TWEEDE HOOFDSTUK.

[Inhoud]TWEEDE HOOFDSTUK.Yps krijgt haar congé.„Och, Vermey, kom eens even hier!”Hij schrikte op uit zijn droomerijen, toen zijn chef hem met driftige stem riep.„Ja,” riep hij terug, en volgde haastig.„Die vent moet er maar uit, Vermey.”George liet een blik gaan over de stukken, afrekeningen, uittreksels van boeken enz.; hij zag duidelijk wie bedoeld werd.„U meent Esreteip.”„Het is zoo’n domkop! Kijk dat ding eens aan!”„Ja, ’t ziet er slecht uit; vol knoeierij; ’t is haast niet te zenden. Maar ’k zou ’t nog ’reis met hem probeeren; ze zijn toch allemaal eender.”„Als je naar huis wilt gaan.…”„Och, ’t kan mij niet schelen,” loog George.„Ga gerust je gang.”„Dan wensch ik u goeden avond.”[17]„Bonsoir!”„Waarom zou hij me weg willen hebben?” vroeg zich de eerste geëmployeerde af. „Nu zit hij daar weêr geheel alleen met den mandoer Ali. Dat is al verscheiden malen gebeurd, en vroeger moest altijd iedereen blijven tot het meneer convenieerde naar huis te gaan. ’t Is vreemd!”Hij liet zijn wagen volgen, en wandelde naar huis. ’t Was mooi droog weer en de sporen van den regen waren verdwenen. Hij hoopte Bruce op den weg te ontmoeten, maar toen hij het hooge huis voorbij ging, zag hij zijn aanstaanden schoonvader op het voorerf rondscharrelen tusschen de rozenpotjes, hier ’n dor blaadje wegnemend, ginds ’n al te weelderig uitschot besnoeiend.„Hoe is het ermeê?” vroeg George, en hij kreeg ’n kleur; dat gauw ’n kleur krijgen was een zijner eigenschappen, die hij ’t meest verwenschte.„Het gaat vrij wel.”„Je hebt er haar toch niet over gesproken?” vroeg hij fluisterend, ofschoon hem niemand kon hooren.„Niet direct. Alleen zei ik zoo aan de rijsttafel, dat het voor ’n meisje goed was te trouwen.”„En toen?”„Ja, zie je, ze zei niemendal. ’t Is zoo’n raar kind. Je kunt nooit uit haar wijs worden. Ik ging voort en zei, dat het me niets zou verwonderen, als het ook langzamerhand haar tijd werd. Toen begon ze te lachen. Het zou wel ’n net boeltje worden, in ons huis, meende ze, als zij eens de deur uit was. Nu, dat behoefde niet samen te gaan, vond ik. Het was geen vereischte dat een meisje[18]trouwde met iemand die naar een andere plaats ging, en als zij hier bleef, kon ze ook wel bij ons inwonen. Ik begon daarop ineens over jou te spreken, maar toen belde de oude vrouw boven. Het mensch had ’t zeker weêr te kwaad met de borst, en Leen liep dadelijk weg om haar moeder te helpen.”„Dus dat is eigenlijk niks,” zei George teleurgesteld.„Dat moet je niet zeggen, Vermey. Het is een begin. Zij zal over het eene denken, en vanzelf komt haar daarbij het andere in de gedachte.”„Ik mag het lijden, ouwe heer,” zei George ongeloovig.„Bovendien: het heeft zoo’n haast nog niet. Eerst moet de rommel daar bij je zijn weggeruimd.”„Natuurlijk.… maar.…”„Nu,” vroeg de oude Bruce, „wat is er dan? Heb je nog wat op je gemoed?”„Ja, zie je,” ging de ander glimlachend voort. „Ik ben ’n boon als ik weet hoe ik dat ding moet aanpakken.”„Nu, die is slim! Ik wist waarachtig niet, dat je zoo’n onnoozel borstje was.”„Wees nu niet flauw! Dàt is het niet. Ik ben twaalf jaren ouder dan zij.…”„Het mocht wat,” zei Bruce zich trots oprichtend. „Ik was twintig jaar ouder dan haar moeder, toen ik die vroeg, en zeven jaar ouder dan jij nu bent. Het heeft nooit ’n fout gemaakt in de rekening, vriendje! En nou[19]ligt het mensch daar boven met ’n sleepende kwaal, en ik sta hier.” Hij sloeg met zijn stevige knokkels op zijn goed gewelfde borst, dat het klonk als ’n klok. Al het ijdel egoïsme van physiek gelukkige grijsaards, tegenover het zwak en ziekelijk deel van het menschdom, sprak daaruit.George was te veel met zichzelf bezig om dáárop te letten.„’t Is alles goed en wel, maar metmijis het een ander geval.”Bruce mat den jongen man van het hoofd tot de voeten.„Je ziet er anders ook wel uit of je ’n boerenkermis meê kan maken.”„Dàt is het niet. Je begrijpt me niet. Wij hebben niet op dezelfde manier geleefd. Ik heb er in de liefde altijd m’n gemak van genomen. Aan hofmakerij tegenover jonge dames heb ik maar weinig gedaan. Het gaat mij, dat weet ik vooruit, slecht af. En dan bij Leentje!.…”„Waarom in het bijzonder bij haar?”„Wel.… je weet toch waarachtig wel, dat ik reeds als jongen van 18 jaar bij jullie aan huis kwam, toen Leentje nog een zuigeling was.”„Hm! Ik zou daar nu maar niet langer aan denken Vermey. Zij is sedert gespeend, dat verzeker ik je, en jij moet je niet zenuwachtig maken,” zei Bruce het indo-hollandsch nabootsend bij wijze van aardigheid.„Het zal wel schikken.”„Zeker! Maar eerst dien rommel uit je huis. Zet de[20]meid eruit, houd vendutie en trek in een logement of in een commensalenhuis. Ik wil niet hebben, dat je met m’n dochter ergens over spreekt vóór dat achter den rug is.”„Natuurlijk,” beaamde George volkomen, maar met een zucht.„En als het je zooveel kost als ik uit je zuchten moet opmaken.…”„Och, wel neen! het is gekheid.… ik dacht aan het verlies, dat ik lijden moet op die beroerde vendutie.”„Ja, er zit toch niets anders op. En wat dat betreft,” ging Bruce voort, de bekende geldtellende duim- en vingerbeweging makend, „is, meen ik, de inzet den prijs wel waard.”Zonder daarop te antwoorden, reikte Vermey hem de hand en ging heen.’t Was waar, wat zijn aanstaande schoonvader zei, en hij had ook inderdaad meer aan Yps gedacht, dan aan zijn vendutie; maar dat wou hij niet weten.Doch onjuist was Bruce’s veronderstelling, dat zijn dochter zijn woorden herdacht zou hebben. Zij gingen haar het eene oor in en het andere uit. Zij had immersals meisjedat onderwerp letterlijk „afgedacht” en voor het denkbeeld van een huwelijk met Vermey was in haar brein geen plaats. Zij had het veel te druk om tijd over te houden voor gevaarlijke bespiegelingen. Er waren jaren geweest, waarin zijmoeilijkedagen doorleefde, gekweld door een nameloos verlangen. Dat was voorbij; naar zij hoopte voorgoed. Er was hoofdzakelijk van overgebleven een soort van voorgesteld ideaal. Een denkbeeldig wezen, zooals zij er zich[21]een zou wenschen tot man. Zij had er wel ontmoet, die daar ’n beetje op geleken. Op de bals in de sociëteit, had zij wel gedanst met jonge mannen, wien ze het jawoord zou gegeven hebben, als ze erom hadden gevraagd. Maar dàt gebeurde nooit.Nu kon het haar niet meer schelen. Bovendien zou ze nooit haar moeder verlaten. Het was een zware, ondankbare taak in het huishouden. Den ganschen dag de trappen op en af. Mama boven ziek, het huishouden beneden,—soms als zij met groote vlugheid als het ware langs de treden omlaag gleed, stond ze een oogenblik stil en bracht de hand aan het hart met een gevoel van duizeligheid, terwijl alles haar draaide voor de oogen. Maar ze herstelde zich weer spoedig. Er moest immers voor zooveel gezorgd worden, en dat was bij haar ernstig ontwikkeld plichtsgevoel een zóó gewichtige taak dat haar moeder haar liever scheen te worden, naarmate de ziekte meer verzorging eischte, en het huisgezin haar nader kwam staan hoe meer het vergde van haar geringe krachten.George ontroerde toen hij zijn woning binnentrad. Als alle ondiepe watertjes was hij licht bewogen. Arme Yps! Dat was dan toch ook ’n gruwelijk lot, nu weêr te worden weggezonden naar de kampong! Weggezonden, als een bediende, als ’n voetveeg, als ’n stuk gereedschap „na gemaaktgebruik.”Kasian!dacht hij, en met tranen in de oogen, die hij z’n best deed weg te knippen, trad hij de kleedkamer binnen.Yps zat, zooals zij den halven dag deed, haar mooi gezichtje te bekijken in den fraaien toiletspiegel, haar krulletjes[22]te arrangeeren op haar voorhoofd, het rood harer lippen te verhoogen metkendjoe, het zwart harer oogen effectvoller te maken door het metsarmate onderstreepen; haar gelaatskleur licht en fluweelig te doen schijnen door een handige compositie vanbedaq,—en den boog harer wenkbrauwen te verfraaien met wat gebrandekemiriemet welriekende olie.Het deed George’s ontroering toenemen. ’t Lieve diertje! Dat deed ze immers alleen om hem te behagen!Hij had wel graag den kogel door de kerk willen jagen, maar hij durfde niet; hij gevoelde dat hij tusschen twee vrouwelijke vuren was geraakt, en hij had niet kunnen zeggen, waartegen hij meer opzag: Lena Bruce ten huwelijk te vragen, dan Yps haar congé te geven. Toch was het niet de eerste maal, dat hij ’n huishoudster aan het verstand zou brengen, hoe er voor maatschappelijk niet erkende vennooten van haar slag na een tijd van komen onvermijdelijk een tijd van gaan volgt. Hij had het vroeger altijd gedaande coeur léger, en ’t was hem wèl bekomen. ’n Voorwendsel van jaloerschheid, ’n geweldig standje over ’t een of ander en,—klaar was Kees. Ook thans zou hij niet zooveel „gemoedsbezwaren” hebben gehad, als het slechts een gewone verandering van decoratief had gegolden, als hij zin had gekregen in een andere van gelijk slag; ongetwijfeld zou Yps dan zonder genade haar voorgangsters met groote snelheid zijn gevolgd.Nu aarzelde hij; nu begon hij op zijn manier ernstig te philosopheeren. Wat was toch het leven, dacht-ie! Zoo’n meisje was eigenlijk precies voor ’n man, wat ’n europeesche[23]vrouw voor hem was; en meer en beter soms! Was het niet onmenschelijk en schandelijk haar „zoo maar” aan den dijk te zetten? Zij had toch óók gevoel; zij was toch óók ’n mensch, met een hart, dat klopte voor hen, die ze aanhing en liefhad; met al die echt menschelijke neigingen en aandoeningen.