IV.

IV.Naarmate ’t tijdstip der bevalling naderde, greep er eene groote verandering in Dora plaats, een verandering, die zich scherp op ’t vermagerde gezichtje afspiegelde. Elken dag werd ze geagiteerder, met buien van nerveuse prikkelbaarheid. Zonder ’t te laten blijken was de jonge dokter in voortdurende onrust. De man van wetenschap, die zoo dikwijls koelbloedig en zeker in ziektegevallen optrad, had nu oogenblikken, dat hij al zijn weten verwenschte, dat hij zich de akeligste complicatiën voor den geest haalde, zich ’t ergste voorstelde. Dora’s opgewondenheid verontrustte hem. Ze had uren, dat ze naar hem zat te luisteren[99]en bij ’t doen van ’n vraag opschrikte, alsof ze aan andere dingen dacht. Midden in ’n gesprek kon ze stil worden, met droomerige oogen voor zich uitkijken en plotseling weer ontwaken, met een vreemd iets over zich, alsof ze zich moest bezinnen, waar ze was. Ze at weinig, klaagde over duizeligheden, schrikte van ’t geringste geluid, kon driftig uitvallen over ’n kleinigheid en murmureeren over nietigheden, dat Max dikwijls ineenkromp van medelijden. Voortdurend trachtte hij haar op te wekken, om met hem te wandelen, maar ze toonde zich lusteloos, hangerig, werd gauw moe, klaagde over pijn in de leden en werd knorrig als hij verstandig met haar wilde praten.Was de jonge man afwezig, dan bleef ze in haar stoel zitten, met een angstig, huiverig denken in zich. ’t Bloed steeg haar warm naar ’t hoofd en ze liet de meid binnenkomen, om niet alleen te zijn. Voelde ze zich wat opgewekt, dan liep ze in ’t tuintje, soezerig rondkijkend, schuw voor ’t felle daglicht.[100]Een paar keer was de stiefmoeder angstig komen binnenvallen, ’t jonge vrouwtje zenuwachtiger makend door haar vrees, dat Daanders achter die bezoeken komen zou. Ze deed veel vragen, met de nuchtere nieuwsgierigheid, de onbeholpen rumoerigheid van iemand, die nog nooit ’n bevalling meegemaakt heeft, duizend raadgevingen opdreunt, duizend bijzondere inzichten heeft. De laatste maal kwam ze juist uit de kerk en ontmoette Max in de huiskamer. Hartelijk, joviaal had hij haar begroet en daardoor onmiddellijk de stijve spanning weggenomen, die anders ’t gevolg is van zoo’n onverwacht samentreffen.Toen ze weg was, vond Max haar bijbeltje op tafel liggen.„Je moeder heeft iets vergeten,” zei hij lachend: „geef ’t haar terug als ze weer komt. Je kunt ’t nu moeilijk laten brengen.” Dora had ’t roodvergulde boekje weggesloten. Een paar dagen later kwam ’t haar toevallig in handen. Met de nieuwsgierigheid van[101]’n kind, dat iets vindt uit vroeger jaren, had ze ’t gouden slootje opengemaakt, was begonnen te lezen, eerst glimlachend, toen meer ernstig.… D’r stonden toch mooie dingen in.… ware dingen.Ze bleef er zoo in verdiept, dat Max voor haar stond eer ze ’t wist.„Lees jij in den bijbel?”… had hij ongeloovig gevraagd.’t Boekje knipte dicht, dat de bladen verfrommelden.…… „O God, wat doe-je me schrikken!…”De baker was ’n logge, vette vrouw met groote, stille bewegingen. Ze vulde de huiskamer met haar dikke lichaam, breed uitzittend, waar ze neerviel. De handen gleden over de lompe knieën, in een flegmatieke kromming van den breeden rug. De vleezige mond zei zoete dingetjes, zachtknorrende opmerkingen, gepeperde stads-schandaaltjes, vervelend-aaiende raadgevingen. Ze poseerde[102]met de deftigheid eener bejaarde matrone, voedend ’t groote lijf met egoïste schrokkigheid, als ’t verwende troetelkind van ’n paar honderd onrustige kraamvrouwen. Met haar komst kwam ’n stille gemoedelijkheid in ’t jonge huishouden, een zacht loopen op de trappen en in de gangen, ’n eerbiedige bedaarde afwachting van ’t kind.Op een dag was ze met Max alleen. Veel eerbied voor jonge dokters had ze niet. Ze kon jeugdige geneesheeren niet best zetten, met ’t ingeworteld vooroordeel van ’n ouwe vrouw, die door al wat ze meegemaakt heeft, alleen nog ontzag voelt voor konventioneele deftigheid en gemaniereerde ouderwetschheid.„’k Heb d’r ’n zwaar hoofd in,” zei ze, diepzinnig ’t gladde hoofd schuddend.„’n Zwaar hoofd!.… Waarom?” De vraag werd driftig gedaan. De opmerking van de baker sloot te nauwkeurig met zijn eigen gedachten van de laatste weken.[103]„Omdat ik d’r ’n zwaar hoofd in heb …”„Omdat! Omdat!… Waarom?”„’t Is m’n 241stegeval, maar ’k hè-ze nog zeldzaam zoo onrustig gezien. Je mag d’r niet zelf behandelen, hoor!…”„Da-weet ’k wel, maar.…”„Ze prakkizeert al maar over dood gaan. En da’s ’n kwaje …”„Als ’t maar voorbij is.