VIJFDE HOOFDSTUK.

[Inhoud]VIJFDE HOOFDSTUK.„Wel, die tante Clara!”In zijn heelen omvang begreep Clara zelf ook niet wàt het eigenlijk was. Haar begrip bepaalde er zich hoofdzakelijk toe, dat dit kleine nest haar huistiran een fameus koopje had gegeven, en er hem geweldig had laten inloopen. Als zoodanig vertelde zij het haar zuster, hoorden het ook de meisjes Uhlstra en vernam Geber het, toen hij Zaterdag ’s avonds naar de stad kwam om er den Zondag te vertoeven, van z’n aanstaande bruid, tusschen twee drukten van het uitzet. Hij, beter opgevoed en meer ontwikkeld, voelde wat er meer achterstak dan een gewoon koopje, doch hij hield dat voor zich.Ook sprak hij liefst zoo weinig mogelijk over de familie Lugtens. Hij kwam er aan huis zoo’n enkel maal, en werd altijd gevraagd als er een diner of een feest was.Bij z’n vrijwillige bezoeken maakte hij het zoo kort mogelijk; bij bijzondere gelegenheden zat hij, zoodra het eenigszins kon, aan de hombertafel.De groote tegenstelling tusschen het krachtig despotiek karakter van Lugtens en de indolente onverschilligheid van Geber was geen reden van terughouding; zij belette niet dat de twee mannen elkaar gaarne mochten. Integendeel, Lugtens had een bijzondere sympathie voor Geber en zei dikwerf, dat het hem genoegen zou doen als Geber, wanneer hij in de stad was, altijd ten zijnent kwam logeeren en voor ’t minst ’s avonds familiaar binnenliep omà la fortune du potmeê te eten. ’t Was nooit gebeurd; de vrijwillige visites van Geber behoorden altijd tot de groote zeldzaamheden, en toen men hem nu, terwijl hij bij zijn meisje zat, vertelde van het roekeloos feit, dat in aller oogen de kleine Lena had onderstaan, liepen zijn gedachten terug naar een lang vervlogen tijd, jaren geleden; een tijd waarin de oorzaak lag van zijn teruggetrokkenheid. Hij zou nu trouwen met Roos en geparenteerd worden aan Lugtens en diens vrouw! ’t Was dwaas, dacht hij, en terwijl hij met een spottenden glimlach over dat dwaze zat door te pikeren, schoot plotseling Roos uit den hoek met een opmerking die hem trof.„Weet je,” zei ze, „het is heel vreemd, tante Clara is de eenige die me niet gefeliciteerd heeft met m’n engagement.”„Ze heeft het mij immers gedaan,” bracht mevrouw Uhlstra in het[31]midden, op een toon als nam zij de opmerking kwalijk; maar ze keek daarbij niet op, ijverig voortbordurend aan een der kabajastrooken, die ze zoo mooi kon maken, en die haar roem waren en haar trots.„Ze had het mij toch óók wel kunnen doen; ik vind het niets lief. Wat zeg jij, Willem?”Doch mevrouw Uhlstra scheen niet te verlangen, dat Geber in deze quaestie aan het woord kwam.„Wat zanik je toch, Roos? Zij heeft mij immers dadelijk een heel lieven brief geschreven.”„Dien heb ik niet gelezen.”Intusschen dacht Geber, stil zijn sigaar rookend, er het zijne van.Hij en mevrouw Uhlstra waren volkomen op de hoogte; zij kendenle fin mot de l’histoire; hij vooral. Het was het eenige van dien aard dat hem ooit in z’n leven was overkomen. Lugtens stond toen nog pas korten tijd aan het hoofd zijner maatschappij, en deed lange reizen door heel den Indischen Archipel om alles te zien van de zaken, die hij nu zelf geheel zou beheeren.Op een goeden dag, toen Geber van z’n land naar de stad ging om inkoopen te doen, geld te ontvangen en beren te betalen, was hij bij Clara gekomen, en had haar planten en bloemen gebracht, waarom zij hem had geschreven. Mevrouw Uhlstra, die toen juist bij haar zuster logeerde, was uitgereden naar de toko’s. Hij, Geber, was nog een ander man, twaalf jaar jonger en in verhouding nog heel veel jonger. Hij en Clara kenden elkaar al vanouds; ze lachten samen en noemden elkaar bij den voornaam; hij plaagde haar, zij plaagde hem terug, doch zonder de minste nevenbedoeling, en wat hem had bezield dien dag en wat haar in zulk een stemming bracht wisten ze beiden niet en hebben zij nooit geweten,—maar toen Mevrouw Uhlstra van haar tokobezoeken terugkeerde, zaten ze tegenover elkaar in de achtergalerij verwonderd en bedrukt, ieder voor zich niet gelukkig en tevreden, maar vreemd en verlegen.Dat had de goede zuster Lena niet gezien; ze had het zóó druk met haar inkoopen en haar verhalen van de prijzen die de Chineezen durfden vragen en over haar eigen buitengewone volmaaktheid in hettawarrenop die prijzen, dat ze aan niets anders dacht, en haar mond er niet van stilstond. Ze zou zelfs niets vreemd hebben gezien in de omstandigheid dat Geber dien dag niet terugkeerde naar Koeningan, maar zijn vertrek telkens weer uitstelde, en elken dag te vinden was in het huis van Lugtens, steeds komend als mevrouw Uhlstra bij haar kennissen was of boodschappen deed. Natuurlijk was het haar lijfmeid, die[32]haar alles wist te vertellen, en toen, ontstoken in de grootste woede en verontwaardiging, had zij haar zuster niet gespaard en Geber ook niet. Hij, ontsteld en beschaamd, had dadelijk den aftocht geblazen, ook omdat hem eigenlijk niets liever was, want het gebeurde herhaalde zich welweêrtelkens, maar niettemin vervulde het hem, hoe aangenaam op zichzelf, ’t grootste deel van den dag met zwaarmoedige denkbeelden. In ’t minst niet verliefd op Clara, had hij schrikbarend het land over een eenmaal begane, onherstelbare fout, die hem in de grootste moeilijkheden kon brengen. Bij de maatschappij, door Lugtens beheerd, stond hij toen nog onder zware financieele verplichtingen; Uhlstra, zijn bestesobaten buur, was geen gemakkelijk man waar het de moreele reputatie betrof zijner familieleden, en eigenlijk was Geber maar blij, dat er op zoo’n geschikte manier een abrupt einde kwam aan zijn korte relatie met Clara, die hem meer vervulde met zorg en schrik, dan met genot en vreugde.’t Scheen ook dat zij zelve weinig heil zag in een toekomst, waarbij zoo ontzaglijk veel op het spel stond. Hij hoorde niets meer van haar, terwijl hij gewoon voortleefde op het land met zijne inlandsche huishoudster, bij wie hij niets riskeerde.In geen maanden vertoonde hij zich, en toen hij ten slotte goedschiks niet langer nalatenkonin de stad te komen voor zijne zaken, en toen ook wel verplicht was een invitatie van Lugtens aan te nemen, verhielden hij en Clara zich heel gewoon tegenover elkaar; voor vreemden alsof tusschen hen nooit iets bijzonders was voorgevallen: hij allerbeleefdst, zij stug en koel.In zoover was dus alles uit, met dit verschil alleen, dat bij de geboorte van kleine Lena, mevrouw Uhlstra, Geber en Clara hun eigen gedachten hadden; en dat Lugtens, zoo hij er ooit op had gelet, evengoed de opmerking had kunnen maken, dat het aardige blonde kind zoowel de violetblauwe kleur der oogen had van een zijner vrienden als van wijlen z’n eigen moeder.Aan dat alles dacht nu de galant van Roos, terwijl de meisjes met zijn aanstaande schoonmoeder aan het kibbelen waren over de bekende quaestie in hoever het lief was van tante Clara of boosaardig dat ze Roos niet persoonlijk had gefeliciteerd, maar alleen, zooals Mevrouw Uhlstra wel tienmaal verzekerde, per brief aan mama.Tot grooten spijt van de dames Uhlstra, moeder en dochters, had Geber het in zijne bruigomsdagen vervelend druk. Anders kon hij in de stad over zijn vrijen tijd naar willekeur beschikken, juist nu viel het zoo ongelukkig, vonden zij, dat hij en papa Uhlstra heel gewichtige[33]zaken te doen hadden, waarover ze een geheimzinnig stilzwijgen bewaarden; waarvan de dames niet meer te weten konden komen dan dat er heel veel geld meê verdiend moest worden, iets dat haar, die de waarde van geld nauwelijks kenden, in mindere mate belangstelling inboezemde, dan het haar speet, dat het bruidje niet elken avond in de gelegenheid was haar fraaie toiletten te laten bewonderen. Er viel echter niets tegen te doen; het scheen een vaste wet dat de „conferenties” over die gewichtige zaken enkel ’s avonds konden worden gehouden bij Lugtens aan huis, en even noodzakelijk scheen het, dat de behandeling dier zaken aanving met een fijn diner en eindigde met een fijn partijtje.Zoo zaten ze nu ook weêr bij elkaar, klokke zeven reeds, in een afzonderlijke zijkamer van het groote huis, met Twissels, den koopman, erbij. Onder ’t licht van een groote kristallen hanglamp staken ze de hoofden, over beschreven papieren gebogen, bijeen; het groote peper-en-zouthoofd van Uhlstra, de dikke, blonde krullebol van Lugtens, het gekuifde kippekopje van Twissels en de glimmende schedel van den bruidegom. Zij zeiden niets, een heelen tijd, ernstig kijkend op de vellen papier, in de staten en opgaven, waaruit ieder zijn eigen cijfers nam en er zijn eigen berekeningen naar maakte. ’t Liep over een groote aanneming van levering en vervoer van gouvernementsgoederen, zooals die nog plaats hadden in de dagen van overvloed; zij waren overeengekomen daar gezamenlijk eenkongsivoor te maken.Nu waren ze zoowat gereed, en vergeleken elkaars cijfers en rekenden die na; Twissels maakte er ten slotte een récapitulatie van, die hij zachtjes voorlas, met z’n zoete meisjesstem, hoog bij elken nieuwen zin, als een kind, dat een verhaaltje leest uit een schoolboekje. De oogen der anderen keken intusschen omlaag naar het tafelkleed, strak voor zich heen; zwijgend, met kleine trekjes aan de sigaren, knikten zij nu en dan goedkeurend, als de een of de ander het cijfer hoorde, zijn eigen aandeel in het plan rakend, tot Twissels, toen hij het eindcijfer had genoemd, door zijn groote lorgnetglazen rondkeek en één voor één aanzag met een vriendelijk vragend gezicht, alsof hij een complimentje wachtte, omdat hij zoo accuraat en net de laatste hand aan het voorloopig werk had gelegd. Lugtens richtte z’n zwaren kop omhoog met een tevreden glimlach op zijn breed, glad gezicht.„Ziezoo,” zei hij, „nu weten we ten minste waar we zoowat aan toe zijn.”„Als er geen ongelukjes bijkomen,” meende Uhlstra, die, voor het eerst aan zooiets meêdoend, nog het volle vertrouwen er niet inhad. En Geber, die in den laatsten tijd zoo’nPechgehad had, zuchtte daarvan.[34]„Ja,” zei hij, „er kan nog wel het een en ander gebeuren, dat we nu juist niet hebben voorzien.”Half meêlijdend, half vriendelijk keek Lugtens hem aan, en toen eens naar Twissels, die een heel hoog lachje uitstiet en hen geruststelde door te zeggen, dat ze maar vertrouwen moesten op zijn onverstoorbareveine.„Als ik erbij ben,” ging hij voort, „en Lugtens doet ook meê, moet het al heel raar loopen, als er niet nog behalve de berekende portie een extra-kluifje overschiet.”Luid lachten ze nu alle drie. Het was toch een origineele vent, die Twissels, vond Uhlstra ook nu weêr, en hij sloeg vol vertrouwen met zijn forsche plantershand op den smallen schouder van den koopman, die er, in denfausseteen „Zeg, zeg, jou hardhandige boer!” over uitriep.Tevreden en voldaan over hun werk stonden ze op, en luid pratend over onverschillige dingen, liepen ze de groote marmeren voorgalerij op en neer, tot, omstreeks acht uur, een coupé met een paar hooge swanrivers ervoor het erf opreed; ’t was Markens, die kwam dineeren, en die eerst aan tafel een fijn glas Bourgogne moest gedronken hebben, vóór zij meenden, dat hij in de gewenschte stemming was. Hij moest hen helpen het contract te krijgen.Natuurlijk wist hijwaarvoorhij kwam. Lugtens had het eigenlijk al heelemaal met hem klaargespeeld onder vier oogen. Er waren elders nog meer liefhebbers voor deze zaak; en men moest iemand hebben, die de concurrentie kon neutraliseeren. Er werd na het diner, waaraan enkel de heeren deelnamen, een gemoedelijke boom over opgezet. Van eenig geldelijk belang, dat Markens kon hebben bij de gunning aan hunkongsi, werd met geen woord gesproken, er zelfs niet op gezinspeeld; het had geheel den schijn, alsof het een quaestie was van zuivere argumenten, die door alle vier om beurten werden aangevoerd met nu en dan een tegenwerping of een bezwaar van Markens, dat dadelijk werd opgelost. Dan knikte hij goedkeurend en gaf hun, overtuigd, gelijk, ten slotte verklarende, dat hij z’n best zou doen. Het was eigenlijk alles slechts voor den vorm, maar ’t moest gebeuren op die manier. Ondanks dat besef der noodzakelijkheid, haakten allen naar het geliefkoosde partijtje. Toen te twee uur Markens opstond, streek hij een aardige som als winst in z’n portefeuille. ’t Was opmerkelijk welke slechte spellen Lugtens, Uhlstra en Twissels dien avond kregen! Geber kon z’n gewonen gang wel gaan; die verloor ten slotte toch nog ’t meest van allen! Toen Markens weg was, praatten ze nog een oogenblik na met hun vieren.„Het is een aardig zaakje, waarachtig!” verzekerde Twissels, die eigenlijk weêr een grogje meer had gedronken dan hij velen kon.[35]Met een glans van voldoening op het gezicht, rekte Lugtens zich uit, achterover tegen de leuning van z’n stoel. Hijzelf had als altijdnietsgedronken dan een glas water; zelfs geen sigaar gerookt.