… Hij had kunnen huilen, zóó werkte hij nu weêr op zijn eigen zenuwen. Hij nam haar donker handje in zijn groote blanke hand; de net gevormde vingertjes, dik aan den wortel en spits toeloopend, de kuiltjes op de fijne onzichtbare knokken,—hij vond dat zoo sprekend cachet der luiheid allersnoepigst, en hij zoende het.Er was een brief noodig om hem van z’n bui van aandoenlijkheid te genezen. Hij stond waarlijk op het punt Yps aan hethart te drukken, haar alles te vertellen, en meteen dat Lena Bruce naar de maan kon loopen en Yps permissie had in zijn huis te blijven,minusde voorgalerij; hij zou gedacht hebben, dat hij het deed uit groote edelmoedigheid, zonder eenig verder zelfonderzoek; zonder zich af te vragen hoe het kwam, dat het wegzenden van een huishoudster hem vroeger nooit zoo nobel gestemd had; waarom hij er drie of vier met de grootste hardvochtigheid de deur uit had gegooid, en thans zijn gemoed daar zoo tegen op kwam; of niet veeleer zijn eigen vrees voor het huwelijk, de wezenlijke oorzaak was van zijn dralen tegenover Yps en zijne bij deze bijzondere gelegenheid opdoemende zedelijkheidsbegrippen?Want dàt was het eigenlijk. Hij was bang om te trouwen; hij had, ondanks de conventioneel dichterlijke beschouwingen, die hij zich opdrong, een verschrikkelijke[24]vrees voor het huwelijk; hij was langzamerhand en onbewust van oordeel geworden, dat het huwelijk een halve zelfmoord is, en dat elk celibatair, als voorstander van een vroolijk en gezellig leven, eigenlijk rouw moest dragen over een vriend, die trouwen ging, zooals de joden doen over een afvallige.Groote God! had hij meer dan eens gedacht, wat werden het saaie kerels, als ze eenmaal gekluisterd lagen aan desarongeener „wettige echtgenoote!” En ofschoon hij daar nu niet rechtstreeks aan dacht, was toch de grondidee van al zijn teeder tobben over Yps en over den socialen toestand van alle Ypsen geen andere dan deze: moet ik nu ook zoo’n saaie kerel worden, ik, George Vermey, die minstens zes ochtenden in de maand wakker word met een minimumherinneringsvermogen, maar de absolute zekerheid, dat we den vorigen avond tot laat in den nacht ’n fameuse lol hebben gehad?Hij las den brief: „Herhaalde malen.… te vergeefs aangedrongen.… oude pretentie.… onze advocaat..”„Gévédé!” vloekte George, „ik wou dat die vervelende kerels.….” .…. Het was uit met de aandoenlijkheid. Hij zou met Lena Bruce trouwen, dàt stond vast. Er moest eindelijk eens ’n eind komen aan dat gezanik!Yps kwam in de binnengalerij, waar hij den brief had ontvangen en gelezen. Er stond een buitendeur open, en hij haastte zich die te sluiten. Men mocht haar eens zien! Vroeger kon hem dat zoo erg niet schelen, maar nu hij heuschelijke trouwplannen had, stond het niet. Heupwiegend[25]en draaiend met haar mooie buste, kwam ze naar hem toe, het hoofd, waaraan zooveel zorg en inlandsche toiletartikelen waren besteed, terzijde, met zacht tikken harer vergulde hakjes op de mat en het geschuifel harer mooie solosche sarong; de korte, sluitende kabaja één borduursel, ’n helder roode bloedkoralen ketting om den hals en flankerende diamanten in de ooren; ’n veelkleurig oostersch beeldje; ’n levend geworden oleographie!Hij lette er niet op! hij had ’n idee en dat hield hem nu in eens bezig! Met een erg bedrukt gelegenheidsgezicht reikte hij haar den brief over, en al verstond ze niet bijzonder veel hollandsch en al was haar kennis van ’t lezen en schrijven niet groot, zoo’n soort brief verstond en begreep ze dadelijk. Wat schulden maken was en ze niet betalen, dat wist ze precies.Al het vroolijke en behaagzieke verdween voor een oogenblik uit haar gezicht; er kwam een algemeene uitdrukking van onbeschaamdheid en brutaliteit over.„Och!” zei ze eerst verwonderd. „Wat is dat?”Hij haalde bedenkelijk de schouders op.„Een oude beer; ik moet betalen; ik heb het niet.”„Jaa!terlaloe!Moet maarpiendjem, ja?”„Jij hebt makkelijk praten!”„Tobat!Waarom niet bijkaas?”Ze was toch slim, dacht hij. Het scheen wel, ondanks alle dure eeden, die ze gezworen had, dat hij, Vermey, niet de eerste was geweest. Hoe drommel kwam ze anders zoo gauw op ’t idee, dat hij geld moest opnemen bij de kas van zijn kantoor?[26]„Kan niet meer,” antwoordde hij. „Al te veel op mijn rekening dit jaar. Het gaat niet. Er moet een verandering komen, anders wordt nog de heele boel hier op een goeden dag voor schuld verkocht. Dàt zou wat moois zijn!”Zij keek hem ernstig aan ’n oogenblik, draaide toen op haar hakjes om en ging stijf en strak met ’n boos gezicht naar achter.Zij had het ineens gesnapt. Dom mocht ze wezen in duizenderlei opzichten,—in alles wat op haar toestand als „huishoudster” rechtstreeks of zijdelings betrekking had, was zij de scherpzinnigheid zelf. Hij wilde haar weg hebben! Daarom had hij zoo gek gedaan, toen hij binnenkwam en haar hand had gezoend. Bij de gedachte eraan, streek ze haar hand langs haar sarong met ’n vies gezicht. Dáárom had hij haar dien brief laten zien. Wie weet of ’t wel eensbetoel’n brief was of hij ’t er maar niet om deed. Er was iets, dat, meende ze, stond vast, en wat het was, zou ze wel te weten komen.George luchtte het op. Dat was één pak van z’n hart; Yps begreep er nu alles van; hij had het gezien aan haar gezicht en aan haar heengaan; zij kon alleen zoo woedend zijn, omdat ze begreep wat er aan de hand was. Hij ontweek elke intimiteit; ging in de logeerkamer slapen, en sprak zoo weinig mogelijk.Binnen twee dagen wist Yps er alles van.Vermey was er de man niet naar te zwijgen. ’s Avonds vertelde hij ’t heele geval onder een grogje aan ’n paar zijner beste vrienden. Toen hij sprak van zijn voorgenomen huwelijk, stelden zij daar slechts heel matigjes belang in.[27]„Je moet het zelf weten,” zei de een.En de ander:„Het is ’n heele onderneming.”Voorts waren beiden het hierover eens, dat Vermey er verstandig aan deed een vrouw te trouwen, die, „wat had”; dat het niet minder verstandig van hem was een vrouw te nemen, die „wist wat een huishouden was,” en dat hij hetsummumvan verstand aan den dag legde door te trouwen met een meisje „dat nooit over de tong was gegaan.”Want „dat was donderen”, beweerde de een.En de ander:„Of je raakt onder de pantoffel, òf er volgt echtscheiding.”Daarmede waren alle beschouwingen over een huwelijk tusschen den heer George Vermey en mejuffrouw Lena Bruce uitgeput.Maar toen hun vriend begon over wat hij „de scènes met Yps” noemde, werd de belangstelling zeer levendig. Hij was aanvankelijk niet van plan te fantaiseeren of te liegen; daarom begon hij eenvoudig met het verhaal van den brief, en hij beschreef hoe ze hem aankeek met „oogen als kolen vuur” en toen „hard wegliep.” Doch dit had reeds zulk een enorm succes, dat hij ’t voor zijn fatsoen, als held van ’t avontuur, dáárbij niet laten kon. Nu, het onderwerp had hem vóór ’t zoover kwam, lang genoeg bezig gehouden, en bovendien stond hem zijn rijke ervaring ten dienste. Zóó werd het een piquant verhaal, gekruid en gesaust, naar indischen trant. Wat er wezenlijk tusschen hem en Yps was voorgevallen, kon men er evenmin uit[28]proeven, als de wezenlijke smaak van rijst uit ’n goede rijsttafel. Bewonderend keken zijn vrienden hem aan. ’t Was toch ’n origineele kerel, die Vermey. Eeuwig jammer, dat hij onder ’t juk kwam!De „vrienden” zouden het volgens afspraak „stil” houden, zij beloofden het stellig; maar thuis vertelden zij het aan hun „wilde” wederhelften, en in de sociëteit en op het kantoor aan hunintimi, die op haar en hun beurt er met den grootsten ijver het: „zegt het voort” op toepasten.Zóó kwam het tot de kennis van Yps, die haar moeder op kondschap had gezonden, en die verwonderd stond te kijken toen ze vernam, dat de heele buurt gewaagde van de verschrikkelijke standjes, die ze maakte. Dàt vond ze gemeen. Neen, zij zou geen leven maken, al behandelde hij haar slecht.„Laat maar!” zei ze in haar eigen, wel innig woedend, maar toch met een overtuiging van victorie: „Laat maar!” Zij was niet gek, dacht ze. Goed beschouwd, was het veel pleizieriger in de kampong, dan in dat akelige steenen huis, dat wel heel mooi was, maar zoo saai! In de kampong kon ze stilletjes knoeien met inlanders; dat vond ze veel plezieriger. Als ze het niet deed om het geld, zou ze nooit een Europeaan willen aankijken. Wat verbeelddehijzich nu wel! Neen, zij zou hem wel anders vinden. „Laat maar!” herhaalde ze bij haar zelve.Toen George thuis kwam dien dag, had hij goed nieuws. Er bestond alle kans dat hij zijn inboedel zou kunnen overdoen, zonder groot verlies. Het moest maar gauw gebeuren ook; zoo spoedig mogelijk. Hij dronk zijn thee in[29]de achtergalerij, waar Yps rondliep met een spottend gezicht.„Je hebt zeker wel begrepen,” zei hij zachtzinnig en verdrietig, „dat ik zoo niet kan blijven leven. Het spijt me gloeiend, maar ik moet den boel verkoopen.”Hij wachtte een oogenblik, maar zij zei niets.„Ik ben genoodzaakt weer op kamers te gaan wonen. Voorloopig trek ik in het hotel.”En toen ze nog altijd zweeg: „Natuurlijk zal ik je niet in den steek laten. Je moet morgenochtend maar eens met je moeder gaan kijken naar ’n huisje ergens. Ik zal dan voor de meubeltjes zorgen.…”Het was niet noodig dat hij zoo’n druk gebruik maakte van dediminutief; ook zonder dat, wist ze het wel. Wat haar woedend maakte op dat moment was zijn gehuicheld vertoon van zachtzinnigheid en leedwezen. Zij deed een paar driftige schreden naar hem toe en keek hem donker in ’t gezicht.„Jij smeerlap!” siste zij hem toe.Daar stond hij van te kijken!En terwijl zij zich verder bezighield met het theegoed, begon zij te schelden op Lena Bruce. Hij liet het gaan, zich verbazend over haar bekendheid met zijn plannen; aan den eenen kant deed het hem goed, al trok hij ’n boos gezicht, en al haalde hij nu en dan met minachting de schouders op. Zij ging spottend voort; zij kende dat trotsche magere spook wel, dat altijd zoo „gekleed” was, maar toch leelijk bleef; zij ving aan haar half in ’t maleisch, half in ’t indo-hollandsch te beschrijven naar de détails. Toen liep George, stikkend van ’t lachen, en niet langer[30]bij machte zich verontwaardigd te houden, naar binnen.Wat hem ’t meest interesseerde, was het feit, dat Yps zoo goed op de hoogte bleek. Het kwam niet bij hem op te denken aan zichzelven of zijn vrienden. Dàt moest Bruce gedaan hebben, meende hij, en hij nam het den ouden heer kwalijk. „Zoo’n kletskous!” dacht hij. „Er waren dan toch ook menschen, die nooit den mond konden houden.”Daartoe echter, behoorde Bruce niet. Wel brandde het hem op de tong, en moest hij zich geweld aandoen. Zoodra dan ook Vermey den „rommel” uit zijn huis zou hebben, nam hij zich voor over de huwelijksplannen voor Lena te spreken. Nu streed het met zijn gevoel, zooals hij ’t noemde, ook slechts tegen anderen er op te zinspelen.[31]

