ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

[Inhoud]ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.Wat de menschen ervan zeiden.Van huis kregen ze allebei goede berichten. Op Koeningan ging het uitmuntend; Roos, die nu tegen zijn terugkomst verschrikkelijk opzag, schreef, dat hij zich vooral niet behoefde te haasten; dat hij blijven moest tot na zijn geheel herstel.In het logement waren zij de eenige gasten aanvankelijk, maar nu ze langer bleven, kwamen er meer, wat de vrijheid van beweging, die Geber en Clara noodig hadden, belemmerde.Men kon elk oogenblik tegenover iemand staan, als men een kamer uitkwam; men moest dus voorzichtig zijn, meende dat ook te wezen, en was het niet.De nieuwe logeergasten fluisterden vermoedens, en op een ochtend, dat de kinderen speelden aan hun kant van het erf, riepen zij kleine Lena bij zich en haalden het kind aan.„Wie is die meneer, liefje,” werd er gevraagd door een net en hoogst fatsoenlijk jong vrouwtje, „waarmee je daar straks sprak?”Dat het Geber was, wist zij ook wel, maar daarom was het niet te doen.„Het is oom Willem,” zei kleine Lena.„En houdt-je veel van oom Willem?”„O zeker! Hij is altijd heel lief voor ons en voor mama ook.”„Och kom! Dat is erg aardig, ja. Nu, dan begrijp ik wel dat je veel van hem houdt.”„Ja zeker,” bevestigde het kind op den vasten toon, dien ze altijd van Lugtens had gehoord.„En je maatje houdt stellig ook veel van hem, als hij zoo lief is voor jullie.”[105]Kleine Lena knikte heel ernstig met haar blonden krullebol, en als om zelfs den schijn te vermijden, dat haar moeder ondankbaar zou zijn voor de liefheid van Geber, voegde ’t kind er argeloos bij:„Elken middag na het eten gaat mama bij oom in de kamer om met hem te praten en hem gezelschap te houden.”Twee andere oudere dames, die er ook bij zaten, oplettend luisterend, keken daarop elkaar ineens stijf aan, onderuit blikkend, de kin langzaam op de borst drukkend, de lippen opeen, de heele uitdrukking van met geweld ingehouden losbarstingen van verontwaardiging over andermans schandaal.„Zoo!” ging de nette, zeer fatsoenlijke jonge vrouw voort met een lieve vleiende stem en een allervriendelijkst gezichtje. „Dan zal mama ’s avonds wel moe zijn, als ze den heelen dag niet geslapen heeft.”„Ze slaapt ook wel ’s middags, soms in ooms kamer.”„Wil je een chocolaadje, liefje? Hoelang ben je al hier? Waar ben je nu eigenlijk liever, hier of thuis? Wil je eens een album zien met mooie portretten? Of een prentenboek?”.…Kleine Lena werd overstelpt met lekkers en aardige verhalen, die ze bewonderend aanhoorde, alles door en van de nette, zeer fatsoenlijke jonge vrouw, die niet wilde dat het kind zou onthouden wat ze had gezegd; en tegenover de kleine Lena, met haar helder, scherpzinnig maar naïef onschuldig hoofdje trof die maatregel volkomen doel.Intusschen hadden de hoofden van de twee andere dames zich bij die nieuwe onthulling in halve cirkels bewogen van den eenen kant naar den anderen, met schrikkelijk oogverdraaien, als zochten ze iets om onder weg te kruipen of zich meê te bedekken, van schaamte over een anders schandaal. En toen Lena weer was gaan spelen met de andere kinderen, keken ze elkaar aan, alle drie eerst nog zwijgend met knikjes van: „Het is wat moois” en „Wat-zeg-je-er-van?”—tot ze, de hoofden bijeen, fluisterend los kwamen in schelden en kwaad spreken.Het steentje rolde dadelijk voort. Heel het kleine plaatsje wist het schandaal, nog op den eigen dag, en de logeergasten namen het dankbaar meê naar hun woonplaatsen, als het liefste en beste dat hun was ten deel gevallen; het nieuwtje reed voort in de reiswagens; ging per post in brieven, draafde te paard over het gebergte en op zijn weg circuleerde het op de ondernemingen, in de woonhuizen der kleine plaatsen en in de sociëteiten als een der vele indische familie-schandaaltjes; een der besteplats-du-jour.Zij, Geber en Clara, hadden er geen flauw vermoeden van, toen zij[106]hem op een ochtend vond, heel vroeg, in de voorgalerij in een luierstoel. Zij schrikte van zijn gezicht. In de laatste weken was hij heelemaal hersteld; hij was dikker geworden en net zoo rustig en kalm als vroeger; nu scheen het ineens dat al het effect verloren ging, hij zag weer bleek als was; zijn oogen glinsterden weer en over zijn heele gezicht lag het waas van een ziekelijken toestand, gelijk toen ze van huis gingen.„Wat heb je?” vroeg ze ontsteld over die verandering.„Ik? Niets.… Weer voor het eerst slecht geslapen.… ’t Zal wel overgaan, hoop ik.”„Dat hoop ik waarlijk ook. Ik schrikte ervan zoo bleek zie je.”„Och,” zei hij geruststellend. „Daar moet je niet van schrikken. De eene mensch heeft dat gauwer dan de andere. Ik schijn al heel spoedig op te bleeken.”„Het is geen gekheid, Wim. Er is iets dat je hindert, maar dat je verzwijgt.”„Toch niet.”„Waarom zou je het niet zeggen; mij niet?”„Och kom?” loog hij, „het is wezenlijk niets. Laat de jongen me maar ’n kop koffie brengen; dan ga ik baden en ben weer heelemaal in orde.”Zij haalde de koffie zelf, om die beter te kunnen krijgen dan ze anders was; zij verzorgde hem dien dag als een zieke.Hij nam glimlachend de kleine attenties aan; hij had er geen behoefte aan; als Roos ’t zelfde had gedaan, zou hij zich in stilte boos hebben gemaakt en hardop gezegd hebben, dat ze niet zoo dwaas moest wezen; nu voelde hij een aangename stille erkentelijkheid.Het was weer zoo; het was zelfs erger; hij was dien nacht weer onverwachts wakker geworden met zijn visioen en de zwaarmoedige onverschillige opvatting van het leven, die er altijd bij kwam, alsof het zoo hoorde. Hij had neêrgelegen in zijn eigen gedachten als in een zwaren droom; niet eenige oogenblikken, maar uren achtereen; uren, die hij duidelijk hoorde slaan; en er was bij gekomen, wat er vroeger niet bij was; een geluid in zijn hoofd als een stem, maar ongeaccentueerd, dat hem scheen aan te sporen; dat naast en met zijn gedachten bleef voortleven, maar een hem duidelijke strekking had: Hij moest het doen,—dat was het.—Voor haar had hij niet kunnen verbergen, dat hem iets kwelde; zijn ontkenningen had zij niet geloofd, en dàt hij ziek was stond bij haar vast. Zij drong echter niet aan, toen ze zag, dat hij voor het oogenblik niets wou zeggen. Eerst in den namiddag kwam zij erop[107]terug. Het was in een phase van onverschilligheid en zenuwontspanning, gelijk die, waarin hij Roos zijn verhouding tot haar tante had bekend, en achterover op zijn bed liggend, de armen boven het hoofd, den blik met wijd open oogen strak naar detendaomhoog, vertelde hij haar alles van het vreemde denkbeeld dat hem vervolgde, van zijn nachtelijke kwellingen en toenemende slapeloosheid; de ellende zijner geschokte zenuwen.„Heb-je het anderen al gezegd?”„Neen, Clara; jij bent de eerste.”„Ook niet aan den dokter?”„Ook niet.”„Dan zal ik het hem vertellen.”Hij zweeg, altijd maar omhoog kijkend, als in gedachten verzonken. Zacht begon hij tegen haar te spreken; zijn gemoed verder uit te storten over het onbekende, dat hem vervolgde.„Begrijp wel,” zei hij, „dat geen gewone redenen voor me bestaan. Ik word niet getroffen door rampen, zit niet in zorgen, heb geen schulden of verdriet. Het is waar, dat wij man en vrouw moesten wezen, maar de omstandigheden zijn, dat weten we bij ondervinding, van dien aard, dat de toestand ons niet overweldigend bedroeft.”„Neen,” zei Clara diep zuchtend, „dat kan de reden zeker niet zijn; en zou die tegenwoordig in geen geval kunnen wezen.”„Juist,” stemde hij toe. „Dan een andere, bijvoorbeeld pijn of ziekelijke toestand als oorzaak; daarvan is ook geen quaestie.”Zij wist weinig af van hetlugubereonderwerp, en huivering bij huivering liep haar langs den rug; hij, met het idee al zooveel maanden vertrouwd, sprak er rustig over als iemand, die een zaak van meer dan een kant heeft bekeken.„Ik ken,” ging hij gelaten voort met eentonige stem, „geen andere redenen. Er is hoegenaamd niets dat een overweldigenden invloed op mijn geest uitoefent; niets, zou ik zeggen, dat mij van mijn vrijheid van handelen zou kunnen berooven.”