven niet lang, maar toch een poosje.We zijn de broertjes uit het doosje,We leven niet lang, maar toch een poosje.[84]„Of—het, òf—het,” klonk er diep en plechtig. Het leek of de klok het zei, maar dat was toch niet zoo. De oude man, die op de pendule stond en naar wien Milly zoo dikwijls had liggen kijken, stapte van zijn plaats en liep langzaam op den schoorsteen heen en weer.Hier is de postzegel.Hier is de postzegel.„Of—het, òf—het,” herhaalde hij. „Branden is heerlijk, schijnen is heerlijk, helpen is heerlijk. Tik, tak, de kolen branden. Tik, tak, de lucifers helpen. Ja, ja, zoo is het.” En plechtig liep de bronzen oude man op den schoorsteen heen en weer op de maat van de klok, die tikte.Toen kwamen al de wezentjes van warmte en licht naar het meisje toe: het vuurvrouwtje uit den haard, het lichtvrouwtje uit het lucifersdoosje.„Wie warmte heeft,Die warmte geeft,”zei het vuurvrouwtje en zij drukte haar warme gezichtje tegen dat van Milly.„Het kleine is mijn plicht,In het kleine geef ik licht,”[85]zei het moedertje uit het doosje en zij nam Milly’s rechterhand en kuste elken vinger.De kolenschop met het goede oude gezicht bleef staan voor het meisje en zijn klinkende stem riep:„Ik werk voor het vuur,Ik help uur aan uur.”En de pook riep:„Ik por aan,Ik laat het lekker snorren gaan.”„Zoo is het, zoo was het, menschen komen, menschen gaan; blijft branden, blijft schijnen,” zei plechtig de bronzen man van de klok en langzaam stapte hij heen en weer op den schoorsteen.Toen begon het in de klok te ratelen.„Een, twee, drie, vier,” telde de bronzen man. „De kinderen komen van school. Wij wezen aan, wij spraken uit. Tik, tak, tik, tak!”Liep langzaam op den schoorsteen heen en weer.Liep langzaam op den schoorsteen heen en weer.Al het wonderlijke verdween nu. De oude,[86]bronzen man klom voorzichtig op de pendule. Het oude vrouwtje wipte in het vuur. Het lucifersdoosje stond op zijn plaats. De kleine lichtjes doofden.Zij drukte haar warme gezichtje.Zij drukte haar warme gezichtje.In den haard flikkerden de vlammen en knetterden de kolen.Tik, tak, klonk het rustig van den schoorsteen.

Sliep Milly een oogenblik later? Was zij wakker? Droomde zij? Zij heeft het nooit zeker geweten, maar wel zag en hoorde zij het wonderlijke, dat nu gebeuren ging, heel duidelijk.

Er kwam een geroes uit den haard of daar getwist werd. Er klonken stemmetjes, die over haar spraken.

„Och,” zei er een, „wat ligt die arme Milly alleen in het donkere winterweer. Het kind heeft pijn en verdriet. Dat is treurig voor een klein meisje.”

„Ja, ja,” riep er een stem, die iemand moed gaf, als men maar luisterde naar den klank. Milly keerde zich naar het hoekje van waar het geluid kwam. Het was de kolenschop, die sprak en hij leek, toen hij aan het praten was, op den goeden ouden dokter. „Ik heb met haar te doen.”

Toen klonk het uit den haard: „Ik brand voor haar wat ik kan.

Wie warmte heeft,Die warmte geeft.

Wie warmte heeft,

Die warmte geeft.

Ik heb aan al de kolen gezegd om lekker voor haar te gloeien en aan de vlammen om te schijnen en te schitteren en te dansen net of het feest is. Kon zij nog maar dichter bij ons komen! Het is zoo heerlijk warm te zijn, warm te maken, niet, kolen?”

Het knetterde en schitterde in den haard.

„Ik brand nog niet genoeg,” bromde een groot zwart stuk kool. „Ik wil branden, ik wil warmen.”[81]

„Doe je plicht,Maak het licht.”

„Doe je plicht,

Maak het licht.”

zei toen de flinke stem van de kolenschop en daar stapte de pook van zijn plaats en hij hielp, en lustig snorde het in den haard, en de vlammen dansten en het groote stuk kool bromde net als een spinnende poes:

„Ik brand en schijn.Kan er iets schooners zijn?Het vuur in me zingt een lied:Iets schooners dan branden, dat is er niet.”

