ELFDE HOOFDSTUK.

[Inhoud]ELFDE HOOFDSTUK.Het Feest.Koeningan was haast onherkenbaar toen het feest zou aanvangen. Door het volk, onder aanvoering der mandoors, was het met weelderig groen versierd, ’n beetje naar inlandschen trant, maar dat hoorde er zoo bij, had Geber lachend opgemerkt.„De gasten moesten den indruk krijgen, dat ze heelemaal buiten waren en niets moest worden verzuimd dat het locaal karakter kon verhoogen.”„Dan moest je ze ook maar rijst te eten geven met visch,” zei Roos spijtig.„Nou,” had hij leukweg geantwoord, „ik weet er wel, die dat heel wat lekkerder zouden vinden dan fazant uit blik.”Zijzelfvond het lekkerder; maar zij trok nu den neus ervoor op, net doende, als gastvrouw, wat haar meeste gasten straks zouden doen; dure gerechten, die hun niet smaakten, als voortreffelijk prijzen, alleen omdat ze duur waren! De rijtuigen,waarmeêde genoodigden kwamen, had Geber alle gehuurd, zoodat voor andere menschen op die dagen geen huurwagen te krijgen was op de plaats. Toen zij ’s namiddags langzamerhand opreden, ontving Geber de voornaamsten zelf; de jongelui liet hij voor elkaar zorgen, en dat gelukte wonderwel; de stemming was al dadelijk onder hen opgewonden vroolijk, aanstekelijk vond Geber, die aan de groote tafel in de voorgalerij direct in een serieus zakengesprek werd gehaald door de ouderen, waaraan hij zich met een beroep op zijn plichten als gastheer zoo gauw mogelijk onttrok.Men kwam dien heelen eersten feestnacht niet uit den toon van opgewonden vroolijkheid; die was hier, midden in het landelijke, met den nachtelijken boschgeur, die allen omzweefde, en het vroolijk fantastisch licht eener kleurrijke venetiaansche illuminatie, dronkenmakend.Geber had naast het huis een houten dansvloer gelegd, en die was[71]geen tien minuten verlaten, den heelen nacht. Zelfs Lugtens had zijn grimmige deftigheid niet kunnen bewaren; hij had, heelemaal tegen zijnteetotalersgewoonte, een sigaar gerookt en een glas Champagne gedronken, kijkend bij hetplancher; een der jonge meisjes was bij hem gekomen en had plagend gevraagd of hij niet eens met haar wou dansen.Hij wist wel, waarom hij nooit iets gebruikte op partijen! Nu had hij maar één glas gedronken en het zat hem al verkeerd in het hoofd. Zijn oogen glinsterden; hij keek met begeerige oogen naar de blanke schoudertjes van frisch jong vleesch, glimmend z’n gezicht, en lachend, met dikke vooruitgestoken lippen, alsof hij ’n zoen geven wou, en hij boog, haar den arm biedend, met ouderwetsche manieren om zich te ronden, wat bij zijn dikke figuur niet noodig was, en waarover de anderen tegen elkaar spottend glimlachten. Maar ze hadden het voor geen geld gemist, dat Lugtens zich te buiten ging. Dàt was een der aardigste momenten; men rangschikte zich als het ware om het te zien, de hoofden ’n beetje vooruit, in vroolijke oplettendheid.„Ik vind het erg aardig van u,” zei het vroolijke meisje, dat hem „gevraagd” had.„Hou-je stil!” antwoordde hij, zoo familiaar als hij wel wezen mocht tegen dat jonge goed, dat hij als het ware had zien geboren worden. „Hou-je stil! Ik mag wel oppassen!”„Waarvoor oppassen?”„Wel, ik heb in jaren … ik weet zelf niet in hoeveel … niet gedanst.”„Het is maar een quadrille,” zei ze met de minachting van echte liefhebbers van dansen, voor wie de wals eigenlijk de eenige dans is, zooals voor kaartspelers hethomberen’t eenige spel.Maar Lugtens vond dit juist het moeilijke van de zaak.„Zie-je,” zei hij. „Ik ben er nog een uit de oude school. Jullie jongelui danst geen quadrille; je loopt haar.”Zij keken om naar een vis-à-vis.Uhlstra, die het zag en wel begreep, hoe hij nu Lugtens een dienst kon doen, zei tegen zijn vrouw, die naast hem stond:„Zeg Leen, heb je lust?”En terwijl zijn oogen ondeugend keken achter de brilleglazen, met vroolijke spot-trekjes op zijn goedhartig donker gezicht, nam hij haar arm in den zijnen. Zij trok haastig terug, zich boos houdend, maar innerlijk plezierig gestemd, in stilte met een groot hart voor hem, als oude getrouwde lui die elkaar nog heel aardig vinden.„Och vent, je wordt gek,” zei ze.[72]„Kom,” hernam hij, meêlachend om de grap van het geval en doorgaand in den huiselijken toon. „Kom,ajo!laat ons de beenen nog eens van den vloer gooien!”Ze aarzelde, maar liet zich toch gemakkelijk meênemen, lachend het hoofd schuddend tegen haar vriendinnen en kennissen over den „gek van ’n vent,” de anderen met prettig aanmoedigend terugknikken, onbewust genietend in het aangenaam gezicht van een paar gezonde, kloeke menschen met grijze haren, die al zoolang naast en met elkaar hadden geleefd en nog zoo jolig konden wezen met elkaar.Lugtens kreeg een gevoel van groote tevredenheid, toen hij daar onverwachts Uhlstra voor zich zag staan, lachend hem toeknikkend in goede verstandhouding. Hij begreep ten volle, dat het een dienst was, die hem daar bewezen werd, en terwijl hij ’t juffertje met een voor zijn doen vroolijk praatje bezighield, zelf veel lachend zijn zwaren bas-lach, zocht zijn tweede-ik, de zaken-mensch in hem, stil naar een gelegenheid voor dadelijken wederdienst.Er was niet lang tijd voor. De figuren werden aangegeven, schetterend voor de eerste nummers uit de koperen instrumenten, bommend op de groote trommen van het inlandsen muziekcorps, dat den bijnaam van de „ronzebons” droeg.De heele omgeving keek enkel naar Lugtens en Uhlstra, verwonderd over een vlugheid, die niemand achter hun corpulenties had gezocht; zij dansten wat men in hun jeugd nog eencarrénoemde, met kunstige figuren, in schuine danspassen van vijf en drie, achteruit en vooruit, met buigingen en strijkages, bewegelijk, druk, vermoeiend in deavants,chainesenbalancés, zoodat het was of bij de snelle tempo’s eerst hun beenderen zelfstandig manoeuvreerden en de vleeschmassa dan daarna in die beweging kwam deelen; het jonge meisje wist haast niet waar ze bleef in die ouderwetsche quadrille; ze werd er heelemaalbingoengvan, zich vast voornemend nooitweêrvoor de grap een van die ouwe heeren, die zoo raar en zoo gek deden, ten dans te vragen.De jongelui vergaten haast hun eigen dansen om naar dat van Uhlstra en Lugtens te zien, proestend achter hun handschoenen van het lachen, bij elken sierlijken kuitflikker, dien ze sloegen.De oudjes om hetplancherkeken toe met weemoedig genoegen, als naar een in beeld gebrachte herinnering uit hun jongen tijd. Zóó was het geweest, ja, toen ze nog jong waren, dertig, veertig jaren geleden!Met veel succes hadden de twee het eraf gebracht. Lugtens, met groote zweetdroppels op z’n voorhoofd, een gevoel in z’n beenen of ze onder hem wegzonken, en in z’n buik of die er los bijhing,—deed[73]zijn best het meisje, dat nu wel een beetje verlegen was met de zaak, in trotsche houding naar haar plaats te brengen.Uhlstra, beter bestand tegen lichaamsvermoeienis, door de oude gewoonten van een buitenman, ging met z’n vrouw rustigjes terug.En ze werden allen lachend gefeliciteerd.„Nou hoor! dàt hadden ze ’m geleverd! Dat was dan toch maar „je”! Wat beduidde daarbij het dansen tegenwoordig.”Véél gracieuser was het, naar de oude manier!Zoo maalden ze Lugtens aan het hoofd, de ouden omdat ze het meenden, de jongen voor de ui, en beproevend hem voor ’t lapje te houden.Doch toen ’t juffertje weêr op haar plaats zat en hij terugging naar de zijne, had Lugtens zijnquant-à-moiheelemaal weêr; hij liep stijf als ’n wandelende bougie, met ’n norsch terugstootend gelaat, nu en dan enkel ’n kort knikje uit de hoogte, teruggevend als eenig antwoord op allerlei gepraat om hem en tegen hem, met bij zichzelf „vervloekt” het land aan dat eene glas Champagne, dat hem had gefopt.Clara had het aangezien met groote ergernis, de lippen opeengeklemd, het hoofd teruggetrokken. Zij kon het zien van Uhlstra en haar zuster, die zooveel ouder was dan zij, maar van Lugtens vond zij het walgelijk.Ze had al zoolang een hekel aan hem; en was dan ook, zonder hem ooit te hebben liefgehad, getrouwd om een man te hebben. Onder de aanhoudende werking van de vrees en de onderdrukking, had zich die hekel tot haat ontwikkeld.Maar ze zag nog liever zijn stereotiep nijdig gezicht, dan zijn mal figuur in de ouderwetsche danspassen.Geber stond ook er naar te kijken, met den spotlach sterker dan ooit uitgedrukt op z’n gezicht.Onwillekeurig monsterde Clara hem van het hoofd tot de voeten. Hij zag er zeergentleman-likeuit, met zijn rustig, eenvoudig gezicht, stil neerziend op de anderen, critisch en ironisch; met zijn goede taille, die hem in zoo’n overigens leelijken zwarten rok te midden der andere heeren altijd stond, vond ze, of hij de president was en de anderen de mindere goden.Wat was er toch een verschil op de wereld! Hoe gunstig stak de een, die toezag, af bij den ander, die zich als een dwaas aanstelde in het zweet zijns grimmigen aanschijns.Mevrouw Lugtens ging langzaam naar Geber toe.„Moet jij ook niet meêdoen?” vroeg ze scherp, haar woorden afbijtend tot korte uitgestooten klanken met een licht indischen toon.[74]Hij lachte zachtjes, zonder haar aan te zien, zonder verwondering. ’t Was net zooals hij het zich had voorgesteld, wat hij verwachtte.Nadat hij haar uit het rijtuig gearmd had binnengebracht, had hij met opzet haar gezelschap vermeden. Zij zou hem komen aanspreken, datwisthij vooruit.Nu gebeurde het.„Als je óók meêdoet,” antwoordde hij.„Dank-je. Ik ben wel oud, maar daar toch nog te jong voor,” zei ze op dezelfde snibbige manier, nu werkelijk ’n beetje boos op hem.„Neem ’t me niet kwalijk! Ik zal, als ik soms lust krijg in zoo’n aardigheid, naar een andere danseuse omzien; een, die meer in leeftijd met me overeenkomt.”