XI.

LUTHER VERBRANDT DE PAUSELIJKE BUL.LUTHER VERBRANDT DE PAUSELIJKE BUL.

Maar Luther meende nog meer te moeten doen. Hij had in het openbaar tegen den aflaathandel gestreden, thans wilde hij in het openbaar de gehoorzaamheid aan den paus opzeggen. Sinds het hem duidelijk was geworden, dat de paus Gods Woord niet eerde en de dienaren van Christus vervolgde, kon hij hem niet langer gehoorzaam zijn. En zoo liet hij den 10denDecember, in de vroegte, aan den muur van de hoogeschool te Wittenberg een kennisgeving aanplakken, dat doctor Martin Luther voornemens was, dien morgen te negen uur, buiten de Elsterpoort, de pauselijke bul en andere Roomsche geschriften te verbranden, en iedereen uitnoodigde om daarbij tegenwoordig te zijn.

In minder dan geen tijd wist heel de stad het; en op het bepaalde uur stroomde alles er heen; professoren, studenten, en een groote menigte volks, ouden en jongen, rijken en armen, voor- en tegenstanders. Een houtmijt werd opgericht. Een der leeraren stak die aan. En na eerst de andere schriften verbrand te hebben, nam Luther de bul, hief die omhoog en wierp ze voor aller oog in de vlammen, met de woorden: „Omdat gij de heiligen des Heeren bedroefd hebt, zoo vertere u het eeuwige vuur!”

1)In den zin vanhond.

1)In den zin vanhond.

Duitschland had intusschen een nieuwen keizer gekregen. Eerst was de kroon aangeboden aan keurvorst Frederik, Luthers vriend, die bekend stond als een verstandig, vredelievend man, die zijn volk zeer liefhad. Toen men eens, bij een opstand te Erfurt, bij hem aangedrongen had, de stad met geweld van wapenen te onderwerpen, had hij het geweigerd, „om bloed te sparen”.—„'t Zal geen vijf menschen kosten,” had men hem gezegd. Maar de vorst had geantwoord: „Een ènkel mensch zou te veel zijn.”—Ach, als keurvorst Frederik eens in onze dagen geleefd had!

Al de vorsten hadden gaarne de keizerskroon op Frederiks hoofd gezien. Maar de nederige man meende haar te moeten weigeren; en op zijn raad werd de kleinzoon van Maximiliaan, de negentienjarige Karel, reeds koning van Spanje en Heer der Nederlanden, tot keizer verkozen en in 1521 te Aken als Karel V gekroond.

Al spoedig werd er met den nieuwen keizer over Luther gesproken. De pauselijke gezant Aleander drongbij hem aan, niet alleen om de boeken van dien ketter te doen verbranden, maar ook hemzelf uit den weg te ruimen.

Het eerste wilde de keizer wel; men was daar trouwens in zijn erflanden al mee bezig; maar het laatste ging zoo gemakkelijk niet. Luther was een onderdaan van keurvorst Frederik; en dezen wilde Karel te vriend houden, omdat hij aan hem zijn kroon te danken had. Ook wist hij, dat velen van de andere vorsten Luther genegen waren. Hij wilde dus eerst weten, hoe dezen er over dachten en vooral, wat het gevoelen van den keurvorst was.

In Januari 1521 zou er een Rijksdag geopend worden, d. i. een Vergadering van alle vorsten en aanzienlijken des Rijks, om over staatszaken te spreken. Thans zou het daarbij hoofdzakelijk gaan over Luther en zijn leer. Deze Rijksdag, de eerste, waarop de jeugdige Karel moest voorzitten, zou te Worms gehouden worden. De keizer wilde Luther daar dan ook laten komen, om zich te verantwoorden.

Toen de keurvorst dit hoorde, werd hij ongerust. Hij vreesde, dat Luther er niet levend vandaan zou komen. In een brief verzocht hij den keizer om van dien eisch af te zien. En toen dit niet baatte, vroeg hij een vrijgeleide voor zijn onderdaan; waarop de keizer zijn woord gaf, dat Luther door hem beschermd zou worden.

Het vrijgeleide werd gegeven. Maar toch was de keurvorst nog niet geheel gerust. Luthers vijanden waren het echter ook niet. Aleander zag den doctorvan Wittenberg liever niet voor den Rijksdag verschijnen. In zijn hart vreesde hij dien stoutmoedigen man en de kracht van zijn woord, waardoor hij er reeds zoovelen voor zijn leer gewonnen had. Hij vond dus veiliger, dat de Rijksdag hem maar onverhoord veroordeelde; te meer daar de paus hem toch al veroordeeld had. Zóó ver had hij het bij den keizer reeds weten te brengen, dat hij vergunning kreeg, vooraf Luthers geschriften te weerleggen. Hij deed dit met groote welsprekendheid, en spande aan het einde al zijn krachten in, om de vorsten tot een nieuwe veroordeeling te bewegen.

Maar de Koning der koningen waakte over Zijn dienstknecht, en gebruikte ook hier een tegenstander als pleitbezorger voor Luther en de goede zaak.

't Was hertog George van Saksen, een van Luthers grootste vijanden, die tot aller verbazing plotseling in de Vergadering opstond en zeide, dat de vorsten recht hadden, ook zelven de zaak te onderzoeken, al had de paus reeds uitspraak gedaan; want dat er met medeweten van den paus zeer veel verkeerde dingen in de Kerk geschiedden. Met bewijzen staafde hij zijn bewering. Het was niet tegen te spreken. Velen van de anderen vielen hem bij. En het einde was, dat er besloten werd, Luther voor den Rijksdag te roepen.

Den 24stenMaart verscheen de keizerlijke heraut, Caspar Sturm met de dagvaarding van Karel V te Wittenberg. Luthers vrienden zaten in doodsangst over hem. Ze sméékten hem, niet naar Worms te gaan. Het vrijgeleide van den keizer was zoo weinig tevertrouwen. Was niet vóór honderd jaar een keizerlijk woord aan Hus gegeven, ook verbroken geworden?

PHILIPPUS MELANCHTHON.PHILIPPUS MELANCHTHON.

