III.

III.De deur van den coupé eerste klasse slaat dicht. De conducteur laat met een stil lachje het geldstuk in zijn zak glijden, ’t zooveelste van paartjes, die ’t liefst in d’eenzaamheid de woorden van den man van den burgerlijken stand overdenken. De bel rinkinkelt, ’t schelle fluitje van den treinchef snerpt, de trein zet zich in beweging, stoomt het station uit en ploft in toenemende ruzemoezige vaart in ’t donker, buiten.[60]Alleen! alleen op de mollige kussens van den domp verlichten coupé. Alleen! Man en vrouw. Hij kijkt haar aan. Door de golvende schuddingen der voile, schemert haar mooie kopje; het manteltje hangt open; de omtrekken der bruid teekenen zich onschuldig in de plooien van ’t reiskleed, toonend het slanke bovenlijf, de rondingen der knieën. Als ze de voile terugslaat, ziet hij ’t fijne profiel, de rozige lippen. Met een opbruising van hartstocht neemt hij haar in zijn armen, drukt haar tegen zich aan, perst zijn lippen op de hare in een zinneloos, warmen kus en even plotseling laat hij haar glippen, angstig, verschrikt.…„Dora! Dora!.…”„Niets, niets.… ’n gekheid.… ’n angst … Nee wees niet boos.… Nou lach ik weer!” Maar de tranen glijden toch verraderlijk over de hooggekleurde wangen.Weer omvat hij haar onstuimig, tilt haar op zijn knie, kust de tranen uit haar oogen,[61]kust den kleinen mond en met een blik vol teerheid fluistert hij haar zoete woordjes toe: op hem te vertrouwen, niet zenuwachtig te zijn. Sneller gaat haar adem, hijgt haar boezem. Ze klemt zich aan hem vast, beantwoordt zijn liefkoozingen en kijkt hem in de oogen met de volle eerlijkheid van haar reine, jonge wezen. Dan tegen hem aangeleund, met zijn arm om haar middel, zegt ze snel, hartstochtelijk:„… Ach God … ’t Was zoo bitter, Max,zoo hard. Op zoo’n dag bij vreemden!.… Zul je altijd van me houën?… Altijd? Evenveel?… Nee zoen me niet … ’t Maakt me zoo angstig, da’k zoo alleen met je wegga … da’k met vader gebroken heb … met moeder … Herinner jij je ’t nog?… Weet je nog?… Dat zal ik nooit vergeten … Vader voor ’t kantongerecht … en ik … Dat was vreeselijk!… ’t Moest … ’t Moest … maar dan moet je niet boos zijn als ik even huil … ’t Schoot me juist te binnen … Nu[62]is ’t over … Nu ben je m’n heele geluk, m’n vader, m’n moeder, m’n álles!… Als je wist hoe ’k van je hou, m’n Max … m’n man!…”Van de huwelijksreis keerden ze terug in een tinteling van ongekend geluk, elkander naar de oogen ziend, elkanders gedachten radend.’t Huis met zijn versch behang, zijn reuk van nieuw goed, zijn stijve properheid, wachtte hen als een warm, prettig nestje, waarin ze zich de eerste maanden verkneuterden, vertroetelden, opgaande in de hoogheid van hun liefde. Toen begon zijn praktijk toe te nemen. ’t Leitje in de gang, beneden, werd meer en meer beschreven. Dokter reed soms uren lang rond, thuiskomend met een opgewekt gezicht, blij na den arbeid, ’t jonge, knappe wijfje in zijn armen te kunnen nemen. Als ze ’t rijtuigje hoorde aanrollen, stond ze op de teenen voor ’t raam, haar neusje platdrukkend tegen de ruiten, om haar[63]man te zien uitstappen, trotsch op hem. Maar toen er meer en meer patiënten kwamen, vooral armen, sloop er een langzame verveling in haar hartje. Zonder Max scheen ’t huis uitgestorven, doodsch; en de werkzaamheden in ’t kleine huishouden waren zoo gering, dat ’t vrouwtje ’t grootste gedeelte van den dag zonder bepaalde bezigheden was. Soms kwam Karel onverwacht binnenstuiven, bekeek met schuwe nieuwsgierigheid al de mooie dingen in de huiskamer—’t grootste contrast met zijn slordig studeervertrek—zette voorzichtig zijne groote voeten op ’t tapijt, draaide onhandig zijn dikken stok, voelde zich blijkbaar niet thuis in die atmosfeer van gezelligheid en jong huwelijksleven. Soms ook kwam Aby—een deftige meneer met een groote vlassnor,—bleef uren met den dokter praten over kleine pleidooien, die hij in pro-deootjes gevoerd had, sprak veel over politiek, meestal heftig met een sterk rood, radikaal tintje en verveelde ten slotte de[64]jonge vrouw door zijn drukke argumentatie en zijn breedsprakige uitweidingen over dingen, die ze niet begreep, of die haar niet interesseerden.Maar dat alles was heerlijk, vergeleken bij die uren alleen. Die waren verschrikkelijk. Ze trachtte te lezen, maar met de zenuwachtige ongedurigheid aan jonge vrouwen eigen, had ze geen rust om zich lang bij ’tzelfde te bepalen. Met de zekerheid, dat ze moeder worden zou, nam ook haar prikkelbaarheid toe. Uren lang kon ze in een armstoel liggen, droomend, denkend aan vreemde dingen, met een vagen angst voor ’t jonge leven in zich.Dikwijls was ze zwaarmoedig, spookte een onrust in haar, een stille wroeging, een verlangen om weer met vader en moeder verzoend te raken. Elken dag kwam ’t gevoel drukkender weer, dat er een onheil dreigde en die strijd teekende zich ten slotte op haar smal, bleek gezichtje. Max sprak nooit[65]over de breuk met haar ouders. In ’t begin, pas teruggekeerd, had hij een briefje geschreven in hartelijke termen. Geen antwoord was gekomen. Daanders bleef onverzoenlijk, de moeder kende geen anderen wil, dan dien van haar man.Zes maanden waren ze nu getrouwd. ’t Was zomer, ’n mooie Zondag. Een rijtuigje hield stil. De bel ging over.Max keek door het spion. Met een gezicht vol verbazing keerde hij zich naar zijn vrouw.„.… Doortje.… raad eens!.… tante!”Haastig boog ze haar hoofdje naast ’t zijne en met groote nieuwsgierigheid bespiedden de vier oogen de bewegingen van ’t vrouwtje, dat geholpen door haar meid, ’t rijtuig uitzakte, over de stoep strompelde en ’t huis binnentrad..… „Die goeje ziel!,” riep nu Max in een opwelling van hartelijkheid: … „zij doet den eersten stap.… Da’s aardig!.… Doortje,[66]denk, dat ze m’n tweede moeder is.…” Haastig ging hij de oude vrouw tegemoet.’t Menschje hapte naar adem, met korte stootende trekjes, toen ze binnen kwam. ’t Uitstapje had haar zoo vermoeid, dat ze een paar minuten bleef hijgen, met knippende oogleden.Eindelijk kwam er ’n asthmatiek geluid:„Is dát je vrouw?” vroeg ze, hard, onaangenaam, met ’n stem aan dooven eigen.„Ja!” schreeuwde Max.Aarzelend kwam Dora naar ’t gerimpeld menschje, gaf haar op elk der tanige koonen een zoen..… „Soo, soo, is dát je vrouw!.… lijkt wel wat op je moederoleve schonoe1.… Soo-soo, soo.… zeg je wat?”„’k Ben blij u hier te zien, tante.…”„Wat zeit ze! Harder, ’k ben ’n beetje doof!…”[67]Max herhaalde den welkomstgroet..… „Soo, soo, soo.… ’k heb niet langer zonder je gekend.… Da-wil ’k wel weten. Toen heb ik met Rika gesproken.… Die zei ja!.… Is dat moe zijn! Uche.… uche … uche.… ’k Wou d’r toch ook eens zien voor me dood …”„’t Doet me groot genoegen, dat u gekomen bent, tante.… Max heeft me dikwijls over u gesproken.…”„Je hoeft zoo niet te schreeuwen, zoo doof ben ik niet!…”—Ze lachte valschjes—„Soo, soo!… Wel!… wel … ’k was op de brezemiele2van ’t kind van Naatje en ’k dacht nou most ik maar ’s gaan … Soo … soo … soo … jullie woont hier heel netjes … da-mo-’k zeggen …”Dora was opgestaan, had een keurig likeurkeldertje geopend.„Wil u ’n glaasje madera, port of sherry,[68]tante? We zullen dan eens op ’t eerste bezoek klinken!…”.… „Drinken, nee … dank je!.…”„’k Heb ’t al ingeschonken … Bij ’n eerst bezoek mag u niet weigeren.”„Nee ’k drink niks. Max weet wel waarom?”Dora begreep ’t niet..… „Weet Max waarom? Foei, tante, da’s niet mooi iets af te slaan.… juist nu.…”„Max weet ’t wel.… Max weet ’t wel. Wij joden gebruiken niks bij.… nou ja.… je zult ’t ook wel weten … niks bij vreemden … geen spoog water.…”’t Werd botweg gezegd, zonder een bepaald hatelijke bedoeling, maar ’t gaf toch een pijnlijke gaping in ’t gesprek. Dora’s gezichtje betrok..… „’t Is morgen jaartijd van je oom, Max.…”.… „Zoo, tante.”„Was je zeker vergeten?”„Nee heusch niet.”[69]„Lichtjes zal je wel niet voor ’m branden.… da-begrijp ’k … Most je naar ’t graf gaan, wil je?”„Zeker, zeker, ’k zal u vandaag niks weigeren.”„Soo, soo, soo.… ’t Is hier heel aardig.… D’r zal wel haast ’n kleintje kommen, hè? Nou kleur maar niet! Weet je wat de Jidde3zeggen, kind?.…Peroe Oerewoe Oemilloe es hoöres4. Zeg d’r maar eens wat ’t beteekent, Max.… Ja, hij heit ’n goeje opvoeding gehad.… Hij weet nog álles van z’n geloof, al doet-ie d’r niks meer an … Heb-ie ’t ’r gezegd?”Max hield zich alsof hij de verklaring gaf, maar voelde zich gegeneerd, dat tante zoo weinig kieschheid toonde, zoo weinig tact, om zekere onderwerpen nu maar liever te laten rusten.’t Menschje bleef voor haar doen druk[70]doorpraten. Haar oogjes gingen glinsterend van haar vroegeren oogappel naar de opgedrongen nicht. Ze begreep niet, wát Max in dat christenmeisje zag. Had hij niet even goed een van ’t eigen geloof kunnen nemen, even mooi, misschien met nog meer geld?.…Toen ze eindelijk heenging, keerde ze zich bij de deur aarzelend om:„Jullie motten nou ook maar eens bij mijn kommen.… Sjabbesavond of zoo, hoor je?.…”Over ’t ophaalbruggetje treedt de jonge dokter op ’t kerkhof. Hoog aan den hemel glanst de zon, blakert den grond met zijn inhoud. Gras, vertrapt, verschroeid, schiet welig tusschen de aardkluiten. Een enkel struikje sprankt dorre bladen als stikkend in de heete lucht. Naar achteren stompen treurwilgen triestig op, loom, met takken, die slap, gebroken neerbengelen, zonder geritsel of beweging. ’t Is heet, gloeiend heet. ’t[71]Kerkhof ligt als een verschrompeld stuk land, als een afgebeuld uithoekje, snakkend naar water. De zoete, laffe, misselijke stank, die op een zomerdag over een doodenakker dampt, hangt als een half-opgeslurpte mist over de graven, de reuk van een mesthoop. Warm is het, schrikkelijk warm. Blauwe vliegen, brommend, met groote, dik-doorvoede lichamen, dwarrelen spichtig-gonzend van de eene plek naar de andere. Een vlinder fladdert, huppelend schietend en vallend, zoekend een bloempje ergens bij een graf. Steil staan de bestofte, witgekalkte zerken op ’t land, rechtop als ze pas geplaatst; schuin, uitgezakt, verbrokkeld, als de doode goed dood, vergeten, verteerd. Schaduwtjes vallen in egale figuurtjes wat langer of wat dikker op ’t gras, alle naar éen kant. In de sloot, tusschen drabbig, vuil groen, dik gekorst kroos, kwaakt een kikker, met schreeuwtjes, die rochelend wegsterven. Alles gloeit op ’t kerkhof als een bakkersoven. De grond brandt[72]met mul zand in looppaden, zand dat wegschuift, kuiltjes vormend, dikbuikig, die weer volplassen achter de voeten van den wandelaar. Een kat plonst plotseling weg van achter een zerk, rent in een angstigen zwaai naar den steenen muur, vliegt er op, kijkt om met groote, groene oogen, blijft wantrouwend den man aangluren. Nu wuift er een windhapje door de boomen; de zoete reuk wijkt even. Dan is ’t weer stil, stort de kokende hitte weer neer, drukkend, ontzenuwend, bakkend den grond met zijn harde groen en zijn puffende steenen.Max heeft ’t graf gevonden, dat hij zelf, als kind heeft helpen vullen. Leunend op zijn stok, kijkt hij peinzend naar ’t vierkante, wegzakkende monument, ’t eenige teeken, dat ’t geel-verdroogde manneke, dat hem nog slechts flauw in ’t geheugen ligt.… geleefd heeft. Onder de zode een vermolmde kist.… in die kist.… Wat ’n kerkhof toch ’n sombere gedachten verwekt!.… Zoo’n beenderbewaarplaats!…[73]Waar zijn de skeletten van die millioenen, die óok eens leefden? Wat zegt dat lijden en worstelen, dat denken, vooral dat denken, als je na zooveel tijd, misschien dadelijk, ook aan de beurt bent, om begraven te worden met een steentje op je graf, dat je geboren werd.… toen!… en gestorven bent.… toen! En na jaren ruimen ze je heelemaal op, omdat je lang genoeg gelegen hebt, omdat ze je plaats voor ’n ander noodig hebben en wor je ergens neergekwakt in een kuil bij andere beenderen, beenderen van schooiers, ploerten, huichelaars, van denkers, van mooie wezens.… alles bij elkander in een grooten hoop van muffe, poreuze stukken.… of je wordt.…Max rilt even, lacht dan flauwtjes. Ziet hij niet dagelijks menschen wegsterven? Hoeveel attesten teekende hij niet? In Godsnaam.… hij dan ook! Als ze hem maar niet begraven op zoo’n snikheeten dag. Hij veegt zich ’t voorhoofd af.[74]Verder slentert hij, loopt over de graven heen, zoekend naar twee andere zerken, de aanwijzing van ’t gebeente zijner ouders. Daar staan ze.… Kremer en hiëroglyphen er om en er naast, met ’t joodsche jaartal.… 5625.… vijf duizendtallen … Als hij ze eens gekend had.… Als.… Was dat niet mooi ’n eigen moeder.… ’n moeder! Nooit had hij haar gezien met oogen die begrepen.… Als Dora moeder werd, zou hij haar nóg meer liefhebben, aanbidden als ’n heilige, om de smart die ze voor zijn kind zou doorstaan. Goeje God, wat is je wereld toch mooi en rijk, al ben je op ’n kerkhof.… als je vader wordt.… Vader! Wat beteekent ’n graf? Daar lach je om! Je leeft! Je geniet! Je bloed is warm. Je hebt al die zon voor je zelf alleen!.… Vader! Je hebt ’n kind van je eigen vleesch, van je eigen bloed! Wat is nou ’n kerkhof? Later zal je zoon of dochter ook bij je graf staan, zullen ze ook angstig zijn, morren dat je dood bent, maar dan lèven die toch en[75]dat léven hebben ze aan joù te danken!.… Naast elkaar liggen ze, z’n ouders. Dat’s poëtisch. ’t Is ’n malligheid, toch is ’t mooi! Als hij sterft moeten z’m naast Dora leggen.… Da’s ’n gedachte, die je zacht stemt, kinderachtig, da-je zou willen huilen.… Hier zal ’t niet zijn.… Wat beteekent de plaats?.… Hier niet!.…. Nee!.… Alles op deze eenzame plek wijst op dogmatieke kleinheid, op ’t vastklampen aan ’n vorm. Hier staan steenen leunend tegen ijzeren stangen.…. ginds kruisen!.… Da’s toch ’n dwaasheid, ’n bijgeloof, dat ’t eene skelet een staande zerk, ’t ander een kruis, ’n derde niks boven zich heeft.… En al de heetbloedige argumenten van zijn dispuutavonden vliegen hem naar ’t hoofd. Onwillekeurig schiet hem de begrafenis van ’n zeeman te binnen, ’n plechtigheid, die hij eens bijwoonde. Plomp zei de zak. D’r kwam ’n kronkeling van rimpels op ’t water. ’t Lijk was weg. Was dat niet beter, edeler dan op ’n kerkhof te liggen als een dor iets[76]met ’n teeken van fanatisme boven je?.…Max wandelt voort. Met zijn stok schopt hij steentjes en takjes weg. De zon zendt nu haar stralen loodrecht neer, ’t wordt ondragelijk warm. Droomerig kijkt de jonge dokter naar den grond, die een zee van denken, jammer, pijn, ellende, vreugde, bedrogen illusiën, bange worsteling inhoudt.… allen afstammelingen van ’n volk, dat vervolgd werd en wordt om ’n menschelijk wanbegrip, om ’n rassenhaat. O die rampzalige geloofswaan!.…Boven hangt de hemel in z’n dikke, blauwe zwaarte. Witte vlokken kartelen er nevelig doorheen. ’t Is of ’t heele wolkengevaarte naar beneê zal storten, opslokken ’t kleine plekje grond.Max gaat naar ’t bidhuis terug.Zweetend in al zijn poriën blijft ’t kerkhof achter: de groote, gapende muil van ’n nooit moe gevreten ondier, vuilen adem hijgend uitstootend, wachtend op nieuwe offers, die onder gezang en ceremonietjes in zijn vette kaken zullen neergesmeten worden.[77]De kat ploft van den muur af, holt met snelle pootbewegingen over de graven. De vlinder heeft zich vastgezogen aan een bloem, klepperend met de vleugeltjes.Als Max op den Zeedijk op de tram springt staat hij plotseling voor den ouden Daanders. De ontmoeting is even onverwacht als pijnlijk. De oude heer trekt driftig de wenkbrauwen samen, opent de deur, trekt die heftig achter zich dicht en neemt binnen plaats.De indrukken van ’t kerkhof liggen den schoonzoon versch bij. Een weeke mildheid drijft in hem boven. Hij vindt ’t nu nog treuriger met Dora’s ouders gebroken te zijn. Hij wou graag ’t zijne doen.