„Ik brand en schijn.

Kan er iets schooners zijn?

Het vuur in me zingt een lied:

Iets schooners dan branden, dat is er niet.”

Maar nog wonderlijker dingen gingen er gebeuren.

Ik heb met haar te doen.Ik heb met haar te doen.

Ik heb met haar te doen.

Uit het lucifersdoosje, dat in den hoek van den schoorsteen stond, wipte een wezentje. Het leek een margrietje, maar in plaats van een kroontje van blaadjes droeg het een kransje van fijne lichtstraaltjes. Toen wipte er nog een te voorschijn, en nog een, en nog een! Een heel troep je bij elkaar.

„We zijn de broertjes uit het doosje,We leven niet lang, maar toch een poosje.”

„We zijn de broertjes uit het doosje,

We leven niet lang, maar toch een poosje.”

„Daar zijn onze vriendjes,” riepen de stemmen uit den haard.

„Zonder ons zouden jullie niet branden, hè, groote, zwarte kolen, die je bent,” zei een stemmetje zoo fijn, dat het was of een speld sprak. „Denk je soms, dat[82]jullie alleen voor Milly brandt.”

„Maak het voor haar licht,Doet allen goed je plicht,”

„Maak het voor haar licht,

Doet allen goed je plicht,”

riep de kolenschop weer met het gezicht van den ouden dokter.

Doe je plicht, Maak het licht.Doe je plicht,Maak het licht.

Doe je plicht,Maak het licht.

Toen dansten de kleine lichtjes naar Milly toe. Het was heel mooi: dat bewegen van die lichtkransjes op het donkere tapijt.

„Milly,” zei er een, „hier is de naald, waar je gisteren naar zocht. Hij lag in een hoekje achter je stoel.”

„Milly,” riep een ander, „hier is de postzegel, die je niet kon vinden. Hij was weggewaaid achter het gordijn.”

„Milly, daar ligt het potlood, dat je verloor.”

„Milly, daar is de speld met de glazen knop, die je niet meer vinden kon.”

Zoo klonk het door elkander.—Kijk daar wipte het lucifersdoosje van den schoorsteen. Het leek wel een moedertje, dat haar kinderen zocht.

„Goed zoo kinderen,” zei ze vriendelijk.

„Al is de hulp klein,Toch kan ze nuttig zijn.”

„Al is de hulp klein,

Toch kan ze nuttig zijn.”

[83]

We zijn de broertjes uit het doosje, We leven niet lang, maar toch een poosje.We zijn de broertjes uit het doosje,We leven niet lang, maar toch een poosje.

We zijn de broertjes uit het doosje,We leven niet lang, maar toch een poosje.

[84]

„Of—het, òf—het,” klonk er diep en plechtig. Het leek of de klok het zei, maar dat was toch niet zoo. De oude man, die op de pendule stond en naar wien Milly zoo dikwijls had liggen kijken, stapte van zijn plaats en liep langzaam op den schoorsteen heen en weer.

Hier is de postzegel.Hier is de postzegel.

Hier is de postzegel.

„Of—het, òf—het,” herhaalde hij. „Branden is heerlijk, schijnen is heerlijk, helpen is heerlijk. Tik, tak, de kolen branden. Tik, tak, de lucifers helpen. Ja, ja, zoo is het.” En plechtig liep de bronzen oude man op den schoorsteen heen en weer op de maat van de klok, die tikte.

Toen kwamen al de wezentjes van warmte en licht naar het meisje toe: het vuurvrouwtje uit den haard, het lichtvrouwtje uit het lucifersdoosje.

„Wie warmte heeft,Die warmte geeft,”

„Wie warmte heeft,

Die warmte geeft,”

zei het vuurvrouwtje en zij drukte haar warme gezichtje tegen dat van Milly.

„Het kleine is mijn plicht,In het kleine geef ik licht,”

„Het kleine is mijn plicht,

In het kleine geef ik licht,”

[85]

zei het moedertje uit het doosje en zij nam Milly’s rechterhand en kuste elken vinger.

De kolenschop met het goede oude gezicht bleef staan voor het meisje en zijn klinkende stem riep:

„Ik werk voor het vuur,Ik help uur aan uur.”

„Ik werk voor het vuur,

Ik help uur aan uur.”

