—Mijn kind, nooit begrijpt ge de wilde smert, die ge mij hebt aangedaan. Ik heb gedacht dat ik zinneloos werd te wege. Maar alles is maar spel. Waarom spreekt ge niet? Waarom blikt ge zijwaarts? Zie me hier wachten naar een woord. We zullen wegloopen uit deze leelijke woonste en in 't blijde groen gaan schuilen. Ik zal u vertellen van de heerlijke toekomst ... hoe prachtig die eendracht—gij en Romaan....
—Romaan trouwt.
—Hoe wreed zijt ge, mijn Goedele! Wordt de jongen krankzinnig?
—Hij heeft me gezeid dat hij trouwde.
—Maar Wiezeken is immers dood!
—Laat ons zwijgen—moeder....
Ursule tort vooruit.
—Nu zwijgen!... Spijts alles, heb ik hope gehad. Spijts alles, wat me tot wanhoop neerdrukte. Ik heb me vastgeklampt aan een groot werk, dat in de toekomst liggen zou. Ho! ho! hebbe 'k niet gezwegen, jaren en jaren? Is niet van zwijgen mijn leven een lange calvarie? Spijts alles hebbe 'k mijn droom behouden. Mijne kinderen zijn in opstand gekomen. Ik had nóg hoop, tóch hoop.
Ze liet haar hoofd zinken op hare borst en bracht hare beide handen bedrukt over haar aangezicht.
—Nu is Romaan voor goed ... gestorven.
Langzaam verliet ze de kamer. Haar breede rugge schokte opwaarts, alsof sterkelijk klopte in haar lijf een geweldig gesnik.
Een zonderling gevoel kwam Goedele bewegen. Alle kwaadaardigheid was uit haar gedachten geweken, en ze zat nu heel beteuterd te herdenken moeders overweldigend wee. Om wille van Romaans nieuw besluit, hield ze op nog vertrouwen te hebben in de theoretische en uitsluitelijke bespiegelingen van haar broeder. Wat bleef er in waarheid nog over van heel dien kamp om vrije, onafhankelijke liefde? Hij trouwde. Hij deed heel kleintjes, heel gewoon mee met de dikke burgertjes. Hij werd "redelijk". Hij zou ook op strate loopen met Madeleen aan zijn arm, kreeftewijs, hij blikkend naar uitgestalde boeken, zij naar hoeden en nieuw-modegoed. Ze herinnerde zich goed dat ze zoo'n paar nagekeken had, eens op een dag—met Ameye.
Ameye!
Ze fronste hare wenkbrauwen, 't werd harrewarrig in haar hoofd. Ze dacht weer aan moeder. Ware alles niet beter, indien ze gehoorzaam ware geweest?
—Romaan is nu voor goed gestorven.
En zij, Goedele? Wat zou 't zijn, als moeder haar zondig bedrijf met Ameye te wete geraakte? In een vaag zicht, schemerde 't opwaarts in haar hoofd,—dat elkendeen binnen dees huis zijn eigen ongeluk, met verborgen, heimelijke gebaren bevorderde. En zij ook, door haar wilde overgave aan Ameye, had heur eigen ongeluk beraamd.
Al vroeg in den avond ging ze zich opsluiten in hare kamer. En op een nieuw herschudde ze hare onvaste gepeinzen. Ze ging langs 't venster na, hoe in den tuin de blauwe nacht lager en lager woog en hoe ginds het dichte loof der boomen langs de donkerte danig massief opduisterde. En dieper drongen hare gedachten, naar een verlangde oplossing.
't Moest opklaren om haar. Wat was er gebeurd dat ze zoo lichtzinnig weggevallen was in poelen van zonde? Ze kon 't zich niet uitleggen. Ze kon niet bespieden in 't jonge verleden den geleidelijken gang der omstandigheden en, erlangs, hare toenemende, onweerbare machteloosheid. Koppig wilde ze nu dat 't moest opklaren.
Een onschadelijke wind roefelde met zotte wippen door 't geluchte en het schaduwrijke bosschage roerde stillekens zijn zwart-doezelige randen. Naderhand heerschtte groote rustigheid tallenkant. Goedele staarde gestadig naar buiten, en ze vond in de verre duisternisse een gewillig plein voor den tocht van haar loopende ideeën. Ze bukte zich en leunde met hare kin in beide hare handen. De stad alginder zweeg. Rijzekens daverde nauw hoorbaar een dof rumoer. In huis was elkendeen te bedde.
Ze stond recht. Ze voelde haar eigen een groote schim zijn in de donkere kamer. Ze neep hardnekkig hare lippen te gare en hare oogen vielen toe. Ze had de harrewarrije in haren geest ontknoopt en stond met haar machtig lijf, vastberaden, tegenover de oplossing, die zich opdrong. Ze was besloten. Ze beet, sissend, haar eigen toe:
—Niet meer gaan!
Niet meer gaan. Ze zou bij Ameye niet meer gaan. Ze zou moeder helpen. Het was tochmoeder. Ze zou haar, met haar overige leven, gedienstig zijn. Ze kruiste hare armen over hare borst, en 't was, een tijdeken lang, alsof ze de toekomst tartte, alsof ze heel diepe eene aarzeling voelde en haar eigen in de toekomst tartte.
Rap stak ze een keerse aan en kleedde zich uit—maar, als ze haar witte lijf in den spiegel heel weelderig zag opbleeken, rilde ze. Ze vreesde haar onmachtig vleesch en 't klaterde daar in de schuinsche vlam van de keerse zoo rijkelijk....
Ze spoedde zich. Ze kroop in haar bedde, blies 't licht uit en bracht huiverig de frissche lakens over hare schouders. Nog neep ze koppig hare tanden saam en stiet:
—Niet meer gaan!
Ze hikte nadien, begon te beven over al hare leden, en 't werd een stotteren, een pijnlijke hakkelinge:
—Niet—meer—gaan....
Ze barstte uit in luid gejammer, weenend en snikkend hopeloos, en, al stortte thoope gansch haar sterk besluit, al sleerde ze weg, met lijf en ziele, in 't vorig slameur van passie en gevoelerigheid, ze stamelde, benauwd, verloren:
—Niet ... niet meer gaan ... niet meer ... niet-meer....
Ze drukte koortsig haar hoofdkussen in hare armen.
Ze was 's anderendaags vroeg te been. Ursule was nu teenemaal ziek geworden en kon uit haar bedde niet. Ze deed Goedele bij haar komen en vroeg zachte, of ze Romaan wou gaan opzoeken en hem uitdrukkelijk vragen wat hij van zins was.
Goedele ging.
Ze was tevreden dat moeder zelve haar doorzond. Ze liep. Nog nooit had ze den weg zoo spoedig afgeleid, en, als ze bij Romaan kwam en zijn bevestigend antwoord ontvangen had, was ze weer gichtig om weg te zijn.
Wat dreef haar? Ze drilde gretig over strate, en haar bloed joeg forsig ommedom.
Op de brugge bleef ze een wijlken in onzekerheid staan. Hare blikken volgden 't zonnig geklots van het water, waarin donkerend wegkronkelde de schaduw van een bootje. Hare kaken bloosden. Ze hoorde om haar 't bedwelmend rumoer van de ijverige stad en voelde, van weerskanten haar lijf, den haastigen gang der menschen. Even aarzelde ze nog....
Ze liep nu weeral. Ze smeet haar hoofd achterover in wild gebaar. Hare voeten klepperden vluggelings over de kasseide, en tegen haar voorhoofd sloeg gedurig 't schoone geweld van de zonne. Ze draafde voorwaarts, kleintrippelend, steegjen in en steegjen uit. De warmte, die langs hare leden opklom, deed haar deugd en ze glimlachte haast, al werend de zoete straling af, die neerpletselde uit den ronden hemel.
Ze stond meteen vóór 't kleine huizeken. 't Was de gewone stonde.
Zou Johannes wachten op haar.
Ze had den sleutel niet bij! Zoo lange dagen had ze in folterende angstigheid en koppig dwaas gedoe haar liefde verwaarloosd, en ze vreesde dat Johannes, moe van wachten, 't opgegeven had. Ze klopte.
Subiet schoof 't deurken open en hij stond daar, met gulzige blijdschap haar ontvangend. Hij leidde haar binnen, ontdeed haar van haar hoed en drukte haar sterkelijk tegen zijn borste. Hij en had geen verwijt. Hij bloosde van geluk. Hij en vroeg niet waar zij zoo al met een keer verwijld had, zonder verwittigen, en zijn blik was klaar, open, vol van zijne al-vergoedende liefde. Ze meende toch, beschaamd tegenover al zijne kieschheid, dat ze hem een uitlegging schuldig was, en ze haperde in ingewikkelde gezegden. Ze zette zich neer op zijnen schoot en omvatte zijn hoofd. Ze fluisterde:
—Ik ben stout geweest....
Hij kuste op hare lippen de ongemakkelijke woorden weg. Hare vingeren schoven streelend langs zijne slapen en sleerden door zijn haar. En ze zei:
—Ja—stout, en ondankbaar.... Och, weet ik nog wat er gebeurd is? Kijk me eens aan.... Ligt er ievers een leelijk speur in mijne oogen?
—Zwijg, lieve. Mij zie 'k dáar in een sterreken....
—Ge zijt goed. Wanneer was ik laatst bij u? Een eeuw is 't geleden.
—Een eeuw, ja....
—Herinnert ge u nog mij?
—Deugniet, die me lief zijt!
Hij lachte luid. Maar Goedele, in zwakke aandoening, voelde haar herte week worden. Het docht haar dat ze nooit dieper hare liefde gewaar was geworden dan nu. Ze zei, met bevende stemme, dat hij zekerlijk boos geweest was op haar.
