[Inhoud]DERTIGSTE HOOFDSTUK.Freddy en Eddy.Ze stonden allen in het huis van mevrouw Uhlstra om de lange tafel in de achtergalerij, net zooals men jaren geleden had gestaan toen Roos zou trouwen met Geber. En juist als toen stond het overal vol met bordpapieren doozen en stapels nieuw goed, alsof Roos nooit een huishouden had gehad en haar kasten leeg waren.Een onaangenaam gevoel liep hen langs den rug, toen, te midden der gewichtige beraadslagingen, een groote, breede mansfiguur met bruinen jongenskop op de schouders naar achter kwam, ongegeneerd hard stampend met zware rijlaarzen op het marmer.„Mijn God, Piet!” riep mevrouw Uhlstra. „Ben jij daar?”De jonge man, in ’n half vuil wit pak, ’n grooten grijzen helmhoed op en ’n rijzweep onder den arm, zoende zijn moeder, zijn zusters, zijn nichtje, voor hij zijn komst ophelderde, met groote hartelijkheid; hij schudde Freddy ongemanierd hard de hand; en zoo, ertusschen door, hoorde men: „Dag.… Hoe gaat het.… Gefeliciteerd.… Beste wenschen.”„Maar hoe kom je dan toch hier?” herhaalde zijn moeder.[197]„Wel,” zei Piet, die „even” van zijn koffieland in den Oosthoek kwam, „voor zaken, ziet u.… En dan.… omdat Roos weêr trouwt.”’t Was erg hartelijk, maar het beviel de familie niet best. Ze wisten van zaken in het algemeen weinig, maar ze waren opgegroeid in het landelijke, en dat een administrateur van ’n jonge onderneming zoo maar eens voor ’n maand den boêl kon laten zonder schade, wou er bij hen niet in.„Kon je weg?” vroeg zijn moeder.„Ja en neen, ma. Eigenlijk kon ik het niet.”„Zoo!” viel Roos nogal vinnig uit. „Je kon niet weg, hè? Maar al kon je niet, je deedt het toch.… uit belangstelling in mijn huwelijk … Wel, ik had liever, dat je belang stelde in het kapitaal, waar ma en ik je aan geholpen hebben.”Piet lachte luid ’n onverschilligen kwajongenslach.„Nou,” zei hij, „maak je niet dikker dan je bent. ’t Is al welletjes zoo!”Doch dat was olie op het vuur. Vooral nu, kon Roos geen zinspeling velen op haar corpulentie. En dat in tegenwoordigheid van haar bruigom.„Ik hoop,” zei ze, „dat je zoo gauw mogelijk weêr terug zult gaan.”„Misschien wel. Dat is naar het er meê staat.”Het angstig voorgevoel, dat Roos, toen ze haar jongsten broer zag, dadelijk bekropen had, nam toe.„Wat er meê staat?” riep ze. „Je gaat, zeg ik nu, zoo gauw mogelijk terug.”„Dat hangt ervan af!”„Tobat!” riep mevrouw Uhlstra, wanhopig over dezen twist. „Zeg ineens wat je meent, ja! Ik wedkoerang doewit!”„Ja,” bevestigde Piet, kalm ’n strootje opstekend. „Ik kom werkkapitaal te kort. Daar kan ik nou wel lange brieven over schrijven, maar het geeft me niets.”Dat laatste was zeer waar, en zoo iemand Piet in zijn hart gelijk gaf, dan was het Freddy, die voor het ongegeneerd optreden van zijn aanstaanden zwager een even spontane als onverklaarbare sympathie had gevoeld.„Werkkapitaal!” zei Roos woedend, „dat is alles maar kletsen, ja! Je hebt een ton gehad van ma en mij samen, en je zult zeggen, wat je met het geld hebt gedaan, of ik geef de zaak in handen van een advocaat. Al ben je mijn broer,—’t kan me niks schelen.”Onverschillig haalde Piet de schouders op, met de innige minachting van een oosterling voor vrouwenpraat.„De duiten zitten in den grond; dat spreekt vanzelf.”„Natuurlijk,” voegde Freddy er onwillekeurig achter.Het deed Roos verstommen, haar moeder vriendelijk knikken, Piet[198]opkijken met de vroolijke verrassing van iemand, die onverwacht een bondgenoot vindt.„Jij vindt het nu natuurlijk,” ging Roos voort na een oogenblik zwijgen, „maar je kent hem niet.”„Zoo!” viel nu haar moeder in eens uit. „Is het dat? Kent hij hem niet?Mijnzoons,” zei ze met haar vuist op de borst slaande, „mogen anders gerust gekend worden.”„Nou ja, dáár zou ik maar liever over zwijgen,” antwoordde Roos onvermurwbaar en erg uit de hoogte.Het draaide uit op ruzie. Freddy en Piet traden op alspeace makers; de een bij zijn aanstaande, de ander bij zijn moeder. Er werd gescholden en gehuild; al wat mama Uhlstra op den bodem van haar hart verborgen had gehouden, kwam eruit, en het kon wel niet anders of Freddy kreeg zijn menschelijk aandeel, wat zijn bruid zich schrikkelijk aantrok, hemzelf langs de koude kleêren ging. Ten slotte kwam men tot een soort wapenstilstand, waarbij Piet een wijdloopig verhaal deed zijner landelijke omstandigheden; hij had papiertjes in zijn zak met cijfers, en Freddy bekeek die met ’n wijs gezicht, schoon hij er niets hoegenaamd van begreep; Piet sprak van millioenen koffieboomen en duizenden bouws grond op een hem duizelig makenden toon van meesterschap.Nu en dan zei Freddy ook een enkel woord, dat hij vijf minuten vroeger van Piet had gehoord, en dan verklaarde de zoon der Uhlstra’s dat Freddy een volkomen zuiver begrip had van de quaestie, en men eigenlijk ook maar met menschen van zaken had te praten om goed begrepen te worden,—een opmerking, die Freddy streelde en innig goed deed, Roos voor haar aanstaanden man van teedere gevoelens vervulde en door mevrouw Uhlstra met vele hoofdknikken werd bijgestemd.Er moest dan nog een halve ton in; en toen Piet, met zijn boomen en zijn bouws, dat had voorgerekend, keek Roos wel weêr een beetje sip, maar Freddy zei, dat het de natuurlijkste zaak van de wereld was, en men niet onverantwoordelijk schriel mocht zijn, tegenover een zaak, die niet alleen levensvatbaar was, maar zelfs schitterend stond.„In Godsnaam dan,” zuchtte zij. „Dan zullen wij het maar weder samen doen, ja ma?”En toen dezeperkaratot aller genoegen was afgeloopen, was niemand zoo vergenoegd als de oude vrouw.Die Roos, dacht ze, was óók zoo op de penning! Freddy Markens had dit geval tot een meer beduidend man gemaakt. Piet had[199]hem een „man van zaken” genoemd, en schoon het de eerste maal was in zijn leven dat hem deze qualificatie te beurt viel, voelde hij er al het gewicht van, kwam hij al redeneerende met de noodige brutaliteit, onder het rijsttafelen tot de overtuiging, dat deman of businessin hem eigenlijk enkel had gewacht op een gelegenheid om ontdekt te worden.Hoezeer Roos daar ook tegen was, moesten Piet en Freddy dien avond samen naar de sociëteit ’n partij biljart gaan spelen.