„Ik heb niet bedoeld, dat jij voor zulke krankzinnigheden oud genoeg bent.”„Je hebt het toch gezegd. Maar dat is ook de quaestie niet. En wat doet het er toe? Je wou wat zeggen; wat onaangenaams, zoo mogelijk. Dat is alles.”Zij zweeg even, verschrikt, dat hij dit dacht. Of het waar was, wist ze zelf niet. Voor zoover zij kon nagaan, had ze geen bepaald doel beoogd. Maar het kon toch wel zijn, dat hij gelijk had.„Je bent ’n gedachtenlezer,” zei zij, op haar beurt spottend.Het woord trof hem; het bracht hem uit zijn gewone doen; het werd geuit op goedig-spottenden toon, lang niet scherp of hard; maar hij kon er niet tegen en werd boos.„’t Is nog de vraag of dat altijd een kunst is of een verdienste.”„Je bedoelt, dat er zooveel domme menschen zijn.… zoo dom als ik bijvoorbeeld?”„Dat wilde ik niet zeggen.”Zij zag hem aan en zeide:„Zeg het gerust, Willem; het is waar.”Daar ging het nu toch een kant op, dien hij zoo graag had vermeden. Het was met vrouwen zoo zonderling. Als zij het in ’t hoofd hadden gezet een gesprek in ’n bepaalde richting te brengen, leidde elke weg onvermijdelijk naar Rome!Hij keek, zonder te zien, naar de quadrilledansers, zwijgend, niet wetend hoe uit deze phase te komen, die veel erger was, dan elke andere. Zij zag er goed uit. Zeker, ze was geen jong meisje en ze miste dus veel en had van veel te over. De onvermijdelijke onderkin; het zilveren draadje hier en daar, het onvaste in de huid van ’t gezicht, dat alles behoorde er niet te zijn; maar haar mooie lenige taille, haar[75]fijne, veerkrachtige buste was, bij den goeden smaak waarmede zij zich altijd kleedde, een lust om te zien, en zooals zij daar stond in een ook door kleur passend lichtbruin foulard-zijden japon, waarin zij gegoten scheen en die elke losse beweging van haar lijf volgde, vormde zij een opmerkelijke tegenstelling met nicht Roos, wier vuurroode blouse op een donkerblauwen rok een gemeenen kermis-indruk maakte.„Je hadt op onze laatste partij wel kunnen komen,” zei ze, hem aanziende.„Roos was.…”„Ik weet het, ik weet het. Je bent ’n heel bijzonder mensch, Willem!”„Omdat ik het haar verteld heb? Het is waar. Ik had het niet mogen doen. Vergeef het me, en erken, dat je er zelf de schuld van bent geweest.”„Och ja, dat ben ik.”Verwonderd keek Geber haar aan.Ze zei dat lachend, alsof ze, wel ver van het kwalijk te nemen, er plezier in had.„Je hadt in elk geval op de partij moeten komen. Ik zou je, hoop ik, niet hebben opgegeten. Het is krankzinnig, weet je.”Zij wachtte een oogenblikje en vervolgde toen:„Hebikin al die jaren ook maar de minste poging gedaan?”„Neen. Dat was voor mij juist het gekke. Waarom heb je zoo’n vreemde in het oog loopende houding aangenomen bij ons engagement en ons huwelijk?”„Ik weet het niet.”Hij ook niet en tochweêrwel, ten minste hij gevoelde het, hij hoorde met een soort van genot, dat hij niet kon en ook niet trachtte te verklaren, haar zuchten toen ze bekennen moest, dat ze het niet wist. Toch zeide hij zachtjes tot haar:„Wil ik je eens wat zeggen, Clara? Je hadt er het land aan.”„Misschien wel.”„Er zijn menschen, die zelf nooit den mond slaan aan tal van zaken, die ze in overvloed bezitten, maar die toch een ander daar niets van gunnen.”Zwijgend knikte ze.„Het is een soort van egoïsme; geen mooi soort,—daarmeê mag ik je niet vleien.”„En welk soort van egoïsme,” vroeg Clara vroolijk lachend, „hou-jij er op na? Zéker ’n ergcharmant, hè? Kom, laat ons in godsnaam ’n eind oploopen. Die dansende clowns daar maken me onpasselijk.”[76]„Met alle respect van je man en je zwager gesproken.”Hij lachte hartelijk mee, want hijzelf was er ook misselijk van, en haar den arm biedend, liepen ze het pad op naar ’t landhuis, uit den lichtkring tredend der lampions van hetplancher.Toen zij zoo gearmd de trap opkwamen, het landhuis binnen, waar ook een troepje muzikanten speelde, groote airs uit italiaansche opera’s havenend,—ontstelde Roos. Zij gaf zich geen rekenschap van den indruk, dien zij ontving, maar zij voelde, dat dit van uiterlijk een bijeen behoorend menschenpaar was; een paar, door de natuur aangewezen om tetjotjok.„Aan het dansen geweest, tante?” vroeg ze met een onhebbelijke klem op den graad van bloedverwantschap, terwijl ze op Clara toetrad.Doch de andere, die heel goed begreep, glimlachte vriendelijk.„Neen, kind, daar ben ik te oud voor; dat laat ik aan de jongelui over.”„U ziet er van avond zoo jong uit!”„Dat tref ik dan bijzonder, ditmaal.”„Toch niet,” zei Geber argeloos, „je ziet er altijd nog jong uit.”Mevrouw Lugtens lachte luid op.„Komaan!” riep ze, „dat is een leventje hier van avond. Ik wordt met complimenten overstelpt!”Er kwamen andere menschen tusschen; dozijnen paren, die lachend en schertsend de galerij binnenstroomden; opgewonden jolige gezichten; vroolijke stemmen luid vragend om „stroop” en ijswater, wat door de heeren met de benaming „flauwe kul” werd vereerd, in tegenstelling van den wijn en de spiritualiën, min of meer met water verdund, die zij zelf dronken; ieder kreeg zijn eigen conversatie; men zag elkaar niet meer.Geber dwaalde af naar de achtergalerij bij de speeltafeltjes; Roos had geen oogen genoeg voor de bediening; Clara geen woorden genoeg om de praatjes bij te houden, die tegen haar werden gemaakt, omdat zij.… de vrouw was van haar man.In dans en spel vorderde de nacht. De hombertafels werden na drieën verlaten; de eere-plaatsen voor de oudere dames waren reeds leeg; het gedeelte der gasten, dat niet meer meê kon doen zooals de jongelui, was, zoo mogelijk, gaan slapen; op hetplancherwerd nog gedanst, maar niet veel meer; de meisjes waren ook moê en velen reeds in haar kamer gegaan; bij de buffetten stonden jonge mannen te praten, in traag en hortend gesprek, sommigen nog in zwarte rokken, anderen reeds uit hun groot toilet en met ’n wit jasje aan; ze aten[77]sandwiches, hongerig van het laat opblijven en de vermoeienis in de open lucht, en ze dronken erbij, deze grog, gene Champagne,—het deed er niet meer toe, als ’t maar nat en koel was.In de voorgalerij, alleen, was Geber neêrgezonken in een grooten rieten stoel, doodmoê, doch zich verplicht rekenend, als gastheer, de laatste te zijn, zoowel als hij de eerste was geweest.Geber was klaar wakker; zijn voeten gloeiden van het twaalf uur achtereen op de been zijn, drentelend over het erf en door het huis. Als hij na zijn gewonen tijd opbleef en zich oververmoeid had, kon hij nooit slapen; dan raakte zijn zenuwgestel in de war, en werd hij hoe langer hoe helderder van geest, schoon hij weinig lette op wat om hem heen gebeurde.Hij zat, de beenen over elkaar geslagen, de handen over een knie gevouwen, stil tepikeren, onbeweeglijk rechtuit kijkend in de flauwer wordende lichtjes der illuminatie van zijn erf; het werd al stiller en stiller; de vermoeienis was langzamerhand allen de baas geworden; tot zelfs de bedienden, ook letterlijk op, sliepen nu hier en daar op den grond of op banken.Alleen de wachtman waakte en sloeg geregeld zijn uur.En terwijl de groote stilte over de geheele omgeving kwam, die altijd kort voor het aanbreken van den dageraad intreedt, beving hem langzamerhand een gevoel van moedeloosheid, van stillen haat tegen alles, van onverschilligheid voor het verleden, het heden en de toekomst; het doordrong hem, haast onbewust dieper en dieper, en net of het hem omwoei met een sluier, die telkens dichter aantrok, hield dat gevoel hem gevangen, zoodat er geen uitkomst meer scheen, naar welken kant ook. Hoe hij zich ook keeren mocht of wenden, hij zat,—dacht hij, zuchtend,—gekluisterd in en aan het leven en zijn omstandigheden; hij kon nietditdoen of er stond altijd eendatnaast, waarover het hem onmogelijk was heen te komen.Zijn gezicht kreeg trekken van groote zwaarmoedigheid, zijn oogen gingen vanzelf dicht alsof het weinige, dat ze zagen van het in de verte verflauwend schijnsel, hem verveelde. Er was in hem een opkomen van drift, van heftig protest tegen het leven, zooals het voor hem was, maar het kwam niet tot een uitbarsting, het kwam op en zonkweêrweg, als de machtelooze poging eener verzwakte energie, de nawerking eener eens krachtige vitaliteit; het overblijfsel van geschiktheid tot strijd en verzet; de nagalm van verloren hoop en vertrouwen; hij voelde het hem ontzinken, en was zich heelemaal bewust dat hem een groot ongeluk overkwam; dat hij in de wereld stond als een ongewapende in den strijd.Hij kon eruit gaan.[78]Wat belette het hem?Wat belette hem ten slotte er een eind aan te maken? Hij deed er anderen geen nadeel mee; ze waren financieel zonder zorgen voor de toekomst. Het was nog het verstandigste het leven te behandelen als een huis, waarin men woont en waarin men niet langer blijft, als het niet langer bevalt.De redeneering bekoorde hem; het heele idee schrikte hem niet af; hij, zich latend meêvoeren door zijn langzaam voortwerkende gedachten, zag het feit en de naaste gevolgen. Stil dramatiseerde het zich voor zijn geest. En de manier waarop het zou gebeuren, scheen daarbij ineens en vanzelf bepaald en aangewezen, alsof er geen sprake kon of mocht zijn van iets anders.De plaats van handeling was een klein bosch op zijn land bij de rivier; het werktuig een pistool. Dàt scheen vooraf onherroepelijk te zijn vastgesteld, en die omstandigheid deed hem bij zich zelven glimlachen. Hij beproefde te denken aan zelfmoord door vergif of aan zich verdrinken, maar dat scheen zijn geest zóó dwaas en onmogelijk, dat hij die richting niet uit kon; geen schrede.—

