NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

[Inhoud]NEGENTIENDE HOOFDSTUK.Bij den Chinees.Het was een donker gangetje in de woning van een Chinees; vóór was een kleine toko, heel ordinair, met weiniglakoe-artikelen, veel oud, onverkoopbaar goed. Achter de vuile primitievevitrinemet kleine ruitjes in slordig bruin geverfde stijltjes, het matgele groezige gezicht op den dunnen hals bengelend, zat daar een chineeschenona, met een zuigeling aan de borst, droomerig te soezen, met groote doffe oogen en gemarkeerde trekken, genietend van het enkel moeder zijn; lui, zonder iets erbij uit te voeren. De Chinees zelf zat op een bankje voor zijn deur, de kabaai open, het vollemaansgezicht glimmend; de bloote borst en buik, bij de voorover gebukte houding, met gevouwen handen om een opgetrokken knie, in zware vetlagen overplooiend, een gemest varken gelijk.In het middaguur was het stil en licht in de chineesche achterwijk der stad; op de witte muren met grillige zwarte vegen van aangewaaide stof, stond het zonlicht gloeiend en eentonig; de lage, van gekleurdekainsen katoentjes vol behangen winkeltjes zagen diep donker achterin; stil zaten de neringdoende menschen na te rekenen, de een zijn verdienste en de kans om over te houden, de ander zijn verliezen en hoe hij failliet zou gaan; sommigen erbij vouwend, uit zucht iets te doen,[115]of met de handen langs de glad gepapte stukken wit goed aaiend, met de liefde van een handelaar voor de waar, die hem laat verdienen. Maar over alles steeg de hitte, en al wat vocht bevatte in de kleine steeg, al wat in hoeken en gaten lag te vergaan, gaf vreemde vieze luchtjes af, die den enkelen europeeschen voorbijganger onaangenaam mochten treffen, maar voor inlander en Chinees iets gemeenzaam lekkers moesten hebben; de atmosfeer waarin ze geboren werden, opgegroeid waren, leefden.Het lange wit der armzwaaiende figuur, die den hoek omkwam, ’t steegje in, stak haast niet af tegen het scherp verlichte der muren, meer contrast makend door de vlugge beweging bij al die rust, dan door verschil in toon.Twissels zwaaide in zenuwachtige drift met zijn smal hoog lichaam de woning van den Chinees binnen, die was opgestaan, zijn baadje dicht en de pijpen van zijn wijde katoenen broek omlaag deed, opgestroopt eerst tot halverwege het bovenbeen, voor de luchtigheid. Hij liep Twissels na, voorbij de opgeschrikte vrouw achter de toonbank, die heelemaal beteuterd was.„U weet toch wel, dat u hier zóó niet kunt naar binnen gaan,” zei de Chinees onderdanig, doch zoo dringend als iemand, die van plan is zich ernstig te verzetten.„Stil,ba!” piepte de hooge stem nu beverig, „roep meneer Lugtens.”„Ik ben nietbranie.”„Roep hem dadelijk, anders doe ik het.”„Het is heusch niet mogelijk meneer. Hij is pas gekomen van den anderen kant.”„Het kan mij niet schelen. Roep hem dadelijk, zeg ik je.”„Ik durfbetoelniet. Als hij eens kwaad wordt! En hij is in gezelschap, meneer. Het is een europeesche.…”„Ba, ik vraag je niks en ’t kan mij ook niet schelen, maar roep hem dadelijk.”Er was niets aan te doen. De dikke Chinees, zuchtend, mopperend bij zichzelven, verdween op zij in den wand door een trapopening, zijn harde voetzolen stampschuifelend over de treden.Twissels hoorde op de bovenverdieping een onduidelijk rumoer, waaruit hij toch den barschen commando-toon van Lugtens onderscheidde; dan hoorde hij een harden stap en uit het gangetje kwam tegen het licht aan de in korten krachtigen omtrek gehouwen kop van Lugtens, vreemd dronkenachtig van uitdrukking, maar kwaad ook.„Wat mot-je?” vroeg hij grof.„Geber is dood.”