Maar er hielp niets aan. Wie er bevreesd was, Luther niet. „Christus leeft,” zei hij; en dit was hem genoeg. Toch wist hij heel goed, dat het zijn vijanden om niets anders dan zijn dood te doen was; „maar,” schreef hij aan zijn vriend Spalatin, „met de hulp van Christus zal ik het Woord op het slagveld niet verlaten.” En tot Melanchton, zijn boezemvriend, die met alle geweld mee wilde, zei hij: „Gij moet hier blijven. Kom ik niet terug en gelukt het mijn vijanden mij te dooden, dan bezweer ik u, lieve broeder! dat gij niet ophoudt de waarheid bekend te maken en bij haar te volharden. Werk meteen voor mij, als ik het niet meer kan. Gij kunt het nog beter dan ik. Daarom is er ook aan mij niet veel verloren, zoolang gij blijven moogt. Aan u heeft de Heer een nog veel beter toegerusten strijder.”

Met zulk een moed in het hart en het oog op God aanvaardde Luther den 2denApril de reis, onder de tranen en gebeden van heel Wittenberg. De stadsraad had hem daarvoor een rijtuig geschonken; een kleinen, heel eenvoudigen wagen op lage wielen, zooals die toen in Saksen in gebruik waren, met een linnen kap, die op en neer kon. De keizerlijke heraut, bekleed met de teekenen van zijn waardigheid, reed te paard vooruit, met zijn wapenknecht. Deze droeg het rijksschild met den gekroonden adelaar. Professor Amsdorf, de rechtsgeleerde Schurf en een jong Deensch student, die mee naar Worms zouden gaan, zaten bij hem inden wagen. Een tweede wagen, met nog andere begeleiders, volgde. Onderweg sloten nog meer vrienden zich bij hem aan, onder wie de trouwe Justus Jonas.

In verscheidene plaatsen, die hij doortrok, predikte Luther. En hij sprak dan niet over zichzelf, maar enkel over zijn Heer en Meester, en het heil, dat door het geloof in Hem te vinden was.Vrede zij uliedenwas te Erfurt zijn tekst in de kerk van het Augustijner klooster; dezelfde, waar hij in vroeger jaren aan het klokketouw en met den bezem had gestaan. Ook te Eisenach kwam hij, waar hij als jongen met zingen zijn brood had gebedeld. En wáár hij kwam, liepen de menschen uit om den onverschrokken man te zien, die het, heel alleen, tegen het machtige Rome had durven opnemen.

Die reis naar Worms was voor Luther een zegetocht.

Op bevel van den keizer moest hij er binnen een en twintig dagen zijn; maar het scheen wel of vriend en vijand samenspanden om te maken, dat hij er niet of niet op tijd zou komen.

Telkens trachtten ze hem op te houden of ongerust te maken. „Ach,” klaagden ze, „er zijn te Worms zooveel kardinalen en bisschoppen! Ze zullen u verbranden, zooals ze Hus hebben gedaan.”

Maar het geloof gaf Luther kracht om al die verzoekingen te weerstaan. „Al ware de gansche weg van Wittenberg naar Worms één vuur, welks vlammen tot aan den hemel reikten,” sprak hij, „zoo zou ik in den naam des Heeren er doorheen wandelen, voor hen verschijnen en den Heere Jezus belijden.”—„Ikzal naar Worms gaan, al moest ik er ziek heengebracht worden,” had hij al vroeger gezegd. „Als de keizer mij roept, is er geen twijfel aan, dat ik van God word geroepen. Hij leeft en heerscht nog, die de jongelingen in den gloeienden oven bewaard heeft.”

Ook al om hem op te houden, wilde men hem naar een bevriend kasteel rijden. De biechtvader van den keizer was daar; en met dezen zou hij alles kunnen bespreken, zonder dat hij in Worms behoefde te komen, zeide men hem. Maar Luther antwoordde: „Ik zal mijn reis voortzetten. Als de biechtvader van den keizer mij wat te zeggen heeft, kan hij mij in Worms vinden.”—En 't was maar heel gelukkig dat hij er geen gehoor aan gaf. Wantditbleek een strik, dien de vijanden hem spanden.

Nog dicht bij de stad kwam er een bode van zijn vriend Spalatin, met dringend verzoek namens zijn meester om toch niet binnen Worms te komen. Maar Luther zei: „Zeg aan uw heer, dat, al waren er zooveel duivels in Worms als pannen op de daken, ik er toch heen zou gaan.”

En hij kwàm er, nog juist op tijd. Den 16denApril, in den voormiddag van den een en twintigsten dag, reed hij in zijn nederigen wagen de stad binnen. Een honderdtal edellieden, die hem tegemoet waren gegaan, volgden te paard, als een eerewacht.

't Was werkelijk ontroerend, den intocht te zien van dezen eenvoudigen monnik in de rijksstad. Als hij de keizer zelf was geweest, kon hij er niet met grooter belangstelling ontvangen zijn. 't Was er nogvòller dan bij den intocht van den keizer. Overàl op zijn reis hadden de menschen hun best gedaan den moedigen man te zien; maar hier in Worms verdrong men elkander letterlijk. Straten en huizen waren vol toeschouwers. Uit alle deur- en vensteropeningen staken de hoofden. Wel een tweeduizend menschen pakten zich samen bij het huis, waar de wagen stilhield en hij zijn intrek nemen zou.

Bij het afstappen liep er een priester op hem toe, die hem omhelsde en tot driemaal toe zijn kleed aanraakte, „alsof het een reliquie van den grootsten heilige was”, zooals Aleander grimmig naar Rome schreef.

Getroffen liet Luther zijn groote, klare oogen over de menigte gaan. „God zal mij bijstaan,” hoorde men hem, als ter geruststelling, met een blijmoedig gezicht zeggen. Toen ging hij naar binnen.

Na den maaltijd kreeg Luther druk bezoek, zoowel van vorsten, edelen en geleerden als van gewone burgers. De jonge landgraaf Philips van Hessen was ook gekomen om hem te zien. „Indien gij gelijk hebt, heer doctor, dan helpe u God!” wenschte hij hem met een hartelijken handdruk.

