ACHTSTE BOEK.HOOFDSTUK I.Den 14 September bereikten de eerste ruiterscharen, waartoe ook Rasinski met zijne vrienden behoorde, denBerg des Heils, van wiens top zij het prachtige Moskou, den ouden, gewijden zetel der czaren in het diepe dal zagen uitgestrekt. Het was vroeg in den namiddag. Een glanzende zonneblik brak juist door de dunne wolken, welke de lichtblauwe ruimte des hemels doorkruisten. In duizendvoudigen vervengloed flonkerden de tallooze koepels der kerken en paleizen, die, in goud en schemerend groen stralende, zich hoog boven de stad verheffen. Uit een woud van torenspitsen steeg het Kremlin als een gekroond hoofd opwaarts: de Moskowa kronkelde als een glinsterende zilverband door de velden. Talrijke scharen van fladderende duiven wiegden zich op lichtende vleugels in de zonnestralen, verhieven zich hoog boven de daken en dartelden om de tinnen der paleizen.Een onwillekeurige uitroep van vreugde en eerbied tevens verhief zich bij dezen verrassenden aanblik. „Moskou! Moskou!” juichten de krijgers, die zich nauwelijks begrijpen konden, dat het onmetelijk verre, in een geheimzinnig duister van wonderbare verhalen en sprookjes gehulde, onder tallooze vermoeienissen en gevaren nagejaagde doel nu werkelijk zoude bereikt zijn. Als de gouden prijs des overwinnaars, als een stralende kroon des roems, lag de hoofdstad van het oude Rusland voor de oogen der koene mannen, die gewaagd hadden, van de schoone lachende oevers der stroomen van Frankrijk en Duitschland, midden door de woestenijen voort te dringen, waarachter zich deze rijkdommen verschansen, die aan de fabelachtige sprookjes van het Oosten herinneren.Vreugdegejuich en zegekreten vervullen de lucht. De voorsten roepen en wenken hunne nakomende kameraden toe. De onder de bezwaren van den marsch bijna bezwijkende krijgsman voelt zich plotseling door nieuwe krachten gesterkt; elke gedachte aan zijn lijden, zijne zorgen en gevaren is verdwenen. Als een stroom, die zich eensklaps eene nieuwe baan heeft geopend en nu in sneller loop voortbruist, golft de menigte in steeds wassenden spoed de hoogte op, zoodat de met onweerstaanbare kracht voortwentelende vloed over de kruin heenstroomt. Naarmate de zwarte massa's zich dichter op de hoogte samenpakken, worden de vreugdekreten luider en stijgen zij door de zuivere herfstlucht krachtiger en helderder ten hemel opwaarts.„Ziedaar dan de beroemde, aan verhalen en wonderen rijke stad der czaren,” riep Bernard. „Zoo hebben wij haar eindelijk toch gevonden achter de onmetelijke wouden en steppen, die haar beschermend omgorden!”„Het was tijd,” sprak Rasinski en wierp een blik op het leger; „hoog tijd!”Lodewijk beschouwde de rijke, onmetelijk uitgestrekte stad met die eerbiedvolle, de borst verheffende en verruimende opgetogenheid, waarmede ons de aanblik van oorden of menschen vervult, wier roem sinds lang uit de verte tot ons is doorgedrongen en welke wij reeds in de dagen onzer kindsheid als wonderbeelden, die ons uit onbereikbaar verre ruimten en tijden toeschemerden, in de ziel omdroegen.„Eene kolossale schilderij,” riep Bernard vol vuur; „dat men zoo iets niet kopiëeren kan! Zie eens die massa's van licht en gloed daarboven op de koepels; dat verwarde mengsel der daken en lage huizen, der groene strepen en vlekken van tuinen, die als aderen door het gesteente loopen; de zilvertinten, welke de stroom op het landschap werpt, en, wanneer wij omzien, het ontzaglijke leger, dat als een zwarte vloed door de velden golft. Zie, hoe de bajonetten in den zonnegloed bliksemen, de vederbossen blinken en het erts der kanonnen flikkert, die daar ginds in lange colonnes het woud voorbijtrekken. Hier en daar verliest de blik zich in het oneindige; want de uiterste torens der stad verdwijnen reeds in blauwen damp en nevel, en de lange sleep van wagens en van naloopers des legers smelt in de onafzienbare ruimte geheel weg.”Gedurende dit gesprek was men langzaam bij de hoogte afgedaald. Een tijdlang had eene bonte verwarring geheerscht, gelijk die bij buitengewone ontmoetingen op marsch gemeenlijk pleegt plaats te grijpen; doch thans werden de manschappen weder geordend, moesten in hunne gelederen blijven en zich aan de strenge regels van den marsch op vijandelijk grondgebied onderwerpen, daar men voorzeker op een ernstigen tegenstand moest gevat zijn, eer men het kleinood des rijks, het palladium der russische kroon, dat thans als een glansrijke diamant voor de oogen der legers fonkelde, in zijne macht kreeg.Zoo kwam men nader en nader bij de stad, elk oogenblik verwachtende, een hardnekkigen vijand te ontmoeten. Plotseling werd halt gehouden; van rot tot rot liep het gerucht, dat de koning van Napels met de aanvoerders der kozakken in vriendschappelijke onderhandeling was getreden. Reeds begon men de zoete hoop te koesteren, dat de kamp hier een einde nam, dat de vrede nabij was, dat het loon voor de doorgestane moeiten en gevaren zeker en onmetelijk groot zijn zoude. Rasinski reed vooruit en trachtte de waarheid te vernemen. Deze bestond daarin, dat de koning eenige oogenblikken met de kozakken gesproken en hun eenige kleine geschenken gegeven had. Zij hadden intusschen slechts een officier verzeld, die vrijen aftocht voorKutusowsachterhoede eischte; ingeval van weigering dreigden zij, de stad aan de vlammen ten prooi te geven. De keizer, ten spoedigste van die vordering verwittigd, had dadelijk ingewilligd, maar rukte desniettegenstaande de stad binnen.Terwijl prins Eugenius en vorst Poniatowski zich met hunne korpsen ter rechter en linkerzijde van den hoofdweg uitbreidden en de stad omsingelden, volgde Rasinski met de zijnen den koning van Napels, die met behoedzaamheid binnentrok. Het was niet denkbaar, dat de vijand geen weerstand zoude bieden; men moest zich integendeel op bloedige straatgevechten voorbereiden.Thans reed men door de straten der voorstad. Zij waren woest en ledig, evenals de verlaten dorpen, die men op weg naar het gewenschte doel in zoo talrijke menigte had aangetroffen.„Zouden de arme inwoners zoo bang voor ons zijn, dat zij geen vingerbreedte van hunne kromme haviksneuzen, geen duim lengte van hunne spitse baarden durven vertoonen?” sprak Bernard tot Jaromir. „Zou dan geen enkel hupsch kind nieuwsgieriggenoeg zijn, om de nieuw aangekomenen uit een dier kleine vensters ten minste eens eventjes te begluren? Het is goed en wel, dat de vijand het noodige ontzag voor ons heeft, maar de lieve meisjes moesten niet zoo ontzettend schuw en eenkennig voor ons zijn. Zijn wij dan menscheneters, of houdt men ons daarvoor?”„Ik vermoed, dat de bewoners dezer buitenwijken naar de binnenstad gevlucht zijn,” antwoordde Lodewijk. „Zij duchten veellicht den eersten inval; wie weet ook, of het hier niet nog spoedig tot een gevecht kan komen. Dan is hij er voorwaar ongelukkig aan, die geen wapens draagt.”„En bovenal hier,” merkte Rasinski op, „waar de houten huizen, bij de eerste granaat, die men op het dak wierp, als droog stroo in brand zouden vliegen.”„Het ware eene verwenschte grap,” riep Jaromir, „wanneer ons de winterkwartieren eens boven het hoofd afbrandden. De rust van zes tot zeven maanden, waarop ik hier stellig reken, hebben wij, dunkt mij, hoog van noode.”Rasinski zweeg; echter las men op zijn voorhoofd, dat hij met Jaromirs verwachting niet instemde. „Het meest wenschelijk ware voorzeker,” sprak hij na eenig stilzwijgen, „dat de vrede zoo spoedig mogelijk gesloten werd. In dat geval, vermoed ik, zouden wij den winter niet hier doorbrengen, daar de tegenwoordigheid van den keizer en van het leger in het middelpunt van Europa stellig noodwendiger is, dan hier bijna aan de grenzen van Azië.”Boleslaw reed, ernstig en in zich zelf gekeerd, zooals gewoonlijk, naast de overigen voort, zonder zich in het gesprek te mengen.Plotseling werd de voortgang opnieuw vertraagd. Daar Rasinski zich niet aan de spits bevond, kon hij niet zien, of dit oponthoud door eenige uitwendige hindernis veroorzaakt werd. Terwijl hij nog met zijne blikken door het gewoel trachtte heen te boren, zag hij den oversteRegnardde straat afkomen. Hij droeg den arm nog omwonden en eene breede, zwarte pleister op het voorhoofd. Sinds de korte ontmoeting op het slagveld, had Rasinski hem niet weder gesproken.„Goeden avond, overste,” riep hij hem toe, „gij komt van de spits der colonne; wat legt men ons nu weder in den weg?”„Ha, vriend Rasinski, hoe gaat het?” antwoorddeRegnard. „Het verheugt mij, u wèl te zien, schoon ik uit het rapport reeds wist, dat gij uit de schipbreuk bij Mosaisk gered waart. Wat ons ophoudt? Enkel eene afgebroken brug over de Moskowa, die spoedig weer hersteld zal zijn. Maar....”hier wenkte hij Rasinski ter zijde en sprak heimelijk tot hem. Bernard, wiens scherp oog gewoonlijk door het gelaat eens anderen tot diep in diens ziel doordrong, werd eene merkbare ontroering in Rasinski's trekken gewaar. OokRegnards koud, scherp geteekend gezicht, hoewel over 't geheel voor weinig verandering vatbaar, wijl alle lijnen daarvan als in vasten steen gesneden waren, drukte eene angstige bevreemding en bezorgdheid uit. Het moest iets van het uiterste gewicht, misschien wel het bericht van een dreigend gevaar zijn, wat hij Rasinski mededeelde. Hun gesprek duurde echter slechts drie minuten, waaropRegnardzijn weg vervolgde. Met gefronst voorhoofd keerde Rasinski tot de zijnen terug; hij scheen juist te willen mededeelen, wat hem de overste bericht had, toen de colonne zich weder in beweging zette en, zooals steeds na eene stremming het geval is, met verdubbelden spoed narukken moest. Weldra bereikte men de Moskowa; de brug was zoo slecht hersteld, dat men verkoos door den zeer ondiepen vloed te rijden. Bernard bespeurde, dat Rasinski de straten en huizen met eene angstvallige opmerkzaamheidbeschouwde, welke toenam, naarmate men de eigenlijke stad meer en meer naderde. Eindelijk kwam men aan den ringmuur, dien ze in haar ganschen omvang insluit.„Hier worden de straten toch ruimer en de huizen aanzienlijker,” sprak Bernard; „in het verschiet ziet men reeds verscheiden gebouwen, die naar paleizen gelijken. Nu zullen wij toch wel spoedig hare bewoners leeren kennen.”„Dat juist vrees ik,” sprak Rasinski, zich omwendend, zacht, maar op een bekommerden toon, „zullen wijniet. NaarRegnards berichten moet de gansche stad verlaten en zoo doodsch en stil als het groote kerkhof zijn, dat wij bij den inmarsch voorbijkwamen.”Deze woorden, die slechts door zijne hem onmiddellijk omringende vrienden gehoord werden, joegen hun een killen schrik aan. „Hoe? Onmogelijk!” riep Jaromir; „dat zou dus een vernieuwden kamp, een hardnekkigen tegenstand aanduiden, zelfs nadat wij tot het hart des rijks zijn doorgedrongen?”„Dat staat in ieder geval te vreezen. Thans worden vermoedens bevestigd, die mij reeds bij het binnentreden van oud-Rusland duister voor den geest zweefden. Niet de keizer Alexander en zijne legers zullen wij meer te vreezen hebben, niet met hen zullen wij kampen, maar een geheel, onmetelijk volk is het, dat met al de gloeiende woede tegen ons opstaat, welke dweepzuchtige geestdrijverij in de borst van den mensch kan doen ontvlammen. Diep verzonken in onzinnig bijgeloof, in slaafsche onderwerping, zoowel aan hunne priesters als aan hunne vorsten, zal het onmogelijk zijn hen voor eenige overreding toegankelijk, voor eenige verstandelijke overtuiging vatbaar te maken en hun te doen inzien, dat wij niet gekomen zijn, om hunne altaren te vernietigen, hunne kerken te plunderen, hunne steden in asch te leggen. Hier zal niet langer een krijg tusschen twee machten gevoerd worden, waar de beslissing op het slagveld of in den raad der ministers wordt uitgesproken, maar een gansch geslacht vat tegen ons de wapens op, een geslacht, dat ons vervloekt als het uitbraaksel der hel. De mensch is de vijand van den mensch; giftige haat bezielt de borst van den knaap en het hart der vrouw. Dan kent men geen edelen, grootmoedigen kamp der gedachten, der eer, des roems meer, maar alles ontaardt in een afgrijselijk moorden, slachten en worgen, waarbij zege en nederlaag even afschuwelijk en menschonteerend zijn.”Terwijl hij sprak lichtte een donker vuur uit zijne oogen; het hooge voorhoofd was in ernstige vouwen saamgetrokken en eene diepe smart teekende zich om zijne lippen. Bernard staarde hem met onafgewende oogen aan. Door de schoonheid, den verheven adel van dat mannelijk gelaat vergat hij voor een oogenblik, waarom deze onweerswolken in zoo ernstige majesteit daarover heentogen.—Waarlijk, dacht hij bij zich zelf, de mensch is nooit zoo schoon, dan wanneer eene edele droefheid, uit den diepsten grond des harten opwellende, door de lichte hulsels van oog en gelaat schemert. Daarom vertoonden de ouden ons hunne helden zoo diep ernstig; daarom vinden wij zelfs in hunne goden dien verheven zweem eener zachte droefheid, die de trekken zoo veredelt en opluistert.Maar de snelle afwisseling der voorwerpen en van de indrukken, die zij teweeg brachten, vergunde geen lang verwijlen der gedachten op eene en dezelfde plaats, vooral daar, waar zij te ver buiten den kring der naastbijzijnde, machtige werkelijkheid rondzweefden.De breede straten, waardoor men thans voorttrok, wekten eene zonderlinge gewaarwording; zij waren vervuld met het woeste gevoel van den oorlog en toch tevensdoodstil, wijl de huizen aan beide zijden als stomme graven oprezen, waaruit zich geen spoor, geen adem des levens liet vernemen; niet eenmaal de rook eens schoorsteens was in het rond te ontdekken. De koepels der hoofdkerken glansden van stralend goud, met groene kransen omhangen; de zuilen der paleizen rezen prachtvol omhoog. Echter scheen de tooi dezer grootsche gebouwen die van een statig opgekleed, ter laatste openlijke beschouwing ten toon gesteld lijk te zijn, zoo doodsch, zoo stom bleef alles. Deze vermenging van de weelderige pracht des levens met de stille, diepe verlatenheid des doods was zoo pijnlijk, dat zij zelfs de borst van den ruwsten soldaat, die nog geen vermoeden van de vreeselijke waarheid had, beklemde.Reeds twee uren trok men door deze steenen woestenij voort en scheen zich gestadig dieper en dieper in de labyrintische doolgangen te verwarren. Slechts langzaam rukte men voorwaarts, daar de koning, die nog altijd aan de waarheid twijfelde, elk oogenblik een aanval verwachtte en de bezorgdheid nog niet verbannen kon, dat men hem listig tot midden in dit bedriegelijk net van elkander onregelmatig kruisende straten wilde lokken, om hem dan plotseling van alle zijden met het zwaard in de vuist aan te tasten. Daarom zond hij in elke zijstraat sterke troepen uit, die berichten moesten, of de vijand ook ergens in eene hinderlaag loerde. Men vond niemand. Eene akelige stilte heerschte in de onmetelijke stad, waar anders het gewoel der menigte het oor verdooven moest. Slechts de doffe hoefslag der paarden en het kletteren der wapenen werden door de stomme, hooge muren hol en dreigend teruggekaatst. Zoodra de voortgang een oogenblik gestremd werd, breidde zich de stilte als een lijkkleed over de scharen uit; want ook de soldaat was van het beklemmend gevoel diep doordrongen, en schoon hij de hoofdstad des vijands binnentrok, verhief zich geen kreet der overwinning, geen toon van vreugde of gejuich. Ernstig, zwijgend het verwonderd oog op de gebouwen gericht, waarin hij vruchteloos eenig spoor van leven trachtte te ontwaren, hield hij zijn intocht in de veste der oude czaren.Thans rezen de muren en tinnen van het oude Kremlin boven de hoofden der krijgers statig omhoog. Daar vernam men voor het eerst, als ware het een verkwikkend geluid, een verward gedruisch van stemmen en krijgsgewoel. Het was een troep samengeschoold volk, dat zich in zwart gewemel om een transport wagens verdrong, waarop levensmiddelen en eenige gekwetsten lagen, die men niet tijdig genoeg uit de stad had kunnen vervoeren. Ettelijke kozakken, ter hunner bedekking achtergelaten, stoven op hunne kleine, vlugge rossen in alle richtingen uitéén en waren spoedig in de welbekende straten en stegen verdwenen, zonder door de hun nagezonden kogels beschadigd te worden. Maar in het Kremlin, welks poorten men thans genaderd was, verhief zich plotseling een afgrijselijk gebrul van huilende stemmen. Rasinski was, alleen door Bernard verzeld, bij het vallen der eerste schoten, naar de spits der colonne gesneld, om te zien wat er gebeurde; zelfs zijn mannelijke borst, aan dreigende gevaren, onder welke gedaante zij zich ook vertoonden, sinds lang gewoon, werd door dit afgrijselijk geluid met angst vervuld. Zijn oog volgde de richting, welke zijn oor hem aanwees. Daar ontwaart hij op de muren van het Kremlin een aantal dreigende gestalten, mannen en vrouwen, die den ingang van den heiligen burg der czaren willen verdedigen. Het verwarde, vliegende haar der vrouwen, de verwilderde stekelige baard der mannen, woeste, bloeddorstige gebaren, lompen, gekrijsch, plompe barbaarsche wapens, dit alles voltooit het ijzingwekkende der vertooning. „Hoe? Heeft de hel hare monsterachtigste duivels uitgebraakt, om ons te verschrikken?” roept Rasinski uit en houdt onwillekeurigde teugels in.