[116]„Gévédé!”Het gezicht van Lugtens was bij den schrik verbleekt, ernstig en zichzelf nu heelemaal.„Hij heeft zich,”—Twissels zei dit zachtjes fluisterend haast, met een beweging naar zijn voorhoofd.„Gévédé,” herhaalde Lugtens verslagen met de hand langs z’n oogen strijkend. „Dat is verschrikkelijk!”Even ging hij terug, de trap weêr op, haastig gejaagd, in een paar minuten weerom, het huisje uit, de straat op, met den brandenden zonneschijn op hun ruggen, midden op den weg.Dacht men aan zulke kleinigheden! Wat kwam het er op aan, dat Twissels zoo in eens had getoond precies te weten, welke geheime uitstapjes Lugtens soms ’s middags maakte van z’n kantoor uit, binnengaande in een groote toko, net als om zaken te doen, terugkeerend later door het gangetje uit ’t winkeltje in de achterbuurt tegenover den blinden muur? Hij dacht dat niemand het wist, en nu bleek toch duidelijk, dat zoo goed als iedereen op de hoogte was van zijn zondenregister; van zijn geheime snoepreisjes, het eenig zwak van iemand, die nooit rookte en nooit dronk.……„Wat is er dan toch gebeurd?” vroeg hij, want al die bekendheid deerde hem nu niet; hij was voor alles man van zaken, en Geber behoorde tot de belangrijkste zaken als lid van de geld bij schepels verdienende kongsi.„Ik weet het niet geheel. Uhlstra zond me van Koeningan een man te paard met dit briefje.”Samen stonden ze stil; op ’t stukje papier kijkend, dat, in zenuwachtige haast geschreven, niets meldde dan:„Mijn schoonzoon heeft zich, hoezeer we hem ook bewaakten, van nacht door het hoofd geschoten. Bezorg de regeling zijner zaken.”Ze keken elkaar aan, onbeslist, niet wetende wat daarvan te denken, zich van zulke dingen geen flauw begrip kunnende maken.„Die bliksemsche vent!” zei Lugtens kwaadaardig. „Hoe is het mogelijk!”„Dat vraag ik ook,” zuchtte de andere fijntjes, hoog.„Hij fopt ons er leelijk mee.”„Met die houtzaken,—zeker! Hij was de eenige heelemaal op de hoogte.”Ze waren voortgeloopen tot bij Twissels’ kantoor, en zwijgend gingen ze binnen. Toen zag Lugtens strak op naar het kleine kopje van den langen Twissels, boven zijn eigen stoer hoofd, en verdrietig met veel beweging in zijn breed glad gezicht, moeielijk zich bedwingend, zei hij:„Het was zoo’n goeie vent, Twissels. Ik hield van hem, veel, heel[117]veel! Hij had iets … waarvan ik hield … ik weet niet, hoe of het komt, maar ik hield meer van hem dan.… dan.…”Hij kon geen punt van vergelijking vinden; hij hield van zoo weinig.Maar Twissels knikte heel ernstig.Och, hij begreep dat wel! Het wasweêreen dier dwaze dingen in het leven, dacht hij; een dier onberedeneerde sympathie-quaesties, waardoor zelfs zoo’n barre kerel als Lugtens werd beheerscht, zoodat hij, van alle mannen, de meeste vriendschap voelde voor den man, die hem het grootste koopje had gegeven.„Ja,” zei hij zuchtend ’t hoofd schuddend, „ja, het heeft me ook verschrikkelijk getroffen.”Ze praatten zoo nog wat voort, plichtmatig, ook over den zelfmoord; hij moest ziek zijn geweest en daardoor krankzinnig; het was hun eerste idee en hun laatste. In stilte dachten ze aan één en ’t zelfde, doch wilden er zoo dadelijk niet mee voor den dag komen, tot eindelijk Twissels zei, aarzelend in z’n stem:„Als we eens in ’t ruwe een soort balans maakten?”„Het is goed, voor zoover het kan.”„Ja, zóó maar, zie je. We gaan strakjes natuurlijk erheen.”„Natuurlijk.”„Nu, ik dacht, dat Uhlstra wel iets zou willen weten, globaal, van den stand van z’n zaken.”Lugtens knikte; hij had de korte lijkrede uitgesproken; de oude sobat was begraven; de levende zaak was in een „stand van zaken” overgegaan.