Ook vóór het huis bleef het vol nieuwsgierigen, tot laat in den avond.

Den volgenden morgen kwam de rijksmaarschalk Luther aanzeggen, dat hij 's middags voor den Rijksdag verschijnen moest.

Met eerbied vernam Luther het keizerlijk bevel. Hij besefte ten volle het gewicht van wat komen ging; en meer dan ooit gevoelde hij zijn zwakheid. En dit gevoel maakte hem onrustig. 't Was hem, als had hij opeens zijn vertrouwen op God verloren. Hij wierp zich op de knieën en ging hulp en kracht zoeken in 't gebed.

„Almachtig God!” riep hij uit, „hoe verschrikkelijk is de wereld; en wat heb ik weinig vertrouwen op U! Hoe zwak is het vleesch, en hoe machtig is de satan!... O God! mijn God! help mij! Het is niet mijn werk, maar het Uwe!Gijmoet het doen... Gij alleen...Ikheb hier niets te doen.Ikheb niets te twisten met die groote heeren van de wereld! Het isUwzaak... en zij is rechtvaardig!... Getrouwe God, wees mijn hulp! Ik verlaat mij niet op eenig mensch... O Heere! hoort Gij niet? Mijn God! zijt Gij dood?... Neen, Gij kunt niet sterven! Gij verbergt U slechts.Gij hebt mij tot dit werk verkozen. Ik weet het... O Heere! wees mij nabij om den wil van Uw lieven Zoon Jezus Christus, die mijn hulp, mijn schild en mijn sterkte is!...”

Toen na een kort zwijgen: „O Heere, mijn God! waar zijt Gij?... Kom! kom! ik ben bereid!... Ik ben bereid om mijn leven voor Uw waarheid te laten. Ik zal niet van U scheiden; noch heden noch in alle eeuwigheid. Al ware de wereld vol duivels, en al werd mijn lichaam gedood, ja, tot asch verbrand—mijn ziel behoort U toe! Ja, Uw Woord verzekert het mij, mijn ziel is Uwe! Zij zal eeuwig bij U blijven... Amen!... O God! help mij!... Amen!”

Gesterkt stond Luther van zijn knieën op. Hij voelde, na dit smeekgebed, zijn God weer dicht bij zich. En toen de rijksmaarschalk weer verscheen, met den keizerlijken heraut, om hem naar het bisschoppelijk paleis te leiden, waar de Rijksdag gehouden werd, was er geen zweem van onrust meer in hem.

't Was nu met de volte nog erger dan den vorigen dag. Er was gewoon geen doorkomen aan vanwege het gedrang. Zijn geleiders traden het huis weer met hem binnen, gingen ongemerkt de achterdeur uit, en brachten hem door tuinen en nauwe achterstraatjes verder. Toen de menschen dit merkten, drongen ze de huizen binnen naar de ramen, die op de tuinen uitzagen. Anderen klommen op de daken of namen de pannen er uit. Allen moesten den veel besproken man zien, dien de een voor een heilige, de ander voor een duivel in monnikskleeren hield.

Eindelijk was het niet verre paleis bereikt; maar aan binnenkomen was geen denken. Of de heraut al riep: „Plaats! Plaats!” 't volk gehoorzaamde eenvoudig niet. De hellebaardiers moesten er aan te pas komen om met geweld een nauwen doortocht te banen en de menigte tegen te houden, die mee naar binnen drong.

't Was daarbinnen trouwens al vol genoeg. Duizenden stonden er opgepakt in de gangen en zijvertrekken. Een oude generaal, George von Freundsberg, die ook daar stond, tikte Luther op den schouder en zei: „Monnikje, monnikje! gij doet heden een marsch, zooals ik en menig overste zelfs in den heetsten veldslag er geen gedaan hebben. Maar hebt gij het rechte voor en zijt ge zeker van uw zaak, wees dan maar getroost en ga in Gods naam voort. God zal u niet verlaten!”

Dit gemoedelijk woord deed Luther goed. 't Was hem een nieuwe versterking. En toen de vleugeldeuren van de Gothische zaal opengingen, trad hij eerbiedig maar onverschrokken binnen.

Nooit waren er op een Rijksdag zóóveel vorsten bijeen geweest, als Luther hier vóór zich zag. Daar zat de jonge keizer Karel V op zijn troon; naast hem zijn broeder Ferdinand; en verder een groot aantal keurvorsten, hertogen, graven, bisschoppen, de gezanten van den paus, drie koninklijke gezanten, en nog een menigte andere voorname heeren. Ook de vreeselijke hertog van Alva was er bij. Een schitterend gezelschap van meer dan tweehonderd personen. Op eentafel, midden in de zaal, lagen Luthers boeken.

't Was voor den eenvoudigen monnik een overweldigende aanblik. Een paar vorsten traden vriendelijk op hem toe, met een bemoedigend Schriftwoord. De een zeide: „Vrees niet voor degenen, die het lichaam dooden en daarna niet meer kunnen doen.” De ander: „Wanneer gij voor stadhouders en koningen zult gesteld worden om Mijn naam, dan zal de Geest uws Vaders in u spreken.” Zoo kwamen de eigen woorden van zijn Meester hem versterken in deze gewichtige ure.

Luther moest recht voor den keizer komen staan; en nu werden hem door den kanselier twee vragen gesteld. Ten eerste, of hij erkende dat de boeken, die daar lagen, door hem geschreven waren. Ten tweede, of hij alles, wat daarin voor kettersch gehouden werd, wilde herroepen. Vervolgens werden, op verlangen van Luthers raadsman Schurf, de titels van de boeken voorgelezen en—Luther mocht antwoorden.

De eerste vraag beantwoordde hij bevestigend. Voor de tweede verzocht hij eerbiedig tijd om zich te bedenken. Hij deed dit niet uit vrees, zooals de vijanden zich al met blijdschap wijsmaakten, of omdat hij het met zichzelf nog niet eens was, maar opdat niemand zou kunnen denken dat hij lichtvaardig of met overijling gehandeld had.

