VIII.

Goedele had in den nacht hevige traanbuien, en zij en kon maar lichte insluimeren, gedurig weer wakker opschietend in bange droefenis. Ze weende bij 't naderen van haar onredelijk wee: ze dacht aan haar zelve, aan de toekomst, en ze voelde dat haar leven gebroken was. Ze snikte seffens. Ze had geen gramschap in haar, geen toornige uitvallen wolkten met heete walmen op uit haar herte. Ze bekeek elkendeen zonder wrok. Moeder was haar geen hardvochtig wezen meer en ze kon peinzen op heur, zooals ze peinsde op vader: een groot medelijden verlamde haar oproerig karakter en ze weende, duikende haar brandend gezichte in 't zakkend geveder van haar hoofdkussen.

In den morgen verzwakte haar uitermatig leed, maar ze bleef den dag door turen naar den komenden winter, verslonden in vaag gemijmer, aldoor treurig en maf. Ursule trachtte meermaals met zoet gevlei haar op te beuren. Ze sprak weer van een cottage, waar ze zouden gaan inwonen, bij 't naderen van de lente. Ze dierf echter het gezelschap van Bella niet meer oproepen. Het was gisteren al te bar verloopen en de herinnering eraan zou geen goed stichten.

De weke liep door. De verkiezingen gebeurden met groot lawaai en een nagalm ervan drong in dees spokig huis. Men sprak van 't voorval, en dat bracht een beetje verscheidenheid binnen. Ook een heele zake was 't, als Justa, in 't voorkamertje, het ivoren kistje ontdekte. 't Was tooverij. Maar Ursule had voorloopig gewichtiger gepeins en Goedele was niet uit haar droomen te leiden, zoodat het kistje algauw vergeten werd.

Op een nacht begon 't nijpend te vriezen. Schoone bloemen waren 's ochtends zichtbaar op de ruiten, witte bloemen met divers geblaan, allemaal zuiver en sierlijk van vormen. De tuin lag met blanken rijmel bestoven en de strate, onder den tert der menschen en 't gerammel der wagens, klonk bijzonder luidelijk. De postbode bracht, al heel vroeg, een brief voor Goedele.

—Wat is 't? vroeg Ursule.

Hij werd koortsig opengebroken. Er kwamen hier bijna nooit brieven toe, behalve somtemets een kort schrijven van Vrebos of een welruikend kaartje van mevrouw De Vleeschhouwer. Deze brief was van tante Olympe.

—Nieuws van Romaan, fluisterde Goedele, heel laag.

Hare blikken schoven vluggelings over de zwarte onregelmatige letters, heel die brave, gebrekkige taal van 't oude wijveken, en stilaan geraakten hare oogen vol. Ze moest rap pinken om de tranen weg te duwen en verder klaar te zien. 't Was slecht nieuws.

Ursule lengde haren hals uit, en op dees oogenblik overviel haar werkelijk een breede moederlijke aandoening. Ze stotterde, een ongemak voelend in haar kele:

—Watte?... Watte?... Hein?

Ze beloerde 't stille geween van Goedele, elken traan te reke, die rond werd onder de donkere wimpers, klaar optikkelde met een sterreken veranderlijk licht en trage neerwaarts droop. Goedele stamelde:

—Slecht nieuws....

—'t Is van Wiezeken, niet waar?

—Wiezeken is aan het sterven.

Ze zaten nu allebei rechtover mekaar, in stilte te schreemen. In langen tijd had Ursule zoo 'n ware emotie niet gehad en ze verwonderde zich dat dees waarachtige droefheid, die haar week maakte en afmatte, haar zacht was en deugdelijk. Ze voelde dat ze met dees leed tot dichtebij Romaan naderde en ze jubelde zoete, al snikkend, omdat Romaan zoo dichtebij was. Ze werd bijna tegen hare vingeren de warmte gewaar van zijn geliefde voorhoofd.... Ze zei:

—Ge moet gaan....

—Ja.

—Ge moet zeggen ... iets van mij ... iets van zijne moeder ... aan Romaan.

Goedele voelde dadelijk dat moeder rechtzinnig was en ze wilde haar geerne kussen, dankbaar om hare goede smert. Binstdat ze zich met haast aankleedde, vertelde ze van den verloren broer, zooals ze er nog nooit hier in huis over had verteld. Ze wist vele bijzonderheden aan te halen, waaruit het gulden hert van Romaan stralend te voorschijn kwam. Het was alsof ze tewege was ook van Madeleen te spreken. Het woord verzoening geraakte bijkans op hare lippen.... Ze zweeg echter, op dat woord juist, nog aarzelend en nog vreezend.

Buiten, op de koude straat, tort ze dapper door. Ze was weer in 't gewoel van de haastige menschen, ze taakte weer het drukke werk van al die dravende lijven, en, hoe onzeker ook, ze genoot de luchtige vrijheid lijk overrijd. Maar gauw drilden hare voeten, al slaande tegen hare rokken, en ze beluisterde den slag, hem gauwer aanzettend, om gauwer ginder te zijn. De winkels met hunne breede vensters en veelvervige uitstallingen sleerden zijlings voorbij. Ze herkende ievers een confectiehuis en wierp hare blikken subiet anderzijds. Een oud ventje hinkte krukkebeenend op haar af en reikte eene bevende hand uit. Ze bleef staan en vingerde in haar geldtasje en gaf een stuiver aan den man. Hij boog en een kistje met solferdoosjes, dat hing op zijne borst, kwikte schier omme.

Ze hoorde niet wat hij mompelde. Ze was tevreden dat ze hem iets gegeven had en dat het niet lang geduurd had. Ze geraakte zoo in 't lage van de stad. De trams zoefden en kruisten malkaar. De karren waggelden met ongemeen gedruisch. Een kindje riep haar na:

—Juffrouw! Juffrouw!

Ze keek omme en zag het dutseken aandrevelen met een zakdoekje.

—'t Uwe, juffrouw?

Ze tastte in haar pelsen mofje en bloosde, omdat een oude heer haar heel scherp aankeek binstdien.

—Ja, lieveken.... Danke.

Verlegen liep ze verder. Tenden de strate lag de vaart. Nog de brug over en dan een klein draf ken. Wat zou ze zien? Een rappe angstigheid kwam over haar.

—Wat zal ik zien?

Op de brug was al meer moedeloos haar gang en ze tort langzaam, swijlens starende naar 't water van weerskanten. Het water was bij plaatsen dichtgevrozen, maar om de schepen, die lui en diepe lagen, allemaal bijeen langs de dokken, klotsten de vrije golfjes overhand. De grijze hemel klaterde erheen, in zilveren schervels, en altemets sprong een vliemken stralend licht er te midden op, naar den willekeur van het toevallig gespeel. Goedele's blikken bleven daar onbewust haperen en hare oogen waren wijd-open aan 't zien. 't Geflikker spatterde aardig in haar hoofd en 't herbegon altijd zijn veranderlijke wiegeling. Ze kon precies niet verder uitkijken, recht vóor haar, waar haar weg gebaand was. Hare handen werden heel warm in het doezelig mofje, en ze hervroeg, een vaag zicht krijgend van de leelijke werkelijkheid, die naderend was:

—Wat zal ik zien?

Aan 't klein gesleer van hare voeten werd ze meteen gewaar dat ze te lanterfanten stond. Een brouwersgast met zwaar gespan riep, om ze uit zijn weg te krijgen. Ze liep. Ze beluisterde weer den korten klop van hare beenen in 't matelijk gedruisch van hare rokken slaan.

Ze bleef uitasemen op den drempel van den ellegoedwinkel. De nijpende geur van dees huis kwam haar ontstellen, en, al wilde ze gestadig denken aan 't akelige zicht van Wiezeken, zich daarmee bedwelmend, ze dacht ook aan Ameye, die daarboven waarschijnlijk was. Gauw probeerde ze te verzinnen welke houding ze aannemen zou, maar seffens schudde ze haar hoofd, alsof ze meende:

—Wat scheelt het mij, en wat ben ik tot hem? Ze ging de trap op. Het docht haar dat het hier wel akelig zijn moest: de winkel lag stille en ginder hooge lag stille insgelijks het leutige lied van Mariëtte. De trap kraakte. Ze zag in de hoeken de gewone stofkens herroeren met het kleine gewaai van haar kleeren. Ze merkte 't allemaal op, tot de luttelste dingen, en ze klampte zich permintelijk eraan vaste, gestadig het oogenblik wegschuivend, dat toch al gelijk aanbreken moest. Ze keek naar hare hand endelijk, hoe die trage zich naar de deurklinke reikte en hoe de deurklinke daar precies te wachten hing....

Ze tort beraden binnen. Niemand was hier in de keuken. Hare blikken vielen links en rechts op 't vele tinnen en koperen gerief. De koffie stond te dampen op de stove en daar walmde allentwege de goede geur.

Tante Olympe stak loerend de zijkamer open en fluks, als ze Goedele herkende, kwam vóor haar staan, treurig doende met haar gerimpeld witte gezichtje. Ze zeiden mekaar geen goeiendag. Dat lag zoo verre van haar. Goedele vroeg, lage sprekend:

—Wiezeken?...

Tante Olympe zeeg neer op een stoel en bracht haren voorschoot over haar wezen. Goedele moest nevens haar gaan zitten en herhaaldelijk vragen nog, eer het oude wijveken haar geween kon breken. Ze stotterde op een ende:

—De dokter is er bij.... Ze hebben er aan gewerkt dezen nacht, met drijen.... Ze hebben er aan gesneden ... en Wiezeken haar keelken ligt open.

