V.„Hoe voel je je vandaag, kind?”Ze zat gemakkelijk in een easy-chair. ’t Mooie kopje was bleek, maar de lippen waren al weer rood, terugkeerende gezondheid.„Goed, Max.… gelukkig!”„Dan wou ’k eens ernstig met je spreken, Dora.… ’k heb er mee gewacht, tot je bij krachten was.… Morgen moet ’t kind gedoopt worden.…”„Zouden w’r maar liever niet over spreken, Max.… ’k Vin ’t zoo pijnlijk.… ’k Ben er de schuld van, zonder m’n wil.… dat weet je.…”„Herinner je je nog wa-’k je zei … dien dag toen …”[110]„Dat weet ’k …”„Zonder jouw wil … is ’t tòch gebeurd … ’k heb ’t niet durven weigeren.… ’k had dien dag in alles toegestemd.”„An ’t gebeurde is nu toch niets meer te veranderen … wij blijven voor elkander wat we geweest zijn …”„Nee, Dora! Als ’t morgen doorgaat.… is er iets vreemds tusschen ons gekomen … Dat mag niet! Dat wil ik niet!”„Wil je niet?…”„Dora … die dooping mag niet doorgaan!”„Max!”„’k Ben gedwongen! ’t Is me afgeperst! Je vader heeft schandelijk.…”… „Max, ik bid je!”„’k Wìl ’t zeggen … ’t Weegt me als dieplood … Schandelijk heeft hij partij getrokken van de omstandigheden … dat was ’n laagheid!”„Max, ’k wil niet dat je zóó over m’n vader spreekt!”[111]„Is ’t niet waar?”„Hij meende ’t goed.”„Zeg jij dat?… Ben ik je dan vreemd geworden?”„Toe Max, spreek zoo niet … Er is nu niets meer aan te veranderen!”„Maar ikwil’t veranderen! Geen van beiden hebben we ’t gewenscht! Als die doop doorgaat, zal m’n eigen kind me hinderen!”„Max! Max!”„’k Wil niet dat m’n eenig ideaal zoo vertrapt wordt!”Hij werd hoe langer hoe heftiger. Weggedoken in haar stoel keek ze hem verwijtend aan. Ze had zich zoo behagelijk gevoeld in de laatste dagen, zoo weelderig. Ze was weer omringd geweest door de familie, waarvan ze een vol jaar gescheiden was, had over den doop van ’t kind niet nagedacht in haar roes van tevredenheid, in den terugkeer harer physieke kalmte. Ze was opgegaan, egoïst in haar kind, had met een tinteling[112]van genot de oude bekende gezichten om ’t kraambed gezien, en nu stond hij voor haar, opgewonden, driftig, met ’n energie op z’n gelaat, die haar angstig maakte. Zooals ze hem nu zag, met die trekken gemarkeerd door toorn, vond ze hem leelijk, met ’n sterke gelijkenis op z’n tante.… ’n geaccentueerd jodentype …„Wat wou je doen?” vroeg ze eindelijk, hard, onaangenaam.„An je vader schrijven da’k m’n woord verbreek!”„Dat zul je niet, nooit!”„Ik zal ’t, op m’n woord!”„Als je dat doet … Nee je zult ’t niet. Je hebt zelf gezien hoe blij hij met zijn kleinkind was …”„Wil jij dan òok mijn zoon tegen me opzetten?”„Je kunt je woord niet breken?”„’k Làch om dat woord! Ons heele geluk staat op ’t spel!”[113]Langzaam wonden ze zich beiden op. Terwijl hij aan den eenen kant voelde, dat ’t niet ridderlijk was de belofte te verbreken, bruiste aan den anderen kant al zijn vrijzinnige denken, voelde hij dat de heele bodem van zijn huwelijksgeluk door die ellendige storing onder hem wegzonk. Daarbij kwam ’n haat tegen den ouden Daanders, die zich al die dagen in zijn huis genesteld had met een vernederende, afgemeten beleefdheid; die hem als ’n nul, als ’n iets, dat men dulden moet, behandeld had. In Dora begon ’t driftige temperament van haar vader te gisten. Met een trage willoosheid, overblijfsel van haar moeder worden, klampte ze zich aan ’t heden vast, vergat ze den idealist, zag ze nu alleen iemand van ’n ander geloof voor zich, iemand, die haar met geweld uit ’n heerlijke rust wakker schudde.