…Daanders zit, binnen, in zichzelf gekeerd, heel alleen. Zijn schoonzoon ziet er uit als een fatsoenlijk man. Overal hoort hij hem roemen om zijn menschlievendheid en zijn kunde. Maar dat Dora ’t zóover gedreven heeft hem, haar vader, voor het kantongerecht[78]te laten komen.… dàt kon hij nooit vergeven. En da’s de schuld van die daar, die met al zijn netheid toch ’n jood blijft … ’n jood!.…Wat ’n brutaliteit!.… de jonge man heeft de deur geòpend en komt recht op hem toe. Daanders hoort ’n paar woorden, stuift op, bleek van woede, gaat de voordeur uit, laat Max alleen. De laatste is bloedrood geworden.… Nu is ’t genoeg! Die ouwe stijfkop met zijn domme, kleingeestige ideeën!….… „Moeder ben je ’t zelf!.…”„Sust, kind, sust! Is je man niet thuis?”„Max.… nee!… O God wa-ben-’k blij je te zien!”De twee vrouwen omarmen elkander, met tranen in de oogen..… „Zie je.… ’k heb ’t haast niet gedurfd voor je vader. Maar ’k dacht, da-’k-’t nou maar eens in stilte doen most.… Wat zie je bleek …”[79].… „Wat ben ik blij.… wat ben ik blij!… ’k Heb in die negen maanden zoo naar je verlangd!… Ja, da’s de luiermand.… Wat zeg je van die snoezige hempies?…”„Lief … dodderig!…”„En kijk die kousjes eens … ’t Zal ’n jongen wezen.… Daar bè-’k zeker van. O God wat ben ’k nou blij!…”„Win je maar niet op … Wel, wel wat is ’t hier lief … Wat een mooi uitzicht … en kijk net de kerk over jullie deur!.… Zeg kind, lang blijf ’k niet. Als vader ’t merkt, da’k hier ben.… Lieve God je kent ’m …”„Laat hij voor eenmaal boos zijn.… ’t doet me zoo goed da’k je weer ’s zie. Je bent dik geworden, moeder.”„Enne, enne, bè-jij gelukkig? Is je man goed voor je?.…”„’n Engel, moeder. ’k Hou elken dag meer van ’m.”„Dat doet me pleizier. Wèl zeker d’r zijn ook wel goeje joden-menschen op de wereld …[80]Wel, wel, wat is hier alles lief!… Hè-j’al ’n baker?…”.… „Max heeft voor alles gezorgd. Als ’t ’n jongen is, zal ’k ’m Dirk noemen, naar vader.… als Max ’t hebben wil.”„Enne, enne,.… als j’m dan doopen liet.…”„Wat zei je, moeder?”„Als j’m doopen liet.…”„Dat doen we niet, da-begrijp je toch moeder!”.… „Begrijpen?.… Nee, begrijpen doe’k ’t niet … Kijk … as je dat doet, is ’t misschien nog goed te maken met je vader … Zie je z’n trots is d’r tegen, om ’t eerst bij je te komen. Maar as ’t ’n jongen is en j’m Dirk noemt en j’m doopen laat, dan ben ’k wel zoo goed as zeker.…”„Daar komt niks van in, moeder. ’k Heb er nooit met Max over gesproken, maar ’k ben zeker dat-ie d’r niks van weten wil.”„Nou ’t was maar ’n gedachte van me.[81]Je neemt ’t me niet kwalijk? Zie je, kinderen zonder godsdienst groot te brengen, daar groeit niks goeds van. Enne.… enne.… as j’t met je vader in orde kon brengen.… zou ’k hier kunnen zijn as ’t zoover is.…”„Nee moeder, dat vraag ’k Max nooit. M’n man en ik spreken nooit over geloof. Ach toe laten we d’r niet verder over spreken, wil je? Is vader gezond?.…”„Best, maar stil, erg stil en grijs geworden.”.… „’t Was vreeselijk pijnlijk voor me moeder. Maar hij bleef weigeren. ’k Kon toch niet tot m’n dertigste wachten.…”„Affijn, da’s nou weer haast vergeten. Soms zeg ’k ’m: „Maak ’t maar goed, Dirk …”’t is een nette jongen en d’r zijn toch ook wel goede jodenmenschen op de wereld.… maar dan word-ie boos. ’s Jammer da-j-’t kind niet doopen laat! Erg jammer!.… Nee, nee, nee, ’k zal d’r niet verder over[82]spreken. ’t Is hier erg lief.… heel lief. Hé, hangen daar onze portretten? Da’s braaf van jullie. En wat ’n mooi schoorsteen-garnituur heb je daar!.… Hoeveel kamers heb je hier in huis?.… Heb-ie ’n goeje meid? Antje is weg. Die scharrelde met ’n marinier.… ’k heb d’r nou wel al zes gehad.… die booje.… die booje!.… Wat ’n snoes van ’n wieg.… Ach Gut, daar heb ik nou nooit de zorg voor gehad!…”Den volgenden dag, ’n Vrijdag, ging ’t jonge echtpaar bij tante Kremer eten. Rika had zich uitgesloofd; ’t heele huis rook naar gebraden vleesch.Heel opgewekt was de tafel niet. ’t Was de eerste maal, dat ze de gasten waren van ’t oude wijfje, en tante, met de hardnekkigheid aan oude menschen eigen, scheen er een kindsch vermaak in te scheppen alle Vrijdagavond-vormen nog nauwgezetter dan anders waar te nemen.[83]„Zie je,” begon ze, ’t woord tot Dora richtend: „je mot niet vergeten, da-je hier bij joden bent. Daar schaam ik me niks voor. ’k Heb me d’r altijd an gehouën. Kom Max, maak jij eens brooge5.…”„Brooge! Brooge!” lachte hij hardop: „tantelief hoe kun je mij dat nou vragen. Dat heb ’k in geen twaalf jaar gedaan. Da-ben ’k al lang vergeten!”„Nie-waar! Niewaar!” zei ’t vrouwtje snibbig: „zeit-ie dat-ie ’t vergeten is? Nou sjeneert-ie zich voor jou.… Kom sjeneer je niet.… Je vrouw weet toch ook wel, dat jij ’n jood bent!”Max werd korzelig.„’k Ben ’t vergeten, laat me toch niet alles tweemaal zeggen!” schreeuwde hij in den hoorn..… „Soo, soo, soo.… hij kan niet meer brooge zeggen.… soo, soo, soo!”[84]Tante bad alleen.Dora fluisterde een „Heere, zegen deze spijs, amen”.… en de soep werd opgedragen, krachtige soep met dansende vetkringetjes er in, sterk gekruid met foelie.„Da’s nou jodesoep.… nou zal j’s ’n soepie proeven,” zei tante, terwijl ze de helft van haar lepel morste en dit regelmatig bij iederen schep bleef doen.Na de soep kwamen gekookte asperges drijvend in gebraden vet. ’t Smaakte Dora in ’t geheel niet, maar toen ze om een klontje boter vroeg, trapte Max haar zachtjes op den voet. Na de asperges twee dampende schotels, de een met zoet gestoofde bloemkool, de ander met onmogelijk sterk gekruide zwezeriken, alles weer zwemmend in ’t vet. Daarna rostbeaf, tot slot een pudding ook weer in ’t vet gebakken. Rika kwam afruimen, mengde zich elk oogenblik in ’t gesprek, met al de beweeglijkheid en familiariteit van ’n meid, die de meesteres onder de plak heeft.[85]„Laat d’r nou niet zooveel praten jongeheer,” zei ze, druk met de borden rinkelend en ’t vet van haar vingers likkend: „anders heb ik van nacht maar weer de last met d’r.…”„Steek je geen sigaar op?” vroeg ’t jonge vrouwtje verwonderd, toen Max onrustig op de tafel bleef trommelen, nadat er afgeruimd was. Ze wist hoe hij op die eene sigaar na ’t eten gesteld was. Hij knikte van neen en knipte lachend met de oogleden in de richting der oude vrouw. Dora lei ’t verkeerd uit.„Kunt u niet tegen rooken?” riep ze in den hoorn.„Wat zè-je? Rooken? Van avond rooken! Hoor is, d’r wordt bij mijn op Sjabbes niet gerookt, hoor je Max!”Weer lachte hij met een verlegen lachje. Maar de avond ging niet om, zonder verdere vermaningen van het menschje, toen Dora in de kachel pookte, toen ze afgetrokken een stuk van de krant afscheurde, toen ze ’t vlammetje[86]onder den theeketel zelf aanstak en al die dingen meer, die de vrouw van haar neef niet op Sjabbes bij haar doen mocht.Vanzelf kwam ’t gesprek op de groote gebeurtenis, die zoo spoedig volgen moest. Tante was uit haar dutje ontwaakt, tot groot leedwezen van den dokter, die zijn vrouw juist eens pakken wou, met ’n plotselinge impulsie om ’t lieve kopje tusschen zijn handen te nemen.„Soo, soo, soo.… heb ik al die tijd geslapen? Weet je waar ik nou aan dacht toen ’k indutte?.…”„Nee, dat kunnen we moeielijk raden.”„Als ’t ’n jongen is, mos j’m Mozes noemen, naar je oom. Als je dat doet.… komt Mozes in me testament”.…„We wouën ’m Dirk noemen, tante, naar Dora’s vader”.….… „Soo, soo.… dat docht ik wel.… Mozes is ’n jodennaam hè? Da-vin-je leelijk?”„Welnee tante, da’s gelijk.”[87]„En z’n permitswe6laat j’m zeker ook niet doen?”„Vin-je niet tante, da-we maar niet zoo vooruit moesten spreken. ’t Kan even goed ’n meisje zijn.”„Ja maar Maxlief.…”„Hoor eens tante, doe m’t pleizier en laat dat rusten! Voor eens en voor altijd zeg ik je, dat mijn kinderen in géen geloof opgevoed worden. Wat ze later zelf willen doen, daar zal ik ze d’r vrijen wil in laten. Da’s ’t laatst, da’k over die kwestie spreek!”„Wo keen Glauben da keen Segen” merkte ’t vrouwtje pruttelend op, een variante op ’t zelfde gezegde van mama Daanders.„Hoe vin je d’r?” had Max gevraagd, toen ze gearmd naar huis gingen.Ze zweeg.Dat ontstemde hem.En den heelen avond was ze erg stil,[88]zweemde er iets van ’n afkeer in haar, tegen de tante, die ze ’n nare, oude jodin vond …„Waar is m’n vrouw, Betje?”„Mevrouw leit te bed, heit ’t benauwd. Ben blij dat u kompt. D’r is ook nog ’n boodschap geweest van … hoe hiette ze ook weer!… nou de naam staat op ’t leitje.… as dat u direk kommen mot, dokter.”„Zoo.… goed.… dank je!”In ’t groote ledekant, onder den hoog gespannen hemel, lag ze. ’t Gezichtje wit als krijt, blauwe kringen onder de oogen. Ze had juist een neusbloeding gehad, hield krampachtig ’n rood gekleurden zakdoek vast.Met groote innigheid zette hij zich bij ’t bed en verwarmde haar eene handje tusschen de zijne.„M’n lieve vrouwtje.…”„Ben je daar Max, ben je daar?”„Ik, lieveling, ik …”„Blijf bij me, ga niet meer weg!”[89]„’k Moet nog één oogenblik de deur uit, dan blijf ik thuis.”„Nee, nee, blijf hier.… ’k ben zoo angstig alleen. Ach goeje God, goeje God, ’k geloof da’k dood ga.”„Hou je bedaard, Doortje. Wees nu m’n sterk vrouwtje.… huil nu niet.…”.… „D’r gaan toch zoo’n boel vrouwen dood, als ’t kind komt … dat heb ik zelf gelezen.… dat-geloof ik …”„Wees niet kinderachtig. Ik heb je toch al gezegd, dat zulke populaire boekjes speculeeren op zwakke gestellen … Gekke meid, je eigen man is toch dokter en nog wel eencum laude… Lach nu weer, toe!.…”„’k Ben bang om dood te gaan.… vreeselijk bang.…”„Anders ben je zoo’n dapper wijfje en nu denk j’an malligheden, kom, kom!”Ze richtte zich op en borg ’t beschreide gezichtje aan zijn schouder.„Laat moeder hier komen, Max.… dan’s[90]alles goed.… dan ben ’k niet bang meer.…”„Maar dat gaat toch niet lieveling. Ze zal niet willen na al wat gebeurd is.”„Dat zal ze wel, dat zal ze wel!”„Doortje, wees nu verstandig. Je weet toch da’k alles heb gedaan om je vader te verzoenen. Hoe wil je nu da-’k je moeder hier breng?”„Z’is al hier geweest, éens, ’n maand geleden.”„Wat zeg je!”„’k Heb ’t je nooit durven zeggen.”„Dat was niet mooi! Geheimen voor me te hebben.… foei!”„Ben j’r boos om?”„Daarom niet, maar dat j’t me niet gezegd heb.… da’s niet mooi.”„Als ze hier was, Max.… bij de bevalling, zou ’k zoo gerust zijn.”„Wil ’k haar dan schrijven?”„Vader wou ook wel goed worden, als.…”.… „Als?.…”„Wor je niet boos?”„Nee m’n schatje.”[91]„Als.…”„Nu is ’t zoo’n geheim?”„Wor je heusch niet boos?”„Maar kindlief, wat ’n ernst!”„Als.… als.… ’t kind gedoopt wordt.…”„Zoo.”„Dat zei moeder.”„Moest ze daàrvoor hier komen?”„Wor nu niet boos, je heb ’t me beloofd.”„Dora.… verlang jij ’t ook.… wat je vader wil?”„Nee Max, nee!.… ’t Is ’n dwaasheid.… ’k Had ’t heelemaal niet an je moeten overbrengen.… Toe, hou of ’k ’t je niet gezegd heb.… Nee, ’k zal ’t nooit willen, nooit!”„Je hebt me pijn gedaan, Dora.…”„Max!”„We waren opweg gelukkig te worden.… Gedoopt wordt ’t kind niet!”„Ja, ja, je hebt gelijk.… Lach weer tegen me.… zoen me.…”[92]„Doortje, als God ons ’n kind geeft, krijgt ’t géén geloof.… geen ander misschien dan dat in God!.… Dat zweer ik je bij m’n liefde.… Als ’t kind wèer moet opgeleid worden in zoo’n dwangbuis.…. dan had ik liever, dat.…. dat.…”Hij hield zich in. ’t Bleeke kopje viel op ’t kussen terug. Zoo’n uitdrukking van passie en wilskracht had ze nog nooit op zijn gezicht gezien. Even was ’t stil in de kamer.„Max!.…”„Zei je iets?.…”„Max.… hou je nog évenveel van me?.… ’k Ben eigenlijk te dom voor jou.…”„Of ’k van je hou!.…”„Zeg ’t me nog eens.…”.… „Of ’k van je hou, m’n Doortje! Of ’k van je hou? Als van God.… Maar laat er nooit meer zóo iets tusschen ons voorvallen.… dat werkt.…”Ze liet hem niet uitspreken, sloeg de armen[93]om zijn hals. Zoo bleven zij zitten in ’t schemerdonker, bij de speelsche lichtflikkering van den hoogopvlammenden haard.„Hé, bè-jij daar Aby? Dat doet m’n enorm pleizier?”„Je vrouw wel?”„’t Kon beter. Z’is licht ongesteld.… Erg zenuwachtig, heel erg.…”„Zoo, dat spijt me. Ja, dat heb je meer bij jonge vrouwen, niet? Zeg doe m’t pleizier en draai dien doodskop eens om. Jakkes wat ’n versiering.”„Is ’t zóo goed, Hamlet?”„Spot maar! ’k vin ’n doodskop ’n beroerd gezicht. Hoef j’r elk oogenblik an herinnerd te worden, dat je oòk moet uitstappen?.… ’k Was wel eens meer komen oploopen, maar ’k heb ’t verduiveld druk. ’k Heb al de klanten van m’n ouwe heer gehouën. Dat was ’n bof voor zoo’n jongen advocaat!”„’k Ben ’n paar maanden geleje nog op ’t[94]kerkhof geweest.… D’r staat ’n mooie steen op ’t graf.”„Ja, dat wou moeder. En die wou ’m ook bij de joden hebben. Nou, in die dagen verzet je j’r niet tegen, ofschoon jij weet hoe hij over alles dacht.”„Maakt de ouwe vrouw ’t goed?”„Zwakkies.… zwakkies.”„Hindert je iets, dat j’r zoo betrokken uitziet?”„Hinderen, hinderen is ’t woord niet, maar toch hè-’k van morgen ’n onaangenaam ding gehad, iets dat me nooit in m’n praktijk is overkomen.”„Wel?”„Discretie, niet?”„Natuurlijk, je kent me.”„Daar was de jonge Van Oppen bij me.…”.… „Die verloopen ploert?”„Juist! Dat ventje met z’n bleeke gezicht en z’n rooje snorretje.…”[95]„Had-ie weer wat an ’t handje?”„Hij wou zijn vader vervolgen!”„Wablief? Z’n vader?”„Precies! ’k Zal je ’t fijne vertellen.… ’n beroerde historie … De ouwe Van Oppen was getrouwd, net als jij, met een christenvrouw …”„Zoo dat wist ik niet!”„Z’is allang dood. D’r zijn maar weinig lui die ’t weten … Nu komt die aap, die kwajongen, die pas meerderjarig geworden is, bij me. ’n Schooier van ’t eerste water! Bij z’n vader mag-ie niet meer an huis komen, na die vuile historie met de dochter van … affijn, dat weet je … Nou, dat-ie z’n moeders erfdeel per deurwaardersexploit wil opeischen da’s zijn zaak. Daar zou ’k niet over gevallen zijn. Jouw vak en ’t mijne brengen nu eenmaal lamme dingen mee,.… maar raad eens wat-ie me zegt?”„Nou?”„Als je ’t hoort zou je zoo’n kwajongen.…”[96]„Wat zei-die?”.… „’k Wil d’ouwe jood thuis de koorts op z’n lijf jagen.…”„Heeft-ie dát gezegd?”„Wat zeg j’r van?”„’t Is ’n laagheid! Bah!… Wist-ie dat jij ook ’n jood bent?”„Da-geloof ’k niet. Maar da’s ’t minste. Verbeel je dat ’n zoon zoo over z’n vader spreekt!”„’t Is verregaand!”„En weet je hoe ’t komt?”„Wat?”„Wel die woorden?”„De kwajongen is slecht opgevoed.…”„Nee, daar zit ’t ’m niet! De familie heeft net zoolang getamboureerd, toen de aap geboren werd, tot Van Oppen om van ’t gezanik af te wezen, ’t kind protestant liet worden.”„Dan is ’t z’n eigen schuld! Dat zou bij mij niet kunnen gebeuren.… Dora is veel[97]te verstandig … ’k Zou me liever voor m’n kop schieten.…”„O bij jou is zoo iets natuurlijk niet denkbaar. Maar toch zie je, dat zoo’n gemengd huwelijk wel eens ’n nasleep hebben kan!”„Malligheid.… Zou j’n christenvrouw nemen, als j’r op verliefd werd?”„’k Wor niet verliefd.”„Nu ja, dat cynisme ken ’k.… maar gesteld ’t geval.”„’t Onmogelijke voor ’n oogenblik aangenomen.… misschien ja … maar ’k zou toch altijd bang zijn, dat m’n vrouw m’ op d’ een of anderen dag m’n afkomst verweet.…”„Wat ’n kleingeestige opvatting!”„’t Gebeurt meer.”„Onzin.… ’k Kan me in zoo iets niet verplaatsen.… Zoo iets zou me voor m’n leven kapot maken.… Wat heb jij toch altijd ’n cynische praatjes!.… Kom laten we van dat onderwerp afstappen. Blijf je bij ons eten vanmiddag?.… We hebben vischdiner.”[98]1Zaliger nagedachtenis.↑2Besnijdenisfeest.↑3Joden.↑4Gaat en vermenigvuldigt u.↑5Zegening tot inwijding van den Sabbath of tot wijding van het eten.↑6Joodsche belijdenis.↑