[Inhoud]TWEEDE HOOFDSTUK.Yps krijgt haar congé.„Och, Vermey, kom eens even hier!”Hij schrikte op uit zijn droomerijen, toen zijn chef hem met driftige stem riep.„Ja,” riep hij terug, en volgde haastig.„Die vent moet er maar uit, Vermey.”George liet een blik gaan over de stukken, afrekeningen, uittreksels van boeken enz.; hij zag duidelijk wie bedoeld werd.„U meent Esreteip.”„Het is zoo’n domkop! Kijk dat ding eens aan!”„Ja, ’t ziet er slecht uit; vol knoeierij; ’t is haast niet te zenden. Maar ’k zou ’t nog ’reis met hem probeeren; ze zijn toch allemaal eender.”„Als je naar huis wilt gaan.…”„Och, ’t kan mij niet schelen,” loog George.„Ga gerust je gang.”„Dan wensch ik u goeden avond.”[17]„Bonsoir!”„Waarom zou hij me weg willen hebben?” vroeg zich de eerste geëmployeerde af. „Nu zit hij daar weêr geheel alleen met den mandoer Ali. Dat is al verscheiden malen gebeurd, en vroeger moest altijd iedereen blijven tot het meneer convenieerde naar huis te gaan. ’t Is vreemd!”Hij liet zijn wagen volgen, en wandelde naar huis. ’t Was mooi droog weer en de sporen van den regen waren verdwenen. Hij hoopte Bruce op den weg te ontmoeten, maar toen hij het hooge huis voorbij ging, zag hij zijn aanstaanden schoonvader op het voorerf rondscharrelen tusschen de rozenpotjes, hier ’n dor blaadje wegnemend, ginds ’n al te weelderig uitschot besnoeiend.„Hoe is het ermeê?” vroeg George, en hij kreeg ’n kleur; dat gauw ’n kleur krijgen was een zijner eigenschappen, die hij ’t meest verwenschte.„Het gaat vrij wel.”„Je hebt er haar toch niet over gesproken?” vroeg hij fluisterend, ofschoon hem niemand kon hooren.„Niet direct. Alleen zei ik zoo aan de rijsttafel, dat het voor ’n meisje goed was te trouwen.”„En toen?”„Ja, zie je, ze zei niemendal. ’t Is zoo’n raar kind. Je kunt nooit uit haar wijs worden. Ik ging voort en zei, dat het me niets zou verwonderen, als het ook langzamerhand haar tijd werd. Toen begon ze te lachen. Het zou wel ’n net boeltje worden, in ons huis, meende ze, als zij eens de deur uit was. Nu, dat behoefde niet samen te gaan, vond ik. Het was geen vereischte dat een meisje[18]trouwde met iemand die naar een andere plaats ging, en als zij hier bleef, kon ze ook wel bij ons inwonen. Ik begon daarop ineens over jou te spreken, maar toen belde de oude vrouw boven. Het mensch had ’t zeker weêr te kwaad met de borst, en Leen liep dadelijk weg om haar moeder te helpen.”„Dus dat is eigenlijk niks,” zei George teleurgesteld.„Dat moet je niet zeggen, Vermey. Het is een begin. Zij zal over het eene denken, en vanzelf komt haar daarbij het andere in de gedachte.”„Ik mag het lijden, ouwe heer,” zei George ongeloovig.„Bovendien: het heeft zoo’n haast nog niet. Eerst moet de rommel daar bij je zijn weggeruimd.”„Natuurlijk.… maar.…”„Nu,” vroeg de oude Bruce, „wat is er dan? Heb je nog wat op je gemoed?”„Ja, zie je,” ging de ander glimlachend voort. „Ik ben ’n boon als ik weet hoe ik dat ding moet aanpakken.”„Nu, die is slim! Ik wist waarachtig niet, dat je zoo’n onnoozel borstje was.”„Wees nu niet flauw! Dàt is het niet. Ik ben twaalf jaren ouder dan zij.…”„Het mocht wat,” zei Bruce zich trots oprichtend. „Ik was twintig jaar ouder dan haar moeder, toen ik die vroeg, en zeven jaar ouder dan jij nu bent. Het heeft nooit ’n fout gemaakt in de rekening, vriendje! En nou[19]ligt het mensch daar boven met ’n sleepende kwaal, en ik sta hier.” Hij sloeg met zijn stevige knokkels op zijn goed gewelfde borst, dat het klonk als ’n klok. Al het ijdel egoïsme van physiek gelukkige grijsaards, tegenover het zwak en ziekelijk deel van het menschdom, sprak daaruit.George was te veel met zichzelf bezig om dáárop te letten.„’t Is alles goed en wel, maar metmijis het een ander geval.”Bruce mat den jongen man van het hoofd tot de voeten.„Je ziet er anders ook wel uit of je ’n boerenkermis meê kan maken.”„Dàt is het niet. Je begrijpt me niet. Wij hebben niet op dezelfde manier geleefd. Ik heb er in de liefde altijd m’n gemak van genomen. Aan hofmakerij tegenover jonge dames heb ik maar weinig gedaan. Het gaat mij, dat weet ik vooruit, slecht af. En dan bij Leentje!.…”„Waarom in het bijzonder bij haar?”„Wel.… je weet toch waarachtig wel, dat ik reeds als jongen van 18 jaar bij jullie aan huis kwam, toen Leentje nog een zuigeling was.”„Hm! Ik zou daar nu maar niet langer aan denken Vermey. Zij is sedert gespeend, dat verzeker ik je, en jij moet je niet zenuwachtig maken,” zei Bruce het indo-hollandsch nabootsend bij wijze van aardigheid.„Het zal wel schikken.”„Zeker! Maar eerst dien rommel uit je huis. Zet de[20]meid eruit, houd vendutie en trek in een logement of in een commensalenhuis. Ik wil niet hebben, dat je met m’n dochter ergens over spreekt vóór dat achter den rug is.”„Natuurlijk,” beaamde George volkomen, maar met een zucht.„En als het je zooveel kost als ik uit je zuchten moet opmaken.…”„Och, wel neen! het is gekheid.… ik dacht aan het verlies, dat ik lijden moet op die beroerde vendutie.”„Ja, er zit toch niets anders op. En wat dat betreft,” ging Bruce voort, de bekende geldtellende duim- en vingerbeweging makend, „is, meen ik, de inzet den prijs wel waard.”Zonder daarop te antwoorden, reikte Vermey hem de hand en ging heen.’t Was waar, wat zijn aanstaande schoonvader zei, en hij had ook inderdaad meer aan Yps gedacht, dan aan zijn vendutie; maar dat wou hij niet weten.Doch onjuist was Bruce’s veronderstelling, dat zijn dochter zijn woorden herdacht zou hebben. Zij gingen haar het eene oor in en het andere uit. Zij had immersals meisjedat onderwerp letterlijk „afgedacht” en voor het denkbeeld van een huwelijk met Vermey was in haar brein geen plaats. Zij had het veel te druk om tijd over te houden voor gevaarlijke bespiegelingen. Er waren jaren geweest, waarin zijmoeilijkedagen doorleefde, gekweld door een nameloos verlangen. Dat was voorbij; naar zij hoopte voorgoed. Er was hoofdzakelijk van overgebleven een soort van voorgesteld ideaal. Een denkbeeldig wezen, zooals zij er zich[21]een zou wenschen tot man. Zij had er wel ontmoet, die daar ’n beetje op geleken. Op de bals in de sociëteit, had zij wel gedanst met jonge mannen, wien ze het jawoord zou gegeven hebben, als ze erom hadden gevraagd. Maar dàt gebeurde nooit.Nu kon het haar niet meer schelen. Bovendien zou ze nooit haar moeder verlaten. Het was een zware, ondankbare taak in het huishouden. Den ganschen dag de trappen op en af. Mama boven ziek, het huishouden beneden,—soms als zij met groote vlugheid als het ware langs de treden omlaag gleed, stond ze een oogenblik stil en bracht de hand aan het hart met een gevoel van duizeligheid, terwijl alles haar draaide voor de oogen. Maar ze herstelde zich weer spoedig. Er moest immers voor zooveel gezorgd worden, en dat was bij haar ernstig ontwikkeld plichtsgevoel een zóó gewichtige taak dat haar moeder haar liever scheen te worden, naarmate de ziekte meer verzorging eischte, en het huisgezin haar nader kwam staan hoe meer het vergde van haar geringe krachten.George ontroerde toen hij zijn woning binnentrad. Als alle ondiepe watertjes was hij licht bewogen. Arme Yps! Dat was dan toch ook ’n gruwelijk lot, nu weêr te worden weggezonden naar de kampong! Weggezonden, als een bediende, als ’n voetveeg, als ’n stuk gereedschap „na gemaaktgebruik.”Kasian!dacht hij, en met tranen in de oogen, die hij z’n best deed weg te knippen, trad hij de kleedkamer binnen.Yps zat, zooals zij den halven dag deed, haar mooi gezichtje te bekijken in den fraaien toiletspiegel, haar krulletjes[22]te arrangeeren op haar voorhoofd, het rood harer lippen te verhoogen metkendjoe, het zwart harer oogen effectvoller te maken door het metsarmate onderstreepen; haar gelaatskleur licht en fluweelig te doen schijnen door een handige compositie vanbedaq,—en den boog harer wenkbrauwen te verfraaien met wat gebrandekemiriemet welriekende olie.Het deed George’s ontroering toenemen. ’t Lieve diertje! Dat deed ze immers alleen om hem te behagen!Hij had wel graag den kogel door de kerk willen jagen, maar hij durfde niet; hij gevoelde dat hij tusschen twee vrouwelijke vuren was geraakt, en hij had niet kunnen zeggen, waartegen hij meer opzag: Lena Bruce ten huwelijk te vragen, dan Yps haar congé te geven. Toch was het niet de eerste maal, dat hij ’n huishoudster aan het verstand zou brengen, hoe er voor maatschappelijk niet erkende vennooten van haar slag na een tijd van komen onvermijdelijk een tijd van gaan volgt. Hij had het vroeger altijd gedaande coeur léger, en ’t was hem wèl bekomen. ’n Voorwendsel van jaloerschheid, ’n geweldig standje over ’t een of ander en,—klaar was Kees. Ook thans zou hij niet zooveel „gemoedsbezwaren” hebben gehad, als het slechts een gewone verandering van decoratief had gegolden, als hij zin had gekregen in een andere van gelijk slag; ongetwijfeld zou Yps dan zonder genade haar voorgangsters met groote snelheid zijn gevolgd.Nu aarzelde hij; nu begon hij op zijn manier ernstig te philosopheeren. Wat was toch het leven, dacht-ie! Zoo’n meisje was eigenlijk precies voor ’n man, wat ’n europeesche[23]vrouw voor hem was; en meer en beter soms! Was het niet onmenschelijk en schandelijk haar „zoo maar” aan den dijk te zetten? Zij had toch óók gevoel; zij was toch óók ’n mensch, met een hart, dat klopte voor hen, die ze aanhing en liefhad; met al die echt menschelijke neigingen en aandoeningen.