„Neen,” stemde Clara alweêr zuchtend toe, zonder dat zij nu juist een helder begrip of duidelijke voorstelling van zijn betoog had.„Neen, Wim, dat is zoo. Ik vind het verschrikkelijk gek.”Hij richtte zich plotseling op en wendde zijn bleek gezicht zoo snel naar haar toe, dat zij ervan schrikte en zelf verbleekte.„Je hebt het woord gezegd! Er is een reden; het zou niet kunnen opkomen, zonder een reden; anders zou het in strijd zijn met mijzelven.”„Hoe bedoel je dat?”[108]„Er moet een excuus zijn,” ging hij voort, zich weer achterover latend, het hoofd terug in de holte, die ’t gemaakt had in het kussen. „Een excuus! Na hetgeen ik zei, blijft er nog maar één over.…. Je hebt het woord genoemd, Clara, ik zou gek moeten zijn of op weg het te worden.”„Dat is onzin,” protesteerde zij. „Je redeneert zóó verstandig als iemand maar doen kan, en dan.…. neen, dat is nonsens.”Hij schokschouderde onverschillig.„’t Is toch zoo!”„Het is niet waar, Willem,” hield ze vol. „Je bent enkel maar ziek.”En toen ze den spottenden glimlach een oogenblik zag op zijn gezicht:„Ik bedoel ziek naar het lichaam. Daarom zal ik het aan den dokter zeggen. Laat die je ernstig onderzoeken. Volg een leefregel.”Zij sprak driftig, opgewonden, heel ongewoon voor haar doen. Aan alles toch had ze kunnen denken, maar niet aan zoo iets verschrikkelijks. Weêr maakte hij het onverschillig gebaar.„Als ik het een dokter zeg, weet ik wat hij vragen zal; dat doen ze allen.”„Juist dat is goed. Hij moet ook.…”„Hij zal vragen of zich in mijn familie wel eens meer gevallen hebben voorgedaan.”„Toch niet, Wim,” riep ze verschrikt. „Het is toch niet waar?”Hij knikte langzaam, toestemmend.Zij zat onbeweeglijk op den rand van het bed; de handen rustend op de knieën, ontsteld tot gedachtenloosheid; met één voorstelling nog voor haar geest: kleine Lena.„Het is waar. Voor zoover ik kan nagaan zijn er twee: mijn grootvader en het laatst een oom. Nu, je begrijpt, dat is te zot om van te spreken.”Verwonderd luisterde zij toe. Waarom was dat zoo zot? Was het niet integendeel het eenig natuurlijke en verklaarbare?„Het is zoo’n dokterspraatje, dat begrijp-je. Wat ter wereld zou het geval van die menschen, ’n halve eeuw en meer geleden, met mij te maken kunnen hebben.”Clara antwoordde er niet op; ze had willen huilen van verdriet en medelijden om en met hem; ineens herinnerde zij zich dien nacht van het groote feest te Koeningan; en zij sprak ervan.„Je weet wel,” zei ze, „toen je gekleed in een luierstoel lag en zoo schrikte toen ik je riep.”Hij had de handen voor het gezicht gelegd, zijn hoofd ging langzaam in het kussen heen en weer.„Het was de eerste maal.”[109]Zij herinnerde het zich levendig en zij werd bang; zij keek nu naar hem met vrees en schrik.Zij kreeg een gevoel van zekerheid, dat er tusschen hen een niet weg te ruimen hindernis was opgekomen: dat er nooit meer iets bestaan zou tusschen Geber als man en haar als vrouw; dat, wat zij ooit voor hem van dien aard had gevoeld, niet weer kon opgewekt worden. De vrees voor den grooten onbekende, den dood, had haar ineens verschrikkelijk aangegrepen, en terwijl hij daar lag, de handen nog altijd op het gezicht, kon zij het niet over haar verkrijgen die zacht weg te nemen en hem te troosten en op te beuren; zij voelde er wel aandrang toe in haar medelijden met hem, maar de vrees en de siddering, die haar beving bij de gedachte aan de vreeselijke dingen, die hij haar zoo ijzingwekkend kalm had verteld, hielden de overhand, en zoo bleven zij minuten lang zwijgend bij elkaar, tot er op de kamerdeur werd geklopt.Geber stond op en ging opendoen, de deur op een kier, uit vrees dat een bediende naar binnen mocht kijken en zien wie bij hem was. De jongen stak hem twee brieven toe, en daar hij enkel maar het adres, kon zien van den bovenste, het zijne, nam hij ze allebei aan, dadelijk de deur weer sluitend. Maar binnen zag hij, dat de andere voor Clara was; hij kende de hand van mevrouw Uhlstra op het adres.Het hinderde hem, dat de bediende die twee brieven bij hem had afgegeven op dat uur.„’t Zal een vergissing zijn,” zei hij, bij wijze van verontschuldiging.Het kon haar op ’t oogenblik minder schelen. Haar hoofd stond er niet naar zich voor zulke kleinigheden te interesseeren, nu haar al wat hij had verteld zoo schrikkelijk op het lijf was gevallen. Dáár dacht ze over door, met de toenemende overtuiging, dat hij reddeloos was verloren; dat hij ’t avond of morgen de hand zou slaan aan zichzelven.Zij nam den brief aan en scheurde het enveloppe open, werktuigelijk, vervuld van droefheid en afkeer; zóó vouwde ze ook den brief open, en zag, dat hij van haar zuster Leen was. Het „Clara” zonder meer, schrikte haar op. Wat was dat nu weer?„Kom dadelijk met uw kinderen hier. Er wordt overal schande gesproken van uw gedrag daarboven met Geber. Het is vreeselijk zich zoo te misdragen, zonder te denken aan de schande voor uw familie en voor uw eigen kinderen. Kom dadelijk terug. Elk oogenblik kan Lugtens het vernemen, en dan gebeuren er rampzalige dingen voor ons allemaal.Lena.”[110]Zij keek hem aan, terwijl hij zijn brief las, daarmeê nog bezig; het was er een van Twissels.„Amice,” schreef hij. „Deze is dienende u kennis te geven van zeer ergerlijke praatjes, hier over u en mevrouw Lugtens in omloop en die ook mij ter oore zijn gekomen. Ik doe, zooals gij begrijpen zult, mijn best deze lasterpraatjes tegen te spreken, daar onze goede, vriendschappelijke oude relaties, zoo in als buiten zaken, mij daartoe verplichten. Intusschen acht ik het in aller belang, dat gij naar uw land ten spoedigste terugkeert en mevrouw Lugtens naar haar huis. Gij zult mij verplichten met eenig antwoord zoo spoedig mogelijk, en mij ook zeker ten goede houden, dat ik in het belang onzer gemeenschappelijke zaken niet geaarzeld heb mij van dezen voor mij onaangenamen plicht te kwijten, terwijl ik er vast op reken, dat gij aan mijn zeer dringend verzoek zult gevolg geven, ten einde een voor onze zaken allernoodigste samenwerking niet in ernstig gevaar te brengen.t. t.Twissels.Geber was er zeer verontwaardigd over.Dat was nu een man, die leefde met een huishoudster en zich zelfs niet ontzag die toe te laten tot zijn voorgalerij; een man bij wien hij wist, dat op sexueel gebied niets woog!„Daar schrijft hij ook niet over,” zei Clara toen ze den brief had gelezen en Geber zich in dien geest opgewonden uitliet.„Hij spreekt alleen van zaken; daarin zal hij wel gelijk hebben.”„Je bent toch, hoop ik, niet van plan het te doen.”Clara zag hem aan en zeide:„Lieve Wim, ik geloof dat het niet anders kan.”„En ik doe het toch niet,” ging hij voort, nu geheel in drift, terwijl zij kalm en terneergeslagen was. „Ik zal.…”Zij reikte hem het korte epistel van haar zuster toe, dat hij las in een oogenblik, en waarbij aan z’n gezicht was te zien, dat zijn opgewondenheid ineens wegzonk.„Het is verschrikkelijk!” zei hij verdrietig. „Ja, ik begrijp het nu ook.… wij moeten!”„Zeker moeten we.”„En we zouden toch moeten, nu of over een of twee weken. ’t Is ook eigenlijk alles hetzelfde.… wat langer of wat korter.”Haar gemoed schoot vol; ze zag op, terwijl ze op een stoel zat nu, omhoog naar zijn bleek treurig gezicht boven de lange gestalte, haar oogen vol tranen, en ze vroeg hem met haar zachte, beschaafde stem, trillend van ingehouden droefheid:[111]„Toch niet dáárvoor, Wim! Zeg dat je niet dat bedoelt.”Hij boog zich voorover, lei de handen op haar mooie schouders en kuste haar op het voorhoofd, zooals een broer het zijn zuster had kunnen doen.„Wees maar gerust, Clara. Dàt bedoelde ik niet; zoo’n vaart zal het niet loopen. Ik zie ertegen op naar Koeningan te gaan; dat begrijp je toch! Ik zie ertegen op als tegen een berg. Maar het zal weldjadials ikweêrin de sleur van het werk terug ben. In Gods naam, het kan niet anders.”Zij vatte moed en haar eigen overtuiging der noodzakelijkheid herkreeg daar zijn invloed bij.„Het moet, zeker, en hoe eer hoe beter.”Met geen enkel woord hadden zij gesproken over hun eersten indruk van verwondering, dat alles zoo bekend was geworden, gerijpt tot een publiek onderwerp van gesprek in de stad.Het baatte immers toch niets!

