„Richt u!” klonk Rasinski's donderstem, en als een pijl vloog hij naar den rechtervleugel, om met zijn valkenblik de linie te meten. Thans heerschte de ademlooze stilte van den dienst; elk oog was op den nevenman gericht, elk oor voor het commando geopend. „Sabel uit!” De klingen bliksemden. „Eerste colonne, voorwaarts! In colonne rechts zwenkt! Marsch!”—De frontlijn brak; de vroolijke krijgschmarsch der trompetten schalde; Rasinski plaatste zich aan de spits van zijn regiment en voerde het in statigen optocht de vensters van het paleis voorbij. Het balkon genaderd, groette hij met den degen en wierp tevens een warmen liefdeblik naar boven. De gravin wuifde met een witten zijden doek, dien zij achteloos om den hals had geknoopt. Naar de schooneoud-poolsche gewoonte, die aan de vrouwen vergunde, den uittrekkenden krijgsman openlijk een aandenken van hare hand mede te geven en zoo door de zachte, maar machtige aanblazing uit vrouwelijke borst den moed hooger te ontvlammen; naar die gewoonte, welke in vroegere tijden vooral door vorstinnen gehuldigd werd, liet zij den doek naar beneden fladderen. Rasinski ving dien met zijne sabelspits op en bond hem om den arm. Een luide kreet van toejuiching ging op. Dadelijk golfden doeken, strikken, linten, sluiers uit alle vensters naar beneden. Niet de zuster schonk den broeder, niet de bruid den verloofde, niet de gade den echtgenoot eene gedachtenis; neen, de Poolsche schonk die den Pool. Met de lansen, met de sabels vingen de krijgers de geschenken op. Eene beeldschoone vrouw, met rijke, donkere haarlokken, die tegenover het paleis aan een venster stond, scheurde haren sluier doormidden en liet beide helften neerdwarlen. Toevallig waren juist Lodewijk en Bernard de gelukkigen, die ze met hunne lanspunten opvingen. De laatste wierp vurige, vlammende blikken en, in overmoedige stoutheid, zelfs een warmen handkus naar boven; de schoone lachte betooverend vriendelijk. Lodewijk groette met weemoedigen ernst en dacht aan eene andere gestalte, die hij misschien voor altijd verloren had. Bernard riep in het fransch uit: „Ik ben geen Pool, maar bloed en leven heb ik voor Polen veil.” Zijn loon was eene roos, die zij van een in het venster staanden struik afbrak en hem toewierp. Behendig ving hij de bloem in het vallen op, stak haar aan zijne borst, groette nog eenmaal de bevallige geefster en sprong ijlings weder in het gelid.Lodoiska was besluiteloos. Den sluier kon zij niet wegschenken, daar deze hare diepe droefheid voor de oogen der menigte verborgen hield. IJlings maakte zij een strik van haren boezem los en liet hem voor Jaromir neervallen. Maar de nijdige wind voerde het lichte geschenk weg, en Boleslaw was de gelukkige in wiens hand het geraakte. Hij drukte den ongehoopten schat aan zijne lippen en wierp het meisje een vurigen blik toe. Jaromir bemerkte zulks en vatte den argwaan op, dat het lint niet hem was toegedacht, schoon Lodoiska juist een tweede liet neerfladderen, dat door een gunstig windje gedragen, zich van zelf op zijn schouder neerliet. Ras ontvlammend in gramschap als in liefde, had hij even snel weder vergeven als hij vertoornd was, nam den strik, dankte de dierbare met wenk en blik, en hechtte, niet weinig trotsch op dien tooi, het liefdeteeken op zijne borst.De trein sloeg thans de engere zijstraat in, waarAlisettewoonde. Zij stond aan het raam en zag de ruiters voorbijtrekken. Alle officieren, die ze kende, knikte zij toe; zij zelve werd, als de bevallige zangeres, bijna door allen herkend en gegroet. Met fransche vlugheid en levendigheid wenkte zij nu vroolijk, dan treurig met hoofd en hand, en wanneer iemand dicht onder hare niet hooge vensters voorbijreed, riep zij hem ook wel een zoet, welluidend vaarwel toe. Vooral Bernard werd een buitengewoon vriendelijken groet toegeroepen, dien hij even zoo beantwoordde, hoewel niet zonder eenig inwendig gevoel van weemoed, dat hij thans van dit aanvallige wezen wellicht voor altijd scheiden moest. Zijne vroegere achterdocht zou thans geheel verdwenen zijn, wanneer hij niet, nog eenmaal omziende, bespeurd had hoe zij van kleur veranderde, toen Jaromir, die een rot achter hem reed, het venster naderde. Zij kreeg een krans van rozen en vergeet-mij-niet, dien zij tot hiertoe verborgen had, te voorschijn, wierp dien den jeugdig schoonen ruiter toe en zeide hem met woorden en blikken het roerendst vaarwel. Jaromir, dien èn beschaming èn vreugde de wangen verfde, hield de