III.De deur van den coupé eerste klasse slaat dicht. De conducteur laat met een stil lachje het geldstuk in zijn zak glijden, ’t zooveelste van paartjes, die ’t liefst in d’eenzaamheid de woorden van den man van den burgerlijken stand overdenken. De bel rinkinkelt, ’t schelle fluitje van den treinchef snerpt, de trein zet zich in beweging, stoomt het station uit en ploft in toenemende ruzemoezige vaart in ’t donker, buiten.[60]Alleen! alleen op de mollige kussens van den domp verlichten coupé. Alleen! Man en vrouw. Hij kijkt haar aan. Door de golvende schuddingen der voile, schemert haar mooie kopje; het manteltje hangt open; de omtrekken der bruid teekenen zich onschuldig in de plooien van ’t reiskleed, toonend het slanke bovenlijf, de rondingen der knieën. Als ze de voile terugslaat, ziet hij ’t fijne profiel, de rozige lippen. Met een opbruising van hartstocht neemt hij haar in zijn armen, drukt haar tegen zich aan, perst zijn lippen op de hare in een zinneloos, warmen kus en even plotseling laat hij haar glippen, angstig, verschrikt.…„Dora! Dora!.…”„Niets, niets.… ’n gekheid.… ’n angst … Nee wees niet boos.… Nou lach ik weer!” Maar de tranen glijden toch verraderlijk over de hooggekleurde wangen.Weer omvat hij haar onstuimig, tilt haar op zijn knie, kust de tranen uit haar oogen,[61]kust den kleinen mond en met een blik vol teerheid fluistert hij haar zoete woordjes toe: op hem te vertrouwen, niet zenuwachtig te zijn. Sneller gaat haar adem, hijgt haar boezem. Ze klemt zich aan hem vast, beantwoordt zijn liefkoozingen en kijkt hem in de oogen met de volle eerlijkheid van haar reine, jonge wezen. Dan tegen hem aangeleund, met zijn arm om haar middel, zegt ze snel, hartstochtelijk:„… Ach God … ’t Was zoo bitter, Max,zoo hard. Op zoo’n dag bij vreemden!.… Zul je altijd van me houën?… Altijd? Evenveel?… Nee zoen me niet … ’t Maakt me zoo angstig, da’k zoo alleen met je wegga … da’k met vader gebroken heb … met moeder … Herinner jij je ’t nog?… Weet je nog?… Dat zal ik nooit vergeten … Vader voor ’t kantongerecht … en ik … Dat was vreeselijk!… ’t Moest … ’t Moest … maar dan moet je niet boos zijn als ik even huil … ’t Schoot me juist te binnen … Nu[62]is ’t over … Nu ben je m’n heele geluk, m’n vader, m’n moeder, m’n álles!… Als je wist hoe ’k van je hou, m’n Max … m’n man!…”Van de huwelijksreis keerden ze terug in een tinteling van ongekend geluk, elkander naar de oogen ziend, elkanders gedachten radend.’t Huis met zijn versch behang, zijn reuk van nieuw goed, zijn stijve properheid, wachtte hen als een warm, prettig nestje, waarin ze zich de eerste maanden verkneuterden, vertroetelden, opgaande in de hoogheid van hun liefde. Toen begon zijn praktijk toe te nemen. ’t Leitje in de gang, beneden, werd meer en meer beschreven. Dokter reed soms uren lang rond, thuiskomend met een opgewekt gezicht, blij na den arbeid, ’t jonge, knappe wijfje in zijn armen te kunnen nemen. Als ze ’t rijtuigje hoorde aanrollen, stond ze op de teenen voor ’t raam, haar neusje platdrukkend tegen de ruiten, om haar[63]man te zien uitstappen, trotsch op hem. Maar toen er meer en meer patiënten kwamen, vooral armen, sloop er een langzame verveling in haar hartje. Zonder Max scheen ’t huis uitgestorven, doodsch; en de werkzaamheden in ’t kleine huishouden waren zoo gering, dat ’t vrouwtje ’t grootste gedeelte van den dag zonder bepaalde bezigheden was. Soms kwam Karel onverwacht binnenstuiven, bekeek met schuwe nieuwsgierigheid al de mooie dingen in de huiskamer—’t grootste contrast met zijn slordig studeervertrek—zette voorzichtig zijne groote voeten op ’t tapijt, draaide onhandig zijn dikken stok, voelde zich blijkbaar niet thuis in die atmosfeer van gezelligheid en jong huwelijksleven. Soms ook kwam Aby—een deftige meneer met een groote vlassnor,—bleef uren met den dokter praten over kleine pleidooien, die hij in pro-deootjes gevoerd had, sprak veel over politiek, meestal heftig met een sterk rood, radikaal tintje en verveelde ten slotte de[64]jonge vrouw door zijn drukke argumentatie en zijn breedsprakige uitweidingen over dingen, die ze niet begreep, of die haar niet interesseerden.Maar dat alles was heerlijk, vergeleken bij die uren alleen. Die waren verschrikkelijk. Ze trachtte te lezen, maar met de zenuwachtige ongedurigheid aan jonge vrouwen eigen, had ze geen rust om zich lang bij ’tzelfde te bepalen. Met de zekerheid, dat ze moeder worden zou, nam ook haar prikkelbaarheid toe. Uren lang kon ze in een armstoel liggen, droomend, denkend aan vreemde dingen, met een vagen angst voor ’t jonge leven in zich.Dikwijls was ze zwaarmoedig, spookte een onrust in haar, een stille wroeging, een verlangen om weer met vader en moeder verzoend te raken. Elken dag kwam ’t gevoel drukkender weer, dat er een onheil dreigde en die strijd teekende zich ten slotte op haar smal, bleek gezichtje. Max sprak nooit[65]over de breuk met haar ouders. In ’t begin, pas teruggekeerd, had hij een briefje geschreven in hartelijke termen. Geen antwoord was gekomen. Daanders bleef onverzoenlijk, de moeder kende geen anderen wil, dan dien van haar man.Zes maanden waren ze nu getrouwd. ’t Was zomer, ’n mooie Zondag. Een rijtuigje hield stil. De bel ging over.Max keek door het spion. Met een gezicht vol verbazing keerde hij zich naar zijn vrouw.„.… Doortje.… raad eens!.… tante!”Haastig boog ze haar hoofdje naast ’t zijne en met groote nieuwsgierigheid bespiedden de vier oogen de bewegingen van ’t vrouwtje, dat geholpen door haar meid, ’t rijtuig uitzakte, over de stoep strompelde en ’t huis binnentrad..… „Die goeje ziel!,” riep nu Max in een opwelling van hartelijkheid: … „zij doet den eersten stap.… Da’s aardig!.… Doortje,[66]denk, dat ze m’n tweede moeder is.…” Haastig ging hij de oude vrouw tegemoet.’t Menschje hapte naar adem, met korte stootende trekjes, toen ze binnen kwam. ’t Uitstapje had haar zoo vermoeid, dat ze een paar minuten bleef hijgen, met knippende oogleden.Eindelijk kwam er ’n asthmatiek geluid:„Is dát je vrouw?” vroeg ze, hard, onaangenaam, met ’n stem aan dooven eigen.„Ja!” schreeuwde Max.Aarzelend kwam Dora naar ’t gerimpeld menschje, gaf haar op elk der tanige koonen een zoen..… „Soo, soo, is dát je vrouw!.… lijkt wel wat op je moederoleve schonoe1.… Soo-soo, soo.… zeg je wat?”„’k Ben blij u hier te zien, tante.…”„Wat zeit ze! Harder, ’k ben ’n beetje doof!…”[67]Max herhaalde den welkomstgroet..… „Soo, soo, soo.… ’k heb niet langer zonder je gekend.… Da-wil ’k wel weten. Toen heb ik met Rika gesproken.… Die zei ja!.… Is dat moe zijn! Uche.… uche … uche.… ’k Wou d’r toch ook eens zien voor me dood …”„’t Doet me groot genoegen, dat u gekomen bent, tante.… Max heeft me dikwijls over u gesproken.…”„Je hoeft zoo niet te schreeuwen, zoo doof ben ik niet!…”—Ze lachte valschjes—„Soo, soo!… Wel!… wel … ’k was op de brezemiele2van ’t kind van Naatje en ’k dacht nou most ik maar ’s gaan … Soo … soo … soo … jullie woont hier heel netjes … da-mo-’k zeggen …”Dora was opgestaan, had een keurig likeurkeldertje geopend.„Wil u ’n glaasje madera, port of sherry,[68]tante? We zullen dan eens op ’t eerste bezoek klinken!…”.… „Drinken, nee … dank je!.…”„’k Heb ’t al ingeschonken … Bij ’n eerst bezoek mag u niet weigeren.”„Nee ’k drink niks. Max weet wel waarom?”Dora begreep ’t niet..… „Weet Max waarom? Foei, tante, da’s niet mooi iets af te slaan.… juist nu.…”„Max weet ’t wel.… Max weet ’t wel. Wij joden gebruiken niks bij.… nou ja.… je zult ’t ook wel weten … niks bij vreemden … geen spoog water.…”’t Werd botweg gezegd, zonder een bepaald hatelijke bedoeling, maar ’t gaf toch een pijnlijke gaping in ’t gesprek. Dora’s gezichtje betrok..… „’t Is morgen jaartijd van je oom, Max.…”.… „Zoo, tante.”„Was je zeker vergeten?”„Nee heusch niet.”[69]„Lichtjes zal je wel niet voor ’m branden.… da-begrijp ’k … Most je naar ’t graf gaan, wil je?”„Zeker, zeker, ’k zal u vandaag niks weigeren.”„Soo, soo, soo.… ’t Is hier heel aardig.… D’r zal wel haast ’n kleintje kommen, hè? Nou kleur maar niet! Weet je wat de Jidde3zeggen, kind?.…Peroe Oerewoe Oemilloe es hoöres4. Zeg d’r maar eens wat ’t beteekent, Max.… Ja, hij heit ’n goeje opvoeding gehad.… Hij weet nog álles van z’n geloof, al doet-ie d’r niks meer an … Heb-ie ’t ’r gezegd?”Max hield zich alsof hij de verklaring gaf, maar voelde zich gegeneerd, dat tante zoo weinig kieschheid toonde, zoo weinig tact, om zekere onderwerpen nu maar liever te laten rusten.’t Menschje bleef voor haar doen druk[70]doorpraten. Haar oogjes gingen glinsterend van haar vroegeren oogappel naar de opgedrongen nicht. Ze begreep niet, wát Max in dat christenmeisje zag. Had hij niet even goed een van ’t eigen geloof kunnen nemen, even mooi, misschien met nog meer geld?.…Toen ze eindelijk heenging, keerde ze zich bij de deur aarzelend om:„Jullie motten nou ook maar eens bij mijn kommen.… Sjabbesavond of zoo, hoor je?.…”Over ’t ophaalbruggetje treedt de jonge dokter op ’t kerkhof. Hoog aan den hemel glanst de zon, blakert den grond met zijn inhoud. Gras, vertrapt, verschroeid, schiet welig tusschen de aardkluiten. Een enkel struikje sprankt dorre bladen als stikkend in de heete lucht. Naar achteren stompen treurwilgen triestig op, loom, met takken, die slap, gebroken neerbengelen, zonder geritsel of beweging. ’t Is heet, gloeiend heet. ’t[71]Kerkhof ligt als een verschrompeld stuk land, als een afgebeuld uithoekje, snakkend naar water. De zoete, laffe, misselijke stank, die op een zomerdag over een doodenakker dampt, hangt als een half-opgeslurpte mist over de graven, de reuk van een mesthoop. Warm is het, schrikkelijk warm. Blauwe vliegen, brommend, met groote, dik-doorvoede lichamen, dwarrelen spichtig-gonzend van de eene plek naar de andere. Een vlinder fladdert, huppelend schietend en vallend, zoekend een bloempje ergens bij een graf. Steil staan de bestofte, witgekalkte zerken op ’t land, rechtop als ze pas geplaatst; schuin, uitgezakt, verbrokkeld, als de doode goed dood, vergeten, verteerd. Schaduwtjes vallen in egale figuurtjes wat langer of wat dikker op ’t gras, alle naar éen kant. In de sloot, tusschen drabbig, vuil groen, dik gekorst kroos, kwaakt een kikker, met schreeuwtjes, die rochelend wegsterven. Alles gloeit op ’t kerkhof als een bakkersoven. De grond brandt[72]met mul zand in looppaden, zand dat wegschuift, kuiltjes vormend, dikbuikig, die weer volplassen achter de voeten van den wandelaar. Een kat plonst plotseling weg van achter een zerk, rent in een angstigen zwaai naar den steenen muur, vliegt er op, kijkt om met groote, groene oogen, blijft wantrouwend den man aangluren. Nu wuift er een windhapje door de boomen; de zoete reuk wijkt even. Dan is ’t weer stil, stort de kokende hitte weer neer, drukkend, ontzenuwend, bakkend den grond met zijn harde groen en zijn puffende steenen.Max heeft ’t graf gevonden, dat hij zelf, als kind heeft helpen vullen. Leunend op zijn stok, kijkt hij peinzend naar ’t vierkante, wegzakkende monument, ’t eenige teeken, dat ’t geel-verdroogde manneke, dat hem nog slechts flauw in ’t geheugen ligt.… geleefd heeft. Onder de zode een vermolmde kist.… in die kist.… Wat ’n kerkhof toch ’n sombere gedachten verwekt!.… Zoo’n beenderbewaarplaats!…[73]Waar zijn de skeletten van die millioenen, die óok eens leefden? Wat zegt dat lijden en worstelen, dat denken, vooral dat denken, als je na zooveel tijd, misschien dadelijk, ook aan de beurt bent, om begraven te worden met een steentje op je graf, dat je geboren werd.… toen!… en gestorven bent.… toen! En na jaren ruimen ze je heelemaal op, omdat je lang genoeg gelegen hebt, omdat ze je plaats voor ’n ander noodig hebben en wor je ergens neergekwakt in een kuil bij andere beenderen, beenderen van schooiers, ploerten, huichelaars, van denkers, van mooie wezens.… alles bij elkander in een grooten hoop van muffe, poreuze stukken.… of je wordt.…Max rilt even, lacht dan flauwtjes. Ziet hij niet dagelijks menschen wegsterven? Hoeveel attesten teekende hij niet? In Godsnaam.… hij dan ook! Als ze hem maar niet begraven op zoo’n snikheeten dag. Hij veegt zich ’t voorhoofd af.[74]Verder slentert hij, loopt over de graven heen, zoekend naar twee andere zerken, de aanwijzing van ’t gebeente zijner ouders. Daar staan ze.… Kremer en hiëroglyphen er om en er naast, met ’t joodsche jaartal.… 5625.… vijf duizendtallen … Als hij ze eens gekend had.… Als.… Was dat niet mooi ’n eigen moeder.… ’n moeder! Nooit had hij haar gezien met oogen die begrepen.… Als Dora moeder werd, zou hij haar nóg meer liefhebben, aanbidden als ’n heilige, om de smart die ze voor zijn kind zou doorstaan. Goeje God, wat is je wereld toch mooi en rijk, al ben je op ’n kerkhof.… als je vader wordt.… Vader! Wat beteekent ’n graf? Daar lach je om! Je leeft! Je geniet! Je bloed is warm. Je hebt al die zon voor je zelf alleen!.… Vader! Je hebt ’n kind van je eigen vleesch, van je eigen bloed! Wat is nou ’n kerkhof? Later zal je zoon of dochter ook bij je graf staan, zullen ze ook angstig zijn, morren dat je dood bent, maar dan lèven die toch en[75]dat léven hebben ze aan joù te danken!.… Naast elkaar liggen ze, z’n ouders. Dat’s poëtisch. ’t Is ’n malligheid, toch is ’t mooi! Als hij sterft moeten z’m naast Dora leggen.… Da’s ’n gedachte, die je zacht stemt, kinderachtig, da-je zou willen huilen.… Hier zal ’t niet zijn.… Wat beteekent de plaats?.… Hier niet!.…. Nee!.… Alles op deze eenzame plek wijst op dogmatieke kleinheid, op ’t vastklampen aan ’n vorm. Hier staan steenen leunend tegen ijzeren stangen.…. ginds kruisen!.… Da’s toch ’n dwaasheid, ’n bijgeloof, dat ’t eene skelet een staande zerk, ’t ander een kruis, ’n derde niks boven zich heeft.… En al de heetbloedige argumenten van zijn dispuutavonden vliegen hem naar ’t hoofd. Onwillekeurig schiet hem de begrafenis van ’n zeeman te binnen, ’n plechtigheid, die hij eens bijwoonde. Plomp zei de zak. D’r kwam ’n kronkeling van rimpels op ’t water. ’t Lijk was weg. Was dat niet beter, edeler dan op ’n kerkhof te liggen als een dor iets[76]met ’n teeken van fanatisme boven je?.…Max wandelt voort. Met zijn stok schopt hij steentjes en takjes weg. De zon zendt nu haar stralen loodrecht neer, ’t wordt ondragelijk warm. Droomerig kijkt de jonge dokter naar den grond, die een zee van denken, jammer, pijn, ellende, vreugde, bedrogen illusiën, bange worsteling inhoudt.… allen afstammelingen van ’n volk, dat vervolgd werd en wordt om ’n menschelijk wanbegrip, om ’n rassenhaat. O die rampzalige geloofswaan!.…Boven hangt de hemel in z’n dikke, blauwe zwaarte. Witte vlokken kartelen er nevelig doorheen. ’t Is of ’t heele wolkengevaarte naar beneê zal storten, opslokken ’t kleine plekje grond.Max gaat naar ’t bidhuis terug.Zweetend in al zijn poriën blijft ’t kerkhof achter: de groote, gapende muil van ’n nooit moe gevreten ondier, vuilen adem hijgend uitstootend, wachtend op nieuwe offers, die onder gezang en ceremonietjes in zijn vette kaken zullen neergesmeten worden.[77]De kat ploft van den muur af, holt met snelle pootbewegingen over de graven. De vlinder heeft zich vastgezogen aan een bloem, klepperend met de vleugeltjes.Als Max op den Zeedijk op de tram springt staat hij plotseling voor den ouden Daanders. De ontmoeting is even onverwacht als pijnlijk. De oude heer trekt driftig de wenkbrauwen samen, opent de deur, trekt die heftig achter zich dicht en neemt binnen plaats.De indrukken van ’t kerkhof liggen den schoonzoon versch bij. Een weeke mildheid drijft in hem boven. Hij vindt ’t nu nog treuriger met Dora’s ouders gebroken te zijn. Hij wou graag ’t zijne doen.