[Inhoud]ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.Wat de menschen ervan zeiden.Van huis kregen ze allebei goede berichten. Op Koeningan ging het uitmuntend; Roos, die nu tegen zijn terugkomst verschrikkelijk opzag, schreef, dat hij zich vooral niet behoefde te haasten; dat hij blijven moest tot na zijn geheel herstel.In het logement waren zij de eenige gasten aanvankelijk, maar nu ze langer bleven, kwamen er meer, wat de vrijheid van beweging, die Geber en Clara noodig hadden, belemmerde.Men kon elk oogenblik tegenover iemand staan, als men een kamer uitkwam; men moest dus voorzichtig zijn, meende dat ook te wezen, en was het niet.De nieuwe logeergasten fluisterden vermoedens, en op een ochtend, dat de kinderen speelden aan hun kant van het erf, riepen zij kleine Lena bij zich en haalden het kind aan.„Wie is die meneer, liefje,” werd er gevraagd door een net en hoogst fatsoenlijk jong vrouwtje, „waarmee je daar straks sprak?”Dat het Geber was, wist zij ook wel, maar daarom was het niet te doen.„Het is oom Willem,” zei kleine Lena.„En houdt-je veel van oom Willem?”„O zeker! Hij is altijd heel lief voor ons en voor mama ook.”„Och kom! Dat is erg aardig, ja. Nu, dan begrijp ik wel dat je veel van hem houdt.”„Ja zeker,” bevestigde het kind op den vasten toon, dien ze altijd van Lugtens had gehoord.„En je maatje houdt stellig ook veel van hem, als hij zoo lief is voor jullie.”[105]Kleine Lena knikte heel ernstig met haar blonden krullebol, en als om zelfs den schijn te vermijden, dat haar moeder ondankbaar zou zijn voor de liefheid van Geber, voegde ’t kind er argeloos bij:„Elken middag na het eten gaat mama bij oom in de kamer om met hem te praten en hem gezelschap te houden.”Twee andere oudere dames, die er ook bij zaten, oplettend luisterend, keken daarop elkaar ineens stijf aan, onderuit blikkend, de kin langzaam op de borst drukkend, de lippen opeen, de heele uitdrukking van met geweld ingehouden losbarstingen van verontwaardiging over andermans schandaal.„Zoo!” ging de nette, zeer fatsoenlijke jonge vrouw voort met een lieve vleiende stem en een allervriendelijkst gezichtje. „Dan zal mama ’s avonds wel moe zijn, als ze den heelen dag niet geslapen heeft.”„Ze slaapt ook wel ’s middags, soms in ooms kamer.”„Wil je een chocolaadje, liefje? Hoelang ben je al hier? Waar ben je nu eigenlijk liever, hier of thuis? Wil je eens een album zien met mooie portretten? Of een prentenboek?”.…Kleine Lena werd overstelpt met lekkers en aardige verhalen, die ze bewonderend aanhoorde, alles door en van de nette, zeer fatsoenlijke jonge vrouw, die niet wilde dat het kind zou onthouden wat ze had gezegd; en tegenover de kleine Lena, met haar helder, scherpzinnig maar naïef onschuldig hoofdje trof die maatregel volkomen doel.Intusschen hadden de hoofden van de twee andere dames zich bij die nieuwe onthulling in halve cirkels bewogen van den eenen kant naar den anderen, met schrikkelijk oogverdraaien, als zochten ze iets om onder weg te kruipen of zich meê te bedekken, van schaamte over een anders schandaal. En toen Lena weer was gaan spelen met de andere kinderen, keken ze elkaar aan, alle drie eerst nog zwijgend met knikjes van: „Het is wat moois” en „Wat-zeg-je-er-van?”—tot ze, de hoofden bijeen, fluisterend los kwamen in schelden en kwaad spreken.Het steentje rolde dadelijk voort. Heel het kleine plaatsje wist het schandaal, nog op den eigen dag, en de logeergasten namen het dankbaar meê naar hun woonplaatsen, als het liefste en beste dat hun was ten deel gevallen; het nieuwtje reed voort in de reiswagens; ging per post in brieven, draafde te paard over het gebergte en op zijn weg circuleerde het op de ondernemingen, in de woonhuizen der kleine plaatsen en in de sociëteiten als een der vele indische familie-schandaaltjes; een der besteplats-du-jour.Zij, Geber en Clara, hadden er geen flauw vermoeden van, toen zij[106]hem op een ochtend vond, heel vroeg, in de voorgalerij in een luierstoel. Zij schrikte van zijn gezicht. In de laatste weken was hij heelemaal hersteld; hij was dikker geworden en net zoo rustig en kalm als vroeger; nu scheen het ineens dat al het effect verloren ging, hij zag weer bleek als was; zijn oogen glinsterden weer en over zijn heele gezicht lag het waas van een ziekelijken toestand, gelijk toen ze van huis gingen.„Wat heb je?” vroeg ze ontsteld over die verandering.„Ik? Niets.… Weer voor het eerst slecht geslapen.… ’t Zal wel overgaan, hoop ik.”„Dat hoop ik waarlijk ook. Ik schrikte ervan zoo bleek zie je.”„Och,” zei hij geruststellend. „Daar moet je niet van schrikken. De eene mensch heeft dat gauwer dan de andere. Ik schijn al heel spoedig op te bleeken.”„Het is geen gekheid, Wim. Er is iets dat je hindert, maar dat je verzwijgt.”„Toch niet.”„Waarom zou je het niet zeggen; mij niet?”„Och kom?” loog hij, „het is wezenlijk niets. Laat de jongen me maar ’n kop koffie brengen; dan ga ik baden en ben weer heelemaal in orde.”Zij haalde de koffie zelf, om die beter te kunnen krijgen dan ze anders was; zij verzorgde hem dien dag als een zieke.Hij nam glimlachend de kleine attenties aan; hij had er geen behoefte aan; als Roos ’t zelfde had gedaan, zou hij zich in stilte boos hebben gemaakt en hardop gezegd hebben, dat ze niet zoo dwaas moest wezen; nu voelde hij een aangename stille erkentelijkheid.Het was weer zoo; het was zelfs erger; hij was dien nacht weer onverwachts wakker geworden met zijn visioen en de zwaarmoedige onverschillige opvatting van het leven, die er altijd bij kwam, alsof het zoo hoorde. Hij had neêrgelegen in zijn eigen gedachten als in een zwaren droom; niet eenige oogenblikken, maar uren achtereen; uren, die hij duidelijk hoorde slaan; en er was bij gekomen, wat er vroeger niet bij was; een geluid in zijn hoofd als een stem, maar ongeaccentueerd, dat hem scheen aan te sporen; dat naast en met zijn gedachten bleef voortleven, maar een hem duidelijke strekking had: Hij moest het doen,—dat was het.—Voor haar had hij niet kunnen verbergen, dat hem iets kwelde; zijn ontkenningen had zij niet geloofd, en dàt hij ziek was stond bij haar vast. Zij drong echter niet aan, toen ze zag, dat hij voor het oogenblik niets wou zeggen. Eerst in den namiddag kwam zij erop[107]terug. Het was in een phase van onverschilligheid en zenuwontspanning, gelijk die, waarin hij Roos zijn verhouding tot haar tante had bekend, en achterover op zijn bed liggend, de armen boven het hoofd, den blik met wijd open oogen strak naar detendaomhoog, vertelde hij haar alles van het vreemde denkbeeld dat hem vervolgde, van zijn nachtelijke kwellingen en toenemende slapeloosheid; de ellende zijner geschokte zenuwen.„Heb-je het anderen al gezegd?”„Neen, Clara; jij bent de eerste.”„Ook niet aan den dokter?”„Ook niet.”„Dan zal ik het hem vertellen.”Hij zweeg, altijd maar omhoog kijkend, als in gedachten verzonken. Zacht begon hij tegen haar te spreken; zijn gemoed verder uit te storten over het onbekende, dat hem vervolgde.„Begrijp wel,” zei hij, „dat geen gewone redenen voor me bestaan. Ik word niet getroffen door rampen, zit niet in zorgen, heb geen schulden of verdriet. Het is waar, dat wij man en vrouw moesten wezen, maar de omstandigheden zijn, dat weten we bij ondervinding, van dien aard, dat de toestand ons niet overweldigend bedroeft.”„Neen,” zei Clara diep zuchtend, „dat kan de reden zeker niet zijn; en zou die tegenwoordig in geen geval kunnen wezen.”„Juist,” stemde hij toe. „Dan een andere, bijvoorbeeld pijn of ziekelijke toestand als oorzaak; daarvan is ook geen quaestie.”Zij wist weinig af van hetlugubereonderwerp, en huivering bij huivering liep haar langs den rug; hij, met het idee al zooveel maanden vertrouwd, sprak er rustig over als iemand, die een zaak van meer dan een kant heeft bekeken.„Ik ken,” ging hij gelaten voort met eentonige stem, „geen andere redenen. Er is hoegenaamd niets dat een overweldigenden invloed op mijn geest uitoefent; niets, zou ik zeggen, dat mij van mijn vrijheid van handelen zou kunnen berooven.”„Neen,” stemde Clara alweêr zuchtend toe, zonder dat zij nu juist een helder begrip of duidelijke voorstelling van zijn betoog had.