Het was alles alzoo door de ziekelijke demoralisatie van de omstandigheden gekomen, maar Goedele was daarvan niet bewust. Ze leefde nu daarin, met onzeglijke drift opasemend het koortsige geluchte, en ze wist niet dat er een andere weelde der zinnen kon zijn. Alles had ook meegeholpen in 't kwade bedrijf—haar opgroei tusschen de muren van 't massieve, leege huis, haar omgang met het onecht gedoe van moeder en Sebastiaan, de nabijheid van Romaan's ongeluk en Wiezekens dood.
Ze klampte zich nu vast aan 't morbiede lijfgenot, niet meer vattende dat een dieper ziel el even haar aandeel kon zijn. Als ze late in den morgen hare oogen openstak en de dag zag uiteenkletsen tegen de witte zoldering van hare slaapkamer, voelde ze zich breed en struisch geworden in de lichtende vrijheid van een nieuw bestaan, wonderlijk en ongeraden. Al zag ze eerst niet heel klaar in wat er gebeurd was, al vervaagde alle detailleering in een grijze doezeling, die ganschelijk de vreemde zekerheid van hare gedachten uitmaakte, het was heur àl zonnig, wat optikkelde in hare hersens. Het zonderling gevoel, dat haar in een gestadige duizeling bracht, was wel rijzekens omrild met de siddering van lastige angstigheid, en ze moest soms hare vingeren op haar voorhoofd leggen om er de subiete hitte te koelen. Ze vroeg zich niet met bangheid af:
—Wat heb ik nu gedaan?
Ze was om de nieuwheid van haar voelen bang, en wat ze gedaan had, was goed, was zoete. Ze was niet bij machte om uit de verveling van haar verleden nu een spijt op te rakelen. Ze redeneerde bovendien niet. Ze proefde langzaam hare versche emoties, en ze was zoo verre van de overige doening verwijderd, dat ze de mogelijkheid van een anderen toestand niet taken kon.
Als ze zich aankleedde, bleef ze vóor den spiegel een lange stonde de malsche sierlijkheid van haren blooten hals en de ronde blankheid van hare armen bewonderen. Het scheen haar dat ze in, der waarheid schoon was, en een zondige fierheid lei zinnelijke stralen in hare oogen.
Het schoot dan als een schicht door haar memorie dat ze Johannes vandaag nog een bijeenkomst beloofd had. Ze had het niet vergeten, maar nu, binstdat ze haar naakte vleesch met het smeulende vuur van passie verheerlijkte, kwam het haar brutaal-klaar te voorschijn....
Een aarzeling haperde in hare gepeinzen en een wijlken verwarde hare aandoening. Dat ze gaan zou bij hem, en dus een leven beginnen waar ze schoon-handelend in optreden zou, ze wist het. Maar ze schrikte, omdat het oogenblik zoo dichte bij in de toekomst stond—'t was alsof het aanzienlijke bedrijf nu reeds hare leden kwam raken. Ze dierf niet denken aan wat er precies gebeuren zou; seffens roerden hare ideeën thoope en ze was tewege weg te zinken in een bedwelmende zoetigheid.
Ze herpakte haarzelve. Haar boezem klopte geweldig en een blauwe ader lijnde teer uit op hare slapen. Ze stamelde:
—Vandage niet—vandage niet....
Hij moest wachten, hij mocht niet verlangen dat ze zich ten geheele subiet overgaf, en ze wilde niet dat hij zoo gauw hare zwakheid zou kennen. Eene vrouwelijke oolijkheid schuilde onder de uiterlijke sterkte van haar besluit.
—Vandage niet!
Eerst zou ze een ganschen dag 't genot herleven van den vorigen avond, elke kleine gebeurtenis heropschudden in hare herinnering, en weer genieten de eerste handeling van die zonderlinge liefde, die niet zonde heette, omdat ze liefde was. Op een nieuw zou ze de eenzaamheid van de nachtelijke strate voelen, den zwijgenden val van wiegewije sneeuwgevlok, de warmte naast haar zijde van zijn arm, van zijn krachtig lijf, en 't buigen van zijn zoenzware lippen....
De uchtend was schoon: de wolkenlage rolde uiteen en langs een bleekblauwen hemel zilverde een liefelijk zonnegestraal. Op de ruiten spikkelde daardoor een menig sterrenspel van witte vonkjes en Goedele keek met pleizier ernaar, een zelfde leute voelend in haar herte.
Zoo tort ze de trap af, alles beminnelijk vindend wat ze ontmoette op haar weg. Seppie stond bij een deure zijn koppeken op te heffen en te kwispelen zeer gevoegelijk met zijn kodde.
—Dag, Seppie!
Vader zat in de eetkamer aan 't dubben over nieuwe uitvindingen en het scheen haar dat hij zoo'n mooi-zoete hoofd had, zoo lijze haarkrullekens om zijne ooren en zoo kinderlijke blikken. Ze was hem nu sterk genegen en ze knikte hem toe. Hij glimlachte tegen.
Moeder rustte in haren zetel, bij 't stille gekraak van den heerd. Ze draaide seffens haar wezen omme naar Goedele en een angstige nieuwsgierigheid bibberde in hare oogen. Ze vroeg dadelijk:
—Hoe is 't met Romaan?
Goedele zei, met een vreemde verwondering:
—Romaan?
Ze had zelve nog niet aan Romaan gedacht en ze was nu heel verschrikt, omdat de gansche gebeurtenis—de droefheid in gindsch gefolterd huisgezin, de mee-uitgesnikte droefheid—zoo verre achterwaarts gelegen was. De dag van gisteren was met leven gevuld en 't schoot haar pijnelijk door de hersens dat Wiezeken dood was, dat Wiezeken begraven was, dat men nog om Wiezeken weende. Ze legde moeielijk uit, geweld doende om natuurlijke woorden te vinden:
—Goed ... hij is struisch gebleven ... hij maakt zich nu een reden ... hij is in slaap gevallen ... vermoeid....
—Hoe late was 't als ge hem verlaten hebt?
Goedele voelde meteen de doordringende hardheid van moeders blik en ze bloosde in zwijgende verontweerdiging. Ze keerde zich naar vader, en boog over hem, en kuste zijn peiselijk voorhoofd. Ze ging naderhand onverschillig neerzitten aan tafel en schoof een kommeken vóor zich en schonk koffie. Vader reikte haar den suikerpot over.
Ursule sprak:
—Het was na twaalven als ge thuis zijt gekomen.
Goedele antwoordde met licht humeur dat het wel kon, dat zij 't geloofde, dat zij 't zich niet meer herinnerde. Ze wist nu zeker dat Justa op den loer was uitgegaan, en het krenkte haar diep. Ze vroeg met een klein lachje:
—Heeft Justa mij op de bane niet ontmoet?
Ameye had haar langs omwegen naar huis gebracht en ze giechelde spottend bij de gedachte dat ze aldus Justa ontloopen was. Ursule zei niets meer en tuurde naar 't vuur.
Met den klank van moeders stem en de bijtende scherpheid van hare woorden, was de koude vreemdte van dees huis her op Goedele's schouders gezonken. Ze voelde alweer den wijden afstand van de hier-wonende menschen en de schrikkelijke nauwte van het hier-kwijnende leven. Een versche opstand woelde in haar en ze wilde zich wreken met algauw weg te rukken van hier. Ze zou Johannes niet doen wachten....
Omtrent den avond, als langs de muren der straten de eerste donkerte kroop, vertrok ze. Een hijgende jacht klopte met joepen en bonzen in hare leden en ze drilde gichtig door. Ze werd den wind niet gewaar, die nu heel bitsig ommevlaagde, aan hoeken van hooge huizen een wilde wirreling dansend, die plat hare rokken tegen hare beenen sloeg.
Ze beluisterde ievers 't geklep van 't uur, dat van een prochietoren neerwaarts rinkelde, altemets weggevlegeld door 't hevige gewaai. Ze geraakte in onbekende wijken. Ze moest bijtijden aan een politieman vragen, waar ze den weg inslaan zou, en dan keek dat roode mansgezichte bedaard op naar heur, zonderling doende. Ze hoorde maar rijzekens wat hij zei, en drevelde voort, en had straks weeral alles vergeten. Ze vreesde bijkans dat ze te late zou aankomen en dat Johannes, moe-gewacht, niet meer ter plaatse zijn kon. Ze vroeg dan haastig:
—Is 't nog verre?
Een ander rood gezichte blikte in haar wezen en maakte haar met langzame uitleggingen wrevelig.
—Nee-ë, als ge doorstapt, juffrouw, en geen omwegen begint....
Ze liep verder eer 't laatste woord tot haar geraakte.
Al dichter zeeg de donkerte. Een klein oud manneken stak met een perse de lanteernbekken aan en elk licht werd subiet een waggelend leven, opwippend in den avond, die daardoor precies doezeliger spookte. De klaarten vielen in de liggende vlakjes gesmolten sneeuw en trilden er een oogenblik, naarmate Goedele huppelend voorbijtort.
Ze stapte endelijk trager. Ze gebaarde dat ze hier heel onverschillig aankwam en verjoeg op haar gelaat de spanning, die haar wenkbrauwen fronste. Ze had Ameye gezien.
Maar in haar binnenste schokte eene geweldige benauwdheid, en ze wist niet met welk gezegde ze hem begroeten zou. Zou ze schijnbaar verwonderd naar hem opkijken en haar woorden kiezen naar den klank van zijn woord?
Ze blikte zijwaarts. Ze voelde dat hij haar herkend had en rap op haar afkwam.