—Wat zegt de dokter?

—Niets ... en durft hij—maar ik, juffrouw, ik weet wel wat sterven is en hoe de Dood doet, als ze nadert.... Dat arme boeleken!

—En Romaan?

Ze had een flauwen lach over hare magere lippen, om te beteekenen dat het ook met hem deerlijk gelegen was. Ze blikte dan zuchtend langs 't venster naar den wit-grijzen hemel en ze fluisterde:

—We zijn hier in dees huis, nu juist twee jaar geleden, binnengekomen. Ze vouwde hare vereelte handen op haren schoot te gare en voortdurend tuurde naar het effen geluchte, met schokjes zeggend:

—En zoo gaat Wiezeken eruit ... en zoo zal ik eruit gaan ... en zullen wij allemaal eruit gaan....

—Is mijnheer Ameye hier?

Tante Olympe begon te tateren en haar kaken glansden op, zonder overgang.

—O ja! die goeie mijnheer!

Ze sprak met bewondering en dankbaarheid over hem. Alle dagen was hij komen zien hoe 't ging. Hij was 't, die de dokters was gaan opzoeken en Romaan met brave woorden steunde. Den vorigen nacht was hij tot heel late gebleven, omdat Wiezeken er zoo heel ellendig uitzag. In den komenden morgen had hij hem pas verlaten, maar straks zou hij weer binnenloopen en nieuws vragen. Hij had tante Olympe aangespoord om te schrijven aan Goedele.

—Och, me-kind, ik en dacht er niet aan. Ge moet me vergeven. Ik ben heelemaal zonder memorie en 'k dool alhier en al ginds met mijnen poveren kop! Het is nu goed, danig goed, dat ge gekomen zijt.

Goedele hoorde in de zijkamer de stem van den dokter, in druk gefluister met Madeleen. Dan een groet, een korten slag van de deur en den dalenden stap van iemand, zwaar krakend over de trap.

—De dokter gaat weg, zei tante Olympe.

Madeleen tort weenende de keuken binnen en begon luidop te snikken, als ze Goedele zag, op wier borste ze kwam uithuilen, zonder mate, haar overgroot verdriet. Ze jammerde:

—'t Is gedaan ... 't is gedaan ... och Heere!

Goedele streelde zachte met hare vingeren over Madeleen's bleeke wezen en streek heur verwaaide haarstrengen effen. Ze vroeg:

—'t Kan nog beteren?—Toe, Leentje, wees rustig.

—De dokter zegt: nog vier uren, nog zesse.... Ik weet niet meer wat ik doen moet. Ik voel dat alles kapot gaat. Ik kan geen moed meer hebben. Ik heb nu weken lang moed gehad, moed gehad.... Wat baat nog moed?

—Ge moet malkander steunen.... Het is een ongeluk.

—Ja—een ongeluk. Ameye zegt ook—een ongeluk. Maar na al mijn leed, na al mijn ongeluk, nog dees ongeluk weer. Ik kan niet meer....

—Ge zijt niet alleen....

—Romaan is buiten zinnen. Hij begrijpt niets. Hij wordt zot. Hij antwoordt niet als ik hem aanspreek. Hij zegt niets.... Ik heb toch ook troost noodig!

Goedele kuste haar en pinkte gauw een heet-kittelenden traan weg. Ze werd gewaar dat men haar meesleepte in al dees wanhoopsdoening en dat zij niet tegenstribbelen kon. Tante Olympe stond vóor 't venster naar de daken der huizen te kijken. Goedele merkte hoe haar ouden rugge opsnokte af en toe, en hoe onophoudend haar bevende hand het tipje van den blauwen voorschoot over hare oogen bracht. En hier, op hare borst, sloeg in hevige snikken uit de koortsige smert van Madeleen. Ze taakte allentwege de geweldige droefenis, die heerschte in huis, en ze moest ook stilaan buigen, neergeduwd door 't overdadig leed. Ze kreeg in de minste voorwerpen 't klare zicht van de al-meesterende ellende: de tafel stond ongebruikt, de moor had een zwijgende tote, de borstels lagen droge en de schotelvodde heel stijf—en was het niet alsof de soepkomme, achter de ruiten van de dresse, geen dienst meer deed? Nutteloos dampte op de stove de welriekende koffiekanne. Goedele vroeg algauw, om de overweldigende treurnisse te keer te gaan:

—Mag ik Romaan zien?

Sprakeloos gingen ze, Madeleen vooraan. In de ziekenkamer neep een geur van jodeform en woog een zoelte van moede lucht, lijk in hospitalen. Bij 't kleine beddeken zat Romaan, diepe gebogen, zijn kinne in beide saamgebrachte handen, aan 't staren zonder ende, recht vóor zich uit. Bleek als een laken en mat was zijn aangezicht, beschaduwd door de blauwige holten zijner oogen.

Hij keek niet op. 't Was alsof hij niets opnam van wat om hem gebeurde. Hij hoorde niet. Goedele reikte hare armen naar hem en stamelde, bevend:

—Broer ... broer....

Hij keek niet op. Hij was niet hier. Heel verre tuurde hij en zijn gelaat, in strakke droomerij verslonden, en peesde noch en herging. Even roerden zijne wimpers en trilde zijne rechterhand. Zijn bloed sloeg in rappe slagen bultig uit op zijne slapen. Goedele naderde en bukte over hem en toetste stille zijnen schouder. Hij vroeg, schier onhoorbaar:

—Wat is er?

—Ik.... Bezie mij, Romaan....

Langzaam wendde hij zijn kop omme en zijne vermoeide blikken, door koortse ontgloeid, priemden diepe in de oogen van Goedele. Geen blijde verwondering en roerde de groote kommernis, die langs zijn voorhoofd rimpelde. Hij zei, onverschillig.

—Hâa!...

Hij stond rechte. Hij tuurde trage naar Goedele's mantel, naar haar pelsen krage en haar breeden hoed. Zijn stemme was koud, eentonig:

—Komt ge van huis, zoo?

—Ja....

—Wiezeken heeft verleden nacht met haar poesjenel gespeeld en ze heeft naar u gevraagd. Ge weet wel, die poesjenel...? Wiezeken heeft toen naar u gevraagd.

Er lag zoo direkt een verwijt in die woorden, dat Goedele te blozen begon.

Ze keek naar Wiezeken en ze herkende Wiezeken haast niet. 't Was teenemaal ineengekrompen. 't Lag met ontsloten mondje te snakken, al slapend, naar lucht, en zijn neusje vliesde permintelijk open en toe, asem zoekend te vergeefs. Goedele heur herte deed ineens sterkelijk zeer en een pijnlijke aandoening stropte vaste in haar kele. Ze wou zeggen:

—'t Slaapt....

Romaan hoorde den klank wegfluisteren op hare lippen en lachte:

—Hee! slapen....

Madeleen bad dat hij nu zou in de keuken gaan en een ei zuipen, en Goedele deed mee om hem daartoe te bewegen. Hij werd erom lastig, maar als hij zag dat Madeleen zich bij 't beddeken neerzette en dat het kind aldus alleene niet zou blijven, gaf hij toe en volgde zijne zuster.

In de keuken zakte hij thoope op een stoel. Hij zei aan tante Olympe, die de koffietasjes op de tafel plaatste:

—Wat maakt gijlie allemaal veel gedruisch!

Hij belonkte den aschbak, die opklaarde onder 't gefonkel der laaie kolen. De stilte echter was hem algauw een groote last en 't getik van 't kleine horloge kon hij weldra niet meer verdragen. Hij vroeg een kopje koffie. Hij roerde met het lepeltje erin en volgde het luttel schuim, dat op de dampende vlakte ommeringde in diverse draaiingen. Naderhand vestigde hij al zijne aandacht op 't bedrijf van Goedele's armen, die haar hoed afnam en heur mantel weghing nevens de dresse. Hij zuchtte en vroeg:

—Is dat een nieuwe hoed?

Hij vond het zelf gek dat hij die vrage deed, en verzocht Goedele dat ze neerzitten zou. Hij zei:

—Vertel me eens wat, zusje. Ik ben zoo in folterende spanning. Ik weet niet wat er buiten gebeurt. Och! ge kunt niet gissen, gij, hoe diepe een mensch lijden kan.... Het leed, Goedele, en heeft geen palen.

—Alles komt weer goed.

—Alles?

Hij glimlachte droeve en hief zijn koffie tot dichtebij zijne lippen. Hij snoof den walmenden geur op en zette het kopje, met een tikje, weer op tafel neer.

—Meent ge dat, Goedele?

Ze verzekerde met haastigheid, om hem te troosten. Hij schudde stille zijn hoofd en zijne onderlip zakte rijzekens neerwaarts. Trage schoof hij zijne vingeren door zijn haar, en liet ze lui afsleren langs zijne ooren en zijnen hals. Hij lei ze nadien op de tafel en ging de bochtige aderen na, die blauw uitkrinkelden op het mat-bleeke vleesch. Het docht hem dat ze buiten hem waren en hij verwonderde zich dat de magere beentjes, als hij ze roerde al trommelend op het tafelberd, zoo zichtbaar waren. De zware stilte woog hier tallenkant.

Hij kruiste meteen zijn beenen overeen, leunde achterwaarts over en na zijn opgeheven knie in beide handen, lijk iemand die eene gemakkelijke houding zoekt om te converseeren. Over zijn aangezicht kwam een spijtige oolijkheid en hij vroeg:

—En thuis bij u, hoe draait daar de rommel?