„Neen, Wim, dat is zoo. Ik vind het verschrikkelijk gek.”Hij richtte zich plotseling op en wendde zijn bleek gezicht zoo snel naar haar toe, dat zij ervan schrikte en zelf verbleekte.„Je hebt het woord gezegd! Er is een reden; het zou niet kunnen opkomen, zonder een reden; anders zou het in strijd zijn met mijzelven.”„Hoe bedoel je dat?”[108]„Er moet een excuus zijn,” ging hij voort, zich weer achterover latend, het hoofd terug in de holte, die ’t gemaakt had in het kussen. „Een excuus! Na hetgeen ik zei, blijft er nog maar één over.…. Je hebt het woord genoemd, Clara, ik zou gek moeten zijn of op weg het te worden.”„Dat is onzin,” protesteerde zij. „Je redeneert zóó verstandig als iemand maar doen kan, en dan.…. neen, dat is nonsens.”Hij schokschouderde onverschillig.„’t Is toch zoo!”„Het is niet waar, Willem,” hield ze vol. „Je bent enkel maar ziek.”En toen ze den spottenden glimlach een oogenblik zag op zijn gezicht:„Ik bedoel ziek naar het lichaam. Daarom zal ik het aan den dokter zeggen. Laat die je ernstig onderzoeken. Volg een leefregel.”Zij sprak driftig, opgewonden, heel ongewoon voor haar doen. Aan alles toch had ze kunnen denken, maar niet aan zoo iets verschrikkelijks. Weêr maakte hij het onverschillig gebaar.„Als ik het een dokter zeg, weet ik wat hij vragen zal; dat doen ze allen.”„Juist dat is goed. Hij moet ook.…”„Hij zal vragen of zich in mijn familie wel eens meer gevallen hebben voorgedaan.”„Toch niet, Wim,” riep ze verschrikt. „Het is toch niet waar?”Hij knikte langzaam, toestemmend.Zij zat onbeweeglijk op den rand van het bed; de handen rustend op de knieën, ontsteld tot gedachtenloosheid; met één voorstelling nog voor haar geest: kleine Lena.„Het is waar. Voor zoover ik kan nagaan zijn er twee: mijn grootvader en het laatst een oom. Nu, je begrijpt, dat is te zot om van te spreken.”Verwonderd luisterde zij toe. Waarom was dat zoo zot? Was het niet integendeel het eenig natuurlijke en verklaarbare?„Het is zoo’n dokterspraatje, dat begrijp-je. Wat ter wereld zou het geval van die menschen, ’n halve eeuw en meer geleden, met mij te maken kunnen hebben.”Clara antwoordde er niet op; ze had willen huilen van verdriet en medelijden om en met hem; ineens herinnerde zij zich dien nacht van het groote feest te Koeningan; en zij sprak ervan.„Je weet wel,” zei ze, „toen je gekleed in een luierstoel lag en zoo schrikte toen ik je riep.”Hij had de handen voor het gezicht gelegd, zijn hoofd ging langzaam in het kussen heen en weer.„Het was de eerste maal.”[109]Zij herinnerde het zich levendig en zij werd bang; zij keek nu naar hem met vrees en schrik.Zij kreeg een gevoel van zekerheid, dat er tusschen hen een niet weg te ruimen hindernis was opgekomen: dat er nooit meer iets bestaan zou tusschen Geber als man en haar als vrouw; dat, wat zij ooit voor hem van dien aard had gevoeld, niet weer kon opgewekt worden. De vrees voor den grooten onbekende, den dood, had haar ineens verschrikkelijk aangegrepen, en terwijl hij daar lag, de handen nog altijd op het gezicht, kon zij het niet over haar verkrijgen die zacht weg te nemen en hem te troosten en op te beuren; zij voelde er wel aandrang toe in haar medelijden met hem, maar de vrees en de siddering, die haar beving bij de gedachte aan de vreeselijke dingen, die hij haar zoo ijzingwekkend kalm had verteld, hielden de overhand, en zoo bleven zij minuten lang zwijgend bij elkaar, tot er op de kamerdeur werd geklopt.Geber stond op en ging opendoen, de deur op een kier, uit vrees dat een bediende naar binnen mocht kijken en zien wie bij hem was. De jongen stak hem twee brieven toe, en daar hij enkel maar het adres, kon zien van den bovenste, het zijne, nam hij ze allebei aan, dadelijk de deur weer sluitend. Maar binnen zag hij, dat de andere voor Clara was; hij kende de hand van mevrouw Uhlstra op het adres.Het hinderde hem, dat de bediende die twee brieven bij hem had afgegeven op dat uur.„’t Zal een vergissing zijn,” zei hij, bij wijze van verontschuldiging.Het kon haar op ’t oogenblik minder schelen. Haar hoofd stond er niet naar zich voor zulke kleinigheden te interesseeren, nu haar al wat hij had verteld zoo schrikkelijk op het lijf was gevallen. Dáár dacht ze over door, met de toenemende overtuiging, dat hij reddeloos was verloren; dat hij ’t avond of morgen de hand zou slaan aan zichzelven.Zij nam den brief aan en scheurde het enveloppe open, werktuigelijk, vervuld van droefheid en afkeer; zóó vouwde ze ook den brief open, en zag, dat hij van haar zuster Leen was. Het „Clara” zonder meer, schrikte haar op. Wat was dat nu weer?„Kom dadelijk met uw kinderen hier. Er wordt overal schande gesproken van uw gedrag daarboven met Geber. Het is vreeselijk zich zoo te misdragen, zonder te denken aan de schande voor uw familie en voor uw eigen kinderen. Kom dadelijk terug. Elk oogenblik kan Lugtens het vernemen, en dan gebeuren er rampzalige dingen voor ons allemaal.Lena.”[110]Zij keek hem aan, terwijl hij zijn brief las, daarmeê nog bezig; het was er een van Twissels.„Amice,” schreef hij. „Deze is dienende u kennis te geven van zeer ergerlijke praatjes, hier over u en mevrouw Lugtens in omloop en die ook mij ter oore zijn gekomen. Ik doe, zooals gij begrijpen zult, mijn best deze lasterpraatjes tegen te spreken, daar onze goede, vriendschappelijke oude relaties, zoo in als buiten zaken, mij daartoe verplichten. Intusschen acht ik het in aller belang, dat gij naar uw land ten spoedigste terugkeert en mevrouw Lugtens naar haar huis. Gij zult mij verplichten met eenig antwoord zoo spoedig mogelijk, en mij ook zeker ten goede houden, dat ik in het belang onzer gemeenschappelijke zaken niet geaarzeld heb mij van dezen voor mij onaangenamen plicht te kwijten, terwijl ik er vast op reken, dat gij aan mijn zeer dringend verzoek zult gevolg geven, ten einde een voor onze zaken allernoodigste samenwerking niet in ernstig gevaar te brengen.t. t.Twissels.Geber was er zeer verontwaardigd over.Dat was nu een man, die leefde met een huishoudster en zich zelfs niet ontzag die toe te laten tot zijn voorgalerij; een man bij wien hij wist, dat op sexueel gebied niets woog!„Daar schrijft hij ook niet over,” zei Clara toen ze den brief had gelezen en Geber zich in dien geest opgewonden uitliet.„Hij spreekt alleen van zaken; daarin zal hij wel gelijk hebben.”„Je bent toch, hoop ik, niet van plan het te doen.”Clara zag hem aan en zeide:„Lieve Wim, ik geloof dat het niet anders kan.”„En ik doe het toch niet,” ging hij voort, nu geheel in drift, terwijl zij kalm en terneergeslagen was. „Ik zal.…”Zij reikte hem het korte epistel van haar zuster toe, dat hij las in een oogenblik, en waarbij aan z’n gezicht was te zien, dat zijn opgewondenheid ineens wegzonk.„Het is verschrikkelijk!” zei hij verdrietig. „Ja, ik begrijp het nu ook.… wij moeten!”„Zeker moeten we.”„En we zouden toch moeten, nu of over een of twee weken. ’t Is ook eigenlijk alles hetzelfde.… wat langer of wat korter.”Haar gemoed schoot vol; ze zag op, terwijl ze op een stoel zat nu, omhoog naar zijn bleek treurig gezicht boven de lange gestalte, haar oogen vol tranen, en ze vroeg hem met haar zachte, beschaafde stem, trillend van ingehouden droefheid:[111]„Toch niet dáárvoor, Wim! Zeg dat je niet dat bedoelt.”Hij boog zich voorover, lei de handen op haar mooie schouders en kuste haar op het voorhoofd, zooals een broer het zijn zuster had kunnen doen.„Wees maar gerust, Clara. Dàt bedoelde ik niet; zoo’n vaart zal het niet loopen. Ik zie ertegen op naar Koeningan te gaan; dat begrijp je toch! Ik zie ertegen op als tegen een berg. Maar het zal weldjadials ikweêrin de sleur van het werk terug ben. In Gods naam, het kan niet anders.”Zij vatte moed en haar eigen overtuiging der noodzakelijkheid herkreeg daar zijn invloed bij.„Het moet, zeker, en hoe eer hoe beter.”Met geen enkel woord hadden zij gesproken over hun eersten indruk van verwondering, dat alles zoo bekend was geworden, gerijpt tot een publiek onderwerp van gesprek in de stad.Het baatte immers toch niets!