…Daanders zit, binnen, in zichzelf gekeerd, heel alleen. Zijn schoonzoon ziet er uit als een fatsoenlijk man. Overal hoort hij hem roemen om zijn menschlievendheid en zijn kunde. Maar dat Dora ’t zóover gedreven heeft hem, haar vader, voor het kantongerecht[78]te laten komen.… dàt kon hij nooit vergeven. En da’s de schuld van die daar, die met al zijn netheid toch ’n jood blijft … ’n jood!.…Wat ’n brutaliteit!.… de jonge man heeft de deur geòpend en komt recht op hem toe. Daanders hoort ’n paar woorden, stuift op, bleek van woede, gaat de voordeur uit, laat Max alleen. De laatste is bloedrood geworden.… Nu is ’t genoeg! Die ouwe stijfkop met zijn domme, kleingeestige ideeën!….… „Moeder ben je ’t zelf!.…”„Sust, kind, sust! Is je man niet thuis?”„Max.… nee!… O God wa-ben-’k blij je te zien!”De twee vrouwen omarmen elkander, met tranen in de oogen..… „Zie je.… ’k heb ’t haast niet gedurfd voor je vader. Maar ’k dacht, da-’k-’t nou maar eens in stilte doen most.… Wat zie je bleek …”[79].… „Wat ben ik blij.… wat ben ik blij!… ’k Heb in die negen maanden zoo naar je verlangd!… Ja, da’s de luiermand.… Wat zeg je van die snoezige hempies?…”„Lief … dodderig!…”„En kijk die kousjes eens … ’t Zal ’n jongen wezen.… Daar bè-’k zeker van. O God wat ben ’k nou blij!…”„Win je maar niet op … Wel, wel wat is ’t hier lief … Wat een mooi uitzicht … en kijk net de kerk over jullie deur!.… Zeg kind, lang blijf ’k niet. Als vader ’t merkt, da’k hier ben.… Lieve God je kent ’m …”„Laat hij voor eenmaal boos zijn.… ’t doet me zoo goed da’k je weer ’s zie. Je bent dik geworden, moeder.”„Enne, enne, bè-jij gelukkig? Is je man goed voor je?.…”„’n Engel, moeder. ’k Hou elken dag meer van ’m.”„Dat doet me pleizier. Wèl zeker d’r zijn ook wel goeje joden-menschen op de wereld …[80]Wel, wel, wat is hier alles lief!… Hè-j’al ’n baker?…”.… „Max heeft voor alles gezorgd. Als ’t ’n jongen is, zal ’k ’m Dirk noemen, naar vader.… als Max ’t hebben wil.”„Enne, enne,.… als j’m dan doopen liet.…”„Wat zei je, moeder?”„Als j’m doopen liet.…”„Dat doen we niet, da-begrijp je toch moeder!”.… „Begrijpen?.… Nee, begrijpen doe’k ’t niet … Kijk … as je dat doet, is ’t misschien nog goed te maken met je vader … Zie je z’n trots is d’r tegen, om ’t eerst bij je te komen. Maar as ’t ’n jongen is en j’m Dirk noemt en j’m doopen laat, dan ben ’k wel zoo goed as zeker.…”„Daar komt niks van in, moeder. ’k Heb er nooit met Max over gesproken, maar ’k ben zeker dat-ie d’r niks van weten wil.”„Nou ’t was maar ’n gedachte van me.[81]Je neemt ’t me niet kwalijk? Zie je, kinderen zonder godsdienst groot te brengen, daar groeit niks goeds van. Enne.… enne.… as j’t met je vader in orde kon brengen.… zou ’k hier kunnen zijn as ’t zoover is.…”„Nee moeder, dat vraag ’k Max nooit. M’n man en ik spreken nooit over geloof. Ach toe laten we d’r niet verder over spreken, wil je? Is vader gezond?.…”„Best, maar stil, erg stil en grijs geworden.”.… „’t Was vreeselijk pijnlijk voor me moeder. Maar hij bleef weigeren. ’k Kon toch niet tot m’n dertigste wachten.…”„Affijn, da’s nou weer haast vergeten. Soms zeg ’k ’m: „Maak ’t maar goed, Dirk …”’t is een nette jongen en d’r zijn toch ook wel goede jodenmenschen op de wereld.… maar dan word-ie boos. ’s Jammer da-j-’t kind niet doopen laat! Erg jammer!.… Nee, nee, nee, ’k zal d’r niet verder over[82]spreken. ’t Is hier erg lief.… heel lief. Hé, hangen daar onze portretten? Da’s braaf van jullie. En wat ’n mooi schoorsteen-garnituur heb je daar!.… Hoeveel kamers heb je hier in huis?.… Heb-ie ’n goeje meid? Antje is weg. Die scharrelde met ’n marinier.… ’k heb d’r nou wel al zes gehad.… die booje.… die booje!.… Wat ’n snoes van ’n wieg.… Ach Gut, daar heb ik nou nooit de zorg voor gehad!…”Den volgenden dag, ’n Vrijdag, ging ’t jonge echtpaar bij tante Kremer eten. Rika had zich uitgesloofd; ’t heele huis rook naar gebraden vleesch.Heel opgewekt was de tafel niet. ’t Was de eerste maal, dat ze de gasten waren van ’t oude wijfje, en tante, met de hardnekkigheid aan oude menschen eigen, scheen er een kindsch vermaak in te scheppen alle Vrijdagavond-vormen nog nauwgezetter dan anders waar te nemen.[83]„Zie je,” begon ze, ’t woord tot Dora richtend: „je mot niet vergeten, da-je hier bij joden bent. Daar schaam ik me niks voor. ’k Heb me d’r altijd an gehouën. Kom Max, maak jij eens brooge5.…”„Brooge! Brooge!” lachte hij hardop: „tantelief hoe kun je mij dat nou vragen. Dat heb ’k in geen twaalf jaar gedaan. Da-ben ’k al lang vergeten!”„Nie-waar! Niewaar!” zei ’t vrouwtje snibbig: „zeit-ie dat-ie ’t vergeten is? Nou sjeneert-ie zich voor jou.… Kom sjeneer je niet.… Je vrouw weet toch ook wel, dat jij ’n jood bent!”Max werd korzelig.„’k Ben ’t vergeten, laat me toch niet alles tweemaal zeggen!” schreeuwde hij in den hoorn..… „Soo, soo, soo.… hij kan niet meer brooge zeggen.… soo, soo, soo!”[84]Tante bad alleen.Dora fluisterde een „Heere, zegen deze spijs, amen”.… en de soep werd opgedragen, krachtige soep met dansende vetkringetjes er in, sterk gekruid met foelie.„Da’s nou jodesoep.… nou zal j’s ’n soepie proeven,” zei tante, terwijl ze de helft van haar lepel morste en dit regelmatig bij iederen schep bleef doen.Na de soep kwamen gekookte asperges drijvend in gebraden vet. ’t Smaakte Dora in ’t geheel niet, maar toen ze om een klontje boter vroeg, trapte Max haar zachtjes op den voet. Na de asperges twee dampende schotels, de een met zoet gestoofde bloemkool, de ander met onmogelijk sterk gekruide zwezeriken, alles weer zwemmend in ’t vet. Daarna rostbeaf, tot slot een pudding ook weer in ’t vet gebakken. Rika kwam afruimen, mengde zich elk oogenblik in ’t gesprek, met al de beweeglijkheid en familiariteit van ’n meid, die de meesteres onder de plak heeft.[85]„Laat d’r nou niet zooveel praten jongeheer,” zei ze, druk met de borden rinkelend en ’t vet van haar vingers likkend: „anders heb ik van nacht maar weer de last met d’r.…”„Steek je geen sigaar op?” vroeg ’t jonge vrouwtje verwonderd, toen Max onrustig op de tafel bleef trommelen, nadat er afgeruimd was. Ze wist hoe hij op die eene sigaar na ’t eten gesteld was. Hij knikte van neen en knipte lachend met de oogleden in de richting der oude vrouw. Dora lei ’t verkeerd uit.„Kunt u niet tegen rooken?” riep ze in den hoorn.„Wat zè-je? Rooken? Van avond rooken! Hoor is, d’r wordt bij mijn op Sjabbes niet gerookt, hoor je Max!”Weer lachte hij met een verlegen lachje. Maar de avond ging niet om, zonder verdere vermaningen van het menschje, toen Dora in de kachel pookte, toen ze afgetrokken een stuk van de krant afscheurde, toen ze ’t vlammetje[86]onder den theeketel zelf aanstak en al die dingen meer, die de vrouw van haar neef niet op Sjabbes bij haar doen mocht.Vanzelf kwam ’t gesprek op de groote gebeurtenis, die zoo spoedig volgen moest. Tante was uit haar dutje ontwaakt, tot groot leedwezen van den dokter, die zijn vrouw juist eens pakken wou, met ’n plotselinge impulsie om ’t lieve kopje tusschen zijn handen te nemen.„Soo, soo, soo.… heb ik al die tijd geslapen? Weet je waar ik nou aan dacht toen ’k indutte?.…”„Nee, dat kunnen we moeielijk raden.”„Als ’t ’n jongen is, mos j’m Mozes noemen, naar je oom. Als je dat doet.… komt Mozes in me testament”.…„We wouën ’m Dirk noemen, tante, naar Dora’s vader”.….… „Soo, soo.… dat docht ik wel.… Mozes is ’n jodennaam hè? Da-vin-je leelijk?”„Welnee tante, da’s gelijk.”[87]„En z’n permitswe6laat j’m zeker ook niet doen?”„Vin-je niet tante, da-we maar niet zoo vooruit moesten spreken. ’t Kan even goed ’n meisje zijn.”„Ja maar Maxlief.…”„Hoor eens tante, doe m’t pleizier en laat dat rusten! Voor eens en voor altijd zeg ik je, dat mijn kinderen in géen geloof opgevoed worden. Wat ze later zelf willen doen, daar zal ik ze d’r vrijen wil in laten. Da’s ’t laatst, da’k over die kwestie spreek!”„Wo keen Glauben da keen Segen” merkte ’t vrouwtje pruttelend op, een variante op ’t zelfde gezegde van mama Daanders.„Hoe vin je d’r?” had Max gevraagd, toen ze gearmd naar huis gingen.Ze zweeg.Dat ontstemde hem.En den heelen avond was ze erg stil,[88]zweemde er iets van ’n afkeer in haar, tegen de tante, die ze ’n nare, oude jodin vond …„Waar is m’n vrouw, Betje?”„Mevrouw leit te bed, heit ’t benauwd. Ben blij dat u kompt. D’r is ook nog ’n boodschap geweest van … hoe hiette ze ook weer!… nou de naam staat op ’t leitje.… as dat u direk kommen mot, dokter.”„Zoo.… goed.… dank je!”In ’t groote ledekant, onder den hoog gespannen hemel, lag ze. ’t Gezichtje wit als krijt, blauwe kringen onder de oogen. Ze had juist een neusbloeding gehad, hield krampachtig ’n rood gekleurden zakdoek vast.Met groote innigheid zette hij zich bij ’t bed en verwarmde haar eene handje tusschen de zijne.„M’n lieve vrouwtje.…”„Ben je daar Max, ben je daar?”„Ik, lieveling, ik …”„Blijf bij me, ga niet meer weg!”[89]„’k Moet nog één oogenblik de deur uit, dan blijf ik thuis.”„Nee, nee, blijf hier.… ’k ben zoo angstig alleen. Ach goeje God, goeje God, ’k geloof da’k dood ga.”„Hou je bedaard, Doortje. Wees nu m’n sterk vrouwtje.… huil nu niet.…”.… „D’r gaan toch zoo’n boel vrouwen dood, als ’t kind komt … dat heb ik zelf gelezen.… dat-geloof ik …”„Wees niet kinderachtig. Ik heb je toch al gezegd, dat zulke populaire boekjes speculeeren op zwakke gestellen … Gekke meid, je eigen man is toch dokter en nog wel eencum laude… Lach nu weer, toe!.…”„’k Ben bang om dood te gaan.… vreeselijk bang.…”„Anders ben je zoo’n dapper wijfje en nu denk j’an malligheden, kom, kom!”Ze richtte zich op en borg ’t beschreide gezichtje aan zijn schouder.„Laat moeder hier komen, Max.… dan’s[90]alles goed.… dan ben ’k niet bang meer.…”„Maar dat gaat toch niet lieveling. Ze zal niet willen na al wat gebeurd is.”„Dat zal ze wel, dat zal ze wel!”„Doortje, wees nu verstandig. Je weet toch da’k alles heb gedaan om je vader te verzoenen. Hoe wil je nu da-’k je moeder hier breng?”„Z’is al hier geweest, éens, ’n maand geleden.”„Wat zeg je!”„’k Heb ’t je nooit durven zeggen.”„Dat was niet mooi! Geheimen voor me te hebben.… foei!”„Ben j’r boos om?”„Daarom niet, maar dat j’t me niet gezegd heb.… da’s niet mooi.”„Als ze hier was, Max.… bij de bevalling, zou ’k zoo gerust zijn.”„Wil ’k haar dan schrijven?”„Vader wou ook wel goed worden, als.…”.… „Als?.…”„Wor je niet boos?”„Nee m’n schatje.”[91]„Als.…”„Nu is ’t zoo’n geheim?”„Wor je heusch niet boos?”„Maar kindlief, wat ’n ernst!”„Als.… als.… ’t kind gedoopt wordt.…”„Zoo.”„Dat zei moeder.”„Moest ze daàrvoor hier komen?”„Wor nu niet boos, je heb ’t me beloofd.”„Dora.… verlang jij ’t ook.… wat je vader wil?”„Nee Max, nee!.… ’t Is ’n dwaasheid.… ’k Had ’t heelemaal niet an je moeten overbrengen.… Toe, hou of ’k ’t je niet gezegd heb.… Nee, ’k zal ’t nooit willen, nooit!”„Je hebt me pijn gedaan, Dora.…”„Max!”„We waren opweg gelukkig te worden.… Gedoopt wordt ’t kind niet!”„Ja, ja, je hebt gelijk.… Lach weer tegen me.… zoen me.…”[92]„Doortje, als God ons ’n kind geeft, krijgt ’t géén geloof.… geen ander misschien dan dat in God!.… Dat zweer ik je bij m’n liefde.… Als ’t kind wèer moet opgeleid worden in zoo’n dwangbuis.…. dan had ik liever, dat.…. dat.…”Hij hield zich in. ’t Bleeke kopje viel op ’t kussen terug. Zoo’n uitdrukking van passie en wilskracht had ze nog nooit op zijn gezicht gezien. Even was ’t stil in de kamer.„Max!.…”„Zei je iets?.…”„Max.… hou je nog évenveel van me?.… ’k Ben eigenlijk te dom voor jou.…”„Of ’k van je hou!.…”„Zeg ’t me nog eens.…”.… „Of ’k van je hou, m’n Doortje! Of ’k van je hou? Als van God.… Maar laat er nooit meer zóo iets tusschen ons voorvallen.… dat werkt.…”Ze liet hem niet uitspreken, sloeg de armen[93]om zijn hals. Zoo bleven zij zitten in ’t schemerdonker, bij de speelsche lichtflikkering van den hoogopvlammenden haard.„Hé, bè-jij daar Aby? Dat doet m’n enorm pleizier?”„Je vrouw wel?”„’t Kon beter. Z’is licht ongesteld.… Erg zenuwachtig, heel erg.…”„Zoo, dat spijt me. Ja, dat heb je meer bij jonge vrouwen, niet? Zeg doe m’t pleizier en draai dien doodskop eens om. Jakkes wat ’n versiering.”„Is ’t zóo goed, Hamlet?”„Spot maar! ’k vin ’n doodskop ’n beroerd gezicht. Hoef j’r elk oogenblik an herinnerd te worden, dat je oòk moet uitstappen?.… ’k Was wel eens meer komen oploopen, maar ’k heb ’t verduiveld druk. ’k Heb al de klanten van m’n ouwe heer gehouën. Dat was ’n bof voor zoo’n jongen advocaat!”„’k Ben ’n paar maanden geleje nog op ’t[94]kerkhof geweest.… D’r staat ’n mooie steen op ’t graf.”„Ja, dat wou moeder. En die wou ’m ook bij de joden hebben. Nou, in die dagen verzet je j’r niet tegen, ofschoon jij weet hoe hij over alles dacht.”„Maakt de ouwe vrouw ’t goed?”„Zwakkies.… zwakkies.”„Hindert je iets, dat j’r zoo betrokken uitziet?”„Hinderen, hinderen is ’t woord niet, maar toch hè-’k van morgen ’n onaangenaam ding gehad, iets dat me nooit in m’n praktijk is overkomen.”„Wel?”„Discretie, niet?”„Natuurlijk, je kent me.”„Daar was de jonge Van Oppen bij me.…”.… „Die verloopen ploert?”„Juist! Dat ventje met z’n bleeke gezicht en z’n rooje snorretje.…”[95]„Had-ie weer wat an ’t handje?”„Hij wou zijn vader vervolgen!”„Wablief? Z’n vader?”„Precies! ’k Zal je ’t fijne vertellen.… ’n beroerde historie … De ouwe Van Oppen was getrouwd, net als jij, met een christenvrouw …”„Zoo dat wist ik niet!”„Z’is allang dood. D’r zijn maar weinig lui die ’t weten … Nu komt die aap, die kwajongen, die pas meerderjarig geworden is, bij me. ’n Schooier van ’t eerste water! Bij z’n vader mag-ie niet meer an huis komen, na die vuile historie met de dochter van … affijn, dat weet je … Nou, dat-ie z’n moeders erfdeel per deurwaardersexploit wil opeischen da’s zijn zaak. Daar zou ’k niet over gevallen zijn. Jouw vak en ’t mijne brengen nu eenmaal lamme dingen mee,.… maar raad eens wat-ie me zegt?”„Nou?”„Als je ’t hoort zou je zoo’n kwajongen.…”[96]„Wat zei-die?”.… „’k Wil d’ouwe jood thuis de koorts op z’n lijf jagen.…”„Heeft-ie dát gezegd?”„Wat zeg j’r van?”„’t Is ’n laagheid! Bah!… Wist-ie dat jij ook ’n jood bent?”„Da-geloof ’k niet. Maar da’s ’t minste. Verbeel je dat ’n zoon zoo over z’n vader spreekt!”„’t Is verregaand!”„En weet je hoe ’t komt?”„Wat?”„Wel die woorden?”„De kwajongen is slecht opgevoed.…”„Nee, daar zit ’t ’m niet! De familie heeft net zoolang getamboureerd, toen de aap geboren werd, tot Van Oppen om van ’t gezanik af te wezen, ’t kind protestant liet worden.”„Dan is ’t z’n eigen schuld! Dat zou bij mij niet kunnen gebeuren.… Dora is veel[97]te verstandig … ’k Zou me liever voor m’n kop schieten.…”„O bij jou is zoo iets natuurlijk niet denkbaar. Maar toch zie je, dat zoo’n gemengd huwelijk wel eens ’n nasleep hebben kan!”„Malligheid.… Zou j’n christenvrouw nemen, als j’r op verliefd werd?”„’k Wor niet verliefd.”„Nu ja, dat cynisme ken ’k.… maar gesteld ’t geval.”„’t Onmogelijke voor ’n oogenblik aangenomen.… misschien ja … maar ’k zou toch altijd bang zijn, dat m’n vrouw m’ op d’ een of anderen dag m’n afkomst verweet.…”„Wat ’n kleingeestige opvatting!”„’t Gebeurt meer.”„Onzin.… ’k Kan me in zoo iets niet verplaatsen.… Zoo iets zou me voor m’n leven kapot maken.… Wat heb jij toch altijd ’n cynische praatjes!.… Kom laten we van dat onderwerp afstappen. Blijf je bij ons eten vanmiddag?.… We hebben vischdiner.”[98]1Zaliger nagedachtenis.↑2Besnijdenisfeest.↑3Joden.↑4Gaat en vermenigvuldigt u.↑5Zegening tot inwijding van den Sabbath of tot wijding van het eten.↑6Joodsche belijdenis.↑