—Goedele!
Het was haar een onzeglijk geneuchte en over gansch haar lijf kwam zijn stemme streelen met de zoete galming van haren naam. Ze wendde zich omme naar hem, verlegen, blozend, en ze schoof hare hand uit haar pelsen mofje, hem reikende in ganschelijke overwinning hare witte vingeren.
Ze taakte dan den warmen toets van zijn lijf en ging moe hangen aan zijnen arm. Het docht haar dat de voorbijgaande menschen haar aankeken. Het docht haar dat elkendeen beloerde hare overgroote aandoening en dat haar herte openlag, bloot vóor elkendeen's oogen. Ze dacht verder aan niets meer dat achterzijds volbracht was in 't verleden, en alles werd een helle nieuwigheid. Ze vroeg, ontroerd:
—Waar gaan we?
Ze kon niet verzinnen entwat dat nog verscholen lag, halvelings te raden, in de toekomst. Ze leefde ten volle en eeniglijk midden in haar huidig geluk.
En hij wist zoo wonderbaar te vertellen van nietigheden, die altegare met blij gefluister omrankten deze heilzame stonde. Hij lachte en tooverde een prettig gewiegel van luttele beeldekens in hare hersens. Ze zag de beeldekens wiegelen en lachte mee. Nu was er geen tastbare tijd meer en niets van wat den samengang van hun bestaan uitmaakte, scheen haar vergankelijk te zijn. Overal was licht het gewone gerucht van de stad en haar hoofd was vol zacht-ruischende geluiden. Ze blikte altemets op in zijn gelaat en ze vond hem schoon als de zonne. Dan waren hare oogen met gulden licht beladen en 't gedoe van de loopende menschen was haar een dooreenvarende vaagheid. Hij vroeg:
—Zijt ge moe?
Het was zoo zoete dat hij een minste trilling van haar handen opmerkte en zich dan dadelijk om de oorzake bekommerde. Ze glimlachte even, omdat haar zijn vrage heel gek in de zinnen klonk en ze was zeker dat ze, lijk nu, gaan zou mijlen en mijlen te reke zonder moeheid, zonder den last van haar lijf gewaar te worden. En nooit zou zijn liefderijke stemme hare aandacht verzadigen en een wreveling worden in hare ooren. Hij zei:
—Uwe vingeren zijn warm....
Aardig dat hij zoo innig om haar bezorgd was en haar minste gewaarwording omstreelde met de aaiing van zijne stemme. Ze voelde echter niets meer—noch 't slaan van hare voeten tegen de steenen, noch 't woelig gewentel van den wind, lijk hij somtemets met vervaarlijk geweld omzwirrelde, al pletsend op de vlakke muren zijn matelooze jacht.
Ze gingen ook een tijdeken zonder spreken, en dan was 't alsof hunne gepeinzen, hooge boven het zot lawaai der strate, ievers in buitenzinnelijke vredigheid tegare kwamen, éen-wordend en bij parende rijen rondbijzend als een vlucht van gekoppelde tortelduiven. Ze zouden zoo zwijgend geerne gebleven zijn, maar dan merkten ze algauw dat ze onbetamelijk deden, en ze schuilden onder een pluimlichte conversatie hunne diepe zaligheid.
In 't voorbijgaan viel om hen een subiete vlage van orkestgeluiden met, uit groote ruiten en breede deuren, 't geklater van sterk-stralend licht. Hij lispelde, haar zijwaarts meetrekkend:
—Willen we hier eens binnen?
Ze knikte. Het was haar alles eender, als 't maar een gezamenlijke doening was. Ze wipte nu de marmeren trapzuilen over en geraakte in de groote drinkzaal. 't Was haar een vlugge duizeling, de storting van al de withelle klaarte en, rekewijs langs 't verblindend geflikker van blanke tafelborden en ster-vonkend glasgerief, de sombere krioeling van menschen. Het docht haar, naarmate ze doortort zoekend daar binst naar een plaatse, dat al deze gezichten overhand opkeken naar heur en ze ried, in een zijblik, de blankheid van hun wendende voorhoofden. Ze voelde zich dan opgroeien, groot en struisch als ze was, grooter nog, en fier-schoone in hare grootheid.
Als ze neerzat, verwarde meer en meer, in traag bedrijf, een gestadige bedwelming hare opgejaagde zinnen. Ze taterde. Ze voldeed met dol gepraat haar lastig ongeduur, en ze staarde gedurig vlak in Johannes zijn gelaat, er lavend de gulzigheid van hare gretige blikken.
De muziek vervulde onderwijl met diverse golving van tonen het razende geluchte. Goedele liet zich wegdrijven erlangs. Nooit was ze zoo dronken geweest van vage geneuchten, die ze haast werkelijk taken kon, al smeulden ze nog, met onzeker vuur, daar vóor haar, heel dichte, in de toekomst. Hij zei:
—Drink eens.
—Ik spreek liever. Luistert ge niet?
—Laat uwe lippen koelen.
Ze liet haren mond raken den ijskouden drank, en rilde bij de kilte, haar gansche lijf door. Hij merkte dat ze rijzekens schrok, en bood haar lauwer water en 't suikerbordje. Ze zei:
—Ik wou wel koffie.
—Koffie moogt ge niet hebben.
Ze lachte koortsig:
—Wat belieft?
Hij bestelde melk, en ze vond naderhand dat melk te heet en te dikke was. Ze bloosde endelijk en boog zich al zuchtend:
—Och! ik weet niet—ik heb geen smaak ... ge moogt mij zoo scherp niet aankijken.
Hij schaterde met geveinsde leute, en ze maakte even een pruilend moezeken, zich ten halve kantewaarts wendend:
—Ik zal u niets meer vragen.
—Doe dat.
Ze moest dan meelachen.
Als ze weer met hem op strate was, en plots het wiegelend orkestgedruisch wegroezelde achter haar, stond ze lijk dronken in den kouden avond. Ze drukte Ameye's arm en probeerde haar stappen te passen op de mate van zijn tragen gang. Ze boog haar hoofd en keek naar de tjoppen van hare schoenen, die overhand van onder haren mantel te voorschijn kwamen om seffens weg te duiken op een nieuw. Ameye brak schuchter de stilte, die neergeraakt was over hen:
—Willen we naar 'n schouwburg?
Ze beweerde dat ze niet aangekleed was daarvoor en liet een nieuwe stilte heerschen. Ze voelde dat hij zocht om samen alleen met haar te zitten en ze verwachtte met eene angstige aandoening wat hij nog voorstellen zou. Ze had er niet aan gedacht dat de avond zoo in trippelgang niet afloopen kón. Ze was niet bang voor hem. Ze wist dat hij hier de woorden niet vermocht te zeggen, welke hij zeggen moest. En hoe zou zijzelve ze hier aanhooren?
—Willen we ... hebt ge geen trek in iets? was zijn verlegen vrage.
Ze wist niet hoe hem te helpen. Ze zei dat alles haar goed was en dat hij zich maar niet moest lastig maken. Ze staarde in zijne oogen en fluisterde:
—Ik ben gelukkig!
Dan was 't weer een wandelen, straat in, straat uit, zonder ende. Johannes had niet meer dezelfde zwierigheid in het gesprek en zijne gedachten, gestadig in spanning, volgden moeielijk de woorden van Goedele. Hij vroeg dan meteen, heel rap, alsof hij in een geute al zijn moed daar neersmeet met éen gezegde:
—We gaan soupeeren....
Hij voelde dat hare hand een tijdeken op zijn arm bibberde, en hoorde dat ze precies struikelde. Ze kon niet goed een klank uit haar kele stooten en ze hief zijwaarts hare oogen naar hem. Hij las een groot vertrouwen in hare strakke blikken, een vertrouwen, dat alle aanvallen tarten kon.... Ze zei:
—'t Is me eender ... als ge wilt....
Ze zei 't ultermatelijk stille, en het was te merken dat haar antwoord haperde over hare tong. Hij voelde dat ze zich overgaf en dat haar aarzelende bede was: wees zachte, en doe niet hard, en krenk me niet....
Hij stapte rapper door en 't jubelde al in hem, wat zingend opgalmde uit zijn herte. Vóor 't portaal van eene groote restauratie bukte hij zich en lachte:
—Hier?
Ze had, starende in een zonderling gemijmer, een droeven lach. Ze knikte en bracht dieper over haar aangezicht de licht-bruine vool, die om haren hoed was vastgestrikt.
Hij duwde de witte deur open, die naar de eenzame salons leidde en bracht haar in een mooi versierd kabinet binnen, kleurig verlicht met elektrische bloemlampen. Hij was opgeruimd en sprak met ingetogen haastigheid. Hij vond dat ze zoo onpleizierig was.
—Nu geen leute bederven, hoor!
Hij nam haar mofje en hielp haar mantel uittrekken, en gaf alles rap over aan een kelner, die zwijgend in het deurgat kwam staan. Ze zette zich neer en zuchtte. Ze zag haar eigen gelaat rechtover zich in een spiegel en had een vlugge gebaar om even nog een haarkrulle weg te strijken, die buiten plaatse geraakt was.
Johannes bestelde het eten, alles koud om alles in eens te kunnen krijgen en binstdat de geluidlooze lijven der kelners in druk bedrijf om de tafel werkzaam waren, verhaalde hij met kinderlijke gretigheid aardige avonturen.