… Hij had kunnen huilen, zóó werkte hij nu weêr op zijn eigen zenuwen. Hij nam haar donker handje in zijn groote blanke hand; de net gevormde vingertjes, dik aan den wortel en spits toeloopend, de kuiltjes op de fijne onzichtbare knokken,—hij vond dat zoo sprekend cachet der luiheid allersnoepigst, en hij zoende het.Er was een brief noodig om hem van z’n bui van aandoenlijkheid te genezen. Hij stond waarlijk op het punt Yps aan hethart te drukken, haar alles te vertellen, en meteen dat Lena Bruce naar de maan kon loopen en Yps permissie had in zijn huis te blijven,minusde voorgalerij; hij zou gedacht hebben, dat hij het deed uit groote edelmoedigheid, zonder eenig verder zelfonderzoek; zonder zich af te vragen hoe het kwam, dat het wegzenden van een huishoudster hem vroeger nooit zoo nobel gestemd had; waarom hij er drie of vier met de grootste hardvochtigheid de deur uit had gegooid, en thans zijn gemoed daar zoo tegen op kwam; of niet veeleer zijn eigen vrees voor het huwelijk, de wezenlijke oorzaak was van zijn dralen tegenover Yps en zijne bij deze bijzondere gelegenheid opdoemende zedelijkheidsbegrippen?Want dàt was het eigenlijk. Hij was bang om te trouwen; hij had, ondanks de conventioneel dichterlijke beschouwingen, die hij zich opdrong, een verschrikkelijke[24]vrees voor het huwelijk; hij was langzamerhand en onbewust van oordeel geworden, dat het huwelijk een halve zelfmoord is, en dat elk celibatair, als voorstander van een vroolijk en gezellig leven, eigenlijk rouw moest dragen over een vriend, die trouwen ging, zooals de joden doen over een afvallige.Groote God! had hij meer dan eens gedacht, wat werden het saaie kerels, als ze eenmaal gekluisterd lagen aan desarongeener „wettige echtgenoote!” En ofschoon hij daar nu niet rechtstreeks aan dacht, was toch de grondidee van al zijn teeder tobben over Yps en over den socialen toestand van alle Ypsen geen andere dan deze: moet ik nu ook zoo’n saaie kerel worden, ik, George Vermey, die minstens zes ochtenden in de maand wakker word met een minimumherinneringsvermogen, maar de absolute zekerheid, dat we den vorigen avond tot laat in den nacht ’n fameuse lol hebben gehad?Hij las den brief: „Herhaalde malen.… te vergeefs aangedrongen.… oude pretentie.… onze advocaat..”„Gévédé!” vloekte George, „ik wou dat die vervelende kerels.….” .…. Het was uit met de aandoenlijkheid. Hij zou met Lena Bruce trouwen, dàt stond vast. Er moest eindelijk eens ’n eind komen aan dat gezanik!Yps kwam in de binnengalerij, waar hij den brief had ontvangen en gelezen. Er stond een buitendeur open, en hij haastte zich die te sluiten. Men mocht haar eens zien! Vroeger kon hem dat zoo erg niet schelen, maar nu hij heuschelijke trouwplannen had, stond het niet. Heupwiegend[25]en draaiend met haar mooie buste, kwam ze naar hem toe, het hoofd, waaraan zooveel zorg en inlandsche toiletartikelen waren besteed, terzijde, met zacht tikken harer vergulde hakjes op de mat en het geschuifel harer mooie solosche sarong; de korte, sluitende kabaja één borduursel, ’n helder roode bloedkoralen ketting om den hals en flankerende diamanten in de ooren; ’n veelkleurig oostersch beeldje; ’n levend geworden oleographie!Hij lette er niet op! hij had ’n idee en dat hield hem nu in eens bezig! Met een erg bedrukt gelegenheidsgezicht reikte hij haar den brief over, en al verstond ze niet bijzonder veel hollandsch en al was haar kennis van ’t lezen en schrijven niet groot, zoo’n soort brief verstond en begreep ze dadelijk. Wat schulden maken was en ze niet betalen, dat wist ze precies.Al het vroolijke en behaagzieke verdween voor een oogenblik uit haar gezicht; er kwam een algemeene uitdrukking van onbeschaamdheid en brutaliteit over.„Och!” zei ze eerst verwonderd. „Wat is dat?”Hij haalde bedenkelijk de schouders op.„Een oude beer; ik moet betalen; ik heb het niet.”„Jaa!terlaloe!Moet maarpiendjem, ja?”„Jij hebt makkelijk praten!”„Tobat!Waarom niet bijkaas?”Ze was toch slim, dacht hij. Het scheen wel, ondanks alle dure eeden, die ze gezworen had, dat hij, Vermey, niet de eerste was geweest. Hoe drommel kwam ze anders zoo gauw op ’t idee, dat hij geld moest opnemen bij de kas van zijn kantoor?[26]„Kan niet meer,” antwoordde hij. „Al te veel op mijn rekening dit jaar. Het gaat niet. Er moet een verandering komen, anders wordt nog de heele boel hier op een goeden dag voor schuld verkocht. Dàt zou wat moois zijn!”Zij keek hem ernstig aan ’n oogenblik, draaide toen op haar hakjes om en ging stijf en strak met ’n boos gezicht naar achter.Zij had het ineens gesnapt. Dom mocht ze wezen in duizenderlei opzichten,—in alles wat op haar toestand als „huishoudster” rechtstreeks of zijdelings betrekking had, was zij de scherpzinnigheid zelf. Hij wilde haar weg hebben! Daarom had hij zoo gek gedaan, toen hij binnenkwam en haar hand had gezoend. Bij de gedachte eraan, streek ze haar hand langs haar sarong met ’n vies gezicht. Dáárom had hij haar dien brief laten zien. Wie weet of ’t wel eensbetoel’n brief was of hij ’t er maar niet om deed. Er was iets, dat, meende ze, stond vast, en wat het was, zou ze wel te weten komen.George luchtte het op. Dat was één pak van z’n hart; Yps begreep er nu alles van; hij had het gezien aan haar gezicht en aan haar heengaan; zij kon alleen zoo woedend zijn, omdat ze begreep wat er aan de hand was. Hij ontweek elke intimiteit; ging in de logeerkamer slapen, en sprak zoo weinig mogelijk.Binnen twee dagen wist Yps er alles van.Vermey was er de man niet naar te zwijgen. ’s Avonds vertelde hij ’t heele geval onder een grogje aan ’n paar zijner beste vrienden. Toen hij sprak van zijn voorgenomen huwelijk, stelden zij daar slechts heel matigjes belang in.[27]„Je moet het zelf weten,” zei de een.En de ander:„Het is ’n heele onderneming.”Voorts waren beiden het hierover eens, dat Vermey er verstandig aan deed een vrouw te trouwen, die, „wat had”; dat het niet minder verstandig van hem was een vrouw te nemen, die „wist wat een huishouden was,” en dat hij hetsummumvan verstand aan den dag legde door te trouwen met een meisje „dat nooit over de tong was gegaan.”Want „dat was donderen”, beweerde de een.En de ander:„Of je raakt onder de pantoffel, òf er volgt echtscheiding.”Daarmede waren alle beschouwingen over een huwelijk tusschen den heer George Vermey en mejuffrouw Lena Bruce uitgeput.Maar toen hun vriend begon over wat hij „de scènes met Yps” noemde, werd de belangstelling zeer levendig. Hij was aanvankelijk niet van plan te fantaiseeren of te liegen; daarom begon hij eenvoudig met het verhaal van den brief, en hij beschreef hoe ze hem aankeek met „oogen als kolen vuur” en toen „hard wegliep.” Doch dit had reeds zulk een enorm succes, dat hij ’t voor zijn fatsoen, als held van ’t avontuur, dáárbij niet laten kon. Nu, het onderwerp had hem vóór ’t zoover kwam, lang genoeg bezig gehouden, en bovendien stond hem zijn rijke ervaring ten dienste. Zóó werd het een piquant verhaal, gekruid en gesaust, naar indischen trant. Wat er wezenlijk tusschen hem en Yps was voorgevallen, kon men er evenmin uit[28]proeven, als de wezenlijke smaak van rijst uit ’n goede rijsttafel. Bewonderend keken zijn vrienden hem aan. ’t Was toch ’n origineele kerel, die Vermey. Eeuwig jammer, dat hij onder ’t juk kwam!De „vrienden” zouden het volgens afspraak „stil” houden, zij beloofden het stellig; maar thuis vertelden zij het aan hun „wilde” wederhelften, en in de sociëteit en op het kantoor aan hunintimi, die op haar en hun beurt er met den grootsten ijver het: „zegt het voort” op toepasten.Zóó kwam het tot de kennis van Yps, die haar moeder op kondschap had gezonden, en die verwonderd stond te kijken toen ze vernam, dat de heele buurt gewaagde van de verschrikkelijke standjes, die ze maakte. Dàt vond ze gemeen. Neen, zij zou geen leven maken, al behandelde hij haar slecht.„Laat maar!” zei ze in haar eigen, wel innig woedend, maar toch met een overtuiging van victorie: „Laat maar!” Zij was niet gek, dacht ze. Goed beschouwd, was het veel pleizieriger in de kampong, dan in dat akelige steenen huis, dat wel heel mooi was, maar zoo saai! In de kampong kon ze stilletjes knoeien met inlanders; dat vond ze veel plezieriger. Als ze het niet deed om het geld, zou ze nooit een Europeaan willen aankijken. Wat verbeelddehijzich nu wel! Neen, zij zou hem wel anders vinden. „Laat maar!” herhaalde ze bij haar zelve.Toen George thuis kwam dien dag, had hij goed nieuws. Er bestond alle kans dat hij zijn inboedel zou kunnen overdoen, zonder groot verlies. Het moest maar gauw gebeuren ook; zoo spoedig mogelijk. Hij dronk zijn thee in[29]de achtergalerij, waar Yps rondliep met een spottend gezicht.„Je hebt zeker wel begrepen,” zei hij zachtzinnig en verdrietig, „dat ik zoo niet kan blijven leven. Het spijt me gloeiend, maar ik moet den boel verkoopen.”Hij wachtte een oogenblik, maar zij zei niets.„Ik ben genoodzaakt weer op kamers te gaan wonen. Voorloopig trek ik in het hotel.”En toen ze nog altijd zweeg: „Natuurlijk zal ik je niet in den steek laten. Je moet morgenochtend maar eens met je moeder gaan kijken naar ’n huisje ergens. Ik zal dan voor de meubeltjes zorgen.…”Het was niet noodig dat hij zoo’n druk gebruik maakte van dediminutief; ook zonder dat, wist ze het wel. Wat haar woedend maakte op dat moment was zijn gehuicheld vertoon van zachtzinnigheid en leedwezen. Zij deed een paar driftige schreden naar hem toe en keek hem donker in ’t gezicht.„Jij smeerlap!” siste zij hem toe.Daar stond hij van te kijken!En terwijl zij zich verder bezighield met het theegoed, begon zij te schelden op Lena Bruce. Hij liet het gaan, zich verbazend over haar bekendheid met zijn plannen; aan den eenen kant deed het hem goed, al trok hij ’n boos gezicht, en al haalde hij nu en dan met minachting de schouders op. Zij ging spottend voort; zij kende dat trotsche magere spook wel, dat altijd zoo „gekleed” was, maar toch leelijk bleef; zij ving aan haar half in ’t maleisch, half in ’t indo-hollandsch te beschrijven naar de détails. Toen liep George, stikkend van ’t lachen, en niet langer[30]bij machte zich verontwaardigd te houden, naar binnen.Wat hem ’t meest interesseerde, was het feit, dat Yps zoo goed op de hoogte bleek. Het kwam niet bij hem op te denken aan zichzelven of zijn vrienden. Dàt moest Bruce gedaan hebben, meende hij, en hij nam het den ouden heer kwalijk. „Zoo’n kletskous!” dacht hij. „Er waren dan toch ook menschen, die nooit den mond konden houden.”Daartoe echter, behoorde Bruce niet. Wel brandde het hem op de tong, en moest hij zich geweld aandoen. Zoodra dan ook Vermey den „rommel” uit zijn huis zou hebben, nam hij zich voor over de huwelijksplannen voor Lena te spreken. Nu streed het met zijn gevoel, zooals hij ’t noemde, ook slechts tegen anderen er op te zinspelen.[31]

