[Inhoud]EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Slot.Yps was gaan wanhopen aan de verwezenlijking harer illusie. Zij had briefje op briefje gezonden,—het had geen het minste resultaat opgeleverd; zij had haar moeder gezonden met een mondelinge boodschap,—Vermey had haar niet willen ontvangen.En volgens informatiën van de bedienden, die haar moeder nu en dan sprak en uithoorde, was er minder kans dan ooit op het goede leventje, waarop Yps had gerekend, en dat zij langzamerhand was gaan beschouwen als iets, dat haar rechtmatig toekwam. Zij vernam, dat mevrouw Vermey heelemaal hersteld was, en dat meneer erg lief voor haar was; allerlei bijzonderheden uit het intiem leven kwamen haar ter oore, en bezorgden haar halve beroerten van nijd. En zij geloofde, wat zij langs dien kant vernam. In elk ander opzicht zou zij praatjes van inlandsche bedienden mistrouwd hebben; maar zij wist, dat het bespieden[269]hunner meesters in alles wat het sexueel verkeer aangaat en daarover onderling te praten en te lachen de lust en het leven dier bedienden is, die in stilte op alles letten, elkaâr overal attent op maken en met groote vaardigheid tot bijna altijd juiste gevolgtrekkingen komen.„Ik wou dat ik het wijf kon dood maken,” had ze op een avond gezegd, toen haar moeder weêr een lang verhaal deed, dat haar wanhoop ten top voerde.„Men moet nooit iemand dood maken,” had haar moeder in het maleisch zachtjes geantwoord.„Maarikzou het dan kunnen, met mijn eigen handen.”„Omdat je gek bent. Als men een slang vindt op zijn erf, dan pakt men die niet met de handen. Men roept de hulp van iemand die een kapmes heeft.”Yps was op den grond gaan zitten, met haar beenen kruislings onder haar en haast tusschen de knieën harer moeder, die op de hurken zat. Zoo zaten ze strak te kijken een heelen tijd; Yps enkel in een hoog dicht gebonden sarong met bloote bruine schouders en armen; het dikke haar loshangend gedeeltelijk over haar gezicht, zooals ze daar zat meer zuiver inlandsch dan een inlandsche.Eindelijk sloeg Yps haar beide handen tegen haar voorhoofd en streek zuchtend het haar weg naar achteren.„Ja, als dàt kon!”„Heel veel dingen kunnen; dàt ook als het moet.”Maar er ging Yps toch een rilling over het lijf, en de onverschillige koelbloedigheid van haar moeder maakte haar zenuwachtig.„En als het uitkwam naderhand; wat dan?”[270]„Ja, wat dan?”„Dan waren wij ongelukkig.”„Zeker; maar het komt nooit uit.”Er volgde weêr een lange pauze, waarin beiden stil pikerden over het misdadig plan, dat ze zoo tegen den kant aan bespraken. Toen begon Yps fluisterend te praten over de middelen die zij wist. Veel was dat niet; nu en dan had ze hier en daar maar wat opgevangen; wat ze wist waren bekende dingen, schraapsel van bamboes en van oude gongs en zulke zaakjes meer.„Je weet er niets van,” zei haar moeder leukweg.„Weet jij het dan?”„Neen.”„Je liegt; je wilt het niet zeggen.”„Ik weet het heusch niet, en ik zou het niet willen weten.”„En wat dan?”„Ik heb een vriendin, die het weet.”„En zou die willen?”„Neen; dat geloof ik niet.”„Maar wat dan?” zei Yps, driftig met haar handen kletsend op haar dijen.„Zij zal te veel geld vragen.”Weêr zaten ze vijf minuten zonder een woord te spreken; de oude met de oogen dicht, als deed ze een gemoedelijk dutje. Yps met een wreeden trek van moorddadigen lust om den mond, met haar groote glinsterende oogen turend in het halfduister.„Ik heb geen geld,” zei ze eindelijk nogmaals zuchtend.[271]„Het is tegenwoordig mijn ongelukstijd. Als die vrouw van hem mij niet in den weg zat, zou ik een rijk leven hebben. Hij heeft zooveel! En hij is niet gierig. Nu bezit ik haast niets. Mijn meeste goud en juweelen staan in het pandjeshuis; mijn duurste sarongs ook.”Haar moeder haalde de schouders op, en zei op minachtenden toon:„Als men dom is.…”„Dat zeg je altijd. Waarom ben ik dom?”„Omdat je geen zaak weet te sluiten. Altijd maar die Vermey.…”„Niet om hem; dat weet je ook wel.”„Wáárom dan? Om zijn geld? Het papier van anderen is net zoo goed te wisselen als het zijne; en zijn rijksdaalders zijn niet grooter.”„Waarom? omdat ik wil … en ik wil … en ik wil,” antwoordde Yps driftig. „Mijn hoofd is er vol van; het kan er niet uit. Ik wil.”Met de ervaring, dat dit een argument was, waartegen niet viel te redeneeren zweeg haar moeder, en deed haar oogen weêr dicht. Zij had aan dien wil altijd toegegeven; wat zou zij er nu tegen hebben in te brengen?Wat haar moeder bedoelde, wist Yps heel goed. Zij had reeds herhaaldelijk aanzoeken gehad van Chineezen, maar die steeds met verachting en een grooten mond vol scheldwoorden afgewezen. Zij had zoo’n geweldigen hekel aan dat volk; zij had er een afkeer van als de Mohammedaan van het spek, dat de Chineezen eten. Als zij dien afkeer overwon, kon ze allicht het geld betalen, dat die vriendin van[272]haar moeder zou vragen. Daarover dacht ze na tot ze er hoofdpijn van kreeg, en zich buiten met water ging verfrisschen.Ze overwon haar afkeer, en haar moeder ging naar de vriendin, zoo rustig en kalm als ging ze naar dewarongom wat eten te koopen. En de vriendin, een hoogst gewone inlandsche vrouw, kwam een paar dagen later erover spreken. Weer ging het gesprek tegen den kant aan, zonder het misdadig onderwerp aan te roeren.„Wat heeft ze?” vroeg Yps aan haar moeder, toen de „vriendin” weg was.„Ik weet het niet. Zij heeft in het binnenland gediend ver weg, bij javaansche hoofden; zij kent een plant, en die kookt ze; als ze haar noodig heeft, gaat ze naar den Oedik en zoekt haar in het bosch. Zij gaat nu weg en komt over een dag of vier terug.”„Zou ze ons niet bedriegen?”„Ik ken haar jaren. Bedriegen zal ze niet; wel altijd om geld komen. Praat nu maar niet meer. Laat haar maar doen. Al dat praten is niet goed.”Een dag of wat later kwam de vrouw; zij moest geld hebben, en Yps moest haar zelf het huis wijzen, anders was het niet goed; het hoorde er bepaald bij, dat Yps het huis zelf aantoonde; en deze, even bijgeloovig overigens als allen van haar soort, ging met de vrouw in de dos-à-dos, waarvan het paard met den lossen hoef zoo onaangenaam achter Vermey’s wagen aanklepte.De vrouw verving tijdelijk de kokkin van Lena, en ze voldeed uitmuntend. Maar Yps, zoomin als haar moeder wisten ergens van. De eerste, nieuwsgierig en bang, dat[273]ze haar geld kwijt was voor niemendal, wilde informeeren, maar haar moeder weigerde hardnekkig en durfde zelfs boos worden. Zij noemde haar dochter een gekkin; een kind, dat nog in deslendangmoest worden gedragen; van zulke dingen sprak men niet, als eenmaal gehandeld werd; men vroeg er nog minder naar; men wachtte maar af en zag dan vanzelf wel gebeuren, wat gebeuren moest.Mevrouw Vermey was als een goed huismoedertje erg tevreden over de nieuwe keukenprinses. Het eten was overheerlijk.