VI.

LUTHERS KLOOSTERCEL IN ERFURT.LUTHERS KLOOSTERCEL IN ERFURT.

Bij een bezoek van den vicaris-generaal, dat is de overste van de Orde, doctor Johann Von Staupitz, had deze al aanstonds opgemerkt, dat die nieuwe broeder Martinus geenluiemonnik was, en den prior verzocht hem gelegenheid tot studeeren te geven, en hem met zachtheid te behandelen.

De vriendelijke man gevoelde zich bijzonder aangetrokken tot dien jongen monnik met zijn droefgeestig, vermagerd gelaat en ingevallen oogen, en had al spoedig zijn vertrouwen weten te winnen; en deze op zijn beurt vereerde den ouderen vriend, die hem zooveel belangstelling toonde, als een vader, en legde geheel zijn hart voor hem bloot.

Veel spraken ze samen over wat hem bezwaarde. „Zie op de wonden van den Heere Jezus, en op het bloed, dat Hij voor u gestort heeft,” onderrichtte hem zijn vriend; „hierin zal Godsgenadezich aan u vertonen. Vertrouw alleen opZijngerechtigheid. Niet door het lichaam te pijnigen kunt ge van de zonde verlost worden, maar door u te werpen in de armen van den Verlosser. Heb Hem lief, die u eerst heeft liefgehad.”

De gesprekken van dezen vromen, verstandigen man waren Luther tot grooten zegen. Hij leerde gelooven dat God in Christus een liefhebbend Vader is, en niet uit vrees voor straf, maar uit dankbare wederliefde gediend en gehoorzaamd wil zijn. Ook kreeg hij den wijzen raad, voortaan al zijn godgeleerdheid uit den Bijbel te putten. En toen Von Staupitz Erfurt weer ging verlaten, zag Luther tot zijn onuitsprekelijke blijdschapzijn hartewensch vervuld, en kreeg hij van zijn vriend een Bijbel ten geschenke.

In het tweede jaar van zijn verblijf in het klooster werd Luther ernstig ziek; en in het gezicht van den dood kwam al zijn onrust en vrees over zijn zonden met kracht weer boven. „Mijn zonden, mijn zonden, mijn zonden!” klaagde hij. Maar door de trouwe zorg des Heeren kwam er een oude, vriendelijke monnik bij hem. Deze zette zich naast den zieke neer, hoorde zijn klachten aan, en ging toen heel eenvoudig aan het praten over het woord uit de Geloofsartikelen, dat hemzelf eens vertroost had:Ik geloof de vergeving der zonden. „Maar,” zei hij er bij, „het is niet genoeg te gelooven, dat de zonden aan David en aan Petrus vergeven zijn. 't Is Gods bevel, dat wij gelooven zullen, dat ze ook aanonszijn vergeven.”

Dit eenvoudig woord werd Luther tot troost. O, hoe heerlijk klonk dit bevel hem in de ooren! Dagelijks bad hij den Heer hem te helpen om het te gehoorzamen; en in zijn Bijbel zocht hij alles op, wat zijn geloof in de vergeving zijner zonden versterken kon.

De rust, die zijn ziel daardoor kreeg, werkte ook genezend op zijn lichaam. Hij herstelde nu spoedig, en kort daarop was het Kerstfeest. Luther had nog nooit zoo blij Kerstfeest gevierd.

Den 2denMei 1507 werd Luther tot priester gewijd. Zijn vader was uitgenoodigd om de plechtigheid bij te wonen. Hij nam het aan, maar niet met zijn zin. Aan het feestmaal verklaarde hij rondweg, dat hij liever thuis was gebleven. Hij kon er nog maar geen vredemee hebben, dat zijn knappe Maarten, aan wiens studie hij zooveel opgeofferd had, vergeten binnen de kloostermuren zat, inplaats van in de wereld te schitteren met zijn kunde als rechtsgeleerde. Hij had hem in al dien tijd nog niet gezien, maar boos was hij toch niet meer. Als bewijs daarvan gaf hij hem twintig gulden ten geschenke. Moeder Margaretha was zelfs overgelukkig een zoon te hebben, die priester was.

Na zijn priesterwijding bleef Luther niet lang meer in het Erfurter klooster. Frederik de Wijze, de keurvorst van Saksen, had kort tevoren te Wittenberg een hoogeschool opgericht, en op aanraden van Von Staupitz werd pater Martinus door den vorst tot hoogleeraar aan deze universiteit benoemd.

Zoo kwam dat Luther in 1508 Erfurt verliet en in het Augustijner klooster te Wittenberg ging wonen; want hoewel hoogleeraar bleef hij toch monnik.

Luther was toen vijf en twintig jaar.

't

Was heelemaal niet naar Luthers zin dat hij geroepen was, de wijsbegeerte te onderwijzen. Zijn hart ging naar de godgeleerdheid uit; en hij studeerde wat hij kon, vooral Grieksch en Hebreeuwsch, om zijn kennis uit de bron zelf, den Bijbel, te kunnen putten.

In Maart 1509 verkreeg hij zijn wensch. Toen werd hij candidaat in de theologie; en van nu af mocht hij elken middag zijn studenten uit den Bijbel onderwijzen. Dat waren heerlijke uren, zoowel voor hemzelf als voor zijn leerlingen. Hij begon met de verklaring van de Psalmen en daarna van den Brief aan de Romeinen. En terwijl hij zijn studenten onderwees, werd hijzelf door Gods Geest onderwezen.

Van de akademie in zijn eenzame kloostercel teruggekeerd, zat hij urenlang over den Romeinenbrief gebogen; en hoe dieper hij nadacht over wat daar geschreven stond, hoe meer het licht van de waarheid opging in zijn ziel. Vooral trof hem het woord:De rechtvaardige zal uit het geloof leven. 't Was hem, als legde de Heer deze woorden zelf in zijn hart. 'tGeloof,dàt was wat rechtvaardig maakte en naar den wil van God leerde leven. 't Was Luther, als kwam er met die woorden nieuw leven in hem. Telkens hoorde hij ze weer, zelfs temidden van zijn drukste bezigheden.

De lessen, die Luther gaf, geleken niets op wat tot dusver was gehoord. 't Was maar geenboekenkennis, maarBijbelkennis, die hij meedeelde; en die kwam niet uit het hoofd, maar uit het hart; dit voelden zijn leerlingen dadelijk. Wijd en zijd werd er over gesproken en van overal kwamen er jonge, vreemde studenten naar de Wittenbergsche hoogeschool. Zelfs professoren schaamden zich niet om Luthers lessen te komen bijwonen. Eén van hen, een bijzonder knappe, zei: „Deze monnik zal al de leeraren van den weg brengen. Hij zal een nieuwe leer invoeren en heel de Kerk hervormen; want hij grondt zich op het Woord van Christus; en er is niemand ter wereld die dat Woord bestrijden of omverwerpen kan.”

Op een goeden dag kwam Luthers vriend Von Staupitz hem het voorstel doen om in de Augustijnerkerk te preeken. Maar daar schrikte Luther voor terug. Hij op den preekstoel? Hij vond zich veel te onwaardig en te zwak voor zulk een zwaarwichtige taak. „Neen, neen!” weerde hij af. „'t Is geen geringe zaak om in Gods plaats tot de menschen te spreken.”