…”„As … as … as is verbrande turf met permissie! Ze heit me gezegd, da ze heelemaal gerust zou zijn als d’r moeder.…”„Ja, ja, dat weet ik ook!… Je moet m’n vrouw maar gerust zien te stellen, d’r niet zoo an d’r gedachten overlaten.”„Je hoef mijn niks te leeren. ’k Ben ook niet van gister!… Ik zeg, dat as d’r moeder niet kompt.… nee, waarachtig dan ben je niet verantwoord. ’t Is zooveel as ’n fieks idee van d’r …”„Hum!”„’t Is altijd leelijk as ze prakkizeeren over[104]iets, as ’t zoover is. Daar hè-je mevrouw van Stralen, ’n goed mensch, ’n goeje dienst van me geweest, veel afval … affijn die is d’r in gebleven, al maar door geprakkizeerd over d’r man, die ’n bloedspoeging gekregen had …”„Als je zulke gekke dingen maar niet zegt, waar m’n vrouw bij is!”„Wel God beware.… ’t Is m’n 241ste!… God beware!”Driftig draaide Max op zijn stoel. ’t Zemelend gekakel der baker dreunde nog in zijn ooren. Even peinsde hij. Toen schreef hij in eens door..… „Waartoe die verdere vijandschap? Dora’s zenuwachtige toestand verontrust me. Laat mama bij ons komen logeeren. Is het nu niet beter, waardiger voor ons beiden, die ongelukkige geloofskwestie ter wille van Dora terzij te laten? ’k Geef U mijn woord van eer, dat ik ’t aan mijn kinderen op den dag hunner meerderjarigheid zal overlaten, wat ze wenschen te doen.…”[105]’s Avonds lag er in Max’ prullenmand een nijdig verfrommeld briefje: Daanders’ groote hanepooten:.… „Laten we elkaargoedverstaan. Kinderen van een Israëliet, worden overal als Joden beschouwd. Nu ’t, tegen mijn wil, zoover gekomen is, zal ik de verzoening van mijn kant—dus oòk die van Dora’s moeder—uitsluitend afhankelijk stellen van uwe pertinente verklaring, dat ’t kind gedoopt wordt. Ontvang ik die verzekering nog heden, dan is de zaak in orde en zullen wij voor ’t vervolg de burgerlijke beleefdheid tegenover elkander in acht nemen.…”Er werd géén antwoord bij den houthandelaar bezorgd. De dokter had ’t papier woedend weggesmeten.In een verschrikkelijke opgewondenheid liep de jonge man in zijn kamer rond. Al zijn zenuwen waren gespannen. Soms als er een geluid uit ’t andere vertrek kwam, stokte zijn[106]adem, bleef hij hijgend luisteren met den deurknop in de hand. Was ’t stil, dan hervatte hij zijn koortsachtige wandeling, die hem duizelig maakte; stond af en toe stil voor de photographieën aan den wand, waarvan de omtrekken in een nevel voor zijn oogen schemerden, of bleef met gescherpte opmerkzaamheid naar ’n detail staren, dat hem vroeger nooit was opgevallen. Dan zenuwachtig-gejaagd stapte hij verder, drukte ’t gloeiend voorhoofd tegen de ruiten, zag de voorbijgangers voortsnellen, tot het glas wit van damp werd; luisterde half bewusteloos naar ’t leven buiten, ’t harde gelui der trams en rukte zich weer plotseling weg van die plaats, dronk groote teugen cognac uit een glas op de tafel, bladerde in een boek, waarvan de lettertjes als een zwarte klit voor z’n oogen wriemelden, schrikte weer op, koud, huiverig.… voelde zich gebroken, zonder weerstandsvermogen.’t Visioen van zijn vrouwtje, dat al sedert dien morgen gemarteld werd, spookte hem[107]door ’t hoofd, vervolgde, pijnigde hem. Wel een paar dozijn keer was hij de kamer uitgeweest, naar beneden, in de huiskamer, had in de keuken een kop koffie gedronken, ’t gebabbel van de meid aangehoord, had zich geërgerd, dat hij zoo kinderachtig was en ’n volgend oogenblik was ’n nieuwe angstgolf naar zijn hoofd gestegen.„Ben je daar Kremer?.…”’t Was de oude collega, die snel binnentrad. Max keek hem half verwilderd aan.„Hoe vin-j’r?.…”„Ze lijdt erg. ’k Ben bang voor ’n complicatie.… Ze ijlt ’n beetje.… roept telkens om haar moeder. Die moet hier komen, oogenblikkelijk.… ’k Wacht ’t kind tegen den avond.”„Moethaar moeder hier komen?”„We begrijpen elkander, collega.… ’k hoef voor jou niets te verbergen.… ’t Is ’t eenig kalmeerend middel.”„We zijn gebrouilleerd met de familie.…”[108]„Dan moet ’tcoûte qui coûtebijgelegd worden.”„Da’s niet mogelijk.…”„Niet mogelijk?”„Neen.”„Enfin.… ik wil niet in je familieaangelegenheden treden, maar je kent nu mijn opinie.… Tot van avond.…”„Een oogenblik!.… ’tmoètzeg-je?”„In mijn oogen, ja, positief!”„Dan zal ’t gebeuren.”„Da’s goed. Adieu.”„Adieu.”Tien minuten later werd er bij Daanders aangescheld. Driftig scheurde de oude man ’t couvert open.„Klee je an en ga dadelijk naar Dora. Haast je wat!”Ze keek hem verbaasd aan.„.… ’t Kind zal gedoopt worden.… Zend m’n boodschap als ’t afgeloopen is. Kom treuzel nou niet!.…”[109]