„Ik ben blij, dat je die duiten hebt gekregen.”„En ik dan?”„Ik heb je, geloof ik, ’n aardig handje geholpen.”„Zeker. Mooi, hoor! Kan ik je misschien …?”„Merci! Maar als het bij gelegenheid eens noodig mocht zijn …”„Natuurlijk! De eene dienst is de andere waard. Je moet eens bij me komen logeeren.”„Dat zal vooreerst moeilijk gaan.”„God neen … dat is waar ook,” lachte Piet. „Maar anders: ’n goeie boel daar.”Zij kwamen ’s nachts heel laat thuis, in een hoogen graad van broederlijkheid. Ten slotte had Freddy het zekere toch maar voor ’t onzekere genomen, en zich door Piet twee duizend gulden laten beloven voor zijn tusschenkomst. Hij had het geld niet noodig, van de „reisrekeningen” stond nog altijd een aardig duitje van hem vast, maar ’t was wel zoo gemakkelijk, het geld van Piet te nemen voor de onkosten van het huwelijk.Bij de Marken’s, die de financieele zijde van het huwelijk van hun zoon heelemaal lieten drukken op Roos en haar moeder, was een paar dagen later de groote gebeurtenis, dat Eddy „wezenlijk en waarachtig” een betrekking had gekregen. ’t Mocht dan niet schitterend zijn,—het ging de stoutste droomen van zijn vader en moeder te boven. Tweehonderd gulden in de maand,—de oude heer, die het zelf tot verder in de duizenden had gebracht, keek zijn jongsten zoon aan met bewondering en ontroerd tot in het diepst van zijn ziel. Zou er dan toch nog één terechtkomen! Zijn progenituur had hem niet verwend!Freddy sprak in den laatsten tijd zijn jongeren broer bijna niet; de geheele intieme omgang van vroeger was uit. En vooral sedert Eddy de boeken weêr had opgevat, en tot ’s avonds laat zat te studeeren, zooals hij nooit in z’n leven gedaan had, was de verwijdering groot. Dan keek Freddy, als hij ’s avonds van Roos naar huis kwam,[200]grimmig naar het verlichte venster van het paviljoen,—het eenige in huis, want de ouwelui gingen vroeg naar bed; haalde in z’n eentje met diepe minachting de schouders op, scheldend bij zichzelf op den „kwajongen en den ingebeelden gek.”Intusschen snapte Eddy tot zijn groote vreugde, dat er meer in zijn geest was blijven hangen, van wat hij zooveel jaren op school had geleerd, dan hij eerst zelf had gedacht.Het moedigde hem aan, hij had er daardoor liefhebberij in, en lei er zich ijverig op toe, zóó was hij in weinig maanden ’n heel eind gekomen. Terwijl men bij de Uhlstra’s druk in deweerwas met het aanstaande huwelijk, had Eddy bij Twissels aangeklopt. Vrees kende hij niet, dat „artikel” was een onbekend iets voor de „door de wol geverfde” jongens van Markens,—maar nu had hij ’n gevoel alsof iemand hem in de keel kneep.„Zoo!” riep Twissels, niets aanmoedigend. „Wat mot jij?”Het was hem in den laatsten tijd weer beter gelukt; er waren werkelijk een paar speculaties gereüsseerd, en dit welslagen had hem niet enkel opgefleurd en kracht, moed en gezondheid geschonken, maar hij was er dadelijk daarna weer „in” gegaan, zoo diep als hij er nog nooit had ingezeten.Toen Eddy ’t hem verteld had, keek hij met een schuinen blik en ’n loozen glimlach door z’n bril naar den jongen man.„Als je mij wilt foppen, dien je vroeg op te staan, hoor!”Eddy Markens verbeet zijn drift, ’t kon hem slechts kwaad doen, als hij nijdig wegliep; daarvoor was hij niet gekomen.„U kunt het zelf onderzoeken,” zei hij met een onderworpenheid, die Twissels van de wijs bracht; was dat misschien een nieuweakalvan een van die rakkers Markens?Hij hield hem dien dag op z’n kantoor en liet hem werken, soms keek Twissels eens om den hoek van zijn lessenaar, en dan zag hij aan den anderen kant de nette en goedgekleede figuur van Eddy op den wankelenden stoel en achter de oude schrijftafel van een der vorige chefs, gebogen over vuil, verschoten, groen geweest laken, vol inktvlekken, een vlag, dacht hij dan, op een modderschuit, wat het uiterlijk betrof.De correspondentie en de berekeningen waren niet, dat zag Twissels in een oogopslag, het werk van een ervaren kantoorman; het droeg alles den stempel van ’t nieuwelingschap, het was niet netjes, regelmatig engeschäftsmässig, maar de brieven waren goed gesteld en zonder fouten, de berekeningen kwamen precies uit.[201]„Je valt me bliksems meê,” zei Twissels openhartig. „Ga nou maar heen, hoor! Ik zal reis voor je rondkijken.”Het was, vond Eddy, ten minste iets, dat hij aan dit soort examen had voldaan, ofschoon hij zich van een goed resultaat heel iets anders had voorgesteld. Met dezen kant van het leven geheel onbekend, had hij gedacht, dat al zijn werk goed was, en Twissels, in zekere opgetogenheid, hem dadelijk ’n lucratieve betrekking zou hebben aangeboden; hij had zich in stilte zoo iets gedroomd als ’n apothéose, ’n terugkeer van een verloren zoon. In plaats daarvan kon hij „nou maar heengaan, hoor!”Maar hij werkte thuis toch door alsof er niets was gebeurd, zonder den moed te verliezen, al was zijn hoop op aanvankelijk succes erg gering, tot er acht dagen later een briefje van Twissels kwam, dat hem naar diens kantoor riep. Nooit nog had Eddy zoo iets gevoeld. Had dat beetje werken dan zoo’n ander mensch van hem gemaakt, dat hij in de hoop op een baantje en bij de vrees het niet te krijgen, zich bleek voelde worden, bevend als een juffershondje?„Ik heb wat voor je,” zei Twissels, en dadelijk erachter volgde de naam der maatschappij, waarbij Eddy komen zou, en die van een der directeuren bij wien hij zich moest presenteeren. Het was juist een drukke maildag voor Twissels.„Ik heb verder geen tijd,” zei hij gejaagd. „Ik heb erover gesproken; het is in orde.”En toen Eddy wilde bedanken, joeg hij hem met ’n allerhoogst en schel stemmetje haast de deur uit. „Jawel, jawel! Ga nou maar gauw heen, en doe je best … je best … Nou, bonjour!”
