[Inhoud]ZESDE HOOFDSTUK.George weer „beneden.”Er was gauw een einde gekomen aan de praatjes over het blauwtje, dat Lena bezorgd had aan Vermey. Het meest droeg daartoe bij de verergering der ziekte van mevrouw Bruce, want die was nog denzelfden dag, dat de dokter „het water” had geconstateerd, bij iedereen bekend! Het heette al dadelijk dat de dood binnen het etmaal zou volgen.Vermey hoorde het in ’t kleine logement, waar hij op ’n duizend voet hoog gelegen plaatsje zijn intrek had genomen; het kon hem niet schelen hoegenaamd; hij verheugde zich in de kou, verveelde zich omdat er geen gasten waren, en maakte zich elken dag kwaad om het slechte eten; na een paar dagen—hij had een week verlof—nam hij op een avond ’n karretje voor zich en zijn koffertje, betaalde zijn rekening en trok in het duister om niet gezien te worden weer terug „naar beneden.”Heel onverwacht stond hij voor het huisje van Yps.[73]’t Was heldere maneschijn. De krees voor het galerijtje waren dicht, en hij zag geen ander licht, dan dat flauw door de kijkgaatjes kwam van het gesloten luik der kamer, waar Yps sliep. Vermey lichtte een der krees op, deed de deur open, die niet op slot was, en liep regelrecht naar binnen, met een flauw opkomend vermoeden, dat hij iets gehoord had, dat niet in den haak was.Bij ’t schijnsel van het nachtpitje, dat als voor anker lag op ’n laag klapperolie in een waterglas, zag Vermey een uniformjas op tafel met glimmende knoopen en een dof schitteren van verguldsel tusschen het donkerblauwe laken. Maar hij had geen tijd veel op te merken. Een mansfiguur in allerkleinst toilet sprong op den vloer, rukte een sabel uit een blinkende scheê, die naast het bed stond en riep vloekend met een metaalstem gelijk een generaals-commando uit vroeger tijd.„Als je niet maakt, dat je wegkomt, sla ik je de hersens in.”Bleek en verstomd stond George een oogenblik deze zonderlinge figuur aan te zien.„Maak zelf maar, dat je gauw uit mijn huis komt,” zei hij toen met gedwongen bedaardheid, „want ik laat de patrouille halen.”Te gelijk ging hij weg naar achter, zichzelf diets makend, dat hij hier toch niet kon gaan vechten; feitelijk geïntimideerd door den blinkenden sabel; in elk geval woedend en vernederd als bedrogene.Achter vond hij de oude inlandsche vrouw, Yps’ moeder, die hij in stilte de schuld gaf van alles, maar die volhield, dat zij van niets wist.[74]„En zoo’n schurk, zoo’n klaplooper, wilde me de hersens inslaan!”„Kasian,” zei de oude. „Het was ook zoo erg onplezierig voor hem.”George Vermey ging weêr naar voren om niet in de verleiding te komen, zijn onwettige schoonmoeder over de pagger te gooien.De indringer voor wien het „zoo jammer” was, was verdwenen, en Yps haar groote verwarring trachtend te verbergen door een ontzettend boos gezicht, stond voor den spiegel met beide handen haar zwarten haardos weer in ’t fatsoen te draaien.„Het is jouw schuld!” riep ze met een schelle inlandsche neusstem, en een stroom verwijten overstelpte hem nog voor hij een woord kon zeggen.Er volgde natuurlijk een scène, waaraan Yps zooveel mogelijk luidruchtigheid trachtte bij te zetten, trotsch dat ze zooen voguewas, terwijl Vermey zijn best deed om zacht te spreken en haar den mond te snoeren, bang, dat de buren er iets van zouden hooren en zijn nieuw „échec” door de stad zou worden rondgebazuind; dat zou hem eenvoudig belachelijk maken.Hij bleef er maar dien nacht; wat zou hij anders doen? Ten slotte was er voor hem geen reden om zich het leven moeilijk te maken. Zulke dingen wist men vooruit. Geen grooter pessimist dan hij in dat opzicht. Al wat tot de rubriek inlandsche vrouwen en „huishoudsters” behoorde, was immers de onbetrouwbaarheid zelf! Hij, George Vermey, had er een spreekwoord op gemaakt, dat ingang had gevonden en dikwijls werd herhaald onder de jongelui:[75]„Wie op de loterij bouwt, wie zijn „meid” vertrouwt, en wie een Chinees gelooft, is van zijn verstand beroofd.” Dat herhaalde hij nu, terwijl hij buiten ging zitten om nog ’n sigaar te rooken in den maneschijn.Yps was weêr naar bed gegaan. Zij lachte in haarzelf. Het feit, dat Vermey voor den dreigenden sabel van den ander op den loop was gegaan, vernederde hem niet in haar oogen. Zij zou het bij haar inlandsche opvatting, krankzinnig hebben gevonden, als hij, ongewapend zelf, tegen dat wapen was ingestormd, met tien kansen tegen een om ’n houw te krijgen. Hij was veel „pinterder” geweest, en had het zoo verstandig aangelegd, door met de patrouille te dreigen, dat de andere zich haastig had gekleed en was weggeloopen. Die „pinterheid” van Vermey en zijn afkeer van luidruchtige standjes, deden hem in haar schatting rijzen, en heel gerust over de toekomst sliep zij in.Hij rookte de eene sigaar na de andere en raakte bij het gelig maanlicht en door de fantastische mozaïek van donker bladwerk tegen de open vaalblauwe lucht in een zwaarmoedige stemming, die altijd hieropneêrkwam: dat het leven een ellende was; dat het de moeite niet waard was het mee te maken; dat bij weinig of geen levensvreugde een zware last.… Hij hoorde Yps snurken. Zoo’n beest, dacht hij, dat is gelukkig!Om zich te verzetten—slapen kon hij toch niet—haalde hij uit zijn koffer een flesch met ’n restant brendy, die hij mee had gehad „naar boven” omdat daar zoo niets[76]goeds was te krijgen, en zuchtend, schonk hij zich ’n glas. Daarbij was het ten minste uit te houden, meende hij, maar terwijl hij voorzichtig turend om bij het weifelachtig schijnsel niet te morsen, inschonk, hield hij plotseling op en luisterde. Hij had iets gehoord op den weg; ’t geluid dat schoenen maken op den grond, en ineens was het stil. Een inlander of ’n Chinees kon het niet wezen. Zou het die gladakker wellicht zijn met die lat? Nu, in dat geval zou men eens zien! Hier, buiten, met ruimte om zich te bewegen en een paar stoelen tot zijn beschikking, zou hij, nu de eerste indruk was geweken, wel grooten lust hebben dien sabelsleeper te ontmoeten! Hij liep naar achter, haalde een groot voorsnijmes uit het buffet en ging met een even ernstige als ongemotiveerde bloeddorstigheid weêr terug. Midden op het erf stond iemand, maar het was een burger; een donkerkleurige burger zooals bleek, zelfs in de verte en bij maanlicht, uit het contrast tusschen zijn gezicht en z’n wit jasje. Toen Vermey vol wraaklust en met moorddadige plannen naar buiten kwam om van leer te trekken, nam de burger zijn strooien hoed af en zei op onderdanigen toon: „Goeien avond, meneer.”Vermey viel uit de wolken zijner dappere verbeelding. Het was de klerk van ’t kantoor; de man van zijn boodschappen, zijnbira’sen nog meer.„Wat duivel, doe jij hier.”„Ik wou u spreken.”„Wist je dan dat ik hier was?”„Neen. Ik kom van ’n partijtje; ik woon daar ginder; ik zag u zitten.”[77]„Maar is het dan zooperloe?”„Dat weet ik niet, meneer. Maar ik moet het u toch zeggen. Hier is het nu net goed. Over dag en op ’t kantoor zou ik niet durven.”Vermey deed een langen trek aan zijn sigaar en blies nadenkend den grijzen rook omhoog naar de blauwe lucht.