[Inhoud]ELFDE HOOFDSTUK.Het Feest.Koeningan was haast onherkenbaar toen het feest zou aanvangen. Door het volk, onder aanvoering der mandoors, was het met weelderig groen versierd, ’n beetje naar inlandschen trant, maar dat hoorde er zoo bij, had Geber lachend opgemerkt.„De gasten moesten den indruk krijgen, dat ze heelemaal buiten waren en niets moest worden verzuimd dat het locaal karakter kon verhoogen.”„Dan moest je ze ook maar rijst te eten geven met visch,” zei Roos spijtig.„Nou,” had hij leukweg geantwoord, „ik weet er wel, die dat heel wat lekkerder zouden vinden dan fazant uit blik.”Zijzelfvond het lekkerder; maar zij trok nu den neus ervoor op, net doende, als gastvrouw, wat haar meeste gasten straks zouden doen; dure gerechten, die hun niet smaakten, als voortreffelijk prijzen, alleen omdat ze duur waren! De rijtuigen,waarmeêde genoodigden kwamen, had Geber alle gehuurd, zoodat voor andere menschen op die dagen geen huurwagen te krijgen was op de plaats. Toen zij ’s namiddags langzamerhand opreden, ontving Geber de voornaamsten zelf; de jongelui liet hij voor elkaar zorgen, en dat gelukte wonderwel; de stemming was al dadelijk onder hen opgewonden vroolijk, aanstekelijk vond Geber, die aan de groote tafel in de voorgalerij direct in een serieus zakengesprek werd gehaald door de ouderen, waaraan hij zich met een beroep op zijn plichten als gastheer zoo gauw mogelijk onttrok.Men kwam dien heelen eersten feestnacht niet uit den toon van opgewonden vroolijkheid; die was hier, midden in het landelijke, met den nachtelijken boschgeur, die allen omzweefde, en het vroolijk fantastisch licht eener kleurrijke venetiaansche illuminatie, dronkenmakend.Geber had naast het huis een houten dansvloer gelegd, en die was[71]geen tien minuten verlaten, den heelen nacht. Zelfs Lugtens had zijn grimmige deftigheid niet kunnen bewaren; hij had, heelemaal tegen zijnteetotalersgewoonte, een sigaar gerookt en een glas Champagne gedronken, kijkend bij hetplancher; een der jonge meisjes was bij hem gekomen en had plagend gevraagd of hij niet eens met haar wou dansen.Hij wist wel, waarom hij nooit iets gebruikte op partijen! Nu had hij maar één glas gedronken en het zat hem al verkeerd in het hoofd. Zijn oogen glinsterden; hij keek met begeerige oogen naar de blanke schoudertjes van frisch jong vleesch, glimmend z’n gezicht, en lachend, met dikke vooruitgestoken lippen, alsof hij ’n zoen geven wou, en hij boog, haar den arm biedend, met ouderwetsche manieren om zich te ronden, wat bij zijn dikke figuur niet noodig was, en waarover de anderen tegen elkaar spottend glimlachten. Maar ze hadden het voor geen geld gemist, dat Lugtens zich te buiten ging. Dàt was een der aardigste momenten; men rangschikte zich als het ware om het te zien, de hoofden ’n beetje vooruit, in vroolijke oplettendheid.„Ik vind het erg aardig van u,” zei het vroolijke meisje, dat hem „gevraagd” had.„Hou-je stil!” antwoordde hij, zoo familiaar als hij wel wezen mocht tegen dat jonge goed, dat hij als het ware had zien geboren worden. „Hou-je stil! Ik mag wel oppassen!”„Waarvoor oppassen?”„Wel, ik heb in jaren … ik weet zelf niet in hoeveel … niet gedanst.”„Het is maar een quadrille,” zei ze met de minachting van echte liefhebbers van dansen, voor wie de wals eigenlijk de eenige dans is, zooals voor kaartspelers hethomberen’t eenige spel.Maar Lugtens vond dit juist het moeilijke van de zaak.„Zie-je,” zei hij. „Ik ben er nog een uit de oude school. Jullie jongelui danst geen quadrille; je loopt haar.”Zij keken om naar een vis-à-vis.Uhlstra, die het zag en wel begreep, hoe hij nu Lugtens een dienst kon doen, zei tegen zijn vrouw, die naast hem stond:„Zeg Leen, heb je lust?”En terwijl zijn oogen ondeugend keken achter de brilleglazen, met vroolijke spot-trekjes op zijn goedhartig donker gezicht, nam hij haar arm in den zijnen. Zij trok haastig terug, zich boos houdend, maar innerlijk plezierig gestemd, in stilte met een groot hart voor hem, als oude getrouwde lui die elkaar nog heel aardig vinden.„Och vent, je wordt gek,” zei ze.[72]„Kom,” hernam hij, meêlachend om de grap van het geval en doorgaand in den huiselijken toon. „Kom,ajo!laat ons de beenen nog eens van den vloer gooien!”Ze aarzelde, maar liet zich toch gemakkelijk meênemen, lachend het hoofd schuddend tegen haar vriendinnen en kennissen over den „gek van ’n vent,” de anderen met prettig aanmoedigend terugknikken, onbewust genietend in het aangenaam gezicht van een paar gezonde, kloeke menschen met grijze haren, die al zoolang naast en met elkaar hadden geleefd en nog zoo jolig konden wezen met elkaar.Lugtens kreeg een gevoel van groote tevredenheid, toen hij daar onverwachts Uhlstra voor zich zag staan, lachend hem toeknikkend in goede verstandhouding. Hij begreep ten volle, dat het een dienst was, die hem daar bewezen werd, en terwijl hij ’t juffertje met een voor zijn doen vroolijk praatje bezighield, zelf veel lachend zijn zwaren bas-lach, zocht zijn tweede-ik, de zaken-mensch in hem, stil naar een gelegenheid voor dadelijken wederdienst.Er was niet lang tijd voor. De figuren werden aangegeven, schetterend voor de eerste nummers uit de koperen instrumenten, bommend op de groote trommen van het inlandsen muziekcorps, dat den bijnaam van de „ronzebons” droeg.De heele omgeving keek enkel naar Lugtens en Uhlstra, verwonderd over een vlugheid, die niemand achter hun corpulenties had gezocht; zij dansten wat men in hun jeugd nog eencarrénoemde, met kunstige figuren, in schuine danspassen van vijf en drie, achteruit en vooruit, met buigingen en strijkages, bewegelijk, druk, vermoeiend in deavants,chainesenbalancés, zoodat het was of bij de snelle tempo’s eerst hun beenderen zelfstandig manoeuvreerden en de vleeschmassa dan daarna in die beweging kwam deelen; het jonge meisje wist haast niet waar ze bleef in die ouderwetsche quadrille; ze werd er heelemaalbingoengvan, zich vast voornemend nooitweêrvoor de grap een van die ouwe heeren, die zoo raar en zoo gek deden, ten dans te vragen.De jongelui vergaten haast hun eigen dansen om naar dat van Uhlstra en Lugtens te zien, proestend achter hun handschoenen van het lachen, bij elken sierlijken kuitflikker, dien ze sloegen.De oudjes om hetplancherkeken toe met weemoedig genoegen, als naar een in beeld gebrachte herinnering uit hun jongen tijd. Zóó was het geweest, ja, toen ze nog jong waren, dertig, veertig jaren geleden!Met veel succes hadden de twee het eraf gebracht. Lugtens, met groote zweetdroppels op z’n voorhoofd, een gevoel in z’n beenen of ze onder hem wegzonken, en in z’n buik of die er los bijhing,—deed[73]zijn best het meisje, dat nu wel een beetje verlegen was met de zaak, in trotsche houding naar haar plaats te brengen.Uhlstra, beter bestand tegen lichaamsvermoeienis, door de oude gewoonten van een buitenman, ging met z’n vrouw rustigjes terug.En ze werden allen lachend gefeliciteerd.„Nou hoor! dàt hadden ze ’m geleverd! Dat was dan toch maar „je”! Wat beduidde daarbij het dansen tegenwoordig.”Véél gracieuser was het, naar de oude manier!Zoo maalden ze Lugtens aan het hoofd, de ouden omdat ze het meenden, de jongen voor de ui, en beproevend hem voor ’t lapje te houden.Doch toen ’t juffertje weêr op haar plaats zat en hij terugging naar de zijne, had Lugtens zijnquant-à-moiheelemaal weêr; hij liep stijf als ’n wandelende bougie, met ’n norsch terugstootend gelaat, nu en dan enkel ’n kort knikje uit de hoogte, teruggevend als eenig antwoord op allerlei gepraat om hem en tegen hem, met bij zichzelf „vervloekt” het land aan dat eene glas Champagne, dat hem had gefopt.Clara had het aangezien met groote ergernis, de lippen opeengeklemd, het hoofd teruggetrokken. Zij kon het zien van Uhlstra en haar zuster, die zooveel ouder was dan zij, maar van Lugtens vond zij het walgelijk.Ze had al zoolang een hekel aan hem; en was dan ook, zonder hem ooit te hebben liefgehad, getrouwd om een man te hebben. Onder de aanhoudende werking van de vrees en de onderdrukking, had zich die hekel tot haat ontwikkeld.Maar ze zag nog liever zijn stereotiep nijdig gezicht, dan zijn mal figuur in de ouderwetsche danspassen.Geber stond ook er naar te kijken, met den spotlach sterker dan ooit uitgedrukt op z’n gezicht.Onwillekeurig monsterde Clara hem van het hoofd tot de voeten. Hij zag er zeergentleman-likeuit, met zijn rustig, eenvoudig gezicht, stil neerziend op de anderen, critisch en ironisch; met zijn goede taille, die hem in zoo’n overigens leelijken zwarten rok te midden der andere heeren altijd stond, vond ze, of hij de president was en de anderen de mindere goden.Wat was er toch een verschil op de wereld! Hoe gunstig stak de een, die toezag, af bij den ander, die zich als een dwaas aanstelde in het zweet zijns grimmigen aanschijns.Mevrouw Lugtens ging langzaam naar Geber toe.„Moet jij ook niet meêdoen?” vroeg ze scherp, haar woorden afbijtend tot korte uitgestooten klanken met een licht indischen toon.[74]Hij lachte zachtjes, zonder haar aan te zien, zonder verwondering. ’t Was net zooals hij het zich had voorgesteld, wat hij verwachtte.Nadat hij haar uit het rijtuig gearmd had binnengebracht, had hij met opzet haar gezelschap vermeden. Zij zou hem komen aanspreken, datwisthij vooruit.Nu gebeurde het.„Als je óók meêdoet,” antwoordde hij.„Dank-je. Ik ben wel oud, maar daar toch nog te jong voor,” zei ze op dezelfde snibbige manier, nu werkelijk ’n beetje boos op hem.„Neem ’t me niet kwalijk! Ik zal, als ik soms lust krijg in zoo’n aardigheid, naar een andere danseuse omzien; een, die meer in leeftijd met me overeenkomt.”