IV.Naarmate ’t tijdstip der bevalling naderde, greep er eene groote verandering in Dora plaats, een verandering, die zich scherp op ’t vermagerde gezichtje afspiegelde. Elken dag werd ze geagiteerder, met buien van nerveuse prikkelbaarheid. Zonder ’t te laten blijken was de jonge dokter in voortdurende onrust. De man van wetenschap, die zoo dikwijls koelbloedig en zeker in ziektegevallen optrad, had nu oogenblikken, dat hij al zijn weten verwenschte, dat hij zich de akeligste complicatiën voor den geest haalde, zich ’t ergste voorstelde. Dora’s opgewondenheid verontrustte hem. Ze had uren, dat ze naar hem zat te luisteren[99]en bij ’t doen van ’n vraag opschrikte, alsof ze aan andere dingen dacht. Midden in ’n gesprek kon ze stil worden, met droomerige oogen voor zich uitkijken en plotseling weer ontwaken, met een vreemd iets over zich, alsof ze zich moest bezinnen, waar ze was. Ze at weinig, klaagde over duizeligheden, schrikte van ’t geringste geluid, kon driftig uitvallen over ’n kleinigheid en murmureeren over nietigheden, dat Max dikwijls ineenkromp van medelijden. Voortdurend trachtte hij haar op te wekken, om met hem te wandelen, maar ze toonde zich lusteloos, hangerig, werd gauw moe, klaagde over pijn in de leden en werd knorrig als hij verstandig met haar wilde praten.Was de jonge man afwezig, dan bleef ze in haar stoel zitten, met een angstig, huiverig denken in zich. ’t Bloed steeg haar warm naar ’t hoofd en ze liet de meid binnenkomen, om niet alleen te zijn. Voelde ze zich wat opgewekt, dan liep ze in ’t tuintje, soezerig rondkijkend, schuw voor ’t felle daglicht.[100]Een paar keer was de stiefmoeder angstig komen binnenvallen, ’t jonge vrouwtje zenuwachtiger makend door haar vrees, dat Daanders achter die bezoeken komen zou. Ze deed veel vragen, met de nuchtere nieuwsgierigheid, de onbeholpen rumoerigheid van iemand, die nog nooit ’n bevalling meegemaakt heeft, duizend raadgevingen opdreunt, duizend bijzondere inzichten heeft. De laatste maal kwam ze juist uit de kerk en ontmoette Max in de huiskamer. Hartelijk, joviaal had hij haar begroet en daardoor onmiddellijk de stijve spanning weggenomen, die anders ’t gevolg is van zoo’n onverwacht samentreffen.Toen ze weg was, vond Max haar bijbeltje op tafel liggen.„Je moeder heeft iets vergeten,” zei hij lachend: „geef ’t haar terug als ze weer komt. Je kunt ’t nu moeilijk laten brengen.” Dora had ’t roodvergulde boekje weggesloten. Een paar dagen later kwam ’t haar toevallig in handen. Met de nieuwsgierigheid van[101]’n kind, dat iets vindt uit vroeger jaren, had ze ’t gouden slootje opengemaakt, was begonnen te lezen, eerst glimlachend, toen meer ernstig.… D’r stonden toch mooie dingen in.… ware dingen.Ze bleef er zoo in verdiept, dat Max voor haar stond eer ze ’t wist.„Lees jij in den bijbel?”… had hij ongeloovig gevraagd.’t Boekje knipte dicht, dat de bladen verfrommelden.…… „O God, wat doe-je me schrikken!…”De baker was ’n logge, vette vrouw met groote, stille bewegingen. Ze vulde de huiskamer met haar dikke lichaam, breed uitzittend, waar ze neerviel. De handen gleden over de lompe knieën, in een flegmatieke kromming van den breeden rug. De vleezige mond zei zoete dingetjes, zachtknorrende opmerkingen, gepeperde stads-schandaaltjes, vervelend-aaiende raadgevingen. Ze poseerde[102]met de deftigheid eener bejaarde matrone, voedend ’t groote lijf met egoïste schrokkigheid, als ’t verwende troetelkind van ’n paar honderd onrustige kraamvrouwen. Met haar komst kwam ’n stille gemoedelijkheid in ’t jonge huishouden, een zacht loopen op de trappen en in de gangen, ’n eerbiedige bedaarde afwachting van ’t kind.Op een dag was ze met Max alleen. Veel eerbied voor jonge dokters had ze niet. Ze kon jeugdige geneesheeren niet best zetten, met ’t ingeworteld vooroordeel van ’n ouwe vrouw, die door al wat ze meegemaakt heeft, alleen nog ontzag voelt voor konventioneele deftigheid en gemaniereerde ouderwetschheid.„’k Heb d’r ’n zwaar hoofd in,” zei ze, diepzinnig ’t gladde hoofd schuddend.„’n Zwaar hoofd!.… Waarom?” De vraag werd driftig gedaan. De opmerking van de baker sloot te nauwkeurig met zijn eigen gedachten van de laatste weken.[103]„Omdat ik d’r ’n zwaar hoofd in heb …”„Omdat! Omdat!… Waarom?”„’t Is m’n 241stegeval, maar ’k hè-ze nog zeldzaam zoo onrustig gezien. Je mag d’r niet zelf behandelen, hoor!…”„Da-weet ’k wel, maar.…”„Ze prakkizeert al maar over dood gaan. En da’s ’n kwaje …”„Als ’t maar voorbij is.…”„As … as … as is verbrande turf met permissie! Ze heit me gezegd, da ze heelemaal gerust zou zijn als d’r moeder.…”„Ja, ja, dat weet ik ook!… Je moet m’n vrouw maar gerust zien te stellen, d’r niet zoo an d’r gedachten overlaten.”„Je hoef mijn niks te leeren. ’k Ben ook niet van gister!… Ik zeg, dat as d’r moeder niet kompt.… nee, waarachtig dan ben je niet verantwoord. ’t Is zooveel as ’n fieks idee van d’r …”„Hum!”„’t Is altijd leelijk as ze prakkizeeren over[104]iets, as ’t zoover is. Daar hè-je mevrouw van Stralen, ’n goed mensch, ’n goeje dienst van me geweest, veel afval … affijn die is d’r in gebleven, al maar door geprakkizeerd over d’r man, die ’n bloedspoeging gekregen had …”„Als je zulke gekke dingen maar niet zegt, waar m’n vrouw bij is!”„Wel God beware.… ’t Is m’n 241ste!… God beware!”Driftig draaide Max op zijn stoel. ’t Zemelend gekakel der baker dreunde nog in zijn ooren. Even peinsde hij. Toen schreef hij in eens door..… „Waartoe die verdere vijandschap? Dora’s zenuwachtige toestand verontrust me. Laat mama bij ons komen logeeren. Is het nu niet beter, waardiger voor ons beiden, die ongelukkige geloofskwestie ter wille van Dora terzij te laten? ’k Geef U mijn woord van eer, dat ik ’t aan mijn kinderen op den dag hunner meerderjarigheid zal overlaten, wat ze wenschen te doen.…”[105]’s Avonds lag er in Max’ prullenmand een nijdig verfrommeld briefje: Daanders’ groote hanepooten:.… „Laten we elkaargoedverstaan. Kinderen van een Israëliet, worden overal als Joden beschouwd. Nu ’t, tegen mijn wil, zoover gekomen is, zal ik de verzoening van mijn kant—dus oòk die van Dora’s moeder—uitsluitend afhankelijk stellen van uwe pertinente verklaring, dat ’t kind gedoopt wordt. Ontvang ik die verzekering nog heden, dan is de zaak in orde en zullen wij voor ’t vervolg de burgerlijke beleefdheid tegenover elkander in acht nemen.…”Er werd géén antwoord bij den houthandelaar bezorgd. De dokter had ’t papier woedend weggesmeten.In een verschrikkelijke opgewondenheid liep de jonge man in zijn kamer rond. Al zijn zenuwen waren gespannen. Soms als er een geluid uit ’t andere vertrek kwam, stokte zijn[106]adem, bleef hij hijgend luisteren met den deurknop in de hand. Was ’t stil, dan hervatte hij zijn koortsachtige wandeling, die hem duizelig maakte; stond af en toe stil voor de photographieën aan den wand, waarvan de omtrekken in een nevel voor zijn oogen schemerden, of bleef met gescherpte opmerkzaamheid naar ’n detail staren, dat hem vroeger nooit was opgevallen. Dan zenuwachtig-gejaagd stapte hij verder, drukte ’t gloeiend voorhoofd tegen de ruiten, zag de voorbijgangers voortsnellen, tot het glas wit van damp werd; luisterde half bewusteloos naar ’t leven buiten, ’t harde gelui der trams en rukte zich weer plotseling weg van die plaats, dronk groote teugen cognac uit een glas op de tafel, bladerde in een boek, waarvan de lettertjes als een zwarte klit voor z’n oogen wriemelden, schrikte weer op, koud, huiverig.… voelde zich gebroken, zonder weerstandsvermogen.’t Visioen van zijn vrouwtje, dat al sedert dien morgen gemarteld werd, spookte hem[107]door ’t hoofd, vervolgde, pijnigde hem. Wel een paar dozijn keer was hij de kamer uitgeweest, naar beneden, in de huiskamer, had in de keuken een kop koffie gedronken, ’t gebabbel van de meid aangehoord, had zich geërgerd, dat hij zoo kinderachtig was en ’n volgend oogenblik was ’n nieuwe angstgolf naar zijn hoofd gestegen.„Ben je daar Kremer?.…”’t Was de oude collega, die snel binnentrad. Max keek hem half verwilderd aan.„Hoe vin-j’r?.…”„Ze lijdt erg. ’k Ben bang voor ’n complicatie.… Ze ijlt ’n beetje.… roept telkens om haar moeder. Die moet hier komen, oogenblikkelijk.… ’k Wacht ’t kind tegen den avond.”„Moethaar moeder hier komen?”„We begrijpen elkander, collega.… ’k hoef voor jou niets te verbergen.… ’t Is ’t eenig kalmeerend middel.”„We zijn gebrouilleerd met de familie.…”[108]„Dan moet ’tcoûte qui coûtebijgelegd worden.”„Da’s niet mogelijk.…”„Niet mogelijk?”„Neen.”„Enfin.… ik wil niet in je familieaangelegenheden treden, maar je kent nu mijn opinie.… Tot van avond.…”„Een oogenblik!.… ’tmoètzeg-je?”„In mijn oogen, ja, positief!”„Dan zal ’t gebeuren.”„Da’s goed. Adieu.”„Adieu.”Tien minuten later werd er bij Daanders aangescheld. Driftig scheurde de oude man ’t couvert open.„Klee je an en ga dadelijk naar Dora. Haast je wat!”Ze keek hem verbaasd aan.„.… ’t Kind zal gedoopt worden.… Zend m’n boodschap als ’t afgeloopen is. Kom treuzel nou niet!.…”[109]