„’t Zou al heel gek moeten loopen,” zei hij ernstig, „als er niet schoon een millioen aan te verdienen was!”Den dag vóór het huwelijk van Roos en Geber werd het contract aan dekongsigegund, en was op den huwelijksdag de bruigom buitengewoon in z’n nopjes, de getuigen uit dekongsiwaren het vooral niet minder.Roos mocht wat donker van kleur zijn,—zij was in haar bruidsjapon van zware lyonsche zijde en met haar echt kanten sluier een lieve bruid, en Geber zag er wel niet jeugdig uit, maar zeergentleman-like. Het was vol op de receptie; om flauw te vallen van de warmte. Een der grootste kamers van het huis was nog te klein om er de prachtige cadeaux in te bergen.Voor Roos was ’t anderhalf uur lang van den kant der gelukwenschende dames een zoenen in het oneindige, wat Geber erg hinderde; daarentegen kreeg hij handdrukken bij dozijnen, tot zijn vingers hem van de hartelijkheid pijn deden, en hij een gevoel van stijfheid kreeg in den haast onophoudelijk uitgestoken arm. Welk een ware bevrijding, toen tegen halfnegen de laatste gelukwenschers in hun rijtuigen stapten, en voor de jonggetrouwden nog slechts de slotoperatie aanving, het diner! Men had medelijden met hen. Geber was totaal op van de ellende: den heelen namiddag en avond in ’t zwart laken bij zoo’n temperatuur en voortdurend op de been! Hij geeuwde nu en dan stilletjes achter zijn hand, zoo landerig en vervelend vond hij het; het biologeerde hem; en toen ze eindelijk naar Koeningan reden, na een zenuwachtig afscheid van mama en de zusters, met tranen en liptrillingen en „Houd-je-maar-goed-hoor!” ’s, en „plok-plok’s”, die als pistoolschoten door de galerij klonken op de afgezoende wangen der jonge vrouw,—toen viel Geber in den coupé achterover tegen het gecapitonneerd bekleedsel, met een gruwelijke aanvechting om z’n zwarten rok en z’n pantalon uit te trekken. Hij voelde onder zijn lakensch vest geen drogen draad! God! God! welk een korvee, dat trouwen! dacht-ie.Onder het ratelend voortrijden over den begrinten weg, zaten zij, de eerste tien minuten zonder te spreken, uit te blazen van de vermoeienis; op te frisschen in de tegenwaaiende koele avondlucht, die de raampjes binnenstroomde; langzamerhand bekomend van wat Geber een „korvee” had genoemd. Hij hield haar hand in de zijne, met mannenpedanterie[36]overtuigd, dat ze aan iets dacht en dat hij precies wist wat dat was. Het amuseerde hem; het wekte hem op, en hij schoot bijna in een lach, toen hij haar zelfs een zoen gaf, God weet den hoeveelsten dien dag! Wat had hij ook anders kunnen denken van haar gedachten?„Heb je het gezien?” vroeg plotseling Roos.„Wat was er te zien?” vroeg hij terug, in zijn zelfde bui van joligheid.„Wel, die tante Clara!”„Och,” zei hij, „wat was er dan aan Clara te zien?”Inwendig maakte het hem boos, dat ze nu juist in dit moment dááraan scheen te denken en dáárover begon, ’t Was het allerlaatste onderwerp, dat hij verlangde aan te roeren, en nu dreigde juist het gesprek dáárover te zullen loopen! Vleiend voor zijn eigenliefde vond hij het ook in het geheel niet. Voor de eerste maal trof het hem hoogst onaangenaam, dat haar huwelijk, watle vrai motifaangaat, niet eens zooveel belangstelling bij haar scheen op te wekken als een welgeslaagde pudding of een portie goed gecombineerderoedjak.„Soengoe mati, Wim, heusch het is waar; ze heeft me weer niet gefeliciteerd en jou ook niet.”„Wat mij betreft, ik heb er niet op gelet, en ’t is me ook volmaakt onverschillig.”Hij had haar hand losgelaten en was weer achterover gaan liggen tegen het grijs bekleedsel van ’t rijtuig.„Er moet,” ging Roos voort, zonder aan zijn doen of laten aandacht te schenken, geheel in beslag genomen door die valsche plooi in haar familieverhouding, „er moet iets gebeurd zijn; ze moet ergens het land over hebben.”„Best mogelijk! Wat kan het ons schelen?”„Ik heb nooit iets met haar gehad, en altijd veel van haar gehouden. Ze was zóó lief, weet-je, en van mij hield ze heel veel,ergveel.”En toen Geber daar niets op zei, als de eenige manier om los te komen van dit vervelend gepraat, herhaalde Roos op den stelligsten toon:„Nooit, nooit, weet-je, heb ik iets met haar gehad.”„Nu, des te beter; dan heb je je ook niets te verwijten; dan zou ik er me ook maar niets van aantrekken en er verder niet over denken.”„Ikmoeteraan denken Wim,” hield zij met de stijfhoofdigheid van een Uhlstra vol. „Zie-je, zij is de eenige zuster van mama … het mooie cadeau van oom Lugtens kan me niks schelen.… niks hoegenaamd.… maar dat ze zoo hatelijk en onhartelijk.…”„Daar heb je nu,” dacht Geber, „het gedonder in de glazen!” Na die „korvee” den heelen dag, nog een huilpartij in het rijtuigen roûte[37]naar Koeningan, en dat wel om de voor hem allerellendigste van alle redenen! Bij het schemerlicht der twee lantaarns zag hij, dat ze wezenlijk met haar zakdoek voor de oogen zat te huilen. Zachtjes beproefde hij haar over het geval heen te zetten en het gesprek te brengen op een vroolijker onderwerp, zijn aanvankelijke stemming daarbij nemend als uitgangspunt.„Wat kan ze toch tegen mij hebben?” was ondanks zijne goede bedoeling en zachtzinnig streven, toen de tranen gedroogd waren, haar eerste verdrietige uitroep.„Immers niets,” herhaalde hij, nu een beetje ongeduldig. „Misschien heeft ze wat tegenmij.”Daar zweeg Roos een oogenblik op; van dien kant had ze de zaak niet bekeken.„Kan ze dan iets tegenjouhebben?” vroeg ze met groote belangstelling.Het was nu toch al te gek! Hij kon nu toch zijne jonge vrouw, die hij voor de eerste maal naar zijn huis voerde, niet vergasten op dat malle verhaal van zijn oudeamoursmet haar tante.„Ik weet het niet,” zei hij ontwijkend, „dames zijn zoo raar.”Zij liet zich niet zoo makkelijk uit het veld slaan; zij nam nu zijn hand in de hare, gezellig tegen hem aanleunend, met allerlei pogingen om hare nieuwsgierigheid bevredigd te krijgen, eenmaal opgewekt door het idee dat de wind van dien kant waaien kon. ’t Was, vond hij, overweldigend vervelend; het prikkelde zijn zenuwen in de hoogste mate; door een brutaliteit wilde hij haar niet afschrikken, en, in de hoop er een eind aan te maken, zei hij:„Nu ja, zijheeftiets tegen mij; ik heb indertijd een quaestie met haar gehad, die ze mij nooit schijnt vergeven te hebben. Verder kan ik er me heusch niet over uitlaten.”Het was gezegd, dááraan viel niets meer te veranderen; maar ineens stond hem nu ook duidelijk voor den geest, dat hij reddeloos verloren was; dat hij olie had geworpen op de vlam, en hem nog enkel de keus restte leugens te verzinnen of ronduit de waarheid te zeggen. Aan het eene had hij zijn leven lang een hekel gehad; hij kon niet liegen; het ging hem niet af en stuitte hem geweldig tegen de borst, en de waarheid zeggen.… neen, dat kon hij evenmin.Ze kibbelden letterlijk toen het rijtuig stilhield voor zijn landhuis. Roos had zich opgewonden en wassérieusuit haar humeur.„Dat,” zei ze, „kwam nu in ’t geheel niet te pas!”Als er iets ernstigs bestond tusschen haar man en een harer naaste bloedverwanten, zóó, dat het noodwendig tot verwijdering moest leiden, was het ongehoord[38]en gemeen de reden voor haar te verzwijgen; zij had er nu in de eerste plaats de gevolgen al van gedragen; zich heelemaal te laten behandelen als een kind, dáár bedankte zij voor; ze wilde niets van Geber weten, en niets met hem te doen hebben, vóór hij haar de zuivere waarheid had verteld.Maar Geber dacht daar niet aan, ofschoon anders alle hulpmiddelen beproevend om haar in betere stemming te krijgen; bewerend dat het toch al te gek was, over zoo’n betrekkelijke kleinigheid nu zoo’n ernstig dispuut te maken; het kinderachtig noemend, overdreven en dwaas; doch zonder baat. Het eind van ’t lied was, dat een uur later Roos in ’t groote mooie, zoo netjes in orde gebrachte bruidsbed in haar eentje lag te schreien van kwaadheid, en Geber in nachtbroek en kabaai op een langen rottanstoel in de achtergalerij een sigaar rookte, eerst ook zeer uit z’n humeur, maar ten slotte de comische zijde van deze zonderlinge vertooning vattend, bij zichzelf spottend met het gekke figuur, dat hij bezig was te maken in zijn eersten huwelijksnacht.Toen hij z’n sigaar had opgerookt, ging hij zachtjes naar de slaapkamer. Roos, waarschijnlijk overweldigd door de vermoeienis van dien dag, sliep benijdenswaardig vast. Een oogenblik stond hij aarzelend, besluiteloos; toen ging hij naar de logeerkamer, mopperend in zich zelf, en toch met een groot gevoel voor het bespottelijke, en een drang om zich zelven uit te lachen. Hij deed het eenige, wat hij doen kon: hij ging ook slapen.Toen Geber den volgenden morgen klokke vijf ontwaakte, frisch en uitgeslapen, zag hij het gebeurde heel anders in; veel ernstiger en veel beschamender. Hij dacht erover een briefje te schrijven aan zijn schoonmoeder en haar hulp in te roepen, doch vóór hij daartoe overging, en vóór hij het huis opende om de bedienden gelegenheid te geven binnen te komen, moest hij toch eens gaan zien of de bui bij zijn jonge vrouw niet was overgedreven; de nacht scheen als altijd raad te hebben gebracht; de opkomende dageraad zette de wereld in een ander licht.Het briefje aan mevrouw Uhlstra, dat hij bij voorbaat in de logeerkamer had geschreven, scheurde hij een uur later in de kleinst mogelijke snippers!…En nu volgde het leven op Koeningan, zoo aangenaam en gezellig als hij het er nooit gekend had. Hij had een fatsoenlijken Europeaan in dienst als opziener; zijn zooveel jaren verwaarloosde huishouding richtte zich als het ware op, alles kreeg een net, goed onderhouden aanzien onder de bedrijvige handen der jonge vrouw, die, op het land opgevoed door een kloeke moeder, geheel in haar element was. In die eerste maand raakten Geber’s plannen, om z’n land te verkoopen en naar Europa te gaan, heelemaal op den achtergrond; gansch andere ideeën traden daarvoor in de plaats. Als geïnspireerd door de practische[39]activiteit zijner vrouw, verminderde zijn meer uit gewoonte dan uit aard ontwikkelde onverschilligheid, en zijn werkzaam aandeel in de levering der voor dekongsibenoodigde producten prikkelde hem.Hij kreeg allerlei plannen in z’n hoofd voor bouwwerken en waterleidingen, voor den aanleg van wegen en nieuwe aanplantingen ter vergrooting van het voortbrengend vermogen van zijn land, en er scheen geen wolkje aan de lucht, tot.… op een ochtend een briefje kwam van Lugtens, hem en Roos uitnoodigend voor een groote danspartij.Het behoorde tot de vaste gewoonten van Lugtens: was een onderneming voor een deel geslaagd, dan gaf hij een feest, gelijk de inlander eensedekah, maar zonder bijgeloof en als instinctmatig. Daar was dan niets te goed voor. De fijnste wijn, de keurigste gebakken, het duurste souper,—’t was alles voor de gasten in overvloed. En al wat de stad aan „notabelen” telde, kwam met vreugde op de luxueuse feesten in het mooie huis, waar Lugtens ontving met zijn barsch maar deftig gezicht, in zijn zwarten rok en met zijn witten das als weggeloopen van een ouderwetsch olieverfportret. Altijd beleefd en op een afstand voor de menigte; geheimzinnig familiaar met sommige hooggeplaatsen.Markens kwam er met zijn vrouw. Zij werd metbijzondereégardsontvangen, en ze nam die aan als iets dat vanzelf sprak. Onder haar voornaamheid ging Markens, nu goed in den dienst vooruitgekomen, juist zoo gebukt als vroeger toen hij nog tot de mindere goden behoorde; hij was ’n eenvoudig mensch in zijn doen en laten, zich verheffend op het feit, dat hij zijn loopbaan nederig was begonnen, snoevend zelfs daarop, maar niet als Etienne er bij was, wier zich meer en meer ontwikkelenden hoogmoed hij vreesde. Zij was inderdaad van een goede familie, met ontaarde zijtakken, uit een waarvan zij voortsproot. In Holland had ze dat laatste diep gevoeld, doch in Indië, getrouwd met Markens, en uit de ellendige omgeving van verarmde, gedemoraliseerde en drank misbruikende bloedverwanten,—onbekend in de Indische maatschappij, had ze met succes den ouden goed klinkenden familienaam vooropgezet, tot ze, alles vergetend, als in een idée-fixe verviel over haar eigen voornaamheid, gedoubleerd, ten slotte, door de mooie positie van Markens.’n Knappe, slanke vrouw was ze nog ondanks de dreigende nadering van den ouden dag; een vrouw, die nog werk maakte van haar toilet, zich nog décolleteerde en monsteren durfde en kon met veel jongere vrouwen, wat de kleur harer huid betrof en de lijnen van schouders, borst en armen. Het was niet dáárom, niet uit jaloerschheid, dat men haar algemeen verfoeide,—dàt kwam enkel door haar hoogmoed,[40]dien iedereen hield voor een vrijwillige ondeugd, die niemand als een kwaal beschouwde.Haarentrée de salonzou misschien niet kwaad zijn geweest op een hofbal van Hendrik den vierde,—hier in den kring van gegoede of ambtelijk goed geplaatste burgerlieden geleek het een paskwil, nog verhoogd door de op het marmer eenigszins glijdend achter haar aanloopende figuur van Markens, die altijd bij zulke gelegenheden het land had, en zich als het ware democratiseerde om een tegenwicht te leveren, daarbij niets bereikend, dan ’n dwaze tegenstelling.Lugtens mocht haar wel, en zij vond hem de eenige deftige man ter plaatse, hij, met nog barscher gezicht dan anders, boog, bood haar zijn arm en bracht haar naar een stoel.Clara lachte in haar zelve.„Die twee zouden net bij elkaar komen,” zei ze tegen mevrouw Uhlstra, nadat de Markens haar gegroet hadden.Achter den waaier haalde mevrouw Uhlstra den neus op.„Het is jammer dat hij niet zoo’n gek wijf heeft.”„Waarom is Roos niet gekomen!”„Dat behoefjijniet te vragen, Claar. Iemand, die zich zoo onverstandig aanstelt als jij.…”„Soedah, Leen.… Niet mopperen. Je hebt misschien gelijk.… We praten er nog wel eens over.”