… Ze keerde hem korzelig den rug toe..… „Dora, we hebben nog nooit getwist. ’k Heb je alles toegegeven, maar de speelbal[114]van je vader word ’k niet … ’k Schrijf hem nog vandaag, dat jij, nòch ik dien doop willen, dat we d’r allebei tegen zijn, da-’k ’t beloofd heb, toen jouw leven op ’t spel stond, dat hij billijk moet zijn.… Alles, behalve dàt! ’k Heb ’t geschreven in ’n halven waanzin.… ’k Wil geen vormendienst.… ’kwil’t niet.… ’t kind zou dan even goed jood kunnen worden.… ’k wil geen vormen.…”„Als je dàt schrijft, zou ’k.…”„Zwijg!.… Later zul je me gelijk geven, ’k Tree op voor ons beiden!”„Je zult ’t niet doen!”.… Ze rees halverwegen op, rood van toorn.„Dora, je kent me nog niet!”„Nee, zoo iets ha-’k nooit van je gedacht!”„Van mij gedacht? Van mij.… ’t is de streek van je vader”.….… „’n Streek?”.….… „’n Ignobele!”„Wat jij gaat doen, is erger.… vuiler”.…[115]„Dora!”.… „Da’s woordbreken.… Da’s m’n vader bedriegen.… Da’s ’n jodenstreek!” Verschrikt hield ze op.„Wat zei je?” vroeg hij toonloos, ofschoon hij ’t—bitter, snijdend, als ’t gezegd werd—uitstekend verstaan had.„Max!”’t Klonk als ’n bede om vergiffenis. Even keek hij haar aan, met groote, vreemde oogen. Toen ging hij heen.Aan zijn lessenaar zat hij, ’t hoofd in de handen, keek machinaal naar den doodskop. De holle, puilende gaten, waar eens oogen bezield geleefd hadden, grijnsden hem met de hoekige kaken, toe. Sufferig, wezenloos telde hij de nerven, de naden, dacht aan de weggeteerde hersenen, tikte met zijn vinger tegen de leege doos, dat ’t gedempte echootjes gaf, dof klotste, alsof er op de deur geklopt werd. Hij lachte even, schamper, pijnlijk. Van de Aan zijn lessenaar zat hij, ’t hoofd in de handen, keek machinaal naar den doodskop. De holle, puilende gaten, waar eens oogen bezield geleefd hadden, grijnsden hem met de hoekige kaken, toe. Sufferig, wezenloos telde hij de nerven, de naden, dacht aan de weggeteerde hersenen, tikte met zijn vinger tegen de leege doos, dat ’t gedempte echootjes gaf, dof klotste, alsof er op de deur geklopt werd. Hij lachte even, schamper, pijnlijk. Van de[116]drukke straat golfden schaterende geluiden, uitbarstend leven, door ’t geopende venster naar binnen. ’t Zonlicht viel in een schuinsche richting, met een speling van stofjes, ’n bewegelijk fladderen van kleine atomen er in. Met een hoofd, bonzend van drukkende pijn, bleef hij zitten. ’t Was of hij hoorde lachen, ’n vreemde klank, ’n krijschend iets, aanzwellend tot een galm, alsof de voegen van z’n hoofd kraakten.… De ontvleeschte lippen van den doodskop gingen hooger op, ontblootend de gele tanden.… Hi! Hi! Hi! Ho! Ho!.… Hortende stootjes knapten door de beenen wanden; wild, kantig kraken; joelende pretjes, jodelgilletjes.… Vuurballetjes glommen in de oogkassen.… Hi! Hi! Hi!.…Toen stond hij op, lachte heesch mee.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .Den volgenden dag werd het kind gedoopt.Mei 1892.[117]