„Zoo,” zei hij, „dat is wat anders.”De klerk naderde hem heel dicht, en fluisterde meer dan hij sprak:„Het is een geheim.”De belangstelling van Vermey was niet opgewekt. Hij kende die menschen. Soms waren ze net gek, en zagen in de gewoonste dingen allerlei verschrikkelijkheden. Het kwam hem ook niet onwaarschijnlijk voor, dat deze stumperd, hem ziende bij een knaapje bezig met inschenken en rookende, plotseling door een woesten trek in een sigaar en een brendytje was overvallen en een geheim had uitgevonden om zich met list van dezedesideratameester te maken. Nu, dan zou de man zijn moeite beloond zien! Vermey vond dat hij net van pas kwam om met zijn kromsprekerij hem ’n beetje te amuseeren.„Ga zitten,” zei hij. „Wil je ’n sigaar?”„Het is over den-ouwen,” ging de klerkvoort, zonder nog te gaan zitten of teantwoordenop de vraag.Een hem zelf verrassend gevoel van levendigebelangstellingschoot Vermey door het hoofd. Zou die kerel het weten? Hij bedwong zijn gloeiende nieuwsgierigheid.„Zoo! Nu, ga dan maar vast zitten en steek ’n sigaar op. Wil je ’n glas cognac?”[78]Dat alles deed en wilde hij; maar ’t was Vermey toch duidelijk thans, dat hij dáár niet om gekomen was.„En vertel me nu je geheim eens.”„Ssst! Zachtjes praten, meneer; het is een groot geheim. Ik heb ’n gaatje gemaakt.”Vermey moest lachen; was de man bijgeval al dronken met zijn geheimzinnig gaatje?„In den vloer, boven in de monster-kamer. Ik kan er door zien, naar beneden, net in het pakhuis, als de ouwe daar is met den mandoer.”Een glimlach speelde Vermey met zenuwtrekkingen om den mond en zijn oogen glinsterden. Daar zou het komen! Hij was van het echte ras der aanbidders van de schandaalkroniek; als hij er maar even de lucht van kreeg, dan leefde hij, en hij colporteerde het, met vreugde in zijn hart. Men had hem niet moeten zeggen, dat het slecht was, laag en gemeen, vooral omdat het laster was van de tienmalen negen; want dat laatste geloofde hij in ’t geheel niet, en wie het dorst beweren, werd in zijn oogen een verdachte persoonlijkheid. Hij had onder vrienden de gewoonte te bluffen op zijn eigen ondeugden, als op een wel wat beschadigde, maar toch altijd coulant gangbare munt. Wel zeker, hij dronk nu en dan in de sociëteit een brendy meer, dan goed was; maar hij betaalde immers den kastelein! hij hield erg veel van de vrouwen, maar hij was vrijgezel en hij had zich nooit ingelaten met zwijnerij! hij had beren, doch nog nooit was iemand een cent aan hem te kort gekomen. Maar die lui, die.… en dan volgde een opsomming van ondeugden, denkbeeldige en reëele, gebleken en[79]vooronderstelde—op onderscheidingen kwam het niet aan—waaraan zich, naar zijn met groote overtuiging uitgesproken meening bepaalde personen schuldig maakten, die half, voor ’t kwaadsprekers-kringetje om de „kletstafel” voldoende, werden aangeduid, maar die altijd behoorden tot de soort financieel of maatschappelijk hooger geplaatsten die geen geijkte en conventioneele rechten hadden, maar „er” gekomen waren door de kracht hunner eigen persoonlijkheid. En toch die ook weer niet allen; daar waren er onaantastbaar onder; daar waren er, die men stilzwijgend vond, dat te hoog stonden in fatsoen om te worden bereikt; maar die anderen, die niet om bijzondere bekwaamheden of gebleken integriteit werden geacht; die door hun afstootend karakter niet werden bemind; die om suspecte allures in de termen van verdenking vielen,—die scheurde men zoo graag vaneen; die haalde men zoo diep omlaag om ze te trappen onder den voet.…„Ze knoeien,” zei de klerk.Nu ja, dat was natuurlijk, meende Vermey; zoover was hij ook wel!„Maar wat heb je gezien?”„’t Is een schandaal, meneer! Ze knoeien, ja!”Vermey liet zijn hand zwaar op het tafeltje vallen, zoodat de flesch en de glaasjes in trillend rinkelende beweging kwamen.„Ja, dat geloof ik wel,” zei hij met een zucht, „maar zeg me nu toch in godsnaam alleen, wat je hebt gezien.”„Wel, ik zeg u meneer, ze knoeien.”Het was belachelijk, dacht Vermey, met stillen lust om[80]een zijner lange beenen uit te steken, en zijn gast van diens stoel af en ’t galerijtje uit te trappen. Zoo’n kerel was nu maar niet tot ’t geringste besef te krijgen; dat hield maar vol: ze knoeien, en als je hem vroeg, wat ze nu eigenlijk deden, en wat hij had gezien, dan luidde het stereotiep: ze knoeien. Een groote, onbedwingbare zucht om grof te wezen, en ruw en matroosachtig, kwam bij hem op; instinctmatig voelde hij naar ’t scheen, dat deze Europeaan niet vatbaar was voor een geregelde reportage, als hem niet brutaal en haast met geweld de woorden uit de keel werden gehaald.„Toen jij voor het eerst met je leelijke bakkes op den grond lag en je keek door dat smerige gat van je, wat zag je toen?”De man vond die vraag erg grappig en lachte erom; maar hij zei zoo dadelijk niets.„Kom,” vervolgde Vermey, „sla nog ’n brendy in je kraag, dan zal je wel wakker worden.”En, altijd lachend, dronk de klerk het tweede glas alsof het water was.„Vooruit nu, hè!” eindigde Vermey, vloekend. „Denk je dat ik lust heb om jou hier den heelen nacht te houden en niets te hooren?”„Waarachtig, meneer, ze knoeien.”„Maar wat dan? Wat noem je knoeien?”„Wel meneer,… ze knoeien.”„Wel gévédé!” riep Vermey; en in zichzelven zuchtte hij, razend van woede: zou je zoo’n vent niet.…„Goed,” ging hij met gemaakte bedaardheid voort, ’n[81]vaderlijk vriendschappelijken toon aanslaande. „Ze knoeien dus, maar hoe?”„Hoe? Dat weet ik niet, meneer.”„Weet je dat niet? Wat kom je dan eigenlijk hier doen?”„Ik kom u vertellen, dat ze knoeien?”„En je weet niet hoe?”„Neen meneer.”„En je hebt dus eigenlijk niks gezien?”„Zeker, meneer. Ik heb gezien.… in de kisten.”„In de kisten?” herhaalde Vermey met sterk uitgedrukte verbazing, want „kisten” kwamen eigenlijk bij het schandaal, dat hij vermeende ontdekt te hebben en nu te hooren bevestigen, in geen geval rechtstreeks te pas.„Juist meneer, in de kisten. Zij hebben in de kisten geknoeid; hij, de ouwe, en de mandoer.”„In de leege kisten?” vroeg Vermey met ’n flauwe hoop, dat er toch nog iets aan kon zijn van zijn afschuwlijk vermoeden.„Massa, meneer!” riep de klerk, die door de brendy wat opgewonden en familiaar was geworden.…. „in de leege kisten! Wat willen zij knoeien in leege kisten. In de volle, meneer.…. in de kisten met wijn.”„En heb je niets anders gezien?”„Neen meneer. Wat zou er anders te zien zijn.”Vermey liet zich achterover neêr in zijn luierstoel. Dat was nu al ’n heel flauwe ui! Knoeierij in importartikelen! Het was waarachtig de moeite waard! En dat ging zoo geheimzinnig, alsof niet zoowat jan-en-alleman in den handel dat klappen kende van die zweep! alsof vooral zoo’n artikel[82]wijn niet door heel de wereld een eeuwig vloeiende bron was voor alle mogelijke etiquetten-fopperij! Nota bene! Het was waarachtig de moeite waard, zoo’n geheim! Daar kwam zoo’n dwaze kerel zijn brendy voor drinken en z’n sigaren voor helpen oprooken!„Zeg,” zei hij zich oprichtend, „als jij morgen behoorlijk binnen wilt wezen, dan is het meer dan tijd voor je om te gaan slapen.”En de ander, ook teleurgesteld door het geringe succes, groetend af.[83]