[Inhoud]NEGENTIENDE HOOFDSTUK.Bij den Chinees.Het was een donker gangetje in de woning van een Chinees; vóór was een kleine toko, heel ordinair, met weiniglakoe-artikelen, veel oud, onverkoopbaar goed. Achter de vuile primitievevitrinemet kleine ruitjes in slordig bruin geverfde stijltjes, het matgele groezige gezicht op den dunnen hals bengelend, zat daar een chineeschenona, met een zuigeling aan de borst, droomerig te soezen, met groote doffe oogen en gemarkeerde trekken, genietend van het enkel moeder zijn; lui, zonder iets erbij uit te voeren. De Chinees zelf zat op een bankje voor zijn deur, de kabaai open, het vollemaansgezicht glimmend; de bloote borst en buik, bij de voorover gebukte houding, met gevouwen handen om een opgetrokken knie, in zware vetlagen overplooiend, een gemest varken gelijk.In het middaguur was het stil en licht in de chineesche achterwijk der stad; op de witte muren met grillige zwarte vegen van aangewaaide stof, stond het zonlicht gloeiend en eentonig; de lage, van gekleurdekainsen katoentjes vol behangen winkeltjes zagen diep donker achterin; stil zaten de neringdoende menschen na te rekenen, de een zijn verdienste en de kans om over te houden, de ander zijn verliezen en hoe hij failliet zou gaan; sommigen erbij vouwend, uit zucht iets te doen,[115]of met de handen langs de glad gepapte stukken wit goed aaiend, met de liefde van een handelaar voor de waar, die hem laat verdienen. Maar over alles steeg de hitte, en al wat vocht bevatte in de kleine steeg, al wat in hoeken en gaten lag te vergaan, gaf vreemde vieze luchtjes af, die den enkelen europeeschen voorbijganger onaangenaam mochten treffen, maar voor inlander en Chinees iets gemeenzaam lekkers moesten hebben; de atmosfeer waarin ze geboren werden, opgegroeid waren, leefden.Het lange wit der armzwaaiende figuur, die den hoek omkwam, ’t steegje in, stak haast niet af tegen het scherp verlichte der muren, meer contrast makend door de vlugge beweging bij al die rust, dan door verschil in toon.Twissels zwaaide in zenuwachtige drift met zijn smal hoog lichaam de woning van den Chinees binnen, die was opgestaan, zijn baadje dicht en de pijpen van zijn wijde katoenen broek omlaag deed, opgestroopt eerst tot halverwege het bovenbeen, voor de luchtigheid. Hij liep Twissels na, voorbij de opgeschrikte vrouw achter de toonbank, die heelemaal beteuterd was.„U weet toch wel, dat u hier zóó niet kunt naar binnen gaan,” zei de Chinees onderdanig, doch zoo dringend als iemand, die van plan is zich ernstig te verzetten.„Stil,ba!” piepte de hooge stem nu beverig, „roep meneer Lugtens.”„Ik ben nietbranie.”„Roep hem dadelijk, anders doe ik het.”„Het is heusch niet mogelijk meneer. Hij is pas gekomen van den anderen kant.”„Het kan mij niet schelen. Roep hem dadelijk, zeg ik je.”„Ik durfbetoelniet. Als hij eens kwaad wordt! En hij is in gezelschap, meneer. Het is een europeesche.…”„Ba, ik vraag je niks en ’t kan mij ook niet schelen, maar roep hem dadelijk.”Er was niets aan te doen. De dikke Chinees, zuchtend, mopperend bij zichzelven, verdween op zij in den wand door een trapopening, zijn harde voetzolen stampschuifelend over de treden.Twissels hoorde op de bovenverdieping een onduidelijk rumoer, waaruit hij toch den barschen commando-toon van Lugtens onderscheidde; dan hoorde hij een harden stap en uit het gangetje kwam tegen het licht aan de in korten krachtigen omtrek gehouwen kop van Lugtens, vreemd dronkenachtig van uitdrukking, maar kwaad ook.„Wat mot-je?” vroeg hij grof.„Geber is dood.”[116]„Gévédé!”Het gezicht van Lugtens was bij den schrik verbleekt, ernstig en zichzelf nu heelemaal.