„Ik heb niet bedoeld, dat jij voor zulke krankzinnigheden oud genoeg bent.”„Je hebt het toch gezegd. Maar dat is ook de quaestie niet. En wat doet het er toe? Je wou wat zeggen; wat onaangenaams, zoo mogelijk. Dat is alles.”Zij zweeg even, verschrikt, dat hij dit dacht. Of het waar was, wist ze zelf niet. Voor zoover zij kon nagaan, had ze geen bepaald doel beoogd. Maar het kon toch wel zijn, dat hij gelijk had.„Je bent ’n gedachtenlezer,” zei zij, op haar beurt spottend.Het woord trof hem; het bracht hem uit zijn gewone doen; het werd geuit op goedig-spottenden toon, lang niet scherp of hard; maar hij kon er niet tegen en werd boos.„’t Is nog de vraag of dat altijd een kunst is of een verdienste.”„Je bedoelt, dat er zooveel domme menschen zijn.… zoo dom als ik bijvoorbeeld?”„Dat wilde ik niet zeggen.”Zij zag hem aan en zeide:„Zeg het gerust, Willem; het is waar.”Daar ging het nu toch een kant op, dien hij zoo graag had vermeden. Het was met vrouwen zoo zonderling. Als zij het in ’t hoofd hadden gezet een gesprek in ’n bepaalde richting te brengen, leidde elke weg onvermijdelijk naar Rome!Hij keek, zonder te zien, naar de quadrilledansers, zwijgend, niet wetend hoe uit deze phase te komen, die veel erger was, dan elke andere. Zij zag er goed uit. Zeker, ze was geen jong meisje en ze miste dus veel en had van veel te over. De onvermijdelijke onderkin; het zilveren draadje hier en daar, het onvaste in de huid van ’t gezicht, dat alles behoorde er niet te zijn; maar haar mooie lenige taille, haar[75]fijne, veerkrachtige buste was, bij den goeden smaak waarmede zij zich altijd kleedde, een lust om te zien, en zooals zij daar stond in een ook door kleur passend lichtbruin foulard-zijden japon, waarin zij gegoten scheen en die elke losse beweging van haar lijf volgde, vormde zij een opmerkelijke tegenstelling met nicht Roos, wier vuurroode blouse op een donkerblauwen rok een gemeenen kermis-indruk maakte.„Je hadt op onze laatste partij wel kunnen komen,” zei ze, hem aanziende.„Roos was.…”„Ik weet het, ik weet het. Je bent ’n heel bijzonder mensch, Willem!”„Omdat ik het haar verteld heb? Het is waar. Ik had het niet mogen doen. Vergeef het me, en erken, dat je er zelf de schuld van bent geweest.”„Och ja, dat ben ik.”Verwonderd keek Geber haar aan.Ze zei dat lachend, alsof ze, wel ver van het kwalijk te nemen, er plezier in had.„Je hadt in elk geval op de partij moeten komen. Ik zou je, hoop ik, niet hebben opgegeten. Het is krankzinnig, weet je.”Zij wachtte een oogenblikje en vervolgde toen:„Hebikin al die jaren ook maar de minste poging gedaan?”„Neen. Dat was voor mij juist het gekke. Waarom heb je zoo’n vreemde in het oog loopende houding aangenomen bij ons engagement en ons huwelijk?”„Ik weet het niet.”Hij ook niet en tochweêrwel, ten minste hij gevoelde het, hij hoorde met een soort van genot, dat hij niet kon en ook niet trachtte te verklaren, haar zuchten toen ze bekennen moest, dat ze het niet wist. Toch zeide hij zachtjes tot haar:„Wil ik je eens wat zeggen, Clara? Je hadt er het land aan.”„Misschien wel.”„Er zijn menschen, die zelf nooit den mond slaan aan tal van zaken, die ze in overvloed bezitten, maar die toch een ander daar niets van gunnen.”Zwijgend knikte ze.„Het is een soort van egoïsme; geen mooi soort,—daarmeê mag ik je niet vleien.”„En welk soort van egoïsme,” vroeg Clara vroolijk lachend, „hou-jij er op na? Zéker ’n ergcharmant, hè? Kom, laat ons in godsnaam ’n eind oploopen. Die dansende clowns daar maken me onpasselijk.”[76]„Met alle respect van je man en je zwager gesproken.”Hij lachte hartelijk mee, want hijzelf was er ook misselijk van, en haar den arm biedend, liepen ze het pad op naar ’t landhuis, uit den lichtkring tredend der lampions van hetplancher.Toen zij zoo gearmd de trap opkwamen, het landhuis binnen, waar ook een troepje muzikanten speelde, groote airs uit italiaansche opera’s havenend,—ontstelde Roos. Zij gaf zich geen rekenschap van den indruk, dien zij ontving, maar zij voelde, dat dit van uiterlijk een bijeen behoorend menschenpaar was; een paar, door de natuur aangewezen om tetjotjok.„Aan het dansen geweest, tante?” vroeg ze met een onhebbelijke klem op den graad van bloedverwantschap, terwijl ze op Clara toetrad.Doch de andere, die heel goed begreep, glimlachte vriendelijk.„Neen, kind, daar ben ik te oud voor; dat laat ik aan de jongelui over.”„U ziet er van avond zoo jong uit!”„Dat tref ik dan bijzonder, ditmaal.”„Toch niet,” zei Geber argeloos, „je ziet er altijd nog jong uit.”Mevrouw Lugtens lachte luid op.„Komaan!” riep ze, „dat is een leventje hier van avond. Ik wordt met complimenten overstelpt!”Er kwamen andere menschen tusschen; dozijnen paren, die lachend en schertsend de galerij binnenstroomden; opgewonden jolige gezichten; vroolijke stemmen luid vragend om „stroop” en ijswater, wat door de heeren met de benaming „flauwe kul” werd vereerd, in tegenstelling van den wijn en de spiritualiën, min of meer met water verdund, die zij zelf dronken; ieder kreeg zijn eigen conversatie; men zag elkaar niet meer.Geber dwaalde af naar de achtergalerij bij de speeltafeltjes; Roos had geen oogen genoeg voor de bediening; Clara geen woorden genoeg om de praatjes bij te houden, die tegen haar werden gemaakt, omdat zij.… de vrouw was van haar man.In dans en spel vorderde de nacht. De hombertafels werden na drieën verlaten; de eere-plaatsen voor de oudere dames waren reeds leeg; het gedeelte der gasten, dat niet meer meê kon doen zooals de jongelui, was, zoo mogelijk, gaan slapen; op hetplancherwerd nog gedanst, maar niet veel meer; de meisjes waren ook moê en velen reeds in haar kamer gegaan; bij de buffetten stonden jonge mannen te praten, in traag en hortend gesprek, sommigen nog in zwarte rokken, anderen reeds uit hun groot toilet en met ’n wit jasje aan; ze aten[77]sandwiches, hongerig van het laat opblijven en de vermoeienis in de open lucht, en ze dronken erbij, deze grog, gene Champagne,—het deed er niet meer toe, als ’t maar nat en koel was.In de voorgalerij, alleen, was Geber neêrgezonken in een grooten rieten stoel, doodmoê, doch zich verplicht rekenend, als gastheer, de laatste te zijn, zoowel als hij de eerste was geweest.Geber was klaar wakker; zijn voeten gloeiden van het twaalf uur achtereen op de been zijn, drentelend over het erf en door het huis. Als hij na zijn gewonen tijd opbleef en zich oververmoeid had, kon hij nooit slapen; dan raakte zijn zenuwgestel in de war, en werd hij hoe langer hoe helderder van geest, schoon hij weinig lette op wat om hem heen gebeurde.Hij zat, de beenen over elkaar geslagen, de handen over een knie gevouwen, stil tepikeren, onbeweeglijk rechtuit kijkend in de flauwer wordende lichtjes der illuminatie van zijn erf; het werd al stiller en stiller; de vermoeienis was langzamerhand allen de baas geworden; tot zelfs de bedienden, ook letterlijk op, sliepen nu hier en daar op den grond of op banken.Alleen de wachtman waakte en sloeg geregeld zijn uur.En terwijl de groote stilte over de geheele omgeving kwam, die altijd kort voor het aanbreken van den dageraad intreedt, beving hem langzamerhand een gevoel van moedeloosheid, van stillen haat tegen alles, van onverschilligheid voor het verleden, het heden en de toekomst; het doordrong hem, haast onbewust dieper en dieper, en net of het hem omwoei met een sluier, die telkens dichter aantrok, hield dat gevoel hem gevangen, zoodat er geen uitkomst meer scheen, naar welken kant ook. Hoe hij zich ook keeren mocht of wenden, hij zat,—dacht hij, zuchtend,—gekluisterd in en aan het leven en zijn omstandigheden; hij kon nietditdoen of er stond altijd eendatnaast, waarover het hem onmogelijk was heen te komen.Zijn gezicht kreeg trekken van groote zwaarmoedigheid, zijn oogen gingen vanzelf dicht alsof het weinige, dat ze zagen van het in de verte verflauwend schijnsel, hem verveelde. Er was in hem een opkomen van drift, van heftig protest tegen het leven, zooals het voor hem was, maar het kwam niet tot een uitbarsting, het kwam op en zonkweêrweg, als de machtelooze poging eener verzwakte energie, de nawerking eener eens krachtige vitaliteit; het overblijfsel van geschiktheid tot strijd en verzet; de nagalm van verloren hoop en vertrouwen; hij voelde het hem ontzinken, en was zich heelemaal bewust dat hem een groot ongeluk overkwam; dat hij in de wereld stond als een ongewapende in den strijd.Hij kon eruit gaan.[78]Wat belette het hem?Wat belette hem ten slotte er een eind aan te maken? Hij deed er anderen geen nadeel mee; ze waren financieel zonder zorgen voor de toekomst. Het was nog het verstandigste het leven te behandelen als een huis, waarin men woont en waarin men niet langer blijft, als het niet langer bevalt.De redeneering bekoorde hem; het heele idee schrikte hem niet af; hij, zich latend meêvoeren door zijn langzaam voortwerkende gedachten, zag het feit en de naaste gevolgen. Stil dramatiseerde het zich voor zijn geest. En de manier waarop het zou gebeuren, scheen daarbij ineens en vanzelf bepaald en aangewezen, alsof er geen sprake kon of mocht zijn van iets anders.De plaats van handeling was een klein bosch op zijn land bij de rivier; het werktuig een pistool. Dàt scheen vooraf onherroepelijk te zijn vastgesteld, en die omstandigheid deed hem bij zich zelven glimlachen. Hij beproefde te denken aan zelfmoord door vergif of aan zich verdrinken, maar dat scheen zijn geest zóó dwaas en onmogelijk, dat hij die richting niet uit kon; geen schrede.—