Hij hechtte schijnbaar geen belang aan zijne woorden, en hij wiegde zoetekens op zijnen stoel, bij maniere van spelen. Goedele wilde seffens een goede hoop in zijn hoofd brengen, en omdat zij zich herinnerde de hertelijke aandoening van moeder, zei ze:

—Goed.... Ge weet wel wat ik beduid daarmee. Het huis is in ruste. Het staat daar zonder geruchten, in den grooten zwijgenden tuin. We leven te gare daarin. De deuren blijven dicht en geen lawaai van buiten dringt binnen. Geleidelijk geraakt in de stilte het geweldig verleden effen....

—Wat wilt dat zeggen? Effen?

—De herinneringen zijn nu vaag geworden en men begint te merken dat er maar iets van overblijft ... wij, en dat we leven ... tastbaar nevens malkander staan....

—Leven ... leven ... leven....

Hij tuurde naar de zoldering en liet zijn hoofd ten geheele overhangen, op de leuning van zijn stoel. Goedele voelde dat zij hem naderen kon met het gansche droeve huis van ginder....

—Daar zijn t'onzent leege plaatsen om de tafel, Romaan. Moeder wordt zwak. Moeder vraagt naar u. Ze heeft geweend dezen morgen.

Hij wipte meteen rechte en stond midden de keuken heel verwilderd naar Goedele te zien. Hij stiet haar ruw aan tegen het aangezicht, met zijne blikken. Hij boog zich over haar, benauwd fluisterend:

—Wie heeft u hier gezonden?

Hij merkte dadelijk hoe bang zijzelve werd en hij week, op een ende uitberstend met schrikkelijke woede. Zijne armen zwaaiden toornig ommentweer en dieper zakten de rimpels in zijn voorhoofd. Hij riep:

—Wie? Wat komt ge hier praten van iemand ... die onze moeder is? Moet ge mij komen aantasten, als ik nu lam lig, en denkt ge dat ik niet meer tegenstribbelen kan? Ho! Ho! Ho! Het kind is bijna dood.... Ze naderen! Ze naderen!

Goedele zat verplet en met pijnlijke angstigheid blikte ze op naar heur broeder.

Hij rok zijn mond open om al zijn haat in vierkante brokken neer te gooien.

—Ze hebben mij in mijne zoete droomen getroffen. Ze hebben mijne liefde bezoedeld, bemorst, beslijkt.... Hee! Hee! Ze hebben mijne jeugd berimpeld en mijne herte vergald!... Wacht even! Laat me woorden vinden ... laat me zoeken ... Wacht!

Hij slikte moeielijk het speeksel in, dat zijn tong belemmerde.

—Maar waar was moeder, als ik Madeleen en tante geen eten meer kon geven? En als Wiezeken er dan nog bij kwam? En als Wiezeken dan nog ziek werd? Moeder keek niet omme.... Nu, nu, binstdat het kind sterft, komt er versche hoop! Willen we nu de slonse laten zitten? Het kind is dood. Het kind is vergeten. Willen we nu naar huis gaan en ons' moeder gaan kussen?

Zijn stemme zonk, werd heesch en moe, en zijne oogen doofden weg in natheid.

—Gij weet niet Goedele, wat er al gebeurd is. Gij weet niet hoe moeder Madeleen wou omkoopen, hoe ze haar vervolgd heeft zonder ruste. Ik heb naamlooze brieven ontvangen.... Ik durf u alles niet zeggen. Moeder is een misdadige. Nu stuurt ze u tot mij ... u, die 'k buiten en boven alles stelde, naast mijne vrouw. Luister—ze zal voort alles aanwenden, alles, alles.... Ze zal huichelen, ze zal weenen.... Ge hebt gezegd dat ze geweend had!

Goedele snikte. Hij lei zijne hand op haren schouder en sprak nu zonder drift, met een droeve zachtheid, een kleine stilte latend tusschen elk woord, om schoone en klaar en peiselijk te wezen. Daar schorde altemets een klank in zijne keel of 't was aleens, alsof hij zijn asem averechts ophaalde.

—Heb ik u zeer gedaan?

Hij vingerde langs heur haar, zoete haperend in de losse krullen, en hij streelde haar aldus en kriebelde achter hare ooren.

—Ik heb geen kwade inzichten, zusje, ik ben zeer diepe geknakt en mijn leven is me straks een last. Ben ik ruw geweest en heb ik u met ruwheid getaakt? Maar zonder oogen ben ik nu, mijn zusje—en alles wordt zwart om me. Ik heb u niet gezien. Ik wil u geerne voelen dichte, zoo.... Ge moet mij vergeven.

Ze keek op naar hem en hij zag in hare oogen de klaarte liggen van al hare liefde. Een heete traan dropte dikrollend langs zijne wangen en pletste met klein geflits midden op haar voorhoofd.

—Laat ons sterkelijk hopen, zei ze.

Hij knikte en zijne wimpers vielen toe....

Naderhand werd er op de deur geklopt en zonder wachten klonk de klinke omme. Tante Olympe stond seffens rechte en was tevreden dat er toch iemand een ende kwam stellen aan het pijnlijk gesprek. Ze huppelde tot aan den dorpel.

—Goeien morgen!

't Was Ameye. Hij boog seffens heel beleefd, als hij Goedele bemerkte. Het was wel eene subiete aandoening, die hij daarmee verbergen wou, en een tijdelijke blos kleurde zijne wangen en zijne ooren. Hij bedwong echter algauw zijne vlugge ontsteltenis en sprak heel gemakkelijk van kleine zaakjes, zich vooral bezighoudend met Wiezeken. Hij liet al gelijk geen durende droefenis wegen op de conversatie en vermeed zorgelijk een tragisch woord of gevaarlijke toespelingen. Daar lag iets opzettelijk lichtzinnigs in zijne zinnen en nievers duldde hij een stonde stilte, wetende dat de smert al zwijgend opzwelt en zwaar wordt. Hij zei:

—Ziekten draaien alzoo soms heel zonderling uit. We moeten ons nu niet laten beïnvloeden.... Hebt ge Wiezeken al gezien, juffrouw? En wat dunkt u? Het kind ziet er niet zoo bar slecht uit.

Hij klopte op de knie van Romaan:

—Jongen! gij zijt de ziekste! Ge hebt niet de minste koeragie. Ge zit daar met een bleek en afgemat gelaat, en uwe oogen rollen vervaarlijk omme. Wat helpt dat allemaal? Kijk eens naar mij! Ik heb den geheelen nacht hiernaast, in de iodoform, een pestlucht, gezeten. Ik heb een beetje geslapen—als ik thuis kwam, ik heb vrij veel geëten, en ik ben hier terug, gezond. Heeft Romaan wat geëten, dezen uchtend, tante Olympe?

—Een walm koffie opgesnoven....

—Dat is buiten reden!

Hij liet zich ten halve kwaad en eischte dat Romaan dadelijk een paar eieren zuipen zou. Hij was daarbinst stille aan het tateren met Goedele, die hem sprakeloos, met vage bewondering, had beluisterd. Hij vroeg hoe zijzelve 't stelde, en verzekerde dat hij in waarheid gelukkig was haar te ontmoeten, al had hij ook aan smertelijke omstandigheden haar komste te danken. Hij zag dat ze hem moeielijk antwoord gaf en tevergeefs probeerde een hoffelijke formule te gebruiken. Hij praatte maar door en staarde soms met ongemeene strakheid in hare oogen.

Goedele had hem zich heel anders voorgesteld. Hij was precies een andere man. Het docht haar dat hij meer dienstveerdig was en meer ijverig in zijne dienstveerdigheid. Hij deelde zijn eigen precies uit en al wat hij zei, 't en was maar om gauw de gapende stilten te stoppen. Ze voelde dat alles zeer duidelijk, en stilaan groeide zijn gansche wezen op in haar. Ze was 't bewust, dat hij zich alzoo meester maakte van haar en haar teenemaal met zijn eigen leven vervulde. Ze had ook zoo dikwijls en zoo lange aan hem gedacht en zich zijn bijzijn gewoon gemaakt, dat hij 't nu gemakkelijk kon en dat het haar niet vreemd voorkwam. Zijn woorden trilden in haar met ongemeene galmen, en zij luisterde ernaar, en 't was haar alsof ze nooit te luisteren zou staken. Als zijn stemme altemets opklom tot een vrage—zij hoorde aan den stijgenden klank dat hij een vrage deed—wist ze daarom niet seffens wat ze antwoorden moest, en zij vond het ook niet zonderling dat hij op geen antwoord wachtte. 't Geluchte was vol van hem en ze asemde in dat geluchte. Ze merkte weleens dat hij nooit zinspeelde op vroeger ontmoetingen en zich niet verwonderde over hare lange afwezigheid. Ze had dan, lijk een hoofddraaiing, de leege sensatie, die zij lestmaal op den drempel met Ameye gevoeld had—en ze zag nog, in scherpe herinnering, hoe hij zich toen langzaam boog om het hulsttakje op te rapen....