Von Staupitz wilde echter van geen tegenbedenkingen hooren. En toen Luther zag dat zijn verontschuldigingen geen van alle hielpen, zuchtte hij: „Ach, heer doctor, u maakt me dood! Ik houd het geen drie maanden uit.”

„Dat maakt geen verschil,” was het antwoord.„Onze Heere God heeft Boven ook geschikte menschen in Zijn dienst noodig.”

Toen was Luther uitgepraat. Hij nam de opdracht aan; en wat hem eerst zoo had bezwaard werd hem al spoedig een bron van vreugde. Met vuur en kracht predikte hij het Evangelie aan de gretig-luisterende menigte; eerst in het kerkje van het klooster; en toen dat te klein werd, in de veel grootere stadskerk, voor een nog talrijker gehoor. Zelfs de keurvorst kwam eens naar Wittenberg om hem te hooren. En hoe meer hij tot het volk sprak, hoe meer hijzelf de kracht van Gods Woord ervaarde.

Toch was Luther nog altijd een trouw aanhanger van de Roomsche Kerk en den paus. Hij was daarom niet weinig verblijd, toen hij in 1511 door zijn vicaris-generaal naar Rome gezonden werd, met nog een priester van zijn orde, om daar eenige kloosterzaken te bespreken.

Deze reis is zoowel voor hem als voor de Hervorming van groot nut geweest. „Ik wilde voor geen honderdduizend gulden dat ik Rome niet gezien had,” verklaarde hij later. Niet omdat hij er zooveel liefelijks had aanschouwd, maar juist omdat de herinnering aan al de teleurstellingen en ergernissen, op dien tocht ondervonden, hem later deed inzien hoe verbasterd de Kerk was en hoe verderfelijk haar leer.

Met groote blijdschap en vol verwachting had Luther half October met zijn kloosterbroeder de voetreis ondernomen. Nu zou hij eenigen tijd in de dichte nabijheid zijn van den heiligen paus en van zooveelandere vrome dienaren van de Kerk! Dáár zou hij de ware rust en heiligheid vinden!

Maar ach, wat een ontnuchtering! „Hoe dichter bij Rome, hoe slechter Christenen”, vertelde hij later. Groot was zijn verbazing en nog grooter zijn verontwaardiging over de verregaande zedeloosheid, die hij in Italië aantrof. Maar hij troostte zich met de gedachte, dat het in Rome zelf toch wel heel anders en beter zou zijn.

Ook in de kloosters, waar hij onderweg zijn intrek nam, zag hij veel onbehoorlijks. Zoo vertoefde hij eenige dagen in het rijke klooster der Benedictijners, waar alles even weelderig en prachtig was ingericht. Het maakte den nederigen broeder uit het arme klooster te Wittenberg stom van verbazing. Als gast durfde hij echter geen aanmerkingen te maken. Maar toen hij er ten overvloede op vastendag de tafel beladen zag met een keur van vleeschgerechten, kòn hij niet zwijgen.

„De Kerk en de paus verbieden zulke dingen,” vermaande hij.

De monniken lachten wat om hun nauwgezetten gast; en toen ze zagen dat het hem ernst was, werden ze kwaad en gingen ze aan het schelden. Zoo'n lompe Duitscher! Wou die hun de les lezen? Zoo'n stillen verklikker konden ze in hun klooster wel missen.

't Werd voor Luther raadzaam dat hij heenging. Zijn vertrek uit het klooster geleek veel op een vlucht. Te Bologna werd hij ernstig ziek. Sommigen zeggen door vergif, hem in het klooster toegediend; anderen meenen dat de matige monnik, zoo gewend aan zijnsoberen kost, er het eten niet heeft kunnen verdragen.

Luther was heel treurig gestemd. Hij vreesde in den vreemde te zullen sterven. Maar daar kwamen die woorden hem weer te binnen:De rechtvaardige zal uit het geloof leven. En ze gaven hem weer troost, moed en kracht. Hij herstelde en kon zijn reis voortzetten.

Einde November was het doel bereikt en zag Luther, van de hoogte waarop hij stond, de heilige stad, met haar menigte torens en koepels, aan zijn voeten liggen. Vol aandoening knielt hij neer en in vervoering roept hij uit: „Wees gegroet, heilig Rome!”

Helaas, nieuwe teleurstelling! Inplaats van beter was het in Rome, zoo mogelijk, nog erger. Pracht en praal was er genoeg; maar met den godsdienst was het er allertreurigst gesteld. Priesters, bisschoppen zelfs, hoorde hij spotten met het heiligste.

Eens hielp hij in een kerk de mis bedienen; maar terwijl hij nog aan de eerste was, had de priester aan het altaar naast hem er al zeven gelezen. „Vlug wat, vlug wat!” hoorde hij hem fluisterend roepen; „maak dat Onze Lieve Vrouw haar Zoon terugkrijgt!”

En dat was nogal bij de mis, waarbij aan het volk werd geleerd, dat de ouwel, die de priester in de hand hield, door het uitspreken van eenige Latijnsche woorden, in het werkelijke lichaam van den Heere Jezus veranderde. Luther geloofde vast dat het waar was; daarom was hij er altijd zoo eerbiedig bij. Maar nu zag hij, dat de priesters in Rome het niet geloofden, ja, er mee spotten.

Deze dingen, en nog veel meer goddeloosheden,die hij er hoorde en zag, bedroefden hem diep. Maar toch bleef hij nog vasthouden aan de leer der Kerk. Zoo wilde hij, als vroom pelgrim, Rome niet verlaten, zonder op zijn bloote knieën de acht en twintig treden van de marmeren Pilatustrap opgegaan te zijn. Dit was een van de heiligste werken, die men doen kon, en aan het beklimmen van elke trede was een aflaat van negen jaren verbonden. 't Was dezelfde trap, zoo luidde het verhaal, die voor het rechthuis van Pilatus had gestaan en door de voeten van den Heiland was betreden geworden. Door een wonder was die trap van Jeruzalem naar Rome gekomen.

Ook deze dwaasheid geloofde Luther nog; en dus kroop hij al biddend de treden op. Maar terwijl hij er mee bezig is, hoort hij opnieuw met kracht die inwendige stem:De rechtvaardige zal uit het gelóóf leven.

Verschrikt springt hij overeind. Als eenwaarschuwingklinken thans die woorden hem in de ooren. Hij ziet opeens, met schaamte en afschuw, hoe bijgeloovig hij is; en dadelijk maakt hij rechtsomkeert en lóópt naar beneden. Neen, geen eigen werk, maar alleen het geloof in Jezus Christus, Gods Zoon, kan hem rechtvaardigen. Niet door boetedoeningen of wat ook kan hij de vergeving van zijn zondenverdienen. Hijbehoeftdie ook niet te verdienen. ZijnVerlosserheeft ze voor hem verdiend.Dieheeft zijn schuld geboet, door Zijn lijden en kruisdood. Als hij dàt waarlijk gelooft, schenkt God hem de vergeving uitgenade, omniet.

O, wat een heerlijk licht gaat er nú op in Luthersziel! Wat wordt het nú rustig daarbinnen!De rechtvaardige zal uit het gelóóf leven.Nu begrijpt hij pas goed de beteekenis van dit woord. Zelf vertelde hij later daarvan: „Zoodra Gods Geest mij die woorden leerde verstaan, gevoelde ik mij als een nieuw mensch herleven en trad ik door open deuren het Paradijs van God binnen. Van toen af beschouwde ik ook den dierbaren Bijbel met geheel nieuwe oogen. Het woord „Rechtvaardigheid Gods”, waar ik vroeger bang voor was, werd mij nu tot troost, kreeg ik nu lief. Waarlijk, dat woord was voor mij de rechte deur van het Paradijs.”