V.„Hoe voel je je vandaag, kind?”Ze zat gemakkelijk in een easy-chair. ’t Mooie kopje was bleek, maar de lippen waren al weer rood, terugkeerende gezondheid.„Goed, Max.… gelukkig!”„Dan wou ’k eens ernstig met je spreken, Dora.… ’k heb er mee gewacht, tot je bij krachten was.… Morgen moet ’t kind gedoopt worden.…”„Zouden w’r maar liever niet over spreken, Max.… ’k Vin ’t zoo pijnlijk.… ’k Ben er de schuld van, zonder m’n wil.… dat weet je.…”„Herinner je je nog wa-’k je zei … dien dag toen …”[110]„Dat weet ’k …”„Zonder jouw wil … is ’t tòch gebeurd … ’k heb ’t niet durven weigeren.… ’k had dien dag in alles toegestemd.”„An ’t gebeurde is nu toch niets meer te veranderen … wij blijven voor elkander wat we geweest zijn …”„Nee, Dora! Als ’t morgen doorgaat.… is er iets vreemds tusschen ons gekomen … Dat mag niet! Dat wil ik niet!”„Wil je niet?…”„Dora … die dooping mag niet doorgaan!”„Max!”„’k Ben gedwongen! ’t Is me afgeperst! Je vader heeft schandelijk.…”… „Max, ik bid je!”„’k Wìl ’t zeggen … ’t Weegt me als dieplood … Schandelijk heeft hij partij getrokken van de omstandigheden … dat was ’n laagheid!”„Max, ’k wil niet dat je zóó over m’n vader spreekt!”[111]„Is ’t niet waar?”„Hij meende ’t goed.”„Zeg jij dat?… Ben ik je dan vreemd geworden?”„Toe Max, spreek zoo niet … Er is nu niets meer aan te veranderen!”„Maar ikwil’t veranderen! Geen van beiden hebben we ’t gewenscht! Als die doop doorgaat, zal m’n eigen kind me hinderen!”„Max! Max!”„’k Wil niet dat m’n eenig ideaal zoo vertrapt wordt!”Hij werd hoe langer hoe heftiger. Weggedoken in haar stoel keek ze hem verwijtend aan. Ze had zich zoo behagelijk gevoeld in de laatste dagen, zoo weelderig. Ze was weer omringd geweest door de familie, waarvan ze een vol jaar gescheiden was, had over den doop van ’t kind niet nagedacht in haar roes van tevredenheid, in den terugkeer harer physieke kalmte. Ze was opgegaan, egoïst in haar kind, had met een tinteling[112]van genot de oude bekende gezichten om ’t kraambed gezien, en nu stond hij voor haar, opgewonden, driftig, met ’n energie op z’n gelaat, die haar angstig maakte. Zooals ze hem nu zag, met die trekken gemarkeerd door toorn, vond ze hem leelijk, met ’n sterke gelijkenis op z’n tante.… ’n geaccentueerd jodentype …„Wat wou je doen?” vroeg ze eindelijk, hard, onaangenaam.„An je vader schrijven da’k m’n woord verbreek!”„Dat zul je niet, nooit!”„Ik zal ’t, op m’n woord!”„Als je dat doet … Nee je zult ’t niet. Je hebt zelf gezien hoe blij hij met zijn kleinkind was …”„Wil jij dan òok mijn zoon tegen me opzetten?”„Je kunt je woord niet breken?”„’k Làch om dat woord! Ons heele geluk staat op ’t spel!”[113]Langzaam wonden ze zich beiden op. Terwijl hij aan den eenen kant voelde, dat ’t niet ridderlijk was de belofte te verbreken, bruiste aan den anderen kant al zijn vrijzinnige denken, voelde hij dat de heele bodem van zijn huwelijksgeluk door die ellendige storing onder hem wegzonk. Daarbij kwam ’n haat tegen den ouden Daanders, die zich al die dagen in zijn huis genesteld had met een vernederende, afgemeten beleefdheid; die hem als ’n nul, als ’n iets, dat men dulden moet, behandeld had. In Dora begon ’t driftige temperament van haar vader te gisten. Met een trage willoosheid, overblijfsel van haar moeder worden, klampte ze zich aan ’t heden vast, vergat ze den idealist, zag ze nu alleen iemand van ’n ander geloof voor zich, iemand, die haar met geweld uit ’n heerlijke rust wakker schudde.