—„Zijn dat weerwolven of menschen?” vraagt Bernard sidderend. De verwoede schaar verheft opnieuw haar grimmig gehuil, en geweerschoten vallen van de muurtransen in den dichtsten hoop. De koning van Napels wuift met een witten doek, ten teeken van vreedzame onderhandeling, en gelast Rasinski hun te zeggen, dat zij den waanzinnigen, vruchteloozen kamp moeten opgeven, dat men hun geen leed wil doen. Rasinski rijdt voor het front en roept hun in het russisch toe: „Hoort, verneemt woorden des vredes!” maar een gillend gekrijsch, waarbij de razende wijven de borsten slaan en zich de haren uit het hoofd rukken, verscheurt, in stede van antwoord, zijn oor. Eensklaps springt eene vrouw van reusachtige gestalte, wier haarlokken wild om de schouders zwieren, op de uiterste tinne des voorgevels. „Hond! vanéénrijten wil ik u met mijne tanden, als eene hongerige wolvin! Roover, gij zult verscheurd worden, als de jager, die het jong der berin uit het hol sleept. Vloek u, moordenaars onzer mannen en kinderen! Vloek u, verwoesters onzer steden! Driemaal vloek u, duivelsch gebroedsel, dat onze heilige altaren schendt en den Almachtige met vervloekte tongen lastert! Wee zal over u komen, meer dan over de verdoeming in den zwavelpoel der hel! Vloek, vloek, eeuwig vloek!”Rasinski rilde. De dreigende gestalte was vreeselijk, maar verwekte geen afgrijzen. Wijde, zwartgrijze kleederen omhulden haar, een bloedroode doek, half naar eene muts, half naar een tulband zweemende, was om haar hoofd gewonden. Het grijze haar fladderde in den wind en zwierde om de half ontbloote schouders, haar oog bliksemde en rolde vurig in de diepe holen, den mond had zij tot eene luide vervloeking geopend, de handen hief zij bezwerend ten hemel.Alle mannelijke kracht bijeenrapend, riep Rasinski nog eenmaal met zijne donderende stem: „Wilt gij de genade versmaden, rampzaligen?”Een woest gebrul, met dreigende gebaren verzeld, verdoofde zijne woorden, nog eer hij geëindigd had. Door een wenk gaf hij den koning te kennen, dat alles vruchteloos was; deze gaf bevel, de poort te verbrijzelen. De reeds aangespannen artillerie gaf vuur. Drie schoten, welker gedonder door de ledige stad weergalmde, kraakten tegen de deur, die in splinters uit de hengsels sprong. Zoodra zij neerstortte, drong de woedende bende door de geopende bres te voorschijn en wierp zich in dolle razernij op de gelederen der krijgers. Men had hen willen verschoonen, daar zij te weinig in getal waren, om een overmachtigen vijand tot noodeloos bloedvergieten te nopen; maar de waanzinnige verbijstering der ongelukkigen maakte zulks onmogelijk. Als wilde dieren stormden zij op de gehate tegenstanders in en trachtten, van woede schuimbekkend, zoovelen te verdelgen, als zij vermochten. Een razende velde met een boomstam, die naar eene knods geleek, twee Franschen ter aarde en had door een sprong reeds den koning, die, gelijk altijd, een der voorsten bij het gevaar was, bereikt, toen Rasinski ijlings tusschenbeiden vloog en den dolzinnige een sabelhouw toebracht. Doch deze viel vlak, en met al de grimmigheid van een getergden bulhond pakte de half getroffene thans hem aan, sleurde hem met bovenmenschelijke kracht uit den zadel, greep hem bij de keel aan en wierp zich op hem neder. Pijlsnel, als eene toeschietende slang, liet Bernard zich van het paard glijden en trok den tijger, die Rasinski poogde te verworgen, terug. Een fransch officier sprong hem te hulp. Met moeite braken zij den Rus de gespierde armen open, waarmede hij zijne prooi hield vastgeklemd; toen hij deze niet meer roeren konde, knarste hij grimmig met de tanden en poogde den onderliggende daarmede in den strot aan te grijpen. Doch thanshad ook Rasinski weder den eenen arm losgewoeld, en toen de woedende naar hem beet, stiet hij hem, daar eene andere verdediging onmogelijk was, met de gebalde vuist zoo geweldig tegen den mond, dat een zwarte stroom van dik bloed daaruit opgulpte en hem borst en aangezicht bevlekte. En toch liet de barbaar nog niet los, maar trotseerde met de ongehoorde spierkracht van zijn ijzersterk lichaam de vereenigde pogingen der drie mannen, tot eindelijk de kogel uit het pistool eens jagers, die hem koelbloedig met op de borst gedrukte tromp door het hart schoot, aan zijn leven een einde maakte.Rasinski en Bernard waren door dezen kamp geheel verpletterd; het geleek te veel op moord, op een barbaarsch worgen en slachten, om een edel mannelijk hart niet met diep afgrijzen te vervullen. Inmiddels waren de overigen, die nog weerstand boden, deels neergesabeld, deels op de vlucht gejaagd. Het scheen onnoodig hen te vervolgen; men liet hen dus ongehinderd trekken en de koning van Napels zette den marsch verder voort.Verdubbelde behoedzaamheid bij het doordringen in den dedalischen doolhof van straten werd thans echter noodzakelijker dan ooit. De soldaat, die al deze vorstelijke huizen en paleizen van de bewoners verlaten zag, begon zijne gedachte op den rijken buit te richten, dien hij uit de achtergebleven bezitting hoopte bijeen te schrapen. Enkelen poogden zich hier en daar uit de gelederen te verwijderen, om in de huizen op roof uit te gaan; doch eene strenge bedreiging dreef hen naar hunne plaats terug en ten bewijze, dat ze vervuld zoude worden, schoot een generaal eigenhandig een dragonder neder, die zich in eene dwarsstraat verbergen wilde. Zulks werkte; de menigte onderwierp zich striktelijk aan het bevel. Echter hielden de aanvoerders nog andere maatregelen voor noodzakelijk en zonden, zoodra zij een uitstekend gebouw, dat aan eenige openbare inrichting gewijd scheen, of eene groep aanzienlijke huizen naderden, sterke troepenafdeelingen zijwaarts af, om ze tegen elke aanranding van roofgierige plunderaars te beschermen.Zoo werd ook aan Rasinski opgedragen, een groot, van den rijkdom des bezitters getuigend paleis, dat in eene breede, overigens slechts met kleine huizen bezette zijstraat gelegen was, te bewaken. Met zijne weinige manschappen en een bataljon jagers, dat hem toegevoegd werd, scheidde hij zich dus van het groote armeekorps af en betrok midden in de stad eene eigene legerplaats. Het paleis en de omliggende huizen nam hij plechtstatig in bezit, en er vertoonde zich geen levende ziel, die hem deze verovering betwistte. Hierop droeg hij aan Boleslaw op, met een genoegzaam aantal manschappen zoodanige voorwerpen, welke tot kleeding en voeding dienen en misschien voorhanden zijn konden, te verzamelen en ze naar billijkheid en behoefte onder de soldaten uit te deelen. Tevens verbood hij streng, zich in de huizen in te kwartieren, eer hij zelf zich van de veiligheid daarvan ten volle overtuigd had, en liet hij posten voor de deuren plaatsen, die met hun leven voor plundering of moedwillige vernieling verantwoordelijk werden gesteld.De troepen sloegen dus voorloopig een geregeld bivak in de breede, bijna een marktplein gelijkende straat, welke tegenover het paleis lag, op. In dit gebouw nam Rasinski zijn hoofdkwartier en richtte dadelijk een bureau op, waar hij zijne dienstzaken en menigvuldige andere bezigheden behoorlijk regelen konde. Als gewoonlijk namen Lodewijk en Bernard de besturing daarvan op zich.HOOFDSTUK II.Het schemerde reeds, toen deze voorloopige aanstalten gemaakt waren. Men bevond zich dus nu in de hoofdstad des vijands, men had haar geheel in bezit genomen, ja meer dan men geloofde, daar alles, wat niet te vervoeren geweest was, den inrukkenden als het ware als erfenis bleef overgelaten. Het paleis, dat Rasinski met zijne beide jonge vrienden had betrokken, was van voorvaderlijken, edelen bouwtrant. De poort, hoog gewelfd, met ijzer sterk beslagen, had men met geweld moeten openbreken; men vond ze van binnen gegrendeld, een bewijs, dat de bewoners òf nog in het gebouw verscholen òf door den tuin ontvlucht moesten zijn. Het laatste hield men voor meest waarschijnlijk. Toen men de beide regelmatige wenteltrappen, die van beide zijden van het breede voorportaal naar de tweede verdieping voerden, was opgeklommen, kwam men in de wijde gangen, die eene reeks van zalen en vertrekken begrensden. Deze getuigden van groote pracht, van zelfs in Rusland niet gewonen rijkdom; echter was, gelijk meubels, spiegels, tapijten en vergulde sieraden duidelijk bewezen, de inrichtingen daarvan ten minste reeds door den vader van den tegenwoordigen bezitter geschied.In een aan de trap grenzend vertrek richtten de vrienden het bureau op. Uit dat vertrek trad men rechts in eene ruime zaal, waarnaast Rasinski eene kleine, nette kamer tot zijn afzonderlijk gebruik had gekozen; ter linkerzijde hadden Lodewijk en Bernard in twee groote vertrekken hunne legersteden opgeslagen.Het begon donker te worden; buiten op de straat flikkerden de heldere wachtvuren, waaraan de manschappen bivakeerden. De weerschijn der vlammen speelde tegen de zoldering der nog niet verlichte vertrekken en bracht, met de flauwe avondschemering inéénsmeltende, een zonderling schijnspel teweeg. Rasinski was naar beneden gegaan om de troepen te monsteren en voor hunne behoeften te zorgen. Lodewijk zat alleen in het ruime vertrek, dat hij tot verblijf had gekozen, in een ouden leunstoel gedoken; want Bernard had, naar zijn lievelingsgewoonte, om vreemde groote gebouwen dadelijk in alle richtingen te doorkruisen, eene ontdekkingsreis, zooals hij het noemde, naar de uitgestrekte zijvleugels van het paleis ondernomen.In het schemerdonker van den herfstelijken avond, bij het spel van den vuurschijn voor de vensters, onder het zacht gemompel van verwijderde stemmen gaf Lodewijk zich ongestoord aan zijne mijmeringen over. De schoone beelden van het verleden zweefden als glansrijke gestalten op den donkeren grond van het tegenwoordige voorbij. Het was het eerste eenzame, rustige uur, dat het gewoel van den oorlog hem, sinds hij de tijding van den dood zijner moeder ontving, vergund had. Eene sombere zwaarmoedigheid maakte zich van zijne ziel meester; het hoofd in de hand geleund, zat hij in herinneringen verzonken en zijn oog dwaalde onbestemd in de hooge, donkere ruimte der zaal om. Zoo bemerkte hij niet, dat Bernard was binnengetreden en, in de half geopende deur staande, hem aandachtig gadesloeg. Deze echter zag door de diepe schemering in Lodewijks oog tranen blinken, waarin zich de flikkerende weerschijn der vlammen spiegelde.„Zoo in treurige gedachten verzonken, krijgsmakker?” sprak hij hem aan.„Ha, Bernard, zijt gij het? Ja, wel in treurige gedachten verdiept; hoe kan het ook anders op zulk eene sombere plaats en met eene borst zoo vol herinneringen en smarten als de mijne!”„Hm, mijn hart is ook juist geen voorraadschuur van vreugde en geluk en wanneer ik mijne herinneringen voor de tooverlantaarn zet, trekt de duivel met zijne grootmoeder aan den wand voorbij. Maar wat de sombere plaats betreft, zoo moet ik u zeggen, dat ze mij ook huivering aanjaagt.”„Hoezoo?”„Wij wonen hier niet alléén in huis, daarop zou ik een eed willen doen.”„Hebt gij gronden voor dat vermoeden?”„Meer dan een. Ik ging door den langen gang naar den zijvleugel, die op den tuin uitkomt. Terwijl ik zoo aan de eene deur na de andere stoot, die alle op slot of toegegrendeld waren, kom ik eindelijk aan eene die terstond opengaat. Ik treed binnen en voel mij door eene aangename warmte verrast; zulks maakt mij opmerkzaam, ik zie rond en bemerk dat ik in eene soort van keuken sta, waar op den haard nog asch ligt. Ik treed toe, de asch is warm; zelfs vind ik, daar ik haar met de sabel omwoel, nog eene gloeiende kool.”„De bewoners zullen dezen morgen nog hier geweest zijn.”„Zoo dacht ik ook; daar hoor ik plotseling onder mij een doffen slag, even alsof iets zwaars op den grond viel. Dat maakt mij huiverig. Ik snel weder naar den gang, ontdek een kleine trap, die naar de onderste verdieping brengt, en vindt daar eveneens een gang, waarop een reeks van vertrekken met gesloten deuren uitkomt. Ik beproef ze te openen, in te trappen; zij zijn, naar het schijnt, stevig toegegrendeld. Ik schreeuw, roep, klop; geen antwoord. Eindelijk wordt mijne keel schor en ik maak rechtsomkeert. Daar ik de kleine trap weer opklim, hoor ik iets ruischen en tegelijk meen ik vrouwelijke voetstappen te vernemen. Als een pijl vlieg ik toe, maar ontdek niets. Overtuigd, dat mijn scherp gehoor mij niet bedrogen heeft, snuffel ik alle hoeken rond. Daar zie ik op den vloer, dicht bij de deur der keuken, waar ik vroeger reeds geweest was, iets wits blinken; ik raap het op en zie, het is dit lint, dat vroeger, daarop wil ik een eed doen, daar niet gelegen had. Ik loer en doorzoek alle kisten en kasten in het rond, om de schoone te ontdekken, die het lint moet verloren hebben, doch te vergeefs. Alles bleef stom en roerloos. Of het nu een goede of kwade geest, eene stamvrouw of misschien wel de beruchte witte burchtvrouw kan geweest zijn, die in de gangen rondspookt, dat wil ik onbeslist laten.”„Zonderling! Zouden de ongelukkige bewoners zich misschien schuil houden, uit vrees voor mishandeling?”„Mogelijk! Ik voor mij houd het liever met spoken, verwenschte jonkvrouwen, die op verlossing hopen, ingemuurde nonnen, wier ziel geene rust kan vinden en die in de donkere gangen omdolen. Tegen middernacht moeten wij op de vangst uitgaan; doet gij meê?”„Als uwe vermoeidheid u niet van gedachte doet veranderen, van harte gaarne,” antwoordde Lodewijk glimlachend.„Hoe? Zit gij zoo in het donker, vrienden?” klonk plotseling Rasinski's stem. „Het zal tijd zijn, dat wij licht laten aansteken, maar ook vuur, want de herfstavonden zijn koud tusschen de salpeterachtige muren.”Hij beval zijnen rijknecht, licht te brengen en in de kleine kamer, die hij bewoonde, vuur aan te leggen. Zij was het eenige vertrek, waarin zich eene haardstede bevond, die voor den herfstavond eene meer doelmatige verwarming beloofde, dan de reusachtige kachels in de overige zalen.„Ik heb zoo even brieven voor mij en u ontvangen,” vervolgde hij; „laat ons samen naar binnen gaan en elkander vertellen, wat de lieve vrienden uit het vaderland ons schrijven. Het is een goed teeken, dat wij den eersten dag van onze aankomst in de hoofdstad zoo aangenaam verrast worden.”Zij gingen.Rasinski's bediende had eene lamp aangestoken, die aan de zoldering hing; spoedig vlamde ook het vuur op den breeden haard. Hij gaf Lodewijk twee brieven van verschillenden datum over, die echter gelijktijdig met den veldpost waren aangekomen.Bernard floot een soldatenlied en morrelde met de tang in het vuur, terwijl de beide anderen lazen. „Men is onuitsprekelijk gelukkig, wanneer men op de wijde wereld geen enkelen correspondent heeft,” mompelde hij; „men behoeft geen port te betalen, niet te antwoorden, ja niet eens te lezen. Het laatste vooral is voor een schilder, die gaarne zijne oogen spaart, een uitstekend groot voordeel.”—Hij floot verder, daar niemand antwoordde, en staarde onafgewend in den gloed.„Ja, ja, gij zijt gelukkiger dan wij,” riep Lodewijk uit, terwijl hij de hand met den brief zinken liet; „want zulke brieven te ontvangen, daar behoede u de hemel voor!”„Wat is het? Wat deert haar?” vroeg Bernard, van zijn stoel opspringend.„Ik kan het vermoeden, na wat mijne zuster mij schrijft,” sprak Rasinski; „het is een helsch schurkenstuk, maar het zal niet gelukken.”„Zwart als de nacht en giftig als eene adder,” riep Lodewijk buiten zich zelf. „En om mijnentwille moest de hulpelooze dat lijden!”„Wat dan, wat? In 's duivels naam, spreek toch, wat?” riep Bernard met rollende oogen, daar hij iets van de waarheid vermoedde.„Lees, lees,” sprak Lodewijk en reikte hem den brief over.Bernard greep driftig toe en wilde de letters haastig verslinden; doch even ras wierp hij het papier weder op de tafel en riep: „Er staan mij te veel regels op het blad; zij wriemelen door elkander als een gansche hoop vergiftigekruisspinnen. Vertel het mij met twee woorden, ik kan er het venijn niet zoo langzaam uitzuigen.”„Het is verfoeilijk voor elk, die ooit een mannelijk hart in de borst sloeg,” sprak Rasinski en ging driftig en met groote schreden de kamer op en neder;„de schurken, die u vervolgen, hebben zijne ongelukkige zuster opgespoord; toeval of hunne helsche kunstgrepen brachten het geheim aan den dag....”„Zij is in de gevangenis?” riep Bernard met donker vlammenden blik.„Neen dat gelukkig niet; maar schandelijke aanbiedingen heeft de ellendeling haar gedaan en voor het hoofd des broeders...”„Spreek niet verder, Rasinski!” riep Bernard half bevelend, half smeekend. „Moet de broeder dat tweemaal hooren?” Tegelijk vloog hij op Lodewijk toe en klemde hem met krampachtige onstuimigheid aan zijne hijgende borst. „O, die schuldelooze engel! Lodewijk, wij willen God danken, dat zij gered is; want ik zie het aan uw oog, zij moet het zijn, anders kondt gij hier niet zoo stil staan. Maar nog vaart mij eene rilling door de leden. Goddank, Lodewijk, dat zij gered is!”Zij hielden elkander opnieuw omsloten. Rasinski legde de hand op hunne schouders en sprak met diepe ontroering: „Ja, wel hebben wij God vurig te danken!”„Laat mij nu zien, wat de gemartelde heilige u schrijft,” sprak Bernard met eene bevende stem en wond zich uit de armen van den vriend los. Hij nam den brief en zette zich daarmede bij het vuur.„Hm!” sprak hij kalmer, maar nog met gesmoorde woede in toon en blik, toen hij den brief gelezen had; „dat éene gevaar is gelukkig afgekeerd, maar nog hangt het zwaard boven haar hoofd. Ook boven het onze... maar dat is het minst. Ik moest den ellendeling hier hebben... hij zou een ander liedje hooren!” Na deze woorden ging hij onrustig op en neder.„Ik heb den tweeden brief nog niet geopend,” sprak Lodewijk; „de eerste had mij te hevig geschokt. Wellicht bevat hij nader bericht. Laat hooren!”„Dresden den 19 Augustus.„Beste Broeder!„Welk een tijd beleven wij! In uren geschiedt meer dan voormaals in jaren! De belangrijkste ontmoetingen van mijn leven dringen zich alle in één punt samen. Wij verlietenTeplitzdadelijk den anderen morgen na het afschuwelijk voorval, dat ik u nog 's avonds vluchtig meldde. (Wees slechts op uwe hoede, lieve!) Dezen nacht brachten wij buiten bij tante door; heden morgen in de vroegte reden wij naar de stad. Op haar sterfbed sprak moeder mij van een geheim; maar de droefheid had mij toen zoozeer overweldigd, dat ik er nauwelijks acht op sloeg; ik meende, dat niets op de wereld voor mij meer belangrijk kon zijn! En toch—maar hoor. Moeder had mij de lade harer schrijftafel, als gewichtige papieren bevattende, aangeduid. O Lodewijk, met welk eene ontroering heb ik deze doorgelezen! Zoodra het langs een zekeren weg mogelijk is, zult gij de volledige bewijsstukken ontvangen; thans geef ik u slechts een uittreksel, zoo breedvoerig, als de korte tijd het mij toelaat. Onze ware naam is nietRosen, maar vader heetteSternheimen was grondbezitter inFrankenland. De getrouwste vriendschap was zijn ongeluk. In Maart 1793 bezocht hij een der getrouwste vrienden zijner jeugd,Waldheimgenaamd, die officier geweest, maar door de Franschen gevangen genomen was en zich in Straatsburg ophield, werwaarts zijne jonge echtgenoote, eene engelachtige vrouw, zooals moeder haar beschrijft, hem gevolgd was. Een Franschman,Rumignybeleedigde de schoone, jeugdige vrouw door eerlooze voorstellen.” Hier hield Lodewijk een oogenblik op, daar Rasinski door de komst van een ordonnans, die hem berichten overbracht, gestoord werd. Op een wenk ging hij echter dadelijk weder voort. „Daar deze natuurlijk met verachting werden afgewezen, nam hij wraak door de zwartste lastertaal. Dit kwam den beleedigden echtgenoot ter oore, die zijne getrouwe gade kende. Hij daagde den lasteraar uit, dwong hem tot een duel; onze vader was getuige. Doch de ellendeling, die zich van verscheiden geleiders voorzien had, deed een verraderlijk schot, dat den ongelukkigenWaldheimin de borst trof. Onze vader was buiten zich zelf; daar echter de wensch, om het leven des vriends wellicht nog te redden, voor het oogenblik de bovenhand kreeg op de met moeite onderdrukte begeerte tot wraak, kon hij den dader niet dadelijk tuchtigen. De vriend gaf na eenige minuten in zijne armen den geest. Vader daagt den moordenaar uit; deze bespot hem. Nu overweldigt hem zijn menschelijk gevoel, hij zoekt den booswicht op, om wraak aan hem te nemen of hem tot een tweegevecht te dwingen. Zijn getrouwe bediendeWillhofenvergezelt hem; doch de snoodaard is gewaarschuwd en zoekt hem in het net te lokken. Door beschimpingen weet hij hem tot razernij te brengen; vader dringt met woede op hem in, de degen wordt hem ontwrongen en hij met den trouwenWillhofennaar de gevangenis gesleept. Om zijn offer te zekerderten verderve te brengen, tracht de verrader hem nu als spion verdacht te maken en beschuldigt hem van misdadige verstandhouding met de vijanden van Frankrijk. Hij wordt naar Parijs gezonden en met de guillotine bedreigd.Willhofenechter, die in al zijne rampspoeden deelt, vindt in den cipier een landsman uit den Elzas. Deze begunstigt hunne vlucht en beiden komen op een hollandsch schip behouden teHavreaan. Van daar schrijft vader dadelijk aan onze lieve moeder al wat gebeurd is, en bezweert haar, terstond met ons naar Hamburg af te reizen, werwaarts hij haar spoedig hoopt te volgen. Zij komt er aan, maar wacht hem te vergeefs. Dagen en weken verstrijken, eindelijk is eene maand voorbij, zonder dat hare doodelijke ongerustheid een einde neemt. Intusschen verneemt zij, dat de, zich reeds toenmaals ver uitstrekkende macht der fransche gezagvoerders haren echtgenoot ook reeds in zijn vaderstad vervolgt en hem, als een voortvluchtigen moordenaar, op het spoor tracht te komen.