IV.

Naarmate ’t tijdstip der bevalling naderde, greep er eene groote verandering in Dora plaats, een verandering, die zich scherp op ’t vermagerde gezichtje afspiegelde. Elken dag werd ze geagiteerder, met buien van nerveuse prikkelbaarheid. Zonder ’t te laten blijken was de jonge dokter in voortdurende onrust. De man van wetenschap, die zoo dikwijls koelbloedig en zeker in ziektegevallen optrad, had nu oogenblikken, dat hij al zijn weten verwenschte, dat hij zich de akeligste complicatiën voor den geest haalde, zich ’t ergste voorstelde. Dora’s opgewondenheid verontrustte hem. Ze had uren, dat ze naar hem zat te luisteren[99]en bij ’t doen van ’n vraag opschrikte, alsof ze aan andere dingen dacht. Midden in ’n gesprek kon ze stil worden, met droomerige oogen voor zich uitkijken en plotseling weer ontwaken, met een vreemd iets over zich, alsof ze zich moest bezinnen, waar ze was. Ze at weinig, klaagde over duizeligheden, schrikte van ’t geringste geluid, kon driftig uitvallen over ’n kleinigheid en murmureeren over nietigheden, dat Max dikwijls ineenkromp van medelijden. Voortdurend trachtte hij haar op te wekken, om met hem te wandelen, maar ze toonde zich lusteloos, hangerig, werd gauw moe, klaagde over pijn in de leden en werd knorrig als hij verstandig met haar wilde praten.Was de jonge man afwezig, dan bleef ze in haar stoel zitten, met een angstig, huiverig denken in zich. ’t Bloed steeg haar warm naar ’t hoofd en ze liet de meid binnenkomen, om niet alleen te zijn. Voelde ze zich wat opgewekt, dan liep ze in ’t tuintje, soezerig rondkijkend, schuw voor ’t felle daglicht.[100]Een paar keer was de stiefmoeder angstig komen binnenvallen, ’t jonge vrouwtje zenuwachtiger makend door haar vrees, dat Daanders achter die bezoeken komen zou. Ze deed veel vragen, met de nuchtere nieuwsgierigheid, de onbeholpen rumoerigheid van iemand, die nog nooit ’n bevalling meegemaakt heeft, duizend raadgevingen opdreunt, duizend bijzondere inzichten heeft. De laatste maal kwam ze juist uit de kerk en ontmoette Max in de huiskamer. Hartelijk, joviaal had hij haar begroet en daardoor onmiddellijk de stijve spanning weggenomen, die anders ’t gevolg is van zoo’n onverwacht samentreffen.Toen ze weg was, vond Max haar bijbeltje op tafel liggen.„Je moeder heeft iets vergeten,” zei hij lachend: „geef ’t haar terug als ze weer komt. Je kunt ’t nu moeilijk laten brengen.” Dora had ’t roodvergulde boekje weggesloten. Een paar dagen later kwam ’t haar toevallig in handen. Met de nieuwsgierigheid van[101]’n kind, dat iets vindt uit vroeger jaren, had ze ’t gouden slootje opengemaakt, was begonnen te lezen, eerst glimlachend, toen meer ernstig.… D’r stonden toch mooie dingen in.… ware dingen.Ze bleef er zoo in verdiept, dat Max voor haar stond eer ze ’t wist.„Lees jij in den bijbel?”… had hij ongeloovig gevraagd.’t Boekje knipte dicht, dat de bladen verfrommelden.…… „O God, wat doe-je me schrikken!…”De baker was ’n logge, vette vrouw met groote, stille bewegingen. Ze vulde de huiskamer met haar dikke lichaam, breed uitzittend, waar ze neerviel. De handen gleden over de lompe knieën, in een flegmatieke kromming van den breeden rug. De vleezige mond zei zoete dingetjes, zachtknorrende opmerkingen, gepeperde stads-schandaaltjes, vervelend-aaiende raadgevingen. Ze poseerde[102]met de deftigheid eener bejaarde matrone, voedend ’t groote lijf met egoïste schrokkigheid, als ’t verwende troetelkind van ’n paar honderd onrustige kraamvrouwen. Met haar komst kwam ’n stille gemoedelijkheid in ’t jonge huishouden, een zacht loopen op de trappen en in de gangen, ’n eerbiedige bedaarde afwachting van ’t kind.Op een dag was ze met Max alleen. Veel eerbied voor jonge dokters had ze niet. Ze kon jeugdige geneesheeren niet best zetten, met ’t ingeworteld vooroordeel van ’n ouwe vrouw, die door al wat ze meegemaakt heeft, alleen nog ontzag voelt voor konventioneele deftigheid en gemaniereerde ouderwetschheid.„’k Heb d’r ’n zwaar hoofd in,” zei ze, diepzinnig ’t gladde hoofd schuddend.„’n Zwaar hoofd!.… Waarom?” De vraag werd driftig gedaan. De opmerking van de baker sloot te nauwkeurig met zijn eigen gedachten van de laatste weken.[103]„Omdat ik d’r ’n zwaar hoofd in heb …”„Omdat! Omdat!… Waarom?”„’t Is m’n 241stegeval, maar ’k hè-ze nog zeldzaam zoo onrustig gezien. Je mag d’r niet zelf behandelen, hoor!…”„Da-weet ’k wel, maar.…”„Ze prakkizeert al maar over dood gaan. En da’s ’n kwaje …”„Als ’t maar voorbij is.