„Het is jammer, dat meneer niet thuis is,” zei ze tegen de naaister. „Zoo eenvoudig dat nieuwe mensch eruit ziet,zoo knap is zij in de keuken.”Dat duurde zoo ’n dag of acht en Lena begon hard te verlangen naar de terugkomst van haar George. Zij was zoowat door de drukte harer bezigheden heen, en moest nu en dan bepaald naar werk zoeken om, ijverig van aard als zij was, zich niet te vervelen in ledigheid.Op een middag werd zij overvallen door maagkrampen en pijn in de ingewanden, met diarrhee en zware persingen; zij nam er wat inlandsche medicijn voor en dat hielp. Tegen den avond was zij beter; ze sliep rustig en voelde zich ’s morgens heel wel. Maar het kwam na de rijsttafel weer erger terug dien dag, en de pijnen waren heviger. Weer medicineerde zij zich zelf en schoon ’t heviger was, dan den vorigen dag en moeilijker wegging, en ’s nachts nog nu en dan terugkeerde, was zij ’s morgens enkel wat koortsig, maar overigens wel genoeg om op te staan en haar huishouden te doen.Doch een paar dagen later herhaalde de aanval zich zoo[274]erg, dat zij den dokter liet roepen, die dadelijkdysenterieconstateerde, en haar daarnaar behandelde.Toen Voirey er toevallig dien namiddag een bezoek bracht, lag ze te bed, en hij schrikte van haar vervallen gezicht; hij bleef tot de dokter kwam, sprak met hem en verzond een telegram aan Vermey.Van dat oogenblik was het een aanhoudend sterven, met korter of langer tusschenpoozen van rust; het plantaardig vergif in haar ingewanden werkte ongestoord zijn taak af. Zij zelf lag als ze geen pijn had, haast bewusteloos en ongevoelig neêr; ze vroeg naar niets; ze dacht niet; daartoe was ze niet bij machte; zij kon niet eens denken aan haar kind en haar man, wier beelden soms in doffe omtrekken voor haar geest kwamen. In die oogenblikken lag ze doodstil, met flauwe half geopende oogen, enkel genietend van het eene besef: niet die vreeselijke pijn te hebben en die verschrikkelijke persingen.Den dag vóór zijn komst, toen ze na een geweldig lijden en herhaalde flauwten, een oogenblik van verademing had, was haar geest helderder en dacht ze aan haar dood, en hoe het mogelijk was, dat die nare, die verschrikkelijke droom vol smart en pijn, haar zoo ineens kwam wegrukken uit de wereld van haar volle geluk en weelde. Terwijl ze dit dacht, weemoedig maar kalm, kwam daarnaast ineens het denkbeeld bij haar op, dat ze vergiftigd was; groote zweetdroppels parelden toen op haar gezicht, haar oogen verwijdden zich en haar lippen trokken weg naar achter, vol van een schrik en angst, grooter, erger, heviger dan die voor den dood zelf.[275]En te gelijk verhief zich de pijn zoo machtig, als zij die nog niet had gevoeld; te sterk voor haar reeds zoo ondermijnd weêrstandsvermogen; ze verloor het bewustzijn.Voirey, die het huis niet meer verliet, en de dames die als goede kennissen of buren bijstonden, dachten dat ze stierf; maar ze kwam weêr bij. Ze wist, dat George verwacht werd; al haar verlangen was erop gericht hem nog eens te zien en in zijn arm te sterven. Met dat zwevendeidée fixein haar zwak hoofd, streed zij tegen den gruwzamen dood, die meedoogenloos in haar lichaam woedde.Toen hij er was; toen ze hem had gezien en gehoord en haar hoofd op zijn arm lag, was het of de pijn als een losgelaten duivel haar met onverwinnelijke overmacht bestormde; zij deed geen poging haar te verbijten; met een lichte hik was het gedaan; George had ze nog gezien, schoon niet helder en duidelijk meer, maar als het nevelachtig beeld van een oude daguerrotype.Het courantenbericht had veel sensatie gemaakt, en Voirey hoorde dadelijk, dat het werkelijk doelde op den dood van Lena; hij informeerde bij den redacteur die voor het oogenblik geen nadere inlichtingen geven kon, maar hem zijn reporter zou zenden. De officier van justitie informeerde ook en vroeg den dokter of die opgraving en lijkopening noodzakelijk achtte. Maar de dokter was woedend. Had hij niet gezegd, dat het dysenterie was, en durfden dan die „kerels”, die er niets van wisten, aan de onfeilbaarheid[276]van zijn woord twijfelen? Had hij niet in het water uit de goot van het huis van Vermey een buitengewoon ontwikkelde dysenterie-bacil gevonden? Was dat geen bewijs genoeg? En den volgenden dag terwijl hij in het hospitaal met de gansche faculteit in zwart-lakensche wijsheid bijeen was, sprak hij met groote minachting over die „courantiers,” die maar van alles in hun couranten opnemen, enkel om ze vol te krijgen; en ze waren het allen daarmee eens; het was ’n schande, vonden ze.„Het is zoo,” zei Voirey, toen hij den dag na de begrafenis bij Vermey kwam, en vol medelijden zag hoe erg de weduwnaar, die na den ellendigen nacht er zeer slecht uitzag, zich het sterfgeval aantrok.„Is het zoo?” vroeg Vermey angstig. „Doelde het op.…?”„Ja, het doelde op haar dood.”„’t Is vreeselijk.”„Zeker. Maar wij moeten geen schandaal maken. Dat is nooit goed in zaken, en we zijn in zaken, jij en ik.”Vermey knikte toestemmend; daar was hij het heelemaal mee eens. Geen schandaal! Om alles ter wereld niet.„Ik heb verzocht het bericht in de courant tegen te spreken. Verder moeten wij het op zijn beloop laten. Het kan niet anders! Maar wat denk jij er eigenlijk van!”„Ik weet het niet,” loog Vermey. „Ik kan me er geen idee van maken.”Het tegenbericht kwam in de courant met de dysenterie-bacil uit de goot er bij, en het verzoende voor een deel de zwart-lakensche wijsheid, en ook een deel van het publiek, dat reeds met zekeren afkeer had gezegd, dat er[277]nu ook nooit eenfrappantsterfgeval in Indië kon wezen, zonder dat „men” sprak van vergif.Op het graf van de arme Lena kwam een mooie glanzende marmeren steen, met een aandoenlijke inscriptie; slechts nu en dan zei nog de eene bezoeker van het kerkhof tot den anderen, dat die dame ook een pil „nummer elf” had gehad. Maar het was gauw vergeten. De boomen in Indië zijn altijd groen!EINDE.