[Inhoud]DERTIGSTE HOOFDSTUK.Freddy en Eddy.Ze stonden allen in het huis van mevrouw Uhlstra om de lange tafel in de achtergalerij, net zooals men jaren geleden had gestaan toen Roos zou trouwen met Geber. En juist als toen stond het overal vol met bordpapieren doozen en stapels nieuw goed, alsof Roos nooit een huishouden had gehad en haar kasten leeg waren.Een onaangenaam gevoel liep hen langs den rug, toen, te midden der gewichtige beraadslagingen, een groote, breede mansfiguur met bruinen jongenskop op de schouders naar achter kwam, ongegeneerd hard stampend met zware rijlaarzen op het marmer.„Mijn God, Piet!” riep mevrouw Uhlstra. „Ben jij daar?”De jonge man, in ’n half vuil wit pak, ’n grooten grijzen helmhoed op en ’n rijzweep onder den arm, zoende zijn moeder, zijn zusters, zijn nichtje, voor hij zijn komst ophelderde, met groote hartelijkheid; hij schudde Freddy ongemanierd hard de hand; en zoo, ertusschen door, hoorde men: „Dag.… Hoe gaat het.… Gefeliciteerd.… Beste wenschen.”„Maar hoe kom je dan toch hier?” herhaalde zijn moeder.[197]„Wel,” zei Piet, die „even” van zijn koffieland in den Oosthoek kwam, „voor zaken, ziet u.… En dan.… omdat Roos weêr trouwt.”’t Was erg hartelijk, maar het beviel de familie niet best. Ze wisten van zaken in het algemeen weinig, maar ze waren opgegroeid in het landelijke, en dat een administrateur van ’n jonge onderneming zoo maar eens voor ’n maand den boêl kon laten zonder schade, wou er bij hen niet in.„Kon je weg?” vroeg zijn moeder.„Ja en neen, ma. Eigenlijk kon ik het niet.”„Zoo!” viel Roos nogal vinnig uit. „Je kon niet weg, hè? Maar al kon je niet, je deedt het toch.… uit belangstelling in mijn huwelijk … Wel, ik had liever, dat je belang stelde in het kapitaal, waar ma en ik je aan geholpen hebben.”Piet lachte luid ’n onverschilligen kwajongenslach.„Nou,” zei hij, „maak je niet dikker dan je bent. ’t Is al welletjes zoo!”Doch dat was olie op het vuur. Vooral nu, kon Roos geen zinspeling velen op haar corpulentie. En dat in tegenwoordigheid van haar bruigom.„Ik hoop,” zei ze, „dat je zoo gauw mogelijk weêr terug zult gaan.”„Misschien wel. Dat is naar het er meê staat.”Het angstig voorgevoel, dat Roos, toen ze haar jongsten broer zag, dadelijk bekropen had, nam toe.„Wat er meê staat?” riep ze. „Je gaat, zeg ik nu, zoo gauw mogelijk terug.”„Dat hangt ervan af!”„Tobat!” riep mevrouw Uhlstra, wanhopig over dezen twist. „Zeg ineens wat je meent, ja! Ik wedkoerang doewit!”„Ja,” bevestigde Piet, kalm ’n strootje opstekend. „Ik kom werkkapitaal te kort. Daar kan ik nou wel lange brieven over schrijven, maar het geeft me niets.”Dat laatste was zeer waar, en zoo iemand Piet in zijn hart gelijk gaf, dan was het Freddy, die voor het ongegeneerd optreden van zijn aanstaanden zwager een even spontane als onverklaarbare sympathie had gevoeld.„Werkkapitaal!” zei Roos woedend, „dat is alles maar kletsen, ja! Je hebt een ton gehad van ma en mij samen, en je zult zeggen, wat je met het geld hebt gedaan, of ik geef de zaak in handen van een advocaat. Al ben je mijn broer,—’t kan me niks schelen.”Onverschillig haalde Piet de schouders op, met de innige minachting van een oosterling voor vrouwenpraat.„De duiten zitten in den grond; dat spreekt vanzelf.”„Natuurlijk,” voegde Freddy er onwillekeurig achter.Het deed Roos verstommen, haar moeder vriendelijk knikken, Piet[198]opkijken met de vroolijke verrassing van iemand, die onverwacht een bondgenoot vindt.„Jij vindt het nu natuurlijk,” ging Roos voort na een oogenblik zwijgen, „maar je kent hem niet.”„Zoo!” viel nu haar moeder in eens uit. „Is het dat? Kent hij hem niet?Mijnzoons,” zei ze met haar vuist op de borst slaande, „mogen anders gerust gekend worden.”„Nou ja, dáár zou ik maar liever over zwijgen,” antwoordde Roos onvermurwbaar en erg uit de hoogte.Het draaide uit op ruzie. Freddy en Piet traden op alspeace makers; de een bij zijn aanstaande, de ander bij zijn moeder. Er werd gescholden en gehuild; al wat mama Uhlstra op den bodem van haar hart verborgen had gehouden, kwam eruit, en het kon wel niet anders of Freddy kreeg zijn menschelijk aandeel, wat zijn bruid zich schrikkelijk aantrok, hemzelf langs de koude kleêren ging. Ten slotte kwam men tot een soort wapenstilstand, waarbij Piet een wijdloopig verhaal deed zijner landelijke omstandigheden; hij had papiertjes in zijn zak met cijfers, en Freddy bekeek die met ’n wijs gezicht, schoon hij er niets hoegenaamd van begreep; Piet sprak van millioenen koffieboomen en duizenden bouws grond op een hem duizelig makenden toon van meesterschap.Nu en dan zei Freddy ook een enkel woord, dat hij vijf minuten vroeger van Piet had gehoord, en dan verklaarde de zoon der Uhlstra’s dat Freddy een volkomen zuiver begrip had van de quaestie, en men eigenlijk ook maar met menschen van zaken had te praten om goed begrepen te worden,—een opmerking, die Freddy streelde en innig goed deed, Roos voor haar aanstaanden man van teedere gevoelens vervulde en door mevrouw Uhlstra met vele hoofdknikken werd bijgestemd.Er moest dan nog een halve ton in; en toen Piet, met zijn boomen en zijn bouws, dat had voorgerekend, keek Roos wel weêr een beetje sip, maar Freddy zei, dat het de natuurlijkste zaak van de wereld was, en men niet onverantwoordelijk schriel mocht zijn, tegenover een zaak, die niet alleen levensvatbaar was, maar zelfs schitterend stond.„In Godsnaam dan,” zuchtte zij. „Dan zullen wij het maar weder samen doen, ja ma?”En toen dezeperkaratot aller genoegen was afgeloopen, was niemand zoo vergenoegd als de oude vrouw.Die Roos, dacht ze, was óók zoo op de penning! Freddy Markens had dit geval tot een meer beduidend man gemaakt. Piet had[199]hem een „man van zaken” genoemd, en schoon het de eerste maal was in zijn leven dat hem deze qualificatie te beurt viel, voelde hij er al het gewicht van, kwam hij al redeneerende met de noodige brutaliteit, onder het rijsttafelen tot de overtuiging, dat deman of businessin hem eigenlijk enkel had gewacht op een gelegenheid om ontdekt te worden.Hoezeer Roos daar ook tegen was, moesten Piet en Freddy dien avond samen naar de sociëteit ’n partij biljart gaan spelen.