III.

De deur van den coupé eerste klasse slaat dicht. De conducteur laat met een stil lachje het geldstuk in zijn zak glijden, ’t zooveelste van paartjes, die ’t liefst in d’eenzaamheid de woorden van den man van den burgerlijken stand overdenken. De bel rinkinkelt, ’t schelle fluitje van den treinchef snerpt, de trein zet zich in beweging, stoomt het station uit en ploft in toenemende ruzemoezige vaart in ’t donker, buiten.[60]Alleen! alleen op de mollige kussens van den domp verlichten coupé. Alleen! Man en vrouw. Hij kijkt haar aan. Door de golvende schuddingen der voile, schemert haar mooie kopje; het manteltje hangt open; de omtrekken der bruid teekenen zich onschuldig in de plooien van ’t reiskleed, toonend het slanke bovenlijf, de rondingen der knieën. Als ze de voile terugslaat, ziet hij ’t fijne profiel, de rozige lippen. Met een opbruising van hartstocht neemt hij haar in zijn armen, drukt haar tegen zich aan, perst zijn lippen op de hare in een zinneloos, warmen kus en even plotseling laat hij haar glippen, angstig, verschrikt.…„Dora! Dora!.…”„Niets, niets.… ’n gekheid.… ’n angst … Nee wees niet boos.… Nou lach ik weer!” Maar de tranen glijden toch verraderlijk over de hooggekleurde wangen.Weer omvat hij haar onstuimig, tilt haar op zijn knie, kust de tranen uit haar oogen,[61]kust den kleinen mond en met een blik vol teerheid fluistert hij haar zoete woordjes toe: op hem te vertrouwen, niet zenuwachtig te zijn. Sneller gaat haar adem, hijgt haar boezem. Ze klemt zich aan hem vast, beantwoordt zijn liefkoozingen en kijkt hem in de oogen met de volle eerlijkheid van haar reine, jonge wezen. Dan tegen hem aangeleund, met zijn arm om haar middel, zegt ze snel, hartstochtelijk:„… Ach God … ’t Was zoo bitter, Max,zoo hard. Op zoo’n dag bij vreemden!.… Zul je altijd van me houën?… Altijd? Evenveel?… Nee zoen me niet … ’t Maakt me zoo angstig, da’k zoo alleen met je wegga … da’k met vader gebroken heb … met moeder … Herinner jij je ’t nog?… Weet je nog?… Dat zal ik nooit vergeten … Vader voor ’t kantongerecht … en ik … Dat was vreeselijk!… ’t Moest … ’t Moest … maar dan moet je niet boos zijn als ik even huil … ’t Schoot me juist te binnen … Nu[62]is ’t over … Nu ben je m’n heele geluk, m’n vader, m’n moeder, m’n álles!… Als je wist hoe ’k van je hou, m’n Max … m’n man!…”Van de huwelijksreis keerden ze terug in een tinteling van ongekend geluk, elkander naar de oogen ziend, elkanders gedachten radend.’t Huis met zijn versch behang, zijn reuk van nieuw goed, zijn stijve properheid, wachtte hen als een warm, prettig nestje, waarin ze zich de eerste maanden verkneuterden, vertroetelden, opgaande in de hoogheid van hun liefde. Toen begon zijn praktijk toe te nemen. ’t Leitje in de gang, beneden, werd meer en meer beschreven. Dokter reed soms uren lang rond, thuiskomend met een opgewekt gezicht, blij na den arbeid, ’t jonge, knappe wijfje in zijn armen te kunnen nemen. Als ze ’t rijtuigje hoorde aanrollen, stond ze op de teenen voor ’t raam, haar neusje platdrukkend tegen de ruiten, om haar[63]man te zien uitstappen, trotsch op hem. Maar toen er meer en meer patiënten kwamen, vooral armen, sloop er een langzame verveling in haar hartje. Zonder Max scheen ’t huis uitgestorven, doodsch; en de werkzaamheden in ’t kleine huishouden waren zoo gering, dat ’t vrouwtje ’t grootste gedeelte van den dag zonder bepaalde bezigheden was. Soms kwam Karel onverwacht binnenstuiven, bekeek met schuwe nieuwsgierigheid al de mooie dingen in de huiskamer—’t grootste contrast met zijn slordig studeervertrek—zette voorzichtig zijne groote voeten op ’t tapijt, draaide onhandig zijn dikken stok, voelde zich blijkbaar niet thuis in die atmosfeer van gezelligheid en jong huwelijksleven. Soms ook kwam Aby—een deftige meneer met een groote vlassnor,—bleef uren met den dokter praten over kleine pleidooien, die hij in pro-deootjes gevoerd had, sprak veel over politiek, meestal heftig met een sterk rood, radikaal tintje en verveelde ten slotte de[64]jonge vrouw door zijn drukke argumentatie en zijn breedsprakige uitweidingen over dingen, die ze niet begreep, of die haar niet interesseerden.Maar dat alles was heerlijk, vergeleken bij die uren alleen. Die waren verschrikkelijk. Ze trachtte te lezen, maar met de zenuwachtige ongedurigheid aan jonge vrouwen eigen, had ze geen rust om zich lang bij ’tzelfde te bepalen. Met de zekerheid, dat ze moeder worden zou, nam ook haar prikkelbaarheid toe. Uren lang kon ze in een armstoel liggen, droomend, denkend aan vreemde dingen, met een vagen angst voor ’t jonge leven in zich.Dikwijls was ze zwaarmoedig, spookte een onrust in haar, een stille wroeging, een verlangen om weer met vader en moeder verzoend te raken. Elken dag kwam ’t gevoel drukkender weer, dat er een onheil dreigde en die strijd teekende zich ten slotte op haar smal, bleek gezichtje. Max sprak nooit[65]over de breuk met haar ouders. In ’t begin, pas teruggekeerd, had hij een briefje geschreven in hartelijke termen. Geen antwoord was gekomen. Daanders bleef onverzoenlijk, de moeder kende geen anderen wil, dan dien van haar man.Zes maanden waren ze nu getrouwd. ’t Was zomer, ’n mooie Zondag. Een rijtuigje hield stil. De bel ging over.Max keek door het spion. Met een gezicht vol verbazing keerde hij zich naar zijn vrouw.„.… Doortje.… raad eens!.… tante!”Haastig boog ze haar hoofdje naast ’t zijne en met groote nieuwsgierigheid bespiedden de vier oogen de bewegingen van ’t vrouwtje, dat geholpen door haar meid, ’t rijtuig uitzakte, over de stoep strompelde en ’t huis binnentrad..… „Die goeje ziel!,” riep nu Max in een opwelling van hartelijkheid: … „zij doet den eersten stap.… Da’s aardig!.… Doortje,[66]denk, dat ze m’n tweede moeder is.…” Haastig ging hij de oude vrouw tegemoet.’t Menschje hapte naar adem, met korte stootende trekjes, toen ze binnen kwam. ’t Uitstapje had haar zoo vermoeid, dat ze een paar minuten bleef hijgen, met knippende oogleden.Eindelijk kwam er ’n asthmatiek geluid:„Is dát je vrouw?” vroeg ze, hard, onaangenaam, met ’n stem aan dooven eigen.„Ja!” schreeuwde Max.Aarzelend kwam Dora naar ’t gerimpeld menschje, gaf haar op elk der tanige koonen een zoen..… „Soo, soo, is dát je vrouw!.… lijkt wel wat op je moederoleve schonoe1.… Soo-soo, soo.… zeg je wat?”„’k Ben blij u hier te zien, tante.…”„Wat zeit ze! Harder, ’k ben ’n beetje doof!…”[67]Max herhaalde den welkomstgroet..… „Soo, soo, soo.… ’k heb niet langer zonder je gekend.… Da-wil ’k wel weten. Toen heb ik met Rika gesproken.… Die zei ja!.… Is dat moe zijn! Uche.… uche … uche.… ’k Wou d’r toch ook eens zien voor me dood …”„’t Doet me groot genoegen, dat u gekomen bent, tante.… Max heeft me dikwijls over u gesproken.…”„Je hoeft zoo niet te schreeuwen, zoo doof ben ik niet!…”—Ze lachte valschjes—„Soo, soo!… Wel!… wel … ’k was op de brezemiele2van ’t kind van Naatje en ’k dacht nou most ik maar ’s gaan … Soo … soo … soo … jullie woont hier heel netjes … da-mo-’k zeggen …”Dora was opgestaan, had een keurig likeurkeldertje geopend.„Wil u ’n glaasje madera, port of sherry,[68]tante? We zullen dan eens op ’t eerste bezoek klinken!…”.… „Drinken, nee … dank je!.…”„’k Heb ’t al ingeschonken … Bij ’n eerst bezoek mag u niet weigeren.”„Nee ’k drink niks. Max weet wel waarom?”Dora begreep ’t niet..… „Weet Max waarom? Foei, tante, da’s niet mooi iets af te slaan.… juist nu.…”„Max weet ’t wel.… Max weet ’t wel. Wij joden gebruiken niks bij.… nou ja.… je zult ’t ook wel weten … niks bij vreemden … geen spoog water.…”’t Werd botweg gezegd, zonder een bepaald hatelijke bedoeling, maar ’t gaf toch een pijnlijke gaping in ’t gesprek. Dora’s gezichtje betrok..… „’t Is morgen jaartijd van je oom, Max.…”.… „Zoo, tante.”„Was je zeker vergeten?”„Nee heusch niet.”[69]„Lichtjes zal je wel niet voor ’m branden.… da-begrijp ’k … Most je naar ’t graf gaan, wil je?”„Zeker, zeker, ’k zal u vandaag niks weigeren.”„Soo, soo, soo.… ’t Is hier heel aardig.… D’r zal wel haast ’n kleintje kommen, hè? Nou kleur maar niet! Weet je wat de Jidde3zeggen, kind?.…Peroe Oerewoe Oemilloe es hoöres4. Zeg d’r maar eens wat ’t beteekent, Max.… Ja, hij heit ’n goeje opvoeding gehad.… Hij weet nog álles van z’n geloof, al doet-ie d’r niks meer an … Heb-ie ’t ’r gezegd?”Max hield zich alsof hij de verklaring gaf, maar voelde zich gegeneerd, dat tante zoo weinig kieschheid toonde, zoo weinig tact, om zekere onderwerpen nu maar liever te laten rusten.’t Menschje bleef voor haar doen druk[70]doorpraten. Haar oogjes gingen glinsterend van haar vroegeren oogappel naar de opgedrongen nicht. Ze begreep niet, wát Max in dat christenmeisje zag. Had hij niet even goed een van ’t eigen geloof kunnen nemen, even mooi, misschien met nog meer geld?.…Toen ze eindelijk heenging, keerde ze zich bij de deur aarzelend om:„Jullie motten nou ook maar eens bij mijn kommen.… Sjabbesavond of zoo, hoor je?.…”Over ’t ophaalbruggetje treedt de jonge dokter op ’t kerkhof. Hoog aan den hemel glanst de zon, blakert den grond met zijn inhoud. Gras, vertrapt, verschroeid, schiet welig tusschen de aardkluiten. Een enkel struikje sprankt dorre bladen als stikkend in de heete lucht. Naar achteren stompen treurwilgen triestig op, loom, met takken, die slap, gebroken neerbengelen, zonder geritsel of beweging. ’t Is heet, gloeiend heet. ’t[71]Kerkhof ligt als een verschrompeld stuk land, als een afgebeuld uithoekje, snakkend naar water. De zoete, laffe, misselijke stank, die op een zomerdag over een doodenakker dampt, hangt als een half-opgeslurpte mist over de graven, de reuk van een mesthoop. Warm is het, schrikkelijk warm. Blauwe vliegen, brommend, met groote, dik-doorvoede lichamen, dwarrelen spichtig-gonzend van de eene plek naar de andere. Een vlinder fladdert, huppelend schietend en vallend, zoekend een bloempje ergens bij een graf. Steil staan de bestofte, witgekalkte zerken op ’t land, rechtop als ze pas geplaatst; schuin, uitgezakt, verbrokkeld, als de doode goed dood, vergeten, verteerd. Schaduwtjes vallen in egale figuurtjes wat langer of wat dikker op ’t gras, alle naar éen kant. In de sloot, tusschen drabbig, vuil groen, dik gekorst kroos, kwaakt een kikker, met schreeuwtjes, die rochelend wegsterven. Alles gloeit op ’t kerkhof als een bakkersoven. De grond brandt[72]met mul zand in looppaden, zand dat wegschuift, kuiltjes vormend, dikbuikig, die weer volplassen achter de voeten van den wandelaar. Een kat plonst plotseling weg van achter een zerk, rent in een angstigen zwaai naar den steenen muur, vliegt er op, kijkt om met groote, groene oogen, blijft wantrouwend den man aangluren. Nu wuift er een windhapje door de boomen; de zoete reuk wijkt even. Dan is ’t weer stil, stort de kokende hitte weer neer, drukkend, ontzenuwend, bakkend den grond met zijn harde groen en zijn puffende steenen.Max heeft ’t graf gevonden, dat hij zelf, als kind heeft helpen vullen. Leunend op zijn stok, kijkt hij peinzend naar ’t vierkante, wegzakkende monument, ’t eenige teeken, dat ’t geel-verdroogde manneke, dat hem nog slechts flauw in ’t geheugen ligt.… geleefd heeft. Onder de zode een vermolmde kist.… in die kist.… Wat ’n kerkhof toch ’n sombere gedachten verwekt!.… Zoo’n beenderbewaarplaats!…[73]Waar zijn de skeletten van die millioenen, die óok eens leefden? Wat zegt dat lijden en worstelen, dat denken, vooral dat denken, als je na zooveel tijd, misschien dadelijk, ook aan de beurt bent, om begraven te worden met een steentje op je graf, dat je geboren werd.… toen!… en gestorven bent.… toen! En na jaren ruimen ze je heelemaal op, omdat je lang genoeg gelegen hebt, omdat ze je plaats voor ’n ander noodig hebben en wor je ergens neergekwakt in een kuil bij andere beenderen, beenderen van schooiers, ploerten, huichelaars, van denkers, van mooie wezens.… alles bij elkander in een grooten hoop van muffe, poreuze stukken.… of je wordt.…Max rilt even, lacht dan flauwtjes. Ziet hij niet dagelijks menschen wegsterven? Hoeveel attesten teekende hij niet? In Godsnaam.… hij dan ook! Als ze hem maar niet begraven op zoo’n snikheeten dag. Hij veegt zich ’t voorhoofd af.[74]Verder slentert hij, loopt over de graven heen, zoekend naar twee andere zerken, de aanwijzing van ’t gebeente zijner ouders. Daar staan ze.… Kremer en hiëroglyphen er om en er naast, met ’t joodsche jaartal.… 5625.… vijf duizendtallen … Als hij ze eens gekend had.… Als.… Was dat niet mooi ’n eigen moeder.… ’n moeder! Nooit had hij haar gezien met oogen die begrepen.… Als Dora moeder werd, zou hij haar nóg meer liefhebben, aanbidden als ’n heilige, om de smart die ze voor zijn kind zou doorstaan. Goeje God, wat is je wereld toch mooi en rijk, al ben je op ’n kerkhof.… als je vader wordt.… Vader! Wat beteekent ’n graf? Daar lach je om! Je leeft! Je geniet! Je bloed is warm. Je hebt al die zon voor je zelf alleen!.… Vader! Je hebt ’n kind van je eigen vleesch, van je eigen bloed! Wat is nou ’n kerkhof? Later zal je zoon of dochter ook bij je graf staan, zullen ze ook angstig zijn, morren dat je dood bent, maar dan lèven die toch en[75]dat léven hebben ze aan joù te danken!.… Naast elkaar liggen ze, z’n ouders. Dat’s poëtisch. ’t Is ’n malligheid, toch is ’t mooi! Als hij sterft moeten z’m naast Dora leggen.… Da’s ’n gedachte, die je zacht stemt, kinderachtig, da-je zou willen huilen.… Hier zal ’t niet zijn.… Wat beteekent de plaats?.… Hier niet!.…. Nee!.… Alles op deze eenzame plek wijst op dogmatieke kleinheid, op ’t vastklampen aan ’n vorm. Hier staan steenen leunend tegen ijzeren stangen.…. ginds kruisen!.… Da’s toch ’n dwaasheid, ’n bijgeloof, dat ’t eene skelet een staande zerk, ’t ander een kruis, ’n derde niks boven zich heeft.… En al de heetbloedige argumenten van zijn dispuutavonden vliegen hem naar ’t hoofd. Onwillekeurig schiet hem de begrafenis van ’n zeeman te binnen, ’n plechtigheid, die hij eens bijwoonde. Plomp zei de zak. D’r kwam ’n kronkeling van rimpels op ’t water. ’t Lijk was weg. Was dat niet beter, edeler dan op ’n kerkhof te liggen als een dor iets[76]met ’n teeken van fanatisme boven je?.…Max wandelt voort. Met zijn stok schopt hij steentjes en takjes weg. De zon zendt nu haar stralen loodrecht neer, ’t wordt ondragelijk warm. Droomerig kijkt de jonge dokter naar den grond, die een zee van denken, jammer, pijn, ellende, vreugde, bedrogen illusiën, bange worsteling inhoudt.… allen afstammelingen van ’n volk, dat vervolgd werd en wordt om ’n menschelijk wanbegrip, om ’n rassenhaat. O die rampzalige geloofswaan!.…Boven hangt de hemel in z’n dikke, blauwe zwaarte. Witte vlokken kartelen er nevelig doorheen. ’t Is of ’t heele wolkengevaarte naar beneê zal storten, opslokken ’t kleine plekje grond.Max gaat naar ’t bidhuis terug.Zweetend in al zijn poriën blijft ’t kerkhof achter: de groote, gapende muil van ’n nooit moe gevreten ondier, vuilen adem hijgend uitstootend, wachtend op nieuwe offers, die onder gezang en ceremonietjes in zijn vette kaken zullen neergesmeten worden.[77]De kat ploft van den muur af, holt met snelle pootbewegingen over de graven. De vlinder heeft zich vastgezogen aan een bloem, klepperend met de vleugeltjes.Als Max op den Zeedijk op de tram springt staat hij plotseling voor den ouden Daanders. De ontmoeting is even onverwacht als pijnlijk. De oude heer trekt driftig de wenkbrauwen samen, opent de deur, trekt die heftig achter zich dicht en neemt binnen plaats.De indrukken van ’t kerkhof liggen den schoonzoon versch bij. Een weeke mildheid drijft in hem boven. Hij vindt ’t nu nog treuriger met Dora’s ouders gebroken te zijn. Hij wou graag ’t zijne doen.…Daanders zit, binnen, in zichzelf gekeerd, heel alleen. Zijn schoonzoon ziet er uit als een fatsoenlijk man. Overal hoort hij hem roemen om zijn menschlievendheid en zijn kunde. Maar dat Dora ’t zóover gedreven heeft hem, haar vader, voor het kantongerecht[78]te laten komen.… dàt kon hij nooit vergeven. En da’s de schuld van die daar, die met al zijn netheid toch ’n jood blijft … ’n jood!.…Wat ’n brutaliteit!.… de jonge man heeft de deur geòpend en komt recht op hem toe. Daanders hoort ’n paar woorden, stuift op, bleek van woede, gaat de voordeur uit, laat Max alleen. De laatste is bloedrood geworden.… Nu is ’t genoeg! Die ouwe stijfkop met zijn domme, kleingeestige ideeën!….… „Moeder ben je ’t zelf!.…”„Sust, kind, sust! Is je man niet thuis?”„Max.… nee!… O God wa-ben-’k blij je te zien!”De twee vrouwen omarmen elkander, met tranen in de oogen..… „Zie je.… ’k heb ’t haast niet gedurfd voor je vader. Maar ’k dacht, da-’k-’t nou maar eens in stilte doen most.… Wat zie je bleek …”[79].… „Wat ben ik blij.… wat ben ik blij!… ’k Heb in die negen maanden zoo naar je verlangd!… Ja, da’s de luiermand.… Wat zeg je van die snoezige hempies?…”„Lief … dodderig!…”„En kijk die kousjes eens … ’t Zal ’n jongen wezen.… Daar bè-’k zeker van. O God wat ben ’k nou blij!…”„Win je maar niet op … Wel, wel wat is ’t hier lief … Wat een mooi uitzicht … en kijk net de kerk over jullie deur!.… Zeg kind, lang blijf ’k niet. Als vader ’t merkt, da’k hier ben.… Lieve God je kent ’m …”„Laat hij voor eenmaal boos zijn.… ’t doet me zoo goed da’k je weer ’s zie. Je bent dik geworden, moeder.”„Enne, enne, bè-jij gelukkig? Is je man goed voor je?.…”„’n Engel, moeder. ’k Hou elken dag meer van ’m.”„Dat doet me pleizier. Wèl zeker d’r zijn ook wel goeje joden-menschen op de wereld …[80]Wel, wel, wat is hier alles lief!… Hè-j’al ’n baker?…”.… „Max heeft voor alles gezorgd. Als ’t ’n jongen is, zal ’k ’m Dirk noemen, naar vader.… als Max ’t hebben wil.”„Enne, enne,.… als j’m dan doopen liet.…”„Wat zei je, moeder?”„Als j’m doopen liet.…”„Dat doen we niet, da-begrijp je toch moeder!”.… „Begrijpen?.… Nee, begrijpen doe’k ’t niet … Kijk … as je dat doet, is ’t misschien nog goed te maken met je vader … Zie je z’n trots is d’r tegen, om ’t eerst bij je te komen. Maar as ’t ’n jongen is en j’m Dirk noemt en j’m doopen laat, dan ben ’k wel zoo goed as zeker.…”„Daar komt niks van in, moeder. ’k Heb er nooit met Max over gesproken, maar ’k ben zeker dat-ie d’r niks van weten wil.”„Nou ’t was maar ’n gedachte van me.[81]Je neemt ’t me niet kwalijk? Zie je, kinderen zonder godsdienst groot te brengen, daar groeit niks goeds van. Enne.… enne.… as j’t met je vader in orde kon brengen.… zou ’k hier kunnen zijn as ’t zoover is.…”„Nee moeder, dat vraag ’k Max nooit. M’n man en ik spreken nooit over geloof. Ach toe laten we d’r niet verder over spreken, wil je? Is vader gezond?.…”„Best, maar stil, erg stil en grijs geworden.”.… „’t Was vreeselijk pijnlijk voor me moeder. Maar hij bleef weigeren. ’k Kon toch niet tot m’n dertigste wachten.…”„Affijn, da’s nou weer haast vergeten. Soms zeg ’k ’m: „Maak ’t maar goed, Dirk …”’t is een nette jongen en d’r zijn toch ook wel goede jodenmenschen op de wereld.… maar dan word-ie boos. ’s Jammer da-j-’t kind niet doopen laat! Erg jammer!.… Nee, nee, nee, ’k zal d’r niet verder over[82]spreken. ’t Is hier erg lief.… heel lief. Hé, hangen daar onze portretten? Da’s braaf van jullie. En wat ’n mooi schoorsteen-garnituur heb je daar!.… Hoeveel kamers heb je hier in huis?.… Heb-ie ’n goeje meid? Antje is weg. Die scharrelde met ’n marinier.… ’k heb d’r nou wel al zes gehad.… die booje.… die booje!.… Wat ’n snoes van ’n wieg.… Ach Gut, daar heb ik nou nooit de zorg voor gehad!…”Den volgenden dag, ’n Vrijdag, ging ’t jonge echtpaar bij tante Kremer eten. Rika had zich uitgesloofd; ’t heele huis rook naar gebraden vleesch.Heel opgewekt was de tafel niet. ’t Was de eerste maal, dat ze de gasten waren van ’t oude wijfje, en tante, met de hardnekkigheid aan oude menschen eigen, scheen er een kindsch vermaak in te scheppen alle Vrijdagavond-vormen nog nauwgezetter dan anders waar te nemen.[83]„Zie je,” begon ze, ’t woord tot Dora richtend: „je mot niet vergeten, da-je hier bij joden bent. Daar schaam ik me niks voor. ’k Heb me d’r altijd an gehouën. Kom Max, maak jij eens brooge5.…”„Brooge! Brooge!” lachte hij hardop: „tantelief hoe kun je mij dat nou vragen. Dat heb ’k in geen twaalf jaar gedaan. Da-ben ’k al lang vergeten!”„Nie-waar! Niewaar!” zei ’t vrouwtje snibbig: „zeit-ie dat-ie ’t vergeten is? Nou sjeneert-ie zich voor jou.… Kom sjeneer je niet.… Je vrouw weet toch ook wel, dat jij ’n jood bent!”Max werd korzelig.„’k Ben ’t vergeten, laat me toch niet alles tweemaal zeggen!” schreeuwde hij in den hoorn..… „Soo, soo, soo.… hij kan niet meer brooge zeggen.… soo, soo, soo!”[84]Tante bad alleen.Dora fluisterde een „Heere, zegen deze spijs, amen”.… en de soep werd opgedragen, krachtige soep met dansende vetkringetjes er in, sterk gekruid met foelie.„Da’s nou jodesoep.… nou zal j’s ’n soepie proeven,” zei tante, terwijl ze de helft van haar lepel morste en dit regelmatig bij iederen schep bleef doen.Na de soep kwamen gekookte asperges drijvend in gebraden vet. ’t Smaakte Dora in ’t geheel niet, maar toen ze om een klontje boter vroeg, trapte Max haar zachtjes op den voet. Na de asperges twee dampende schotels, de een met zoet gestoofde bloemkool, de ander met onmogelijk sterk gekruide zwezeriken, alles weer zwemmend in ’t vet. Daarna rostbeaf, tot slot een pudding ook weer in ’t vet gebakken. Rika kwam afruimen, mengde zich elk oogenblik in ’t gesprek, met al de beweeglijkheid en familiariteit van ’n meid, die de meesteres onder de plak heeft.[85]„Laat d’r nou niet zooveel praten jongeheer,” zei ze, druk met de borden rinkelend en ’t vet van haar vingers likkend: „anders heb ik van nacht maar weer de last met d’r.…”„Steek je geen sigaar op?” vroeg ’t jonge vrouwtje verwonderd, toen Max onrustig op de tafel bleef trommelen, nadat er afgeruimd was. Ze wist hoe hij op die eene sigaar na ’t eten gesteld was. Hij knikte van neen en knipte lachend met de oogleden in de richting der oude vrouw. Dora lei ’t verkeerd uit.„Kunt u niet tegen rooken?” riep ze in den hoorn.„Wat zè-je? Rooken? Van avond rooken! Hoor is, d’r wordt bij mijn op Sjabbes niet gerookt, hoor je Max!”Weer lachte hij met een verlegen lachje. Maar de avond ging niet om, zonder verdere vermaningen van het menschje, toen Dora in de kachel pookte, toen ze afgetrokken een stuk van de krant afscheurde, toen ze ’t vlammetje[86]onder den theeketel zelf aanstak en al die dingen meer, die de vrouw van haar neef niet op Sjabbes bij haar doen mocht.Vanzelf kwam ’t gesprek op de groote gebeurtenis, die zoo spoedig volgen moest. Tante was uit haar dutje ontwaakt, tot groot leedwezen van den dokter, die zijn vrouw juist eens pakken wou, met ’n plotselinge impulsie om ’t lieve kopje tusschen zijn handen te nemen.„Soo, soo, soo.… heb ik al die tijd geslapen? Weet je waar ik nou aan dacht toen ’k indutte?.…”„Nee, dat kunnen we moeielijk raden.”„Als ’t ’n jongen is, mos j’m Mozes noemen, naar je oom. Als je dat doet.… komt Mozes in me testament”.…„We wouën ’m Dirk noemen, tante, naar Dora’s vader”.….… „Soo, soo.… dat docht ik wel.… Mozes is ’n jodennaam hè? Da-vin-je leelijk?”„Welnee tante, da’s gelijk.”[87]„En z’n permitswe6laat j’m zeker ook niet doen?”„Vin-je niet tante, da-we maar niet zoo vooruit moesten spreken. ’t Kan even goed ’n meisje zijn.”„Ja maar Maxlief.…”„Hoor eens tante, doe m’t pleizier en laat dat rusten! Voor eens en voor altijd zeg ik je, dat mijn kinderen in géen geloof opgevoed worden. Wat ze later zelf willen doen, daar zal ik ze d’r vrijen wil in laten. Da’s ’t laatst, da’k over die kwestie spreek!”„Wo keen Glauben da keen Segen” merkte ’t vrouwtje pruttelend op, een variante op ’t zelfde gezegde van mama Daanders.„Hoe vin je d’r?” had Max gevraagd, toen ze gearmd naar huis gingen.Ze zweeg.Dat ontstemde hem.En den heelen avond was ze erg stil,[88]zweemde er iets van ’n afkeer in haar, tegen de tante, die ze ’n nare, oude jodin vond …„Waar is m’n vrouw, Betje?”„Mevrouw leit te bed, heit ’t benauwd. Ben blij dat u kompt. D’r is ook nog ’n boodschap geweest van … hoe hiette ze ook weer!… nou de naam staat op ’t leitje.… as dat u direk kommen mot, dokter.”„Zoo.… goed.… dank je!”In ’t groote ledekant, onder den hoog gespannen hemel, lag ze. ’t Gezichtje wit als krijt, blauwe kringen onder de oogen. Ze had juist een neusbloeding gehad, hield krampachtig ’n rood gekleurden zakdoek vast.Met groote innigheid zette hij zich bij ’t bed en verwarmde haar eene handje tusschen de zijne.„M’n lieve vrouwtje.…”„Ben je daar Max, ben je daar?”„Ik, lieveling, ik …”„Blijf bij me, ga niet meer weg!”[89]„’k Moet nog één oogenblik de deur uit, dan blijf ik thuis.”„Nee, nee, blijf hier.… ’k ben zoo angstig alleen. Ach goeje God, goeje God, ’k geloof da’k dood ga.”„Hou je bedaard, Doortje. Wees nu m’n sterk vrouwtje.… huil nu niet.…”.… „D’r gaan toch zoo’n boel vrouwen dood, als ’t kind komt … dat heb ik zelf gelezen.… dat-geloof ik …”„Wees niet kinderachtig. Ik heb je toch al gezegd, dat zulke populaire boekjes speculeeren op zwakke gestellen … Gekke meid, je eigen man is toch dokter en nog wel eencum laude… Lach nu weer, toe!.…”„’k Ben bang om dood te gaan.… vreeselijk bang.…”„Anders ben je zoo’n dapper wijfje en nu denk j’an malligheden, kom, kom!”Ze richtte zich op en borg ’t beschreide gezichtje aan zijn schouder.„Laat moeder hier komen, Max.… dan’s[90]alles goed.… dan ben ’k niet bang meer.…”„Maar dat gaat toch niet lieveling. Ze zal niet willen na al wat gebeurd is.”„Dat zal ze wel, dat zal ze wel!”„Doortje, wees nu verstandig. Je weet toch da’k alles heb gedaan om je vader te verzoenen. Hoe wil je nu da-’k je moeder hier breng?”„Z’is al hier geweest, éens, ’n maand geleden.”„Wat zeg je!”„’k Heb ’t je nooit durven zeggen.”„Dat was niet mooi! Geheimen voor me te hebben.… foei!”„Ben j’r boos om?”„Daarom niet, maar dat j’t me niet gezegd heb.… da’s niet mooi.”„Als ze hier was, Max.… bij de bevalling, zou ’k zoo gerust zijn.”„Wil ’k haar dan schrijven?”„Vader wou ook wel goed worden, als.…”.… „Als?.…”„Wor je niet boos?”„Nee m’n schatje.”[91]„Als.…”„Nu is ’t zoo’n geheim?”„Wor je heusch niet boos?”„Maar kindlief, wat ’n ernst!”„Als.… als.… ’t kind gedoopt wordt.…”„Zoo.”„Dat zei moeder.”„Moest ze daàrvoor hier komen?”„Wor nu niet boos, je heb ’t me beloofd.”„Dora.… verlang jij ’t ook.… wat je vader wil?”„Nee Max, nee!.… ’t Is ’n dwaasheid.… ’k Had ’t heelemaal niet an je moeten overbrengen.… Toe, hou of ’k ’t je niet gezegd heb.… Nee, ’k zal ’t nooit willen, nooit!”„Je hebt me pijn gedaan, Dora.…”„Max!”„We waren opweg gelukkig te worden.… Gedoopt wordt ’t kind niet!”„Ja, ja, je hebt gelijk.… Lach weer tegen me.… zoen me.…”[92]„Doortje, als God ons ’n kind geeft, krijgt ’t géén geloof.… geen ander misschien dan dat in God!.… Dat zweer ik je bij m’n liefde.… Als ’t kind wèer moet opgeleid worden in zoo’n dwangbuis.…. dan had ik liever, dat.…. dat.…”Hij hield zich in. ’t Bleeke kopje viel op ’t kussen terug. Zoo’n uitdrukking van passie en wilskracht had ze nog nooit op zijn gezicht gezien. Even was ’t stil in de kamer.„Max!.…”„Zei je iets?.…”„Max.… hou je nog évenveel van me?.… ’k Ben eigenlijk te dom voor jou.…”„Of ’k van je hou!.…”„Zeg ’t me nog eens.…”.… „Of ’k van je hou, m’n Doortje! Of ’k van je hou? Als van God.… Maar laat er nooit meer zóo iets tusschen ons voorvallen.… dat werkt.…”Ze liet hem niet uitspreken, sloeg de armen[93]om zijn hals. Zoo bleven zij zitten in ’t schemerdonker, bij de speelsche lichtflikkering van den hoogopvlammenden haard.„Hé, bè-jij daar Aby? Dat doet m’n enorm pleizier?”„Je vrouw wel?”„’t Kon beter. Z’is licht ongesteld.… Erg zenuwachtig, heel erg.…”„Zoo, dat spijt me. Ja, dat heb je meer bij jonge vrouwen, niet? Zeg doe m’t pleizier en draai dien doodskop eens om. Jakkes wat ’n versiering.”„Is ’t zóo goed, Hamlet?”„Spot maar! ’k vin ’n doodskop ’n beroerd gezicht. Hoef j’r elk oogenblik an herinnerd te worden, dat je oòk moet uitstappen?.… ’k Was wel eens meer komen oploopen, maar ’k heb ’t verduiveld druk. ’k Heb al de klanten van m’n ouwe heer gehouën. Dat was ’n bof voor zoo’n jongen advocaat!”„’k Ben ’n paar maanden geleje nog op ’t[94]kerkhof geweest.… D’r staat ’n mooie steen op ’t graf.”„Ja, dat wou moeder. En die wou ’m ook bij de joden hebben. Nou, in die dagen verzet je j’r niet tegen, ofschoon jij weet hoe hij over alles dacht.”„Maakt de ouwe vrouw ’t goed?”„Zwakkies.… zwakkies.”„Hindert je iets, dat j’r zoo betrokken uitziet?”„Hinderen, hinderen is ’t woord niet, maar toch hè-’k van morgen ’n onaangenaam ding gehad, iets dat me nooit in m’n praktijk is overkomen.”„Wel?”„Discretie, niet?”„Natuurlijk, je kent me.”„Daar was de jonge Van Oppen bij me.…”.… „Die verloopen ploert?”„Juist! Dat ventje met z’n bleeke gezicht en z’n rooje snorretje.…”[95]„Had-ie weer wat an ’t handje?”„Hij wou zijn vader vervolgen!”„Wablief? Z’n vader?”„Precies! ’k Zal je ’t fijne vertellen.… ’n beroerde historie … De ouwe Van Oppen was getrouwd, net als jij, met een christenvrouw …”„Zoo dat wist ik niet!”„Z’is allang dood. D’r zijn maar weinig lui die ’t weten … Nu komt die aap, die kwajongen, die pas meerderjarig geworden is, bij me. ’n Schooier van ’t eerste water! Bij z’n vader mag-ie niet meer an huis komen, na die vuile historie met de dochter van … affijn, dat weet je … Nou, dat-ie z’n moeders erfdeel per deurwaardersexploit wil opeischen da’s zijn zaak. Daar zou ’k niet over gevallen zijn. Jouw vak en ’t mijne brengen nu eenmaal lamme dingen mee,.… maar raad eens wat-ie me zegt?”„Nou?”„Als je ’t hoort zou je zoo’n kwajongen.…”[96]„Wat zei-die?”.… „’k Wil d’ouwe jood thuis de koorts op z’n lijf jagen.…”„Heeft-ie dát gezegd?”„Wat zeg j’r van?”„’t Is ’n laagheid! Bah!… Wist-ie dat jij ook ’n jood bent?”„Da-geloof ’k niet. Maar da’s ’t minste. Verbeel je dat ’n zoon zoo over z’n vader spreekt!”„’t Is verregaand!”„En weet je hoe ’t komt?”„Wat?”„Wel die woorden?”„De kwajongen is slecht opgevoed.…”„Nee, daar zit ’t ’m niet! De familie heeft net zoolang getamboureerd, toen de aap geboren werd, tot Van Oppen om van ’t gezanik af te wezen, ’t kind protestant liet worden.”„Dan is ’t z’n eigen schuld! Dat zou bij mij niet kunnen gebeuren.… Dora is veel[97]te verstandig … ’k Zou me liever voor m’n kop schieten.…”„O bij jou is zoo iets natuurlijk niet denkbaar. Maar toch zie je, dat zoo’n gemengd huwelijk wel eens ’n nasleep hebben kan!”„Malligheid.… Zou j’n christenvrouw nemen, als j’r op verliefd werd?”„’k Wor niet verliefd.”„Nu ja, dat cynisme ken ’k.… maar gesteld ’t geval.”„’t Onmogelijke voor ’n oogenblik aangenomen.… misschien ja … maar ’k zou toch altijd bang zijn, dat m’n vrouw m’ op d’ een of anderen dag m’n afkomst verweet.…”„Wat ’n kleingeestige opvatting!”„’t Gebeurt meer.”„Onzin.… ’k Kan me in zoo iets niet verplaatsen.… Zoo iets zou me voor m’n leven kapot maken.… Wat heb jij toch altijd ’n cynische praatjes!.… Kom laten we van dat onderwerp afstappen. Blijf je bij ons eten vanmiddag?.… We hebben vischdiner.”[98]