Het verzoek werd hem toegestaan. Hij kreeg uitstel tot den volgenden dag. En dezen tijd gebruikte Luther om te bidden, in den Bijbel te lezen, zijn boeken nog eens door te zien en na te denken over wat hijte zeggen had. „Maar met Gods hulp zal ik geen letterstreep herroepen,” schreef hij aan een vriend. 't Was hem een heerlijke gedachte, voor Keizer en Rijk van zijn Heer te mogen getuigen. Met de hand op den Bijbel beloofde hij plechtig, het Evangelie getrouw te zullen blijven, al moest hij het ook met zijn bloed bezegelen.

LUTHER VOOR DEN RIJKSDAG TE WORMS.LUTHER VOOR DEN RIJKSDAG TE WORMS.

In die blijmoedige stemming verscheen Luther dien dag opnieuw voor de Vergadering, zoo mogelijk onder nog grooter toeloop. De avond begon al te vallen. In de zaal waren de lichten op. Vier uren lang sprak hij, eerst in het Duitsch, en toen, ter wille van den keizer, die niet van Duitsch hield, in het Latijn, over den inhoud van zijn boeken, en verzocht aan het einde, hem uit den Bijbel te bewijzen dat hij ongelijk had. In dit geval zou hij aanstonds zijn dwalingen herroepen en met eigen hand zijn boeken in de vlammen werpen.

Maar inplaats van een weerlegging kwam er een vermaning van den kanselier dat hij hier niet mocht redetwisten en eenvoudig te antwoorden had of hij herroepen wilde, ja of neen.

„Welnu,” zei Luther, „dan zal ik een antwoord geven, dat niet bijten of stooten zal. Ik kan mijn geloof niet onderwerpen aan het oordeel van den paus en de Kerkvergaderingen, daar het zoo klaar is als de dag, dat zij dikwijls gedwaald en zichzelve weersproken hebben. Word ik niet door de H. Schrift van dwaling overtuigd, zoo kan en wil ik niet herroepen; want het is niet raadzaam, iets tegen het geweten te doen.—Hier sta ik! Ik kan niet anders! God helpe mij! Amen!”

Onbeschrijfelijk was de indruk van dit kloeke antwoordop de aanwezigen. „De monnik spreekt stoutmoedig en vastberaden,” moest de keizer bekennen, na van zijn eerste verbazing bekomen te zijn. De goede keurvorst ging van dat oogenblik af nog meer voelen voor Luther en de Hervorming. Hij was er trotsch op, van zùlk een man de beschermer te zijn. „Hoe schoon heeft pater Martinus gesproken!” zei hij later tot zijn hofprediker Spalatin.

Ook velen van de andere vorsten gaven hun goedkeuring te kennen over Luthers woorden. Maar de vrienden van den paus stonden verlegen en teleurgesteld. Ze gevoelden het maar al te goed, Rome had het verloren tegen den monnik van Wittenberg.

Nogmaals werd Luther gevraagd of hij het geschrevene, althans gedeeltelijk, herroepen wilde. Zoo niet, dan zou de keizer weten, wat hij met zulk een hardnekkigen ketter te doen had.

Maar Luther liet zich door deze bedreiging niet afschrikken. „Ik heb geen ander antwoord dan ik reeds gegeven heb,” zei hij bedaard.

't Was laat geworden. De keizer stond op en de vergadering ging uiteen. Luther werd naar zijn verblijf teruggeleid door twee keizerlijke officieren, weer omstuwd door vrienden en vijanden. „Ik ben er door! Ik ben er door!” juichte hij bij het binnengaan met de handen in de hoogte. Zijn trouwe Spalatin en andere vrienden bleven bij hem. Aller hart was vol lof en dank aan God.

't Was een heerlijk getuigenis, dat Luther voor den Rijksdag had afgelegd. De Heer had zijn vertrouwenniet beschaamd. Hij had hem krachtig ter zijde gestaan en aan de wereld getoond, dat het Woord van God triomfeert, ook over de machtigsten der aarde. Hij had Zijn dienstknecht den moed gegeven, zijn heldhaftigNeente doen klinken in de ooren van Keizer en Paus, en temidden van de leugen pal te staan voor de waarheid. En al die grooten hadden het gehoord en gezien, hoe, door de kracht der waarheid, die eenvoudige monnik met een gerust geweten als een vrij man vóór hen stond.

Luthers manmoedige daad heeft het daar te Worms voor alle volgende eeuwen bewezen, dat gewetensvrijheid een heilig recht is, dat geen aardsche macht den mensch ontnemen kan of mag.

Wel mogen wij God danken voor wat Hij te Worms door Maarten Luther gedaan heeft.

De aanhangers van Rome waren woedend over hun nederlaag en deden, met den nuntius Aleander aan het hoofd, al het mogelijke om Luther veroordeeld te krijgen. Ze gaven den keizer zelfs den raad, het vrijgeleide in te trekken, zooals met Hus was geschied. Tegenover een ketter behoefde men immers zijn woord niet te houden.

Maar tegen zùlk een schanddaad kwamen de Duitsche vorsten, zelfs de zoo vijandige hertog George, met kracht in verzet. Ook Karel zelf liet er zich gelukkig niet toe vinden, maar gaf, zegt men, dit schoone antwoord: „Al was er ook in de gansche wereld geen trouw en gerechtigheid meer, dan moeten zij toch bij een Duitsch keizer gevonden worden. Ik wil niet blozen als Sigismund.”

Nog acht dagen bleef Luther te Worms. Hij werd niet meer voor den Rijksdag ontboden, maar kreeg wel nog voortdurend tal van voorname bezoekers, die hem tot herroepen zochten te bewegen en de grootste gevaren voorspiegelden, zoo hij het niet deed. Maar het een werkte even weinig uit als het ander. Eindelijkgebood de keizer hem te vertrekken; want over een en twintig dagen zou het vrijgeleide geëindigd zijn. Met het oog hierop liet zijn bezorgde keurvorst hem weten, dat het voor zijn veiligheid noodig zou zijn, hem voorloopig van zijn vrijheid te berooven, en hem ergens heen te brengen, waar hij een tijdlang verborgen kon zijn. Maar waar, hoe en door wie moest nog een geheim blijven.