[Inhoud]VIJFDE HOOFDSTUK.„Wel, die tante Clara!”In zijn heelen omvang begreep Clara zelf ook niet wàt het eigenlijk was. Haar begrip bepaalde er zich hoofdzakelijk toe, dat dit kleine nest haar huistiran een fameus koopje had gegeven, en er hem geweldig had laten inloopen. Als zoodanig vertelde zij het haar zuster, hoorden het ook de meisjes Uhlstra en vernam Geber het, toen hij Zaterdag ’s avonds naar de stad kwam om er den Zondag te vertoeven, van z’n aanstaande bruid, tusschen twee drukten van het uitzet. Hij, beter opgevoed en meer ontwikkeld, voelde wat er meer achterstak dan een gewoon koopje, doch hij hield dat voor zich.Ook sprak hij liefst zoo weinig mogelijk over de familie Lugtens. Hij kwam er aan huis zoo’n enkel maal, en werd altijd gevraagd als er een diner of een feest was.Bij z’n vrijwillige bezoeken maakte hij het zoo kort mogelijk; bij bijzondere gelegenheden zat hij, zoodra het eenigszins kon, aan de hombertafel.De groote tegenstelling tusschen het krachtig despotiek karakter van Lugtens en de indolente onverschilligheid van Geber was geen reden van terughouding; zij belette niet dat de twee mannen elkaar gaarne mochten. Integendeel, Lugtens had een bijzondere sympathie voor Geber en zei dikwerf, dat het hem genoegen zou doen als Geber, wanneer hij in de stad was, altijd ten zijnent kwam logeeren en voor ’t minst ’s avonds familiaar binnenliep omà la fortune du potmeê te eten. ’t Was nooit gebeurd; de vrijwillige visites van Geber behoorden altijd tot de groote zeldzaamheden, en toen men hem nu, terwijl hij bij zijn meisje zat, vertelde van het roekeloos feit, dat in aller oogen de kleine Lena had onderstaan, liepen zijn gedachten terug naar een lang vervlogen tijd, jaren geleden; een tijd waarin de oorzaak lag van zijn teruggetrokkenheid. Hij zou nu trouwen met Roos en geparenteerd worden aan Lugtens en diens vrouw! ’t Was dwaas, dacht hij, en terwijl hij met een spottenden glimlach over dat dwaze zat door te pikeren, schoot plotseling Roos uit den hoek met een opmerking die hem trof.„Weet je,” zei ze, „het is heel vreemd, tante Clara is de eenige die me niet gefeliciteerd heeft met m’n engagement.”„Ze heeft het mij immers gedaan,” bracht mevrouw Uhlstra in het[31]midden, op een toon als nam zij de opmerking kwalijk; maar ze keek daarbij niet op, ijverig voortbordurend aan een der kabajastrooken, die ze zoo mooi kon maken, en die haar roem waren en haar trots.„Ze had het mij toch óók wel kunnen doen; ik vind het niets lief. Wat zeg jij, Willem?”Doch mevrouw Uhlstra scheen niet te verlangen, dat Geber in deze quaestie aan het woord kwam.„Wat zanik je toch, Roos? Zij heeft mij immers dadelijk een heel lieven brief geschreven.”„Dien heb ik niet gelezen.”Intusschen dacht Geber, stil zijn sigaar rookend, er het zijne van.Hij en mevrouw Uhlstra waren volkomen op de hoogte; zij kendenle fin mot de l’histoire; hij vooral. Het was het eenige van dien aard dat hem ooit in z’n leven was overkomen. Lugtens stond toen nog pas korten tijd aan het hoofd zijner maatschappij, en deed lange reizen door heel den Indischen Archipel om alles te zien van de zaken, die hij nu zelf geheel zou beheeren.Op een goeden dag, toen Geber van z’n land naar de stad ging om inkoopen te doen, geld te ontvangen en beren te betalen, was hij bij Clara gekomen, en had haar planten en bloemen gebracht, waarom zij hem had geschreven. Mevrouw Uhlstra, die toen juist bij haar zuster logeerde, was uitgereden naar de toko’s. Hij, Geber, was nog een ander man, twaalf jaar jonger en in verhouding nog heel veel jonger. Hij en Clara kenden elkaar al vanouds; ze lachten samen en noemden elkaar bij den voornaam; hij plaagde haar, zij plaagde hem terug, doch zonder de minste nevenbedoeling, en wat hem had bezield dien dag en wat haar in zulk een stemming bracht wisten ze beiden niet en hebben zij nooit geweten,—maar toen Mevrouw Uhlstra van haar tokobezoeken terugkeerde, zaten ze tegenover elkaar in de achtergalerij verwonderd en bedrukt, ieder voor zich niet gelukkig en tevreden, maar vreemd en verlegen.Dat had de goede zuster Lena niet gezien; ze had het zóó druk met haar inkoopen en haar verhalen van de prijzen die de Chineezen durfden vragen en over haar eigen buitengewone volmaaktheid in hettawarrenop die prijzen, dat ze aan niets anders dacht, en haar mond er niet van stilstond. Ze zou zelfs niets vreemd hebben gezien in de omstandigheid dat Geber dien dag niet terugkeerde naar Koeningan, maar zijn vertrek telkens weer uitstelde, en elken dag te vinden was in het huis van Lugtens, steeds komend als mevrouw Uhlstra bij haar kennissen was of boodschappen deed. Natuurlijk was het haar lijfmeid, die[32]haar alles wist te vertellen, en toen, ontstoken in de grootste woede en verontwaardiging, had zij haar zuster niet gespaard en Geber ook niet. Hij, ontsteld en beschaamd, had dadelijk den aftocht geblazen, ook omdat hem eigenlijk niets liever was, want het gebeurde herhaalde zich welweêrtelkens, maar niettemin vervulde het hem, hoe aangenaam op zichzelf, ’t grootste deel van den dag met zwaarmoedige denkbeelden. In ’t minst niet verliefd op Clara, had hij schrikbarend het land over een eenmaal begane, onherstelbare fout, die hem in de grootste moeilijkheden kon brengen. Bij de maatschappij, door Lugtens beheerd, stond hij toen nog onder zware financieele verplichtingen; Uhlstra, zijn bestesobaten buur, was geen gemakkelijk man waar het de moreele reputatie betrof zijner familieleden, en eigenlijk was Geber maar blij, dat er op zoo’n geschikte manier een abrupt einde kwam aan zijn korte relatie met Clara, die hem meer vervulde met zorg en schrik, dan met genot en vreugde.’t Scheen ook dat zij zelve weinig heil zag in een toekomst, waarbij zoo ontzaglijk veel op het spel stond. Hij hoorde niets meer van haar, terwijl hij gewoon voortleefde op het land met zijne inlandsche huishoudster, bij wie hij niets riskeerde.In geen maanden vertoonde hij zich, en toen hij ten slotte goedschiks niet langer nalatenkonin de stad te komen voor zijne zaken, en toen ook wel verplicht was een invitatie van Lugtens aan te nemen, verhielden hij en Clara zich heel gewoon tegenover elkaar; voor vreemden alsof tusschen hen nooit iets bijzonders was voorgevallen: hij allerbeleefdst, zij stug en koel.In zoover was dus alles uit, met dit verschil alleen, dat bij de geboorte van kleine Lena, mevrouw Uhlstra, Geber en Clara hun eigen gedachten hadden; en dat Lugtens, zoo hij er ooit op had gelet, evengoed de opmerking had kunnen maken, dat het aardige blonde kind zoowel de violetblauwe kleur der oogen had van een zijner vrienden als van wijlen z’n eigen moeder.Aan dat alles dacht nu de galant van Roos, terwijl de meisjes met zijn aanstaande schoonmoeder aan het kibbelen waren over de bekende quaestie in hoever het lief was van tante Clara of boosaardig dat ze Roos niet persoonlijk had gefeliciteerd, maar alleen, zooals Mevrouw Uhlstra wel tienmaal verzekerde, per brief aan mama.Tot grooten spijt van de dames Uhlstra, moeder en dochters, had Geber het in zijne bruigomsdagen vervelend druk. Anders kon hij in de stad over zijn vrijen tijd naar willekeur beschikken, juist nu viel het zoo ongelukkig, vonden zij, dat hij en papa Uhlstra heel gewichtige[33]zaken te doen hadden, waarover ze een geheimzinnig stilzwijgen bewaarden; waarvan de dames niet meer te weten konden komen dan dat er heel veel geld meê verdiend moest worden, iets dat haar, die de waarde van geld nauwelijks kenden, in mindere mate belangstelling inboezemde, dan het haar speet, dat het bruidje niet elken avond in de gelegenheid was haar fraaie toiletten te laten bewonderen. Er viel echter niets tegen te doen; het scheen een vaste wet dat de „conferenties” over die gewichtige zaken enkel ’s avonds konden worden gehouden bij Lugtens aan huis, en even noodzakelijk scheen het, dat de behandeling dier zaken aanving met een fijn diner en eindigde met een fijn partijtje.Zoo zaten ze nu ook weêr bij elkaar, klokke zeven reeds, in een afzonderlijke zijkamer van het groote huis, met Twissels, den koopman, erbij. Onder ’t licht van een groote kristallen hanglamp staken ze de hoofden, over beschreven papieren gebogen, bijeen; het groote peper-en-zouthoofd van Uhlstra, de dikke, blonde krullebol van Lugtens, het gekuifde kippekopje van Twissels en de glimmende schedel van den bruidegom. Zij zeiden niets, een heelen tijd, ernstig kijkend op de vellen papier, in de staten en opgaven, waaruit ieder zijn eigen cijfers nam en er zijn eigen berekeningen naar maakte. ’t Liep over een groote aanneming van levering en vervoer van gouvernementsgoederen, zooals die nog plaats hadden in de dagen van overvloed; zij waren overeengekomen daar gezamenlijk eenkongsivoor te maken.Nu waren ze zoowat gereed, en vergeleken elkaars cijfers en rekenden die na; Twissels maakte er ten slotte een récapitulatie van, die hij zachtjes voorlas, met z’n zoete meisjesstem, hoog bij elken nieuwen zin, als een kind, dat een verhaaltje leest uit een schoolboekje. De oogen der anderen keken intusschen omlaag naar het tafelkleed, strak voor zich heen; zwijgend, met kleine trekjes aan de sigaren, knikten zij nu en dan goedkeurend, als de een of de ander het cijfer hoorde, zijn eigen aandeel in het plan rakend, tot Twissels, toen hij het eindcijfer had genoemd, door zijn groote lorgnetglazen rondkeek en één voor één aanzag met een vriendelijk vragend gezicht, alsof hij een complimentje wachtte, omdat hij zoo accuraat en net de laatste hand aan het voorloopig werk had gelegd. Lugtens richtte z’n zwaren kop omhoog met een tevreden glimlach op zijn breed, glad gezicht.„Ziezoo,” zei hij, „nu weten we ten minste waar we zoowat aan toe zijn.”„Als er geen ongelukjes bijkomen,” meende Uhlstra, die, voor het eerst aan zooiets meêdoend, nog het volle vertrouwen er niet inhad. En Geber, die in den laatsten tijd zoo’nPechgehad had, zuchtte daarvan.[34]„Ja,” zei hij, „er kan nog wel het een en ander gebeuren, dat we nu juist niet hebben voorzien.”Half meêlijdend, half vriendelijk keek Lugtens hem aan, en toen eens naar Twissels, die een heel hoog lachje uitstiet en hen geruststelde door te zeggen, dat ze maar vertrouwen moesten op zijn onverstoorbareveine.„Als ik erbij ben,” ging hij voort, „en Lugtens doet ook meê, moet het al heel raar loopen, als er niet nog behalve de berekende portie een extra-kluifje overschiet.”Luid lachten ze nu alle drie. Het was toch een origineele vent, die Twissels, vond Uhlstra ook nu weêr, en hij sloeg vol vertrouwen met zijn forsche plantershand op den smallen schouder van den koopman, die er, in denfausseteen „Zeg, zeg, jou hardhandige boer!” over uitriep.Tevreden en voldaan over hun werk stonden ze op, en luid pratend over onverschillige dingen, liepen ze de groote marmeren voorgalerij op en neer, tot, omstreeks acht uur, een coupé met een paar hooge swanrivers ervoor het erf opreed; ’t was Markens, die kwam dineeren, en die eerst aan tafel een fijn glas Bourgogne moest gedronken hebben, vóór zij meenden, dat hij in de gewenschte stemming was. Hij moest hen helpen het contract te krijgen.Natuurlijk wist hijwaarvoorhij kwam. Lugtens had het eigenlijk al heelemaal met hem klaargespeeld onder vier oogen. Er waren elders nog meer liefhebbers voor deze zaak; en men moest iemand hebben, die de concurrentie kon neutraliseeren. Er werd na het diner, waaraan enkel de heeren deelnamen, een gemoedelijke boom over opgezet. Van eenig geldelijk belang, dat Markens kon hebben bij de gunning aan hunkongsi, werd met geen woord gesproken, er zelfs niet op gezinspeeld; het had geheel den schijn, alsof het een quaestie was van zuivere argumenten, die door alle vier om beurten werden aangevoerd met nu en dan een tegenwerping of een bezwaar van Markens, dat dadelijk werd opgelost. Dan knikte hij goedkeurend en gaf hun, overtuigd, gelijk, ten slotte verklarende, dat hij z’n best zou doen. Het was eigenlijk alles slechts voor den vorm, maar ’t moest gebeuren op die manier. Ondanks dat besef der noodzakelijkheid, haakten allen naar het geliefkoosde partijtje. Toen te twee uur Markens opstond, streek hij een aardige som als winst in z’n portefeuille. ’t Was opmerkelijk welke slechte spellen Lugtens, Uhlstra en Twissels dien avond kregen! Geber kon z’n gewonen gang wel gaan; die verloor ten slotte toch nog ’t meest van allen! Toen Markens weg was, praatten ze nog een oogenblik na met hun vieren.„Het is een aardig zaakje, waarachtig!” verzekerde Twissels, die eigenlijk weêr een grogje meer had gedronken dan hij velen kon.[35]Met een glans van voldoening op het gezicht, rekte Lugtens zich uit, achterover tegen de leuning van z’n stoel. Hijzelf had als altijdnietsgedronken dan een glas water; zelfs geen sigaar gerookt.