En de pook riep:

„Ik por aan,Ik laat het lekker snorren gaan.”

„Ik por aan,

Ik laat het lekker snorren gaan.”

„Zoo is het, zoo was het, menschen komen, menschen gaan; blijft branden, blijft schijnen,” zei plechtig de bronzen man van de klok en langzaam stapte hij heen en weer op den schoorsteen.

Toen begon het in de klok te ratelen.

„Een, twee, drie, vier,” telde de bronzen man. „De kinderen komen van school. Wij wezen aan, wij spraken uit. Tik, tak, tik, tak!”

Liep langzaam op den schoorsteen heen en weer.Liep langzaam op den schoorsteen heen en weer.

Liep langzaam op den schoorsteen heen en weer.

Al het wonderlijke verdween nu. De oude,[86]bronzen man klom voorzichtig op de pendule. Het oude vrouwtje wipte in het vuur. Het lucifersdoosje stond op zijn plaats. De kleine lichtjes doofden.

Zij drukte haar warme gezichtje.Zij drukte haar warme gezichtje.

Zij drukte haar warme gezichtje.

In den haard flikkerden de vlammen en knetterden de kolen.

Tik, tak, klonk het rustig van den schoorsteen.

[Inhoud]VI.Toen ging de deur open en de stem van de zuster zei: „maar, vrouwtje, wat lig jij alleen in het donker. Ik zal maar eens gauw de gordijnen dicht trekken en het licht gezellig voor je opsteken.”Soezerig keek Milly naar de zuster en knipte met de oogen, toen het gas brandde.„Je hebt geslapen,” plaagde de zuster.„Ik weet het niet,” zei Milly droomerig.„Je bent nog niet goed wakker,” babbelde de zuster. „En ik heb juist een geheimpje voor je. Tante gaat[87]goed vooruit. Je mag daarom van avond dadelijk na het eten op een paar stoelen bij haar bed liggen. Tante verlangt naar haar nichtje.”Klom voorzichtig op de pendule.Klom voorzichtig op de pendule.„Hè,” zei Milly met een zucht en ze wendde haar gezichtje af, want ze wilde niet laten zien, dat de tranen bijna komen wilden.Toen werd er hard gebeld. Truus, Bop en Hansje kwamen thuis.„Ik wil morgen niet meer naar tante,” zeurde Hansje. „Ik wil thuis blijven. Het is niets prettig bij tante. Ik moet maar met mezelve spelen.”„Zuster,” zei Milly met een kleur, „laat Hansje morgen maar bij mij. Ik zal wel schooltje met hem spelen en hem vertellen.”„Ja, ja,” juichte Hansje.„We zullen het Vader vragen,” besliste de zuster.En toen, zonder dat iemand iets zei, gingen de kinderen rond het rustbed van Milly zitten en zij vertelden van allerlei en het meisje luisterde met een opgewekt gezichtje.[88]En na het eten droegen oom en de zuster Milly naar boven en legden haar heel voorzichtig op een paar stoelen naast tante’s bed.Toen ging de deur open.Toen ging de deur open.„Arm kind,” zei tante, „oom heeft me verteld, van je vader.”Toen greep Milly tante’s hand, en legde er haar bedroefde gezichtje tegen aan.„Ik heb zoo vreeselijk naar U verlangd, tante, ik voelde me zoo heel alleen.”„Nu gaan we alle twee weer beter worden,” troostte tante met haar lieven glimlach en zij streelde zachtjes Milly’s haar. „Zuster,” zei zij toen, „geef Milly even zusje.”Toen legde de zuster het kleine kindje in Milly’s armen.„Wat een schatje,” bewonderde Milly, „wat een klein kopje, wat kleine vingertjes. Tante, mag ik dikwijls voor haar zorgen?”[89]Gingen de kinderen rond het rustbed van Milly zitten.Gingen de kinderen rond het rustbed van Milly zitten.[90]„Natuurlijk,” antwoordde tante. „Truus en jij zijn mijn oudste dochters.”En de zuster legde het kleine kindje weer in de wieg, en Milly kuste tante’s handen, die lang en smal waren geworden.Toen werd het meisje naar bed gebracht en het duurde lang, voor zij den slaap vatten kon. Zij luisterde naar het rustige ademhalen van Truus, zij keek in de kamer, waarin zij flauw de omtrekken van de meubelen onderscheidde. Weer ving de knop van de kachel den lichtstraal op, die door een kiertje naar binnen viel. Doch geen enkel wonder gebeurde er. Het kaarsemannetje kwam niet.„Wat een schatje,” bewonderde Milly.„Wat een schatje,” bewonderde Milly.Milly zag niets dan wat even zichtbaar was: de glimmende kachelknop, het kastje met de beeldjes. Het was donker en stil om haar heen. Geen zoldering week, zoodat zij de sterren niet kon zien schitteren; geen muren werden doorzichtig, zoodat zij de lichtlijnen niet van uit haar bed volgen kon. En toch was het licht, héél licht in Milly.⁂[91]„Vader,” vroeg het kreupele Hansje den volgenden dag, „mag ik altijd thuis blijven, zoolang Moes nog ziek is en Milly niet naar school gaat. We hebben zoo gezellig samen gespeeld, niet Milly?”„Ja,” knikte het meisje met een glunder gezichtje.„En Milly heeft zoo leuk verteld,” ging het dankbare Hansje door, „van een kaarsemannetje, vader, dat in een kaars zat, vader, hoor U wel, vader?”„Ja, Hansje.”„En dat kaarsemannetje is heel klein, vader, en dat springt in je oogen en dan is alles heelemaal licht, vader, ook als het donker is. Leuk, hè, vader? Mag Milly me altijd vertellen en mag ik thuis blijven?”„Wat zegt Milly ervan?” vroeg oom.„Ik zal wel goed op Hansje passen,” zei Milly met hetzelfde glundere gezichtje.„Ik hou veel van Milly,” zei kreupele Hansje toen en hij wipte van zijn stoel aan tafel, ging naar Milly toe en sloeg zijn armen om haar hals.„Wat een kleine jongen,” plaagde Bop.„Niet klein,” verdedigde het ventje zich, „is het wel, vader, zusje is klein.”„Zusje is klein, Hansje is groot, Bop is een flauwe jongen en Milly is een lieve meid,” besliste vader.Milly antwoordde niet, maar lachte zoo vriendelijk, alsof het kaarsemannetje voor altijd in haar oogen gesprongen was.[92]