De deur van den coupé eerste klasse slaat dicht. De conducteur laat met een stil lachje het geldstuk in zijn zak glijden, ’t zooveelste van paartjes, die ’t liefst in d’eenzaamheid de woorden van den man van den burgerlijken stand overdenken. De bel rinkinkelt, ’t schelle fluitje van den treinchef snerpt, de trein zet zich in beweging, stoomt het station uit en ploft in toenemende ruzemoezige vaart in ’t donker, buiten.[60]

Alleen! alleen op de mollige kussens van den domp verlichten coupé. Alleen! Man en vrouw. Hij kijkt haar aan. Door de golvende schuddingen der voile, schemert haar mooie kopje; het manteltje hangt open; de omtrekken der bruid teekenen zich onschuldig in de plooien van ’t reiskleed, toonend het slanke bovenlijf, de rondingen der knieën. Als ze de voile terugslaat, ziet hij ’t fijne profiel, de rozige lippen. Met een opbruising van hartstocht neemt hij haar in zijn armen, drukt haar tegen zich aan, perst zijn lippen op de hare in een zinneloos, warmen kus en even plotseling laat hij haar glippen, angstig, verschrikt.…

„Dora! Dora!.…”

„Niets, niets.… ’n gekheid.… ’n angst … Nee wees niet boos.… Nou lach ik weer!” Maar de tranen glijden toch verraderlijk over de hooggekleurde wangen.