„’t Zou al heel gek moeten loopen,” zei hij ernstig, „als er niet schoon een millioen aan te verdienen was!”Den dag vóór het huwelijk van Roos en Geber werd het contract aan dekongsigegund, en was op den huwelijksdag de bruigom buitengewoon in z’n nopjes, de getuigen uit dekongsiwaren het vooral niet minder.Roos mocht wat donker van kleur zijn,—zij was in haar bruidsjapon van zware lyonsche zijde en met haar echt kanten sluier een lieve bruid, en Geber zag er wel niet jeugdig uit, maar zeergentleman-like. Het was vol op de receptie; om flauw te vallen van de warmte. Een der grootste kamers van het huis was nog te klein om er de prachtige cadeaux in te bergen.Voor Roos was ’t anderhalf uur lang van den kant der gelukwenschende dames een zoenen in het oneindige, wat Geber erg hinderde; daarentegen kreeg hij handdrukken bij dozijnen, tot zijn vingers hem van de hartelijkheid pijn deden, en hij een gevoel van stijfheid kreeg in den haast onophoudelijk uitgestoken arm. Welk een ware bevrijding, toen tegen halfnegen de laatste gelukwenschers in hun rijtuigen stapten, en voor de jonggetrouwden nog slechts de slotoperatie aanving, het diner! Men had medelijden met hen. Geber was totaal op van de ellende: den heelen namiddag en avond in ’t zwart laken bij zoo’n temperatuur en voortdurend op de been! Hij geeuwde nu en dan stilletjes achter zijn hand, zoo landerig en vervelend vond hij het; het biologeerde hem; en toen ze eindelijk naar Koeningan reden, na een zenuwachtig afscheid van mama en de zusters, met tranen en liptrillingen en „Houd-je-maar-goed-hoor!” ’s, en „plok-plok’s”, die als pistoolschoten door de galerij klonken op de afgezoende wangen der jonge vrouw,—toen viel Geber in den coupé achterover tegen het gecapitonneerd bekleedsel, met een gruwelijke aanvechting om z’n zwarten rok en z’n pantalon uit te trekken. Hij voelde onder zijn lakensch vest geen drogen draad! God! God! welk een korvee, dat trouwen! dacht-ie.Onder het ratelend voortrijden over den begrinten weg, zaten zij, de eerste tien minuten zonder te spreken, uit te blazen van de vermoeienis; op te frisschen in de tegenwaaiende koele avondlucht, die de raampjes binnenstroomde; langzamerhand bekomend van wat Geber een „korvee” had genoemd. Hij hield haar hand in de zijne, met mannenpedanterie[36]overtuigd, dat ze aan iets dacht en dat hij precies wist wat dat was. Het amuseerde hem; het wekte hem op, en hij schoot bijna in een lach, toen hij haar zelfs een zoen gaf, God weet den hoeveelsten dien dag! Wat had hij ook anders kunnen denken van haar gedachten?„Heb je het gezien?” vroeg plotseling Roos.„Wat was er te zien?” vroeg hij terug, in zijn zelfde bui van joligheid.„Wel, die tante Clara!”„Och,” zei hij, „wat was er dan aan Clara te zien?”Inwendig maakte het hem boos, dat ze nu juist in dit moment dááraan scheen te denken en dáárover begon, ’t Was het allerlaatste onderwerp, dat hij verlangde aan te roeren, en nu dreigde juist het gesprek dáárover te zullen loopen! Vleiend voor zijn eigenliefde vond hij het ook in het geheel niet. Voor de eerste maal trof het hem hoogst onaangenaam, dat haar huwelijk, watle vrai motifaangaat, niet eens zooveel belangstelling bij haar scheen op te wekken als een welgeslaagde pudding of een portie goed gecombineerderoedjak.„Soengoe mati, Wim, heusch het is waar; ze heeft me weer niet gefeliciteerd en jou ook niet.”„Wat mij betreft, ik heb er niet op gelet, en ’t is me ook volmaakt onverschillig.”Hij had haar hand losgelaten en was weer achterover gaan liggen tegen het grijs bekleedsel van ’t rijtuig.„Er moet,” ging Roos voort, zonder aan zijn doen of laten aandacht te schenken, geheel in beslag genomen door die valsche plooi in haar familieverhouding, „er moet iets gebeurd zijn; ze moet ergens het land over hebben.”„Best mogelijk! Wat kan het ons schelen?”„Ik heb nooit iets met haar gehad, en altijd veel van haar gehouden. Ze was zóó lief, weet-je, en van mij hield ze heel veel,ergveel.”En toen Geber daar niets op zei, als de eenige manier om los te komen van dit vervelend gepraat, herhaalde Roos op den stelligsten toon:„Nooit, nooit, weet-je, heb ik iets met haar gehad.”„Nu, des te beter; dan heb je je ook niets te verwijten; dan zou ik er me ook maar niets van aantrekken en er verder niet over denken.”„Ikmoeteraan denken Wim,” hield zij met de stijfhoofdigheid van een Uhlstra vol. „Zie-je, zij is de eenige zuster van mama … het mooie cadeau van oom Lugtens kan me niks schelen.… niks hoegenaamd.… maar dat ze zoo hatelijk en onhartelijk.…”„Daar heb je nu,” dacht Geber, „het gedonder in de glazen!” Na die „korvee” den heelen dag, nog een huilpartij in het rijtuigen roûte[37]naar Koeningan, en dat wel om de voor hem allerellendigste van alle redenen! Bij het schemerlicht der twee lantaarns zag hij, dat ze wezenlijk met haar zakdoek voor de oogen zat te huilen. Zachtjes beproefde hij haar over het geval heen te zetten en het gesprek te brengen op een vroolijker onderwerp, zijn aanvankelijke stemming daarbij nemend als uitgangspunt.„Wat kan ze toch tegen mij hebben?” was ondanks zijne goede bedoeling en zachtzinnig streven, toen de tranen gedroogd waren, haar eerste verdrietige uitroep.„Immers niets,” herhaalde hij, nu een beetje ongeduldig. „Misschien heeft ze wat tegenmij.”Daar zweeg Roos een oogenblik op; van dien kant had ze de zaak niet bekeken.„Kan ze dan iets tegenjouhebben?” vroeg ze met groote belangstelling.Het was nu toch al te gek! Hij kon nu toch zijne jonge vrouw, die hij voor de eerste maal naar zijn huis voerde, niet vergasten op dat malle verhaal van zijn oudeamoursmet haar tante.„Ik weet het niet,” zei hij ontwijkend, „dames zijn zoo raar.”Zij liet zich niet zoo makkelijk uit het veld slaan; zij nam nu zijn hand in de hare, gezellig tegen hem aanleunend, met allerlei pogingen om hare nieuwsgierigheid bevredigd te krijgen, eenmaal opgewekt door het idee dat de wind van dien kant waaien kon. ’t Was, vond hij, overweldigend vervelend; het prikkelde zijn zenuwen in de hoogste mate; door een brutaliteit wilde hij haar niet afschrikken, en, in de hoop er een eind aan te maken, zei hij:„Nu ja, zijheeftiets tegen mij; ik heb indertijd een quaestie met haar gehad, die ze mij nooit schijnt vergeven te hebben. Verder kan ik er me heusch niet over uitlaten.”Het was gezegd, dááraan viel niets meer te veranderen; maar ineens stond hem nu ook duidelijk voor den geest, dat hij reddeloos verloren was; dat hij olie had geworpen op de vlam, en hem nog enkel de keus restte leugens te verzinnen of ronduit de waarheid te zeggen. Aan het eene had hij zijn leven lang een hekel gehad; hij kon niet liegen; het ging hem niet af en stuitte hem geweldig tegen de borst, en de waarheid zeggen.… neen, dat kon hij evenmin.Ze kibbelden letterlijk toen het rijtuig stilhield voor zijn landhuis. Roos had zich opgewonden en wassérieusuit haar humeur.„Dat,” zei ze, „kwam nu in ’t geheel niet te pas!”Als er iets ernstigs bestond tusschen haar man en een harer naaste bloedverwanten, zóó, dat het noodwendig tot verwijdering moest leiden, was het ongehoord[38]en gemeen de reden voor haar te verzwijgen; zij had er nu in de eerste plaats de gevolgen al van gedragen; zich heelemaal te laten behandelen als een kind, dáár bedankte zij voor; ze wilde niets van Geber weten, en niets met hem te doen hebben, vóór hij haar de zuivere waarheid had verteld.Maar Geber dacht daar niet aan, ofschoon anders alle hulpmiddelen beproevend om haar in betere stemming te krijgen; bewerend dat het toch al te gek was, over zoo’n betrekkelijke kleinigheid nu zoo’n ernstig dispuut te maken; het kinderachtig noemend, overdreven en dwaas; doch zonder baat. Het eind van ’t lied was, dat een uur later Roos in ’t groote mooie, zoo netjes in orde gebrachte bruidsbed in haar eentje lag te schreien van kwaadheid, en Geber in nachtbroek en kabaai op een langen rottanstoel in de achtergalerij een sigaar rookte, eerst ook zeer uit z’n humeur, maar ten slotte de comische zijde van deze zonderlinge vertooning vattend, bij zichzelf spottend met het gekke figuur, dat hij bezig was te maken in zijn eersten huwelijksnacht.Toen hij z’n sigaar had opgerookt, ging hij zachtjes naar de slaapkamer. Roos, waarschijnlijk overweldigd door de vermoeienis van dien dag, sliep benijdenswaardig vast. Een oogenblik stond hij aarzelend, besluiteloos; toen ging hij naar de logeerkamer, mopperend in zich zelf, en toch met een groot gevoel voor het bespottelijke, en een drang om zich zelven uit te lachen. Hij deed het eenige, wat hij doen kon: hij ging ook slapen.Toen Geber den volgenden morgen klokke vijf ontwaakte, frisch en uitgeslapen, zag hij het gebeurde heel anders in; veel ernstiger en veel beschamender. Hij dacht erover een briefje te schrijven aan zijn schoonmoeder en haar hulp in te roepen, doch vóór hij daartoe overging, en vóór hij het huis opende om de bedienden gelegenheid te geven binnen te komen, moest hij toch eens gaan zien of de bui bij zijn jonge vrouw niet was overgedreven; de nacht scheen als altijd raad te hebben gebracht; de opkomende dageraad zette de wereld in een ander licht.Het briefje aan mevrouw Uhlstra, dat hij bij voorbaat in de logeerkamer had geschreven, scheurde hij een uur later in de kleinst mogelijke snippers!…En nu volgde het leven op Koeningan, zoo aangenaam en gezellig als hij het er nooit gekend had. Hij had een fatsoenlijken Europeaan in dienst als opziener; zijn zooveel jaren verwaarloosde huishouding richtte zich als het ware op, alles kreeg een net, goed onderhouden aanzien onder de bedrijvige handen der jonge vrouw, die, op het land opgevoed door een kloeke moeder, geheel in haar element was. In die eerste maand raakten Geber’s plannen, om z’n land te verkoopen en naar Europa te gaan, heelemaal op den achtergrond; gansch andere ideeën traden daarvoor in de plaats. Als geïnspireerd door de practische[39]activiteit zijner vrouw, verminderde zijn meer uit gewoonte dan uit aard ontwikkelde onverschilligheid, en zijn werkzaam aandeel in de levering der voor dekongsibenoodigde producten prikkelde hem.Hij kreeg allerlei plannen in z’n hoofd voor bouwwerken en waterleidingen, voor den aanleg van wegen en nieuwe aanplantingen ter vergrooting van het voortbrengend vermogen van zijn land, en er scheen geen wolkje aan de lucht, tot.… op een ochtend een briefje kwam van Lugtens, hem en Roos uitnoodigend voor een groote danspartij.Het behoorde tot de vaste gewoonten van Lugtens: was een onderneming voor een deel geslaagd, dan gaf hij een feest, gelijk de inlander eensedekah, maar zonder bijgeloof en als instinctmatig. Daar was dan niets te goed voor. De fijnste wijn, de keurigste gebakken, het duurste souper,—’t was alles voor de gasten in overvloed. En al wat de stad aan „notabelen” telde, kwam met vreugde op de luxueuse feesten in het mooie huis, waar Lugtens ontving met zijn barsch maar deftig gezicht, in zijn zwarten rok en met zijn witten das als weggeloopen van een ouderwetsch olieverfportret. Altijd beleefd en op een afstand voor de menigte; geheimzinnig familiaar met sommige hooggeplaatsen.Markens kwam er met zijn vrouw. Zij werd metbijzondereégardsontvangen, en ze nam die aan als iets dat vanzelf sprak. Onder haar voornaamheid ging Markens, nu goed in den dienst vooruitgekomen, juist zoo gebukt als vroeger toen hij nog tot de mindere goden behoorde; hij was ’n eenvoudig mensch in zijn doen en laten, zich verheffend op het feit, dat hij zijn loopbaan nederig was begonnen, snoevend zelfs daarop, maar niet als Etienne er bij was, wier zich meer en meer ontwikkelenden hoogmoed hij vreesde. Zij was inderdaad van een goede familie, met ontaarde zijtakken, uit een waarvan zij voortsproot. In Holland had ze dat laatste diep gevoeld, doch in Indië, getrouwd met Markens, en uit de ellendige omgeving van verarmde, gedemoraliseerde en drank misbruikende bloedverwanten,—onbekend in de Indische maatschappij, had ze met succes den ouden goed klinkenden familienaam vooropgezet, tot ze, alles vergetend, als in een idée-fixe verviel over haar eigen voornaamheid, gedoubleerd, ten slotte, door de mooie positie van Markens.’n Knappe, slanke vrouw was ze nog ondanks de dreigende nadering van den ouden dag; een vrouw, die nog werk maakte van haar toilet, zich nog décolleteerde en monsteren durfde en kon met veel jongere vrouwen, wat de kleur harer huid betrof en de lijnen van schouders, borst en armen. Het was niet dáárom, niet uit jaloerschheid, dat men haar algemeen verfoeide,—dàt kwam enkel door haar hoogmoed,[40]dien iedereen hield voor een vrijwillige ondeugd, die niemand als een kwaal beschouwde.Haarentrée de salonzou misschien niet kwaad zijn geweest op een hofbal van Hendrik den vierde,—hier in den kring van gegoede of ambtelijk goed geplaatste burgerlieden geleek het een paskwil, nog verhoogd door de op het marmer eenigszins glijdend achter haar aanloopende figuur van Markens, die altijd bij zulke gelegenheden het land had, en zich als het ware democratiseerde om een tegenwicht te leveren, daarbij niets bereikend, dan ’n dwaze tegenstelling.Lugtens mocht haar wel, en zij vond hem de eenige deftige man ter plaatse, hij, met nog barscher gezicht dan anders, boog, bood haar zijn arm en bracht haar naar een stoel.Clara lachte in haar zelve.„Die twee zouden net bij elkaar komen,” zei ze tegen mevrouw Uhlstra, nadat de Markens haar gegroet hadden.Achter den waaier haalde mevrouw Uhlstra den neus op.„Het is jammer dat hij niet zoo’n gek wijf heeft.”„Waarom is Roos niet gekomen!”„Dat behoefjijniet te vragen, Claar. Iemand, die zich zoo onverstandig aanstelt als jij.…”„Soedah, Leen.… Niet mopperen. Je hebt misschien gelijk.… We praten er nog wel eens over.”