…”„As … as … as is verbrande turf met permissie! Ze heit me gezegd, da ze heelemaal gerust zou zijn als d’r moeder.…”„Ja, ja, dat weet ik ook!… Je moet m’n vrouw maar gerust zien te stellen, d’r niet zoo an d’r gedachten overlaten.”„Je hoef mijn niks te leeren. ’k Ben ook niet van gister!… Ik zeg, dat as d’r moeder niet kompt.… nee, waarachtig dan ben je niet verantwoord. ’t Is zooveel as ’n fieks idee van d’r …”„Hum!”„’t Is altijd leelijk as ze prakkizeeren over[104]iets, as ’t zoover is. Daar hè-je mevrouw van Stralen, ’n goed mensch, ’n goeje dienst van me geweest, veel afval … affijn die is d’r in gebleven, al maar door geprakkizeerd over d’r man, die ’n bloedspoeging gekregen had …”„Als je zulke gekke dingen maar niet zegt, waar m’n vrouw bij is!”„Wel God beware.… ’t Is m’n 241ste!… God beware!”Driftig draaide Max op zijn stoel. ’t Zemelend gekakel der baker dreunde nog in zijn ooren. Even peinsde hij. Toen schreef hij in eens door..… „Waartoe die verdere vijandschap? Dora’s zenuwachtige toestand verontrust me. Laat mama bij ons komen logeeren. Is het nu niet beter, waardiger voor ons beiden, die ongelukkige geloofskwestie ter wille van Dora terzij te laten? ’k Geef U mijn woord van eer, dat ik ’t aan mijn kinderen op den dag hunner meerderjarigheid zal overlaten, wat ze wenschen te doen.…”[105]’s Avonds lag er in Max’ prullenmand een nijdig verfrommeld briefje: Daanders’ groote hanepooten:.… „Laten we elkaargoedverstaan. Kinderen van een Israëliet, worden overal als Joden beschouwd. Nu ’t, tegen mijn wil, zoover gekomen is, zal ik de verzoening van mijn kant—dus oòk die van Dora’s moeder—uitsluitend afhankelijk stellen van uwe pertinente verklaring, dat ’t kind gedoopt wordt. Ontvang ik die verzekering nog heden, dan is de zaak in orde en zullen wij voor ’t vervolg de burgerlijke beleefdheid tegenover elkander in acht nemen.…”Er werd géén antwoord bij den houthandelaar bezorgd. De dokter had ’t papier woedend weggesmeten.In een verschrikkelijke opgewondenheid liep de jonge man in zijn kamer rond. Al zijn zenuwen waren gespannen. Soms als er een geluid uit ’t andere vertrek kwam, stokte zijn[106]adem, bleef hij hijgend luisteren met den deurknop in de hand. Was ’t stil, dan hervatte hij zijn koortsachtige wandeling, die hem duizelig maakte; stond af en toe stil voor de photographieën aan den wand, waarvan de omtrekken in een nevel voor zijn oogen schemerden, of bleef met gescherpte opmerkzaamheid naar ’n detail staren, dat hem vroeger nooit was opgevallen. Dan zenuwachtig-gejaagd stapte hij verder, drukte ’t gloeiend voorhoofd tegen de ruiten, zag de voorbijgangers voortsnellen, tot het glas wit van damp werd; luisterde half bewusteloos naar ’t leven buiten, ’t harde gelui der trams en rukte zich weer plotseling weg van die plaats, dronk groote teugen cognac uit een glas op de tafel, bladerde in een boek, waarvan de lettertjes als een zwarte klit voor z’n oogen wriemelden, schrikte weer op, koud, huiverig.… voelde zich gebroken, zonder weerstandsvermogen.’t Visioen van zijn vrouwtje, dat al sedert dien morgen gemarteld werd, spookte hem[107]door ’t hoofd, vervolgde, pijnigde hem. Wel een paar dozijn keer was hij de kamer uitgeweest, naar beneden, in de huiskamer, had in de keuken een kop koffie gedronken, ’t gebabbel van de meid aangehoord, had zich geërgerd, dat hij zoo kinderachtig was en ’n volgend oogenblik was ’n nieuwe angstgolf naar zijn hoofd gestegen.„Ben je daar Kremer?.…”’t Was de oude collega, die snel binnentrad. Max keek hem half verwilderd aan.„Hoe vin-j’r?.…”„Ze lijdt erg. ’k Ben bang voor ’n complicatie.… Ze ijlt ’n beetje.… roept telkens om haar moeder. Die moet hier komen, oogenblikkelijk.… ’k Wacht ’t kind tegen den avond.”„Moethaar moeder hier komen?”„We begrijpen elkander, collega.… ’k hoef voor jou niets te verbergen.… ’t Is ’t eenig kalmeerend middel.”„We zijn gebrouilleerd met de familie.…”[108]„Dan moet ’tcoûte qui coûtebijgelegd worden.”„Da’s niet mogelijk.…”„Niet mogelijk?”„Neen.”„Enfin.… ik wil niet in je familieaangelegenheden treden, maar je kent nu mijn opinie.… Tot van avond.…”„Een oogenblik!.… ’tmoètzeg-je?”„In mijn oogen, ja, positief!”„Dan zal ’t gebeuren.”„Da’s goed. Adieu.”„Adieu.”Tien minuten later werd er bij Daanders aangescheld. Driftig scheurde de oude man ’t couvert open.„Klee je an en ga dadelijk naar Dora. Haast je wat!”Ze keek hem verbaasd aan.„.… ’t Kind zal gedoopt worden.… Zend m’n boodschap als ’t afgeloopen is. Kom treuzel nou niet!.…”[109]