„Hij heeft zich,”—Twissels zei dit zachtjes fluisterend haast, met een beweging naar zijn voorhoofd.„Gévédé,” herhaalde Lugtens verslagen met de hand langs z’n oogen strijkend. „Dat is verschrikkelijk!”Even ging hij terug, de trap weêr op, haastig gejaagd, in een paar minuten weerom, het huisje uit, de straat op, met den brandenden zonneschijn op hun ruggen, midden op den weg.Dacht men aan zulke kleinigheden! Wat kwam het er op aan, dat Twissels zoo in eens had getoond precies te weten, welke geheime uitstapjes Lugtens soms ’s middags maakte van z’n kantoor uit, binnengaande in een groote toko, net als om zaken te doen, terugkeerend later door het gangetje uit ’t winkeltje in de achterbuurt tegenover den blinden muur? Hij dacht dat niemand het wist, en nu bleek toch duidelijk, dat zoo goed als iedereen op de hoogte was van zijn zondenregister; van zijn geheime snoepreisjes, het eenig zwak van iemand, die nooit rookte en nooit dronk.……„Wat is er dan toch gebeurd?” vroeg hij, want al die bekendheid deerde hem nu niet; hij was voor alles man van zaken, en Geber behoorde tot de belangrijkste zaken als lid van de geld bij schepels verdienende kongsi.„Ik weet het niet geheel. Uhlstra zond me van Koeningan een man te paard met dit briefje.”Samen stonden ze stil; op ’t stukje papier kijkend, dat, in zenuwachtige haast geschreven, niets meldde dan:„Mijn schoonzoon heeft zich, hoezeer we hem ook bewaakten, van nacht door het hoofd geschoten. Bezorg de regeling zijner zaken.”Ze keken elkaar aan, onbeslist, niet wetende wat daarvan te denken, zich van zulke dingen geen flauw begrip kunnende maken.„Die bliksemsche vent!” zei Lugtens kwaadaardig. „Hoe is het mogelijk!”„Dat vraag ik ook,” zuchtte de andere fijntjes, hoog.„Hij fopt ons er leelijk mee.”„Met die houtzaken,—zeker! Hij was de eenige heelemaal op de hoogte.”Ze waren voortgeloopen tot bij Twissels’ kantoor, en zwijgend gingen ze binnen. Toen zag Lugtens strak op naar het kleine kopje van den langen Twissels, boven zijn eigen stoer hoofd, en verdrietig met veel beweging in zijn breed glad gezicht, moeielijk zich bedwingend, zei hij:„Het was zoo’n goeie vent, Twissels. Ik hield van hem, veel, heel[117]veel! Hij had iets … waarvan ik hield … ik weet niet, hoe of het komt, maar ik hield meer van hem dan.… dan.…”Hij kon geen punt van vergelijking vinden; hij hield van zoo weinig.Maar Twissels knikte heel ernstig.Och, hij begreep dat wel! Het wasweêreen dier dwaze dingen in het leven, dacht hij; een dier onberedeneerde sympathie-quaesties, waardoor zelfs zoo’n barre kerel als Lugtens werd beheerscht, zoodat hij, van alle mannen, de meeste vriendschap voelde voor den man, die hem het grootste koopje had gegeven.„Ja,” zei hij zuchtend ’t hoofd schuddend, „ja, het heeft me ook verschrikkelijk getroffen.”Ze praatten zoo nog wat voort, plichtmatig, ook over den zelfmoord; hij moest ziek zijn geweest en daardoor krankzinnig; het was hun eerste idee en hun laatste. In stilte dachten ze aan één en ’t zelfde, doch wilden er zoo dadelijk niet mee voor den dag komen, tot eindelijk Twissels zei, aarzelend in z’n stem:„Als we eens in ’t ruwe een soort balans maakten?”„Het is goed, voor zoover het kan.”„Ja, zóó maar, zie je. We gaan strakjes natuurlijk erheen.”„Natuurlijk.”„Nu, ik dacht, dat Uhlstra wel iets zou willen weten, globaal, van den stand van z’n zaken.”Lugtens knikte; hij had de korte lijkrede uitgesproken; de oude sobat was begraven; de levende zaak was in een „stand van zaken” overgegaan.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.Bij den Chinees.