Gehoorzaam aan 's keizers bevel nam Luther in den morgen van den 26stenApril afscheid van zijn vrienden en verliet hij Worms, in het heerlijk bewustzijn, te hebben gehandeld naar den wil van God. Twintig edellieden te paard en een groote menigte volks deden hem uitgeleide.

Ook nu ging het onder bescherming van 's keizers heraut. Maar reeds te Friedberg zond Luther hem terug; op Hessisch grondgebied achtte hij zich wel veilig. Hartelijk was het afscheid tusschen de twee mannen. Caspar Sturm was in die enkele weken een warm vriend geworden van zijn beschermeling èn van de Hervorming.

Evenals op de heenreis predikte Luther ook nu weer het Evangelie, wáár hij maar gelegenheid vond. 't Was hem namens den keizer wel verboden; maar daar stoorde hij zich niet aan. „Het Woord van God mag niet gebonden worden,” zei hij.

Zoo kwam hij te Eisenach; en vandaar ging hij een bezoek brengen aan het dichtbij gelegen dorpje Möhra, de geboorteplaats van zijn vader, waar nog zijn grootmoeder en meer familie woonde. Ze behoordener tot de rijkste boeren uit den omtrek, de zoogenaamde „paardenboeren”, omdat ze met paarden inplaats van met ossen ploegden. Er wonen daar nog altijd veel families Luther in de omgeving.

Niemand blijder dan de oude grootmoeder, toen de wagen voor de boerderij stilhield en ze haar Maarten eindelijk weer eens in de armen mocht sluiten. En Luther was niet minder blij, dat hij hier nu eens een heelen dag kon uitrusten bij die lieve, vreedzame menschen, in het stille dorpje, na al de stormen, die over hem heen waren gegaan. Natuurlijk liep heelMöhrate hoop vóór de boerderij. Ieder moest den beroemden zoon van Hans Luther zien. En den volgenden dag moest hij voor hen preeken. Het kerkje was daarvoor veel te klein, want van ver uit den omtrek kwamen de hoorders. Maar onder het jonge groen van de groote linde tegenover het huis was plaats genoeg. En daar klonk toen, onder den blauwen Meihemel, uit Luthers mond, het liefelijk Evangelie van een genadig God, die Zijn Zoon in de wereld had gezonden om de zondaren zalig te maken.

Intusschen waren Luthers vijanden nog altijd bezig zijn ondergang te bewerken. Door den keizer was een besluit geteekend en uitgevaardigd, waarbij over den Wittenberger monnik, als den gevaarlijkste aller ketters, de rijksban uitgesproken werd.

Luther was dus vogelvrij verklaard. Zoodra het vrijgeleide geëindigd was, zou een ieder hem mogen vatten, en daarvoor, als voor een heilig werk, nog beloond worden op den koop toe. En wie hem huisvesten,verbergen, voeden of op welke wijze ook helpen of beschermen mocht, met woord of daad, zou ook in den ban worden gedaan.

Zóó sprak Rome. Maar God waakte over Zijn dienstknecht en over het werk, dat Hij Hem te doen had gegeven. En als God vóór ons is, wie zal dàn tegen ons zijn?

Toen Luther gepreekt had, nam hij te vier uur afscheid vanMöhraen besteeg hij opnieuw zijn reiswagen met Amsdorf en zijn kloosterbroeder Petzensteiner, die hem, volgens de regelen van de Orde, op zijn geheele reis vergezellen moest.1)De andere vrienden waren bij Eisenach van hem afgegaan en naar Wittenberg teruggekeerd.

De weg leidde door het Thuringerwoud, en alles bleef rustig tot ze in een hollen weg kwamen, dicht bij het kasteel Altenstein. Daar zien ze zich plotseling overvallen door vijf vermomde, zwaar gewapende ruiters, die uit de struiken te voorschijn springen en den wagen omsingelen. Een van hen houdt den voerman een gespannen handboog vóór en gebiedt hem op ruwen toon halt te houden. Een tweede vraagt met gebiedende stem wie Luther is. Deze stelt gauw in 't Latijn zijn vriend Amsdorf gerust, wien hij er al zooiets van gezegd had, en maakt zich bekend; waarop hij bevel krijgt, óók onder bedreiging met een handboog,zich gevangen te geven en uit te stijgen. Amsdorf, begrijpend, doet of hij Luther te hulp wil komen en roept er schande over, rustige reizigers zoo te behandelen. En de doodelijk verschrikte kloosterbroeder, die het maar veiliger vindt om zich uit de voeten te maken, springt uit den wagen en vlucht als een haas het bosch in. De ruiters voeren intusschen hun gevangene weg. De voerman moet het onmachtig aanzien hoe ze den doctor naast hun paarden laten meeloopen; en als ze met hem uit het gezicht zijn, gaat hij ook maar verder met zijn eenig overgebleven reiziger.

Als alles in rust is, houden de ruiters halt. Ze doen Luther zijn monnikskleed uit, slaan hem een mantel om, zetten hem op een paard, en dan gaat het in draf het bosch door, langs allerlei omwegen, om mogelijke vervolgers op een dwaalspoor te brengen.

Luther, het paardrijden niet gewoon, is al spoedig doodmoe. Bij een bron, nu nog de „Lutherbron” genaamd, laat men hem afstijgen om te drinken, en onder de groote beuk,2)die daar staat, wat uit te rusten. En dan gaat het maar weer verder door het àl donkerder wordende woud.

Omstreeks elf uur 's avonds gaat het voorzichtigberg-opwaarts, tot eindelijk halt wordt gehouden voor de poort van een oud, door dichte bosschen omringd kasteel—de Wartburg. De poort wordt geopend, de ruiters gaan binnen. En terwijl de zware valdeuren zich achter hen sluiten, stijgen ze af in den hof. Luther is in veiligheid.

Die ruiters waren de ridder van Altenstein, de slotvoogd van den Wartburg en drie vertrouwde dienaren. De goede keurvorst had dit plan uitgedacht om zijn beschermeling aan de macht van zijn vijanden te onttrekken, die hem anders, zoo vreesde hij, zeker in handen krijgen en vermoorden zouden.