Een rap sloffengesleer schoof scherrelend in de nevenkamer en Madeleen stond meteen hijgend in het deurgat. Ze bracht hare handen aan hare keel precies om daar een nijpinge weg te krijgen, die haar te spreken belette, en, in haar doodsbleek gezichte, viel haar mond open, een blauwe schaduw trekkend, van weerskanten, in hare kaken. Romaan sprong lijk een zinnelooze naar heur en zijn koffiekopje viel kletterschervelend in brokkelingen uiteen op den vloer. Hij duwde haar op zijde en liep haar voorbij, de ziekenkamer in. Tante Olympe begon schrikkelijk te beven en ze bad:

—Aai-Heere! Aai-Heere! wat is er nu?

Goedele nam Madeleen in hare armen en Ameye bracht een glas water aan hare lippen. Ze paaiden haar, vragend:

—Hebt ge zeer? Ge moogt u niet zoo opjagen, lieve. Kijk eens opwaarts. Wat is er gebeurd?

Madeleen slikte moeielijk en wees naar achteren met haren vinger, dof stamelend:

—'t Kind ... 't kind....

Ze hoorden dan Romaan, die hoog te roepen begon, met onherkennelijke stem, en daartusschen 't kleine geween van tante Olympe. Ameye haastte zich ook naar de kamer, en Goedele sprenkelde kille droppels op Madeleen haar gezichte.

—Hoort ge? hakkelde Madeleen, zich opwerpend heel smertelijk in Goedele's armen.

—Maar wat deert er toch?

—Hoort ge?... 't Sterft!

Ze viel nadien huilend naar voren op Goedele haren schoot en jammerde:

—Ho! Hoóo!... mijn kindeken, mijn kindeken, mijn dutseken!...

Haar lijf snokte op en rilde, en hare vingeren waren in pijnlijke stuipen ommegekruld. Ze hief zich dan, plots zwijgend op, en keek verwilderd Goedele aan. Ze fluisterde, geheimzinnig:

—'t Is vreeslijk. Ik kon 't niet zien. Ik kon 't niet uithouden. Ik zal daar iets leelijks van krijgen, in mijnen kop! 't Lag met zijne armen zoo subiet hopeloos geweld te doen ... en te rukken aan de sargie, met zijn nagels ... en 't heeft mij meteen bezien, met zijn oogskens wijd open.... Wat wou 't zeggen, o God! 't En kon niet spreken, en die oogen.... Ik dacht dat het te roepen begon. 't En zei niets. 't Waren die oogen.

—Drink een beetje, lieve.

—Ja.

Ze grabbelde bibberend naar het glas. Tante kwam ook half zinneloos in de keuken binnengeloopen en hief hare armen omhooge. Ze stotterde:

—'t Is zonde!

En ze deed teeken, achter Madeleen's rugge, dat Goedele zou gaan en helpen.

Goedele ging. Ze voelde hare voeten, al gaande, niet slaan op den vloer, en 't was alsof hare beenen automatisch voorttorten. Haar lijf hing naar voren. Ze had schrik en dierf niet 't kindeken zien—en haastte zich om te zien....

Vóor 't beddeken, aan 't voetende, stakerechte stond Ameye. Ernevens, op een lage stoel zat Romaan. Zij verroerden zich niet. Ze keken halsstarrig toe. Het kind lag heel wit midden op het witte kussen en op zijn aangezicht was geen speur van leven meer. 't En asemde niet ... Goedele week instinktmatig. Ze was tewege het te zeggen, dat het geen asem meer had.

—Romaan....

—Ssjt!...

Wiezeken stak haar linkerhandje uit. Haar mondje viel open en een moeielijk geronk ratelde in haar kele. Hare oogen lagen toe en een blauw streepken randde er onder aan. In de hoekjes tinkelde een klare traan en 't licht, dat tusschen de gordijnen neerzijpelde, speelde er met luttel gestraal.

—Laat me haar hoofd opheffen. 't Ligt te lage.

Goedele bukte zich. De iodoformreuk walmde nu bijtend over haar gelaat omhooge. Ze schoof hare handen onder de heete dekens en hief zoetekens het kind uit den warmen konk, waar 't zijn koortse broeide. 't Was pluimlichte. Ze raakte, door 't fijne hemdeken, het tengere ruggebeen en de ringen van de ribbetjes.

Maar Wiezeken wierp haar lijf opeens zijwaarts uit en lag een schrikkelijk geweld te doen om asem op te halen. Haar buikje zonk diepe in en hare borst zwol uitermate. Twee putjes zakten van weerskanten onder hare kin en hare slapen sloegen met traag geklop. 't Geronk en staakte niet in haar kele, en ze smeet zich ten geheele met leelijke schokken op, daarbinst zwaaiend in de leegte met hare armen. Ze opende dan endelijk hare oogen, keek heel strak Goedele aan, en haar gezicht werd grauw-rood van het danig geweld. Ze zakte seffens in het witte kussen weg. De matte bleekte herkwam over geheel haar hoofdeken en hare handjes vielen onbeweeglijk op de sargie. Zij en roerde nu weer niet. Hare oogen waren beloken en de blauwe randjes waren blauwer geworden. Asemde ze? 't Was weer alsof ze buiten leven lag. Goedele, zich lager bukkend, en werd over haar open mondje geen tocht van lucht gewaar. Ze vatte dan de tengere vingeren en gedwee, gevoelloos, flets verdroegen ze den toets. Goedele roerde op een nieuw de vreeslijke angst, en ze lonkte zijwaarts op naar Ameye, geen afstand meer voelend tusschen hem en haarzelve in de harrewarrije van het groote ongeluk. Met vreemde stem sprak Romaan:

—Laat ons nu rustig zijn....

Zijne lippen waren droog en kleurloos, en 't wit van zijne oogen was in de hoekjes langs kleine aderen rood geworden. Hij trok stille Goedele zijlings weg en fluisterde:

—Het slaapt.

Op dat oogenblik hadden Goedele en Ameye dezelfde trilling en ze staarden naar mekaar. Ze begrepen meteen wat niet in woorden over hunne lippen kwam, en ze bogen onder dezelfde vreesachtige treurnisse hun hoofd. Alles werd groot in deze kamer en de geruchten van de strate, eerst niet opgemerkt, begonnen luidelijk te klabetteren tegen de muren. Binst eene toevallige stilte, die neerzeeg al met een keer en een benauwdheid lei langs alle voorwerpen, klonk tegen de zoldering den doffen tert van Mariëtte's vader, en de deure begon redeloos te rotelen. Een siddering kroop over Ameye zijn rugge en Goedele krinste bang met hare schouders. Ze blikten allebei terzelfdertijd neer naar het kind....

Daar kwam een blauwe verve over Wiezeken's gezichte en haar neuzeken puntte scherp naar omhooge. Drie rimpelingen groeven een leelijke schaduw op haar voorhoofd en de hoekjes van haar mond zakten neere, haar kinne wegduwend tot een beenderig tjopken. Romaan zei:

—Is hier geen zeupken water voor het kind?

Ameye en Goedele hadden alweer eene pijnlijke verwondering, zóo rustig, bijkans onverschillig, was zijn gezegde. Ameye bracht een lepelken water aan de lippen van het bengelken en Goedele hielp hem, Wiezeken zoete opheffend opdat ze goed zwelgen zou. Ze zagen malkanders handen nevenseen te werke en 't was alsof ze sinds lange zoo in gewone doening werkzaam waren geweest. Ze dachten niet daaraan: het was een algemeen gevoel, dat niet tot preciese gedachten opschokte. Ze waren niet verwonderd dat het zoo werkelijk was. Hunne handen taakten hunne handen.

Het water drupte nutteloos weg in Wiezeken's hals en de kilte en bracht geen beweging op het blauwe gezichtje. Aldoor blauwer werd het, en dieper, smertelijker 't gerimpel daarboven....

—'t Is dat ze slaapt, mummelde Romaan.

Goedele kon zich niet meer bedwingen en gauw te reke stortten hare tranen plat neere op de witte dekens. Ameye fluisterde:

—Wees sterk....

Ze beet op hare lippen en 't zicht van de schrikkelijke doening, die in haar vlugge getraan tot vage strepen was weggesmolten, kwam op een nieuw klaar te voorschijn. Ze was Ameye dankbaar dat hij dat woord gezeid had en dat weer sterkte haar zinnen staalde. Ze hoopte nu een rap ende, de rappe nadering van den sterken slag, om dan met zekerheid te kunnen worstelen. Tegenwoordig hing nog 't gevaar als een wolke te dreigen, en 't was te hooge en te wijd en overal tastbaar—en nievers te taken. Ze wachtte. Ze wist dat Ameye haar een steun was. Als de schrikkelijke smert zou uitbreken, zou ze pal staan, met een herte vol troost....

Plots iets ziende, dat lange buiten 't bereik van zijn begrip gebleven was, rok zich Romaan met een hard gesnok van zijn spieren uit op zijn stoel, en wipte nadien rechte.

—Hee-la!

't Was een doffe roep en zijne wenkbrauwen kromden verwilderd naar omhooge. Hij knelde Ameye's arm forsig tusschen zijne vingeren en neep door, zijn eigen afmattend met overdadig geweld. Ameye zweeg. Romaan hijgde:

—Ziet ge ... ziet ge gijlie dan niet?...

—'t Zal overtrekken....

—Hee-la!

Hij boog zich en, in een subiete duizeling, stortte bijna voorover. Hij reikte zijn hand gretig uit naar zijn kind en hakkelde, zinnelooze woorden kappend in 't gaan van zijn onrustigen asem.

—Overtrekken.... Overtrekken?... Watte?