[Inhoud]ZESDE HOOFDSTUK.George weer „beneden.”Er was gauw een einde gekomen aan de praatjes over het blauwtje, dat Lena bezorgd had aan Vermey. Het meest droeg daartoe bij de verergering der ziekte van mevrouw Bruce, want die was nog denzelfden dag, dat de dokter „het water” had geconstateerd, bij iedereen bekend! Het heette al dadelijk dat de dood binnen het etmaal zou volgen.Vermey hoorde het in ’t kleine logement, waar hij op ’n duizend voet hoog gelegen plaatsje zijn intrek had genomen; het kon hem niet schelen hoegenaamd; hij verheugde zich in de kou, verveelde zich omdat er geen gasten waren, en maakte zich elken dag kwaad om het slechte eten; na een paar dagen—hij had een week verlof—nam hij op een avond ’n karretje voor zich en zijn koffertje, betaalde zijn rekening en trok in het duister om niet gezien te worden weer terug „naar beneden.”Heel onverwacht stond hij voor het huisje van Yps.[73]’t Was heldere maneschijn. De krees voor het galerijtje waren dicht, en hij zag geen ander licht, dan dat flauw door de kijkgaatjes kwam van het gesloten luik der kamer, waar Yps sliep. Vermey lichtte een der krees op, deed de deur open, die niet op slot was, en liep regelrecht naar binnen, met een flauw opkomend vermoeden, dat hij iets gehoord had, dat niet in den haak was.Bij ’t schijnsel van het nachtpitje, dat als voor anker lag op ’n laag klapperolie in een waterglas, zag Vermey een uniformjas op tafel met glimmende knoopen en een dof schitteren van verguldsel tusschen het donkerblauwe laken. Maar hij had geen tijd veel op te merken. Een mansfiguur in allerkleinst toilet sprong op den vloer, rukte een sabel uit een blinkende scheê, die naast het bed stond en riep vloekend met een metaalstem gelijk een generaals-commando uit vroeger tijd.„Als je niet maakt, dat je wegkomt, sla ik je de hersens in.”Bleek en verstomd stond George een oogenblik deze zonderlinge figuur aan te zien.„Maak zelf maar, dat je gauw uit mijn huis komt,” zei hij toen met gedwongen bedaardheid, „want ik laat de patrouille halen.”Te gelijk ging hij weg naar achter, zichzelf diets makend, dat hij hier toch niet kon gaan vechten; feitelijk geïntimideerd door den blinkenden sabel; in elk geval woedend en vernederd als bedrogene.Achter vond hij de oude inlandsche vrouw, Yps’ moeder, die hij in stilte de schuld gaf van alles, maar die volhield, dat zij van niets wist.[74]„En zoo’n schurk, zoo’n klaplooper, wilde me de hersens inslaan!”„Kasian,” zei de oude. „Het was ook zoo erg onplezierig voor hem.”George Vermey ging weêr naar voren om niet in de verleiding te komen, zijn onwettige schoonmoeder over de pagger te gooien.De indringer voor wien het „zoo jammer” was, was verdwenen, en Yps haar groote verwarring trachtend te verbergen door een ontzettend boos gezicht, stond voor den spiegel met beide handen haar zwarten haardos weer in ’t fatsoen te draaien.„Het is jouw schuld!” riep ze met een schelle inlandsche neusstem, en een stroom verwijten overstelpte hem nog voor hij een woord kon zeggen.Er volgde natuurlijk een scène, waaraan Yps zooveel mogelijk luidruchtigheid trachtte bij te zetten, trotsch dat ze zooen voguewas, terwijl Vermey zijn best deed om zacht te spreken en haar den mond te snoeren, bang, dat de buren er iets van zouden hooren en zijn nieuw „échec” door de stad zou worden rondgebazuind; dat zou hem eenvoudig belachelijk maken.Hij bleef er maar dien nacht; wat zou hij anders doen? Ten slotte was er voor hem geen reden om zich het leven moeilijk te maken. Zulke dingen wist men vooruit. Geen grooter pessimist dan hij in dat opzicht. Al wat tot de rubriek inlandsche vrouwen en „huishoudsters” behoorde, was immers de onbetrouwbaarheid zelf! Hij, George Vermey, had er een spreekwoord op gemaakt, dat ingang had gevonden en dikwijls werd herhaald onder de jongelui:[75]„Wie op de loterij bouwt, wie zijn „meid” vertrouwt, en wie een Chinees gelooft, is van zijn verstand beroofd.” Dat herhaalde hij nu, terwijl hij buiten ging zitten om nog ’n sigaar te rooken in den maneschijn.Yps was weêr naar bed gegaan. Zij lachte in haarzelf. Het feit, dat Vermey voor den dreigenden sabel van den ander op den loop was gegaan, vernederde hem niet in haar oogen. Zij zou het bij haar inlandsche opvatting, krankzinnig hebben gevonden, als hij, ongewapend zelf, tegen dat wapen was ingestormd, met tien kansen tegen een om ’n houw te krijgen. Hij was veel „pinterder” geweest, en had het zoo verstandig aangelegd, door met de patrouille te dreigen, dat de andere zich haastig had gekleed en was weggeloopen. Die „pinterheid” van Vermey en zijn afkeer van luidruchtige standjes, deden hem in haar schatting rijzen, en heel gerust over de toekomst sliep zij in.Hij rookte de eene sigaar na de andere en raakte bij het gelig maanlicht en door de fantastische mozaïek van donker bladwerk tegen de open vaalblauwe lucht in een zwaarmoedige stemming, die altijd hieropneêrkwam: dat het leven een ellende was; dat het de moeite niet waard was het mee te maken; dat bij weinig of geen levensvreugde een zware last.… Hij hoorde Yps snurken. Zoo’n beest, dacht hij, dat is gelukkig!Om zich te verzetten—slapen kon hij toch niet—haalde hij uit zijn koffer een flesch met ’n restant brendy, die hij mee had gehad „naar boven” omdat daar zoo niets[76]goeds was te krijgen, en zuchtend, schonk hij zich ’n glas. Daarbij was het ten minste uit te houden, meende hij, maar terwijl hij voorzichtig turend om bij het weifelachtig schijnsel niet te morsen, inschonk, hield hij plotseling op en luisterde. Hij had iets gehoord op den weg; ’t geluid dat schoenen maken op den grond, en ineens was het stil. Een inlander of ’n Chinees kon het niet wezen. Zou het die gladakker wellicht zijn met die lat? Nu, in dat geval zou men eens zien! Hier, buiten, met ruimte om zich te bewegen en een paar stoelen tot zijn beschikking, zou hij, nu de eerste indruk was geweken, wel grooten lust hebben dien sabelsleeper te ontmoeten! Hij liep naar achter, haalde een groot voorsnijmes uit het buffet en ging met een even ernstige als ongemotiveerde bloeddorstigheid weêr terug. Midden op het erf stond iemand, maar het was een burger; een donkerkleurige burger zooals bleek, zelfs in de verte en bij maanlicht, uit het contrast tusschen zijn gezicht en z’n wit jasje. Toen Vermey vol wraaklust en met moorddadige plannen naar buiten kwam om van leer te trekken, nam de burger zijn strooien hoed af en zei op onderdanigen toon: „Goeien avond, meneer.”Vermey viel uit de wolken zijner dappere verbeelding. Het was de klerk van ’t kantoor; de man van zijn boodschappen, zijnbira’sen nog meer.„Wat duivel, doe jij hier.”„Ik wou u spreken.”„Wist je dan dat ik hier was?”„Neen. Ik kom van ’n partijtje; ik woon daar ginder; ik zag u zitten.”[77]„Maar is het dan zooperloe?”„Dat weet ik niet, meneer. Maar ik moet het u toch zeggen. Hier is het nu net goed. Over dag en op ’t kantoor zou ik niet durven.”Vermey deed een langen trek aan zijn sigaar en blies nadenkend den grijzen rook omhoog naar de blauwe lucht.