„Ik ben blij, dat je die duiten hebt gekregen.”„En ik dan?”„Ik heb je, geloof ik, ’n aardig handje geholpen.”„Zeker. Mooi, hoor! Kan ik je misschien …?”„Merci! Maar als het bij gelegenheid eens noodig mocht zijn …”„Natuurlijk! De eene dienst is de andere waard. Je moet eens bij me komen logeeren.”„Dat zal vooreerst moeilijk gaan.”„God neen … dat is waar ook,” lachte Piet. „Maar anders: ’n goeie boel daar.”Zij kwamen ’s nachts heel laat thuis, in een hoogen graad van broederlijkheid. Ten slotte had Freddy het zekere toch maar voor ’t onzekere genomen, en zich door Piet twee duizend gulden laten beloven voor zijn tusschenkomst. Hij had het geld niet noodig, van de „reisrekeningen” stond nog altijd een aardig duitje van hem vast, maar ’t was wel zoo gemakkelijk, het geld van Piet te nemen voor de onkosten van het huwelijk.Bij de Marken’s, die de financieele zijde van het huwelijk van hun zoon heelemaal lieten drukken op Roos en haar moeder, was een paar dagen later de groote gebeurtenis, dat Eddy „wezenlijk en waarachtig” een betrekking had gekregen. ’t Mocht dan niet schitterend zijn,—het ging de stoutste droomen van zijn vader en moeder te boven. Tweehonderd gulden in de maand,—de oude heer, die het zelf tot verder in de duizenden had gebracht, keek zijn jongsten zoon aan met bewondering en ontroerd tot in het diepst van zijn ziel. Zou er dan toch nog één terechtkomen! Zijn progenituur had hem niet verwend!Freddy sprak in den laatsten tijd zijn jongeren broer bijna niet; de geheele intieme omgang van vroeger was uit. En vooral sedert Eddy de boeken weêr had opgevat, en tot ’s avonds laat zat te studeeren, zooals hij nooit in z’n leven gedaan had, was de verwijdering groot. Dan keek Freddy, als hij ’s avonds van Roos naar huis kwam,[200]grimmig naar het verlichte venster van het paviljoen,—het eenige in huis, want de ouwelui gingen vroeg naar bed; haalde in z’n eentje met diepe minachting de schouders op, scheldend bij zichzelf op den „kwajongen en den ingebeelden gek.”Intusschen snapte Eddy tot zijn groote vreugde, dat er meer in zijn geest was blijven hangen, van wat hij zooveel jaren op school had geleerd, dan hij eerst zelf had gedacht.Het moedigde hem aan, hij had er daardoor liefhebberij in, en lei er zich ijverig op toe, zóó was hij in weinig maanden ’n heel eind gekomen. Terwijl men bij de Uhlstra’s druk in deweerwas met het aanstaande huwelijk, had Eddy bij Twissels aangeklopt. Vrees kende hij niet, dat „artikel” was een onbekend iets voor de „door de wol geverfde” jongens van Markens,—maar nu had hij ’n gevoel alsof iemand hem in de keel kneep.„Zoo!” riep Twissels, niets aanmoedigend. „Wat mot jij?”Het was hem in den laatsten tijd weer beter gelukt; er waren werkelijk een paar speculaties gereüsseerd, en dit welslagen had hem niet enkel opgefleurd en kracht, moed en gezondheid geschonken, maar hij was er dadelijk daarna weer „in” gegaan, zoo diep als hij er nog nooit had ingezeten.Toen Eddy ’t hem verteld had, keek hij met een schuinen blik en ’n loozen glimlach door z’n bril naar den jongen man.„Als je mij wilt foppen, dien je vroeg op te staan, hoor!”Eddy Markens verbeet zijn drift, ’t kon hem slechts kwaad doen, als hij nijdig wegliep; daarvoor was hij niet gekomen.„U kunt het zelf onderzoeken,” zei hij met een onderworpenheid, die Twissels van de wijs bracht; was dat misschien een nieuweakalvan een van die rakkers Markens?Hij hield hem dien dag op z’n kantoor en liet hem werken, soms keek Twissels eens om den hoek van zijn lessenaar, en dan zag hij aan den anderen kant de nette en goedgekleede figuur van Eddy op den wankelenden stoel en achter de oude schrijftafel van een der vorige chefs, gebogen over vuil, verschoten, groen geweest laken, vol inktvlekken, een vlag, dacht hij dan, op een modderschuit, wat het uiterlijk betrof.De correspondentie en de berekeningen waren niet, dat zag Twissels in een oogopslag, het werk van een ervaren kantoorman; het droeg alles den stempel van ’t nieuwelingschap, het was niet netjes, regelmatig engeschäftsmässig, maar de brieven waren goed gesteld en zonder fouten, de berekeningen kwamen precies uit.[201]„Je valt me bliksems meê,” zei Twissels openhartig. „Ga nou maar heen, hoor! Ik zal reis voor je rondkijken.”Het was, vond Eddy, ten minste iets, dat hij aan dit soort examen had voldaan, ofschoon hij zich van een goed resultaat heel iets anders had voorgesteld. Met dezen kant van het leven geheel onbekend, had hij gedacht, dat al zijn werk goed was, en Twissels, in zekere opgetogenheid, hem dadelijk ’n lucratieve betrekking zou hebben aangeboden; hij had zich in stilte zoo iets gedroomd als ’n apothéose, ’n terugkeer van een verloren zoon. In plaats daarvan kon hij „nou maar heengaan, hoor!”Maar hij werkte thuis toch door alsof er niets was gebeurd, zonder den moed te verliezen, al was zijn hoop op aanvankelijk succes erg gering, tot er acht dagen later een briefje van Twissels kwam, dat hem naar diens kantoor riep. Nooit nog had Eddy zoo iets gevoeld. Had dat beetje werken dan zoo’n ander mensch van hem gemaakt, dat hij in de hoop op een baantje en bij de vrees het niet te krijgen, zich bleek voelde worden, bevend als een juffershondje?„Ik heb wat voor je,” zei Twissels, en dadelijk erachter volgde de naam der maatschappij, waarbij Eddy komen zou, en die van een der directeuren bij wien hij zich moest presenteeren. Het was juist een drukke maildag voor Twissels.„Ik heb verder geen tijd,” zei hij gejaagd. „Ik heb erover gesproken; het is in orde.”En toen Eddy wilde bedanken, joeg hij hem met ’n allerhoogst en schel stemmetje haast de deur uit. „Jawel, jawel! Ga nou maar gauw heen, en doe je best … je best … Nou, bonjour!”