ELFDE HOOFDSTUK.Het Feest.

Koeningan was haast onherkenbaar toen het feest zou aanvangen. Door het volk, onder aanvoering der mandoors, was het met weelderig groen versierd, ’n beetje naar inlandschen trant, maar dat hoorde er zoo bij, had Geber lachend opgemerkt.„De gasten moesten den indruk krijgen, dat ze heelemaal buiten waren en niets moest worden verzuimd dat het locaal karakter kon verhoogen.”„Dan moest je ze ook maar rijst te eten geven met visch,” zei Roos spijtig.„Nou,” had hij leukweg geantwoord, „ik weet er wel, die dat heel wat lekkerder zouden vinden dan fazant uit blik.”Zijzelfvond het lekkerder; maar zij trok nu den neus ervoor op, net doende, als gastvrouw, wat haar meeste gasten straks zouden doen; dure gerechten, die hun niet smaakten, als voortreffelijk prijzen, alleen omdat ze duur waren! De rijtuigen,waarmeêde genoodigden kwamen, had Geber alle gehuurd, zoodat voor andere menschen op die dagen geen huurwagen te krijgen was op de plaats. Toen zij ’s namiddags langzamerhand opreden, ontving Geber de voornaamsten zelf; de jongelui liet hij voor elkaar zorgen, en dat gelukte wonderwel; de stemming was al dadelijk onder hen opgewonden vroolijk, aanstekelijk vond Geber, die aan de groote tafel in de voorgalerij direct in een serieus zakengesprek werd gehaald door de ouderen, waaraan hij zich met een beroep op zijn plichten als gastheer zoo gauw mogelijk onttrok.Men kwam dien heelen eersten feestnacht niet uit den toon van opgewonden vroolijkheid; die was hier, midden in het landelijke, met den nachtelijken boschgeur, die allen omzweefde, en het vroolijk fantastisch licht eener kleurrijke venetiaansche illuminatie, dronkenmakend.Geber had naast het huis een houten dansvloer gelegd, en die was[71]geen tien minuten verlaten, den heelen nacht. Zelfs Lugtens had zijn grimmige deftigheid niet kunnen bewaren; hij had, heelemaal tegen zijnteetotalersgewoonte, een sigaar gerookt en een glas Champagne gedronken, kijkend bij hetplancher; een der jonge meisjes was bij hem gekomen en had plagend gevraagd of hij niet eens met haar wou dansen.Hij wist wel, waarom hij nooit iets gebruikte op partijen! Nu had hij maar één glas gedronken en het zat hem al verkeerd in het hoofd. Zijn oogen glinsterden; hij keek met begeerige oogen naar de blanke schoudertjes van frisch jong vleesch, glimmend z’n gezicht, en lachend, met dikke vooruitgestoken lippen, alsof hij ’n zoen geven wou, en hij boog, haar den arm biedend, met ouderwetsche manieren om zich te ronden, wat bij zijn dikke figuur niet noodig was, en waarover de anderen tegen elkaar spottend glimlachten. Maar ze hadden het voor geen geld gemist, dat Lugtens zich te buiten ging. Dàt was een der aardigste momenten; men rangschikte zich als het ware om het te zien, de hoofden ’n beetje vooruit, in vroolijke oplettendheid.„Ik vind het erg aardig van u,” zei het vroolijke meisje, dat hem „gevraagd” had.„Hou-je stil!” antwoordde hij, zoo familiaar als hij wel wezen mocht tegen dat jonge goed, dat hij als het ware had zien geboren worden. „Hou-je stil! Ik mag wel oppassen!”„Waarvoor oppassen?”„Wel, ik heb in jaren … ik weet zelf niet in hoeveel … niet gedanst.”„Het is maar een quadrille,” zei ze met de minachting van echte liefhebbers van dansen, voor wie de wals eigenlijk de eenige dans is, zooals voor kaartspelers hethomberen’t eenige spel.Maar Lugtens vond dit juist het moeilijke van de zaak.„Zie-je,” zei hij. „Ik ben er nog een uit de oude school. Jullie jongelui danst geen quadrille; je loopt haar.”Zij keken om naar een vis-à-vis.Uhlstra, die het zag en wel begreep, hoe hij nu Lugtens een dienst kon doen, zei tegen zijn vrouw, die naast hem stond:„Zeg Leen, heb je lust?”En terwijl zijn oogen ondeugend keken achter de brilleglazen, met vroolijke spot-trekjes op zijn goedhartig donker gezicht, nam hij haar arm in den zijnen. Zij trok haastig terug, zich boos houdend, maar innerlijk plezierig gestemd, in stilte met een groot hart voor hem, als oude getrouwde lui die elkaar nog heel aardig vinden.„Och vent, je wordt gek,” zei ze.[72]„Kom,” hernam hij, meêlachend om de grap van het geval en doorgaand in den huiselijken toon. „Kom,ajo!laat ons de beenen nog eens van den vloer gooien!”Ze aarzelde, maar liet zich toch gemakkelijk meênemen, lachend het hoofd schuddend tegen haar vriendinnen en kennissen over den „gek van ’n vent,” de anderen met prettig aanmoedigend terugknikken, onbewust genietend in het aangenaam gezicht van een paar gezonde, kloeke menschen met grijze haren, die al zoolang naast en met elkaar hadden geleefd en nog zoo jolig konden wezen met elkaar.Lugtens kreeg een gevoel van groote tevredenheid, toen hij daar onverwachts Uhlstra voor zich zag staan, lachend hem toeknikkend in goede verstandhouding. Hij begreep ten volle, dat het een dienst was, die hem daar bewezen werd, en terwijl hij ’t juffertje met een voor zijn doen vroolijk praatje bezighield, zelf veel lachend zijn zwaren bas-lach, zocht zijn tweede-ik, de zaken-mensch in hem, stil naar een gelegenheid voor dadelijken wederdienst.Er was niet lang tijd voor. De figuren werden aangegeven, schetterend voor de eerste nummers uit de koperen instrumenten, bommend op de groote trommen van het inlandsen muziekcorps, dat den bijnaam van de „ronzebons” droeg.De heele omgeving keek enkel naar Lugtens en Uhlstra, verwonderd over een vlugheid, die niemand achter hun corpulenties had gezocht; zij dansten wat men in hun jeugd nog eencarrénoemde, met kunstige figuren, in schuine danspassen van vijf en drie, achteruit en vooruit, met buigingen en strijkages, bewegelijk, druk, vermoeiend in deavants,chainesenbalancés, zoodat het was of bij de snelle tempo’s eerst hun beenderen zelfstandig manoeuvreerden en de vleeschmassa dan daarna in die beweging kwam deelen; het jonge meisje wist haast niet waar ze bleef in die ouderwetsche quadrille; ze werd er heelemaalbingoengvan, zich vast voornemend nooitweêrvoor de grap een van die ouwe heeren, die zoo raar en zoo gek deden, ten dans te vragen.De jongelui vergaten haast hun eigen dansen om naar dat van Uhlstra en Lugtens te zien, proestend achter hun handschoenen van het lachen, bij elken sierlijken kuitflikker, dien ze sloegen.De oudjes om hetplancherkeken toe met weemoedig genoegen, als naar een in beeld gebrachte herinnering uit hun jongen tijd. Zóó was het geweest, ja, toen ze nog jong waren, dertig, veertig jaren geleden!Met veel succes hadden de twee het eraf gebracht. Lugtens, met groote zweetdroppels op z’n voorhoofd, een gevoel in z’n beenen of ze onder hem wegzonken, en in z’n buik of die er los bijhing,—deed[73]zijn best het meisje, dat nu wel een beetje verlegen was met de zaak, in trotsche houding naar haar plaats te brengen.Uhlstra, beter bestand tegen lichaamsvermoeienis, door de oude gewoonten van een buitenman, ging met z’n vrouw rustigjes terug.En ze werden allen lachend gefeliciteerd.„Nou hoor! dàt hadden ze ’m geleverd! Dat was dan toch maar „je”! Wat beduidde daarbij het dansen tegenwoordig.”Véél gracieuser was het, naar de oude manier!Zoo maalden ze Lugtens aan het hoofd, de ouden omdat ze het meenden, de jongen voor de ui, en beproevend hem voor ’t lapje te houden.Doch toen ’t juffertje weêr op haar plaats zat en hij terugging naar de zijne, had Lugtens zijnquant-à-moiheelemaal weêr; hij liep stijf als ’n wandelende bougie, met ’n norsch terugstootend gelaat, nu en dan enkel ’n kort knikje uit de hoogte, teruggevend als eenig antwoord op allerlei gepraat om hem en tegen hem, met bij zichzelf „vervloekt” het land aan dat eene glas Champagne, dat hem had gefopt.Clara had het aangezien met groote ergernis, de lippen opeengeklemd, het hoofd teruggetrokken. Zij kon het zien van Uhlstra en haar zuster, die zooveel ouder was dan zij, maar van Lugtens vond zij het walgelijk.Ze had al zoolang een hekel aan hem; en was dan ook, zonder hem ooit te hebben liefgehad, getrouwd om een man te hebben. Onder de aanhoudende werking van de vrees en de onderdrukking, had zich die hekel tot haat ontwikkeld.Maar ze zag nog liever zijn stereotiep nijdig gezicht, dan zijn mal figuur in de ouderwetsche danspassen.Geber stond ook er naar te kijken, met den spotlach sterker dan ooit uitgedrukt op z’n gezicht.Onwillekeurig monsterde Clara hem van het hoofd tot de voeten. Hij zag er zeergentleman-likeuit, met zijn rustig, eenvoudig gezicht, stil neerziend op de anderen, critisch en ironisch; met zijn goede taille, die hem in zoo’n overigens leelijken zwarten rok te midden der andere heeren altijd stond, vond ze, of hij de president was en de anderen de mindere goden.Wat was er toch een verschil op de wereld! Hoe gunstig stak de een, die toezag, af bij den ander, die zich als een dwaas aanstelde in het zweet zijns grimmigen aanschijns.Mevrouw Lugtens ging langzaam naar Geber toe.„Moet jij ook niet meêdoen?” vroeg ze scherp, haar woorden afbijtend tot korte uitgestooten klanken met een licht indischen toon.[74]Hij lachte zachtjes, zonder haar aan te zien, zonder verwondering. ’t Was net zooals hij het zich had voorgesteld, wat hij verwachtte.Nadat hij haar uit het rijtuig gearmd had binnengebracht, had hij met opzet haar gezelschap vermeden. Zij zou hem komen aanspreken, datwisthij vooruit.Nu gebeurde het.„Als je óók meêdoet,” antwoordde hij.„Dank-je. Ik ben wel oud, maar daar toch nog te jong voor,” zei ze op dezelfde snibbige manier, nu werkelijk ’n beetje boos op hem.„Neem ’t me niet kwalijk! Ik zal, als ik soms lust krijg in zoo’n aardigheid, naar een andere danseuse omzien; een, die meer in leeftijd met me overeenkomt.”