Weer omvat hij haar onstuimig, tilt haar op zijn knie, kust de tranen uit haar oogen,[61]kust den kleinen mond en met een blik vol teerheid fluistert hij haar zoete woordjes toe: op hem te vertrouwen, niet zenuwachtig te zijn. Sneller gaat haar adem, hijgt haar boezem. Ze klemt zich aan hem vast, beantwoordt zijn liefkoozingen en kijkt hem in de oogen met de volle eerlijkheid van haar reine, jonge wezen. Dan tegen hem aangeleund, met zijn arm om haar middel, zegt ze snel, hartstochtelijk:

„… Ach God … ’t Was zoo bitter, Max,zoo hard. Op zoo’n dag bij vreemden!.… Zul je altijd van me houën?… Altijd? Evenveel?… Nee zoen me niet … ’t Maakt me zoo angstig, da’k zoo alleen met je wegga … da’k met vader gebroken heb … met moeder … Herinner jij je ’t nog?… Weet je nog?… Dat zal ik nooit vergeten … Vader voor ’t kantongerecht … en ik … Dat was vreeselijk!… ’t Moest … ’t Moest … maar dan moet je niet boos zijn als ik even huil … ’t Schoot me juist te binnen … Nu[62]is ’t over … Nu ben je m’n heele geluk, m’n vader, m’n moeder, m’n álles!… Als je wist hoe ’k van je hou, m’n Max … m’n man!…”

Van de huwelijksreis keerden ze terug in een tinteling van ongekend geluk, elkander naar de oogen ziend, elkanders gedachten radend.

’t Huis met zijn versch behang, zijn reuk van nieuw goed, zijn stijve properheid, wachtte hen als een warm, prettig nestje, waarin ze zich de eerste maanden verkneuterden, vertroetelden, opgaande in de hoogheid van hun liefde. Toen begon zijn praktijk toe te nemen. ’t Leitje in de gang, beneden, werd meer en meer beschreven. Dokter reed soms uren lang rond, thuiskomend met een opgewekt gezicht, blij na den arbeid, ’t jonge, knappe wijfje in zijn armen te kunnen nemen. Als ze ’t rijtuigje hoorde aanrollen, stond ze op de teenen voor ’t raam, haar neusje platdrukkend tegen de ruiten, om haar[63]man te zien uitstappen, trotsch op hem. Maar toen er meer en meer patiënten kwamen, vooral armen, sloop er een langzame verveling in haar hartje. Zonder Max scheen ’t huis uitgestorven, doodsch; en de werkzaamheden in ’t kleine huishouden waren zoo gering, dat ’t vrouwtje ’t grootste gedeelte van den dag zonder bepaalde bezigheden was. Soms kwam Karel onverwacht binnenstuiven, bekeek met schuwe nieuwsgierigheid al de mooie dingen in de huiskamer—’t grootste contrast met zijn slordig studeervertrek—zette voorzichtig zijne groote voeten op ’t tapijt, draaide onhandig zijn dikken stok, voelde zich blijkbaar niet thuis in die atmosfeer van gezelligheid en jong huwelijksleven. Soms ook kwam Aby—een deftige meneer met een groote vlassnor,—bleef uren met den dokter praten over kleine pleidooien, die hij in pro-deootjes gevoerd had, sprak veel over politiek, meestal heftig met een sterk rood, radikaal tintje en verveelde ten slotte de[64]jonge vrouw door zijn drukke argumentatie en zijn breedsprakige uitweidingen over dingen, die ze niet begreep, of die haar niet interesseerden.

Maar dat alles was heerlijk, vergeleken bij die uren alleen. Die waren verschrikkelijk. Ze trachtte te lezen, maar met de zenuwachtige ongedurigheid aan jonge vrouwen eigen, had ze geen rust om zich lang bij ’tzelfde te bepalen. Met de zekerheid, dat ze moeder worden zou, nam ook haar prikkelbaarheid toe. Uren lang kon ze in een armstoel liggen, droomend, denkend aan vreemde dingen, met een vagen angst voor ’t jonge leven in zich.

Dikwijls was ze zwaarmoedig, spookte een onrust in haar, een stille wroeging, een verlangen om weer met vader en moeder verzoend te raken. Elken dag kwam ’t gevoel drukkender weer, dat er een onheil dreigde en die strijd teekende zich ten slotte op haar smal, bleek gezichtje. Max sprak nooit[65]over de breuk met haar ouders. In ’t begin, pas teruggekeerd, had hij een briefje geschreven in hartelijke termen. Geen antwoord was gekomen. Daanders bleef onverzoenlijk, de moeder kende geen anderen wil, dan dien van haar man.

Zes maanden waren ze nu getrouwd. ’t Was zomer, ’n mooie Zondag. Een rijtuigje hield stil. De bel ging over.

Max keek door het spion. Met een gezicht vol verbazing keerde hij zich naar zijn vrouw.

„.… Doortje.… raad eens!.… tante!”

Haastig boog ze haar hoofdje naast ’t zijne en met groote nieuwsgierigheid bespiedden de vier oogen de bewegingen van ’t vrouwtje, dat geholpen door haar meid, ’t rijtuig uitzakte, over de stoep strompelde en ’t huis binnentrad.

.… „Die goeje ziel!,” riep nu Max in een opwelling van hartelijkheid: … „zij doet den eersten stap.… Da’s aardig!.… Doortje,[66]denk, dat ze m’n tweede moeder is.…” Haastig ging hij de oude vrouw tegemoet.

’t Menschje hapte naar adem, met korte stootende trekjes, toen ze binnen kwam. ’t Uitstapje had haar zoo vermoeid, dat ze een paar minuten bleef hijgen, met knippende oogleden.

Eindelijk kwam er ’n asthmatiek geluid:

„Is dát je vrouw?” vroeg ze, hard, onaangenaam, met ’n stem aan dooven eigen.

„Ja!” schreeuwde Max.

Aarzelend kwam Dora naar ’t gerimpeld menschje, gaf haar op elk der tanige koonen een zoen.

.… „Soo, soo, is dát je vrouw!.… lijkt wel wat op je moederoleve schonoe1.… Soo-soo, soo.… zeg je wat?”

„’k Ben blij u hier te zien, tante.…”

„Wat zeit ze! Harder, ’k ben ’n beetje doof!…”[67]

Max herhaalde den welkomstgroet.

.… „Soo, soo, soo.… ’k heb niet langer zonder je gekend.… Da-wil ’k wel weten. Toen heb ik met Rika gesproken.… Die zei ja!.… Is dat moe zijn! Uche.… uche … uche.… ’k Wou d’r toch ook eens zien voor me dood …”

„’t Doet me groot genoegen, dat u gekomen bent, tante.… Max heeft me dikwijls over u gesproken.…”

„Je hoeft zoo niet te schreeuwen, zoo doof ben ik niet!…”—Ze lachte valschjes—„Soo, soo!… Wel!… wel … ’k was op de brezemiele2van ’t kind van Naatje en ’k dacht nou most ik maar ’s gaan … Soo … soo … soo … jullie woont hier heel netjes … da-mo-’k zeggen …”

Dora was opgestaan, had een keurig likeurkeldertje geopend.

„Wil u ’n glaasje madera, port of sherry,[68]tante? We zullen dan eens op ’t eerste bezoek klinken!…”

.… „Drinken, nee … dank je!.…”

„’k Heb ’t al ingeschonken … Bij ’n eerst bezoek mag u niet weigeren.”

„Nee ’k drink niks. Max weet wel waarom?”

Dora begreep ’t niet.

.… „Weet Max waarom? Foei, tante, da’s niet mooi iets af te slaan.… juist nu.…”

„Max weet ’t wel.… Max weet ’t wel. Wij joden gebruiken niks bij.… nou ja.… je zult ’t ook wel weten … niks bij vreemden … geen spoog water.…”

’t Werd botweg gezegd, zonder een bepaald hatelijke bedoeling, maar ’t gaf toch een pijnlijke gaping in ’t gesprek. Dora’s gezichtje betrok.

.… „’t Is morgen jaartijd van je oom, Max.…”

.… „Zoo, tante.”

„Was je zeker vergeten?”

„Nee heusch niet.”[69]

„Lichtjes zal je wel niet voor ’m branden.… da-begrijp ’k … Most je naar ’t graf gaan, wil je?”

„Zeker, zeker, ’k zal u vandaag niks weigeren.”

„Soo, soo, soo.… ’t Is hier heel aardig.… D’r zal wel haast ’n kleintje kommen, hè? Nou kleur maar niet! Weet je wat de Jidde3zeggen, kind?.…Peroe Oerewoe Oemilloe es hoöres4. Zeg d’r maar eens wat ’t beteekent, Max.… Ja, hij heit ’n goeje opvoeding gehad.… Hij weet nog álles van z’n geloof, al doet-ie d’r niks meer an … Heb-ie ’t ’r gezegd?”

Max hield zich alsof hij de verklaring gaf, maar voelde zich gegeneerd, dat tante zoo weinig kieschheid toonde, zoo weinig tact, om zekere onderwerpen nu maar liever te laten rusten.

’t Menschje bleef voor haar doen druk[70]doorpraten. Haar oogjes gingen glinsterend van haar vroegeren oogappel naar de opgedrongen nicht. Ze begreep niet, wát Max in dat christenmeisje zag. Had hij niet even goed een van ’t eigen geloof kunnen nemen, even mooi, misschien met nog meer geld?.…

Toen ze eindelijk heenging, keerde ze zich bij de deur aarzelend om:

„Jullie motten nou ook maar eens bij mijn kommen.… Sjabbesavond of zoo, hoor je?.…”

Over ’t ophaalbruggetje treedt de jonge dokter op ’t kerkhof. Hoog aan den hemel glanst de zon, blakert den grond met zijn inhoud. Gras, vertrapt, verschroeid, schiet welig tusschen de aardkluiten. Een enkel struikje sprankt dorre bladen als stikkend in de heete lucht. Naar achteren stompen treurwilgen triestig op, loom, met takken, die slap, gebroken neerbengelen, zonder geritsel of beweging. ’t Is heet, gloeiend heet. ’t[71]Kerkhof ligt als een verschrompeld stuk land, als een afgebeuld uithoekje, snakkend naar water. De zoete, laffe, misselijke stank, die op een zomerdag over een doodenakker dampt, hangt als een half-opgeslurpte mist over de graven, de reuk van een mesthoop. Warm is het, schrikkelijk warm. Blauwe vliegen, brommend, met groote, dik-doorvoede lichamen, dwarrelen spichtig-gonzend van de eene plek naar de andere. Een vlinder fladdert, huppelend schietend en vallend, zoekend een bloempje ergens bij een graf. Steil staan de bestofte, witgekalkte zerken op ’t land, rechtop als ze pas geplaatst; schuin, uitgezakt, verbrokkeld, als de doode goed dood, vergeten, verteerd. Schaduwtjes vallen in egale figuurtjes wat langer of wat dikker op ’t gras, alle naar éen kant. In de sloot, tusschen drabbig, vuil groen, dik gekorst kroos, kwaakt een kikker, met schreeuwtjes, die rochelend wegsterven. Alles gloeit op ’t kerkhof als een bakkersoven. De grond brandt[72]met mul zand in looppaden, zand dat wegschuift, kuiltjes vormend, dikbuikig, die weer volplassen achter de voeten van den wandelaar. Een kat plonst plotseling weg van achter een zerk, rent in een angstigen zwaai naar den steenen muur, vliegt er op, kijkt om met groote, groene oogen, blijft wantrouwend den man aangluren. Nu wuift er een windhapje door de boomen; de zoete reuk wijkt even. Dan is ’t weer stil, stort de kokende hitte weer neer, drukkend, ontzenuwend, bakkend den grond met zijn harde groen en zijn puffende steenen.

Max heeft ’t graf gevonden, dat hij zelf, als kind heeft helpen vullen. Leunend op zijn stok, kijkt hij peinzend naar ’t vierkante, wegzakkende monument, ’t eenige teeken, dat ’t geel-verdroogde manneke, dat hem nog slechts flauw in ’t geheugen ligt.… geleefd heeft. Onder de zode een vermolmde kist.… in die kist.… Wat ’n kerkhof toch ’n sombere gedachten verwekt!.… Zoo’n beenderbewaarplaats!…[73]Waar zijn de skeletten van die millioenen, die óok eens leefden? Wat zegt dat lijden en worstelen, dat denken, vooral dat denken, als je na zooveel tijd, misschien dadelijk, ook aan de beurt bent, om begraven te worden met een steentje op je graf, dat je geboren werd.… toen!… en gestorven bent.… toen! En na jaren ruimen ze je heelemaal op, omdat je lang genoeg gelegen hebt, omdat ze je plaats voor ’n ander noodig hebben en wor je ergens neergekwakt in een kuil bij andere beenderen, beenderen van schooiers, ploerten, huichelaars, van denkers, van mooie wezens.… alles bij elkander in een grooten hoop van muffe, poreuze stukken.… of je wordt.…

Max rilt even, lacht dan flauwtjes. Ziet hij niet dagelijks menschen wegsterven? Hoeveel attesten teekende hij niet? In Godsnaam.… hij dan ook! Als ze hem maar niet begraven op zoo’n snikheeten dag. Hij veegt zich ’t voorhoofd af.[74]

Verder slentert hij, loopt over de graven heen, zoekend naar twee andere zerken, de aanwijzing van ’t gebeente zijner ouders. Daar staan ze.… Kremer en hiëroglyphen er om en er naast, met ’t joodsche jaartal.… 5625.… vijf duizendtallen … Als hij ze eens gekend had.… Als.… Was dat niet mooi ’n eigen moeder.… ’n moeder! Nooit had hij haar gezien met oogen die begrepen.… Als Dora moeder werd, zou hij haar nóg meer liefhebben, aanbidden als ’n heilige, om de smart die ze voor zijn kind zou doorstaan. Goeje God, wat is je wereld toch mooi en rijk, al ben je op ’n kerkhof.… als je vader wordt.… Vader! Wat beteekent ’n graf? Daar lach je om! Je leeft! Je geniet! Je bloed is warm. Je hebt al die zon voor je zelf alleen!.… Vader! Je hebt ’n kind van je eigen vleesch, van je eigen bloed! Wat is nou ’n kerkhof? Later zal je zoon of dochter ook bij je graf staan, zullen ze ook angstig zijn, morren dat je dood bent, maar dan lèven die toch en[75]dat léven hebben ze aan joù te danken!.… Naast elkaar liggen ze, z’n ouders. Dat’s poëtisch. ’t Is ’n malligheid, toch is ’t mooi! Als hij sterft moeten z’m naast Dora leggen.… Da’s ’n gedachte, die je zacht stemt, kinderachtig, da-je zou willen huilen.… Hier zal ’t niet zijn.… Wat beteekent de plaats?.… Hier niet!.…. Nee!.… Alles op deze eenzame plek wijst op dogmatieke kleinheid, op ’t vastklampen aan ’n vorm. Hier staan steenen leunend tegen ijzeren stangen.…. ginds kruisen!.… Da’s toch ’n dwaasheid, ’n bijgeloof, dat ’t eene skelet een staande zerk, ’t ander een kruis, ’n derde niks boven zich heeft.… En al de heetbloedige argumenten van zijn dispuutavonden vliegen hem naar ’t hoofd. Onwillekeurig schiet hem de begrafenis van ’n zeeman te binnen, ’n plechtigheid, die hij eens bijwoonde. Plomp zei de zak. D’r kwam ’n kronkeling van rimpels op ’t water. ’t Lijk was weg. Was dat niet beter, edeler dan op ’n kerkhof te liggen als een dor iets[76]met ’n teeken van fanatisme boven je?.…

Max wandelt voort. Met zijn stok schopt hij steentjes en takjes weg. De zon zendt nu haar stralen loodrecht neer, ’t wordt ondragelijk warm. Droomerig kijkt de jonge dokter naar den grond, die een zee van denken, jammer, pijn, ellende, vreugde, bedrogen illusiën, bange worsteling inhoudt.… allen afstammelingen van ’n volk, dat vervolgd werd en wordt om ’n menschelijk wanbegrip, om ’n rassenhaat. O die rampzalige geloofswaan!.…

Boven hangt de hemel in z’n dikke, blauwe zwaarte. Witte vlokken kartelen er nevelig doorheen. ’t Is of ’t heele wolkengevaarte naar beneê zal storten, opslokken ’t kleine plekje grond.

Max gaat naar ’t bidhuis terug.

Zweetend in al zijn poriën blijft ’t kerkhof achter: de groote, gapende muil van ’n nooit moe gevreten ondier, vuilen adem hijgend uitstootend, wachtend op nieuwe offers, die onder gezang en ceremonietjes in zijn vette kaken zullen neergesmeten worden.[77]

De kat ploft van den muur af, holt met snelle pootbewegingen over de graven. De vlinder heeft zich vastgezogen aan een bloem, klepperend met de vleugeltjes.

Als Max op den Zeedijk op de tram springt staat hij plotseling voor den ouden Daanders. De ontmoeting is even onverwacht als pijnlijk. De oude heer trekt driftig de wenkbrauwen samen, opent de deur, trekt die heftig achter zich dicht en neemt binnen plaats.

De indrukken van ’t kerkhof liggen den schoonzoon versch bij. Een weeke mildheid drijft in hem boven. Hij vindt ’t nu nog treuriger met Dora’s ouders gebroken te zijn. Hij wou graag ’t zijne doen.…

Daanders zit, binnen, in zichzelf gekeerd, heel alleen. Zijn schoonzoon ziet er uit als een fatsoenlijk man. Overal hoort hij hem roemen om zijn menschlievendheid en zijn kunde. Maar dat Dora ’t zóover gedreven heeft hem, haar vader, voor het kantongerecht[78]te laten komen.… dàt kon hij nooit vergeven. En da’s de schuld van die daar, die met al zijn netheid toch ’n jood blijft … ’n jood!.…

Wat ’n brutaliteit!.… de jonge man heeft de deur geòpend en komt recht op hem toe. Daanders hoort ’n paar woorden, stuift op, bleek van woede, gaat de voordeur uit, laat Max alleen. De laatste is bloedrood geworden.… Nu is ’t genoeg! Die ouwe stijfkop met zijn domme, kleingeestige ideeën!…

.… „Moeder ben je ’t zelf!.…”

„Sust, kind, sust! Is je man niet thuis?”

„Max.… nee!… O God wa-ben-’k blij je te zien!”

De twee vrouwen omarmen elkander, met tranen in de oogen.

.… „Zie je.… ’k heb ’t haast niet gedurfd voor je vader. Maar ’k dacht, da-’k-’t nou maar eens in stilte doen most.… Wat zie je bleek …”[79]

.… „Wat ben ik blij.… wat ben ik blij!… ’k Heb in die negen maanden zoo naar je verlangd!… Ja, da’s de luiermand.… Wat zeg je van die snoezige hempies?…”

„Lief … dodderig!…”

„En kijk die kousjes eens … ’t Zal ’n jongen wezen.… Daar bè-’k zeker van. O God wat ben ’k nou blij!…”

„Win je maar niet op … Wel, wel wat is ’t hier lief … Wat een mooi uitzicht … en kijk net de kerk over jullie deur!.… Zeg kind, lang blijf ’k niet. Als vader ’t merkt, da’k hier ben.… Lieve God je kent ’m …”

„Laat hij voor eenmaal boos zijn.… ’t doet me zoo goed da’k je weer ’s zie. Je bent dik geworden, moeder.”