DERTIGSTE HOOFDSTUK.Freddy en Eddy.
Ze stonden allen in het huis van mevrouw Uhlstra om de lange tafel in de achtergalerij, net zooals men jaren geleden had gestaan toen Roos zou trouwen met Geber. En juist als toen stond het overal vol met bordpapieren doozen en stapels nieuw goed, alsof Roos nooit een huishouden had gehad en haar kasten leeg waren.Een onaangenaam gevoel liep hen langs den rug, toen, te midden der gewichtige beraadslagingen, een groote, breede mansfiguur met bruinen jongenskop op de schouders naar achter kwam, ongegeneerd hard stampend met zware rijlaarzen op het marmer.„Mijn God, Piet!” riep mevrouw Uhlstra. „Ben jij daar?”De jonge man, in ’n half vuil wit pak, ’n grooten grijzen helmhoed op en ’n rijzweep onder den arm, zoende zijn moeder, zijn zusters, zijn nichtje, voor hij zijn komst ophelderde, met groote hartelijkheid; hij schudde Freddy ongemanierd hard de hand; en zoo, ertusschen door, hoorde men: „Dag.… Hoe gaat het.… Gefeliciteerd.… Beste wenschen.”„Maar hoe kom je dan toch hier?” herhaalde zijn moeder.[197]„Wel,” zei Piet, die „even” van zijn koffieland in den Oosthoek kwam, „voor zaken, ziet u.… En dan.… omdat Roos weêr trouwt.”’t Was erg hartelijk, maar het beviel de familie niet best. Ze wisten van zaken in het algemeen weinig, maar ze waren opgegroeid in het landelijke, en dat een administrateur van ’n jonge onderneming zoo maar eens voor ’n maand den boêl kon laten zonder schade, wou er bij hen niet in.„Kon je weg?” vroeg zijn moeder.„Ja en neen, ma. Eigenlijk kon ik het niet.”„Zoo!” viel Roos nogal vinnig uit. „Je kon niet weg, hè? Maar al kon je niet, je deedt het toch.… uit belangstelling in mijn huwelijk … Wel, ik had liever, dat je belang stelde in het kapitaal, waar ma en ik je aan geholpen hebben.”Piet lachte luid ’n onverschilligen kwajongenslach.„Nou,” zei hij, „maak je niet dikker dan je bent. ’t Is al welletjes zoo!”Doch dat was olie op het vuur. Vooral nu, kon Roos geen zinspeling velen op haar corpulentie. En dat in tegenwoordigheid van haar bruigom.„Ik hoop,” zei ze, „dat je zoo gauw mogelijk weêr terug zult gaan.”„Misschien wel. Dat is naar het er meê staat.”Het angstig voorgevoel, dat Roos, toen ze haar jongsten broer zag, dadelijk bekropen had, nam toe.„Wat er meê staat?” riep ze. „Je gaat, zeg ik nu, zoo gauw mogelijk terug.”„Dat hangt ervan af!”„Tobat!” riep mevrouw Uhlstra, wanhopig over dezen twist. „Zeg ineens wat je meent, ja! Ik wedkoerang doewit!”„Ja,” bevestigde Piet, kalm ’n strootje opstekend. „Ik kom werkkapitaal te kort. Daar kan ik nou wel lange brieven over schrijven, maar het geeft me niets.”Dat laatste was zeer waar, en zoo iemand Piet in zijn hart gelijk gaf, dan was het Freddy, die voor het ongegeneerd optreden van zijn aanstaanden zwager een even spontane als onverklaarbare sympathie had gevoeld.„Werkkapitaal!” zei Roos woedend, „dat is alles maar kletsen, ja! Je hebt een ton gehad van ma en mij samen, en je zult zeggen, wat je met het geld hebt gedaan, of ik geef de zaak in handen van een advocaat. Al ben je mijn broer,—’t kan me niks schelen.”Onverschillig haalde Piet de schouders op, met de innige minachting van een oosterling voor vrouwenpraat.„De duiten zitten in den grond; dat spreekt vanzelf.”„Natuurlijk,” voegde Freddy er onwillekeurig achter.Het deed Roos verstommen, haar moeder vriendelijk knikken, Piet[198]opkijken met de vroolijke verrassing van iemand, die onverwacht een bondgenoot vindt.„Jij vindt het nu natuurlijk,” ging Roos voort na een oogenblik zwijgen, „maar je kent hem niet.”„Zoo!” viel nu haar moeder in eens uit. „Is het dat? Kent hij hem niet?Mijnzoons,” zei ze met haar vuist op de borst slaande, „mogen anders gerust gekend worden.”„Nou ja, dáár zou ik maar liever over zwijgen,” antwoordde Roos onvermurwbaar en erg uit de hoogte.Het draaide uit op ruzie. Freddy en Piet traden op alspeace makers; de een bij zijn aanstaande, de ander bij zijn moeder. Er werd gescholden en gehuild; al wat mama Uhlstra op den bodem van haar hart verborgen had gehouden, kwam eruit, en het kon wel niet anders of Freddy kreeg zijn menschelijk aandeel, wat zijn bruid zich schrikkelijk aantrok, hemzelf langs de koude kleêren ging. Ten slotte kwam men tot een soort wapenstilstand, waarbij Piet een wijdloopig verhaal deed zijner landelijke omstandigheden; hij had papiertjes in zijn zak met cijfers, en Freddy bekeek die met ’n wijs gezicht, schoon hij er niets hoegenaamd van begreep; Piet sprak van millioenen koffieboomen en duizenden bouws grond op een hem duizelig makenden toon van meesterschap.Nu en dan zei Freddy ook een enkel woord, dat hij vijf minuten vroeger van Piet had gehoord, en dan verklaarde de zoon der Uhlstra’s dat Freddy een volkomen zuiver begrip had van de quaestie, en men eigenlijk ook maar met menschen van zaken had te praten om goed begrepen te worden,—een opmerking, die Freddy streelde en innig goed deed, Roos voor haar aanstaanden man van teedere gevoelens vervulde en door mevrouw Uhlstra met vele hoofdknikken werd bijgestemd.Er moest dan nog een halve ton in; en toen Piet, met zijn boomen en zijn bouws, dat had voorgerekend, keek Roos wel weêr een beetje sip, maar Freddy zei, dat het de natuurlijkste zaak van de wereld was, en men niet onverantwoordelijk schriel mocht zijn, tegenover een zaak, die niet alleen levensvatbaar was, maar zelfs schitterend stond.„In Godsnaam dan,” zuchtte zij. „Dan zullen wij het maar weder samen doen, ja ma?”En toen dezeperkaratot aller genoegen was afgeloopen, was niemand zoo vergenoegd als de oude vrouw.Die Roos, dacht ze, was óók zoo op de penning! Freddy Markens had dit geval tot een meer beduidend man gemaakt. Piet had[199]hem een „man van zaken” genoemd, en schoon het de eerste maal was in zijn leven dat hem deze qualificatie te beurt viel, voelde hij er al het gewicht van, kwam hij al redeneerende met de noodige brutaliteit, onder het rijsttafelen tot de overtuiging, dat deman of businessin hem eigenlijk enkel had gewacht op een gelegenheid om ontdekt te worden.Hoezeer Roos daar ook tegen was, moesten Piet en Freddy dien avond samen naar de sociëteit ’n partij biljart gaan spelen.