Zoo vond Luther te Rome dan tòch, wat hij er was komen zoeken: rust en vrede voor zijn hart. Niet, zooals hij eerst gehoopt had, door de nabijheid van den paus; ook niet door de Pilatustrap; maar door die woorden uit Paulus' brief, honderden jaren geleden door den apostel geschreven juist aan de Christenen in datzelfde Rome.

Gezegende reis! 't Was de Heer zelf die hem er gebracht had. In Rome was Luthersharthervormd. Nú kon hij, op Gods tijd, beginnen met de hervorming van deKerk.

In 1512, kort na Paschen, keerde Luther te Wittenberg terug, en nog datzelfde jaar werd hij er tot doctor in de godgeleerdheid bevorderd. Bij deze gelegenheid legde hij, volgens zijn eigen woorden, den eed af aan „zijn dierbare en heilige Schrift”, en beloofde hij, „haar getrouw te verkondigen, zuiver te leeren, gedurende zijn gansche leven te beoefenen en tegen alle valsche leeraars te verdedigen”.

En aan die belofte is Luther trouw gebleven, zijn leven lang. Hoe beter hijzelf de waarheid leerde verstaan, hoe vuriger hij haar predikte aan anderen; hoe meer hij zag wat al onwetendheid en dwalingen er onder de menschen heerschten, hoe meer hij zijn best deed, die te bestrijden.

Van goede werken als middel om de zaligheid te verdienen, wilde Luther niets meer weten.

„Ik, doctor Martin Luther, onwaardig Evangeliedienaar van onzen Heere Jezus Christus, belijd, dat het geloof alleen voor God rechtvaardigt zonder de werken. Dit is het ware Evangelie, dat niemand voor onze zonden gestorven is dan Jezus Christus, Gods Zoon. En indienHij alleen het is, die de zonden wegneemt, kunnen wij het niet doen met onze werken. Maar de goede werkenvolgende verlossing, gelijk de vruchten zich vertoonen aan den boom. De begeerte om zichzelf rechtvaardig te maken is voor het hart een bron van angst en vrees. Maar wie Christus als Verlosser aanneemt, heeft den vrede; en niet alleen den vrede, maar ook de reinheid des harten. Alle heiligmaking is een vrucht van het geloof; want het geloof is een goddelijk werk, dat door den Heiligen Geest ons hart vernieuwt en nieuwe menschen van ons maakt.—Dit is onze leer. Het is die, welke de Heilige Geest leert. Wij bewaren haar in den naam van God. Amen!”

Zoo bracht Luther aan groote scharen van toehoorders de „Blijde Boodschap”, zooals hij die zelf had leeren verstaan. En het klonk alles zoo eenvoudig en waar wat hij zeide van het geloof in den Heere Jezus, dat de menschen zich verwonderden, het vroeger zelf niet zoo te hebben ingezien.

Vooral voor de hoogeschool was hij tot zegen. „Als Luther voor zijn studenten de Schriften verklaarde,” zegt een van zijn vrienden, „was het of er na een langen, donkeren nacht een nieuwe dageraad opging over de leer.” En dat begrijpen we, als we Luther zelf hooren zeggen: „In mijn hart heerscht alleen, enmoetook alleen heerschen, het geloof in mijn Heere Jezus Christus, die alleen het begin, het midden en het einde is van al de gedachten, die nacht en dag mijn geest vervullen.”

Dat Luther in zijn prediking anders leerde dan deKerk, was hij zich toen nog niet bewust, en als gehoorzame monnik was dit ook allerminst zijn bedoeling. Tot er iets gebeurde, dat hem voorgoed met Kerk en paus in botsing bracht.

Paus Julius II was begonnen in Rome een buitengewoon prachtige kerk te bouwen, de St. Pieterskerk; en zijn opvolger, Leo X, wilde dit werk voltooien. Maar dit kostte ontzaglijk veel geld en—de schatkist was ledig.

Dit was trouwens niets nieuws. Paus Leo, vriendelijk en innemend, maar zonder éénigen godsdienstzin, was een bijzonder pracht- en kunstlievend man, en verspilde onnoemelijke schatten, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor zijn op vermaak en feesten beluste hovelingen. Ook schonk hij veel weg aan familie en armen, die bij hem aanklopten, want hij was erg goedgeefsch. Zoodoende had Rome altijd gebrek aan geld, niettegenstaande het er uit alle landen binnenstroomde.

Ook nu zat de Heilige Vader danig in de war. Hij had, behalve voor de St. Pieterskerk, ook een groote som noodig voor een aangekocht handschrift van een van de oude Romeinsche geschiedschrijvers; en om nu aan geld te komen, schreef hij, op raad van zijn neef, den kardinaal Pucci, een aflaat uit, waarin algeheele vergeving van zonden werd toegezegd aan een ieder, die door het koopen van zulk een aflaat geld voor den kerkbouw aanbracht. Ook zou deze aflaat van kracht zijn voor de dooden, zoodat hun zielen uit het vagevuur verlost zouden worden, wanneer er voor hen zulk een brief gekocht en betaald werd.

Oorspronkelijk was zoo'naflaatofvrijlatingeen kwijtschelding vanstraf, door deKerkopgelegd, als boete voor een begane zonde. Die kwijtschelding werd dan geschonken op het verrichten van een zoogenaamd verdienstelijk werk, en kon ook verleend worden tegen betaling van geld voor eenig kerkelijk doel. Maar het volk verstond er doodgewoon onder, dat je voor geldvergeving van zondenkoopen kon, als een broodje bij den bakker. En de verkoopers lieten dat maar zoo, en gingen het ten slotte zelf prediken.

Die aflaathandel was zeer winstgevend. Als de pausen dus geld noodig hadden, schreven ze, onder een of ander voorwendsel, maar zoo'n aflaat uit. En zoo deed Leo X nu ook.

De aartsbisschop van Mainz, Albrecht, mocht er op zijn verzoek in Duitschland mee werken en daarvoor de winst met den paus deelen. Want ook hij had geld noodig om de dertigduizend gulden van zijn bisschopsmantel af te doen, waarvoor hij nog altijd bij Rome in het krijt stond. De Dominicaners, die er ook wel wat aan verdienen wilden, zouden zich met de uitvoering belasten, en zonden hun afgevaardigde, Johann Tetzel, naar Mainz, om zijn diensten aan te bieden.

Deze niet ongeleerde monnik was een door en door slecht mensch. Hij was al eens door keizer Maximiliaan veroordeeld om, in een zak gebonden, in den Tiber geworpen te worden, en had het aan de voorspraak van keurvorst Frederik te danken, dat hij nog leefde. Maar hij was welbespraakt als de brutaalstekwakzalver, die ooit op een markt had gestaan, en voor dit baantje als geknipt.

Deze man reisde met zijn aflaatkraam heel Duitschland door, in een mooi gemakkelijk rijtuig gezeten, door drie ruiters en een groot gevolg begeleid. Kwam hij bij een stad, dan liet hij de overheid zeggen, dat de genade van God en van den Heiligen Vader voor de poorten verschenen was. Aanstonds werden dan alle klokken geluid en met veel eerbetoon haalde men den aflaatkramer in.