„Ik heb niet bedoeld, dat jij voor zulke krankzinnigheden oud genoeg bent.”„Je hebt het toch gezegd. Maar dat is ook de quaestie niet. En wat doet het er toe? Je wou wat zeggen; wat onaangenaams, zoo mogelijk. Dat is alles.”Zij zweeg even, verschrikt, dat hij dit dacht. Of het waar was, wist ze zelf niet. Voor zoover zij kon nagaan, had ze geen bepaald doel beoogd. Maar het kon toch wel zijn, dat hij gelijk had.„Je bent ’n gedachtenlezer,” zei zij, op haar beurt spottend.Het woord trof hem; het bracht hem uit zijn gewone doen; het werd geuit op goedig-spottenden toon, lang niet scherp of hard; maar hij kon er niet tegen en werd boos.„’t Is nog de vraag of dat altijd een kunst is of een verdienste.”„Je bedoelt, dat er zooveel domme menschen zijn.… zoo dom als ik bijvoorbeeld?”„Dat wilde ik niet zeggen.”Zij zag hem aan en zeide:„Zeg het gerust, Willem; het is waar.”Daar ging het nu toch een kant op, dien hij zoo graag had vermeden. Het was met vrouwen zoo zonderling. Als zij het in ’t hoofd hadden gezet een gesprek in ’n bepaalde richting te brengen, leidde elke weg onvermijdelijk naar Rome!Hij keek, zonder te zien, naar de quadrilledansers, zwijgend, niet wetend hoe uit deze phase te komen, die veel erger was, dan elke andere. Zij zag er goed uit. Zeker, ze was geen jong meisje en ze miste dus veel en had van veel te over. De onvermijdelijke onderkin; het zilveren draadje hier en daar, het onvaste in de huid van ’t gezicht, dat alles behoorde er niet te zijn; maar haar mooie lenige taille, haar[75]fijne, veerkrachtige buste was, bij den goeden smaak waarmede zij zich altijd kleedde, een lust om te zien, en zooals zij daar stond in een ook door kleur passend lichtbruin foulard-zijden japon, waarin zij gegoten scheen en die elke losse beweging van haar lijf volgde, vormde zij een opmerkelijke tegenstelling met nicht Roos, wier vuurroode blouse op een donkerblauwen rok een gemeenen kermis-indruk maakte.„Je hadt op onze laatste partij wel kunnen komen,” zei ze, hem aanziende.„Roos was.…”„Ik weet het, ik weet het. Je bent ’n heel bijzonder mensch, Willem!”„Omdat ik het haar verteld heb? Het is waar. Ik had het niet mogen doen. Vergeef het me, en erken, dat je er zelf de schuld van bent geweest.”„Och ja, dat ben ik.”Verwonderd keek Geber haar aan.Ze zei dat lachend, alsof ze, wel ver van het kwalijk te nemen, er plezier in had.„Je hadt in elk geval op de partij moeten komen. Ik zou je, hoop ik, niet hebben opgegeten. Het is krankzinnig, weet je.”Zij wachtte een oogenblikje en vervolgde toen:„Hebikin al die jaren ook maar de minste poging gedaan?”„Neen. Dat was voor mij juist het gekke. Waarom heb je zoo’n vreemde in het oog loopende houding aangenomen bij ons engagement en ons huwelijk?”„Ik weet het niet.”Hij ook niet en tochweêrwel, ten minste hij gevoelde het, hij hoorde met een soort van genot, dat hij niet kon en ook niet trachtte te verklaren, haar zuchten toen ze bekennen moest, dat ze het niet wist. Toch zeide hij zachtjes tot haar:„Wil ik je eens wat zeggen, Clara? Je hadt er het land aan.”„Misschien wel.”„Er zijn menschen, die zelf nooit den mond slaan aan tal van zaken, die ze in overvloed bezitten, maar die toch een ander daar niets van gunnen.”Zwijgend knikte ze.„Het is een soort van egoïsme; geen mooi soort,—daarmeê mag ik je niet vleien.”„En welk soort van egoïsme,” vroeg Clara vroolijk lachend, „hou-jij er op na? Zéker ’n ergcharmant, hè? Kom, laat ons in godsnaam ’n eind oploopen. Die dansende clowns daar maken me onpasselijk.”[76]„Met alle respect van je man en je zwager gesproken.”Hij lachte hartelijk mee, want hijzelf was er ook misselijk van, en haar den arm biedend, liepen ze het pad op naar ’t landhuis, uit den lichtkring tredend der lampions van hetplancher.Toen zij zoo gearmd de trap opkwamen, het landhuis binnen, waar ook een troepje muzikanten speelde, groote airs uit italiaansche opera’s havenend,—ontstelde Roos. Zij gaf zich geen rekenschap van den indruk, dien zij ontving, maar zij voelde, dat dit van uiterlijk een bijeen behoorend menschenpaar was; een paar, door de natuur aangewezen om tetjotjok.„Aan het dansen geweest, tante?” vroeg ze met een onhebbelijke klem op den graad van bloedverwantschap, terwijl ze op Clara toetrad.Doch de andere, die heel goed begreep, glimlachte vriendelijk.„Neen, kind, daar ben ik te oud voor; dat laat ik aan de jongelui over.”„U ziet er van avond zoo jong uit!”„Dat tref ik dan bijzonder, ditmaal.”„Toch niet,” zei Geber argeloos, „je ziet er altijd nog jong uit.”Mevrouw Lugtens lachte luid op.„Komaan!” riep ze, „dat is een leventje hier van avond. Ik wordt met complimenten overstelpt!”Er kwamen andere menschen tusschen; dozijnen paren, die lachend en schertsend de galerij binnenstroomden; opgewonden jolige gezichten; vroolijke stemmen luid vragend om „stroop” en ijswater, wat door de heeren met de benaming „flauwe kul” werd vereerd, in tegenstelling van den wijn en de spiritualiën, min of meer met water verdund, die zij zelf dronken; ieder kreeg zijn eigen conversatie; men zag elkaar niet meer.Geber dwaalde af naar de achtergalerij bij de speeltafeltjes; Roos had geen oogen genoeg voor de bediening; Clara geen woorden genoeg om de praatjes bij te houden, die tegen haar werden gemaakt, omdat zij.… de vrouw was van haar man.In dans en spel vorderde de nacht. De hombertafels werden na drieën verlaten; de eere-plaatsen voor de oudere dames waren reeds leeg; het gedeelte der gasten, dat niet meer meê kon doen zooals de jongelui, was, zoo mogelijk, gaan slapen; op hetplancherwerd nog gedanst, maar niet veel meer; de meisjes waren ook moê en velen reeds in haar kamer gegaan; bij de buffetten stonden jonge mannen te praten, in traag en hortend gesprek, sommigen nog in zwarte rokken, anderen reeds uit hun groot toilet en met ’n wit jasje aan; ze aten[77]sandwiches, hongerig van het laat opblijven en de vermoeienis in de open lucht, en ze dronken erbij, deze grog, gene Champagne,—het deed er niet meer toe, als ’t maar nat en koel was.In de voorgalerij, alleen, was Geber neêrgezonken in een grooten rieten stoel, doodmoê, doch zich verplicht rekenend, als gastheer, de laatste te zijn, zoowel als hij de eerste was geweest.Geber was klaar wakker; zijn voeten gloeiden van het twaalf uur achtereen op de been zijn, drentelend over het erf en door het huis. Als hij na zijn gewonen tijd opbleef en zich oververmoeid had, kon hij nooit slapen; dan raakte zijn zenuwgestel in de war, en werd hij hoe langer hoe helderder van geest, schoon hij weinig lette op wat om hem heen gebeurde.Hij zat, de beenen over elkaar geslagen, de handen over een knie gevouwen, stil tepikeren, onbeweeglijk rechtuit kijkend in de flauwer wordende lichtjes der illuminatie van zijn erf; het werd al stiller en stiller; de vermoeienis was langzamerhand allen de baas geworden; tot zelfs de bedienden, ook letterlijk op, sliepen nu hier en daar op den grond of op banken.Alleen de wachtman waakte en sloeg geregeld zijn uur.En terwijl de groote stilte over de geheele omgeving kwam, die altijd kort voor het aanbreken van den dageraad intreedt, beving hem langzamerhand een gevoel van moedeloosheid, van stillen haat tegen alles, van onverschilligheid voor het verleden, het heden en de toekomst; het doordrong hem, haast onbewust dieper en dieper, en net of het hem omwoei met een sluier, die telkens dichter aantrok, hield dat gevoel hem gevangen, zoodat er geen uitkomst meer scheen, naar welken kant ook. Hoe hij zich ook keeren mocht of wenden, hij zat,—dacht hij, zuchtend,—gekluisterd in en aan het leven en zijn omstandigheden; hij kon nietditdoen of er stond altijd eendatnaast, waarover het hem onmogelijk was heen te komen.Zijn gezicht kreeg trekken van groote zwaarmoedigheid, zijn oogen gingen vanzelf dicht alsof het weinige, dat ze zagen van het in de verte verflauwend schijnsel, hem verveelde. Er was in hem een opkomen van drift, van heftig protest tegen het leven, zooals het voor hem was, maar het kwam niet tot een uitbarsting, het kwam op en zonkweêrweg, als de machtelooze poging eener verzwakte energie, de nawerking eener eens krachtige vitaliteit; het overblijfsel van geschiktheid tot strijd en verzet; de nagalm van verloren hoop en vertrouwen; hij voelde het hem ontzinken, en was zich heelemaal bewust dat hem een groot ongeluk overkwam; dat hij in de wereld stond als een ongewapende in den strijd.Hij kon eruit gaan.[78]Wat belette het hem?Wat belette hem ten slotte er een eind aan te maken? Hij deed er anderen geen nadeel mee; ze waren financieel zonder zorgen voor de toekomst. Het was nog het verstandigste het leven te behandelen als een huis, waarin men woont en waarin men niet langer blijft, als het niet langer bevalt.De redeneering bekoorde hem; het heele idee schrikte hem niet af; hij, zich latend meêvoeren door zijn langzaam voortwerkende gedachten, zag het feit en de naaste gevolgen. Stil dramatiseerde het zich voor zijn geest. En de manier waarop het zou gebeuren, scheen daarbij ineens en vanzelf bepaald en aangewezen, alsof er geen sprake kon of mocht zijn van iets anders.De plaats van handeling was een klein bosch op zijn land bij de rivier; het werktuig een pistool. Dàt scheen vooraf onherroepelijk te zijn vastgesteld, en die omstandigheid deed hem bij zich zelven glimlachen. Hij beproefde te denken aan zelfmoord door vergif of aan zich verdrinken, maar dat scheen zijn geest zóó dwaas en onmogelijk, dat hij die richting niet uit kon; geen schrede.—