Het was een donker gangetje in de woning van een Chinees; vóór was een kleine toko, heel ordinair, met weiniglakoe-artikelen, veel oud, onverkoopbaar goed. Achter de vuile primitievevitrinemet kleine ruitjes in slordig bruin geverfde stijltjes, het matgele groezige gezicht op den dunnen hals bengelend, zat daar een chineeschenona, met een zuigeling aan de borst, droomerig te soezen, met groote doffe oogen en gemarkeerde trekken, genietend van het enkel moeder zijn; lui, zonder iets erbij uit te voeren. De Chinees zelf zat op een bankje voor zijn deur, de kabaai open, het vollemaansgezicht glimmend; de bloote borst en buik, bij de voorover gebukte houding, met gevouwen handen om een opgetrokken knie, in zware vetlagen overplooiend, een gemest varken gelijk.In het middaguur was het stil en licht in de chineesche achterwijk der stad; op de witte muren met grillige zwarte vegen van aangewaaide stof, stond het zonlicht gloeiend en eentonig; de lage, van gekleurdekainsen katoentjes vol behangen winkeltjes zagen diep donker achterin; stil zaten de neringdoende menschen na te rekenen, de een zijn verdienste en de kans om over te houden, de ander zijn verliezen en hoe hij failliet zou gaan; sommigen erbij vouwend, uit zucht iets te doen,[115]of met de handen langs de glad gepapte stukken wit goed aaiend, met de liefde van een handelaar voor de waar, die hem laat verdienen. Maar over alles steeg de hitte, en al wat vocht bevatte in de kleine steeg, al wat in hoeken en gaten lag te vergaan, gaf vreemde vieze luchtjes af, die den enkelen europeeschen voorbijganger onaangenaam mochten treffen, maar voor inlander en Chinees iets gemeenzaam lekkers moesten hebben; de atmosfeer waarin ze geboren werden, opgegroeid waren, leefden.Het lange wit der armzwaaiende figuur, die den hoek omkwam, ’t steegje in, stak haast niet af tegen het scherp verlichte der muren, meer contrast makend door de vlugge beweging bij al die rust, dan door verschil in toon.Twissels zwaaide in zenuwachtige drift met zijn smal hoog lichaam de woning van den Chinees binnen, die was opgestaan, zijn baadje dicht en de pijpen van zijn wijde katoenen broek omlaag deed, opgestroopt eerst tot halverwege het bovenbeen, voor de luchtigheid. Hij liep Twissels na, voorbij de opgeschrikte vrouw achter de toonbank, die heelemaal beteuterd was.„U weet toch wel, dat u hier zóó niet kunt naar binnen gaan,” zei de Chinees onderdanig, doch zoo dringend als iemand, die van plan is zich ernstig te verzetten.„Stil,ba!” piepte de hooge stem nu beverig, „roep meneer Lugtens.”„Ik ben nietbranie.”„Roep hem dadelijk, anders doe ik het.”„Het is heusch niet mogelijk meneer. Hij is pas gekomen van den anderen kant.”„Het kan mij niet schelen. Roep hem dadelijk, zeg ik je.”„Ik durfbetoelniet. Als hij eens kwaad wordt! En hij is in gezelschap, meneer. Het is een europeesche.…”„Ba, ik vraag je niks en ’t kan mij ook niet schelen, maar roep hem dadelijk.”Er was niets aan te doen. De dikke Chinees, zuchtend, mopperend bij zichzelven, verdween op zij in den wand door een trapopening, zijn harde voetzolen stampschuifelend over de treden.Twissels hoorde op de bovenverdieping een onduidelijk rumoer, waaruit hij toch den barschen commando-toon van Lugtens onderscheidde; dan hoorde hij een harden stap en uit het gangetje kwam tegen het licht aan de in korten krachtigen omtrek gehouwen kop van Lugtens, vreemd dronkenachtig van uitdrukking, maar kwaad ook.„Wat mot-je?” vroeg hij grof.„Geber is dood.”[116]„Gévédé!”Het gezicht van Lugtens was bij den schrik verbleekt, ernstig en zichzelf nu heelemaal.„Hij heeft zich,”—Twissels zei dit zachtjes fluisterend haast, met een beweging naar zijn voorhoofd.„Gévédé,” herhaalde Lugtens verslagen met de hand langs z’n oogen strijkend. „Dat is verschrikkelijk!”Even ging hij terug, de trap weêr op, haastig gejaagd, in een paar minuten weerom, het huisje uit, de straat op, met den brandenden zonneschijn op hun ruggen, midden op den weg.Dacht men aan zulke kleinigheden! Wat kwam het er op aan, dat Twissels zoo in eens had getoond precies te weten, welke geheime uitstapjes Lugtens soms ’s middags maakte van z’n kantoor uit, binnengaande in een groote toko, net als om zaken te doen, terugkeerend later door het gangetje uit ’t winkeltje in de achterbuurt tegenover den blinden muur? Hij dacht dat niemand het wist, en nu bleek toch duidelijk, dat zoo goed als iedereen op de hoogte was van zijn zondenregister; van zijn geheime snoepreisjes, het eenig zwak van iemand, die nooit rookte en nooit dronk.……„Wat is er dan toch gebeurd?” vroeg hij, want al die bekendheid deerde hem nu niet; hij was voor alles man van zaken, en Geber behoorde tot de belangrijkste zaken als lid van de geld bij schepels verdienende kongsi.„Ik weet het niet geheel. Uhlstra zond me van Koeningan een man te paard met dit briefje.”Samen stonden ze stil; op ’t stukje papier kijkend, dat, in zenuwachtige haast geschreven, niets meldde dan:„Mijn schoonzoon heeft zich, hoezeer we hem ook bewaakten, van nacht door het hoofd geschoten. Bezorg de regeling zijner zaken.”Ze keken elkaar aan, onbeslist, niet wetende wat daarvan te denken, zich van zulke dingen geen flauw begrip kunnende maken.„Die bliksemsche vent!” zei Lugtens kwaadaardig. „Hoe is het mogelijk!”„Dat vraag ik ook,” zuchtte de andere fijntjes, hoog.„Hij fopt ons er leelijk mee.”„Met die houtzaken,—zeker! Hij was de eenige heelemaal op de hoogte.”Ze waren voortgeloopen tot bij Twissels’ kantoor, en zwijgend gingen ze binnen. Toen zag Lugtens strak op naar het kleine kopje van den langen Twissels, boven zijn eigen stoer hoofd, en verdrietig met veel beweging in zijn breed glad gezicht, moeielijk zich bedwingend, zei hij:„Het was zoo’n goeie vent, Twissels. Ik hield van hem, veel, heel[117]veel! Hij had iets … waarvan ik hield … ik weet niet, hoe of het komt, maar ik hield meer van hem dan.… dan.…”Hij kon geen punt van vergelijking vinden; hij hield van zoo weinig.Maar Twissels knikte heel ernstig.Och, hij begreep dat wel! Het wasweêreen dier dwaze dingen in het leven, dacht hij; een dier onberedeneerde sympathie-quaesties, waardoor zelfs zoo’n barre kerel als Lugtens werd beheerscht, zoodat hij, van alle mannen, de meeste vriendschap voelde voor den man, die hem het grootste koopje had gegeven.„Ja,” zei hij zuchtend ’t hoofd schuddend, „ja, het heeft me ook verschrikkelijk getroffen.”Ze praatten zoo nog wat voort, plichtmatig, ook over den zelfmoord; hij moest ziek zijn geweest en daardoor krankzinnig; het was hun eerste idee en hun laatste. In stilte dachten ze aan één en ’t zelfde, doch wilden er zoo dadelijk niet mee voor den dag komen, tot eindelijk Twissels zei, aarzelend in z’n stem:„Als we eens in ’t ruwe een soort balans maakten?”„Het is goed, voor zoover het kan.”„Ja, zóó maar, zie je. We gaan strakjes natuurlijk erheen.”„Natuurlijk.”„Nu, ik dacht, dat Uhlstra wel iets zou willen weten, globaal, van den stand van z’n zaken.”Lugtens knikte; hij had de korte lijkrede uitgesproken; de oude sobat was begraven; de levende zaak was in een „stand van zaken” overgegaan.