Zoo kwam hij in October 1517 ook te Jüterbog, een stad, vlak bij de Saksische grens.—In Saksen zelf mocht hij van den keurvorst niet komen.—Dadelijk kwam alles, wat loopen kon, er op de been. De Raad, de geestelijkheid in plechtgewaad, de gilden met hun vaandels, de onderwijzers en hun scholieren met brandende waskaarsen in de hand, traden hem eerbiedig tegemoet en leidden hem in plechtigen optocht naar de hoofdkerk.

De pauselijke aflaatbul werd op een fluweelen kussen, met goud omboord, vooruitgedragen. Dan volgde Tetzel, met een groot, rood houten kruis in de hand, dat, met de pauselijke wapenen omhangen, vóór het altaar in de kerk werd geplaatst, waar van alle kanten, ook uit het dichtbijgelegen Wittenberg, het volk toestroomde om hem te hooren.

Tetzel beklom den kansel. En wat hij daar dan met kracht en klem den menschen stond wijs te maken, was in één woord allerverschrikkelijkst.

„De aflaten,” zoo begon hij met bulderende stem,„zijn het kostbaarste en hoogste geschenk van God! Dit kruis”—hier wees hij op het roode—„heeft evenveel kracht als het kruis van Christus zelf.” En dan ging hij zijn hoorders de brieven aanprijzen, waarin hun de zonden vergeven zouden worden, niet alleen die ze gedaanhadden, maar ook die ze nog zoudenwillendoen. Berouw deed er minder toe. Koopen en betalen, dàt was de hoofdzaak. „Menschen, ge hebt zooveel doodzonden gedaan, dat ze niet te tellen zijn, en voor elk daarvan zoudt ge zeven jaar in het vagevuur moeten branden!” donderde het over de hoofden. „Maar door zoo'n genadebrief wordt elke schuld uitgedelgd, al is die ook nòg zoo groot. Koopt ook voor uw vader, of moeder of vrienden, die in het vagevuur kermen! Hoort gij het niet? „Erbarm u!” roepen ze. „We lijden vreeselijke pijn! Een kleine aalmoes zou ons verlossen!”—Helpt hen dan! Op hetzelfde oogenblik, dat het geld in de kist klinkt, stijgt hun ziel ten hemel!” En zoo ging hij maar door, met nòg gruwelijker leugens.

't Was wel dwaas van de menschen om al dien schandelijken onzin maar voor goede munt aan te nemen. Maar ze hadden van kind af geleerd, alles blindelings te gelooven wat van Rome kwam. En hoe meer leven en vertoon daar bij was, hoe meer indruk het maakte. Daarbij viel zoo'n leer bij velen wel in den smaak, omdat die een gemakkelijk middel aan de hand deed om het geweten te sussen. Na het „Legt in, legt in, legt in!” aan het einde van zoo'n toespraak uitgebruld, „alsof er een wilde stier bulkte”, volgensLuther, régende het dan ook geldstukken in de offerkist naast het kruis. De spotters hadden er al een rijmpje op:

„Zoodra het geld in 't kistje klinkt,Het zieltje in den hemel springt.”

„Zoodra het geld in 't kistje klinkt,Het zieltje in den hemel springt.”

Want niet allen lieten zich die zotteklap op de mouw spelden. Wie echter aanmerkingen durfden maken, werden door den redenaar zonder complimenten „in den ban” verklaard.

De aflaatkramers werden zelf ook wel eens leuk beetgenomen of in hun leugens gevangen. Maar de ernstige, verstandige lieden bedroefden zich, dat het arme volk zoo het geld uit den zak geklopt en, erger nog, op een dwaalweg gebracht werd. Doch er was niemand, die het openlijk durfde uitspreken.

Tetzel deed intusschen goede zaken. In één stad kreeg hij in drie weken niet minder dan twee millioen gulden bij elkaar. Wagens vol geld gingen de Alpen over. „Allemaal zonden van de Duitschers,” spotten de Italianen.

De treurige gevolgen van Tetzels schaamtelooze bedriegerij werden ook door Luther ondervonden. Als de menschen bij hem kwamen biechten en hij hun, alvorens de vrijspraak te geven, ernstig afvroeg, of het nu ook hun oprecht voornemen was, de beleden zonden te laten en hun leven te beteren, kreeg hij gewoonweg ten antwoord, dat dit niet noodig was, want dat ze aflaatbrieven gekocht hadden bij Tetzel.

Dat was voor Luther te veel. Had hij tot hiertoe gezwegen uit eerbied voor den paus en de kerkelijke instellingen, nu kòn hij het niet langer. Reeds de eerste maal dat hij door zijn vriend Staupitz van den schreeuwerigen aflaatkramer hoorde, had hij gezegd: „Zoo God het wil, zal ik een gat in zijn trommel slaan.” En nu achtte hij het oogenblik daartoe gekomen. Hij rekende het zijn heilige plicht, tegen zulke goddeloosheden openlijk de stem te verheffen en het misleide volk te waarschuwen; niet zoozeer nog tegen den aflaat zelf als tegen de schandelijke wijze waarop daarin handel gedreven werd. Hij had er in de kerk voor het volk al tegen gepreekt. Maar het had weiniggebaat; Tetzel bleef ongehinderd zijn goddeloos bedrijf voortzetten. Nu zou Luther zich tot de leeraars wenden.

DE SLOTKERK TE WITTENBERG.DE SLOTKERK TE WITTENBERG.

't Was 31 October geworden, de dag vóór Allerheiligen, een gewichtige feestdag, die overal in de kerken met veel plechtigheid werd gevierd; vooral te Wittenberg, in de Slotkerk, die keurvorst Frederik er gesticht had. Want in die kerk waren door den keurvorst een menigte dingen bijeengebracht, zoogenaamde overblijfselen van heiligen, waaraan groote waarde werd gehecht; b.v. stukjes hout, naar het heette van het kruis des Heeren, beenderen en tanden van apostelen of andere heiligen, lapjes van kleederen, die ze gedragen hadden, doosjes zand, met bloed van martelaren gedrenkt, en zooal meer. Reliquieën heetten die dingen; en op Allerheiligen werden ze in de Slotkerk vertoond.

Geen wonder dus dat op dien dag de goedgeloovigen bij massa's daarheen togen; niet alleen om er al de heiligen aan te roepen, maar ook om die reliquieën te zien en te vereeren; te meer wijl er met dit kerkbezoek nog een bijzonderen aflaat te verdienen was.

't Was in den morgen van dien 31stenOctober, dat keurvorst Frederik, op zijn kasteel te Schweinitz, aan zijn broeder, hertog Johann, een droom zat te vertellen, dien hij dien nacht had gehad, en dien hij nooit zou vergeten, zei hij, al leefde hij ook nog duizend jaren.