Koeningan was haast onherkenbaar toen het feest zou aanvangen. Door het volk, onder aanvoering der mandoors, was het met weelderig groen versierd, ’n beetje naar inlandschen trant, maar dat hoorde er zoo bij, had Geber lachend opgemerkt.

„De gasten moesten den indruk krijgen, dat ze heelemaal buiten waren en niets moest worden verzuimd dat het locaal karakter kon verhoogen.”

„Dan moest je ze ook maar rijst te eten geven met visch,” zei Roos spijtig.

„Nou,” had hij leukweg geantwoord, „ik weet er wel, die dat heel wat lekkerder zouden vinden dan fazant uit blik.”

Zijzelfvond het lekkerder; maar zij trok nu den neus ervoor op, net doende, als gastvrouw, wat haar meeste gasten straks zouden doen; dure gerechten, die hun niet smaakten, als voortreffelijk prijzen, alleen omdat ze duur waren! De rijtuigen,waarmeêde genoodigden kwamen, had Geber alle gehuurd, zoodat voor andere menschen op die dagen geen huurwagen te krijgen was op de plaats. Toen zij ’s namiddags langzamerhand opreden, ontving Geber de voornaamsten zelf; de jongelui liet hij voor elkaar zorgen, en dat gelukte wonderwel; de stemming was al dadelijk onder hen opgewonden vroolijk, aanstekelijk vond Geber, die aan de groote tafel in de voorgalerij direct in een serieus zakengesprek werd gehaald door de ouderen, waaraan hij zich met een beroep op zijn plichten als gastheer zoo gauw mogelijk onttrok.

Men kwam dien heelen eersten feestnacht niet uit den toon van opgewonden vroolijkheid; die was hier, midden in het landelijke, met den nachtelijken boschgeur, die allen omzweefde, en het vroolijk fantastisch licht eener kleurrijke venetiaansche illuminatie, dronkenmakend.

Geber had naast het huis een houten dansvloer gelegd, en die was[71]geen tien minuten verlaten, den heelen nacht. Zelfs Lugtens had zijn grimmige deftigheid niet kunnen bewaren; hij had, heelemaal tegen zijnteetotalersgewoonte, een sigaar gerookt en een glas Champagne gedronken, kijkend bij hetplancher; een der jonge meisjes was bij hem gekomen en had plagend gevraagd of hij niet eens met haar wou dansen.

Hij wist wel, waarom hij nooit iets gebruikte op partijen! Nu had hij maar één glas gedronken en het zat hem al verkeerd in het hoofd. Zijn oogen glinsterden; hij keek met begeerige oogen naar de blanke schoudertjes van frisch jong vleesch, glimmend z’n gezicht, en lachend, met dikke vooruitgestoken lippen, alsof hij ’n zoen geven wou, en hij boog, haar den arm biedend, met ouderwetsche manieren om zich te ronden, wat bij zijn dikke figuur niet noodig was, en waarover de anderen tegen elkaar spottend glimlachten. Maar ze hadden het voor geen geld gemist, dat Lugtens zich te buiten ging. Dàt was een der aardigste momenten; men rangschikte zich als het ware om het te zien, de hoofden ’n beetje vooruit, in vroolijke oplettendheid.

„Ik vind het erg aardig van u,” zei het vroolijke meisje, dat hem „gevraagd” had.

„Hou-je stil!” antwoordde hij, zoo familiaar als hij wel wezen mocht tegen dat jonge goed, dat hij als het ware had zien geboren worden. „Hou-je stil! Ik mag wel oppassen!”

„Waarvoor oppassen?”

„Wel, ik heb in jaren … ik weet zelf niet in hoeveel … niet gedanst.”

„Het is maar een quadrille,” zei ze met de minachting van echte liefhebbers van dansen, voor wie de wals eigenlijk de eenige dans is, zooals voor kaartspelers hethomberen’t eenige spel.

Maar Lugtens vond dit juist het moeilijke van de zaak.

„Zie-je,” zei hij. „Ik ben er nog een uit de oude school. Jullie jongelui danst geen quadrille; je loopt haar.”

Zij keken om naar een vis-à-vis.

Uhlstra, die het zag en wel begreep, hoe hij nu Lugtens een dienst kon doen, zei tegen zijn vrouw, die naast hem stond:

„Zeg Leen, heb je lust?”

En terwijl zijn oogen ondeugend keken achter de brilleglazen, met vroolijke spot-trekjes op zijn goedhartig donker gezicht, nam hij haar arm in den zijnen. Zij trok haastig terug, zich boos houdend, maar innerlijk plezierig gestemd, in stilte met een groot hart voor hem, als oude getrouwde lui die elkaar nog heel aardig vinden.

„Och vent, je wordt gek,” zei ze.[72]

„Kom,” hernam hij, meêlachend om de grap van het geval en doorgaand in den huiselijken toon. „Kom,ajo!laat ons de beenen nog eens van den vloer gooien!”

Ze aarzelde, maar liet zich toch gemakkelijk meênemen, lachend het hoofd schuddend tegen haar vriendinnen en kennissen over den „gek van ’n vent,” de anderen met prettig aanmoedigend terugknikken, onbewust genietend in het aangenaam gezicht van een paar gezonde, kloeke menschen met grijze haren, die al zoolang naast en met elkaar hadden geleefd en nog zoo jolig konden wezen met elkaar.

Lugtens kreeg een gevoel van groote tevredenheid, toen hij daar onverwachts Uhlstra voor zich zag staan, lachend hem toeknikkend in goede verstandhouding. Hij begreep ten volle, dat het een dienst was, die hem daar bewezen werd, en terwijl hij ’t juffertje met een voor zijn doen vroolijk praatje bezighield, zelf veel lachend zijn zwaren bas-lach, zocht zijn tweede-ik, de zaken-mensch in hem, stil naar een gelegenheid voor dadelijken wederdienst.

Er was niet lang tijd voor. De figuren werden aangegeven, schetterend voor de eerste nummers uit de koperen instrumenten, bommend op de groote trommen van het inlandsen muziekcorps, dat den bijnaam van de „ronzebons” droeg.

De heele omgeving keek enkel naar Lugtens en Uhlstra, verwonderd over een vlugheid, die niemand achter hun corpulenties had gezocht; zij dansten wat men in hun jeugd nog eencarrénoemde, met kunstige figuren, in schuine danspassen van vijf en drie, achteruit en vooruit, met buigingen en strijkages, bewegelijk, druk, vermoeiend in deavants,chainesenbalancés, zoodat het was of bij de snelle tempo’s eerst hun beenderen zelfstandig manoeuvreerden en de vleeschmassa dan daarna in die beweging kwam deelen; het jonge meisje wist haast niet waar ze bleef in die ouderwetsche quadrille; ze werd er heelemaalbingoengvan, zich vast voornemend nooitweêrvoor de grap een van die ouwe heeren, die zoo raar en zoo gek deden, ten dans te vragen.

De jongelui vergaten haast hun eigen dansen om naar dat van Uhlstra en Lugtens te zien, proestend achter hun handschoenen van het lachen, bij elken sierlijken kuitflikker, dien ze sloegen.

De oudjes om hetplancherkeken toe met weemoedig genoegen, als naar een in beeld gebrachte herinnering uit hun jongen tijd. Zóó was het geweest, ja, toen ze nog jong waren, dertig, veertig jaren geleden!

Met veel succes hadden de twee het eraf gebracht. Lugtens, met groote zweetdroppels op z’n voorhoofd, een gevoel in z’n beenen of ze onder hem wegzonken, en in z’n buik of die er los bijhing,—deed[73]zijn best het meisje, dat nu wel een beetje verlegen was met de zaak, in trotsche houding naar haar plaats te brengen.

Uhlstra, beter bestand tegen lichaamsvermoeienis, door de oude gewoonten van een buitenman, ging met z’n vrouw rustigjes terug.

En ze werden allen lachend gefeliciteerd.

„Nou hoor! dàt hadden ze ’m geleverd! Dat was dan toch maar „je”! Wat beduidde daarbij het dansen tegenwoordig.”

Véél gracieuser was het, naar de oude manier!

Zoo maalden ze Lugtens aan het hoofd, de ouden omdat ze het meenden, de jongen voor de ui, en beproevend hem voor ’t lapje te houden.

Doch toen ’t juffertje weêr op haar plaats zat en hij terugging naar de zijne, had Lugtens zijnquant-à-moiheelemaal weêr; hij liep stijf als ’n wandelende bougie, met ’n norsch terugstootend gelaat, nu en dan enkel ’n kort knikje uit de hoogte, teruggevend als eenig antwoord op allerlei gepraat om hem en tegen hem, met bij zichzelf „vervloekt” het land aan dat eene glas Champagne, dat hem had gefopt.

Clara had het aangezien met groote ergernis, de lippen opeengeklemd, het hoofd teruggetrokken. Zij kon het zien van Uhlstra en haar zuster, die zooveel ouder was dan zij, maar van Lugtens vond zij het walgelijk.

Ze had al zoolang een hekel aan hem; en was dan ook, zonder hem ooit te hebben liefgehad, getrouwd om een man te hebben. Onder de aanhoudende werking van de vrees en de onderdrukking, had zich die hekel tot haat ontwikkeld.

Maar ze zag nog liever zijn stereotiep nijdig gezicht, dan zijn mal figuur in de ouderwetsche danspassen.

Geber stond ook er naar te kijken, met den spotlach sterker dan ooit uitgedrukt op z’n gezicht.

Onwillekeurig monsterde Clara hem van het hoofd tot de voeten. Hij zag er zeergentleman-likeuit, met zijn rustig, eenvoudig gezicht, stil neerziend op de anderen, critisch en ironisch; met zijn goede taille, die hem in zoo’n overigens leelijken zwarten rok te midden der andere heeren altijd stond, vond ze, of hij de president was en de anderen de mindere goden.

Wat was er toch een verschil op de wereld! Hoe gunstig stak de een, die toezag, af bij den ander, die zich als een dwaas aanstelde in het zweet zijns grimmigen aanschijns.

Mevrouw Lugtens ging langzaam naar Geber toe.

„Moet jij ook niet meêdoen?” vroeg ze scherp, haar woorden afbijtend tot korte uitgestooten klanken met een licht indischen toon.[74]

Hij lachte zachtjes, zonder haar aan te zien, zonder verwondering. ’t Was net zooals hij het zich had voorgesteld, wat hij verwachtte.

Nadat hij haar uit het rijtuig gearmd had binnengebracht, had hij met opzet haar gezelschap vermeden. Zij zou hem komen aanspreken, datwisthij vooruit.

Nu gebeurde het.

„Als je óók meêdoet,” antwoordde hij.

„Dank-je. Ik ben wel oud, maar daar toch nog te jong voor,” zei ze op dezelfde snibbige manier, nu werkelijk ’n beetje boos op hem.

„Neem ’t me niet kwalijk! Ik zal, als ik soms lust krijg in zoo’n aardigheid, naar een andere danseuse omzien; een, die meer in leeftijd met me overeenkomt.”