—Wat behoef ik u alles breedvoerig te schrijven? Vader is nooit teruggekeerd; zijn goed werd verbeurd verklaard en, toen de Franschen Frankenland bezetten, hij zelf eerloos verklaard, daar zijn naam bij de rechtbanken te Parijs op de lijst der landverraders stond aangeteekend. Dit bewoog moeder, den naamRosenaan te nemen en zich met ons naar Dresden te begeven, waar onze tante, hare zuster, reeds als weduwe woonde.—Nog duizend omstandigheden had ik u te melden, lieve broeder, wanneer het in deze korte oogenblikken mogelijk was, vooral de hartroerende gronden van liefde en bezorgdheid, die, tegelijk met andere gewichtige beweegredenen, onze moeder deden besluiten, hare kinderen van het geheim, dat om het hoofd des vaders zweefde, geheel onkundig te laten. Doch er zal immers nog wel eens een dag komen, dat de zuster hare beklemde borst vrij en ongehinderd in die des broeders kan uitstorten. Thans stormt en dringt alles gelijktijdig op ons aan! Binnen een uur reeds reis ik met de gravin Micielska naar Warschau af, waar ik voor elke vervolging beveiligd zal zijn. O, dat ook gij zulks waart! Maar gij ziet het gevaar van den oorlog vóór u en wordt door zwart verraad in den rug bedreigd! Ach Lodewijk, en gij draagt de wapens voor hen, die uw vader, uw vaderland in zulk eene onuitsprekelijke ellende gedompeld hebben! Ik doe u geen verwijt, lieve broeder, maar kan het ongeluk hooger stijgen, kunnen wij dieper in rampspoed verzinken? Dagelijks zend ik de warmste beden voor u ten hemel, maar ik bid ook uit den grond van mijn hart, dat ons arm vaderland moge verlost worden van het ijzeren juk, waaronder het thans schandelijk gebukt gaat.—Ik moet eindigen,—groet uwe vrienden van mij, den trouwen Bernard, den edelen Rasinski.—O, mochten wij eens andere tijden beleven!Uwe Maria.”Verbazing en aandoening hadden Lodewijk bijna verhinderd, den brief ten einde toe door te lezen. Thans eerst bracht hij zich eenige ontmoetingen uit zijne kinderjaren levendig en duidelijk weder voor den geest—want hij telde vijf jaren ten tijde van het rampspoedig voorval—thans eerst, nu zij verklaard werden, rezen de verschillende toespelingen, wenken en woorden, welke hij van de moeder omtrent het lot des vaders gehoord had, als heldere sterren aan den donkeren nachthemel van het verledene voor hem op. Maar hoeveel bleef nog met zwarte wolken en nevelen omsluierd!Rasinski was vooral door de laatste woorden van den brief getroffen, die eene wonde van zijn hart aanraakten, welke, daar hij zijne smart steeds met mannelijke vastheid in het diepste zijner borst verborgen hield, zelfs door Lodewijk niet vermoedwerd. Met gekruiste armen stond hij tegen den marmeren schoorsteen geleund en staarde peinzend voor zich neder.Op Bernard scheen deze brief den minsten indruk te maken, daar hij zich nog geheel met het in den eersten gemelde voorval bezig hield. Hij zat aan de andere zijde bij het vuur en speelde met zijn ring, dien hij aan den vinger ronddraaide. „In het eerste oogenblik, mijn goede Lodewijk,” begon hij na een lange stilte, „brengt een dergelijk bericht ons in eene hevige ontroering, op den duur echter verflauwt die indruk. Ik geloof aan wonderen in de borst, in het hart en wáárin men wil, maar in het leven zijn zij zeldzaam. Iemand, die sinds twintig jaren verdwenen is, moet onder de dooden geteld worden; om een vader dien wij lang ontbeerden, kan ook de droefheid niet groot zijn. Maar Maria in haren toestand, in den smaad, dien zij dulden, in den angst, dien zij doorstaan moet, is een arm bloedend offerlam!”„Gij zijt zoo goed, zoo trouw, Bernard,” hervatte Lodewijk; „gij kent het hart uws vriends zoo tot den diepsten grond, en zoudt gij niet begrijpen, dat het hem tot in zijn binnenste schokken moet, te vernemen, dat hij wellicht nog een vader bezit, die zoo onbeschrijfelijk veel geleden heeft en misschien nog lijdt? Waart gij in mijn geval.....”„En ben ik het dan niet?” stoof Bernard bijna woest op. „Ten minste in een soortgelijk, en daarom weet ik, wat ik er van denken moet. Ik kon misschien nog eene gansche maagschap, vader, moeder, broeders, zusters en al wat er meer toe behoort, opschommelen, maar ik betuig u, dat ik thans zelfs geen enkelen voet zou verzetten voor hen, die mij twintig jaren alleen lieten loopen. Het is wel is waar met u een ander geval, want gij weet, dat uw vader u niet verstooten heeft; gij hebt hem vroeg verloren, en alles, wat gij van hem vernomen hebt, bewijst, dat hij een edel man was! Nu, gij weet, ik ben ook niet van ijzer of steen—maar Maria ligt mij thans nader aan het hart.”„Gij hebt mij nooit gezegd, dat uwe ouders nog in leven waren,” sprak Lodewijk met de uiterste verbazing.„Ik vernam het zelf eerst voor twee jaren in Londen, toen mijn pleegvader gestorven was; maar toenmaals had ik geheel andere dingen in hoofd en hart—gij weet het immers—en naderhand heeft de tijd mij tamelijk onverschillig gemaakt. Daar, door dien ring,” hij wierp dien over de tafel aan Lodewijk toe, „kan ik misschien mijne ware ouders terugvinden, en toch had ik hem voor drie maanden zonder de minste zwarigheid voor een zeker iets, dat mij liever was, weggegeven, wanneer ik niet de domste ezel geweest ware, die ooit door de lieve zon beschenen is.”Daar Rasinski en Lodewijk hem bevreemd en vragend aankeken, vervolgde hij, terwijl de laatste den ring beschouwde: „Mijn pleegvader, dien ik voor mijn werkelijken hield, was een arm dorpspredikant bijWürzburg. Toen ik in mijn tiende jaar redelijk goed begon te teekenen, zond hij mij naar Dresden bij zijn broeder, dien gij gekend hebt. Dat het mij slecht beviel bij dien ouden, strengen ijzegrim, behoef ik u niet te herhalen. Ik rukte mij eindelijk van alle ketenen los en ging op reis. Omstreeks dezen tijd stierf mijn pleegvader, en zijn broeder werd erfgenaam, dat is te zeggen, kon de nagelaten preeken en papieren naar huis halen. Onder deze was er een, dat hij mij dadelijk overzond en waarop de overledene met eigen hand ongeveer het volgende geschreven had: „Op een avond, dat ik reeds te bed was, werd er herhaalde malen driftig aan de huisdeur gescheld. De meid opende; eenevijfjarigeknaap, die zelf denknop der schel niet had kunnen bereiken,—dat was mijn persoon—stond op de stoep en hield een aan mij gerichten brief in de hand. Ik brak dien open en vond eene aanwijzing van twee duizend gulden op een frankforter bankier, die men te mijner beschikking stelde, onder voorwaarde, dat ik het kind, dat ze overbracht, zoude opvoeden. Men kende mij als een eerlijk mensch, die van het in mij gestelde vertrouwen geen misbruik zou maken, en wilde, na verloop van tijd, verder voor den knaap zorgen. Ik heb mijn plicht naar mijn beste weten vervuld, schoon de spoedig daaropvolgende oorlog mij de som, die ik met het kind ontvangen had, voor altijd deed verliezen. Zijn aanleg tot teekenen deed mij besluiten, hem naar mijn broeder te Dresden te zenden. Het linnen was met eene B gemerkt, weshalve ik hem Bernard noemde. Dit en een gouden trouwring, dien wij later toevallig in zijn kleedje ingenaaid vonden, en waarin de letters B. W. staan, zijn de eenige teekens, door welke hij zijne ware ouders misschien nog eens kan opsporen.” Dit geschrift en den ring deed mijn oom, of hoe ik hem noemen moet, mij in Londen toekomen, met aanmaning om nu zelf dáár of in Duitschland naar mijne ouders onderzoek te doen. Verder bleef mij ook niets over, want, gelijk gij weet, stierf de goede man voor twee jaren zoo onverwachts, dat mijn antwoord hem niet eens meer in leven vond.—Dus zijn wij in hetzelfde geval; maar ik betuig u, Lodewijk, dat ik geen vinger heb uitgestoken om eene ontdekking te doen. Wat doe ik met ouders, die zich mijn leven lang niet om mij bekommerd hebben? Rijk of arm, voornaam of gering, 't is mij alles om 't even; liefde hebben zij toch nooit voor mij gevoeld. Met u is dat anders, maar ook op verre na onwaarschijnlijker—want welk verstandige rekent ooit op het groote lot in de loterij? In uw geval zou ik slechts den schurkRomanay, of hoe heet de schoft, op het spoor zien te komen, om hem bij gelegenheid den nek om te draaien. Maar uw vader—twintig jaren spoorloos verdwenen, is dood.....”„Neen Bernard!” riep Lodewijk, „dat laat mijn gevoel zich niet opdringen. Ik hoop, ik wil, moet hopen, dat ik mijn vader weervinden en hem wellicht nog vreugde en levensgeluk bereiden zal. O, die liefde is sterker dan de zucht, om mij aan een ellendige te wreken, dien de hand der vergelding mogelijk nu reeds achterhaald heeft. Neen, ik hoop nog!”„Dat zal acht dagen duren; de eerstvolgende maanden komt het nu en dan nog eens bij u op, maar wanneer eindelijk jaren verloopen zijn en alles blijft gelijk het is, dan zult gij zien, dat zulk eene zwakke hoop vanzelve uitgaat, als eene vlam zonder brandstof.”„Het is waar, ik ben naar het schijnt bestemd, om mijne dierbaarste verwachtingen aan bijna onzichtbare draden te zien vastgeknoopt, en men kon het mij vergeven, wanneer ik wanhoopte, door hen den uitweg uit den donkeren doolhof van mijn lot te vinden.”Rasinski had intusschen den ring opgenomen en aandachtig beschouwd. „Hm!—Welke letters zeidet gij, dat in den ring stonden?” wendde hij zich vragend tot Bernard.„B. W.” antwoordde deze.„Ja,” sprak Rasinski, niet zonder eenigen berispenden nadruk, „wanneer men zulke fijne draden slechts onoplettend beschouwt, dan is het zeker onmogelijk, die te vervolgen en, zooals Lodewijk zeide, door hen geleid, den uitweg uit den doolhof te vinden. Ik lees niet B. W., maar zeer duidelijk L. W. in dezen ring.”„Onmogelijk!” riep Bernard, greep haastig naar den ring en hield hem tegen hetlicht. „Dat is een goochelspel der hel!” stamelde hij doodsbleek uit. „In mijn ring stond B. W., of ik wil eeuwig verdoemd zijn. Drijft gij den spot met mij?” stoof hij woest tegen Rasinski op.„Hoe komt gij bij die gedachte!” sprak deze en stond verwonderd van zijn stoel op; ook Lodewijk staarde den vriend met angstige bevreemding aan. In zijne trekken was eene ontroering te lezen, zooals hij nooit bij hem bespeurd had; hij scheen zijne bezinning verloren te hebben en staroogde met verwilderde blikken op den ring.Plotseling barstte hij in een lach uit, die de vriendendeedrillen. „Het is niets, zeg ik,niets. Een der potsierlijkste meesterstukken van het toeval, dat echter iemand in het dolhuis kon brengen! Ik geloof, het noodlot wil zich aan mij wreken. Ik geloofde niet aan zijne wonderen in dit nuchtere leven, nu toont het, wat het kan, en steekt honend den draak met mij—maar toch bijna te gruwzaam! O,” hij drukte zich de vuist voor het voorhoofd, „dat iemand mij slechts deze enkele maal zeggen kon, of de grijnzende spoken van een droom mij kwellen, dan of de werkelijkheid mij dat honend masker voorhoudt. Pakt mij toch aan, in 's duivels naam, en schudt mij wakker, als de nachtmerrie mij het hart wil indrukken!”„Bernard, beste Bernard,” sprak Lodewijk hem toe en greep zijne hand, „wat deert u? Bedaar, kom tot u zelf, zeg ons, wat u zoo vreeselijk geschokt heeft.”Als iemand, die uit de bewustelooze vlagen eener zenuwkoorts in het leven terugkeert en nu, doodelijk afgemat, nauw de oogleden kan openhouden, zeeg Bernard thans aan de borst des vriends neder en ware gevallen, wanneer Rasinski hem niet ondersteund had. „Laat mij alleen, vrienden!” stamelde hij. „Gij hebt mij lief, het moet u even zoo treffen. Waarom zou ik meer dan ééne borst verscheuren?—En wanneer alles een louter spel was! Een niets, een minder dan niets, dat mijn hart zoo vreeselijk pijnigt!—Thans weet ik, dat er ook buiten de werkelijkheid dingen zijn, waartegen de mannelijke borst niet bestand is, dat men aan folterende droomen sterven kan.”HOOFDSTUK III.Jaromir en Boleslaw waren op dezen eersten avond in Moskou van hunne vrienden gescheiden, daar hunne tegenwoordigheid bij de troepen volstrekt noodzakelijk was. Toen echter de bivaksvuren vlamden en de soldaat behoorlijk verzorgd en van spijs en drank genoegzaam voorzien was, konden de wachthebbende officieren zich wel beurtelings voor eenigen tijd van hunne posten verwijderen en zich door hunne kameraden daarop laten vervangen. Dit deed ook Jaromir. Bij zijne frissche, levendige geaardheid, bij zijne jeugdige, nog voor alle indrukken des levens vatbare gevoeligheid, was, hoeveel hij ook reeds beleefd, gezien en ondervonden mocht hebben, de intrede in eene nieuwe, beroemde hoofdstad eene gebeurtenis voor hem, die zijne belangstelling en nieuwsgierigheid in eene hooge mate gaande maakte. Met verbazing had hij de paleizen, de lange onafzienbare straten en ruime pleinen aangestaard; het Kremlin met de hooge koepels, torens en tinnen had op zijne ziel den indruk van een tooverslot uit de wonderwereld der feeën gemaakt. Hij had lust om door de straten te dwalen, de bivakken der kameraden te bezoeken, met hen te keuvelen en te schertsen, in éénwoord, om na de langdurige inspanning eens vrij en frank de vreugde van den ongestoorden lediggang te genieten. Boleslaw bespeurde dit en met zijne gewone welwillendheid bood hij hem, zonder eerst een verzoek af te wachten, aan, den dienst van hem over te nemen. Met twee officieren van het bataljon infanterie, dat Rasinski voor het oogenblik was toegevoegd, drentelde hij, toen het reeds begon te schemeren, arm in arm de straat op, om eene wandeling door de stad te doen.„Hier op deze beide torens met hunne gouden koepels moeten wij het oog houden,” zeide hij tot zijne geleiders, „zij kunnen ons, al wordt het ook donker, weer terecht wijzen, want in den getakten knop spiegelen onze vuren zich helder genoeg af, om hem zelfs in den nacht uit de verte te zien blinken.”LebrunenLacoste, zoo heetten zijne makkers, waren even als hij zelf in de lustigste stemming. „Marlborough s'en va en guerre,” neurdeLebrun, zich luchtig den knevel opstrijkende, en de beide anderen bleven niet in gebreke, hem met hunne stemmen in koor te ondersteunen.Na eenige straten, waarin hun eene batterij zware artillerie te gemoet kwam, te hebben doorgeslenterd, kwamen zij aan het Kremlin. Hier waren groote bivakken opgeslagen. Der jonge garde was het plein ter legerplaats aangewezen.Lange rijen van geweerrotten flonkerden prachtig in den weerschijn der vuren, die men ter zijde van de straat had aangelegd. Daar de soldaat steeds gewoon is, zijne legerplaats zooveel mogelijk te versieren, had men ook hier voor elk bataljon eene piramide van trommels en adelaren opgericht. Aan de uitgangen der verschillende kruisstraten stonden de kanonnen opgesteld; zij waren afgespannen, de brandende lonten stonden in den grond geplant. Om de lieden te vervroolijken, hoorde men van verschillende zijden een krijgszuchtige veldmuziek; doch slechts weinigen hadden kracht genoeg of waren in eene luim, om aan een luchtigen dans naar de geliefkoosde française of gavotte de rust op de met stroo bedekte straatsteenen op te offeren. Over het geheel leverde het leger wel eene levendige, maar niet die vroolijke vertooning op, welke zulk een krijgszuchtige nomadenstad anders, vooral na dagen van zege en overwinning, den toeschouwer pleegt aan te bieden. De kleeding der meeste soldaten was gescheurd, met bloed en kruit bevlekt; zelfs de garde maakte daarop geene uitzondering, ofschoon zij bij Borodino geen deel aan het gevecht genomen had. Later toch, toenKutusownogmaals eene verschanste stelling bij Krymskoïe, drie uren vóór Moskou, aannam, had ook zij zich eervol van haar plicht gekweten.—Hier en daar hoorde men een lustig liedje aanheffen, doch meerendeels lagen de baardige krijgers in hunne mantels gewikkeld aan de vuren en sliepen of staarden geeuwend in de vlammen, waarop hunne dampende kookketels stonden.„Laat ons daar de kaai eens opwandelen, waar al die prachtige huizen staan,” sprak Jaromir.Ook hier lagen soldaten; het was de oude garde. Bij deze anders aan zoo strenge tucht gewone troepen heerschte thans weinig orde. Men had de deuren der huizen opengebroken en zich van de ruime voorportalen meester gemaakt; de officieren lagen op de bovenverdiepingen uit de vensters. De soldaten sleepten hout en stroo aan; anderen droegen beddenspreien, kussens en tapijten naar beneden, om zich een gemakkelijk leger te spreiden, want de soldaat was de vroolijke erfgenaam der gevluchte bezitters.—Het bivak kreeg door deze stoffeering een bont, bijna oostersch aanzien, te meer, daar juist eenige lijfmammelukken des keizers zich met lange pijpen in denmond op een prachtig geborduurd tapijt en hemelsblauwe, in een naburig paleis gevonden kussens hadden neergevlijd.„Hm! gij zijt hier wel op uw gemak,” sprakLacoste; „nu, geen wonder! de garde moet altoos een streepje vóór hebben. Het is vrij onzeker, of gij het bivak in huis, dan de huizen in het bivak gedragen hebt. Waarom gaat gij niet liever binnen op de ledikanten liggen?”„Er is order om te bivakeeren, heer kapitein,” antwoordde een grenadier met blinkend zwarten knevel; „maar dat zal, naar alle verwachting, niet lang duren. Als de nacht zoo schoon is, als nu, kan men het zich nog licht getroosten.”„Zoo schoon? Mij dunkt de wind zal koel genoeg blazen,” merkte Jaromir op.„Als hij de vuren maar niet uitblaast,” riep de knevel glimlachend, „laat hem dan vrij zijn gang gaan.”„Zeg liever, als hij ze maar niet aanblaast,” hernamLebrun. „Uw bivak, vriend, is niet het geregeldste van die ik tusschen den Ebro en hier gezien heb. 's Nachts, als alles slaapt en de vuurwachten knikkebollen, kan het stroo onder uw lijf in brand vliegen bij zulk een verduiveld verwarde huishouding.”„Waarachtig!” riep Jaromir, „het zou wat fraais zijn, als gij de winterkwartieren boven uw hoofd in brand staakt; maar het schijnt er volkomen op toegelegd. Zie eens, hooi en stroo zijn van het vuur tot aan de huisdeuren gestrooid, alsof gij met een kruitslang een artilleriepark woudt in de lucht doen springen.”„Pah! stroo is geen kruit. Wat licht brandt, is licht gedoofd!” antwoordde de grenadier.„Niet altijd,” hernamLacoste; „uw bivak wil ik met eene sigaar in brand steken, maar het zou u moeielijk vallen, in gansch Moskou water genoeg bijeen te halen om het uit te blusschen.”„Wij zullen het wat voorzichtiger aanleggen, heer kapitein,” sprak de grenadier, zich buigend, terwijl de officieren hun weg voortzetten.