… Ze keerde hem korzelig den rug toe..… „Dora, we hebben nog nooit getwist. ’k Heb je alles toegegeven, maar de speelbal[114]van je vader word ’k niet … ’k Schrijf hem nog vandaag, dat jij, nòch ik dien doop willen, dat we d’r allebei tegen zijn, da-’k ’t beloofd heb, toen jouw leven op ’t spel stond, dat hij billijk moet zijn.… Alles, behalve dàt! ’k Heb ’t geschreven in ’n halven waanzin.… ’k Wil geen vormendienst.… ’kwil’t niet.… ’t kind zou dan even goed jood kunnen worden.… ’k wil geen vormen.…”„Als je dàt schrijft, zou ’k.…”„Zwijg!.… Later zul je me gelijk geven, ’k Tree op voor ons beiden!”„Je zult ’t niet doen!”.… Ze rees halverwegen op, rood van toorn.„Dora, je kent me nog niet!”„Nee, zoo iets ha-’k nooit van je gedacht!”„Van mij gedacht? Van mij.… ’t is de streek van je vader”.….… „’n Streek?”.….… „’n Ignobele!”„Wat jij gaat doen, is erger.… vuiler”.…[115]„Dora!”.… „Da’s woordbreken.… Da’s m’n vader bedriegen.… Da’s ’n jodenstreek!” Verschrikt hield ze op.„Wat zei je?” vroeg hij toonloos, ofschoon hij ’t—bitter, snijdend, als ’t gezegd werd—uitstekend verstaan had.„Max!”’t Klonk als ’n bede om vergiffenis. Even keek hij haar aan, met groote, vreemde oogen. Toen ging hij heen.Aan zijn lessenaar zat hij, ’t hoofd in de handen, keek machinaal naar den doodskop. De holle, puilende gaten, waar eens oogen bezield geleefd hadden, grijnsden hem met de hoekige kaken, toe. Sufferig, wezenloos telde hij de nerven, de naden, dacht aan de weggeteerde hersenen, tikte met zijn vinger tegen de leege doos, dat ’t gedempte echootjes gaf, dof klotste, alsof er op de deur geklopt werd. Hij lachte even, schamper, pijnlijk. Van de Aan zijn lessenaar zat hij, ’t hoofd in de handen, keek machinaal naar den doodskop. De holle, puilende gaten, waar eens oogen bezield geleefd hadden, grijnsden hem met de hoekige kaken, toe. Sufferig, wezenloos telde hij de nerven, de naden, dacht aan de weggeteerde hersenen, tikte met zijn vinger tegen de leege doos, dat ’t gedempte echootjes gaf, dof klotste, alsof er op de deur geklopt werd. Hij lachte even, schamper, pijnlijk. Van de[116]drukke straat golfden schaterende geluiden, uitbarstend leven, door ’t geopende venster naar binnen. ’t Zonlicht viel in een schuinsche richting, met een speling van stofjes, ’n bewegelijk fladderen van kleine atomen er in. Met een hoofd, bonzend van drukkende pijn, bleef hij zitten. ’t Was of hij hoorde lachen, ’n vreemde klank, ’n krijschend iets, aanzwellend tot een galm, alsof de voegen van z’n hoofd kraakten.… De ontvleeschte lippen van den doodskop gingen hooger op, ontblootend de gele tanden.… Hi! Hi! Hi! Ho! Ho!.… Hortende stootjes knapten door de beenen wanden; wild, kantig kraken; joelende pretjes, jodelgilletjes.… Vuurballetjes glommen in de oogkassen.… Hi! Hi! Hi!.…Toen stond hij op, lachte heesch mee.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .Den volgenden dag werd het kind gedoopt.Mei 1892.[117]
V.