TWEEDE HOOFDSTUK.Yps krijgt haar congé.

„Och, Vermey, kom eens even hier!”Hij schrikte op uit zijn droomerijen, toen zijn chef hem met driftige stem riep.„Ja,” riep hij terug, en volgde haastig.„Die vent moet er maar uit, Vermey.”George liet een blik gaan over de stukken, afrekeningen, uittreksels van boeken enz.; hij zag duidelijk wie bedoeld werd.„U meent Esreteip.”„Het is zoo’n domkop! Kijk dat ding eens aan!”„Ja, ’t ziet er slecht uit; vol knoeierij; ’t is haast niet te zenden. Maar ’k zou ’t nog ’reis met hem probeeren; ze zijn toch allemaal eender.”„Als je naar huis wilt gaan.…”„Och, ’t kan mij niet schelen,” loog George.„Ga gerust je gang.”„Dan wensch ik u goeden avond.”[17]„Bonsoir!”„Waarom zou hij me weg willen hebben?” vroeg zich de eerste geëmployeerde af. „Nu zit hij daar weêr geheel alleen met den mandoer Ali. Dat is al verscheiden malen gebeurd, en vroeger moest altijd iedereen blijven tot het meneer convenieerde naar huis te gaan. ’t Is vreemd!”Hij liet zijn wagen volgen, en wandelde naar huis. ’t Was mooi droog weer en de sporen van den regen waren verdwenen. Hij hoopte Bruce op den weg te ontmoeten, maar toen hij het hooge huis voorbij ging, zag hij zijn aanstaanden schoonvader op het voorerf rondscharrelen tusschen de rozenpotjes, hier ’n dor blaadje wegnemend, ginds ’n al te weelderig uitschot besnoeiend.„Hoe is het ermeê?” vroeg George, en hij kreeg ’n kleur; dat gauw ’n kleur krijgen was een zijner eigenschappen, die hij ’t meest verwenschte.„Het gaat vrij wel.”„Je hebt er haar toch niet over gesproken?” vroeg hij fluisterend, ofschoon hem niemand kon hooren.„Niet direct. Alleen zei ik zoo aan de rijsttafel, dat het voor ’n meisje goed was te trouwen.”„En toen?”„Ja, zie je, ze zei niemendal. ’t Is zoo’n raar kind. Je kunt nooit uit haar wijs worden. Ik ging voort en zei, dat het me niets zou verwonderen, als het ook langzamerhand haar tijd werd. Toen begon ze te lachen. Het zou wel ’n net boeltje worden, in ons huis, meende ze, als zij eens de deur uit was. Nu, dat behoefde niet samen te gaan, vond ik. Het was geen vereischte dat een meisje[18]trouwde met iemand die naar een andere plaats ging, en als zij hier bleef, kon ze ook wel bij ons inwonen. Ik begon daarop ineens over jou te spreken, maar toen belde de oude vrouw boven. Het mensch had ’t zeker weêr te kwaad met de borst, en Leen liep dadelijk weg om haar moeder te helpen.”„Dus dat is eigenlijk niks,” zei George teleurgesteld.„Dat moet je niet zeggen, Vermey. Het is een begin. Zij zal over het eene denken, en vanzelf komt haar daarbij het andere in de gedachte.”„Ik mag het lijden, ouwe heer,” zei George ongeloovig.„Bovendien: het heeft zoo’n haast nog niet. Eerst moet de rommel daar bij je zijn weggeruimd.”„Natuurlijk.… maar.…”„Nu,” vroeg de oude Bruce, „wat is er dan? Heb je nog wat op je gemoed?”„Ja, zie je,” ging de ander glimlachend voort. „Ik ben ’n boon als ik weet hoe ik dat ding moet aanpakken.”„Nu, die is slim! Ik wist waarachtig niet, dat je zoo’n onnoozel borstje was.”„Wees nu niet flauw! Dàt is het niet. Ik ben twaalf jaren ouder dan zij.…”„Het mocht wat,” zei Bruce zich trots oprichtend. „Ik was twintig jaar ouder dan haar moeder, toen ik die vroeg, en zeven jaar ouder dan jij nu bent. Het heeft nooit ’n fout gemaakt in de rekening, vriendje! En nou[19]ligt het mensch daar boven met ’n sleepende kwaal, en ik sta hier.” Hij sloeg met zijn stevige knokkels op zijn goed gewelfde borst, dat het klonk als ’n klok. Al het ijdel egoïsme van physiek gelukkige grijsaards, tegenover het zwak en ziekelijk deel van het menschdom, sprak daaruit.George was te veel met zichzelf bezig om dáárop te letten.„’t Is alles goed en wel, maar metmijis het een ander geval.”Bruce mat den jongen man van het hoofd tot de voeten.„Je ziet er anders ook wel uit of je ’n boerenkermis meê kan maken.”„Dàt is het niet. Je begrijpt me niet. Wij hebben niet op dezelfde manier geleefd. Ik heb er in de liefde altijd m’n gemak van genomen. Aan hofmakerij tegenover jonge dames heb ik maar weinig gedaan. Het gaat mij, dat weet ik vooruit, slecht af. En dan bij Leentje!.…”„Waarom in het bijzonder bij haar?”„Wel.… je weet toch waarachtig wel, dat ik reeds als jongen van 18 jaar bij jullie aan huis kwam, toen Leentje nog een zuigeling was.”„Hm! Ik zou daar nu maar niet langer aan denken Vermey. Zij is sedert gespeend, dat verzeker ik je, en jij moet je niet zenuwachtig maken,” zei Bruce het indo-hollandsch nabootsend bij wijze van aardigheid.„Het zal wel schikken.”„Zeker! Maar eerst dien rommel uit je huis. Zet de[20]meid eruit, houd vendutie en trek in een logement of in een commensalenhuis. Ik wil niet hebben, dat je met m’n dochter ergens over spreekt vóór dat achter den rug is.”„Natuurlijk,” beaamde George volkomen, maar met een zucht.„En als het je zooveel kost als ik uit je zuchten moet opmaken.…”„Och, wel neen! het is gekheid.… ik dacht aan het verlies, dat ik lijden moet op die beroerde vendutie.”„Ja, er zit toch niets anders op. En wat dat betreft,” ging Bruce voort, de bekende geldtellende duim- en vingerbeweging makend, „is, meen ik, de inzet den prijs wel waard.”Zonder daarop te antwoorden, reikte Vermey hem de hand en ging heen.’t Was waar, wat zijn aanstaande schoonvader zei, en hij had ook inderdaad meer aan Yps gedacht, dan aan zijn vendutie; maar dat wou hij niet weten.Doch onjuist was Bruce’s veronderstelling, dat zijn dochter zijn woorden herdacht zou hebben. Zij gingen haar het eene oor in en het andere uit. Zij had immersals meisjedat onderwerp letterlijk „afgedacht” en voor het denkbeeld van een huwelijk met Vermey was in haar brein geen plaats. Zij had het veel te druk om tijd over te houden voor gevaarlijke bespiegelingen. Er waren jaren geweest, waarin zijmoeilijkedagen doorleefde, gekweld door een nameloos verlangen. Dat was voorbij; naar zij hoopte voorgoed. Er was hoofdzakelijk van overgebleven een soort van voorgesteld ideaal. Een denkbeeldig wezen, zooals zij er zich[21]een zou wenschen tot man. Zij had er wel ontmoet, die daar ’n beetje op geleken. Op de bals in de sociëteit, had zij wel gedanst met jonge mannen, wien ze het jawoord zou gegeven hebben, als ze erom hadden gevraagd. Maar dàt gebeurde nooit.Nu kon het haar niet meer schelen. Bovendien zou ze nooit haar moeder verlaten. Het was een zware, ondankbare taak in het huishouden. Den ganschen dag de trappen op en af. Mama boven ziek, het huishouden beneden,—soms als zij met groote vlugheid als het ware langs de treden omlaag gleed, stond ze een oogenblik stil en bracht de hand aan het hart met een gevoel van duizeligheid, terwijl alles haar draaide voor de oogen. Maar ze herstelde zich weer spoedig. Er moest immers voor zooveel gezorgd worden, en dat was bij haar ernstig ontwikkeld plichtsgevoel een zóó gewichtige taak dat haar moeder haar liever scheen te worden, naarmate de ziekte meer verzorging eischte, en het huisgezin haar nader kwam staan hoe meer het vergde van haar geringe krachten.George ontroerde toen hij zijn woning binnentrad. Als alle ondiepe watertjes was hij licht bewogen. Arme Yps! Dat was dan toch ook ’n gruwelijk lot, nu weêr te worden weggezonden naar de kampong! Weggezonden, als een bediende, als ’n voetveeg, als ’n stuk gereedschap „na gemaaktgebruik.”Kasian!dacht hij, en met tranen in de oogen, die hij z’n best deed weg te knippen, trad hij de kleedkamer binnen.Yps zat, zooals zij den halven dag deed, haar mooi gezichtje te bekijken in den fraaien toiletspiegel, haar krulletjes[22]te arrangeeren op haar voorhoofd, het rood harer lippen te verhoogen metkendjoe, het zwart harer oogen effectvoller te maken door het metsarmate onderstreepen; haar gelaatskleur licht en fluweelig te doen schijnen door een handige compositie vanbedaq,—en den boog harer wenkbrauwen te verfraaien met wat gebrandekemiriemet welriekende olie.Het deed George’s ontroering toenemen. ’t Lieve diertje! Dat deed ze immers alleen om hem te behagen!Hij had wel graag den kogel door de kerk willen jagen, maar hij durfde niet; hij gevoelde dat hij tusschen twee vrouwelijke vuren was geraakt, en hij had niet kunnen zeggen, waartegen hij meer opzag: Lena Bruce ten huwelijk te vragen, dan Yps haar congé te geven. Toch was het niet de eerste maal, dat hij ’n huishoudster aan het verstand zou brengen, hoe er voor maatschappelijk niet erkende vennooten van haar slag na een tijd van komen onvermijdelijk een tijd van gaan volgt. Hij had het vroeger altijd gedaande coeur léger, en ’t was hem wèl bekomen. ’n Voorwendsel van jaloerschheid, ’n geweldig standje over ’t een of ander en,—klaar was Kees. Ook thans zou hij niet zooveel „gemoedsbezwaren” hebben gehad, als het slechts een gewone verandering van decoratief had gegolden, als hij zin had gekregen in een andere van gelijk slag; ongetwijfeld zou Yps dan zonder genade haar voorgangsters met groote snelheid zijn gevolgd.Nu aarzelde hij; nu begon hij op zijn manier ernstig te philosopheeren. Wat was toch het leven, dacht-ie! Zoo’n meisje was eigenlijk precies voor ’n man, wat ’n europeesche[23]vrouw voor hem was; en meer en beter soms! Was het niet onmenschelijk en schandelijk haar „zoo maar” aan den dijk te zetten? Zij had toch óók gevoel; zij was toch óók ’n mensch, met een hart, dat klopte voor hen, die ze aanhing en liefhad; met al die echt menschelijke neigingen en aandoeningen.