VIJFDE HOOFDSTUK.„Wel, die tante Clara!”

In zijn heelen omvang begreep Clara zelf ook niet wàt het eigenlijk was. Haar begrip bepaalde er zich hoofdzakelijk toe, dat dit kleine nest haar huistiran een fameus koopje had gegeven, en er hem geweldig had laten inloopen. Als zoodanig vertelde zij het haar zuster, hoorden het ook de meisjes Uhlstra en vernam Geber het, toen hij Zaterdag ’s avonds naar de stad kwam om er den Zondag te vertoeven, van z’n aanstaande bruid, tusschen twee drukten van het uitzet. Hij, beter opgevoed en meer ontwikkeld, voelde wat er meer achterstak dan een gewoon koopje, doch hij hield dat voor zich.Ook sprak hij liefst zoo weinig mogelijk over de familie Lugtens. Hij kwam er aan huis zoo’n enkel maal, en werd altijd gevraagd als er een diner of een feest was.Bij z’n vrijwillige bezoeken maakte hij het zoo kort mogelijk; bij bijzondere gelegenheden zat hij, zoodra het eenigszins kon, aan de hombertafel.De groote tegenstelling tusschen het krachtig despotiek karakter van Lugtens en de indolente onverschilligheid van Geber was geen reden van terughouding; zij belette niet dat de twee mannen elkaar gaarne mochten. Integendeel, Lugtens had een bijzondere sympathie voor Geber en zei dikwerf, dat het hem genoegen zou doen als Geber, wanneer hij in de stad was, altijd ten zijnent kwam logeeren en voor ’t minst ’s avonds familiaar binnenliep omà la fortune du potmeê te eten. ’t Was nooit gebeurd; de vrijwillige visites van Geber behoorden altijd tot de groote zeldzaamheden, en toen men hem nu, terwijl hij bij zijn meisje zat, vertelde van het roekeloos feit, dat in aller oogen de kleine Lena had onderstaan, liepen zijn gedachten terug naar een lang vervlogen tijd, jaren geleden; een tijd waarin de oorzaak lag van zijn teruggetrokkenheid. Hij zou nu trouwen met Roos en geparenteerd worden aan Lugtens en diens vrouw! ’t Was dwaas, dacht hij, en terwijl hij met een spottenden glimlach over dat dwaze zat door te pikeren, schoot plotseling Roos uit den hoek met een opmerking die hem trof.„Weet je,” zei ze, „het is heel vreemd, tante Clara is de eenige die me niet gefeliciteerd heeft met m’n engagement.”„Ze heeft het mij immers gedaan,” bracht mevrouw Uhlstra in het[31]midden, op een toon als nam zij de opmerking kwalijk; maar ze keek daarbij niet op, ijverig voortbordurend aan een der kabajastrooken, die ze zoo mooi kon maken, en die haar roem waren en haar trots.„Ze had het mij toch óók wel kunnen doen; ik vind het niets lief. Wat zeg jij, Willem?”Doch mevrouw Uhlstra scheen niet te verlangen, dat Geber in deze quaestie aan het woord kwam.„Wat zanik je toch, Roos? Zij heeft mij immers dadelijk een heel lieven brief geschreven.”„Dien heb ik niet gelezen.”Intusschen dacht Geber, stil zijn sigaar rookend, er het zijne van.Hij en mevrouw Uhlstra waren volkomen op de hoogte; zij kendenle fin mot de l’histoire; hij vooral. Het was het eenige van dien aard dat hem ooit in z’n leven was overkomen. Lugtens stond toen nog pas korten tijd aan het hoofd zijner maatschappij, en deed lange reizen door heel den Indischen Archipel om alles te zien van de zaken, die hij nu zelf geheel zou beheeren.Op een goeden dag, toen Geber van z’n land naar de stad ging om inkoopen te doen, geld te ontvangen en beren te betalen, was hij bij Clara gekomen, en had haar planten en bloemen gebracht, waarom zij hem had geschreven. Mevrouw Uhlstra, die toen juist bij haar zuster logeerde, was uitgereden naar de toko’s. Hij, Geber, was nog een ander man, twaalf jaar jonger en in verhouding nog heel veel jonger. Hij en Clara kenden elkaar al vanouds; ze lachten samen en noemden elkaar bij den voornaam; hij plaagde haar, zij plaagde hem terug, doch zonder de minste nevenbedoeling, en wat hem had bezield dien dag en wat haar in zulk een stemming bracht wisten ze beiden niet en hebben zij nooit geweten,—maar toen Mevrouw Uhlstra van haar tokobezoeken terugkeerde, zaten ze tegenover elkaar in de achtergalerij verwonderd en bedrukt, ieder voor zich niet gelukkig en tevreden, maar vreemd en verlegen.Dat had de goede zuster Lena niet gezien; ze had het zóó druk met haar inkoopen en haar verhalen van de prijzen die de Chineezen durfden vragen en over haar eigen buitengewone volmaaktheid in hettawarrenop die prijzen, dat ze aan niets anders dacht, en haar mond er niet van stilstond. Ze zou zelfs niets vreemd hebben gezien in de omstandigheid dat Geber dien dag niet terugkeerde naar Koeningan, maar zijn vertrek telkens weer uitstelde, en elken dag te vinden was in het huis van Lugtens, steeds komend als mevrouw Uhlstra bij haar kennissen was of boodschappen deed. Natuurlijk was het haar lijfmeid, die[32]haar alles wist te vertellen, en toen, ontstoken in de grootste woede en verontwaardiging, had zij haar zuster niet gespaard en Geber ook niet. Hij, ontsteld en beschaamd, had dadelijk den aftocht geblazen, ook omdat hem eigenlijk niets liever was, want het gebeurde herhaalde zich welweêrtelkens, maar niettemin vervulde het hem, hoe aangenaam op zichzelf, ’t grootste deel van den dag met zwaarmoedige denkbeelden. In ’t minst niet verliefd op Clara, had hij schrikbarend het land over een eenmaal begane, onherstelbare fout, die hem in de grootste moeilijkheden kon brengen. Bij de maatschappij, door Lugtens beheerd, stond hij toen nog onder zware financieele verplichtingen; Uhlstra, zijn bestesobaten buur, was geen gemakkelijk man waar het de moreele reputatie betrof zijner familieleden, en eigenlijk was Geber maar blij, dat er op zoo’n geschikte manier een abrupt einde kwam aan zijn korte relatie met Clara, die hem meer vervulde met zorg en schrik, dan met genot en vreugde.’t Scheen ook dat zij zelve weinig heil zag in een toekomst, waarbij zoo ontzaglijk veel op het spel stond. Hij hoorde niets meer van haar, terwijl hij gewoon voortleefde op het land met zijne inlandsche huishoudster, bij wie hij niets riskeerde.In geen maanden vertoonde hij zich, en toen hij ten slotte goedschiks niet langer nalatenkonin de stad te komen voor zijne zaken, en toen ook wel verplicht was een invitatie van Lugtens aan te nemen, verhielden hij en Clara zich heel gewoon tegenover elkaar; voor vreemden alsof tusschen hen nooit iets bijzonders was voorgevallen: hij allerbeleefdst, zij stug en koel.In zoover was dus alles uit, met dit verschil alleen, dat bij de geboorte van kleine Lena, mevrouw Uhlstra, Geber en Clara hun eigen gedachten hadden; en dat Lugtens, zoo hij er ooit op had gelet, evengoed de opmerking had kunnen maken, dat het aardige blonde kind zoowel de violetblauwe kleur der oogen had van een zijner vrienden als van wijlen z’n eigen moeder.Aan dat alles dacht nu de galant van Roos, terwijl de meisjes met zijn aanstaande schoonmoeder aan het kibbelen waren over de bekende quaestie in hoever het lief was van tante Clara of boosaardig dat ze Roos niet persoonlijk had gefeliciteerd, maar alleen, zooals Mevrouw Uhlstra wel tienmaal verzekerde, per brief aan mama.Tot grooten spijt van de dames Uhlstra, moeder en dochters, had Geber het in zijne bruigomsdagen vervelend druk. Anders kon hij in de stad over zijn vrijen tijd naar willekeur beschikken, juist nu viel het zoo ongelukkig, vonden zij, dat hij en papa Uhlstra heel gewichtige[33]zaken te doen hadden, waarover ze een geheimzinnig stilzwijgen bewaarden; waarvan de dames niet meer te weten konden komen dan dat er heel veel geld meê verdiend moest worden, iets dat haar, die de waarde van geld nauwelijks kenden, in mindere mate belangstelling inboezemde, dan het haar speet, dat het bruidje niet elken avond in de gelegenheid was haar fraaie toiletten te laten bewonderen. Er viel echter niets tegen te doen; het scheen een vaste wet dat de „conferenties” over die gewichtige zaken enkel ’s avonds konden worden gehouden bij Lugtens aan huis, en even noodzakelijk scheen het, dat de behandeling dier zaken aanving met een fijn diner en eindigde met een fijn partijtje.Zoo zaten ze nu ook weêr bij elkaar, klokke zeven reeds, in een afzonderlijke zijkamer van het groote huis, met Twissels, den koopman, erbij. Onder ’t licht van een groote kristallen hanglamp staken ze de hoofden, over beschreven papieren gebogen, bijeen; het groote peper-en-zouthoofd van Uhlstra, de dikke, blonde krullebol van Lugtens, het gekuifde kippekopje van Twissels en de glimmende schedel van den bruidegom. Zij zeiden niets, een heelen tijd, ernstig kijkend op de vellen papier, in de staten en opgaven, waaruit ieder zijn eigen cijfers nam en er zijn eigen berekeningen naar maakte. ’t Liep over een groote aanneming van levering en vervoer van gouvernementsgoederen, zooals die nog plaats hadden in de dagen van overvloed; zij waren overeengekomen daar gezamenlijk eenkongsivoor te maken.Nu waren ze zoowat gereed, en vergeleken elkaars cijfers en rekenden die na; Twissels maakte er ten slotte een récapitulatie van, die hij zachtjes voorlas, met z’n zoete meisjesstem, hoog bij elken nieuwen zin, als een kind, dat een verhaaltje leest uit een schoolboekje. De oogen der anderen keken intusschen omlaag naar het tafelkleed, strak voor zich heen; zwijgend, met kleine trekjes aan de sigaren, knikten zij nu en dan goedkeurend, als de een of de ander het cijfer hoorde, zijn eigen aandeel in het plan rakend, tot Twissels, toen hij het eindcijfer had genoemd, door zijn groote lorgnetglazen rondkeek en één voor één aanzag met een vriendelijk vragend gezicht, alsof hij een complimentje wachtte, omdat hij zoo accuraat en net de laatste hand aan het voorloopig werk had gelegd. Lugtens richtte z’n zwaren kop omhoog met een tevreden glimlach op zijn breed, glad gezicht.„Ziezoo,” zei hij, „nu weten we ten minste waar we zoowat aan toe zijn.”„Als er geen ongelukjes bijkomen,” meende Uhlstra, die, voor het eerst aan zooiets meêdoend, nog het volle vertrouwen er niet inhad. En Geber, die in den laatsten tijd zoo’nPechgehad had, zuchtte daarvan.[34]„Ja,” zei hij, „er kan nog wel het een en ander gebeuren, dat we nu juist niet hebben voorzien.”Half meêlijdend, half vriendelijk keek Lugtens hem aan, en toen eens naar Twissels, die een heel hoog lachje uitstiet en hen geruststelde door te zeggen, dat ze maar vertrouwen moesten op zijn onverstoorbareveine.„Als ik erbij ben,” ging hij voort, „en Lugtens doet ook meê, moet het al heel raar loopen, als er niet nog behalve de berekende portie een extra-kluifje overschiet.”Luid lachten ze nu alle drie. Het was toch een origineele vent, die Twissels, vond Uhlstra ook nu weêr, en hij sloeg vol vertrouwen met zijn forsche plantershand op den smallen schouder van den koopman, die er, in denfausseteen „Zeg, zeg, jou hardhandige boer!” over uitriep.Tevreden en voldaan over hun werk stonden ze op, en luid pratend over onverschillige dingen, liepen ze de groote marmeren voorgalerij op en neer, tot, omstreeks acht uur, een coupé met een paar hooge swanrivers ervoor het erf opreed; ’t was Markens, die kwam dineeren, en die eerst aan tafel een fijn glas Bourgogne moest gedronken hebben, vóór zij meenden, dat hij in de gewenschte stemming was. Hij moest hen helpen het contract te krijgen.Natuurlijk wist hijwaarvoorhij kwam. Lugtens had het eigenlijk al heelemaal met hem klaargespeeld onder vier oogen. Er waren elders nog meer liefhebbers voor deze zaak; en men moest iemand hebben, die de concurrentie kon neutraliseeren. Er werd na het diner, waaraan enkel de heeren deelnamen, een gemoedelijke boom over opgezet. Van eenig geldelijk belang, dat Markens kon hebben bij de gunning aan hunkongsi, werd met geen woord gesproken, er zelfs niet op gezinspeeld; het had geheel den schijn, alsof het een quaestie was van zuivere argumenten, die door alle vier om beurten werden aangevoerd met nu en dan een tegenwerping of een bezwaar van Markens, dat dadelijk werd opgelost. Dan knikte hij goedkeurend en gaf hun, overtuigd, gelijk, ten slotte verklarende, dat hij z’n best zou doen. Het was eigenlijk alles slechts voor den vorm, maar ’t moest gebeuren op die manier. Ondanks dat besef der noodzakelijkheid, haakten allen naar het geliefkoosde partijtje. Toen te twee uur Markens opstond, streek hij een aardige som als winst in z’n portefeuille. ’t Was opmerkelijk welke slechte spellen Lugtens, Uhlstra en Twissels dien avond kregen! Geber kon z’n gewonen gang wel gaan; die verloor ten slotte toch nog ’t meest van allen! Toen Markens weg was, praatten ze nog een oogenblik na met hun vieren.„Het is een aardig zaakje, waarachtig!” verzekerde Twissels, die eigenlijk weêr een grogje meer had gedronken dan hij velen kon.[35]Met een glans van voldoening op het gezicht, rekte Lugtens zich uit, achterover tegen de leuning van z’n stoel. Hijzelf had als altijdnietsgedronken dan een glas water; zelfs geen sigaar gerookt.