VI.

Toen ging de deur open en de stem van de zuster zei: „maar, vrouwtje, wat lig jij alleen in het donker. Ik zal maar eens gauw de gordijnen dicht trekken en het licht gezellig voor je opsteken.”Soezerig keek Milly naar de zuster en knipte met de oogen, toen het gas brandde.„Je hebt geslapen,” plaagde de zuster.„Ik weet het niet,” zei Milly droomerig.„Je bent nog niet goed wakker,” babbelde de zuster. „En ik heb juist een geheimpje voor je. Tante gaat[87]goed vooruit. Je mag daarom van avond dadelijk na het eten op een paar stoelen bij haar bed liggen. Tante verlangt naar haar nichtje.”Klom voorzichtig op de pendule.Klom voorzichtig op de pendule.„Hè,” zei Milly met een zucht en ze wendde haar gezichtje af, want ze wilde niet laten zien, dat de tranen bijna komen wilden.Toen werd er hard gebeld. Truus, Bop en Hansje kwamen thuis.„Ik wil morgen niet meer naar tante,” zeurde Hansje. „Ik wil thuis blijven. Het is niets prettig bij tante. Ik moet maar met mezelve spelen.”„Zuster,” zei Milly met een kleur, „laat Hansje morgen maar bij mij. Ik zal wel schooltje met hem spelen en hem vertellen.”„Ja, ja,” juichte Hansje.„We zullen het Vader vragen,” besliste de zuster.En toen, zonder dat iemand iets zei, gingen de kinderen rond het rustbed van Milly zitten en zij vertelden van allerlei en het meisje luisterde met een opgewekt gezichtje.[88]En na het eten droegen oom en de zuster Milly naar boven en legden haar heel voorzichtig op een paar stoelen naast tante’s bed.Toen ging de deur open.Toen ging de deur open.„Arm kind,” zei tante, „oom heeft me verteld, van je vader.”Toen greep Milly tante’s hand, en legde er haar bedroefde gezichtje tegen aan.„Ik heb zoo vreeselijk naar U verlangd, tante, ik voelde me zoo heel alleen.”„Nu gaan we alle twee weer beter worden,” troostte tante met haar lieven glimlach en zij streelde zachtjes Milly’s haar. „Zuster,” zei zij toen, „geef Milly even zusje.”Toen legde de zuster het kleine kindje in Milly’s armen.„Wat een schatje,” bewonderde Milly, „wat een klein kopje, wat kleine vingertjes. Tante, mag ik dikwijls voor haar zorgen?”[89]Gingen de kinderen rond het rustbed van Milly zitten.Gingen de kinderen rond het rustbed van Milly zitten.[90]„Natuurlijk,” antwoordde tante. „Truus en jij zijn mijn oudste dochters.”En de zuster legde het kleine kindje weer in de wieg, en Milly kuste tante’s handen, die lang en smal waren geworden.Toen werd het meisje naar bed gebracht en het duurde lang, voor zij den slaap vatten kon. Zij luisterde naar het rustige ademhalen van Truus, zij keek in de kamer, waarin zij flauw de omtrekken van de meubelen onderscheidde. Weer ving de knop van de kachel den lichtstraal op, die door een kiertje naar binnen viel. Doch geen enkel wonder gebeurde er. Het kaarsemannetje kwam niet.