Goedele kwam al dadelijk onder den invloed van zijn driftig praten en kon hem endelijk met juichende blijheid antwoorden. Het kwam haar voor dat ze droomde, dat alles fluks weer neerstorten zou in dagelijksche werkelijkheid. Hoe was alles ontstaan? Ze wist niets meer. 't Was te rap gebeurd. Ze voelde Johannes dichtebij haar en al wat hier in verven en tonen aanwezig was, kwam heel zoete haar leden omstreden.
De deure werd dichtegedraaid. Ze waren nu alleen. Ze hoorden den gang der kelners geleidelijk wegstappen op de doffe tapijten en teenemaal uitsterven, langs dalende trappen. Johannes bracht haar bij de tafel, en 't was alsof hij in waarheid niet merken wou de eenzaamheid van die muren, de beloken geluidloosheid van deze deur.... Het klepperde in hare hersens:
—We zijn alleene....
Maar Johannes werd schijnbaar niets gewaar, en zette zich rechtover haar en was dadelijk bezig met snijden en deelen en schinken. Goedele hoorde, midden in de zangerige doening van zijne stem, 't gerinkel der teere roemers en de harde klabettering van vorken en messen op gladde tellooren. 't Verwarde allemaal schielijk ondereen en haar hoofd was vol van 't eenvormig gedruisch;
—Alleene ... alleene....
Ze keek bedwelmd op. Ze nam zonder weten aldoor aan, wat hij haar overreikte en ze lachte lijze mee als hij schaterend te lachen begon. Somtemets schoten heete walmen naar heure slapen en dan doopte ze hare lippen in de deugddoende frischheid van den wijn. Ze verwonderde zich dat Johannes zoo zorgelijk zich bezighield met het luttele bedrijf van het eten, dat hij al den ijver van zijne vingeren daaromtrent in gulzige werking bracht, en dat hij daar zat, vóor haar, aan 't spinnen een aardige webbe van kleine vertellingen, zonder aandacht precies voor hare aanwezigheid, zonder herinnering precies aan hunne verleden verwachtingen....
En 't ging alweer hamerend op in haar vleesch, stijgend in dreunende slagen, tot hare gedachten maar éen gedacht meer vormden, een gedacht van zonderlinge angst:
—Alleene....
Hij hief zijn glas op en 't licht bibberde veranderlijk in den roerenden drank. Hij sprak van levenslust en kommerlooze leute, en over zijn wezen kwam een stil-lachend pleizier, een natten gloed leggend in zijn diep-zwarte oogen. Ze taakte 't groote geneuchte, dat hij met woorden boven de tafel leven deed, en ze duizelde bij stonden, geen uitweg meer wetend voor 't overweldigend geluk, dat opgloeide in haar. En haar glas reikte ze naar 't zijne uit....
Al meer vervaagde stilaan het zicht der dingen. Een trossel druiven praalde, purper-schijnend, midden tusschen de blankheid van porseleinen schalen. Ze zag niets anders meer ommedom. 't Overige gekleur fonkelde uit in schemerende lichtvlakten, altemets gestriemd met vluchtige strepen. Johannes was opgestaan....
Ze voelde nu zijn warme nabijheid. Ze voelde zijn arm, die om haar leen kwam fleeren en haar dichter aansloot tegen hem. En zijn asem kittelde over haar gezichte.
—Melieve....
Haar emotie sloeg in forsche klopping door hare leden. Zijn stemme brandde en smeet in laaie golving om haar. Hij fluisterde met hijgende gichtigheid:
—Laat me u voelen ... zoo dichtbij ... tasten uw werkelijk lijf en den blik, die optoovert uit uwe oogen. Zóo zijn we in sterke zaligheid te gare—te gare, lijk het zijn moest naar de wetten van ons beider lot. Weet ge ooit hoe diep ik u lieve!
Zijn mond toetste bijkans haren mond en zijn woorden stieten aan tegen hare lippen. Hij lispelde, begeesterd:
—Kijk òp—kijk òp ... en dring in mij.... Weet ge ooit hoe ganschelijk mijn leven is vastgeketend aan uw leven! Kijk òp.... De toekomst is me een blijde straling geworden.
Hij sprak van de toekomst. Hij kuste haar op haar voorhoofd en in heur haar. Hij sprak van de toekomst, vervoerd, verrukt, en lang beeldde hij 't haar vóor, hoe ze saam, buiten aller wete, jaloersch voor eigen geluk, hun genot in een klein huizeken zouden bergen, hoe ze daar trage avonden zouden slijten, aldoor in 't gulden wonder van hun liefde. Hij verzinde een sierlijke detailleering daaromme, zoodat 't opstraalde in menig geflikker, vlammekens alhier en alginder—altegare een groot minnevuur. Hij joeg zijn woorden achter mekaar en zoende haar driftig en aaide hare vingeren, vragend:
—Wilt ge?... wilt ge?
Ze stamelde, heel week wordend:
—Ik ... wil....
Hare borste golfde geweldig, hare wimpers waren heet en zij voelde de tranen niet, die stille over hare wangen rolden. Ze snikte endelijk en vatte in plotselijke drift zijn hoofd in hare handen en drukte 't met ongemeene kracht tegen haren zwellenden boezem. Ze hakkelde:
—Ja ... ja ... ik wil ... ik zie u zóo ... machtig geerne ... u ... u....
Hare natte lippen sleerden, lang-zoenend over zijnen hals.
Het was alzoo een stonde van overmatige aandoening en al wat rond haar bestond, al wat ze nog in beweeglijke grijsheid herkende, de witte spetsing van roemers en teelen, de purpere gloeiing van druiven, het tinteleerende gesternte van bloemlampen—al wat ze zonder aandacht nog opnam in haren geest, 't vloeide uiteen, 't verwijderde zich en 't roerde een ende ginder, heinde en verre.
Ze was hier met Johannes, en niets leefde buiten 't leven, dat ze met Johannes uitasemde. De wereld lag in de wijdte, waar ze niets meer raken kon, waar ze met een stoot van heur herte de wereld verdreven had. En ze groeide op ten hemel, in bovenzinnelijke verrukking....
Met hem ... met Johannes ... eeniglijk....
Alleene.
Binst de dagen, die volgden, was de droom, die Goedele zich, buiten de tastbare werkelijkheid, omtrent al 't gebeurde had voorgesteld, tot eene zonderlinge, onbewuste werkelijkheid opgewassen. 't En was geen droom meer. Ze had het nieuwe sterke leven met het vorige en nog thuis-wezende leven vereend, en altezamen was 't een dooreenwarrelend bestaan geworden, waar boven klaterde de harde drift van hare liefde.
De nabijheid van moeder en de nuchtere vrijagie van Sebastiaan werden haar onverschillig en ze beleed den last ervan met effene verdraagzaamheid.
Hare eenige aandacht lag in 't verbergen van haar geheim bedrijf, en ze wist met doorslepen oolijkheid de slimme beloeringen van Justa te verweren.
Twee- en drijmaal te weke bracht ze een haastig bezoek bij Romaan en liep dan, langs veranderlijke omwegen, de stad omme, endelijk in een verlaten wijk een laag huizeken binnensluipend.... Niemand mocht vermoeden dat ze hier kwam, en ze nam dan ook alle voorzorgen om te beletten dat iemand 't vermoeden kon. Daar Ursule niemand bij Romaan zenden kon, geraakte zij deze vreemde doening niet te wete. Ze deed overigens maar af en toe hare dochter achtervolgen, en daar Justa haar iedermaal zeggen kwam dat Goedele bij haar broer binnen was, had zij geen verdere verdenkingen. Omdat Goedele ook thuis tot redelijke handeling scheen teruggekeerd en nu teenemaal met Sebastiaan verzoend bleek, had ze geen onrustigheid meer. Haar rheumatiek beterde er schijnbaar door, en ze kon al ommentweer wandelen en tallenkant inspectie doen.
Goedele had in hare oogen een goed gedrag. Alleen deed ze nu meer aan toilet en had over haar een overdreven prontigheid. Maar in het idee van Ursule, was 't allemaal om Sebastiaan te behagen, en zoo waren 't, peinsde ze, goed-besteedde onkosten, die later wel dikken intrest zouden afwerpen.
Goedele bekommerde zich om niets en liet alles gedwee gebeuren wat in huis de gewone gang der dingen was. Altemets had ze een vlugge zwakheid, meerendeels veroorzaakt door 't zachte blikken van Sebastiaan of 't tijdelijk zuchten van Bella. Als ze echter alleen op strate kwam en 't groote gewoel der stad hoorde, was alles weer vergeten, en vuurde slechts nog in haar ziele 't verlangen om geweldig te leven. Het bezoekje bij Romaan was haar insgelijks een koortsaansporing: ze voelde er 't ongezond bestaan van hare liefde, midden in 't weevolle geluchte, en ze asemde er algauw 't bedwelmende gift, dat haar tot kwalijk zinnenbedrijf uitermate stemde. En Romaan bovendien bracht een gestadige duizeling in haar hoofd met de listige argumentatie van zijn vrije theorieën. Binstdat tante Olympe stilaan wegkwijnde en kermde dat hij nu toch met Madeleen trouwen zou, kwam hij dan met zijn hoogdravende levensopvattingen te voorschijn, en Goedele voelde dat alles weer goed was. In hare hersens wapperden de driftige woorden:
—Leven!... Leven!... Vrije leven en vrije liefde!...
En ze leefde aldus, en 't deed haar deugd dat ze 't onder Romaan's invloed zoo schoone merkte. Ze was vrij. Geen banden knelden haar, geen wil van moeder bezeerde haar, geen muren van 't vierkante huis alginds wogen op haar. Ze was vrij levend en hare liefde, die sterkelijk uit eigen zinlijke emotie en eigen gepeinzen was opgerezen, hare liefde was vrij....