„Het verwondert mij toch, dat zoo iets wordt toegelaten,”meende Jaromir, „het is inderdaad gevaarlijk.”„Zeker is het,” antwoorddeLacoste, de schouders ophalend; „maar bij zijne geliefde garde ziet de keizer veel door de vingers. Hij steunt er op, dat het enkel veteranen zijn, die met krijg en krijgstucht bekend en van de noodzakelijkheid der laatste zoo overtuigd zijn, dat zij vanzelf doen wat goed is. Dat is ook wezenlijk het geval op marsch, in het leger en in den slag; maar, gij weet het, is de tijd om uit te rusten eens voor den soldaat gekomen, dan is het onmogelijk hem tot werken te bewegen. Zoolang hij aan den gang is, gaat het, men kan hem opladen, wat zijne schouders kunnen dragen; strekt hij zich echter eens moe en mat op het bivak neer, vooral zooals nu in eene veroverde hoofdstad, dan mag gebeuren, wat wil, hij stoort zich aan niets. Nu, men moet ook iets aan het geluk en aan den goeden hemel overlaten, wanneer alles, wat hier op de wereld gevaarlijk is, op zijn ergst uitviel, dan mocht de henker soldaat zijn. Onze grootste troost zijn immers de kogels die niet treffen.”Al pratende was men verder gewandeld; geen schrede, die niet een beeld voor de hand eens bekwamen schilders aanbood. Hier een oud krijgsman, die sliep, als zou hij nooit weer ontwaken, en niet bespeurde, dat zijne zolen reeds aan het vuur verzengden, zoodat Jaromir hem meêlijdend ter zijde schoof, om den armen duivel den volgenden dag niet geheel blootsvoets te laten loopen. Dáár eene marketentster, die door een zwerm lustige soldaten omgeven en vrouwelijke geslepenheid met trots opde nauwgezette eerlijkheid van haar handel parende, allen gelijkelijk wist tevreden te stellen. Verderop spelen, plagerijen, liederen, dansen. Een weinig ter zijde eene groep genoegelijk keuvelende en snappende ouden, die meer litteekens dan haren op de kale schedels omdroegen. Eene zieke, die mistroostig, met omwonden hoofd, in de kapot gewikkeld in het stroo dook. Een pijper, die zich in eene schilderachtige houding als sansculotte op zijn ransel had gezet, terwijl hij als zijn eigen kleermaker zijn eenige broek opflikte. Zelfs eene moeder met een tweejarigen knaap zag men, aan het vuur zittende, met het kind stoeien en dartelen. Dat was het eenige zoete loon voor eene trouw en eene liefde, welke haar den moed hadden gegeven, deze onmetelijke, met bloed besmette wildernissen te doorwandelen.Terwijl Jaromir zich door een dichten hoop soldaten den weg trachtte te banen, die elkander om een met rijst beladen wagen, waarvan zij hun rantsoen zouden ontvangen, verdrongen, voelde hij iemand aan zijne jasslip trekken. Hij zag op; het was een sierlijk gekleed jockey, een knaap, naar het scheen, van ruim vijftien jaren, wiens aanwezigheid in het leger opzien moest wekken. Een engelsche hoed met breed omslaande randen en zwarten vederbos, versierde het hoofd en bedekte ten halve de gelaatstrekken.„Wat wilt gij, mijn jongen?” vroeg Jaromir verwonderd.De kleine boog zich een weinig, als beschaamd, en fluisterde: „Ik moet u verzoeken, mij te volgen!”Jaromirs verbazing nam toe, toen hij den schoonen knaap opmerkzamer aanzag, de schemering, het roodachtig schijnsel der wachtvuren en de diepe slagschaduw van den hoed verleenden het gezicht eene eigenaardige, romantische bekoorlijkheid.—De trekken deden levendige herinneringen bij hem oprijzen, welke hij echter op geen bepaald voorwerp wist te huis te brengen; evenwel hield hij zich overtuigd, dat hij den knaap reeds vroeger ergens moest gezien hebben.„Volgen?” vroeg hij; „gaarne; maar waarheen?”„Slechts mij na,” sprak de kleine, zich ras omwendende, terwijl hij uit het gedrang zocht te ontkomen. Jaromir, hoogst verrast en gespannen, ijlde hem na, bevreesd hem in al het gewoel uit het oog te zullen verliezen.IJlings voortgaande sloeg de vlugge geleider eene donkere, smalle zijstraat in, door welke zij spoedig op een open plein uitkwamen. Daar stond plotseling het Kremlin met zijn in de diepe schemering zwart en reusachtig opwaarts stijgende torens en muren vóór hen; door het laatste avondlicht beschenen, blonk het gulden kruis des heiligen Iwans op de spits der hoofdkerk en scheen zich in het blauw des hemels te verliezen. Ofschoon Jaromir door de zeldzame ontmoeting zeer gespannen en met gedachten en vermoedens vervuld was, die hem van wat hem omgaf onwillekeurig aftrokken, zoo maakte toch dit onverwachte, grootsche schouwspel een machtigen indruk op zijne jeugdige ziel. Als aan den grond gekluisterd bleef hij roerloos staan en staarde naar de hoogte. Zijn gids echter, die hem steeds eenige schreden was vooruitgebleven, zag steeds aandrijvend naar hem om en wenkte met de hand, dat hij niet zou dralen. Zij kwamen aan den voorhof van een prachtig paleis; de knaap snelde de breede marmertrappen op, trad in het portaal en wachtte, of Jaromir hem volgde. Nu greep hij diens hand en zeide: „Hier moet ik u omzichtiger leiden, want in de donkere zuilengangen zoudt gij verdwalen.”Inderdaad was de wijde voorhal des huizes door eene kleine lamp, die bij eenboogvenster op eene marmeren tafel stond, zoo goed als niet verlicht. Ternauwernood kon men de breede trap, die naar de bovenverdiepingen voerde, onderscheiden. Jaromir aarzelde; zou hij verder volgen, in de vreemde stad, in het ledige huis?—Hij was niet vreesachtig en toch wankelde hij in zijn besluit, om zich geheel aan zijn onbekenden geleider toe te vertrouwen.„Halt, mijn jongen,” sprak hij, „niet verder eer gij mij zegt waarheen.”„Een Pool, een soldaat, en vrees?” fluisterde de knaap bijna spotachtig.Dit antwoord verdroot den moedigen jongeling. „Vrees?” riep hij; „beeldt gij zelf u misschien ook in, mij bevreesd te maken, kleine? Vooruit dan, in 's hemels naam, maar gij blijft mij borg voor al, wat mij bejegent.”De knaap antwoordde niet, maar Jaromir reikte zijne hand toe, die haar zoo krachtig vastklemde, dat de kleine geleider hem niet ontkomen kon; hierop trok hij zijne sabel en riep: „Voorwaarts nu, waarheen gij wilt.”De zwijgende gids leidde hem de trap op, opende, op een bovengang gekomen, eene kleine deur en voerde hem vervolgens door eene lange reeks van, naar het scheen, ledig staande vertrekken, waarin eene zwarte duisternis alle voorwerpen omsluierd hield.Nog eenmaal traden zij door eene deur; de knaap wierp die achter zich in het slot, wrong door eene onverhoedsche wending zijne kleine hand uit die van Jaromir los, verdween in het duister en riep hem nog slechts met eene welluidende zilverstem de woorden toe: „Wacht hier een oogenblik!”Jaromir wilde naar den vluchteling grijpen en tastte met uitgestrekte armen om zich heen, maar het toeslaan eener tweede deur bewees hem, dat zulks te laat en de vlugge page ontkomen was.Alléén in den stikdonkeren nacht, klopte Jaromirs hart met hoorbare slagen; hij trachtte de deur, waardoor hij was ingetreden, te openen; maar zij moest een springslot hebben, althans zijne pogingen waren vruchteloos.„Zou de vijand mij hier in eene hinderlaag gelokt hebben?” dacht hij bij zich zelf. „Doch wat reden kon hij hebben, om juist u onder zoovele duizenden tot prooi uit te kiezen? En hoe toevallig stiet men op u! Er waren wel belangrijker levens in het leger te vinden, wanneer de vijand het daarop toelegde. Maar wat ter wereld kan men met mij voorhebben? Waartoe die geheimzinnigheid?”Door dergelijke gedachten verontrust, trad hij aan het venster, dat met dichte, zijden voorhangsels gesloten, zich door eene smalle lichtstreep kenbaar maakte. Hij schoof de gordijnen open; het vertrek zag uit op een tuin; achter dien tuin werd men door het schemerdonker de, door de vlammen der bivaksvuren bestraalde, beide torenspitsen gewaar, welke Jaromir tot leidsterren op zijne wandeling hadden moeten dienen. Bedroog hij zich niet ten eenenmale, dan moest hij door den tuin op den naasten weg naar de zijnen uitkomen. Hij herinnerde zich tevens, in de straat, waarin zijn regiment gelegerd was, een tamelijk langen tuinmuur en daarin een kleine achterpoort te hebben gezien. Met de gevatheid van een soldaat, wist hij deze omstandigheden der plaatselijke gesteldheid dadelijk met elkander in verband te brengen en hield zich nu volkomen verzekerd, dat hij, eerst in den tuin zijnde, ook den muur bereiken en vandaar de hulp zijner kameraden inroepen kon. In zijne gedachten ontwierp hij reeds het plan tot een terugtocht, ingeval het tot het uiterste komen en zijn leven bedreigd worden mocht. Hoe in den tuin te geraken, was slechts de zwarigheid, want het venster was hoog en een sprong uiterst gewaagd. Daar kwam hem het toeval te hulp;hij hoorde plotseling in zijne nabijheid eene deur in hare hengsels kraken. Op het geluid afgaande, ontdekte hij eene kleine deur in het behangsel, die, slecht toegemaakt door den wind heen en weder bewogen werd; hij opende die en stond in een gang, welks venster op den tuin uitkwam. Daar het door geen gordijn gesloten was, liet het genoegzaam licht door, om de plaatselijke gesteldheid verder te onderzoeken, en reeds na eenige oogenblikken vond de jongeling een kleine trap, die, tot zijne vreugde en geruststelling, naar den tuin afdaalde en beneden niet gesloten was. Hij stond nu aan den uitgang en was heer zijner vrijheid, doch een gevoel van schaamte en eerzucht dreef hem weder naar boven; tevreden, dat hij zich van een vrijen aftocht kon verzekerd houden, besloot hij, het avontuur stoutmoedig te bestaan.—Juist had hij het duistere vertrek weder bereikt, toen de deur, waardoor zijn geleider verdwenen was, geopend werd en een zacht lichtschijnsel hem in de oogen blonk. Eene vrouwelijke, in witte kleeding en sluiers gewikkelde gedaante zweefde hem te gemoet; zij hield eene, door een mat geslepen glas bedekte lamp van antieken vorm in de hand. Jaromir, die zich op een vijand, althans op eene ernstige, zoo niet gevaarlijke ontmoeting had voorbereid, was uiterst verbaasd. Met zichtbare verwarring boog hij zich; doch de vreemde zette de lamp op de marmeren tafel, trad op hem toe en vroeg, zonder echter den sluier op te lichten, met eene liefelijke, hem hoogst bekend voorkomende stem: „Raadt gij niet, wie voor u staat?”„Bij den hemel, neen!” riep de jongeling; „maar kennen moet ik u!”„Gij hebt geen trouw geheugen,” hervatte de onbekende, „en ik herkende u toch te midden van het gewoel, en mijn hart sloeg ruimer, wijl ik een vriend en beschermer hoopte te vinden. Maar ik moet u toch smeeken, dat voor mij te zijn!” Met deze woorden sloeg zij de sluier op en zag beschaamd voor zich neder. De schemering, die in het vertrek heerschte, bedekte hare van het licht afgekeerde gelaatstrekken. Jaromir tot het uiterste gespannen, greep driftig hare hand en trok haar nader bij de lamp. Zij bood slechts flauwen wederstand, maar neigde met vrouwelijke schaamte het hoofd op den vollen boezem.„Alisette! Gij?” riep hij buiten zich zelf van verbazing. „Hoe is het mogelijk, dat gij hier komt!”Zij sloeg haar schoon blauw oog, dat in vochtigen glans schemerde, biddend tot hem op en sprak met eene bevende stem: „Ach, voorzeker is het mij zelve onbegrijpelijk; maar er zijn tijden en omstandigheden, welke ook ons vrouwen in de zonderlingste en ongewoonste betrekking plaatsen. O, ik gevoel diep”, ging zij met neergeslagen oogen voort, „hoe vijandig de schijn is, die op mij vallen moet, nu gij mij hier aantreft! Doch wist gij....”„Ik zweer u,” riep Jaromir vurig uit, „dat mijn hart niet in staat is, eenigen onwaardigen argwaan te voeden!”„O gij edele vriend,” snikteAlisette, greep zijne hand en drukte ze met warmte. Hierop zonk zij vermoeid en uitgeput op de sofa neder en verborg haar lokkig hoofd in het zijden kussen. Zij scheen in stilte te weenen. Jaromir stond voor haar en beschouwde het schoone meisje met een kloppend hart. Het hoofd rustte op den vollen, licht verhulden arm, de haren wierpen hunne schaduw op wangen en nek; de rechterhand hing achteloos neder. Zacht zette hij zich naast haar, nam hare hand en sprak met waarlijk medelijdende aandoening: „Bedaar, arm meisje! Gij zult een vriend in mij vinden.”Zij richtte zich langzaam op. „Ach,”zuchtte zij, „wanneer het tafereel van mijn leven zoo met recht levendige kleuren voor mijn geest staat, dan begeven mij de krachten. Schenk gij mij slechts vergiffenis!—Maar hooren moet gij, welke lotswisselingen mij herwaarts voeren. Beantwoord mij echter eerst deze ééne vraag: Herkendet gij mij niet vroeger?”„U? Wanneer?” vroeg Jaromir verwonderd.„Gij zoudt mij niet in de mannelijke kleeding herkend hebben!”„Onmogelijk! Gij zelve waart de sierlijke, schelmsche bode? Nu begrijp ik de duistere wenken der herinnering.....”„De schelmsche bode!” vielAlisettehem met een bitteren nadruk in de rede. „O wanneer gij wist, wat het mij gekost heeft, die rol vol te houden. Maar ik heb op het tooneel gestaan, waar ik vaak met een verscheurd, bloedend hart een lachend gelaat moest vertoonen!—Doch, wilt gij mij aanhooren? Zal mijn verhaal u niet vermoeien? Zult gij mij uw raad en bijstand niet ontzeggen?”„Een ellendeling zou ik zijn, indien ik niet bereid ware, alles voor u te doen!” riep Jaromir, drukte hare zachte hand, die nog immer in de zijne rustte, aan zijne lippen en bedekte ze met gloeiende kussen.Alisettebelette dit niet en drukte haar doek voor de schoone, weenende oogen.„Nu, verhaal dan, verhaal mij alles,” bad Jaromir; „droog die bittere tranen, want gij hebt een vriend, een broeder gevonden.”„En ik wil mij aan u vertrouwen, als aan een broeder,” hervatte het meisje en drukte liefderijk zijne hand. „Gij weet wellicht niet, dat ik een afschuw van mijn stand heb? Waarom—behoeft eene vrouw, een meisje u niet te verklaren. Maar de dringende nood, de zorg voor het eenig overgebleven kind eener boven alles geliefde zuster, die ik in Engeland verloor, drongen mij, in deze rampzalige betrekking te blijven. Mijn talent, dat ik slechts tot eene vrijwillige veraangenaming des levens voor mij en anderen bestemd waande, moest onder den drukkenden slaafschen plicht, om voor het dagelijksche onderhoud te zorgen, buigen. De treurige omstandigheden, die mij het eerst deze akelige baan deden inslaan, behoef ik u niet op te geven. In Warschau vondt gij mij daarop; de uren, in het huis der gravin gesleten, de vluchtige dagen, dat ik u daar aantrof, waren de schoonste mijns levens. Gaarne ware ik daar gebleven, maar de verfoeielijke aanbiedingen eens mans in wiens hand daar mijn gansche lot berustte, dwongen mij, spoedig na u, eenige dagen nadat de gravin was afgereisd, de stad te verlaten, waar ik zooveel goeds had genoten, waar echtereensklapsal diegenen, welke mij vriendschap hadden betoond, als door een ruwen storm naar alle wereldstreken waren uiteengestoven. Zonder raad of hulp, bleef mij niets over, dan den naasten tak aan te grijpen, dien ik in mijne schipbreuk ontdekte. Een tooneeldirecteur, die op de macht en het geluk des keizers het onbepaaldste vertrouwen stelde, beijverde zich, leden voor eene fransche opera aan te werven, door welke hij het winterverblijf in Rusland voor het leger dacht te veraangenamen. In den beginne heette het, de keizer zou te Witepsk blijven; derwaarts volgde hem de nieuwe beschikker van mijn lot. Ik waagde mij te midden van het gewoel des oorlogs; zonder vrees, durf ik zeggen, want ik ben aandestormen des levens gewoon en uitwendig gevaar verschrikt mij niet meer. Maar nauwelijks waren wij te Witepsk aangekomen, of de keizer brak van daar op en de stad werd zoo ledig en eenzaam als vroeger. Ten einde de groote onkosten, welke hij reeds had gemaakt, niet geheel te verliezen,besloot de ondernemer het leger te volgen. Hij hield zich stellig overtuigd, dat de keizer weldra te Moskou zijn zoude, en zocht ons daardoor te overreden, hem verder te volgen. Echter zou ik zeker naar Duitschland of Polen zijn teruggekeerd, maar.....” Zij scheen een oogenblik huiverig om voort te gaan. „Doch waarom zoude ik mij de bekentenis schamen,” vervolgde zij blozend, „het ontbrak mij daartoe aan geld.”
Den 14 September bereikten de eerste ruiterscharen, waartoe ook Rasinski met zijne vrienden behoorde, denBerg des Heils, van wiens top zij het prachtige Moskou, den ouden, gewijden zetel der czaren in het diepe dal zagen uitgestrekt. Het was vroeg in den namiddag. Een glanzende zonneblik brak juist door de dunne wolken, welke de lichtblauwe ruimte des hemels doorkruisten. In duizendvoudigen vervengloed flonkerden de tallooze koepels der kerken en paleizen, die, in goud en schemerend groen stralende, zich hoog boven de stad verheffen. Uit een woud van torenspitsen steeg het Kremlin als een gekroond hoofd opwaarts: de Moskowa kronkelde als een glinsterende zilverband door de velden. Talrijke scharen van fladderende duiven wiegden zich op lichtende vleugels in de zonnestralen, verhieven zich hoog boven de daken en dartelden om de tinnen der paleizen.
Een onwillekeurige uitroep van vreugde en eerbied tevens verhief zich bij dezen verrassenden aanblik. „Moskou! Moskou!” juichten de krijgers, die zich nauwelijks begrijpen konden, dat het onmetelijk verre, in een geheimzinnig duister van wonderbare verhalen en sprookjes gehulde, onder tallooze vermoeienissen en gevaren nagejaagde doel nu werkelijk zoude bereikt zijn. Als de gouden prijs des overwinnaars, als een stralende kroon des roems, lag de hoofdstad van het oude Rusland voor de oogen der koene mannen, die gewaagd hadden, van de schoone lachende oevers der stroomen van Frankrijk en Duitschland, midden door de woestenijen voort te dringen, waarachter zich deze rijkdommen verschansen, die aan de fabelachtige sprookjes van het Oosten herinneren.
Vreugdegejuich en zegekreten vervullen de lucht. De voorsten roepen en wenken hunne nakomende kameraden toe. De onder de bezwaren van den marsch bijna bezwijkende krijgsman voelt zich plotseling door nieuwe krachten gesterkt; elke gedachte aan zijn lijden, zijne zorgen en gevaren is verdwenen. Als een stroom, die zich eensklaps eene nieuwe baan heeft geopend en nu in sneller loop voortbruist, golft de menigte in steeds wassenden spoed de hoogte op, zoodat de met onweerstaanbare kracht voortwentelende vloed over de kruin heenstroomt. Naarmate de zwarte massa's zich dichter op de hoogte samenpakken, worden de vreugdekreten luider en stijgen zij door de zuivere herfstlucht krachtiger en helderder ten hemel opwaarts.
„Ziedaar dan de beroemde, aan verhalen en wonderen rijke stad der czaren,” riep Bernard. „Zoo hebben wij haar eindelijk toch gevonden achter de onmetelijke wouden en steppen, die haar beschermend omgorden!”
„Het was tijd,” sprak Rasinski en wierp een blik op het leger; „hoog tijd!”
Lodewijk beschouwde de rijke, onmetelijk uitgestrekte stad met die eerbiedvolle, de borst verheffende en verruimende opgetogenheid, waarmede ons de aanblik van oorden of menschen vervult, wier roem sinds lang uit de verte tot ons is doorgedrongen en welke wij reeds in de dagen onzer kindsheid als wonderbeelden, die ons uit onbereikbaar verre ruimten en tijden toeschemerden, in de ziel omdroegen.