Het was een donker gangetje in de woning van een Chinees; vóór was een kleine toko, heel ordinair, met weiniglakoe-artikelen, veel oud, onverkoopbaar goed. Achter de vuile primitievevitrinemet kleine ruitjes in slordig bruin geverfde stijltjes, het matgele groezige gezicht op den dunnen hals bengelend, zat daar een chineeschenona, met een zuigeling aan de borst, droomerig te soezen, met groote doffe oogen en gemarkeerde trekken, genietend van het enkel moeder zijn; lui, zonder iets erbij uit te voeren. De Chinees zelf zat op een bankje voor zijn deur, de kabaai open, het vollemaansgezicht glimmend; de bloote borst en buik, bij de voorover gebukte houding, met gevouwen handen om een opgetrokken knie, in zware vetlagen overplooiend, een gemest varken gelijk.

In het middaguur was het stil en licht in de chineesche achterwijk der stad; op de witte muren met grillige zwarte vegen van aangewaaide stof, stond het zonlicht gloeiend en eentonig; de lage, van gekleurdekainsen katoentjes vol behangen winkeltjes zagen diep donker achterin; stil zaten de neringdoende menschen na te rekenen, de een zijn verdienste en de kans om over te houden, de ander zijn verliezen en hoe hij failliet zou gaan; sommigen erbij vouwend, uit zucht iets te doen,[115]of met de handen langs de glad gepapte stukken wit goed aaiend, met de liefde van een handelaar voor de waar, die hem laat verdienen. Maar over alles steeg de hitte, en al wat vocht bevatte in de kleine steeg, al wat in hoeken en gaten lag te vergaan, gaf vreemde vieze luchtjes af, die den enkelen europeeschen voorbijganger onaangenaam mochten treffen, maar voor inlander en Chinees iets gemeenzaam lekkers moesten hebben; de atmosfeer waarin ze geboren werden, opgegroeid waren, leefden.