teugels aan, sprak eenige oogenblikken met het beminnelijke meisje en dankte haar in bijna teedere uitdrukkingen.Hm! dacht Bernard en schudde bedenkelijk het hoofd, vooral toen hij bemerkte, dat Lodoiska, om de troepen nog verder na te zien, aan een venster der eetzaal was getreden en het voorval mede aanzag, zonder dat Jaromir haar bespeurde. Spoedig daarop maakte hij van eene oogenblikkelijke verwarring, waarin de gelederen door de enge ruimte der straat gebracht waren, gebruik om op Jaromir toe te rijden en hem half ernstig, half spotachtig in het oor te fluisteren: „Trouwelooze! Wat hebt gij gedaan? Dus aan die schoone, verleidelijke Phryne hebt gij den laatsten afscheidsgroet toegeworpen? Zij is de laatste aan wie gij hier blijft terugdenken?”„Neen, waarlijk niet,” riep Jaromir, „nu en eeuwig behoort mijn hart aan Lodoiska. MaarAlisettewas altijd zoo vriendelijk jegens mij!”„Misschien te vriendelijk! Neem u in acht!” hernam Bernard.Jaromir glimlachte. „Het heeft geen gevaar! Maar keer thans naar uw rot terug, want zoo dadelijk komen wij aan de brug van Praga, waarover wij in goede orde defileeren moeten.”De voortgang werd nu gestremd, daar de spits op verschillende troepenafdeelingen stiet, die uit andere straten kwamen oprukken.De oversteRegnardvertoonde zich aan het hoofd zijner colonne. De marschorde was intusschen spoedig geregeld; Rasinski met zijne lichtecavalerierukte vooraan, eene afdeeling dragonders volgde hem,Regnardmet het voetvolk sloot achter deze aan, de artillerie eindelijk vormde de achterhoede. Het was een verheven schouwspel, toen de trein nu de brug bedekte, en de prachtigeWeichselspiegel de glansrijke gestalten terugkaatste, die in afwisselende groepen over hem heentogen. Beide oevers waren door eene tallooze menigte omkranst; tot in de wijde verte klonk het vroolijk jubelen en juichen; de witte lansvanen glinsterden in den zonneschijn; het gekletter der wapenen, de hoefslag der paarden, het ratelend dreunen der kanonnen voltooiden de indrukwekkende verhevenheid van het grootsche tooneel.
„Richt u!” klonk Rasinski's donderstem, en als een pijl vloog hij naar den rechtervleugel, om met zijn valkenblik de linie te meten. Thans heerschte de ademlooze stilte van den dienst; elk oog was op den nevenman gericht, elk oor voor het commando geopend. „Sabel uit!” De klingen bliksemden. „Eerste colonne, voorwaarts! In colonne rechts zwenkt! Marsch!”—De frontlijn brak; de vroolijke krijgschmarsch der trompetten schalde; Rasinski plaatste zich aan de spits van zijn regiment en voerde het in statigen optocht de vensters van het paleis voorbij. Het balkon genaderd, groette hij met den degen en wierp tevens een warmen liefdeblik naar boven. De gravin wuifde met een witten zijden doek, dien zij achteloos om den hals had geknoopt. Naar de schooneoud-poolsche gewoonte, die aan de vrouwen vergunde, den uittrekkenden krijgsman openlijk een aandenken van hare hand mede te geven en zoo door de zachte, maar machtige aanblazing uit vrouwelijke borst den moed hooger te ontvlammen; naar die gewoonte, welke in vroegere tijden vooral door vorstinnen gehuldigd werd, liet zij den doek naar beneden fladderen. Rasinski ving dien met zijne sabelspits op en bond hem om den arm. Een luide kreet van toejuiching ging op. Dadelijk golfden doeken, strikken, linten, sluiers uit alle vensters naar beneden. Niet de zuster schonk den broeder, niet de bruid den verloofde, niet de gade den echtgenoot eene gedachtenis; neen, de Poolsche schonk die den Pool. Met de lansen, met de sabels vingen de krijgers de geschenken op. Eene beeldschoone vrouw, met rijke, donkere haarlokken, die tegenover het paleis aan een venster stond, scheurde haren sluier doormidden en liet beide helften neerdwarlen. Toevallig waren juist Lodewijk en Bernard de gelukkigen, die ze met hunne lanspunten opvingen. De laatste wierp vurige, vlammende blikken en, in overmoedige stoutheid, zelfs een warmen handkus naar boven; de schoone lachte betooverend vriendelijk. Lodewijk groette met weemoedigen ernst en dacht aan eene andere gestalte, die hij misschien voor altijd verloren had. Bernard riep in het fransch uit: „Ik ben geen Pool, maar bloed en leven heb ik voor Polen veil.” Zijn loon was eene roos, die zij van een in het venster staanden struik afbrak en hem toewierp. Behendig ving hij de bloem in het vallen op, stak haar aan zijne borst, groette nog eenmaal de bevallige geefster en sprong ijlings weder in het gelid.