„Eene kolossale schilderij,” riep Bernard vol vuur; „dat men zoo iets niet kopiëeren kan! Zie eens die massa's van licht en gloed daarboven op de koepels; dat verwarde mengsel der daken en lage huizen, der groene strepen en vlekken van tuinen, die als aderen door het gesteente loopen; de zilvertinten, welke de stroom op het landschap werpt, en, wanneer wij omzien, het ontzaglijke leger, dat als een zwarte vloed door de velden golft. Zie, hoe de bajonetten in den zonnegloed bliksemen, de vederbossen blinken en het erts der kanonnen flikkert, die daar ginds in lange colonnes het woud voorbijtrekken. Hier en daar verliest de blik zich in het oneindige; want de uiterste torens der stad verdwijnen reeds in blauwen damp en nevel, en de lange sleep van wagens en van naloopers des legers smelt in de onafzienbare ruimte geheel weg.”
Gedurende dit gesprek was men langzaam bij de hoogte afgedaald. Een tijdlang had eene bonte verwarring geheerscht, gelijk die bij buitengewone ontmoetingen op marsch gemeenlijk pleegt plaats te grijpen; doch thans werden de manschappen weder geordend, moesten in hunne gelederen blijven en zich aan de strenge regels van den marsch op vijandelijk grondgebied onderwerpen, daar men voorzeker op een ernstigen tegenstand moest gevat zijn, eer men het kleinood des rijks, het palladium der russische kroon, dat thans als een glansrijke diamant voor de oogen der legers fonkelde, in zijne macht kreeg.
Zoo kwam men nader en nader bij de stad, elk oogenblik verwachtende, een hardnekkigen vijand te ontmoeten. Plotseling werd halt gehouden; van rot tot rot liep het gerucht, dat de koning van Napels met de aanvoerders der kozakken in vriendschappelijke onderhandeling was getreden. Reeds begon men de zoete hoop te koesteren, dat de kamp hier een einde nam, dat de vrede nabij was, dat het loon voor de doorgestane moeiten en gevaren zeker en onmetelijk groot zijn zoude. Rasinski reed vooruit en trachtte de waarheid te vernemen. Deze bestond daarin, dat de koning eenige oogenblikken met de kozakken gesproken en hun eenige kleine geschenken gegeven had. Zij hadden intusschen slechts een officier verzeld, die vrijen aftocht voorKutusowsachterhoede eischte; ingeval van weigering dreigden zij, de stad aan de vlammen ten prooi te geven. De keizer, ten spoedigste van die vordering verwittigd, had dadelijk ingewilligd, maar rukte desniettegenstaande de stad binnen.
Terwijl prins Eugenius en vorst Poniatowski zich met hunne korpsen ter rechter en linkerzijde van den hoofdweg uitbreidden en de stad omsingelden, volgde Rasinski met de zijnen den koning van Napels, die met behoedzaamheid binnentrok. Het was niet denkbaar, dat de vijand geen weerstand zoude bieden; men moest zich integendeel op bloedige straatgevechten voorbereiden.
Thans reed men door de straten der voorstad. Zij waren woest en ledig, evenals de verlaten dorpen, die men op weg naar het gewenschte doel in zoo talrijke menigte had aangetroffen.
„Zouden de arme inwoners zoo bang voor ons zijn, dat zij geen vingerbreedte van hunne kromme haviksneuzen, geen duim lengte van hunne spitse baarden durven vertoonen?” sprak Bernard tot Jaromir. „Zou dan geen enkel hupsch kind nieuwsgieriggenoeg zijn, om de nieuw aangekomenen uit een dier kleine vensters ten minste eens eventjes te begluren? Het is goed en wel, dat de vijand het noodige ontzag voor ons heeft, maar de lieve meisjes moesten niet zoo ontzettend schuw en eenkennig voor ons zijn. Zijn wij dan menscheneters, of houdt men ons daarvoor?”
„Ik vermoed, dat de bewoners dezer buitenwijken naar de binnenstad gevlucht zijn,” antwoordde Lodewijk. „Zij duchten veellicht den eersten inval; wie weet ook, of het hier niet nog spoedig tot een gevecht kan komen. Dan is hij er voorwaar ongelukkig aan, die geen wapens draagt.”
„En bovenal hier,” merkte Rasinski op, „waar de houten huizen, bij de eerste granaat, die men op het dak wierp, als droog stroo in brand zouden vliegen.”
„Het ware eene verwenschte grap,” riep Jaromir, „wanneer ons de winterkwartieren eens boven het hoofd afbrandden. De rust van zes tot zeven maanden, waarop ik hier stellig reken, hebben wij, dunkt mij, hoog van noode.”
Rasinski zweeg; echter las men op zijn voorhoofd, dat hij met Jaromirs verwachting niet instemde. „Het meest wenschelijk ware voorzeker,” sprak hij na eenig stilzwijgen, „dat de vrede zoo spoedig mogelijk gesloten werd. In dat geval, vermoed ik, zouden wij den winter niet hier doorbrengen, daar de tegenwoordigheid van den keizer en van het leger in het middelpunt van Europa stellig noodwendiger is, dan hier bijna aan de grenzen van Azië.”
Boleslaw reed, ernstig en in zich zelf gekeerd, zooals gewoonlijk, naast de overigen voort, zonder zich in het gesprek te mengen.
Plotseling werd de voortgang opnieuw vertraagd. Daar Rasinski zich niet aan de spits bevond, kon hij niet zien, of dit oponthoud door eenige uitwendige hindernis veroorzaakt werd. Terwijl hij nog met zijne blikken door het gewoel trachtte heen te boren, zag hij den oversteRegnardde straat afkomen. Hij droeg den arm nog omwonden en eene breede, zwarte pleister op het voorhoofd. Sinds de korte ontmoeting op het slagveld, had Rasinski hem niet weder gesproken.
„Goeden avond, overste,” riep hij hem toe, „gij komt van de spits der colonne; wat legt men ons nu weder in den weg?”
„Ha, vriend Rasinski, hoe gaat het?” antwoorddeRegnard. „Het verheugt mij, u wèl te zien, schoon ik uit het rapport reeds wist, dat gij uit de schipbreuk bij Mosaisk gered waart. Wat ons ophoudt? Enkel eene afgebroken brug over de Moskowa, die spoedig weer hersteld zal zijn. Maar....”hier wenkte hij Rasinski ter zijde en sprak heimelijk tot hem. Bernard, wiens scherp oog gewoonlijk door het gelaat eens anderen tot diep in diens ziel doordrong, werd eene merkbare ontroering in Rasinski's trekken gewaar. OokRegnards koud, scherp geteekend gezicht, hoewel over 't geheel voor weinig verandering vatbaar, wijl alle lijnen daarvan als in vasten steen gesneden waren, drukte eene angstige bevreemding en bezorgdheid uit. Het moest iets van het uiterste gewicht, misschien wel het bericht van een dreigend gevaar zijn, wat hij Rasinski mededeelde. Hun gesprek duurde echter slechts drie minuten, waaropRegnardzijn weg vervolgde. Met gefronst voorhoofd keerde Rasinski tot de zijnen terug; hij scheen juist te willen mededeelen, wat hem de overste bericht had, toen de colonne zich weder in beweging zette en, zooals steeds na eene stremming het geval is, met verdubbelden spoed narukken moest. Weldra bereikte men de Moskowa; de brug was zoo slecht hersteld, dat men verkoos door den zeer ondiepen vloed te rijden. Bernard bespeurde, dat Rasinski de straten en huizen met eene angstvallige opmerkzaamheidbeschouwde, welke toenam, naarmate men de eigenlijke stad meer en meer naderde. Eindelijk kwam men aan den ringmuur, dien ze in haar ganschen omvang insluit.
„Hier worden de straten toch ruimer en de huizen aanzienlijker,” sprak Bernard; „in het verschiet ziet men reeds verscheiden gebouwen, die naar paleizen gelijken. Nu zullen wij toch wel spoedig hare bewoners leeren kennen.”
„Dat juist vrees ik,” sprak Rasinski, zich omwendend, zacht, maar op een bekommerden toon, „zullen wijniet. NaarRegnards berichten moet de gansche stad verlaten en zoo doodsch en stil als het groote kerkhof zijn, dat wij bij den inmarsch voorbijkwamen.”
Deze woorden, die slechts door zijne hem onmiddellijk omringende vrienden gehoord werden, joegen hun een killen schrik aan. „Hoe? Onmogelijk!” riep Jaromir; „dat zou dus een vernieuwden kamp, een hardnekkigen tegenstand aanduiden, zelfs nadat wij tot het hart des rijks zijn doorgedrongen?”
„Dat staat in ieder geval te vreezen. Thans worden vermoedens bevestigd, die mij reeds bij het binnentreden van oud-Rusland duister voor den geest zweefden. Niet de keizer Alexander en zijne legers zullen wij meer te vreezen hebben, niet met hen zullen wij kampen, maar een geheel, onmetelijk volk is het, dat met al de gloeiende woede tegen ons opstaat, welke dweepzuchtige geestdrijverij in de borst van den mensch kan doen ontvlammen. Diep verzonken in onzinnig bijgeloof, in slaafsche onderwerping, zoowel aan hunne priesters als aan hunne vorsten, zal het onmogelijk zijn hen voor eenige overreding toegankelijk, voor eenige verstandelijke overtuiging vatbaar te maken en hun te doen inzien, dat wij niet gekomen zijn, om hunne altaren te vernietigen, hunne kerken te plunderen, hunne steden in asch te leggen. Hier zal niet langer een krijg tusschen twee machten gevoerd worden, waar de beslissing op het slagveld of in den raad der ministers wordt uitgesproken, maar een gansch geslacht vat tegen ons de wapens op, een geslacht, dat ons vervloekt als het uitbraaksel der hel. De mensch is de vijand van den mensch; giftige haat bezielt de borst van den knaap en het hart der vrouw. Dan kent men geen edelen, grootmoedigen kamp der gedachten, der eer, des roems meer, maar alles ontaardt in een afgrijselijk moorden, slachten en worgen, waarbij zege en nederlaag even afschuwelijk en menschonteerend zijn.”
Terwijl hij sprak lichtte een donker vuur uit zijne oogen; het hooge voorhoofd was in ernstige vouwen saamgetrokken en eene diepe smart teekende zich om zijne lippen. Bernard staarde hem met onafgewende oogen aan. Door de schoonheid, den verheven adel van dat mannelijk gelaat vergat hij voor een oogenblik, waarom deze onweerswolken in zoo ernstige majesteit daarover heentogen.—Waarlijk, dacht hij bij zich zelf, de mensch is nooit zoo schoon, dan wanneer eene edele droefheid, uit den diepsten grond des harten opwellende, door de lichte hulsels van oog en gelaat schemert. Daarom vertoonden de ouden ons hunne helden zoo diep ernstig; daarom vinden wij zelfs in hunne goden dien verheven zweem eener zachte droefheid, die de trekken zoo veredelt en opluistert.
Maar de snelle afwisseling der voorwerpen en van de indrukken, die zij teweeg brachten, vergunde geen lang verwijlen der gedachten op eene en dezelfde plaats, vooral daar, waar zij te ver buiten den kring der naastbijzijnde, machtige werkelijkheid rondzweefden.
De breede straten, waardoor men thans voorttrok, wekten eene zonderlinge gewaarwording; zij waren vervuld met het woeste gevoel van den oorlog en toch tevensdoodstil, wijl de huizen aan beide zijden als stomme graven oprezen, waaruit zich geen spoor, geen adem des levens liet vernemen; niet eenmaal de rook eens schoorsteens was in het rond te ontdekken. De koepels der hoofdkerken glansden van stralend goud, met groene kransen omhangen; de zuilen der paleizen rezen prachtvol omhoog. Echter scheen de tooi dezer grootsche gebouwen die van een statig opgekleed, ter laatste openlijke beschouwing ten toon gesteld lijk te zijn, zoo doodsch, zoo stom bleef alles. Deze vermenging van de weelderige pracht des levens met de stille, diepe verlatenheid des doods was zoo pijnlijk, dat zij zelfs de borst van den ruwsten soldaat, die nog geen vermoeden van de vreeselijke waarheid had, beklemde.
Reeds twee uren trok men door deze steenen woestenij voort en scheen zich gestadig dieper en dieper in de labyrintische doolgangen te verwarren. Slechts langzaam rukte men voorwaarts, daar de koning, die nog altijd aan de waarheid twijfelde, elk oogenblik een aanval verwachtte en de bezorgdheid nog niet verbannen kon, dat men hem listig tot midden in dit bedriegelijk net van elkander onregelmatig kruisende straten wilde lokken, om hem dan plotseling van alle zijden met het zwaard in de vuist aan te tasten. Daarom zond hij in elke zijstraat sterke troepen uit, die berichten moesten, of de vijand ook ergens in eene hinderlaag loerde. Men vond niemand. Eene akelige stilte heerschte in de onmetelijke stad, waar anders het gewoel der menigte het oor verdooven moest. Slechts de doffe hoefslag der paarden en het kletteren der wapenen werden door de stomme, hooge muren hol en dreigend teruggekaatst. Zoodra de voortgang een oogenblik gestremd werd, breidde zich de stilte als een lijkkleed over de scharen uit; want ook de soldaat was van het beklemmend gevoel diep doordrongen, en schoon hij de hoofdstad des vijands binnentrok, verhief zich geen kreet der overwinning, geen toon van vreugde of gejuich. Ernstig, zwijgend het verwonderd oog op de gebouwen gericht, waarin hij vruchteloos eenig spoor van leven trachtte te ontwaren, hield hij zijn intocht in de veste der oude czaren.
Thans rezen de muren en tinnen van het oude Kremlin boven de hoofden der krijgers statig omhoog. Daar vernam men voor het eerst, als ware het een verkwikkend geluid, een verward gedruisch van stemmen en krijgsgewoel. Het was een troep samengeschoold volk, dat zich in zwart gewemel om een transport wagens verdrong, waarop levensmiddelen en eenige gekwetsten lagen, die men niet tijdig genoeg uit de stad had kunnen vervoeren. Ettelijke kozakken, ter hunner bedekking achtergelaten, stoven op hunne kleine, vlugge rossen in alle richtingen uitéén en waren spoedig in de welbekende straten en stegen verdwenen, zonder door de hun nagezonden kogels beschadigd te worden. Maar in het Kremlin, welks poorten men thans genaderd was, verhief zich plotseling een afgrijselijk gebrul van huilende stemmen. Rasinski was, alleen door Bernard verzeld, bij het vallen der eerste schoten, naar de spits der colonne gesneld, om te zien wat er gebeurde; zelfs zijn mannelijke borst, aan dreigende gevaren, onder welke gedaante zij zich ook vertoonden, sinds lang gewoon, werd door dit afgrijselijk geluid met angst vervuld. Zijn oog volgde de richting, welke zijn oor hem aanwees. Daar ontwaart hij op de muren van het Kremlin een aantal dreigende gestalten, mannen en vrouwen, die den ingang van den heiligen burg der czaren willen verdedigen. Het verwarde, vliegende haar der vrouwen, de verwilderde stekelige baard der mannen, woeste, bloeddorstige gebaren, lompen, gekrijsch, plompe barbaarsche wapens, dit alles voltooit het ijzingwekkende der vertooning. „Hoe? Heeft de hel hare monsterachtigste duivels uitgebraakt, om ons te verschrikken?” roept Rasinski uit en houdt onwillekeurigde teugels in.—„Zijn dat weerwolven of menschen?” vraagt Bernard sidderend. De verwoede schaar verheft opnieuw haar grimmig gehuil, en geweerschoten vallen van de muurtransen in den dichtsten hoop. De koning van Napels wuift met een witten doek, ten teeken van vreedzame onderhandeling, en gelast Rasinski hun te zeggen, dat zij den waanzinnigen, vruchteloozen kamp moeten opgeven, dat men hun geen leed wil doen. Rasinski rijdt voor het front en roept hun in het russisch toe: „Hoort, verneemt woorden des vredes!” maar een gillend gekrijsch, waarbij de razende wijven de borsten slaan en zich de haren uit het hoofd rukken, verscheurt, in stede van antwoord, zijn oor. Eensklaps springt eene vrouw van reusachtige gestalte, wier haarlokken wild om de schouders zwieren, op de uiterste tinne des voorgevels. „Hond! vanéénrijten wil ik u met mijne tanden, als eene hongerige wolvin! Roover, gij zult verscheurd worden, als de jager, die het jong der berin uit het hol sleept. Vloek u, moordenaars onzer mannen en kinderen! Vloek u, verwoesters onzer steden! Driemaal vloek u, duivelsch gebroedsel, dat onze heilige altaren schendt en den Almachtige met vervloekte tongen lastert! Wee zal over u komen, meer dan over de verdoeming in den zwavelpoel der hel! Vloek, vloek, eeuwig vloek!”
Rasinski rilde. De dreigende gestalte was vreeselijk, maar verwekte geen afgrijzen. Wijde, zwartgrijze kleederen omhulden haar, een bloedroode doek, half naar eene muts, half naar een tulband zweemende, was om haar hoofd gewonden. Het grijze haar fladderde in den wind en zwierde om de half ontbloote schouders, haar oog bliksemde en rolde vurig in de diepe holen, den mond had zij tot eene luide vervloeking geopend, de handen hief zij bezwerend ten hemel.
Alle mannelijke kracht bijeenrapend, riep Rasinski nog eenmaal met zijne donderende stem: „Wilt gij de genade versmaden, rampzaligen?”
Een woest gebrul, met dreigende gebaren verzeld, verdoofde zijne woorden, nog eer hij geëindigd had. Door een wenk gaf hij den koning te kennen, dat alles vruchteloos was; deze gaf bevel, de poort te verbrijzelen. De reeds aangespannen artillerie gaf vuur. Drie schoten, welker gedonder door de ledige stad weergalmde, kraakten tegen de deur, die in splinters uit de hengsels sprong. Zoodra zij neerstortte, drong de woedende bende door de geopende bres te voorschijn en wierp zich in dolle razernij op de gelederen der krijgers. Men had hen willen verschoonen, daar zij te weinig in getal waren, om een overmachtigen vijand tot noodeloos bloedvergieten te nopen; maar de waanzinnige verbijstering der ongelukkigen maakte zulks onmogelijk. Als wilde dieren stormden zij op de gehate tegenstanders in en trachtten, van woede schuimbekkend, zoovelen te verdelgen, als zij vermochten. Een razende velde met een boomstam, die naar eene knods geleek, twee Franschen ter aarde en had door een sprong reeds den koning, die, gelijk altijd, een der voorsten bij het gevaar was, bereikt, toen Rasinski ijlings tusschenbeiden vloog en den dolzinnige een sabelhouw toebracht. Doch deze viel vlak, en met al de grimmigheid van een getergden bulhond pakte de half getroffene thans hem aan, sleurde hem met bovenmenschelijke kracht uit den zadel, greep hem bij de keel aan en wierp zich op hem neder. Pijlsnel, als eene toeschietende slang, liet Bernard zich van het paard glijden en trok den tijger, die Rasinski poogde te verworgen, terug. Een fransch officier sprong hem te hulp. Met moeite braken zij den Rus de gespierde armen open, waarmede hij zijne prooi hield vastgeklemd; toen hij deze niet meer roeren konde, knarste hij grimmig met de tanden en poogde den onderliggende daarmede in den strot aan te grijpen. Doch thanshad ook Rasinski weder den eenen arm losgewoeld, en toen de woedende naar hem beet, stiet hij hem, daar eene andere verdediging onmogelijk was, met de gebalde vuist zoo geweldig tegen den mond, dat een zwarte stroom van dik bloed daaruit opgulpte en hem borst en aangezicht bevlekte. En toch liet de barbaar nog niet los, maar trotseerde met de ongehoorde spierkracht van zijn ijzersterk lichaam de vereenigde pogingen der drie mannen, tot eindelijk de kogel uit het pistool eens jagers, die hem koelbloedig met op de borst gedrukte tromp door het hart schoot, aan zijn leven een einde maakte.
Rasinski en Bernard waren door dezen kamp geheel verpletterd; het geleek te veel op moord, op een barbaarsch worgen en slachten, om een edel mannelijk hart niet met diep afgrijzen te vervullen. Inmiddels waren de overigen, die nog weerstand boden, deels neergesabeld, deels op de vlucht gejaagd. Het scheen onnoodig hen te vervolgen; men liet hen dus ongehinderd trekken en de koning van Napels zette den marsch verder voort.