Wiezeken stiet nog eens haar borst opwaarts en heel haar lijveken bultte uit, onder de bleeke sargie. Ze duwde hare ellebogen in 't kussen en steunde erop en haar magere kele werd lang, een smal peezeken gelijk, dat door de kinne hooploos werd opgetrokken. Haar mondje werd een vierkantige holte en daarbinnen was 't al donkerrood en ratelde een rukkend snorken diepe.... Dan opende ze hare oogen en tuurde met onzeglijke pijne rechtuit, heel verre, nievers hulp meer vindend hierdichte.

Zóo staarden hare oogen, al viel weer plat haar pover geraamte, al rustten weer hare moede handjes, al zegen weer toe hare lipjes, heel wit van verve, heel droge, heel doorzichtig.... Zoo keek ze. Ze was nu niets meer, zoo nietig en vergaan. Ze was niets meer. En tot het laatste keek ze alginder, en de strakke blik doezelde weg achter een vool van grijze natheid....

Goedele zakte ineen op hare knieën.

Romaan had een tijdeken verschrikt zijn asem ingehouden en wankte nadien achteruit. Heel zijne ellende, heel zijn endeloos leed kreet hij in wild gejammer uit en hij stampte razend op den vloer, aldoor slaande met zijne vuisten tegen zijne slapen.

Zoodat Madeleen plots de deur opensmeet en daar stond, zonder een traan, zonder een woord, lijk een doode overend....

Late in den avond kon Goedele naar huis gaan. De groote woonste was haar gansch vreemd geworden, zooals die vóor haar in de donkerte, heel massief, achter het hekken oprees. Binstdat ze de deurbelle deed rinkelen en zich nog aan 't verwonderen was over den lang-vergeten klank ervan, merkte ze achter zich, midden de strate, Justa. Justa beweerde dat ze juffrouw was gaan opzoeken, om wille van de vroege donkerte, en dat ze nu toch danig tevreden was dat juffrouw endelijk ongedeerd was thuis geraakt.

—Mevrouw was zoo ongerust in den namiddag! fleemde ze zoeterig, terwijl ze den groote sleutel in het klinkende slot duwde.

—Mevrouw wilde maar altijd nieuws weten. Juffrouw weet nu misschien wel nieuws.

Goedele antwoordde niet en stapte gauw binnen. Terloops was haar idee dat Justa haar gevolgd had en nageloerd langs den weg, maar ze dacht er niet verder over na. Dat alles, meende zij, was ook nu zoo verre van haar verwijderd, dat ze geen belang meer stellen kon in peuterige leelijkheidjes.

Ze had de smart tot diepe in haar vleesch gevoeld; en wat hier ommeging, de doening van moeder en de kinderachtigheid van vader, al dat suffe bedrijf van elkendeen in de groote leege woonste, 't was rijzekens een buitenmenschelijk gespeel. Ze zag even in haren geest het pieuze gebaar van Sebastiaan zijn vingeren....

Ze stond vóor Ursule. Ze had het gevoel dat ze heel hoog stond. Ze zei simpel:

—Het kind is dood.

Ursule en roerde niet. Ze keek naar Seppie, die zich had neergevleid om hare voeten en nu lui zijn muilken snuivend opstak naar Goedele. Haar blik was hard, gewoon-hard, en de lichtstreep, die de lampeklaarten op heur gladgestreken haar leiden, en bewoog geen steke naar achteren noch voren. Ze sprak:

—God hebbe zijn zielken. Het lieveken is gelukkig.

Na een stonde vroeg ze of Romaan sterk was, en als ze vernam dat hij zeer afgemat en terneergeslagen het verlies van zijn dochterken beleden had, viel van hare lippen een koud woord, dat vreemd tegen hare gevoelerigheid van te-morgen afstak.

—De tijd zal 't uitwisschen, zei ze.

Goedele had meteen geschokt opgekeken. Ze bedaarde echter subiet, zich peiselijk opheffend in de wijde golving van haar leed, en beaamde stille:

—Ja, de tijd zal 't uitwisschen....

Ze verliet zonder groeten de eetplaats en tort langzaam de trap op. Haar kamer, docht haar, had een zonderling uitzicht en met de roerende keersevlamme klaarden de stoelen, de witte vlekken van 't bedde, en de breede spiegel van de toilettafel, met onbekende vormen op. Het scheen haar hier alles zoo oneigen en de reuk van de versche lakens tingel de in haren neuze, lijk iets dat nooit bij deze lakens behoord had. Wat was hier gebeurd? Ze schudde haar hoofd en mompelde lijdelijk:

—In mij is 't gebeurd....

Ze had het ganschelijke gevoel daarvan, maar verder kon ze in haar eigen niet ingaan. Ze beleefde de vreemde veranderingen die haar ziele ommegewenteld hadden en de oorzaken lagen te diepe. Daar was iets gebeurd. Over al het onduidelijke wezen van haar machtige wee, reikte die zekerheid.

Lang bleef ze eer ze inslapen kon, en 's uchtends als ze wakker werd, was ze haar gekeerde nature nog niet gewend en waarde hetzelfde vreemd geluchte rond de kamer. Binst den dag liep ze met Justa de stad op en af en bestelde wat noodig was voor Wiezeken's begraving. Ze deed het smertelijke werk zonder vermoeienis. Ze was sterk. Ameye had alles opgeschreven wat ze te doen had. Ze deed het alzoo, stlptelijk zijn zeggen nakomend, met groote zorgelijkheid. Al voorbijgaand, tort ze bij Madeleen en Romaan eens binnen. Ze waren allebei zeer verslagen nog, ofschoon Ameye hen niet verlaten had en hun gestadig zijn zoet-sprekenden troost gaf. Ze kustte met vrome teerheid hun bleeke voorhoofd en drukte de hand van haren moedigen vriend.

Weer drilde ze de straten door. Ze had maar weinig geld. Johannes had haar opgeleid dat ze alle bestellingen in zijn naam doen zou. Ze bestelde echter alles in name van moeder en ze schrikte niet bij 't idee dat moeder vreeslijk opschieten zou. Ze vreesde moeder niet meer. Ze dacht zelfs niet aan een vrees, die komen zou. Ze handelde heel eenvoudig, praktisch. Moeder had geld.

Omtrent den vallenden avond was gansch het droevig gedoe in orde en geraakte ze terug thuis. Ze sprak binst het soepee geen woord en ze deed nadien Sebastiaan verwittigen, dat hij in de eerste acht dagen niet komen moest. Hij had haar seffens met ommegaanden bode een langen brief gestuurd, waarin hij de oorzaken van hare terughouding ten hoogste prees en met lange zinnen toch hare deugdelijke opsluiting betreurde. Ze las de eerste bladzijde en liet den brief dadelijk wegglijden tusschen hare vingeren.

Als ze tewege was op te gaan naar heur slaapkamer, zag ze bij den heerd vader zitten, lage gebukt en turende roerloos naar 't gespetter van het open vuur. Hij had ook aldoor zwijgend door de koude stilte van het huis gewandeld vandage, en hij voelde zich bovenmatelijk droeve worden in de droefenis, die Goedele langs alle kamers neerzijgen liet van haar. Hij vatte wel niet teenemaal het rechte begrip van wat er zoo geheimzinnig in de leegte gebeurende was, maar zijn treurnisse was echt. Goedele kwam nevens hem staan en merkte hoe over zijne ronde wangen de blinkende tranen rolden en ze vroeg:

—Hebt ge groot verdriet?

Hij glimlachte binst zijn stille geween en keek op in haar aangezicht.

—Wel ja ik, zei hij.

—Romaan is diepe getroffen, vader. Het is goed dat ge dat meevoelt.

Hij stamelde, heel week wordend:

—Ja, het is goed ... het is goed....

Hij maakte ervan, zonder goed in te zien, een groot ongeluk, en zijn herte was er vol mee. Hij probeerde aan het kindje te denken, dat hij nooit gezien had, en aan Madeleen, die hij nooit gezien had. Hij dierf dat nu doen, in de aanwezigheid van Goedele en buiten 't bereik van zijne vrouw. Hij voelde Goedele's hand op zijnen schouder rusten en dat deed hem zachte deugd.

Goedele en verwijlde niet lange bij hem. Al trof ze nu een teer-lijdelijk herte, al trilde in het kille huif een snare van goede aandoening, ze kon niet zoo seffens aansluiten met vader. Vader was, met al de rest, verre verwijderd van haar innige leven en ze bekeek hem van verre. Ze bleef koel, alhoewel een streelende zoetigheid om hare woorden fluweelde. Ze zei:

—Goeienavond....

En met eene aaiende buiging golfde hare stem. Hij voelde hare vingeren trage wegsleeren over zijn schouder en hij zat subiet heel alleene en bangwordend in den naderenden nacht, te turen zonder weten naar 't laaierig vuur, dat oplikte langs de vlammende scheiers.

's Anderendaags was 't weer een ijverig en verward bedrijf. Na een loopken in de stad, waar ze nog haastig 't een en ander te verrichten had, kwam Goedele bij Romaan. Ze vond hem in de keuken. Hij keek rijzekens op, als ze binnenkwam, en nauw hoorbaar groette haar. Ze kon door licht en menig getater hem niet uit zijn somber gemijmer krijgen en ze moest het endelijk opgeven, met een zucht. Ook Madeleen en liet zich door geen troosting roeren en zat in zwijgende neerslachtigheid precies te voelen over haar den stillen gang van den tijd. Niemand sprak over het kind. Tante Olympe was lijk een automaat den vloer aan 't affledderen en stond bijwijlen zonder kijken te roefelen over een zelfde plekke.