Naarmate ’t tijdstip der bevalling naderde, greep er eene groote verandering in Dora plaats, een verandering, die zich scherp op ’t vermagerde gezichtje afspiegelde. Elken dag werd ze geagiteerder, met buien van nerveuse prikkelbaarheid. Zonder ’t te laten blijken was de jonge dokter in voortdurende onrust. De man van wetenschap, die zoo dikwijls koelbloedig en zeker in ziektegevallen optrad, had nu oogenblikken, dat hij al zijn weten verwenschte, dat hij zich de akeligste complicatiën voor den geest haalde, zich ’t ergste voorstelde. Dora’s opgewondenheid verontrustte hem. Ze had uren, dat ze naar hem zat te luisteren[99]en bij ’t doen van ’n vraag opschrikte, alsof ze aan andere dingen dacht. Midden in ’n gesprek kon ze stil worden, met droomerige oogen voor zich uitkijken en plotseling weer ontwaken, met een vreemd iets over zich, alsof ze zich moest bezinnen, waar ze was. Ze at weinig, klaagde over duizeligheden, schrikte van ’t geringste geluid, kon driftig uitvallen over ’n kleinigheid en murmureeren over nietigheden, dat Max dikwijls ineenkromp van medelijden. Voortdurend trachtte hij haar op te wekken, om met hem te wandelen, maar ze toonde zich lusteloos, hangerig, werd gauw moe, klaagde over pijn in de leden en werd knorrig als hij verstandig met haar wilde praten.