Verdubbelde behoedzaamheid bij het doordringen in den dedalischen doolhof van straten werd thans echter noodzakelijker dan ooit. De soldaat, die al deze vorstelijke huizen en paleizen van de bewoners verlaten zag, begon zijne gedachte op den rijken buit te richten, dien hij uit de achtergebleven bezitting hoopte bijeen te schrapen. Enkelen poogden zich hier en daar uit de gelederen te verwijderen, om in de huizen op roof uit te gaan; doch eene strenge bedreiging dreef hen naar hunne plaats terug en ten bewijze, dat ze vervuld zoude worden, schoot een generaal eigenhandig een dragonder neder, die zich in eene dwarsstraat verbergen wilde. Zulks werkte; de menigte onderwierp zich striktelijk aan het bevel. Echter hielden de aanvoerders nog andere maatregelen voor noodzakelijk en zonden, zoodra zij een uitstekend gebouw, dat aan eenige openbare inrichting gewijd scheen, of eene groep aanzienlijke huizen naderden, sterke troepenafdeelingen zijwaarts af, om ze tegen elke aanranding van roofgierige plunderaars te beschermen.
Zoo werd ook aan Rasinski opgedragen, een groot, van den rijkdom des bezitters getuigend paleis, dat in eene breede, overigens slechts met kleine huizen bezette zijstraat gelegen was, te bewaken. Met zijne weinige manschappen en een bataljon jagers, dat hem toegevoegd werd, scheidde hij zich dus van het groote armeekorps af en betrok midden in de stad eene eigene legerplaats. Het paleis en de omliggende huizen nam hij plechtstatig in bezit, en er vertoonde zich geen levende ziel, die hem deze verovering betwistte. Hierop droeg hij aan Boleslaw op, met een genoegzaam aantal manschappen zoodanige voorwerpen, welke tot kleeding en voeding dienen en misschien voorhanden zijn konden, te verzamelen en ze naar billijkheid en behoefte onder de soldaten uit te deelen. Tevens verbood hij streng, zich in de huizen in te kwartieren, eer hij zelf zich van de veiligheid daarvan ten volle overtuigd had, en liet hij posten voor de deuren plaatsen, die met hun leven voor plundering of moedwillige vernieling verantwoordelijk werden gesteld.
De troepen sloegen dus voorloopig een geregeld bivak in de breede, bijna een marktplein gelijkende straat, welke tegenover het paleis lag, op. In dit gebouw nam Rasinski zijn hoofdkwartier en richtte dadelijk een bureau op, waar hij zijne dienstzaken en menigvuldige andere bezigheden behoorlijk regelen konde. Als gewoonlijk namen Lodewijk en Bernard de besturing daarvan op zich.
Het schemerde reeds, toen deze voorloopige aanstalten gemaakt waren. Men bevond zich dus nu in de hoofdstad des vijands, men had haar geheel in bezit genomen, ja meer dan men geloofde, daar alles, wat niet te vervoeren geweest was, den inrukkenden als het ware als erfenis bleef overgelaten. Het paleis, dat Rasinski met zijne beide jonge vrienden had betrokken, was van voorvaderlijken, edelen bouwtrant. De poort, hoog gewelfd, met ijzer sterk beslagen, had men met geweld moeten openbreken; men vond ze van binnen gegrendeld, een bewijs, dat de bewoners òf nog in het gebouw verscholen òf door den tuin ontvlucht moesten zijn. Het laatste hield men voor meest waarschijnlijk. Toen men de beide regelmatige wenteltrappen, die van beide zijden van het breede voorportaal naar de tweede verdieping voerden, was opgeklommen, kwam men in de wijde gangen, die eene reeks van zalen en vertrekken begrensden. Deze getuigden van groote pracht, van zelfs in Rusland niet gewonen rijkdom; echter was, gelijk meubels, spiegels, tapijten en vergulde sieraden duidelijk bewezen, de inrichtingen daarvan ten minste reeds door den vader van den tegenwoordigen bezitter geschied.
In een aan de trap grenzend vertrek richtten de vrienden het bureau op. Uit dat vertrek trad men rechts in eene ruime zaal, waarnaast Rasinski eene kleine, nette kamer tot zijn afzonderlijk gebruik had gekozen; ter linkerzijde hadden Lodewijk en Bernard in twee groote vertrekken hunne legersteden opgeslagen.
Het begon donker te worden; buiten op de straat flikkerden de heldere wachtvuren, waaraan de manschappen bivakeerden. De weerschijn der vlammen speelde tegen de zoldering der nog niet verlichte vertrekken en bracht, met de flauwe avondschemering inéénsmeltende, een zonderling schijnspel teweeg. Rasinski was naar beneden gegaan om de troepen te monsteren en voor hunne behoeften te zorgen. Lodewijk zat alleen in het ruime vertrek, dat hij tot verblijf had gekozen, in een ouden leunstoel gedoken; want Bernard had, naar zijn lievelingsgewoonte, om vreemde groote gebouwen dadelijk in alle richtingen te doorkruisen, eene ontdekkingsreis, zooals hij het noemde, naar de uitgestrekte zijvleugels van het paleis ondernomen.
In het schemerdonker van den herfstelijken avond, bij het spel van den vuurschijn voor de vensters, onder het zacht gemompel van verwijderde stemmen gaf Lodewijk zich ongestoord aan zijne mijmeringen over. De schoone beelden van het verleden zweefden als glansrijke gestalten op den donkeren grond van het tegenwoordige voorbij. Het was het eerste eenzame, rustige uur, dat het gewoel van den oorlog hem, sinds hij de tijding van den dood zijner moeder ontving, vergund had. Eene sombere zwaarmoedigheid maakte zich van zijne ziel meester; het hoofd in de hand geleund, zat hij in herinneringen verzonken en zijn oog dwaalde onbestemd in de hooge, donkere ruimte der zaal om. Zoo bemerkte hij niet, dat Bernard was binnengetreden en, in de half geopende deur staande, hem aandachtig gadesloeg. Deze echter zag door de diepe schemering in Lodewijks oog tranen blinken, waarin zich de flikkerende weerschijn der vlammen spiegelde.
„Zoo in treurige gedachten verzonken, krijgsmakker?” sprak hij hem aan.
„Ha, Bernard, zijt gij het? Ja, wel in treurige gedachten verdiept; hoe kan het ook anders op zulk eene sombere plaats en met eene borst zoo vol herinneringen en smarten als de mijne!”
„Hm, mijn hart is ook juist geen voorraadschuur van vreugde en geluk en wanneer ik mijne herinneringen voor de tooverlantaarn zet, trekt de duivel met zijne grootmoeder aan den wand voorbij. Maar wat de sombere plaats betreft, zoo moet ik u zeggen, dat ze mij ook huivering aanjaagt.”
„Hoezoo?”
„Wij wonen hier niet alléén in huis, daarop zou ik een eed willen doen.”
„Hebt gij gronden voor dat vermoeden?”
„Meer dan een. Ik ging door den langen gang naar den zijvleugel, die op den tuin uitkomt. Terwijl ik zoo aan de eene deur na de andere stoot, die alle op slot of toegegrendeld waren, kom ik eindelijk aan eene die terstond opengaat. Ik treed binnen en voel mij door eene aangename warmte verrast; zulks maakt mij opmerkzaam, ik zie rond en bemerk dat ik in eene soort van keuken sta, waar op den haard nog asch ligt. Ik treed toe, de asch is warm; zelfs vind ik, daar ik haar met de sabel omwoel, nog eene gloeiende kool.”
„De bewoners zullen dezen morgen nog hier geweest zijn.”
„Zoo dacht ik ook; daar hoor ik plotseling onder mij een doffen slag, even alsof iets zwaars op den grond viel. Dat maakt mij huiverig. Ik snel weder naar den gang, ontdek een kleine trap, die naar de onderste verdieping brengt, en vindt daar eveneens een gang, waarop een reeks van vertrekken met gesloten deuren uitkomt. Ik beproef ze te openen, in te trappen; zij zijn, naar het schijnt, stevig toegegrendeld. Ik schreeuw, roep, klop; geen antwoord. Eindelijk wordt mijne keel schor en ik maak rechtsomkeert. Daar ik de kleine trap weer opklim, hoor ik iets ruischen en tegelijk meen ik vrouwelijke voetstappen te vernemen. Als een pijl vlieg ik toe, maar ontdek niets. Overtuigd, dat mijn scherp gehoor mij niet bedrogen heeft, snuffel ik alle hoeken rond. Daar zie ik op den vloer, dicht bij de deur der keuken, waar ik vroeger reeds geweest was, iets wits blinken; ik raap het op en zie, het is dit lint, dat vroeger, daarop wil ik een eed doen, daar niet gelegen had. Ik loer en doorzoek alle kisten en kasten in het rond, om de schoone te ontdekken, die het lint moet verloren hebben, doch te vergeefs. Alles bleef stom en roerloos. Of het nu een goede of kwade geest, eene stamvrouw of misschien wel de beruchte witte burchtvrouw kan geweest zijn, die in de gangen rondspookt, dat wil ik onbeslist laten.”
„Zonderling! Zouden de ongelukkige bewoners zich misschien schuil houden, uit vrees voor mishandeling?”
„Mogelijk! Ik voor mij houd het liever met spoken, verwenschte jonkvrouwen, die op verlossing hopen, ingemuurde nonnen, wier ziel geene rust kan vinden en die in de donkere gangen omdolen. Tegen middernacht moeten wij op de vangst uitgaan; doet gij meê?”
„Als uwe vermoeidheid u niet van gedachte doet veranderen, van harte gaarne,” antwoordde Lodewijk glimlachend.
„Hoe? Zit gij zoo in het donker, vrienden?” klonk plotseling Rasinski's stem. „Het zal tijd zijn, dat wij licht laten aansteken, maar ook vuur, want de herfstavonden zijn koud tusschen de salpeterachtige muren.”
Hij beval zijnen rijknecht, licht te brengen en in de kleine kamer, die hij bewoonde, vuur aan te leggen. Zij was het eenige vertrek, waarin zich eene haardstede bevond, die voor den herfstavond eene meer doelmatige verwarming beloofde, dan de reusachtige kachels in de overige zalen.
„Ik heb zoo even brieven voor mij en u ontvangen,” vervolgde hij; „laat ons samen naar binnen gaan en elkander vertellen, wat de lieve vrienden uit het vaderland ons schrijven. Het is een goed teeken, dat wij den eersten dag van onze aankomst in de hoofdstad zoo aangenaam verrast worden.”
Zij gingen.
Rasinski's bediende had eene lamp aangestoken, die aan de zoldering hing; spoedig vlamde ook het vuur op den breeden haard. Hij gaf Lodewijk twee brieven van verschillenden datum over, die echter gelijktijdig met den veldpost waren aangekomen.
Bernard floot een soldatenlied en morrelde met de tang in het vuur, terwijl de beide anderen lazen. „Men is onuitsprekelijk gelukkig, wanneer men op de wijde wereld geen enkelen correspondent heeft,” mompelde hij; „men behoeft geen port te betalen, niet te antwoorden, ja niet eens te lezen. Het laatste vooral is voor een schilder, die gaarne zijne oogen spaart, een uitstekend groot voordeel.”—Hij floot verder, daar niemand antwoordde, en staarde onafgewend in den gloed.
„Ja, ja, gij zijt gelukkiger dan wij,” riep Lodewijk uit, terwijl hij de hand met den brief zinken liet; „want zulke brieven te ontvangen, daar behoede u de hemel voor!”
„Wat is het? Wat deert haar?” vroeg Bernard, van zijn stoel opspringend.
„Ik kan het vermoeden, na wat mijne zuster mij schrijft,” sprak Rasinski; „het is een helsch schurkenstuk, maar het zal niet gelukken.”
„Zwart als de nacht en giftig als eene adder,” riep Lodewijk buiten zich zelf. „En om mijnentwille moest de hulpelooze dat lijden!”
„Wat dan, wat? In 's duivels naam, spreek toch, wat?” riep Bernard met rollende oogen, daar hij iets van de waarheid vermoedde.
„Lees, lees,” sprak Lodewijk en reikte hem den brief over.
Bernard greep driftig toe en wilde de letters haastig verslinden; doch even ras wierp hij het papier weder op de tafel en riep: „Er staan mij te veel regels op het blad; zij wriemelen door elkander als een gansche hoop vergiftigekruisspinnen. Vertel het mij met twee woorden, ik kan er het venijn niet zoo langzaam uitzuigen.”
„Het is verfoeilijk voor elk, die ooit een mannelijk hart in de borst sloeg,” sprak Rasinski en ging driftig en met groote schreden de kamer op en neder;„de schurken, die u vervolgen, hebben zijne ongelukkige zuster opgespoord; toeval of hunne helsche kunstgrepen brachten het geheim aan den dag....”
„Zij is in de gevangenis?” riep Bernard met donker vlammenden blik.
„Neen dat gelukkig niet; maar schandelijke aanbiedingen heeft de ellendeling haar gedaan en voor het hoofd des broeders...”
„Spreek niet verder, Rasinski!” riep Bernard half bevelend, half smeekend. „Moet de broeder dat tweemaal hooren?” Tegelijk vloog hij op Lodewijk toe en klemde hem met krampachtige onstuimigheid aan zijne hijgende borst. „O, die schuldelooze engel! Lodewijk, wij willen God danken, dat zij gered is; want ik zie het aan uw oog, zij moet het zijn, anders kondt gij hier niet zoo stil staan. Maar nog vaart mij eene rilling door de leden. Goddank, Lodewijk, dat zij gered is!”
Zij hielden elkander opnieuw omsloten. Rasinski legde de hand op hunne schouders en sprak met diepe ontroering: „Ja, wel hebben wij God vurig te danken!”
„Laat mij nu zien, wat de gemartelde heilige u schrijft,” sprak Bernard met eene bevende stem en wond zich uit de armen van den vriend los. Hij nam den brief en zette zich daarmede bij het vuur.
„Hm!” sprak hij kalmer, maar nog met gesmoorde woede in toon en blik, toen hij den brief gelezen had; „dat éene gevaar is gelukkig afgekeerd, maar nog hangt het zwaard boven haar hoofd. Ook boven het onze... maar dat is het minst. Ik moest den ellendeling hier hebben... hij zou een ander liedje hooren!” Na deze woorden ging hij onrustig op en neder.
„Ik heb den tweeden brief nog niet geopend,” sprak Lodewijk; „de eerste had mij te hevig geschokt. Wellicht bevat hij nader bericht. Laat hooren!”
„Dresden den 19 Augustus.„Beste Broeder!„Welk een tijd beleven wij! In uren geschiedt meer dan voormaals in jaren! De belangrijkste ontmoetingen van mijn leven dringen zich alle in één punt samen. Wij verlietenTeplitzdadelijk den anderen morgen na het afschuwelijk voorval, dat ik u nog 's avonds vluchtig meldde. (Wees slechts op uwe hoede, lieve!) Dezen nacht brachten wij buiten bij tante door; heden morgen in de vroegte reden wij naar de stad. Op haar sterfbed sprak moeder mij van een geheim; maar de droefheid had mij toen zoozeer overweldigd, dat ik er nauwelijks acht op sloeg; ik meende, dat niets op de wereld voor mij meer belangrijk kon zijn! En toch—maar hoor. Moeder had mij de lade harer schrijftafel, als gewichtige papieren bevattende, aangeduid. O Lodewijk, met welk eene ontroering heb ik deze doorgelezen! Zoodra het langs een zekeren weg mogelijk is, zult gij de volledige bewijsstukken ontvangen; thans geef ik u slechts een uittreksel, zoo breedvoerig, als de korte tijd het mij toelaat. Onze ware naam is nietRosen, maar vader heetteSternheimen was grondbezitter inFrankenland. De getrouwste vriendschap was zijn ongeluk. In Maart 1793 bezocht hij een der getrouwste vrienden zijner jeugd,Waldheimgenaamd, die officier geweest, maar door de Franschen gevangen genomen was en zich in Straatsburg ophield, werwaarts zijne jonge echtgenoote, eene engelachtige vrouw, zooals moeder haar beschrijft, hem gevolgd was. Een Franschman,Rumignybeleedigde de schoone, jeugdige vrouw door eerlooze voorstellen.” Hier hield Lodewijk een oogenblik op, daar Rasinski door de komst van een ordonnans, die hem berichten overbracht, gestoord werd. Op een wenk ging hij echter dadelijk weder voort. „Daar deze natuurlijk met verachting werden afgewezen, nam hij wraak door de zwartste lastertaal. Dit kwam den beleedigden echtgenoot ter oore, die zijne getrouwe gade kende. Hij daagde den lasteraar uit, dwong hem tot een duel; onze vader was getuige. Doch de ellendeling, die zich van verscheiden geleiders voorzien had, deed een verraderlijk schot, dat den ongelukkigenWaldheimin de borst trof. Onze vader was buiten zich zelf; daar echter de wensch, om het leven des vriends wellicht nog te redden, voor het oogenblik de bovenhand kreeg op de met moeite onderdrukte begeerte tot wraak, kon hij den dader niet dadelijk tuchtigen. De vriend gaf na eenige minuten in zijne armen den geest. Vader daagt den moordenaar uit; deze bespot hem. Nu overweldigt hem zijn menschelijk gevoel, hij zoekt den booswicht op, om wraak aan hem te nemen of hem tot een tweegevecht te dwingen. Zijn getrouwe bediendeWillhofenvergezelt hem; doch de snoodaard is gewaarschuwd en zoekt hem in het net te lokken. Door beschimpingen weet hij hem tot razernij te brengen; vader dringt met woede op hem in, de degen wordt hem ontwrongen en hij met den trouwenWillhofennaar de gevangenis gesleept. Om zijn offer te zekerderten verderve te brengen, tracht de verrader hem nu als spion verdacht te maken en beschuldigt hem van misdadige verstandhouding met de vijanden van Frankrijk. Hij wordt naar Parijs gezonden en met de guillotine bedreigd.Willhofenechter, die in al zijne rampspoeden deelt, vindt in den cipier een landsman uit den Elzas. Deze begunstigt hunne vlucht en beiden komen op een hollandsch schip behouden teHavreaan. Van daar schrijft vader dadelijk aan onze lieve moeder al wat gebeurd is, en bezweert haar, terstond met ons naar Hamburg af te reizen, werwaarts hij haar spoedig hoopt te volgen. Zij komt er aan, maar wacht hem te vergeefs. Dagen en weken verstrijken, eindelijk is eene maand voorbij, zonder dat hare doodelijke ongerustheid een einde neemt. Intusschen verneemt zij, dat de, zich reeds toenmaals ver uitstrekkende macht der fransche gezagvoerders haren echtgenoot ook reeds in zijn vaderstad vervolgt en hem, als een voortvluchtigen moordenaar, op het spoor tracht te komen.—Wat behoef ik u alles breedvoerig te schrijven? Vader is nooit teruggekeerd; zijn goed werd verbeurd verklaard en, toen de Franschen Frankenland bezetten, hij zelf eerloos verklaard, daar zijn naam bij de rechtbanken te Parijs op de lijst der landverraders stond aangeteekend. Dit bewoog moeder, den naamRosenaan te nemen en zich met ons naar Dresden te begeven, waar onze tante, hare zuster, reeds als weduwe woonde.—Nog duizend omstandigheden had ik u te melden, lieve broeder, wanneer het in deze korte oogenblikken mogelijk was, vooral de hartroerende gronden van liefde en bezorgdheid, die, tegelijk met andere gewichtige beweegredenen, onze moeder deden besluiten, hare kinderen van het geheim, dat om het hoofd des vaders zweefde, geheel onkundig te laten. Doch er zal immers nog wel eens een dag komen, dat de zuster hare beklemde borst vrij en ongehinderd in die des broeders kan uitstorten. Thans stormt en dringt alles gelijktijdig op ons aan! Binnen een uur reeds reis ik met de gravin Micielska naar Warschau af, waar ik voor elke vervolging beveiligd zal zijn. O, dat ook gij zulks waart! Maar gij ziet het gevaar van den oorlog vóór u en wordt door zwart verraad in den rug bedreigd! Ach Lodewijk, en gij draagt de wapens voor hen, die uw vader, uw vaderland in zulk eene onuitsprekelijke ellende gedompeld hebben! Ik doe u geen verwijt, lieve broeder, maar kan het ongeluk hooger stijgen, kunnen wij dieper in rampspoed verzinken? Dagelijks zend ik de warmste beden voor u ten hemel, maar ik bid ook uit den grond van mijn hart, dat ons arm vaderland moge verlost worden van het ijzeren juk, waaronder het thans schandelijk gebukt gaat.—Ik moet eindigen,—groet uwe vrienden van mij, den trouwen Bernard, den edelen Rasinski.—O, mochten wij eens andere tijden beleven!Uwe Maria.”
„Dresden den 19 Augustus.
„Beste Broeder!