—En nu ziet ge mij minder geerne. Ik merke 't aan mijn eigen. Zoo machtig woelde in mij uw beeld. Ik hebbe schuld, Johannes. Waarom zegt ge niet dat ik schuld hebbe? 't Is dat kleiner mijne schuld is in uwe gepeinzen, wijl kleiner uw liefde is geworden....
—Nu wordt ge schuldig, in waarheid.
Hij antwoordde heel ernstig, en ze bleven een langen tijd sprakeloos turen in malkanders wezen, tot weer hunne lippen te gare zich vereenden, trage en innig. Ze liet haar hoofd nadien neerzijgen op zijnen schouder, en haar warme asem fleerde matelijk langs zijn blooten hals.
De zonne, van uit de vierkante vensterruitjes, stortte in lichtende tichels op den vloer en zijpelde om hunne borsten, lager wegklaterend over hunne knieën. Op de geheven tjoppekens van Goedele's schoenen, tikkelde een leutige straal en spetste er veelvoudig uiteen.
Ze zwegen. Her geraakte hier de schoone peiselijkheid van vroeger, en vertrouwelijk schoven allentwege de welriekende luchten. 't Was de bedwelming van te voren, en ze voelden zich wegglijden, weerloos en gedwee, binstdat korter hun boezem opzwol. 't Was terug de liefelijke, al-beheerschende stilte, de gulden stilte, waarlangs hunne gevoelens ommezweefden en nevenseen overentweere wiegden, beladen met de weelde hunner passie.
Een logge wagen reed over de strate voorbij en traagzaam verwijderde zijn rollende wielrammeling. Ze luisterden er naar, eerst teenemaal omdaan door de zware geluiden, naderhand volgende met nauwkeurige zorgelijkheid het verre lawaai, tot heel wijd het dooddoedelde—endelijk dood.... Hunne gespannen aandacht was meegegaan, en nu waren ze precies in een groote leegte alleen gebleven. Maar des te inniger voelden ze seffens malkanders armen en malkanders lauwte. Te gare rokken zich hunne spieren en de struische drift steeg in hunne leden, met den rapperen klop van hun bloed. Goedele's lippen taakten zijne lippen en een warme nattigheid baadde hare oogen. Ze stamelde:
—Hebt ge mij nog lief ... nog ganschelijk lief?
—Eeuwig....
Hunne wimpers trilden en vielen toe....
Dus was weergekomen, zonder genade, de heerschappij van hunne liefde.
In Goedele en haperde geen aarzeling meer. Ze geraakte in vroolijke stemming, drevelde om de kamer, schikte entwat, dat van zijn plaatse was verschoven, en toonde zich buitengewoon opgeruimd. Getweeën waren ze nadien luid-lachend aan het spelen, malkander treiterend of kriebelend of peensend.
Nabij den noene stond Goedele beteuterd naar 't horloge te kijken.
—'t Is tijd!...
Ze zuchtte 't bijkans. Johannes zei dat ook hij weg moest naar zijn atelier, en verwonderde zich dat de voormiddag zoo ijlings verloopen was. Goedele vroeg:
—Naar uw atelier?
—Ja.
—Ik ga mee!
't Was zoo een plotselijke gril, en ze had ook nooit aan dat atelier gedacht. 't Was nu eene gelegenheid om eens alles af te zien en die onbekende kunst te benaderen.
Ze merkte meteen hoe Johannes subiet heel bleek werd. Een groote angst beknelde haar en ze wist niet meer wat zeggen. Hij bedwong zijne aandoening en kwam haar zoetekens omarmen, fluisterend:
—Dat ware wel aardig. Maar hoe komt ge daarop, nu juist, ten vollen noentijde? Saam dien grooten weg doen, in 't zicht misschien van bekende menschen....
—Ge kunt vooraan loopen. Straks vind ik u ginder.
—Ja, zoo is 't goed....
Ze hervatte zich seffens. Haar voorstel kwam haar dom voor, omdat hij 't zoo gul wilde aannemen. In hare hersens was, op dat éene oogenblik, de foltering gedrongen van wantrouw en jaloerschheid, en zoo verzinde ze nu een oolijke maniere om spijze te geven aan hare leelijke nieuwsgierigheid. Ze viel hem in de rede:
—Neen!
—Wat nog, lieve? Wilt ge u blootstellen aan de kwaadwilligheid van een praatzieke wereld? Zou 't niet onverstandig wezen, als we nu, na zoo veel voorzorgen, bij klaren dage onvoorzichtig gingen te werk gaan?
—Ik ga mee....
Ze was koppig, lijk ze thuis koppig was. Ze voelde dat hij haar niet geerne meenam en dat een reden daarvoor bestond, die buiten haar zinnen reikte. Had hij haar iets te verbergen? Zijn atelier lag eenzaam kantewaarts de stad, een groot houten ding met populieren eromme. Wat kon hij daar bergen, dat ze niet zien mocht? Hij was bleek geworden. Hij kon nu zeggen alle mogelijke sluwheidjes, ze zou gaan met hem en met hem den drempel beterten.
Hij kuste haar. Hij lispelde:
—Wat zijt ge koud!
Hij wreef over haar voorhoofd en streek trage heur haar zijlings weg. Hij bad streelend dat ze eens deugdelijk lachen zou en den rimpel langs haren mond doen wegzakken. Hij begreep niets van hare handelwijze, beweerde hij, en hij deed alle mogelijk gevlei om haar op te wekken. Hij vroeg endelijk:
—Maar wat meent ge?
Ze staarde heel diep in zijne oogen, tastte er naar gedoken gepeinzen, en trage sprak ze:
—Wat meent ... gij?
Hij werd ongeduldig, duwde koortsig zijn hoed op zijn hoofd, tort lastig over het tapijt, van end tot end, en bleef daarna stokkestijf rechtestaan.
—Nu dan.... Kom!
Goedele bibberde van ongedurigheid, binstdat ze zich aanschikte. Ze verlieten zwijgend het huizeken en stapten nevenseen, zwijgend, langs de straat.
't Was ijverig noenbedrijf in de stad. Haastig te rote dretsten voorbij de langhalzige fabriekwroeters. Matelijk scherrebeende hun beenderig lijf naar voren, en erlangs wapperde in gelijke schokjes hun blauw-katoenen veste. De meisjes taterden ondereen en een lach schaterde altemets boven hun beweeglijk groepje, terwijl even opstraalde de bleekte van die gezichten alteenegaar. Oude sukkeleers hinkepatjinkten achterna, bezeerd door 't zware geweld van de zonne, en ze kromden hun rugge om 't vuur van haar hevig gestraal te ontweren. Jonge guiten, met witte kaakjes bevuild door den damp, joepten van links naar rechts, druk bezig met rap gespeel. In hooger wijken was 't, bezij de eenvervige huizen, de moede gang van beambten, verslonden in dagbladlectuur, of de fiere prontigheid van anemieke winkeljuffertjes....
Goedele drilde daar midden in zonder spreken. Door hare hersens slingerden verwarde gedachten, en ze liet ze seffens los om nieuwe vaste te houden. Hoeverre was alweer de zoete vredigheid! Lijk gisteren, lijk ten uchtend was ze aan pijnlijke onzekerheid overgelaten. Romaan had zich verwijderd van haar. Ze vreesde het ergste, tegenwoordig. Maar, hoe ze ook een vermoedelijk feit uit Johannes' zonderlinge manieren trachtte af te leiden, ze stond altijd ten slotte vóor een vrage te weifelen, en ze maakte haar geest uitermatelijk moe.
—Wat moet ik vreezen?
Ze vreesde het ergste. Johannes blikte bijwijlen zijlings naar haar, en als hij hare oogen taakte, lachte hij stille. Ze voelde echter, al leuterde dan seffens een versche rustigheid in haar, dat hij zijn wezen tot een vriendelijk masker dwong. En seffens vreesde zij 't ergste.
Ze wist niet wat het ergste kon zijn. Holderdebolder wirrelden hare angsten door mekaar, kleine en groote. Wat grondelijk het allergrootste ongeluk zou zijn, wist ze zich niet voor te stellen. Alzoo was ze gedurig haar bangheid aan 't overdrijven door zotte sprongen van hare inbeelding.
Als ginder, tenden de laatste straten, de populieren, met gulden licht beklaterd, zichtbaar werden rondom 't atelier, vertraagde johannes zijnen gang en kwam dichter nevens haar zijn stap meten op den haren. Zonder opkijken vroeg hij of ze reeds een schildersatelier gezien had. Ze schudde ontkennend haar hoofd. Ze vond het akelig dat hij nu een lange beschrijving van 't kunstenaarsleven haar ontvouwde. Hij had daar over nooit gesproken. Hij zei:
—Artiesten zijn wanordelijk.
Was hij zich aan 't verontschuldigen omtrent wanorde? Goedele kreeg versch vertrouwen en minder hijgde ze, als hij de hooge poorte opendraaide.
Ze stonden in een kleine kamer. Hij zette zich neer in een sofa en bekeek haar lange, zonder spreken. Als een pale bleef ze rechte en haast kleurloos waren hare lippen geworden. Hij wenkte dat ze naderen zou en naast hem rusten een stondeken. Zij en roerde niet. Alles was haar hier danig vreemd. Was deze plaats door dezelfde hand geschikt, die, ginds in het huizeke, zoo brooze en subtiel te werke was gegaan. Hoe somber was hier alles aangesteld. Bronzen beelden reikten tallenkant hopelooze armen en de muren waren bespookt met nare gezichten. Ze kon zich niet inbeelden dat tusschen al dees donkere schimmen, langs al die diepten van kleuren en heimelijke lichten, Johannes verbleef. Maar ze zei niets. Ze wachtte. Hij sprak:
—Zijt ge nu voldaan, lieve?