… Hij had kunnen huilen, zóó werkte hij nu weêr op zijn eigen zenuwen. Hij nam haar donker handje in zijn groote blanke hand; de net gevormde vingertjes, dik aan den wortel en spits toeloopend, de kuiltjes op de fijne onzichtbare knokken,—hij vond dat zoo sprekend cachet der luiheid allersnoepigst, en hij zoende het.Er was een brief noodig om hem van z’n bui van aandoenlijkheid te genezen. Hij stond waarlijk op het punt Yps aan hethart te drukken, haar alles te vertellen, en meteen dat Lena Bruce naar de maan kon loopen en Yps permissie had in zijn huis te blijven,minusde voorgalerij; hij zou gedacht hebben, dat hij het deed uit groote edelmoedigheid, zonder eenig verder zelfonderzoek; zonder zich af te vragen hoe het kwam, dat het wegzenden van een huishoudster hem vroeger nooit zoo nobel gestemd had; waarom hij er drie of vier met de grootste hardvochtigheid de deur uit had gegooid, en thans zijn gemoed daar zoo tegen op kwam; of niet veeleer zijn eigen vrees voor het huwelijk, de wezenlijke oorzaak was van zijn dralen tegenover Yps en zijne bij deze bijzondere gelegenheid opdoemende zedelijkheidsbegrippen?Want dàt was het eigenlijk. Hij was bang om te trouwen; hij had, ondanks de conventioneel dichterlijke beschouwingen, die hij zich opdrong, een verschrikkelijke[24]vrees voor het huwelijk; hij was langzamerhand en onbewust van oordeel geworden, dat het huwelijk een halve zelfmoord is, en dat elk celibatair, als voorstander van een vroolijk en gezellig leven, eigenlijk rouw moest dragen over een vriend, die trouwen ging, zooals de joden doen over een afvallige.Groote God! had hij meer dan eens gedacht, wat werden het saaie kerels, als ze eenmaal gekluisterd lagen aan desarongeener „wettige echtgenoote!” En ofschoon hij daar nu niet rechtstreeks aan dacht, was toch de grondidee van al zijn teeder tobben over Yps en over den socialen toestand van alle Ypsen geen andere dan deze: moet ik nu ook zoo’n saaie kerel worden, ik, George Vermey, die minstens zes ochtenden in de maand wakker word met een minimumherinneringsvermogen, maar de absolute zekerheid, dat we den vorigen avond tot laat in den nacht ’n fameuse lol hebben gehad?Hij las den brief: „Herhaalde malen.… te vergeefs aangedrongen.… oude pretentie.… onze advocaat..”„Gévédé!” vloekte George, „ik wou dat die vervelende kerels.….” .…. Het was uit met de aandoenlijkheid. Hij zou met Lena Bruce trouwen, dàt stond vast. Er moest eindelijk eens ’n eind komen aan dat gezanik!Yps kwam in de binnengalerij, waar hij den brief had ontvangen en gelezen. Er stond een buitendeur open, en hij haastte zich die te sluiten. Men mocht haar eens zien! Vroeger kon hem dat zoo erg niet schelen, maar nu hij heuschelijke trouwplannen had, stond het niet. Heupwiegend[25]en draaiend met haar mooie buste, kwam ze naar hem toe, het hoofd, waaraan zooveel zorg en inlandsche toiletartikelen waren besteed, terzijde, met zacht tikken harer vergulde hakjes op de mat en het geschuifel harer mooie solosche sarong; de korte, sluitende kabaja één borduursel, ’n helder roode bloedkoralen ketting om den hals en flankerende diamanten in de ooren; ’n veelkleurig oostersch beeldje; ’n levend geworden oleographie!Hij lette er niet op! hij had ’n idee en dat hield hem nu in eens bezig! Met een erg bedrukt gelegenheidsgezicht reikte hij haar den brief over, en al verstond ze niet bijzonder veel hollandsch en al was haar kennis van ’t lezen en schrijven niet groot, zoo’n soort brief verstond en begreep ze dadelijk. Wat schulden maken was en ze niet betalen, dat wist ze precies.Al het vroolijke en behaagzieke verdween voor een oogenblik uit haar gezicht; er kwam een algemeene uitdrukking van onbeschaamdheid en brutaliteit over.„Och!” zei ze eerst verwonderd. „Wat is dat?”Hij haalde bedenkelijk de schouders op.„Een oude beer; ik moet betalen; ik heb het niet.”„Jaa!terlaloe!Moet maarpiendjem, ja?”„Jij hebt makkelijk praten!”„Tobat!Waarom niet bijkaas?”Ze was toch slim, dacht hij. Het scheen wel, ondanks alle dure eeden, die ze gezworen had, dat hij, Vermey, niet de eerste was geweest. Hoe drommel kwam ze anders zoo gauw op ’t idee, dat hij geld moest opnemen bij de kas van zijn kantoor?[26]„Kan niet meer,” antwoordde hij. „Al te veel op mijn rekening dit jaar. Het gaat niet. Er moet een verandering komen, anders wordt nog de heele boel hier op een goeden dag voor schuld verkocht. Dàt zou wat moois zijn!”Zij keek hem ernstig aan ’n oogenblik, draaide toen op haar hakjes om en ging stijf en strak met ’n boos gezicht naar achter.Zij had het ineens gesnapt. Dom mocht ze wezen in duizenderlei opzichten,—in alles wat op haar toestand als „huishoudster” rechtstreeks of zijdelings betrekking had, was zij de scherpzinnigheid zelf. Hij wilde haar weg hebben! Daarom had hij zoo gek gedaan, toen hij binnenkwam en haar hand had gezoend. Bij de gedachte eraan, streek ze haar hand langs haar sarong met ’n vies gezicht. Dáárom had hij haar dien brief laten zien. Wie weet of ’t wel eensbetoel’n brief was of hij ’t er maar niet om deed. Er was iets, dat, meende ze, stond vast, en wat het was, zou ze wel te weten komen.George luchtte het op. Dat was één pak van z’n hart; Yps begreep er nu alles van; hij had het gezien aan haar gezicht en aan haar heengaan; zij kon alleen zoo woedend zijn, omdat ze begreep wat er aan de hand was. Hij ontweek elke intimiteit; ging in de logeerkamer slapen, en sprak zoo weinig mogelijk.Binnen twee dagen wist Yps er alles van.Vermey was er de man niet naar te zwijgen. ’s Avonds vertelde hij ’t heele geval onder een grogje aan ’n paar zijner beste vrienden. Toen hij sprak van zijn voorgenomen huwelijk, stelden zij daar slechts heel matigjes belang in.[27]„Je moet het zelf weten,” zei de een.En de ander:„Het is ’n heele onderneming.”Voorts waren beiden het hierover eens, dat Vermey er verstandig aan deed een vrouw te trouwen, die, „wat had”; dat het niet minder verstandig van hem was een vrouw te nemen, die „wist wat een huishouden was,” en dat hij hetsummumvan verstand aan den dag legde door te trouwen met een meisje „dat nooit over de tong was gegaan.”Want „dat was donderen”, beweerde de een.En de ander:„Of je raakt onder de pantoffel, òf er volgt echtscheiding.”Daarmede waren alle beschouwingen over een huwelijk tusschen den heer George Vermey en mejuffrouw Lena Bruce uitgeput.Maar toen hun vriend begon over wat hij „de scènes met Yps” noemde, werd de belangstelling zeer levendig. Hij was aanvankelijk niet van plan te fantaiseeren of te liegen; daarom begon hij eenvoudig met het verhaal van den brief, en hij beschreef hoe ze hem aankeek met „oogen als kolen vuur” en toen „hard wegliep.” Doch dit had reeds zulk een enorm succes, dat hij ’t voor zijn fatsoen, als held van ’t avontuur, dáárbij niet laten kon. Nu, het onderwerp had hem vóór ’t zoover kwam, lang genoeg bezig gehouden, en bovendien stond hem zijn rijke ervaring ten dienste. Zóó werd het een piquant verhaal, gekruid en gesaust, naar indischen trant. Wat er wezenlijk tusschen hem en Yps was voorgevallen, kon men er evenmin uit[28]proeven, als de wezenlijke smaak van rijst uit ’n goede rijsttafel. Bewonderend keken zijn vrienden hem aan. ’t Was toch ’n origineele kerel, die Vermey. Eeuwig jammer, dat hij onder ’t juk kwam!De „vrienden” zouden het volgens afspraak „stil” houden, zij beloofden het stellig; maar thuis vertelden zij het aan hun „wilde” wederhelften, en in de sociëteit en op het kantoor aan hunintimi, die op haar en hun beurt er met den grootsten ijver het: „zegt het voort” op toepasten.Zóó kwam het tot de kennis van Yps, die haar moeder op kondschap had gezonden, en die verwonderd stond te kijken toen ze vernam, dat de heele buurt gewaagde van de verschrikkelijke standjes, die ze maakte. Dàt vond ze gemeen. Neen, zij zou geen leven maken, al behandelde hij haar slecht.„Laat maar!” zei ze in haar eigen, wel innig woedend, maar toch met een overtuiging van victorie: „Laat maar!” Zij was niet gek, dacht ze. Goed beschouwd, was het veel pleizieriger in de kampong, dan in dat akelige steenen huis, dat wel heel mooi was, maar zoo saai! In de kampong kon ze stilletjes knoeien met inlanders; dat vond ze veel plezieriger. Als ze het niet deed om het geld, zou ze nooit een Europeaan willen aankijken. Wat verbeelddehijzich nu wel! Neen, zij zou hem wel anders vinden. „Laat maar!” herhaalde ze bij haar zelve.Toen George thuis kwam dien dag, had hij goed nieuws. Er bestond alle kans dat hij zijn inboedel zou kunnen overdoen, zonder groot verlies. Het moest maar gauw gebeuren ook; zoo spoedig mogelijk. Hij dronk zijn thee in[29]de achtergalerij, waar Yps rondliep met een spottend gezicht.„Je hebt zeker wel begrepen,” zei hij zachtzinnig en verdrietig, „dat ik zoo niet kan blijven leven. Het spijt me gloeiend, maar ik moet den boel verkoopen.”Hij wachtte een oogenblik, maar zij zei niets.„Ik ben genoodzaakt weer op kamers te gaan wonen. Voorloopig trek ik in het hotel.”En toen ze nog altijd zweeg: „Natuurlijk zal ik je niet in den steek laten. Je moet morgenochtend maar eens met je moeder gaan kijken naar ’n huisje ergens. Ik zal dan voor de meubeltjes zorgen.…”Het was niet noodig dat hij zoo’n druk gebruik maakte van dediminutief; ook zonder dat, wist ze het wel. Wat haar woedend maakte op dat moment was zijn gehuicheld vertoon van zachtzinnigheid en leedwezen. Zij deed een paar driftige schreden naar hem toe en keek hem donker in ’t gezicht.„Jij smeerlap!” siste zij hem toe.Daar stond hij van te kijken!En terwijl zij zich verder bezighield met het theegoed, begon zij te schelden op Lena Bruce. Hij liet het gaan, zich verbazend over haar bekendheid met zijn plannen; aan den eenen kant deed het hem goed, al trok hij ’n boos gezicht, en al haalde hij nu en dan met minachting de schouders op. Zij ging spottend voort; zij kende dat trotsche magere spook wel, dat altijd zoo „gekleed” was, maar toch leelijk bleef; zij ving aan haar half in ’t maleisch, half in ’t indo-hollandsch te beschrijven naar de détails. Toen liep George, stikkend van ’t lachen, en niet langer[30]bij machte zich verontwaardigd te houden, naar binnen.Wat hem ’t meest interesseerde, was het feit, dat Yps zoo goed op de hoogte bleek. Het kwam niet bij hem op te denken aan zichzelven of zijn vrienden. Dàt moest Bruce gedaan hebben, meende hij, en hij nam het den ouden heer kwalijk. „Zoo’n kletskous!” dacht hij. „Er waren dan toch ook menschen, die nooit den mond konden houden.”Daartoe echter, behoorde Bruce niet. Wel brandde het hem op de tong, en moest hij zich geweld aandoen. Zoodra dan ook Vermey den „rommel” uit zijn huis zou hebben, nam hij zich voor over de huwelijksplannen voor Lena te spreken. Nu streed het met zijn gevoel, zooals hij ’t noemde, ook slechts tegen anderen er op te zinspelen.[31]