[Inhoud]EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Slot.Yps was gaan wanhopen aan de verwezenlijking harer illusie. Zij had briefje op briefje gezonden,—het had geen het minste resultaat opgeleverd; zij had haar moeder gezonden met een mondelinge boodschap,—Vermey had haar niet willen ontvangen.En volgens informatiën van de bedienden, die haar moeder nu en dan sprak en uithoorde, was er minder kans dan ooit op het goede leventje, waarop Yps had gerekend, en dat zij langzamerhand was gaan beschouwen als iets, dat haar rechtmatig toekwam. Zij vernam, dat mevrouw Vermey heelemaal hersteld was, en dat meneer erg lief voor haar was; allerlei bijzonderheden uit het intiem leven kwamen haar ter oore, en bezorgden haar halve beroerten van nijd. En zij geloofde, wat zij langs dien kant vernam. In elk ander opzicht zou zij praatjes van inlandsche bedienden mistrouwd hebben; maar zij wist, dat het bespieden[269]hunner meesters in alles wat het sexueel verkeer aangaat en daarover onderling te praten en te lachen de lust en het leven dier bedienden is, die in stilte op alles letten, elkaâr overal attent op maken en met groote vaardigheid tot bijna altijd juiste gevolgtrekkingen komen.„Ik wou dat ik het wijf kon dood maken,” had ze op een avond gezegd, toen haar moeder weêr een lang verhaal deed, dat haar wanhoop ten top voerde.„Men moet nooit iemand dood maken,” had haar moeder in het maleisch zachtjes geantwoord.„Maarikzou het dan kunnen, met mijn eigen handen.”„Omdat je gek bent. Als men een slang vindt op zijn erf, dan pakt men die niet met de handen. Men roept de hulp van iemand die een kapmes heeft.”Yps was op den grond gaan zitten, met haar beenen kruislings onder haar en haast tusschen de knieën harer moeder, die op de hurken zat. Zoo zaten ze strak te kijken een heelen tijd; Yps enkel in een hoog dicht gebonden sarong met bloote bruine schouders en armen; het dikke haar loshangend gedeeltelijk over haar gezicht, zooals ze daar zat meer zuiver inlandsch dan een inlandsche.Eindelijk sloeg Yps haar beide handen tegen haar voorhoofd en streek zuchtend het haar weg naar achteren.„Ja, als dàt kon!”„Heel veel dingen kunnen; dàt ook als het moet.”Maar er ging Yps toch een rilling over het lijf, en de onverschillige koelbloedigheid van haar moeder maakte haar zenuwachtig.„En als het uitkwam naderhand; wat dan?”[270]„Ja, wat dan?”„Dan waren wij ongelukkig.”„Zeker; maar het komt nooit uit.”Er volgde weêr een lange pauze, waarin beiden stil pikerden over het misdadig plan, dat ze zoo tegen den kant aan bespraken. Toen begon Yps fluisterend te praten over de middelen die zij wist. Veel was dat niet; nu en dan had ze hier en daar maar wat opgevangen; wat ze wist waren bekende dingen, schraapsel van bamboes en van oude gongs en zulke zaakjes meer.„Je weet er niets van,” zei haar moeder leukweg.„Weet jij het dan?”„Neen.”„Je liegt; je wilt het niet zeggen.”„Ik weet het heusch niet, en ik zou het niet willen weten.”„En wat dan?”„Ik heb een vriendin, die het weet.”„En zou die willen?”„Neen; dat geloof ik niet.”„Maar wat dan?” zei Yps, driftig met haar handen kletsend op haar dijen.„Zij zal te veel geld vragen.”Weêr zaten ze vijf minuten zonder een woord te spreken; de oude met de oogen dicht, als deed ze een gemoedelijk dutje. Yps met een wreeden trek van moorddadigen lust om den mond, met haar groote glinsterende oogen turend in het halfduister.„Ik heb geen geld,” zei ze eindelijk nogmaals zuchtend.[271]„Het is tegenwoordig mijn ongelukstijd. Als die vrouw van hem mij niet in den weg zat, zou ik een rijk leven hebben. Hij heeft zooveel! En hij is niet gierig. Nu bezit ik haast niets. Mijn meeste goud en juweelen staan in het pandjeshuis; mijn duurste sarongs ook.”Haar moeder haalde de schouders op, en zei op minachtenden toon:„Als men dom is.…”„Dat zeg je altijd. Waarom ben ik dom?”„Omdat je geen zaak weet te sluiten. Altijd maar die Vermey.…”„Niet om hem; dat weet je ook wel.”„Wáárom dan? Om zijn geld? Het papier van anderen is net zoo goed te wisselen als het zijne; en zijn rijksdaalders zijn niet grooter.”„Waarom? omdat ik wil … en ik wil … en ik wil,” antwoordde Yps driftig. „Mijn hoofd is er vol van; het kan er niet uit. Ik wil.”Met de ervaring, dat dit een argument was, waartegen niet viel te redeneeren zweeg haar moeder, en deed haar oogen weêr dicht. Zij had aan dien wil altijd toegegeven; wat zou zij er nu tegen hebben in te brengen?Wat haar moeder bedoelde, wist Yps heel goed. Zij had reeds herhaaldelijk aanzoeken gehad van Chineezen, maar die steeds met verachting en een grooten mond vol scheldwoorden afgewezen. Zij had zoo’n geweldigen hekel aan dat volk; zij had er een afkeer van als de Mohammedaan van het spek, dat de Chineezen eten. Als zij dien afkeer overwon, kon ze allicht het geld betalen, dat die vriendin van[272]haar moeder zou vragen. Daarover dacht ze na tot ze er hoofdpijn van kreeg, en zich buiten met water ging verfrisschen.Ze overwon haar afkeer, en haar moeder ging naar de vriendin, zoo rustig en kalm als ging ze naar dewarongom wat eten te koopen. En de vriendin, een hoogst gewone inlandsche vrouw, kwam een paar dagen later erover spreken. Weer ging het gesprek tegen den kant aan, zonder het misdadig onderwerp aan te roeren.„Wat heeft ze?” vroeg Yps aan haar moeder, toen de „vriendin” weg was.„Ik weet het niet. Zij heeft in het binnenland gediend ver weg, bij javaansche hoofden; zij kent een plant, en die kookt ze; als ze haar noodig heeft, gaat ze naar den Oedik en zoekt haar in het bosch. Zij gaat nu weg en komt over een dag of vier terug.”„Zou ze ons niet bedriegen?”„Ik ken haar jaren. Bedriegen zal ze niet; wel altijd om geld komen. Praat nu maar niet meer. Laat haar maar doen. Al dat praten is niet goed.”Een dag of wat later kwam de vrouw; zij moest geld hebben, en Yps moest haar zelf het huis wijzen, anders was het niet goed; het hoorde er bepaald bij, dat Yps het huis zelf aantoonde; en deze, even bijgeloovig overigens als allen van haar soort, ging met de vrouw in de dos-à-dos, waarvan het paard met den lossen hoef zoo onaangenaam achter Vermey’s wagen aanklepte.De vrouw verving tijdelijk de kokkin van Lena, en ze voldeed uitmuntend. Maar Yps, zoomin als haar moeder wisten ergens van. De eerste, nieuwsgierig en bang, dat[273]ze haar geld kwijt was voor niemendal, wilde informeeren, maar haar moeder weigerde hardnekkig en durfde zelfs boos worden. Zij noemde haar dochter een gekkin; een kind, dat nog in deslendangmoest worden gedragen; van zulke dingen sprak men niet, als eenmaal gehandeld werd; men vroeg er nog minder naar; men wachtte maar af en zag dan vanzelf wel gebeuren, wat gebeuren moest.Mevrouw Vermey was als een goed huismoedertje erg tevreden over de nieuwe keukenprinses. Het eten was overheerlijk.