„Ik ben blij, dat je die duiten hebt gekregen.”„En ik dan?”„Ik heb je, geloof ik, ’n aardig handje geholpen.”„Zeker. Mooi, hoor! Kan ik je misschien …?”„Merci! Maar als het bij gelegenheid eens noodig mocht zijn …”„Natuurlijk! De eene dienst is de andere waard. Je moet eens bij me komen logeeren.”„Dat zal vooreerst moeilijk gaan.”„God neen … dat is waar ook,” lachte Piet. „Maar anders: ’n goeie boel daar.”Zij kwamen ’s nachts heel laat thuis, in een hoogen graad van broederlijkheid. Ten slotte had Freddy het zekere toch maar voor ’t onzekere genomen, en zich door Piet twee duizend gulden laten beloven voor zijn tusschenkomst. Hij had het geld niet noodig, van de „reisrekeningen” stond nog altijd een aardig duitje van hem vast, maar ’t was wel zoo gemakkelijk, het geld van Piet te nemen voor de onkosten van het huwelijk.Bij de Marken’s, die de financieele zijde van het huwelijk van hun zoon heelemaal lieten drukken op Roos en haar moeder, was een paar dagen later de groote gebeurtenis, dat Eddy „wezenlijk en waarachtig” een betrekking had gekregen. ’t Mocht dan niet schitterend zijn,—het ging de stoutste droomen van zijn vader en moeder te boven. Tweehonderd gulden in de maand,—de oude heer, die het zelf tot verder in de duizenden had gebracht, keek zijn jongsten zoon aan met bewondering en ontroerd tot in het diepst van zijn ziel. Zou er dan toch nog één terechtkomen! Zijn progenituur had hem niet verwend!Freddy sprak in den laatsten tijd zijn jongeren broer bijna niet; de geheele intieme omgang van vroeger was uit. En vooral sedert Eddy de boeken weêr had opgevat, en tot ’s avonds laat zat te studeeren, zooals hij nooit in z’n leven gedaan had, was de verwijdering groot. Dan keek Freddy, als hij ’s avonds van Roos naar huis kwam,[200]grimmig naar het verlichte venster van het paviljoen,—het eenige in huis, want de ouwelui gingen vroeg naar bed; haalde in z’n eentje met diepe minachting de schouders op, scheldend bij zichzelf op den „kwajongen en den ingebeelden gek.”Intusschen snapte Eddy tot zijn groote vreugde, dat er meer in zijn geest was blijven hangen, van wat hij zooveel jaren op school had geleerd, dan hij eerst zelf had gedacht.Het moedigde hem aan, hij had er daardoor liefhebberij in, en lei er zich ijverig op toe, zóó was hij in weinig maanden ’n heel eind gekomen. Terwijl men bij de Uhlstra’s druk in deweerwas met het aanstaande huwelijk, had Eddy bij Twissels aangeklopt. Vrees kende hij niet, dat „artikel” was een onbekend iets voor de „door de wol geverfde” jongens van Markens,—maar nu had hij ’n gevoel alsof iemand hem in de keel kneep.„Zoo!” riep Twissels, niets aanmoedigend. „Wat mot jij?”Het was hem in den laatsten tijd weer beter gelukt; er waren werkelijk een paar speculaties gereüsseerd, en dit welslagen had hem niet enkel opgefleurd en kracht, moed en gezondheid geschonken, maar hij was er dadelijk daarna weer „in” gegaan, zoo diep als hij er nog nooit had ingezeten.Toen Eddy ’t hem verteld had, keek hij met een schuinen blik en ’n loozen glimlach door z’n bril naar den jongen man.„Als je mij wilt foppen, dien je vroeg op te staan, hoor!”Eddy Markens verbeet zijn drift, ’t kon hem slechts kwaad doen, als hij nijdig wegliep; daarvoor was hij niet gekomen.„U kunt het zelf onderzoeken,” zei hij met een onderworpenheid, die Twissels van de wijs bracht; was dat misschien een nieuweakalvan een van die rakkers Markens?Hij hield hem dien dag op z’n kantoor en liet hem werken, soms keek Twissels eens om den hoek van zijn lessenaar, en dan zag hij aan den anderen kant de nette en goedgekleede figuur van Eddy op den wankelenden stoel en achter de oude schrijftafel van een der vorige chefs, gebogen over vuil, verschoten, groen geweest laken, vol inktvlekken, een vlag, dacht hij dan, op een modderschuit, wat het uiterlijk betrof.De correspondentie en de berekeningen waren niet, dat zag Twissels in een oogopslag, het werk van een ervaren kantoorman; het droeg alles den stempel van ’t nieuwelingschap, het was niet netjes, regelmatig engeschäftsmässig, maar de brieven waren goed gesteld en zonder fouten, de berekeningen kwamen precies uit.[201]„Je valt me bliksems meê,” zei Twissels openhartig. „Ga nou maar heen, hoor! Ik zal reis voor je rondkijken.”Het was, vond Eddy, ten minste iets, dat hij aan dit soort examen had voldaan, ofschoon hij zich van een goed resultaat heel iets anders had voorgesteld. Met dezen kant van het leven geheel onbekend, had hij gedacht, dat al zijn werk goed was, en Twissels, in zekere opgetogenheid, hem dadelijk ’n lucratieve betrekking zou hebben aangeboden; hij had zich in stilte zoo iets gedroomd als ’n apothéose, ’n terugkeer van een verloren zoon. In plaats daarvan kon hij „nou maar heengaan, hoor!”Maar hij werkte thuis toch door alsof er niets was gebeurd, zonder den moed te verliezen, al was zijn hoop op aanvankelijk succes erg gering, tot er acht dagen later een briefje van Twissels kwam, dat hem naar diens kantoor riep. Nooit nog had Eddy zoo iets gevoeld. Had dat beetje werken dan zoo’n ander mensch van hem gemaakt, dat hij in de hoop op een baantje en bij de vrees het niet te krijgen, zich bleek voelde worden, bevend als een juffershondje?„Ik heb wat voor je,” zei Twissels, en dadelijk erachter volgde de naam der maatschappij, waarbij Eddy komen zou, en die van een der directeuren bij wien hij zich moest presenteeren. Het was juist een drukke maildag voor Twissels.„Ik heb verder geen tijd,” zei hij gejaagd. „Ik heb erover gesproken; het is in orde.”En toen Eddy wilde bedanken, joeg hij hem met ’n allerhoogst en schel stemmetje haast de deur uit. „Jawel, jawel! Ga nou maar gauw heen, en doe je best … je best … Nou, bonjour!”