„Zoo,” zei hij, „dat is wat anders.”De klerk naderde hem heel dicht, en fluisterde meer dan hij sprak:„Het is een geheim.”De belangstelling van Vermey was niet opgewekt. Hij kende die menschen. Soms waren ze net gek, en zagen in de gewoonste dingen allerlei verschrikkelijkheden. Het kwam hem ook niet onwaarschijnlijk voor, dat deze stumperd, hem ziende bij een knaapje bezig met inschenken en rookende, plotseling door een woesten trek in een sigaar en een brendytje was overvallen en een geheim had uitgevonden om zich met list van dezedesideratameester te maken. Nu, dan zou de man zijn moeite beloond zien! Vermey vond dat hij net van pas kwam om met zijn kromsprekerij hem ’n beetje te amuseeren.„Ga zitten,” zei hij. „Wil je ’n sigaar?”„Het is over den-ouwen,” ging de klerkvoort, zonder nog te gaan zitten of teantwoordenop de vraag.Een hem zelf verrassend gevoel van levendigebelangstellingschoot Vermey door het hoofd. Zou die kerel het weten? Hij bedwong zijn gloeiende nieuwsgierigheid.„Zoo! Nu, ga dan maar vast zitten en steek ’n sigaar op. Wil je ’n glas cognac?”[78]Dat alles deed en wilde hij; maar ’t was Vermey toch duidelijk thans, dat hij dáár niet om gekomen was.„En vertel me nu je geheim eens.”„Ssst! Zachtjes praten, meneer; het is een groot geheim. Ik heb ’n gaatje gemaakt.”Vermey moest lachen; was de man bijgeval al dronken met zijn geheimzinnig gaatje?„In den vloer, boven in de monster-kamer. Ik kan er door zien, naar beneden, net in het pakhuis, als de ouwe daar is met den mandoer.”Een glimlach speelde Vermey met zenuwtrekkingen om den mond en zijn oogen glinsterden. Daar zou het komen! Hij was van het echte ras der aanbidders van de schandaalkroniek; als hij er maar even de lucht van kreeg, dan leefde hij, en hij colporteerde het, met vreugde in zijn hart. Men had hem niet moeten zeggen, dat het slecht was, laag en gemeen, vooral omdat het laster was van de tienmalen negen; want dat laatste geloofde hij in ’t geheel niet, en wie het dorst beweren, werd in zijn oogen een verdachte persoonlijkheid. Hij had onder vrienden de gewoonte te bluffen op zijn eigen ondeugden, als op een wel wat beschadigde, maar toch altijd coulant gangbare munt. Wel zeker, hij dronk nu en dan in de sociëteit een brendy meer, dan goed was; maar hij betaalde immers den kastelein! hij hield erg veel van de vrouwen, maar hij was vrijgezel en hij had zich nooit ingelaten met zwijnerij! hij had beren, doch nog nooit was iemand een cent aan hem te kort gekomen. Maar die lui, die.… en dan volgde een opsomming van ondeugden, denkbeeldige en reëele, gebleken en[79]vooronderstelde—op onderscheidingen kwam het niet aan—waaraan zich, naar zijn met groote overtuiging uitgesproken meening bepaalde personen schuldig maakten, die half, voor ’t kwaadsprekers-kringetje om de „kletstafel” voldoende, werden aangeduid, maar die altijd behoorden tot de soort financieel of maatschappelijk hooger geplaatsten die geen geijkte en conventioneele rechten hadden, maar „er” gekomen waren door de kracht hunner eigen persoonlijkheid. En toch die ook weer niet allen; daar waren er onaantastbaar onder; daar waren er, die men stilzwijgend vond, dat te hoog stonden in fatsoen om te worden bereikt; maar die anderen, die niet om bijzondere bekwaamheden of gebleken integriteit werden geacht; die door hun afstootend karakter niet werden bemind; die om suspecte allures in de termen van verdenking vielen,—die scheurde men zoo graag vaneen; die haalde men zoo diep omlaag om ze te trappen onder den voet.…„Ze knoeien,” zei de klerk.Nu ja, dat was natuurlijk, meende Vermey; zoover was hij ook wel!„Maar wat heb je gezien?”„’t Is een schandaal, meneer! Ze knoeien, ja!”Vermey liet zijn hand zwaar op het tafeltje vallen, zoodat de flesch en de glaasjes in trillend rinkelende beweging kwamen.„Ja, dat geloof ik wel,” zei hij met een zucht, „maar zeg me nu toch in godsnaam alleen, wat je hebt gezien.”„Wel, ik zeg u meneer, ze knoeien.”Het was belachelijk, dacht Vermey, met stillen lust om[80]een zijner lange beenen uit te steken, en zijn gast van diens stoel af en ’t galerijtje uit te trappen. Zoo’n kerel was nu maar niet tot ’t geringste besef te krijgen; dat hield maar vol: ze knoeien, en als je hem vroeg, wat ze nu eigenlijk deden, en wat hij had gezien, dan luidde het stereotiep: ze knoeien. Een groote, onbedwingbare zucht om grof te wezen, en ruw en matroosachtig, kwam bij hem op; instinctmatig voelde hij naar ’t scheen, dat deze Europeaan niet vatbaar was voor een geregelde reportage, als hem niet brutaal en haast met geweld de woorden uit de keel werden gehaald.„Toen jij voor het eerst met je leelijke bakkes op den grond lag en je keek door dat smerige gat van je, wat zag je toen?”De man vond die vraag erg grappig en lachte erom; maar hij zei zoo dadelijk niets.„Kom,” vervolgde Vermey, „sla nog ’n brendy in je kraag, dan zal je wel wakker worden.”En, altijd lachend, dronk de klerk het tweede glas alsof het water was.„Vooruit nu, hè!” eindigde Vermey, vloekend. „Denk je dat ik lust heb om jou hier den heelen nacht te houden en niets te hooren?”„Waarachtig, meneer, ze knoeien.”„Maar wat dan? Wat noem je knoeien?”„Wel meneer,… ze knoeien.”„Wel gévédé!” riep Vermey; en in zichzelven zuchtte hij, razend van woede: zou je zoo’n vent niet.…„Goed,” ging hij met gemaakte bedaardheid voort, ’n[81]vaderlijk vriendschappelijken toon aanslaande. „Ze knoeien dus, maar hoe?”„Hoe? Dat weet ik niet, meneer.”„Weet je dat niet? Wat kom je dan eigenlijk hier doen?”„Ik kom u vertellen, dat ze knoeien?”„En je weet niet hoe?”„Neen meneer.”„En je hebt dus eigenlijk niks gezien?”„Zeker, meneer. Ik heb gezien.… in de kisten.”„In de kisten?” herhaalde Vermey met sterk uitgedrukte verbazing, want „kisten” kwamen eigenlijk bij het schandaal, dat hij vermeende ontdekt te hebben en nu te hooren bevestigen, in geen geval rechtstreeks te pas.„Juist meneer, in de kisten. Zij hebben in de kisten geknoeid; hij, de ouwe, en de mandoer.”„In de leege kisten?” vroeg Vermey met ’n flauwe hoop, dat er toch nog iets aan kon zijn van zijn afschuwlijk vermoeden.„Massa, meneer!” riep de klerk, die door de brendy wat opgewonden en familiaar was geworden.…. „in de leege kisten! Wat willen zij knoeien in leege kisten. In de volle, meneer.…. in de kisten met wijn.”„En heb je niets anders gezien?”„Neen meneer. Wat zou er anders te zien zijn.”Vermey liet zich achterover neêr in zijn luierstoel. Dat was nu al ’n heel flauwe ui! Knoeierij in importartikelen! Het was waarachtig de moeite waard! En dat ging zoo geheimzinnig, alsof niet zoowat jan-en-alleman in den handel dat klappen kende van die zweep! alsof vooral zoo’n artikel[82]wijn niet door heel de wereld een eeuwig vloeiende bron was voor alle mogelijke etiquetten-fopperij! Nota bene! Het was waarachtig de moeite waard, zoo’n geheim! Daar kwam zoo’n dwaze kerel zijn brendy voor drinken en z’n sigaren voor helpen oprooken!„Zeg,” zei hij zich oprichtend, „als jij morgen behoorlijk binnen wilt wezen, dan is het meer dan tijd voor je om te gaan slapen.”En de ander, ook teleurgesteld door het geringe succes, groetend af.[83]
ZESDE HOOFDSTUK.George weer „beneden.”