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.Wat de menschen ervan zeiden.

Van huis kregen ze allebei goede berichten. Op Koeningan ging het uitmuntend; Roos, die nu tegen zijn terugkomst verschrikkelijk opzag, schreef, dat hij zich vooral niet behoefde te haasten; dat hij blijven moest tot na zijn geheel herstel.In het logement waren zij de eenige gasten aanvankelijk, maar nu ze langer bleven, kwamen er meer, wat de vrijheid van beweging, die Geber en Clara noodig hadden, belemmerde.Men kon elk oogenblik tegenover iemand staan, als men een kamer uitkwam; men moest dus voorzichtig zijn, meende dat ook te wezen, en was het niet.De nieuwe logeergasten fluisterden vermoedens, en op een ochtend, dat de kinderen speelden aan hun kant van het erf, riepen zij kleine Lena bij zich en haalden het kind aan.„Wie is die meneer, liefje,” werd er gevraagd door een net en hoogst fatsoenlijk jong vrouwtje, „waarmee je daar straks sprak?”Dat het Geber was, wist zij ook wel, maar daarom was het niet te doen.„Het is oom Willem,” zei kleine Lena.„En houdt-je veel van oom Willem?”„O zeker! Hij is altijd heel lief voor ons en voor mama ook.”„Och kom! Dat is erg aardig, ja. Nu, dan begrijp ik wel dat je veel van hem houdt.”„Ja zeker,” bevestigde het kind op den vasten toon, dien ze altijd van Lugtens had gehoord.„En je maatje houdt stellig ook veel van hem, als hij zoo lief is voor jullie.”[105]Kleine Lena knikte heel ernstig met haar blonden krullebol, en als om zelfs den schijn te vermijden, dat haar moeder ondankbaar zou zijn voor de liefheid van Geber, voegde ’t kind er argeloos bij:„Elken middag na het eten gaat mama bij oom in de kamer om met hem te praten en hem gezelschap te houden.”Twee andere oudere dames, die er ook bij zaten, oplettend luisterend, keken daarop elkaar ineens stijf aan, onderuit blikkend, de kin langzaam op de borst drukkend, de lippen opeen, de heele uitdrukking van met geweld ingehouden losbarstingen van verontwaardiging over andermans schandaal.„Zoo!” ging de nette, zeer fatsoenlijke jonge vrouw voort met een lieve vleiende stem en een allervriendelijkst gezichtje. „Dan zal mama ’s avonds wel moe zijn, als ze den heelen dag niet geslapen heeft.”„Ze slaapt ook wel ’s middags, soms in ooms kamer.”„Wil je een chocolaadje, liefje? Hoelang ben je al hier? Waar ben je nu eigenlijk liever, hier of thuis? Wil je eens een album zien met mooie portretten? Of een prentenboek?”.…Kleine Lena werd overstelpt met lekkers en aardige verhalen, die ze bewonderend aanhoorde, alles door en van de nette, zeer fatsoenlijke jonge vrouw, die niet wilde dat het kind zou onthouden wat ze had gezegd; en tegenover de kleine Lena, met haar helder, scherpzinnig maar naïef onschuldig hoofdje trof die maatregel volkomen doel.Intusschen hadden de hoofden van de twee andere dames zich bij die nieuwe onthulling in halve cirkels bewogen van den eenen kant naar den anderen, met schrikkelijk oogverdraaien, als zochten ze iets om onder weg te kruipen of zich meê te bedekken, van schaamte over een anders schandaal. En toen Lena weer was gaan spelen met de andere kinderen, keken ze elkaar aan, alle drie eerst nog zwijgend met knikjes van: „Het is wat moois” en „Wat-zeg-je-er-van?”—tot ze, de hoofden bijeen, fluisterend los kwamen in schelden en kwaad spreken.Het steentje rolde dadelijk voort. Heel het kleine plaatsje wist het schandaal, nog op den eigen dag, en de logeergasten namen het dankbaar meê naar hun woonplaatsen, als het liefste en beste dat hun was ten deel gevallen; het nieuwtje reed voort in de reiswagens; ging per post in brieven, draafde te paard over het gebergte en op zijn weg circuleerde het op de ondernemingen, in de woonhuizen der kleine plaatsen en in de sociëteiten als een der vele indische familie-schandaaltjes; een der besteplats-du-jour.Zij, Geber en Clara, hadden er geen flauw vermoeden van, toen zij[106]hem op een ochtend vond, heel vroeg, in de voorgalerij in een luierstoel. Zij schrikte van zijn gezicht. In de laatste weken was hij heelemaal hersteld; hij was dikker geworden en net zoo rustig en kalm als vroeger; nu scheen het ineens dat al het effect verloren ging, hij zag weer bleek als was; zijn oogen glinsterden weer en over zijn heele gezicht lag het waas van een ziekelijken toestand, gelijk toen ze van huis gingen.„Wat heb je?” vroeg ze ontsteld over die verandering.„Ik? Niets.… Weer voor het eerst slecht geslapen.… ’t Zal wel overgaan, hoop ik.”„Dat hoop ik waarlijk ook. Ik schrikte ervan zoo bleek zie je.”„Och,” zei hij geruststellend. „Daar moet je niet van schrikken. De eene mensch heeft dat gauwer dan de andere. Ik schijn al heel spoedig op te bleeken.”„Het is geen gekheid, Wim. Er is iets dat je hindert, maar dat je verzwijgt.”„Toch niet.”„Waarom zou je het niet zeggen; mij niet?”„Och kom?” loog hij, „het is wezenlijk niets. Laat de jongen me maar ’n kop koffie brengen; dan ga ik baden en ben weer heelemaal in orde.”Zij haalde de koffie zelf, om die beter te kunnen krijgen dan ze anders was; zij verzorgde hem dien dag als een zieke.Hij nam glimlachend de kleine attenties aan; hij had er geen behoefte aan; als Roos ’t zelfde had gedaan, zou hij zich in stilte boos hebben gemaakt en hardop gezegd hebben, dat ze niet zoo dwaas moest wezen; nu voelde hij een aangename stille erkentelijkheid.Het was weer zoo; het was zelfs erger; hij was dien nacht weer onverwachts wakker geworden met zijn visioen en de zwaarmoedige onverschillige opvatting van het leven, die er altijd bij kwam, alsof het zoo hoorde. Hij had neêrgelegen in zijn eigen gedachten als in een zwaren droom; niet eenige oogenblikken, maar uren achtereen; uren, die hij duidelijk hoorde slaan; en er was bij gekomen, wat er vroeger niet bij was; een geluid in zijn hoofd als een stem, maar ongeaccentueerd, dat hem scheen aan te sporen; dat naast en met zijn gedachten bleef voortleven, maar een hem duidelijke strekking had: Hij moest het doen,—dat was het.—Voor haar had hij niet kunnen verbergen, dat hem iets kwelde; zijn ontkenningen had zij niet geloofd, en dàt hij ziek was stond bij haar vast. Zij drong echter niet aan, toen ze zag, dat hij voor het oogenblik niets wou zeggen. Eerst in den namiddag kwam zij erop[107]terug. Het was in een phase van onverschilligheid en zenuwontspanning, gelijk die, waarin hij Roos zijn verhouding tot haar tante had bekend, en achterover op zijn bed liggend, de armen boven het hoofd, den blik met wijd open oogen strak naar detendaomhoog, vertelde hij haar alles van het vreemde denkbeeld dat hem vervolgde, van zijn nachtelijke kwellingen en toenemende slapeloosheid; de ellende zijner geschokte zenuwen.„Heb-je het anderen al gezegd?”„Neen, Clara; jij bent de eerste.”„Ook niet aan den dokter?”„Ook niet.”„Dan zal ik het hem vertellen.”Hij zweeg, altijd maar omhoog kijkend, als in gedachten verzonken. Zacht begon hij tegen haar te spreken; zijn gemoed verder uit te storten over het onbekende, dat hem vervolgde.„Begrijp wel,” zei hij, „dat geen gewone redenen voor me bestaan. Ik word niet getroffen door rampen, zit niet in zorgen, heb geen schulden of verdriet. Het is waar, dat wij man en vrouw moesten wezen, maar de omstandigheden zijn, dat weten we bij ondervinding, van dien aard, dat de toestand ons niet overweldigend bedroeft.”„Neen,” zei Clara diep zuchtend, „dat kan de reden zeker niet zijn; en zou die tegenwoordig in geen geval kunnen wezen.”„Juist,” stemde hij toe. „Dan een andere, bijvoorbeeld pijn of ziekelijke toestand als oorzaak; daarvan is ook geen quaestie.”Zij wist weinig af van hetlugubereonderwerp, en huivering bij huivering liep haar langs den rug; hij, met het idee al zooveel maanden vertrouwd, sprak er rustig over als iemand, die een zaak van meer dan een kant heeft bekeken.„Ik ken,” ging hij gelaten voort met eentonige stem, „geen andere redenen. Er is hoegenaamd niets dat een overweldigenden invloed op mijn geest uitoefent; niets, zou ik zeggen, dat mij van mijn vrijheid van handelen zou kunnen berooven.”„Neen,” stemde Clara alweêr zuchtend toe, zonder dat zij nu juist een helder begrip of duidelijke voorstelling van zijn betoog had.