Met nieuwe gretigheid liep ze dan naar het huizeken, waar Johannes op haar wachtte of waar zij op Johannes wachten zou.
Het stond in een nauw en stil straatje, en ze kon 't goed bereiken zonder belonkt te worden. 't Was een laag ouderwetsch gedoe met éen verdiep en een trap vóór de deure. Johannes had het binnenwaarts met kunstigen smaak versierd. Er waren vlakvloers twee plaatsen en een verandah. Hij had de verandah met allerhande groen en gebloemte bezet, en een schuchter blauwig licht laten binnenzijpelen. Daarnevens had hij een weelderige zitkamer gemaakt met open heerd, en alles was er in zoo teere tinten aangebracht dat nievers een blik aanstooten kon tegen een onbehendige verve. Dikke tapijten voerden den tert van voeten en 't lichte geschuif van stoelen onhoorbaar over den vloer. Lage zetels omdeden 't lekkere vuur, dat langs welriekende sperrescheiers opvlamde, en pelsen matten legden onderaan een doezelige zoetigheid.
Deze plaats gaf met een dobbele deure toegang tot de slaapkamer. Hier was met voorliefde het minste hoekje mooi-gezellig gemaakt en midden-in stond de breede sponde, geheel en al met kanten spreien bedekt en omhangen met doorzichtige voolen. Lichtgeel marmer lag op de waschtafel en er rechtover, was een hooge psyché-spiegel ook met licht gewaad omstrjkt. Langs de muren viel, in zwaar gevouw, het thee-rozig behangsel.
Goedele ging zelden op het verdiep, waar Johannes twee liefelijke leeskabinetten en een badkamerken aangelegd had. Het huizeken had overigens 't karakter niet van een blijvende woonste en 't leek meer op een verrukkelijk pied-à-terre, een donzig nest voor schuchtere en angstige verliefden.
't Gebeurde zelden dat hij niet vóor haar binnen was. Ze had halvelings de deur opengeduwd, als hij haar reeds in zijne armen ontving en haar, onder driftig zoenen, telkens bedankte dat zij toch weer gekomen was. Hij staarde diepe in hare oogen:
—Melieve!
—Johan!
Ze lachte hem gulzig tegen, en lei hare hand om zijnen schouder, en leunde met haar voorhoofd op zijne borst. Stille nam hij haren hoed en haren mantel, en ze moest seffens hare schoenen uitdoen en lederen slofjes aansteken.
—Waar ge warme pootjes mee houdt....
Ze waren alzoo geheel thuis. Ze gingen zitten bij den heerd en Johannes wakkerde 't vuur aan, zoodat de vlammen opkrulden en iedermaal een laaie klaarte deden opgloeien in de schemergrijze kamer. Ze zaten naast mekaar. Binst mijmerende stonden, wijl ze sprakeloos in de fonkeling der scheiers staarden en enkel mekaar's vingeren lijze op den rand der zetels dooreen hadden geleid, kwam in huis het verre lawaai van de stad. Geleidelijk zeeg de langzame donkerte en wijder sprong het licht uit den heerd. Ze voelden heel schoone den vredigen samengang van hunne gedachten, lijk een vleugeling van pluimlichte winden.
Naderhand keken ze op naar mekaar en, in een opgaan van teugellooze passie, vielen hunne lijven tegaar. Ze fluisterden vervoerd hunne heete woorden van liefde en hun verlangen brandde hun borste vaneen, in dolle jacht hun bloed opzweepend.
—Ziet ge mij geerne?
—Eeuwig ... eeuwig....
De avond somberde deugdelijk om hen henen, en de klaarte van 't vuur sloeg al breeder uit en strengelde hun beider hoofd in éen laaien ring van vlammen.
—Voele 'k u? Zijt gij 't, lieve?
—Hier zijn uwe lippen....
—Voele 'k u gansehelijk? Me dunkt, daar zullen geen dagen meer komen, en dees is de laatste dag....
—'t Is eene eeuwigheid, die begint.
Goedele prangde hem op haren boezem en heerlijk gaf zich ten geheele over aan 't schrikkelijke geweld van hare liefde.
Ze lag in late deemstering op het bedde, en alles wat om haar was waterde in groene nattigheid weg. Ze hoorde den matelijken gang van haren asem, tot ook dát wijder uit verzuchtte en ze dan overmand in diepen slaap geraakte. 't En duurde niet lang. Verwilderd stak ze hare oogen openen zat seffens overend. Johannes, aan 't voetende gezeten, beloerde met liefderijken blik haar kinderlijke vrees en 't schoon gebaar van haar ontwaken. Hij vatte haren blooten arm en kuste haren schouder. Ze bloosde en glimlachte:
—Ik wist ... niet meer....
Ze was blij dat hij hier was dichtebij, en dat hare schaamte redeloos over haren rugge rilde. De pracht van heur haar rees breed-golvend langs haren naakten hals, en ze las in de wondere doening van zijne oogen, dat ze aldus mooi was en begeerlijk. Ze was gelukkig. Ze was onvoorwaardelijk aan hem en wou mooi zijn om aan hem te blijven. En zoo boog ze over hem en merkte de siddering, die langs zijne leden opging, terwijl ze hem taakte met haar lauwzoete vleesch.
—Zult ge me nooit verlaten?
Hij belook haren mond met een zoen en omsloot haar met versche driftigheid in zijne armen. Ze was zeker, al vroeg ze 't met aaiende stemme, dat hij haar niet verlaten zou. Ze wist wel haren onregelmatigen toestand en 't deed haar dikwijls pijne, als ze bedacht wat er in zijn ander leven lag, 'tgene hij niet met het hare beleefde. Maar dan zag ze de vrome verwijfdheid van Sebastiaan, en ze kon Johannes vergeven wat zij, bijkans in eendere mate, met Sebastiaan voorhad. Niets weerstond overigens aan de sterkte van hare liefde, nog verschoond door het treffend argumenteeren van Romaan. Ze had niettemin niets durven bekennen aan haar broeder en dikwijls, wijl ze Madeleen bekeek, wutelde ievers in een hoek van haar geweten een vreemdsoortige wroeging....
Ze wist dat Johannes haar niet verlaten zou. Al meer en meer kende ze den machtigen invloed van hare struische schoonheid, en ze troetelde haar lijf nu, bezorgd voor een vlekje, dat de matte blankheid ervan breken kon. Ze mocht op Johannes vertrouwen.
—Wordt Madeleen door Romaan verlaten? vroeg hij soms.
Hij wettigde heel gemakkelijk hunnen toestand, en ze dacht er weldra niet meer aan dat er grondelijke moeielijkheden ievers mochten oprijzen.
Langzaam, met sneeuw en vorst, nevelde de winter voorbij. 't Werd vuil weere, en triestige regendagen trokken zich schreiend uit achter mekaar. Ze zaten soms een heel en tijd te luisteren naar 't dropgetjokkel op de vensterruiten of naar 't gewaai van de vlage, gelijk die bij stonden forsig neersmeet in de schouw. Ze drongen tegeneen en rustten, slape aan slape, in zwijgende aandacht. Eene endelooze droefenis woog daarbuiten en alles, langs gevels en daken, was grauw en grijs. Op het glazen gewelf der verandah spetterde de regen. 't Was er een wippen en dansen van ruchtige druppels, haastig achtereen, naar de mate van den wispelturigen wind. 't Hield altemets plotseling op, en Goedele blikte kantewaarts naar Johannes.
—'t Gaat over....
—'t Herbegint.
Ze streelden mekaar's vingeren. Ze knikten in onzeggelijk geneuchte, en 't leelijke weer maakte het veilig huizeken gezellig en warm. Ze waren hier goed. Ze hielden hier van mekaar. Hunne vingeren kriebelden lichte over hunne vingeren....
De dagen verlengden aldoor en, na den regen, glom het eerste gelach der zonne.
De Lente kwam precies zoo subiet, zonder overgang. Een teer blauw geluchte welfde hooge en diepe boven de stad zijn fraaie bogen, en daaronder speelde 't gestraal van den frisschen dag, even gebroken door het tijdelijk verkeer van wattige wolkskens. 't Gebeurde in waarheid zonder overgang. Ende Maarte keerden alhier de zwaluwen terug en in den beginne van April schoten tallenkant langs warandewegen en beplante lanen de sapvette knoppen. 't Getwijg wiegelde met tenger groen, eer de maand ten halve was verloopen, en Mei was er rijzekens, als de kinderen op strate reeds met kevers speelden.
In de stille steeg, waar ze nu met nieuw verlangen het huizeken vulde, beluisterde Goedele het kleine stemgeluid der bengels:
Vliege—vliege—vleugeke,Dat beesteke gaat naar 't meuleke,Alover de zokken,Alover de blokken.Onze-lieve-Vrouwe van het kerrekhofken....
Vliege—vliege—vleugeke,Dat beesteke gaat naar 't meuleke,Alover de zokken,Alover de blokken.Onze-lieve-Vrouwe van het kerrekhofken....