„Welk een tijd beleven wij! In uren geschiedt meer dan voormaals in jaren! De belangrijkste ontmoetingen van mijn leven dringen zich alle in één punt samen. Wij verlietenTeplitzdadelijk den anderen morgen na het afschuwelijk voorval, dat ik u nog 's avonds vluchtig meldde. (Wees slechts op uwe hoede, lieve!) Dezen nacht brachten wij buiten bij tante door; heden morgen in de vroegte reden wij naar de stad. Op haar sterfbed sprak moeder mij van een geheim; maar de droefheid had mij toen zoozeer overweldigd, dat ik er nauwelijks acht op sloeg; ik meende, dat niets op de wereld voor mij meer belangrijk kon zijn! En toch—maar hoor. Moeder had mij de lade harer schrijftafel, als gewichtige papieren bevattende, aangeduid. O Lodewijk, met welk eene ontroering heb ik deze doorgelezen! Zoodra het langs een zekeren weg mogelijk is, zult gij de volledige bewijsstukken ontvangen; thans geef ik u slechts een uittreksel, zoo breedvoerig, als de korte tijd het mij toelaat. Onze ware naam is nietRosen, maar vader heetteSternheimen was grondbezitter inFrankenland. De getrouwste vriendschap was zijn ongeluk. In Maart 1793 bezocht hij een der getrouwste vrienden zijner jeugd,Waldheimgenaamd, die officier geweest, maar door de Franschen gevangen genomen was en zich in Straatsburg ophield, werwaarts zijne jonge echtgenoote, eene engelachtige vrouw, zooals moeder haar beschrijft, hem gevolgd was. Een Franschman,Rumignybeleedigde de schoone, jeugdige vrouw door eerlooze voorstellen.” Hier hield Lodewijk een oogenblik op, daar Rasinski door de komst van een ordonnans, die hem berichten overbracht, gestoord werd. Op een wenk ging hij echter dadelijk weder voort. „Daar deze natuurlijk met verachting werden afgewezen, nam hij wraak door de zwartste lastertaal. Dit kwam den beleedigden echtgenoot ter oore, die zijne getrouwe gade kende. Hij daagde den lasteraar uit, dwong hem tot een duel; onze vader was getuige. Doch de ellendeling, die zich van verscheiden geleiders voorzien had, deed een verraderlijk schot, dat den ongelukkigenWaldheimin de borst trof. Onze vader was buiten zich zelf; daar echter de wensch, om het leven des vriends wellicht nog te redden, voor het oogenblik de bovenhand kreeg op de met moeite onderdrukte begeerte tot wraak, kon hij den dader niet dadelijk tuchtigen. De vriend gaf na eenige minuten in zijne armen den geest. Vader daagt den moordenaar uit; deze bespot hem. Nu overweldigt hem zijn menschelijk gevoel, hij zoekt den booswicht op, om wraak aan hem te nemen of hem tot een tweegevecht te dwingen. Zijn getrouwe bediendeWillhofenvergezelt hem; doch de snoodaard is gewaarschuwd en zoekt hem in het net te lokken. Door beschimpingen weet hij hem tot razernij te brengen; vader dringt met woede op hem in, de degen wordt hem ontwrongen en hij met den trouwenWillhofennaar de gevangenis gesleept. Om zijn offer te zekerderten verderve te brengen, tracht de verrader hem nu als spion verdacht te maken en beschuldigt hem van misdadige verstandhouding met de vijanden van Frankrijk. Hij wordt naar Parijs gezonden en met de guillotine bedreigd.Willhofenechter, die in al zijne rampspoeden deelt, vindt in den cipier een landsman uit den Elzas. Deze begunstigt hunne vlucht en beiden komen op een hollandsch schip behouden teHavreaan. Van daar schrijft vader dadelijk aan onze lieve moeder al wat gebeurd is, en bezweert haar, terstond met ons naar Hamburg af te reizen, werwaarts hij haar spoedig hoopt te volgen. Zij komt er aan, maar wacht hem te vergeefs. Dagen en weken verstrijken, eindelijk is eene maand voorbij, zonder dat hare doodelijke ongerustheid een einde neemt. Intusschen verneemt zij, dat de, zich reeds toenmaals ver uitstrekkende macht der fransche gezagvoerders haren echtgenoot ook reeds in zijn vaderstad vervolgt en hem, als een voortvluchtigen moordenaar, op het spoor tracht te komen.—Wat behoef ik u alles breedvoerig te schrijven? Vader is nooit teruggekeerd; zijn goed werd verbeurd verklaard en, toen de Franschen Frankenland bezetten, hij zelf eerloos verklaard, daar zijn naam bij de rechtbanken te Parijs op de lijst der landverraders stond aangeteekend. Dit bewoog moeder, den naamRosenaan te nemen en zich met ons naar Dresden te begeven, waar onze tante, hare zuster, reeds als weduwe woonde.—Nog duizend omstandigheden had ik u te melden, lieve broeder, wanneer het in deze korte oogenblikken mogelijk was, vooral de hartroerende gronden van liefde en bezorgdheid, die, tegelijk met andere gewichtige beweegredenen, onze moeder deden besluiten, hare kinderen van het geheim, dat om het hoofd des vaders zweefde, geheel onkundig te laten. Doch er zal immers nog wel eens een dag komen, dat de zuster hare beklemde borst vrij en ongehinderd in die des broeders kan uitstorten. Thans stormt en dringt alles gelijktijdig op ons aan! Binnen een uur reeds reis ik met de gravin Micielska naar Warschau af, waar ik voor elke vervolging beveiligd zal zijn. O, dat ook gij zulks waart! Maar gij ziet het gevaar van den oorlog vóór u en wordt door zwart verraad in den rug bedreigd! Ach Lodewijk, en gij draagt de wapens voor hen, die uw vader, uw vaderland in zulk eene onuitsprekelijke ellende gedompeld hebben! Ik doe u geen verwijt, lieve broeder, maar kan het ongeluk hooger stijgen, kunnen wij dieper in rampspoed verzinken? Dagelijks zend ik de warmste beden voor u ten hemel, maar ik bid ook uit den grond van mijn hart, dat ons arm vaderland moge verlost worden van het ijzeren juk, waaronder het thans schandelijk gebukt gaat.—Ik moet eindigen,—groet uwe vrienden van mij, den trouwen Bernard, den edelen Rasinski.—O, mochten wij eens andere tijden beleven!
Uwe Maria.”
Verbazing en aandoening hadden Lodewijk bijna verhinderd, den brief ten einde toe door te lezen. Thans eerst bracht hij zich eenige ontmoetingen uit zijne kinderjaren levendig en duidelijk weder voor den geest—want hij telde vijf jaren ten tijde van het rampspoedig voorval—thans eerst, nu zij verklaard werden, rezen de verschillende toespelingen, wenken en woorden, welke hij van de moeder omtrent het lot des vaders gehoord had, als heldere sterren aan den donkeren nachthemel van het verledene voor hem op. Maar hoeveel bleef nog met zwarte wolken en nevelen omsluierd!
Rasinski was vooral door de laatste woorden van den brief getroffen, die eene wonde van zijn hart aanraakten, welke, daar hij zijne smart steeds met mannelijke vastheid in het diepste zijner borst verborgen hield, zelfs door Lodewijk niet vermoedwerd. Met gekruiste armen stond hij tegen den marmeren schoorsteen geleund en staarde peinzend voor zich neder.
Op Bernard scheen deze brief den minsten indruk te maken, daar hij zich nog geheel met het in den eersten gemelde voorval bezig hield. Hij zat aan de andere zijde bij het vuur en speelde met zijn ring, dien hij aan den vinger ronddraaide. „In het eerste oogenblik, mijn goede Lodewijk,” begon hij na een lange stilte, „brengt een dergelijk bericht ons in eene hevige ontroering, op den duur echter verflauwt die indruk. Ik geloof aan wonderen in de borst, in het hart en wáárin men wil, maar in het leven zijn zij zeldzaam. Iemand, die sinds twintig jaren verdwenen is, moet onder de dooden geteld worden; om een vader dien wij lang ontbeerden, kan ook de droefheid niet groot zijn. Maar Maria in haren toestand, in den smaad, dien zij dulden, in den angst, dien zij doorstaan moet, is een arm bloedend offerlam!”
„Gij zijt zoo goed, zoo trouw, Bernard,” hervatte Lodewijk; „gij kent het hart uws vriends zoo tot den diepsten grond, en zoudt gij niet begrijpen, dat het hem tot in zijn binnenste schokken moet, te vernemen, dat hij wellicht nog een vader bezit, die zoo onbeschrijfelijk veel geleden heeft en misschien nog lijdt? Waart gij in mijn geval.....”
„En ben ik het dan niet?” stoof Bernard bijna woest op. „Ten minste in een soortgelijk, en daarom weet ik, wat ik er van denken moet. Ik kon misschien nog eene gansche maagschap, vader, moeder, broeders, zusters en al wat er meer toe behoort, opschommelen, maar ik betuig u, dat ik thans zelfs geen enkelen voet zou verzetten voor hen, die mij twintig jaren alleen lieten loopen. Het is wel is waar met u een ander geval, want gij weet, dat uw vader u niet verstooten heeft; gij hebt hem vroeg verloren, en alles, wat gij van hem vernomen hebt, bewijst, dat hij een edel man was! Nu, gij weet, ik ben ook niet van ijzer of steen—maar Maria ligt mij thans nader aan het hart.”
„Gij hebt mij nooit gezegd, dat uwe ouders nog in leven waren,” sprak Lodewijk met de uiterste verbazing.
„Ik vernam het zelf eerst voor twee jaren in Londen, toen mijn pleegvader gestorven was; maar toenmaals had ik geheel andere dingen in hoofd en hart—gij weet het immers—en naderhand heeft de tijd mij tamelijk onverschillig gemaakt. Daar, door dien ring,” hij wierp dien over de tafel aan Lodewijk toe, „kan ik misschien mijne ware ouders terugvinden, en toch had ik hem voor drie maanden zonder de minste zwarigheid voor een zeker iets, dat mij liever was, weggegeven, wanneer ik niet de domste ezel geweest ware, die ooit door de lieve zon beschenen is.”
Daar Rasinski en Lodewijk hem bevreemd en vragend aankeken, vervolgde hij, terwijl de laatste den ring beschouwde: „Mijn pleegvader, dien ik voor mijn werkelijken hield, was een arm dorpspredikant bijWürzburg. Toen ik in mijn tiende jaar redelijk goed begon te teekenen, zond hij mij naar Dresden bij zijn broeder, dien gij gekend hebt. Dat het mij slecht beviel bij dien ouden, strengen ijzegrim, behoef ik u niet te herhalen. Ik rukte mij eindelijk van alle ketenen los en ging op reis. Omstreeks dezen tijd stierf mijn pleegvader, en zijn broeder werd erfgenaam, dat is te zeggen, kon de nagelaten preeken en papieren naar huis halen. Onder deze was er een, dat hij mij dadelijk overzond en waarop de overledene met eigen hand ongeveer het volgende geschreven had: „Op een avond, dat ik reeds te bed was, werd er herhaalde malen driftig aan de huisdeur gescheld. De meid opende; eenevijfjarigeknaap, die zelf denknop der schel niet had kunnen bereiken,—dat was mijn persoon—stond op de stoep en hield een aan mij gerichten brief in de hand. Ik brak dien open en vond eene aanwijzing van twee duizend gulden op een frankforter bankier, die men te mijner beschikking stelde, onder voorwaarde, dat ik het kind, dat ze overbracht, zoude opvoeden. Men kende mij als een eerlijk mensch, die van het in mij gestelde vertrouwen geen misbruik zou maken, en wilde, na verloop van tijd, verder voor den knaap zorgen. Ik heb mijn plicht naar mijn beste weten vervuld, schoon de spoedig daaropvolgende oorlog mij de som, die ik met het kind ontvangen had, voor altijd deed verliezen. Zijn aanleg tot teekenen deed mij besluiten, hem naar mijn broeder te Dresden te zenden. Het linnen was met eene B gemerkt, weshalve ik hem Bernard noemde. Dit en een gouden trouwring, dien wij later toevallig in zijn kleedje ingenaaid vonden, en waarin de letters B. W. staan, zijn de eenige teekens, door welke hij zijne ware ouders misschien nog eens kan opsporen.” Dit geschrift en den ring deed mijn oom, of hoe ik hem noemen moet, mij in Londen toekomen, met aanmaning om nu zelf dáár of in Duitschland naar mijne ouders onderzoek te doen. Verder bleef mij ook niets over, want, gelijk gij weet, stierf de goede man voor twee jaren zoo onverwachts, dat mijn antwoord hem niet eens meer in leven vond.—Dus zijn wij in hetzelfde geval; maar ik betuig u, Lodewijk, dat ik geen vinger heb uitgestoken om eene ontdekking te doen. Wat doe ik met ouders, die zich mijn leven lang niet om mij bekommerd hebben? Rijk of arm, voornaam of gering, 't is mij alles om 't even; liefde hebben zij toch nooit voor mij gevoeld. Met u is dat anders, maar ook op verre na onwaarschijnlijker—want welk verstandige rekent ooit op het groote lot in de loterij? In uw geval zou ik slechts den schurkRomanay, of hoe heet de schoft, op het spoor zien te komen, om hem bij gelegenheid den nek om te draaien. Maar uw vader—twintig jaren spoorloos verdwenen, is dood.....”
„Neen Bernard!” riep Lodewijk, „dat laat mijn gevoel zich niet opdringen. Ik hoop, ik wil, moet hopen, dat ik mijn vader weervinden en hem wellicht nog vreugde en levensgeluk bereiden zal. O, die liefde is sterker dan de zucht, om mij aan een ellendige te wreken, dien de hand der vergelding mogelijk nu reeds achterhaald heeft. Neen, ik hoop nog!”
„Dat zal acht dagen duren; de eerstvolgende maanden komt het nu en dan nog eens bij u op, maar wanneer eindelijk jaren verloopen zijn en alles blijft gelijk het is, dan zult gij zien, dat zulk eene zwakke hoop vanzelve uitgaat, als eene vlam zonder brandstof.”
„Het is waar, ik ben naar het schijnt bestemd, om mijne dierbaarste verwachtingen aan bijna onzichtbare draden te zien vastgeknoopt, en men kon het mij vergeven, wanneer ik wanhoopte, door hen den uitweg uit den donkeren doolhof van mijn lot te vinden.”
Rasinski had intusschen den ring opgenomen en aandachtig beschouwd. „Hm!—Welke letters zeidet gij, dat in den ring stonden?” wendde hij zich vragend tot Bernard.
„B. W.” antwoordde deze.
„Ja,” sprak Rasinski, niet zonder eenigen berispenden nadruk, „wanneer men zulke fijne draden slechts onoplettend beschouwt, dan is het zeker onmogelijk, die te vervolgen en, zooals Lodewijk zeide, door hen geleid, den uitweg uit den doolhof te vinden. Ik lees niet B. W., maar zeer duidelijk L. W. in dezen ring.”
„Onmogelijk!” riep Bernard, greep haastig naar den ring en hield hem tegen hetlicht. „Dat is een goochelspel der hel!” stamelde hij doodsbleek uit. „In mijn ring stond B. W., of ik wil eeuwig verdoemd zijn. Drijft gij den spot met mij?” stoof hij woest tegen Rasinski op.
„Hoe komt gij bij die gedachte!” sprak deze en stond verwonderd van zijn stoel op; ook Lodewijk staarde den vriend met angstige bevreemding aan. In zijne trekken was eene ontroering te lezen, zooals hij nooit bij hem bespeurd had; hij scheen zijne bezinning verloren te hebben en staroogde met verwilderde blikken op den ring.
Plotseling barstte hij in een lach uit, die de vriendendeedrillen. „Het is niets, zeg ik,niets. Een der potsierlijkste meesterstukken van het toeval, dat echter iemand in het dolhuis kon brengen! Ik geloof, het noodlot wil zich aan mij wreken. Ik geloofde niet aan zijne wonderen in dit nuchtere leven, nu toont het, wat het kan, en steekt honend den draak met mij—maar toch bijna te gruwzaam! O,” hij drukte zich de vuist voor het voorhoofd, „dat iemand mij slechts deze enkele maal zeggen kon, of de grijnzende spoken van een droom mij kwellen, dan of de werkelijkheid mij dat honend masker voorhoudt. Pakt mij toch aan, in 's duivels naam, en schudt mij wakker, als de nachtmerrie mij het hart wil indrukken!”
„Bernard, beste Bernard,” sprak Lodewijk hem toe en greep zijne hand, „wat deert u? Bedaar, kom tot u zelf, zeg ons, wat u zoo vreeselijk geschokt heeft.”
Als iemand, die uit de bewustelooze vlagen eener zenuwkoorts in het leven terugkeert en nu, doodelijk afgemat, nauw de oogleden kan openhouden, zeeg Bernard thans aan de borst des vriends neder en ware gevallen, wanneer Rasinski hem niet ondersteund had. „Laat mij alleen, vrienden!” stamelde hij. „Gij hebt mij lief, het moet u even zoo treffen. Waarom zou ik meer dan ééne borst verscheuren?—En wanneer alles een louter spel was! Een niets, een minder dan niets, dat mijn hart zoo vreeselijk pijnigt!—Thans weet ik, dat er ook buiten de werkelijkheid dingen zijn, waartegen de mannelijke borst niet bestand is, dat men aan folterende droomen sterven kan.”
Jaromir en Boleslaw waren op dezen eersten avond in Moskou van hunne vrienden gescheiden, daar hunne tegenwoordigheid bij de troepen volstrekt noodzakelijk was. Toen echter de bivaksvuren vlamden en de soldaat behoorlijk verzorgd en van spijs en drank genoegzaam voorzien was, konden de wachthebbende officieren zich wel beurtelings voor eenigen tijd van hunne posten verwijderen en zich door hunne kameraden daarop laten vervangen. Dit deed ook Jaromir. Bij zijne frissche, levendige geaardheid, bij zijne jeugdige, nog voor alle indrukken des levens vatbare gevoeligheid, was, hoeveel hij ook reeds beleefd, gezien en ondervonden mocht hebben, de intrede in eene nieuwe, beroemde hoofdstad eene gebeurtenis voor hem, die zijne belangstelling en nieuwsgierigheid in eene hooge mate gaande maakte. Met verbazing had hij de paleizen, de lange onafzienbare straten en ruime pleinen aangestaard; het Kremlin met de hooge koepels, torens en tinnen had op zijne ziel den indruk van een tooverslot uit de wonderwereld der feeën gemaakt. Hij had lust om door de straten te dwalen, de bivakken der kameraden te bezoeken, met hen te keuvelen en te schertsen, in éénwoord, om na de langdurige inspanning eens vrij en frank de vreugde van den ongestoorden lediggang te genieten. Boleslaw bespeurde dit en met zijne gewone welwillendheid bood hij hem, zonder eerst een verzoek af te wachten, aan, den dienst van hem over te nemen. Met twee officieren van het bataljon infanterie, dat Rasinski voor het oogenblik was toegevoegd, drentelde hij, toen het reeds begon te schemeren, arm in arm de straat op, om eene wandeling door de stad te doen.
„Hier op deze beide torens met hunne gouden koepels moeten wij het oog houden,” zeide hij tot zijne geleiders, „zij kunnen ons, al wordt het ook donker, weer terecht wijzen, want in den getakten knop spiegelen onze vuren zich helder genoeg af, om hem zelfs in den nacht uit de verte te zien blinken.”
LebrunenLacoste, zoo heetten zijne makkers, waren even als hij zelf in de lustigste stemming. „Marlborough s'en va en guerre,” neurdeLebrun, zich luchtig den knevel opstrijkende, en de beide anderen bleven niet in gebreke, hem met hunne stemmen in koor te ondersteunen.
Na eenige straten, waarin hun eene batterij zware artillerie te gemoet kwam, te hebben doorgeslenterd, kwamen zij aan het Kremlin. Hier waren groote bivakken opgeslagen. Der jonge garde was het plein ter legerplaats aangewezen.
Lange rijen van geweerrotten flonkerden prachtig in den weerschijn der vuren, die men ter zijde van de straat had aangelegd. Daar de soldaat steeds gewoon is, zijne legerplaats zooveel mogelijk te versieren, had men ook hier voor elk bataljon eene piramide van trommels en adelaren opgericht. Aan de uitgangen der verschillende kruisstraten stonden de kanonnen opgesteld; zij waren afgespannen, de brandende lonten stonden in den grond geplant. Om de lieden te vervroolijken, hoorde men van verschillende zijden een krijgszuchtige veldmuziek; doch slechts weinigen hadden kracht genoeg of waren in eene luim, om aan een luchtigen dans naar de geliefkoosde française of gavotte de rust op de met stroo bedekte straatsteenen op te offeren. Over het geheel leverde het leger wel eene levendige, maar niet die vroolijke vertooning op, welke zulk een krijgszuchtige nomadenstad anders, vooral na dagen van zege en overwinning, den toeschouwer pleegt aan te bieden. De kleeding der meeste soldaten was gescheurd, met bloed en kruit bevlekt; zelfs de garde maakte daarop geene uitzondering, ofschoon zij bij Borodino geen deel aan het gevecht genomen had. Later toch, toenKutusownogmaals eene verschanste stelling bij Krymskoïe, drie uren vóór Moskou, aannam, had ook zij zich eervol van haar plicht gekweten.—Hier en daar hoorde men een lustig liedje aanheffen, doch meerendeels lagen de baardige krijgers in hunne mantels gewikkeld aan de vuren en sliepen of staarden geeuwend in de vlammen, waarop hunne dampende kookketels stonden.