Ze stonden allen in het huis van mevrouw Uhlstra om de lange tafel in de achtergalerij, net zooals men jaren geleden had gestaan toen Roos zou trouwen met Geber. En juist als toen stond het overal vol met bordpapieren doozen en stapels nieuw goed, alsof Roos nooit een huishouden had gehad en haar kasten leeg waren.
Een onaangenaam gevoel liep hen langs den rug, toen, te midden der gewichtige beraadslagingen, een groote, breede mansfiguur met bruinen jongenskop op de schouders naar achter kwam, ongegeneerd hard stampend met zware rijlaarzen op het marmer.
„Mijn God, Piet!” riep mevrouw Uhlstra. „Ben jij daar?”
De jonge man, in ’n half vuil wit pak, ’n grooten grijzen helmhoed op en ’n rijzweep onder den arm, zoende zijn moeder, zijn zusters, zijn nichtje, voor hij zijn komst ophelderde, met groote hartelijkheid; hij schudde Freddy ongemanierd hard de hand; en zoo, ertusschen door, hoorde men: „Dag.… Hoe gaat het.… Gefeliciteerd.… Beste wenschen.”
„Maar hoe kom je dan toch hier?” herhaalde zijn moeder.[197]
„Wel,” zei Piet, die „even” van zijn koffieland in den Oosthoek kwam, „voor zaken, ziet u.… En dan.… omdat Roos weêr trouwt.”
’t Was erg hartelijk, maar het beviel de familie niet best. Ze wisten van zaken in het algemeen weinig, maar ze waren opgegroeid in het landelijke, en dat een administrateur van ’n jonge onderneming zoo maar eens voor ’n maand den boêl kon laten zonder schade, wou er bij hen niet in.
„Kon je weg?” vroeg zijn moeder.
„Ja en neen, ma. Eigenlijk kon ik het niet.”
„Zoo!” viel Roos nogal vinnig uit. „Je kon niet weg, hè? Maar al kon je niet, je deedt het toch.… uit belangstelling in mijn huwelijk … Wel, ik had liever, dat je belang stelde in het kapitaal, waar ma en ik je aan geholpen hebben.”
Piet lachte luid ’n onverschilligen kwajongenslach.
„Nou,” zei hij, „maak je niet dikker dan je bent. ’t Is al welletjes zoo!”
Doch dat was olie op het vuur. Vooral nu, kon Roos geen zinspeling velen op haar corpulentie. En dat in tegenwoordigheid van haar bruigom.
„Ik hoop,” zei ze, „dat je zoo gauw mogelijk weêr terug zult gaan.”
„Misschien wel. Dat is naar het er meê staat.”
Het angstig voorgevoel, dat Roos, toen ze haar jongsten broer zag, dadelijk bekropen had, nam toe.
„Wat er meê staat?” riep ze. „Je gaat, zeg ik nu, zoo gauw mogelijk terug.”
„Dat hangt ervan af!”
„Tobat!” riep mevrouw Uhlstra, wanhopig over dezen twist. „Zeg ineens wat je meent, ja! Ik wedkoerang doewit!”
„Ja,” bevestigde Piet, kalm ’n strootje opstekend. „Ik kom werkkapitaal te kort. Daar kan ik nou wel lange brieven over schrijven, maar het geeft me niets.”
Dat laatste was zeer waar, en zoo iemand Piet in zijn hart gelijk gaf, dan was het Freddy, die voor het ongegeneerd optreden van zijn aanstaanden zwager een even spontane als onverklaarbare sympathie had gevoeld.
„Werkkapitaal!” zei Roos woedend, „dat is alles maar kletsen, ja! Je hebt een ton gehad van ma en mij samen, en je zult zeggen, wat je met het geld hebt gedaan, of ik geef de zaak in handen van een advocaat. Al ben je mijn broer,—’t kan me niks schelen.”
Onverschillig haalde Piet de schouders op, met de innige minachting van een oosterling voor vrouwenpraat.
„De duiten zitten in den grond; dat spreekt vanzelf.”
„Natuurlijk,” voegde Freddy er onwillekeurig achter.
Het deed Roos verstommen, haar moeder vriendelijk knikken, Piet[198]opkijken met de vroolijke verrassing van iemand, die onverwacht een bondgenoot vindt.
„Jij vindt het nu natuurlijk,” ging Roos voort na een oogenblik zwijgen, „maar je kent hem niet.”
„Zoo!” viel nu haar moeder in eens uit. „Is het dat? Kent hij hem niet?Mijnzoons,” zei ze met haar vuist op de borst slaande, „mogen anders gerust gekend worden.”
„Nou ja, dáár zou ik maar liever over zwijgen,” antwoordde Roos onvermurwbaar en erg uit de hoogte.
Het draaide uit op ruzie. Freddy en Piet traden op alspeace makers; de een bij zijn aanstaande, de ander bij zijn moeder. Er werd gescholden en gehuild; al wat mama Uhlstra op den bodem van haar hart verborgen had gehouden, kwam eruit, en het kon wel niet anders of Freddy kreeg zijn menschelijk aandeel, wat zijn bruid zich schrikkelijk aantrok, hemzelf langs de koude kleêren ging. Ten slotte kwam men tot een soort wapenstilstand, waarbij Piet een wijdloopig verhaal deed zijner landelijke omstandigheden; hij had papiertjes in zijn zak met cijfers, en Freddy bekeek die met ’n wijs gezicht, schoon hij er niets hoegenaamd van begreep; Piet sprak van millioenen koffieboomen en duizenden bouws grond op een hem duizelig makenden toon van meesterschap.
Nu en dan zei Freddy ook een enkel woord, dat hij vijf minuten vroeger van Piet had gehoord, en dan verklaarde de zoon der Uhlstra’s dat Freddy een volkomen zuiver begrip had van de quaestie, en men eigenlijk ook maar met menschen van zaken had te praten om goed begrepen te worden,—een opmerking, die Freddy streelde en innig goed deed, Roos voor haar aanstaanden man van teedere gevoelens vervulde en door mevrouw Uhlstra met vele hoofdknikken werd bijgestemd.
Er moest dan nog een halve ton in; en toen Piet, met zijn boomen en zijn bouws, dat had voorgerekend, keek Roos wel weêr een beetje sip, maar Freddy zei, dat het de natuurlijkste zaak van de wereld was, en men niet onverantwoordelijk schriel mocht zijn, tegenover een zaak, die niet alleen levensvatbaar was, maar zelfs schitterend stond.
„In Godsnaam dan,” zuchtte zij. „Dan zullen wij het maar weder samen doen, ja ma?”
En toen dezeperkaratot aller genoegen was afgeloopen, was niemand zoo vergenoegd als de oude vrouw.
Die Roos, dacht ze, was óók zoo op de penning! Freddy Markens had dit geval tot een meer beduidend man gemaakt. Piet had[199]hem een „man van zaken” genoemd, en schoon het de eerste maal was in zijn leven dat hem deze qualificatie te beurt viel, voelde hij er al het gewicht van, kwam hij al redeneerende met de noodige brutaliteit, onder het rijsttafelen tot de overtuiging, dat deman of businessin hem eigenlijk enkel had gewacht op een gelegenheid om ontdekt te worden.