„Och, Vermey, kom eens even hier!”

Hij schrikte op uit zijn droomerijen, toen zijn chef hem met driftige stem riep.

„Ja,” riep hij terug, en volgde haastig.

„Die vent moet er maar uit, Vermey.”

George liet een blik gaan over de stukken, afrekeningen, uittreksels van boeken enz.; hij zag duidelijk wie bedoeld werd.

„U meent Esreteip.”

„Het is zoo’n domkop! Kijk dat ding eens aan!”

„Ja, ’t ziet er slecht uit; vol knoeierij; ’t is haast niet te zenden. Maar ’k zou ’t nog ’reis met hem probeeren; ze zijn toch allemaal eender.”

„Als je naar huis wilt gaan.…”

„Och, ’t kan mij niet schelen,” loog George.

„Ga gerust je gang.”

„Dan wensch ik u goeden avond.”[17]

„Bonsoir!”

„Waarom zou hij me weg willen hebben?” vroeg zich de eerste geëmployeerde af. „Nu zit hij daar weêr geheel alleen met den mandoer Ali. Dat is al verscheiden malen gebeurd, en vroeger moest altijd iedereen blijven tot het meneer convenieerde naar huis te gaan. ’t Is vreemd!”

Hij liet zijn wagen volgen, en wandelde naar huis. ’t Was mooi droog weer en de sporen van den regen waren verdwenen. Hij hoopte Bruce op den weg te ontmoeten, maar toen hij het hooge huis voorbij ging, zag hij zijn aanstaanden schoonvader op het voorerf rondscharrelen tusschen de rozenpotjes, hier ’n dor blaadje wegnemend, ginds ’n al te weelderig uitschot besnoeiend.

„Hoe is het ermeê?” vroeg George, en hij kreeg ’n kleur; dat gauw ’n kleur krijgen was een zijner eigenschappen, die hij ’t meest verwenschte.

„Het gaat vrij wel.”

„Je hebt er haar toch niet over gesproken?” vroeg hij fluisterend, ofschoon hem niemand kon hooren.

„Niet direct. Alleen zei ik zoo aan de rijsttafel, dat het voor ’n meisje goed was te trouwen.”

„En toen?”

„Ja, zie je, ze zei niemendal. ’t Is zoo’n raar kind. Je kunt nooit uit haar wijs worden. Ik ging voort en zei, dat het me niets zou verwonderen, als het ook langzamerhand haar tijd werd. Toen begon ze te lachen. Het zou wel ’n net boeltje worden, in ons huis, meende ze, als zij eens de deur uit was. Nu, dat behoefde niet samen te gaan, vond ik. Het was geen vereischte dat een meisje[18]trouwde met iemand die naar een andere plaats ging, en als zij hier bleef, kon ze ook wel bij ons inwonen. Ik begon daarop ineens over jou te spreken, maar toen belde de oude vrouw boven. Het mensch had ’t zeker weêr te kwaad met de borst, en Leen liep dadelijk weg om haar moeder te helpen.”

„Dus dat is eigenlijk niks,” zei George teleurgesteld.

„Dat moet je niet zeggen, Vermey. Het is een begin. Zij zal over het eene denken, en vanzelf komt haar daarbij het andere in de gedachte.”

„Ik mag het lijden, ouwe heer,” zei George ongeloovig.

„Bovendien: het heeft zoo’n haast nog niet. Eerst moet de rommel daar bij je zijn weggeruimd.”

„Natuurlijk.… maar.…”

„Nu,” vroeg de oude Bruce, „wat is er dan? Heb je nog wat op je gemoed?”

„Ja, zie je,” ging de ander glimlachend voort. „Ik ben ’n boon als ik weet hoe ik dat ding moet aanpakken.”

„Nu, die is slim! Ik wist waarachtig niet, dat je zoo’n onnoozel borstje was.”

„Wees nu niet flauw! Dàt is het niet. Ik ben twaalf jaren ouder dan zij.…”

„Het mocht wat,” zei Bruce zich trots oprichtend. „Ik was twintig jaar ouder dan haar moeder, toen ik die vroeg, en zeven jaar ouder dan jij nu bent. Het heeft nooit ’n fout gemaakt in de rekening, vriendje! En nou[19]ligt het mensch daar boven met ’n sleepende kwaal, en ik sta hier.” Hij sloeg met zijn stevige knokkels op zijn goed gewelfde borst, dat het klonk als ’n klok. Al het ijdel egoïsme van physiek gelukkige grijsaards, tegenover het zwak en ziekelijk deel van het menschdom, sprak daaruit.

George was te veel met zichzelf bezig om dáárop te letten.

„’t Is alles goed en wel, maar metmijis het een ander geval.”

Bruce mat den jongen man van het hoofd tot de voeten.

„Je ziet er anders ook wel uit of je ’n boerenkermis meê kan maken.”

„Dàt is het niet. Je begrijpt me niet. Wij hebben niet op dezelfde manier geleefd. Ik heb er in de liefde altijd m’n gemak van genomen. Aan hofmakerij tegenover jonge dames heb ik maar weinig gedaan. Het gaat mij, dat weet ik vooruit, slecht af. En dan bij Leentje!.…”

„Waarom in het bijzonder bij haar?”

„Wel.… je weet toch waarachtig wel, dat ik reeds als jongen van 18 jaar bij jullie aan huis kwam, toen Leentje nog een zuigeling was.”

„Hm! Ik zou daar nu maar niet langer aan denken Vermey. Zij is sedert gespeend, dat verzeker ik je, en jij moet je niet zenuwachtig maken,” zei Bruce het indo-hollandsch nabootsend bij wijze van aardigheid.

„Het zal wel schikken.”

„Zeker! Maar eerst dien rommel uit je huis. Zet de[20]meid eruit, houd vendutie en trek in een logement of in een commensalenhuis. Ik wil niet hebben, dat je met m’n dochter ergens over spreekt vóór dat achter den rug is.”

„Natuurlijk,” beaamde George volkomen, maar met een zucht.

„En als het je zooveel kost als ik uit je zuchten moet opmaken.…”

„Och, wel neen! het is gekheid.… ik dacht aan het verlies, dat ik lijden moet op die beroerde vendutie.”

„Ja, er zit toch niets anders op. En wat dat betreft,” ging Bruce voort, de bekende geldtellende duim- en vingerbeweging makend, „is, meen ik, de inzet den prijs wel waard.”

Zonder daarop te antwoorden, reikte Vermey hem de hand en ging heen.

’t Was waar, wat zijn aanstaande schoonvader zei, en hij had ook inderdaad meer aan Yps gedacht, dan aan zijn vendutie; maar dat wou hij niet weten.

Doch onjuist was Bruce’s veronderstelling, dat zijn dochter zijn woorden herdacht zou hebben. Zij gingen haar het eene oor in en het andere uit. Zij had immersals meisjedat onderwerp letterlijk „afgedacht” en voor het denkbeeld van een huwelijk met Vermey was in haar brein geen plaats. Zij had het veel te druk om tijd over te houden voor gevaarlijke bespiegelingen. Er waren jaren geweest, waarin zijmoeilijkedagen doorleefde, gekweld door een nameloos verlangen. Dat was voorbij; naar zij hoopte voorgoed. Er was hoofdzakelijk van overgebleven een soort van voorgesteld ideaal. Een denkbeeldig wezen, zooals zij er zich[21]een zou wenschen tot man. Zij had er wel ontmoet, die daar ’n beetje op geleken. Op de bals in de sociëteit, had zij wel gedanst met jonge mannen, wien ze het jawoord zou gegeven hebben, als ze erom hadden gevraagd. Maar dàt gebeurde nooit.

Nu kon het haar niet meer schelen. Bovendien zou ze nooit haar moeder verlaten. Het was een zware, ondankbare taak in het huishouden. Den ganschen dag de trappen op en af. Mama boven ziek, het huishouden beneden,—soms als zij met groote vlugheid als het ware langs de treden omlaag gleed, stond ze een oogenblik stil en bracht de hand aan het hart met een gevoel van duizeligheid, terwijl alles haar draaide voor de oogen. Maar ze herstelde zich weer spoedig. Er moest immers voor zooveel gezorgd worden, en dat was bij haar ernstig ontwikkeld plichtsgevoel een zóó gewichtige taak dat haar moeder haar liever scheen te worden, naarmate de ziekte meer verzorging eischte, en het huisgezin haar nader kwam staan hoe meer het vergde van haar geringe krachten.

George ontroerde toen hij zijn woning binnentrad. Als alle ondiepe watertjes was hij licht bewogen. Arme Yps! Dat was dan toch ook ’n gruwelijk lot, nu weêr te worden weggezonden naar de kampong! Weggezonden, als een bediende, als ’n voetveeg, als ’n stuk gereedschap „na gemaaktgebruik.”Kasian!dacht hij, en met tranen in de oogen, die hij z’n best deed weg te knippen, trad hij de kleedkamer binnen.

Yps zat, zooals zij den halven dag deed, haar mooi gezichtje te bekijken in den fraaien toiletspiegel, haar krulletjes[22]te arrangeeren op haar voorhoofd, het rood harer lippen te verhoogen metkendjoe, het zwart harer oogen effectvoller te maken door het metsarmate onderstreepen; haar gelaatskleur licht en fluweelig te doen schijnen door een handige compositie vanbedaq,—en den boog harer wenkbrauwen te verfraaien met wat gebrandekemiriemet welriekende olie.

Het deed George’s ontroering toenemen. ’t Lieve diertje! Dat deed ze immers alleen om hem te behagen!

Hij had wel graag den kogel door de kerk willen jagen, maar hij durfde niet; hij gevoelde dat hij tusschen twee vrouwelijke vuren was geraakt, en hij had niet kunnen zeggen, waartegen hij meer opzag: Lena Bruce ten huwelijk te vragen, dan Yps haar congé te geven. Toch was het niet de eerste maal, dat hij ’n huishoudster aan het verstand zou brengen, hoe er voor maatschappelijk niet erkende vennooten van haar slag na een tijd van komen onvermijdelijk een tijd van gaan volgt. Hij had het vroeger altijd gedaande coeur léger, en ’t was hem wèl bekomen. ’n Voorwendsel van jaloerschheid, ’n geweldig standje over ’t een of ander en,—klaar was Kees. Ook thans zou hij niet zooveel „gemoedsbezwaren” hebben gehad, als het slechts een gewone verandering van decoratief had gegolden, als hij zin had gekregen in een andere van gelijk slag; ongetwijfeld zou Yps dan zonder genade haar voorgangsters met groote snelheid zijn gevolgd.

Nu aarzelde hij; nu begon hij op zijn manier ernstig te philosopheeren. Wat was toch het leven, dacht-ie! Zoo’n meisje was eigenlijk precies voor ’n man, wat ’n europeesche[23]vrouw voor hem was; en meer en beter soms! Was het niet onmenschelijk en schandelijk haar „zoo maar” aan den dijk te zetten? Zij had toch óók gevoel; zij was toch óók ’n mensch, met een hart, dat klopte voor hen, die ze aanhing en liefhad; met al die echt menschelijke neigingen en aandoeningen.… Hij had kunnen huilen, zóó werkte hij nu weêr op zijn eigen zenuwen. Hij nam haar donker handje in zijn groote blanke hand; de net gevormde vingertjes, dik aan den wortel en spits toeloopend, de kuiltjes op de fijne onzichtbare knokken,—hij vond dat zoo sprekend cachet der luiheid allersnoepigst, en hij zoende het.