„Wat een schatje,” bewonderde Milly.„Wat een schatje,” bewonderde Milly.Milly zag niets dan wat even zichtbaar was: de glimmende kachelknop, het kastje met de beeldjes. Het was donker en stil om haar heen. Geen zoldering week, zoodat zij de sterren niet kon zien schitteren; geen muren werden doorzichtig, zoodat zij de lichtlijnen niet van uit haar bed volgen kon. En toch was het licht, héél licht in Milly.⁂[91]„Vader,” vroeg het kreupele Hansje den volgenden dag, „mag ik altijd thuis blijven, zoolang Moes nog ziek is en Milly niet naar school gaat. We hebben zoo gezellig samen gespeeld, niet Milly?”„Ja,” knikte het meisje met een glunder gezichtje.„En Milly heeft zoo leuk verteld,” ging het dankbare Hansje door, „van een kaarsemannetje, vader, dat in een kaars zat, vader, hoor U wel, vader?”„Ja, Hansje.”„En dat kaarsemannetje is heel klein, vader, en dat springt in je oogen en dan is alles heelemaal licht, vader, ook als het donker is. Leuk, hè, vader? Mag Milly me altijd vertellen en mag ik thuis blijven?”„Wat zegt Milly ervan?” vroeg oom.„Ik zal wel goed op Hansje passen,” zei Milly met hetzelfde glundere gezichtje.„Ik hou veel van Milly,” zei kreupele Hansje toen en hij wipte van zijn stoel aan tafel, ging naar Milly toe en sloeg zijn armen om haar hals.„Wat een kleine jongen,” plaagde Bop.„Niet klein,” verdedigde het ventje zich, „is het wel, vader, zusje is klein.”„Zusje is klein, Hansje is groot, Bop is een flauwe jongen en Milly is een lieve meid,” besliste vader.Milly antwoordde niet, maar lachte zoo vriendelijk, alsof het kaarsemannetje voor altijd in haar oogen gesprongen was.[92]

Toen ging de deur open en de stem van de zuster zei: „maar, vrouwtje, wat lig jij alleen in het donker. Ik zal maar eens gauw de gordijnen dicht trekken en het licht gezellig voor je opsteken.”

Soezerig keek Milly naar de zuster en knipte met de oogen, toen het gas brandde.

„Je hebt geslapen,” plaagde de zuster.

„Ik weet het niet,” zei Milly droomerig.

„Je bent nog niet goed wakker,” babbelde de zuster. „En ik heb juist een geheimpje voor je. Tante gaat[87]goed vooruit. Je mag daarom van avond dadelijk na het eten op een paar stoelen bij haar bed liggen. Tante verlangt naar haar nichtje.”

Klom voorzichtig op de pendule.Klom voorzichtig op de pendule.

Klom voorzichtig op de pendule.

„Hè,” zei Milly met een zucht en ze wendde haar gezichtje af, want ze wilde niet laten zien, dat de tranen bijna komen wilden.

Toen werd er hard gebeld. Truus, Bop en Hansje kwamen thuis.

„Ik wil morgen niet meer naar tante,” zeurde Hansje. „Ik wil thuis blijven. Het is niets prettig bij tante. Ik moet maar met mezelve spelen.”