Hoezeer Roos daar ook tegen was, moesten Piet en Freddy dien avond samen naar de sociëteit ’n partij biljart gaan spelen.
„Ik ben blij, dat je die duiten hebt gekregen.”
„En ik dan?”
„Ik heb je, geloof ik, ’n aardig handje geholpen.”
„Zeker. Mooi, hoor! Kan ik je misschien …?”
„Merci! Maar als het bij gelegenheid eens noodig mocht zijn …”
„Natuurlijk! De eene dienst is de andere waard. Je moet eens bij me komen logeeren.”
„Dat zal vooreerst moeilijk gaan.”
„God neen … dat is waar ook,” lachte Piet. „Maar anders: ’n goeie boel daar.”
Zij kwamen ’s nachts heel laat thuis, in een hoogen graad van broederlijkheid. Ten slotte had Freddy het zekere toch maar voor ’t onzekere genomen, en zich door Piet twee duizend gulden laten beloven voor zijn tusschenkomst. Hij had het geld niet noodig, van de „reisrekeningen” stond nog altijd een aardig duitje van hem vast, maar ’t was wel zoo gemakkelijk, het geld van Piet te nemen voor de onkosten van het huwelijk.
Bij de Marken’s, die de financieele zijde van het huwelijk van hun zoon heelemaal lieten drukken op Roos en haar moeder, was een paar dagen later de groote gebeurtenis, dat Eddy „wezenlijk en waarachtig” een betrekking had gekregen. ’t Mocht dan niet schitterend zijn,—het ging de stoutste droomen van zijn vader en moeder te boven. Tweehonderd gulden in de maand,—de oude heer, die het zelf tot verder in de duizenden had gebracht, keek zijn jongsten zoon aan met bewondering en ontroerd tot in het diepst van zijn ziel. Zou er dan toch nog één terechtkomen! Zijn progenituur had hem niet verwend!
Freddy sprak in den laatsten tijd zijn jongeren broer bijna niet; de geheele intieme omgang van vroeger was uit. En vooral sedert Eddy de boeken weêr had opgevat, en tot ’s avonds laat zat te studeeren, zooals hij nooit in z’n leven gedaan had, was de verwijdering groot. Dan keek Freddy, als hij ’s avonds van Roos naar huis kwam,[200]grimmig naar het verlichte venster van het paviljoen,—het eenige in huis, want de ouwelui gingen vroeg naar bed; haalde in z’n eentje met diepe minachting de schouders op, scheldend bij zichzelf op den „kwajongen en den ingebeelden gek.”
Intusschen snapte Eddy tot zijn groote vreugde, dat er meer in zijn geest was blijven hangen, van wat hij zooveel jaren op school had geleerd, dan hij eerst zelf had gedacht.
Het moedigde hem aan, hij had er daardoor liefhebberij in, en lei er zich ijverig op toe, zóó was hij in weinig maanden ’n heel eind gekomen. Terwijl men bij de Uhlstra’s druk in deweerwas met het aanstaande huwelijk, had Eddy bij Twissels aangeklopt. Vrees kende hij niet, dat „artikel” was een onbekend iets voor de „door de wol geverfde” jongens van Markens,—maar nu had hij ’n gevoel alsof iemand hem in de keel kneep.
„Zoo!” riep Twissels, niets aanmoedigend. „Wat mot jij?”
Het was hem in den laatsten tijd weer beter gelukt; er waren werkelijk een paar speculaties gereüsseerd, en dit welslagen had hem niet enkel opgefleurd en kracht, moed en gezondheid geschonken, maar hij was er dadelijk daarna weer „in” gegaan, zoo diep als hij er nog nooit had ingezeten.
Toen Eddy ’t hem verteld had, keek hij met een schuinen blik en ’n loozen glimlach door z’n bril naar den jongen man.
„Als je mij wilt foppen, dien je vroeg op te staan, hoor!”
Eddy Markens verbeet zijn drift, ’t kon hem slechts kwaad doen, als hij nijdig wegliep; daarvoor was hij niet gekomen.
„U kunt het zelf onderzoeken,” zei hij met een onderworpenheid, die Twissels van de wijs bracht; was dat misschien een nieuweakalvan een van die rakkers Markens?
Hij hield hem dien dag op z’n kantoor en liet hem werken, soms keek Twissels eens om den hoek van zijn lessenaar, en dan zag hij aan den anderen kant de nette en goedgekleede figuur van Eddy op den wankelenden stoel en achter de oude schrijftafel van een der vorige chefs, gebogen over vuil, verschoten, groen geweest laken, vol inktvlekken, een vlag, dacht hij dan, op een modderschuit, wat het uiterlijk betrof.
De correspondentie en de berekeningen waren niet, dat zag Twissels in een oogopslag, het werk van een ervaren kantoorman; het droeg alles den stempel van ’t nieuwelingschap, het was niet netjes, regelmatig engeschäftsmässig, maar de brieven waren goed gesteld en zonder fouten, de berekeningen kwamen precies uit.[201]
„Je valt me bliksems meê,” zei Twissels openhartig. „Ga nou maar heen, hoor! Ik zal reis voor je rondkijken.”
Het was, vond Eddy, ten minste iets, dat hij aan dit soort examen had voldaan, ofschoon hij zich van een goed resultaat heel iets anders had voorgesteld. Met dezen kant van het leven geheel onbekend, had hij gedacht, dat al zijn werk goed was, en Twissels, in zekere opgetogenheid, hem dadelijk ’n lucratieve betrekking zou hebben aangeboden; hij had zich in stilte zoo iets gedroomd als ’n apothéose, ’n terugkeer van een verloren zoon. In plaats daarvan kon hij „nou maar heengaan, hoor!”
Maar hij werkte thuis toch door alsof er niets was gebeurd, zonder den moed te verliezen, al was zijn hoop op aanvankelijk succes erg gering, tot er acht dagen later een briefje van Twissels kwam, dat hem naar diens kantoor riep. Nooit nog had Eddy zoo iets gevoeld. Had dat beetje werken dan zoo’n ander mensch van hem gemaakt, dat hij in de hoop op een baantje en bij de vrees het niet te krijgen, zich bleek voelde worden, bevend als een juffershondje?
„Ik heb wat voor je,” zei Twissels, en dadelijk erachter volgde de naam der maatschappij, waarbij Eddy komen zou, en die van een der directeuren bij wien hij zich moest presenteeren. Het was juist een drukke maildag voor Twissels.
„Ik heb verder geen tijd,” zei hij gejaagd. „Ik heb erover gesproken; het is in orde.”
En toen Eddy wilde bedanken, joeg hij hem met ’n allerhoogst en schel stemmetje haast de deur uit. „Jawel, jawel! Ga nou maar gauw heen, en doe je best … je best … Nou, bonjour!”