De heer van Altenstein keerde nu weer naar zijn eigen kasteel terug, terwijl de anderen, langs de steenen trap van een der slottorens, Luther naar de kamer leidden, die voor hem zoo geriefelijk mogelijk in gereedheid was gebracht. Daar lag ook al een riddergewaad voor hem klaar, dat de slotvoogd hem in plaats van zijn monnikskleed maar dadelijk hielp aandoen, en een degen, dien hij aan de zijde moest gespen. Om zijn hals kreeg hij een gouden keten. Luther herkende zichzelf haast niet meer. Om zich nog meer onkenbaar te maken moest hij baard en hoofdhaar laten groeien, en zich „Jonker Georg” laten noemen. Want ook de bedienden van het kasteel mochten niet anders denken, dan dat hij de een of andere gevangen ridder was.

De tijding van Luthers ontvoering was door de vreeselijke berichten van broeder Petzensteiner en den voerman weldra allerwegen bekend, en de zonderlingstegeruchten over zijn gewaanden dood deden daarbij de ronde. De vijanden juichten, want ze dachten dat het nu gedaan was met den ketter en zijn werk. Maar de vrienden treurden en jammerden over hun groot verlies. „Luther dood?! Wie zal ons nu nog zuiver het Evangelie verkondigen?”

Doch zoowel vrienden als vijanden kwamen al spoedig te weten, dat de hervormer nog leefde, al wisten ze niet wáár. Want „Jonker Georg” kon niet ledig zitten. Van zijn „Patmos”, zooals hij zijn schuilplaats noemde, schreef hij geruststellende brieven aan zijn vrienden, die Melanchton verrukt deden uitjubelen: „Onze dierbare vader leeft!” Ook zond hij, van uit zijn eenzame torenkamer te midden van de donkere wouden, allerlei geschriften de wereld in, die dan door de zorg van zijn vrienden gedrukt werden. En zoo bemerkten de vijanden tot hun grooten schrik, dat de man, dien ze zoozeer haatten èn vreesden, nog alles behalve dood was.

Luther werd op den Wartburg uitstekend verzorgd en met onderscheiding behandeld. Hij kreeg er twee edelknapen tot zijn dienst. 's Zondags, en ook wel in de week, preekte hij voor den slotvoogd en andere vertrouwden; en dagelijks maakte hij voor zijn gezondheid kleine wandelingen in den omtrek van het slot; later waagde hij zich ook wel verder. Hij was dan altijd in zijn ridderkleeding en in gezelschap van een rijknecht, die hem les moest geven in het riddertje-spelen en in het hanteeren van de wapenen. 't Was een norsch maar trouw man, dien hij eens een hevigen schrik aanjoeg,door in een herberg, waar hij wat wilde uitrusten, zijn degen, die hem verveelde, af te werpen, en naar de boeken te grijpen, die hij daar zag staan. Dat waren nu heelemaal geen riddermanieren, vond zijn onderwijzer.

Eens nam men hem mee op de jacht. Maar dit „bitter zoet vermaak”, zooals hijzelf het noemde, wilde hem niet bekoren. Het maakte hem bedroefd. Hij kon niet helpen in de jagers den paus te zien, en in de honden, die het wild moesten opspeuren, de bisschoppen, die de arme zielen der menschen in hun netten zochten te vangen. Temidden van zijn overdenkingen komt er een jong haasje, verschrikt door het hondengeblaf, op hem toegeloopen en dringt zich tegen zijn voeten aan. Luther heeft medelijden met het diertje. Hij neemt het behoedzaam op en draagt het in zijn arm mee. Maar de honden krijgen er de lucht van. Ze bespringen het, trekken het uit zijn schuilplaats en bijten het dood. De sterke man, die nog nooit is teruggeschrikt voor eigen doodsgevaar, uit een kreet van smart. „O satan!” roept hij, „zoo doet ook gij! Zoo tracht ook gij nog de zielen te verderven, die al van den dood gered zijn! Maar de arm, die hen draagt, is sterker dan de mijne.”

Dat Luther ook op den stillen Wartburg ijverig voortarbeidde aan zijn hervormingswerk, al klaagde hijzelf dat hij weinig deed, blijkt wel uit de menigte boeken en preeken, die hij er schreef, en voornamelijk uit een werk van onschatbare waarde, dat hij daar begonnen is, n.l. zijn Bijbelvertaling, een reuzenwerk in één woord.

Zooals we weten, is het Oude Testament in de Hebreeuwsche, het Nieuwe in de Grieksche taal geschreven. Nu was er wel een oude Latijnsche overzetting, de Vulgata genaamd, maar die was heel gebrekkig, heel duur, en voor het volk, dat geen Latijn kende, onbruikbaar; en de bestaande Duitsche vertalingen daarvan waren dikwijls nog onbegrijpelijker.

Daarom was het voor heel de wereld een groote zegen, dat de Heer aan Luther de gedachte in het hart gaf: „Dit éénige Boek moet in alle talen, in alle landen, onder alle oogen, in alle ooren en in alle handen en harten zijn,” en hem deed besluiten, zelf de hand daartoe aan het werk te slaan, door het in de taal van zijn volk over te zetten. Zijn eenzaam verblijf op den Wartburg schonk hem daarvoor een kostelijke gelegenheid.

Niet uit het Latijn, maar uit de oorspronkelijke talen bracht Luther den Bijbel over. Een geheelnieuwevertaling gaf hij dus, en dat in mooi, vloeiend Duitsch, geheel verschillend van de nog ruwe, ongevormde taal en stijl van die dagen. Met het gebruik van zijn Bijbel gingen de menschen zich toen ook die verfijnde taal eigen maken. Zoo werd de hervormer ook voor detaalvan zijn volk een Luther—louteraar.

DE KAMER VAN LUTHER OP DEN WARTBURG.DE KAMER VAN LUTHER OP DEN WARTBURG.

Hij begon met het Nieuwe Testament. Een gemakkelijke taak was dit zéker niet. Dagen, ja weken zat hij dikwijls te peinzen over de juiste beteekenis van één woord of één zin. Had hij die, dan moesten in het Duitsch de juiste woorden er voor gevonden worden. Ontzaglijk veel moeite kostte hem dit werk.Maar het was hem tegelijk een groote vreugde. Hij ondervond duidelijk dat de Heer ook hierin mèt hem was, en het hem wèl deed gelukken. Zelf zegt hij er van: „Men ziet er uit, dat de Heilige Geest er bijzonder behagen in heeft gehad, met ons, Duitschers, in onze moedertaal te spreken.”