Ze wachtte tot hij haar de groote werkzaal zou toogen. Ze was veerdig voor alle verwonderingen en ze bleef staan, roerloos en pal. In de halve duisternisse klaarde sterkelijk op hare matte bleekte. Ameye boog langzaam zijn hoofd en zonk weg in verre gepeins.
Geen minste gerucht bewoog. Op het schouwblad rustte een dood uurwerk. Bezij de deur hing een hoop kleeren en, ernevens, op een hoog tafelken, dorde een bloemtuil. Goedele voelde hier de moeheid van leven....
Johannes rechtte zich meteen en vatte hare hand. Hij bad:
—Geef me een zoen.
Ze lengde haren hals onsierlijk uit en kuste hem. Dan hief hij een grauwe gordijn omhooge en leidde haar binnen.
Het atelier schaterde in 't volle noenevuur. Op den drempel aarzelde Goedele bezeerd door 't felle licht, en de groote ruimte, die in deze zaal zoo machtig was, beknelde haar een oogenblik. Ze asemde zwaar en tort onvaste naar voren.
Van tallenkante keken de schilderijen naar heur. Ze schemerden vóor hare oogen, landschappen en binnenhuizen, àl verven van veranderlijk getintel, scherp omvat in gulden lijsten. 't Fonkelde onder mekaar. Ze trachtte zachte te glimlachen, omdat nu hare angstigheid verdwenen was en ze daar algelijk te rillen stond. Ze fluisterde, zich wendend naar Johannes:
—Wat doe'k dwaas, he?
Maar seffens ontstelde ze en onwillekeurig wankte. Ze reikte hare hand naar ginds, waar hoofdzakelijk een weelderig beeld opglansde, en stapte meteen, stijf en precies automatisch, er naartoe. In een toeten van hare ooren, hoorde ze Johannes, achter haar, zeggen:
—'t Is Mariëtte.... Ik had u dat portret beloofd.
Mariëtte! Ja, zoo was in waarheid Mariëtte! Mariëtte, half naakt in een weelde van blauwe zijde en thee-rozig fluweel, een wulpsche Mariëtte met natte lippen en min-zware oogleden. Ze murmelde:
—Mariëtte...?
Zoo moest Mariëtte zijn—een lijf van rijke blankheid, ongedekt en onverlegen, schoon en krachtig. Hare handen waren lijk de streeling zelve van de liefde en zoo djentelijk en lichte lagen daar hare vingeren, alsof ze alleen den last van zoenen zouden dragen. Haar hals verhief zich, ten-halve gebogen, en de blauwe schaduw van de kinne teekende nog vaster de heerlijke golving ervan. Daaronder praalde de onbevlekte effenheid van haren boezem, opbultend zonder geweld, en donzig als perzikrijpte. Bedwelmend was haar gansche aangezicht, verlicht, boven den blos der wangen, door 't geheimzinnig gestraal van wonderbare blikken.
Zoo was Mariëtte wel.... Maar wat somberde ommendom de donkere glimming van bruine haren? Mariëtte moest blond zijn. Goedele kreeg hoofdpijn en ze bracht haar zakdoek over hare oogen. Weer keek ze naar het tooverig beeld.
—Is dat ... Mariëtte...?
Ze merkte boven de lijst een rankje droog hulstgroen en ze meende dat ze nu weenen zou. Al luider tuitten hare ooren. Ze voelde in deze Mariëtte de weergave van heur eigen wezen. Dat warenhareleden, dat washaargelaat, bedorven en verschoond in bovenmatigen minnehandel. Dat washaarportret, de realiteit van haar verzonken bestaan, iets, dat zij had gedaan in gedachten en gebaren, en dat door Johannes ten geheele tastelijk was gemaakt. Ze raakte er de volledige voorstelling van haren val, en 't zicht ervan begon haar te walgen, al leefde nog zoo schoone daar, in doorslepen kunst van kleuren en schakeeringen, gansch hare liefde. Was 't dan die liefde zelve, die haar walgen deed?
Ze haperde met bevende blikken langs het takje hulstgroen en vluchtig zag ze in haren geest den drempel, waar 't eens was neergevallen. Duidelijk herklonk om haar het verre lied:
Ah! mosieu le capucin,T'as d'la veine,T'as d'la veine!...
Ah! mosieu le capucin,T'as d'la veine,T'as d'la veine!...
't Was Mariëtte! En hier was nu Mariëtte in onveranderlijke afbeelding aanwezig, met alles, wat zij, Goedele, nadien geworden was....
Ze dorst zich niet ommewenden naar Ameye. 't Docht haar dat ze walgelijk deed, en een zeerdoende schaamte neep om hare slapen. Ze woonde aldus bij, zonder hulp, de pijnlijke verbrokkeling van al wat zoo geweldig haar verlangen en hare passie uitmaakte. Ze voelde 't heel duidelijk, vermits al meer en meer haar geest vergrijsde in de algemeene harrewarrije van tinten en klaarten. Ze beet dan op hare lippen om niet te lore in hopeloos gesnik los te bersten. Dat was nog de kracht van hare eigenliefde.
Hij toetste haar en ze huiverde.
—Ge zijt zoo bleek....
Hij wilde haar omarmen en de emotie wegkussen, die zichtbaar was op haar gelaat. Zachte weerde ze zijne handen af, die haar niet liefderijk meer waren en wier streeling een smertelijke foltering geworden was. Ze voelde wel dat ze bedaren zou, en in versche geuten schoot naar heur hoofd de bedwelmende zekerheid dat ze door dwaze gevoelerigheid aangetast was. Ze had willen in een diepe donkerte gansch alleene zijn en stille.
Hij sprak niet meer en droeve volgde met angstige oogen haar minste gebaren. Als hij zag dat ze bevend haar arm uitreikte, midden de plaatse, naar een besluierde schilderij, zakte moedeloos zijn hoofd op zijne borste. Zonder roeren stond ze, haar vinger gestadig naar 't geheimzinnige doek gericht. Hij tort langzaam vooruit en deed de zwarte vool vallen.
Uit een duisteren achtergrond drong vlak naar voren, met intense uitdrukking, 't gezichte van een vrouw en 't blonde koppeken van een kindje. De vrouw en bezag het kindje niet, en ook het kindje keek niet op naar zijne moeder. Ze stegen uit de grauwe duisternis, die schemerde achteraan, en ze staarden, over de gulden lijst, rechte vooruit. Niets was hier bestaande dan deze gezichten: hunne lijven, somber bekleed, vielen weg in de schaduwen ommendom, maar geweldig sprongen uitwaarts de bleekheid van de vrouw en de zoetige blondheid van het kindje. Eene groot-menschelijke schoonheid lag droomend om 't gelaat van de moeder: rijzekens ingevallen waren hare wangen en een kleine diepte blauwde onder de slapen, maar sierlijk was de vorm van haar gansche wezen. De effene blankheid van haar voorhoofd straalde hevig onder de warme verve van heur vaste haar en een klaarte omlijnde de regelmatige buiging van haar neuze. Lichtelijk beschaduwd was haar bovenlip, binstdat de ronde kinne onderaan in halve helderheid optinkelde, en te midden rijp-rozig praalde, in strengen neergang, haar fijne mond.
Deze vrouw was niet schoon door uiterlijke schoonheid, maar diep-menschelijk was ze, en schoon daardoor. Een onzeggelijke droefenis verzwaarde hare blikken en ook niet leutig staarde het kindje nevens haar. 't Was alsof in de grauwte achteraan een onzichtbare noodlottigheid deze twee tot lijdelijke bezorgdheid doemde, alsof gedurig een kwaaddoende hand tallenkant over hun hert de smert van leven deed voelen. Een geheim zweefde om hunne oogen en ze waren lijk gezichten, die men uit klare vensters meteen verre in den nacht ziet turen, alwaar ze niets ontwaren kunnen en waar schuilt de komende gebeurtenis van hun ongeluk.
Een doffe kreet was pijnlijk uit Goedele's keel geroteld. Met éen slag stortte alles neer, wat haar opjoeg tot zinnelijk leven, en ze was nu een gebroken wezen, kapot door hem, dien ze boven alles had geliefd. Een uiterste oproer verwrong hare spieren en ze sprong voorwaarts, naar Johannes. Ze vatte hem bij zijn arm en al hare krachten hoopte ze opeen om met hatelijke oogen zijn droeven blik te weerstaan. Ze hijgde en deed schrikkelijk geweld om haar reutelende woorden over haar tonge te stooten. Ze hakkelde:
—De moeder van dees kind?... Van dees kind?...
Ze schudde hem en prentte hare nagels in zijn kleeren. Ze wou 't hem doen uitspreken, uit zijn mond vernemen de waarheid, die ze nooit had durven aanzien en die nu oprees, vreeslijker dan ze had kunnen vermoeden. Ze riep:
—Spreek ... maar spreek!
En hij sprak niet. De tijd, die verliep, rukte precies haar vleesch vaneen.
—Zijt ge niet laf?... De moeder van dees kind.... Ik verzink, ik verzink, o mijn God!
Ze verlamde meteen en hare vingeren sleerden ontspannen langs zijnen arm. Met doffer stemme, na een stilte, die in gansch hare lengte de kracht van het volbracht gevaar begeleidde, sprak ze, schijnbaar bedaard:
—Zeg me wie deze vrouw is, Johannes.
Hij boog zijn hoofd en zuchtte. Hij vond geen gezegde om haar te stillen, om haar te troosten, om weer op te wekken in versche minneweelde haar vernederd hert. Hij zweeg.
—Zeg me—wie, Johannes.