„Neen, Wim, dat is zoo. Ik vind het verschrikkelijk gek.”Hij richtte zich plotseling op en wendde zijn bleek gezicht zoo snel naar haar toe, dat zij ervan schrikte en zelf verbleekte.„Je hebt het woord gezegd! Er is een reden; het zou niet kunnen opkomen, zonder een reden; anders zou het in strijd zijn met mijzelven.”„Hoe bedoel je dat?”[108]„Er moet een excuus zijn,” ging hij voort, zich weer achterover latend, het hoofd terug in de holte, die ’t gemaakt had in het kussen. „Een excuus! Na hetgeen ik zei, blijft er nog maar één over.…. Je hebt het woord genoemd, Clara, ik zou gek moeten zijn of op weg het te worden.”„Dat is onzin,” protesteerde zij. „Je redeneert zóó verstandig als iemand maar doen kan, en dan.…. neen, dat is nonsens.”Hij schokschouderde onverschillig.„’t Is toch zoo!”„Het is niet waar, Willem,” hield ze vol. „Je bent enkel maar ziek.”En toen ze den spottenden glimlach een oogenblik zag op zijn gezicht:„Ik bedoel ziek naar het lichaam. Daarom zal ik het aan den dokter zeggen. Laat die je ernstig onderzoeken. Volg een leefregel.”Zij sprak driftig, opgewonden, heel ongewoon voor haar doen. Aan alles toch had ze kunnen denken, maar niet aan zoo iets verschrikkelijks. Weêr maakte hij het onverschillig gebaar.„Als ik het een dokter zeg, weet ik wat hij vragen zal; dat doen ze allen.”„Juist dat is goed. Hij moet ook.…”„Hij zal vragen of zich in mijn familie wel eens meer gevallen hebben voorgedaan.”„Toch niet, Wim,” riep ze verschrikt. „Het is toch niet waar?”Hij knikte langzaam, toestemmend.Zij zat onbeweeglijk op den rand van het bed; de handen rustend op de knieën, ontsteld tot gedachtenloosheid; met één voorstelling nog voor haar geest: kleine Lena.„Het is waar. Voor zoover ik kan nagaan zijn er twee: mijn grootvader en het laatst een oom. Nu, je begrijpt, dat is te zot om van te spreken.”Verwonderd luisterde zij toe. Waarom was dat zoo zot? Was het niet integendeel het eenig natuurlijke en verklaarbare?„Het is zoo’n dokterspraatje, dat begrijp-je. Wat ter wereld zou het geval van die menschen, ’n halve eeuw en meer geleden, met mij te maken kunnen hebben.”Clara antwoordde er niet op; ze had willen huilen van verdriet en medelijden om en met hem; ineens herinnerde zij zich dien nacht van het groote feest te Koeningan; en zij sprak ervan.„Je weet wel,” zei ze, „toen je gekleed in een luierstoel lag en zoo schrikte toen ik je riep.”Hij had de handen voor het gezicht gelegd, zijn hoofd ging langzaam in het kussen heen en weer.„Het was de eerste maal.”[109]Zij herinnerde het zich levendig en zij werd bang; zij keek nu naar hem met vrees en schrik.Zij kreeg een gevoel van zekerheid, dat er tusschen hen een niet weg te ruimen hindernis was opgekomen: dat er nooit meer iets bestaan zou tusschen Geber als man en haar als vrouw; dat, wat zij ooit voor hem van dien aard had gevoeld, niet weer kon opgewekt worden. De vrees voor den grooten onbekende, den dood, had haar ineens verschrikkelijk aangegrepen, en terwijl hij daar lag, de handen nog altijd op het gezicht, kon zij het niet over haar verkrijgen die zacht weg te nemen en hem te troosten en op te beuren; zij voelde er wel aandrang toe in haar medelijden met hem, maar de vrees en de siddering, die haar beving bij de gedachte aan de vreeselijke dingen, die hij haar zoo ijzingwekkend kalm had verteld, hielden de overhand, en zoo bleven zij minuten lang zwijgend bij elkaar, tot er op de kamerdeur werd geklopt.Geber stond op en ging opendoen, de deur op een kier, uit vrees dat een bediende naar binnen mocht kijken en zien wie bij hem was. De jongen stak hem twee brieven toe, en daar hij enkel maar het adres, kon zien van den bovenste, het zijne, nam hij ze allebei aan, dadelijk de deur weer sluitend. Maar binnen zag hij, dat de andere voor Clara was; hij kende de hand van mevrouw Uhlstra op het adres.Het hinderde hem, dat de bediende die twee brieven bij hem had afgegeven op dat uur.„’t Zal een vergissing zijn,” zei hij, bij wijze van verontschuldiging.Het kon haar op ’t oogenblik minder schelen. Haar hoofd stond er niet naar zich voor zulke kleinigheden te interesseeren, nu haar al wat hij had verteld zoo schrikkelijk op het lijf was gevallen. Dáár dacht ze over door, met de toenemende overtuiging, dat hij reddeloos was verloren; dat hij ’t avond of morgen de hand zou slaan aan zichzelven.Zij nam den brief aan en scheurde het enveloppe open, werktuigelijk, vervuld van droefheid en afkeer; zóó vouwde ze ook den brief open, en zag, dat hij van haar zuster Leen was. Het „Clara” zonder meer, schrikte haar op. Wat was dat nu weer?„Kom dadelijk met uw kinderen hier. Er wordt overal schande gesproken van uw gedrag daarboven met Geber. Het is vreeselijk zich zoo te misdragen, zonder te denken aan de schande voor uw familie en voor uw eigen kinderen. Kom dadelijk terug. Elk oogenblik kan Lugtens het vernemen, en dan gebeuren er rampzalige dingen voor ons allemaal.Lena.”[110]Zij keek hem aan, terwijl hij zijn brief las, daarmeê nog bezig; het was er een van Twissels.„Amice,” schreef hij. „Deze is dienende u kennis te geven van zeer ergerlijke praatjes, hier over u en mevrouw Lugtens in omloop en die ook mij ter oore zijn gekomen. Ik doe, zooals gij begrijpen zult, mijn best deze lasterpraatjes tegen te spreken, daar onze goede, vriendschappelijke oude relaties, zoo in als buiten zaken, mij daartoe verplichten. Intusschen acht ik het in aller belang, dat gij naar uw land ten spoedigste terugkeert en mevrouw Lugtens naar haar huis. Gij zult mij verplichten met eenig antwoord zoo spoedig mogelijk, en mij ook zeker ten goede houden, dat ik in het belang onzer gemeenschappelijke zaken niet geaarzeld heb mij van dezen voor mij onaangenamen plicht te kwijten, terwijl ik er vast op reken, dat gij aan mijn zeer dringend verzoek zult gevolg geven, ten einde een voor onze zaken allernoodigste samenwerking niet in ernstig gevaar te brengen.t. t.Twissels.Geber was er zeer verontwaardigd over.Dat was nu een man, die leefde met een huishoudster en zich zelfs niet ontzag die toe te laten tot zijn voorgalerij; een man bij wien hij wist, dat op sexueel gebied niets woog!„Daar schrijft hij ook niet over,” zei Clara toen ze den brief had gelezen en Geber zich in dien geest opgewonden uitliet.„Hij spreekt alleen van zaken; daarin zal hij wel gelijk hebben.”„Je bent toch, hoop ik, niet van plan het te doen.”Clara zag hem aan en zeide:„Lieve Wim, ik geloof dat het niet anders kan.”„En ik doe het toch niet,” ging hij voort, nu geheel in drift, terwijl zij kalm en terneergeslagen was. „Ik zal.…”Zij reikte hem het korte epistel van haar zuster toe, dat hij las in een oogenblik, en waarbij aan z’n gezicht was te zien, dat zijn opgewondenheid ineens wegzonk.„Het is verschrikkelijk!” zei hij verdrietig. „Ja, ik begrijp het nu ook.… wij moeten!”„Zeker moeten we.”„En we zouden toch moeten, nu of over een of twee weken. ’t Is ook eigenlijk alles hetzelfde.… wat langer of wat korter.”Haar gemoed schoot vol; ze zag op, terwijl ze op een stoel zat nu, omhoog naar zijn bleek treurig gezicht boven de lange gestalte, haar oogen vol tranen, en ze vroeg hem met haar zachte, beschaafde stem, trillend van ingehouden droefheid:[111]„Toch niet dáárvoor, Wim! Zeg dat je niet dat bedoelt.”Hij boog zich voorover, lei de handen op haar mooie schouders en kuste haar op het voorhoofd, zooals een broer het zijn zuster had kunnen doen.„Wees maar gerust, Clara. Dàt bedoelde ik niet; zoo’n vaart zal het niet loopen. Ik zie ertegen op naar Koeningan te gaan; dat begrijp je toch! Ik zie ertegen op als tegen een berg. Maar het zal weldjadials ikweêrin de sleur van het werk terug ben. In Gods naam, het kan niet anders.”Zij vatte moed en haar eigen overtuiging der noodzakelijkheid herkreeg daar zijn invloed bij.„Het moet, zeker, en hoe eer hoe beter.”Met geen enkel woord hadden zij gesproken over hun eersten indruk van verwondering, dat alles zoo bekend was geworden, gerijpt tot een publiek onderwerp van gesprek in de stad.Het baatte immers toch niets!