„’t Zou al heel gek moeten loopen,” zei hij ernstig, „als er niet schoon een millioen aan te verdienen was!”Den dag vóór het huwelijk van Roos en Geber werd het contract aan dekongsigegund, en was op den huwelijksdag de bruigom buitengewoon in z’n nopjes, de getuigen uit dekongsiwaren het vooral niet minder.Roos mocht wat donker van kleur zijn,—zij was in haar bruidsjapon van zware lyonsche zijde en met haar echt kanten sluier een lieve bruid, en Geber zag er wel niet jeugdig uit, maar zeergentleman-like. Het was vol op de receptie; om flauw te vallen van de warmte. Een der grootste kamers van het huis was nog te klein om er de prachtige cadeaux in te bergen.Voor Roos was ’t anderhalf uur lang van den kant der gelukwenschende dames een zoenen in het oneindige, wat Geber erg hinderde; daarentegen kreeg hij handdrukken bij dozijnen, tot zijn vingers hem van de hartelijkheid pijn deden, en hij een gevoel van stijfheid kreeg in den haast onophoudelijk uitgestoken arm. Welk een ware bevrijding, toen tegen halfnegen de laatste gelukwenschers in hun rijtuigen stapten, en voor de jonggetrouwden nog slechts de slotoperatie aanving, het diner! Men had medelijden met hen. Geber was totaal op van de ellende: den heelen namiddag en avond in ’t zwart laken bij zoo’n temperatuur en voortdurend op de been! Hij geeuwde nu en dan stilletjes achter zijn hand, zoo landerig en vervelend vond hij het; het biologeerde hem; en toen ze eindelijk naar Koeningan reden, na een zenuwachtig afscheid van mama en de zusters, met tranen en liptrillingen en „Houd-je-maar-goed-hoor!” ’s, en „plok-plok’s”, die als pistoolschoten door de galerij klonken op de afgezoende wangen der jonge vrouw,—toen viel Geber in den coupé achterover tegen het gecapitonneerd bekleedsel, met een gruwelijke aanvechting om z’n zwarten rok en z’n pantalon uit te trekken. Hij voelde onder zijn lakensch vest geen drogen draad! God! God! welk een korvee, dat trouwen! dacht-ie.Onder het ratelend voortrijden over den begrinten weg, zaten zij, de eerste tien minuten zonder te spreken, uit te blazen van de vermoeienis; op te frisschen in de tegenwaaiende koele avondlucht, die de raampjes binnenstroomde; langzamerhand bekomend van wat Geber een „korvee” had genoemd. Hij hield haar hand in de zijne, met mannenpedanterie[36]overtuigd, dat ze aan iets dacht en dat hij precies wist wat dat was. Het amuseerde hem; het wekte hem op, en hij schoot bijna in een lach, toen hij haar zelfs een zoen gaf, God weet den hoeveelsten dien dag! Wat had hij ook anders kunnen denken van haar gedachten?„Heb je het gezien?” vroeg plotseling Roos.„Wat was er te zien?” vroeg hij terug, in zijn zelfde bui van joligheid.„Wel, die tante Clara!”„Och,” zei hij, „wat was er dan aan Clara te zien?”Inwendig maakte het hem boos, dat ze nu juist in dit moment dááraan scheen te denken en dáárover begon, ’t Was het allerlaatste onderwerp, dat hij verlangde aan te roeren, en nu dreigde juist het gesprek dáárover te zullen loopen! Vleiend voor zijn eigenliefde vond hij het ook in het geheel niet. Voor de eerste maal trof het hem hoogst onaangenaam, dat haar huwelijk, watle vrai motifaangaat, niet eens zooveel belangstelling bij haar scheen op te wekken als een welgeslaagde pudding of een portie goed gecombineerderoedjak.„Soengoe mati, Wim, heusch het is waar; ze heeft me weer niet gefeliciteerd en jou ook niet.”„Wat mij betreft, ik heb er niet op gelet, en ’t is me ook volmaakt onverschillig.”Hij had haar hand losgelaten en was weer achterover gaan liggen tegen het grijs bekleedsel van ’t rijtuig.„Er moet,” ging Roos voort, zonder aan zijn doen of laten aandacht te schenken, geheel in beslag genomen door die valsche plooi in haar familieverhouding, „er moet iets gebeurd zijn; ze moet ergens het land over hebben.”„Best mogelijk! Wat kan het ons schelen?”„Ik heb nooit iets met haar gehad, en altijd veel van haar gehouden. Ze was zóó lief, weet-je, en van mij hield ze heel veel,ergveel.”En toen Geber daar niets op zei, als de eenige manier om los te komen van dit vervelend gepraat, herhaalde Roos op den stelligsten toon:„Nooit, nooit, weet-je, heb ik iets met haar gehad.”„Nu, des te beter; dan heb je je ook niets te verwijten; dan zou ik er me ook maar niets van aantrekken en er verder niet over denken.”„Ikmoeteraan denken Wim,” hield zij met de stijfhoofdigheid van een Uhlstra vol. „Zie-je, zij is de eenige zuster van mama … het mooie cadeau van oom Lugtens kan me niks schelen.… niks hoegenaamd.… maar dat ze zoo hatelijk en onhartelijk.…”„Daar heb je nu,” dacht Geber, „het gedonder in de glazen!” Na die „korvee” den heelen dag, nog een huilpartij in het rijtuigen roûte[37]naar Koeningan, en dat wel om de voor hem allerellendigste van alle redenen! Bij het schemerlicht der twee lantaarns zag hij, dat ze wezenlijk met haar zakdoek voor de oogen zat te huilen. Zachtjes beproefde hij haar over het geval heen te zetten en het gesprek te brengen op een vroolijker onderwerp, zijn aanvankelijke stemming daarbij nemend als uitgangspunt.„Wat kan ze toch tegen mij hebben?” was ondanks zijne goede bedoeling en zachtzinnig streven, toen de tranen gedroogd waren, haar eerste verdrietige uitroep.„Immers niets,” herhaalde hij, nu een beetje ongeduldig. „Misschien heeft ze wat tegenmij.”Daar zweeg Roos een oogenblik op; van dien kant had ze de zaak niet bekeken.„Kan ze dan iets tegenjouhebben?” vroeg ze met groote belangstelling.Het was nu toch al te gek! Hij kon nu toch zijne jonge vrouw, die hij voor de eerste maal naar zijn huis voerde, niet vergasten op dat malle verhaal van zijn oudeamoursmet haar tante.„Ik weet het niet,” zei hij ontwijkend, „dames zijn zoo raar.”Zij liet zich niet zoo makkelijk uit het veld slaan; zij nam nu zijn hand in de hare, gezellig tegen hem aanleunend, met allerlei pogingen om hare nieuwsgierigheid bevredigd te krijgen, eenmaal opgewekt door het idee dat de wind van dien kant waaien kon. ’t Was, vond hij, overweldigend vervelend; het prikkelde zijn zenuwen in de hoogste mate; door een brutaliteit wilde hij haar niet afschrikken, en, in de hoop er een eind aan te maken, zei hij:„Nu ja, zijheeftiets tegen mij; ik heb indertijd een quaestie met haar gehad, die ze mij nooit schijnt vergeven te hebben. Verder kan ik er me heusch niet over uitlaten.”Het was gezegd, dááraan viel niets meer te veranderen; maar ineens stond hem nu ook duidelijk voor den geest, dat hij reddeloos verloren was; dat hij olie had geworpen op de vlam, en hem nog enkel de keus restte leugens te verzinnen of ronduit de waarheid te zeggen. Aan het eene had hij zijn leven lang een hekel gehad; hij kon niet liegen; het ging hem niet af en stuitte hem geweldig tegen de borst, en de waarheid zeggen.… neen, dat kon hij evenmin.Ze kibbelden letterlijk toen het rijtuig stilhield voor zijn landhuis. Roos had zich opgewonden en wassérieusuit haar humeur.„Dat,” zei ze, „kwam nu in ’t geheel niet te pas!”Als er iets ernstigs bestond tusschen haar man en een harer naaste bloedverwanten, zóó, dat het noodwendig tot verwijdering moest leiden, was het ongehoord[38]en gemeen de reden voor haar te verzwijgen; zij had er nu in de eerste plaats de gevolgen al van gedragen; zich heelemaal te laten behandelen als een kind, dáár bedankte zij voor; ze wilde niets van Geber weten, en niets met hem te doen hebben, vóór hij haar de zuivere waarheid had verteld.Maar Geber dacht daar niet aan, ofschoon anders alle hulpmiddelen beproevend om haar in betere stemming te krijgen; bewerend dat het toch al te gek was, over zoo’n betrekkelijke kleinigheid nu zoo’n ernstig dispuut te maken; het kinderachtig noemend, overdreven en dwaas; doch zonder baat. Het eind van ’t lied was, dat een uur later Roos in ’t groote mooie, zoo netjes in orde gebrachte bruidsbed in haar eentje lag te schreien van kwaadheid, en Geber in nachtbroek en kabaai op een langen rottanstoel in de achtergalerij een sigaar rookte, eerst ook zeer uit z’n humeur, maar ten slotte de comische zijde van deze zonderlinge vertooning vattend, bij zichzelf spottend met het gekke figuur, dat hij bezig was te maken in zijn eersten huwelijksnacht.Toen hij z’n sigaar had opgerookt, ging hij zachtjes naar de slaapkamer. Roos, waarschijnlijk overweldigd door de vermoeienis van dien dag, sliep benijdenswaardig vast. Een oogenblik stond hij aarzelend, besluiteloos; toen ging hij naar de logeerkamer, mopperend in zich zelf, en toch met een groot gevoel voor het bespottelijke, en een drang om zich zelven uit te lachen. Hij deed het eenige, wat hij doen kon: hij ging ook slapen.Toen Geber den volgenden morgen klokke vijf ontwaakte, frisch en uitgeslapen, zag hij het gebeurde heel anders in; veel ernstiger en veel beschamender. Hij dacht erover een briefje te schrijven aan zijn schoonmoeder en haar hulp in te roepen, doch vóór hij daartoe overging, en vóór hij het huis opende om de bedienden gelegenheid te geven binnen te komen, moest hij toch eens gaan zien of de bui bij zijn jonge vrouw niet was overgedreven; de nacht scheen als altijd raad te hebben gebracht; de opkomende dageraad zette de wereld in een ander licht.Het briefje aan mevrouw Uhlstra, dat hij bij voorbaat in de logeerkamer had geschreven, scheurde hij een uur later in de kleinst mogelijke snippers!…En nu volgde het leven op Koeningan, zoo aangenaam en gezellig als hij het er nooit gekend had. Hij had een fatsoenlijken Europeaan in dienst als opziener; zijn zooveel jaren verwaarloosde huishouding richtte zich als het ware op, alles kreeg een net, goed onderhouden aanzien onder de bedrijvige handen der jonge vrouw, die, op het land opgevoed door een kloeke moeder, geheel in haar element was. In die eerste maand raakten Geber’s plannen, om z’n land te verkoopen en naar Europa te gaan, heelemaal op den achtergrond; gansch andere ideeën traden daarvoor in de plaats. Als geïnspireerd door de practische[39]activiteit zijner vrouw, verminderde zijn meer uit gewoonte dan uit aard ontwikkelde onverschilligheid, en zijn werkzaam aandeel in de levering der voor dekongsibenoodigde producten prikkelde hem.Hij kreeg allerlei plannen in z’n hoofd voor bouwwerken en waterleidingen, voor den aanleg van wegen en nieuwe aanplantingen ter vergrooting van het voortbrengend vermogen van zijn land, en er scheen geen wolkje aan de lucht, tot.… op een ochtend een briefje kwam van Lugtens, hem en Roos uitnoodigend voor een groote danspartij.Het behoorde tot de vaste gewoonten van Lugtens: was een onderneming voor een deel geslaagd, dan gaf hij een feest, gelijk de inlander eensedekah, maar zonder bijgeloof en als instinctmatig. Daar was dan niets te goed voor. De fijnste wijn, de keurigste gebakken, het duurste souper,—’t was alles voor de gasten in overvloed. En al wat de stad aan „notabelen” telde, kwam met vreugde op de luxueuse feesten in het mooie huis, waar Lugtens ontving met zijn barsch maar deftig gezicht, in zijn zwarten rok en met zijn witten das als weggeloopen van een ouderwetsch olieverfportret. Altijd beleefd en op een afstand voor de menigte; geheimzinnig familiaar met sommige hooggeplaatsen.Markens kwam er met zijn vrouw. Zij werd metbijzondereégardsontvangen, en ze nam die aan als iets dat vanzelf sprak. Onder haar voornaamheid ging Markens, nu goed in den dienst vooruitgekomen, juist zoo gebukt als vroeger toen hij nog tot de mindere goden behoorde; hij was ’n eenvoudig mensch in zijn doen en laten, zich verheffend op het feit, dat hij zijn loopbaan nederig was begonnen, snoevend zelfs daarop, maar niet als Etienne er bij was, wier zich meer en meer ontwikkelenden hoogmoed hij vreesde. Zij was inderdaad van een goede familie, met ontaarde zijtakken, uit een waarvan zij voortsproot. In Holland had ze dat laatste diep gevoeld, doch in Indië, getrouwd met Markens, en uit de ellendige omgeving van verarmde, gedemoraliseerde en drank misbruikende bloedverwanten,—onbekend in de Indische maatschappij, had ze met succes den ouden goed klinkenden familienaam vooropgezet, tot ze, alles vergetend, als in een idée-fixe verviel over haar eigen voornaamheid, gedoubleerd, ten slotte, door de mooie positie van Markens.’n Knappe, slanke vrouw was ze nog ondanks de dreigende nadering van den ouden dag; een vrouw, die nog werk maakte van haar toilet, zich nog décolleteerde en monsteren durfde en kon met veel jongere vrouwen, wat de kleur harer huid betrof en de lijnen van schouders, borst en armen. Het was niet dáárom, niet uit jaloerschheid, dat men haar algemeen verfoeide,—dàt kwam enkel door haar hoogmoed,[40]dien iedereen hield voor een vrijwillige ondeugd, die niemand als een kwaal beschouwde.Haarentrée de salonzou misschien niet kwaad zijn geweest op een hofbal van Hendrik den vierde,—hier in den kring van gegoede of ambtelijk goed geplaatste burgerlieden geleek het een paskwil, nog verhoogd door de op het marmer eenigszins glijdend achter haar aanloopende figuur van Markens, die altijd bij zulke gelegenheden het land had, en zich als het ware democratiseerde om een tegenwicht te leveren, daarbij niets bereikend, dan ’n dwaze tegenstelling.Lugtens mocht haar wel, en zij vond hem de eenige deftige man ter plaatse, hij, met nog barscher gezicht dan anders, boog, bood haar zijn arm en bracht haar naar een stoel.Clara lachte in haar zelve.„Die twee zouden net bij elkaar komen,” zei ze tegen mevrouw Uhlstra, nadat de Markens haar gegroet hadden.Achter den waaier haalde mevrouw Uhlstra den neus op.„Het is jammer dat hij niet zoo’n gek wijf heeft.”„Waarom is Roos niet gekomen!”„Dat behoefjijniet te vragen, Claar. Iemand, die zich zoo onverstandig aanstelt als jij.…”„Soedah, Leen.… Niet mopperen. Je hebt misschien gelijk.… We praten er nog wel eens over.”