De zang was haar een liefelijk pleizier. Ze tastte erlangs de blijheid van het versche getij en de zilveren wappering van de zonne. Ze glimlachte. Johannes zat bij 't raam aan 't schetsen. Ze staarde naar hem en ging na de struische lijn van zijn rugge, het somber schouwspel van zijn hoofd en dieper, vlak boven de witheid van zijn teekenboek, de schoone sterkte van zijn aangezicht. Ze taakte permintelijk den forschen bouw zijner schouders en verwijlde naderhand om 't behendig bedrijf zijner vingeren. Ze was vol bewondering voor hem, omdat hij pront was en krachtig en groot. Een djentelijk vuur van den dag trilde tusschen 't menig geplooi van de venstergordijn en viel helstralend op zijn rechterhand. En daarmee hoorde ze klaar bijzend, ginderbuiten, het luttel gerinkel van 't lied:
Vliege—vliege—vleugeken,Dat beesteke gaat naar 't meuleken....
Ze zag in hare gepeinzen, 't profijtelijk gepeuter van teere kinderpollekens om 't langzame lijf van de kevers, de ongedurige flikkering van hun loerende oogen, en 't kraken van hun broekskens, terwijl ze op hun knieën voortklefferden. Ze verzinde dat de meidiertjes endelijk opvlogen, en 't was dan seffens een juichend handgeklap, een zot jubelen van al die keelkens.... Ze tuurde naar de zonnevlek langs Johannes zijn werkzame vingeren, en ze glimlachte vergenoegd.
Zoo omleuterde de jonge Lente haar herte. Ze zei:
—Johan!
Hij keek op, en zijn donkere oogen hadden elk een sterreken van het goede voorjaarslicht. Ze wenkte zoetekens met haar hoofd en hij kwam over haar buigen. Ze blikte in zijn wezen en vroeg:
—Waarom zijt ge bezig, zoo ijverig ... en zoo verre van mij?
—Ik maak entwat—'k en wete niet klaar.... Ik heb overal bloemen in mijn hoofd en ik zie overal gulden plantsoen. Ik peinsde dat ik 't zoo neerleggen kon, in lijnen....
—Niet waar? Allemaal te gare een groot perk van diverse kleuren?... Kom bij me. Ik heb in mijn hersens een ringende vlucht van vogels, en ze kwinkeleeren dooreen. Luister eens naar uw eigen....
't Steeg daarbuiten heel zacht en deugddoende, soms lijk een bimmeling van klokskens:
Alover de zokken,Alover de blokken,Onze-lieve-Vrouwe van het kerrekhofken....
Alover de zokken,Alover de blokken,Onze-lieve-Vrouwe van het kerrekhofken....
Goedele's haar kriebelde om zijn neuze en lager bukte hij, fluisterend:
—'t Is 't nieuwe seizoen, melieve.... Nu juicht tallenkant de liefde die hier vóor maanden te juichen begon, hier eeniglijk. Nu klatert het zonnevuur en laait op met den vlammigen brand van ons lijven. Zijt ge gelukkig?
—Bemint ge mij?
Ze lachten alle twee en brachten hun gretige lippen samen. De zonnestraal, die noesch door de reten van de witte gordijn was binnengedrongen, bleef nog een wijlken langs de sporten van Johannes' leegen stoel lanterfanten en duisterde geleidelijk weg.
Zoo leuterde de jonge Lente.
Andermaal was de nanoen overheerlijk. Ze besloten dan dat ze de stad zouden verlaten en vermeien in de opgroenende velden aan den rand van het aloude Zeuniërwoud. Ze vertrokken met den trein en vonden het prettig, zoo te gare zitten in het zoevende coupé, tegeneengedrongen, matelijk geschokt op de wippende kussens en kijkend, met kinderlijke achtzaamheid, naar 't voorbijjagende landschap. 't Was eerst het sombere zicht van de buitenwijken der stad, de zwartdampige fabrieksschouwen en de grauwbesmookte daken, de vuile muren beplakt met hel-schreeuwende reclames of beschilderd met namen van ruchtige firma's. Stilaan, na de rote lage werkmanshuizekens, rees een olmenlaan en lag verder een malsche weide open.
—Waar zijn we hier?
—Heelemaal buiten de poorten ... de vesten over ... en Brabant in....
—Ei? Kijk daar!
't Was, bezij de baan, een groote kudde schapen, die schuchter tegen den barm verdrongen, roerloos te wachten stond, tot de vervaarlijke stoomvaart voorbij zou daveren. Goedele behield een liefelijk beeld ervan, lijk de beestjes daar in 't zilveren zonnegeweld wit opwolden, hun stokkepootjes vreesachtig te gare en hun koppen bovenuit, al te zamen gerokken naar 't veilig beschut van den barm. Het was alsof zijzelve met eendere angstigheid een duurbaar leven had te bergen, en ze roerde haren arm om zekerlijk het buigend lijf van Johannes te voelen. De zonne spetterde lustig tegen de ruiten....
Als ze kort daarop moest afstappen en de statie doorging, meende ze dat de treinbediende haar met zonderlinge aandacht bekeek en blikte ze bang ommentweere, verveerd dat ievers een vijandig oog haar betrappen mocht. In 't open veld, heinde en wijd bespikkeld met springjeugdig plantsoen, lag voor haar een onendige peiselijkheid en algauw vergat ze de wereld van koude muren en valsche verhoudingen om mee te leven met de sappige natuur. Hier vooral meende ze de waarheid te tasten van Romaan's vrijzinnige theorieën en ze werd dronken van de hevige lucht.
Ze hing aan Johannes' arm. Ze roken allebei zwijgend den sterken geur van het hoog-wassend gers, en het tokkelig sterregedoe van de menige meerschbloemen draaide zot en grappig in hunne hersens. Ze verlieten de wegels en torten in de dichte beemden, en 't was een versche leute iedermaal ze struikelden in 't harrewarrig gewas of plots vóor hun voeten een jonge puit opjoepen deden.
—Aai-Heere! wat hebbe 'k geschrokken!
—Jrsst!... wipte de puit.
En een rilde weikerse bibberde even tenden haren slanken steel, waarlangs hij te lore was gesprongen....
Ze liepen een beekje over en stonden hijgend te lachen aan den anderen kant. Goedele bloosde tot achter hare ooren. Ze drilden met het waterken mee en bleven altemets neerhurken, waar de oevers breeder werden en een schoone partije lischriet heen en omme waaide onder de aaiing van een heimelijken wind.
—Wordt ge moe, lieve?
—Wat zou ik!
Ze staarden naar het spel van de zonne langs de klein-klotsende golfjes en hoe daarover meteen een spinnekobbe langebeende, patjinkel-patjokkel, op al haar grootste gemak.
—Ze blijft stille....
—Ze peinst.
Een koppel waternaalden zegen bibbervleugelend neerwaarts en zetten zich nevenseen op een drijvende blare. Alles was voor Goedele ongezien en wonderbaar. Ze wist geen weg met hare gulzige nieuwsgierigheid en ze lengde haren hals naar het ruchtlooze water, waar zoo verschillig een intense leven aan 't roeren was. Onder de klare vlakte deed een salamander lui waggelen haren kronkel-krommen steert....
Ze stonden naderhand recht en, hand in hand, huppelden verder, zat van 't schoone licht en bedwelmd door den struischen reuk der meerschen. Hunne vingeren waren ineengehaakt en ze blikten benedenwaarts in 't diepe gers, waaruit, bij elken stap, een zwerm gevleugelde dierkens opwolkte en uit mekaar stoof. Ze vertrapten de zaadzware hoofden der halmkens.
Uit een laag korenveld rees in noesche vlucht een leeuwerik omhooge. Zij stonden seffens te luisteren naar zijn heerlijk getater en keken op, hem navolgend tot tegen den schitterenden hemel. Hij kwetterde maar gedurig en steeg met stage verduldigheid.
—Ziet ge 'm nog?
—Wacht ... ja ... ja....
—Langs die luttele watte ginds....
—Ik zie hem!
Hij was een klein zwart puntje geworden en nog warrelde in blijde schatering zijn juichende lied. Hij ging òp. Al bewoog hij naar rechts noch anderzijds, al bleef hij ginder donker-puntelen tegen het stralende gewelf, al was hij nu bijkans een stofken, zonder gedaante en levenloos—òp, hooger en hooger, kleiner en kleiner, òp ging hij! Ze voelden 't allebei. Hunne oogen kittelden van 't staren en droog was hunne keel. Ze hielden haast hun asem in en fluisterden:
—Nog...?
—Een zierken....
—Hij is weg!
—Neen!
—'k Hebbe hem weere....
—Ho!... Ho!... Ja....
Een verraste kreet ontviel hun meteen. De leeuwerik daalde—daalde—plots zwijgend, plots grooter wordend, een doode massa, die straks zou neerpletsen, met een akeligen stoot, op den harden grond.... Maar kijk! hij streek, al met een keer levend opnieuw, dicht bij de eerde zijlings weg en dook zachtekens in het groene koren.
Goedele wendde hare oogen naar Johannes en een tijdeken lachtten ze malkander tegen. Dan liepen ze weer door en hun hoofd was nog vol van de hevige straling, die ze langs den diepen hemel hadden opgenomen.
Bij valavond bereikten ze een groote hoeve en daar konnen ze een schel hespe krijgen met roggebrood. Ze waren waarachtig uitgehongerd en nooit hadden ze meer smaak in 't eten. De zware boerenkost was hun licht en ze hadden danig pleizier, de eene om de aardige gulzigheid van den anderen. 't Was hier een lage kamer met zwart-eiken zoldering en twee groen-geruite vensters. De roode glans van de zonne hing gulden ranken erlangs, zoodat in huis een vreemd purperen licht schemerde, hier en daar opschietend langs de bolle bulten van het koperen kookgerief. Onder 't blauwachtige schouwkleed zat ten halve in de donkerte de oude pachteresse, grijs-geschort en gebukt in de vouwen van haren gelen borstdoek. Ze was daar een beeld van eenzaamheid en stilte, van eendere verve als de doodgaande dag en zwijgend als de nacht, die zou komen. Ze had ook in deze kamer die albeheerschende beteekenisse, zoodat Goedele noch Johannes de zoetigheid van 't geluchte haast niet storen dierven en zich spoedden om weer vrij te zijn in den open buiten.