Ook schonk de Heer hem een trouwe hulp in Melanchton, die bijzonder knap was in het Grieksch. Deze met Justus Jonas, Bugenhagen en anderen hielpen hem, na zijn terugkomst in Wittenberg, het werk voltooien, dat hij op den Wartburg begonnen was.

Nog altijd staat het daar, op zijn dichtbegroeide, 462 M. hooge rots, het eeuwenoude, wereldberoemde slot, het schoonste onder Thuringens burchten. Wie een reis door Thuringen maakt, keert niet huiswaarts zonder het te hebben gezien, niet alleen van buiten, maar ook van binnen. En van al het bezienswaardige, dat den bezoeker daar dan wordt getoond, blijft wel het merkwaardigste de eenvoudige torenkamer, die „Jonker Georg” tien maanden lang tot verblijf gediend heeft. Daar ziet hij dan allereerst de eikenhouten tafel, waaraan hij den Bijbel te vertalen zat; zijn stoel, zijn ledikant en de kolossale groen-steenen kachel. Ook is daar nog een eigenhandig geschreven brief van den grooten man, en een kist met de eerste uitgaven van den vertaalden Bijbel.

Zoo staat daar de eerbiedwaardige Wartburg, alseen gedenkteeken van Gods trouw, die aan de Kerk een Luther gaf om het licht van Zijn Woord, eeuwen lang door onwetendheid en bijgeloof onder een korenmaat verborgen, weer op den kandelaar te plaatsen en met vernieuwden glans te doen schijnen.

1)Deze regel berustte op Marc. 6: 7:En Hij riep tot zich de twaalve, en begon hen uit te zenden twee aan twee. Daarom moesten de kloosterbroeders ook altijd met hun beiden reizen.

1)Deze regel berustte op Marc. 6: 7:En Hij riep tot zich de twaalve, en begon hen uit te zenden twee aan twee. Daarom moesten de kloosterbroeders ook altijd met hun beiden reizen.

2)In 1817 is hetDerde Eeuwfeestder Hervorming nog onder dezen ouden boom gevierd. Men had hem versierd en een beeltenis van Luther er in gehangen. In 1841 heeft een zware storm hem geveld, tot groote droefenis der bevolking. De landsheer, hertog Bernhard van Saksen-Meiningen, liet er toen een gedenkteeken oprichten en een jonge beuk planten, die nu ook al flinke afmetingen heeft.

2)In 1817 is hetDerde Eeuwfeestder Hervorming nog onder dezen ouden boom gevierd. Men had hem versierd en een beeltenis van Luther er in gehangen. In 1841 heeft een zware storm hem geveld, tot groote droefenis der bevolking. De landsheer, hertog Bernhard van Saksen-Meiningen, liet er toen een gedenkteeken oprichten en een jonge beuk planten, die nu ook al flinke afmetingen heeft.

Terwijl Luther rustig aan zijn gewichtig vertaalwerk bezig was, kwamen hem berichten ter oore, die hem een langer verblijf op den Wartburg onmogelijk maakten.

Hij had al eens, heel in 't geheim, een snoepreisje van enkele dagen naar Wittenberg gemaakt, om met de vrienden te spreken over het optreden van Dr. Carlstadt, een van de leeraren aan de Wittenberger hoogeschool. Deze man was bijzonder heftig en voortvarend van aard. Het hervormingswerk ging hem te langzaam naar den zin; daarom wilde hij maar op eigen gelegenheid handelen en alles, wat hem in de Kerk niet aanstond, met geweld afschaffen; wat een heele verwarring in Wittenberg gegeven had.

Luther had alle hoop, dat het zijn vrienden gelukken zou de rust te herstellen. Maar juist het tegendeel was waar. Er waren namelijk uit Zwickau, onder aanvoering van zekeren Thomas Munzer, eenige dweepzieke mannen naar Wittenberg gekomen, die zich van God gezonden profeten noemden, maar door hun daden toonden, dat ze heelemaal niet handelden naar denwil van God. Ook zij wilden, door het afschaffen van al de bestaande gebruiken, een algeheele omwenteling in de Kerk teweeg brengen. Carlstadt sloot zich bij hen aan en zocht ook de studenten op zijn hand te krijgen. Hij ruide hen op om mee naar de kerken te gaan, er de heiligenbeelden te verbrijzelen, de altaren te vernielen, de priesters, die nog gewoon de mis lazen, weg te jagen, en al zulke dolligheden meer.

Dit was heel anders dan Luther leerde. Die zeide: „Preekt de beelden uit de harten van de menschen, dan zullen ze uit de kerken vanzelf wel verdwijnen.”

Maar zoo dachten die onruststokers niet. Zelfs de hoogeschool wilden ze weg hebben. Al die geleerdheid diende nergens toe, verkondigden ze. De menschen moesten liever maar weer met hun handen gaan werken. Er stond immers geschreven, dat ze in het zweet huns aanschijns hun brood zouden eten. De meester van de jongensschool riep zoo maar uit het raam den menschen toe, dat ze hun jongens voortaan maar thuis moesten houden, want dat God hen wel leeren zou.

Een en ander dreigde noodlottig te worden voor het ware werk der hervorming. De vijanden gaven van al die wanordelijkheden de schuld aan Luther en begonnen weer moed te vatten, dat Rome het ten slotte toch nog winnen zou. De vrienden stonden er machteloos tegenover. Zelfs de Overheid zag geen kans aan de onrust een einde te maken. En allen riepen om Luther. Luther moest terugkomen.