Ze wist het. De droomende treurnisse, die gansch het beeld omlichtte, die 't kenbaar miek voor haar, Goedele, de gedoken oorzaak van de treurnisse zelve—'t was allemaal een laaie openbaring. Hare lippen beefden en rappe stralen fonkelden noesch weg uit hare oogen. Hij zei, voelend dat haar niets te verbergen meer overbleef:
—Mijne vrouw.
Ze ontving zonder wijken de harde bekentenis. 't Was haar alsof ze midden puinen stond en allentwege om haar kwam de wijde droefenis, die nievers een ende zou krijgen. Langzaam keerde ze zich omme en tort, schokkend bij elken stap, naar de deur. Ze hoorde in 't gezoef, dat haar hoofd vulde, nog Johannes' gebroken stemme:
—Goedele!... Goedele!...
Ze hief zonder haaste de fluweel en gordijn op, ging het duistere kamerken door en geraakte op straat. Dan liep ze, recht vóor zich uit, en zij en dierf niet ommezien. De gezichten der menschen, die haar voorbijsleerden, waren lijk bleeke vlakten, geruchtloos schuivend in nattig geluchte. Waar was de zonne? 't Was al grijs en nevelig wat haar omdeed, en de gezichten doken spokig daarin op, werden groot en spoedden zich achterwaarts. 't Herklonk een tijdeken als een ver geween:
—Goe-öe-dele!
't Klabetterde tegen de luidelijke beenderen van haren schedel, die als een holle kasse aan 't ratelen ging....
Moe, afgemat kwam ze thuis aan. Het ijzeren hekken krijschte trage open en ze viel bijkans voorover. Ze zag Justa en vroeg, verwilderd:
—Zijde gij hier nog?
Ze lei haren hoed op een stoel, en, als ze de gewone dingen hier gewaar werd, die tafel en die kasse en 't gezellige klavier, stortte hopeloos haar wee over haar. Vader zat bij 't venster met een kaartspel aan 't tellen. Zijn grijze krullekop zilverde aardig in 't zijgende licht. Ze had hem willen kussen.
Hij keek op en verwonderde zich, lachend:
—Ha!... gij....
Hij zette seffens een bedrukt gelaat, lijk iemand die zich meteen herinnert dat hij treurig moet zijn, en vertelde dat moeder in den voornoene onder een leelijke geraaktheid was gevallen en dat ze nu zeer ziek te bedde lag. Goedele liep uitzinnig de trap op.
Voor de eerste maal sinds lange vreesde ze dat moeder lijden mocht, en in haar verward gemoed klopte 't verwijt—dat ze schuld had aan moeders lijden. Ze beukte struikelend tegen de deur aan. Ze stapte binnen paalrechte, gewelddoende om niet omverre te stuiken, en naderde zoo de sponde. De witte lakens werden een duizelige beweging in hare oogen en moeders hoofd, dat haast vierkantig op de klare kussens rustte, beschaduwd door diepe oogholten, schemerde aleens stille weg, om subiet weer ruw en hard op te bulten.
De aandoening ging uitjagen in Goedele's borst en hare wimpers werden heet.
Ze stamelde:
—Moeder....
De klank van haar eigen stemme kwam hare emotie overdrijven. Ursule vroeg:
—Zal hij trouwen?
Trouwen? Goedele zag subiet het povere kamerken van Romaan, waar ze gedrieën een nieuw geluk bewerkten in liefelijke eendracht. Ze knikte, niet goed meer wetend wat eigenlijk hare boodschap geweest was.
—Ja.
Ursule in een uiterste poging rechtte zich en zat overend. Haar wezen werd grauw van ingetogen woede. Ze duwde hare vuisten in haar hoofdkussen en hare nagels krabden hoorbaar over het gespannen laken. Ze vroeg op een nieuw, binstdat ze hare lippen, in vreeselijke gramschap, uitlengde naar Goedele:
—Zal hij—trouwen?
—Ja, moeder.
—Hein?
Ze hijgde en een reuteling rochelde nattig in haar keel. Ze wachtte naar 't herhaalde antwoord en 't was alsof ze tóch hoopte dat het niet zou herhaald worden.
—Ja....
Een snok rukte haar kinne naar omhooge en terwijl ze achterover neerzakte, stiet ze met een worp al haar haat, haar wilden, grenzeloozen haat uit haar boezem—een walg en een grijnzen:
—De hoere!
Haar mond bleef halvelings open.
't Was voor Goedele een verschrikkelijke slag en 't woord hing een stonde te daveren in 't geluchte. Ze viel op hare knieën, vatte moeders hand en begon te snikken en te roepen, geen andere uiting meer wetend voor haar wanhoop, geen hulpe meer vindend in niemand, noch steun in geen toekomst.
Ursule was leelijk aangetast. Dagen na dagen bleef ze liggen in haar bedde, zich opwerpend somtemets, naderhand afgemat en roerloos. Ze sprak niet. Ze kon niet spreken, hoe ze ook geweld deed om een gedacht luide te doen opklinken. Ze bracht onzinnig geratel uit, en ze lag dan weer zwijgend te turen heel strak naar de zoldering. De dokter die haar dagelijks bezoeken kwam zei dat ze groote rust noodig had en dat men haar omtrent alles moest involgen. Hij merkte niet hoe woedend ze telkens was, als hij verscheen, en hoe ze met hare oogen teeken deed dat men hem wegjagen moest.
Met rust en groote zorgen zou ze stilaan genezen. Veel tijd was daartoe noodzakelijk en veel voorzichtigheid.
Goedele zat gestadig aan de sponde en deed met effen verduldigheid al wat haar de minste grillen van Ursule opdrongen. Uitermatelijk dienstveerdig en welwillend, liep ze links en rechts, naar den wenk van moeder's ziekelijke onstandvastigheid, de kamer rond. Geen weerzin voelde ze en geen moeheid. Ze hield zich alzoo in drukke bezigheid en het was voor haar in feite eene afleiding.
Want geen klaarte was nog in hare zinnen gekomen. Het schrikkelijke voorval had haar verdraaid en in haar duizelig hoofd daverde gedurig een onoplosbare harrewarrije. Ze beleed zonder uitkomste een knagend, dof wee, en haar lijf was nu iets geworden dat ze pijnlijk tallenkant meesleurde, achter de troebele zucht van haar strijdende gepeinzen. Ze dacht niet aan Johannes: met éen schok was hij weggerukt geweest en heel verre schemerde ievers zijn onzekere schaduw. Ze had geen behoefte te denken aan hem, die zoo wijd bestond, teenemaal buiten 't bereik van haar denken. Maar onophoudelijk dacht ze aan een bange gebeurtenis, aan een groot geweld, dat volbracht was, iets zonder vaste vormen, zonder kleur en preciese maten—een massa, opdonkerend zoo subiet, juist achter haar. Verder was geen verleden: 't verleden en reikte niet verder, geborgen door de donkerte van dezen opzuilenden paal. 't Was een nacht, die alle dagen dook.
Een weke verliep, en nog altijd wist ze geen uitslag aan haar lijdelijk gemijmer. Nog was ze werkzaam, in de duffe ziekekamer, en ging lijk dronken gebogen onder de vracht van het volendigd ongeluk. Even verre en ondoordringbaar bleef 't verleden, naar achteren en buiten zicht geduwd door gindsche vervaarlijke somberheid.
Goedele luisterde naar moeders asem, als ze sliep, of beloerde haar minste gebaar, als ze lastig te spartelen lag onder de sargie. Ze lonkte alles na, bezorgd en ordelijk. Ze handelde niet ganschelijk bewust, maar bevreesd voor nieuwe rampen, die ze niet bepalen kon en waar ze nievers een opkomende oorzaak voor ontwaarde. Ze handelde heel bang—tevreden dat ze handelen mocht en dus den zeerdoenden tijd opstoppen, die tallenkant met benauwde leegten te gapen hing. Ze bedwelmde zich met werken, met hergaan; ze maakte zich zwaar-dom in gestadige beweging om niet, al rustend, achterwaarts te kijken naar de hooge schim van 't verrichte noodlot.
Na de derde week kreeg Ursule heur sprake terug, maar ze was nog niet losgeraakt uit eene luie verwikkeling van hare gedachten. Ze was lijk eene die, verdwaasd na een harden slag, zich om alles verwondert en niets met zekerheid benaderen durft. Bij Ursule echter ging dat lanterfantig gedoe van hare hersens gepaard met de sprongen van hare prikkelbare lastigheid. Ze lag altemets stille te kouten met Goedele.
—Zie eens hoe de zonne ringskens teekent over de ruiten.
—Ja, ringskens.
—En hoe ze sterrekens puntelt in het stof, de ruimte langs....
—Ja.
Ze deed dan meteen een kwaad gebaar en riep:
—Wat een boel! De lucht is dikke van vuilnis.... Maar wie kuischt hier, wie moet hier het huis opruimen en zuiver houden? Of wilt ge mij allemaal den dieperik inhelpen met uwe wanorde.... Leêgaards! Leêgaards!
Ze was niet te stillen, en ze schreeuwde tot heel blauw haar hals werd en ze nadien, al hijgend, roerloos wegzakte in de kussens.
Goedele baadde dan haar voorhoofd met ijswater en paaide haar heel zoetig, belovend dat ze voor alles zorgen zou.