Maar buiten was nu de wonderlijke avond aan gang en ze geraakten seffens in de stemming van de droomerige stonde. Ze gingen stille arm aan arm, langs verlaten wegels woudewaarts, en keken mijmerend naar hunne dobble schaduw, die schuins tegen de barms oprees of verder in gedoken grachten wegzakte. Heel wijd, waar 't endelooze geboomte somberde, klonk de matelijke roep van een boschuil.
De avond weefde allerzijds een doorzichtig gewaad van goudgele en oranje en warm-roode tinten, en de hooge populieren stonden rekewijs aan den rand der beemden, met bronzen stam in 't zachte licht. Rijzekens streuvelde een blood gewaai erlangs, en een hoogste blaadje wiegelde tenden het roerloos getwijg, daarboven danig zwart tegen 't groen-blauwe deemsteren van den hemel.
Ten oosten nevelde de grauwte al dikker en dikker en, als ze zich ommekeerden, zagen ze 't donkere schaliedak van de hoeve mee vergaan met de duisternis, die ginder trage werd opgestapeld. Even riemde omhooge langs de schouw een lintje witten damp, en 't begon heel subtiel rond te ringelen, wispelturig en speelsch, tot het openpluimde en uiteendonsde en dood was.
Goedele drong dichter bij Johannes aan. In haar rustte al 't geweld van den schoonen dag en ze had nu een zachte behoefte om 't niet in gichtigheid weer op te jagen. Ze wilde rustig zijn. Ze voelde zich meegroeien tot eene effene vrede, met den peiselijken avond, en ze zou niets hier breken, noch door onsierlijk gebaar noch door kwetterend gezegde. Ze leefde even sterk als in den nanoen, maar 't was tegenwoordig een bewustvolle, rijpe leven, de moutere uitslag van 't schaterend rumoer over dag.
Sprakeloos gingen ze en drongen binnen 't nachtlijke woud.
Hij vroeg of ze entwat vreesde. Het docht hem dat hare hand beefde en ze meteen de bangheid taakte, die onder 't somber gewelf der beuken varende was. Hij omvatte hare leen en drukte haar lijf zoetekens tegen het zijne. Ze blikte naar hem dankbaar op en hij zag een vluchtige straling opflikkeren in hare oogen.
—Weent ge?
Ze boog haar hoofd diepe aangedaan en schudde 't nadien ontkennend. Ze stamelde:
—Het is hier alles zoo plechtig, zoo heerlijk....
Hij zei dat het de endeloosheid was van hunne liefde en, trage wandelend liet ze zich geheel aanleunen tegen hem. Ze waren alzoo, te gare, éen schuivende schimme, éen wezen, en hun asem joeg opwaarts, bijeenwaaiend langs hun voorhoofd tot een streelende lauwte. Ze gingen door. Ze wisten niet waar de weg hen leidde en hoe dees gaan zou ophouden; maar zij en hadden geen zicht voor toekomstig gedoe, zoo ganschelijk waren door huidig geluk vervuld hunne begeesterde zielen. Hij vroeg:
—Zijt ge nu weer rustig?
Ze knikte en drukte innig haar hoofd op zijnen schouder.
Nievers hadden ze ooit in zoo zwijgend en vredig een nacht gewandeld en hunne liefde heerschte hier in almachtige meesterschap. Goedele wendde altemets hare blikken achterwaarts: waar, alginds, tenden een klare holte het stille woud begon, zag ze nog een vlekje van den hemel, donkerrood geverfd en smeulend in schuchtere asschevonken. Ze was uit de klaarte gekomen, uit het wijde dal, dat zonder leven wegdeemsterde, en ze tort nu in het zwarte bosch, zich veilig voelend, heel lijze, aan Johannes' arm. Ze spraken weinig. De plechtigheid van deze eenzame donkerte drong binnen hunne ziel en ze wisten dat geen woord tegenwoordig welsprekend kon zijn. Bijwijlen keken ze op naar mekaar en schouwden, trager stappend, in mekaar's gezichte, en de endelooze teerheid, die in hunne oogen straalde, was een vrucht van de heilige stilte.
Zoo was de stilte.
Alleen hun voeten ruischten over het mulle stof en raakten soms een doode takje, een springende kei, een teurfel graseerde.... Van weerszijde reikten het ondoordringbare heestergedoe en 't sterke geboomte en, tallenkante, als een ontastbare muur, de éenige duisternis. Heel verre steeg even 't geraas van een stoomwagen of 't rollen, altijd door, van daverende wielen. Maar 't was een doezelinge wijd op den achtergrond, en 't en taakte bijkans de stilte niet, de heerlijke stilte, 't schoone bedrijf van dezen rustigen nacht.
Ze drukten malkanders hand. Ze waren aaneengestrengeld en hunne vingeren sleerden langs hun staag-gaande lijf. Johannes drong bij stonden dicht aan tegen Goedele, en, alsof hij een vrage had gedaan, antwoordde ze fluisterend:
—Ik ben gelukkig....
Dus was hare stem geenszins een stoornisse van de stilte, maar een deel van de stilte zelve, een schakel van het gulden nachtgeheim. Want hun minste gebaar weefde mee in 't gebouw van de àl-zoete harmonije en spinde een draad van het broze gewaad der stilte. De stilte bleef omdoen de mooie werking van den schuivenden tijd en van hun stralende liefde. En zoo gebeurde 't dat Goedele sprak, alsof Johannes een vrage had gedaan.
De weg verbreedde meteen. De boomen, die boven de bane hunne takken tot een dicht gewelf hadden vereend, gingen vaneen en stonden in ronde rote. Uit den hemel viel een aarzelend licht en kwam onderaan bibberen langsheen het roerloos getwijg.
Ze torten niet verder. Ze blikten daarboven en tuurden in 't zwart-blauwe geluchte, naar ginds, waar duizenden sterren optikkelden, in wonderbare krioelinge. Hunne lippen krulden rijzekens omme en ze beloerden verrukt 't gefonkel van den ontzaglijken hemel, die over hen, in zilverig gedrup, zijne wijdsche blijheid uitstortte. Overal zijpelde het zachte licht en 't wielde menig de tinteling ommentweere langs de bolle diepte, allerzijds raderkens draaiend van kostbare juweelen. 't Was een kleurgedaver zonder ruste, al kransen en roerende ranken, al weelde en djentige rijkelijkheid, holderdebolder dooreen, hel en prillevend en speelsch. 't Vulde alom de ruimte, 't daalde precies, 't omvatte hunne slapen en 't fleerde langs hunne vingeren. Johannes murmelde, dichter komend:
—Verwijder u niet....
Goedele zei, begeesterd, ontrukt aan de hardheid van de eerde:
—Stil.... Ik sta in het licht.
Op dees oogenblik was geen minste leegte meer tusschen hunne lijven, en tegare sloten zich hunne gepeinzen aan. Hooger dreven ze, waar geen gevaar hun machtig leven kon bedreigen en geen verwijt bezeeren het lieve bedrijf van hun ziel.
't En was geen duizeling, die rapper hun bloed door hunne leden joeg. Ze waren vervoerd, zwevend in 't onmetelijk geluchte, waar duizendvoud ringelde 't beweeglijk gesternte. Ze hadden geen verlangen. Ze beleefden in trage stonden de gebeurende voldoening van al hunne lusten. Hij omarmde haar, smeekend:
—Verwijder u niet....
Ze stotterde, nauw hoorbaar, haar hals uitlengend en pinkend met hare wimpers:
—Ik ... ikke ... ikke....
Ze vond niet het woord—daar was geen woord.... Daar was de zalige stilte, de stilte vol van 't zilvertjokkend geluid der sterren.... Toch de stilte, die niet te storen was.
—Houde'k u? Hebbe'k u? U ... u...? vroeg hij, en 't was lijk een verre gedruisch, waarlangs belde het lichte sterrenspel. Ze voelde hem tallenkant. Hij was niet buiten haar. Waar ze al tastte, hij was aanwezig en ze voelde dat hij aanwezig was. Hare oogen werden nat en het tikkelende vuur van den hemel begon te wemelen en weg te doezelen in nartige vlakten. 't Deemsterde haast ten volle en ze sloot hare oogen. Geleidelijk keek ze zijlings naar Johannes en liet haar hoofd zinken op zijnen schouder. Ze verging precies, binstdat hij zonder gretigheid, mee met de peiselijke doening van den nacht, zijne lippen op hare lippen drukte.
Als ze tot bezinning geraakten werden ze ongedurig. 't Was nu het gebiedende vleesch, dat gulzig werd, en ze stapten haastig door, ten geheele overgeleverd aan de foltering van hunne driften. Daar hing geen geheimzinnigheid meer onder het roerlooze lover en hunne voeten roefelden onvoorzichtig in 't opwippende zand.
Ze verlieten 't woud. Ze troffen verder den trein en zaten in 't coupé dicht naast mekaar, met zondige gepeinzen. Heel de onstuimige sterkte van hunne passie rilde door hunne leden en ze taakten malkanders handen, om de lauwe matheid van 't bloote vel te voelen. Ze spraken weinig. Hun asem was heet.
—Waar zijn we hier?