„Ik droomde,” zoo vertelde hij, „dat er een monnik bij mij kwam met verzoek, iets op de deur van de Slotkerk te mogen schrijven. Ik gaf mijn toestemming,en de monnik ging heen en begon te schrijven. Maar hij dit deed in zulke groote letters, dat ik het hier vandaan lezen kon, en met een pen zóó lang, dat het einde er van tot aan Rome reikte, tegen de ooren van een rustig daar liggenden leeuw1)stootte en de kroon op het hoofd van den paus aan 't waggelen bracht. Al de kardinalen en vorsten schoten toe om haar tegen te houden; gij en ik hielpen mee. Onderwijl ging de leeuw, in zijn rust gestoord, zoo geweldig aan het brullen, dat heel Rome en al de staten van het heilige rijk toeliepen om te zien, wat er gebeurde. De paus verlangde, dat men dien monnik het schrijven verbieden zou, en wendde zich in de eerste plaats tot mij, omdat het in mijn land gebeurde. Toen liepen gij en ik en al de rijksvorsten naar Rome, om die pen in stukken te breken. Maar hoe meer moeite we deden, hoe sterker ze werd. Eindelijk gaven we 't op. Ik liet toen aan den monnik vragen,—want ik was nu eens in Rome en dan weer in Wittenberg—vanwaar hij die pen had en hoe zij zoo sterk kwam. Toen antwoordde hij: Die pen is afkomstig van een oude gans in Bohemen en al honderd jaar oud. Ik kreeg haar van een vroegeren schoolmeester. En dat ze zoo sterk is, komt, omdat men haar het merg niet ontnemen kan. Ik sta er zelf over verbaasd.—Toen de monnik dit gezegd had, hoorde ik opeens een geducht leven. Uit die groote pen waren een menigte kleine pennen gekomen.... Toen werd ik wakker.”

Hertog Johann vond het een wonderlijken droom. „Hadden we nu maar een Jozef of een Daniël hier,” zei hij.

„Ik heb al wel over een uitlegging gedacht, maar ik bewaar die voor mij. Misschien zal de tijd nog eens leeren of ik goed gedacht heb,” zei de keurvorst, weinig vermoedend dat de tijd reeds bezig was zulks te doen.

Onderwijl de oude vorst op zijn kasteel over zijn droom bleef voortpeinzen, zat Luther in zijn kloostercel te Wittenberg met een stuk wit papier voor zich. Hij had het feest van Allerheiligen afgewacht als de beste gelegenheid om velen tegelijk tegen de leugenleer van „den grooten beurzendorscher”—zoo noemde hij Tetzel—te waarschuwen. Daarom schreef hij, wat hij er tegen in te brengen had, op dat papier, in vijf en negentig stellingen, die hij, zeide de inleiding, bereid was aan de universiteit in het openbaar te verdedigen. Met een hamer gewapend ging hij er mee naar de Slotkerk en sloeg ze daar aan de hoofddeur aan, waar ze door iedereen gezien en gelezen konden worden.

Daar stond onder meer voor aller oog:

„De aflaatkramers zijn bedriegers wanneer zij zeggen, dat de pauselijke aflaat van alle straf bevrijden en den mensch behouden kan.

„Ondervolkomen vergeving van zonden,bedoelt de paus niet een opheffing vanelkestraf, maar slechts van die, welke hijzelf opgelegd heeft.

„De kwijtschelding en vergiffenis van den paus moetniet veracht worden, want zijn vergiffenis is een verklaring van de vergiffenis Gods.

„Het is een dwaze prediking, te beweren, dat de ziel uit het vagevuur opstijgt op hetzelfde oogenblik, dat het geld in de kist klinkt.

„Zij, die zich verbeelden van hun zaligheid verzekerd te zijn door middel van aflaten, gaan naar den duivel, met hun onderwijzers.

„Ieder Christen, die oprecht berouw heeft over zijn zonden, ontvangt volkomen vergeving van schuld, ook zonder aflaatbrieven.

„Men moet den Christenen leeren, dat hij, die den armen geeft en den behoeftigen leent, beter doet dan hij, die een aflaat koopt.

„Men moet den Christenen leeren dat hij, die zijn naaste gebrek ziet lijden en een aflaat koopt inplaats van hem te helpen, zich het goddelijk ongenoegen op den hals haalt.

„De ware en kostelijke schat der Kerk, is het heilig Evangelie van Gods heerlijkheid en genade.

„Te zeggen, dat een kruis met de pauselijke wapenen versierd, even machtig is als het kruis van Christus, is godslastering.

„Men moet den Christenen leeren, dat, indien de paus het villen en plunderen der aflaatpredikers kende, hij liever den Dom van St. Pieter tot asch verbrand zou zien, dan opgebouwd van de huid, het vleesch en de beenderen zijner schapen.”

Uit deze stellingen blijkt duidelijk, dat Luther toen nog grooten eerbied had voor den paus en zich geroepengevoelde het voor hem op te nemen, in de vaste overtuiging, dat de Heilige Vader onkundig was van wat door Tetzel in zijn naam gedaan werd.

Zooals zich denken laat, wekten zijn stellingen groot opzien. Hij had ze in 't Latijn geschreven, maar ze werden onmiddellijk in 't Duitsch vertaald en in nog geen veertien dagen door geheel Duitschland verspreid. Niemand kwam om ze te weerleggen. Maar de duizenden, die ze op Allerheiligen gelezen hadden, deden niets dan er over spreken; in huis, op de reis, op de markt, in de herberg, wáár men elkander maar zag. Inplaats van aflaten namen de bedevaartgangers ze mee naar hun woonplaats. Iedereen was er vol van en wilde ze lezen en laten lezen. Ze werden afgeschreven, in andere talen overgebracht en bij duizenden gedrukt en verkocht. Naar paleizen, studeervertrekken, kloostercellen, en zelfs naar het Vaticaan vonden ze hun weg. Binnen vier weken wist rijk en arm, geleerd en ongeleerd, in heel Europa en nog verder, er over mee te spreken. „'t Was of de Engelen uitgezonden waren om ze wijd en zijd over de aarde te verkondigen,” zei een tijdgenoot van Luther.—Zou keurvorst Frederik, bij het vernemen er van, niet aan zijn droom hebben gedacht?

De Dominicaners, met Tetzel aan het hoofd, waren woedend, dat die vermetele Augustijner hen in hun bedrijf was komen storen, en maakten hem uit voor den grootste aller ketters, die niet anders dan den brandstapel verdiende.

Ter weerlegging van zijn stellingen liet Tetzel dooreen van zijn handlangers een aantal stellingen vóór den aflaat vervaardigen. Eén daarvan luidde, dat al wie zegt, dat de zielnietuit het vagevuur vliegt, als het geld op den bodem van de geldkist klinkt, in dwaling verkeert. Te Frankfort aan de Oder, waar hij met zijn aflaatkraam heengetrokken was,—'t begon hem zoo dicht bij Wittenberg te benauwd te worden,—liet hij op een openbare wandelplaats een preekstoel en een houtmijt oprichten. Op dien preekstoel ging hij, omhangen met de teekenen van zijn waardigheid als inquisiteur, tegen Luther staan razen; en toen dit afgeloopen was, verbrandde hij op de houtmijt Luthers stellingen. Maar de Wittenbergsche studenten, gloeiend van verontwaardiging over den smaad, hun zoo geliefden en vereerden meester aangedaan, wisten een aantal exemplaren van Tetzels stellingen in handen te krijgen, en stookten daarvan op hun beurt een vreugdevuurtje.