„Het is jammer, dat meneer niet thuis is,” zei ze tegen de naaister. „Zoo eenvoudig dat nieuwe mensch eruit ziet,zoo knap is zij in de keuken.”Dat duurde zoo ’n dag of acht en Lena begon hard te verlangen naar de terugkomst van haar George. Zij was zoowat door de drukte harer bezigheden heen, en moest nu en dan bepaald naar werk zoeken om, ijverig van aard als zij was, zich niet te vervelen in ledigheid.Op een middag werd zij overvallen door maagkrampen en pijn in de ingewanden, met diarrhee en zware persingen; zij nam er wat inlandsche medicijn voor en dat hielp. Tegen den avond was zij beter; ze sliep rustig en voelde zich ’s morgens heel wel. Maar het kwam na de rijsttafel weer erger terug dien dag, en de pijnen waren heviger. Weer medicineerde zij zich zelf en schoon ’t heviger was, dan den vorigen dag en moeilijker wegging, en ’s nachts nog nu en dan terugkeerde, was zij ’s morgens enkel wat koortsig, maar overigens wel genoeg om op te staan en haar huishouden te doen.Doch een paar dagen later herhaalde de aanval zich zoo[274]erg, dat zij den dokter liet roepen, die dadelijkdysenterieconstateerde, en haar daarnaar behandelde.Toen Voirey er toevallig dien namiddag een bezoek bracht, lag ze te bed, en hij schrikte van haar vervallen gezicht; hij bleef tot de dokter kwam, sprak met hem en verzond een telegram aan Vermey.Van dat oogenblik was het een aanhoudend sterven, met korter of langer tusschenpoozen van rust; het plantaardig vergif in haar ingewanden werkte ongestoord zijn taak af. Zij zelf lag als ze geen pijn had, haast bewusteloos en ongevoelig neêr; ze vroeg naar niets; ze dacht niet; daartoe was ze niet bij machte; zij kon niet eens denken aan haar kind en haar man, wier beelden soms in doffe omtrekken voor haar geest kwamen. In die oogenblikken lag ze doodstil, met flauwe half geopende oogen, enkel genietend van het eene besef: niet die vreeselijke pijn te hebben en die verschrikkelijke persingen.Den dag vóór zijn komst, toen ze na een geweldig lijden en herhaalde flauwten, een oogenblik van verademing had, was haar geest helderder en dacht ze aan haar dood, en hoe het mogelijk was, dat die nare, die verschrikkelijke droom vol smart en pijn, haar zoo ineens kwam wegrukken uit de wereld van haar volle geluk en weelde. Terwijl ze dit dacht, weemoedig maar kalm, kwam daarnaast ineens het denkbeeld bij haar op, dat ze vergiftigd was; groote zweetdroppels parelden toen op haar gezicht, haar oogen verwijdden zich en haar lippen trokken weg naar achter, vol van een schrik en angst, grooter, erger, heviger dan die voor den dood zelf.[275]En te gelijk verhief zich de pijn zoo machtig, als zij die nog niet had gevoeld; te sterk voor haar reeds zoo ondermijnd weêrstandsvermogen; ze verloor het bewustzijn.Voirey, die het huis niet meer verliet, en de dames die als goede kennissen of buren bijstonden, dachten dat ze stierf; maar ze kwam weêr bij. Ze wist, dat George verwacht werd; al haar verlangen was erop gericht hem nog eens te zien en in zijn arm te sterven. Met dat zwevendeidée fixein haar zwak hoofd, streed zij tegen den gruwzamen dood, die meedoogenloos in haar lichaam woedde.Toen hij er was; toen ze hem had gezien en gehoord en haar hoofd op zijn arm lag, was het of de pijn als een losgelaten duivel haar met onverwinnelijke overmacht bestormde; zij deed geen poging haar te verbijten; met een lichte hik was het gedaan; George had ze nog gezien, schoon niet helder en duidelijk meer, maar als het nevelachtig beeld van een oude daguerrotype.Het courantenbericht had veel sensatie gemaakt, en Voirey hoorde dadelijk, dat het werkelijk doelde op den dood van Lena; hij informeerde bij den redacteur die voor het oogenblik geen nadere inlichtingen geven kon, maar hem zijn reporter zou zenden. De officier van justitie informeerde ook en vroeg den dokter of die opgraving en lijkopening noodzakelijk achtte. Maar de dokter was woedend. Had hij niet gezegd, dat het dysenterie was, en durfden dan die „kerels”, die er niets van wisten, aan de onfeilbaarheid[276]van zijn woord twijfelen? Had hij niet in het water uit de goot van het huis van Vermey een buitengewoon ontwikkelde dysenterie-bacil gevonden? Was dat geen bewijs genoeg? En den volgenden dag terwijl hij in het hospitaal met de gansche faculteit in zwart-lakensche wijsheid bijeen was, sprak hij met groote minachting over die „courantiers,” die maar van alles in hun couranten opnemen, enkel om ze vol te krijgen; en ze waren het allen daarmee eens; het was ’n schande, vonden ze.„Het is zoo,” zei Voirey, toen hij den dag na de begrafenis bij Vermey kwam, en vol medelijden zag hoe erg de weduwnaar, die na den ellendigen nacht er zeer slecht uitzag, zich het sterfgeval aantrok.„Is het zoo?” vroeg Vermey angstig. „Doelde het op.…?”„Ja, het doelde op haar dood.”„’t Is vreeselijk.”„Zeker. Maar wij moeten geen schandaal maken. Dat is nooit goed in zaken, en we zijn in zaken, jij en ik.”Vermey knikte toestemmend; daar was hij het heelemaal mee eens. Geen schandaal! Om alles ter wereld niet.„Ik heb verzocht het bericht in de courant tegen te spreken. Verder moeten wij het op zijn beloop laten. Het kan niet anders! Maar wat denk jij er eigenlijk van!”„Ik weet het niet,” loog Vermey. „Ik kan me er geen idee van maken.”Het tegenbericht kwam in de courant met de dysenterie-bacil uit de goot er bij, en het verzoende voor een deel de zwart-lakensche wijsheid, en ook een deel van het publiek, dat reeds met zekeren afkeer had gezegd, dat er[277]nu ook nooit eenfrappantsterfgeval in Indië kon wezen, zonder dat „men” sprak van vergif.Op het graf van de arme Lena kwam een mooie glanzende marmeren steen, met een aandoenlijke inscriptie; slechts nu en dan zei nog de eene bezoeker van het kerkhof tot den anderen, dat die dame ook een pil „nummer elf” had gehad. Maar het was gauw vergeten. De boomen in Indië zijn altijd groen!EINDE.
EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Slot.