—Bijna binnen de stad.
Ze legden een geveinsde onverschilligheid in hunne woorden, maar al hun gedachten vloeiden saam tot éen gichtig, woelig, zinnelijk beeld. Ze gaven zich over, zonder strijd, aan hun brandende koortse. Ze deden niets om de brutale tempteeringe uit hun lijf te krijgen. Alleen veinsden ze een oppervlakkige vreedzaamheid, beschaamd voor malkanders brandende blikken.
't Gedruisch van de stad en 't geharrewar van menschen en sjeezen, de klaterende straling der lichten en 't zware geluchte, dat hier te wegen hing tusschen de hooge muren, 't hitste allemaal meer en meer de hevige jeukte hunner lusten—Ze drilden nevenseen, geen onwegen zoekend om ongemerkt te worden, zonder geduld en zonder mate. Ze keken niet op naar mekaar....
Als ze op een ende 't kleine huizeken binnen waren en nu seffens weer ganschelijk alleen in de welriekende nachtkamer stonden, wilden ze zich niet langer meer bedwingen. Hunne armen strengelden woest om hun leen en hun hijgende monden vielen, met een schok van hun gansche lijf, te gare.
't Was hier donker. De straatlanteeren speelde heel stillekens met vierkante lichtjes langs de beloken venstergordijn.
De aanhoudende slagen van 't noodlot hadden gevaarlijk tante Olympe aangetast en, in haar ouden geest, was ze een dwazen schrik aan 't voederen. Al wat gebeurd was, al 't leelijke en 't onherroepelijke, vond een oorzake in den onregelmatigen toestand van Romaan en Madeleen. Ze schuddebolde en pruttelde al zuchtend:
—Onregelmatig—en zoo lastert gijlie God.
Romaan en hoorde 't meerendeels niet en Madeleen, die geen kwaad bedreef, en geloofde niet dat ze gestraft moest worden. Tante Olympe's klagen werd dan ook weinig in acht genomen en Madeleen beperkte zich met een klein antwoordeken, berustende in de toekomst, die beter zijn zou.
—Ge moet trouwen, zei tante Olympe.
—Dat komt wel ... later, zei Madeleen.
Maar de dagen verliepen in grijs verdriet en tante Olympe broeide hare angsten. Ze zat nu uren lang, binst den nanoen, te bidden en te peuteren om de korrels van haren paternoster. Dat en stilde haar niet. Al dieper en dieper knaagde de oolijke vrees en Ons-lieve-Heerken, dat zij zich altijd zoete en medelijdend had voorgesteld, werd in hare hersens een schrikkelijk figuur, een toornig gezichte met wegend verwijt. De oogen van Ons-lieven-Heerken waren twee vurende karbonkels, zonder deernisse, zonder barmhertigheid. Die oogen geboden voortdurend:
—Ze moeten trouwen!
En 't was voor tante Olympe een donderend gebod. Ze had schoon te bidden heele reesems verduldige rozenkransen, ze had schoon de medehulp van Onze-lieve-Vrouwe in te roepen en de tusschenkomst van den heiligen Antoon, die in alle omstandigheden zoo braaf en genadig was geweest—niets baatte. Onophoudelijk hoorde ze 't vreeslijke gebod.
's Nachts kon ze niet slapen. Ze draaide en herdraaide haar mager lijf onder de sargie, ze dook haar benauwde wezen, ze krinkelde thoope tegen den muur. Hare lippen prevelden de vele wees-gegroeten en hare vingeren waren gestadig saam, in vrome houding. Ze had geerne een schoon gebed verzonnen, zooals er met koude letters in haar kerkboek gedrukt lagen, maar hare zinnen waren verward en ze zou nooit drij woorden te reke kunnen dichten. 't Was een haastig wees-gegroet, dat over haren mond dibberde.
Ze stond heel vroeg op en ging met roode oogen zitten in de keuken. Wat ze dagelijks 't eerst hoorde, was 't leutig gezang van Mariëtte en telkens maakte ze algauw een kruisken over haar gelaat en haar borste, peinzende:
—De zonde is hier tallenkant in huis....
Zij en at bijkans niet meer en Madeleen moest halvelings kijven, om haar 's noenes aan tafel te te krijgen. Zoo werd ze uitermatig zwak en tenden de Lente kon ze uit haar bedde niet meer.
Romaan, die dat pover bedrijf onachtzaam had bijgewoond, werd nu meteen getroffen door al dat groote verdriet. Hij kwam op een morgen bij de sponde staan en nam voorzichtig de beenderige handen van het wijveken. Hij sprak met aandoening, bad dat ze beteren zou, zich niet laten weghongeren alzoo en koeragie hebben.
—Koeragie, tante. Ze zuchtte. Ze vroeg:
—Koeragie?
De blosjes, die voortijds zoo liefelijk een verve legden op hare kaken, waren weggezonken in de algemeene bleekte van heur aangezicht. Ze stamelde:
—Ik kan niet ... ik kan niet, jongen....
Hij streelde hare vingeren. Hij beweerde dat ze wel kon, als ze zich nu eens een beetje dwingen wou. Ze moest geen groot geweld doen en haar eigen niet bezeeren. Alleen toegeven, en redelijk zijn....
—Niet waar, tante?
Ze glimlachte droeve. Ze wist wel dat hij goed was en deugdelijk—maar ginder hooge spookte de vervaarlijke gramschap van Ons-lieven-Heerken. Met vreesachtige aarzelingen zei ze 't hem.
—Mag ik het u zeggen?
Hij kuste haar op haar voorhoofd, en ze zei 't hem, al weenend. Al 't ongeluk dat gekomen was en al 't ongeluk dat nog komen zou, ze droegen hier gedrijen de waarachtige schuld ervan.
—Gijlie hebt 't bedreven, en ikke, mijn jongen, hebbe 't geduld. Waarom heeft Madeleen u dat allemaal niet uitgelegd? Hoor eens.... Waarom is uw gang dweers tegen den wil van God? God is de sterkste.
Ze taterde zoo een heel en tijd, tot ze moe werd, tot haar asem te kort schoot en ze dan midden een woord haperen bleef. Hare oogen vielen langzaam toe. Ze fluisterde:
—Wilt ge mij niet begrijpen?
Hij drukte haar gewillige handen. Hij had zelf te veel geleden om leed van anderen te stichten. Hij verwonderde zich dat tante Olympe in waarheid leed droeg. Hij boog zich, hij knielde om dichte bij haar te zijn. Hij streek lijze over haar slapen en bezag haar lange, zooals ze daar klein-hijgend te rusten lag. Hij lispelde:
—Tante Olympe, slaapt ge?
Hare lippen roerden en een glimlach speelde erlangs. Hij zei:
—Tante Olympe, wij zien u allemaal geerne. Ja ja ... tante Olympe ... we moeten wij u gehoorzaam zijn....
Hij voelde zelf de aandoening komen en kittelen in zijn neuze. 't Docht hem dat al zijne theorieën tegenover het tastelijk dood-gaan van deze goede vrouw nietig werden en zonder werkelijken uitslag. Wat was hier de macht van eene utopische bespiegeling? Hij werd het in een slag van zijne zenuwen gewaar: het zou een schoonheid zijn van zijn ziele, die uitblinken zou, als hij nu tante Olympe, spijts de rhetoriek van een bovenzinnelijk stelsel, wou helpen. Zijn gemoed brak, binst den troost, dien hij in ontroerde gezegden haar gaf:
—We moeten wij doen wat gij zegt.... En het is zeer waar, al wat ge zegt.... Bekijk me eens....
Ze was moe en trage hief ze hare wimpers op. Dankbaar keek ze naar hem en hij taakte de teere liefde, die hare blikken omstraalde.
—Bekijk me..., ik ben immers uw zoon ... ik zal trouwen met Madeleen. Zult ge spoedig weer genezen?
Ze knikte. Ze bleef hem bezien en ze grabbelde gretig met haar bevende vingeren naar zijn hoofd. Ze zoende hem en hij voelde de snikken opschokken in haar lijf. Ze kon niet spreken. Ze was danig gelukkig....
En ze genas ook. Ze liep lijk te voren ijverig en gedienstig de kamers rond en, na een paar weken, ontbloeide de pleizierige blos op 't tjoppeken van haar kaken. Het huis was nu vol van de nieuwe gebeurtenis en Romaan was tevreden, omdat alles zoo vol geraakte. Hij was wel een beetje verlegen als hij de zaak aan Johannes uitlegde, en daar kwam dan een kleine koortse langs zijn woorden. Johannes beluisterde hem zonder spreken, al spelend met zijn rietje langs de reetjes van den vloer. 't Gesprek liep heel zonderling ten ende en een kilte bleef haperen in 't geluchte.
Voor Goedele was 't eene ontzettende verwondering. Ze werd teenemaal ongemakkelijk en, in haar boezem, schartte een onbekend gevoel.
—Trouwen!
Het woord weergalmde in haar hersens en 't deed meteen een heele doening naderen, die—sinds wanneer?—och! al zoo lange verwijderd was. Als hooge schaduwen togen de vroegere beelden voorbij, en de schrikkelijke vaart van al die groote donkerten bracht een zware angst in haar hert. Wat was er nu gaande? Ze had het gevoel dat men haar verliet. Ze had de verschooning van haar handelen gevonden in Romaan's onregelmatigen toestand. Nu liet Romaan haar in den steek. Ze was kwaad. Ze was nijdig vooral op Madeleen. In de grondige demoralisatie, waarin ze zich had laten meeslepen, meende ze dat Madeleen nu ophield te blijven wat Goedele nog was, om iets te wezen dat Goedele niet meer vermocht te worden. Ze had de wettige sensatie daarvan.