—Ge moet ulie struisch houden, zei Goedele.

't Geluid van haar stemme wuifde uiteen en viel dadelijk plat neere, versmoord tusschen de muren, en zonder uitslag. Het huis was vol van Wiezeken, en niemand sprak van Wiezeken.

Een tijdeken vóor den noene tort Ameye binnen. 't En deed Goedele geen emotie aan, hem op een nieuw dichte bij haar te voelen. Ze was 't alzoo, zonder overgang, reeds gewend, en lei hare hand met rustigheid in de zijne. Ze was wel tevreden dat hij haar helpen kwam om de stilte te bestrijden, waar zij hopeloos in alleene bleef. Hij voelde met meer gemak de doode leegte, en zijne gebaren, 't vergaan van zijn wezen en 't gedoe van zijne armen, waren min gemaakt. Het gelukte hem, met gewone gezegden, 't getik van 't horloge te bemeesteren, dat zoo pijnlijk het ongeluk hier in zeerdoende stondekens tjokte. Hij sprak van 't weer—'t geluchte was vochtiger en lager de hemel, en 't zou wel sneeuwen eer 't avond werd....

—Sneeuwen? vroeg Romaan, verschrikt.

Ze voelden 't plots allemaal tegare waaraan hij dacht en zagen hoe de sneeuw, binst de deemstering, zou neerwaarts vlagen en ommevlokkelen, langs het eendelijke graf.... Want het huis was vol van Wiezeken, en niemand sprak van Wiezeken.

En, in der waarheid, de sneeuw viel. 't Was eerst een opwirrelend gewaai van kleine witte dingetjes—endelijk, als de mannen kwamen en 't kisteken wegdroegen en 't wegschoven onder een schoon floers met franjen, op den zwarten wagen—endelijk een regelmatige val van dikke trossels, licht-dalend bij buien en stille lijk een groot, blank geheim.

Romaan had geëischt dat niemand op de begrafenis zou uitgenoodigd worden. De strate was leeg. Gevieren—tante Olympe was thuis gebleven om alles weg te ruimen wat tot een pijnlijke herinnering aanleiding kon geven—gevieren volgden ze te voete de koetse en ze zagen even, in hun voortdurend geween, de menschen van weerskanten groeten en verwonderd blijven staan, al kijkend naar dien rijkemans wagen rijzekens begeleid.

Na de zegening in de kerke, stapten ze in een groote sjeeze en reden achteraan, nu geschokt in dees groote huurkasse met versleten kussens. Madeleen voelde hoe alleenig ze hier zaten en hoe alleenig ginder Wiezeken lag, en ze stamelde:

—Me dunkt dat wij er nu zoo verre van af zijn....

—Ja, zei Romaan, heel laag.

Maar Ameye was weer aan 't vertellen en trachtte met diepe woorden 't zachte vergaan van dees tijdelijke leed te doen voelen. Ze luisterden wel naar hem, zagen wel een wijlken lang de troostvolle beelden opflikkeren, die hij ontstak in hun gepeinzen. 't Matelijk gewiel van de sjeeze echter en de kloppende draf van de peerden, de almachtige sneeuw, die achter de ruitjes in wijde vlagen neerwoei en 't hoorbaar gerol van den rouwwagen, vooraan, den schrikkelijken wagen, al 't gedruisch dreunde zoo sterkelijk aan tegen hunne hersenen, dat ze seffens hun hoofd lieten zakken en op hunne vingeren 't heete gespets van hunne tranen gewaar werden.

Het kerkhof was heel en al een wit veld door zijschaduwen van zerken en zuilen gebroken. De mannen, die waren meegekomen en waar de wind ook omme wit gewinterd had, maakten het kistje bloot en bonden er twee koorden rond.

Het was een akelige stonde. De sneeuw smeet in Romaan zijn gezicht, lijk hij daar van voren stond, dichtebij. Hij ging alles nauwkeurig na en 't zicht van dat houten ding, waar Wiezeken in beloken lag, spijkerde zich met zeerdoend hamergestamp vaste in zijnen geest. Hij hoorde 't hopelooze gesnik van Madeleen, als Wiezeken in 't volle weer verdragen werd en zoo eendelijk wegzakte, diepe, in de eendelijke holte. Hij merkte nog hoe de mannen bedaard en onverschillig te werke gingen....

Daar kwam een groote moeheid over hem en zijne knieën knikten thoope. Hij wist meteen niet meer duidelijk wat er gebeurende was en liet zich door Johannes meeleiden. Hij trutselde, wilde een klaarte krijgen in zijn gedachten en mummelde gestadig:

—Maar ... maar ... sapristi! Zijn we nu allemaal tegare?...

Hij werd opgeheven en zat op een nieuw in het rijtuig. Hij zag Madeleen weer uitbersten in een wee zonder ende en kreeg meteen 't idee dat hij ze troosten moest.

—Toe-de, mijn kind ... ge moet op iets anders peinzen....

Ze waren allemaal bang van hem. Hij zei:

—'t Is hier plezant, zoo te rijden....

Hij klopte op Madeleens schouder en bukte zich om te blikken in haar betraand gezichte. Hij streelde nadien hare handen en peuterde zoetekens over hare vingeren en begon ook te weenen. Hij liet zijn hoofd neerzijgen tegen hare borste en sloot zijne oogen.

Ze geraakten thuis. Ze moesten hem wakker maken en hij keek heel verwilderd toe, zonder begrijpen. Hij ging de trap op en vond in de keuken tante Olympe aan 't jeremieeren met Mariëtte. Mariëtte wilde subiet wegloopen, verlegen omdat ze midden in al deze droefenis betrapt werd. Ameye vroeg dat ze arets blijven zou en ze groette elkendeen minzaam. Het was eene afleiding en de kamers, waar Wiezeken nu voor altijd uit was, en gaapten zoo akelig niet.

Goedele bracht de hoeden en mantels weg en toonde zich uitermate gedienstig. Ze schikte de koffiekommekens, had beste koekskens veerdig, vulde met djente bewegingen de leegte, die tallenkante herkomen wou. En Ameye hielp dapper mee, aldoor de conversatie rechthoudend en de aandacht op allerlei zaken verstrooiend. Mariëtte begreep seffens dat ze ook van hulp zijn kon en haar klaar stemmeken deed ze sierlijk oprinkelen. Ze was alzoo waarachtig een hupsche deerne en hare handen waren zoo klein en zoo blank, en ze vingerde zoo prontelijk ermee, om haar gezegde uit te teekenen. Ze merkte dat uit de hoeken van de kamer allengs de deemsteringe naar voren kroop en ze voelde dat, al duisterend, 't geluchte vol zou geraken met een nieuwe angstigheid.

—Wil ik de lampe aansteken?

Elkendeen keek naar 't venster, waar de dag nog lichtend bezig was. De sneeuw bijsde er onophoudend naar 't westen toe, waarheen de wind zijn joependen asem joeg, en de vlokken kletsten altemets met een klein getjok tegen de ruiten of maakten, precies dansend, een sprongsken en een ronde. Als de lampe brandde, was alles in de kamer beverfd met een warm-gele klaarte, en dan werd de dalende dag buiten een kille blauwigheid. Mariëtte schoof de gordijntjes dichte. De kamer was meteen heel gezellig van de wijde vreemdte afgezonderd.

—Zie-zoo, lachte Mariëtte, nu zitten we lekker.

Ze lachte halvelings, en zij en schond niemands gevoelen met hare lichte pleizierigheid. Ze ging het vuur in de stove opkoteren, zoodat het poefend te zoeven begon. Ze schonk de koffie in en naderhand een druppelken cognac, en ze dwong elkendeen mee te doen en te drinken. Johannes kon ook wonderlijk alle droefenis wegtingelen met 't gevleugel van zijne aardige woorden. Getweeën droegen ze behendig hun moeielijke take, en endelijk scheen alle groot verdriet verdwenen. Madeleen glimlachte en knikte weleens. Romaan bleef sprakeloos, maar effen was zijn witte voorhoofd. Het schartend getik van 't horloge en was niet hoorbaar meer, en tante Olympe deed haar duimen spelenderwijs overeen draaien.

Mariëtte werd dan ten geheele leutig en zette zich aan 't verhalen. Ze had al wat zonderlinge tijdekens beleefd, en in haar memorie had ze alles opgestapeld. Ze vertelde met gemoedelijke geestigheid, en ze wist zoo naïef aaneen te knoopen een historie van hare kanarievogels en een avonture van de lage strate. En, al zei ze bijwijlen een opgelicht zinnetje, ze kon 't allemaal zoo vermakelijk op een blozend lachje doen afloopen, dat zelfs Ameye ook dadelijk onder den peisvollen indruk van hare tooverige bevalligheid geraakte. Hij klopte op Romaans knie en zei:

—Hoort ge?

Romaan was daar met zinnen onderstboven in de war. Door al 't gepraat heen bleef hij onveranderlijk rondstaren en zweeg. Hij had geen gedachten meer. Hij zat thuis. Hij voelde wel dat iets haperde ievers ... ievers ... maar 't vervaagde alginds, verre van hier. Hij zat goed thuis en vóor hem zat Madeleen, en hij zag Goedele en Johannes en de anderen, een warmen kring van roerende lijven. En deugdelijk was hem 't gedruisch. Lijk men soms op steile bergen de endelooze rustigheid der hemelen met rustigheid bewonderen kan en weet dat men niet blikken mag naar onder, waar duizelende diepten het hoofd verdraaien—zoo zat hij en keek naar elkendeen, en dierf niet kijken alginds, ievers waar 't smokkel weerde, verre van hier.... En gedurig voelde hij den vriendelijken stoot van Johannes' elleboog of 't gewrijf van zijn vingeren, zachte.