Was de jonge man afwezig, dan bleef ze in haar stoel zitten, met een angstig, huiverig denken in zich. ’t Bloed steeg haar warm naar ’t hoofd en ze liet de meid binnenkomen, om niet alleen te zijn. Voelde ze zich wat opgewekt, dan liep ze in ’t tuintje, soezerig rondkijkend, schuw voor ’t felle daglicht.[100]

Een paar keer was de stiefmoeder angstig komen binnenvallen, ’t jonge vrouwtje zenuwachtiger makend door haar vrees, dat Daanders achter die bezoeken komen zou. Ze deed veel vragen, met de nuchtere nieuwsgierigheid, de onbeholpen rumoerigheid van iemand, die nog nooit ’n bevalling meegemaakt heeft, duizend raadgevingen opdreunt, duizend bijzondere inzichten heeft. De laatste maal kwam ze juist uit de kerk en ontmoette Max in de huiskamer. Hartelijk, joviaal had hij haar begroet en daardoor onmiddellijk de stijve spanning weggenomen, die anders ’t gevolg is van zoo’n onverwacht samentreffen.

Toen ze weg was, vond Max haar bijbeltje op tafel liggen.

„Je moeder heeft iets vergeten,” zei hij lachend: „geef ’t haar terug als ze weer komt. Je kunt ’t nu moeilijk laten brengen.” Dora had ’t roodvergulde boekje weggesloten. Een paar dagen later kwam ’t haar toevallig in handen. Met de nieuwsgierigheid van[101]’n kind, dat iets vindt uit vroeger jaren, had ze ’t gouden slootje opengemaakt, was begonnen te lezen, eerst glimlachend, toen meer ernstig.… D’r stonden toch mooie dingen in.… ware dingen.

Ze bleef er zoo in verdiept, dat Max voor haar stond eer ze ’t wist.

„Lees jij in den bijbel?”… had hij ongeloovig gevraagd.

’t Boekje knipte dicht, dat de bladen verfrommelden.…

… „O God, wat doe-je me schrikken!…”

De baker was ’n logge, vette vrouw met groote, stille bewegingen. Ze vulde de huiskamer met haar dikke lichaam, breed uitzittend, waar ze neerviel. De handen gleden over de lompe knieën, in een flegmatieke kromming van den breeden rug. De vleezige mond zei zoete dingetjes, zachtknorrende opmerkingen, gepeperde stads-schandaaltjes, vervelend-aaiende raadgevingen. Ze poseerde[102]met de deftigheid eener bejaarde matrone, voedend ’t groote lijf met egoïste schrokkigheid, als ’t verwende troetelkind van ’n paar honderd onrustige kraamvrouwen. Met haar komst kwam ’n stille gemoedelijkheid in ’t jonge huishouden, een zacht loopen op de trappen en in de gangen, ’n eerbiedige bedaarde afwachting van ’t kind.

Op een dag was ze met Max alleen. Veel eerbied voor jonge dokters had ze niet. Ze kon jeugdige geneesheeren niet best zetten, met ’t ingeworteld vooroordeel van ’n ouwe vrouw, die door al wat ze meegemaakt heeft, alleen nog ontzag voelt voor konventioneele deftigheid en gemaniereerde ouderwetschheid.

„’k Heb d’r ’n zwaar hoofd in,” zei ze, diepzinnig ’t gladde hoofd schuddend.

„’n Zwaar hoofd!.… Waarom?” De vraag werd driftig gedaan. De opmerking van de baker sloot te nauwkeurig met zijn eigen gedachten van de laatste weken.[103]

„Omdat ik d’r ’n zwaar hoofd in heb …”

„Omdat! Omdat!… Waarom?”

„’t Is m’n 241stegeval, maar ’k hè-ze nog zeldzaam zoo onrustig gezien. Je mag d’r niet zelf behandelen, hoor!…”

„Da-weet ’k wel, maar.…”

„Ze prakkizeert al maar over dood gaan. En da’s ’n kwaje …”

„Als ’t maar voorbij is.…”

„As … as … as is verbrande turf met permissie! Ze heit me gezegd, da ze heelemaal gerust zou zijn als d’r moeder.…”

„Ja, ja, dat weet ik ook!… Je moet m’n vrouw maar gerust zien te stellen, d’r niet zoo an d’r gedachten overlaten.”