In zijn heelen omvang begreep Clara zelf ook niet wàt het eigenlijk was. Haar begrip bepaalde er zich hoofdzakelijk toe, dat dit kleine nest haar huistiran een fameus koopje had gegeven, en er hem geweldig had laten inloopen. Als zoodanig vertelde zij het haar zuster, hoorden het ook de meisjes Uhlstra en vernam Geber het, toen hij Zaterdag ’s avonds naar de stad kwam om er den Zondag te vertoeven, van z’n aanstaande bruid, tusschen twee drukten van het uitzet. Hij, beter opgevoed en meer ontwikkeld, voelde wat er meer achterstak dan een gewoon koopje, doch hij hield dat voor zich.

Ook sprak hij liefst zoo weinig mogelijk over de familie Lugtens. Hij kwam er aan huis zoo’n enkel maal, en werd altijd gevraagd als er een diner of een feest was.

Bij z’n vrijwillige bezoeken maakte hij het zoo kort mogelijk; bij bijzondere gelegenheden zat hij, zoodra het eenigszins kon, aan de hombertafel.

De groote tegenstelling tusschen het krachtig despotiek karakter van Lugtens en de indolente onverschilligheid van Geber was geen reden van terughouding; zij belette niet dat de twee mannen elkaar gaarne mochten. Integendeel, Lugtens had een bijzondere sympathie voor Geber en zei dikwerf, dat het hem genoegen zou doen als Geber, wanneer hij in de stad was, altijd ten zijnent kwam logeeren en voor ’t minst ’s avonds familiaar binnenliep omà la fortune du potmeê te eten. ’t Was nooit gebeurd; de vrijwillige visites van Geber behoorden altijd tot de groote zeldzaamheden, en toen men hem nu, terwijl hij bij zijn meisje zat, vertelde van het roekeloos feit, dat in aller oogen de kleine Lena had onderstaan, liepen zijn gedachten terug naar een lang vervlogen tijd, jaren geleden; een tijd waarin de oorzaak lag van zijn teruggetrokkenheid. Hij zou nu trouwen met Roos en geparenteerd worden aan Lugtens en diens vrouw! ’t Was dwaas, dacht hij, en terwijl hij met een spottenden glimlach over dat dwaze zat door te pikeren, schoot plotseling Roos uit den hoek met een opmerking die hem trof.

„Weet je,” zei ze, „het is heel vreemd, tante Clara is de eenige die me niet gefeliciteerd heeft met m’n engagement.”

„Ze heeft het mij immers gedaan,” bracht mevrouw Uhlstra in het[31]midden, op een toon als nam zij de opmerking kwalijk; maar ze keek daarbij niet op, ijverig voortbordurend aan een der kabajastrooken, die ze zoo mooi kon maken, en die haar roem waren en haar trots.

„Ze had het mij toch óók wel kunnen doen; ik vind het niets lief. Wat zeg jij, Willem?”

Doch mevrouw Uhlstra scheen niet te verlangen, dat Geber in deze quaestie aan het woord kwam.

„Wat zanik je toch, Roos? Zij heeft mij immers dadelijk een heel lieven brief geschreven.”

„Dien heb ik niet gelezen.”

Intusschen dacht Geber, stil zijn sigaar rookend, er het zijne van.

Hij en mevrouw Uhlstra waren volkomen op de hoogte; zij kendenle fin mot de l’histoire; hij vooral. Het was het eenige van dien aard dat hem ooit in z’n leven was overkomen. Lugtens stond toen nog pas korten tijd aan het hoofd zijner maatschappij, en deed lange reizen door heel den Indischen Archipel om alles te zien van de zaken, die hij nu zelf geheel zou beheeren.

Op een goeden dag, toen Geber van z’n land naar de stad ging om inkoopen te doen, geld te ontvangen en beren te betalen, was hij bij Clara gekomen, en had haar planten en bloemen gebracht, waarom zij hem had geschreven. Mevrouw Uhlstra, die toen juist bij haar zuster logeerde, was uitgereden naar de toko’s. Hij, Geber, was nog een ander man, twaalf jaar jonger en in verhouding nog heel veel jonger. Hij en Clara kenden elkaar al vanouds; ze lachten samen en noemden elkaar bij den voornaam; hij plaagde haar, zij plaagde hem terug, doch zonder de minste nevenbedoeling, en wat hem had bezield dien dag en wat haar in zulk een stemming bracht wisten ze beiden niet en hebben zij nooit geweten,—maar toen Mevrouw Uhlstra van haar tokobezoeken terugkeerde, zaten ze tegenover elkaar in de achtergalerij verwonderd en bedrukt, ieder voor zich niet gelukkig en tevreden, maar vreemd en verlegen.

Dat had de goede zuster Lena niet gezien; ze had het zóó druk met haar inkoopen en haar verhalen van de prijzen die de Chineezen durfden vragen en over haar eigen buitengewone volmaaktheid in hettawarrenop die prijzen, dat ze aan niets anders dacht, en haar mond er niet van stilstond. Ze zou zelfs niets vreemd hebben gezien in de omstandigheid dat Geber dien dag niet terugkeerde naar Koeningan, maar zijn vertrek telkens weer uitstelde, en elken dag te vinden was in het huis van Lugtens, steeds komend als mevrouw Uhlstra bij haar kennissen was of boodschappen deed. Natuurlijk was het haar lijfmeid, die[32]haar alles wist te vertellen, en toen, ontstoken in de grootste woede en verontwaardiging, had zij haar zuster niet gespaard en Geber ook niet. Hij, ontsteld en beschaamd, had dadelijk den aftocht geblazen, ook omdat hem eigenlijk niets liever was, want het gebeurde herhaalde zich welweêrtelkens, maar niettemin vervulde het hem, hoe aangenaam op zichzelf, ’t grootste deel van den dag met zwaarmoedige denkbeelden. In ’t minst niet verliefd op Clara, had hij schrikbarend het land over een eenmaal begane, onherstelbare fout, die hem in de grootste moeilijkheden kon brengen. Bij de maatschappij, door Lugtens beheerd, stond hij toen nog onder zware financieele verplichtingen; Uhlstra, zijn bestesobaten buur, was geen gemakkelijk man waar het de moreele reputatie betrof zijner familieleden, en eigenlijk was Geber maar blij, dat er op zoo’n geschikte manier een abrupt einde kwam aan zijn korte relatie met Clara, die hem meer vervulde met zorg en schrik, dan met genot en vreugde.

’t Scheen ook dat zij zelve weinig heil zag in een toekomst, waarbij zoo ontzaglijk veel op het spel stond. Hij hoorde niets meer van haar, terwijl hij gewoon voortleefde op het land met zijne inlandsche huishoudster, bij wie hij niets riskeerde.

In geen maanden vertoonde hij zich, en toen hij ten slotte goedschiks niet langer nalatenkonin de stad te komen voor zijne zaken, en toen ook wel verplicht was een invitatie van Lugtens aan te nemen, verhielden hij en Clara zich heel gewoon tegenover elkaar; voor vreemden alsof tusschen hen nooit iets bijzonders was voorgevallen: hij allerbeleefdst, zij stug en koel.

In zoover was dus alles uit, met dit verschil alleen, dat bij de geboorte van kleine Lena, mevrouw Uhlstra, Geber en Clara hun eigen gedachten hadden; en dat Lugtens, zoo hij er ooit op had gelet, evengoed de opmerking had kunnen maken, dat het aardige blonde kind zoowel de violetblauwe kleur der oogen had van een zijner vrienden als van wijlen z’n eigen moeder.

Aan dat alles dacht nu de galant van Roos, terwijl de meisjes met zijn aanstaande schoonmoeder aan het kibbelen waren over de bekende quaestie in hoever het lief was van tante Clara of boosaardig dat ze Roos niet persoonlijk had gefeliciteerd, maar alleen, zooals Mevrouw Uhlstra wel tienmaal verzekerde, per brief aan mama.

Tot grooten spijt van de dames Uhlstra, moeder en dochters, had Geber het in zijne bruigomsdagen vervelend druk. Anders kon hij in de stad over zijn vrijen tijd naar willekeur beschikken, juist nu viel het zoo ongelukkig, vonden zij, dat hij en papa Uhlstra heel gewichtige[33]zaken te doen hadden, waarover ze een geheimzinnig stilzwijgen bewaarden; waarvan de dames niet meer te weten konden komen dan dat er heel veel geld meê verdiend moest worden, iets dat haar, die de waarde van geld nauwelijks kenden, in mindere mate belangstelling inboezemde, dan het haar speet, dat het bruidje niet elken avond in de gelegenheid was haar fraaie toiletten te laten bewonderen. Er viel echter niets tegen te doen; het scheen een vaste wet dat de „conferenties” over die gewichtige zaken enkel ’s avonds konden worden gehouden bij Lugtens aan huis, en even noodzakelijk scheen het, dat de behandeling dier zaken aanving met een fijn diner en eindigde met een fijn partijtje.

Zoo zaten ze nu ook weêr bij elkaar, klokke zeven reeds, in een afzonderlijke zijkamer van het groote huis, met Twissels, den koopman, erbij. Onder ’t licht van een groote kristallen hanglamp staken ze de hoofden, over beschreven papieren gebogen, bijeen; het groote peper-en-zouthoofd van Uhlstra, de dikke, blonde krullebol van Lugtens, het gekuifde kippekopje van Twissels en de glimmende schedel van den bruidegom. Zij zeiden niets, een heelen tijd, ernstig kijkend op de vellen papier, in de staten en opgaven, waaruit ieder zijn eigen cijfers nam en er zijn eigen berekeningen naar maakte. ’t Liep over een groote aanneming van levering en vervoer van gouvernementsgoederen, zooals die nog plaats hadden in de dagen van overvloed; zij waren overeengekomen daar gezamenlijk eenkongsivoor te maken.

Nu waren ze zoowat gereed, en vergeleken elkaars cijfers en rekenden die na; Twissels maakte er ten slotte een récapitulatie van, die hij zachtjes voorlas, met z’n zoete meisjesstem, hoog bij elken nieuwen zin, als een kind, dat een verhaaltje leest uit een schoolboekje. De oogen der anderen keken intusschen omlaag naar het tafelkleed, strak voor zich heen; zwijgend, met kleine trekjes aan de sigaren, knikten zij nu en dan goedkeurend, als de een of de ander het cijfer hoorde, zijn eigen aandeel in het plan rakend, tot Twissels, toen hij het eindcijfer had genoemd, door zijn groote lorgnetglazen rondkeek en één voor één aanzag met een vriendelijk vragend gezicht, alsof hij een complimentje wachtte, omdat hij zoo accuraat en net de laatste hand aan het voorloopig werk had gelegd. Lugtens richtte z’n zwaren kop omhoog met een tevreden glimlach op zijn breed, glad gezicht.

„Ziezoo,” zei hij, „nu weten we ten minste waar we zoowat aan toe zijn.”

„Als er geen ongelukjes bijkomen,” meende Uhlstra, die, voor het eerst aan zooiets meêdoend, nog het volle vertrouwen er niet inhad. En Geber, die in den laatsten tijd zoo’nPechgehad had, zuchtte daarvan.[34]

„Ja,” zei hij, „er kan nog wel het een en ander gebeuren, dat we nu juist niet hebben voorzien.”

Half meêlijdend, half vriendelijk keek Lugtens hem aan, en toen eens naar Twissels, die een heel hoog lachje uitstiet en hen geruststelde door te zeggen, dat ze maar vertrouwen moesten op zijn onverstoorbareveine.

„Als ik erbij ben,” ging hij voort, „en Lugtens doet ook meê, moet het al heel raar loopen, als er niet nog behalve de berekende portie een extra-kluifje overschiet.”

Luid lachten ze nu alle drie. Het was toch een origineele vent, die Twissels, vond Uhlstra ook nu weêr, en hij sloeg vol vertrouwen met zijn forsche plantershand op den smallen schouder van den koopman, die er, in denfausseteen „Zeg, zeg, jou hardhandige boer!” over uitriep.

Tevreden en voldaan over hun werk stonden ze op, en luid pratend over onverschillige dingen, liepen ze de groote marmeren voorgalerij op en neer, tot, omstreeks acht uur, een coupé met een paar hooge swanrivers ervoor het erf opreed; ’t was Markens, die kwam dineeren, en die eerst aan tafel een fijn glas Bourgogne moest gedronken hebben, vóór zij meenden, dat hij in de gewenschte stemming was. Hij moest hen helpen het contract te krijgen.

Natuurlijk wist hijwaarvoorhij kwam. Lugtens had het eigenlijk al heelemaal met hem klaargespeeld onder vier oogen. Er waren elders nog meer liefhebbers voor deze zaak; en men moest iemand hebben, die de concurrentie kon neutraliseeren. Er werd na het diner, waaraan enkel de heeren deelnamen, een gemoedelijke boom over opgezet. Van eenig geldelijk belang, dat Markens kon hebben bij de gunning aan hunkongsi, werd met geen woord gesproken, er zelfs niet op gezinspeeld; het had geheel den schijn, alsof het een quaestie was van zuivere argumenten, die door alle vier om beurten werden aangevoerd met nu en dan een tegenwerping of een bezwaar van Markens, dat dadelijk werd opgelost. Dan knikte hij goedkeurend en gaf hun, overtuigd, gelijk, ten slotte verklarende, dat hij z’n best zou doen. Het was eigenlijk alles slechts voor den vorm, maar ’t moest gebeuren op die manier. Ondanks dat besef der noodzakelijkheid, haakten allen naar het geliefkoosde partijtje. Toen te twee uur Markens opstond, streek hij een aardige som als winst in z’n portefeuille. ’t Was opmerkelijk welke slechte spellen Lugtens, Uhlstra en Twissels dien avond kregen! Geber kon z’n gewonen gang wel gaan; die verloor ten slotte toch nog ’t meest van allen! Toen Markens weg was, praatten ze nog een oogenblik na met hun vieren.

„Het is een aardig zaakje, waarachtig!” verzekerde Twissels, die eigenlijk weêr een grogje meer had gedronken dan hij velen kon.[35]

Met een glans van voldoening op het gezicht, rekte Lugtens zich uit, achterover tegen de leuning van z’n stoel. Hijzelf had als altijdnietsgedronken dan een glas water; zelfs geen sigaar gerookt.

„’t Zou al heel gek moeten loopen,” zei hij ernstig, „als er niet schoon een millioen aan te verdienen was!”

Den dag vóór het huwelijk van Roos en Geber werd het contract aan dekongsigegund, en was op den huwelijksdag de bruigom buitengewoon in z’n nopjes, de getuigen uit dekongsiwaren het vooral niet minder.

Roos mocht wat donker van kleur zijn,—zij was in haar bruidsjapon van zware lyonsche zijde en met haar echt kanten sluier een lieve bruid, en Geber zag er wel niet jeugdig uit, maar zeergentleman-like. Het was vol op de receptie; om flauw te vallen van de warmte. Een der grootste kamers van het huis was nog te klein om er de prachtige cadeaux in te bergen.