Van huis kregen ze allebei goede berichten. Op Koeningan ging het uitmuntend; Roos, die nu tegen zijn terugkomst verschrikkelijk opzag, schreef, dat hij zich vooral niet behoefde te haasten; dat hij blijven moest tot na zijn geheel herstel.

In het logement waren zij de eenige gasten aanvankelijk, maar nu ze langer bleven, kwamen er meer, wat de vrijheid van beweging, die Geber en Clara noodig hadden, belemmerde.

Men kon elk oogenblik tegenover iemand staan, als men een kamer uitkwam; men moest dus voorzichtig zijn, meende dat ook te wezen, en was het niet.

De nieuwe logeergasten fluisterden vermoedens, en op een ochtend, dat de kinderen speelden aan hun kant van het erf, riepen zij kleine Lena bij zich en haalden het kind aan.

„Wie is die meneer, liefje,” werd er gevraagd door een net en hoogst fatsoenlijk jong vrouwtje, „waarmee je daar straks sprak?”

Dat het Geber was, wist zij ook wel, maar daarom was het niet te doen.

„Het is oom Willem,” zei kleine Lena.

„En houdt-je veel van oom Willem?”

„O zeker! Hij is altijd heel lief voor ons en voor mama ook.”

„Och kom! Dat is erg aardig, ja. Nu, dan begrijp ik wel dat je veel van hem houdt.”

„Ja zeker,” bevestigde het kind op den vasten toon, dien ze altijd van Lugtens had gehoord.

„En je maatje houdt stellig ook veel van hem, als hij zoo lief is voor jullie.”[105]

Kleine Lena knikte heel ernstig met haar blonden krullebol, en als om zelfs den schijn te vermijden, dat haar moeder ondankbaar zou zijn voor de liefheid van Geber, voegde ’t kind er argeloos bij:

„Elken middag na het eten gaat mama bij oom in de kamer om met hem te praten en hem gezelschap te houden.”

Twee andere oudere dames, die er ook bij zaten, oplettend luisterend, keken daarop elkaar ineens stijf aan, onderuit blikkend, de kin langzaam op de borst drukkend, de lippen opeen, de heele uitdrukking van met geweld ingehouden losbarstingen van verontwaardiging over andermans schandaal.

„Zoo!” ging de nette, zeer fatsoenlijke jonge vrouw voort met een lieve vleiende stem en een allervriendelijkst gezichtje. „Dan zal mama ’s avonds wel moe zijn, als ze den heelen dag niet geslapen heeft.”

„Ze slaapt ook wel ’s middags, soms in ooms kamer.”

„Wil je een chocolaadje, liefje? Hoelang ben je al hier? Waar ben je nu eigenlijk liever, hier of thuis? Wil je eens een album zien met mooie portretten? Of een prentenboek?”.…

Kleine Lena werd overstelpt met lekkers en aardige verhalen, die ze bewonderend aanhoorde, alles door en van de nette, zeer fatsoenlijke jonge vrouw, die niet wilde dat het kind zou onthouden wat ze had gezegd; en tegenover de kleine Lena, met haar helder, scherpzinnig maar naïef onschuldig hoofdje trof die maatregel volkomen doel.

Intusschen hadden de hoofden van de twee andere dames zich bij die nieuwe onthulling in halve cirkels bewogen van den eenen kant naar den anderen, met schrikkelijk oogverdraaien, als zochten ze iets om onder weg te kruipen of zich meê te bedekken, van schaamte over een anders schandaal. En toen Lena weer was gaan spelen met de andere kinderen, keken ze elkaar aan, alle drie eerst nog zwijgend met knikjes van: „Het is wat moois” en „Wat-zeg-je-er-van?”—tot ze, de hoofden bijeen, fluisterend los kwamen in schelden en kwaad spreken.

Het steentje rolde dadelijk voort. Heel het kleine plaatsje wist het schandaal, nog op den eigen dag, en de logeergasten namen het dankbaar meê naar hun woonplaatsen, als het liefste en beste dat hun was ten deel gevallen; het nieuwtje reed voort in de reiswagens; ging per post in brieven, draafde te paard over het gebergte en op zijn weg circuleerde het op de ondernemingen, in de woonhuizen der kleine plaatsen en in de sociëteiten als een der vele indische familie-schandaaltjes; een der besteplats-du-jour.

Zij, Geber en Clara, hadden er geen flauw vermoeden van, toen zij[106]hem op een ochtend vond, heel vroeg, in de voorgalerij in een luierstoel. Zij schrikte van zijn gezicht. In de laatste weken was hij heelemaal hersteld; hij was dikker geworden en net zoo rustig en kalm als vroeger; nu scheen het ineens dat al het effect verloren ging, hij zag weer bleek als was; zijn oogen glinsterden weer en over zijn heele gezicht lag het waas van een ziekelijken toestand, gelijk toen ze van huis gingen.

„Wat heb je?” vroeg ze ontsteld over die verandering.

„Ik? Niets.… Weer voor het eerst slecht geslapen.… ’t Zal wel overgaan, hoop ik.”

„Dat hoop ik waarlijk ook. Ik schrikte ervan zoo bleek zie je.”

„Och,” zei hij geruststellend. „Daar moet je niet van schrikken. De eene mensch heeft dat gauwer dan de andere. Ik schijn al heel spoedig op te bleeken.”

„Het is geen gekheid, Wim. Er is iets dat je hindert, maar dat je verzwijgt.”

„Toch niet.”

„Waarom zou je het niet zeggen; mij niet?”

„Och kom?” loog hij, „het is wezenlijk niets. Laat de jongen me maar ’n kop koffie brengen; dan ga ik baden en ben weer heelemaal in orde.”

Zij haalde de koffie zelf, om die beter te kunnen krijgen dan ze anders was; zij verzorgde hem dien dag als een zieke.

Hij nam glimlachend de kleine attenties aan; hij had er geen behoefte aan; als Roos ’t zelfde had gedaan, zou hij zich in stilte boos hebben gemaakt en hardop gezegd hebben, dat ze niet zoo dwaas moest wezen; nu voelde hij een aangename stille erkentelijkheid.

Het was weer zoo; het was zelfs erger; hij was dien nacht weer onverwachts wakker geworden met zijn visioen en de zwaarmoedige onverschillige opvatting van het leven, die er altijd bij kwam, alsof het zoo hoorde. Hij had neêrgelegen in zijn eigen gedachten als in een zwaren droom; niet eenige oogenblikken, maar uren achtereen; uren, die hij duidelijk hoorde slaan; en er was bij gekomen, wat er vroeger niet bij was; een geluid in zijn hoofd als een stem, maar ongeaccentueerd, dat hem scheen aan te sporen; dat naast en met zijn gedachten bleef voortleven, maar een hem duidelijke strekking had: Hij moest het doen,—dat was het.—

Voor haar had hij niet kunnen verbergen, dat hem iets kwelde; zijn ontkenningen had zij niet geloofd, en dàt hij ziek was stond bij haar vast. Zij drong echter niet aan, toen ze zag, dat hij voor het oogenblik niets wou zeggen. Eerst in den namiddag kwam zij erop[107]terug. Het was in een phase van onverschilligheid en zenuwontspanning, gelijk die, waarin hij Roos zijn verhouding tot haar tante had bekend, en achterover op zijn bed liggend, de armen boven het hoofd, den blik met wijd open oogen strak naar detendaomhoog, vertelde hij haar alles van het vreemde denkbeeld dat hem vervolgde, van zijn nachtelijke kwellingen en toenemende slapeloosheid; de ellende zijner geschokte zenuwen.

„Heb-je het anderen al gezegd?”

„Neen, Clara; jij bent de eerste.”

„Ook niet aan den dokter?”

„Ook niet.”

„Dan zal ik het hem vertellen.”

Hij zweeg, altijd maar omhoog kijkend, als in gedachten verzonken. Zacht begon hij tegen haar te spreken; zijn gemoed verder uit te storten over het onbekende, dat hem vervolgde.

„Begrijp wel,” zei hij, „dat geen gewone redenen voor me bestaan. Ik word niet getroffen door rampen, zit niet in zorgen, heb geen schulden of verdriet. Het is waar, dat wij man en vrouw moesten wezen, maar de omstandigheden zijn, dat weten we bij ondervinding, van dien aard, dat de toestand ons niet overweldigend bedroeft.”

„Neen,” zei Clara diep zuchtend, „dat kan de reden zeker niet zijn; en zou die tegenwoordig in geen geval kunnen wezen.”

„Juist,” stemde hij toe. „Dan een andere, bijvoorbeeld pijn of ziekelijke toestand als oorzaak; daarvan is ook geen quaestie.”

Zij wist weinig af van hetlugubereonderwerp, en huivering bij huivering liep haar langs den rug; hij, met het idee al zooveel maanden vertrouwd, sprak er rustig over als iemand, die een zaak van meer dan een kant heeft bekeken.

„Ik ken,” ging hij gelaten voort met eentonige stem, „geen andere redenen. Er is hoegenaamd niets dat een overweldigenden invloed op mijn geest uitoefent; niets, zou ik zeggen, dat mij van mijn vrijheid van handelen zou kunnen berooven.”

„Neen,” stemde Clara alweêr zuchtend toe, zonder dat zij nu juist een helder begrip of duidelijke voorstelling van zijn betoog had.

„Neen, Wim, dat is zoo. Ik vind het verschrikkelijk gek.”

Hij richtte zich plotseling op en wendde zijn bleek gezicht zoo snel naar haar toe, dat zij ervan schrikte en zelf verbleekte.

„Je hebt het woord gezegd! Er is een reden; het zou niet kunnen opkomen, zonder een reden; anders zou het in strijd zijn met mijzelven.”