Zooals dat gewoonlijk gaat, koos de één vóór, de ander tegen Luther partij. Velen gingen de oogen open voor het verkeerde van den aflaathandel en verheugden zich, dat er eindelijk iemand gekomen was, die den moed had er tegen te getuigen. Anderen werden er door verbitterd. Zelfs onder Luthers vrienden waren er, die het afkeurden, uit vrees voor de gevolgen.

Maar Luther zei: „Indien de zaak niet in den naam van God gedaan is, zal ze vallen. Indien wèl, laat ze voortgang hebben.”

En ze hàd voortgang, en heeft het nòg. De Heer zelf zorgde er voor, want het wasZijnwerk.

't Is nu juist vierhonderd jaren geleden, dat MaartenLuther zijn stellingen aansloeg aan Wittenbergs Slotkerk. En onder Gods bestuur isditde beslissende stoot geweest tot het groot en gezegend werk der Kerkhervorming. 't Begin, voor zoover men in deze van een begin spreken kan. Daarom wordt 31 OctoberHervormingsdaggenoemd en jaarlijks in de Protestantsche kerken met dankbaarheid herdacht.

Thans, nu we 1917 schrijven en dus het Vierde Eeuwfeest der Hervorming vieren, heeft die dag voor ons natuurlijk nog een bijzondere beteekenis.

1)Leeuw is in 't Latijnleo.

1)Leeuw is in 't Latijnleo.

Het razen van Luthers vijanden noodzaakte hem, zich tegen hun aanvallen te verdedigen. Hij bemerkte, dat zijn stellingen niet door allen goed begrepen waren en achtte het daarom, vooral voor de onpartijdigen, noodig er nog eens een duidelijke verklaring van te geven.

Deze „Verklaring” zond hij ook aan den paus, met een brief, waarin hij den „Allerheiligsten Vader” meedeelde, wat hem bewogen had zijn stellingen te schrijven, en hem ootmoedig verzocht, zijn zaak te willen onderzoeken. Wanneer dit geschiedde, zoo vertrouwde hij, zou zij wel tot een goed einde worden gebracht. Want hij geloofde nog altijd in 's pausen rechtvaardigheid en waarheidsliefde.

Leo X liet er zich echter niet veel aan gelegen liggen. Hij dacht dat het maar een twist tusschen monniken was, en dat die wel spoedig geëindigd zou zijn, ook zonder dat hij zich er mee bemoeide. Maar toen er telkens nieuwe aanklachten tegen dien lastigen monnik bij hem inkwamen, begon het hem te vervelen en kreeg Luther, in plaats van een antwoord op zijnbrief, waarop hij nog altijd vol vertrouwen wachtte, een dagvaarding namens den paus, om binnen zestig dagen in Rome te verschijnen. „Op het oogenblik dat ik den zegen wachtte, zag ik den banbliksem op mij neerdalen,” zeide hij.

Als Luther gegaan was, zou het waarschijnlijk met hem gedaan zijn geweest. Maar zijn keurvorst wist te bewerken, dat hij voorloopig in Duitschland mocht blijven, waar hij dan verhoord zou worden door den kardinaal Cajetanus, den pauselijken gezant, die te Augsburg was voor den Rijksdag.

Niettemin had Rome hem reeds, onverhoord, voor een ketter verklaard en bij voorbaat zijn ondergang besloten. Want Cajetanus was van een bevelschrift voorzien, waarin de paus hem machtigde, den monnik, indien hij binnen zestig dagen niet herriep, gevangen te nemen en naar Rome te voeren en, zoo hij mocht ontsnappen, hem en al zijn aanhangers en beschermers in den ban te doen.

Met groote vrees zagen Luthers vrienden hem op den bepaalden tijd gaan. Allerlei onrustbarende geruchten waren hun ter oore gekomen van gevaren, die hem dreigden. Maar Luther stelde zich in Gods hand en liet zich niet afschrikken. Gedurig was het hem, als hoorde hij de stem van zijn Meester: Die Mij belijden zal voor de menschen, dien zal Ik ook belijden voor Mijn Vader, die in de hemelen is. En vol moed schreef hij aan een van zijn vrienden: „De wil des Heeren geschiede. Zelfs te Augsburg, zelfs temidden van Zijn vijanden voert Jezus Christus heerschappij.Christus leve; Luther sterve. De naam des Heeren zij geprezen!”

In October 1518 kwam hij te Augsburg en had daar een belangrijk gesprek met Cajetanus. Deze was eerst heel vriendelijk; maar toen Luther weigerde te herroepen, zoolang men hem niet van dwaling overtuigde, werd hij norsch en dreigde hij hem met de strengste straffen.

„Men doe met mij, wat men wil,” antwoordde Luther onverschrokken. „Maar al had ik vierhonderd hoofden, zoo zou ik ze liever alle verliezen, dan herroepen wat ik getuigd heb van het heilig Christelijk geloof.”

„En als de paus u in den ban doet en geen vorst u meer in zijn rijk zal dulden, waar zult ge dan blijven?” werd hem gevraagd.

„Onder den hemel,” antwoordde Luther met een rustigen glimlach en de oogen naar boven gericht.

Op deze samenkomst volgden nog twee andere; maar Cajetanus, zelf druk redeneerend, gaf zijn tegenpartij nauwelijks gelegenheid om aan het woord te komen; en na nog veel bedreigingen riep hij toornig: „Herroep, of kom niet terug!”

Luther antwoordde met een buiging en—vertrok.

Zij zagen elkander niet weder. Luther schreef den kardinaal nog een onderdanigen brief, waarin hij zich op de uitspraak van den paus en de Kerk beriep. Maar toen er na vier dagen nog geen antwoord op gekomen was, verliet hij Augsburg op raad van zijn vrienden; want het was duidelijk, dat het op zijn leven was gemunt. Hij deed het in alle stilte, vóór het aanbreken van den dag, op een paard van eenzijner vrienden. En zoo kwam hij 31 October behouden in Wittenberg terug, juist een jaar na het aanplakken van zijn stellingen.

Paus Leo was heel ontevreden op Cajetanus, dat hij niet beter gezorgd had, den ketter tot andere gedachten te brengen of hem in handen te krijgen. Hij zou het nu door een ander beproeven en zond zijn kamerheer Von Miltitz naar Duitschland, een eersten pluimstrijker, die met vleien en zoete broodjes bakken zijn doel hoopte te bereiken.

Maar Luther wist wel wat er achter die vriendelijkheid schuilde en liet er zich niet door van de wijs brengen. Hij bleef bij zijn verklaring, dat hij niets herroepen kon, maar beloofde, verder over die geschilpunten te zullen zwijgen en de zaak te laten doodbloeden, als zijn vijanden het ook deden en hem met rust lieten. Want nog altijd was het Luthers oprechte wensch, een gehoorzame zoon van Kerk en paus te blijven en, zoover zijn geweten het toeliet, niets te doen, wat met die gehoorzaamheid in strijd was of den vrede verstoren kon.

Von Miltitz deed alsof hij met deze belofte tevreden was. Hij noodigde Luther heel vriendschappelijk aan den avondmaaltijd en deze nam het aan. Beiden waren opgewekt en vroolijk, en bij het scheiden omhelsde de pauselijke legaat den ketterschen doctor, die maar deed of hij die Italiaansche manieren niet begreep, bijzonder hartelijk. Maar in stilte kwam hij met Cajetanus overeen hem naar Trier te lokken. Was hij eenmaal daar, in het gebied van een aartsbisschop, dan haddenze hem in hun macht en zou hij spoedig in Rome zijn.