Andermaal waren ze getweeën precies aan het spelen met Seppie. Goedele rolde een balletje papier en gooide 't over den vloer. Het hondje sprong gretig er naar toe, trachtte het beweeglijk speelgoed vaste te vangen tusschen zijne grabbelende voorpooten en wilde 't gek-vlugge vaneen rukken tusschen zijne tanden. Zijn muilken snuffelde haastig hier en daar, hapte vergeefs te dichte of te verre. De bal joepte kantewaarts, rees langs zijne onervaren nagels weg en liep een endeken wijder. Seppie bleef een wijle plattebuiks loeren en wachten tot dat levendig ding stille zou blijven. Hij mat zijn wip, pootelde slibberend naar voren en stiet dwaas tegen 't papier aan. Even ruischte het en rolde het te lore onder de kasse. Nu lag hij te krabben om het her in 't bereik van zijn neus te halen. Hij kantelde op zijn linkerflank omme en stiet hopeloos met zijn achterpooten, binstdat zijn kodde koortsig overentwere te vlaggelen begon.... Hij gaf de poging op, rechtte zijn vermoeid lijf en stond zijlings heel dom naar Ursule te kijken. Ursule troetelde:
—He-wel, mijn floddereerken, gij zotte bobijne! Ze lachte met luidelijke leutigheid, en Goedele moest Seppie oppakken en hem op 't bedde zetten, waar hij seffens aan 't luierikken lag onderdefleerende vingeren van zijn meesteresse.
Maar subiet kwam een nieuwe koortse Ursule aantasten en ze pruttelde:
—Nah ... nah ... de schoone sargie, de schoone lakens.... Kunt ge zijn pooten niet proper maken, eer ge hem hier alles schenden laat. Och God, och God! wanneer zal ik genezen zijn en dees huis bestieren, dat naar zijn ondergang wil!
Goedele verdroeg hare buien, en zoo gingen de dagen om. Ze deed niets liever dan moeders verlangen benaderen, en zij en had geen pijne, als haar een ongegrond verwijt toegesnauwd werd.
Met dezelfde gewilligheid ontving ze de bezoeken van Sebastiaan. Ze deed hem nu dikwijls komen en de jongen was aangedaan om den wille van hare brave liefelijkheid. Ze was niet meer ruw met hem. Ze zocht zijne nabijheid zonder den wrevel te vreezen, die opging langs 't vrome gebaar van zijne handen. Ze zaten weer saam aan moeders voetende, en hij kon er spreken van zijn vele werkzaamheid, van zijne toekomst. Als Goedele hem bezig hoorde, zijn woorden volgend, die heerlijke plannen omschreven, had ze aldoor eene zwijgende aandacht. Maar, al knikte ze en liet ze geen minste gezegde onbeluisterd, ze taakte niet al wat hij vertelde voor haar. Hij zat, lijk altijd, te zoeken naar schoone zinnen, trage en zorgvuldig.
—Mij, Goedele, overvalt gedurig het prachtige zicht der toekomst, waar gij almachtige godinne zijt. Ik schik dan alles en verander hier en daar een beeld, en 'k zoeke vlijtig of 't nievers u bezeeren kan. Zoo scheppe 'k in mijne gepeinzen de zoetste zoetigheid om u, en—hoe zou daar entwat haperen, als gij er lachend en stralend te midden staat...?
Hij liet eene korte stilte gewichte geven aan de golving van zijn stemme en voegde er bij:
—Ik ben gelukkig dat ge mij aanhooren wilt. Hij verwijlde alzoo met weeke profijtelijkheid in 't gespeel van welluidende zinnetjes. Het was klaar te merken dat de vorige onverschilligheid van Goedele alras vergeten was en dat hij, lijk eertijds, zijn precieuse doening herpakte. Hij schreef de plotselijke veranderingen toe aan Goedele's grillige jeugd.
En Goedele, tuk op vermoeiend bedrijf, deed ook al het mogelijke om hare houding weg te vegen uit elkendeens herinnering. Heimelijk meende ze daardoor haar eigen geweten effen te krijgen. Ze beantwoordde Sebastiaan met ongeveinsde gretigheid. Ze wachtte zelfs ongeduldig naar het dalen van zijn langzame gezegden, om subiet haar gulzige woorden te plaatsen. Ze boog zich naar hem en praatte zoo, dronken van eigen stemgeruisch. Ze interesseerde zich aan zijne studiën over Hieronymus Bos.
—Wat vind ik zoo'n man wonderlijk—zoo bezig gestadig met buitensporige fantazeering, een hoofd vol wangedrochten, hanen met ezelsooren, kiekens met snoeksmuilen en honderompen met klein-kinderbillen.... Als dat nu altegare holderdebolder uit een nacht te voorschijn komt lijk uit een grauwe spelonke....
Ursule opende rijzekens hare oogen en mompelde dat ze wat anders vertellen moest. Ze glimlachte:
—Ik zie permintelijk al die dwaasheden!
En Sebastiaan omdeed dan met kunstige epitheten het leelijke zicht, zoodat nog alleen de ontzaglijke kunst van Bos overblijven moest.
En omme gingen de dagen.
Ursule, alhoewel ze haar bedde nog niet verlaten mocht, was toch op goede beterschap, en hare gedachten klaarden op. Ze herzag met stiptelijke nauwkeurigheid al wat gebeurd was, en ze lag dan in versche hope te beramen een nieuwe instelling. Ze stapte over 't gebeurde heen om met sterke moedwilligheid de toekomst in te richten. Het ideaal, dat ze zich al zoo langen tijd gesmeed had, kon ze niet ten geheele loslaten: ze zou nu met Goedele alleene de schrikkelijke zaken herdoen. En ze verzinde grootsche werkingen.
Op een dag, in den valavond—ze lag nu meerendeels alleen—liet ze Goedele bij haar roepen.
—Zet u, mijn kind.
Ze was uitermatig zachte en glimlachte. Dadelijk voelde Goedele dat de vroegere oolijkheid weergekomen was, maar niet als eertijds steeg in haar boezem de verontweerdiging of de gramschap. Ze verdroeg lijdzaam alle uitdrukkingen van moeders karakter. Ze verlangde zelfs dat ze eronder lijden mocht. Ze wilde geerne gekastijd worden, en ze zou geen minste beweging doen om den stoot van moeders slechte inzichten af te weren. Ze wilde zeggen, seffens:
—Moeder, g'en moet geen omwegen maken. Ge moogt subiet eischen de volle bevrediging van gansch uwen wil. Ik zal u gehoorzamen.
Ze vreesde echter dat moeder 't zou euvel opnemen, en ze moest moeder alle leed of luttel verdriet besparen. Ursule sprak, fleemend:
—Morgen uchtend moet ge een brief sturen naar notaris Van Kalken. Ik zal hem onderteekenen. Ge zegt daarin dat ik te Heysse die plezante villa koop, waarvan hij me gesproken heeft. Ge zegt dat hij onverwijld de noodige maatregelen nemen moet, en dat we om de maand nog alginder willen wonen.
—Ja, moeder.
—Ik doe 't voor u, mijn kind, die bleek wordt en zekerlijk de groote lucht noodig hebt. Ge hebt me zoo liefderijk verpleegd en ik ben nu ook gelukkig, omdat ik u met zoo'n villa gelukkig maken kan.... Wat zal dat ook heerlijk zijn, he? Zijn we al eens in Heysse geweest? Ik herinner me niet....
—Ik herinner me niet, moeder.
—Ja, dat zal heerlijk zijn!
Ze zweeg een stonde en de avond daalde daarbinst. De beweeglijke deemstering speelde om de venstergordijnen, grauwe schaduwen leggend langs de plooien, en ze kwam neerwaarts doezelen bezij de muren om haar dikten op te stapelen in de hoeken, binnen de schouwe of onder de kasse. Van daar reikte ze vreesachtig hare schuwe armen over den vloer, verder en verder vingerend tot allerzijds een halve duisternisse waarde, waaruit alleen opflikkerden nog de witte beddelakens en de klatering van de vensterruiten.
Ursule wist den gemoedelijken invloed van den avond. Ze nam stille Goedele's vingeren, fluisterend:
—Kom dichterbij, mijn kind....
Ze streelde hare armen en liet heel trage hare woorden beelden worden in de wattige donkerte.
—Mijn kind, uw grootvader was een arme visscher. Jaren en jaren zwoegde hij en wist, door zijn schrandere kunde en zijn hardnekkigen moed, zijn sterke werk tot bloeiende uitslagen te brengen. Maar als zijn geest aan 't verzwakken ging, heb ik 't beleid van zijn zaken op mij genomen en de doening doorgezet. Wij zijn geslaagd. 't En was niet, mijn kind, te danken aan een gelukkige saamkomste van meevallende omstandigheden. Wij hebben ons goed met aanhoudend geweld gerukt uit den klauw van het noodlot. Wij hebben gezwoegd. Gelooft ge, Goedele, dat al wat hier u omringt en zachte uw niets-doen steunen komt, door ons al schattend en nagelend, stukje bij stukje werd binnengebracht? Het moet u moeielijk te denken zijn, hoe pijnlijk uw welzijn is tot stand gekomen. Gij hebt geen sreke daarvoor gedaan, en gij kunt dus niet weten hoe wij die weelde bereikt hebben,—die weelde voor u. Maar wat is deze weelde? Wat is een leven, dat niet werkzaam is—en dat geld, al dat geld? Zoo insgelijks moet geld werkzaam zijn, mijn kind....
Goedele luisterde met aandacht, en, binst de donzige schemering, klonk moeders stem met endelooze goedheid om. Ze liet de klanken zacht aankloppen tegen hare hersens en de beelden werden zichtbaar overhand. Geen aandoening wekte in haar de trage gezegden, maar ze hielden haar geest bezig, zoodat geen ander gepeins er folteren kwam. Ze leunde tegen 't bedde, en ze voelde gestadig 't gekriebel van moeders vingeren over hare hand. Ursule zei:
—Als grootvaders geest aan 't verzwakken ging, heb ik 't beleid van zijn zaken op mij genomen, ja. Naderhand ben ikzelve verzwakt en niemand was daar om de vruchtbare doening door te zetten. Nu zijn we langen tijd gebleven zonder nuttig bedrijf, en dàt is zonde. Wat wij door werken gewonnen hebben, moet verder door werken oogsten dragen. Ja, oogsten dragen. Meent ge niet, mijn kind, dat we hier lam en schuldig de dagen langshenen slenteren? Meent ge niet dat we schadelijk zijn?