„Hoe bedoel je dat?”[108]

„Er moet een excuus zijn,” ging hij voort, zich weer achterover latend, het hoofd terug in de holte, die ’t gemaakt had in het kussen. „Een excuus! Na hetgeen ik zei, blijft er nog maar één over.…. Je hebt het woord genoemd, Clara, ik zou gek moeten zijn of op weg het te worden.”

„Dat is onzin,” protesteerde zij. „Je redeneert zóó verstandig als iemand maar doen kan, en dan.…. neen, dat is nonsens.”

Hij schokschouderde onverschillig.

„’t Is toch zoo!”

„Het is niet waar, Willem,” hield ze vol. „Je bent enkel maar ziek.”

En toen ze den spottenden glimlach een oogenblik zag op zijn gezicht:

„Ik bedoel ziek naar het lichaam. Daarom zal ik het aan den dokter zeggen. Laat die je ernstig onderzoeken. Volg een leefregel.”

Zij sprak driftig, opgewonden, heel ongewoon voor haar doen. Aan alles toch had ze kunnen denken, maar niet aan zoo iets verschrikkelijks. Weêr maakte hij het onverschillig gebaar.

„Als ik het een dokter zeg, weet ik wat hij vragen zal; dat doen ze allen.”

„Juist dat is goed. Hij moet ook.…”

„Hij zal vragen of zich in mijn familie wel eens meer gevallen hebben voorgedaan.”

„Toch niet, Wim,” riep ze verschrikt. „Het is toch niet waar?”

Hij knikte langzaam, toestemmend.

Zij zat onbeweeglijk op den rand van het bed; de handen rustend op de knieën, ontsteld tot gedachtenloosheid; met één voorstelling nog voor haar geest: kleine Lena.

„Het is waar. Voor zoover ik kan nagaan zijn er twee: mijn grootvader en het laatst een oom. Nu, je begrijpt, dat is te zot om van te spreken.”

Verwonderd luisterde zij toe. Waarom was dat zoo zot? Was het niet integendeel het eenig natuurlijke en verklaarbare?

„Het is zoo’n dokterspraatje, dat begrijp-je. Wat ter wereld zou het geval van die menschen, ’n halve eeuw en meer geleden, met mij te maken kunnen hebben.”

Clara antwoordde er niet op; ze had willen huilen van verdriet en medelijden om en met hem; ineens herinnerde zij zich dien nacht van het groote feest te Koeningan; en zij sprak ervan.

„Je weet wel,” zei ze, „toen je gekleed in een luierstoel lag en zoo schrikte toen ik je riep.”

Hij had de handen voor het gezicht gelegd, zijn hoofd ging langzaam in het kussen heen en weer.

„Het was de eerste maal.”[109]

Zij herinnerde het zich levendig en zij werd bang; zij keek nu naar hem met vrees en schrik.

Zij kreeg een gevoel van zekerheid, dat er tusschen hen een niet weg te ruimen hindernis was opgekomen: dat er nooit meer iets bestaan zou tusschen Geber als man en haar als vrouw; dat, wat zij ooit voor hem van dien aard had gevoeld, niet weer kon opgewekt worden. De vrees voor den grooten onbekende, den dood, had haar ineens verschrikkelijk aangegrepen, en terwijl hij daar lag, de handen nog altijd op het gezicht, kon zij het niet over haar verkrijgen die zacht weg te nemen en hem te troosten en op te beuren; zij voelde er wel aandrang toe in haar medelijden met hem, maar de vrees en de siddering, die haar beving bij de gedachte aan de vreeselijke dingen, die hij haar zoo ijzingwekkend kalm had verteld, hielden de overhand, en zoo bleven zij minuten lang zwijgend bij elkaar, tot er op de kamerdeur werd geklopt.

Geber stond op en ging opendoen, de deur op een kier, uit vrees dat een bediende naar binnen mocht kijken en zien wie bij hem was. De jongen stak hem twee brieven toe, en daar hij enkel maar het adres, kon zien van den bovenste, het zijne, nam hij ze allebei aan, dadelijk de deur weer sluitend. Maar binnen zag hij, dat de andere voor Clara was; hij kende de hand van mevrouw Uhlstra op het adres.

Het hinderde hem, dat de bediende die twee brieven bij hem had afgegeven op dat uur.

„’t Zal een vergissing zijn,” zei hij, bij wijze van verontschuldiging.

Het kon haar op ’t oogenblik minder schelen. Haar hoofd stond er niet naar zich voor zulke kleinigheden te interesseeren, nu haar al wat hij had verteld zoo schrikkelijk op het lijf was gevallen. Dáár dacht ze over door, met de toenemende overtuiging, dat hij reddeloos was verloren; dat hij ’t avond of morgen de hand zou slaan aan zichzelven.

Zij nam den brief aan en scheurde het enveloppe open, werktuigelijk, vervuld van droefheid en afkeer; zóó vouwde ze ook den brief open, en zag, dat hij van haar zuster Leen was. Het „Clara” zonder meer, schrikte haar op. Wat was dat nu weer?

„Kom dadelijk met uw kinderen hier. Er wordt overal schande gesproken van uw gedrag daarboven met Geber. Het is vreeselijk zich zoo te misdragen, zonder te denken aan de schande voor uw familie en voor uw eigen kinderen. Kom dadelijk terug. Elk oogenblik kan Lugtens het vernemen, en dan gebeuren er rampzalige dingen voor ons allemaal.Lena.”

„Kom dadelijk met uw kinderen hier. Er wordt overal schande gesproken van uw gedrag daarboven met Geber. Het is vreeselijk zich zoo te misdragen, zonder te denken aan de schande voor uw familie en voor uw eigen kinderen. Kom dadelijk terug. Elk oogenblik kan Lugtens het vernemen, en dan gebeuren er rampzalige dingen voor ons allemaal.

Lena.”

[110]

Zij keek hem aan, terwijl hij zijn brief las, daarmeê nog bezig; het was er een van Twissels.

„Amice,” schreef hij. „Deze is dienende u kennis te geven van zeer ergerlijke praatjes, hier over u en mevrouw Lugtens in omloop en die ook mij ter oore zijn gekomen. Ik doe, zooals gij begrijpen zult, mijn best deze lasterpraatjes tegen te spreken, daar onze goede, vriendschappelijke oude relaties, zoo in als buiten zaken, mij daartoe verplichten. Intusschen acht ik het in aller belang, dat gij naar uw land ten spoedigste terugkeert en mevrouw Lugtens naar haar huis. Gij zult mij verplichten met eenig antwoord zoo spoedig mogelijk, en mij ook zeker ten goede houden, dat ik in het belang onzer gemeenschappelijke zaken niet geaarzeld heb mij van dezen voor mij onaangenamen plicht te kwijten, terwijl ik er vast op reken, dat gij aan mijn zeer dringend verzoek zult gevolg geven, ten einde een voor onze zaken allernoodigste samenwerking niet in ernstig gevaar te brengen.

t. t.

Twissels.

Geber was er zeer verontwaardigd over.

Dat was nu een man, die leefde met een huishoudster en zich zelfs niet ontzag die toe te laten tot zijn voorgalerij; een man bij wien hij wist, dat op sexueel gebied niets woog!

„Daar schrijft hij ook niet over,” zei Clara toen ze den brief had gelezen en Geber zich in dien geest opgewonden uitliet.

„Hij spreekt alleen van zaken; daarin zal hij wel gelijk hebben.”

„Je bent toch, hoop ik, niet van plan het te doen.”

Clara zag hem aan en zeide:

„Lieve Wim, ik geloof dat het niet anders kan.”

„En ik doe het toch niet,” ging hij voort, nu geheel in drift, terwijl zij kalm en terneergeslagen was. „Ik zal.…”

Zij reikte hem het korte epistel van haar zuster toe, dat hij las in een oogenblik, en waarbij aan z’n gezicht was te zien, dat zijn opgewondenheid ineens wegzonk.

„Het is verschrikkelijk!” zei hij verdrietig. „Ja, ik begrijp het nu ook.… wij moeten!”

„Zeker moeten we.”

„En we zouden toch moeten, nu of over een of twee weken. ’t Is ook eigenlijk alles hetzelfde.… wat langer of wat korter.”

Haar gemoed schoot vol; ze zag op, terwijl ze op een stoel zat nu, omhoog naar zijn bleek treurig gezicht boven de lange gestalte, haar oogen vol tranen, en ze vroeg hem met haar zachte, beschaafde stem, trillend van ingehouden droefheid:[111]

„Toch niet dáárvoor, Wim! Zeg dat je niet dat bedoelt.”

Hij boog zich voorover, lei de handen op haar mooie schouders en kuste haar op het voorhoofd, zooals een broer het zijn zuster had kunnen doen.

„Wees maar gerust, Clara. Dàt bedoelde ik niet; zoo’n vaart zal het niet loopen. Ik zie ertegen op naar Koeningan te gaan; dat begrijp je toch! Ik zie ertegen op als tegen een berg. Maar het zal weldjadials ikweêrin de sleur van het werk terug ben. In Gods naam, het kan niet anders.”

Zij vatte moed en haar eigen overtuiging der noodzakelijkheid herkreeg daar zijn invloed bij.

„Het moet, zeker, en hoe eer hoe beter.”

Met geen enkel woord hadden zij gesproken over hun eersten indruk van verwondering, dat alles zoo bekend was geworden, gerijpt tot een publiek onderwerp van gesprek in de stad.

Het baatte immers toch niets!


Back to IndexNext