—Ziet ge?

Hij knikte verlegen en zijn gelaat en bewoog niet.

—Hoort ge?

't Was alweer Mariëtte, die plezant was. Hij knikte. Zijne oogen zochten naar Madeleen, die knikte. Hij dronk een zeupken koffie en proefde dat er geen suiker genoeg in was. Hij roerde genoeglijk met het bel-tjinkelende lepelken....

Binstdien, al meer en meer, omdoezelde een lijze moeheid zijne leden. Zijne handen hingen langs de sporten van zijn stoel arets te wiegen, en lager zonk zijn kinne. Het docht hem dat hij wel danig zwaar zat en dat de leuning hem in zijn rugge bezeerde. De woorden om hem en 't gespeel van de golvende stemmen werden een rumoerend lawaai, waarin hij niets meer herkende. 't Raasde tallenkant en 't kwam wegen op zijne hersens. Hij was plots ganschelijk warm, en de hitte kriebelde in zijn haar en onder zijne oksels.

Hij stond subiet rechte en een blos spatte uit op zijne kaken. Elkendeen zweeg. Zijn tonge lag dikke in zijn mond en hij kon haast niet uitspreken een wenk, die in zijn hoofd bewoog:

—Komt ge? We gaan....

Hij glimlachte oolijk naderhand en mummelde:

—Tante Olympe zal 't bedde niet opgemaakt hebben....

Zijn stap was onvaste en hij drukte gretig Ameye's hand, die naar hem uitgereikt was. 't Ontlastte Goedele, dat hij zoo stille te rusten ging, en ze kustte hevig Madeleen, die ook zeer moe was geworden.

Maar als Madeleen en Romaan weg waren, viel als een gewichte het taterend gedoe. Mariëtte was haastig om deze tafel te ontvluchten en blikte met zichtbare bezorgdheid naar het uur. Johannes en sprak bijkans niet meer en tuurde naar 't geschitter van een lampstraaltje op den bodem van zijn cognacruimer. Hij groette onachtzaam Mariëtte als ze de kamer verliet, en zat nu tusschen leege stoelen naar leege gepeinzen te zien. Tante Olympe zuchtte Juidop.

—Aai-Heere God!

En zoo drijmaal te reke, om de aandacht her op de droeve gebeurtenis te roepen. 't En was niet uit haar hoofd te praten, dat de eerste schuld lag in de onwettelijke betrekkingen en dat God een huwelijk bestrafte, dat Hijzelf niet had mogen inzegenen. Ze had wel geerne daarover gejammerd op een nieuw, om haar emotie deugd te doen.

—Aai-Heere God! mijn kinderen!

Ameye echter en keek niet op, en Goedele was insgelijks in alleenig gemijmer verzonken, zoodat tante Olympe van lieverlede ook zweeg en alzoo haar wimpers voelde dudderen. 't Duurde een ommegang van haar altijd-zelfde gedachten, eer ze haar oude kappe boog en tegen het tafelberd in slaap donkelde.

Een zonderlinge koortse hing in 't geluchte. De wind vlaagde hoorbaar tegen 't raam en piepte altemets in een losse rete. 't Vuur in de stove werkte te hard en een kwalijke hitte schoof in zware asems eromme. 't Was late in den avond geworden, en Goedele dierf niet zeggen:

—'t Is tijd....

Ze voelde 't gestreel van Ameye zijn droomerige stilte en 't aaide haar, 't bedwelmde haar, 't joeg een hijgen in haar borste. Ze wist wel dat zij hier nu niets meer te verrichten had, en wat ze nu deed, zoo luisteren naar een gedacht en lui worden in een kwaden vrede—ze wist dat het niet docht. Ze werd in haar lijf de wellust gewaar van liggen in de zoelte en taken de slapheid van den locht. En ze zei niet:

—'t Is tijd....

Ze probeerde te denken aan moeder.... Moeders gezichte doezelde weg en ze kon geen beeld opvangen, dat stiptelijk moeder was. Haar zinnen roerden in ziekelijke teerheid, rustend bij 't doode Wiezeken, rustend bij Romaan en Madeleen, want dáar was tegenwoordig een rust, waar ze lange stonden in verwijlen wou. Ze luisterde alles af....

Ze verlangde niet dat Johannes spreken zou of dat zijne handen, schoone bij mekaar gebracht over zijne knieën, zouden 't gebaar doen van woorden. Ze verlangde dat de tijd zou stille hangen, en ze toetste Johannes' gepeins. Een ander verlangen en wist ze niet. De toekomst kon ze niet mooier willen, en zij en had geen begeerte die zou worden in mooiere toekomst volbracht. En zoo had ze stilaan geen besef van wat haar te doen stond.

Geen daad kon ze verzinnen, en ze luisterde aldoor naar het doen van Ameye, en ze peinsde niet meer:

—'t Is tijd....

Ze was droeve en vleide zich in zoetige droefenis, en daar was in waarheid precies geen tijd om haar. Ze schoot ineens op, met een pijnlijken ruk, als Madeleen in het deurgat kwam staan, vragende:

—Waar hebt ge 't gezet?

Ze ging seffens naar haar toe en vatte hare handen.

—Wat?

—'t Beddeken, 't kleene....

—Lieve, uwe vingeren zijn klamp en ge loopt kousevoets in den koude. Maak u niet ziek en bezorg u om niets. Laat alles begaan.

—Ja, maar als ik er zoo meteen ievers tegenstruikel....

—Denk niet daaraan.

—Of 't kussen ievers zie, met een konksken te midden in, nog....

—Geef me een zoen en zij rustig. Slaapt Romaan?

—Romaan slaapt.... En waar zijn de fleschkens? En de kleeren ook al?

—Ge doet me pijn, Madeleen.

—Zie ... wees niet kwaad ... ik heb schrik ... ik zie gedurig schimmen hergaan over de gordijnen. Ik weet wel dat het een doening is van de strate. 't Is me algelijk danig bang en ik kan soms niet slikken.

—'t Zal de werking van de koffie zijn.

—Ja, dàt is 't.

Ze zei 't met vastheid en was seffens tevreden dat er zoo simpellijk een uitlegging was voor dat angstig bedrijf in haar hoofd. Ze merkte dan dat tante Olympe heel scheef gezakt was en ganschelijk weggedommeld. Ze had nog een flauwen lach en verdween.

Ameye bleef zitten en Goedele zette zich lijk te voren rechtover hem. Ze voelde nu dat zijne oogen strak op haar gevestigd waren, en ze wendde hare blikken zijlings naar de dresse. De potjes, die daar stonden op planken, met hun witte buiken en krullende ooren en een rozige roze vlak vooraan, bekeek ze met geveinsde aandacht. Een tinnen teele, schoone versierd met een ranke doffe blaren, blonk geweldig uit, en ernevens, in een tasje van oud porselein, dorde een doode palmtuil. De teele droeg ervan de onbeweeglijke schaduw, lijk ze daar door het noesche licht van de lampe opgesmeten werd. Anderszins was de dresse een donkere kasse, want niets en was van achteren te merken. Goedele zag allengs ook wegsmokkelen de potjes en het klaterende tin, en in haar hoofd peuterde alleen de onverdraaglijke last van Ameye's blik. Hij kittelde haar, krabde en puntelde, zoodat het een folteringe werd. Ze duldde de foltering. Ze wist dat, moest ze nu subiet opkijken, ze Ameye's oogen zou zien. Ze wist wat ze zien zou in de oogen. Hij deed haar zeer, hij was ongemanierd en hij was onzedelijk. Maar—moest ze nu subiet opkijken—ze zou geen ongemanierdheid en geen cynische treiteringe zien. Ze voelde 't heel klaar, en opkijken en deed ze niet.

Maar bukte hij zich niet en leunde op de tafel om beter zijn blikken te doen wegen. Ze stond haastig rechte en zei:

—'t Is tijd.

't Klonk eenbarelijk en ze was zelve verwonderd. Ze meende dat ze 't leelijkste woord genomen had en dat ze nu gaan moést. Zijn vrage was een fluistering.

—Tijd?

Zijn stemme, met dat éene woord, omvatte haar in een lauwe fleering en het docht haar dat hijzelf haar tallenkante te gelijk taken kwam. Ze betreurde dat ze gesproken had en betreurde dat hij sprak. Ze had de peis gebroken van eene zinnelijke mijmering en ze vreesde dat, met de beweging van haar lijf, met den gedwongen tert van hare voeten, ze de schoonheid van dezen avond onherroepelijk verdrijven zou. Hij sloot zijne oogen en lispelde:

—Ik meende dat een eeuwigheid was aangebroken....

Het trof haar dat ook hij in 't gewiegel van dezelfde gepeinzen vervoerd was. Ze werd bang. Zou hij verder spreken? Zou hij in een vallend gezegde uit hem gooien wat zij wist dat er droomend gebeurde? Ze werd uitermatelijk bang en hare vingeren schoven bibberend overeen. Ze boog zich algauw over tante Olympe en schudde haar ruw wakker. Het wijveken hief scheef omhooge haar afgemat gezicht en keek verward op.

—Hein?