—Madeleen verheft zich!
't Rinkelde in haar hoofd en 't verlamde hare leden. De lieve geur van gindsch zoete slaapkamer kwam redeloos opwalmen in haar neus en—was daar iets viezelijks in, tegenwoordig? Ze verklaarde niets aan haar eigen. Ze worstelde tegen een hardnekkig geknaag van puntige gepeinzen. Ze worstelde tegen de massa van haar gansche verleden, dat opzuilde tallenkant bovenmatig en bedreigend. En ze dierf niet Romaan tegenspreken, hem toeroepen dat hij eene lafheid beging. 't Was wel een teeken dat ze voelde hoe zwak en lage zijzelve was.... Ze merkte 't.
Veertien dagen bleef ze thuis. Ze wilde Johannes niet ontmoeten. Ze was klein en leelijk.
—Madeleen verheft zich!
Daardoor was zij, Goedele, klein en leelijk. Ze bleef thuis. Ze verbood aan Sebastiaan haar nog op te zoeken. Ze zei hem dat ze groote rust noodig had. Ze leefde dan, nietsdoende en sprakeloos en lui. Ze zette zich viermaal vóor haar schrijftafelken, te wege een langen brief voor Ameye op te stellen. Ze ging traagzaam wandelen in den tuin, bezij de rote leeljen en de hoopen bloedende rhododendrons. Vaak kwam vader trippelbeenen nevens haar, al vertellend met blijde gebaren van een nieuwe uitvindinge.
Andermaal ontmoette ze in schaduwrijke diepten het witte gezicht van grootvader. Ze voelde telkens een wreveling in haren nekke en wees dat hij van kant zou terten. Hij en vreesde haar niet meer; zij werd het ganschelijk gewaar. Hij bleef haar grijnzend aanstaren en puntte spotachtig zijn scherpen wijsvinger uit naar heur. Een oolijke uitdrukking lag te kriebelen in zijn oogen en maakte haar lastig.
—Ga weg!
Hij bukte zich, rechtte zich daarna heel langzaam op, opende zijn diepen mond en hief, gek-doende, zijne wenkbrauwen omhooge. Een ratelend gerucht steeg uit zijne keel. Ze wilde hem zijwaarts duwen. Hij sprong naar achteren en draaide om den stam van een boom, voortdurig zijn lachend wezen wendend naar haar.
Ze stapte haastig voorbij en dacht:
—Hij weet entwat.
Zijn lach waggelde achter haar en dook wijder weg in het duistere gebladerte.
Ze doolde aldus langs het zwijgende huis, dag aan dag, opvretend haar heimelijke lastigheid. Ze kon op een ende niets meer verdragen, niets van wat hier de dagelijksche doening was en de spokige eendelijkheid van al deze sprakelooze gezichten. Ze wilde niet langer bedwingen den drang, die haar opzweepte om het doodsche geluchte te breken, om de menschen lijdelijk te maken, die daar nu ommegingen met ongezegde doelen, elk op zijn eentje versteend in zijn zwijgen.
Ze wou Justa wegjagen. Ze botste aan tegen de bedaarde koppigheid van moeder.
Ursule, sinds den dood van Wiezeken, gevoederd door herlevende hoop, was haast geheel genezen. Ze zat in haren leunstoel hare toekomstige werking te verzinnen: Romaan weer thuis en Goedele saam met Romaan aan 't woelen, aan 't zwabberen met gretige vingeren, aan 't garen het ontzaglijke geld. De fortuin van Sebastiaan zou erbij vloeien ... en naderhand 't vele goud nog van een rijke schoondochter....
Uren zat ze zoo en niemand stoorde haar. Ze dichtte een grootsch plan. Ze geraakte er niet toe te denken dat misschien Romaan niet thuis zou komen en dat Goedele tegenstribbelen mocht. Ze had hare gansche heerschappije weer in handen en geen wil zou weerstaan aan haar wil. Ze bouwde in hare hersens de machtige machinatie die zou endelijk ommedraaien, naar heur volle goesting, met geweldig raderwerk.
Als ze hoorde dat Goedele tegen Justa opschoot, neep een strakke strengheid hare lippen te gare tot een bleek streepken en stond ze verontweerdigd rechte. Seffens moest Goedele vóor haar verschijnen. Ze beet haar toe:
—Wat is 't?
Goedele zette zich, onverschillig, zonder ommezien, neer vóor 't klavier. Korter hakte het stekkig gezegde:
—Wat is 't?
Goedele glimlachte. De hardheid, die zoo puntig in Ursule's oogen kon opflitsen, blikkerde nu ook in hare oogen op. Trage, al rilde even hare hand, duwde ze met haren wijsvinger een klinkende toetse neer. Ze zei, lage, onverkennelijk:
—Niets.
Hare wimpers vielen toe om naderhand met een rappen wip, weer wijd open de witte straling van haar blikken te toogen. Ursule ging nevens haar staan en smeet koortsig het klavier dichte. 't Gaf een luidelijken slag, en ze bleven allebei daarna een tijdeken roerloos.
Goedele voelde haar wezen heet worden. Ze richtte zich met geveinsde onverschilligheid op en tort stille over het tapijt, niet opziende naar heur moeder. Al gaande liet ze hare hand lui sleeren langs het tafelberd, ten teeken van onbekommerde rustigheid. Ursule vroeg:
—Ge hebt Justa doorgezonden?
—Dat jong walgt me.
—Ge hebt ze doorgezonden?
—Ja....
Ursule stoop zich naar heur en naderde. Ze riep ineens:
—Maar wat meent ge? En benik, hier niet? Mij wordt voortaan, en mij alleen, en zonder tegenwoord gehoorzaamd! Gij hebt mij noodig, gij en Romaan. En ik heb ulie noodig, alle twee. Het is nu de tijd dat de sterke samenwerking eene werkelijkheid moet worden. Het hoofd van dat alles, dat ben ik.
—Ik begrijp u niet.
—Gehoorzaam zonder begrijpen. Ik ben het hoofd zeg ik u. Justa blijft. Romaan....
—Maar hoe wordt Romaan hierin gemengd?
—Eens staat hij daar, nevens u.
—En Madeleen?
Goedele merkte hoe subiet op dees woord de groote woede van moeder wegschokte in een flauw ophalen van schouders. Ze zag plots wat moeder zich inbeeldde, wat, na Wiezeken's dood, stilaan een zekerheid was geworden in haar geest, en waarover ze zoo lange aan 't mijmeren zat, alleene, in haren zetel. Ze zag 't, en ze had nu een leelijk geneuchte, omdat ze 't gansche gestel omverre kon werpen, omdat ze moeder's oppersten hoogmoed kapot kon slaan. In deze mate was hare ontzenuwing gevorderd dat ze behagen vinden zou, op dit oogenblik, in moeder's leed. Ze zei:
—Laat Romaan met Madeleen....
—Ik weet wat ik laten mag.
Ze herzei, met stiller stemme, buigend in gemanierde woordklanken:
—Laat Romaan met Madeleen.... Het is nu een feit, dat ze trouwen zullen.
Ze had zich niet voorgesteld dat zoo geweldig moeder's smert zou zijn. Ursule wankte en haar schrikkelijk lijf schokte kantewaarts. Ze neep haren mond krampachtig toe en liet hem nadien vierkantig openvallen, al stootend en stotterend om een klaar woord uit haar kele te krijgen.
—Trouwen ... trouwen....
Ze wrong de ratelende geluiden thoope, en daar siste een snijdenden klank tusschen hare tanden. Ze wilde alles uitzeggen te gelijk wat zoo herre-kaderre in hare hersens klabetterde en ze vond geen zin. Ze steunde tegen 't klavier en de losse pateelkens van de keershouders rinkelden bij haar minste gebaar. Ze was bleek als een doek, en hare lippen werden blauw en droog. Een onzeglijke haat vuurde in haar oogen. Ze reutelde:
—Ge liegt!
Hare tonge lag precies vaste achter hare tanden. Omdat ze niet spreken kon, niet uitschreeuwen al wat in haar kop zich ophoopte, schoot plots een vreeselijke woede op naar heur hoofd en begon daar te gloeien. Hare handen grabbelden naar een stoel, vatte dien, als ware hij pluimlichte, bij de sporten en, in blinde gramschap, hief hem omhooge om met lawaaierig geweld hem tegen den vloer te werpen. Hij stortte met een sterken slag neere en brak.
Ursule stond nu ontzet, zonder machte, en keek smeekend op naar Goedele. Ze vond de woorden terug, die zoolange teugelloos en onvatbaar zich hadden verwijderd, en ze bad hare dochter, dat ze de waarheid zeggen zou.
—Ge moet de waarheid zeggen.... Ge moogt mij niet folteren. O-God! zoo foltert ge me. Waarom? Wat zijn uwe inzichten, mijn kind? Als ik u ruw aanspreek, moet ge me telkens vergeven, seffens. Ik ben zoo dikwijls vernederd door u, en dat maakt me uitzinnig. We zullen Justa wegzenden. We zullen een schoon huizeken gaan bewonen, buiten, in 't loof. Niet waar?... Zeg dat ge me bedrogen hebt.... Hoe hebbe 'k dat toch kunnen gelooven!
Goedele antwoordde niet. Ze had zich bij 't venster neergezet en tuurde in den tuin, die daar zoo wonderlijk met noesche zonne lag beklad. En Ursule en hield niet op.