Er was gauw een einde gekomen aan de praatjes over het blauwtje, dat Lena bezorgd had aan Vermey. Het meest droeg daartoe bij de verergering der ziekte van mevrouw Bruce, want die was nog denzelfden dag, dat de dokter „het water” had geconstateerd, bij iedereen bekend! Het heette al dadelijk dat de dood binnen het etmaal zou volgen.Vermey hoorde het in ’t kleine logement, waar hij op ’n duizend voet hoog gelegen plaatsje zijn intrek had genomen; het kon hem niet schelen hoegenaamd; hij verheugde zich in de kou, verveelde zich omdat er geen gasten waren, en maakte zich elken dag kwaad om het slechte eten; na een paar dagen—hij had een week verlof—nam hij op een avond ’n karretje voor zich en zijn koffertje, betaalde zijn rekening en trok in het duister om niet gezien te worden weer terug „naar beneden.”Heel onverwacht stond hij voor het huisje van Yps.[73]’t Was heldere maneschijn. De krees voor het galerijtje waren dicht, en hij zag geen ander licht, dan dat flauw door de kijkgaatjes kwam van het gesloten luik der kamer, waar Yps sliep. Vermey lichtte een der krees op, deed de deur open, die niet op slot was, en liep regelrecht naar binnen, met een flauw opkomend vermoeden, dat hij iets gehoord had, dat niet in den haak was.Bij ’t schijnsel van het nachtpitje, dat als voor anker lag op ’n laag klapperolie in een waterglas, zag Vermey een uniformjas op tafel met glimmende knoopen en een dof schitteren van verguldsel tusschen het donkerblauwe laken. Maar hij had geen tijd veel op te merken. Een mansfiguur in allerkleinst toilet sprong op den vloer, rukte een sabel uit een blinkende scheê, die naast het bed stond en riep vloekend met een metaalstem gelijk een generaals-commando uit vroeger tijd.„Als je niet maakt, dat je wegkomt, sla ik je de hersens in.”Bleek en verstomd stond George een oogenblik deze zonderlinge figuur aan te zien.„Maak zelf maar, dat je gauw uit mijn huis komt,” zei hij toen met gedwongen bedaardheid, „want ik laat de patrouille halen.”Te gelijk ging hij weg naar achter, zichzelf diets makend, dat hij hier toch niet kon gaan vechten; feitelijk geïntimideerd door den blinkenden sabel; in elk geval woedend en vernederd als bedrogene.Achter vond hij de oude inlandsche vrouw, Yps’ moeder, die hij in stilte de schuld gaf van alles, maar die volhield, dat zij van niets wist.[74]„En zoo’n schurk, zoo’n klaplooper, wilde me de hersens inslaan!”„Kasian,” zei de oude. „Het was ook zoo erg onplezierig voor hem.”George Vermey ging weêr naar voren om niet in de verleiding te komen, zijn onwettige schoonmoeder over de pagger te gooien.De indringer voor wien het „zoo jammer” was, was verdwenen, en Yps haar groote verwarring trachtend te verbergen door een ontzettend boos gezicht, stond voor den spiegel met beide handen haar zwarten haardos weer in ’t fatsoen te draaien.„Het is jouw schuld!” riep ze met een schelle inlandsche neusstem, en een stroom verwijten overstelpte hem nog voor hij een woord kon zeggen.Er volgde natuurlijk een scène, waaraan Yps zooveel mogelijk luidruchtigheid trachtte bij te zetten, trotsch dat ze zooen voguewas, terwijl Vermey zijn best deed om zacht te spreken en haar den mond te snoeren, bang, dat de buren er iets van zouden hooren en zijn nieuw „échec” door de stad zou worden rondgebazuind; dat zou hem eenvoudig belachelijk maken.Hij bleef er maar dien nacht; wat zou hij anders doen? Ten slotte was er voor hem geen reden om zich het leven moeilijk te maken. Zulke dingen wist men vooruit. Geen grooter pessimist dan hij in dat opzicht. Al wat tot de rubriek inlandsche vrouwen en „huishoudsters” behoorde, was immers de onbetrouwbaarheid zelf! Hij, George Vermey, had er een spreekwoord op gemaakt, dat ingang had gevonden en dikwijls werd herhaald onder de jongelui:[75]„Wie op de loterij bouwt, wie zijn „meid” vertrouwt, en wie een Chinees gelooft, is van zijn verstand beroofd.” Dat herhaalde hij nu, terwijl hij buiten ging zitten om nog ’n sigaar te rooken in den maneschijn.Yps was weêr naar bed gegaan. Zij lachte in haarzelf. Het feit, dat Vermey voor den dreigenden sabel van den ander op den loop was gegaan, vernederde hem niet in haar oogen. Zij zou het bij haar inlandsche opvatting, krankzinnig hebben gevonden, als hij, ongewapend zelf, tegen dat wapen was ingestormd, met tien kansen tegen een om ’n houw te krijgen. Hij was veel „pinterder” geweest, en had het zoo verstandig aangelegd, door met de patrouille te dreigen, dat de andere zich haastig had gekleed en was weggeloopen. Die „pinterheid” van Vermey en zijn afkeer van luidruchtige standjes, deden hem in haar schatting rijzen, en heel gerust over de toekomst sliep zij in.Hij rookte de eene sigaar na de andere en raakte bij het gelig maanlicht en door de fantastische mozaïek van donker bladwerk tegen de open vaalblauwe lucht in een zwaarmoedige stemming, die altijd hieropneêrkwam: dat het leven een ellende was; dat het de moeite niet waard was het mee te maken; dat bij weinig of geen levensvreugde een zware last.… Hij hoorde Yps snurken. Zoo’n beest, dacht hij, dat is gelukkig!Om zich te verzetten—slapen kon hij toch niet—haalde hij uit zijn koffer een flesch met ’n restant brendy, die hij mee had gehad „naar boven” omdat daar zoo niets[76]goeds was te krijgen, en zuchtend, schonk hij zich ’n glas. Daarbij was het ten minste uit te houden, meende hij, maar terwijl hij voorzichtig turend om bij het weifelachtig schijnsel niet te morsen, inschonk, hield hij plotseling op en luisterde. Hij had iets gehoord op den weg; ’t geluid dat schoenen maken op den grond, en ineens was het stil. Een inlander of ’n Chinees kon het niet wezen. Zou het die gladakker wellicht zijn met die lat? Nu, in dat geval zou men eens zien! Hier, buiten, met ruimte om zich te bewegen en een paar stoelen tot zijn beschikking, zou hij, nu de eerste indruk was geweken, wel grooten lust hebben dien sabelsleeper te ontmoeten! Hij liep naar achter, haalde een groot voorsnijmes uit het buffet en ging met een even ernstige als ongemotiveerde bloeddorstigheid weêr terug. Midden op het erf stond iemand, maar het was een burger; een donkerkleurige burger zooals bleek, zelfs in de verte en bij maanlicht, uit het contrast tusschen zijn gezicht en z’n wit jasje. Toen Vermey vol wraaklust en met moorddadige plannen naar buiten kwam om van leer te trekken, nam de burger zijn strooien hoed af en zei op onderdanigen toon: „Goeien avond, meneer.”Vermey viel uit de wolken zijner dappere verbeelding. Het was de klerk van ’t kantoor; de man van zijn boodschappen, zijnbira’sen nog meer.„Wat duivel, doe jij hier.”„Ik wou u spreken.”„Wist je dan dat ik hier was?”„Neen. Ik kom van ’n partijtje; ik woon daar ginder; ik zag u zitten.”[77]„Maar is het dan zooperloe?”„Dat weet ik niet, meneer. Maar ik moet het u toch zeggen. Hier is het nu net goed. Over dag en op ’t kantoor zou ik niet durven.”Vermey deed een langen trek aan zijn sigaar en blies nadenkend den grijzen rook omhoog naar de blauwe lucht.