„Je hoef mijn niks te leeren. ’k Ben ook niet van gister!… Ik zeg, dat as d’r moeder niet kompt.… nee, waarachtig dan ben je niet verantwoord. ’t Is zooveel as ’n fieks idee van d’r …”

„Hum!”

„’t Is altijd leelijk as ze prakkizeeren over[104]iets, as ’t zoover is. Daar hè-je mevrouw van Stralen, ’n goed mensch, ’n goeje dienst van me geweest, veel afval … affijn die is d’r in gebleven, al maar door geprakkizeerd over d’r man, die ’n bloedspoeging gekregen had …”

„Als je zulke gekke dingen maar niet zegt, waar m’n vrouw bij is!”

„Wel God beware.… ’t Is m’n 241ste!… God beware!”

Driftig draaide Max op zijn stoel. ’t Zemelend gekakel der baker dreunde nog in zijn ooren. Even peinsde hij. Toen schreef hij in eens door.

.… „Waartoe die verdere vijandschap? Dora’s zenuwachtige toestand verontrust me. Laat mama bij ons komen logeeren. Is het nu niet beter, waardiger voor ons beiden, die ongelukkige geloofskwestie ter wille van Dora terzij te laten? ’k Geef U mijn woord van eer, dat ik ’t aan mijn kinderen op den dag hunner meerderjarigheid zal overlaten, wat ze wenschen te doen.…”[105]

’s Avonds lag er in Max’ prullenmand een nijdig verfrommeld briefje: Daanders’ groote hanepooten:

.… „Laten we elkaargoedverstaan. Kinderen van een Israëliet, worden overal als Joden beschouwd. Nu ’t, tegen mijn wil, zoover gekomen is, zal ik de verzoening van mijn kant—dus oòk die van Dora’s moeder—uitsluitend afhankelijk stellen van uwe pertinente verklaring, dat ’t kind gedoopt wordt. Ontvang ik die verzekering nog heden, dan is de zaak in orde en zullen wij voor ’t vervolg de burgerlijke beleefdheid tegenover elkander in acht nemen.…”

Er werd géén antwoord bij den houthandelaar bezorgd. De dokter had ’t papier woedend weggesmeten.

In een verschrikkelijke opgewondenheid liep de jonge man in zijn kamer rond. Al zijn zenuwen waren gespannen. Soms als er een geluid uit ’t andere vertrek kwam, stokte zijn[106]adem, bleef hij hijgend luisteren met den deurknop in de hand. Was ’t stil, dan hervatte hij zijn koortsachtige wandeling, die hem duizelig maakte; stond af en toe stil voor de photographieën aan den wand, waarvan de omtrekken in een nevel voor zijn oogen schemerden, of bleef met gescherpte opmerkzaamheid naar ’n detail staren, dat hem vroeger nooit was opgevallen. Dan zenuwachtig-gejaagd stapte hij verder, drukte ’t gloeiend voorhoofd tegen de ruiten, zag de voorbijgangers voortsnellen, tot het glas wit van damp werd; luisterde half bewusteloos naar ’t leven buiten, ’t harde gelui der trams en rukte zich weer plotseling weg van die plaats, dronk groote teugen cognac uit een glas op de tafel, bladerde in een boek, waarvan de lettertjes als een zwarte klit voor z’n oogen wriemelden, schrikte weer op, koud, huiverig.… voelde zich gebroken, zonder weerstandsvermogen.

’t Visioen van zijn vrouwtje, dat al sedert dien morgen gemarteld werd, spookte hem[107]door ’t hoofd, vervolgde, pijnigde hem. Wel een paar dozijn keer was hij de kamer uitgeweest, naar beneden, in de huiskamer, had in de keuken een kop koffie gedronken, ’t gebabbel van de meid aangehoord, had zich geërgerd, dat hij zoo kinderachtig was en ’n volgend oogenblik was ’n nieuwe angstgolf naar zijn hoofd gestegen.

„Ben je daar Kremer?.…”

’t Was de oude collega, die snel binnentrad. Max keek hem half verwilderd aan.

„Hoe vin-j’r?.…”

„Ze lijdt erg. ’k Ben bang voor ’n complicatie.… Ze ijlt ’n beetje.… roept telkens om haar moeder. Die moet hier komen, oogenblikkelijk.… ’k Wacht ’t kind tegen den avond.”

„Moethaar moeder hier komen?”

„We begrijpen elkander, collega.… ’k hoef voor jou niets te verbergen.… ’t Is ’t eenig kalmeerend middel.”

„We zijn gebrouilleerd met de familie.…”[108]

„Dan moet ’tcoûte qui coûtebijgelegd worden.”

„Da’s niet mogelijk.…”

„Niet mogelijk?”

„Neen.”

„Enfin.… ik wil niet in je familieaangelegenheden treden, maar je kent nu mijn opinie.… Tot van avond.…”

„Een oogenblik!.… ’tmoètzeg-je?”

„In mijn oogen, ja, positief!”

„Dan zal ’t gebeuren.”

„Da’s goed. Adieu.”

„Adieu.”

Tien minuten later werd er bij Daanders aangescheld. Driftig scheurde de oude man ’t couvert open.

„Klee je an en ga dadelijk naar Dora. Haast je wat!”

Ze keek hem verbaasd aan.

„.… ’t Kind zal gedoopt worden.… Zend m’n boodschap als ’t afgeloopen is. Kom treuzel nou niet!.…”[109]


Back to IndexNext