„Ik heb niet bedoeld, dat jij voor zulke krankzinnigheden oud genoeg bent.”

„Je hebt het toch gezegd. Maar dat is ook de quaestie niet. En wat doet het er toe? Je wou wat zeggen; wat onaangenaams, zoo mogelijk. Dat is alles.”

Zij zweeg even, verschrikt, dat hij dit dacht. Of het waar was, wist ze zelf niet. Voor zoover zij kon nagaan, had ze geen bepaald doel beoogd. Maar het kon toch wel zijn, dat hij gelijk had.

„Je bent ’n gedachtenlezer,” zei zij, op haar beurt spottend.

Het woord trof hem; het bracht hem uit zijn gewone doen; het werd geuit op goedig-spottenden toon, lang niet scherp of hard; maar hij kon er niet tegen en werd boos.

„’t Is nog de vraag of dat altijd een kunst is of een verdienste.”

„Je bedoelt, dat er zooveel domme menschen zijn.… zoo dom als ik bijvoorbeeld?”

„Dat wilde ik niet zeggen.”

Zij zag hem aan en zeide:

„Zeg het gerust, Willem; het is waar.”

Daar ging het nu toch een kant op, dien hij zoo graag had vermeden. Het was met vrouwen zoo zonderling. Als zij het in ’t hoofd hadden gezet een gesprek in ’n bepaalde richting te brengen, leidde elke weg onvermijdelijk naar Rome!

Hij keek, zonder te zien, naar de quadrilledansers, zwijgend, niet wetend hoe uit deze phase te komen, die veel erger was, dan elke andere. Zij zag er goed uit. Zeker, ze was geen jong meisje en ze miste dus veel en had van veel te over. De onvermijdelijke onderkin; het zilveren draadje hier en daar, het onvaste in de huid van ’t gezicht, dat alles behoorde er niet te zijn; maar haar mooie lenige taille, haar[75]fijne, veerkrachtige buste was, bij den goeden smaak waarmede zij zich altijd kleedde, een lust om te zien, en zooals zij daar stond in een ook door kleur passend lichtbruin foulard-zijden japon, waarin zij gegoten scheen en die elke losse beweging van haar lijf volgde, vormde zij een opmerkelijke tegenstelling met nicht Roos, wier vuurroode blouse op een donkerblauwen rok een gemeenen kermis-indruk maakte.

„Je hadt op onze laatste partij wel kunnen komen,” zei ze, hem aanziende.

„Roos was.…”

„Ik weet het, ik weet het. Je bent ’n heel bijzonder mensch, Willem!”

„Omdat ik het haar verteld heb? Het is waar. Ik had het niet mogen doen. Vergeef het me, en erken, dat je er zelf de schuld van bent geweest.”

„Och ja, dat ben ik.”

Verwonderd keek Geber haar aan.

Ze zei dat lachend, alsof ze, wel ver van het kwalijk te nemen, er plezier in had.

„Je hadt in elk geval op de partij moeten komen. Ik zou je, hoop ik, niet hebben opgegeten. Het is krankzinnig, weet je.”

Zij wachtte een oogenblikje en vervolgde toen:

„Hebikin al die jaren ook maar de minste poging gedaan?”

„Neen. Dat was voor mij juist het gekke. Waarom heb je zoo’n vreemde in het oog loopende houding aangenomen bij ons engagement en ons huwelijk?”

„Ik weet het niet.”

Hij ook niet en tochweêrwel, ten minste hij gevoelde het, hij hoorde met een soort van genot, dat hij niet kon en ook niet trachtte te verklaren, haar zuchten toen ze bekennen moest, dat ze het niet wist. Toch zeide hij zachtjes tot haar:

„Wil ik je eens wat zeggen, Clara? Je hadt er het land aan.”

„Misschien wel.”

„Er zijn menschen, die zelf nooit den mond slaan aan tal van zaken, die ze in overvloed bezitten, maar die toch een ander daar niets van gunnen.”

Zwijgend knikte ze.

„Het is een soort van egoïsme; geen mooi soort,—daarmeê mag ik je niet vleien.”

„En welk soort van egoïsme,” vroeg Clara vroolijk lachend, „hou-jij er op na? Zéker ’n ergcharmant, hè? Kom, laat ons in godsnaam ’n eind oploopen. Die dansende clowns daar maken me onpasselijk.”[76]

„Met alle respect van je man en je zwager gesproken.”

Hij lachte hartelijk mee, want hijzelf was er ook misselijk van, en haar den arm biedend, liepen ze het pad op naar ’t landhuis, uit den lichtkring tredend der lampions van hetplancher.

Toen zij zoo gearmd de trap opkwamen, het landhuis binnen, waar ook een troepje muzikanten speelde, groote airs uit italiaansche opera’s havenend,—ontstelde Roos. Zij gaf zich geen rekenschap van den indruk, dien zij ontving, maar zij voelde, dat dit van uiterlijk een bijeen behoorend menschenpaar was; een paar, door de natuur aangewezen om tetjotjok.

„Aan het dansen geweest, tante?” vroeg ze met een onhebbelijke klem op den graad van bloedverwantschap, terwijl ze op Clara toetrad.

Doch de andere, die heel goed begreep, glimlachte vriendelijk.

„Neen, kind, daar ben ik te oud voor; dat laat ik aan de jongelui over.”

„U ziet er van avond zoo jong uit!”

„Dat tref ik dan bijzonder, ditmaal.”

„Toch niet,” zei Geber argeloos, „je ziet er altijd nog jong uit.”

Mevrouw Lugtens lachte luid op.

„Komaan!” riep ze, „dat is een leventje hier van avond. Ik wordt met complimenten overstelpt!”

Er kwamen andere menschen tusschen; dozijnen paren, die lachend en schertsend de galerij binnenstroomden; opgewonden jolige gezichten; vroolijke stemmen luid vragend om „stroop” en ijswater, wat door de heeren met de benaming „flauwe kul” werd vereerd, in tegenstelling van den wijn en de spiritualiën, min of meer met water verdund, die zij zelf dronken; ieder kreeg zijn eigen conversatie; men zag elkaar niet meer.

Geber dwaalde af naar de achtergalerij bij de speeltafeltjes; Roos had geen oogen genoeg voor de bediening; Clara geen woorden genoeg om de praatjes bij te houden, die tegen haar werden gemaakt, omdat zij.… de vrouw was van haar man.

In dans en spel vorderde de nacht. De hombertafels werden na drieën verlaten; de eere-plaatsen voor de oudere dames waren reeds leeg; het gedeelte der gasten, dat niet meer meê kon doen zooals de jongelui, was, zoo mogelijk, gaan slapen; op hetplancherwerd nog gedanst, maar niet veel meer; de meisjes waren ook moê en velen reeds in haar kamer gegaan; bij de buffetten stonden jonge mannen te praten, in traag en hortend gesprek, sommigen nog in zwarte rokken, anderen reeds uit hun groot toilet en met ’n wit jasje aan; ze aten[77]sandwiches, hongerig van het laat opblijven en de vermoeienis in de open lucht, en ze dronken erbij, deze grog, gene Champagne,—het deed er niet meer toe, als ’t maar nat en koel was.

In de voorgalerij, alleen, was Geber neêrgezonken in een grooten rieten stoel, doodmoê, doch zich verplicht rekenend, als gastheer, de laatste te zijn, zoowel als hij de eerste was geweest.

Geber was klaar wakker; zijn voeten gloeiden van het twaalf uur achtereen op de been zijn, drentelend over het erf en door het huis. Als hij na zijn gewonen tijd opbleef en zich oververmoeid had, kon hij nooit slapen; dan raakte zijn zenuwgestel in de war, en werd hij hoe langer hoe helderder van geest, schoon hij weinig lette op wat om hem heen gebeurde.

Hij zat, de beenen over elkaar geslagen, de handen over een knie gevouwen, stil tepikeren, onbeweeglijk rechtuit kijkend in de flauwer wordende lichtjes der illuminatie van zijn erf; het werd al stiller en stiller; de vermoeienis was langzamerhand allen de baas geworden; tot zelfs de bedienden, ook letterlijk op, sliepen nu hier en daar op den grond of op banken.

Alleen de wachtman waakte en sloeg geregeld zijn uur.

En terwijl de groote stilte over de geheele omgeving kwam, die altijd kort voor het aanbreken van den dageraad intreedt, beving hem langzamerhand een gevoel van moedeloosheid, van stillen haat tegen alles, van onverschilligheid voor het verleden, het heden en de toekomst; het doordrong hem, haast onbewust dieper en dieper, en net of het hem omwoei met een sluier, die telkens dichter aantrok, hield dat gevoel hem gevangen, zoodat er geen uitkomst meer scheen, naar welken kant ook. Hoe hij zich ook keeren mocht of wenden, hij zat,—dacht hij, zuchtend,—gekluisterd in en aan het leven en zijn omstandigheden; hij kon nietditdoen of er stond altijd eendatnaast, waarover het hem onmogelijk was heen te komen.

Zijn gezicht kreeg trekken van groote zwaarmoedigheid, zijn oogen gingen vanzelf dicht alsof het weinige, dat ze zagen van het in de verte verflauwend schijnsel, hem verveelde. Er was in hem een opkomen van drift, van heftig protest tegen het leven, zooals het voor hem was, maar het kwam niet tot een uitbarsting, het kwam op en zonkweêrweg, als de machtelooze poging eener verzwakte energie, de nawerking eener eens krachtige vitaliteit; het overblijfsel van geschiktheid tot strijd en verzet; de nagalm van verloren hoop en vertrouwen; hij voelde het hem ontzinken, en was zich heelemaal bewust dat hem een groot ongeluk overkwam; dat hij in de wereld stond als een ongewapende in den strijd.

Hij kon eruit gaan.[78]

Wat belette het hem?

Wat belette hem ten slotte er een eind aan te maken? Hij deed er anderen geen nadeel mee; ze waren financieel zonder zorgen voor de toekomst. Het was nog het verstandigste het leven te behandelen als een huis, waarin men woont en waarin men niet langer blijft, als het niet langer bevalt.

De redeneering bekoorde hem; het heele idee schrikte hem niet af; hij, zich latend meêvoeren door zijn langzaam voortwerkende gedachten, zag het feit en de naaste gevolgen. Stil dramatiseerde het zich voor zijn geest. En de manier waarop het zou gebeuren, scheen daarbij ineens en vanzelf bepaald en aangewezen, alsof er geen sprake kon of mocht zijn van iets anders.

De plaats van handeling was een klein bosch op zijn land bij de rivier; het werktuig een pistool. Dàt scheen vooraf onherroepelijk te zijn vastgesteld, en die omstandigheid deed hem bij zich zelven glimlachen. Hij beproefde te denken aan zelfmoord door vergif of aan zich verdrinken, maar dat scheen zijn geest zóó dwaas en onmogelijk, dat hij die richting niet uit kon; geen schrede.—


Back to IndexNext