„Zoo,” zei hij, „dat is wat anders.”De klerk naderde hem heel dicht, en fluisterde meer dan hij sprak:„Het is een geheim.”De belangstelling van Vermey was niet opgewekt. Hij kende die menschen. Soms waren ze net gek, en zagen in de gewoonste dingen allerlei verschrikkelijkheden. Het kwam hem ook niet onwaarschijnlijk voor, dat deze stumperd, hem ziende bij een knaapje bezig met inschenken en rookende, plotseling door een woesten trek in een sigaar en een brendytje was overvallen en een geheim had uitgevonden om zich met list van dezedesideratameester te maken. Nu, dan zou de man zijn moeite beloond zien! Vermey vond dat hij net van pas kwam om met zijn kromsprekerij hem ’n beetje te amuseeren.„Ga zitten,” zei hij. „Wil je ’n sigaar?”„Het is over den-ouwen,” ging de klerkvoort, zonder nog te gaan zitten of teantwoordenop de vraag.Een hem zelf verrassend gevoel van levendigebelangstellingschoot Vermey door het hoofd. Zou die kerel het weten? Hij bedwong zijn gloeiende nieuwsgierigheid.„Zoo! Nu, ga dan maar vast zitten en steek ’n sigaar op. Wil je ’n glas cognac?”[78]Dat alles deed en wilde hij; maar ’t was Vermey toch duidelijk thans, dat hij dáár niet om gekomen was.„En vertel me nu je geheim eens.”„Ssst! Zachtjes praten, meneer; het is een groot geheim. Ik heb ’n gaatje gemaakt.”Vermey moest lachen; was de man bijgeval al dronken met zijn geheimzinnig gaatje?„In den vloer, boven in de monster-kamer. Ik kan er door zien, naar beneden, net in het pakhuis, als de ouwe daar is met den mandoer.”Een glimlach speelde Vermey met zenuwtrekkingen om den mond en zijn oogen glinsterden. Daar zou het komen! Hij was van het echte ras der aanbidders van de schandaalkroniek; als hij er maar even de lucht van kreeg, dan leefde hij, en hij colporteerde het, met vreugde in zijn hart. Men had hem niet moeten zeggen, dat het slecht was, laag en gemeen, vooral omdat het laster was van de tienmalen negen; want dat laatste geloofde hij in ’t geheel niet, en wie het dorst beweren, werd in zijn oogen een verdachte persoonlijkheid. Hij had onder vrienden de gewoonte te bluffen op zijn eigen ondeugden, als op een wel wat beschadigde, maar toch altijd coulant gangbare munt. Wel zeker, hij dronk nu en dan in de sociëteit een brendy meer, dan goed was; maar hij betaalde immers den kastelein! hij hield erg veel van de vrouwen, maar hij was vrijgezel en hij had zich nooit ingelaten met zwijnerij! hij had beren, doch nog nooit was iemand een cent aan hem te kort gekomen. Maar die lui, die.… en dan volgde een opsomming van ondeugden, denkbeeldige en reëele, gebleken en[79]vooronderstelde—op onderscheidingen kwam het niet aan—waaraan zich, naar zijn met groote overtuiging uitgesproken meening bepaalde personen schuldig maakten, die half, voor ’t kwaadsprekers-kringetje om de „kletstafel” voldoende, werden aangeduid, maar die altijd behoorden tot de soort financieel of maatschappelijk hooger geplaatsten die geen geijkte en conventioneele rechten hadden, maar „er” gekomen waren door de kracht hunner eigen persoonlijkheid. En toch die ook weer niet allen; daar waren er onaantastbaar onder; daar waren er, die men stilzwijgend vond, dat te hoog stonden in fatsoen om te worden bereikt; maar die anderen, die niet om bijzondere bekwaamheden of gebleken integriteit werden geacht; die door hun afstootend karakter niet werden bemind; die om suspecte allures in de termen van verdenking vielen,—die scheurde men zoo graag vaneen; die haalde men zoo diep omlaag om ze te trappen onder den voet.…„Ze knoeien,” zei de klerk.Nu ja, dat was natuurlijk, meende Vermey; zoover was hij ook wel!„Maar wat heb je gezien?”„’t Is een schandaal, meneer! Ze knoeien, ja!”Vermey liet zijn hand zwaar op het tafeltje vallen, zoodat de flesch en de glaasjes in trillend rinkelende beweging kwamen.„Ja, dat geloof ik wel,” zei hij met een zucht, „maar zeg me nu toch in godsnaam alleen, wat je hebt gezien.”„Wel, ik zeg u meneer, ze knoeien.”Het was belachelijk, dacht Vermey, met stillen lust om[80]een zijner lange beenen uit te steken, en zijn gast van diens stoel af en ’t galerijtje uit te trappen. Zoo’n kerel was nu maar niet tot ’t geringste besef te krijgen; dat hield maar vol: ze knoeien, en als je hem vroeg, wat ze nu eigenlijk deden, en wat hij had gezien, dan luidde het stereotiep: ze knoeien. Een groote, onbedwingbare zucht om grof te wezen, en ruw en matroosachtig, kwam bij hem op; instinctmatig voelde hij naar ’t scheen, dat deze Europeaan niet vatbaar was voor een geregelde reportage, als hem niet brutaal en haast met geweld de woorden uit de keel werden gehaald.„Toen jij voor het eerst met je leelijke bakkes op den grond lag en je keek door dat smerige gat van je, wat zag je toen?”De man vond die vraag erg grappig en lachte erom; maar hij zei zoo dadelijk niets.„Kom,” vervolgde Vermey, „sla nog ’n brendy in je kraag, dan zal je wel wakker worden.”En, altijd lachend, dronk de klerk het tweede glas alsof het water was.„Vooruit nu, hè!” eindigde Vermey, vloekend. „Denk je dat ik lust heb om jou hier den heelen nacht te houden en niets te hooren?”„Waarachtig, meneer, ze knoeien.”„Maar wat dan? Wat noem je knoeien?”„Wel meneer,… ze knoeien.”„Wel gévédé!” riep Vermey; en in zichzelven zuchtte hij, razend van woede: zou je zoo’n vent niet.…„Goed,” ging hij met gemaakte bedaardheid voort, ’n[81]vaderlijk vriendschappelijken toon aanslaande. „Ze knoeien dus, maar hoe?”„Hoe? Dat weet ik niet, meneer.”„Weet je dat niet? Wat kom je dan eigenlijk hier doen?”„Ik kom u vertellen, dat ze knoeien?”„En je weet niet hoe?”„Neen meneer.”„En je hebt dus eigenlijk niks gezien?”„Zeker, meneer. Ik heb gezien.… in de kisten.”„In de kisten?” herhaalde Vermey met sterk uitgedrukte verbazing, want „kisten” kwamen eigenlijk bij het schandaal, dat hij vermeende ontdekt te hebben en nu te hooren bevestigen, in geen geval rechtstreeks te pas.„Juist meneer, in de kisten. Zij hebben in de kisten geknoeid; hij, de ouwe, en de mandoer.”„In de leege kisten?” vroeg Vermey met ’n flauwe hoop, dat er toch nog iets aan kon zijn van zijn afschuwlijk vermoeden.„Massa, meneer!” riep de klerk, die door de brendy wat opgewonden en familiaar was geworden.…. „in de leege kisten! Wat willen zij knoeien in leege kisten. In de volle, meneer.…. in de kisten met wijn.”„En heb je niets anders gezien?”„Neen meneer. Wat zou er anders te zien zijn.”Vermey liet zich achterover neêr in zijn luierstoel. Dat was nu al ’n heel flauwe ui! Knoeierij in importartikelen! Het was waarachtig de moeite waard! En dat ging zoo geheimzinnig, alsof niet zoowat jan-en-alleman in den handel dat klappen kende van die zweep! alsof vooral zoo’n artikel[82]wijn niet door heel de wereld een eeuwig vloeiende bron was voor alle mogelijke etiquetten-fopperij! Nota bene! Het was waarachtig de moeite waard, zoo’n geheim! Daar kwam zoo’n dwaze kerel zijn brendy voor drinken en z’n sigaren voor helpen oprooken!„Zeg,” zei hij zich oprichtend, „als jij morgen behoorlijk binnen wilt wezen, dan is het meer dan tijd voor je om te gaan slapen.”En de ander, ook teleurgesteld door het geringe succes, groetend af.[83]
Er was gauw een einde gekomen aan de praatjes over het blauwtje, dat Lena bezorgd had aan Vermey. Het meest droeg daartoe bij de verergering der ziekte van mevrouw Bruce, want die was nog denzelfden dag, dat de dokter „het water” had geconstateerd, bij iedereen bekend! Het heette al dadelijk dat de dood binnen het etmaal zou volgen.