Het lange wit der armzwaaiende figuur, die den hoek omkwam, ’t steegje in, stak haast niet af tegen het scherp verlichte der muren, meer contrast makend door de vlugge beweging bij al die rust, dan door verschil in toon.

Twissels zwaaide in zenuwachtige drift met zijn smal hoog lichaam de woning van den Chinees binnen, die was opgestaan, zijn baadje dicht en de pijpen van zijn wijde katoenen broek omlaag deed, opgestroopt eerst tot halverwege het bovenbeen, voor de luchtigheid. Hij liep Twissels na, voorbij de opgeschrikte vrouw achter de toonbank, die heelemaal beteuterd was.

„U weet toch wel, dat u hier zóó niet kunt naar binnen gaan,” zei de Chinees onderdanig, doch zoo dringend als iemand, die van plan is zich ernstig te verzetten.

„Stil,ba!” piepte de hooge stem nu beverig, „roep meneer Lugtens.”

„Ik ben nietbranie.”

„Roep hem dadelijk, anders doe ik het.”

„Het is heusch niet mogelijk meneer. Hij is pas gekomen van den anderen kant.”

„Het kan mij niet schelen. Roep hem dadelijk, zeg ik je.”

„Ik durfbetoelniet. Als hij eens kwaad wordt! En hij is in gezelschap, meneer. Het is een europeesche.…”

„Ba, ik vraag je niks en ’t kan mij ook niet schelen, maar roep hem dadelijk.”

Er was niets aan te doen. De dikke Chinees, zuchtend, mopperend bij zichzelven, verdween op zij in den wand door een trapopening, zijn harde voetzolen stampschuifelend over de treden.

Twissels hoorde op de bovenverdieping een onduidelijk rumoer, waaruit hij toch den barschen commando-toon van Lugtens onderscheidde; dan hoorde hij een harden stap en uit het gangetje kwam tegen het licht aan de in korten krachtigen omtrek gehouwen kop van Lugtens, vreemd dronkenachtig van uitdrukking, maar kwaad ook.

„Wat mot-je?” vroeg hij grof.

„Geber is dood.”[116]

„Gévédé!”

Het gezicht van Lugtens was bij den schrik verbleekt, ernstig en zichzelf nu heelemaal.

„Hij heeft zich,”—Twissels zei dit zachtjes fluisterend haast, met een beweging naar zijn voorhoofd.