„Laat ons daar de kaai eens opwandelen, waar al die prachtige huizen staan,” sprak Jaromir.
Ook hier lagen soldaten; het was de oude garde. Bij deze anders aan zoo strenge tucht gewone troepen heerschte thans weinig orde. Men had de deuren der huizen opengebroken en zich van de ruime voorportalen meester gemaakt; de officieren lagen op de bovenverdiepingen uit de vensters. De soldaten sleepten hout en stroo aan; anderen droegen beddenspreien, kussens en tapijten naar beneden, om zich een gemakkelijk leger te spreiden, want de soldaat was de vroolijke erfgenaam der gevluchte bezitters.—Het bivak kreeg door deze stoffeering een bont, bijna oostersch aanzien, te meer, daar juist eenige lijfmammelukken des keizers zich met lange pijpen in denmond op een prachtig geborduurd tapijt en hemelsblauwe, in een naburig paleis gevonden kussens hadden neergevlijd.
„Hm! gij zijt hier wel op uw gemak,” sprakLacoste; „nu, geen wonder! de garde moet altoos een streepje vóór hebben. Het is vrij onzeker, of gij het bivak in huis, dan de huizen in het bivak gedragen hebt. Waarom gaat gij niet liever binnen op de ledikanten liggen?”
„Er is order om te bivakeeren, heer kapitein,” antwoordde een grenadier met blinkend zwarten knevel; „maar dat zal, naar alle verwachting, niet lang duren. Als de nacht zoo schoon is, als nu, kan men het zich nog licht getroosten.”
„Zoo schoon? Mij dunkt de wind zal koel genoeg blazen,” merkte Jaromir op.
„Als hij de vuren maar niet uitblaast,” riep de knevel glimlachend, „laat hem dan vrij zijn gang gaan.”
„Zeg liever, als hij ze maar niet aanblaast,” hernamLebrun. „Uw bivak, vriend, is niet het geregeldste van die ik tusschen den Ebro en hier gezien heb. 's Nachts, als alles slaapt en de vuurwachten knikkebollen, kan het stroo onder uw lijf in brand vliegen bij zulk een verduiveld verwarde huishouding.”
„Waarachtig!” riep Jaromir, „het zou wat fraais zijn, als gij de winterkwartieren boven uw hoofd in brand staakt; maar het schijnt er volkomen op toegelegd. Zie eens, hooi en stroo zijn van het vuur tot aan de huisdeuren gestrooid, alsof gij met een kruitslang een artilleriepark woudt in de lucht doen springen.”
„Pah! stroo is geen kruit. Wat licht brandt, is licht gedoofd!” antwoordde de grenadier.
„Niet altijd,” hernamLacoste; „uw bivak wil ik met eene sigaar in brand steken, maar het zou u moeielijk vallen, in gansch Moskou water genoeg bijeen te halen om het uit te blusschen.”
„Wij zullen het wat voorzichtiger aanleggen, heer kapitein,” sprak de grenadier, zich buigend, terwijl de officieren hun weg voortzetten.
„Het verwondert mij toch, dat zoo iets wordt toegelaten,”meende Jaromir, „het is inderdaad gevaarlijk.”
„Zeker is het,” antwoorddeLacoste, de schouders ophalend; „maar bij zijne geliefde garde ziet de keizer veel door de vingers. Hij steunt er op, dat het enkel veteranen zijn, die met krijg en krijgstucht bekend en van de noodzakelijkheid der laatste zoo overtuigd zijn, dat zij vanzelf doen wat goed is. Dat is ook wezenlijk het geval op marsch, in het leger en in den slag; maar, gij weet het, is de tijd om uit te rusten eens voor den soldaat gekomen, dan is het onmogelijk hem tot werken te bewegen. Zoolang hij aan den gang is, gaat het, men kan hem opladen, wat zijne schouders kunnen dragen; strekt hij zich echter eens moe en mat op het bivak neer, vooral zooals nu in eene veroverde hoofdstad, dan mag gebeuren, wat wil, hij stoort zich aan niets. Nu, men moet ook iets aan het geluk en aan den goeden hemel overlaten, wanneer alles, wat hier op de wereld gevaarlijk is, op zijn ergst uitviel, dan mocht de henker soldaat zijn. Onze grootste troost zijn immers de kogels die niet treffen.”
Al pratende was men verder gewandeld; geen schrede, die niet een beeld voor de hand eens bekwamen schilders aanbood. Hier een oud krijgsman, die sliep, als zou hij nooit weer ontwaken, en niet bespeurde, dat zijne zolen reeds aan het vuur verzengden, zoodat Jaromir hem meêlijdend ter zijde schoof, om den armen duivel den volgenden dag niet geheel blootsvoets te laten loopen. Dáár eene marketentster, die door een zwerm lustige soldaten omgeven en vrouwelijke geslepenheid met trots opde nauwgezette eerlijkheid van haar handel parende, allen gelijkelijk wist tevreden te stellen. Verderop spelen, plagerijen, liederen, dansen. Een weinig ter zijde eene groep genoegelijk keuvelende en snappende ouden, die meer litteekens dan haren op de kale schedels omdroegen. Eene zieke, die mistroostig, met omwonden hoofd, in de kapot gewikkeld in het stroo dook. Een pijper, die zich in eene schilderachtige houding als sansculotte op zijn ransel had gezet, terwijl hij als zijn eigen kleermaker zijn eenige broek opflikte. Zelfs eene moeder met een tweejarigen knaap zag men, aan het vuur zittende, met het kind stoeien en dartelen. Dat was het eenige zoete loon voor eene trouw en eene liefde, welke haar den moed hadden gegeven, deze onmetelijke, met bloed besmette wildernissen te doorwandelen.
Terwijl Jaromir zich door een dichten hoop soldaten den weg trachtte te banen, die elkander om een met rijst beladen wagen, waarvan zij hun rantsoen zouden ontvangen, verdrongen, voelde hij iemand aan zijne jasslip trekken. Hij zag op; het was een sierlijk gekleed jockey, een knaap, naar het scheen, van ruim vijftien jaren, wiens aanwezigheid in het leger opzien moest wekken. Een engelsche hoed met breed omslaande randen en zwarten vederbos, versierde het hoofd en bedekte ten halve de gelaatstrekken.
„Wat wilt gij, mijn jongen?” vroeg Jaromir verwonderd.
De kleine boog zich een weinig, als beschaamd, en fluisterde: „Ik moet u verzoeken, mij te volgen!”
Jaromirs verbazing nam toe, toen hij den schoonen knaap opmerkzamer aanzag, de schemering, het roodachtig schijnsel der wachtvuren en de diepe slagschaduw van den hoed verleenden het gezicht eene eigenaardige, romantische bekoorlijkheid.—De trekken deden levendige herinneringen bij hem oprijzen, welke hij echter op geen bepaald voorwerp wist te huis te brengen; evenwel hield hij zich overtuigd, dat hij den knaap reeds vroeger ergens moest gezien hebben.
„Volgen?” vroeg hij; „gaarne; maar waarheen?”
„Slechts mij na,” sprak de kleine, zich ras omwendende, terwijl hij uit het gedrang zocht te ontkomen. Jaromir, hoogst verrast en gespannen, ijlde hem na, bevreesd hem in al het gewoel uit het oog te zullen verliezen.
IJlings voortgaande sloeg de vlugge geleider eene donkere, smalle zijstraat in, door welke zij spoedig op een open plein uitkwamen. Daar stond plotseling het Kremlin met zijn in de diepe schemering zwart en reusachtig opwaarts stijgende torens en muren vóór hen; door het laatste avondlicht beschenen, blonk het gulden kruis des heiligen Iwans op de spits der hoofdkerk en scheen zich in het blauw des hemels te verliezen. Ofschoon Jaromir door de zeldzame ontmoeting zeer gespannen en met gedachten en vermoedens vervuld was, die hem van wat hem omgaf onwillekeurig aftrokken, zoo maakte toch dit onverwachte, grootsche schouwspel een machtigen indruk op zijne jeugdige ziel. Als aan den grond gekluisterd bleef hij roerloos staan en staarde naar de hoogte. Zijn gids echter, die hem steeds eenige schreden was vooruitgebleven, zag steeds aandrijvend naar hem om en wenkte met de hand, dat hij niet zou dralen. Zij kwamen aan den voorhof van een prachtig paleis; de knaap snelde de breede marmertrappen op, trad in het portaal en wachtte, of Jaromir hem volgde. Nu greep hij diens hand en zeide: „Hier moet ik u omzichtiger leiden, want in de donkere zuilengangen zoudt gij verdwalen.”
Inderdaad was de wijde voorhal des huizes door eene kleine lamp, die bij eenboogvenster op eene marmeren tafel stond, zoo goed als niet verlicht. Ternauwernood kon men de breede trap, die naar de bovenverdiepingen voerde, onderscheiden. Jaromir aarzelde; zou hij verder volgen, in de vreemde stad, in het ledige huis?—Hij was niet vreesachtig en toch wankelde hij in zijn besluit, om zich geheel aan zijn onbekenden geleider toe te vertrouwen.
„Halt, mijn jongen,” sprak hij, „niet verder eer gij mij zegt waarheen.”
„Een Pool, een soldaat, en vrees?” fluisterde de knaap bijna spotachtig.
Dit antwoord verdroot den moedigen jongeling. „Vrees?” riep hij; „beeldt gij zelf u misschien ook in, mij bevreesd te maken, kleine? Vooruit dan, in 's hemels naam, maar gij blijft mij borg voor al, wat mij bejegent.”
De knaap antwoordde niet, maar Jaromir reikte zijne hand toe, die haar zoo krachtig vastklemde, dat de kleine geleider hem niet ontkomen kon; hierop trok hij zijne sabel en riep: „Voorwaarts nu, waarheen gij wilt.”
De zwijgende gids leidde hem de trap op, opende, op een bovengang gekomen, eene kleine deur en voerde hem vervolgens door eene lange reeks van, naar het scheen, ledig staande vertrekken, waarin eene zwarte duisternis alle voorwerpen omsluierd hield.
Nog eenmaal traden zij door eene deur; de knaap wierp die achter zich in het slot, wrong door eene onverhoedsche wending zijne kleine hand uit die van Jaromir los, verdween in het duister en riep hem nog slechts met eene welluidende zilverstem de woorden toe: „Wacht hier een oogenblik!”
Jaromir wilde naar den vluchteling grijpen en tastte met uitgestrekte armen om zich heen, maar het toeslaan eener tweede deur bewees hem, dat zulks te laat en de vlugge page ontkomen was.
Alléén in den stikdonkeren nacht, klopte Jaromirs hart met hoorbare slagen; hij trachtte de deur, waardoor hij was ingetreden, te openen; maar zij moest een springslot hebben, althans zijne pogingen waren vruchteloos.
„Zou de vijand mij hier in eene hinderlaag gelokt hebben?” dacht hij bij zich zelf. „Doch wat reden kon hij hebben, om juist u onder zoovele duizenden tot prooi uit te kiezen? En hoe toevallig stiet men op u! Er waren wel belangrijker levens in het leger te vinden, wanneer de vijand het daarop toelegde. Maar wat ter wereld kan men met mij voorhebben? Waartoe die geheimzinnigheid?”
Door dergelijke gedachten verontrust, trad hij aan het venster, dat met dichte, zijden voorhangsels gesloten, zich door eene smalle lichtstreep kenbaar maakte. Hij schoof de gordijnen open; het vertrek zag uit op een tuin; achter dien tuin werd men door het schemerdonker de, door de vlammen der bivaksvuren bestraalde, beide torenspitsen gewaar, welke Jaromir tot leidsterren op zijne wandeling hadden moeten dienen. Bedroog hij zich niet ten eenenmale, dan moest hij door den tuin op den naasten weg naar de zijnen uitkomen. Hij herinnerde zich tevens, in de straat, waarin zijn regiment gelegerd was, een tamelijk langen tuinmuur en daarin een kleine achterpoort te hebben gezien. Met de gevatheid van een soldaat, wist hij deze omstandigheden der plaatselijke gesteldheid dadelijk met elkander in verband te brengen en hield zich nu volkomen verzekerd, dat hij, eerst in den tuin zijnde, ook den muur bereiken en vandaar de hulp zijner kameraden inroepen kon. In zijne gedachten ontwierp hij reeds het plan tot een terugtocht, ingeval het tot het uiterste komen en zijn leven bedreigd worden mocht. Hoe in den tuin te geraken, was slechts de zwarigheid, want het venster was hoog en een sprong uiterst gewaagd. Daar kwam hem het toeval te hulp;hij hoorde plotseling in zijne nabijheid eene deur in hare hengsels kraken. Op het geluid afgaande, ontdekte hij eene kleine deur in het behangsel, die, slecht toegemaakt door den wind heen en weder bewogen werd; hij opende die en stond in een gang, welks venster op den tuin uitkwam. Daar het door geen gordijn gesloten was, liet het genoegzaam licht door, om de plaatselijke gesteldheid verder te onderzoeken, en reeds na eenige oogenblikken vond de jongeling een kleine trap, die, tot zijne vreugde en geruststelling, naar den tuin afdaalde en beneden niet gesloten was. Hij stond nu aan den uitgang en was heer zijner vrijheid, doch een gevoel van schaamte en eerzucht dreef hem weder naar boven; tevreden, dat hij zich van een vrijen aftocht kon verzekerd houden, besloot hij, het avontuur stoutmoedig te bestaan.—Juist had hij het duistere vertrek weder bereikt, toen de deur, waardoor zijn geleider verdwenen was, geopend werd en een zacht lichtschijnsel hem in de oogen blonk. Eene vrouwelijke, in witte kleeding en sluiers gewikkelde gedaante zweefde hem te gemoet; zij hield eene, door een mat geslepen glas bedekte lamp van antieken vorm in de hand. Jaromir, die zich op een vijand, althans op eene ernstige, zoo niet gevaarlijke ontmoeting had voorbereid, was uiterst verbaasd. Met zichtbare verwarring boog hij zich; doch de vreemde zette de lamp op de marmeren tafel, trad op hem toe en vroeg, zonder echter den sluier op te lichten, met eene liefelijke, hem hoogst bekend voorkomende stem: „Raadt gij niet, wie voor u staat?”
„Bij den hemel, neen!” riep de jongeling; „maar kennen moet ik u!”
„Gij hebt geen trouw geheugen,” hervatte de onbekende, „en ik herkende u toch te midden van het gewoel, en mijn hart sloeg ruimer, wijl ik een vriend en beschermer hoopte te vinden. Maar ik moet u toch smeeken, dat voor mij te zijn!” Met deze woorden sloeg zij de sluier op en zag beschaamd voor zich neder. De schemering, die in het vertrek heerschte, bedekte hare van het licht afgekeerde gelaatstrekken. Jaromir tot het uiterste gespannen, greep driftig hare hand en trok haar nader bij de lamp. Zij bood slechts flauwen wederstand, maar neigde met vrouwelijke schaamte het hoofd op den vollen boezem.
„Alisette! Gij?” riep hij buiten zich zelf van verbazing. „Hoe is het mogelijk, dat gij hier komt!”
Zij sloeg haar schoon blauw oog, dat in vochtigen glans schemerde, biddend tot hem op en sprak met eene bevende stem: „Ach, voorzeker is het mij zelve onbegrijpelijk; maar er zijn tijden en omstandigheden, welke ook ons vrouwen in de zonderlingste en ongewoonste betrekking plaatsen. O, ik gevoel diep”, ging zij met neergeslagen oogen voort, „hoe vijandig de schijn is, die op mij vallen moet, nu gij mij hier aantreft! Doch wist gij....”
„Ik zweer u,” riep Jaromir vurig uit, „dat mijn hart niet in staat is, eenigen onwaardigen argwaan te voeden!”
„O gij edele vriend,” snikteAlisette, greep zijne hand en drukte ze met warmte. Hierop zonk zij vermoeid en uitgeput op de sofa neder en verborg haar lokkig hoofd in het zijden kussen. Zij scheen in stilte te weenen. Jaromir stond voor haar en beschouwde het schoone meisje met een kloppend hart. Het hoofd rustte op den vollen, licht verhulden arm, de haren wierpen hunne schaduw op wangen en nek; de rechterhand hing achteloos neder. Zacht zette hij zich naast haar, nam hare hand en sprak met waarlijk medelijdende aandoening: „Bedaar, arm meisje! Gij zult een vriend in mij vinden.”
Zij richtte zich langzaam op. „Ach,”zuchtte zij, „wanneer het tafereel van mijn leven zoo met recht levendige kleuren voor mijn geest staat, dan begeven mij de krachten. Schenk gij mij slechts vergiffenis!—Maar hooren moet gij, welke lotswisselingen mij herwaarts voeren. Beantwoord mij echter eerst deze ééne vraag: Herkendet gij mij niet vroeger?”
„U? Wanneer?” vroeg Jaromir verwonderd.
„Gij zoudt mij niet in de mannelijke kleeding herkend hebben!”
„Onmogelijk! Gij zelve waart de sierlijke, schelmsche bode? Nu begrijp ik de duistere wenken der herinnering.....”
„De schelmsche bode!” vielAlisettehem met een bitteren nadruk in de rede. „O wanneer gij wist, wat het mij gekost heeft, die rol vol te houden. Maar ik heb op het tooneel gestaan, waar ik vaak met een verscheurd, bloedend hart een lachend gelaat moest vertoonen!—Doch, wilt gij mij aanhooren? Zal mijn verhaal u niet vermoeien? Zult gij mij uw raad en bijstand niet ontzeggen?”
„Een ellendeling zou ik zijn, indien ik niet bereid ware, alles voor u te doen!” riep Jaromir, drukte hare zachte hand, die nog immer in de zijne rustte, aan zijne lippen en bedekte ze met gloeiende kussen.Alisettebelette dit niet en drukte haar doek voor de schoone, weenende oogen.
„Nu, verhaal dan, verhaal mij alles,” bad Jaromir; „droog die bittere tranen, want gij hebt een vriend, een broeder gevonden.”
„En ik wil mij aan u vertrouwen, als aan een broeder,” hervatte het meisje en drukte liefderijk zijne hand. „Gij weet wellicht niet, dat ik een afschuw van mijn stand heb? Waarom—behoeft eene vrouw, een meisje u niet te verklaren. Maar de dringende nood, de zorg voor het eenig overgebleven kind eener boven alles geliefde zuster, die ik in Engeland verloor, drongen mij, in deze rampzalige betrekking te blijven. Mijn talent, dat ik slechts tot eene vrijwillige veraangenaming des levens voor mij en anderen bestemd waande, moest onder den drukkenden slaafschen plicht, om voor het dagelijksche onderhoud te zorgen, buigen. De treurige omstandigheden, die mij het eerst deze akelige baan deden inslaan, behoef ik u niet op te geven. In Warschau vondt gij mij daarop; de uren, in het huis der gravin gesleten, de vluchtige dagen, dat ik u daar aantrof, waren de schoonste mijns levens. Gaarne ware ik daar gebleven, maar de verfoeielijke aanbiedingen eens mans in wiens hand daar mijn gansche lot berustte, dwongen mij, spoedig na u, eenige dagen nadat de gravin was afgereisd, de stad te verlaten, waar ik zooveel goeds had genoten, waar echtereensklapsal diegenen, welke mij vriendschap hadden betoond, als door een ruwen storm naar alle wereldstreken waren uiteengestoven. Zonder raad of hulp, bleef mij niets over, dan den naasten tak aan te grijpen, dien ik in mijne schipbreuk ontdekte. Een tooneeldirecteur, die op de macht en het geluk des keizers het onbepaaldste vertrouwen stelde, beijverde zich, leden voor eene fransche opera aan te werven, door welke hij het winterverblijf in Rusland voor het leger dacht te veraangenamen. In den beginne heette het, de keizer zou te Witepsk blijven; derwaarts volgde hem de nieuwe beschikker van mijn lot. Ik waagde mij te midden van het gewoel des oorlogs; zonder vrees, durf ik zeggen, want ik ben aandestormen des levens gewoon en uitwendig gevaar verschrikt mij niet meer. Maar nauwelijks waren wij te Witepsk aangekomen, of de keizer brak van daar op en de stad werd zoo ledig en eenzaam als vroeger. Ten einde de groote onkosten, welke hij reeds had gemaakt, niet geheel te verliezen,besloot de ondernemer het leger te volgen. Hij hield zich stellig overtuigd, dat de keizer weldra te Moskou zijn zoude, en zocht ons daardoor te overreden, hem verder te volgen. Echter zou ik zeker naar Duitschland of Polen zijn teruggekeerd, maar.....” Zij scheen een oogenblik huiverig om voort te gaan. „Doch waarom zoude ik mij de bekentenis schamen,” vervolgde zij blozend, „het ontbrak mij daartoe aan geld.”