Er was een brief noodig om hem van z’n bui van aandoenlijkheid te genezen. Hij stond waarlijk op het punt Yps aan hethart te drukken, haar alles te vertellen, en meteen dat Lena Bruce naar de maan kon loopen en Yps permissie had in zijn huis te blijven,minusde voorgalerij; hij zou gedacht hebben, dat hij het deed uit groote edelmoedigheid, zonder eenig verder zelfonderzoek; zonder zich af te vragen hoe het kwam, dat het wegzenden van een huishoudster hem vroeger nooit zoo nobel gestemd had; waarom hij er drie of vier met de grootste hardvochtigheid de deur uit had gegooid, en thans zijn gemoed daar zoo tegen op kwam; of niet veeleer zijn eigen vrees voor het huwelijk, de wezenlijke oorzaak was van zijn dralen tegenover Yps en zijne bij deze bijzondere gelegenheid opdoemende zedelijkheidsbegrippen?

Want dàt was het eigenlijk. Hij was bang om te trouwen; hij had, ondanks de conventioneel dichterlijke beschouwingen, die hij zich opdrong, een verschrikkelijke[24]vrees voor het huwelijk; hij was langzamerhand en onbewust van oordeel geworden, dat het huwelijk een halve zelfmoord is, en dat elk celibatair, als voorstander van een vroolijk en gezellig leven, eigenlijk rouw moest dragen over een vriend, die trouwen ging, zooals de joden doen over een afvallige.

Groote God! had hij meer dan eens gedacht, wat werden het saaie kerels, als ze eenmaal gekluisterd lagen aan desarongeener „wettige echtgenoote!” En ofschoon hij daar nu niet rechtstreeks aan dacht, was toch de grondidee van al zijn teeder tobben over Yps en over den socialen toestand van alle Ypsen geen andere dan deze: moet ik nu ook zoo’n saaie kerel worden, ik, George Vermey, die minstens zes ochtenden in de maand wakker word met een minimumherinneringsvermogen, maar de absolute zekerheid, dat we den vorigen avond tot laat in den nacht ’n fameuse lol hebben gehad?

Hij las den brief: „Herhaalde malen.… te vergeefs aangedrongen.… oude pretentie.… onze advocaat..”

„Gévédé!” vloekte George, „ik wou dat die vervelende kerels.….” .…. Het was uit met de aandoenlijkheid. Hij zou met Lena Bruce trouwen, dàt stond vast. Er moest eindelijk eens ’n eind komen aan dat gezanik!

Yps kwam in de binnengalerij, waar hij den brief had ontvangen en gelezen. Er stond een buitendeur open, en hij haastte zich die te sluiten. Men mocht haar eens zien! Vroeger kon hem dat zoo erg niet schelen, maar nu hij heuschelijke trouwplannen had, stond het niet. Heupwiegend[25]en draaiend met haar mooie buste, kwam ze naar hem toe, het hoofd, waaraan zooveel zorg en inlandsche toiletartikelen waren besteed, terzijde, met zacht tikken harer vergulde hakjes op de mat en het geschuifel harer mooie solosche sarong; de korte, sluitende kabaja één borduursel, ’n helder roode bloedkoralen ketting om den hals en flankerende diamanten in de ooren; ’n veelkleurig oostersch beeldje; ’n levend geworden oleographie!

Hij lette er niet op! hij had ’n idee en dat hield hem nu in eens bezig! Met een erg bedrukt gelegenheidsgezicht reikte hij haar den brief over, en al verstond ze niet bijzonder veel hollandsch en al was haar kennis van ’t lezen en schrijven niet groot, zoo’n soort brief verstond en begreep ze dadelijk. Wat schulden maken was en ze niet betalen, dat wist ze precies.

Al het vroolijke en behaagzieke verdween voor een oogenblik uit haar gezicht; er kwam een algemeene uitdrukking van onbeschaamdheid en brutaliteit over.

„Och!” zei ze eerst verwonderd. „Wat is dat?”

Hij haalde bedenkelijk de schouders op.

„Een oude beer; ik moet betalen; ik heb het niet.”

„Jaa!terlaloe!Moet maarpiendjem, ja?”

„Jij hebt makkelijk praten!”

„Tobat!Waarom niet bijkaas?”

Ze was toch slim, dacht hij. Het scheen wel, ondanks alle dure eeden, die ze gezworen had, dat hij, Vermey, niet de eerste was geweest. Hoe drommel kwam ze anders zoo gauw op ’t idee, dat hij geld moest opnemen bij de kas van zijn kantoor?[26]

„Kan niet meer,” antwoordde hij. „Al te veel op mijn rekening dit jaar. Het gaat niet. Er moet een verandering komen, anders wordt nog de heele boel hier op een goeden dag voor schuld verkocht. Dàt zou wat moois zijn!”

Zij keek hem ernstig aan ’n oogenblik, draaide toen op haar hakjes om en ging stijf en strak met ’n boos gezicht naar achter.

Zij had het ineens gesnapt. Dom mocht ze wezen in duizenderlei opzichten,—in alles wat op haar toestand als „huishoudster” rechtstreeks of zijdelings betrekking had, was zij de scherpzinnigheid zelf. Hij wilde haar weg hebben! Daarom had hij zoo gek gedaan, toen hij binnenkwam en haar hand had gezoend. Bij de gedachte eraan, streek ze haar hand langs haar sarong met ’n vies gezicht. Dáárom had hij haar dien brief laten zien. Wie weet of ’t wel eensbetoel’n brief was of hij ’t er maar niet om deed. Er was iets, dat, meende ze, stond vast, en wat het was, zou ze wel te weten komen.

George luchtte het op. Dat was één pak van z’n hart; Yps begreep er nu alles van; hij had het gezien aan haar gezicht en aan haar heengaan; zij kon alleen zoo woedend zijn, omdat ze begreep wat er aan de hand was. Hij ontweek elke intimiteit; ging in de logeerkamer slapen, en sprak zoo weinig mogelijk.

Binnen twee dagen wist Yps er alles van.

Vermey was er de man niet naar te zwijgen. ’s Avonds vertelde hij ’t heele geval onder een grogje aan ’n paar zijner beste vrienden. Toen hij sprak van zijn voorgenomen huwelijk, stelden zij daar slechts heel matigjes belang in.[27]

„Je moet het zelf weten,” zei de een.

En de ander:

„Het is ’n heele onderneming.”

Voorts waren beiden het hierover eens, dat Vermey er verstandig aan deed een vrouw te trouwen, die, „wat had”; dat het niet minder verstandig van hem was een vrouw te nemen, die „wist wat een huishouden was,” en dat hij hetsummumvan verstand aan den dag legde door te trouwen met een meisje „dat nooit over de tong was gegaan.”

Want „dat was donderen”, beweerde de een.

En de ander:

„Of je raakt onder de pantoffel, òf er volgt echtscheiding.”

Daarmede waren alle beschouwingen over een huwelijk tusschen den heer George Vermey en mejuffrouw Lena Bruce uitgeput.

Maar toen hun vriend begon over wat hij „de scènes met Yps” noemde, werd de belangstelling zeer levendig. Hij was aanvankelijk niet van plan te fantaiseeren of te liegen; daarom begon hij eenvoudig met het verhaal van den brief, en hij beschreef hoe ze hem aankeek met „oogen als kolen vuur” en toen „hard wegliep.” Doch dit had reeds zulk een enorm succes, dat hij ’t voor zijn fatsoen, als held van ’t avontuur, dáárbij niet laten kon. Nu, het onderwerp had hem vóór ’t zoover kwam, lang genoeg bezig gehouden, en bovendien stond hem zijn rijke ervaring ten dienste. Zóó werd het een piquant verhaal, gekruid en gesaust, naar indischen trant. Wat er wezenlijk tusschen hem en Yps was voorgevallen, kon men er evenmin uit[28]proeven, als de wezenlijke smaak van rijst uit ’n goede rijsttafel. Bewonderend keken zijn vrienden hem aan. ’t Was toch ’n origineele kerel, die Vermey. Eeuwig jammer, dat hij onder ’t juk kwam!

De „vrienden” zouden het volgens afspraak „stil” houden, zij beloofden het stellig; maar thuis vertelden zij het aan hun „wilde” wederhelften, en in de sociëteit en op het kantoor aan hunintimi, die op haar en hun beurt er met den grootsten ijver het: „zegt het voort” op toepasten.

Zóó kwam het tot de kennis van Yps, die haar moeder op kondschap had gezonden, en die verwonderd stond te kijken toen ze vernam, dat de heele buurt gewaagde van de verschrikkelijke standjes, die ze maakte. Dàt vond ze gemeen. Neen, zij zou geen leven maken, al behandelde hij haar slecht.

„Laat maar!” zei ze in haar eigen, wel innig woedend, maar toch met een overtuiging van victorie: „Laat maar!” Zij was niet gek, dacht ze. Goed beschouwd, was het veel pleizieriger in de kampong, dan in dat akelige steenen huis, dat wel heel mooi was, maar zoo saai! In de kampong kon ze stilletjes knoeien met inlanders; dat vond ze veel plezieriger. Als ze het niet deed om het geld, zou ze nooit een Europeaan willen aankijken. Wat verbeelddehijzich nu wel! Neen, zij zou hem wel anders vinden. „Laat maar!” herhaalde ze bij haar zelve.

Toen George thuis kwam dien dag, had hij goed nieuws. Er bestond alle kans dat hij zijn inboedel zou kunnen overdoen, zonder groot verlies. Het moest maar gauw gebeuren ook; zoo spoedig mogelijk. Hij dronk zijn thee in[29]de achtergalerij, waar Yps rondliep met een spottend gezicht.

„Je hebt zeker wel begrepen,” zei hij zachtzinnig en verdrietig, „dat ik zoo niet kan blijven leven. Het spijt me gloeiend, maar ik moet den boel verkoopen.”

Hij wachtte een oogenblik, maar zij zei niets.

„Ik ben genoodzaakt weer op kamers te gaan wonen. Voorloopig trek ik in het hotel.”

En toen ze nog altijd zweeg: „Natuurlijk zal ik je niet in den steek laten. Je moet morgenochtend maar eens met je moeder gaan kijken naar ’n huisje ergens. Ik zal dan voor de meubeltjes zorgen.…”

Het was niet noodig dat hij zoo’n druk gebruik maakte van dediminutief; ook zonder dat, wist ze het wel. Wat haar woedend maakte op dat moment was zijn gehuicheld vertoon van zachtzinnigheid en leedwezen. Zij deed een paar driftige schreden naar hem toe en keek hem donker in ’t gezicht.

„Jij smeerlap!” siste zij hem toe.

Daar stond hij van te kijken!

En terwijl zij zich verder bezighield met het theegoed, begon zij te schelden op Lena Bruce. Hij liet het gaan, zich verbazend over haar bekendheid met zijn plannen; aan den eenen kant deed het hem goed, al trok hij ’n boos gezicht, en al haalde hij nu en dan met minachting de schouders op. Zij ging spottend voort; zij kende dat trotsche magere spook wel, dat altijd zoo „gekleed” was, maar toch leelijk bleef; zij ving aan haar half in ’t maleisch, half in ’t indo-hollandsch te beschrijven naar de détails. Toen liep George, stikkend van ’t lachen, en niet langer[30]bij machte zich verontwaardigd te houden, naar binnen.

Wat hem ’t meest interesseerde, was het feit, dat Yps zoo goed op de hoogte bleek. Het kwam niet bij hem op te denken aan zichzelven of zijn vrienden. Dàt moest Bruce gedaan hebben, meende hij, en hij nam het den ouden heer kwalijk. „Zoo’n kletskous!” dacht hij. „Er waren dan toch ook menschen, die nooit den mond konden houden.”

Daartoe echter, behoorde Bruce niet. Wel brandde het hem op de tong, en moest hij zich geweld aandoen. Zoodra dan ook Vermey den „rommel” uit zijn huis zou hebben, nam hij zich voor over de huwelijksplannen voor Lena te spreken. Nu streed het met zijn gevoel, zooals hij ’t noemde, ook slechts tegen anderen er op te zinspelen.[31]


Back to IndexNext