Ze zweeg een wijlken.
—We zijn schadelijk, omdat we de leêgheid van onze handen bevoordeeligen. En, ziet ge, ik had gedacht eertijds: later wordt mijn jongen groot en struisch, later schiet mijne dochter krachtig op, en dan werp ik den last van mijnen rugge en dan zie 'k mijn kinderen met nieuwe sterkte het schoone gewicht dragen ... later.... Toen heb ik den tijd afgewacht, maar de tijd is niet gekomen.... Toen heb ik geweld willen doen.... Toen is mijn jongen vergaan, verre van mij, te lore, te lore.
Dikker stapelde de duisternis zich tallenkante thoope. Goedele zag rijzekens in 't witte gelaat van Ursule de donkere schaduw van den mond, die roerde. De oogen echter, weggeveegd door den dompigen nacht, zag ze ziet.
—En zal ik nu alle hoop moeten verlaten, mijn kind? Zal ik, na alle verlies, de laatste toevlucht, die nu rest, verliezen? Ik vrage u dat. Ik dwing u niet. We moeten discuteeren.
Naarmate ze dichter haar doel naderde, deed ze zoeter fluisteren haar wiegende stem, en ze trachtte na te gaan op Goedele's wezen, dat vlak onder de schuinsche klaarte van 't venster nog opbleekte, hoe hare woorden een doordringenden invloed kregen. Goedele's wezen bleef stille en aandachtig. 't En was geen moedeloosheid, die er over lag; 't was een geduldige ondergeschiktheid, alsof ze nu op voorhand alles aannemen en verdragen zou. En, in waarheid, ze verdroeg op voorhand alles zonder onderzoek, gewillig en gedwee. Ze meenden erdoor stilaan haar zondig gedrag te vereffenen. Ursule vroeg: Zoudt ge mij gehoorzamen ... in alles?
—Ja.... Ja....
—In alles wat mijn wil mag zijn? Want, ziet ge, mijn laatste hoop is in u. Mag ik op u berusten?
—Ja, moeder.
Ze zei 't trage en vastberaden. Een plotselijke emotie schoot op in Ursule, en op hare lippen kwam roeren de kleine krulling van een heimelijken lach. Ze bleef een wijle in de voordeelige donkerte alreeds genieten van de zegepraal, die naderend was. Ze vatte nadien Goedele's arm en deed haar dochter buigen, tot ze haar asem voelde in heur haar. Ze lispelde:
—Ik dank u, ik dank u, ik hebbe u lief.
Ze rechtte zich dan, zat bijkans overend op de kussens en hare handen kwamen roerloos liggen nevenseen, profijtelijk op de sargie. Het was bij haar een gewone houding, als ze een gewichtige zake aantasten moest. Hare duimen taakten mekaar. Ze sprak:
—Nu zullen we geld gaan winnen. Weet ge wat dat is? Het geld komt binnen, uit al die menschenvingeren, die schuiven en plakken viezelijk eromme. Het heeft een plezanten klank. We maken er hoopkens van. We doen het werken, 't holt en 't schaveelt ijverig tallenkant, waar ik weet dat het veilig is ... en 't komt hier aanrinkelen, verdobbeld, vertiendobbeld. We maken er weer hoopkens van. Ja, ja, mijn kind, het is een liefelijkgespeel.... Endelijk tellen we de hoopkens te gare.
Ze likte met hare tonge trage over hare lippen, maar hare handen bleven onbeweeglijk liggen. Op denzelfden toon, bijna zonder overgang in de daling van hare stem, zei ze:
—Trouw nu ... trouw nu gauw met Sebastiaan ... ons basis is sterker, als ge getrouwd zijt met hem.... Waarom schrikt ge, Goedele?
Goedele had geschrikt. Al was haar inzicht tegenwoordig toch met Vrebos te trouwen, ze wist niet dat de daad zoo dichte bij haar was, gereed om te gebeuren. Ze meende wel dat niets restte van haar vroeger leven en dat haar geweten bedaren zou in eene opoffering ... in dees huwelijk, dat elkendeens wensch omsloot. Ze meende 't zoo allemaal wel. Maar dat de dag alreeds dreigend opduiken zou, haast tastbaar, was een gedachte waaraan ze zich geerne hadde langzaam gewend. De leelijke wezenlijkheid moest voorbereid worden en ginder achterwaarts zou dan de schrikkelijke massa wegschemeren, die er voortdurend aan 't spoken was. Ze stamelde:
—Ik schrik niet.... Ik zou willen denken, een beetje. Ik zou willen alles bezien, eerst, en de toekomst doen opklaren. Ik zie niet goed daarin....
Ursules mond viel in gramschap open:
—Hein?
—Ge moogt u niet opjagen, moeder. Ik zal u gehoorzamen. Laat me eens stille overwegen....
Ursule zakte thoope in den konk van de witte lakens. Ze deed hare oogen toe en hare vingeren krulden te zamen, stuipachtig geweld doende onder de sargie.
De nacht was teenemaal aanwezig, en rijzekens haperde nog een schuchtere blauwigheid langs de ruiten van het venster. Goedele stak dan het gaslicht aan, en de vlamme sprong laaierig omhooge, waarachtig de stilte brekend, die lastig in de kamer was gedrongen.
De villa werd aangekocht, opgeschikt en seffens bewoond. 't Was voor Goedele in den beginne een versch leven, en ze vond hare gansche bezigheid in den tuin, waar 't alles zoo gezellig was aangelegd. Kleine wegelkens kruisten er dweers en door, en diverse borduren van rozen en geraniums en ander gebloemte kleurden sierlijk erlangs. Vooral de wijdte van den grooten hemel was haar eene deugddoende nieuwigheid. Ze volgde met emotie de langzame vaart der wolken, daar bollend pluimlichte in de zonnige diepten....
Maar naderhand was de grootsche doening der natuur een kwalijke aanstoot, en 't driftige verleden, met al zijne gulzige levendigheid en zijne onstuimige passies, doemde opwaarts allentwege. De opzuilende duisternis viel in reten open en, omvoold arets door azurig geschemer, stegen de verschillige beelden van hare liefde.
Ze zag Johannes.
Hij en wekte geen afkeer bij haar. Hij was geworden een droom, niet te genaken, en ze kon, zonder wroeging, in gepeinzen herleven het zoete bedrijf van hunne jeugd. En alles was verre, verre....
Tot somtijden haar boezem te hijgen begon en ze sterkelijk versche roerselen gewaar werd in haar lijf. De ruimte om haar was haar nog te nauw. Haar vleesch tingelde en gloeide.... Ze liep dan in huis en babbelde onzinnig met vader, of ging neerzitten nevens Sebastiaan, leunen tegen zijn schouder en strak beloeren het vrome gepeuter van zijne vingeren. Zoo kwam de rustigheid stilaan terug, en terwijl ze weer opkeek naar 't verleden, was alles verder nog dan te voren, heel verre, heel verre.
Als 't were schoon was en de volle zomerzonne neerklaterde in gouden fonkeling overal, wandelde ze alleene met Sebastiaan het wijde veld omme. Sebastiaan kwam kort na den noene, en zoo wandelden ze samen tot den avond. Ze overdreef hare vriendelijkheid en hij, overgelukkig, pronkte in 't genot van zijn man-zijn, zijn meester-zijn. De plotselijke omdraai van Goedele's handelwijze was bij hem gauw begrijpelijk geworden en, in naïeven overmoed, schreef hij nu de verandering toe aan zijn eigen geduld en karaktervastheid. Hij stapte nevens haar en voelde zich groot en sterk. Geerne tastte hij 't gewicht van haar lijf op zijnen arm.
Eens—de avond was al dichtebij en westewaarts vuurde de late zonne in een draaiing van gloeiend licht—waren ze, langs een pijnboschje, buiten hun weg geraakt. Op de akkers, die verder zich uitbreidden, naar het dal toe, waar schuilde het kleine dorp, zwoegden de oogstwroeters, lage gebukt en traag-wordend onder den last van het machtige werk. De winden waren stille gevallen, en altemets klonk in 't zwijgend geluchte de roep van een boever of 't krijschend gewet van een zeis. De boomen legden lange schaduwen over de baan, en de barmen ook hieven zich donkerend op tegen den purperen hemel.
Voor de eerste maal welde in Sebastiaan de aandoening van zijne liefde brandend op. Hij werd zenuwachtig en de taking van Goedele's handen deed heete lochten walmen naar zijn hoofd. Hij antwoordde kort en verlegen op wat ze hem heel lichtelijk aan 't vertellen was, en zijne slapen werden soms danig koud. 't Lag gedurig op zijne lippen ... nu eens krachtig vooruit te komen met een innig woord, nu eens uit te spreken al wat hij zoo meteen in zich bruischen voelde. Maar hij was schuchter. Waarom kwamen de zinnen nu niet sierlijk te reke, lijk altijd? Hij had er nooit aan gedacht dat hij eens de zotte begeerte zou hebben deze vrouw wild op zijne borste te drukken. 't Verlangen dorde zijn kele, en hij zweeg. Hij werd gewaar dat hij hakkelen zou, en hij vreesde er heel deerlijk en belachelijk uit te zien.
De avond was aan 't weven zijn doorzichtig floers, en ginder, matelijk vooruit-tertend, bukten de maaiers in geweldig bedrijf. Een puiken wipte in de gracht en niets roerde weer daarna. Goedele verheerlijkte de mooiheid van alle kleuren, die zacht ineenvloeiden, neventinten vlechtend daartusschen, menig en wonderbaar. Een wijde vredigheid was, lijk een effen vijver, spiegelzoete in haar.