„Zuster,” zei Milly met een kleur, „laat Hansje morgen maar bij mij. Ik zal wel schooltje met hem spelen en hem vertellen.”

„Ja, ja,” juichte Hansje.

„We zullen het Vader vragen,” besliste de zuster.

En toen, zonder dat iemand iets zei, gingen de kinderen rond het rustbed van Milly zitten en zij vertelden van allerlei en het meisje luisterde met een opgewekt gezichtje.[88]En na het eten droegen oom en de zuster Milly naar boven en legden haar heel voorzichtig op een paar stoelen naast tante’s bed.

Toen ging de deur open.Toen ging de deur open.

Toen ging de deur open.

„Arm kind,” zei tante, „oom heeft me verteld, van je vader.”

Toen greep Milly tante’s hand, en legde er haar bedroefde gezichtje tegen aan.

„Ik heb zoo vreeselijk naar U verlangd, tante, ik voelde me zoo heel alleen.”

„Nu gaan we alle twee weer beter worden,” troostte tante met haar lieven glimlach en zij streelde zachtjes Milly’s haar. „Zuster,” zei zij toen, „geef Milly even zusje.”

Toen legde de zuster het kleine kindje in Milly’s armen.

„Wat een schatje,” bewonderde Milly, „wat een klein kopje, wat kleine vingertjes. Tante, mag ik dikwijls voor haar zorgen?”[89]

Gingen de kinderen rond het rustbed van Milly zitten.Gingen de kinderen rond het rustbed van Milly zitten.

Gingen de kinderen rond het rustbed van Milly zitten.

[90]

„Natuurlijk,” antwoordde tante. „Truus en jij zijn mijn oudste dochters.”

En de zuster legde het kleine kindje weer in de wieg, en Milly kuste tante’s handen, die lang en smal waren geworden.

Toen werd het meisje naar bed gebracht en het duurde lang, voor zij den slaap vatten kon. Zij luisterde naar het rustige ademhalen van Truus, zij keek in de kamer, waarin zij flauw de omtrekken van de meubelen onderscheidde. Weer ving de knop van de kachel den lichtstraal op, die door een kiertje naar binnen viel. Doch geen enkel wonder gebeurde er. Het kaarsemannetje kwam niet.

„Wat een schatje,” bewonderde Milly.„Wat een schatje,” bewonderde Milly.

„Wat een schatje,” bewonderde Milly.

Milly zag niets dan wat even zichtbaar was: de glimmende kachelknop, het kastje met de beeldjes. Het was donker en stil om haar heen. Geen zoldering week, zoodat zij de sterren niet kon zien schitteren; geen muren werden doorzichtig, zoodat zij de lichtlijnen niet van uit haar bed volgen kon. En toch was het licht, héél licht in Milly.

[91]

„Vader,” vroeg het kreupele Hansje den volgenden dag, „mag ik altijd thuis blijven, zoolang Moes nog ziek is en Milly niet naar school gaat. We hebben zoo gezellig samen gespeeld, niet Milly?”

„Ja,” knikte het meisje met een glunder gezichtje.

„En Milly heeft zoo leuk verteld,” ging het dankbare Hansje door, „van een kaarsemannetje, vader, dat in een kaars zat, vader, hoor U wel, vader?”

„Ja, Hansje.”

„En dat kaarsemannetje is heel klein, vader, en dat springt in je oogen en dan is alles heelemaal licht, vader, ook als het donker is. Leuk, hè, vader? Mag Milly me altijd vertellen en mag ik thuis blijven?”

„Wat zegt Milly ervan?” vroeg oom.

„Ik zal wel goed op Hansje passen,” zei Milly met hetzelfde glundere gezichtje.

„Ik hou veel van Milly,” zei kreupele Hansje toen en hij wipte van zijn stoel aan tafel, ging naar Milly toe en sloeg zijn armen om haar hals.

„Wat een kleine jongen,” plaagde Bop.

„Niet klein,” verdedigde het ventje zich, „is het wel, vader, zusje is klein.”

„Zusje is klein, Hansje is groot, Bop is een flauwe jongen en Milly is een lieve meid,” besliste vader.

Milly antwoordde niet, maar lachte zoo vriendelijk, alsof het kaarsemannetje voor altijd in haar oogen gesprongen was.[92]


Back to IndexNext