Yps was gaan wanhopen aan de verwezenlijking harer illusie. Zij had briefje op briefje gezonden,—het had geen het minste resultaat opgeleverd; zij had haar moeder gezonden met een mondelinge boodschap,—Vermey had haar niet willen ontvangen.En volgens informatiën van de bedienden, die haar moeder nu en dan sprak en uithoorde, was er minder kans dan ooit op het goede leventje, waarop Yps had gerekend, en dat zij langzamerhand was gaan beschouwen als iets, dat haar rechtmatig toekwam. Zij vernam, dat mevrouw Vermey heelemaal hersteld was, en dat meneer erg lief voor haar was; allerlei bijzonderheden uit het intiem leven kwamen haar ter oore, en bezorgden haar halve beroerten van nijd. En zij geloofde, wat zij langs dien kant vernam. In elk ander opzicht zou zij praatjes van inlandsche bedienden mistrouwd hebben; maar zij wist, dat het bespieden[269]hunner meesters in alles wat het sexueel verkeer aangaat en daarover onderling te praten en te lachen de lust en het leven dier bedienden is, die in stilte op alles letten, elkaâr overal attent op maken en met groote vaardigheid tot bijna altijd juiste gevolgtrekkingen komen.„Ik wou dat ik het wijf kon dood maken,” had ze op een avond gezegd, toen haar moeder weêr een lang verhaal deed, dat haar wanhoop ten top voerde.„Men moet nooit iemand dood maken,” had haar moeder in het maleisch zachtjes geantwoord.„Maarikzou het dan kunnen, met mijn eigen handen.”„Omdat je gek bent. Als men een slang vindt op zijn erf, dan pakt men die niet met de handen. Men roept de hulp van iemand die een kapmes heeft.”Yps was op den grond gaan zitten, met haar beenen kruislings onder haar en haast tusschen de knieën harer moeder, die op de hurken zat. Zoo zaten ze strak te kijken een heelen tijd; Yps enkel in een hoog dicht gebonden sarong met bloote bruine schouders en armen; het dikke haar loshangend gedeeltelijk over haar gezicht, zooals ze daar zat meer zuiver inlandsch dan een inlandsche.Eindelijk sloeg Yps haar beide handen tegen haar voorhoofd en streek zuchtend het haar weg naar achteren.„Ja, als dàt kon!”„Heel veel dingen kunnen; dàt ook als het moet.”Maar er ging Yps toch een rilling over het lijf, en de onverschillige koelbloedigheid van haar moeder maakte haar zenuwachtig.„En als het uitkwam naderhand; wat dan?”[270]„Ja, wat dan?”„Dan waren wij ongelukkig.”„Zeker; maar het komt nooit uit.”Er volgde weêr een lange pauze, waarin beiden stil pikerden over het misdadig plan, dat ze zoo tegen den kant aan bespraken. Toen begon Yps fluisterend te praten over de middelen die zij wist. Veel was dat niet; nu en dan had ze hier en daar maar wat opgevangen; wat ze wist waren bekende dingen, schraapsel van bamboes en van oude gongs en zulke zaakjes meer.„Je weet er niets van,” zei haar moeder leukweg.„Weet jij het dan?”„Neen.”„Je liegt; je wilt het niet zeggen.”„Ik weet het heusch niet, en ik zou het niet willen weten.”„En wat dan?”„Ik heb een vriendin, die het weet.”„En zou die willen?”„Neen; dat geloof ik niet.”„Maar wat dan?” zei Yps, driftig met haar handen kletsend op haar dijen.„Zij zal te veel geld vragen.”Weêr zaten ze vijf minuten zonder een woord te spreken; de oude met de oogen dicht, als deed ze een gemoedelijk dutje. Yps met een wreeden trek van moorddadigen lust om den mond, met haar groote glinsterende oogen turend in het halfduister.„Ik heb geen geld,” zei ze eindelijk nogmaals zuchtend.[271]„Het is tegenwoordig mijn ongelukstijd. Als die vrouw van hem mij niet in den weg zat, zou ik een rijk leven hebben. Hij heeft zooveel! En hij is niet gierig. Nu bezit ik haast niets. Mijn meeste goud en juweelen staan in het pandjeshuis; mijn duurste sarongs ook.”Haar moeder haalde de schouders op, en zei op minachtenden toon:„Als men dom is.…”„Dat zeg je altijd. Waarom ben ik dom?”„Omdat je geen zaak weet te sluiten. Altijd maar die Vermey.…”„Niet om hem; dat weet je ook wel.”„Wáárom dan? Om zijn geld? Het papier van anderen is net zoo goed te wisselen als het zijne; en zijn rijksdaalders zijn niet grooter.”„Waarom? omdat ik wil … en ik wil … en ik wil,” antwoordde Yps driftig. „Mijn hoofd is er vol van; het kan er niet uit. Ik wil.”Met de ervaring, dat dit een argument was, waartegen niet viel te redeneeren zweeg haar moeder, en deed haar oogen weêr dicht. Zij had aan dien wil altijd toegegeven; wat zou zij er nu tegen hebben in te brengen?Wat haar moeder bedoelde, wist Yps heel goed. Zij had reeds herhaaldelijk aanzoeken gehad van Chineezen, maar die steeds met verachting en een grooten mond vol scheldwoorden afgewezen. Zij had zoo’n geweldigen hekel aan dat volk; zij had er een afkeer van als de Mohammedaan van het spek, dat de Chineezen eten. Als zij dien afkeer overwon, kon ze allicht het geld betalen, dat die vriendin van[272]haar moeder zou vragen. Daarover dacht ze na tot ze er hoofdpijn van kreeg, en zich buiten met water ging verfrisschen.Ze overwon haar afkeer, en haar moeder ging naar de vriendin, zoo rustig en kalm als ging ze naar dewarongom wat eten te koopen. En de vriendin, een hoogst gewone inlandsche vrouw, kwam een paar dagen later erover spreken. Weer ging het gesprek tegen den kant aan, zonder het misdadig onderwerp aan te roeren.„Wat heeft ze?” vroeg Yps aan haar moeder, toen de „vriendin” weg was.„Ik weet het niet. Zij heeft in het binnenland gediend ver weg, bij javaansche hoofden; zij kent een plant, en die kookt ze; als ze haar noodig heeft, gaat ze naar den Oedik en zoekt haar in het bosch. Zij gaat nu weg en komt over een dag of vier terug.”„Zou ze ons niet bedriegen?”„Ik ken haar jaren. Bedriegen zal ze niet; wel altijd om geld komen. Praat nu maar niet meer. Laat haar maar doen. Al dat praten is niet goed.”Een dag of wat later kwam de vrouw; zij moest geld hebben, en Yps moest haar zelf het huis wijzen, anders was het niet goed; het hoorde er bepaald bij, dat Yps het huis zelf aantoonde; en deze, even bijgeloovig overigens als allen van haar soort, ging met de vrouw in de dos-à-dos, waarvan het paard met den lossen hoef zoo onaangenaam achter Vermey’s wagen aanklepte.De vrouw verving tijdelijk de kokkin van Lena, en ze voldeed uitmuntend. Maar Yps, zoomin als haar moeder wisten ergens van. De eerste, nieuwsgierig en bang, dat[273]ze haar geld kwijt was voor niemendal, wilde informeeren, maar haar moeder weigerde hardnekkig en durfde zelfs boos worden. Zij noemde haar dochter een gekkin; een kind, dat nog in deslendangmoest worden gedragen; van zulke dingen sprak men niet, als eenmaal gehandeld werd; men vroeg er nog minder naar; men wachtte maar af en zag dan vanzelf wel gebeuren, wat gebeuren moest.Mevrouw Vermey was als een goed huismoedertje erg tevreden over de nieuwe keukenprinses. Het eten was overheerlijk.