„Hoe voel je je vandaag, kind?”Ze zat gemakkelijk in een easy-chair. ’t Mooie kopje was bleek, maar de lippen waren al weer rood, terugkeerende gezondheid.„Goed, Max.… gelukkig!”„Dan wou ’k eens ernstig met je spreken, Dora.… ’k heb er mee gewacht, tot je bij krachten was.… Morgen moet ’t kind gedoopt worden.…”„Zouden w’r maar liever niet over spreken, Max.… ’k Vin ’t zoo pijnlijk.… ’k Ben er de schuld van, zonder m’n wil.… dat weet je.…”„Herinner je je nog wa-’k je zei … dien dag toen …”[110]„Dat weet ’k …”„Zonder jouw wil … is ’t tòch gebeurd … ’k heb ’t niet durven weigeren.… ’k had dien dag in alles toegestemd.”„An ’t gebeurde is nu toch niets meer te veranderen … wij blijven voor elkander wat we geweest zijn …”„Nee, Dora! Als ’t morgen doorgaat.… is er iets vreemds tusschen ons gekomen … Dat mag niet! Dat wil ik niet!”„Wil je niet?…”„Dora … die dooping mag niet doorgaan!”„Max!”„’k Ben gedwongen! ’t Is me afgeperst! Je vader heeft schandelijk.…”… „Max, ik bid je!”„’k Wìl ’t zeggen … ’t Weegt me als dieplood … Schandelijk heeft hij partij getrokken van de omstandigheden … dat was ’n laagheid!”„Max, ’k wil niet dat je zóó over m’n vader spreekt!”[111]„Is ’t niet waar?”„Hij meende ’t goed.”„Zeg jij dat?… Ben ik je dan vreemd geworden?”„Toe Max, spreek zoo niet … Er is nu niets meer aan te veranderen!”„Maar ikwil’t veranderen! Geen van beiden hebben we ’t gewenscht! Als die doop doorgaat, zal m’n eigen kind me hinderen!”„Max! Max!”„’k Wil niet dat m’n eenig ideaal zoo vertrapt wordt!”Hij werd hoe langer hoe heftiger. Weggedoken in haar stoel keek ze hem verwijtend aan. Ze had zich zoo behagelijk gevoeld in de laatste dagen, zoo weelderig. Ze was weer omringd geweest door de familie, waarvan ze een vol jaar gescheiden was, had over den doop van ’t kind niet nagedacht in haar roes van tevredenheid, in den terugkeer harer physieke kalmte. Ze was opgegaan, egoïst in haar kind, had met een tinteling[112]van genot de oude bekende gezichten om ’t kraambed gezien, en nu stond hij voor haar, opgewonden, driftig, met ’n energie op z’n gelaat, die haar angstig maakte. Zooals ze hem nu zag, met die trekken gemarkeerd door toorn, vond ze hem leelijk, met ’n sterke gelijkenis op z’n tante.… ’n geaccentueerd jodentype …„Wat wou je doen?” vroeg ze eindelijk, hard, onaangenaam.„An je vader schrijven da’k m’n woord verbreek!”„Dat zul je niet, nooit!”„Ik zal ’t, op m’n woord!”„Als je dat doet … Nee je zult ’t niet. Je hebt zelf gezien hoe blij hij met zijn kleinkind was …”„Wil jij dan òok mijn zoon tegen me opzetten?”„Je kunt je woord niet breken?”„’k Làch om dat woord! Ons heele geluk staat op ’t spel!”[113]Langzaam wonden ze zich beiden op. Terwijl hij aan den eenen kant voelde, dat ’t niet ridderlijk was de belofte te verbreken, bruiste aan den anderen kant al zijn vrijzinnige denken, voelde hij dat de heele bodem van zijn huwelijksgeluk door die ellendige storing onder hem wegzonk. Daarbij kwam ’n haat tegen den ouden Daanders, die zich al die dagen in zijn huis genesteld had met een vernederende, afgemeten beleefdheid; die hem als ’n nul, als ’n iets, dat men dulden moet, behandeld had. In Dora begon ’t driftige temperament van haar vader te gisten. Met een trage willoosheid, overblijfsel van haar moeder worden, klampte ze zich aan ’t heden vast, vergat ze den idealist, zag ze nu alleen iemand van ’n ander geloof voor zich, iemand, die haar met geweld uit ’n heerlijke rust wakker schudde.