„Enne, enne, bè-jij gelukkig? Is je man goed voor je?.…”

„’n Engel, moeder. ’k Hou elken dag meer van ’m.”

„Dat doet me pleizier. Wèl zeker d’r zijn ook wel goeje joden-menschen op de wereld …[80]Wel, wel, wat is hier alles lief!… Hè-j’al ’n baker?…”

.… „Max heeft voor alles gezorgd. Als ’t ’n jongen is, zal ’k ’m Dirk noemen, naar vader.… als Max ’t hebben wil.”

„Enne, enne,.… als j’m dan doopen liet.…”

„Wat zei je, moeder?”

„Als j’m doopen liet.…”

„Dat doen we niet, da-begrijp je toch moeder!”

.… „Begrijpen?.… Nee, begrijpen doe’k ’t niet … Kijk … as je dat doet, is ’t misschien nog goed te maken met je vader … Zie je z’n trots is d’r tegen, om ’t eerst bij je te komen. Maar as ’t ’n jongen is en j’m Dirk noemt en j’m doopen laat, dan ben ’k wel zoo goed as zeker.…”

„Daar komt niks van in, moeder. ’k Heb er nooit met Max over gesproken, maar ’k ben zeker dat-ie d’r niks van weten wil.”

„Nou ’t was maar ’n gedachte van me.[81]Je neemt ’t me niet kwalijk? Zie je, kinderen zonder godsdienst groot te brengen, daar groeit niks goeds van. Enne.… enne.… as j’t met je vader in orde kon brengen.… zou ’k hier kunnen zijn as ’t zoover is.…”

„Nee moeder, dat vraag ’k Max nooit. M’n man en ik spreken nooit over geloof. Ach toe laten we d’r niet verder over spreken, wil je? Is vader gezond?.…”

„Best, maar stil, erg stil en grijs geworden.”

.… „’t Was vreeselijk pijnlijk voor me moeder. Maar hij bleef weigeren. ’k Kon toch niet tot m’n dertigste wachten.…”

„Affijn, da’s nou weer haast vergeten. Soms zeg ’k ’m: „Maak ’t maar goed, Dirk …”’t is een nette jongen en d’r zijn toch ook wel goede jodenmenschen op de wereld.… maar dan word-ie boos. ’s Jammer da-j-’t kind niet doopen laat! Erg jammer!.… Nee, nee, nee, ’k zal d’r niet verder over[82]spreken. ’t Is hier erg lief.… heel lief. Hé, hangen daar onze portretten? Da’s braaf van jullie. En wat ’n mooi schoorsteen-garnituur heb je daar!.… Hoeveel kamers heb je hier in huis?.… Heb-ie ’n goeje meid? Antje is weg. Die scharrelde met ’n marinier.… ’k heb d’r nou wel al zes gehad.… die booje.… die booje!.… Wat ’n snoes van ’n wieg.… Ach Gut, daar heb ik nou nooit de zorg voor gehad!…”

Den volgenden dag, ’n Vrijdag, ging ’t jonge echtpaar bij tante Kremer eten. Rika had zich uitgesloofd; ’t heele huis rook naar gebraden vleesch.

Heel opgewekt was de tafel niet. ’t Was de eerste maal, dat ze de gasten waren van ’t oude wijfje, en tante, met de hardnekkigheid aan oude menschen eigen, scheen er een kindsch vermaak in te scheppen alle Vrijdagavond-vormen nog nauwgezetter dan anders waar te nemen.[83]

„Zie je,” begon ze, ’t woord tot Dora richtend: „je mot niet vergeten, da-je hier bij joden bent. Daar schaam ik me niks voor. ’k Heb me d’r altijd an gehouën. Kom Max, maak jij eens brooge5.…”

„Brooge! Brooge!” lachte hij hardop: „tantelief hoe kun je mij dat nou vragen. Dat heb ’k in geen twaalf jaar gedaan. Da-ben ’k al lang vergeten!”

„Nie-waar! Niewaar!” zei ’t vrouwtje snibbig: „zeit-ie dat-ie ’t vergeten is? Nou sjeneert-ie zich voor jou.… Kom sjeneer je niet.… Je vrouw weet toch ook wel, dat jij ’n jood bent!”

Max werd korzelig.

„’k Ben ’t vergeten, laat me toch niet alles tweemaal zeggen!” schreeuwde hij in den hoorn.

.… „Soo, soo, soo.… hij kan niet meer brooge zeggen.… soo, soo, soo!”[84]

Tante bad alleen.

Dora fluisterde een „Heere, zegen deze spijs, amen”.… en de soep werd opgedragen, krachtige soep met dansende vetkringetjes er in, sterk gekruid met foelie.

„Da’s nou jodesoep.… nou zal j’s ’n soepie proeven,” zei tante, terwijl ze de helft van haar lepel morste en dit regelmatig bij iederen schep bleef doen.

Na de soep kwamen gekookte asperges drijvend in gebraden vet. ’t Smaakte Dora in ’t geheel niet, maar toen ze om een klontje boter vroeg, trapte Max haar zachtjes op den voet. Na de asperges twee dampende schotels, de een met zoet gestoofde bloemkool, de ander met onmogelijk sterk gekruide zwezeriken, alles weer zwemmend in ’t vet. Daarna rostbeaf, tot slot een pudding ook weer in ’t vet gebakken. Rika kwam afruimen, mengde zich elk oogenblik in ’t gesprek, met al de beweeglijkheid en familiariteit van ’n meid, die de meesteres onder de plak heeft.[85]

„Laat d’r nou niet zooveel praten jongeheer,” zei ze, druk met de borden rinkelend en ’t vet van haar vingers likkend: „anders heb ik van nacht maar weer de last met d’r.…”

„Steek je geen sigaar op?” vroeg ’t jonge vrouwtje verwonderd, toen Max onrustig op de tafel bleef trommelen, nadat er afgeruimd was. Ze wist hoe hij op die eene sigaar na ’t eten gesteld was. Hij knikte van neen en knipte lachend met de oogleden in de richting der oude vrouw. Dora lei ’t verkeerd uit.

„Kunt u niet tegen rooken?” riep ze in den hoorn.

„Wat zè-je? Rooken? Van avond rooken! Hoor is, d’r wordt bij mijn op Sjabbes niet gerookt, hoor je Max!”

Weer lachte hij met een verlegen lachje. Maar de avond ging niet om, zonder verdere vermaningen van het menschje, toen Dora in de kachel pookte, toen ze afgetrokken een stuk van de krant afscheurde, toen ze ’t vlammetje[86]onder den theeketel zelf aanstak en al die dingen meer, die de vrouw van haar neef niet op Sjabbes bij haar doen mocht.

Vanzelf kwam ’t gesprek op de groote gebeurtenis, die zoo spoedig volgen moest. Tante was uit haar dutje ontwaakt, tot groot leedwezen van den dokter, die zijn vrouw juist eens pakken wou, met ’n plotselinge impulsie om ’t lieve kopje tusschen zijn handen te nemen.

„Soo, soo, soo.… heb ik al die tijd geslapen? Weet je waar ik nou aan dacht toen ’k indutte?.…”

„Nee, dat kunnen we moeielijk raden.”

„Als ’t ’n jongen is, mos j’m Mozes noemen, naar je oom. Als je dat doet.… komt Mozes in me testament”.…

„We wouën ’m Dirk noemen, tante, naar Dora’s vader”.…

.… „Soo, soo.… dat docht ik wel.… Mozes is ’n jodennaam hè? Da-vin-je leelijk?”

„Welnee tante, da’s gelijk.”[87]

„En z’n permitswe6laat j’m zeker ook niet doen?”

„Vin-je niet tante, da-we maar niet zoo vooruit moesten spreken. ’t Kan even goed ’n meisje zijn.”

„Ja maar Maxlief.…”

„Hoor eens tante, doe m’t pleizier en laat dat rusten! Voor eens en voor altijd zeg ik je, dat mijn kinderen in géen geloof opgevoed worden. Wat ze later zelf willen doen, daar zal ik ze d’r vrijen wil in laten. Da’s ’t laatst, da’k over die kwestie spreek!”

„Wo keen Glauben da keen Segen” merkte ’t vrouwtje pruttelend op, een variante op ’t zelfde gezegde van mama Daanders.

„Hoe vin je d’r?” had Max gevraagd, toen ze gearmd naar huis gingen.

Ze zweeg.

Dat ontstemde hem.

En den heelen avond was ze erg stil,[88]zweemde er iets van ’n afkeer in haar, tegen de tante, die ze ’n nare, oude jodin vond …

„Waar is m’n vrouw, Betje?”

„Mevrouw leit te bed, heit ’t benauwd. Ben blij dat u kompt. D’r is ook nog ’n boodschap geweest van … hoe hiette ze ook weer!… nou de naam staat op ’t leitje.… as dat u direk kommen mot, dokter.”

„Zoo.… goed.… dank je!”

In ’t groote ledekant, onder den hoog gespannen hemel, lag ze. ’t Gezichtje wit als krijt, blauwe kringen onder de oogen. Ze had juist een neusbloeding gehad, hield krampachtig ’n rood gekleurden zakdoek vast.

Met groote innigheid zette hij zich bij ’t bed en verwarmde haar eene handje tusschen de zijne.

„M’n lieve vrouwtje.…”

„Ben je daar Max, ben je daar?”

„Ik, lieveling, ik …”

„Blijf bij me, ga niet meer weg!”[89]

„’k Moet nog één oogenblik de deur uit, dan blijf ik thuis.”

„Nee, nee, blijf hier.… ’k ben zoo angstig alleen. Ach goeje God, goeje God, ’k geloof da’k dood ga.”

„Hou je bedaard, Doortje. Wees nu m’n sterk vrouwtje.… huil nu niet.…”

.… „D’r gaan toch zoo’n boel vrouwen dood, als ’t kind komt … dat heb ik zelf gelezen.… dat-geloof ik …”

„Wees niet kinderachtig. Ik heb je toch al gezegd, dat zulke populaire boekjes speculeeren op zwakke gestellen … Gekke meid, je eigen man is toch dokter en nog wel eencum laude… Lach nu weer, toe!.…”

„’k Ben bang om dood te gaan.… vreeselijk bang.…”

„Anders ben je zoo’n dapper wijfje en nu denk j’an malligheden, kom, kom!”

Ze richtte zich op en borg ’t beschreide gezichtje aan zijn schouder.

„Laat moeder hier komen, Max.… dan’s[90]alles goed.… dan ben ’k niet bang meer.…”

„Maar dat gaat toch niet lieveling. Ze zal niet willen na al wat gebeurd is.”

„Dat zal ze wel, dat zal ze wel!”

„Doortje, wees nu verstandig. Je weet toch da’k alles heb gedaan om je vader te verzoenen. Hoe wil je nu da-’k je moeder hier breng?”

„Z’is al hier geweest, éens, ’n maand geleden.”

„Wat zeg je!”

„’k Heb ’t je nooit durven zeggen.”

„Dat was niet mooi! Geheimen voor me te hebben.… foei!”

„Ben j’r boos om?”

„Daarom niet, maar dat j’t me niet gezegd heb.… da’s niet mooi.”

„Als ze hier was, Max.… bij de bevalling, zou ’k zoo gerust zijn.”

„Wil ’k haar dan schrijven?”

„Vader wou ook wel goed worden, als.…”

.… „Als?.…”

„Wor je niet boos?”

„Nee m’n schatje.”[91]

„Als.…”

„Nu is ’t zoo’n geheim?”

„Wor je heusch niet boos?”

„Maar kindlief, wat ’n ernst!”

„Als.… als.… ’t kind gedoopt wordt.…”

„Zoo.”

„Dat zei moeder.”

„Moest ze daàrvoor hier komen?”

„Wor nu niet boos, je heb ’t me beloofd.”

„Dora.… verlang jij ’t ook.… wat je vader wil?”

„Nee Max, nee!.… ’t Is ’n dwaasheid.… ’k Had ’t heelemaal niet an je moeten overbrengen.… Toe, hou of ’k ’t je niet gezegd heb.… Nee, ’k zal ’t nooit willen, nooit!”

„Je hebt me pijn gedaan, Dora.…”

„Max!”

„We waren opweg gelukkig te worden.… Gedoopt wordt ’t kind niet!”

„Ja, ja, je hebt gelijk.… Lach weer tegen me.… zoen me.…”[92]

„Doortje, als God ons ’n kind geeft, krijgt ’t géén geloof.… geen ander misschien dan dat in God!.… Dat zweer ik je bij m’n liefde.… Als ’t kind wèer moet opgeleid worden in zoo’n dwangbuis.…. dan had ik liever, dat.…. dat.…”

Hij hield zich in. ’t Bleeke kopje viel op ’t kussen terug. Zoo’n uitdrukking van passie en wilskracht had ze nog nooit op zijn gezicht gezien. Even was ’t stil in de kamer.

„Max!.…”

„Zei je iets?.…”

„Max.… hou je nog évenveel van me?.… ’k Ben eigenlijk te dom voor jou.…”

„Of ’k van je hou!.…”

„Zeg ’t me nog eens.…”

.… „Of ’k van je hou, m’n Doortje! Of ’k van je hou? Als van God.… Maar laat er nooit meer zóo iets tusschen ons voorvallen.… dat werkt.…”

Ze liet hem niet uitspreken, sloeg de armen[93]om zijn hals. Zoo bleven zij zitten in ’t schemerdonker, bij de speelsche lichtflikkering van den hoogopvlammenden haard.

„Hé, bè-jij daar Aby? Dat doet m’n enorm pleizier?”

„Je vrouw wel?”

„’t Kon beter. Z’is licht ongesteld.… Erg zenuwachtig, heel erg.…”

„Zoo, dat spijt me. Ja, dat heb je meer bij jonge vrouwen, niet? Zeg doe m’t pleizier en draai dien doodskop eens om. Jakkes wat ’n versiering.”

„Is ’t zóo goed, Hamlet?”

„Spot maar! ’k vin ’n doodskop ’n beroerd gezicht. Hoef j’r elk oogenblik an herinnerd te worden, dat je oòk moet uitstappen?.… ’k Was wel eens meer komen oploopen, maar ’k heb ’t verduiveld druk. ’k Heb al de klanten van m’n ouwe heer gehouën. Dat was ’n bof voor zoo’n jongen advocaat!”

„’k Ben ’n paar maanden geleje nog op ’t[94]kerkhof geweest.… D’r staat ’n mooie steen op ’t graf.”

„Ja, dat wou moeder. En die wou ’m ook bij de joden hebben. Nou, in die dagen verzet je j’r niet tegen, ofschoon jij weet hoe hij over alles dacht.”

„Maakt de ouwe vrouw ’t goed?”

„Zwakkies.… zwakkies.”

„Hindert je iets, dat j’r zoo betrokken uitziet?”

„Hinderen, hinderen is ’t woord niet, maar toch hè-’k van morgen ’n onaangenaam ding gehad, iets dat me nooit in m’n praktijk is overkomen.”

„Wel?”

„Discretie, niet?”

„Natuurlijk, je kent me.”

„Daar was de jonge Van Oppen bij me.…”

.… „Die verloopen ploert?”

„Juist! Dat ventje met z’n bleeke gezicht en z’n rooje snorretje.…”[95]

„Had-ie weer wat an ’t handje?”

„Hij wou zijn vader vervolgen!”

„Wablief? Z’n vader?”

„Precies! ’k Zal je ’t fijne vertellen.… ’n beroerde historie … De ouwe Van Oppen was getrouwd, net als jij, met een christenvrouw …”

„Zoo dat wist ik niet!”

„Z’is allang dood. D’r zijn maar weinig lui die ’t weten … Nu komt die aap, die kwajongen, die pas meerderjarig geworden is, bij me. ’n Schooier van ’t eerste water! Bij z’n vader mag-ie niet meer an huis komen, na die vuile historie met de dochter van … affijn, dat weet je … Nou, dat-ie z’n moeders erfdeel per deurwaardersexploit wil opeischen da’s zijn zaak. Daar zou ’k niet over gevallen zijn. Jouw vak en ’t mijne brengen nu eenmaal lamme dingen mee,.… maar raad eens wat-ie me zegt?”

„Nou?”

„Als je ’t hoort zou je zoo’n kwajongen.…”[96]

„Wat zei-die?”

.… „’k Wil d’ouwe jood thuis de koorts op z’n lijf jagen.…”

„Heeft-ie dát gezegd?”

„Wat zeg j’r van?”

„’t Is ’n laagheid! Bah!… Wist-ie dat jij ook ’n jood bent?”

„Da-geloof ’k niet. Maar da’s ’t minste. Verbeel je dat ’n zoon zoo over z’n vader spreekt!”

„’t Is verregaand!”

„En weet je hoe ’t komt?”

„Wat?”

„Wel die woorden?”

„De kwajongen is slecht opgevoed.…”

„Nee, daar zit ’t ’m niet! De familie heeft net zoolang getamboureerd, toen de aap geboren werd, tot Van Oppen om van ’t gezanik af te wezen, ’t kind protestant liet worden.”

„Dan is ’t z’n eigen schuld! Dat zou bij mij niet kunnen gebeuren.… Dora is veel[97]te verstandig … ’k Zou me liever voor m’n kop schieten.…”

„O bij jou is zoo iets natuurlijk niet denkbaar. Maar toch zie je, dat zoo’n gemengd huwelijk wel eens ’n nasleep hebben kan!”

„Malligheid.… Zou j’n christenvrouw nemen, als j’r op verliefd werd?”

„’k Wor niet verliefd.”

„Nu ja, dat cynisme ken ’k.… maar gesteld ’t geval.”

„’t Onmogelijke voor ’n oogenblik aangenomen.… misschien ja … maar ’k zou toch altijd bang zijn, dat m’n vrouw m’ op d’ een of anderen dag m’n afkomst verweet.…”

„Wat ’n kleingeestige opvatting!”

„’t Gebeurt meer.”

„Onzin.… ’k Kan me in zoo iets niet verplaatsen.… Zoo iets zou me voor m’n leven kapot maken.… Wat heb jij toch altijd ’n cynische praatjes!.… Kom laten we van dat onderwerp afstappen. Blijf je bij ons eten vanmiddag?.… We hebben vischdiner.”[98]

1Zaliger nagedachtenis.↑2Besnijdenisfeest.↑3Joden.↑4Gaat en vermenigvuldigt u.↑5Zegening tot inwijding van den Sabbath of tot wijding van het eten.↑6Joodsche belijdenis.↑

1Zaliger nagedachtenis.↑2Besnijdenisfeest.↑3Joden.↑4Gaat en vermenigvuldigt u.↑5Zegening tot inwijding van den Sabbath of tot wijding van het eten.↑6Joodsche belijdenis.↑

1Zaliger nagedachtenis.↑

1Zaliger nagedachtenis.↑

2Besnijdenisfeest.↑

2Besnijdenisfeest.↑

3Joden.↑

3Joden.↑

4Gaat en vermenigvuldigt u.↑

4Gaat en vermenigvuldigt u.↑

5Zegening tot inwijding van den Sabbath of tot wijding van het eten.↑

5Zegening tot inwijding van den Sabbath of tot wijding van het eten.↑

6Joodsche belijdenis.↑

6Joodsche belijdenis.↑


Back to IndexNext