„Het is jammer, dat meneer niet thuis is,” zei ze tegen de naaister. „Zoo eenvoudig dat nieuwe mensch eruit ziet,zoo knap is zij in de keuken.”Dat duurde zoo ’n dag of acht en Lena begon hard te verlangen naar de terugkomst van haar George. Zij was zoowat door de drukte harer bezigheden heen, en moest nu en dan bepaald naar werk zoeken om, ijverig van aard als zij was, zich niet te vervelen in ledigheid.Op een middag werd zij overvallen door maagkrampen en pijn in de ingewanden, met diarrhee en zware persingen; zij nam er wat inlandsche medicijn voor en dat hielp. Tegen den avond was zij beter; ze sliep rustig en voelde zich ’s morgens heel wel. Maar het kwam na de rijsttafel weer erger terug dien dag, en de pijnen waren heviger. Weer medicineerde zij zich zelf en schoon ’t heviger was, dan den vorigen dag en moeilijker wegging, en ’s nachts nog nu en dan terugkeerde, was zij ’s morgens enkel wat koortsig, maar overigens wel genoeg om op te staan en haar huishouden te doen.Doch een paar dagen later herhaalde de aanval zich zoo[274]erg, dat zij den dokter liet roepen, die dadelijkdysenterieconstateerde, en haar daarnaar behandelde.Toen Voirey er toevallig dien namiddag een bezoek bracht, lag ze te bed, en hij schrikte van haar vervallen gezicht; hij bleef tot de dokter kwam, sprak met hem en verzond een telegram aan Vermey.Van dat oogenblik was het een aanhoudend sterven, met korter of langer tusschenpoozen van rust; het plantaardig vergif in haar ingewanden werkte ongestoord zijn taak af. Zij zelf lag als ze geen pijn had, haast bewusteloos en ongevoelig neêr; ze vroeg naar niets; ze dacht niet; daartoe was ze niet bij machte; zij kon niet eens denken aan haar kind en haar man, wier beelden soms in doffe omtrekken voor haar geest kwamen. In die oogenblikken lag ze doodstil, met flauwe half geopende oogen, enkel genietend van het eene besef: niet die vreeselijke pijn te hebben en die verschrikkelijke persingen.Den dag vóór zijn komst, toen ze na een geweldig lijden en herhaalde flauwten, een oogenblik van verademing had, was haar geest helderder en dacht ze aan haar dood, en hoe het mogelijk was, dat die nare, die verschrikkelijke droom vol smart en pijn, haar zoo ineens kwam wegrukken uit de wereld van haar volle geluk en weelde. Terwijl ze dit dacht, weemoedig maar kalm, kwam daarnaast ineens het denkbeeld bij haar op, dat ze vergiftigd was; groote zweetdroppels parelden toen op haar gezicht, haar oogen verwijdden zich en haar lippen trokken weg naar achter, vol van een schrik en angst, grooter, erger, heviger dan die voor den dood zelf.[275]En te gelijk verhief zich de pijn zoo machtig, als zij die nog niet had gevoeld; te sterk voor haar reeds zoo ondermijnd weêrstandsvermogen; ze verloor het bewustzijn.Voirey, die het huis niet meer verliet, en de dames die als goede kennissen of buren bijstonden, dachten dat ze stierf; maar ze kwam weêr bij. Ze wist, dat George verwacht werd; al haar verlangen was erop gericht hem nog eens te zien en in zijn arm te sterven. Met dat zwevendeidée fixein haar zwak hoofd, streed zij tegen den gruwzamen dood, die meedoogenloos in haar lichaam woedde.Toen hij er was; toen ze hem had gezien en gehoord en haar hoofd op zijn arm lag, was het of de pijn als een losgelaten duivel haar met onverwinnelijke overmacht bestormde; zij deed geen poging haar te verbijten; met een lichte hik was het gedaan; George had ze nog gezien, schoon niet helder en duidelijk meer, maar als het nevelachtig beeld van een oude daguerrotype.Het courantenbericht had veel sensatie gemaakt, en Voirey hoorde dadelijk, dat het werkelijk doelde op den dood van Lena; hij informeerde bij den redacteur die voor het oogenblik geen nadere inlichtingen geven kon, maar hem zijn reporter zou zenden. De officier van justitie informeerde ook en vroeg den dokter of die opgraving en lijkopening noodzakelijk achtte. Maar de dokter was woedend. Had hij niet gezegd, dat het dysenterie was, en durfden dan die „kerels”, die er niets van wisten, aan de onfeilbaarheid[276]van zijn woord twijfelen? Had hij niet in het water uit de goot van het huis van Vermey een buitengewoon ontwikkelde dysenterie-bacil gevonden? Was dat geen bewijs genoeg? En den volgenden dag terwijl hij in het hospitaal met de gansche faculteit in zwart-lakensche wijsheid bijeen was, sprak hij met groote minachting over die „courantiers,” die maar van alles in hun couranten opnemen, enkel om ze vol te krijgen; en ze waren het allen daarmee eens; het was ’n schande, vonden ze.„Het is zoo,” zei Voirey, toen hij den dag na de begrafenis bij Vermey kwam, en vol medelijden zag hoe erg de weduwnaar, die na den ellendigen nacht er zeer slecht uitzag, zich het sterfgeval aantrok.„Is het zoo?” vroeg Vermey angstig. „Doelde het op.…?”„Ja, het doelde op haar dood.”„’t Is vreeselijk.”„Zeker. Maar wij moeten geen schandaal maken. Dat is nooit goed in zaken, en we zijn in zaken, jij en ik.”Vermey knikte toestemmend; daar was hij het heelemaal mee eens. Geen schandaal! Om alles ter wereld niet.„Ik heb verzocht het bericht in de courant tegen te spreken. Verder moeten wij het op zijn beloop laten. Het kan niet anders! Maar wat denk jij er eigenlijk van!”„Ik weet het niet,” loog Vermey. „Ik kan me er geen idee van maken.”Het tegenbericht kwam in de courant met de dysenterie-bacil uit de goot er bij, en het verzoende voor een deel de zwart-lakensche wijsheid, en ook een deel van het publiek, dat reeds met zekeren afkeer had gezegd, dat er[277]nu ook nooit eenfrappantsterfgeval in Indië kon wezen, zonder dat „men” sprak van vergif.Op het graf van de arme Lena kwam een mooie glanzende marmeren steen, met een aandoenlijke inscriptie; slechts nu en dan zei nog de eene bezoeker van het kerkhof tot den anderen, dat die dame ook een pil „nummer elf” had gehad. Maar het was gauw vergeten. De boomen in Indië zijn altijd groen!EINDE.