En Luther kwàm. Toen hij op zijn Wartburg er vanhoorde, nam hij een kort besluit. Hij moest en zou naar Wittenberg, het kostte wat het wilde. Hij wist wel dat zijn leven er groot gevaar door liep, maar waar het de zaak van Christus gold, achtte hij, evenals de apostel Paulus, zijn leven niet te kostbaar. „Wij moeten den satan onder den voet vertreden en tegen den engel der duisternis strijden,” zei hij. De bezorgde keurvorst smeekte hem in een dringenden brief, nog te blijven waar hij was. Maar ook dit kon hem niet van zijn plan afbrengen. „Ik heb Uw Hoogheid al genoeg toegegeven door mij dit jaar verwijderd te houden. Uw Hoogheid moet weten dat ik naar Wittenberg kom onder een machtiger bescherming dan die van een keurvorst,” schreef hij in zijn antwoord. En in vast vertrouwen op die hoogere bescherming steeg „Jonker Georg” te paard, zeide zijn eenzame wouden vaarwel, en verliet voorgoed het kasteel, dat hem tien maanden lang, tegen wil en dank, had geherbergd. Dit was op 3 Maart 1522.

Zijn weg ging over Jena, waar hij 's avonds zijn intrek nam in „De zwarte beer”. Terwijl hij daar aan de tafel was gezeten, de handen op het gevest van zijn degen geleund en lezende in een Hebreeuwsch Psalmboekje, dat vóór hem lag, kwamen er twee jongelui binnen, studenten uit St. Gallen. Ze hielden zich bescheidenlijk op een afstand. Maar de „ridder” groette hen vriendelijk en noodigde hen uit, aan zijn tafel te komen zitten.

De Zwitsers deden dit gaarne en waren al spoedig met den vreemden ridder, die hun van allerlei vroeg,in druk gesprek. Ze vertelden dat ze naar Wittenberg gingen, en die lange reis ondernomen hadden, enkel met het doel om doctor Martin Luther te zien en te hooren. En toen kwam de vraag: „Kunt u ons niet zeggen, Mijnheer, waar doctor Luther thans is?”

„Ik weet zeker, dat doctor Luther thans niet in Wittenberg is. Maar hij zal er wel gauw komen,” was het antwoord. „Philippus Melanchton is daar. Ge moet u maar ijverig toeleggen op het Grieksch en Hebreeuwsch, dan kunt ge de H. Schrift lezen.”

De studenten waren een en al verbazing. Een ridder, die zoo maar gewoon het leeren van Grieksch en Hebreeuwsch aanprees, en zelf Hebreeuwsch làs, zooals dat boekje uitwees; en die sprak over Melanchton, Erasmus en andere geleerden, alsof hij ze allen kende! 't Leek wel of hijzelf een geleerde was. Wie kon dat zijn?

Nog een tijdlang hield de aardige vreemdeling hen gezellig aan den praat. Onder den maaltijd wijdden ze meer aandacht aan zijn woorden dan aan hun eten. En ten overvloede betaalde hij ook nog hun vertering.

Bij het ter ruste gaan nam hij met een hartelijken handdruk afscheid van hen, met verzoek: „Als ge te Wittenberg zijt, groet dan doctor Hiëronymus Schurf van mij.”

„Zeer gaarne,” beloofden ze. „Maar van wien?”

„Zegt alleen maar: Die komen moet, laat u groeten. Dan weet hij het wel.”

Een paar dagen later te Wittenberg gekomen, deden de Zwitsers wat hun opgedragen was. Ze troffen bijDr. Schurf een heel gezelschap van professoren aan, en onder dezen den vriendelijken ridder uit „De zwarte beer”.

Lachend kwam hij naar hen toe en groette hen als oude bekenden. Toen, naar een der heeren wijzend, zeide hij: „Ziedaar Philippus Melanchton, van wien ik u gesproken heb.”

De studenten mochten tot hun blijdschap het verdere van dien dag bij het geleerde gezelschap doorbrengen. Nuwistenze waar doctor Martin Luther was!

Den volgenden dag, een Zondag, stond Luther te Wittenberg weer op den preekstoel, in een stampvolle kerk. „Luther is terug! Luther gaat weer preeken!” Van mond tot mond was dit blijde nieuws door de stad gegaan. En van alle kanten waren ze in den vroegen morgen toegestroomd, de menschen, elkander verdringend om den held van Worms weer te zien.

Hij stond er als een vader, die een poos van zijn kinderen weg is geweest en hun nu vertelt, wat hij in zijn afwezen van hen gehoord heeft. Hij deed dit in eenvoudige woorden, vol kracht en tegelijk vol zachtheid. Hij begon met een prijsje. „'t Is wel goed, verkeerde dingen af te schaffen; maar,”—nu kwàm het—„waar was daarbij de orde en de welvoegelijkheid? De mis, zegt gij, is een slecht ding. Ik zeg het ook. Maar men moet er niemand met geweld van afscheuren. Aan God moet men de zaak overgeven. Zijn Woord moet werken en niet wij. Ik wil prediken, ik wil spreken, ik wil schrijven, maar ik wil niemand dwingen, want het geloof is een vrijwillige daad. Had ik metgeweld te werk willen gaan, dan zou Duitschland mogelijk in een bloedbad zijn gedompeld. Maar ik ben rustig gebleven en heb het Woord zelf de wereld laten rondgaan. En dat Woord heeft het pausdom omgekeerd, zóó zelfs, dat geen vorst of keizer het ooit zooveel kwaad had kunnen doen.Ikheb niets gedaan; alleen het Woord heeft alles gedaan.”

Zoo predikte Luther, achtmaal in de acht dagen, tegen den beeldenstorm en de dwepers. Zijn wapen, ook in dezen strijd, was de Bijbel. En hij overwon. Hij noodzaakte de valsche profeten om Wittenberg te verlaten, en Carlstadt, om niet meer zoo onbesuisd te werk te gaan. En zoo gelukte het hem, onder Gods zegen, de gemoederen tot bedaren te brengen en orde en rust in de stad te herstellen.

„O,” schreef doctor Schurf aan den keurvorst, „wat zijn we allen verheugd over de terugkomst van doctor Martin! Zijn woorden brengen ons, met Gods genadige hulp, dagelijks meer op den weg der waarheid terug. 't Is zoo klaar als de dag, dat de Geest van God in hem is en dat hij door Gods bijzonder bestuur te Wittenberg terug is gekomen.”


Back to IndexNext