Sebastiaan bleef meteen staan en vatte hare hand. Zijn gezicht was onverkennelijk, zoo diepe had een koortsige emotie er over gewoeld.
—Goedele, wacht....
Ze keek op naar hem en verwonderde zich over zijn zonderling gebaar. Hij sprak dan, schokkend, jagend de woorden de eene na de andere, in éen asem zijn liefde zeggend.
Het was een andere precies. Goedele had gemeend dat hij altijd maar vertijen zou in een welsprekenden, kouden minnehandel, en ze had althans lichter 't gedacht van een huwelijk met hem aangenomen. Ze merkte nu in zijne oogen iets dat haar Johannes herdenken deed. Haar bloed schoot in plotselingen afkeer opwaarts. Hij sprak:
—Daar foltert mij een pijnlijke knaging. Daar is nievers een peiselijkheid. Daar is nievers een deugdelijke kilte. Daar is overal, overal—u! Wat moet ik doen met al mijn gelijke dagen? Hertel de vele maanden, die reeds verloren zijn achter ons. Ik kan niet meer verdragen 't idee van langer wachten en meer verlies. Maar kijk! wat zult ge beslissen? Ik ben onmachtig. Ge zijt zeer lief met me. We moesten saam wegvluchten uit gindsch groote huis van de stad. En alhier zijt ge gevlucht—en gij hebt het gansche huis meegenomen! Herbegint dan hier een leven, dat ik gindsch reeds beleefd heb? En zal ik u van dichtebij verlangen en nooit u hebben? En ben ik in waarheid niet dichtebij?
Het was, bij Goedele, afkeer. Ze was te wege hem van haar weg te stooten. Ze wilde niet dat hij haar gedurig krenken zou met de bekentenis van eene liefde, die haar walgde. Ze huiverde als ze bedacht, dat hij die liefde opketste om ze bij haar te komen stillen.
Ze wilde niet. Hard staalde hare koppigheid dien wil. Ze wrong zich los met een korten ruk en zag hoe plots zijn wezen hopeloos werd. Hare verhouding tot dezen man kwam haar klaarder te voorschijn en ze boog haar hoofd. Ze was niets. Ze had gezondigd buiten alle mate, en 't woord, dat moeder ten opzichte van Madeleen uitgespuwd had, ratelde opnieuw in hare ooren. Ze was niets. Met gretigheid moest ze alle boeten aanvaarden, want geen boete was groot genoeg. In een haastig zicht schemerden vóor haar op het droeve gezicht van de vrouw en het blonde kopje van het kind, uit Johannes' atelier. Die beiden staarden naar heur en de vreemde blik, die in hun oogen lag, weende er van zoo endeloos een smette....
Ze boog haar hoofd. Ze zou trouwen. Ze zou alle opoffering aannemen, en geen toekomst was nog in te winnen. Twee tranen biggelden een endeken aan den tjop van hare wimpers en vielen, zonder hare wangen te taken, in den avond. Ze fluisterde:
—Ik doe ... wat ge wilt....
Hij naderde en omarmde haar, en zijne lippen kwamen gulzig rusten op haren mond. Ze dacht aan moeder, die nu zeer tevreden zou zijn, en dan zonk precies de wereld weg om haar. Ze neep hare oogen dichte en zakte, zonder hope, te lore in haar overgroote leed....
De maaiers torten ook moe en zwaar, langs de gele wegen, alhier en alginder, sprakeloos, naar huis.
Als ze vernam dat het huwelijk vast besloten was, bloosde Ursule van ingetogen vreugde. Voor haar was dus de beslissende zegepraal nabij. Ze zat in haren leunstoel te gichelen en ze voelde zich oogenblikkelijk beter worden. Ze murmelde:
—Ik genees!
Ze kon echter nog uit haar zetel niet. Hare beenen bleven lam en haar rugge was zonder sterkte.
De trouwdag werd bepaald. Elkendeen was haastig om de gebeurtenisse te naderen. Maar Goedele werd nu door nieuwe angsten bekneld. Ze wilde niet meer eten, en blauwe randen vielen diepe in, onder hare oogen. Ze was altemets zoo bleek over gansch haar wezen, dat ze een zieke geleek, en ze werd naderhand uitermatelijk zwak. Bijwijlen was 't alsof een gewichte opschoof uit hare maag en hare keel kwam stoppen. Ze kon 't door zwelgen niet doen neerzijgen en deed dan vergeefsch geweld om het op te stooten langs haren mond.
Moeder omringde haar met ijverige bezorgdheid en vreesde dat ze zoo aan 't wegkwijnen zou geraken. Ze veinsde eene ál-omstreelende goedheid en haar minste woord was van eenige liefde. Op een morgen, binstdat ze met Goedele alleen zat in de lage voorkamer, wilde ze de getuigenis geven van hare brave gevoelens. Ze reikte haar het sleutelken van hare geldkist over en zei:
—In 't bovenste laagje ligt een kleine beurze met goudmunt. Neem die, en breng me die.
Werktuigelijk ging Goedele en kwam met het beursje terug. Ursule liet de rinkelende stukken overeen neerschuiven in haren schoot en begon ze zorgelijk te tellen. Ze vingerde luierig erover, betastte met wegende traagzaamheid elk geel schijveken, en fluisterde:
—Negenhonderd—duizend—twaalfhonderd, twaalfhonderd, twalef....
Ze keek op naar Goedele en een ongewone glinstering blikkerde onder hare neergeduwde wenkbrauwen. Ze bedwong dees driftig geschitter en lijk te voren verkregen hare oogen de straling van 't koude staal. Ze sprak, fleemend:
—Wilt ge me nóg van dienste zijn, mijn kind? Het is zoete weer buiten. Ge zijt bleek en ge zoudt moeten wandelen door 't bloote geluchte, ja, ja.... Wilt ge in den nanoen tot binnen de stad eens loopen? Sebastiaan komt niet vóor 't avondeten hier vandaag. Ge kunt terug zijn ... gemakkelijk....
Ze wachtte een tijdeken en lager liet ze hare stemme zakken:
—Ik wou geerne dat ge eens ... ginder gingt ... bij Romaan....
Omdat Goedele met pijnlijke haastigheid haar gebogen hoofd ophief, deed ze alweer vluggelings achtereen hare woorden drillen, dof en eentonig:
—Ge moet niets vertellen van mij—en mij achterna niets van hem vertellen. Ik weet niet waarom ik u daar doe binnengaan. Ik heb geen reden. Ik denk aan geen reden. 't Komt mij sinds een paar dagen zoo geweldig op en ik kan 't nu niet meer weerhouden. Koop onderwege iets met dees geld. Ge moogt niet zeggen dat het van mij komt. Ge moogt niet spreken van mij aan ... mijn zoon.... Wilt ge?
Ze reikte 't geld over en Goedele nam het aan, ook gepakt door moeders geveinsde aandoening. Ursule had eerst eene groote blijdschap en ze jubelde in haar binnenste, al roerde geen vezel op haar gelaat:
—Ik hebbe mijn hardvochtigheid van vroeger weergekocht!
Want ze voelde dat Goedele haar nu insgelijks met al de snaren van haar teer-trillend herte verbonden was. Nadien echter schoot door hare hersens spijt—omdat die gulden somme zonder weerkomste zich verwijderde. Ze loerde een tijdeken naar Goedele's vingeren die om de beurze peuterden en hoorde de rinkeling daarbinnen van de dierbare stukken. Ze beet al gauw heel woest op hare tanden om den wrevel, die kroop langs hare leden, te bedwingen. Ze had, 't oogenblik daarna, alle moeite om een lach om hare lippen te wringen, als Goedele met dankbare oogen opkeek naar heur. En seffens, binstdat het meisje de kamer verliet, herkwam over gansch haar wezen de steenen hardheid, die 't waarlijke beeld was van hare dorre ziel.
Zoo, na den noene, vertrok Goedele.
Vader leidde haar tot aan 't station. Ze ging sprakeloos over den weg en bereidde aldus haar geest tot de geleidelijke benadering van al hare herinneringen. Albien trippelde nevens haar, vertellend van een elektrisch tuig, dat hij in 'thooge van de stad gezien had. Hij legde weer in juichende woorden bloot zijne kinderlijke verwondering en vermoeide zich al schokkend met zijn kort-dik lijf of al zwaaiend met zijne armen, bij maniere van treffende bewijsvoering. Als ze beiden 't spoor bereikten, hield hij op met tateren en lengde zich uit op zijne teenen om zijn dochter te kussen. Hij dacht niet aan zijn zoon. Hij dacht nooit aan iets dat buiten zijn wondere uitvindingen lag of dat niet direkt-tastbaar aanwezig was.
Hij riep van verre, wuivend met zijn neusdoek:
—Daág!... Daág!...
Tot de trein vertrok, bleef hij zoo, op den gelen weg, en Goedele, bij 't weggaan, zag hem staan, rond uitkomend boven een roodgouden klaverpartije, bollig en zelve rood. Zijn kleine armen zwaaiden ommentweere en 't witte gevlaggel daarboven smeet overhand een schaduw over zijn glanzenden krullekop. Anders was tallenkant de machtige zonne.
Hij geraakte vlugge buiten zicht, en, in een hoek van 't coupé, zat nu Goedele te mijmeren, omdaan van 't gelijke treingeratel. Een oude dame zat rechtover haar, onverschillig turend het vensterruitje door, langs de wegschuivende landouwen. Hare rimpelige handen, waarover 't geweld gewoeld had van gansch een vermoeiend leven, rustten wijd van een, elk op een knie. Een paar ringen, te groot voor de magere vingeren, hadden een dooden schijn van doffe gesteenten. De minste waggeling der kussens stiet deze vrouw naar links of rechts; maar, hoe zij ook overendweer dommelde, hare blikken en roerden niet, aldoor starend over het veranderlijke veld.