„Gévédé,” herhaalde Lugtens verslagen met de hand langs z’n oogen strijkend. „Dat is verschrikkelijk!”

Even ging hij terug, de trap weêr op, haastig gejaagd, in een paar minuten weerom, het huisje uit, de straat op, met den brandenden zonneschijn op hun ruggen, midden op den weg.

Dacht men aan zulke kleinigheden! Wat kwam het er op aan, dat Twissels zoo in eens had getoond precies te weten, welke geheime uitstapjes Lugtens soms ’s middags maakte van z’n kantoor uit, binnengaande in een groote toko, net als om zaken te doen, terugkeerend later door het gangetje uit ’t winkeltje in de achterbuurt tegenover den blinden muur? Hij dacht dat niemand het wist, en nu bleek toch duidelijk, dat zoo goed als iedereen op de hoogte was van zijn zondenregister; van zijn geheime snoepreisjes, het eenig zwak van iemand, die nooit rookte en nooit dronk.……

„Wat is er dan toch gebeurd?” vroeg hij, want al die bekendheid deerde hem nu niet; hij was voor alles man van zaken, en Geber behoorde tot de belangrijkste zaken als lid van de geld bij schepels verdienende kongsi.

„Ik weet het niet geheel. Uhlstra zond me van Koeningan een man te paard met dit briefje.”

Samen stonden ze stil; op ’t stukje papier kijkend, dat, in zenuwachtige haast geschreven, niets meldde dan:

„Mijn schoonzoon heeft zich, hoezeer we hem ook bewaakten, van nacht door het hoofd geschoten. Bezorg de regeling zijner zaken.”

Ze keken elkaar aan, onbeslist, niet wetende wat daarvan te denken, zich van zulke dingen geen flauw begrip kunnende maken.

„Die bliksemsche vent!” zei Lugtens kwaadaardig. „Hoe is het mogelijk!”

„Dat vraag ik ook,” zuchtte de andere fijntjes, hoog.

„Hij fopt ons er leelijk mee.”

„Met die houtzaken,—zeker! Hij was de eenige heelemaal op de hoogte.”

Ze waren voortgeloopen tot bij Twissels’ kantoor, en zwijgend gingen ze binnen. Toen zag Lugtens strak op naar het kleine kopje van den langen Twissels, boven zijn eigen stoer hoofd, en verdrietig met veel beweging in zijn breed glad gezicht, moeielijk zich bedwingend, zei hij:

„Het was zoo’n goeie vent, Twissels. Ik hield van hem, veel, heel[117]veel! Hij had iets … waarvan ik hield … ik weet niet, hoe of het komt, maar ik hield meer van hem dan.… dan.…”

Hij kon geen punt van vergelijking vinden; hij hield van zoo weinig.

Maar Twissels knikte heel ernstig.

Och, hij begreep dat wel! Het wasweêreen dier dwaze dingen in het leven, dacht hij; een dier onberedeneerde sympathie-quaesties, waardoor zelfs zoo’n barre kerel als Lugtens werd beheerscht, zoodat hij, van alle mannen, de meeste vriendschap voelde voor den man, die hem het grootste koopje had gegeven.

„Ja,” zei hij zuchtend ’t hoofd schuddend, „ja, het heeft me ook verschrikkelijk getroffen.”

Ze praatten zoo nog wat voort, plichtmatig, ook over den zelfmoord; hij moest ziek zijn geweest en daardoor krankzinnig; het was hun eerste idee en hun laatste. In stilte dachten ze aan één en ’t zelfde, doch wilden er zoo dadelijk niet mee voor den dag komen, tot eindelijk Twissels zei, aarzelend in z’n stem:

„Als we eens in ’t ruwe een soort balans maakten?”

„Het is goed, voor zoover het kan.”

„Ja, zóó maar, zie je. We gaan strakjes natuurlijk erheen.”

„Natuurlijk.”

„Nu, ik dacht, dat Uhlstra wel iets zou willen weten, globaal, van den stand van z’n zaken.”

Lugtens knikte; hij had de korte lijkrede uitgesproken; de oude sobat was begraven; de levende zaak was in een „stand van zaken” overgegaan.


Back to IndexNext