Vermey hoorde het in ’t kleine logement, waar hij op ’n duizend voet hoog gelegen plaatsje zijn intrek had genomen; het kon hem niet schelen hoegenaamd; hij verheugde zich in de kou, verveelde zich omdat er geen gasten waren, en maakte zich elken dag kwaad om het slechte eten; na een paar dagen—hij had een week verlof—nam hij op een avond ’n karretje voor zich en zijn koffertje, betaalde zijn rekening en trok in het duister om niet gezien te worden weer terug „naar beneden.”
Heel onverwacht stond hij voor het huisje van Yps.[73]
’t Was heldere maneschijn. De krees voor het galerijtje waren dicht, en hij zag geen ander licht, dan dat flauw door de kijkgaatjes kwam van het gesloten luik der kamer, waar Yps sliep. Vermey lichtte een der krees op, deed de deur open, die niet op slot was, en liep regelrecht naar binnen, met een flauw opkomend vermoeden, dat hij iets gehoord had, dat niet in den haak was.
Bij ’t schijnsel van het nachtpitje, dat als voor anker lag op ’n laag klapperolie in een waterglas, zag Vermey een uniformjas op tafel met glimmende knoopen en een dof schitteren van verguldsel tusschen het donkerblauwe laken. Maar hij had geen tijd veel op te merken. Een mansfiguur in allerkleinst toilet sprong op den vloer, rukte een sabel uit een blinkende scheê, die naast het bed stond en riep vloekend met een metaalstem gelijk een generaals-commando uit vroeger tijd.
„Als je niet maakt, dat je wegkomt, sla ik je de hersens in.”
Bleek en verstomd stond George een oogenblik deze zonderlinge figuur aan te zien.
„Maak zelf maar, dat je gauw uit mijn huis komt,” zei hij toen met gedwongen bedaardheid, „want ik laat de patrouille halen.”
Te gelijk ging hij weg naar achter, zichzelf diets makend, dat hij hier toch niet kon gaan vechten; feitelijk geïntimideerd door den blinkenden sabel; in elk geval woedend en vernederd als bedrogene.
Achter vond hij de oude inlandsche vrouw, Yps’ moeder, die hij in stilte de schuld gaf van alles, maar die volhield, dat zij van niets wist.[74]
„En zoo’n schurk, zoo’n klaplooper, wilde me de hersens inslaan!”
„Kasian,” zei de oude. „Het was ook zoo erg onplezierig voor hem.”
George Vermey ging weêr naar voren om niet in de verleiding te komen, zijn onwettige schoonmoeder over de pagger te gooien.
De indringer voor wien het „zoo jammer” was, was verdwenen, en Yps haar groote verwarring trachtend te verbergen door een ontzettend boos gezicht, stond voor den spiegel met beide handen haar zwarten haardos weer in ’t fatsoen te draaien.
„Het is jouw schuld!” riep ze met een schelle inlandsche neusstem, en een stroom verwijten overstelpte hem nog voor hij een woord kon zeggen.
Er volgde natuurlijk een scène, waaraan Yps zooveel mogelijk luidruchtigheid trachtte bij te zetten, trotsch dat ze zooen voguewas, terwijl Vermey zijn best deed om zacht te spreken en haar den mond te snoeren, bang, dat de buren er iets van zouden hooren en zijn nieuw „échec” door de stad zou worden rondgebazuind; dat zou hem eenvoudig belachelijk maken.
Hij bleef er maar dien nacht; wat zou hij anders doen? Ten slotte was er voor hem geen reden om zich het leven moeilijk te maken. Zulke dingen wist men vooruit. Geen grooter pessimist dan hij in dat opzicht. Al wat tot de rubriek inlandsche vrouwen en „huishoudsters” behoorde, was immers de onbetrouwbaarheid zelf! Hij, George Vermey, had er een spreekwoord op gemaakt, dat ingang had gevonden en dikwijls werd herhaald onder de jongelui:[75]
„Wie op de loterij bouwt, wie zijn „meid” vertrouwt, en wie een Chinees gelooft, is van zijn verstand beroofd.” Dat herhaalde hij nu, terwijl hij buiten ging zitten om nog ’n sigaar te rooken in den maneschijn.
Yps was weêr naar bed gegaan. Zij lachte in haarzelf. Het feit, dat Vermey voor den dreigenden sabel van den ander op den loop was gegaan, vernederde hem niet in haar oogen. Zij zou het bij haar inlandsche opvatting, krankzinnig hebben gevonden, als hij, ongewapend zelf, tegen dat wapen was ingestormd, met tien kansen tegen een om ’n houw te krijgen. Hij was veel „pinterder” geweest, en had het zoo verstandig aangelegd, door met de patrouille te dreigen, dat de andere zich haastig had gekleed en was weggeloopen. Die „pinterheid” van Vermey en zijn afkeer van luidruchtige standjes, deden hem in haar schatting rijzen, en heel gerust over de toekomst sliep zij in.
Hij rookte de eene sigaar na de andere en raakte bij het gelig maanlicht en door de fantastische mozaïek van donker bladwerk tegen de open vaalblauwe lucht in een zwaarmoedige stemming, die altijd hieropneêrkwam: dat het leven een ellende was; dat het de moeite niet waard was het mee te maken; dat bij weinig of geen levensvreugde een zware last.… Hij hoorde Yps snurken. Zoo’n beest, dacht hij, dat is gelukkig!
Om zich te verzetten—slapen kon hij toch niet—haalde hij uit zijn koffer een flesch met ’n restant brendy, die hij mee had gehad „naar boven” omdat daar zoo niets[76]goeds was te krijgen, en zuchtend, schonk hij zich ’n glas. Daarbij was het ten minste uit te houden, meende hij, maar terwijl hij voorzichtig turend om bij het weifelachtig schijnsel niet te morsen, inschonk, hield hij plotseling op en luisterde. Hij had iets gehoord op den weg; ’t geluid dat schoenen maken op den grond, en ineens was het stil. Een inlander of ’n Chinees kon het niet wezen. Zou het die gladakker wellicht zijn met die lat? Nu, in dat geval zou men eens zien! Hier, buiten, met ruimte om zich te bewegen en een paar stoelen tot zijn beschikking, zou hij, nu de eerste indruk was geweken, wel grooten lust hebben dien sabelsleeper te ontmoeten! Hij liep naar achter, haalde een groot voorsnijmes uit het buffet en ging met een even ernstige als ongemotiveerde bloeddorstigheid weêr terug. Midden op het erf stond iemand, maar het was een burger; een donkerkleurige burger zooals bleek, zelfs in de verte en bij maanlicht, uit het contrast tusschen zijn gezicht en z’n wit jasje. Toen Vermey vol wraaklust en met moorddadige plannen naar buiten kwam om van leer te trekken, nam de burger zijn strooien hoed af en zei op onderdanigen toon: „Goeien avond, meneer.”
Vermey viel uit de wolken zijner dappere verbeelding. Het was de klerk van ’t kantoor; de man van zijn boodschappen, zijnbira’sen nog meer.
„Wat duivel, doe jij hier.”
„Ik wou u spreken.”
„Wist je dan dat ik hier was?”
„Neen. Ik kom van ’n partijtje; ik woon daar ginder; ik zag u zitten.”[77]
„Maar is het dan zooperloe?”
„Dat weet ik niet, meneer. Maar ik moet het u toch zeggen. Hier is het nu net goed. Over dag en op ’t kantoor zou ik niet durven.”
Vermey deed een langen trek aan zijn sigaar en blies nadenkend den grijzen rook omhoog naar de blauwe lucht.
„Zoo,” zei hij, „dat is wat anders.”
De klerk naderde hem heel dicht, en fluisterde meer dan hij sprak:
„Het is een geheim.”