Lodoiska was besluiteloos. Den sluier kon zij niet wegschenken, daar deze hare diepe droefheid voor de oogen der menigte verborgen hield. IJlings maakte zij een strik van haren boezem los en liet hem voor Jaromir neervallen. Maar de nijdige wind voerde het lichte geschenk weg, en Boleslaw was de gelukkige in wiens hand het geraakte. Hij drukte den ongehoopten schat aan zijne lippen en wierp het meisje een vurigen blik toe. Jaromir bemerkte zulks en vatte den argwaan op, dat het lint niet hem was toegedacht, schoon Lodoiska juist een tweede liet neerfladderen, dat door een gunstig windje gedragen, zich van zelf op zijn schouder neerliet. Ras ontvlammend in gramschap als in liefde, had hij even snel weder vergeven als hij vertoornd was, nam den strik, dankte de dierbare met wenk en blik, en hechtte, niet weinig trotsch op dien tooi, het liefdeteeken op zijne borst.
De trein sloeg thans de engere zijstraat in, waarAlisettewoonde. Zij stond aan het raam en zag de ruiters voorbijtrekken. Alle officieren, die ze kende, knikte zij toe; zij zelve werd, als de bevallige zangeres, bijna door allen herkend en gegroet. Met fransche vlugheid en levendigheid wenkte zij nu vroolijk, dan treurig met hoofd en hand, en wanneer iemand dicht onder hare niet hooge vensters voorbijreed, riep zij hem ook wel een zoet, welluidend vaarwel toe. Vooral Bernard werd een buitengewoon vriendelijken groet toegeroepen, dien hij even zoo beantwoordde, hoewel niet zonder eenig inwendig gevoel van weemoed, dat hij thans van dit aanvallige wezen wellicht voor altijd scheiden moest. Zijne vroegere achterdocht zou thans geheel verdwenen zijn, wanneer hij niet, nog eenmaal omziende, bespeurd had hoe zij van kleur veranderde, toen Jaromir, die een rot achter hem reed, het venster naderde. Zij kreeg een krans van rozen en vergeet-mij-niet, dien zij tot hiertoe verborgen had, te voorschijn, wierp dien den jeugdig schoonen ruiter toe en zeide hem met woorden en blikken het roerendst vaarwel. Jaromir, dien èn beschaming èn vreugde de wangen verfde, hield de teugels aan, sprak eenige oogenblikken met het beminnelijke meisje en dankte haar in bijna teedere uitdrukkingen.
Hm! dacht Bernard en schudde bedenkelijk het hoofd, vooral toen hij bemerkte, dat Lodoiska, om de troepen nog verder na te zien, aan een venster der eetzaal was getreden en het voorval mede aanzag, zonder dat Jaromir haar bespeurde. Spoedig daarop maakte hij van eene oogenblikkelijke verwarring, waarin de gelederen door de enge ruimte der straat gebracht waren, gebruik om op Jaromir toe te rijden en hem half ernstig, half spotachtig in het oor te fluisteren: „Trouwelooze! Wat hebt gij gedaan? Dus aan die schoone, verleidelijke Phryne hebt gij den laatsten afscheidsgroet toegeworpen? Zij is de laatste aan wie gij hier blijft terugdenken?”
„Neen, waarlijk niet,” riep Jaromir, „nu en eeuwig behoort mijn hart aan Lodoiska. MaarAlisettewas altijd zoo vriendelijk jegens mij!”
„Misschien te vriendelijk! Neem u in acht!” hernam Bernard.
Jaromir glimlachte. „Het heeft geen gevaar! Maar keer thans naar uw rot terug, want zoo dadelijk komen wij aan de brug van Praga, waarover wij in goede orde defileeren moeten.”
De voortgang werd nu gestremd, daar de spits op verschillende troepenafdeelingen stiet, die uit andere straten kwamen oprukken.
De oversteRegnardvertoonde zich aan het hoofd zijner colonne. De marschorde was intusschen spoedig geregeld; Rasinski met zijne lichtecavalerierukte vooraan, eene afdeeling dragonders volgde hem,Regnardmet het voetvolk sloot achter deze aan, de artillerie eindelijk vormde de achterhoede. Het was een verheven schouwspel, toen de trein nu de brug bedekte, en de prachtigeWeichselspiegel de glansrijke gestalten terugkaatste, die in afwisselende groepen over hem heentogen. Beide oevers waren door eene tallooze menigte omkranst; tot in de wijde verte klonk het vroolijk jubelen en juichen; de witte lansvanen glinsterden in den zonneschijn; het gekletter der wapenen, de hoefslag der paarden, het ratelend dreunen der kanonnen voltooiden de indrukwekkende verhevenheid van het grootsche tooneel.