Niets had Goedele dichter bij 't jonge verleden gebracht en haar zoo meteen het pijnlijk gevoel ervan doen hervoelen als deze reis. Ze zou haar broeder wederzien. Maar tevens wist ze de nadering te tasten van al wat gebeurd was, gebeurd en stilaan in zoete vergetelheid weggesust. 't Schoot alteenegare wakker. Naarmate ze doorreed, werden duidelijker en scherper de leelijke beelden van haar zondige liefde, en de onrust, die toch gedurig dof-diepe in haar binnenste roezemoesde, klepperde heel bange op, soms met stooten haar kele toestroppend.
En ze kon hare gedachten niet afwenden, langs een anderen vredigen kant. Al keek ze met koppige aandacht naar 't verfrommeld wezen van de oude dame, ze zag dat wezen niet—en sterk spookte in hare hersens 't zicht van haar verloren vreugde.
Ze probeerde dan zich buiten 't bereik van hare foltering te helpen met spreken. Ze wilde eene lichte conversatie beginnen en zei blozend entwat over 't liefelijke weer.
—Een schoone oogst, niet waar, mevrouw?
—Ja.
De dame blikte even op naar heur, heel onverschillig, en draaide terug naar 't verre landschap haar bleek gezicht. Goedele bleef in nog pijnlijker alleenigheid zitten en voelde dichter zich door 't lijdelijk verleden omringd. Dan gaf ze zich ten geheele over aan hare droeve gepeinzen en herleefde achtereen al de dagen te reke, die hare liefde hadden gevoed. Nooit had zij 't klaarder herdacht: de gebeurtenissen lagen zonder nevel open vóor haar. Ze zag ze worden en kruipen in den tijd en te zamen bouwen het schrikkelijke ongeluk. Niets was omdoken. Ze zag heel bepaald Wiezeken's ziekte, en haar bezoek bij 't zieke kind. Ze had een poesjenel gekocht en ze had Johannes ontmoet....
Ze had Johannes ontmoet.
En Wiezeken was bleeker geworden.—Hoe was 't gekomen? Wat had zij, Goedele, daarbinst gedaan? Ze herinnerde zich goed dat ze Johannes ontvlucht had....
Ze had Johannes ontvlucht.
Maar Wiezeken stierf. Ja. Boven 't kleine beddeken zag ze zijne handen, en zijne handen toetsten hare handen. Waarom was dat allemaal gebeurd? Waarom was naderhand, in de half-donkere kamer, die stilte, gekomen, die haar zoo nauw naast Johannes bracht? Ze was buiten haar gezonde zinnen geraakt, niet waar? En Johannes ook. Dat was de aandoening van het noodlot. In haar was iets lafs gekomen, lijk bij zieke menschen. In haar had een oolijke geest een groote werking begonnen en ze had zich niet verdedigd. Maar wie zou haar ook geholpen hebben? Daarom had ze zich niet verdedigd, misschien.... Haar vleesch was betingeld en almachtig had over haar geheerscht de Kwade, met zijn leelijk bedrijf,—en ze had zich weerloos overgegeven....
Ze had zich overgegeven aan Johannes.
Lange herdeed ze in gedachten heel 't onzeggelijk geneuchte van hare liefde. Haar hoofd zakte lage op hare borste en dieper schoof haar rugge langs de kussens van 't coupé. Ze werd de sjokkende rolling van den trein niet meer gewaar. Hare vingeren sleurden willoos kantewaarts over haren schoot en bleven zonder roeren van weerskanten, danig moe precies. Het lederen taschje, dat aan haren arm hing, schokte tot tenden hare voormouw en slibberde naast haar knie, waar 't stille wippelde bij elke onregelmatigheid van de vluchtige vaart.
Ze zat zoo, zoete verdoold in herinneringen, tot ze meteen rilde en hare schouders angstig opstak. 't Was dat ze 't atelier herzag, het duistere kamertje, en dan, na 't zondige portret van Mariëtte, de smertelijke moeder en het droomende kind. Ze herleed de plotselijke breuke van hare liefde. Ze hervoelde den afgrond waar ze heel dien tijd van passie in verzonken was. Den afgrond!...
De liefde!...
Aldus was hare liefde geweest. Hare oogen werden nat. Eene subiete wanhoop greep haar over gansch haar trillend lijf. Ze wilde loopen, loopen, zoeken tallenkante, het huizeken zoeken, en de zachte kamer en het blauwe bedde. Hare lippen bewogen en ze lengde hare kinne opwaarts om te roepen,
—Johannes! Johan!... Ho! Johan!...
Ze schrok, en haar gezicht werd koud, en een traan, omlage wiegelend, brandde er een gloeiende strepe. Ze bracht hare hand aan haren mond, en bleef zoo, zonder geluid, zonder gebaar....
De dame tuurde lijk te voren door 't lawaaierig vensterken, en buiten schoven nu de zware huizen en sombere schouwen der stad voorbij.
't Was over. Langs de woelige straten ging Goedele en ze haastte zich niet, soms kinderlijk aandachtig bij de uitstalling van een modewinkel verwijlend. Ze vroeg zich niet af, hoe ginder bij Romaan en Madeleen nu 't leven was. Ze tort onverschillig door en 't was zonder weten dat ze bij plaatsen haperen bleef. Even zoo trage en gewillig als ze in Heysse rondzwerfde, tort ze hier door. Ze dacht niet aan 't geld, dat moeder haar had meegegeven, en ook het uitzonderlijk gedoe van moeder had haar geen oogenblik opgehouden. Alle feitjes, die gezamenlijk den morgen en den noene uitmaakten, 't waren feitjes buiten haar en ze leefde langzaam daartusschen. Ze kocht een pakje snuisteringen voor tante Olympe.
—Die goeie tante Olympe!
Ze glimlachte; maar seffens waren hare gedachten anderzijds en ze stond vol zorgen naar een keuze van kanten en borduursels te staren. Ze zei bij haar eigen:
—'t Wordt allengs tijd dat ik wat voor mijn huwelijk schik....
Ze kon zonder aandoening heel lang onderwege peinzen, al gaande, over haar huwelijk. 't En was haar geen zeerdoend beeld. 't Zou een gewoon voorval worden, lijk alle voorval geworden was om haar.
Ze geraakte in de zwijgende steeg, waar Romaan woonde. Als de reuk van den ellegoedwinkel nijpend in haar neus opschoot, voelde ze wel een subiete leegte in haar herte, en ze moest een wijlken rusten op de trap. Binnen huis was nievers geruchte.
Ze klopte aan de deur en draaide zelve daarna de klinke open. Madeleen zat in de keuken en Romaan stond bij 't venster een dagblad te overkijken. Ze blikten alle twee te gelijk op en hun gezichte ontvouwde zich tot een vriendelijken groet:
—Kijk! wie daar toch endelijk is!
—Dat is wel zusje....
Ze kwamen af naar Goedele en kusten haar warm, en ze bloosde al lachend.
Ze voelde de taking van de zachte deugdelijkheid, die hier huisde, waar niets koud of vreemd haar toescheen. Ze liet zich gedwee van haar hoed ontdoen en seffens zaten ze gedrijen rond de tafel, gemoedelijk elk zijn nieuws vertellend.
Romaan was, lijk vroeger, opgeruimd en leutig. Niets van het droeve verleden was op zijn blij gezichte nog te bespeuren, dan enkel een kleine groeve midden zijn voorhoofd. Hij was weer kloek geworden en zijn blikken weer zoo diep-verstandig, zoo vlug-schitterend. Hij bukte zich over het tafelberd al sprekend, en tikkelde met zijne vingeren op Goedele's hand. Hij merkte wel de moede treurnisse, die zij mee had gebracht. Hij merkte hoe ze vermagerd was en hoe hare wangen, mat van verve, de donkerte van hare oogen nog versomberden. Hij had medelijden. Een blauwe ader sloeg uit op hare slapen. Hij wilde 't allemaal wegbabbelen met plezierig getater.
—Er is nieuws, hoor!
Hij vertelde dat tante Olympe ganschelijk genezen was, sinds zijn huwelijk, en dat ook hier het geluk teruggekomen was. Tante Olympe had geen zorgen meer. 's Uchtends was ze de eerste uit het bedde, maar na den noene moest zij er binst éen uurken weer in.
—Ze ligt nu haar uiltje te vangen.
Tante Olympe had maar éen verlangen meer: uit dees huis gaan en in zonniger wijken wonen en een schoon keuken hebben met een verlakte stove.
—Djeezes, ja, die verlakte stoven! schaterde Madeleen.
Tante Olympe sprak alle dagen daarvan. Ook had Romaan besloten dat hij verhuizen zou. De woonste was hier anders zoo onuitstaanbaar niet. Mariëtte zong niet meer, maar nu was Madeleen den ganschen dag door aan het zingen. Goedele vroeg:
—Mariëtte?
—Ze is vertrokken daags na Paschen, niemand weet waarheen. Haar vader is hier gebleven en alle veertien dagen krijgt hij geld. De bazin van den ellegoedwinkel maakt zijn teele eten en snijdt zijne boterhammen. Hij sukkelt zoo. Hij en sakkert noch en grommelt niet meer. 't Is daarboven heel rustig, heel droeve geworden, maar Madeleen maakt tegenwoordig leutig lawaai....
Madeleen was verlegen en boog haar hoofd, en, onder zotte haarkrullekens, werden kriekerood hare ooren. Romaan begon luidop te lachen. Hij stoop zich naar heur toe en fluisterde plagend:
—Mag ik 't zeggen?...