De aartsbisschop, die als scheidsman in Luthers zaak dienst zou doen, verzocht dus den keurvorst hem naar Trier te zenden. Maar keurvorst Frederik dacht er niet over. Zou hij het kort geleden misschien niet hebben durven weigeren uit vrees voor den paus, nu waren de bakens verzet. In Januari was keizer Maximiliaan gestorven en Frederik van Saksen regent geworden van het Duitsche rijk. De oude keurvorst was thans in Duitschland opperste gebieder, en als zoodanig was het nu depaus, die noodig vond denvorstte vriend te houden en te ontzien. Bovendien had Leo het nu veel te druk met staatszaken om zich met de zaak van een monnik bezig te houden. De aartsbisschop van Trier, een gematigd man en daarbij een vriend van Frederik, wilde er zich ook liefst maar niet verder mee inlaten, en kwam met den keurvorst overeen, het onderzoek uit te stellen tot den eerstvolgenden Rijksdag. En die bleef nog twee jaar uit.

Zoo deed Gods Voorzienigheid te juister tijd alle omstandigheden medewerken om het groote gevaar af te wenden, dat den hervormer en de Hervorming bedreigde.

Luther bleef dus te Wittenberg. 't Was er rustiger nu de aflaatventers uit den omtrek verdwenen waren. Hun handel bracht trouwens nergens geld meer op. Tetzel zelf, bij Von Miltitz aangeklaagd als de eigenlijke oorzaak van al de beroeringen, viel in ongenade bij den paus. Hij durfde niet eens te verschijnen, toen hij door diens gezant ter verantwoording geroepen werd, maar verborg zich in een klooster, waar hij,met verachting en schande overladen, wegkwijnde door gewetenswroeging en verdriet. De arme man, zelfs door zijn vrienden verlaten, vond bij niemand medelijden of troost dan bij Luther. „Ik heb medelijden met Tetzel,” schreef Luther aan zijn vriend Spalatin. Van dezen „vijand” kreeg de ongelukkige nog een roerenden brief, waarin hij werd gewezen op de barmhartigheid Gods voor berouwhebbende zondaren.

Zoo betoonde Luther zich een echt Christen, gehoorzaam aan het bevel van zijn Meester: Hebt uw vijanden lief. 't Was trouwens niet de persoon, maar het werk van Tetzel, dat hij haatte. Hij had het vroeger al eens gezegd: „Laat hij mij maar kwalijk bejegenen, ik zal daarom zijn vijand niet zijn; ik zal voor hem bidden als voor een vriend. Maar het is onmogelijk te dulden, dat hij de H. Schrift, onzen troost, zoo mishandelt.”

Was Tetzels schijnglorie alzoo in duisternis ondergegaan, Luthers invloed vermeerderde met den dag. Aan de Wittenbergsche hoogeschool was nauwelijks plaats meer voor de àl maar nieuw-aankomende studenten. Ook de kerken werden er te klein. De nieuwe leer vond steeds meer aanhangers, ook buiten Duitschland. Te Bazel waren door een boekdrukker al de werken van Luther uitgegeven en met snelheid, ook in andere landen, verspreid. Zelfs debisschopvan Bazel juichte den hervormer toe. En een zeker kardinaal riep, na zijn werken gelezen te hebben: „O Luther! gij doet uw naam eer aan. Gij zijt een echte Luther—louteraar.”

Intusschen wachtte den hervormer nieuwe strijd. Docter Eck, hoogleeraar te Ingolstadt, nogal een vroegere vriend, ging ook heftig tegen Luthers geschriften te keer. Hij kon het maar niet verdragen, dat de boeken van dien „nietigen monnik” door heel Europa zoo gretig gekocht en gelezen werden en wilde in het openbaar met hem redetwisten, om voor aller oog aan te toonen, dat Luther ongelijk had.

Luther moest nu zijn belofte om te zwijgen wel breken. De vrienden waren weer vol vrees. Niemand had nog ooit Dr. Eck durven weerleggen. En dan het ònderwerp van den twist: Het oppergezag van den paus! Hoe durfde de arme monnik zich dááraan te wagen!

Ook zijn keurvorst was ongerust. Maar Luther sprak al dien vreesachtigen moed in. „De waarheid zal zegepralen,” zei hij; „niet doormijnhand, noch door deuwe, noch door die van eenig ander mensch; maar door de rechterhand van God. Mocht ik ook bezwijken, de wereld zal met mij niet vergaan.”

En zoo ging de dappere man in den zomer van1519, in gezelschap van zijn Wittenbergsche vrienden en een menigte studenten, naar Leipzig, waar het twistgesprek zou gehouden worden in de groote ridderzaal van het hertogelijk kasteel Pleissenburg, ten aanhoore van hertog George van Saksen, een groote schare van graven, abten, ridders en andere aanzienlijke en geleerde mannen.

De hoogmoedige Eck, prat op zijn geleerdheid, hield zich vooruit al van de overwinning verzekerd. Het ging, als gezegd, voor een groot deel over het oppergezag in de Kerk. Eck zei, dat de paus het opperhoofd was, als stedehouder van Christus, en grondde al zijn beweringen op de uitspraken van de Kerkvaders. Maar Luther antwoordde: „Christus zelf is het Hoofd en niet een mensch.Christus moet als Koning heerschen, zegt de Bijbel. En wanneer alle Kerkvaders anders leerden, zou ik mij tegen hen allen aankanten, steunende op het gezag van de H. Schrift.”

Luther beriep zich trouwens bij alles op den Bijbel. De Bijbel was zijn eenig wapen in elken strijd. En daar kon zijn tegenstander niet tegenop. „Dr. Eck is bang voor den Bijbel en loopt over de H. Schrift heen als een spin over het water,” verweet Luther.

En dat was waar. Eck moest het dan ook tegen Luther afleggen. Hij deed wel alsof hij het gewonnen had, maar in zijn hart wist hij wel beter; en de verstandigen dreven den spot met hem, zelfs in zijn eigen land; vooral met de pen. Maarditkeurde Luther niet goed. „'t Is beter openlijk aan te vallen dan achter een heg verscholen te bijten,” zei hij.

Dat Leipziger twistgesprek, dat bijna drie weken geduurd heeft, had voor de zaak der Hervorming heerlijke gevolgen. Want het pas ontstoken licht der waarheid, dat door Luthers belofte aan Von Miltitz, in Duitschland althans dreigde gedoofd te worden, vlamde er opnieuw hoog door op. En dat niet door toedoen van Luther, die uit zichzelf het zwijgen niet verbroken zou hebben, maar juist door zijn tegenstanders. Wel een krachtig bewijs, dat de Hervorming geen menschenwerk, maar Gods werk was.