… Ze keerde hem korzelig den rug toe..… „Dora, we hebben nog nooit getwist. ’k Heb je alles toegegeven, maar de speelbal[114]van je vader word ’k niet … ’k Schrijf hem nog vandaag, dat jij, nòch ik dien doop willen, dat we d’r allebei tegen zijn, da-’k ’t beloofd heb, toen jouw leven op ’t spel stond, dat hij billijk moet zijn.… Alles, behalve dàt! ’k Heb ’t geschreven in ’n halven waanzin.… ’k Wil geen vormendienst.… ’kwil’t niet.… ’t kind zou dan even goed jood kunnen worden.… ’k wil geen vormen.…”„Als je dàt schrijft, zou ’k.…”„Zwijg!.… Later zul je me gelijk geven, ’k Tree op voor ons beiden!”„Je zult ’t niet doen!”.… Ze rees halverwegen op, rood van toorn.„Dora, je kent me nog niet!”„Nee, zoo iets ha-’k nooit van je gedacht!”„Van mij gedacht? Van mij.… ’t is de streek van je vader”.….… „’n Streek?”.….… „’n Ignobele!”„Wat jij gaat doen, is erger.… vuiler”.…[115]„Dora!”.… „Da’s woordbreken.… Da’s m’n vader bedriegen.… Da’s ’n jodenstreek!” Verschrikt hield ze op.„Wat zei je?” vroeg hij toonloos, ofschoon hij ’t—bitter, snijdend, als ’t gezegd werd—uitstekend verstaan had.„Max!”’t Klonk als ’n bede om vergiffenis. Even keek hij haar aan, met groote, vreemde oogen. Toen ging hij heen.Aan zijn lessenaar zat hij, ’t hoofd in de handen, keek machinaal naar den doodskop. De holle, puilende gaten, waar eens oogen bezield geleefd hadden, grijnsden hem met de hoekige kaken, toe. Sufferig, wezenloos telde hij de nerven, de naden, dacht aan de weggeteerde hersenen, tikte met zijn vinger tegen de leege doos, dat ’t gedempte echootjes gaf, dof klotste, alsof er op de deur geklopt werd. Hij lachte even, schamper, pijnlijk. Van de Aan zijn lessenaar zat hij, ’t hoofd in de handen, keek machinaal naar den doodskop. De holle, puilende gaten, waar eens oogen bezield geleefd hadden, grijnsden hem met de hoekige kaken, toe. Sufferig, wezenloos telde hij de nerven, de naden, dacht aan de weggeteerde hersenen, tikte met zijn vinger tegen de leege doos, dat ’t gedempte echootjes gaf, dof klotste, alsof er op de deur geklopt werd. Hij lachte even, schamper, pijnlijk. Van de[116]drukke straat golfden schaterende geluiden, uitbarstend leven, door ’t geopende venster naar binnen. ’t Zonlicht viel in een schuinsche richting, met een speling van stofjes, ’n bewegelijk fladderen van kleine atomen er in. Met een hoofd, bonzend van drukkende pijn, bleef hij zitten. ’t Was of hij hoorde lachen, ’n vreemde klank, ’n krijschend iets, aanzwellend tot een galm, alsof de voegen van z’n hoofd kraakten.… De ontvleeschte lippen van den doodskop gingen hooger op, ontblootend de gele tanden.… Hi! Hi! Hi! Ho! Ho!.… Hortende stootjes knapten door de beenen wanden; wild, kantig kraken; joelende pretjes, jodelgilletjes.… Vuurballetjes glommen in de oogkassen.… Hi! Hi! Hi!.…Toen stond hij op, lachte heesch mee.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .Den volgenden dag werd het kind gedoopt.Mei 1892.[117]
„Hoe voel je je vandaag, kind?”