Voor Roos was ’t anderhalf uur lang van den kant der gelukwenschende dames een zoenen in het oneindige, wat Geber erg hinderde; daarentegen kreeg hij handdrukken bij dozijnen, tot zijn vingers hem van de hartelijkheid pijn deden, en hij een gevoel van stijfheid kreeg in den haast onophoudelijk uitgestoken arm. Welk een ware bevrijding, toen tegen halfnegen de laatste gelukwenschers in hun rijtuigen stapten, en voor de jonggetrouwden nog slechts de slotoperatie aanving, het diner! Men had medelijden met hen. Geber was totaal op van de ellende: den heelen namiddag en avond in ’t zwart laken bij zoo’n temperatuur en voortdurend op de been! Hij geeuwde nu en dan stilletjes achter zijn hand, zoo landerig en vervelend vond hij het; het biologeerde hem; en toen ze eindelijk naar Koeningan reden, na een zenuwachtig afscheid van mama en de zusters, met tranen en liptrillingen en „Houd-je-maar-goed-hoor!” ’s, en „plok-plok’s”, die als pistoolschoten door de galerij klonken op de afgezoende wangen der jonge vrouw,—toen viel Geber in den coupé achterover tegen het gecapitonneerd bekleedsel, met een gruwelijke aanvechting om z’n zwarten rok en z’n pantalon uit te trekken. Hij voelde onder zijn lakensch vest geen drogen draad! God! God! welk een korvee, dat trouwen! dacht-ie.

Onder het ratelend voortrijden over den begrinten weg, zaten zij, de eerste tien minuten zonder te spreken, uit te blazen van de vermoeienis; op te frisschen in de tegenwaaiende koele avondlucht, die de raampjes binnenstroomde; langzamerhand bekomend van wat Geber een „korvee” had genoemd. Hij hield haar hand in de zijne, met mannenpedanterie[36]overtuigd, dat ze aan iets dacht en dat hij precies wist wat dat was. Het amuseerde hem; het wekte hem op, en hij schoot bijna in een lach, toen hij haar zelfs een zoen gaf, God weet den hoeveelsten dien dag! Wat had hij ook anders kunnen denken van haar gedachten?

„Heb je het gezien?” vroeg plotseling Roos.

„Wat was er te zien?” vroeg hij terug, in zijn zelfde bui van joligheid.

„Wel, die tante Clara!”

„Och,” zei hij, „wat was er dan aan Clara te zien?”

Inwendig maakte het hem boos, dat ze nu juist in dit moment dááraan scheen te denken en dáárover begon, ’t Was het allerlaatste onderwerp, dat hij verlangde aan te roeren, en nu dreigde juist het gesprek dáárover te zullen loopen! Vleiend voor zijn eigenliefde vond hij het ook in het geheel niet. Voor de eerste maal trof het hem hoogst onaangenaam, dat haar huwelijk, watle vrai motifaangaat, niet eens zooveel belangstelling bij haar scheen op te wekken als een welgeslaagde pudding of een portie goed gecombineerderoedjak.

„Soengoe mati, Wim, heusch het is waar; ze heeft me weer niet gefeliciteerd en jou ook niet.”

„Wat mij betreft, ik heb er niet op gelet, en ’t is me ook volmaakt onverschillig.”

Hij had haar hand losgelaten en was weer achterover gaan liggen tegen het grijs bekleedsel van ’t rijtuig.

„Er moet,” ging Roos voort, zonder aan zijn doen of laten aandacht te schenken, geheel in beslag genomen door die valsche plooi in haar familieverhouding, „er moet iets gebeurd zijn; ze moet ergens het land over hebben.”

„Best mogelijk! Wat kan het ons schelen?”

„Ik heb nooit iets met haar gehad, en altijd veel van haar gehouden. Ze was zóó lief, weet-je, en van mij hield ze heel veel,ergveel.”

En toen Geber daar niets op zei, als de eenige manier om los te komen van dit vervelend gepraat, herhaalde Roos op den stelligsten toon:

„Nooit, nooit, weet-je, heb ik iets met haar gehad.”

„Nu, des te beter; dan heb je je ook niets te verwijten; dan zou ik er me ook maar niets van aantrekken en er verder niet over denken.”

„Ikmoeteraan denken Wim,” hield zij met de stijfhoofdigheid van een Uhlstra vol. „Zie-je, zij is de eenige zuster van mama … het mooie cadeau van oom Lugtens kan me niks schelen.… niks hoegenaamd.… maar dat ze zoo hatelijk en onhartelijk.…”

„Daar heb je nu,” dacht Geber, „het gedonder in de glazen!” Na die „korvee” den heelen dag, nog een huilpartij in het rijtuigen roûte[37]naar Koeningan, en dat wel om de voor hem allerellendigste van alle redenen! Bij het schemerlicht der twee lantaarns zag hij, dat ze wezenlijk met haar zakdoek voor de oogen zat te huilen. Zachtjes beproefde hij haar over het geval heen te zetten en het gesprek te brengen op een vroolijker onderwerp, zijn aanvankelijke stemming daarbij nemend als uitgangspunt.

„Wat kan ze toch tegen mij hebben?” was ondanks zijne goede bedoeling en zachtzinnig streven, toen de tranen gedroogd waren, haar eerste verdrietige uitroep.

„Immers niets,” herhaalde hij, nu een beetje ongeduldig. „Misschien heeft ze wat tegenmij.”

Daar zweeg Roos een oogenblik op; van dien kant had ze de zaak niet bekeken.

„Kan ze dan iets tegenjouhebben?” vroeg ze met groote belangstelling.

Het was nu toch al te gek! Hij kon nu toch zijne jonge vrouw, die hij voor de eerste maal naar zijn huis voerde, niet vergasten op dat malle verhaal van zijn oudeamoursmet haar tante.

„Ik weet het niet,” zei hij ontwijkend, „dames zijn zoo raar.”

Zij liet zich niet zoo makkelijk uit het veld slaan; zij nam nu zijn hand in de hare, gezellig tegen hem aanleunend, met allerlei pogingen om hare nieuwsgierigheid bevredigd te krijgen, eenmaal opgewekt door het idee dat de wind van dien kant waaien kon. ’t Was, vond hij, overweldigend vervelend; het prikkelde zijn zenuwen in de hoogste mate; door een brutaliteit wilde hij haar niet afschrikken, en, in de hoop er een eind aan te maken, zei hij:

„Nu ja, zijheeftiets tegen mij; ik heb indertijd een quaestie met haar gehad, die ze mij nooit schijnt vergeven te hebben. Verder kan ik er me heusch niet over uitlaten.”

Het was gezegd, dááraan viel niets meer te veranderen; maar ineens stond hem nu ook duidelijk voor den geest, dat hij reddeloos verloren was; dat hij olie had geworpen op de vlam, en hem nog enkel de keus restte leugens te verzinnen of ronduit de waarheid te zeggen. Aan het eene had hij zijn leven lang een hekel gehad; hij kon niet liegen; het ging hem niet af en stuitte hem geweldig tegen de borst, en de waarheid zeggen.… neen, dat kon hij evenmin.

Ze kibbelden letterlijk toen het rijtuig stilhield voor zijn landhuis. Roos had zich opgewonden en wassérieusuit haar humeur.

„Dat,” zei ze, „kwam nu in ’t geheel niet te pas!”Als er iets ernstigs bestond tusschen haar man en een harer naaste bloedverwanten, zóó, dat het noodwendig tot verwijdering moest leiden, was het ongehoord[38]en gemeen de reden voor haar te verzwijgen; zij had er nu in de eerste plaats de gevolgen al van gedragen; zich heelemaal te laten behandelen als een kind, dáár bedankte zij voor; ze wilde niets van Geber weten, en niets met hem te doen hebben, vóór hij haar de zuivere waarheid had verteld.

Maar Geber dacht daar niet aan, ofschoon anders alle hulpmiddelen beproevend om haar in betere stemming te krijgen; bewerend dat het toch al te gek was, over zoo’n betrekkelijke kleinigheid nu zoo’n ernstig dispuut te maken; het kinderachtig noemend, overdreven en dwaas; doch zonder baat. Het eind van ’t lied was, dat een uur later Roos in ’t groote mooie, zoo netjes in orde gebrachte bruidsbed in haar eentje lag te schreien van kwaadheid, en Geber in nachtbroek en kabaai op een langen rottanstoel in de achtergalerij een sigaar rookte, eerst ook zeer uit z’n humeur, maar ten slotte de comische zijde van deze zonderlinge vertooning vattend, bij zichzelf spottend met het gekke figuur, dat hij bezig was te maken in zijn eersten huwelijksnacht.

Toen hij z’n sigaar had opgerookt, ging hij zachtjes naar de slaapkamer. Roos, waarschijnlijk overweldigd door de vermoeienis van dien dag, sliep benijdenswaardig vast. Een oogenblik stond hij aarzelend, besluiteloos; toen ging hij naar de logeerkamer, mopperend in zich zelf, en toch met een groot gevoel voor het bespottelijke, en een drang om zich zelven uit te lachen. Hij deed het eenige, wat hij doen kon: hij ging ook slapen.

Toen Geber den volgenden morgen klokke vijf ontwaakte, frisch en uitgeslapen, zag hij het gebeurde heel anders in; veel ernstiger en veel beschamender. Hij dacht erover een briefje te schrijven aan zijn schoonmoeder en haar hulp in te roepen, doch vóór hij daartoe overging, en vóór hij het huis opende om de bedienden gelegenheid te geven binnen te komen, moest hij toch eens gaan zien of de bui bij zijn jonge vrouw niet was overgedreven; de nacht scheen als altijd raad te hebben gebracht; de opkomende dageraad zette de wereld in een ander licht.

Het briefje aan mevrouw Uhlstra, dat hij bij voorbaat in de logeerkamer had geschreven, scheurde hij een uur later in de kleinst mogelijke snippers!…

En nu volgde het leven op Koeningan, zoo aangenaam en gezellig als hij het er nooit gekend had. Hij had een fatsoenlijken Europeaan in dienst als opziener; zijn zooveel jaren verwaarloosde huishouding richtte zich als het ware op, alles kreeg een net, goed onderhouden aanzien onder de bedrijvige handen der jonge vrouw, die, op het land opgevoed door een kloeke moeder, geheel in haar element was. In die eerste maand raakten Geber’s plannen, om z’n land te verkoopen en naar Europa te gaan, heelemaal op den achtergrond; gansch andere ideeën traden daarvoor in de plaats. Als geïnspireerd door de practische[39]activiteit zijner vrouw, verminderde zijn meer uit gewoonte dan uit aard ontwikkelde onverschilligheid, en zijn werkzaam aandeel in de levering der voor dekongsibenoodigde producten prikkelde hem.

Hij kreeg allerlei plannen in z’n hoofd voor bouwwerken en waterleidingen, voor den aanleg van wegen en nieuwe aanplantingen ter vergrooting van het voortbrengend vermogen van zijn land, en er scheen geen wolkje aan de lucht, tot.… op een ochtend een briefje kwam van Lugtens, hem en Roos uitnoodigend voor een groote danspartij.

Het behoorde tot de vaste gewoonten van Lugtens: was een onderneming voor een deel geslaagd, dan gaf hij een feest, gelijk de inlander eensedekah, maar zonder bijgeloof en als instinctmatig. Daar was dan niets te goed voor. De fijnste wijn, de keurigste gebakken, het duurste souper,—’t was alles voor de gasten in overvloed. En al wat de stad aan „notabelen” telde, kwam met vreugde op de luxueuse feesten in het mooie huis, waar Lugtens ontving met zijn barsch maar deftig gezicht, in zijn zwarten rok en met zijn witten das als weggeloopen van een ouderwetsch olieverfportret. Altijd beleefd en op een afstand voor de menigte; geheimzinnig familiaar met sommige hooggeplaatsen.

Markens kwam er met zijn vrouw. Zij werd metbijzondereégardsontvangen, en ze nam die aan als iets dat vanzelf sprak. Onder haar voornaamheid ging Markens, nu goed in den dienst vooruitgekomen, juist zoo gebukt als vroeger toen hij nog tot de mindere goden behoorde; hij was ’n eenvoudig mensch in zijn doen en laten, zich verheffend op het feit, dat hij zijn loopbaan nederig was begonnen, snoevend zelfs daarop, maar niet als Etienne er bij was, wier zich meer en meer ontwikkelenden hoogmoed hij vreesde. Zij was inderdaad van een goede familie, met ontaarde zijtakken, uit een waarvan zij voortsproot. In Holland had ze dat laatste diep gevoeld, doch in Indië, getrouwd met Markens, en uit de ellendige omgeving van verarmde, gedemoraliseerde en drank misbruikende bloedverwanten,—onbekend in de Indische maatschappij, had ze met succes den ouden goed klinkenden familienaam vooropgezet, tot ze, alles vergetend, als in een idée-fixe verviel over haar eigen voornaamheid, gedoubleerd, ten slotte, door de mooie positie van Markens.

’n Knappe, slanke vrouw was ze nog ondanks de dreigende nadering van den ouden dag; een vrouw, die nog werk maakte van haar toilet, zich nog décolleteerde en monsteren durfde en kon met veel jongere vrouwen, wat de kleur harer huid betrof en de lijnen van schouders, borst en armen. Het was niet dáárom, niet uit jaloerschheid, dat men haar algemeen verfoeide,—dàt kwam enkel door haar hoogmoed,[40]dien iedereen hield voor een vrijwillige ondeugd, die niemand als een kwaal beschouwde.

Haarentrée de salonzou misschien niet kwaad zijn geweest op een hofbal van Hendrik den vierde,—hier in den kring van gegoede of ambtelijk goed geplaatste burgerlieden geleek het een paskwil, nog verhoogd door de op het marmer eenigszins glijdend achter haar aanloopende figuur van Markens, die altijd bij zulke gelegenheden het land had, en zich als het ware democratiseerde om een tegenwicht te leveren, daarbij niets bereikend, dan ’n dwaze tegenstelling.

Lugtens mocht haar wel, en zij vond hem de eenige deftige man ter plaatse, hij, met nog barscher gezicht dan anders, boog, bood haar zijn arm en bracht haar naar een stoel.

Clara lachte in haar zelve.

„Die twee zouden net bij elkaar komen,” zei ze tegen mevrouw Uhlstra, nadat de Markens haar gegroet hadden.

Achter den waaier haalde mevrouw Uhlstra den neus op.

„Het is jammer dat hij niet zoo’n gek wijf heeft.”

„Waarom is Roos niet gekomen!”

„Dat behoefjijniet te vragen, Claar. Iemand, die zich zoo onverstandig aanstelt als jij.…”

„Soedah, Leen.… Niet mopperen. Je hebt misschien gelijk.… We praten er nog wel eens over.”


Back to IndexNext