De kleine prins George von Anhalt, een jongen van pas twaalf jaar, die te Leipzig studeerde, was ook onder de toehoorders geweest, en had er, op een van de voor het Hof bestemde zetels, met alle aandacht geluisterd. Een groote dorst naar kennis, en vooral naar waarheid, leefde er in dat jongenshart. „Een vorst past geen leugentaal,” was een van zijn leuzen. Gedurig smeekte hij God om toch zijn hart tot de waarheid te neigen. „Doe met Uw knecht naar Uw barmhartigheid en leer mij Uw inzettingen,” bad hij vaak onder tranen. Door den dood van zijn moeder, een vrome vrouw, die in stilte de nieuwe leer aanhing, was hij in het bezit van al Luthers geschriften gekomen. En wat hij nu op den Pleissenburg tusschen die beide geleerden had hooren verhandelen, had hem, zoo jong als hij was, ernstig aan 't denken gebracht en een oprechte genegenheid voor Luther doen opvatten. Met volle overtuiging en zonder eenige vrees schaarde die lieve jongen zich openlijk aan de zijde van het Evangelie, zonder zich te laten weerhouden door de schoonebeloften noch door de bedreigingen van zijn voogden en zelfs van hertog George. De Hervorming heeft in hem steeds een trouw vriend gehad. Later, als regeerend vorst, heeft hij zelf aan zijn onderdanen het Evangelie verkondigd.

Ook voor den hervormer zelf was die redetwist van groot belang; want door die nieuwe verdediging van de waarheid tegen de dwaling, leerde hij de waarheid nòg weer beter verstaan. Hij was nu ook tot de volle overtuiging gekomen, dat hij met de Roomsche Kerkleer breken moest. „Mijn besluit is genomen,” zei hij. „Ik wil met Rome geen gemeenschap meer hebben. Ik veracht zijn woede en ik veracht zijn gunst. 't Is nu uit met mijn toegeeflijkheid.”

Luther gevoelde zich nu tegenover Rome volkomen vrij; en in een ernstigen, gemoedelijken brief deelde hij den paus de reden mee van zijn scheiden. Hij schetst daarin het bedrog van Rome en zegt dan: „O, voortreffelijkste Leo! wel verre van ooit een slechte gedachte omtrent u gekoesterd te hebben, wensch ik u voor de eeuwigheid de kostbaarste goederen. Ik heb slechts één zaak gedaan: ik heb het Woord der waarheid gehandhaafd. Ik ben bereid om voor allen in alles te wijken; maar dat Woord wil en kan ik niet laten varen. Wie anders van mij denkt, denkt verkeerd. 't Is waar dat ik het Hof van Rome aangevallen heb; maar noch gijzelf, noch eenig mensch op aarde kan ontkennen, dat er aangaande de goddeloosheid die er heerscht, geen hoop op genezing bestaat. Ja, ik ben met schrik vervuld geweest, ziende dat men onderuw naam het arme volk van Christus bedroog.... O Leo, mijn Vader! hoor niet naar de vleiers, die u zeggen dat gij niet een mensch, maar een halve god zijt, en dat gij alles kunt bevelen, wat u behaagt. Ik ben mogelijk te stoutmoedig, maar de liefde dringt mij en ik moet een stem van waarschuwing en heil doen hooren.... O Leo, mijn Vader! gij zetelt op den gevaarlijksten troon. Ik zeg u de waarheid, omdat ik u hartelijk genegen ben.... Ziedaar waarom ik tegen dien zetel, die den dood aanbrengt, uitgevaren ben. Wel verre van tegen uw persoon op te staan, heb ik er door voor uw behoud meenen te werken.... Maar ziende dat al mijn zorgen om den Stoel van Rome te hulp te komen vergeefsch waren, heb ik hem den scheidbrief gegeven en gezegd: Vaarwel, Rome!...” En dan biedt hij den paus een boekje aan, dat hij pas geschreven had:De vrijheid van een Christenmensch. „Ik ben arm en heb niets anders om u aan te bieden,” zegt hij; „maar hebt gij iets anders nóódig dan geestelijke gaven?.... De Heere Jezus behoede u eeuwig. Amen!”

Terwijl Luther aldus afscheid nam van Kerk en paus, was Eck, uit wraak over zijn nederlaag, op hooge beenen naar Rome gereisd en had daar weten te bewerken, dat er een banbul tegen Luther uitgevaardigd werd, waarin de paus beval, al zijn als kettersch verklaarde schriften in het openbaar te verbranden, hem het prediken, onderwijzen en schrijven te verbieden, en, zoo hij binnen zestig dagen niet herriep en zich met de Kerk verzoende, hem en zijn aanhangers alsvervloekte ketters gevangen te nemen en naar Rome te brengen.

Eck zelf bracht de bul in September 1520 in triomf naar Saksen, om daar te worden afgekondigd. Maar hij legde er niet veel eer mee in. In de eene stad werd ze aangeplakt op een plaats, waar niemand haar kon lezen; in andere steden plakte men haar in 't geheel niet aan. De studenten, op een relletje belust, maakten het er den overbrenger zoo lastig om, dat hij de wijk moest nemen en naar hetzelfde klooster vluchtte, waar Tetzel een schuilplaats had gezocht. Toen ze den man zelf niet meer te pakken konden krijgen, vergenoegden ze zich met een liedje op hem te maken en dit langs de straten te zingen. Eck hoorde het in zijn gevangenis. Later, toen hij zijn kans schoon zag, kwam hij met zijn bul in Erfurt. Maar de studenten dáár verscheurden al de exemplaren en wierpen de stukken in het water. „Een bul1)moet zwemmen,” zeiden ze.—„Nu is het een echte bul”, grapte Luther, toen hij er van hoorde.

Intusschen werden er reeds in onderscheiden plaatsen buiten Duitschland brandstapels opgericht voor de schriften van den ketter. Die zouden er den schrik wel inbrengen, hoopten Rome's dienaren.

Zoo ook te Leuven. „Luther”, zoo kwamen daar de leeraren van de hoogeschool zich bij Margaretha, de landvoogdes der Nederlanden beklagen, „Luther keert het heele Christelijke geloof om.”

„Wie is die Luther?” vroeg de landvoogdes.

„Een domme monnik,” was het antwoord.

„Welnu”, luidde haar raad, „gij, die geleerd en met zoo velen zijt, schrijft tegen hem. De wereld zal eerder vele geleerden dan één dom mensch gelooven.”

De geleerden vonden echter gemakkelijker de werken van dien „dommen monnik” te verbranden dan ze te bestrijden. En terwijl ze daarmee onder veel bekijks bezig waren, kwamen studenten en burgers met nog meer boeken aandragen. De geleerde stokers verheugden zich reeds over dien bijval. Maar hun blijdschap sloeg in woede over toen ze ontdekten, dat men hen beet had en het Roomsche boeken waren, die daar lagen te branden in hetzelfde vuur, dat de werken van den ketter verteerde.

Luther was de eenige, die rustig bleef temidden van al het rumoer. „Laat men mijn werken maar vernielen,” zei hij. „Ik heb eenige zielen tot den Bijbel willen leiden. Als zedienkennen, hebben zemijnschriften niet meer noodig.”—Vrees kende hij niet, want hij vertrouwde onder alles op God. „Geen blad van een boom valt op de aarde zonder den wil van onzen Vader,” bemoedigde hij zijn bezorgde vrienden, „hoeveel minder dan wij! Het zegt weinig, voor het Woord te sterven, daar het Woord vleesch voor ons werd en voor ons gestorven is. Ik verblijd mij, dat ik voor de beste zaak wat kwaad te lijden heb.”

Zoo had zelfs Rome's banbul hem niet kunnen verschrikken. Zijn eenig antwoord daarop was eennieuw geschrift:Tegen de bul van den Antichrist. Zoo noemde hij nu den paus.


Back to IndexNext