Ze zat gemakkelijk in een easy-chair. ’t Mooie kopje was bleek, maar de lippen waren al weer rood, terugkeerende gezondheid.
„Goed, Max.… gelukkig!”
„Dan wou ’k eens ernstig met je spreken, Dora.… ’k heb er mee gewacht, tot je bij krachten was.… Morgen moet ’t kind gedoopt worden.…”
„Zouden w’r maar liever niet over spreken, Max.… ’k Vin ’t zoo pijnlijk.… ’k Ben er de schuld van, zonder m’n wil.… dat weet je.…”
„Herinner je je nog wa-’k je zei … dien dag toen …”[110]
„Dat weet ’k …”
„Zonder jouw wil … is ’t tòch gebeurd … ’k heb ’t niet durven weigeren.… ’k had dien dag in alles toegestemd.”
„An ’t gebeurde is nu toch niets meer te veranderen … wij blijven voor elkander wat we geweest zijn …”
„Nee, Dora! Als ’t morgen doorgaat.… is er iets vreemds tusschen ons gekomen … Dat mag niet! Dat wil ik niet!”
„Wil je niet?…”
„Dora … die dooping mag niet doorgaan!”
„Max!”
„’k Ben gedwongen! ’t Is me afgeperst! Je vader heeft schandelijk.…”
… „Max, ik bid je!”
„’k Wìl ’t zeggen … ’t Weegt me als dieplood … Schandelijk heeft hij partij getrokken van de omstandigheden … dat was ’n laagheid!”
„Max, ’k wil niet dat je zóó over m’n vader spreekt!”[111]
„Is ’t niet waar?”
„Hij meende ’t goed.”
„Zeg jij dat?… Ben ik je dan vreemd geworden?”
„Toe Max, spreek zoo niet … Er is nu niets meer aan te veranderen!”
„Maar ikwil’t veranderen! Geen van beiden hebben we ’t gewenscht! Als die doop doorgaat, zal m’n eigen kind me hinderen!”
„Max! Max!”
„’k Wil niet dat m’n eenig ideaal zoo vertrapt wordt!”
Hij werd hoe langer hoe heftiger. Weggedoken in haar stoel keek ze hem verwijtend aan. Ze had zich zoo behagelijk gevoeld in de laatste dagen, zoo weelderig. Ze was weer omringd geweest door de familie, waarvan ze een vol jaar gescheiden was, had over den doop van ’t kind niet nagedacht in haar roes van tevredenheid, in den terugkeer harer physieke kalmte. Ze was opgegaan, egoïst in haar kind, had met een tinteling[112]van genot de oude bekende gezichten om ’t kraambed gezien, en nu stond hij voor haar, opgewonden, driftig, met ’n energie op z’n gelaat, die haar angstig maakte. Zooals ze hem nu zag, met die trekken gemarkeerd door toorn, vond ze hem leelijk, met ’n sterke gelijkenis op z’n tante.… ’n geaccentueerd jodentype …
„Wat wou je doen?” vroeg ze eindelijk, hard, onaangenaam.
„An je vader schrijven da’k m’n woord verbreek!”
„Dat zul je niet, nooit!”
„Ik zal ’t, op m’n woord!”
„Als je dat doet … Nee je zult ’t niet. Je hebt zelf gezien hoe blij hij met zijn kleinkind was …”
„Wil jij dan òok mijn zoon tegen me opzetten?”
„Je kunt je woord niet breken?”
„’k Làch om dat woord! Ons heele geluk staat op ’t spel!”[113]
Langzaam wonden ze zich beiden op. Terwijl hij aan den eenen kant voelde, dat ’t niet ridderlijk was de belofte te verbreken, bruiste aan den anderen kant al zijn vrijzinnige denken, voelde hij dat de heele bodem van zijn huwelijksgeluk door die ellendige storing onder hem wegzonk. Daarbij kwam ’n haat tegen den ouden Daanders, die zich al die dagen in zijn huis genesteld had met een vernederende, afgemeten beleefdheid; die hem als ’n nul, als ’n iets, dat men dulden moet, behandeld had. In Dora begon ’t driftige temperament van haar vader te gisten. Met een trage willoosheid, overblijfsel van haar moeder worden, klampte ze zich aan ’t heden vast, vergat ze den idealist, zag ze nu alleen iemand van ’n ander geloof voor zich, iemand, die haar met geweld uit ’n heerlijke rust wakker schudde.… Ze keerde hem korzelig den rug toe.