Yps was gaan wanhopen aan de verwezenlijking harer illusie. Zij had briefje op briefje gezonden,—het had geen het minste resultaat opgeleverd; zij had haar moeder gezonden met een mondelinge boodschap,—Vermey had haar niet willen ontvangen.
En volgens informatiën van de bedienden, die haar moeder nu en dan sprak en uithoorde, was er minder kans dan ooit op het goede leventje, waarop Yps had gerekend, en dat zij langzamerhand was gaan beschouwen als iets, dat haar rechtmatig toekwam. Zij vernam, dat mevrouw Vermey heelemaal hersteld was, en dat meneer erg lief voor haar was; allerlei bijzonderheden uit het intiem leven kwamen haar ter oore, en bezorgden haar halve beroerten van nijd. En zij geloofde, wat zij langs dien kant vernam. In elk ander opzicht zou zij praatjes van inlandsche bedienden mistrouwd hebben; maar zij wist, dat het bespieden[269]hunner meesters in alles wat het sexueel verkeer aangaat en daarover onderling te praten en te lachen de lust en het leven dier bedienden is, die in stilte op alles letten, elkaâr overal attent op maken en met groote vaardigheid tot bijna altijd juiste gevolgtrekkingen komen.
„Ik wou dat ik het wijf kon dood maken,” had ze op een avond gezegd, toen haar moeder weêr een lang verhaal deed, dat haar wanhoop ten top voerde.
„Men moet nooit iemand dood maken,” had haar moeder in het maleisch zachtjes geantwoord.
„Maarikzou het dan kunnen, met mijn eigen handen.”
„Omdat je gek bent. Als men een slang vindt op zijn erf, dan pakt men die niet met de handen. Men roept de hulp van iemand die een kapmes heeft.”
Yps was op den grond gaan zitten, met haar beenen kruislings onder haar en haast tusschen de knieën harer moeder, die op de hurken zat. Zoo zaten ze strak te kijken een heelen tijd; Yps enkel in een hoog dicht gebonden sarong met bloote bruine schouders en armen; het dikke haar loshangend gedeeltelijk over haar gezicht, zooals ze daar zat meer zuiver inlandsch dan een inlandsche.
Eindelijk sloeg Yps haar beide handen tegen haar voorhoofd en streek zuchtend het haar weg naar achteren.
„Ja, als dàt kon!”
„Heel veel dingen kunnen; dàt ook als het moet.”
Maar er ging Yps toch een rilling over het lijf, en de onverschillige koelbloedigheid van haar moeder maakte haar zenuwachtig.
„En als het uitkwam naderhand; wat dan?”[270]
„Ja, wat dan?”
„Dan waren wij ongelukkig.”
„Zeker; maar het komt nooit uit.”
Er volgde weêr een lange pauze, waarin beiden stil pikerden over het misdadig plan, dat ze zoo tegen den kant aan bespraken. Toen begon Yps fluisterend te praten over de middelen die zij wist. Veel was dat niet; nu en dan had ze hier en daar maar wat opgevangen; wat ze wist waren bekende dingen, schraapsel van bamboes en van oude gongs en zulke zaakjes meer.
„Je weet er niets van,” zei haar moeder leukweg.
„Weet jij het dan?”
„Neen.”
„Je liegt; je wilt het niet zeggen.”
„Ik weet het heusch niet, en ik zou het niet willen weten.”
„En wat dan?”
„Ik heb een vriendin, die het weet.”
„En zou die willen?”
„Neen; dat geloof ik niet.”
„Maar wat dan?” zei Yps, driftig met haar handen kletsend op haar dijen.
„Zij zal te veel geld vragen.”
Weêr zaten ze vijf minuten zonder een woord te spreken; de oude met de oogen dicht, als deed ze een gemoedelijk dutje. Yps met een wreeden trek van moorddadigen lust om den mond, met haar groote glinsterende oogen turend in het halfduister.
„Ik heb geen geld,” zei ze eindelijk nogmaals zuchtend.[271]„Het is tegenwoordig mijn ongelukstijd. Als die vrouw van hem mij niet in den weg zat, zou ik een rijk leven hebben. Hij heeft zooveel! En hij is niet gierig. Nu bezit ik haast niets. Mijn meeste goud en juweelen staan in het pandjeshuis; mijn duurste sarongs ook.”
Haar moeder haalde de schouders op, en zei op minachtenden toon:
„Als men dom is.…”
„Dat zeg je altijd. Waarom ben ik dom?”
„Omdat je geen zaak weet te sluiten. Altijd maar die Vermey.…”
„Niet om hem; dat weet je ook wel.”
„Wáárom dan? Om zijn geld? Het papier van anderen is net zoo goed te wisselen als het zijne; en zijn rijksdaalders zijn niet grooter.”
„Waarom? omdat ik wil … en ik wil … en ik wil,” antwoordde Yps driftig. „Mijn hoofd is er vol van; het kan er niet uit. Ik wil.”
Met de ervaring, dat dit een argument was, waartegen niet viel te redeneeren zweeg haar moeder, en deed haar oogen weêr dicht. Zij had aan dien wil altijd toegegeven; wat zou zij er nu tegen hebben in te brengen?
Wat haar moeder bedoelde, wist Yps heel goed. Zij had reeds herhaaldelijk aanzoeken gehad van Chineezen, maar die steeds met verachting en een grooten mond vol scheldwoorden afgewezen. Zij had zoo’n geweldigen hekel aan dat volk; zij had er een afkeer van als de Mohammedaan van het spek, dat de Chineezen eten. Als zij dien afkeer overwon, kon ze allicht het geld betalen, dat die vriendin van[272]haar moeder zou vragen. Daarover dacht ze na tot ze er hoofdpijn van kreeg, en zich buiten met water ging verfrisschen.
Ze overwon haar afkeer, en haar moeder ging naar de vriendin, zoo rustig en kalm als ging ze naar dewarongom wat eten te koopen. En de vriendin, een hoogst gewone inlandsche vrouw, kwam een paar dagen later erover spreken. Weer ging het gesprek tegen den kant aan, zonder het misdadig onderwerp aan te roeren.
„Wat heeft ze?” vroeg Yps aan haar moeder, toen de „vriendin” weg was.
„Ik weet het niet. Zij heeft in het binnenland gediend ver weg, bij javaansche hoofden; zij kent een plant, en die kookt ze; als ze haar noodig heeft, gaat ze naar den Oedik en zoekt haar in het bosch. Zij gaat nu weg en komt over een dag of vier terug.”
„Zou ze ons niet bedriegen?”
„Ik ken haar jaren. Bedriegen zal ze niet; wel altijd om geld komen. Praat nu maar niet meer. Laat haar maar doen. Al dat praten is niet goed.”
Een dag of wat later kwam de vrouw; zij moest geld hebben, en Yps moest haar zelf het huis wijzen, anders was het niet goed; het hoorde er bepaald bij, dat Yps het huis zelf aantoonde; en deze, even bijgeloovig overigens als allen van haar soort, ging met de vrouw in de dos-à-dos, waarvan het paard met den lossen hoef zoo onaangenaam achter Vermey’s wagen aanklepte.