—'t Is late nacht, zei Goedele. Ik moet naar huis. Ga, bidde, daarbinnen kijken of Madeleen nu rustig is....

Tante Olympe verliet knikkebeenend de kamer, maar 't gesleer van hare voeten was nog merkbaar alover de ruischende planken van den vloer. Ameye rechtte zich langzaam op. Heel simpellijk, alsof hij wel wist dat geen weigering te verwachten was, sprak hij:

—Ik ga mee. Alleene moogt ge over strate niet loopen.

Ze antwoordde koud dat hij zich eigenlijk geen moeite moest geven en gerust daar blijven kon, als hij eerst zóo van plan was. Hij vroeg:

—Wat kan ik hier doen? Elkendeen slaapt en gij zijt weg....

Tante Olympe kwam op hare teenen her binnen, teeken doende dat alles rustig was, en Goedele werd buiten reden haastig. Haar hoed, binstdat ze hem opzette, beefde in hare handen en een ongemeene gichtigheid kriebelde achter hare ooren. Onder 't licht van de lampe schitterde, uiterst beweeglijk, de diamant van haren ring. Ze was seffens veerdig en smeet zonder hulpe haar mantel over hare schouders. Ze voelde nog een beetje vochtigheid in de pelsenkrage, die killig haren nekke taakte. Die plotselinge frischheid deed haar deugd, en ze trok met meer bedaardheid hare handschoenen aan. Als ze endelijk ommekeek, stond daar Ameye alreeds te wachten.

—Kunnen we gaan, juffrouw?

—Ja, mijnheer.

Ze deed haar best om hard te zijn of onverschillig. Ze groette tante Olympe met overdreven vriendelijkheid, om goed 't verschil duidelijk te maken.

—Slaap zachte!

Ze vestigde hare aandacht op de lampe, die aan 't uitvonken was, en tante Olympe, ten halve slaperig, knikte dat ze alles wel zou in orde brengen, al lachend groetend:

—Tot morgen?

—Tot morgen.

Het licht, dat in vierkante vlekken op de trappen spetterde, vernauwde subiet, en de deur klonk dichte.

Ze geraakten op strate. 't En sneeuwde niet meer, maar allerwege reikte de blanke vlakte, rijzekens gebroken door 't somber geschemer der gevels. Geen mensch roerde daarin. Een benauwde stilte heerschte hier en 't was alsof 't nooit anders was geweest en 't nooit anders zou worden. Altemets roefelde van boven een wijde wind benedenwaarts, scharrelde hoorbaar langs de daken, in de goten, huilde ievers in een toevallige-holte of joeg vrij door, meester over de stede. Het licht dat van de lanterens openviel, rondde een gele verve plat op de witheid van den winter, en, als 't gewaai aan 't rotelen was, waggelde de vlamme en roerden op den grond de schaduwstrepen en de klaarten. Andermaal was alles stille en men hoorde heel verre 't geronk van de hooge stad, den galm van haar late pleizieren.

Een tijdeken bleven Goedele en Ameye op den drempel staan. 't Schoot haar plots te binnen dat Justa misschien op den loer was gezet, en ze staarde links en rechts den nacht door. Ze zei, opdat hij ook zou rondblikken:

—Geen ziele op weg....

Hij blikte rond.

—Geen ziele....

Ze hadden allebei terzelfdertijd 't gevoel van deze vreeslijke alleenigheid, en hun voet schoof schuchter door de krakende sneeuw. In zijstraten en bewoog insgelijks geen levend bedrijf van menschen, en 't was alsof ze doolden in een doode stad, zoo tertende naast mekaar op zinkenden grond, waar nievers het speur van stappen was achtergebleven. Tusschen de spleetjes van onvaste blaffeturen straalde altemets een geutje licht, en binnen een huis dreunde bij stonden de slag van een pompe of 't getjok van een ijverige naaimachine. Het tijdelijke lawaai stierf gauw uit en lijk te voren herkwam de almachtige stilte langs de effenheid van gansch de blanke vlakte. De drempels lagen bedolven en een hooge zulle kon halvelings nog opduiken vóor de woonste van rijke lui.

In een ommedraai van den weg merkten ze de sombere gestalte van een politieagent. Verder alweer reikte de onbezochte straat, geruchteloos. En ze gingen, neerwaarts blikkend, luisterend naar eigen beweeg. Ze spraken niet en ze waren gedurig veerdig om te spreken. Ameye wilde met geen dwaas gepraat beginnen en zocht het sterke woord, waarmee hij beginnen moest. Een vredige zekerheid was in hem rijp geworden en zijn besluit lag klaar in zijne gedachten. 't Ware nu dom geweest, indien hij met gewone zinnetjes te converseeren ging. Hij liet eerst de stilte hare diepe werking doen....

In ongedurige verwachting stapte Goedele nevens hem. Ze taakte soms zijn elleboog, als haar voet zijlings uitsleerde, en zoo rilde een zonderlinge wrevel langs haren rugge op. Al meer koortse verwarde hare zinnen en ze beet somtewijlen toornig op hare tanden, vernederd in eigen onverdraagzaamheid. Ook de eenvormige klein-geruchten, 't piepen van de sneeuw onder haren schoen, 't geruisch van hare rokken en een kleine wrijving van haar pelsenkrage, saam met haar blazenden asem, joeg ten uiterste haar lastig ongeduld. Bij 't inslaan van een nauwe stege, werd ze gewaar dat ze de baan te buiten waren en misliepen. En toch, al wilde ze haastig zijn en zich haar ongeduur tot rap doordrillen opdringen, ze zweeg.

De schaduw, die van de daken viel, was dichter hier en nauwer lagen de drempels tegenovereen. Daar was ievers nog een kroegje ruchtig, maar wijder uit donkerde alles weg in ganschelijke eenzaamheid. Het begon te sneeuwen....

Ameye rok zijn regenscherm open en schoof dichte aan naast Goedele.

—Leun op mijnen arm, zei hij.

Hij sprak heel lage, gewichtig en daardoor was zijn nadering, in Goedele's hoofd, een diepzinnige gebeurtenis. Haar ongeduld zakte thoope en ze voelde een groote aandoening over haar komen. Aarzelend hief ze hare hand op en rustte op zijnen arm. Ze kon niet doorwegen erop. Een zonderling gevoel deed hare vingeren tingelen, zoodat de tast van zijn lijf ze opwippen deed overhand. Hij fluisterde:

—Nu hebbe 'k een wonderbaar geneuchte....

Ze meende dat ze te wege was weg te zinken, en het docht haar meteen dat de eerde roerde en een holte groef onder haar. Elk woord, dat hij uitgesproken had, brandde en daverde in hare hersens en haar hoofd zelve werd een holle kasse, waar ze met ongemeen geweld ommeroefelden. Wat had hij gezeid? 't Ruischte als een schrikkelijke golving:

—Een wonderbaar geneuchte....

Ze spande al hare krachten in om sterk te blijven en klampte zich vaste aan andere gedachten. Ze wilde denken aan Romaan, en denken aan Madeleen, en hare emotie in tranen uitgieten alover 't graf van Wiezeken. Ze maakte vluggelings beelden van wanhoop, om iets dat opjoepte in haar herte neer te duwen. Ze dwong hare gepeinzen tot weemoed en richtte ze alginder, waar 't ongeluk was binnengeslopen en waar ze gansch den dag had kunnen weenen. Ze vroeg zich af:

—Schiet Romaan nu niet wakker en hoort hij niet 't geloei van den eendelijken wind?

Ze kon geen angstigheid leggen in haar borste. Ze vroeg zich af:

—Loopt Madeleen nu niet dolend rond, in waanzin zoekend naar ... naar....

Maar ze stiet seffens aan tegen de struischte van 't eenbarelijk geluid:

—Een wonderbaar geneuchte....

Het klokte zonder ende, en klapperde hare leden door, en 't galmde in trillingen weg om haastig weer op te lawaaien, éen krachtig gedruisch. Ze meende dat ze niet meer te kampen vermocht.... Dan zag ze in toevallige gepeinzen 't moedeloos gezichte van Sebastiaan en ze moest blijven staan, plots ongemakkelijk wordend. Ze voelde nadien dichtebij den buigenden blik van Ameye en stapte verder, gedreven door koortsige hardnekkigheid. Een oogenblik kon ze nagaan Sebastiaan's bleeke wezen en luie vingeren. Ze had geerne een geweldige wroeging willen krijgen, een bijtend folteren van al haar vleesch, een schok in haar herte om neer te zinken, onmachtig.... Het bleeke wezen vervaagde, teerde uit zonder oogenverwijt; en sterker herstraalde tallenkant, triomfelijk, het lokkig gezegde:

—Een wonderbaar ... een wonderbaar....

Ze voelde dat hij zijn stap vertraagde, en dat zijn arm lager zeeg en achterwaarts zich rondde. Ze voelde zijne hand sleeren langs haren rug en haar omvatten in haar leen. Toen merkte ze hoe dikke de sneeuw al zwijgend omlage streek, en zag ze den witten schijn van zijn gelaat uit den nacht opklaren en bukken over haar voorhoofd. Ze schrok subiet. Ze neep hare oogen toe en kon niet verder terten. Zijn warme asem kittelde alreeds op hare slapen. Ze neeg op zij en zakte zonder willen tegen zijne borste. Ze hoorde heel zachte:

—Goedele ... Goedele....

Op haren mond brandde nu de wilde hitte van zijne lippen, en haar mond werd wild heet.


Back to IndexNext