.… „Dora, we hebben nog nooit getwist. ’k Heb je alles toegegeven, maar de speelbal[114]van je vader word ’k niet … ’k Schrijf hem nog vandaag, dat jij, nòch ik dien doop willen, dat we d’r allebei tegen zijn, da-’k ’t beloofd heb, toen jouw leven op ’t spel stond, dat hij billijk moet zijn.… Alles, behalve dàt! ’k Heb ’t geschreven in ’n halven waanzin.… ’k Wil geen vormendienst.… ’kwil’t niet.… ’t kind zou dan even goed jood kunnen worden.… ’k wil geen vormen.…”
„Als je dàt schrijft, zou ’k.…”
„Zwijg!.… Later zul je me gelijk geven, ’k Tree op voor ons beiden!”
„Je zult ’t niet doen!”.… Ze rees halverwegen op, rood van toorn.
„Dora, je kent me nog niet!”
„Nee, zoo iets ha-’k nooit van je gedacht!”
„Van mij gedacht? Van mij.… ’t is de streek van je vader”.…
.… „’n Streek?”.…
.… „’n Ignobele!”
„Wat jij gaat doen, is erger.… vuiler”.…[115]
„Dora!”
.… „Da’s woordbreken.… Da’s m’n vader bedriegen.… Da’s ’n jodenstreek!” Verschrikt hield ze op.
„Wat zei je?” vroeg hij toonloos, ofschoon hij ’t—bitter, snijdend, als ’t gezegd werd—uitstekend verstaan had.
„Max!”
’t Klonk als ’n bede om vergiffenis. Even keek hij haar aan, met groote, vreemde oogen. Toen ging hij heen.
Aan zijn lessenaar zat hij, ’t hoofd in de handen, keek machinaal naar den doodskop. De holle, puilende gaten, waar eens oogen bezield geleefd hadden, grijnsden hem met de hoekige kaken, toe. Sufferig, wezenloos telde hij de nerven, de naden, dacht aan de weggeteerde hersenen, tikte met zijn vinger tegen de leege doos, dat ’t gedempte echootjes gaf, dof klotste, alsof er op de deur geklopt werd. Hij lachte even, schamper, pijnlijk. Van de Aan zijn lessenaar zat hij, ’t hoofd in de handen, keek machinaal naar den doodskop. De holle, puilende gaten, waar eens oogen bezield geleefd hadden, grijnsden hem met de hoekige kaken, toe. Sufferig, wezenloos telde hij de nerven, de naden, dacht aan de weggeteerde hersenen, tikte met zijn vinger tegen de leege doos, dat ’t gedempte echootjes gaf, dof klotste, alsof er op de deur geklopt werd. Hij lachte even, schamper, pijnlijk. Van de[116]drukke straat golfden schaterende geluiden, uitbarstend leven, door ’t geopende venster naar binnen. ’t Zonlicht viel in een schuinsche richting, met een speling van stofjes, ’n bewegelijk fladderen van kleine atomen er in. Met een hoofd, bonzend van drukkende pijn, bleef hij zitten. ’t Was of hij hoorde lachen, ’n vreemde klank, ’n krijschend iets, aanzwellend tot een galm, alsof de voegen van z’n hoofd kraakten.… De ontvleeschte lippen van den doodskop gingen hooger op, ontblootend de gele tanden.… Hi! Hi! Hi! Ho! Ho!.… Hortende stootjes knapten door de beenen wanden; wild, kantig kraken; joelende pretjes, jodelgilletjes.… Vuurballetjes glommen in de oogkassen.… Hi! Hi! Hi!.…
Toen stond hij op, lachte heesch mee.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Den volgenden dag werd het kind gedoopt.
Mei 1892.[117]