De vrouw verving tijdelijk de kokkin van Lena, en ze voldeed uitmuntend. Maar Yps, zoomin als haar moeder wisten ergens van. De eerste, nieuwsgierig en bang, dat[273]ze haar geld kwijt was voor niemendal, wilde informeeren, maar haar moeder weigerde hardnekkig en durfde zelfs boos worden. Zij noemde haar dochter een gekkin; een kind, dat nog in deslendangmoest worden gedragen; van zulke dingen sprak men niet, als eenmaal gehandeld werd; men vroeg er nog minder naar; men wachtte maar af en zag dan vanzelf wel gebeuren, wat gebeuren moest.
Mevrouw Vermey was als een goed huismoedertje erg tevreden over de nieuwe keukenprinses. Het eten was overheerlijk.
„Het is jammer, dat meneer niet thuis is,” zei ze tegen de naaister. „Zoo eenvoudig dat nieuwe mensch eruit ziet,zoo knap is zij in de keuken.”
Dat duurde zoo ’n dag of acht en Lena begon hard te verlangen naar de terugkomst van haar George. Zij was zoowat door de drukte harer bezigheden heen, en moest nu en dan bepaald naar werk zoeken om, ijverig van aard als zij was, zich niet te vervelen in ledigheid.
Op een middag werd zij overvallen door maagkrampen en pijn in de ingewanden, met diarrhee en zware persingen; zij nam er wat inlandsche medicijn voor en dat hielp. Tegen den avond was zij beter; ze sliep rustig en voelde zich ’s morgens heel wel. Maar het kwam na de rijsttafel weer erger terug dien dag, en de pijnen waren heviger. Weer medicineerde zij zich zelf en schoon ’t heviger was, dan den vorigen dag en moeilijker wegging, en ’s nachts nog nu en dan terugkeerde, was zij ’s morgens enkel wat koortsig, maar overigens wel genoeg om op te staan en haar huishouden te doen.
Doch een paar dagen later herhaalde de aanval zich zoo[274]erg, dat zij den dokter liet roepen, die dadelijkdysenterieconstateerde, en haar daarnaar behandelde.
Toen Voirey er toevallig dien namiddag een bezoek bracht, lag ze te bed, en hij schrikte van haar vervallen gezicht; hij bleef tot de dokter kwam, sprak met hem en verzond een telegram aan Vermey.
Van dat oogenblik was het een aanhoudend sterven, met korter of langer tusschenpoozen van rust; het plantaardig vergif in haar ingewanden werkte ongestoord zijn taak af. Zij zelf lag als ze geen pijn had, haast bewusteloos en ongevoelig neêr; ze vroeg naar niets; ze dacht niet; daartoe was ze niet bij machte; zij kon niet eens denken aan haar kind en haar man, wier beelden soms in doffe omtrekken voor haar geest kwamen. In die oogenblikken lag ze doodstil, met flauwe half geopende oogen, enkel genietend van het eene besef: niet die vreeselijke pijn te hebben en die verschrikkelijke persingen.
Den dag vóór zijn komst, toen ze na een geweldig lijden en herhaalde flauwten, een oogenblik van verademing had, was haar geest helderder en dacht ze aan haar dood, en hoe het mogelijk was, dat die nare, die verschrikkelijke droom vol smart en pijn, haar zoo ineens kwam wegrukken uit de wereld van haar volle geluk en weelde. Terwijl ze dit dacht, weemoedig maar kalm, kwam daarnaast ineens het denkbeeld bij haar op, dat ze vergiftigd was; groote zweetdroppels parelden toen op haar gezicht, haar oogen verwijdden zich en haar lippen trokken weg naar achter, vol van een schrik en angst, grooter, erger, heviger dan die voor den dood zelf.[275]
En te gelijk verhief zich de pijn zoo machtig, als zij die nog niet had gevoeld; te sterk voor haar reeds zoo ondermijnd weêrstandsvermogen; ze verloor het bewustzijn.
Voirey, die het huis niet meer verliet, en de dames die als goede kennissen of buren bijstonden, dachten dat ze stierf; maar ze kwam weêr bij. Ze wist, dat George verwacht werd; al haar verlangen was erop gericht hem nog eens te zien en in zijn arm te sterven. Met dat zwevendeidée fixein haar zwak hoofd, streed zij tegen den gruwzamen dood, die meedoogenloos in haar lichaam woedde.
Toen hij er was; toen ze hem had gezien en gehoord en haar hoofd op zijn arm lag, was het of de pijn als een losgelaten duivel haar met onverwinnelijke overmacht bestormde; zij deed geen poging haar te verbijten; met een lichte hik was het gedaan; George had ze nog gezien, schoon niet helder en duidelijk meer, maar als het nevelachtig beeld van een oude daguerrotype.
Het courantenbericht had veel sensatie gemaakt, en Voirey hoorde dadelijk, dat het werkelijk doelde op den dood van Lena; hij informeerde bij den redacteur die voor het oogenblik geen nadere inlichtingen geven kon, maar hem zijn reporter zou zenden. De officier van justitie informeerde ook en vroeg den dokter of die opgraving en lijkopening noodzakelijk achtte. Maar de dokter was woedend. Had hij niet gezegd, dat het dysenterie was, en durfden dan die „kerels”, die er niets van wisten, aan de onfeilbaarheid[276]van zijn woord twijfelen? Had hij niet in het water uit de goot van het huis van Vermey een buitengewoon ontwikkelde dysenterie-bacil gevonden? Was dat geen bewijs genoeg? En den volgenden dag terwijl hij in het hospitaal met de gansche faculteit in zwart-lakensche wijsheid bijeen was, sprak hij met groote minachting over die „courantiers,” die maar van alles in hun couranten opnemen, enkel om ze vol te krijgen; en ze waren het allen daarmee eens; het was ’n schande, vonden ze.
„Het is zoo,” zei Voirey, toen hij den dag na de begrafenis bij Vermey kwam, en vol medelijden zag hoe erg de weduwnaar, die na den ellendigen nacht er zeer slecht uitzag, zich het sterfgeval aantrok.
„Is het zoo?” vroeg Vermey angstig. „Doelde het op.…?”
„Ja, het doelde op haar dood.”
„’t Is vreeselijk.”
„Zeker. Maar wij moeten geen schandaal maken. Dat is nooit goed in zaken, en we zijn in zaken, jij en ik.”
Vermey knikte toestemmend; daar was hij het heelemaal mee eens. Geen schandaal! Om alles ter wereld niet.
„Ik heb verzocht het bericht in de courant tegen te spreken. Verder moeten wij het op zijn beloop laten. Het kan niet anders! Maar wat denk jij er eigenlijk van!”
„Ik weet het niet,” loog Vermey. „Ik kan me er geen idee van maken.”
Het tegenbericht kwam in de courant met de dysenterie-bacil uit de goot er bij, en het verzoende voor een deel de zwart-lakensche wijsheid, en ook een deel van het publiek, dat reeds met zekeren afkeer had gezegd, dat er[277]nu ook nooit eenfrappantsterfgeval in Indië kon wezen, zonder dat „men” sprak van vergif.
Op het graf van de arme Lena kwam een mooie glanzende marmeren steen, met een aandoenlijke inscriptie; slechts nu en dan zei nog de eene bezoeker van het kerkhof tot den anderen, dat die dame ook een pil „nummer elf” had gehad. Maar het was gauw vergeten. De boomen in Indië zijn altijd groen!
EINDE.