De belangstelling van Vermey was niet opgewekt. Hij kende die menschen. Soms waren ze net gek, en zagen in de gewoonste dingen allerlei verschrikkelijkheden. Het kwam hem ook niet onwaarschijnlijk voor, dat deze stumperd, hem ziende bij een knaapje bezig met inschenken en rookende, plotseling door een woesten trek in een sigaar en een brendytje was overvallen en een geheim had uitgevonden om zich met list van dezedesideratameester te maken. Nu, dan zou de man zijn moeite beloond zien! Vermey vond dat hij net van pas kwam om met zijn kromsprekerij hem ’n beetje te amuseeren.
„Ga zitten,” zei hij. „Wil je ’n sigaar?”
„Het is over den-ouwen,” ging de klerkvoort, zonder nog te gaan zitten of teantwoordenop de vraag.
Een hem zelf verrassend gevoel van levendigebelangstellingschoot Vermey door het hoofd. Zou die kerel het weten? Hij bedwong zijn gloeiende nieuwsgierigheid.
„Zoo! Nu, ga dan maar vast zitten en steek ’n sigaar op. Wil je ’n glas cognac?”[78]
Dat alles deed en wilde hij; maar ’t was Vermey toch duidelijk thans, dat hij dáár niet om gekomen was.
„En vertel me nu je geheim eens.”
„Ssst! Zachtjes praten, meneer; het is een groot geheim. Ik heb ’n gaatje gemaakt.”
Vermey moest lachen; was de man bijgeval al dronken met zijn geheimzinnig gaatje?
„In den vloer, boven in de monster-kamer. Ik kan er door zien, naar beneden, net in het pakhuis, als de ouwe daar is met den mandoer.”
Een glimlach speelde Vermey met zenuwtrekkingen om den mond en zijn oogen glinsterden. Daar zou het komen! Hij was van het echte ras der aanbidders van de schandaalkroniek; als hij er maar even de lucht van kreeg, dan leefde hij, en hij colporteerde het, met vreugde in zijn hart. Men had hem niet moeten zeggen, dat het slecht was, laag en gemeen, vooral omdat het laster was van de tienmalen negen; want dat laatste geloofde hij in ’t geheel niet, en wie het dorst beweren, werd in zijn oogen een verdachte persoonlijkheid. Hij had onder vrienden de gewoonte te bluffen op zijn eigen ondeugden, als op een wel wat beschadigde, maar toch altijd coulant gangbare munt. Wel zeker, hij dronk nu en dan in de sociëteit een brendy meer, dan goed was; maar hij betaalde immers den kastelein! hij hield erg veel van de vrouwen, maar hij was vrijgezel en hij had zich nooit ingelaten met zwijnerij! hij had beren, doch nog nooit was iemand een cent aan hem te kort gekomen. Maar die lui, die.… en dan volgde een opsomming van ondeugden, denkbeeldige en reëele, gebleken en[79]vooronderstelde—op onderscheidingen kwam het niet aan—waaraan zich, naar zijn met groote overtuiging uitgesproken meening bepaalde personen schuldig maakten, die half, voor ’t kwaadsprekers-kringetje om de „kletstafel” voldoende, werden aangeduid, maar die altijd behoorden tot de soort financieel of maatschappelijk hooger geplaatsten die geen geijkte en conventioneele rechten hadden, maar „er” gekomen waren door de kracht hunner eigen persoonlijkheid. En toch die ook weer niet allen; daar waren er onaantastbaar onder; daar waren er, die men stilzwijgend vond, dat te hoog stonden in fatsoen om te worden bereikt; maar die anderen, die niet om bijzondere bekwaamheden of gebleken integriteit werden geacht; die door hun afstootend karakter niet werden bemind; die om suspecte allures in de termen van verdenking vielen,—die scheurde men zoo graag vaneen; die haalde men zoo diep omlaag om ze te trappen onder den voet.…
„Ze knoeien,” zei de klerk.
Nu ja, dat was natuurlijk, meende Vermey; zoover was hij ook wel!
„Maar wat heb je gezien?”
„’t Is een schandaal, meneer! Ze knoeien, ja!”
Vermey liet zijn hand zwaar op het tafeltje vallen, zoodat de flesch en de glaasjes in trillend rinkelende beweging kwamen.
„Ja, dat geloof ik wel,” zei hij met een zucht, „maar zeg me nu toch in godsnaam alleen, wat je hebt gezien.”
„Wel, ik zeg u meneer, ze knoeien.”
Het was belachelijk, dacht Vermey, met stillen lust om[80]een zijner lange beenen uit te steken, en zijn gast van diens stoel af en ’t galerijtje uit te trappen. Zoo’n kerel was nu maar niet tot ’t geringste besef te krijgen; dat hield maar vol: ze knoeien, en als je hem vroeg, wat ze nu eigenlijk deden, en wat hij had gezien, dan luidde het stereotiep: ze knoeien. Een groote, onbedwingbare zucht om grof te wezen, en ruw en matroosachtig, kwam bij hem op; instinctmatig voelde hij naar ’t scheen, dat deze Europeaan niet vatbaar was voor een geregelde reportage, als hem niet brutaal en haast met geweld de woorden uit de keel werden gehaald.
„Toen jij voor het eerst met je leelijke bakkes op den grond lag en je keek door dat smerige gat van je, wat zag je toen?”
De man vond die vraag erg grappig en lachte erom; maar hij zei zoo dadelijk niets.
„Kom,” vervolgde Vermey, „sla nog ’n brendy in je kraag, dan zal je wel wakker worden.”
En, altijd lachend, dronk de klerk het tweede glas alsof het water was.
„Vooruit nu, hè!” eindigde Vermey, vloekend. „Denk je dat ik lust heb om jou hier den heelen nacht te houden en niets te hooren?”
„Waarachtig, meneer, ze knoeien.”
„Maar wat dan? Wat noem je knoeien?”
„Wel meneer,… ze knoeien.”
„Wel gévédé!” riep Vermey; en in zichzelven zuchtte hij, razend van woede: zou je zoo’n vent niet.…
„Goed,” ging hij met gemaakte bedaardheid voort, ’n[81]vaderlijk vriendschappelijken toon aanslaande. „Ze knoeien dus, maar hoe?”
„Hoe? Dat weet ik niet, meneer.”
„Weet je dat niet? Wat kom je dan eigenlijk hier doen?”
„Ik kom u vertellen, dat ze knoeien?”
„En je weet niet hoe?”
„Neen meneer.”
„En je hebt dus eigenlijk niks gezien?”
„Zeker, meneer. Ik heb gezien.… in de kisten.”
„In de kisten?” herhaalde Vermey met sterk uitgedrukte verbazing, want „kisten” kwamen eigenlijk bij het schandaal, dat hij vermeende ontdekt te hebben en nu te hooren bevestigen, in geen geval rechtstreeks te pas.
„Juist meneer, in de kisten. Zij hebben in de kisten geknoeid; hij, de ouwe, en de mandoer.”
„In de leege kisten?” vroeg Vermey met ’n flauwe hoop, dat er toch nog iets aan kon zijn van zijn afschuwlijk vermoeden.
„Massa, meneer!” riep de klerk, die door de brendy wat opgewonden en familiaar was geworden.…. „in de leege kisten! Wat willen zij knoeien in leege kisten. In de volle, meneer.…. in de kisten met wijn.”
„En heb je niets anders gezien?”
„Neen meneer. Wat zou er anders te zien zijn.”
Vermey liet zich achterover neêr in zijn luierstoel. Dat was nu al ’n heel flauwe ui! Knoeierij in importartikelen! Het was waarachtig de moeite waard! En dat ging zoo geheimzinnig, alsof niet zoowat jan-en-alleman in den handel dat klappen kende van die zweep! alsof vooral zoo’n artikel[82]wijn niet door heel de wereld een eeuwig vloeiende bron was voor alle mogelijke etiquetten-fopperij! Nota bene! Het was waarachtig de moeite waard, zoo’n geheim! Daar kwam zoo’n dwaze kerel zijn brendy voor drinken en z’n sigaren voor helpen oprooken!
„Zeg,” zei hij zich oprichtend, „als jij morgen behoorlijk binnen wilt wezen, dan is het meer dan tijd voor je om te gaan slapen.”
En de ander, ook teleurgesteld door het geringe succes, groetend af.[83]